diff options
Diffstat (limited to '26100-8.txt')
| -rw-r--r-- | 26100-8.txt | 14130 |
1 files changed, 14130 insertions, 0 deletions
diff --git a/26100-8.txt b/26100-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d383841 --- /dev/null +++ b/26100-8.txt @@ -0,0 +1,14130 @@ +The Project Gutenberg EBook of Reisontmoetingen van Joachim +Polsbroekerwoud en zijne Vrienden, by Vlerk + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden + +Author: Vlerk + +Commentator: W.F.C. van Laak + +Release Date: July 21, 2008 [EBook #26100] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REISONTMOETINGEN VAN JOACHIM *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + REISONTMOETINGEN + + VAN + + JOACHIM POLSBROEKERWOUD + + en zijne Vrienden. + + Uitgegeven + door + + VLERK. + + + + Geïllustreerd. + + Arnhem--Nijmegen, + + Gebrs. E. & M. Cohen. + + + + + + + + + Gedrukt bij Karel F. Misset, Arnhem. + + + + + + +Voorwoord. + + +De "Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden" +werden in 1840 te Amsterdam voor het eerst uitgegeven. In twaalf +nummers van 24 bladzijden kwamen de afleveringen uit, elk voorzien +van eene plaat en van een omslag met geestige randversiering. + +Het geheel valt merkwaardig in het genre van Dickens: hoofdonderwerp, +stemming, stijl, platen en titelversiering. Bij den eersten oogopslag +herkent men de uitgave van de Pickwick! Hendrik Frijlink te Amsterdam, +die deze twaalf afleveringen à 30 cents uitgaf, heeft gezorgd voor +eene keurige en smaakvolle uitvoering, weelderig genoeg voor dien +tijd, terwijl de octavobladzijden met eene kleine, maar fraaie, +scherpgeteekende letter zijn afgedrukt. Een boek, dat f 3,60 gekost +heeft en dat dus den uitgever van het Leeskabinet tot eer en tot +voordeel kon strekken. + +Hoe ging mijn hart open, toen ik die afleveringen na eene halve eeuw +wederzag! In mijn prille jeugd had ik ze op eene bovenkamer in mijn +vaders huis tusschen andere letterkundige en nuttige boeken gevonden +en voor den dag gehaald. Gij kunt begrijpen, dat een knaap van een +tiental of een twaalftal jaren het eerst naar de boeken grijpt, die +door prentwerk aantrekkelijk gemaakt zijn! Ik kende toen reeds het een +en ander van Dickens uit de vertaling, die in tal van afleveringen +van het "Leeskabinet" voorkwam, een allergezelligst maandschrift, +dat ook door Frijlink uitgegeven werd en waarvan enkele jaargangen op +denzelfden zolder lagen opgestapeld. De platen in het Leeskabinet en +die van de "Reisontmoetingen" hadden iets van elkaar en zoo meende ik +toen reeds iets van de navolging te bespeuren. De prentjes brachten +mij aan 't lezen; ik las toen rijp en groen, en de humor van dit boek +boeide mij. + +Die humor deed mij te meer pleizier, omdat ik er weldra eenige +inlichtingen bij ontving van vader en moeder. + +Ja, ja, zoo werd mij gezegd, dat was dat grappige boek van Oome +Bernard, van Bernard Gewin, die het als student of proponent geschreven +had en die nu reeds lang een deftig predikant was. + +De schrijver was wel niet rechtstreeks van de familie, maar het +scheelde toch niet veel, want hij was de zwager van eene tante van +mij. Hij kwam als student nog al eens op de pastorie te Oudshoorn +bij Leiden een bezoek brengen en was dan zeer vriendelijk voor mijne +zuster, toenmaals nog een kind. "Oome Bernard",--zoo werd hij nog +dikwijls genoemd--was dus een huisvriend, aan wien men ook later +gaarne dacht. Hij studeerde te Leiden in dezelfde jaren, toen daar +ook nog twee andere Theologen waren, zijne vrienden Nicolaas Beets +en Johannes Petrus Hasebroek; dit drietal ging ook vriendschappelijk +om met J. Kneppelhout, die evenwel een jurist was, zonder examens +te doen. Zij vormden een soort van clubje en hielden veel van +letterkunde. Zij hadden als talentvolle jonge mannen iets later elk +een boek geschreven onder een' aangenomen naam. De een was Hildebrand, +de ander Jonathan, de derde trad op als Klikspaan. + +Hij, Gewin, had den naam van Vlerk aangenomen. Toen zij, of ten minste +een paar van hen, een reisje langs den Rijn en naar Zwitserland gedaan +hadden, had Gewin daar eene beschrijving van gemaakt, natuurlijk met +allerlei bijwerk en verandering van namen en omstandigheden. + +Die goede, vroolijke Gewin was een liefhebber van grappen. Had hij +niet als student een' grooten brief aan mijne ouders geschreven, een' +brief zoo ontzaglijk, dat het vel sterk en dik papier wel eene geheele +tafel bedekte? Daarin had hij schertsend in Bijbelstijl, in de tale +Kanaäns, allerhande nieuwtjes medegedeeld, aardig te zamengebracht, +met geestige afwisseling van het een op het ander overgaand. + + + +Nu ligt dat boek over Polsbroekerwoud hier voor mij als eene +vriendelijke herinnering aan de roemvolle dagen der vernieuwing +onzer Letterkunde. + +Het werk is zeldzaam geworden. Het zou menigeen moeilijk vallen er een +tweede exemplaar naast te leggen! Zelfs oude bezitters van dit werk +zijn het allengs kwijt geraakt. Ook wijlen de Heer J. Kneppelhout +op den Hemelschen Berg bij Oosterbeek, niet ver van Arnhem, had het +vroeger in zijne boekerij, maar het is er niet meer te vinden: een +herdruk is het eenige middel om het aan de leesgrage wereld weder in +handen te spelen. + +Buitendien is een herdruk niet ongewettigd. Dit boek immers +vertegenwoordigt met eenige andere uit denzelfden tijd, een belangrijk +tijdperk uit de geschiedenis onzer vaderlandsche Letterkunde. + +Ik denk hier aan het optreden der Romantische school in ons land. Met +het woord school bedoel ik hier eigenlijk alleen eene richting, +een overhellen tot wat toenmaals nieuw was in Europa. + +Sedert de dagen der zestiende en zeventiende eeuw, de bekende +Herleving der Letteren, was de geestdrift voor het schoone der +Klassieke Grieksche en Romeinsche oudheid eenigszins bekoeld. + +De navolging op slaafschen trant van steeds dezelfde verhalen in +telkens denzelfden vorm begon bij mannen van gunstigen aanleg walging +te verwekken. Geruimen tijd had men begrepen, dat de wereldbeschouwing +en de nieuwerwetsche gevoelens evenals de met het heidendom van Rome +en Griekenland niet meer strookende begrippen onmogelijk in de oude +phraseologie te persen waren. De geleerden hadden het weliswaar nog +lang volgehouden er behagen in te scheppen, als zij eenige volzinnen +tegenkwamen, die geheel of gedeeltelijk uit de oude schrijvers vertaald +of nagevolgd waren, maar het groote publiek bleef daar koud voor en +liet zich op den duur niet bedotten. + +Ook zij, die met de oude letteren niet bekend waren, begonnen in de +nieuwe talen als dichters en schrijvers roem te oogsten. Sommigen +werden alom gevierd, ja wereldberoemd, die nooit Grieksch of Latijn +hadden verstaan. + +Andere voortbrengselen van den menschelijken geest begonnen daarom +meer de aandacht te trekken. Zoowel de stukken oude poëzie uit de +Middeleeuwen, als andere uitingen van het Europeesche genie werden nog +eens voor den dag gehaald en geprezen. Stukken, die in den boezem des +volks waren ontstaan en die menigmaal onder de mindere bevolking in +onooglijke blauwbloekjes een bijna verborgen leven leidden, ja, die +soms in de verhalen der dorpelingen een gebrekkig voortbestaan hadden +gevonden of slechts leefden in den mond der zangers in achterhoeken +of kermisbuurten, zulke stukken nationaal volksleven waren reeds lang +in Frankrijk en later in Engeland en Duitschland door geleerden of +wijzen aan de kenners aangeprezen. Deze werden nu voortaan bestudeerd. + +Poëzie scheen iets nationaals te zijn geworden en bleef niet langer +een soort van geleerdheid van een enkel individu, behoorende tot de +"Republiek der Letteren". + +En toch bleek ook weder, dat de Poëzie iets internationaals was, meer +dan eenige zaak ter wereld. Maar men lette nu ook op de dichters van +het verre Oosten en legde opnieuw de hand op den ouden, bekenden +Bijbel, maar om daar het _menschelijke_ te bestudeeren, als een +product van dezelfde dichterlijke geestdrift, die ook elders werkzaam +geweest was. Men stelde zelfs eene vergelijking in van het schoone, +dat zich overal bij Perzen en Indiërs, bij Mohammedanen en heidenen +evenals bij de oudste Germaansche stammen had voorgedaan. + +Ja, overal had men poëzie gevonden, en alle volken hadden, zoo bewees +men, hunne eigen opvattingen en vormen gehad, en zelf gevonden, terwijl +het eene volk niet uitsluitend een voorrecht bezat boven alle andere. + +Zoo werd nu niet langer _de tijd der Middeleeuwen_ verwaarloosd en in +de verschillende landen werd _het echt nationale_ weder opgezocht. De +deftigheid en stijfheid, die men zich eigen had gemaakt, denkende, +dat dit bij de Grieken en Romeinen zoo was en die men dus ook had +willen nabootsen als de eenige, ware, orthodox klassieke manier, +ze werd eenvoudig uitgelachen en ter zijde gesteld. + +_De natuur_, die men niet meer door de oogen der Grieken of Romeinen, +der geleerden of pedanten bekijken wilde, maar die de gansche wereld +door Buffon had leeren kennen en door Rousseau had leeren liefhebben, +de natuur, en _de rede_, beide door de Fransche omwenteling op den +troon gezet, ze werden voortaan met ongekende geestdrift als eene +nieuwe ontdekking geprezen en gevierd. + +Er was een geslacht opgetreden, dat groote dingen had gedaan of +groote omwentelingen had bijgewoond en eene reuzenworsteling had +doorleefd. Met den durf der vermetelheid werd veel over boord geworpen, +dat lang voor heilig en onaantastbaar gegolden had. + +Geen wonder dat men lachte met de regelen der klassiek gevormde +geleerden, dat men brak met de uitspraken van Boileau, dat de +Fransche Académie niet meer alle gezag behield en dat men in brutalen +overmoed of dichterlijke dweepzucht alle vormen schond van conventie +of pruikendienst. + +Het was in de hoogste mate schokkend voor sommige bedeesde zielen, +maar er was niets meer aan te doen: een ongekende maat van _vrijheid_ +begon zich overal baan te breken. + +Het proza en de poëzie vertoonden er dagelijks de sporen van. + +Wij stippen slechts even aan, wat er gebeurde in de drie voorname +genres van letterkunde: in 't lyrische, in 't epische en in 't +dramatische deel der moderne poëzie. + + + +Daar, waar de dichter zijn eigen gevoel te kennen wilde geven, zijn +vreugde en zijn leed, had hij het steeds gedaan en bleef hij dat doen +naar de mate zijner kracht. Maar met een hartstocht, nimmer voorheen +vertoond, trok hij zich thans de meest onderscheidene dingen aan, +verheugde zich met al wat op aarde schoon, goed of waar was en was in +zijn gansche ziel geroerd over 't minste dat betreurd kon worden in +'t rijke leven van plant, dier of mensch. Zelfs 't leven van gesteenten +en delfstoffen in hun opkomen en vergaan scheen eene echo te vinden in +'t kloppen van 's dichters hart. Zoo was het op 't gebied der _Lyriek_. + +Waar zich in vroeger jaren de schrijver voornamelijk beijverde +avonturen van oorlog of liefde als geheel persoonlijk te schilderen +en alleen in hoogsten ernst te behandelen, daar werd voortaan in den +roman het _nationale_ opgezocht, de _historische waarheid_ weergegeven, +de _plaatselijke kleur_ aangebracht en _de humor_ van den schrijver +geopenbaard. Zoo werd _het epische_ geheel tot iets anders gemaakt. + +Met het Tooneel ging men nog veel meer revolutionair te werk. De oude +comedie was niets dan scherts geweest, de klassieke tragedie niets +dan hooge ernst. + +Reeds de achttiende eeuw begon met de drama's van Shakespeare op te +hemelen en alle eer werd hun weldra gegund: die drama's hadden weinig +gemeens met de oude Grieksche en werden meer en meer als voorbeelden +van dichterlijk schoon gehuldigd. + +Het werd een vast gebruik, dat geestigheden en vroolijke zetten niet +geweerd behoefden te worden uit welk tooneelstuk dan ook. Niet de +vorsten alleen bleven de helden der ernstigste stukken, ook de kleinen +en armen werden soms onder de hoofdpersonen opgenomen. De tijd, waarin +de gebeurtenissen plaats hadden, werd geheel genomen, zooals men het +noodig oordeelde, zoodat een tiental van jaren soms verliep tusschen +het eene bedrijf en het ander. De schrijvers durfden alles te doen, +wat zij maar wilden. + +Groote dichters waren daarin voorgegaan. Zoo werd het Drama aan +willekeur prijsgegeven. + +Onder de mannen, wier naam verbonden werd aan al deze vernieuwingen of +aan sommige er van, werden met evenveel geestdrift als bewondering +Byron en Walter Scott genoemd, Goethe en Schiller, Lamartine en +Victor Hugo. + + + +Geen wonder, dat menig student aan onze Akademiën een groot deel van +zijnen tijd afzonderde om te doen wat men noemde met eene uitdrukking, +die niet meer tot dien tijd behoorde: "offeren aan de Muzen!" + +Zooals de jongelui in de zestiende eeuw, die in de nationale +letterkunde van hunnen tijd slechts wansmaak en gebrek aan stijl +konden aantreffen, zich met hartstocht wierpen op de schriften der +Grieken en Romeinen, zoo wilden de beschaafde jongelui in de jaren +van 20 tot 40 der negentiende eeuw, de geniale schrijvers, daareven +opgenoemd, als de hoofdleiders erkennen van allen goeden smaak en +als de profeten van het ware, schoone en goede. + +Zelfs Bilderdijks leerlingen en bewonderaars moesten naar deze groote +geesten luisteren. + + + +De vier Leidsche studenten, in den aanvang van deze inleiding genoemd, +dweepten met de helden der nieuwe letterkundige richting. Zij lazen +zoo mogelijk ieder nieuw geschrift, dat in denzelfden geest viel en zij +schaamden zich niet de producten uit den vreemde te importeeren. Menige +bladzijde, die hen aantrok, werd vertaald, menige, gedachte, die hen +trof, werd overgenomen! Ja, zij oefenden zich onwillekeurig in het +navolgen van dezelfde wijze van doen. + +Wat Jacob van Lennep en Izaäk da Costa niet hadden kunnen laten, +hoe zouden Hildebrand, Klikspaan en Jonathan dat hebben kunnen doen? + +Hildebrand en Jonathan waren in hunne prozavorming geheel onder den +indruk geraakt van wat de Engelschen _humor_ hebben genoemd. Het was +dat spelen van den geest met den ernst en met de scherts, met het +groote en het kleine, met het roerende en het potsierlijke. Het was +het opmerken van de waarheid en van het natuurlijke in alle dingen +en onder iedere omstandigheid. Het was vooral de wijsheid van den +hoogontwikkelde en daarmede gepaard de hartelijkheid en innigheid +van den zedelijk gemoedelijken mensch. + +Zij, de toekomstige Zondagspredikers, men zou haast zeggen: bij de +gratie Gods, ze konden niet de gelegenheid verloren laten gaan om +in het letterkundige alledagpredikers te worden door hun vriendelijk +humoristische critiek op het dagelijksch leven van vele alledaagsche +menschenkinderen in hunne omgeving. + +Al heeft hun vriend Vlerk het niet zoover gebracht in het aantal +herdrukken tot nog toe als zij, zoo moeten wij hem toch in éénen adem +met hen noemen. + +Hoe men hem ook beoordeele,--en een man als Potgieter, eens de criticus +van "de Gids", beoordeelde hem niet zacht, Vlerk heeft nog meer dan +zijne vrienden getoond in welke letterkundige atmosfeer hij leefde. + +Hij schijnt zich te hebben voorgesteld in dit boek over Polsbroekerwoud +en zijne vrienden bij elkander te geven ongeveer al wat de Romantiek +in dien tijd eigenaardigs had. + +Eigen, persoonlijke opmerkingen overal, humoristische uitweidingen, +afgewisseld door de stelselmatige opsomming van de vier of vijf +oordeelvellingen der vier of vijf reizigers omtrent al wat ze zien +of beleven. Daarbij de zoete dweperij van een der vrienden, die een +echt ontvlambaar jong hart bezit. Tot tegenstelling laat zich bij +iedere gelegenheid de zwaartillende Holstaff hooren, die de donkerste +schakeeringen der melancholie alom weet aan te brengen met een stillen +wellust, eene betere zaak overwaardig. Dat alles gelijkt nu en dan op +een van te voren opgemaakt stelsel, dat in alle onderdeelen uitgevoerd +is naar een onwrikbaar besluit. + +Zoo moeten er dan ook onverwachte avonturen plaatshebben, schaking, +moeite met de policie en minstens één erg hartstochtelijk, hoogst +tragisch tooneel. De persoon van Polsbroekerwoud wandelt tusschen dat +alles door als een type van het oude Hollandsche burgermannetje. Dat +hij een der gepromoveerde vrienden is, gewezen student en Rotterdammer +van geboorte, is misschien eene kleine vergissing, want hij is veeleer +een jongere broeder van Stastok, dan een vriend uit den kring van +Hildebrand. + +Doch, zooals hij daar treilt en zeilt, is hij een van de personen, +die leven brengen en afwisseling in deze Romantische brouwerij. + +Het zal menigeen niet berouwen deze reisontmoetingen te hebben ter +hand genomen, ja enkelen zullen met dankbaarheid in den schrijver den +opgeruimden zin herkennen van Veervlug zelven, die onder den naam +van Vlerk al zijnen humor heeft willen laten uitrazen, vóórdat hij +als Bernard Gewin een beroep aanvaardde naar een stil en nederig dorp. + +Sic transit gloria mundi! + +Hij zal weldra aan andere dingen moeten denken. "Nu moet ik Pols +nog afmaken, want Frijlink wil absoluut, dat het afkomt. Uit zijn +boekverkopersoogen gezien, heeft hij gelijk. Ik wou dat het uit was" +zoo schrijft hij aan zijnen vriend Kneppelhout. En een weinig verder: +"Wat zitten die vrienden H. en B. stil. Daar komt nooit meer iets +van hen uit." Dit doelt natuurlijk op Hasebroek en Beets, reeds lang +voór hem op hunne dorpspastorie. Nu, in deze vergiste hij zich: er +zou nog wel iets van hen uitkomen. Maar van Vlerk zou de Pers niets +meer zien. "Ik bewaar liefst mijn incognito", schrijft hij in een' +anderen brief aan den man, die nooit zou ophouden te schrijven, +dan wanneer het hem onmogelijk worden zou. + +Voortaan zou Bernard Gewin de deftigheid bewaren voor het groote +publiek en doen alsof hij nooit den luchtigen Vlerk gekend had. + + + Arnhem, Augustus 1902. + + W. F. C. van Laak. + + + + + + + + +HOOFDSTUK I. + + Kennismaking met de Hoofdpersonen. + + +Ik ken vreemdelingen, die, van de Schiezijde Rotterdam binnenkomende, +volstrekt niet verrukt waren over de entrée van den Oppert. En toch, +de straat is lang en nauw en drok, de huizen zijn hoog en smal, +en in een aantal derzelve wordt een koek- of broodbakkersaffaire +uitgeoefend; eene menigte niet al te zindelijk gekleede kinderen +beweegt zich op de stoepen, en vele moeders, die Mietje of Jantje of +Klaasje roepen, stellen hare longen op eene zware proef, daar bijna +altijd overrijwagens, met rammelend ijzer beladen, over de ongelijke +keisteenen voortrollen. Zoo is het evenwel alleen in het begin: een +weinig verder is het gewoel minder en ziet men deftige woningen het +hooge dak verheffen, en vooral aan de zijde van het Turfmarktje zijn +er zulke, dat men verwonderd staat, hoe zij in dit gedeelte der stad +zijn verdwaald geraakt. + +Die verwondering houdt evenwel op wanneer men bespeurt, dat deze huizen +van achteren aan de vaart voor groente- en marktschepen uitkomen, +en dat aan de meesten een houtvlotje annex is, op palen in het water +vastgeheid. Deze vlotjes zijn met hekjes omgeven, en over die hekjes +hangen gewoonlijk theedoeken of luiers te droogen, en achter die +doeken staan potten met bloemen en hier en daar eene tuinbank, en om +de illusie nog te vermeerderen, hangt aan sommige achtermuren eene +leeuwerikkooi of duiventil. Dit alles hebben de Oppertbewoners aan de +Turfmarktzijde vooruit boven de Oppertbewoners aan de Slijkvaartzijde. + +Het was dus niet vreemd, dat de oude Heer Polsbroekerwoud, toen +hij na vele jaren handelens rijk was geworden, de weinige jaren, +die hem tot rusten overbleven, besloot door te brengen in een huis, +met houtvlot en erve, gelegen aan de oostzijde van den Oppert. Hoe +gaarne had de goede grijsaard daar in zijn eigen woning zijne gade, +die met hem had gezwoegd en met hem was oud geworden, bij zich +gezien! Maar helaas! daags na den aankoop van het huis, stierf zij; +zij zag Kanaän, en mogt het niet binnengaan. Eenzaam leefde hij dus, +maar toch gerust en gelukkig, en in de zomervacantie kwam zijn eenige +zoon, die een geleerde moest worden, en dus in Leyden op kamers woonde, +zijne rust met hem deelen. Acht jaren mogt de oude man al dat geluk +smaken. Elken dag zagen de buren hem op zijne buitenplaats, zoo als hij +zijn houtvlotje noemde, te voorschijn komen, en met welgevallen staren +op zijne potjes met palm, primula veris, goudsbloemen en balsamines, +die elkander afwisselden en tusschen de groenhouten bakken met oguba +en hortensia waren geplaatst.--En toen hij nu op een zomer-avond, +onverwacht en zonder smart, op zijne buitenplaats de eeuwige rust +inging, was hij gelukkig in het denkbeeld, dat zijn lieve Joachim, +die juist volleerd van de Akademie was te huis gekomen, de vruchten van +zijnen arbeid mogt plukken, en een zorgeloos en rustig leven leiden. + +En Joachim, die goed was als zijn vader, en rust beminnend als deze +in het laatst van zijn leven, en huishoudelijk als zijne moeder, +betrok de woning in den Oppert. Daar leefde hij een weinig minder +eenvoudig dan de oude Heer, daar hij aan de Akademie geleerd had, +dat een mensch meer noodig heeft, dan een burgerman wel vermoedt; +maar toch, hij was matig en bedaard. Hij behoorde tot die gelukkigen, +die verwonderlijk weinig hartstogten te bestrijden hebben, die eene +gemakkelijke ledigheid de aangenaamste occupatie rekenen, en die even +weinig dorst naar genot als naar kennis hebben. + +Op een warmen zomer-avond, eenige jaren na zijne komst in Rotterdam, +liep onze vriend de tuinkamer langzaam op en neder, en liet met +welgevallen zijn oog gaan op de keurige rangschikking van vijf Goudsche +pijpen, die met tabaksdoos, komfoor en andere rookbehoeften op de +tafel waren geplaatst. Eene flesch Rijnwijn, die den hoogdravenden +naam _Johannisberger_ op de etiquette voerde, maar, blijkens den prijs +en de onbekrompen vermenging met waterdeelen, waarschijnlijk niet uit +den slotkelder van Metternich ontboden was, stond, door een vijftal +groene glazen omringd, op een blaadje, naast de pijpen, op de tafel. + +"Heeft Mijnheer nu nog iets verders te belasten?" vroeg Mijntje +binnenkomende, terwijl zij met haar voorschoot een overgebleven stofje +van een mahonijhouten stoel verwijderde. + +Mijntje was eene bedaagde dienstmaagd, die reeds bij den ouden Heer +Polsbroekerwoud gewoond had, die met vele andere zaken aan Joachim +als erfdeel was nagelaten, en steeds met een oog van welgevallen den +Jongenheer Joachim aanschouwde, dien zij, o zoo klein! had gekend, en +nog wel op den arm had gedragen. De Jongeheer was evenwel sinds dien +tijd veel veranderd, want hij was nu een volwassen (schoon nog geen +vijf voeten lang) persoon van 34 jaren; maar Mijntje was nog dezelfde, +althans in hare gedachten, schoon de bakkersknecht zoo veel praatjes +niet meer met haar maakte, en de slager niet meer zoo ondeugend was +als voor 32 jaren. Maar in trouw en eerlijkheid en liefde voor de +familie Polsbroekerwoud was waarlijk Mijntje nog dezelfde. + +"Ik dank u, kind!" zeide Joachim, terwijl hij een knoop van zijn +lichtblaauw jasje losmaakte, waardoor zijn zwart cachemiren vest +zich geheel vertoonde, zonder evenwel iets meer van den merinossen +(luchtigen en toch deftigen) pantalon te doen zien. "Ik dank u; +de Heeren kunnen nu komen, als zij willen." + +Dit konden evenwel de Heeren, die verwacht werden, niet; want zij zaten +in de diligence, die naar Rotterdam reed, en de aankomst aldaar hing +meer af van den voerman, die de paarden voortzweepte, of misschien +van de paarden, die aan de zweepslagen lang gewoon waren, dan van +den wil der in de builkast voorthotsende Heeren. + +"Maar, Mijntje!" dus ging Joachim voort: "gij weet nu, dat wij morgen +op reis gaan." (Dit gezegde van Joachim was volkomen overbodig, daar +Mijntje het reeds wist, toen voor vier maanden het reisplan gemaakt +was, daar zij het daarenboven in de laatste dagen bij het inpakken +van ieder stuk reisgoed had gehoord, daar zij bij elke commissie had +moeten zeggen, dat het haast had, omdat Mijnheer Donderdag op reis +ging, enz.) "Dus, Mijntje! is nu alles goed in orde?" + +"Ja, Mijnheer! alles is klaar; uw koffer gepakt; uw valies gesloten; +op uw ransel heb ik de laarzen gebonden. Maar ... wat ik zeggen wilde, +Mijnheer! daar is hier eene houten pijp bezorgd. Is dat ook voor +Mijnheer? UE. rookt immers niet?" + +"Ja, kind! dat is nu wel zoo, maar op reis leert men dat misschien +aan. En hier in dit land kan men al die dingen zoo goed krijgen. In +Duitschland weet ik niet, of ze wel van die moffenpijpen verkoopen. In +allen gevalle, ik hèb ze nu vast. Steek ze maar in het zijzakje van +mijn ransel." + +Daar werd gescheld; Polsbroekerwoud keek door het raam naar beneden, +en zag de vier verwachte reis-compagnons op de stoep staan, terwijl +Mijntje met ijver de trappen afslofte, om de voordeur open te doen. + +De Heeren nu, die gescheld hadden en per diligence van Haarlem en +Leyden kwamen, om gezamenlijk met hunnen vriend Polsbroekerwoud +een reisje naar Duitschland en Zwitserland te ondernemen, waren +de volgende: + +Eduard van Torteltak, een jongeling van 23 jaren, schoon van aangezicht +en bevallig van statuur, aardig in gezelschap, maar van die schoonheid +en bevalligheid en aardigheid ook ten volle bewust. Hij had het +reisplan, door een der vrienden geopperd, gretig aangenomen, ja wel, +omdat hij gaarne Duitschland en Zwitserland ook eens zien wilde, +maar toch ook, omdat hij het effect van zijn persoon op de vreemde +meisjes wilde observeren. Daarom was het hem ook niet onaangenaam, +dat de compagnons, die hij bij zich zag, alle kennelijk minder +mooije jongens waren en zich met minder smaak kleedden dan hij. Hij +had zijn zoogenaamd los en gemakkelijk reiskostuum aan, dat hem tot +nog toe evenwel zeer ongemakkelijk was; want de polonaise, die zijne +taille heerlijk deed uitkomen, deed ook menigen zweetdroppel, welke +zich anders die moeite niet zou gegeven hebben, uit zijne poriën te +voorschijn komen. + +August Holstaff, van den ouderdom van Torteltak, maar ook slechts in +dit opzigt aan hem gelijk; want hij was een ingedrongen persoontje, +op wiens gelaat monumenten voor eens geheerscht hebbende kinderpokken +waren opgerigt. Hij had dan ook niet veel met zijn persoon op, +gelijk hij trouwens met niemand hoog liep, die een gewoon en +dragelijk gelukkig mensch was. Maar was men een weinig ongelukkig, +bijzonder indien men smart van eenen poëtischen aard had, o! dan was +hij medegevoelig en medelijdende. Maar hij bleef overigens, naar den +smaak van ongelukkigen, wat al te lijdelijk. Hij gevoelde niets voor de +natuur, zoolang de zon helder scheen; maar als de maan was opgegaan, +dan was het heerlijk. Eene bloeijende roos trok zijne aandacht niet; +maar waren de bladeren door een toeval, liefst door hagel, afgevallen, +dan ... o, dan!--Een heerlijk gebouw ging hij met verachting voorbij; +maar eene ruïne! ... o, eene ruïne!--Zijne vrienden verweten hem +wel eens, dat hij voor niets dan voor ziekelijkheid sympathie had, +en dat hij nooit een frisch, bevallig meisje, maar eene sukkelende, +teringachtige schoonheid voor zijne gade zou verkiezen.--August +Holstaff was anders een goed mensch, alleen een weinig onbruikbaar +in de zamenleving. Hij had lange, geelblonde, sluike haren, en was +nooit naar de mode gekleed. + +Jan Veervlug was, behalve Joachim Polsbroekerwoud, de oudste van het +reisgezelschap. Hij was evenwel niet zulk een bedaard en bezadigd +jongeling als deze, maar zeer opgewonden en vurig. Ontvankelijk voor +den indruk van ieder oogenblik, uitte hij zich terstond, en was daarom +niet altijd consequent; maar hij wist dit, en maakte daarop ook geen +aanspraak. Hij gaf zichzelven geen rekenschap van de indrukken, die +hij ontving, en bespaarde zich daardoor de onaangename gewaarwording +van te ontdekken, dat hij met niets zijn voordeel gedaan had. Hij was +een bewonderaar van al wat groot en edel was, omdat het hem trof. Hij +staarde met verrukking schoone natuurtooneelen aan, wanneer ze niet +te lang achtereen voor hem geopend waren: want slechts _en gros_ kon +hij genieten; _en detail_ had hij er niets aan. Daarom was nieuwheid +voor hem altijd eene bekoorlijkheid. Hij kon nooit luisteren naar de +bezadigde taal van zijnen vriend Joachim, dat deze hem moeijelijk +vergeven kon; trouwens, hij kon naar niemand luisteren, ook niet +naar zichzelven. Hij las veel en onbegrijpelijk schielijk, omdat hij +onbegrijpelijk onattent las. Hij dweepte met krachtige dichterlijke +taal, maar ook met hoogdravende ondichterlijke bombast. Voor het +overige had hij nu en dan een aardigen inval, maar hij studeerde veel +op calembourgs, en vooral op namen. + +Dionysius de Morder had, behalve dat hij een weinig scheel zag, niets +opmerkelijks. Hij was wel goed, maar had veel onaangenaams. Hij was +wantrouwend en ontevreden. Somwijlen in kleine dingen teleurgesteld, +had hij het zich in het hoofd gebragt, dat hij in alles moest +teleurgesteld worden. Gebeurde dit nu en dan, o ja! hij had het +wel gedacht! Maar gebeurde het niet, en liep alles mee, dan was +hij ontevreden, omdat het niet uitkwam, zooals hij gedacht had. Hoe +het ook ging, daar hij nooit het aangename en gelukkige opmerkte, +maar zich bij voorkeur bij het contrarie bepaalde, scheen hij, +anderen gelukkig en vroolijk ziende, zichzelven toe een rampzalige +speelbal van een balsturig noodlot te zijn. Daar hij bij dat alles +scheel zag, meende hij, dat alle menschen hem scheel aanzagen. Zag +hij fluisteren, hij vreesde dupe te wezen; hoorde hij een gesprek, +waarvan hij het onderwerp niet begreep, men zou hem wel bespotten. Dit +een en ander maakte, dat de man voor zichzelven niet direct gelukkig +was; hij was dan ook zoo gewoon, om zich ongelukkig te gevoelen en +alle smarten en rampen als zijn privaat erfdeel te beschouwen, dat, +was er iemand, die zijn been brak, hij zich verwonderde, dat hij zelf +nog gaan kon. Brandde er een huis af, hij begreep niet door welk +toeval het zijne gespaard was. Met dat al, hij was goed en hield +veel van zijne vrienden, deed zelf niemand iets onaangenaams aan, +en was tevreden, als hij op den duur maar iemand had, die zijne +klagten wilden aanhooren. Hij ging nu reizen, schoon hij overtuigd +was, dat allerhande akelige reisontmoetingen zijn deel zouden zijn; +dat het weer voortdurend slecht zou wezen, diligences zouden breken, +logementen afbranden, steden overstroomd worden, rotsklompen hem zouden +verpletteren, sneeuwvallen op hem neerstorten, gidsen moorddadige +aanslagen doen, rooverbenden hem uitplunderen, en eindelijk dat niets +van hetgeen hij zien zou, mooi of belangrijk zou wezen, juist omdat +hij het zich mooi of belangrijk had voorgesteld. + +Deze waren de personen, die vergezeld van koffers, valiezen en ransels, +zich op de stoep bij den Heer Joachim Polsbroekerwoud bevonden, en, +na door Mijntje te zijn opengedaan, niet zonder gedruisch te trappen +opstoven. + +"Dag, Pols! Dag, Pols! Dag, Joachim!" klonk het uit vier monden +te gelijk. + +"Dag, goede vrienden!" zei Pols zeer goedig; en nu--om iets te zeggen, +dat waar doch onnoodig was, want Polsbroekerwoud zei gaarne iets dat +waar doch onnoodig was--"de diligence is, dunkt mij, juist op zijn +tijd aan." + +"Dat moet wel zijn," zei Holstaff, "want de koetsier sloeg de paarden +onmenschelijk. Ik had in mijne ziel deernis met de arme dieren. Ik +dacht, dat zij zich dood zouden loopen." + +"Als zij dan dood toch maar geloopen hadden," zei Veervlug, niet +zonder dit gezegde nog al aardig te vinden. + +"Nu, die is goed, Jan!" zei Torteltak; "maar het stoof verduiveld in +die menschendoos." + +"Dat komt," zei Joachim, "omdat het zeer warm geweest is en in geen +vier dagen geregend heeft." Deze opmerking van Polsbroekerwoud was +zeer juist. + +"Pols, wat zijn hier weinig mooie meisjes in de stad!" ging Torteltak +voort; "ten minste, ik heb niets dan dagelijksche gezigtjes gezien." + +"Je moet ook op Zondag komen, om Zondaggezigtjes te zien," grinnikte +Jan. + +"Ja, maar," redeneerde Dionysius de Morder, "het zou ook wel raar +zijn, indien _wij_ juist de mooije meisjes gezien hadden. Ik houd +mij verzekerd, dat er vele zullen zijn, maar die hebben zich juist, +nu wij er zijn, niet vertoond. Het is of alles er op aangelegd wordt, +om mij tegen te werken. Daar is nu het weer. Nu wij het niet noodig +hadden, is het helder en mooi. Wacht maar! als wij het behoeven voor +een heerlijke landstreek, dan zou het mij verwonderen als het niet +regende of mistte." + +Deze redenering van Dionysius de Morder was zoo in zijn gewone manier +en werd niet geïnterrumpeerd, daar Torteltak terwijl zijne polonaise +met een klein zakborsteltje schoonmaakte, en zich niet kon begrijpen, +dat de spiegel bij Polsbroekerwoud in zulk een donkeren hoek hing; +daar Holstaff nog altijd aan de arme paarden dacht en zuchtte; +Veervlug op een _jeu de mots_ peinsde, dat niet lukken wilde, en +Joachim veel te goedhartig was, om iemand in de rede te vallen, +en daarenboven niets wist om zijn vriend in een goede luim te brengen. + +Intusschen kwamen de Heeren tot zitten, tot pijpenrooken en tot +Rijnwijndrinken. De goede Polsbroekerwoud voorzag in alle behoeften, +en ging daarin met de meest mogelijke bedaardheid, maar tevens met +zijne gewone bedrijvigheid te werk. Eindelijk kwam hij tot rust, en +nu op zijn gemak gaande zitten, of liever op zijnen stoel wippende, +hingen zijne beenen met eene zekere ongedwongenheid van dezelve neder, +en eindigden in een paar groote voeten, met hooge schoenen omgeven, +tusschen zich en den grond juist zooveel plaats overlatende, als een +soort van voetbankje voor den particulier gemakkelijk zoude doen +schijnen. Evenwel zonder voetbankje wist hij toch zijn evenwicht +te houden, en daarom te gemakkelijker, daar hij zijn linkerarm om +de achterleuning van zijn mahonijhouten stoel had geslagen. In die +positie dacht het aan Joachim Polsbroekerwoud goed, tot de verzamelde +Heeren te zeggen: "En zoo gaan wij dan morgen op reis." + +En nu volgde een zeer lang discours tusschen de vijf reiscompagnons +over allerhande zaken, die vroeger reeds besproken waren en nu +nog nader werden bepaald. Nu onderzocht men elkander, of er niets +vergeten was, en Joachim bleek degene te zijn, aan wiens equipement +niets ontbrak; hij had in alles voorzien, wat maar ooit te pas kon +komen. Zijne kleederen waren de kleinste, en toch was zijn koffer de +grootste van allen; maar ook hij alleen had een potje Spijkerbalsem en +een doosje linnen, indien een van zijn vrienden soms in Zwitserland van +een berg mogt vallen en zich bezeeren; hij alleen had Hofmansdroppels, +voor die zich niet zou bezeeren, maar schrikken; hij had Schotsche +pillen en magnesia; veiligheidskoorden, indien er in een logement +brand mogt komen; hulpmiddeltjes tegen ongedierte; bouillonkoekjes +en poederchocolaad, en de Hemel weet, wat er meer in den koffer, +het valies en den ransel van Joachim Polsbroekerwoud te vinden was. + +De reis zou den volgenden morgen per stoomboot beginnen. Pols had +den klapperman doen waarschuwen, dat hij wekken zou; Veervlug wou +opblijven; Torteltak vond, dat men dan te veel geëchaffeerd zou +wezen. De opgewondenste van de reizigers dweepten over hetgeen +zij zien zouden; de Morder bereidde zich voor op de hem wachtende +teleurstellingen; Pols keek zijn lijstje van de beste logementen nog +eens na. + +"Ha!" riep Veervlug uit: "daar zullen geen acht dagen verloopen zijn, +voordat wij "het kleed van bloemen, wingertsblad en arien zaamgeweven," +waarmee Duitschland den koningsvloed omgordt, aanschouwen. Dan zullen +wij den doorluchtigen Rhijn met de woorden van onzen grijzen Bard +gegroeten: + + + "Gij schijnt een aerdsche regenboogh, + Gekleet met levendige kleuren, + En tart den hemelschen omhoogh, + Die hierom nijdigh schijnt te treuren. + De blaeuwe en purpre en witte druif + Verciert uw stedekroon en lokken, + En muskadelle wijngertkuif; + De vlieten staen met wijngertstokken + Rontom u, druipende van 't nat, + En offren elk hun watervat." + + +"En dan," zuchtte Holstaff, "zullen wij op Rolandseck aan den getrouwen +Ridder denken, die twee jaren uit zijne hermitage op Frauenwerth +tuurde, waarin zijne geliefde Hildegond verkwijnde. En dan zullen +wij den nacht in het somber en eerwaardig klooster van Nonnenwerth +doorbrengen...." + +"Neen," viel Pols hem in; "daar is het duur en slecht. _Belle-Vue_ +te Godesberg is een oneindig beter logement." + +"Voor het goedkoop moet men nooit in hotels gaan," zei de Morder, +"en al geeft ge handen met geld uit, 't is er nooit dragelijk, laat +staan aangenaam." + +"Het meest stel ik mij voor," zei Torteltak, "van Ems en Baden-Baden, +die ruime fashionable courzaals, die schitterende bals, en dan bovenal +de lieve delicieuse badgasten, die coquette Françaises, die smachtende +Duitschen, die levendige Italiënnes. Wacht maar, lieve kinderen! Wij +spreken elkander nader: + + + "Quand mon coeur a fait un choix, + La belle doit se rendre." + + +ging hij neuriënde voort, zijne donkere lokken opstrijkende. + +"En dan het Schwartzwald en de Rigi," ging Veervlug voort. + +"Als de Haarlemmerhout en de Hemelsche Berg maar niet interessanter +zijn!" bromde de Morder. "Het zou mij verwonderen, als dat alles zoo +heel mooi was." + +"Als wij daar de zon zien opgaan," ging Veervlug voort, "en dan +langzamerhand die reuzengebergten in volle pracht en majesteit te +voorschijn komen, en wij Zwitserland als ware het ééne vallei vol +meeren en stroomen aan onze voeten zien." + +"Dat moet toch nog al een koude expeditie zijn," zei Pols; "ten minste +ik heb wel gehoord, dat de reizigers zich dan van de wollen dekens +als jassen bedienen." + +Veervlug hoorde hem niet, maar ging voort: "O mijne vrienden! als wij +na afloop der reis nog eens bij elkander zitten, zooals wij hier zijn." + +"'t Zal wel wonder zijn, als wij allen behouden terugkomen," mompelde +de Morder. + +"Dan zullen wij ons al die heerlijke tafereelen, die onze oogen +aanschouwd hebben, nog eens voor den geest roepen. Dan verplaatsen +wij ons nog eens op de Vierwaldstädtersee met haar water, helder als +kristal en blauw als het azuur des hemels. Hoe zal dan onze verrukking +zijn, als wij maar den naam _Zwitserland_ noemen!" + +Pols maakte een einde aan die uitroepen en bespiegelingen, door aan de +vrienden te vragen, of zij van garnalen hielden, en gaf intusschen aan +Mijntje den last, om die met de salade en het koude vleesch boven te +brengen. Hij zou wel voor een soupétje gezorgd hebben, maar dat zou +bezwarend zijn, en zij moesten vroeg op. De vrienden namen in alles +genoegen, en na een en ander genuttigd te hebben, legden zij zich in +ledekanten, bedsteden en kermis bedden neêr, en Polsbroekerwoud sliep +in het volle vertrouwen in, dat de klapperman Mijntje, en Mijntje hem, +kwart voor vier ure zou roepen, om klokke zeven op de stoomboot te +kunnen zijn. + + + + + +HOOFDSTUK II. + + De stoomboot van Rotterdam naar Nijmegen.--Ontmoetingen met + bekende en onbekende personen.--Polsbroekerwoud occupeert zich + met vele menschen en zaken.--Torteltak wordt verliefd.--Veervlug + heeft onaangenaamheden.--Holstaff weent met de weenende. + + +Polsbroekerwoud sliep evenwel weinig. Het denkbeeld van zulk +eene reis te aanvaarden was voor den bedaarden burgerman te veel, +dan dat hij daarvan het effect niet in zijne droomen zou gewaar +worden. Voeg hierbij de garnalen, waarvan hij dol veel hield en die +hij copieus gebruikt had, en gij zult u niet verwonderen, dat de man +een slapeloozen nacht had, zich gedurig omkeerde, zijn hoofd uit het +bed stak, om te zien of de dag nog niet aanbrak, en dan weêr poogde een +klein slaapje te nemen. Maar als het hem dan na veel woelens gelukte, +dan benauwden akelige droomen zijn geest: nu eens hoorde hij de schel +van de stoomboot luiden, en hij kon onmogelijk klaar komen; dan weder +kwam Mijntje, zoo hij meende, boven, daar hij wakker genoeg was, +om te merken, dat hij nog geheel ontkleed was, en zij zag hem _en +profond negligé_, en Mijntje bloosde, en Joachim zelf bloosde. Met +een schrik ontwaakte hij, en gelukkig! hij was alleen, en het was nog +donker. Niet voor op het laatst van den nacht sliep hij gerust in, +en hij zou zich, met al zijne onrust en bezorgdheid, nog verslapen +hebben, indien de nachtwacht niet aan de commissie van Mijntje en +het toegezegde kwartje had gedacht. Maar toch, die publieke spreker, +die altijd weet, dat hij weinige, en dan nog gewoonlijk slaperige of +onopgewekte, toehoorders heeft, verlangt steeds, dat zijne welluidende +stem gehoord en zijne vertrouwelijkheid met de stadsklok bekend worde +aan wie het maar hooren wil, en bezit de middelen om zijne woorden +ingang te doen vinden bij den hardnekkigsten sluimeraar. In 't kort, +Mijntje was spoedig wakker en gekleed; ook Pols ontwaakte, toen de +welbekende stem hem wekte, en eenigen tijd daarna zat hij met zijne +vrienden aan de ontbijttafel, schoon de meesten bleek zagen, geeuwden, +en er een was, die dat vroeg opstaan een akelig reisinconveniënt vond. + +Nu marcheerde het vijftal op. Mijntje kon nauwelijks een traan +bedwingen, toen haar brave Heer voor zoo lang wegging, en dacht dat +zij het wel eenig zou hebben. Pols vond Mijntje toch eene goede meid; +de andere vrienden waren zeer weinig gevoelig voor hare verdiensten, +en zeiden dus niets; maar allen stapten zij met stevigen tred naar +de stoomboot: Pols zorgde voor de bagage, en nu wachtte men maar met +ongeduld, tot het sein van vertrekken zou gegeven worden. + +In de meeste reisbeschrijvingen, die in de laatste jaren het licht +zagen, staat aangeteekend, dat een opmerkzaam aanschouwer, bij het +vertrek van diligences en stoombooten, veel kan opmerken omtrent +karakters van menschen; dat men uit de wijze van afscheidnemen soms +het doel der reize kan gissen enz. Zoo zal het nu dan ook geweest +zijn, daar de stoomboot, met vele passagiers beladen, ook vele +betrekkingen van die passagiers op den kant achterliet; maar daar +geen onzer reizigers zich bepaaldelijk heeft bezig gehouden met de +waarheid dezer opmerking te onderzoeken, heeft ook geen hunner mij +iets bepaalds dienaangaande medegedeeld, hetwelk mij reden genoeg is +om er hier niets bepaalds over neêr te schrijven. + +Ik zeide reeds, dat er vele passagiers aan boord waren. Met de meesten +occupeerde de hofmeester zich meer dan onze vijf reizigers; sommigen +evenwel zullen ons nader bekend worden. Onze vrienden vonden in 't +begin, dat zij zich onderling genoeg konden bezighouden; maar--hoe +het aankwam weet ik niet--het discours kwijnde spoedig. Nu en dan +keek men naar een medereiziger, die een vreemden pet droeg, of door +iets dergelijks attentie trok; men wandelde eens heen en weder; +sommigen gingen eens beneden kijken, en zoo geraakten de vrienden +langzamerhand uiteen, behalve Pols en Dionysius, daar de laatste in +een lange redenering aan den eersten betoogde, dat eene stoomboot niet +gauw voortging en een onaangenaam vaartuig was; dat eene diligence dan +toch nog beter wijze van vervoer was, en dat men dan zoo geen nood +had, dat de ketel sprong. Hij beweerde, dat de boot voor Sliedrecht +wel zou vast raken, schoon het water nog al hoog was, en wat dies +meer zij van aangename verwachtingen. Joachim luisterde lang, en +wederlegde nu en dan eens met goedhartigheid, zonder evenwel ooit +zijnen vriend tot andere gedachten te brengen. + +"Maar mijn lieve tijd!" (dit woord "lieve tijd" was een favoriet-woord +van Pols, die, nooit vloekende, deze aanroeping aan den Tijd evenwel +zeer gepast vond, en daardoor toonde, dat hij van het werkje der +Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, _Schuitpraatje over het vloeken_, +misschien eenig nut, maar van het _Koffiepraatje over de Stopwoorden_ +zeker geen nut gehad had) "maar mijn lieve tijd! is dat mijn vriend +Dikhorst niet?" En werktuigelijk stak Pols zijn kleinen arm uit, +en bood zijne hand den naderenden Dikhorst aan. + +Dikhorst nu was een van die menschen, die alleen geschikt zijn om +op stoombooten, diligences of publieke plaatsen te ontmoeten. Ik +geloof daarom niet, dat er velen waren, die iets _tegen_ den man +hadden, maar ik zou ook niemand kunnen opnoemen, die iets bijzonders +_voor_ hem gevoelde, behalve misschien zijn oude tante, wier eenige +bloedverwant hij was,--zijn barbier, wiens hulp hij dagelijks +behoefde,--en de hondenvriend, die tweemaal 's weeks zijn poedel, +Caro geheeten, moest wasschen; want Dikhorst was even zindelijk op +zijn hond, als op zichzelven, en dus kon men beiden tweemaal 's weeks +gewasschen en helder aanschouwen. De man had in Leyden gestudeerd, +en zes jaren lang daar met Caro geleefd. Hij dronk dagelijks een +bittertje op de Societeit, wandelde elken middag, na op zijne kamer +gegeten te hebben, een Leyderdorperhekje om, en wandelde nog veel +meer, maar binnen de stad, doch altijd alleen vergezeld van Caro; +zoodat men de gewoonte had, als men hen beiden zag aankomen, te +zeggen: "Daar komt de club van Dikhorst aan!" Caro evenwel had, +gedurende zijn verblijf in Leyden, veel conversatie aangeknoopt met +andere Akademische honden. Men zou zich vergissen, indien men om dit +alles dacht, dat de man volstrekt in verachting was. O neen! iedereen +groette hem. "_Bonjour_, Dikhorst!" zeide elk oud en jong student, +die hem tegenkwam; maar het viel niemand in, om nader kennis met hem +te maken, en Dikhorst zelf scheen daaraan geen behoefte te hebben. In +de Societeit vroeg hij wel eens om de post van de courant, keek nu en +dan eens naar een paar dominospelers (schoon hij in zijn Akademietijd +zich daaraan niet schuldig maakte, want Caro, veel ongeleerder dan zijn +medepoedel, de beroemde Munito, verstond dat spel slecht), vroeg wel +eens aan Toon, of er geen nieuws was, en verliet dan de Societeit, +fluitende en roepende: "Hier, Caro!"--Polsbroekerwoud, die ook in +Leyden gestudeerd had, Dikhorst gedurig op straat ontmoetende,--want +ook hij wandelde veel--vond zich gedrongen om kennis met hem te +maken. Op zekeren tijd liet hij zich op den Leyderdorpschen weg door +hem achterhalen, en beantwoordde zijn groet van "_Bonjour_" met een: +"Zoo, Dikhorst! hoe maakt gij het?"--Deze _recontre_ bevreemdde den +baas en verbaasde den hond. De eerste kwam schichtig naar hem toe; +de laatste snuffelende. Pols entameerde een discours, door het weêr +in deszelfs aangezicht te prijzen,--zette dit voort, door naar Caro's +ouderdom te informeren,--en zoo, daar een en ander beantwoord werd, +wandelden de nieuwe vrienden de Hoogewoerdspoort binnen, over de +dingen van den dag redenerende, in welke wijze van redeneren Pols +ongemeen te huis was. Zoo kwamen zij voor de kamers van Joachim, die, +nu stilhoudende, op eens tegen zijn wandelcompagnon zeide: "Gaat gij +meê theedrinken?"--"Met plaisir," zeide de ander, die Caro riep; doch +deze, hieraan ongewoon, wilde geen vreemden trap opklimmen, zoodat zijn +baas gedwongen was hem naar boven te slepen. Maar nu bedacht Dikhorst +zich onder weg, dat hij nog geen een der menigvuldige aangeknoopte en +weêr afgebroken discoursen begonnen had, en hij rekende het zich tot +pligt, ook iets in het midden te brengen. Daar hij nu een Litterator +was, en nog al veel nieuwe Oude Litteratuur las (met regt de nieuwe +Nieuwe litteratuur verachtende, als misselijke voortbrengselen van +"Cabriolenmakers"), zei hij tot Pols, zoodra hij op de kamer kwam: +"Kent ge Hirschig over _Seneca_?" + +Nu was deze vraag voor Joachim zeer moeijelijk te beantwoorden; +want hoe goed Jurist hij ware, daar hij al de dictaten in het net +overschreef, Litterator was hij niet. En daarenboven, door de menigte +dictaten, die hij bezat, was hij langzamerhand in het denkbeeld +geraakt, dat gedrukte boeken minder noodig waren voor studerenden, +en had hij ook in die overtuiging het Kosterfeest met ongemeen +weinig opgewondenheid gevierd. Maar zijne vriendschap voor sommige +Boekverkoopers, bij wien hij nu en dan thee dronk, hield hem terug +dit gevoelen aan anderen meê te deelen. Integendeel, hij had bij die +theeschenkende vrienden vele titels van boeken gezien en hooren noemen, +en maakte van die kennis nu en dan gebruik; maar helaas! Hirschig +over _Seneca_ had hij nooit gezien, nooit hooren noemen. Wat nu te +antwoorden? Ha! hij had nog, meende hij, met Hirschig gestudeerd, +en dus kalm en peinzende zeide hij: "Hirschig, bij naam, ja." + +"Een gulden boeksken! een gulden boeksken!" zei de andere. "Hier, +Caro!" + +Pols vond het ongepast dit discours verder voort te zetten, en door +zijn gordijntje open te schuiven, kreeg hij aanleiding tot Dikhorst te +zeggen: "Hoe vindt ge het uitzigt hier?"--Dikhorst vond het mooi; want +door een hoekspiegeltje kon men de geheele Papengracht, van Gravenstein +af tot de Breedestraat toe, zien. Pols vond het daarenboven nog al +een kalme stand, niet te veel passage; en toen hij met zijn nieuwen +vriend dit onderwerp afgehandeld had, sprak hij over de wijze van +theezetten, over het preferabele van armstoelen boven anderen, over +het beter koop van pleeten theelepeltjes dan zilveren, over melk, +melkboeren, melkemmers en schalkachtige anecdotes van melkmeisjes, +en vele andere zaken, die aan Pols kwamen in te vallen.--Dikhorst +vertrok; Pols beloofde hem ook eens op te zoeken, en gedurende de nog +overige Akademiejaren, voor den Litterator twee in getal, toen hij +privaat promoveerde, en Caro terwijl hij den hondenvriend zond, is +Pols nog viermaal bij Dikhorst, en deze nog driemaal bij Pols geweest. + +Daar zagen zij elkander na vijf jaren afzijns weder. Welk een +wederzien! Dikhorst greep de hand van zijn besten Akademievriend, +en schudde die met groote schudding. "Wel Pols, hoe gaat het je?" + +"Mij stilletjes, man! Ik woon te Rotterdam. Ik ben gepromoveerd, +maar ik practiseer niet.--Waar hang jij uit?" + +Dit was nog een losse studententerm van Pols, die evenwel begrepen +werd door zijn vriend, en beantwoord in een verhaal, hoe hij eerst +huisonderwijzer geweest was, daarna een jaar niets om handen had +gehad, en nu Praeceptor was in Zeeland; en hoe hij in de groote +vacantie eens een uitstapje ging doen naar Gorkum, en over Woerkum +zou terugkeeren. Op eens brak hij zijn verhaal af door te roepen: +"Hier, Caro!" + +"Wat! leeft Caro nog?" zei Pols. En waarlijk, daar kwam Caro aan; +maar, ach! hij was oud geworden, en hij werd in Zeeland zoo dikwijls +niet gewasschen als zijn baas; dus was Caro in verval, en had juist +een schop gekregen van een reiziger, omdat hij, de eens zoo zindelijke +Caro, nu niet meer zindelijk was. + +Maar daar Dikhorst laat naar bed was gegaan, ging hij nu nog wat +slapen, om frisch in Gorkum aan te komen, en Pols vervolgde zijn +discours met Dionysius, die nog veel ten nadeele van stoombooten had +in te brengen. + +Terwijl was Torteltak, die eens naar beneden gegaan was, om te kijken, +beneden gebleven, en eerst toen men Dordrecht was voorbijgevaren, +kwam hij weêr boven, maar niet alleen. Een oud Heer, met een wijden, +zwarten rok, ridderorde, bril, hoed met breeden rand, lichtblaauwen +pantalon, eenigzins opgeschort, en lage schoenen, vergezelde hem. De +vrienden, die Torteltak in zulk gezelschap zagen arriveren, waren +verbaasd, want slechts zeer zelden werd hij met een oud Heer gezien, +en hunne verbazing nam nog toe, daar zij opmerkten, dat hij zóó +beleefd en voorkomend voor den man was, als hij alleen voor minder +jaren en liever sekse gewoon was te zijn. Maar Pols, die nieuwsgierig +een weinig was vooruitgedrongen, deed hunne verbazing eindigen, +door meê te deelen, dat Torteltak aan den ouden Heer gezegd had: +"Dunkt u niet, het zal voor de dames boven warm genoeg wezen?" + +De oude Heer, die met onzen vriend bij den stuurstoel genaderd +was, scheen het met dezen eens te wezen; doch minder driftig en +geëmpresseerd dan hij, vond hij het niet noodig, zoo terstond weêr in +de kajuit neêr te dalen, maar keek terwijl hij den rand van zijnen +breed geranden hoed nog met zijne hand verbreedde, met een zeer +deftig gelaat het luchtruim in, als wilde hij zich oriënteren, welke +manoeuvre, door Torteltak nagevolgd wordende, hem, die zijne hand niet +gebruikte, en geen breeden rand om den hoed had, belet werd door de +stralen der helderschijnende zon. De oude Heer keek zeer lang, en even +wijs als wijlen de Phenicische schippers bij nacht den sterrenhemel +fixeerden, om hunne rigting niet uit het oog te verliezen. Eindelijk +daalden zijne oogen tot de aarde neder, en het zij de blaauwe lucht, +het zij de nabij zijnde torenspits, hem op dat denkbeeld bragt, +hij uitte de gissing: "Wij moeten niet ver van Sliedrecht zijn!" + +"Willen wij dan de dames niet waarschuwen, Mijnheer?" vroeg Torteltak +ongeduldig; "want zoo iets geeft nog eenige variatie." + +"Wel ja, dat kunnen wij straks wel doen," antwoordde de oude Heer +heel geduldig. "Maar wat ik zeggen wilde, UEd. gaat van daag ook +naar Nijmegen?" + +"Zoo is ons plan," zei de ander, tot den trap der kajuit genaderd. + +"Ik heb berekend," sprak de oude Heer, tot wanhoop van Torteltak de +kajuit voorbij stappende, "dat wij er tegen vijf ure kunnen zijn." + +"Ja, dat moet wel wezen," zei de jongeling, steeds op zijne plaats +blijvende staan, en nu besluitende den ouden Heer tot hem te doen +komen. Maar deze, die nog steeds geen de minste haast had om naar +beneden te gaan, riep Torteltak, met wien hij reeds gemeenzaam +geworden was door een anderhalf uur lang discours in de kajuit, +waarin hij hem ontwikkeld had, in hoeverre de Engelsche handel aan +den Hollandschen nadeelig was. Deze had alles met een engelengeduld +aangehoord, om den wil van de zeer aardige dochter des handelaars, die +ondertusschen in eene aangename rust gezonken was, schoon de oogen des +verliefden jongelings alles in het werk gesteld hadden, om de dame eer +onrustig dan rustende te doen worden. Hij was daarom door deze eerste +mislukking niet uit het veld geslagen, en beklaagde het lieve kind in +zijne ziel, dat zij, in plaats van haars vaders handelsdiscoursen, +niet liever _zijne_ vleijende complimenten mocht aanhooren. Hij had +eindelijk den ouden Heer naar het dek gelokt, zich voorstellende, +in de vrije lucht bevrijd te zullen worden van verdere mededeelingen, +en bereidde zich om een vervelend kwartier met mama te passeeren, in +hoop van daarna een triomf op het hart der dochter te behalen. Maar +helaas! de vader was te zeer ingenomen met des jongelings oplettend +toeluisteren. Hij verbeeldde zich, schoon zijne gade hierin met hem van +gevoelen verschilde, dat zijne jaren, pruik en bril hem interessant +maakten. Hij gevoelde al "het belangrijke van een zestigjarigen +leeftijd," en, schoon hij nooit iets in de wereld gepresteerd had, +hij kon spreken van de revolutie van '95; hij had den vreeselijken +Tiran, in ik weet niet welk jaar, door de havens van Rotterdam zien +varen; hij wist van een tijd, toen men cichorei voor koffie gebruikte, +en de suiker zoo duur was, dat iedereen verbitterd werd. Wat wonder +dus, dat hij zich een hoogst belangwekkend wezen beschouwde voor een +jongeling, die nooit eene revolutie had beleefd dan die van 1830, +die nooit een tiran gezien had, die nooit cichorei had gedronken, en +nooit suiker gebruikt, duurder dan 50 cents het oude pond. Ach! hij +vergat, dat zoovelen, helaas! van dien tijd wisten te spreken, en +dat nooit papa's, ooms, neven, bejaarde nichten, goede kennissen, +schoolmeesters, bakers, en allen, die maar eenigzins belangrijk oud +zijn, verzuimen, den jongelieden deze wetenswaardige zaken meê te +deelen. De oude heer Korenaar (want hij was het, die, met zijne +gade en dochter Ambrosine, door Torteltak was aangetroffen) had +dus niet nagelaten, in het belangrijk gesprek over den Engelschen +en Hollandschen handel, deze dingen in te vlechten, en Torteltak +had hem met een goedwillig: "ha, hoe interessant!"--"ijselijk, hoe +duur!"--"ach, hoe treurig!"--ondersteund.--Maar was het dan nu ook +vreemd, dat de jongeling met papa naar beneden wilde gaan en de dames +naar boven inviteren?--En toch, hij moest nog langer geduld hebben; +maar één belangrijk ding moest de oude Heer mededeelen: voor de machine +moest hij aan Torteltak bekend maken, dat in zijne jeugd de stoombooten +nog niet waren uitgevonden; dat men toen twee lange dagen noodig had +om van Rotterdam naar Nijmegen te reizen; dat men in een bolderwagen +naar _die_ plaats, in een wagen van zessen over _dien_ zandweg moest, +dat het zooveel geld kostte; dat de herbergen op weg nog niet waren +ingerigt als de tegenwoordige; en toen dit alles afgeloopen was, +besloot de veel sprekende oude Heer, met aan den zwijgenden jongeling +te vragen: "En hoe oud ziet ge mij nu aan?"--Torteltak hield hem voor +diep in de zestig, maar daar hij wist, dat men, na de vijf en twintig +jaar gepasseerd te zijn, gewoonlijk liever voor jonger aangezien wordt +dan men is, antwoordde hij zeer beleefd: "Zoo wat een vijftig jaren." + +"Neen, Mijnheer!" zei de oude Heer: "doe er nog een kruisje bij, +dan ben je er nog niet; ik ga in het najaar in mijn vierenzestigste." + +Torteltak wilde juist zeggen, dat dit hem frappeerde, dat hij zijne +jaren met eer droeg, of iets dergelijks, toen hij eensklaps, tot +zijne verbazing en vreugde, de dames aan zijne zijde zag, en mama, +die de laatste phrase verstaan had, hoorde zeggen: "Ja, het is al +een heele leeftijd; wij verschillen ook achttien jaren." + +Zoo was het dan op eenmaal aan Torteltak duidelijk geworden, welken +ouderdom de Heer en Mevrouw Korenaar bereikt hadden; en daar Mevrouw +later in het gesprek te kennen gaf, dat zij een zoon had, die ouder +was dan Ambrosine, en twintig jaren telde, en nog eene dochter, +die de jongste was, van bijna achttien, meende hij daaruit veilig te +kunnen opmaken, dat hij in Ambrosine eene negentienjarige schoonheid +aanschouwde. Deze leeftijd had altijd iets heel aanlokkelijks voor +hem, en hij verschilde hierin met zijn vriend Polsbroekerwoud, +die bij voorkeur zijn hof maakte aan dames boven de dertig, omdat +deze hem in het discours te gemoet kwamen, zijn persoon niet zoo +bijzonder klein schenen te vinden, en evenmin op te merken, dat hij +tot die rampzalig ongelukkigen behoorde, die altijd onder een slechten +kleermaker gebukt gaan. + +De wenschen van Torteltak waren nu vervuld. Mama en dochter waren boven +en bleven boven; men liet vouwstoeltjes komen, zocht een plaatsje, +waar het niet erg tochtte en de zon niet te fel brandde, hoedanigen +men op eene stoomboot weinig vindt; en de oude Heer scheen wat van +zijn discoureren te zullen rusten, daar hij uit een schildpadden koker +een cigaar en gouden pijpje deed te voorschijn komen, terwijl hij met +een schaartje de punt van het tabaksrolletje afknipte. En nu zich in +rookwolken hullende, bereidde hij zich, als een gehoorzaam gemaal, +die 18 jaren ouder is dan zijne dierbare wederhelft, om, terwijl deze +sprak, aan te hooren, of ten minste te zwijgen. + +Mama Korenaar deelde nu, in vele bijzonderheden tredende, aan onzen +jongen vriend mede, hoe zij, 20 jaren oud zijnde, haren tegenwoordigen +echtgenoot had leeren kennen. "Ik logeerde toen," zoo sprak zij op een +langzamen toon, aan alle syllaben den vollen eisch gevende, en vooral +de laatste, die op _n_ eindigden, bijzonder drukkende, "bij eenen oom, +bij wien Korenaar heel groot aan huis was; en, zoo als het dan bij +jonge menschen gaat, het eene woord kwam uit het andere, en eer ik er +aan dacht, waren wij geëngageerd. Ik had wel partijen kunnen doen met +jongeren; maar ik heb altijd op ware verdiensten gelet, en Korenaar +had een uitgebreiden zeehandel, schoon die in de laatste jaren niet +vooruitgegaan is; maar anders, klagen hebben wij Goddank niet, en wij +kunnen onze kinderen ook nog wel een stuivertje meêgeven, en dat is +ook genoeg. Die groote rijkdommen brengen niet altijd geluk aan." + +Torteltak knikte toestemmend, sprak van andere dingen, die wezenlijk +geluk aanbrengen, en gluurde naar de dochter, die bescheiden voor +zich zag. + +"En daarenboven, het is niet alles goud wat er blinkt," ging mama +voort. "Ik ken er wel, die den naam hebben van heel rijk te zijn, +en als men het eens op den keper kon beschouwen, zou het misschien +bitter tegenvallen.--Och, Ambrosine! wil je eens even mijn parasol +van beneden halen; want het is toch nog al zonnig." + +Ambrosine ging naar beneden, hoewel Torteltak natuurlijk opvloog, +en zich zeer gelukkig zou gevoeld hebben die dienst te bewijzen. Maar +mama zeide, dat haar dochter hare parasol kende en hij zich ligt zou +vergissen, en nam de gelegenheid waar om tegen Torteltak van hare +lieve dochter te spreken. "Die Ambrosine is zulk een goed meisje, +Mijnheer! Niets is haar ooit te veel. Wanneer ik haar iets vraag, +zij is altijd gereed. Nu, indien ik het zeggen mag, wij hebben haar +ook eene goede opvoeding gegeven. Zij spreekt zoo beelderig Fransch, +en kent wat Engelsch ook. Zij teekent zoo heel lief, en speelt +waarlijk mooi op de piano, schoon zij nog zoo jong is. Mijnheer Bax, +de dansmeester, zegt, dat hij nooit zoo gracieus heeft zien dansen; en +de catechiseerjufvrouw--Korenaar, hoe heet die catechiseerjufvrouw ook +weer?--nu, die zegt, dat ze ook heel godsdienstig is. Ik zeg altijd, +het is wel mijn eigen dochter, maar als Ambrosine ooit trouwt, dan kan +de man, die haar krijgt, wel zeggen, dat hij een lot uit de loterij +heeft getrokken. Ze is ook zoo huishoudelijk, dat ik mij haast met +niets te bemoeien heb, en..." + +"Daar, mama, is de parasol. Wilt u ze ook opzetten?" + +"Dankje, lieve Ambrosine! de zon is nu al weer een weinigje weg. Maar +à propos! heb je geen teekeningen bij je? Ik geloof gemerkt te hebben, +dat Mijnheer veel van teekeningen houdt." + +"O, indien het niet te veel gevergd ware!" zei Torteltak. + +"Maar, mama! denkt u, dat ik die nu meêgenomen heb? en daarenboven, +ik ken er zoo heel weinig van!" + +Hier waagde de heer Korenaar het, om dit discours af te breken, door +op den toren van Gorkum te wijzen, en iets over de vestingwerken te +zeggen, welke interruptie door de dochter met eenen lieven glimlach +beantwoord werd, en door de moeder met een dito, minder lief dan +grimmig; doch de oude Heer, die zoodanigen reeds velen gezien had, +gedurende den langen tijd, dat hij gehuwd was geweest met zijne egade, +die achttien jaren jonger was dan hij, ontroerde niet bijzonder +sterk. Torteltak vond, dat gezegde gezigtsplooi aan mama geen nieuwe +charme bijzette. + +Mijnheer Korenaar vond het gepast, op te staan en naar het voorste +gedeelte der stoomboot te gaan, om alzoo eene scheepslengte dichter +bij Gorkum te wezen. Hij schaarde zich daar onder de menigte, die op +stoombooten altijd belang stelt in de plaatsen, welke men passeert; +en zijne wederhelft verzelde hem, na aan Torteltak en Ambrosine +verzocht te hebben hunne plaatsen te bewaren. Nu mogt dan de jongeling +eindelijk zelf het discours leiden; en daar hij alleen door stilzwijgen +en toeknikken het hart der oude lieden gewonnen had, gevoelde hij, +dat hij een anderen weg moest inslaan, om dezelfde overwinning bij +de dochter te behalen. Gaarne zouden wij onze lezers veel van dit +gesprek meêdeelen; maar het had geene getuigen, en Torteltak hield +het voor ons steeds geheim. Wij weten dan ook niets, behalve dat Pols, +die nieuwsgierig om hen heen gedwaald had, bij zijne eerste omwandeling +Torteltak heeft hooren zeggen, "dat hij zou wenschen haar nooit gezien +te hebben, zoo deze eerste maal ook tevens de laatste moest zijn;" +en bij zijne tweede omwandeling Ambrosine: "Gij zult papa altijd +aangenaam wezen."--Misschien zal het vervolg der geschiedenis ons +nadere opheldering geven. + +Men was Gorkum voorbijgevaren. Eenige passagiers waren tegen +anderen uitgewisseld. Voor Dikhorst, vier _commis-voyageurs_, +drie tweede luitenants, twee bejaarde dames en Caro, had men een +Rus, een bejaard majoor met zijn vierjarig klein dochtertje, en +een koopman, die voor zijn genoegen en geheel zonder wasdoeken +pakjes reisde, terug ontvangen. De oude Korenaar en zijne gade +bekwamen gelukkig nieuwe vouwstoeltjes, want de anderen waren door +de jonge lieden onattent bewaakt; maar de goede mama Korenaar was +hierover niet knorrig. Ieder ging voort met zich op zijne wijze te +amuseren, of niet te amuseren. Pols was nu ook tot zitten gekomen, +en in gezelschap met Veervlug, De Morder en een Luitenant van de +koloniale troepen. Men praatte, lachte, morde en streek de knevels +op. Veervlug was heel vrolijk, en dronk zijn tweede glaasje bitter, +daar zij Loevestein voorbijvoeren, op Hugo Grotius, of, gelijk +hij hem noemde, den Grooten Huig, die een type was van de harmonie +der vijf faculteiten. Pols, als een oud student, riep: "Bravo!" De +Luitenant van de koloniale troepen boog met een verbaasd gelaat. Pols +begon een discours met hem over de garnizoensplaatsen, en vroeg hem, +of hij wél gecantonneerd geweest was; de Luitenant vroeg hem excuus, +en zeide, dat hij bij de troepen voor de Koloniën diende. Pols vroeg +of hij campagnes gemaakt had; de Luitenant vroeg hem andermaal excuus, +en zeide, dat hij steeds te Harderwijk was.--Alles ging goed; maar, +helaas! daar ziet Veervlug bij toeval, dat de Luitenant rood haar, +een bleek gelaat en een blaauwen uniformhals heeft, en kan niet +nalaten aan De Morder eene aardigheid van eene Hollandsche vlag in +te fluisteren. De luitenant hoort het woord _Hollandsche vlag_, +en ziet de vrienden, vooral Veervlug, uitbundig lachen, denkt +dat de vlag beschimpt wordt, en meent voor het wapperend dundoek +partij te moeten trekken. Verwoed staat hij op: "Ik ben Officier +in Hollandsche dienst, Mijnheer! Ik zal de Hollandsche vlag tot +mijn laatsten ademtocht verdedigen!" Pols tracht hem te bevredigen +en op zijn stoel terug te trekken. De Luitenant stoot hem terug; +het vouwstoeltje kantelt--Pols verliest zijne balans--zijn stroohoed +vliegt in het water--zijn lichtblaauw jasje scheurt. Een edeldenkend +_commis-voyageur_ raapt hem op, en verwijdert zich voorzichtig met +hem van de plaats des gevechts. Maar Joachim wil terugkeeren, om nog +meer te bevredigen; doch gelukkig is de strijd spoedig geëindigd. De +woede van den Luitenant is geweken; want Veervlug heeft zich zoo goed +mogelijk verontschuldigd, en daarenboven, de Officier was buiten adem +(zoo als Veervlug naderhand grinnekende aan Torteltak vertelde); dus +had hij de vlag tot zijn laatsten ademtocht verdedigd. Pols kwam dus +juist bij tijds, om de Madera voor de verzoeningsdronken te bestellen. + +Torteltak had dit alles in de verte aangezien, als iemand, die zich +over het gedrag zijner vrienden schaamt, en wenschte zich (evenwel +mèt Ambrosine) honderd mijlen ver. Intusschen, wij moeten het tot +zijne eer zeggen, indien het geval erger geworden was, hij zou zich +niet aan het gevaar onttrokken hebben; want was hij een onstandvastig +minnaar, toch was hij een standvastig vriend. + +Holstaff had evenwel niets van dat alles gemerkt; want hij zat in +de voorkajuit. Hij had namelijk, van het begin der reize af, naar +menschen gezocht, die hem interessant voorkwamen, dat is: die hij voor +ongelukkig mocht houden. Maar hij had op het dek niets dan vrolijke +gezigten gezien, en beneden zag hij Engelschen, die verachtelijk +gerust sliepen; zijn ergernis steeg ten top, toen hij een gelukkig +jong paar zag, dat dus (naar de Morders berekening) nog geen volle +week kon gehuwd zijn. In eene onaangename stemming verliet hij de +eerste rangen, en hoopte in de voorkajuit gelukkiger te zijn, waar hij +meer ongeluk vooronderstelde, schoon, helaas! daar moeijelijker van +poëtischen aard. Bijna waren evenwel al zijne nasporingen vruchteloos, +toen hij eindelijk duidelijk hoort zuchten. Pijlsnel daalt hij neder, +en waarlijk, daar ziet hij aan de tafel eene vrouw niet jong meer, +want zij heeft rimpels, en grijze haren komen door haar mutsje te +voorschijn. "Zij zal toch nog niet oud zijn," denkt hij; "maar de +smart zal dat, eens zoo gladde, voorhoofd doorploegd hebben; die +haren kunnen in één nacht grijs zijn geworden." Zuchtende neemt hij +plaats tegenover haar, en ziet haar van tijd tot tijd aan. In het +begin had de oude vrouw hem naauwelijks opgemerkt, maar toen zij +den welgekleeden jongeling aanziet, rijst zij uit hare achtelooze +houding op, en wil het op den schoot gevallen breiwerk opnemen. Nog +één oogenblik, en alle illusie ware voor Holstaff verloren geweest; +want het denkbeeld van eene _breijende ongelukkige_ wilde er niet +bij hem in. Was het nog _borduren_ geweest bij een ellendig lichtje, +met verzwakte oogen en vermagerde vingeren; maar _breijen_.... + +"Neen, neen vrouwtje! laat mijne komst u in uwe overdenkingen niet +storen! Ik eerbiedig uwe smart; want gij zijt ongelukkig." + +"O ja, dat ben ik wel!" zuchtte de vrouw. + +"Ongeluk is ons deel, moedertje! wij zijn op aarde om te lijden." + +"Maar men kan toch gelukkig wezen, Mijnheer! Ik was het zelve eens; +en daar zijn er, die nooit behoeven te treuren. Maar ik wil ze niet +benijden." + +"Neen, wat ik u bidden mag, benijd ze niet! Het is ongelukkig om +altijd gelukkig te wezen." + +De vrouw zag bevreemd op. Zij begreep hem niet. + +"Niet waar?" ging Holstaff voort: "toen gij gelukkig waart, hebt gij +u niet kunnen begrijpen, dat er zooveel zoets in de smart is." + +"Dat weet ik niet, Mijnheer! maar dit weet ik: eens was ik heel +gelukkig; nu ben ik heel ongelukkig." + +"Maar toch, gij moet u daarom niet beklagen; gelukkig, wie voor +ongeluk vatbaar is! Maar kan ik door medelijden u troosten?" + +"Ach! wat zoudt gij mij troosten, Mijnheer! misschien is uw hart wel +goed. Gij ziet, Mijnheer! ik ben oud (Holstaff schrikte; dus niets +van subiete vergrijzingen enz.); het zal zoolang niet meer met mij +duren; dit is mijn beste troost. O, kon ik maar iets voor mijn zoon, +voor mijn goeden Pieter gedaan hebben!--Ja, Mijnheer! ik had voor +drie jaren nog vijf kinderen, en voor zes jaren mijn man nog, en wij +leefden zoo vergenoegd, en wij hadden ons dagelijksch brood. Maar toen +mijn man dood was, toen is de zegen uit mijn huis gegaan. Mijne drie +meisjes en mijn Willem zijn aan de cholera gestorven, en toen hield ik +niets over dan mijn Pieter. Een knappe jongen was altijd mijn Pieter, +en iedereen hield veel van hem, en Dominé zei altijd, dat hij zoo heel +best leerde, en hij zou acht dagen na Sint Jan in zijn zesentwintigste +jaar gegaan zijn. Hij ging bij ons, te Nijmegen, op het schoenmaken, +en de baas was ook zoo tevreden. Maar toen is die baas verleden jaar +ook al gestorven, en toen is Pieter naar Rotterdam gegaan, daar hij +een anderen baas kon krijgen, en toen moest ik te Nijmegen blijven, +want daar had ik mijn vaste huizen, om aan de wasch te helpen en te +strijken en te plooijen. En mijn Pieter schreef mij in het eerst alle +maanden een brief met zijn eigen hand, en zoo kostelijk geschreven, +dat mijn Neef Jacob altijd zei, dat hij voor ondermeester had moeten +leeren. Maar op het laatst schreef hij mij niet meer, en ik hoorde +niet meer van Pieter, dan zoo te hooi en te gras. Maar nu, overmorgen +zal het veertien dagen worden, toen kreeg ik een brief van zijn baas, +dat Pieter op den dood leî, en ik nam gauw het beetje spaargeld, dat ik +had, meê, en mijn mans horlogie nam ik ook meê, dat ik Pieter na Sint +Jan had willen geven voor zijn verjaardag, en ik ging naar Rotterdam, +en toen ik er kwam, was hij net den vorigen avond gestorven. En, +Mijnheer! ik heb mijn geld gegeven en mijn mans horlogie verkocht, +om hem een eerlijke begrafenis te geven; en nu heeft de kapitein +van de stoomboot, die mijn man en Pieter zelf nog wel gekend heeft, +mij voor niet meêgenomen. En was de jongen nog maar dood, zooals mijn +meisjes en mijn Willem! Maar de vrouw van den baas heeft mij gezeid, +dat Pieter te Rotterdam op slechte paden gegaan is en dat hij geen +Dominé heeft willen hebben, toen hij op zijn laatste leger leî. En de +baas heeft zijne vrouw wel bekeven, omdat zij het me gezeid had; maar +Pieter zou het er nu toch niet beter om hebben, al had ik het niet +geweten. Zie je, Mijnheer! nu zeg ik, als Koning David van Absalom: +"Ach! ware ik in uwe plaats gestorven!" En Koning David is altijd +bedroefd geweest over Absalom, meer dan over al zijne kinderen, die hij +in het graf had, en zoo zal ik ook altijd over mijn Pieter treuren." + +De oude vrouw had haar verhaal onder het storten van vele tranen +geëindigd, en Holstaff had met haar geweend. "Ach!" zeide hij, +"wat is de aarde een tranendal! Mochten dat al die vrolijke menschen +begrijpen! Eene keten van jammeren verbindt de wieg des menschen aan +zijn graf. Moedertje! geef mij de hand! ik lijd met u; ik wil met +u weenen." + +"Mijnheer! komt u dineren?" vroeg de hofmeester, binnenkomende. "De +soep is gediend." + +"Ja, ik ga meê.--Nu, vrouwtje, ik zal u straks nog wel eens komen +bezoeken." + +"Wilt gij ook wat te eten hebben?" vroeg de hofmeester aan de oude +vrouw. + +"Dank je wel, kastelein!" zei de vrouw, want zij had geen geld; +maar zij had toch ook geen honger. + +Het zou er in de groote kajuit schraal voor Holstaff hebben uitgezien; +want daar waren overdadig veel gasten, en de hofmeester had niet +overdadig veel eten. Maar Pols, die voor zijne vrienden, als eene +moeder voor hare kinderen, zorgde, had zich op twee stoeltjes naast +elkander geplaatst, om er een voor Holstaff te bewaren. Hij had +met hetzelfde doel twee borden soep genomen, en zoo vond August, +binnenkomende, een warm stoeltje en koude soep. Zijne aandoeningen +beletten hem evenwel, om naar eisch dankbaar te zijn, schoon niet om +zeer spoedig de vrienden in te halen en zich in tijds eene verbazende +portie roastbeef toe te dienen. Al de vrienden aten smakelijk, +schoon De Morder het eten infaam slecht vond, en het wel verwacht +had, omdat hij het altijd zoo trof. Pols vond, dat het waarlijk +nog al schikte, en schoon er niet te veel eten was, prees hij den +hofmeester, dat er niet nog minder was; alleen hinderde het hem, +dat men zoo verbazend schielijk at. Veervlug merkte hierop aan, +dat op eene stoomboot alles door stoom moest gaan. Holstaff zeide, +dat zijne aandoeningen hem belettenden met smaak te eten, en vroeg +eene tweede portie roastbeef. Torteltak at weinig; want hij zat naast +Ambrosine, en Ambrosine was engelachtig. + +Na het _diner_ spoedde men zich, om in de vrije lucht te komen; +men voer Bommel voorbij, waar men den Luitenant van de Kolonialen +verloor, die eene oude tante ging bezoeken. Pols vond het nog al +aangenaam, dat zij van dien driftigen reisgenoot bevrijd raakten; +want hij had vrees, bij eene nieuwe _scène_ ook zijn paardenharen +petje te verliezen, en het lichtblaauw jasje, dat door de hand van +des hofmeesters vrouw luchtig aaneengehecht was, kon geen nieuwen +aanval weêrstaan. Het _diner_ en een glas wijn had anders den goeden +man weêr tot zichzelven gebragt; doch hij kon niet nalaten er nog eens +bedaard met Veervlug over te praten. Deze hield staande, dat niet hij, +maar drie glaasjes bitter, de oorzaak van 's mans verbittering waren +geweest, en Pols, die niets anders verlangde dan bevredigd te worden, +berustte gemakkelijk in die explicatie. + +De nog overige uren tot Nijmegen werden door den ouden Heer Korenaar +(wiens gade sliep) besteed, om eene zeer belangrijke geschiedenis uit +zijne jeugd aan Torteltak mede te deelen; doch daar dezelfde oude Heer +dezelfde historie nog eens, en nagenoeg in dezelfde bewoordingen, +aan al onze vrienden te Kleef heeft verhaald, zullen wij ze op die +plaats neerschrijven, daar dit Hoofdstuk toch nog al lang is geworden. + +Holstaff was nog eens naar de voorkajuit gegaan, maar had de vrouw +in gesprek gevonden met den bejaarden Majoor, die haar op de best +mogelijke wijze troostte, die naderhand boven kwam, en, aan de +passagiers de historie mededeelende, eene kleine ondersteuning voor de +arme weduw vroeg. Velen gaven met genoegen eene aalmoes. Holstaff zeer +misnoegd; want geld te geven aan ongelukkigen scheen hem toe, de smart +te ontheiligen. Pols zeide, dat, indien de vrouw te Rotterdam kwam +wonen, zij dan alle weken vrijdags, een dubbeltje bij hem kon halen, +maar gaf nu toch met vreugd een halven gulden. Torteltak gaf veel; +want hij was verliefd, en Ambrosine was getroffen. Mevrouw Korenaar +raadde Mijnheer, om er te Nijmegen eerst naar te onderzoeken. De Morder +gromde en liet een kwartje vallen; de edeldenkende _commis-voyageur_ +raapte het kwartje op, en voegde er een pietje van zichzelven bij +(hoedanige geldstukjes hij velen bij zich had). De bejaarde Majoor +bracht zijne collecte aan de oude vrouw; en daar hij steeds voortging, +om haar op eene verstandige wijze te troosten en zooveel mogelijk hoop +voor haren Pieter te geven, was de vrouw, toen zij te Nijmegen aankwam, +weêr een weinig opgebeurd. Al de reizigers verheugden zich hierover, +en bejegenden den bejaarden Majoor met veel achting. Maar Holstaff +zuchtte en zeide: "Ja, wel te recht zegt La Fontaine: 'Wij moeten +het meest treuren, omdat onze smart niet eeuwig duurt.'" + +En weldra waren onze vrienden, benevens de familie Korenaar, in een +druk en vrolijk logement geëtablisseerd. + + + + + +HOOFDSTUK III. + + Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen. + + +De omstreken van Nijmegen hebben dit boven de stad zelve vooruit, +dat zij bijzonder mooi zijn. Indien gij daar dus arriveert, en gij +hebt een paar dagen den tijd, en een vriend, die het wel met u meent, +dan zal hij niet verzuimen eene calêche te doen inspannen en met +u naar Berg en Daal te rijden; is hij daarenboven gul en vrolijk, +dan zal hij u in kennis brengen met den Steinberger kabinetwijn en +den opgewonden kastelein aldaar; en wanneer gij over Ubbergen en +Beek zult zijn teruggekeerd, en veel gesproken en gelagchen hebt, +zult gij aangename souvenirs van uw Nijmeegsch tourtje verzameld +hebben. Maar indien gij geen goede vrienden bezit en geen tijd hebt +om een ordentelijk uitstapje te maken, dan benijd ik uw lot niet, +zoo gij langer dan twee uren in Nijmegen moet vertoeven. Dit laatste +was nu het geval met Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Zij hadden +besloten, zich goed te amuseren, en moesten zich tot eene wandeling +naar Belvédère bepalen; en daar zij nog tijd over hadden, maakten zij +het plan, om daarna een uurtje door het beroemde, maar hun onbekende +Kalverbosch te kruisen. Dit laatste werd evenwel niet ten volle +geëffectueerd, daar zij spoedig bemerkten, dat men dit bosch in minder +dan vijf minuten door en door kan leeren kennen, en men, om langer +tijd daarmeê door te brengen, óf steeds denzelfden weg moet gaan, +óf den bedaarden tred der slakken aannemen, die zich in gemeld bosch +in overvloed bewegen. Zij kwamen dus spoedig in hun logement terug, +en hadden daar goede gelegenheid en ruim tijd om uit te rusten, eer +het _souper_ werd aangerigt. De zakboekjes werden uitgehaald en het +reisjournaal begonnen; maar men stond verbaasd, dat men zoo weinig +had op te teekenen, en Polsbroekerwoud was genoodzaakt punctum te +zetten op de vijfde bladzijde van zijn journaal in folio, hoewel +hij eene beredeneerde opgave gedaan had van de waarde der spijzen +en dranken, die men in den loop des dags, deels uit behoefte, deels +uit weelde, deels uit verveling, had gebruikt. Uit welk oogpunt hij +de vier flesschen Rijnwijn, die men nog vóór het _souper_ gebruikte, +beschouwd heeft, is mij niet uit zijne aanteekeningen gebleken. De +wijn werkte bij deze gelegenheid meer op de oogleden dan op de tong, +en het was nog geen half elf geslagen, toen zij de zaal verlieten en +zonder verwijl hunne slaapkamers betrokken. + +Pols bemerkte dadelijk toen hij in bed kwam, dat Mijntje het niet +voor hem had opgeschud. Hij deelde deze opmerking aan Torteltak mede, +die met hem op ééne kamer sliep. Maar deze sloeg hierop weinig acht; +want hij bereidde zich voor, om van Ambrosine te droomen, en, aan +haar denkende, wakker te worden. + +En Ambrosine?--Wij hopen, dat zij goed zal gerust hebben. Zij was pas +negentien jaren oud, en zal dus later nog gelegenheid genoeg gehad +hebben, om slapelooze nachten door te brengen. + + + +Omtrent middernacht scheen alles in een diepe rust verzonken +te wezen. Zoo beschouwde het althans de knecht, die, zijne +redenen hebbende om iedereen te doen ontwaken, zulk een geweld +op de kamerdeuren begon te maken, dat de slaap bij alle reizigers +oogenblikkelijk zijne heerschappij aan den schrik en de verwarring +overliet. + +"Zeg eens, vriendje! wat moet dat?" zei Polsbroekerwoud, de deur van +zijne kamer openende. "Het is duidelijk, dat gij u vergist, want wij +hebben verzocht om niet voor zeven ure geroepen te worden." + +"Wat vergissen!" zei de knecht: "ziet ge dan niet, dat het huis +hiernaast in lichtelaaije vlam staat?" + +Pols keek op, en zag in den gang geen brandend huis, maar door de ramen +een eenigzins suspecten gloed. "Dat is weergaês lastig," zeide hij; +"dan zou dit logement ook wel eens gevaar kunnen loopen." + +"Dacht ik het niet!" riep De Morder, zijne kamer uitstuivende: "nu +zullen wij allen nog levend verbranden. 't Is ongepermitteerd. Wij +kunnen zeker de trappen niet meer af." + +"Ik zeg immers niet, dat _dit_ huis in brand staat," riep de knecht, +steeds op kamerdeuren bonzende. "Kleed u maar aan. Ik kan voor niets +instaan." + +"Dat is anders niets," zeide Pols, "al is de trap afgebrand. Ik heb +een veiligheidskoord bij mij, en wij kunnen het raam dan nog uit. Wij +moesten daarvan in alle geval maar gebruik maken." + +"Is er brand?" riep Torteltak. "Hemel, Jan! en die dames, daar van +Numero 5?--Zeg dan toch, Jan! zijn die dames gered?" + +"Wees bedaard, mijn vriend!" riep Pols. "Hier heb ik het koord al." En +waarlijk, daar kwam de man aan, met een vervaarlijk groot kabeltouw, +van knoopen en een haak voorzien. + +"Loop naar den duivel met uwe koorden!" vloekte de ander, terwijl +hij zijne elegante _chamberlouc_ omsloeg en in drift zijne lokken +arrangeerde; "ik wil het lieve meisje redden." + +Pols vond dezen uitval van Torteltak wel niet heel lief, maar vergaf +het hem toch gaarne, omdat hij in deze oogenblikken geene lieve +gezegden kon verwachten; hij liet dus den jongeling voortspoeden om +dames te redden, en bereidde zichzelven om voor het goed te zorgen, +waarvan de anderen geen werk schenen te maken. Hij liet ze dus aan +hun lot over, maar verzocht hen vriendelijk, om toch bedaard te wezen +en zich niet te veel te agiteren. + +Daar heerschte evenwel noch onder de vrienden, noch onder de overige +reizigers, de door Pols zoo zeer begeerde kalmte. Ook in de kamer der +familie Korenaar scheen die te ontbreken. Daar evenwel was de mare niet +zoo onverwacht gekomen. Mevrouw was wakker geworden, had eene ongewone +drukte gehoord, en gemeend een brandlucht te bemerken. Ontsteld stond +zij op, trok haren echtgenoot bij een arm het bed uit, en naderde +met hem het venster. Daar zagen zij de vlammen, die het naaste huis +verteerden. "Hemel, Korenaar! wat zijn wij in gevaar!" riep zij +wanhopig: "dat komt ook van die Kleefsche reizen." + +"Maar, bout! waart gij het dan niet, die zoo op dat reisje aangedrongen +hebt?" + +"Maar ik heb niet aangedrongen, om in een logement te gaan naast +huizen die 's nachts uitbranden." + +Dit argument was te forsch voor den ouden Heer. Hij trachtte zich te +verontschuldigen; doch Mevrouw verbood het hem: "Kleed u, in 's Hemels +naam, maar aan, en maak voort; of wilt gij nu ook nog dat uwe vrouw +en uw arm kind verbranden?--Ambrosine, lieve kind! word toch wakker!" + +"Wat is er, wat is er?" riep deze, haar lief kopje uit de gordijnen +stekende. O! had Torteltak haar zóó gezien met dat lieve blosje op de +wangen, en die oogjes nog dronken van slaap, hij zou waarlijk hebben +moeten bekennen, dat het nachttoilet haar beter stond dan Mevrouw hare +Mama, schoon deze eene echte kant en Ambrosine maar een _neigetje_ +om de muts had. + +"Sta op, mijn kind! sta op! daar is brand. Schielijk! sla uwen mantel +om.--Korenaar, wat talm je toch! haast u dan, in 's Hemels naam!" + +Bons, bons! klonk het op de deur. "Mijnheer, sta spoedig op!" riep +de knecht. + +"Dames, dames! haast u, wat ik u bidden mag!" riep weldra eene andere +stem, die door Ambrosine herkend werd. + +"Ja, wij komen!" riep Mevrouw, en deed de deur open. Torteltak nam +Ambrosine bij de hand, en trok haar voort. Mama volgde, met pakjes +beladen, nog roepende: "Korenaar, kom dan toch! maar vergeet je +horologie niet." + +Zonder hulp van veiligheidskoorden--want de trap stond nog zoo pal, +alsof er in het geheel geen brand in de buurt was--kwamen al de +reizigers beneden, en snelden de voordeur uit, om te zien, op welke +hoogte de zaken stonden. Polsbroekerwoud had in den gang een kruiwagen +opgemerkt, en begon nu al de koffers en valiezen van zichzelven en +zijne reiscompagnons naar beneden te slepen. Hij was geheel gekleed, +behalve dat hij zijne slaapmuts voor de nachtlucht had opgehouden; +het veiligheidskoord had hij om zijn middel gewonden, om het altijd +bij de hand te hebben. Met ongewone vlugheid klom hij de trappen op, +waarvan hij telkens beladen weêr neêrdaalde. Hij lette weinig op de +menschen, die om hem heen woelden en draafden, als zij hem maar niet +in den weg kwamen, en dan was het: "Wat ik u bidden mag, een weinigje +plaats; maar wees toch bedaard! Op mijn woord, die agitatie is meer +hinderlijk dan nuttig." + +Eindelijk had hij alles bijeen op den kruiwagen, en krood nu den +zwaren last met moeite voort, zich eenen weg banende door de menigte, +die toegesneld was, om den brand te helpen blusschen, of door hunne +tegenwoordigheid de blusschers in den weg te staan. Een eind wegs kon +hij voortgaan; maar weldra zag hij zich aangehouden door een serjant +van de schutterij, die in functie was, hoewel hij een phantasie-kostuum +scheen te dragen, en die, de zilveren strepen op zijne mouw, dat teeken +van uitgebreide magt, zoo lang daar geen zilveren schouderbladen +present zijn, aan Pols vertoonende, met eene barsche stem vroeg: +"Waarheen?" + +"Dat weet ik niet, vriend! Ik red mijn goed maar uit den brand!" + +De serjant scheen het uiterlijke van de koffers meer gedistingueerd +te vinden dan dat van Pols; althans hij voegde hem toe: "Wat jou +goed? Je ziet er mij wel naar uit, om met een dozijn zulke koffers +te reizen. Laat jij dat goed maar staan, mannetje, en zoek een goed +heenkomen." + +Dit zeggende, greep de serjant, ongewoon om magt uit te oefenen en +nu verheugd een schitterend feit te kunnen verrigten, Pols bij den +arm, en wilde hem van zijn goed verwijderen. Gelukkig evenwel kwam +gedurende die worsteling een welgekleed Heer naderbij, en vroeg: +"Wat is hier te doen?" + +De serjant keek den ondervrager eerst brutaal aan, maar veranderde +weldra zijn gezigt, en nam zijne chacot zeer beleefd af, daar hij +in dien heer iemand herkende, wiens kleederen hij poetste en wiens +boodschappen hij verrigtte, wanneer er geen brand was, en hij dus +geene schitterende uniform droeg. + +"Eene schreeuwende onregtvaardigheid," riep Pols. "Ik ben Joachim +Polsbroekerwoud van Rotterdam. Ik ben hier voor mijn plaisir. Ik red +mijn goed en dat van mijne vrienden, en deze soldaat hier wil mij +hierin verhinderen. Maar ik zal naar den Burgemeester gaan. Ik wil +dat mij regt geschiede." + +"Blijf maar hier bij uw goed," zeî de Mijnheer, "of breng het +naar uw logement terug. Zij zullen straks den brand wel meester +worden. Stoffel! ik zou dien Heer maar laten gaan." + +"Alderbest, Mijnheer!" zeî de serjant, die in het dagelijksch leven +Stoffel scheen genaamd te worden. + +Gedurende dit gesprek had een dienstvaardig Nijmegenaar, die geene +klare denkbeelden van het _jus possessionis_ scheen te hebben, den last +voor Polsbroekerwoud een weinig verligt, en een der valiezen naar zijne +woning, die ver van den brand in een achterbuurtje was gesitueerd, +in veiligheid gebragt. Pols bemerkte dit eerst den volgenden morgen, +toen hij, bij het nazien van het goed, zijn valiesje met linnen gevuld +miste. Hij moest zich dit verlies getroosten; want daar de edelmoedige +achterbuurtbewoner niet eens een fooitje voor het dragen had gevraagd, +kon hij moeielijk zijn goed op het spoor komen, en hij droeg dit, +om langdurig oponthoud voor te komen, ook maar niet aan de policie op. + +Terwijl dit eenige huizen van het logement plaats had, was er niet +minder beweging voor de woning, die in lichtelaaije vlam stond. In +kleine steden heeft men zoo weinig gelegenheid om dergelijke +geimproviseerde illuminatiën te zien, dat, als het dan ook eens plaats +heeft, iedereen zich verpligt acht daaraan te adsisteren. In groote +steden, vooral in de hoofdstad, waar men zulke dingen meer gewoon +is, verschijnen bij zoodanige gelegenheden alleen de stilzwijgend +genoodigden; als daar zijn: de geattacheerden aan de brandspuiten, +de schutters die het piquet hebben, de zakkenrollers,--in één woord, +de zoodanigen, die daar in functie moeten wezen. Onder de dilettanten +ziet men gewoonlijk alleen de naaste geburen en heel enkele van de +alleropgewondenste vuuraanbidders. Terwijl occupeert zich niemand van +de overige inwoners met zulke zaken, die hen niet aangaan, behalve +de torenwachters, die het alarmdeuntje wel slapende kunnen spelen, +en de nachtwachts, wie het woordeke _brand_ in de keel verroest +is. Maar nu in Nijmegen! De gansche populatie was op de been. Niemand, +dan die door gebrekkigen ouderdom of lamheid aan huis geconsigneerd +was, bleef in zijne woning; dames _en négligé_, zoo als zij zich +anders alleen aan hare kameniers vertoonden,--kameniers _en demi +toilette_, zoo als zij gewoonlijk slechts door de lakeijen gezien +werden,--mannen en vrouwen, in hetgeen zij maar het digtst bij de +hand vonden, gehuld,--snelden naar het vroeger onopgemerkte, nu zoo +belangwekkende huis. Zelfs de moeders meenden, dat zulk een schouwspel +hare zuigelingen zou interesseren; althans zij drongen met zoodanige +schepseltjes voorwaarts. "Het was op dien weg," om in dagbladenstijl +te spreken, "eene voortgolvende massa, een digte phalanx; de straat +was eivol."--Verscheidene particulieren wisten reeds zeker de oorzaak +van den brand, schoon de bewoners van het huis zelve die nog niet +gisten. Sommigen hadden den vorigen avond, ja 's middags al, iets +branderigs geroken, en zoo veel wisten weêr anderen van goederhand, +dat het huis veel te hoog geassureerd was. + +Intusschen waren eenige brandspuiten in werking geraakt, en +overstroomde het water, dat voor de brandende woning gedestineerd was, +de straat; want eene kenmerkende eigenschap van de slangen eener +brandspuit is, dat zij lek zijn. Een veel te groot aantal armen +bewoog de pompen, en een veel te groot getal schutters, om orde +te houden, was aanwezig. Het ontbrak ook geenszins aan commando's, +die elkander lijnregt tegenspraken, en dus had ieder onderhoorige +eene schoone gelegenheid om te gelijk gehoorzaam en ongehoorzaam te +wezen. Verscheidene stemmen trachten elkander te overschreeuwen; in +'t kort, het geweld en rumoer, dat een brandtooneel regt levendig +maakt, ontbrak ook nu niet. + +Onder de menigte toeschouwers, die eene zoogenaamde goede plaats +hadden, bevonden zich ook onze reizigers. Mijnheer Korenaar had zijnen +bril opgezet, en sloeg met aandacht de vlammen gade, die zich om de +balken kronkelden, totdat zij door de nederstortende zoldering voor +een oogenblik werden uitgedoofd, om daarna met vernieuwde kracht weêr +te voorschijn te komen. Ambrosine leunde op den arm van Torteltak, +en beefde van angst en ontzetting. Zij klemde zich nader aan den +jongeling, als gevoelde zij bescherming te behoeven, en die liever +bij hem te moeten zoeken dan bij Mama, die haar aan de andere +zijde vasthield, en vele onnoodige jammerkreten uitte. De Morder +stemde met haar in, dat het toch waarachtig eene ijselijkheid is, +om wanneer men één nacht in eene stad logeert, dan zulke dingen te +moeten treffen. Hij wond haar overigens op, door haar te verzekeren, +dat men den brand nog in geen tweemaal vierentwintig uren zou meester +worden, dat misschien de geheele stad wel eene prooi der vlammen +zou worden, en dat straks zeker de brandende balken op de hoofden +der menigte zouden neêrstorten. Veervlug staarde het tooneel met +verrukking aan, sprak van den vuurkoning, die thans alle elementen +beheerschte,--van massa's water, die in vloeijende vuurstroomen werden +opgelost,--en eindigde alle dergelijke uitboezemingen met den uitroep: +"Prachtig schouwspel! Verrukkelijk! Heerlijk!"--Een zeer hardhandig +Nijmegenaar naast hem, geenszins in zijne verrukking deelende, en van +zijne overige uitroepingen niets begrijpende, vond het gepast hem in +deze uitroepingen te storen, door hem een klap voor den mond te geven, +welke handgreep, Veervlug eenigzins pijnlijk aandoende, tot vrij hevige +onaangenaamheden aanleiding gaf. Gelukkig was het, dat de _foule_ hen +een weinig van elkander afdrong; anders weet ik niet wat de gevolgen +zouden geweest zijn: want Pols, nog steeds met de koffers bezig, was +niet tegenwoordig om te bevredigen. Holstaff stond, met één grooten +traan in ieder oog, het akelig tooneel te aanschouwen. "Ach! ach! hoe +ijselijk!" riep hij uit. "Die bloeden van kinderen, die nu in dit huis +zullen verbranden, en die hopelooze ouders, die hunne dierbaarste +panden op zulk eene vreeselijke wijs verliezen, en ze niet kunnen +redden,--voor al het goud van de wereld niet kunnen redden! Die +ongelukkige kinderen, geheel omringd door onmeêdoogende vlammen--den +dood voor oogen--zonder hunne ouders--alleen--die arme, arme bloeden!" + +"Hou toch je mond van die arme bloeden van kinderen!" gromde een burger +hem toe. "Denk jij, dat wij hier de menschen laten verbranden? Daar +zijn geen kinderen in huis. Daar waren maar twee oude luidjes en eene +meid, en die zitten al een uur in veiligheid." + +"Geen kinderen!" mompelde Holstaff: "een raar huisgezin zonder +kinderen. "Nu, ik kan het niet helpen. Dan verliezen die menschen +alleen hun goed. Ik dacht dat zij veel ongelukkiger waren." + +Het huis was intusschen tot den grond toe afgebrand; doch daar het stil +weder was, en men de noodige voorzorgen voor de andere huizen nam, +bepaalde zich het onheil tot die eene woning. Ten half vier ure was +men, den brand geheel meester, en zag men langzamerhand de menschen +aftrekken. De reizigers keerden weêr in hun logement; velen bleven uit +voorzigtigheid beneden, waar eenigen op sofa's en stoelen insluimerden, +terwijl anderen, onder een calmerend kopje thee, over den brand +van dien nacht, over de oorzaken en gevolgen redeneerden, en ieder +hunner een of meer dergelijke _scènes_ had bijgewoond, zeer geschikt +om onder zulke omstandigheden te worden meêgedeeld en aangehoord, +maar ook evenzeer geschikt om verder geheel te worden vergeten. + + + + + +HOOFDSTUK IV. + + Verblijf der reizigers te Kleef.--Zij maken kennis met interessante + landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden + en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op + een verhaal van den ouden Heer Korenaar. + + +Het nachtelijk avontuur te Nijmegen behoorde voor onze reizigers +niet tot de vermakelijkste ontmoetingen; maar hen daarom ongelukkig +te noemen, zoo als sommigen hunner zich verbeeldden te zijn, is +misschien een weinig roekeloos omspringen met een term, die op vele +omstandigheden des menschelijken levens met meer regt kan worden +toegepast. Het is wel onaangenaam, als men meer geld dan gewoonlijk +besteedt, om 's nachts behoorlijk te kunnen slapen, die duurgekochte +rust te moeten opofferen, om niet misschien levend te verbranden; maar +moet men zulke brandtooneelen in een belendend huis zien opvoeren, +dan heeft dat in een logement dit voor, dat men zich gemakkelijker en +zonder veel schade kan verwijderen, terwijl iemand, die onder dezelfde +omstandigheden rustig zijn eigen huis in zijne eigene stad bewoont, +doorgaans te veel wil redden, en zich daardoor aan aanmerkelijke schade +blootstelt. En daarenboven vertrekt een reiziger den volgenden morgen, +zonder dat hij lang aanschouwer behoeft te zijn van de treurige ruïnes +en, wat bijna even erg is, toehoorder bij de menigvuldige verhalen, die +nog wel een week na het ongeluk moeten uitgestort worden. Hij behoeft +niet te vernemen, dat zijn goede kennis A bijna door een brandspuit +overreden is, dat het bij B maar een duim breed gescheeld had, of +hij was door een gloeijenden balk verpletterd; dat C brandgaatjes in +zijn zwarten rok meent te ontdekken, schoon hij in zijn bruinen jas +bij de vuurscène tegenwoordig was. Hij behoeft zijne deelneming niet +te betuigen, wanneer zijne zenuwachtige vriendin P. hem verhaalt, +dat zij zoo allerijselijkst geschrikt was, en dat zij niet anders +meende, of haar eigen huis stond in brand. Hij is ontslagen om visites +te ontvangen van Q of Z, die hem zouden vragen of hij den brand ook +gezien had, dat hem vooral onaangenaam zou wezen, daar hij bijna door +Q is omvergeloopen, en Z hem in de _foule_ zeer gevoelig op de teenen +heeft getrapt. Hij zal niet bedroefd worden door op de societeit +te ontdekken, dat Spanje en het Oosten vergeten, en het biljart en +domino genegligeerd worden. In één woord, hij behoeft zich niet in +zijne kamer op te sluiten, om niet van verveling te sterven. + +Gelukkig waren dus ook onze reizigers, die voor zoo vele rampzaligheden +bewaard bleven, en reeds den volgenden middag, na een aangenaam +tourtje, bij Roberts te Kleef aan de publieke tafel dineerden. Zij +zaten daar rustig en op hun gemak; want daar het nog in het +begin van het saizoen was, waren de logementen nog niet opgepropt +vol. Het was daar nu beter voor menschen, die, om rust te genieten, +het gewoel ontvlugten, dan voor die met hetzelfde doel het gewoel +opzoeken. Mevrouw Korenaar scheen tot deze laatsten te behooren; +althans zij vond, dat zij het heel ongelukkig troffen. Daar waren nog +kamers _au premier_ te krijgen, behalve die zij besteld hadden, en de +knechts hadden een lui leven, want zij konden het nog bijhouden om de +_logés_ te bedienen. Ambrosine vreesde heimelijk, dat zij in Kleef +niet zulke aangename kennissen zou maken, als het geval geweest was +op de Nijmeegsche stoomboot. Misschien oordeelde zij voorbarig; want +zij had aan de _table d'hôte_ toch reeds drie zeer solide gekleede +Goudenaars en eene Delftsche familie met zeven kinderen ontmoet. Een +der Goudenaars was zeer spraakzaam, en de zeven Delftsche kinderen +waren zeer woelig, de Delftsche papa zeer kinderbedervend, en de +Delftsche mama heel slordig. De Goudenaars verhaalden veel van de +hemelhooge bergen, die zij bij Kleef beklommen hadden, en hadden +het met de Eunomianen en vele kleine tourtjesmakers gemeen, dat zij +het bereiken van den hemel voor heel gemakkelijk hielden. Zij hadden +kennelijk vergeten, of misschien nooit geweten, dat Enceladus en zijne +medereuzen, schoon zij ook bergen, van meer omvang dan de Kleefsche, +op elkander gestapeld hadden, toch den hemel nog niet hadden kunnen +beklimmen. Ook Ambrosine was misschien van deze proefneming onbewust; +althans Mama had, bij de vroegere opnoeming van hare qualiteiten, +niet van ervarenheid in de oude fabelleer gewag gemaakt; maar zij had +toch wel eens gehoord van bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, +en misschien klopte haar hartje van angst, daar zij gehoord had, dat +Torteltak zoodanigen moest beklimmen; dus kon zij weinig achting en +opgewondenheid gevoelen voor de Goudenaars, daar zij ze vergeleek met +den jeugdigen held, die met vreugde van zulke ondernemingen sprak, +zonder nog eens hoog daarvan op te geven. Torteltak scheen met +Ambrosine meer van de bergen dan van de lieve badgasten gesproken +te hebben. + +De Delftsche familie had nog niets beklommen; want zij was gisteren pas +gearriveerd. Zij had dien morgen een wandeling van een half uur gedaan; +maar toen waren vier van de zeven telgen ook tamelijk vermoeid, en de +oudste, een jongen van 16 jaren, had ronduit verklaard, dat hij den +weg van Delft naar de Kethel mooijer vond, dan dien van de Diergaarde +naar Berg-und-Thal. Zijn vader, die in hem veel genie en een opmerkende +geest meende te vinden, had dezen zet onbetaalbaar gevonden. De moeder +had niets gezegd; want zij zwoegde onder haren driejarigen jongsten +telg, die van het eerste oogenblik der wandeling had geroepen: +"Dragen--dragen--Jantje wou niet loopen,--Mama stout--Mama Jantje +dragen."--Jantje was ten laatste redelijk zoet geworden, toen Mama aan +zijn verlangen voldaan had. Deze berigten had Ambrosine ingewonnen, +en zij verwachtte niet veel genoegen van de conversatie met de +Delftsche familie. + +Na het _diner_ begaven onze vijf reizigers met de familie Korenaar +zich naar Schwanenburg, en hoorden uit den mond van Holstaff de oude +legende. Op de plaats zelve beviel dit verhaal vrij goed, als onder de +veelvuldige legendes niet de naarste; maar toen zij, op hunne _retour_, +van den goeden Holstaff niets hoorden dan: "Hoe akelig was dat voor de +arme Beatrix, dat toen de zwanenridder zoo op eens verdween, en hoe zal +zij nooit een zwaan hebben kunnen zien, zonder aan hare noodlottige +nieuwsgierigheid te denken?" toen wenschten velen der reizigers, dat +Erlin nooit vertrokken was, en Torteltak hield ten laatste staande, +dat hij van goederhand vernomen had, dat de ridder acht dagen later +was teruggekomen en een _mooi cadeau_ voor zijne gemalin uit Keulen +had meegebragt. + +Toen zij in het logement waren teruggekeerd, sprak Mevrouw Korenaar +van vroeg naar bed gaan; maar Torteltak zag haar zoo treurig aan, +en Ambrosine slaakte bij die gelegenheid zulk een diepen zucht, dat +Mama vermurwd werd. Mijnheer had nog een verhaal in zijn hoofd, dat +hij de vrienden gaarne wilde meêdeelen, en waagde het dus tot zijne +gade te zeggen: "Nu, bout! wij zullen toch niet met de kippen op stok +gaan." En Mevrouw antwoordde nu, hare dochter de wangen streelende: +"Neen, lieve! dat juist niet." En alzoo werd er besloten, niet met +de kippen op stok te gaan. + +De vrienden namen nu plaats in de groote eetzaal. Daar zaten, behalve +de drie Goudenaars, de Delftsche papa en mama en vijf Delftsche +kinderen, die dien avond mogten opblijven, en nog twee Heeren van +Elberfeld, zoo even gearriveerd. Juist toen de familie binnenkwam, +had een der Goudenaars, een schoolmeester en opgewonden vaderlander +in everlasting jas, na een paar trekken van Duitsche gastvrijheid te +hebben aangehoord, de daad van Van Speyk opgehaald, en sprak op een +uithalenden toon, aan sommige van zijne stadgenooten als aan hem eigen: +"Ja, Mijnheeren Duitschers! dat was een groot stuk van Van Speyk." + +"Dat was het wel," zeiden de andere Goudenaars. Veervlug, die zich +terstond bij dit gezelschap gevoegd had, kon niet nalaten te zeggen: +"Ja, Mijnheeren! Van Speyk voerde zoo'n groot stuk uit, dat er maar +een klein stukje van hem overbleef." + +"En onze dichters hebben hem bezongen," zei de schoolmeester. + +"Dat is ook zoo," zeiden de andere Goudenaars. + +"En daar was er een," ging Veervlug voort, "die, toen hem gevraagd +werd, waarom hij Van Speyk niet bezong, antwoordde: + + + "Bewondren kan ik hem!... tot zingen faalt mij kracht." + + +Maar naderhand schijnt hij berouw gekregen te hebben; althans hij +zingt in een liedje, _Rood en zwart_: + + + "Die kleuren dekten eens het hart, + Des eedlen Wees in Amstels wallen; + Ach! weinig dacht dien Held toen nog, + Als 't geel (de kleur van snood bedrog), + Zich daaraan paart, zal ik eens vallen." + + +'t Was jammer dat de dichter maar alleen kon zeggen, wat de held +_weinig_ dacht; ik had liever geweten, wat hij _veel_ dacht. Hij +wist anders nog al wat van hem te zeggen, zelfs hoe het met zijne +ziel afliep, blijkens het derde Van Speyk's gedicht: _Aan ***, mij +een pijpenkop vereerende, met de beeldtenis van_ Van Speyk. (Wit +porselein met gouden rand). + + + "Gewis men had geen ongelijk + Om 't beeld van dapperen Van Speyk, + In wit, met goud omzet, te malen; + Zijn ziel zoo rein als 't zuiver wit, + Is in 't ontsterfelijk bezit + Van 't goud van 's hemels zalen." + + +Deze door Veervlug aangehaalde regels werden slechts door een klein +gedeelte van het gezelschap uitbundig toegejuicht. De Goudsche +schoolmeester zag den Elberfelder triomferend aan. Deze glimlachte, +en één hunner zeide: "Bij ons zouden er nog wel menschen gevonden +worden, die de daad van Van Speyk konden verrigten; maar geene die +door zulke verzen zijne schim zouden verontrusten." Dit zeggende, +sloeg hij op de tafel, en kommandeerde nog eene flesch Hochheimer. + +De schoolmeester zag naar Veervlug met een veelbeteekenend gezigt; +maar daar deze terwijl met de Delftsche dame in discours was geraakt, +vond zijn gelaat het gepast, maar weêr de gewone onbeduidendheid aan +te nemen. + +"Heden, Mijnheer!" zei de Delftsche dame: "watte mooije versjes zijn +dat! En dat maar zoo op een pijpenkop? Ik weet heusch niet, waar de +dichters het tusschenbeide van daan halen. Zoo heb ik ook een neef, +die zulke alleraardigste versjes schrijft, en dat ook maar op alles, +wat je wilt; laatst nog op een kip, die in 't water gevallen was, +bij ons op 't Oud Delft. Ik meende te scheuren van 't lagchen, toen +hij 't me voorlas. Niet waar, Van der Kaas?" ging zij voort, haren +man tot getuige roepende: "ik spreek van de versjes van neef Sander." + +Het is opmerkelijk, dat de meeste menschen een neef hebben, die wel +versjes maakt, en die al heel dikwijls Alexander of bij verkorting +Sander heet. Gelukkig, indien deze neven zich alleen tot boertige +stukjes bepalen; die blijven nog al veel privaat eigendom van de +familie. Maar gaan zij somtijds verder,--dichten zij nu en dan een +wiegeliedje of grafschriftje, dat al heel lief is,--rijmen zij ook +wel Hymnes aan den Tijd, of Odes bij gelegenheid van de Eeuwigheid, +of Dithyrambes bij het afsterven van een onvermoeid Catechiseermeester +en doorkundig Krankbezoeker, dan zijn, helaas! te dikwijls de gevolgen +voor de Drukkers, Uitgevers en het lezend Publiek onberekenbaar. + +"Wel ja, wijfje!" antwoordde de Heer Van der Kaas aan zijne kolossale +Delftsche wederhelft: "Neef Sander is er al heel ver in. Is dat ook +niet van hem? + + + "De zon rookte een cigaar; de maan borduurde een boordje." + + +"Abuis, Papa!" viel de jongen van zestien jaren in, die veel genie en +eenen opmerkenden geest had; "abuis, Papa! dat is uit dat gedrukte +boek, dat van het begin tot het einde boertig is, en daar ook in +staat van de trekschuit." + +"O ja, de trekschuit!" zei Mevrouw Van der Kaas; "dat is ook al heel +aardig. Vindt uwé niet, Mijnheer? Dat is net, of je er in zit." + +"Ik zit niet graag in trekschuiten," antwoordde Veervlug. + +"Zulke verzen lees ik nu altijd met plaisir," zei Polsbroekerwoud; +"daar kan een bedaard mensch nog bij op zijn stoel blijven zitten. Soms +zweven die dichters zoo geweldig hoog, dat men er geen oog op kan +houden. Ik weet waarlijk niet, waarom ze zich dikwijls zoo vermoeijen; +ze moeten toch altijd weêr op de aarde te land komen. Nu, daar zorgen +de meesten ook wel voor, vooral als het naar etenstijd loopt." + +"'t Is net of ik Sander hoor," zei Mevrouw Van der Kaas. + +"Dan merk ik," riep Veervlug verontwaardigd uit, "dat uw neef nog al +niet veel hinder heeft van zijn Poëtisch gevoel." + +"Neen maar," zei Mevrouw, "als het op stuk van zaken aankomt is +hij extra gevoelig. Zoo herinner ik mij nog van een vers, dat hij +gemaakt heeft, en dat heel aandoenlijk was: _Uitboezeming aan mijne +overledene grootmoeder, bij het zien van haar breitobbetje_. De meid, +die vijfenvijftig jaar bij de goede vrouw gediend had, heeft er bij +staan huilen als een kind." + +"Ja, vaak doet ons de dichter weenen," merkte Holstaff aan; "althans +zoo is het mij dikwijls gegaan, wanneer ik in den avond ronddwaalde, +met mijn lievelings-auteur in de hand, terwijl ik, door het zachte +maanlicht beschenen, nog eens de regelen van Eduard _aan de Maan_ +nalas, die mij anders toch ook wel in het geheugen gegrift waren: + + + "Teedre maan! gij kunt mijn hart + Nimmer weêr bekoren-- + Teedre maan! uw vriendlijk schoon + Is voor mij verloren!" + + +En dan verder, daar hij schreijende zegt: + + + "En de beek ziet staâg een traan. + Met een golfje vlugten. + + Zilte tranen! spoeit vrij voort, + Fanny voelt u vlieden-- + Spoeit--een bleeke straal der maan + Zal u slechts bespieden." + + +Jammer maar, dat in het laatste vers, waar Fanny op het graf van +Eduard treurt, niet van een slepend koortsje gewag gemaakt wordt, +dat haar ondermijnt, en hoop geeft, spoedig onder de groene zoden +naast haren Eduard te rusten." + +"Je spreekt er over als een doodgraver," zeî Pols; "je zoudt alle +menschen maar in het graf willen helpen. Juffrouw Fanny zal zich +naderhand misschien nog wel wat getroost hebben. Wie weet of ze niet +nog eens een goede partij gedaan heeft! Zulke dingen trekken nog wel +eens bij." + +"IJskoude ongevoeligheid!" bromde Holstaff, en hij besloot den geheelen +avond geen woord meer te spreken. + +De vaderlandlievende Goudsche schoolmeester vond, dat het discours +over Van Speyk een weinig te spoedig was afgebroken, en de rigting, +die het in de laatste oogenblikken genomen had, kon hem maar niet +bevallen. Hij wilde gaarne Hollands roem bij vreemdelingen handhaven, +en daartoe scheen hem het best toe, met enkele particulieren, die +een bijzonder goed figuur gemaakt hadden, voor den dag te komen. Hij +doorzocht nu zijn geheugen, daar men over gedichten sprak, om het +een of ander vaderlandsch stuk te vinden. Maar, helaas! daar wilde +hem niets invallen; want poëzij werd op zijne school niet geleerd, +en was dus zoo zijn vak niet. Zijne reiscompagnons, die ook niet +gewoon waren hem zoolang zwijgende te zien, schenen ook iets te +verwachten. Eindelijk herinnerde hij zich nog een fragment van een +vaderlandsch stukje. En dus zoodra er eene pauze was, wendde hij zich +weêr tot de Elberfelders: + +"Ja, Mijnheeren Duitschers! zoo opgewonden de Hollanders zijn voor +helden, die hun bloed voor de heilige zaak des Vaderlands veil hebben, +zoo laag zien zij neêr op baatzuchtigen, die om eigen gewin die +zaak afvallen." + +"Dat is wel waar," zeiden zijne mede-Goudenaars. + +"Zoo herinner ik mij," ging hij voort, "een vers, door een onzer +dichteren gemaakt, op een verrader des Vaderlands. Krachtige taal; +hoor slechts het begin; + + + "'t Was nagt, toen u uw moeder baarde, + Een nagt, zoo zwart als immer was.".... + + +"Met uw verlof!" viel Polsbroekerwoud in: "dat vind ik niet bijzonder +krachtig gezegd; want de meeste kindertjes komen bij nacht ter wereld." + +"En," voegde Veervlug er bij, "dat het een zwarte nacht was, bewijst +alleen, dat het geen lichte maan was." + +"Mijnheeren," riep de schoolmeester verontwaardigd, "op zulk eene +wijze kunt ge alle verzen wel uitkleeden." + +"Dat kunt ge ook," zeiden de twee andere Goudenaars. + +"Mits," grinnikte Veervlug, "dat er eerst inkleeding heeft plaats +gehad." + +Het goede plan van den schoolmeester, om Hollands roem bij +vreemdelingen te handhaven, mislukte door deze interruptie geheel. De +vrienden verzochten, om hem te bevredigen, wel, dat hij zou voortgaan; +maar hij bedankte er voor, en hield zich stil. Zijne reiscompagnons +vonden, dat hij gelijk had. Niemand vernam dus iets van "de helsche +geesten, de krassende vogelen, de woedende zee en de verschrikte +engelen;" en de Elberfelders waren van het genoegen verstoken, iets +meer van Hollands roem te hooren. + +De Delftsche Mevrouw had met bewondering toegeluisterd. Haar gemaal +had nu en dan gelagchen om zijn oudste zoontje, dat veel genie en +een opmerkenden geest had; want hij had achter den stoel van den +schoolmeester gestaan, en, als deze sprak, grimassen achter zijn rug +gemaakt. Hij had ook nu en dan tegen de andere Heeren, die hem niet +aanzagen, de tong uitgestoken. De overige kinderen liepen de kamer op +en neder, plukten aan de stoelen, trokken aan de gordijnen, en kwamen +nu en dan Mama aan den schoot hangen en een ulevelletje afdwingen om, +na ontvangst daarvan, onderling te kibbelen en te harrewarren. + +Mevrouw Korenaar was gedurende de discoursen in eenen zoeten slaap +geraakt, en droomde zich misschien op de bruiloft van Ambrosine's +eersteling. De oude Heer had zijne tweede cigaar opgestoken en hulde +zich in rookwolken. Torteltak sprak zeer druk met Ambrosine, en ook +door de dichterlijke stemming, waarin de andere vrienden verkeerden, +bezield, had hij alle mogelijke verzen, die hij zich herinnerde en +die hij begreep dat een jong meisje uit zijn mond aardig in de ooren +zouden klinken, fluisterende meêgedeeld en te gelijk met zijne oogen +meesterstukken verrigt. Hij was nu eens teeder, dan weder dartel, +soms ook hoogst gevoelig. Het verwijt "aan den stroeven wijsgeer," +die niet erg veel met kusjes op had, werd niet vergeten; het speet hem, +dat hij moeijelijk kon te pas brengen het: + + + "Een wreede onpaslijkheid heeft mij aan huis gebonden: + Wat heeft mijn ziel al ondervonden + Van droefheid, smart en kommernis, + Vooral daar mijn vertrek zoo kort ophanden is." + + +want hij vreesde, dat de eerste regel het effect van den laatsten +zou benadeelen. Daarom bepaalde hij zich nu bij een ander gedicht, +dat toch ook heel aandoenlijk was, na vooraf te hebben aangemerkt, +dat men zich in sommige omstandigheden zoo gaarne de woorden van +dichters zou willen toeëigenen. + + + "Ja, geen der wreedste folteringen, + Die ooit den Stervling viel te beurt, + Kan zoo het hart zijn moed ontwringen, + Als 't oogenblik dat ons een Zielsgeliefde ontscheurt! + + Helaas! wen eensbezielden voelen + Hoe zalig ze in elkander zijn: + Wen al het heil dat zy bedoelen, + Het deelen is van vreugde en pijn: + + Wen 't hart niet langer voor zich-zelven, + Maar voor zijn ander harte slaat; + De zucht een afgrond schijnt te delven, + Die zijns Geliefden borst ontgaat." + + +Hier slaakte Ambrosine een diepen zucht, die echter bij deze bijzondere +gelegenheid voor Torteltak geen afgrond scheen te delven, maar veeleer +een demping te bewerkstelligen van den kleinen afgrond, die er nog +tusschen hem en Ambrosine bestond. + +De aankomst van een Engelsch Heer en Dame brak hier deze gesprekken +af, die anders misschien ook nog onder het _souper_ zouden hebben +voortgeduurd en voor velen den maaltijd vergald. Terwijl de Heer naar +boven ging om de kamers te bezigtigen, plaatste de Dame zich op een +stoel aan het einde der zaal, na den groet van diegenen der reizigers, +die haar begroet hadden, beleefd te hebben beantwoord. + +De Goudsche schoolmeester, die volstrekt geene notitie van haar +binnenkomen genomen had, vond het gepaster dadelijk aan het gezelschap +te zeggen: "Ik houd niet van Engelschen. Zij zijn mij te stuursch +en onbeleefd." + +"Dat is wel waar, dat zult ge altijd zien," zeiden de andere +Goudenaars, die misschien voor het eerst van hun leven Engelschen +van zoo nabij zagen. + +Een der Elberfelders maakte de opmerking, dat dit toch eigenlijk meer +in naam, dan inderdaad was; dat hij heel veel Engelschen ontmoet had, +en nooit die bijzondere onbeleefdheid had ondervonden. + +"Dan hebt u wel rare Engelschen ontmoet," zeî de schoolmeester; +"maar zoo veel is althans zeker, dat zij denken dat er geen een land +boven Engeland gaat, en dat zij ondragelijk trotsch zijn op den roem +van hunne natie." + +"En kunnen zij wel één Van Speyk opnoemen?" vroeg de Elberfelder. + +De schoolmeester antwoordde niet; want de knecht bragt het _souper_ +binnen, en allen plaatsten zich aan den disch, behalve de Engelschman, +die, aan het einde der tafel gezeten, _tea for Mylady_ en voor +zichzelven een glas _brandy hot_ besteld had, en eenige aanteekeningen +in een zakboekje maakte, terwijl Mylady een _guide_ doorbladerde. + +"Die Engelschen lijken wel gek, dat zij niet souperen," zeide de +schoolmeester; "maar misschien zijn zij daar te gierig toe. Wat doen +ze dan te reizen?" + +"Maar als ze nu geen honger hebben," zei Pols. + +"Dat maakt mij geen mensch wijs, dat je 's avonds om tien ure geen +honger zoudt hebben. 't Is te gek om van te spreken. Ik kan 's avonds +wel een pond vleesch aan." + +"Ik ook," zeiden de andere Goudenaars. + +De andere reizigers vonden het nu maar gepaster, de Engelschen met +hunne thee en cognac in vrede te laten, en zelve rustig te souperen; +vooral scheen de lieve Delftsche jeugd geenszins onverschillig voor +de praeparaten van den Kleefschen kok. Daar heerschte zelfs ongeduld +en ongerustheid dat er niet genoeg zou zijn onder de jeugdige Van +der Klaasjes. Mevrouw had het waarlijk druk met haar kroost, daar +Geertje, voordat nog iemand gediend was, uitriep: "Mama! ik heb nog +geen cotelettes," en dus moest gerustgesteld worden, en Pietje spoedig +daarna opmerkte, dat Aernout veel grooter stuk vleesch had dan hij, +en waarschijnlijk niet zou gezwegen hebben, indien niet Mama een +stukje van haar eigen bord ten behoeve van Pietje had afgestaan. De +jongen van zestien jaren, die veel genie en een opmerkenden geest had, +mogt zichzelven dienen en nam opmerkelijk groote portiën, en Papa dit +ziende, kon niet nalaten, aan Mama te zeggen: "Die Evert is toch een +olijke gast van een jongen." + +Toen het _souper_ afgeloopen was, zouden de lievelingen vertrekken, +omdat zij niet langer blijven wilden. Maar toen zij tot vreugd +van het gezelschap reeds op weg waren, ontmoetten zij den knecht, +die een schaal met aalbessen binnen bracht. IJlings vlogen zij naar +hunne plaatsen terug en riepen eenstemmig, dat zij aalbessen moesten +eten. Mama werd met deze luide kreten een weinig verlegen; maar Papa +vond het nog al een aardige trek van zijne kinderen, dat zij zoo +dadelijk, toen zij de vruchten zagen, waren teruggekomen. + +"Ik wou meer bessen," riep Pietje. + +"Ik heb geen suiker genoeg," riep Geertje. + +"Nou heb ik geen een trosje witte," griende Aernout. + +De zestienjarige jongen, met genie en een opmerkenden geest begaafd, +had opgemerkt, dat zijn zusje gewoonlijk schreeuwde, als hij haar +onder de tafel in de knieën kneep, en scheen haar gaarne te hooren +schreeuwen. + +"Aw, Aw, je doet me zeer!" huilde Antje. + +"Is 't niet lekker, Pietje?" zei Polsbroekerwoud in eene heel +kinderlievende bui. + +"Daar heb jij ook wat," antwoordde Pietje, en smeet hem een steeltje +toe. + +"Foei, Pietje!" zei Mama, en kreeg eene kleur. + +"'t Wordt ook al een gannefje," zei Papa glimlachend. + +"Geeft u ze maar van die bessen, Mevrouw!" zeî Pols; "dat is gezond +voor kinderen." + +"Ja," zei Veervlug, "gezond en frisch. Dit herinnert mij eene Ode +aan de aalbes, van een onzer dichters: + + + "'t Lust mij zingend u te loven, + Ed'le bes, gezond en frisch! + Heerlijk ooft van Neêrlands hoven, + Sieraad van der burgren disch! + Mijne zangster, die haar toonen + Aan 't eenvoudig-ed'le wijdt, + Zal ook met een lied u kroonen, + Die eenvoudig edel zijt. + + Andren zingen abrikozen; + Perzik, uw verheven zoet!.." + + +"'t Is of ik Sander hoor," riep Mevrouw Van der Kaas. + +"Ja," zeî Veervlug, "ik kan het u niet geheel reciteren; maar nog +ééne passage klinkt zeer schoon. + + + "Juich, verhef u vrij, Germanje! + Roem uw, druivenrijken Rijn! + Juich Bourgonje, bral Champagne! + De aalbes schenkt ons ed'len wijn." + + +"Mooi, mooi," riep een der Elberfelders. "_Kellner_! hebt ge ook +aalbessenwijn?" + +"Ja wel, Mijnheer!" zeî de _Kellner_. + +"Geef _mij_ dan nog een flesch Hochheimer. Die Hollandsche Mijnheer +daar zal den bessenwijn waarschijnlijk prefereren." + +Veervlug scheen evenwel niet bijzonder nationaal te wezen; want hij +hield zich met zijne vrienden bij den Rijnwijn. + +De Delftsche familie trok op. Mijnheer zou gaarne nog wat beneden +gebleven zijn, maar Geertje riep met luider stem: "Papa meê!" en Papa +ging als een gehoorzaam vader meê naar boven. + +Ook de Elberfelders vertrokken een weinig later; en de Goudsche +schoolmeester zeide geeuwend, dat hij een beetje slaap kreeg. + +"Ik ook," zeiden de mede-Goudenaars, en bragten met veel moeite +geeuwingen voort. + +Mevrouw Korenaar en Ambrosine vertrokken insgelijks, de laatste met +een eenigzins treurig gezigt. Zij wist dat het reisplan der vrienden +meêbragt, om den volgenden morgen ten 6 ure Kleef te verlaten. Vier +hunner namen met groote bedaardheid van de Dames afscheid; één +hunner met bijzonder empressement; hij hoopte na zijn _rétour_ het +geluk te mogen hebben, bij de familie eene visite te maken. Hij nam +met een eerbiedigen handdruk van Mevrouw, met een teederen dito van +Ambrosine afscheid, en zoo wel hij, als het meisje, zuchtte bij deze +gelegenheid hoorbaar. + +"Ik heb hoofdpijn, Mama!" zeî Ambrosine, bovenkomende; +"ik ga dadelijk slapen." + +Misschien had zij waarlijk hoofdpijn, maar zij sliep niet dadelijk. + +Mijnheer Korenaar presenteerde aan de vrienden een cigaartje, en +proponeerde nog een half uurtje op te blijven. Niemand had slaap, +en dus bleef men zitten. Men sprak nog ter loops over de Goudsche, +Delftsche en Elberfeldsche reizigers: maar spoedig geraakte men +aan algemeene opmerkingen, en een van dezen, welke weten wij niet, +werd door den ouden Heer opgevangen, die daarop zeide: "Ja, zoo heb +ik eene ontmoeting gehad, die ik onlangs nog aan iemand, ik weet niet +wien, meêdeelde," (Torteltak wist wel aan wien, maar 't was hem nu om +'t even, of hij oude of nieuwe verhalen hoorde) "die waarlijk nog al +interessant is. Wil ik ze u eens meêdeelen?" + +"Heel gaarne," riepen de vrienden. + +De Heer Korenaar legde zijn bril af, deponeerde zijn cigaar op een +boord, en deelde de volgende geschiedenis mede. + + + + + +HOOFDSTUK V. + + Het verhaal van den Heer Korenaar, dat misschien nog met de + verdere reisavonturen van Polsbroekerwoud en zijne vrienden in + verband zal staan. + + +"Het kan wonderlijk in de wereld loopen. Ik zat in het jaar 1800 op +den 10den November op mijn kantoor. Ik weet den juisten datum nog +zoo, omdat het de dag was na dien fameusen storm, daar de Heeren wel +van zullen gehoord hebben. Het was de hevigste orkaan, dien ik ooit +bijgewoond heb. Men wil nu wel zeggen, dat die van den 29en November +verleden jaar even erg geweest is; maar, gelooft mij, die was maar +een kind bij den vorigen. Alle menschen van jaren zullen dit met +mij eens wezen; maar de jonge lieden willen tegenwoordig alles net +zoo goed en misschien beter kennen dan menschen van jaren. Nu, dat +daargelaten.--Ik zat op mijn kantoor in mijne zaken, en zag juist eene +lijst na van goederen, die ik uit de Oost ontvangen had, toen een jong +mensch van omtrent twintig jaren mij verlangde te spreken. Ik dacht +natuurlijk dat het over zaken was, en zond hem mijn boekhouder in het +spreekkantoortje; maar deze kwam spoedig terug, en overhandigde mij +een brief van den Heer Darmold, een correspondent uit Marseille, die +mij dringend verzocht zijnen zoon, den overbrenger van dezen brief, +gedurende zijn verblijf in Holland eenig genoegen te verschaffen, +en zoo veel mogelijk verstrooijing te geven. Hij had, schreef mijn +correspondent mij verder, een paar jaar gestudeerd, maar was door +treurige lotgevallen in eene diepe melancholie vervallen, en deed nu, +op raad der geneesheeren, een reisje door Europa. Ik verzocht dadelijk +den jongen mensch bij mij op mijn kantoor, en zeide, dat het mij +genoegen zou wezen, indien hij straks met mij naar huis wilde gaan; +doch daar ik nog eerst eenige zaken in orde te brengen had, gaf ik +hem intusschen de cargalijsten en scheepstijdingen, om eens in te +zien. Ik vervolgde mijne werkzaamheden, maar bemerkte spoedig, dat +hij zich weinig met de lectuur bezig hield, en begreep dus, dat hij +een zwaar verdriet moest hebben: waar het hem evenwel haperde, wist +ik toen nog niet; maar later, toen hij eenige dagen bij mij geweest +was, ontdekte ik, dat het iets betreffende zijn hart was. Ik wil +wel bekennen, dat ik bij de ontdekking niet regt wist, hoe daarmeê +te handelen; want ik heb mij in mijn leven meer op de kennis der +koloniale waren, dan op die van het menschelijk hart toegelegd. Maar +daar zijn oude Heer mij verzocht had hem veel verstrooijing te geven, +deed ik wat in mijn vermogen was: ik wandelde eens met hem naar de +Plantage, deed ook een tourtje naar het Overmaassche, en liet hem +de werf zien. Dit alles scheen evenwel zijne treurigheid niet te +verminderen; hij kon uren lang zitten, zonder een woord te spreken; +en als ik hem dan zeide, dat hij zoo niet in zichzelven gekeerd moest +wezen, glimlachte hij wel, maar hij bleef dezelfde. Ik raadde hem aan, +om niet meer zoo melancholiek te wezen en zich over de zaken heen te +zetten, daar alle dingen toch te regt komen, en bragt hem voorbeelden +bij van twee speculatiën, die mij mislukt waren, maar die ik naderhand +toch gelukkig geredresseerd had. Alles vergeefs.--Ik was zelf toen nog +jong en ongetrouwd, en dus nog heel vrolijk; al mijne vrienden waren +opgeruimde menschen, en wij bragten dikwijls de avonden met elkander +door onder een glaasje wijn en een potje commerce; maar ook hierin +scheen Darmold geen genoegen te vinden. Zoo zal hij omtrent zes weken +bij mij in Rotterdam geweest zijn, toen hij hoorde, dat er een schip, +waarin ik aandeel had, naar Oost Indië zeilreê lag. Hij verzocht mij, +hem in de gelegenheid te stellen, met dat schip de reis te maken. Ik +vroeg hem in het eerst wel, of hij gek was; hoe hij het verzon, +om zoo in éénen naar de Oost te gaan. Ik ried hem, om dit plan nog +eens een jaartje te wikken en te wegen, en het _pro_ en _contra_ +in aanmerking te nemen. Ik zeide hem, dat ik niet kon permitteren, +dat zulke dollemanscoupen op een schip van mij gebeurden. Maar de +man bleef onverzettelijk; hij sloeg mijn goeden raad in den wind, en +daar zijn vader hem onbepaalde credietbrieven had meêgegeven, en hem +in alles vrijgelaten had, moest ik wel aan zijn verlangen voldoen: +ik bezorgde alles voor zijne uitrusting, en weinige dagen later was +hij op reis. + +"De reis naar Oost-Indië was in dien tijd eene belangrijke onderneming, +en duurde verscheiden maanden. Tegenwoordig, nu men stoombooten heeft, +die evenwel nog niet op de Oost varen, doet men den overtogt veel +spoediger. Gij kunt dus begrijpen, hoe verwonderd ik was, toen ik vier +weken later mijn gewezen _logé_ weêr voor mij zag staan, ten minste +zoo ik meende; schoon ik spoedig vernam, dat niet hij het was, maar +zijn tweelingbroeder, die sprekend op hem geleek. Een van de eerste +vragen, die deze mij deed, was, waar zijn broeder was. Ik antwoordde: +"Aan boord van de _Johanna Maria_, op reis naar Oost-Indië," en terwijl +ik de zeetijdingen nakeek, voegde ik er bij: "gepraaid in de Noordzee, +den 15den November." Ik bemerkte spoedig, dat deze tijding aan den +broeder niet beviel; althans hij riep met droefheid uit: "Hemel! dus +toch te laat! Alles te vergeefs!" Ik begreep in den beginne niets van +deze uitroepingen; maar naderhand zag ik de zaak beter in, toen mijn +nieuwe bekende mij het volgende meêdeelde. + +"In de stad H****, waar de jonge Darmold studeerde, woonde de familie +Pereaux, die door het geven van _diners_ en bals, vooral bij de +studerende jongelieden, in groot aanzien was. De Heer des huizes was +eigenlijk een slecht echtgenoot, en nog al heel los; maar daar hij rijk +en gastvrij was, zag men bij hem veel door de vingers. Onder de Heeren, +die zijn huis frequenteerden, bevond zich ook Darmold, die, stil en +ingetogen levende, minder spoedig het hart van den Heer Pereaux won, +dan dat van zijne echtgenoot en zeventienjarige dochter. Hij scheen +evenwel met zijn succes van dien kant tevreden, en benijdde degenen, +die hoog bij Mijnheer stonden aangeschreven, hunne plaats niet. Het zou +evenwel wenschelijk voor hem geweest zijn, indien Mijnheer Pereaux, +hoe los hij dan ook was, hem minder als een houten Klaas beschouwd +had; want toen Emma hem reeds hare liefde geschonken had, en hij bij +het verzoek om hare hand grooten steun in hare Mama vond, weigerde +Mijnheer volstrekt iets daarvan te willen hooren, en protegeerde een +medeminnaar, een jong officier, op wiens moreel misschien wel wat was +aan te merken; maar Mijnheer Pereaux zeide, op zijn eigen voorbeeld +wijzende, dat zulke menschen doorgaans de beste echtgenooten worden; +iets dat, evenwel zijn brave vrouw door de ondervinding geheel anders +geleerd had. + +"Emma, die den officier om zijne losheid verachtte, en nu eenmaal +haar hart op Darmold gesteld had, verzette zich in den beginne wel +wat sterker, dan eene dochter tegenover haren vader betaamt, tegen +zijn gevoelen, maar later wendde zij het over eenen anderen boeg, +en wist hem door tranen en smeekingen zoo ver te brengen, dat hij +eindelijk zijne toestemming gaf, indien zij dan toch volstrekt hare +dagen in verveling wilde doorbrengen. + +"De jonge Darmold was evenwel volstrekt geen vervelend mensch. Toen +hij bij mij was, vond ik hem wel stil; maar hij was toen ook in zulke +bedroefde omstandigheden en zijn broeder heeft mij verteld, dat hij +vroeger altijd vrolijk en heel aardig was; maar daar hij zich heel +weinig met de losbollen inliet, hielden deze hem voor een flaauwen +jongen, en vooral de vrienden van den officier vatteden haat tegen +hem op, toen hij Emma toch eindelijk kreeg. Hierdoor verbitterd, +rustten zij niet, voordat zij zijn ongeluk bewerkt hadden, en zij +schaamden zich niet daartoe de schandelijkste middelen te gebruiken. + +"Darmold miste op zekeren dag den ring, dien hij van zijne Emma +ontvangen had, en toen hij, zich hierdoor ongelukkig gevoelende, +op den gewonen tijd zijne bruid wilde bezoeken, werd hij aan de +deur afgewezen. De ring was aan den Heer Pereaux overhandigd, en een +relaas, daarbij gevoegd, schijnbaar met onwedersprekelijke bewijzen +gestaafd, overtuigde dezen, en deed zelfs zijne huisgenooten vreezen, +dat Darmold een verachtelijke huichelaar was. Vergeefs trachtte hij +zich te verontschuldigen. De Heer Pereaux wilde hem niet meer zien, +en zelfs zijne brieven werden hem ongeopend teruggezonden. Zijn +engagement met Emma was onherroepelijk verbroken. + +"De arme jongeling kwam te Marseille bij zijne familie terug, en +werd door eene hevige ziekte aangetast, en schoon hij daarvan ook +genezen was, het ongeluk deed hem in zulk eene melancholie vervallen, +dat men voor zijn verstand begon te vreezen; voornamelijk toen hij +eenige maanden later hoorde, dat Emma weldra aan den officier Duchamps +zou verloofd zijn. In dien toestand liet zijn vader hem, op raad der +doctoren, eene reis ondernemen, en zoo kwam hij bij mij in Holland. + +"In dien tusschentijd werd de toestand van Mevrouw Pereaux, die reeds +sedert eenige jaren aan eene gevaarlijke kwaal leed, zeer bedenkelijk, +en de uitspraak der faculteit was, dat zij slechts weinige maanden +meer te leven had. Toen zij nu haar einde voelde naderen, woog haar +het lot van Emma zwaar op het hart, en daar het engagement met den +officier nog zoo ver niet gevorderd was, als de geruchten verspreidden, +deed zij nog eene poging om haren echtgenoot tot betere gedachten +omtrent Darmold te brengen, en eischte, als een laatste bede, dat +deze zich ten minste zou mogen verantwoorden. Mijnheer Pereaux, wien +zijn geweten misschien veel verweet omtrent de vrouw, die hij weldra +zou verliezen, durfde haar deze bede niet weigeren, en de broeder +van Darmold, van dit besluit onderrigt, spoedde zich naar Holland, +waar hij dezen nog meende te vinden. + +"Toen hij mij deze omstandigheden had meêgedeeld, begreep ik zeer +goed, waarom mijn berigt omtrent de ondernomen reis naar Oost-Indië +hem niet bijzonder aangenaam getroffen had. Ik trachtte hem evenwel +zoo goed mogelijk te troosten, daar de zaak nu eenmaal zoo en niet +anders was, schoon het geval ook mij waarlijk leed deed. Het bleek +nu evenwel van achteren, dat ik gelijk had gehad, toen ik Darmold's +coup, om zoo in éénen naar de Oost te gaan, dollemanswerk genoemd had, +schoon ik ook van al deze omstandigheden niets wist. + +"Twee maanden later kreeg ik van den ouden Heer Darmold berigt, +dat Mevrouw Pereaux overleden was, en toen ik weinig tijds daarna +eene bezending goederen uit Marseille ontving, meldde hij mij in +een post-scriptum, dat Mijnheer de belofte aan zijne stervende vrouw +vergeten had, en dat Emma spoedig met den Heer Duchamps in den echt +zou treden. Hij had deze tijding ook aan zijn zoon gezonden, die op +een vroegeren brief misschien zou zijn teruggekeerd, en die bij zijn +_retour_ door deze nieuwe teleurstelling misschien tot wanhoop zou +geraakt zijn. + +"Ik had in geen twintig jaar iets meer van deze menschen gehoord, ja +het was bijna eenentwintig jaren geleden, want de oude Heer Darmold +was gestorven en ik had een anderen correspondent te Marseille; ik +was in dien tusschentijd getrouwd en had drie kindertjes in leven, +behalve die al gestorven waren; net die kinderen, die ik nu nog heb, +en waarvan uwé mijne dochter Ambrosine gezien heeft, die toen nog maar +drie jaren oud was; toen in den zomer van 1821 een tamelijk bejaard +Heer bij mij op het kantoor komt, en tot mij zegt: 'Ik zal misschien +niet meer bij u bekend zijn.' + +"'Dat ik ten minste weet, niet,' gaf ik hem ten antwoord. 'Wie heb +ik eigenlijk 't plaisir te zien?' + +"'Ik ben Darmold,' zeide hij: 'ik heb nu twintig jaren geleden van +uwe gastvrijheid geprofiteerd, en kom nu uit de Oost terug.' + +"'Darmold?' zeg ik: 'heden, je bent veranderd; maar 't is ook al een +heele tijd, dat wij malkaâr niet gezien hebben. Wel ja, ik heb je +toen nog naar het schip gebragt. Jammer maar, dat je toen toch die +reis niet een jaartje uitgesteld hadt.' + +"'Ach ja!' zeide hij; 'maar hierover wel nader. Ik moet hier twee +dagen blijven om mijne bagage, en reis dan verder naar Pyrmont.' + +"'Ja, en de oude Heer is ook zoo dood in dien tijd,' zeide ik. + +"'Dat is nu al achttien jaar geleden,' antwoordde hij. Ik had juist +mijn correspondentieboek voor mij, en keek het eens na: het was +achttien jaren en vijf maanden. + +"'En die Jufvrouw is toen, meen ik, getrouwd,' mogt ik zoo zeggen. + +"'En nu weduwe!' zei hij. 'Zij is twintig jaren ongelukkig geweest.' + +"'Dat is een heele tijd!' zei ik. 'Ik ben nu zeven jaren gehuwd; maar +mijne vrouw is wat jonger dan ik. Ik zal u bij haar brengen. Gij zult +onze gast wezen.' + +"Hij nam mijne invitatie aan, en beviel mijne vrouw en mij bijzonder +wel, schoon hij nog altijd stil was; en toen hij twee dagen later +vertrok, noodigden wij hem uit, om zijn bezoek eens te hervatten. + +"Hij beloofde dit, en hield ook zijn woord. Maar hij wachtte weêr +zestien jaren. In dien tusschentijd, vernam ik, was hij naar Pyrmont +gereisd, waar Mevrouw de weduwe Duchamps woonde, welke daar eenige +maanden met haren ziekelijken echtgenoot had doorgebragt, en hem daar +ook verloren had. Zij was in haar huwelijk zeer ongelukkig geweest, +en had alle hare kinderen verloren, behalve een meisje, dat nog maar +twee jaren oud was, toen haar vader stierf. + +"Darmold kwam bij zijne oude geliefde aan, en schoon de tijd hen beiden +eenigszins veranderd had, herkenden zij elkander nog zeer goed; hij +drong bij haar op eene verbindtenis aan, en zij gaf twee jaren na den +dood van haren echtgenoot hare toestemming. Zoo zouden die menschen, +na meer dan twintig jaren tegenspoeds, malkaâr waarlijk nog haast +gekregen hebben; maar het scheen zoo niet te mogen wezen. De vrouw +gevoelde zich voor het eerst van haar leven gelukkig; maar dit was +ook haar veeg teeken. Zij werd door eene hevige ziekte aangetast, en +weinige dagen voordat het huwelijk zou voltrokken worden stierf zij, +haar eenige dochtertje aan de zorgen van Darmold aanbevelende." + +"Ik moet zeggen, dat hij aan zijne belofte trouw voldaan heeft: hij +heeft Emma nooit verlaten; maar zoo als die Oost-Indienaars zijn, +hij scheen nergens rust te hebben. Hij heeft zestien jaren lang geheel +Europa doorkruist, en nu eens een winter in dit land, dan weder in dat, +doorgebragt. Maar hij heeft eene beste opvoeding aan zijn aangenomen +dochtertje gegeven, en ik weet niet hoeveel talen het meisje spreekt." + +"Mijnheer!" zeide de knecht, binnenkomende, tot Mijnheer Korenaar; +"Mevrouw wacht u boven." + +"Ja, ik kom," antwoordde deze, opstaande. "Nog een woordje, +Mijnheeren! Zoo als ik zeide, Darmold heeft mij nog eens opgezocht, +en hoe de dingen raar kunnen loopen! Hij kwam nu in 't voorjaar +uit London terug, en heeft zes weken bij ons gelogeerd. In dien +tusschentijd heeft mijn oudste zoon, die in mijne zaken is, en die, nu +ik van huis ben, alles alleen waarneemt, de jonge Emma leeren kennen, +en de jongeluidjes zijn malkaâr goed bevallen. Ik had er niets tegen, +want zij zal wel een goed stuivertje meêbrengen; en de oude Heer +Darmold is van idee, dat men jonge menschen in hunne inclinatiën niet +moet tegengaan. Dus die twee zullen, als alles wel loopt, aanstaande +Mei een paar worden. Darmold is nu nog met haar naar Italië, en zal +binnen zes weken over Zwitserland terugkeeren. Misschien ontmoeten de +Heeren hem nog wel; doet hem in dat geval mijn compliment, en in het +bijzonder ook aan het lieve Emmaatje.--Goeden nacht, Mijnheeren! Goede +reis en gezondheid!" + +De noodige handdrukkingen, buigingen, en afscheidstermen werden +gewisseld, en ook onze reizigers verlieten weldra, tot vreugde der +_Kellners_, de groote zaal. + + + + + +HOOFDSTUK VI. + + Aken en Borcetti.--Torteltak ontmoet een oud vriend.--De + Louisberg.--Hij ziet dat zijn vriend gelukkig is.--De + courzaal.--Hij vindt de vrouw van zijn vriend lief. + + +Voor sommige menschen is reizen eene eenigzins omslagtige +geographie-les. Ik bedoel hier de zoodanigen, die men altijd met eene +_Guide des Voyageurs_ in de eene, en eene landkaart in de andere hand +aantreft. Zij slaan hunne oogen nooit uit hun boek op, dan om den +omvang der landstreek, de bogten in den weg, de ligging der dorpen +en de kruiswegen met de afteekening te vergelijken. Zij schijnen +hun eigen gevoel niet genoeg te vertrouwen, om de hen omringende +landstreek mooi te vinden, en wachten zich dus wel, hieromtrent iets +in het midden te brengen, voordat zij in hun boek zien aangeteekend: +"_environs pitoresques_" of "_entzückend schöne Gegend_." Wanneer zij +een dorp doorrijden, zijn zij verheugd, zoo zij hunnen reisgenooten +kunnen meêdeelen, dat daar die fameuse slag tusschen _die_ en _die_ +volken heeft plaats gehad, hoewel zij noch hunne reisgenooten misschien +immer vermoed hadden, dat _die_ en _die_ volken het nu en dan niet regt +eens geweest waren. Evenmin verzuimen zij in steden, die zij passeren, +verrukt te worden op het zien van het standbeeld van den geleerden +X, die zoo veel tot de geestbeschaving van zijne tijdgenooten heeft +bijgedragen; hoewel zij somtijds, bij wijze van, vergissing, door eene +verkeerde markt over te rijden, niet het beeld van genoemden geleerde, +maar dat van den Burgemeester N. N. zien, die riolen door de geheele +stad heeft doen aanleggen. Komen zij dan verder in eene plaats, waar +de _Guide_ aanraadt zich langer op te houden, en men dus nachtkwartier +dient te nemen, dan verheugen zij zich, dat het, op denzelfden grond +waar zij zich nu bevinden, den Romeinen ettelijke eeuwen geleden +in het hoofd kwam, eenen burg te stichten of eene legerplaats op +te slaan; en zij pijnigen zich, om ten minste eenige uren den naam, +die op _unum_, _untum_, _agum_, of op welk _um_ ook, uitgaat, in het +hoofd te houden. Bij dit alles laden zij in hunne somtijds zwakke +hersenen gewoonlijk ook het jaartal, waarin het oostelijk of westelijk +gedeelte der stad werd in de asch gelegd, en vergeten dat het onnoodig +is, in steden, die men, passeert, een meer dan _passager_ belang te +stellen.--Maar hielden hierbij de kwellingen nog maar op, die zulke +ongelukkigen zich op den hals halen! Zij gaan verder. Naauwelijks +hebben zij zich in hun logement een weinig verfrischt, of zij nemen, +behalve den stommen gids dien zij bezitten, ook nog een praatachtigen +huurling aan. Van dezen vergezeld, doorkruisen zij de stad, slaan hunne +oogen op, waar het een der _guides_ invalt iets merkwaardigs aan te +wijzen, laten zich de deuren van alle kerken ontsluiten, zien somtijds +beroemde, maar meestal van wege hare middelmatigheid geheel onbekende +schilderijen, en kunnen zich overtuigen, dat van de minste kerken de +bouworde iets merkwaardigs heeft. Zij laten zich gewoonlijk ook nog +verleiden, om ademloos den top van een toren te bereiken, en al de +pannen of leijen, die zich op de huizen der geheele stad bevinden, +gecombineerd te aanschouwen. Zij drentelen daarna (om maar van +bibliotheken, paleizen, anatomische theaters, stadhuizen, kerkhoven, +arsenalen, fabrieken, trafieken, wees-, oude mannen-, zieken-, dol- +en pesthuizen, kazernes en burgerlijke gevangenissen te zwijgen) door +een museum van _naturalia_, waar zij de beesten, in liggende positie +opgezet, hun lot benijden, en een dito van schilderijen, waar zij +de binnenhuisjes het meest bewonderen, omdat daar stoelen staan. En +is dan eindelijk gelukkig alles gezien, dan vallen zij, in hun hôtel +teruggekeerd, dood vermoeid op een sofa neder, en mogen dan nog eens +narekenen, hoeveel _francs_, _drittels_ of _shillings_ de koster, +dienders, torenwachters, custodes en loonbedienden successivelijk uit +hunne beurzen hebben gejaagd. Zulke reizigers, die te huis veelal +hun leven aan rust en werkeloosheid wijden, leeren in den vreemde +duidelijk begrijpen, wat het zegt, in het zweet des aanschijns zijn +brood te eten. Men kan ze vergelijken met de _Flagellantes_ van de +13de eeuw, die zich ook vrijwillig en in 't openbaar teisterden en +kastijdden. Beider doel is om daarna effect te maken; beiden zijn +zij veelal onmagtig om op een waardiger wijze dit doel te bereiken. + +Gelukkig behoorden Polsbroekerwoud en zijne vrienden niet tot die soort +van reizigers. Zij besparen ons dus de moeite om hunne berigten met +die van geaccrediteerde _Guides_ te vergelijken. Niet één hunner liet +er zich aan gelegen liggen, toen zij Aken binnenreden, dat Ptolomæus +reeds van die stad, onder den naam van _Veterra_, melding maakt, dat de +Romeinen ze _Aquisgranum_ noemden, dat de Duitschers vroeger _Aach_ en +nu _Aachen_ zeggen, en de Hollanders _Aken_. Zij lieten er zich minder +meê in, dat Hendrik I de stad, door de Noormannen in 822 verwoest, +weêr opbouwde, en dat in 1224 het grootste gedeelte weêr afbrandde, +dan dat er actueel in de oude en nieuwe stad vele badgasten waren; +en het was sommigen hunner onverschilliger, dat Karel de Groote daar +waarschijnlijk in 742 geboren werd, dan dat Wilhelm Gorissen in 1837 +een uitmuntend _Gastgeber_ in het _Hôtel de Charlemagne_ was. Men zou +zich evenwel vergissen, indien men daarom meende, dat zij ongevoelig +waren voor de interessante herinneringen; die zich aan Aken hechten. De +groote kerk werd reeds den eersten dag door hen bezocht, en alles, +wat daar den trots uitmaakt van de inwoners der keizerlijke stad, +werd met aandacht in oogenschouw genomen. Pols deed meer. Hij nam zelf +plaats in den marmeren stoel, waarin 36 vorsten gekroond waren; en +toen de vrienden den volgenden morgen naar Borcetti wandelden, merkte +Veervlug aan, dat aan dien zetel, sedert de kroning van Ferdinand I, +zeker nooit grooter eer was te beurt gevallen. + +"Maar wat vertelde de koster toch met zoo veel opgewondenheid van +Napoleon?" vroeg Pols "Die man sprak zoo schielijk, en zulk raar +Hoogduitsch, dat ik hem niet best verstaan kon." + +"Gij hadt misschien liever gehad, dat hij wat meer Neêrduitsch +had gesproken," grinnikte Veervlug. "Wel, de man vertelde, dat ook +Josephine eens in dien stoel had gezeten, en dat Napoleon er toen +naast stond." + +"Zoo? was dat al?" zei Pols; "dat vind ik zoo interessant niet." + +"Ik ook niet," viel Torteltak in. "Als ik niets anders van Napoleon +wist, dan wat ik door deze en dergelijke anekdoten gehoord heb, zou +ik hem even weinig voor een groot man houden, als ik dichters zou +bewonderen, die ik alleen uit nalezingen of nagelaten werken kende." + +"Maar wat mooi is," riep Veervlug, "het grafschrift op Karel, midden +in de kerk, niets dan de woorden _Carolo Magno_. Dat is subliem." + +"Ik vind het hoofd en den arm van den Keizer veel interessanter," +zei Holstaff; "zoo als die daar onder de reliquiën bewaard worden, +vind ik er iets poëtisch in." + +"Ja wel poëtisch," zei Veervlug, "om daar aan stukken en brokken +vertoond te worden." + +"Weet ge wat beroerd is," zei de Morder, "dat die hatelijke Franschen +de mooije graftombe van Otto III vernield hebben; die had ik nu juist +zoo gaarne gezien. Nu schepen ze een mensch maar af met een platten +steen, waarop je van de _atavorum piëtas_ en de _funesta diës_ kunt +lezen. Dan zie ik liever in het geheel niets." + +"Nog meer jammer vind ik het van de sarcophaag van Parisch marmer," +zei Torteltak; "ik kan niet zeggen dat het Proserpina en de andere +dames flatteert, dat men ze de neuzen heeft afgeslagen." + +"Maar wat zegt ge toch van den massief zilveren preêkstoel?" vroeg +Pols. "Jongens, dat is nog iets anders dan de preêkstoel van +Roelevaartjesveen. Die is, meen ik, van vurenhout, met greenhout +ingelegd." + +"Hendrik II kon hem gemakkelijk geven," bromde de Morder; "hij heeft +hem nooit betaald." + +"Dan vond hij hem vast onbetaalbaar mooi," grinnikte Veervlug. + +"Wij hebben nog al veel interessants gezien," zei Torteltak; "maar +ik had ook nog dolgraag het instituut _St. Leonard_ bezocht, waar de +jonge dames van Aken hare educatie ontvangen. Ik vroeg gisteren avond +nog aan den kastelein, of daartoe geene gelegenheid was; maar hij kon +mij niet helpen. Hij wou mij wel een kaartje bezorgen voor dat van +_Joseph_, waar 200 oude mannen en vrouwen op kosten van den staat +onderhouden worden; maar dat heb ik nu ook maar tot eene volgende +gelegenheid uit gesteld." + +Pols vond zulk een gesticht toch ook nog al interessant, en Veervlug +raadde hem daarom aan, het dien avond eens te gaan bezigtigen, als +hij met de andere vrienden naar de courzaal zou gaan. + +Terwijl wandelden zij met veel genoegen door de lieve streken, die +de fabrieken en bronnen van Borcetti omgeven. Bij een der fonteinen +genaderd, bood eene vrouw hun een glas van het heilzaamste warme +bronwater aan. + +"Wel ja, vrouwtje, laat ons eens proeven!" zei Pols. + +Hij proefde; maar het effect, dat hij er van gevoelde, schrikte de +anderen af om zijn voorbeeld te volgen. "Nu heb ik nog nooit zoo +iets akeligs in mijn mond gehad," riep hij op benaauwden toon uit; +"mijn hart draait ervan in mijn lijf om." + +"Dan is dit water vast heilzaam voor menschen, wien het hart verkeerd +geplaatst is," merkte Veervlug aan. + +Een frissche teug minder heilzaam water bragt Pols weêr op streek. Men +zette de wandeling voort, en kwam langzamerhand in zeer naauwe en +lommerrijke lanen, waar weinig wandelaars gevonden werden. Op eens +vond Pols--die de vrienden gisteren van een bezoek in de courzaal +had teruggehouden, omdat het laat geworden was, maar nu wel inzag, +dat het dezen avond toch zoo ver komen zou--goed, om op ernstigen +toon tot hen te zeggen: + +"Hoeveel genot smaken wij nu in de heerlijke natuur! Hier wordt +onze rust door niets gestoord. Maar hoe gansch anders zal het zijn, +als wij dezen avond in het woeste gedruisch van de courzaal zullen +wezen! Hoe..." + +Een pistoolschot, dat niet ver van de plaats, waar zij zich bevonden, +gelost werd, stoorde Pols in zijne redenering. Hij liet dus de bedaarde +phrase, die met _hoe_ begon, varen, en riep op een eenigzins driftigen +toon: "Wat is dat?" + +"Wij zijn hier zoo digt bij de Belgen," zei de Morder; "zou het ook +een verraderlijke inval zijn?" + +"Een moord misschien, een gruwzame moord," fluisterde Holstaff. + +"Of een Rotterdamsche _coup_" zei Veervlug. + +Een tweede pistoolschot werd gehoord. + +"'t Heeft al het air van een duël," merkte Torteltak aan; "'t is hier +voor zulke affaires eene uitmuntende gelegenheid." + +"Maar zoo midden op den dag?" vroeg Pols. + +"Misschien zijn het menschen, die niet matineus zijn," antwoordde +Eduard. "Maar ga voort; ge woudt iets zeggen van de courzaal." + +Pols was evenwel door deze gebeurtenis geheel van zijn stuk +gebragt. Hij begreep, dat zijne uitmuntende inleiding, om tegen de +gevaren van het spel te waarschuwen, verloren was, en ging dus nu +maar niet voort. Hij had spoedig reden om zich hierover te verheugen, +toen hij twee menschen uit een zijlaantje zag te voorschijn komen, +hun te gemoet. + +"Wat, gij hier?" riep Torteltak op eens, zich tot een der nieuw +aangekomenen spoedende: "moet ik mijn vriend Sindenton te Borcetti +ontmoeten?" + +"En gij dan?" zei de ander, met warmte zijns vriends hand +drukkende. "Jongen, ik ben blij, dat je juist van daag hier +wandelt. Anders, je weet het, kom ik vóór het _diner_ nooit mijn +huis uit." + +"En hoe dan juist nu?" vroeg Torteltak, deze ongewone wandeling van +zijn vriend in gedachte met de gehoorde pistoolschoten vereenigende. + +"Ach ja!" zuchtte deze: "'t zou in mij nooit opkomen; maar ik had +eene kleine _affaire d'honneur_, en mijne partij en seconde hielden +beiden vol, dat zoo iets vóór het _diner_ moest afgeloopen zijn." + +"En gij zijt er beiden wel afgekomen, niet waar?" + +"O ja, redelijk wel. Partij heeft een klein stukje vleesch uit +zijn regterarm verloren. Dat behoeft hij nu al weêr niet meê te +dragen. Maar kom! laten wij voortgaan! Ginder staat mijn rijtuig. 't +Zal langzamerhand tijd worden voor het _dejeuner_." + +"Je bent nog de oude Sindenton," glimlachte Torteltak. En hij had +gelijk. De Oosterling, die op zijn twaalfde jaar in Holland gekomen +was, om daar zijne educatie te ontvangen, en verder van zijn vrij +groot fortuin te gaan leven waar het hem goeddacht, had een paar +jaren te Leiden gestudeerd. Hij behoorde daar tot die studenten, +die het bejammeren, dat er aan eene Akademie eigenlijk zoo weinig +tijd tot werken kan gevonden worden. Gewoon om zeer op zijn gemak +te leven, laat op te staan en bedaard te ontbijten, had hij met +verontwaardiging de _Seriës Lectonum_ op zijde gelegd, toen hij daar +colleges ten 8 ure 's morgens geannonceerd zag; en daar hij bij nader +onderzoek gemerkt had, dat men niets meer van hem eischte, dan dat +hij dagelijks zes uren de lessen der hoogleeraren bijwoonde, had hij +het moedig besluit genomen, om zich nooit in eenig opzigt met een +professor in te laten. Het was hem dan toch ook physiek onmogelijk om +'s morgens vroeg uit te gaan; want hij was in de handen gevallen van +den studenten-oppasser Gwoen, die, in dien tijd veel heeren hebbende, +nooit Sindentons kleêren kon schoonmaken vóór elf ure. Wijselijk +had hij zich dus naar de omstandigheden geschikt, en hij stond nooit +op voordat Gwoen kwartier vóór twaalven vroeg, of Mijnheew nog iets +vewdews te belasten had, en hem tevens meêdeelde dat de Juffwouw het +theewatew had bovengebwagt. Ten drie ure was hij volkomen gekleed, +om op de Mare te gaan eten, en bestelde gewoonlijk met een paar +vrienden, terwijl hij _after dinner_ zijne Manilla-cigaar aanstak, +eene koets, om hem naar _de Pauw_ te rijden, waar hij een kwartiertje +naar het biljartspelen keek, totdat de oude Frans hem kwam zeggen: +"De whisttafel is klaar, goede Heer!" en hem tevens een snuifje +aanbood, constant op de inscriptie van zijne doos wijzende: "_aber +nicht zu viel_". Na een paar robbers whist gespeeld te hebben, nam +hij sommige vrienden met zich mede, of vereenigde zich 's avonds op +de societeit met eenige _flaneurs_ (schoon zijn schoenmaker onder eede +zou kunnen verklaren, dat Sinderton nooit tot dat gild behoord heeft), +en kwam gewoonlijk 's nachts tusschen 2 en 3 ure op zijne kamers op +de Breedestraat. Zijne lamp stond dan op zijn bedtafeltje te branden, +en de boeken van den dag werden 's nachts _in pace_ door hem in zijn +ruim ledekant gelezen, totdat hij zijne derde cigaar in rook en asch +gemetamorphoseerd had. Daar was niets, dan eene nieuwe opera in +de Haagsche komedie, of een bijzonder feest te Scheveningen of in +den Haarlemmerhout, dat hem van deze geregelde levenswijs in iets +deed afwijken; totdat hij ruim drie jaren vóór deze ontmoeting met +Torteltak, daar zijne hospita gestorven was, en hij tegen den last +van nieuwe kamers te huren opzag, naar Frankfort was vertrokken, +omdat hij hoorde, dat men in het logement _de Zwaan_ aldaar zoo +goed als te huis was. Sedert had Torteltak niets van hem gehoord; +want brievenschrijven was hem veel te werkelijk en omslagtig. + +"Maar zeg me nu toch," ging Torteltak voort, "hoe kom je nu te Aken? Ik +zou je nog altijd in Frankfort gezocht hebben." + +"Ja, man! dat is een heele geschiedenis. Wij zullen eens een verschen +dag moeten nemen, om dat alles op te halen Ik dien nu met mijn +antagonist te gaan ontbijten." + +"Maar nog iets! Hoe kom jij tot duëlleeren? Ben je zoo'n ruziemaker +geworden?" + +"Ach neen! ik niet. Maar die mijnheer had goedgevonden mijne vrouw +te beleedigen." + +"Je vrouw, Sinderton? Hemel! ben jij getrouwd? _Omnia jam fient_." + +"Ach ja, getrouwd, al bijna drie jaren, en daar is al een stamhouder +ook. O, man! ik heb zoo veel onrust gehad! Doch ik heb een lief, kalm +wijfje; maar eer ik ze had, een schaakhistorie enz. Ik word moê, als +ik er om denk. Kom van avond in de courzaal, dan zal ik je aan Mevrouw +Sindenton voorstellen. Morgen moet je den heelen dag bij ons komen." + +Zij waren bij het rijtuig van Sindenton gekomen, en deze vertrok met +zijnen seconde, een blond, ovaal Duitscher; en daar de duëllisten op +hetzelfde uur dejeuneerden, als de publieke tafel in het _Hôtel de +Charlemagne_ begon, begaven onze vrienden zich naar het etablissement +Gorissen. + +Na het _diner_ besloten zij de omstreken van Aken aan de noordzijde in +oogenschouw te nemen, en na veel wandelens en klimmens kwamen zij op +den top van den Louisberg. Het uitzigt van dat punt is ruim en zeer +mooi. Men ziet langs de oude muren der Romeinen, over het vervallen +gedeelte van Aken, op de witte gebouwen der nieuwe straten; daarachter +verheft zich het boschachtig gedeelte aan de zijde van Borcetti, +en meer regtsaf ziet men vruchtbare akkers en elegante buitenplaatsen. + +"Verrukkelijk schoon, verrukkelijk!" riep Veervlug, nog buiten adem +van het klimmen. + +"'t Is waarlijk charmant," zei Pols. "Laat me eens zien! aan dien +kant zoo wat moet ge ons logement hebben. Maar ziet ge wel voor ons, +hoe oud en vervallen die huizen zijn?" + +"Dat zijn de hutten der armoede," zei Holstaff; "daar wordt geschreid, +terwijl ginds alles gejuich is. Daar lijden menschen broodsgebrek, +en hunne medemenschen, in de woningen der weelde, verkwisten hunne +schatten op het groene laken. Hunne angstkreten worden verdoofd door +de toonen der verwilderende muziek. Maar ik hoor u, ik beklaag u, +ongelukkigen! geen uwer jammerklagten gaat voor mij verloren." + +"Wilt gij satisfactie hebben van uw medelijden," viel Torteltak in, +"daal dan den berg af, en ga in de achterbuurten zelve huilen. De +menschen kunnen van beneden je benaauwde gezigt niet zien. Maar +wil je ze nog meer plaisir doen dan met medelijden, vergeet dan je +Pruissische _Thalers_ niet." + +"IJskoude spotter!" mompelde Holstaff. + +"'t Is toch waarachtig een ijselijkheid!" riep de Morder uit: +"dit uitzigt zou zoo heerlijk mooi kunnen wezen, als er maar eene +fatsoenlijke rivier door die velden heenliep; maar ja wel! daar is +naauwelijks een slootje. Wat doet die Maas zoo ver _regts_ en die Rijn +zoo ver _links_ te liggen? Ze konden de laatste althans wel missen, +een beetje hooger op, tusschen Nijmegen en Dusseldorp. Ik moet ronduit +zeggen, dat ik het beroerd vind." + +"O zie eens beneden u!" zei Torteltak tot Veervlug, op een tooneeltje +wijzende, omtrent vijftig voeten lager dan zij stonden, op eene kleine +vlakte, aan de helling van den Louisberg: "benijdt ge het lot van +dien man niet?" + +Het tooneeltje, waarop Torteltak doelde, was waarlijk lief, en de +man, op wien hij wees, benijdenswaardig. Hij lag daar, op den warmen +zomermiddag, heel gemakkelijk uitgestrekt, en aan zijne zijde zat in +het gras een jong vrouwtje, een lief, rond Duitsch gezigtje, open en +vrolijk, met heldere oogen en een blank _teint_; de mond niet Duitsch +groot, waaruit scheen te blijken, dat zij van het woordje _aber_ +niet dan een spaarzaam gebruik maakte. Tusschen hen speelde een +kind, dat omtrent twee jaren oud scheen, een blond krullebolletje, +blootshoofds, Engelsch gekleed, alleen met een kort jurkje en een +paar sokjes aan, in het kostuum, dat sommige Hollandsche dames +goed noemen om de kinderen te vermoorden. Indien men de liefde en +teêrheid van deze jonge moeder naar het warm kleeden moest afmeten, +dan was zij een paar wollen en en een paar katoenen kousjes, een +roodbaaijen luur en een wollen broekje, een dikken halsdoek en twee +mutjes te weinig lief en teêr voor haar kind. Daar waren evenwel +geene warmte-beminnende moeder present, en onze vrienden konden +zich dus in dit gezigt verlustigen, zonder voor kindermoord bang te +wezen. De kleine klom tegen papa op, die zijn gezigt achter zijne +handen verborg, en trok die handen met zijne teedere vingertjes weg, +om, zoodra het hem gelukt was, schaterende van lagchen het lieve kopje +aan mama's boezem te verbergen. Dit spel, honderdmaal herhaald, scheen +het jongske nooit te zullen vervelen. Hij wisselde het alleen af, met +zich door mama te laten liefkozen en die liefkozingen aan papa over te +brengen, en wederkeerig de kusjes, die hij van zijnen vader ontving, +op moeders blanken hals en blozende wangen te drukken. De teedere +blikken, die de ouders elkander toewierpen, schenen te getuigen, +dat ook zij in dat spelen geen verdriet hadden. + +Torteltak was door dit tooneeltje zeer getroffen. Ambrosine was +hem levendig voor den geest, en het kostte hem zoo weinig moeite, +deze _scène_, althans in gedachten, over te brengen. Maar toch het +gezigt alleen had een alleraangenaamst effect op hem. Hij gevoelde +zich hier gelukkiger, dan hij ooit in het elegantste kostuum op het +schitterendste bal geweest was. + +Ook Veervlug raakte opgewonden, en zou bijna door een luiden kreet +alles verstoord hebben. Torteltak wenkte hem te zwijgen, en hij +fluisterde dus zoo zacht mogelijk: "Wij moeten den _Louisberg_ +voortaan _Liefdesberg_ noemen." + +Pols vond het waarlijk charmant, maar vreesde toch heusch wel een +beetje, dat het kindje koû zou vatten. Het heugde hem wel niet, maar +toch hij wist zoo goed, dat Moeder Polsbroekerwoud hem in der tijd +zoo warmpjes had ingebakerd. + +Holstaff keek nog steeds naar de vervallen buurten, en droomde +zich aan de zijde van eene stervende moeder, op eene handvol half +verteerd stroo. + +De Morder kon niet nalaten te zeggen: "'t Zou mij verwonderen, indien +die menschen getrouwd waren." + +Torteltak zag hem verontwaardigd aan, en nog meer, toen hij, een +oog naar beneden slaande, in den gelukkigen jongen man zijnen vriend +Sinderton herkende. + +Deze merkte evenwel volstrekt niet, dat men zijn geluk bespiedde. Daar +zijn oogenblikken voor sommigen, waarin zij zich zoo zalig gevoelen, +dat zij op de wereld, die om hen is, geen acht geven; en slaan zij +dan soms een blik naar boven, dan staart het oog naar hooger punt, +dan den top van den Louisberg. + + + +"Mijn vriend Torteltak uit Holland, Elise!" zei 's avonds in de +courzaal Sindenton tot zijne gade, terwijl hij haar. den jongeling +voorstelde. + +"Het is mij aangenaam een vriend van mijn echtgenoot te ontmoeten," +antwoordde Mevrouw Sindenton, hare hand vriendelijk aan Torteltak +toereikende. + +Deze had hierop met Jean-Paul kunnen zeggen, dat niets verrukkelijker +is, dan de lieflijkheid, waarmede eene goede huisvrouw den vriend +haars mans behandelt; maar hij vond deze introductie niet gepast, +en hield niet bijzonder veel van boekenphrases in het dagelijksch +leven te gebruiken. + +"Ik heb u heden reeds zamen gezien, zonder gezien te worden," zei hij. + +"Hadt gij dan den ring van Gyges wedergevonden?" vroeg Sindenton +lagchende. + +"De Hemel beware mij!" antwoordde Torteltak; "ik was op den Louisberg +heel boven, en zag u van daar met uw allerliefst kind." + +"Ja," zei Sindenton, "dat is een best plaatsje, om het na den eten +wat af te leggen; dat bevalt mij eigenlijk nog beter dan het whisten +in _de Paauw_." + +"Niet waar, wij hebben een lief kind?" vroeg Mevrouw Sindenton; +"het maakt ons beiden regt gelukkig." En zij zag haren man aan met +een blik, misschien wat al te teeder voor getrouwden in het publiek. + +"Kom, ik ga een uurtje dobbelen," zei Sindenton; "ik zie daar nog +net een plaatsje leêg. Maak gij terwijl kennis met mijne vrouw." + +Torteltak wandelde met Mevrouw eenige malen de zaal op en neder, en +plaatste zich daarna met haar bij een der balkons. Zij geraakten in +een druk gesprek, en de jongeling werd meer en meer in het denkbeeld +versterkt, dat Sindenton zijn geksten _coup_ niet gedaan had, toen +hij een wettig huwelijk aanging. + +"_Messieurs, faites le jeu!_" klonk de eentoonige stem van den +bankier. Eenige _drittels_ en _thalers_ werden op nommers en kleuren +gezet. + +"_Le jeu est fait_."--Eenige goudstukken werden aan de genade van +het lot prijsgegeven.--"_Rien ne va plus!_" En het balletje rustte +van zijne omwandeling op een bepaald nommer uit. + +"_Trente et un_--_Impair_--_Rouge_--_Passe!_"--Eenige _drittels_ +werden uitbetaald, eenige _louis d'or_ door de schopjes der _croupiers_ +weggehaald. + +De vier vrienden, die niet met dames wandelden, tot groote ergernis +van De Morder, stonden in het midden der zaal, met die uitdrukking +op het gelaat, die ieder _habitué_ bekend maakte, dat zij voor het +eerst op dusdanige plaats present waren. Polsbroekerwoud was met +huivering de trappen opgeklommen, en had met angst zijn hoed aan de +deur afgegeven, toen zij er toch toe kwamen, om "de verderfelijke +spelonk der menschelijke boosheid" in te treden. Nu had hij zich +een vreeselijk rumoer voorgesteld: hij had gedacht op aller gelaat +afgrijselijke passies te zien uitgedrukt, verwenschingen te hooren, +desolate _scènes_ te aanschouwen tusschen half geruïneerde heeren +en hunne echtgenooten, en wat dies meer zij. Maar niets van dit +alles. Kalme rust en stilte heerschten in de geheele zaal. Hij +vernam geen geluid, behalve het gefluister van heeren, die dames +courtiseerden; het zachte lagchen van meisjes, die elkander op ridicule +toiletten opmerkzaam maakten; het eenigszins luider spreken om attentie +te trekken, van mama's, die misschien wat heel veel dochters hadden; +en het gegrinnik van oude zondaars, die eene nieuwe _beauté_ zagen, +aan welke zij den vereerenden naam van "een lekker boutje" gaven. Aan +de speeltafel niets van woede--want het valt aan weinigen te beurt, +die woedende spelers aan te treffen; geene enorme verliezen--want +zelden zijn de wanhopige Engelschen en verkwistende Franschen, +die hun geheel fortuin wagen, te vinden. Een enkele _louis d'or_ +of _sovereign_ werd gezien, maar verscholen tusschen _thalers_ +en _drittels_; het zachte eentoonige "_Messieurs, faites le jeu!_" +scheen eer in staat te wezen alle passies te dooden, dan ze op te +wekken. De spijt, die hij gevoelde, voordat hij binnenkwam, dat hij +verhinderd was geworden zijne vrienden eenige raadgevingen tegen de +speelwoede te geven, verminderde allengs zeer. Maar toch, toen hij +Veervlug, die de eerste aan de groene tafel genaderd was, in drie +keeren een geheelen _thaler_ zag verliezen, zag hij in, dat men met +klein spel, indien men lang aanhoudt, toch ook veel verliezen kan, +vooral indien men maar matig van geld voorzien is, en begreep hij het +best te zullen doen, indien hij op al de vrienden een weinig het oog +hield. De Morder waagde twee _drittels_--hij won. "'t Is wel raar," +zeide hij, "dat ik winnen moet." Hij won vijf keeren achtereen: +bij de zesde gelegenheid waagde hij een _thaler_--hij verloor. "'t +Is waarachtig een ijselijkheid," zei hij tegen Pols: "juist nu ik +eens winnen wou, gaat mijn _thaler_ weg. Die heele bankiersboel is +allemaal dievenpak. Ik doe niet meer meê." En morrende en grommende +stak hij de drie gewonnen _thalers_ op, en begon al de spelers, die +zich lieten bedriegen, in zijne ziel te verachten. Nu keek hij de zaal +rond, en ergerde zich doodelijk, dat Torteltak alweêr met een mooi +vrouwtje zat te praten, en dat hij ook nooit zulk een avontuurtje +had; en Pols kon hem in deze maar volstrekt niet troosten, schoon +hij hem herinnerde, dat Torteltak nu toch maar met de vrouw van een +vriend sprak, en bij die gelegenheid omtrent Mevrouw Sindenton den +gedistingueerden term van "verkochte waar" bezigde.--Holstaff kon +niet besluiten zijn geld voor den dag te brengen. Hij vond reizen al +duur genoeg, om nu ook nog extra speelgeld te betalen. Dan gaf hij +het nog liever aan eene hongerige, arme ziel. Het liefst van allen +scheen hij het eigenlijk in zijne beurs te houden; want toen hij +'s avonds de courzaal verliet, ging hij verscheiden armen voorbij, +zonder dat het in hem opkwam om milddadig te wezen. + +Toen Sindenton een uurtje gespeeld had, stond hij op, en animeerde +zijne vrouw en Torteltak om ook iets op te zetten. Zij deden dat +met diezelfde onverschilligheid, waarmee Sindenton dagelijks eene +kleine som waagde. Men liep nog een weinig in de zaal op en neder, +en Torteltak, die den volgenden dag niet aan de uitnoodiging van zijn +ouden vriend kon voldoen, daar hij 's morgens vroeg Aken reeds weêr +verliet, ging nu met hem mede, om nog eens van oude tijden te spreken, +en iets meer van zijne avonturen na hunne scheiding te vernemen. Een +weinig later namen ook de andere vrienden afscheid van de courzaal, +en trokken naar hun hotel. + +Toen zij zich den volgenden morgen aan het ontbijt vereenigden, zeide +Torteltak, dat de geschiedenis van Sindenton, na zijn vertrek uit +Leyden, zeer interessant was, en vooral de wijze, waarop hij zijne +vrouw gekregen had. Hij zou het hun later in een verloren uurtje wel +eens meêdeelen, maar kon dit nu niet doen, omdat de diligence, die +hen naar Keulen zou overbrengen, op het punt stond om te vertrekken. + + + + + +HOOFDSTUK VII. + + Keulen.--Bonn.--Men ontmoet interessante levenden, maar nog + interessanter dooden. + + +In het hôtel _Belle-vue_, over de schipbrug te Keulen, zaten +Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den tweeden en laatsten dag +van hun verblijf aldaar, aan de publieke tafel, in de nabijheid van +eene familie, die zij spoedig bemerkten tot hunne landgenooten te +behooren. Zij bestond uit man, vrouw en mans zuster, allen van een +tamelijk gevorderden leeftijd. Mijnheer Dufduin was eigenaar van +een zwart pruikje, dat zijne vroeg verdwenen haren remplaceerde. Hij +had een weinig-sprekend, zeer gewoon gelaat, zoo men mond en ooren +uitzondert, wier vorm geheel beantwoordde aan het model, dat Cats +voor deze deelen des aangezigts aan die "wil reysen door het lant," +voorschrijft, als hij zegt: + + + "Hebt vooreerst een esels oyr," + + +en + + + "Hebt dan nogh een verkensmuyl." + + +Voorts was de man echtgenoot, maar geen vader, rijk aan wereldsch +goed, maar niet aan wereldkennis, en reisde hij voor het eerst van +zijn leven. Hij was een Amsterdammer van ouder tot ouder, rentenierde, +en bezocht van tijd tot tijd uit liefhebberij de Beurs. Zijne vrouw +was meer zwierig dan smaakvol gekleed, en wekte, bij gebrek aan +_beaux restes_, geen spijt op, dat de schoonheid eene bloem is, die +ras verwelkt. Zij was niet stom, maar maakte verwonderlijk weinig +gebruik van haar spraakvermogen. Juffrouw Dufduin, de vleeschelijke +zuster van den Amsterdammer, scheen wat oud om diep in de veertig +en wat jong om even in de vijftig te wezen. Zij had dit boven haren +kinderloozen broeder vooruit, dat zij ook nooit gehuwd was geweest. Zij +behoorde tot de vetste menschensoort. Het eenmaal dunne huidsatijn, +dat misschien vroeger doorschijnend geweest was, scheen haar nu als +een goedgevoerde kamerjapon om de spieren te sluiten. Hare oogen hadden +vóór dertig jaren welligt gloeijende vonken uitgezonden, maar lagen nu, +in de wangen gezonken en door dikke oogleden overdekt, als uitgebrande +kolen in een doofpot; de meeste harer overige ledematen schenen op +nonactiviteit gesteld te zijn, met uitzondering evenwel van hare +tong en haar gehemelte, daar de eerste voortdurend de gewaarwordingen +der laatste verkondigde. Hare lippen schenen niet voor den kus, maar +voor den soeplepel gevormd; iets, dat daarom vooral goed was, omdat +hare laatste en misschien eenige liefde _de volmaakte Kok_ was. Aan +hem was haar hart, hare ziel, haar verstand gewijd. Aan hem denkende, +sliep zij in; van hem droomende, sliep zij door; naar hem verlangende, +ontwaakte zij. Zijne raadgevingen vervulde zij met nauwgezetheid; +zijne uitvindingen wekten hare bewondering op; zijne handelingen +waren haar eerwaardig. Geene Astarte of Isis zag zeker ooit met +grooter welgevallen neêr op de voor haar ontstoken offervuren, dan +zij op den keukenhaard, waarboven een Amsterdamsche kalfskop of een +goedgeklutste pudding te koken hing. Haar geheele aanzijn droeg de +kenteekenen, dat zij "den mensch een volmaakbaar wezen" beschouwde. + +"De Heeren schijnen ook Hollanders?" zei Mijnheer Dufduin, zich tot +Torteltak wendende, "maar zeker niet van Amsterdam." + +Torteltak beantwoordde het eerste toestemmend, het laatste ontkennend. + +"En de Heeren gaan zeker ook een Rijntourtje maken? Zoo is ook ons +plan. Ik zei in 't voorjaar tegen mijne vrouw: "Kind! wij konden ook +wel eens gaan reizen, want daar doen het wel minderen dan wij, en +om het geld behoeven wij het niet te laten. Mijne vrouw was het met +mij eens. Wij vonden het wel jammer om Amsterdam zoo met den zomer +vaarwel te zeggen; want wij wonen op de Prinsengracht, en die is in +dezen tijd net als een Engelsche tuin, als de boomen groen zijn, en de +leeuwrikken, die ik in kooijen voor mijne deur heb, zingen. Maar toch, +wij moesten ook eens iets meer zien dan regtuit. En morgen zal het +drie weken worden, toen zaten wij nog hoog en droog in Amsterdam, en +nu zitten wij al in Keulen. Wanneer zijn de Heeren uit Holland gegaan?" + +"Verleden Donderdag," was het antwoord van een der Heeren: "wij komen +nu van Aken." + +"Te duiker!" riep Mijnheer Dufduin, "dat noem ik vlug reizen. Neen, +wij leggen het langzaam aan. Wij zien den Rijn op ons gemak, en +hebben ook nog een uitstapje naar Munster gemaakt. Dat 's wel een +aardig stadje, dat Munster; maar 't is Amsterdam niet." + +"En je eet er ook zoo goed niet, als te Amsterdam," zei de zuster, +die tot nu toe met zeer veel attentie soep gebruikt had. "Verbeeld u +eens, Mijnheer!" zich tot Pols wendende: "daar hadden wij slaboontjes, +doorgebroken, net of het dikke inmaakboonen waren, en met peterselie +gestoofd. En dan geef ik u te raden, wat voor groente wij nog meer +hadden, in dezen tijd van 't jaar?" + +"Misschien doperwtjes," zei Pols heel goedig. + +"Neen, Mijnheer! je raadt het nooit. Witte kool; zoo zondig als ik +hier naast u zit,--witte kool, in de maand Juli!" + +Pols was verbaasd, niet zoozeer over de naïve bekentenis, dat Jufvrouw +Dufduin zondig naast hem zat, of over de witte kool in Juli, als over +de verontwaardiging, waarmede deze woorden geuit werden. + +"Maar in Dusseldorp hebben wij waarlijk goed gegeten, altijd voor +een Duitschen pot; want dat zal iedereen mij moeten toestemmen, +dat de Hollandsche keuken boven alles gaat. Dat hoor ik dan ook, +dat alle vreemdelingen zeggen. Maar in Dusseldorp hadden wij eene +heerlijke ossentong en een ontzettend lekkeren pudding, misschien +wel met wat veel eieren, maar dat kan geen kwaad in een pudding." + +"Wat lastig is," zei Mijnheer, "dat je hier geen _Handelsblad_ hebt." + +"En geen nieuwe haring," viel Juffrouw Dufduin in. "Hebt u daar ook +iets van gehoord? Ik heb een brief van een goede vriendin, dat ze van +'t jaar ontzettend zout is. Ik had anders de reis nog gaarne een +paar weken uitgesteld; want ik hou dol van nieuwen haring, en wij +krijgen alle jaar een vaatje uit Rotterdam present, van den eersten +jager.--Maar wat is dat nu weêr voor vleesch, dat die knecht mij daar +geeft, met die gekookte biet en peterselie? Ik geloof, zoo zondig +als ik hier zit, dat ze daar al eens soep van gekookt hebben." + +Pols en Torteltak waren geheel van hare opinie omtrent de voorgediende +_bouilli_. + +"En hebt u de Cathedrale gezien?" vroeg Veervlug aan Mijnheer Dufduin: +"vindt u die niet heerlijk mooi?" + +"Ja, gezien heb ik ze, voor zoover ze voltooid is,--let wel: voor +zoover ze voltooid is. Ik houd niet van kerken, die niet voltooid +zijn. 't Is net daarmeê, als bij ons met de Amstelkerk." + +"Maar de bouworde, Mijnheer! puur Gothisch! hebt u ooit zulke +zwaarmoedige, plegtige lijnen gezien?" + +"Ja wel, 't is heel mooi, dat moet ik toestemmen, alles zoo als u zegt; +maar de Nieuwe Kerk bij ons is ook mooi, en die is geheel voltooid, +en de preêkstoel is superber." + +"En wat zegt u dan van de schilderij van Rubens in de +Pieterskerk?" vroeg Holstaff. + +"Neen, die geloof ik niet dat wij gezien hebben; ten minste daar staat +mij niets van voor. Maar ik heb in mijn leven zooveel schilderijen +gezien; die hebben we bij ons op het Trippenhuis bij uitstek mooi." + +Successivelijk maakte Juffrouw Dufduin, die copieus dineerde, hare +aanmerkingen op al de spijzen: het een was te bruin gebraden, het +ander te veel gestoofd, het derde niet door en door gaar; alleen +het reevleesch keurde zij de eer eener derde portie waardig, en de +pudding was zoo overheerlijk, dat zij den _Kellner_ verzocht haar +daarvan het recept te bezorgen. + +Mijnheer ging steeds voort, Keulen met Amsterdam te vergelijken; maar +onze vrienden stonden spoedig op, daar het rijtuig, dat hen naar Bonn +zou brengen, ingespannen was. Juffrouw Dufduin sloeg hare handen ineen, +dat de Heeren vóór het dessert vertrokken. Haar broeder verheugde de +vrienden door de mededeeling, dat ook zij nog dienzelfden dag naar +Bonn vertrokken, en vond het vooruitzicht, daar alweêr Hollanders te +zullen ontmoeten, alleraangenaamst. + + + +Naauwelijks hadden Polsbroekerwoud en zijne compagnons hunne namen in +het Hollandsche album van het logement _Zum Stern_ te Bonn geteekend, +en den kastelein op het hart gedrukt om het _Handelsblad_, dat zij +daar aantroffen, toch dadelijk aan den Hollandschen Heer, die een +weinig later zou aankomen, te presenteren, of zij wandelden op, om +nog dien avond Clemensruhe en de Kreutzberg te bezoeken. Zij hadden +op deze wandeling het geluk meer dan drie uren te dwalen; en na dus +maar met een vlijtig oog de eerste der genoemde merkwaardigheden +gezien te hebben, spoedden zij zich naar den Kreutzberg, aan welks +voet zij niet arriveerden, voordat de avond reeds gevallen was. Dit +hield hen evenwel niet terug den berg te beklimmen, om toch nog de +kerk en den merkwaardigen grafkelder te bezigtigen, en Veervlug vond +iets fantastisch in het denkbeeld, daar met flambouwen te zullen +ronddwalen. Bijna aan den top genaderd, ontmoetten zij eene familie, +die naar het haar wachtende rijtuig stapte, en hoe groot was hunne +verbazing, toen zij in die personen de Dufduins herkenden. + +"Dat zijn wij de Heeren voor geweest," riep Mijnheer. "Kijk! dat +moet je gaan zien, 't is waarlijk heel aardig; maar ik moet toch eens +onderzoeken, of wij te Amsterdam ook zulke grafkelders niet hebben." + +"En let eens," fluisterde Juffrouw Dufduin Pols in, "op het _souper_ +van dien koster. Zoo zondig als ik hier voor je sta, ze eten daar +gebakken aardappelen met zuring en krenten." + +"Tot weêrziens!" riep Mijnheer de vrienden na. + +Torteltak mompelde tot antwoord: + + + "Fare thee well! and if for ever, + Still for ever, fare thee well!" + + +Het oude klooster op den Kreutzberg is geheel verwoest, en alleen +de kerk is in stand gebleven. Met eene flambouw in de hand, ging een +tweeënnegentigjarige grijsaard het laat aangekomen reisgezelschap in +die kerk voor, en ontsloot hun daarna de deur van den merkwaardigen +grafkelder, waarna zij nog zestien trappen afdaalden, en zich toen +in het midden der dooden verplaatst vonden. + +De vrienden zagen eenige oogenblikken zwijgende het ongewone +schouwspel aan, totdat Veervlug fluisterende zeide: "Het is toch +vreemd, dat de stilzwijgendheid der dooden, en gedeeltelijk zelfs +hunne onbewegelijkheid, zich aan de levenden mededeelt." + +"Maar het is niet vreemd," zei Torteltak, "dat het gezigt van lijken +alle stervelingen tot ernst stemt." + +"Met uitzondering van lachende hyena's en doodgravers," viel +Veervlug in. + +"Ik word altijd met treurigheid vervuld, wanneer ik ontslapenen +zie," zei Holstaff; "maar toch, daar is iets zoets voor mij in die +treurigheid, iets rustigs, iets dat mij aantrekt en niet dan met +moeite doet besluiten om tot de wereld der levenden weêr te keeren." + +"Behalve wanneer de sporen der ontbinding ons met weêrzin het hoofd +doen afwenden," zei De Morder. + +"Ja, daar is wel iets van aan," merkte Pols op. "Hoort eens! ik kan +wel dooden zien, als het noodig is; maar zonder noodzaak vind ik het +toch nog al akelig." + +"Maar wat is hier dan akeligs?' vroeg Veervlug: "zoo ergens, dan +kan men hier den dood een slaap noemen. In dezen grafkelder heeft +het verderf geen magt over de dooden. Ziet ze maar aan in hunne +kribben! Kunt gij het wel gelooven, dat sommigen daar al eeuwen liggen +uitgestrekt? Zijn hunne gelaatstrekken nog wel iets veranderd? En +zou niet de koude wind, die om ons waait, ons bijna in het denkbeeld +brengen, als wij hun gelaat en handen betasten, dat wij eene andere +koude dan die des doods gevoelen?" + +"Niet waar?" zei de grijsaard, die zich intusschen op den rand eener +ledige kribbe had neergezet, terwijl hij met bevende hand de flambouw +naar de nabijzijnde dooden uitstrekte: "niet waar? zij rusten hier +goed. Het is hier beter dan onder de aarde. Geen worm knaagt het +vleesch van hun gebeente. Geen verscheurend dier zou hunne rust +kunnen verstoren.--Maar," ging hij zuchtende voort, "niet altijd +zijn zij voor de menschen veilig. Ziet gij daar aan de regterzijde +broeder Fhilippus, den naamgenoot van onzen Heiligen Benitius van +Florence? Hij had 400 jaren rustig doorgeslapen; maar toen kwam +vóór drie jaren een Engelschman, en terwijl ik mijn hoofd naar mijne +vrienden hier had gekeerd, sneed hij hem een vinger af, om dien als +een antiquiteit mede naar zijn land te nemen. Ik zag het niet voordat +hij vertrokken was; maar toen ik het bemerkte, beefde ik terug voor +zulk eene gruweldaad. Nu, de ongelukkige is dan ook wel gestraft. Twee +jaren lang is hij gekweld geweest door de wroegingen van zijn geweten, +en misschien ook door de verachting van zijne medemenschen. Toen +kon hij het niet langer uithouden, en hij zond mij verleden jaar den +vinger terug, en verzocht mij in eenen brief, dien aan den doode weêr +te geven. Ik heb ook voor den berouwhebbende gebeden; en ik hoop dat +ook broeder Philippus het hem om zijne boete zal vergeven hebben, +en niet eenmaal als getuige tegen hem zal optreden." + +De vrienden zagen werkelijk in de verminkte hand van den doode een +verzegeld pakje liggen. + +"Ziet gij hier," ging de grijsaard na eenig stilzwijgen voort, "deze +drie jonge menschen? Die heb ik er zelf in helpen dragen. Die daar, +broeder Zartmann en broeder Florens, zijn nu bijna zestig jaren geleden +gestorven. En die laatste, broeder Bastian _de Gartner_, met den +palmkrans, is mijn beste vriend; hij rust daar nog pas vijfenveertig +jaren. Hij zou mijn broeder geworden zijn, want hij was de bruidegom +mijner zuster; maar toch, hij was mij al meer dan een broeder. En +toen zij nu als zijne bruid stierf en in de aarde is moeten begraven +worden, toen trad broeder Bastian ook in de orde der Serviten, en zoo +konden wij te zamen over mijne zuster weenen. Hij is maar 46 jaren +oud geworden, en droeg het zwarte kleed ter nagedachtenis van den +weduwstaat der Gezegende Maagd niet langer dan twintig jaren bij zijn +leven; maar nu rust hij daarin reeds bijna eene halve eeuw; en ziet, +de palmkrans, dien ik hem op den dag zijns doods op het hoofd zette, +is nog niet verdord. Ik bezoek hem dagelijks en dat is sedert langen +tijd mijn eenige troost; want zij hebben ons klooster vernield, en +ik mag zelfs het gewijde kleed niet meer dragen; maar toch naast mijn +broeder Bastian zal ik eens rusten. Zij zullen mij toch mijn regt op +deze kribbe niet betwisten. Ik hoop, dat als gij in een volgend jaar +hier eens weêrkomt, gij mij dan op mijne plaats zult vinden." + +"Leef nog lang, goede grijsaard!" wenschten de vrienden hem toe, +daar zij het grafgewelf verlieten. + +"Zoolang het de Heilige Maagd believen zal, dat ik haar op aarde dien," +antwoordde de oude man. + +In het logement teruggekeerd, maakte Holstaff een vers getiteld: +_De frissche Dooden het verwelkte Leven_. Het is ongelukkigerwijze +verloren geraakt, maar men kan er onderscheidene fragmenten van vinden +bij dichters, die vóór Holstaff geschreven hebben, en dus niet gezegd +kunnen worden, hem te hebben bestolen. + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + + Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder + veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de + Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen. + + +Wanneer gij op eenen schoonen vroegen zomermorgen bij de ruïnes van +het kasteel op den Godesberg nederzit, en uwe oogen van daar slaat +op het heerlijk panorama dat voor u ligt uitgestrekt, terwijl de +dorpelingen van alle kanten zamenkomen en zich in de eenvoudige kerk, +een weinig lager op den berg gelegen, vereenigen, dan zult gij zoo +gij niet al te veel wereldling of wijsgeer zijt, gaarne met het _Te +Deum_ instemmen, dat door de geloovigen wordt aangeheven, en gij zult +bij die gelegenheid misschien met vreugde gevoelen, dat de mensch +voor verhevene aandoeningen vatbaar is. Maar wanneer gij dan in die +oogenblikken een uwer medemenschen, dien gij reeds als een bekrompen +schepsel hebt leeren kennen, tot u ziet naderen, gehuld in een witten +stofjas (een soort van kleedingstuk, dat een gedistingueerd, zoowel +als een gemeen gelaat zeer sterk doet uitkomen), en gij den zoodanigen +alles zonder eenige opmerkzaamheid ziet voorbijgaan, en gij uit zijnen +mond de aanmerking hoort; "te duiker! dat is nog een andere klim +dan eene Amsterdamsche sluis!" dan zult gij met leedwezen bemerken, +dat een groot deel uwer betere gewaarwordingen spoedig verdwijnt; +voeg hierbij, dat zoodanigen mans zuster, zonder een oog aan het +heerlijk uitzigt of een oor aan de zuivere kerkmuziek te wagen, den +uitval doet: "zoo zondig als ik hier sta, ik geloof dat de aardbeien +hier in het wild groeien," dan wordt het u spoedig duidelijk, dat de +mensch toch waarlijk ook tot de dierlijke wezens behoort. + +Het genoegen, dat onze vrienden eenige oogenblikken op den Godesberg +gesmaakt hadden, was door de Dufduins totaal bedorven; het minst +evenwel voor Polsbroekerwoud, wien het misschien al wat lang geduurd +had; althans hij had een paar malen van opstaan gesproken, en was nu +bezig in zijn zakboekje eene fooi op te teekenen, die hij vergeten +had te noteren, maar die hij toch gegeven had aan den portier van de +Akademie te Bonn. Hij behoefde zich dus geen bijzonder geweld aan te +doen, om het praatje met de Amsterdamsche familie voort te zetten, +en om het hart der vette dame te winnen, voegde hij haar toe: "Daar +zal een ontbijt op smaken!" + +"Dat zal het wel," antwoordde zij. "Wij hebben ook thee met de machine +besteld; anders is die hier in dit land niet te drinken. En de knecht +zou eens informeren, of de kastelein ossentong in huis had; want dat +vind ik bij het ontbijt ontzettend lekker." + +"Het uitzigt," zei Mijnheer Dufduin, eindelijk eens een oog rondom zich +slaande, "heeft hier wel iets van dat uit de Nieuwe Stadsherberg, +behalve dat het Rijntje zoo bevaarbaar niet is, als bij ons het +Y. Ha, wat zeg je, te duiker! ze moesten hier eens met een driemaster +aankomen." + +Pols was het met het laatste gedeelte dezer aanmerking eens, maar was +niet genoeg met Amsterdam bekend, om de frappante gelijkenis met het +uitzigt op het Tolhuis te vinden. + +De vier andere vrienden waren reeds vooruitgegaan naar beneden. Pols +vergezelde de Dufduins, die spoedig tevreden waren, en Mijnheer voegde +zijne vrouw toe: "Zie zoo, wijfje! dat hebben wij alweêr gezien." + +Mevrouw knikte toestemmend, en men keerde naar het logement terug, +terwijl Pols de zeer juiste opmerking maakte, "dat dalen toch eigenlijk +gaauwer ging dan klimmen." + +Na het ontbijt, waaraan, tot grootste ergernis van Juffrouw Dufduin, de +ossentong ontbroken had, maar door overheerlijke _saucisse de Bologne_ +geremplaceerd was, wandelden de vrienden op, terwijl de calêche voor +de Amsterdamsche familie voor de deur stond, die even als zij het plan +had, een tourtje naar het Zevengebergte te maken. De Drachenfels is +maar een groot uur wandelens van Godesberg; dus besloot men deze reis +te voet af te leggen, en de Dufduins aan hun lot over te laten. Pols +evenwel, die met het afklimmen van den berg zijn regtervoet een weinig +bezeerd had, was een ezel magtig geworden, die met bedaarden tred naast +de vrienden voortstapte. Zoo ging het voorwaarts; maar naauwelijks +waren zij driehonderd passen van het logement verwijderd, toen eene +Engelsche reiskoets, met vier postpaarden bespannen, hen in vollen +ren passeerde. De ezel van Pols, met grooten eerbied voor vierspannen +koninklijk-Pruissische postpaarden bezield, maakte eene soort van +ontwijkende beweging, die den _cavalier_ wat onverwacht voorkwam, en +hem tegen zijn verlangen uit den zadel op den gemacadamiseerden weg +neêrzette. Deze verplaatsing had gelukkig geene arm- of beenbrekende +gevolgen, en met een grootheid van ziel, aan sommigen in het ongeluk +eigen, stelde hij zijne vrienden gerust met een bedaard uitgesproken: +"het is niets," en nam oogenblikkelijk zijne plaats op den zadel weêr +in. Maar dit ongeluk (door het vierspan aangerigt) was niet het eenige; +weinige schreden verder ontmoette het Engelsche rijtuig de calêche van +de familie Dufduin. De Godesbergsche paarden sloegen volstrekt geen +acht op hunne fiere en vlugge broeders van de koninklijke post, en +weken geen stap ter zijde. Het gevolg hiervan was, dat de achterwielen +der beide rijtuigen in een strijd raakten, die evenwel spoedig beslist +was; want het stevige Engelsche rijtuig rolde overwinnend voort, +en het Godesbergsche bleef op het slagveld. Een der achterwielen was +verbrijzeld; de calêche, ongewoon op drie wielen te staan, verloor +haar evenwigt, en de Dufduins rolden over en onder elkander, ieder +op zijne wijze door schreeuwen en zuchten te kennen gevende, dat zij +het onaangename van hunnen toestand gevoelden. + +Het tooneel had digt bij het wandelende reisgezelschap plaats. Ook +sommigen hunner vonden het gepast eenen gil voort te brengen. Holstaff +hield de handen voor zijne oogen, en doorzag terstond al het +verschrikkelijke van op een reisje voor plaisir, ver van huis, +in eene omvallende calêche zijn dood te vinden. Veervlug was +oogenblikkelijk bij de hand, en zonder op eenig gevaar te letten, +sprong hij voor de paarden, zijne beide armen uitstrekkende, om hun +voorthollen te voorkomen. Maar de goede Godesbergsche dieren dachten +er geen oogenblik aan, om zulke dolle coupen te beginnen. Zoodra de +calêche omgevallen was, en de koetsier, door van den bok te storten, +de teugels een weinig aangetrokken had, bleven zij stilstaan, hunne +koppen ter aarde buigende, en ook zonder tusschenkomst van Veervlug, +die bijna tot den grond moest bukken, om de fiere genetten bij de +teugels te grijpen, zouden zij geen poot meer verzet hebben. Terwijl +De Morder met een opgeheven vuist het Engelsche rijtuig nastaarde, +en het ongepermitteerd vond met een vierspan te rijden, indien men +zooveel ongelukken berokkende, was Torteltak naar de calêche gesneld, +om de dames zijne hulp aan te bieden. Allen waren onbezeerd gebleven; +Mijnheer was over de dames heengerold en spoedig weêr op de been, de +aanmerking makende, "dat zoo iets met een Amsterdamsch sleetje niet +ligt gebeuren zou." Mevrouw bedankte door eene stilzwijgende buiging +Torteltak voor zijnen bijstand. De laatste, die gered kon worden, die +de onderste lag, was Dufduins waardige zuster. Blazende en zuchtende +kwam zij te voorschijn, en voelde zich wel, zoo zondig als zij daar +stond; maar zij gaf terstond aan Torteltak hare ongerustheid te kennen, +dat aan twee koude kippen, die zij uit het logement had meêgenomen om +'s middags te nuttigen, misschien eenig leed weêrvaren was. Torteltak +was spoedig in de gelegenheid, de bezorgde kippenvriendin mede te +deelen, dat de gebraden schepsels geene nieuwe kneuzingen aan poot +of vleugels hadden bekomen. + +Polsbroekerwoud had, zoodra hij het ongeluk bemerkt had, zijn ezel +aangespoord om naar het logement terug te keeren, en kwam nu in draf +terug, met een potje Spijkerbalsem en een fleschje Hofmansdroppels +in de hand. Een knecht met een karaf water en glazen volgde hem. Op +herhaalde uitnoodiging namen de dames van den aangelengden æther +een teugje; maar wat den Spijkerbalsem betrof, zij verzochten den +menschlievenden Pols, hiervan, indien het noodig mogt wezen, liever +op hare apartementen in het logement gebruik te mogen maken. + +Na de behoorlijke woordenwisselingen tusschen den Godesbergschen +koetsier en den Koninklijk-Pruisischen postiljon, kwam een ander +rijtuig voor. Pols, die, in zijn ijver om de Amsterdamsche familie +van dienst te zijn eigen leed vergeten had, bemerkte nu, dat de +tuimeling van den ezel hem wel niet gevaarlijk had gekwetst, maar +toch eene ontvelling veroorzaakt, die een nieuwen rid op den zadel +minder begeerlijk voor hem maakte. Hij nam dus de uitnoodiging van +de Dufduins aan, om de vakante plaats in hun rijtuig in te nemen, +en liet zijne vrienden bedaard vooruit wandelen, na afgesproken te +hebben, hen op den Drachenfels te zullen weêrvinden. + +Toen de vier voetgangers, die op hun gemak waren voortgewandeld, en +nog een weinig in het schuitje, dat hen naar Königswinter overzette, +op den Rijn hadden gedobberd, den Drachenfels beklommen hadden, +vonden zij de Dufduins en Pols in het _Wirthshaus_ aldaar, zeer op +hun gemak gezeten onder een glaasje Maydrank. + +"Welkom, Heeren!" riep de oude Heer hun toe: "wij zitten hier onder +den kruiderwijn; maar 't is een ligt kostje. Zij zouden ons zulken +dunnen wijn niet naar Amsterdam durven zenden. Nu, ze kunnen ook wel +wat beters geven; want, te duiker! wij durven prijs besteden." + +"Den wijn vind ik nog zoo kwaad niet," zei de vette zuster van Dufduin; +"maar de taartjes, die zij er ons bij gegeven hebben, zijn ontzettend +oudbakken." + +De wandelaars dronken met smaak het praeparaat van den Drachenfelschen +kastelein, schoon Pols hen aanried, niet te schielijk te drinken, +omdat zij nog al hevig transpireerden. Men besloot weldra den togt +voort te zetten naar de ruïne, nog weinige voeten hooger gelegen. De +Heer Dufduin deed nu over zijn witten stofjas nog eenen uitvoerigen +manteljas aan, en Pols verscheen spoedig met een mantel van den +kastelein omgeslagen, en raadde de andere vrienden, om toch ook +iets, al waren het maar schoudermantels, te zien te krijgen. Hij +waarschuwde hen zeer tegen de koude lucht op de bergen. De roekelooze +vrienden sloegen dien goeden raad in den wind, en drongen door den +naauwen toegang in de ruïne, waar zij van het heerlijke uitzigt op +de schoone en vruchtbare Rijnstreek jouisseerden, terwijl allen het +uitmuntend effect van de eilandjes Nonnenwerth en Grafenwerth in den +stroom opmerkten. Mejuffrouw Dufduin moest het bezoeken der ruïne +opgeven. De veelvuldige lekkernijen en ontzettende heerlijkheden, +die de Hollandsche keuken, de beste van alle Europesche keukens, +HaarEd. sedert onheugelijke jaren had aangeboden, hadden haar zulk +eenen omvang gegeven, dat alle pogingen om zich door den nauwen toegang +heen te wringen, vruchteloos waren. Pols kwam spoedig bij haar, om +haar tot troost te doen opmerken, dat het uitzigt buiten de ruïne +toch ook allercharmantst was. + +Men keerde weldra naar het _Wirthshaus_ terug, om af te rekenen, en +was daar nog getuige van eene allerhevigste woordenwisseling tusschen +de keukenmeid en den knecht, bij welke gelegenheid de eerste, al de +beminnelijkheid van hare sekse vergetende, het gelaat eener furie +had aangenomen, en met eene ijzeren tang haren antagonist wilde +overtuigen, dat _zij_ gelijk had. Pols sprak in zuiver Hollandsch +een bedaard woordje op zijn pas; en dat, benevens eene bedreiging +in plat Duitsch van den kastelein, dat zij ze beiden, zoo zij niet +ophielden, de deur zou uitsmijten, deed de twistenden morrende en +brommende uiteengaan. Veervlug merkte bij deze gelegenheid aan, +dat de _Drachenfels_ nog met volle regt haren naam mogt behouden. + +Op Nonnenwerth betrad Holstaff met heiligen eerbied den drempel van het +eens zoo eerwaardig klooster; en toen hij, den langen gang intredende, +een vrouwestem hoorde zingen, was het hem alsof hij de kooren der +gewijde maagden nog eens zou vernemen. Maar, helaas! bij naauwer +toeluisteren bleek het, dat het uit den mond van eene frissche, +levenslustige boerendeern voortkwam; en dat het geen lied was, uit +het gezangboek der heilige nonnetjes ontleend, werd hem duidelijk +uit het refrein van ieder couplet: + + + "Und er erwidert meine Küsse; + Welche namelose Lust!" + + +En toen nu daarna diezelfde deern den bestelden Moezelwijn binnenbragt, +en deze bleek tot de zuurste aller Moezelwijnen te behooren, losten +zich al zijne Nonnenwertsche illusies in treurige zuchten op. + +Daar werd aan den voet van de rots van Rolandseck een _diner_ gebruikt, +en de koude kippen, die sedert het ongeval van het rijtuig steeds onder +Mejuffrouw Dufduins bijzondere bewaring waren gebleven, werden tot +'s avonds bespaard, omdat men meer _delices_ in het kleine logement +vond, dan men verwacht had. De namiddag was, als de voormiddag, +schoon, en werd door de Dufduins met middagslaapjes en theedrinken +doorgebragt. Zij reden vroeg naar huis, want de avondlucht, had +Mijnheer wel eens gehoord, was aan den Rijn zoo gezond niet, als in +Amsterdam; maar Pols, die zich tot de terugwandeling wel weêr in staat +gevoelde, liet nu het plaatsje in het Godesbergsche rijtuig vakant. + +"Die Dufduins zijn toch verbazend duf," zei Veervlug, toen zij de +rots beklommen. + +"Zeg het zoo luid niet!" zei Torteltak: "ik geloof dat onze waardige +Pols nog al van de dames gecharmeerd is." + +"Neen maar waarlijk," zei Pols, "de menschen zijn nog zoo kwaad +niet. Zij zijn nu juist geen overvliegers....." + +"Dat heb ik wel kunnen merken, toen zij den berg opkropen," viel +Veervlug in. + +Zij waren bijna aan den top genaderd, toen een welluidend gezang hun +in de ooren klonk. Torteltak arrangeerde zijne lokken een weinig. De +Morder maakte de galante opmerking, dat de Moffinnen nooit haren mond +schenen te kunnen houden. Pols vond, dat zij het charmant troffen. Bij +de ruïne zat een groot gezelschap Duitschers, fatsoenlijke inwoners +van Bonn, meest allen jonge menschen. Een allerliefst blozend meisje, +met een paar levendige oogen, zat op een boomtronk; lichtblonde +lokken speelden om een blanken hals, en twee rijen sneeuwwitte, +tanden kwamen in hunne volle schoonheid te voorschijn, terwijl de +zangeres met heldere stem eene vrolijke romance deed hooren. De +mond was misschien wel wat groot om met een stuivertje te bedekken, +maar toch de hoeken bleven op een eerbiedigen afstand van de ooren, +dat waarlijk al heel veel is voor eene Duitsche _chanteuse_. + +Juist toen de vrienden naderden, was het lied +geëindigd. "Bravo! bravo! _Schön! wahrhaftig schön!_" klonk het uit +aller monden. Die van een der Bonnsche heeren ging zelfs verder, +en drukte een warmen kus op de blozende wangen. Torteltak vond het +jammer, dat het meisje niet door een mooijer jongen gekust werd. Zij +evenwel scheen tevreden met de liefkozingen van den bruin verbranden +Duitscher, met lang vlasachtig haar en omgeslagen boorden. + +De reizigers zagen hunnen beleefden groet minzaam beantwoord, en +plaatsten zich op een kleinen afstand van de vrolijke groep, die +dartelde en schaterde, alsof er geene vreemdelingen in de nabijheid +waren. Holstaff vond hen wat al te vroolijk op eene plaats, waaraan +zich zulke treurige _souvenirs_ hechtten. + +"_Aber jetzt noch Ritter Toggenburg!_" riep eene stem. + +"_O ja, Toggenburg!_" acclameerden allen. + +"Zou het mogelijk zijn? o Hemel!" zuchtte Holstaff, die zeer goed +wist dat deze legende eigenlijk op Rolandseck te huis behoorde. Deze +zucht dankte dus aan verrukking haren oorsprong. + +"_Wohlan! der Ritter!_" riep het meisje. Zij stemde hare guitar, +en zong de treurige ballade van Schiller. + +Allen luisterden met aandacht en verrukking; Holstaff schreide voor +verscheiden personen tranen, en wist niet waar hij zich bevond, toen +de laatste toonen in de lucht wegstierven. De schoone zangeres had +ook met zoo veel gevoel de laatste regels gezongen: + + + "Und so sass er, eine Leiche, + Eines Morgens da; + Nach dem Fenster noch das bleiche + Stille Antlitz sah." + + +De jongeling meende bijna zelf de ridder te zijn, en verwonderde +zich dat hij nog leefde, toen het onstuimig _bravo_ van het geheele +gezelschap hem in zijne mijmeringen stoorde. + +"'t Is waarlijk charmant," zei Pols: "die dame zingt als een lijster." + +"Kon jij maar zoo'n lijster strikken!" grinnikte Veervlug. + +Holstaff werd bleek van ergernis. + +"_Es lebe unser Dichter! es lebe Schiller!_" riep een oud Heer. + +"_Und unsere schöne Sängerin!_" riepen hare jonge landgenooten, +terwijl de jonge meisjes haar een krans, van eikenbladen gevlochten, +op het hoofd plaatsten. + +De bruinverbrande Duitscher, met het lange vlasachtige haar, en de +omgeslagen boorden, herhaalde de manoeuvre van straks. Torteltak vond +hem nog leelijker dan den eersten keer. + +Het gezelschap van Bonn stond op, en maakte zich gereed, om dansende +en zingende den berg af te dalen. + +"Dat hebben wij netjes getroffen," zei Pols. + +"'t Is hemeltergend, dat zoo iets aandoenlijks met eene klucht +eindigt," zuchtte Holstaff. + +"Dat meisje is vast eene actrice," zei De Morder. + +"_Erlauben Sie mir,_" zeide de oude Duitsche Heer, die de laatste +aanmerking gehoord had. "_Sie ist meine Tochter. Ich bin Professor +Essenleben zu Bonn._" + + + + + +HOOFDSTUK IX. + + Beginnende met eene Stoombootreis naar Coblenz, en eindigende met + het wedervinden van een _illustre rejeton_ der familie Van Schalen. + + +"Daar komt het logge vaartuig dan toch eindelijk aan!" sprak Dionysius +de Morder, nadat hij eenige minuten aan den Rijnoever bij Königswinter +zonder verpoozing zijne oogen naar den kant van Bonn gevestigd had. "Ik +dacht niet, dat die verwenschte stoomboot ooit zou komen." + +"Nu, het valt mij nog al heel wat meê," viel Pols in; "je kunt toch +niet klagen, dat een kwartiertje wachtens te lang is." + +"Wat! een kwartier niet lang?" riep de Morder knorrig uit. "Het is +vijftien minuten te lang. Je zoudt wel anders spreken, als je dien +tijd aan de galg gehangen hadt." + +Wij zouden de waarheid van deze laatste opmerking van De Morder +minder in twijfel durven trekken, dan hare gepastheid. Ook wij +voor ons, in zooverre wij Pols kennen, houden ons overtuigd, +dat hij zijne tevredenheid niet zou hebben te kennen gegeven, na +het vierde gedeelte van een uur met hangen te hebben doorgebragt, +speciaal indien een ervaren Regter van den Scherpen Zwaarde hierbij +de manoeuvre van den strop om den hals had in 't werk gesteld. Pols, +die blijkens de losheid, waarmede altijd zijn witte halsdoek was +toegeknoopt, zich nooit met het denkbeeld van een toegenepen keel had +gemeenzaam gemaakt, vond het ook nu maar beter, zich daarin niet te +verdiepen. Hij wendde zich dus tot Veervlug, en maakte de aanmerking, +"dat het charmant weêr was om een watertogtje te maken." + +"En om een togtje op het water te voelen," antwoordde deze; "want +hier merkt men geen zuchtje, of het moest van Holstaff wezen, die +vast weêr aan de laatste oogenblikken der kippen denkt, welke wij +dezen middag zullen consumeren." + +"Ik wil ook wel bekennen, dat ik het rijkelijk warm heb," zeide Pols. + +"Wij staan hier dan ook lekker in het zonnetje te stoven," zeide +Veervlug. "Ik hoop maar niet, dat wij menscheneters op de stoomboot +zullen aantreffen. Zij zouden niet veel aan ons te prepareren hebben." + +"Die leelijke Rijnboot lijkt wel te kruipen, in plaats van voort te +stoomen!" riep De Morder ongeduldig uit; "dan gaan onze trekschuiten +toch nog gaauwer." + +"Ja maar, vriend! ze moeten hier al tegen een zwaren stroom opvaren." + +"Wat doen zij dan tegen den stroom op te varen? Maar, wat weêrga, +is dat nu een gang voor eene stoomboot?" + +Gelukkig kwamen nu de veerlieden, om de passagiers naar de boot +over te brengen. Pols wist ook geen raad meer met zijn knorrigen +vriend. Weinige oogenblikken later waren zij aan boord van het logge +vaartuig. + +De Rijnstoombooten zijn in het reissaizoen meermalen de trots +en vreugde van de directeurs en actiehouders, van wege de groote +menigte passagiers, die zich, door de kracht van een ketel kokend +water, tegen den stroom doen optrekken. Zelden evenwel is het +voller op een _Dampfschiff_ geweest, dan nu het geval was. Niet +alleen waren alle stoeltjes en banken en koffers, die zich op het +dek bevonden, door de passagiers bezet; maar alles wat dienen kon, +om vermoeide leden eenigzins tot rust te brengen, was geprest. Op +den boegspriet zat _en cavelier_ een Engelschman onbewegelijk, met +Delkerkamps _Panorama of the Rhine_ in de hand en een lorgnet in de +oogholte vastgeschroefd; op de raderkasten zat een gezelschap Bonnsche +studenten, met kielen, en knevels, en ransels, en vervaarlijke pijpen, +en schoenen met spijkers, eene voetreis te maken; op kolenbakken +waren kameniers en _bonnes_ bezig om kinderen zoet te houden en de +Duitsche studenten ondeugend te maken; uitgestrekte kabels dienden, +om hen, die voor kanapés betaald hadden, tot zetel te strekken. En +nog gelukkig dezulken; want een aantal anderen moest blijven staan; +en hunne knikkende knieën en pijnlijke aangezigten duidden aan, +dat zij het in die edele kunst nog niet zoover gebragt hadden, als +wijlen Simeon Stylites. Hierbij kwam nog voor die ongelukkigen, dat de +Kapitein actiever was dan de Hofmeester, en zij dus, des verkiezende, +tweemaal het passagegeld mogten betalen en zesmaal de hun zoo noodige +ververschingen kommanderen. Men had de gefolterden moeten zien, met +hoeveel belangstelling zij der _Kellners_ gangen gadesloegen wanneer +deze met Rijn- en Moezelwijn uit de kajuit te voorschijn kwamen, +en met hoe bittere teleurstelling zij telkens bemerkten, dat die +verkwikking niet hun, maar anderen was toegedacht. Men had ze moeten +zien vooruitdringen, wanneer maar iemand een oogenblik zijne plaats +verliet, en nooit hun doel bereiken, voordat de vorige eigenaar reeds +was teruggekeerd. Daar waren er, die zich morrende en klagende tot +den Kapitein wendden; doch deze had reeds met eene zelfopoffering, +Van der Werf waardig, zijn kantoorbankje voor den dag gehaald en het +der oproerige menigte aangeboden met de woorden: "Daar, zit op mijn +eigen stoeltje!"--Voeg hierbij, dat geen enkel windje eenige verademing +aanbragt, en dat Veervlug met volle regt had opgemerkt dat het zonnetje +eene stovende kracht had; en men zal zich zeer goed kunnen begrijpen, +dat onze reizigers met minder opgewondenheid ontvangen werden, dan +zulks met eene enkele bank of vijf leêge tonnen het geval zou geweest +zijn. Maar ook zij hadden niet meer genoegen dan hunne medereizigers, +die insgelijks voor plaisir naar Coblenz voeren; wel was er voor +hen nog staanplaats, maar niet dan om de schoorsteenpijp, en schoon +de Kapitein onbaatzuchtig genoeg was, om hen geen meer geld voor +extra verwarming te doen betalen, hij had van den anderen kant de +voorzigtigheid, de twaalf Pruissische _Thalers_ voor hun transport +terstond te vragen, eer zij misschien geheel versmolten mogten wezen. + +Zoo ging het tot Oberwesel. Daar lag weêr een schuitje, met achttien +passagiers beladen, naast de stoomboot stil. Een luide kreet van +schrik en ontzetting werd op de stoomboot gehoord: "Die menschen +moeten maar naast ons voortzwemmen!" riep Veervlug. "Laat er ons maar +af!" riepen de wanhopigsten. De Kapitein tastte met zijne handen in +'t haar, als kon hij daar plaats maken. + +Het gevaar en de benaauwdheid was tot den hoogsten top gerezen. De +redding was nabij. Voor Oberwesel lag eene andere stoomboot van +de Maatschappij, die daar den vorigen dag ongemak aan de raderen +bekomen had, en waarvan de passagiers per as waren vervoerd. De +Kapitein riep den bijstand van zijn collega in, en het vuur werd +in de pas herstelde boot aangemaakt. Een luid gejuich klonk van +"de tot zinkens toe bezwaarde plank." Een gedeelte der passagiers +werd verzocht op het andere vaartuig over te gaan, en het getal +vrijwilligers tot deze expeditie was uitermate groot. De voetgangers +verlieten hunne staanplaats; de Duitsche studenten hunne raderkast; +de _bonnes_ en kameniers zouden ook wel hebben willen meêtrekken, maar +zij moesten bij hare mevrouwen achterblijven. Ieder, die eenige hoop +op verbetering had, liep over; ja daar waren er, die goede zitplaatsen +hebbende, deze verlieten, in hoop om nog betere te bekomen.--Pols had +in een oogenblik het gevolg van deze manoeuvre doorzien en de vrienden +geraden, zich niet onder de overloopers te scharen; hij zag redelijke +zitplaatsen vakant worden, en had heimelijk idee, dat de oude boot +beter geproviandeerd zou zijn dan de andere. Deze maatregel bleek +van achteren zeer wijs te zijn. Het werd, na de lossing van zoo veel +ballast, heel dragelijk op den _Friedrich Wilhelm_, en met statigen +tred vervolgde hij zijne wandeling naar Coblenz. + +Daar waren nog omtrent tweehonderd menschen op de boot achtergebleven, +de Engelschman meêgerekend, die constant zijne plaats op den boegspriet +had blijven behouden, en die, toen de Kapitein hem vroeg, of hij ook +niet wilde overgaan, bedankt had. "Hij had zoolang voor des Kapiteins +plaisir in die ongemakkelijke positie gezeten; hij wilde het nu verder +voor zijn eigen plaisir doen." De Kapitein gunde hem het genoegen dezer +wraakneming. Pols was spoedig een stoeltje machtig geworden, en de +tevredenheid was op 's mans gelaat te lezen. Ook de andere vrienden +kregen gelegenheid om zich neêr te zetten, en maakten daarvan met +vreugde gebruik. Torteltak behield nog eenige oogenblikken zijne plaats +bij den schoorsteen; niet omdat hij nog niet door en door warm was, +maar meer omdat hij, nu het uitzigt ruimer werd, zijne medereizigers +eens in oogenschouw wilde nemen. Hij hield veel van in oogenschouw +nemen, vooral indien er dames in het spel waren, en die ontbraken bij +deze gelegenheid niet. Daar waren er twee bij de deur van de kajuit +gezeten, wier blankheid en blondheid haar dadelijk voor dochters van +Albion zouden hebben doen herkennen, zoo al niet haar _cavalier_ een +vorm van hoed, een knoop van das, eene snid van rok en een bijzonder +soort van _embonpoint_ had geopenbaard, die hem onder duizenden als +een echte Engelschman moesten onderscheiden. De gezigten kwamen aan +Torteltak bekend voor, en weldra herinnerde hij zich, die familie bij +den brand te Nijmegen te hebben ontmoet. Mijnheer wees ieder huis en +toren aan zijne dames aan, en was verwonderlijk kundig in alle namen; +iets, waarin het voor hem liggende _Panorama_ hem zeer behulpzaam +was; voor het overige letten de dames nauwkeurig op alles wat er te +zien was, maar zonder dat eenige plooi in haar gelaat verrukking of +teleurstelling te kennen gaf.--Geheel anders was het met een Duitsch +gezelschap niet ver van hen, die geen heuvel zagen, zonder "_O, wie +herrlich schön!_" geen dorp, "_o, wie ländlich!_" geen woning zonder, +"_wie glücklich!_" uit te roepen; zagen zij eenige minuten noch heuvel, +noch dorp, noch woning dan bepaalden zich de uitroepen tot _himmlische +Gegend_ en _irdisches Paradies_. Ook de dames van déze groep waren +blond, maar meer Celtisch en minder zacht dan het _blond cendré_ van +hare Engelsche buren.--Een geleerde met eene talrijke familie, aan +velen van dat menschensoort eigen, deed aan zijne vrouw en kinderen +eene beschrijving van de _villa_ van Horatius, en vergat daardoor +al de _villa's_ aan den Rijn, die meer onder haar bereik lagen. Zijn +oudste zoontje, een jong mensch van vijftien jaren, las met gretigheid +de _Amores_ van Ovidius. De oude Heer sloeg met welgevallen het +oog op dezen telg, die, zoo jong, reeds zulk een voorliefde voor de +Classische Autheurs openbaarde.--Niet ver van hem zat een opmerker met +heel kleine oogjes en wijd opgespalkte ooren, nu eens door een fijnen +glimlach aanduidende, dat hij van een piquanten zet zwanger ging, dan +weêr met veel zorg op iets naïfs en heel goedhartigs studerende. Hij +was iemand, zoo als Torteltak later toevallig vernam, die er zich +reeds acht jaren met de borst op had toegelegd, om een Humorist +te worden.--Verder zaten een paar Brusselaren, met geruite jassen, +heel mooi uitgemonsterd, die het hunnen kleedermaker dank moesten +weten, zoo zij nog ooit iemands attentie tot zich trokken. Alle deze +groepen hielden Torteltaks aandacht niet lang bezig; maar met veel +opmerkzaamheid sloeg hij een gezelschap gade, dat niet ver van hem +verwijderd was, en uit Hollanders scheen te bestaan. Een jong Heer, +met een goed, fatsoenlijk voorkomen, zat aan de zijde zijner jeugdige +gade, wier bloeijende schoonheid nog door de lieflijkheid van hare +heldere oogen verhoogd werd. Zij scheen omtrent vijfentwintig jaren +oud te zijn, waarvan zij zeker de laatste tien de oogen van alle +jongelingen tot zich getrokken had. Hare fijne gestalte en haar geestig +oog staken merkwaardig af tegen de plompe vormen en den zielloozen +blik van een harer landgenooten, die nu en dan iets tot haar zeide, +maar meestal zweeg, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij +in zijn veertigjarig leven zich zelden aan denken verslaafd, maar +nooit het etensuur vergeten had. Een klein, levendig, druk heertje, +van omtrent denzelfden ouderdom, scheen hem te onderrigten, wanneer +hij een of ander mooi moest vinden, maar van den anderen kant ook +weêr bereid te zijn, om door zijn discipel onderwezen te worden, +wanneer iets lekker moest gekeurd worden; van tijd tot tijd voegden +zich bij dit gezelschap een paar jongere Hollanders, even als de +Bonnsche studenten in een voetreis-kostuum gekleed, maar die door de +fatigues nog niet schenen uitgeput. Zij hadden kennelijk veel plaisir +in hun leven, en aan opgewondenheid ontbrak het geen hunner. Zij +waren misschien wel wat al te druk voor het jeugdige echtpaar, maar +zeker onverdragelijk voor den bedaarden veertiger, die meermalen +door hun gerammel in een aangenaam dutje gestoord werd. Torteltak kon +moeijelijk van dit gezelschap zijne oogen afwenden. Hij bejammerde het, +dat deze dame niet alléén reisde en in moeijelijke posities kwam, +waarin hij haar eminente diensten kon bewijzen. De oogen van zijn +lief landgenootje deed hem menig interessant Rijngezigt onopmerkzaam +voorbijzien. Eindelijk kon hij zich niet weêrhouden tot zijne vrienden +te zeggen: "Hoeveel prijs ik ook op uw gezelschap stel, voor zulk +een compagnon liet ik u allen vier optrekken." + +"Dat gezegde is meer liefderijk dan vriendschappelijk," grinnikte +Veervlug. + +"Met uw verlof!" sprak een Heer, die digt bij hen zat, tot +Polsbroekerwoud: "ik heb hier een questie met mijn dochtertje. Zij +vindt den Rijnstroom mooijer dan de Maas, en ik ben van de +tegenovergestelde opinie. Wat is hieromtrent uw idée?" + +De Duitscher, die deze vraag deed, scheen een zeer bejaard man te +zijn, naar de grijsheid van zijn hair, de rimpels in zijn voorhoofd +en zijne gebogen houding te oordeelen; maar naar de wijze, waarop hij +redeneerde en de jeugd zijner kinderen te rekenen, moest men hopen, dat +hij nog zoo heel oud niet was. Hij reisde met zijne twee dochtertjes +van vijftien en twaalf jaren, die te Neuwied aan de leiding van den +Heer Merian waren toevertrouwd en op het Instituut der Hernhutters +hare educatie ontvingen. In de vacantie had de vader ze langs den +Moezel naar Braband gevoerd, had haar de Maas tot Luik leeren kennen, +en zij keerden nu naar zijne woning bij Frankfort terug, om daar den +overigen vacantietijd door te brengen.--Pols was door de vraag, die +door den Duitscher regtstreeks aan hem gedaan was, een weinig in het +naauw gebragt, daar hij van den Rijn nog weinig kende, en de Maas +niet verder dan tusschen Rotterdam en IJsselmonde. Hij antwoordde +dus heel voorzigtig: "Voor zoover ik kan oordeelen, prefereer ik den +Rijn verre." + +"Mijnheer schijnt Hollander te zijn; dus is de Rijn u misschien +nieuw?" zei de ander. + +Men behoefde geene sterke _Devinationsgabe_ te bezitten, om te bemerken +dat Pols een Hollander was, indien men het geluk had gehad hem eens +in oogenschouw te nemen en vooral Duitsch te hooren spreken. + +"Ik," ging de oude Heer voort, "ken deze omstreken niet van van daag of +gisteren. De Rijn is mij oud; maar ik had met mijne dochters de Maas en +Moezel wezen zien, en wilde haar nu eens comparaties leeren maken. Mijn +eenig doel met reizen is, om mijne dochters met de wereld bekend te +maken; want ik hou vol, dat, indien men zijne kinderen niet vroeg +doet reizen en alles zien, men ze dan eene slechte educatie geeft." + +De vrienden, die allen voor het eerst van hun leven reisden, bemerkten +met vreugd, dat zij bezig waren door hun uitstapje eene onvergeeflijke +fout van hunne respective ouders met betrekking tot hunne opvoeding +te corrigeren. + +"Reizen is zeker niet kwaad," antwoordde Pols, "indien men de middelen +bezit." + +"Wat middelen! Hoor eens, Mijnheer! men moet nooit opvoeden, indien +men de middelen niet bezit." + +"Maar wat moet men dan met zijne kinderen aanvangen," vroeg Pols +verbaasd, "indien alleen zij, die reizen kunnen, hunne kinderen +goed opvoeden." + +"Dan moet men geen kinderen hebben. Ik vraag het uzelven: zijn er al +niet veel menschen, en is er niet veel te weinig geestbeschaving en +wereldwijsheid? Ik vraag u verder, wat moet er van kinderen worden, +die in hunne jeugd altijd bij moeder thuis zijn, later steeds onder +het opzigt van een bezadigden vader leven, geene andere menschen +kennen dan hunne meesters en kameraden, en geen wereld buiten de stad, +die zij bewonen?" + +"Wel," viel Veervlug in, "dat is niet moeijelijk te beantwoorden. Daar +groeijen weêr huisvaders en huismoeders van, die bedaard en stil, +in hunnen kring tevreden, op dezelfde wijze hunne kinderen opvoeden." + +"Wat tevreden?" riep de Duitscher ongeduldig. "Misschien al te +tevreden, misschien dom tevreden, misschien bekrompen tevreden,--alles +negative tevredenheid." + +Veervlug vond misschien domme, bekrompene, negative tevredenheid +verkieselijk boven verstandige, liberale, positive ontevredenheid. + +"Vooroordeelen van den bakerstoel, van de kinderkamer," ging de +oude Heer voort. "Mijne kinderen moeten de wereld zien, zij moeten +de menschen doorgronden, zij moeten goed en kwaad leeren kennen, +om met eigen verstand eene keus te kunnen doen." + +Pols vond de manoeuvre wat gewaagd, en vreesde dat zij nu en dan wel +eens een slagtoffer, meer dan noodig was, zou maken. + +"Goed, laat het zoo zijn; dan ziet ge meteen, wat er in de kinderen +zit. Laat ze kwaad doen, als zij geen _bons sens_ genoeg hebben om +het goede te verkiezen; maar, in 's Hemels naam geene vooroordeelen, +geene blinde navolging, geen deugdliefde, omdat Mama deugdzaam was. Zij +zijn menschen, die op zichzelve staan; zij moeten onafhankelijk wezen; +dit denkbeeld prent ik altijd mijnen kinderen in." + +"Maar zou het dan nog niet beter zijn," vroeg Veervlug, "om de +kinderen, als zij loopen en spreken konden, maar terstond de wereld +in te zenden? Dan zouden zij ook van de ouders onafhankelijk zijn." + +"Dat zou het zeker, Mijnheer! hiervan geven ons de dieren zelfs het +voorbeeld; maar de toestand der Maatschappij is te miserabel. Zij +zouden misschien in handen vallen, die hen in nog meer bekrompenheid +opvoedden?" + +Pols sloeg verbaasd zijne handen ineen, en maakte de opmerking, dat de +moeders veel tegen zulk eene handelwijze zouden in te brengen hebben, +indien al de vaders zoo wreed konden zijn. + +"Dat is het juist, Mijnheer! die moeders, die wijvenpraatjes van +wreedheid, die laffe teerhartigheid. Het is eigenlijk jammer, dat de +kinderen moeders moeten hebben." + +De vrienden vonden beter het gesprek op een anderen boeg te wenden; +want de Duitsche Mijnheer begon nu reeds in zijne hooge verlichtheid +scheppingsfouten te ontdekken, en zij vreesden tot het resultaat te +zullen komen, dat de Duitscher het jammer vond, dat hij de wereld +niet geschapen had. + +Torteltak was terwijl in gesprek geraakt met de dochtertjes, die zoo +liberaal opgevoed werden. "Hebt ge u nog al goed geamuseerd op uw +tourtje?" vroeg hij aan de oudste. + +"Ach ja, vrij wel," antwoordde zij: "het land was mooi genoeg; maar +Papa redeneert nu en dan wat sterk, en hij is wat oud. Ik stel mij +veel meer plaisir voor, om eens zoo een tourtje te maken, als ik op +mijzelve sta!" + +"Maar het gezelschap van uw Papa was u toch zeker aangenaam?" + +"Dat kan ik juist niet zeggen;" zei het meisje. "Ik harmonieer niet erg +met hem in gevoelens. Ik hou over het algemeen niet van oude Heeren; +zij zijn meestal te zeurig." + +"Ge prefereert dus jongere menschen?" glimlachte Torteltak. + +"Dat kan er naar zijn, als zij lief galant zijn. Dan ligt het ook in +den aard der zaak. Ach! ik gevoel mij nu eigenlijk nergens op mijne +plaats. Vele Heeren behandelen mij nog net of ik een kind was. Ik +verlang maar eenige jaren ouder te wezen, om mij met fatsoen te kunnen +etablisseren, en ik zal dat naar mijne keus kunnen doen; want zooveel +heb ik al gemerkt, als men geld heeft, kan men zijn zin krijgen." + +Torteltak merkte, dat de opvoedingsmanier van den Duitscher aan zijne +oudste dochter de noodige vrijmoedigheid had bijgezet. Hij wendde +zich nu tot de jongste, met de vraag, of haar de school te Neuwied +nog al beviel. + +"Zoo, zoo!" antwoordde de twaalfjarige. "Eene school is altijd een +noodzakelijk kwaad. Zij zijn bij ons wél genoeg; maar zij zijn wat +dweepachtig in hunne godsdienst. Daar kan ik mij niet meê vereenigen, +en zij vinden niet goed, mijne ideën daaromtrent vrij te laten." + +Onze vriend zette het discours maar liever niet voort. Hij had reeds +menigen onwillekeurigen glimlach door een gevoel van medelijden +onderdrukt, en dit vond hij op den duur niet de aangenaamste manier +van glimlagchen te onderdrukken. + +Het _diner_, dat boven op het dek der boot gebruikt werd, gaf eenige +verpoozing, maar weinig verzadiging. Schoon de _Friedrich Wilhelm_ +beter geproviandeerd was dan de hulpboot, waar men zich met brood +en dergelijke koude zaken moest behelpen, was er echter ook hier +geen overvloed. De _Kellners_ weigerden den hongerigsten een tweede +portie van het een of ander aan te brengen, en scheepten hem met een +"je hebt al gehad" af. Ook de thee, die zij later gebruikten, werd hun +in schrale hoeveelheid toegemeten, en was waarschijnlijk van minder +kwaliteit, dan die een der Hollandsche voetreizigers uit zijn ransel +te voorschijn bragt en aan zijne schoone landgenoot aanbood. Torteltak +dacht niet om de thee, maar benijdde alle de Heeren van dat gezelschap, +zelfs den slapenden veertiger, hunne plaatsen. Holstaff treurde, dat in +zulk een mooi land, als Duitschland, zulke afzetters woonden. Veervlug +zei, dat Joost of Heintje Pik hem halen mogt, als hij die thee voor +_Joostjes_ en _Pecco_ hield. De Morder wist niet, wat hij laffer +vond, het vocht of de aardigheid van zijn vriend. Pols trachtte aller +gemoederen tot bedaardheid en tevredenheid te stemmen. En zoo kwamen +zij, benijdende, treurende, grappen makende, knorrende en appaiserende, +ten 7 ure te Coblenz aan. + +Na in het logement _zum Weissen Ross_ dat gelukkige oogenblik genoten +te hebben, dat men gewoonlijk smaakt, wanneer u vreemde kamers +in een vreemd logement aangewezen worden, waar alles aanwezig is, +behalve hetgeen waaraan men in die oogenblikken behoefte gevoelt, +waar de vriendelijke blik van de _Gastgeberin_ u het onvriendelijk +aanzigt moet vergoeden, dat uwe apartementen hebben, voordat de +ramen wijd opengeschoven zijn en de benaauwde lucht weggedreven is, +voordat u waschwater en handdoeken zijn aangebragt, en de vale +sprei op uw ledikant voor helder linnen heeft plaats gemaakt; +na die oogenblikken doorleefd te hebben, begonnen onze reizigers +zich een weinig te adoniseren en zich te bereiden om dien avond +nog vele genoegens te smaken. Waarin die genoegens bestaan zouden, +was evenwel onzeker. Men trad niet in de voetstappen der Engelsche +medereizigers, die onmiddellijk de antiquiteiten en penningen van +den Graaf Renesse Breitbach gingen doorsnuffelen: ook niet in die van +eene Belgische familie, die, zonder uit te blazen, terstond de hoogte +van Ehrenbreitstein beklom. Het laatste bespaarden zij zich tot den +volgenden morgen; het eerste stelden zij tot een onbepaalden tijd +uit. Aangenaam was het hun te vernemen, dat er in een tuin aan de +Moezelbrug een concert zou gegeven worden, dat, naar des kasteleins +verzekering, de moeite der wandeling overwaardig was. + +De tuin was prachtig geillumineerd; althans verscheiden glaasjes, +met vet gevuld, wiegelden aan kromgebogen ijzerdraadjes tusschen de +boomen, en kleine vlammende pitjes gloeiden in den walm van het kokende +vet. Misschien is het de ongewoonheid, misschien ingenomenheid met +menschelijke kunstproducten, die voor zoo velen zulk een schouwspel +heerlijker doet zijn, dan het schitterendste zonlicht of de helderste +starrenhemel. Pols merkte aan, dat het al heel goed trof, dat de +avond zoo donker was, en hij had gelijk; want het bleekste schijnsel +der maan is genoeg, om het effect van de luisterrijkste illuminatie +te vernietigen. + +Het was met dat al heel aardig in de Coblenzsche Vauxhall. Het weêr +was goed, en na de drukkende hitte des daags, was het aangenaam de +avondkoelte te genieten. Daarbij kwam, dat de geheele fatsoenlijke +bevolking der stad tegenwoordig, en de toon, die er heerschte, vrij +en vrolijk was. Duitschers zijn spoedig tevreden; een glas Rijnwijn +en dragelijke muziek was ook nu genoeg, om allen in aangename +stemming te brengen. De schikking der tafeltjes was zoodanig, dat +niet ieder gezelschap op zichzelf een kleine maatschappij vormde, +maar dat verschillende familiën, die elkander anders misschien nooit +ontmoetten, dien avond één gezelschap uitmaakten. Onze vrienden waren +door deze wijze van plaatsing met eenige hunner buren in aanraking +gekomen, en hunne gesprekken liepen over den heerlijken avond, de +lieve muziek, de schoone omstreken van Coblenz, en dergelijke zaken +meer. Zij konden met geheel onbekende menschen moeielijk zulke intime +en belangrijke discoursen aanknoopen, als dat op de Hollandsche +concerten onder goede bekenden wel eens het geval is. Daar toch +kan men aan een lief meisje vragen: "Is uw Papa en Mama wel? Ik +meen uwe nicht Pauline ook hier te zien? Vindt ge het dezen keer +niet warmer in de zaal, dan op het vorige concert? Zal ik u op het +bal bij Mevrouw V*** ontmoeten? Zijt ge verleden Dinsdag ook op de +lezing geweest?" Men kan de aanmerking maken, dat het jammer was, +dat bij het obligaat op de viool die snaar sprong, dat een pauze op +een concert toch heel plaizierig is, omdat men dan nog eens praten +kan, enz. En wanneer men dan, 's avonds te huis komende, de gehouden +gesprekken nog eens nagaat, komt men tot het gewigtige resultaat, +dat de Papa van Juffrouw R*** heel wel was, maar dat Mama een weinig +hoofdpijn had; dat nicht Pauline ook tegenwoordig was, een kostuum +aanhad, dat haar niets goed stond; dat Juffrouw S*** het al heel +warm in de zaal vond; dat zij niet bij Mevrouw V*** zou dansen, en +wel op de lezing geweest was, waar zij zich doodelijk verveeld had, +omdat daar zoo'n raar publiek was; dat zij volkomen met u instemde, +dat het springen van eene snaar voor een obligaatspeler onaangenaam is, +en dat men in eene pauze praten kan.--Pols en zijne vrienden konden +hier natuurlijk niet zoo diep in de familie- en hartsgeheimen der +dames indringen, maar toch, zij maakten eenig gebruik van hun spraak +en gehoor, en toen in de Coblenzsche Vauxhall de pauze begon, viel +aan sommigen hunner het geluk te beurt van met dames de regte laan op +en neêr te wandelen. Met statigen tred stapte Pols voorwaarts aan de +zijde eener deftige, langwerpige matrone, terwijl Torteltak zich met +het geleiden harer dochter moest vergenoegen. Ook de andere vrienden +behoefden niet eenzaam hun pad te bewandelen, met uitzondering van +Holstaff, die zitten bleef, en zich vervrolijkte door in zichzelven +eene passage uit Feith's _Inez de Castro_ te reciteren. + +De oude Dame, met welke Pols wandelde, was zeer spraakzaam; maar zij +sprak weêr zulk raar Hoogduitsch, dat de goede man een paar malen moest +verzoeken de phrase te herhalen, en dan nog eindelijk even wijs was als +te voren. Eindelijk luisterde hij maar toe, doch liet zich onvoorzigtig +ontvallen: "Dat spreken van vreemde talen is toch verbruid lastig." + +De Dame, deze binnen 's monds geuite woorden verstaande, zeide op +eens tot Pols: "Ik zal het u gemakkelijker maken; ik spreek toch ook +nog Hollandsch, al ben ik sedert lang in Duitschland." + +"Hoe, heb ik het genoegen eene landgenoot te ontmoeten?" vroeg Pols +met vreugde. + +"Ja," antwoordde de Dame: "oorspronkelijk ben ik eene Hollandsche. Is +u ook toevallig in IJsselstein bekend?" + +"Neen, ik juist niet," antwoordde Pols; "maar mijne moeder was van +IJsselstein, en die heeft er mij dikwijls van verteld." + +"Zoo," zei de Dame, "ik ben er ook geboren. Maar kent u misschien in +Holland eene familie Polsbroekerwoud?" + +Pols keek verbaasd op (ik zou kunnen zeggen, alsof hij een klap +in zijn gezigt kreeg, maar hij keek heel anders). "Hoe zegt u, +Mevrouw? Polsbroekerwoud? Wel, dat ben ik zelf." + +Nu was het de beurt van de Dame om verbaasd te staan; maar zich +bezinnende, zeide zij: "Neen, het kan niet zijn; gij zijt te +jong. Maar kent ge Mijnheer Polsbroekerwoud, die met Mientje van +Schalen getrouwd is?" + +"Die was mijn vader," zei Pols. + +"Dus zijt gij toch mijn neef. Wie had dat ooit kunnen denken?" + +Een licht ging voor Pols op. "Zou het mogelijk zijn, dat ik mijne nicht +Stijntje van Schalen zag, die in der tijd met dien Duitschen klerk...." + +"Ga voort--die met dien Duitschen klerk is doorgegaan? Dezelfde. Maar +wees welkom, neef! ik zal u terstond aan mijn man en kinderen +voorstellen." + +Mijnheer Blumengarten, de echtgenoot der Dame, was spoedig gevonden; +ook zijn zoon--een lang persoon, aan wiens jas veel koperwerk, en op +wiens vest veel gemaakt goud te vinden was--snelde toe. Pols werd +aan de beide Heeren als Neef voorgesteld, en onderging terstond +twee omhelzingen, en hetgeen verder tot de allerhartelijkste +begroeting der Duitschers behoort. Onze vriend had ze liever een +weinig koeler gewenscht, maar begroette nu ook zijne jonge nicht op +gelijke wijze. Torteltak maakte van deze familieconfusie gebruik, +om de jongste der dames Blumengarten even liefderijk te bejegenen, +alsof hij ook tot de bloedverwanten behoorde. + +Intusschen was de pauze geëindigd en de familie zette zich weêr op +hare vorige plaatsen neêr; daar werden fijne flesschen geëischt, +toasten gedronken, informatiën genomen, mededeelingen uitgewisseld en +Och's en Ha's uitgeroepen. De geschiedenis van Stijntje van Schalen, +de volle nicht van Polsbroekerwouds moeder, was eene zeer eenvoudige +geschiedenis. Blumengarten, die het in Duitschland niet breed had, +was naar Holland gegaan om fortuin te maken, en daarin te IJsselstein +niet geslaagd; hij had daar echter zijn meisje leeren kennen, en +hunne liefde werd door een stiefvader gedwarsboomd. Zij vlugtten naar +Duitschland, waar de jongeling beter slaagde, goede zaken maakte, +en nu als een der rijkste kooplieden van Coblenz met zijne vrouw +en hare kinderen zeer vergenoegd leefde. Onze vrienden konden zich +overtuigen, dat de familie zich in zeer goede omstandigheden bevond, +toen zij allen het _souper_ bij de Blumengartens moesten gebruiken, +bij welke gelegenheid Veervlug iets heel aardigs omtrent _Musikgartens_ +en _Blumengartens_ in het midden bragt. Zij lieten zich evenwel niet +van hun plan afbrengen, om den volgenden dag de stad weêr te verlaten; +doch Pols beloofde op hun retour eenige dagen bij zijne weêrgevonden +familie te komen doorbrengen. + + + + + +HOOFDSTUK X. + + Een Hoofdstuk, waarin de nieuwsgierige lezer, die gaarne vernemen + wil, hoe de reizigers over de Badplaatsen naar Frankfort trekken, + zeer teleurgesteld wordt, en dat verder zeer geschikt is, om + overgeslagen te worden door menschen, die niet gaarne kennis + maken willen met Frankfortsche families. + + +In een der aanzienlijkste huizen van het oude gedeelte van Frankfort +aan den Main, die door de stedelingen van den ouden stempel +geprefereerd worden boven de meer elegante en comfortabele woningen +in het nieuwer gedeelte der stad, zat op een helderen zomermorgen de +familie Furchtbach stilzwijgend bijeen. Deze stilzwijgendheid werd niet +veroorzaakt door het plegtige doel der samenkomst, als niet anders +zijnde dan om koffij te gebruiken, maar wel door de tegenwoordigheid +van den Heer des huizes, die, om de gezelligheid dezer vereeniging te +bevorderen, altijd met een pak dagbladen binnenkwam, en niet gaarne +zag, dat iemand hem door praten in de lectuur daarvan stoorde. Mevrouw +had dan ook dadelijk haar werk in de hand genomen, en zag daarvan niet +meer op, dan hoog noodig was. Ook Susanne, hare twintigjarige dochter, +nam naald en draad tusschen de vingers, en maakte daarvan juist zooveel +gebruik als behoefde, om Papa's reprimande van weêr niets uit te voeren +te ontgaan; en Nicht Clare wijdde hare aandacht geheel aan het schenken +der koffij, en het toebereiden van hetgeen daarbij genuttigd werd; +welke taak haar onlangs, toen zij de volle achttien jaren bereikt had, +voor vast was opgedragen. Zij was de eenige, die gedwongen werd, nu en +dan de stilte af te breken, door half fluisterende te vragen: "Oom! zal +ik u nog eens inschenken?" waarop dan op niet direct vriendelijken +toon geantwoord werd: "Je ziet immers, dat mijn kopje nog half vol +is." Of: "Zoo! ik dacht, dat je nooit weêr zoudt schenken." Men zou +tot eene verkeerde conclusie komen, indien men uit deze wijze van +omgaan tusschen Mijnheer Furchtbach en zijne huisgenooten opmaakte, +dat hij een voorkomend, vriendelijk en inschikkelijk vader des gezins +was; maar men zou zich aan den anderen kant evenzeer vergissen, zoo +men meende, dat hij hierop eenige aanspraak maakte. En met dat al, hij +was een man van groote deugden, hij was van eene stipte eerlijkheid, +eene onwrikbare regtvaardigheid, hij handelde altijd naar vaste +beginselen, was ijverig in iedere betrekking, waarin hij werkzaam was, +en meester over zijne hartstogten: maar op zijne deugdenlijst stond +de liefde niet aangeteekend; en daar hij bij iedereen dezelfde goede +gezindheden zocht, die de zijnen waren, en alle anderen, waarvan hij +zelf geen denkbeeld had, in hen voorbijzag, was hij langzamerhand tot +die hoogte gekomen, dat hij zichzelven de onbepaalde achting toedroeg, +en wel iets van het tegendeel voor de meeste zijner medemenschen +gevoelde. De koophandel, waarin hij van zijne vroegste jeugd was bezig +geweest, had de stroefheid, die hem van nature eigen was, niet veel +verminderd. Misschien zou zijn huwelijk daarvan veel hebben kunnen +wegnemen, indien bij die gelegenheid de liefde eenigzins was in het +spel geweest; maar hij had eene vrouw gezocht, die juist evenveel +middelen bezat als hij; iets, dat hem eene billijke voorwaarde +toescheen bij het sluiten van zulk een contract. Het meisje had zijn +voorstel aangenomen, omdat hare ouders Furchtbach protegeerden, en +zij zelve niets tegen den man kon inbrengen; maar van vrouwelijken +invloed op hem uit te oefenen, kwam niets in; want hij deed haar steeds +gevoelen, dat de man het hoofd der vrouwe is, en zou er misschien niets +tegen gehad hebben, dat zij hem, als Sara weleer haren echtgenoot, +Heere genoemd had. Overigens was hij voor haar niet bijzonder hard, +indien zij hem maar in alles gehoorzaam was en altijd zijn wil deed; +en zij, de goede, geduldige vrouw, had spoedig ingezien, dat men om +des vredes wille veel moet doen en opofferen, en had langzamerhand +geleerd, maar in het geheel geen eigen wil meer te hebben. + +De opvoeding der twee meisjes (de eene was zijne wettige dochter, +de andere zijne wettige pupil) was, gelijk men die van zulk eene man +kan verwachten. Het minste vergrijp werd gestrengelijk gestraft; iets, +dat bij de Nicht het gevolg had, dat zij weinig kwaads meer deed; bij +de dochter, dat zij veel kwaads voor Papa leerde verbergen. Mama, die, +uit vrees voor de gestrenge strafoefeningen, Susanne hierin misschien +wat te veel voorthielp, verloor daardoor alle ontzag bij deze, en +had na eenige jaren het genoegen te bemerken, dat zij, behalve haren +wettigen meester, ook nog eene onwettige meesteres had. Daar nu de +opvoeding der beide meisjes geheel aan Mevrouw was opgedragen, leerde +de dochter juist zooveel, als het haar in den zin kwam, en op hare +educatie viel dus evenveel aan te merken, als een schoonheidskenner +aan hare trekken te berispen vond. Zij was de eenige, die in later +jaren ook haren Papa durfde tegenspreken, schoon één strenge blik +genoeg was, om haar binnen de palen der volkomenste vadervrees +terug te brengen. Nicht Clare was gezeggelijker van aard; zij was +van nature bloode en zichzelve mistrouwende. Oom Furchtbach had zich +niet beijverd, om haar gepaste vrijmoedigheid en zelfvertrouwen in te +boezemen. Zij werd daardoor niet, wat men een aanvallig meisje noemt; +zij gevoelde zich nooit meer op haar gemak, dan in de eenzaamheid van +hare eigene kamer. Hare tante was de eenige, met wie zij vrij durfde +spreken; voor Susanne was zij bang, bijna even bang als voor haren +wettigen voogd. + +De meisjes hadden vriendinnetjes, althans natuurgenootjes, die nu +en dan een avondje bij haar doorbragten, en welke ook zij bezoeken +mogten, mits daar geen broeders aan huis waren; want van alle +menschen, die oom verachtte en wantrouwde, waren er geen, voor wie +die verachting en dat wantrouwen grooter was, dan voor de winderige, +laffe, beginsellooze jongelieden van de negentiende eeuw. Susanne +was het met haren Papa heimelijk niet eens, dat er niets raars aan +de flaauwe heertjes was; maar Clare beefde op het zien van een man +beneden de 40 jaren, bloosde als er een het huis voorbijging, en +wist naauwelijks, of de wezenstrekken dier monsters eenigzins met +de menschelijke overeenkwamen. Zij zou voor geen wereldsgoed het +woord bepaald tot één hunner gerigt hebben; en toen een jaar geleden +haar volle neef naar de Oost-Indiën vertrokken was, en haar bij die +gelegenheid een afscheidskus had gegeven, bejammerde zij het bijna, +dat er geen kloosters waren, waarin zij hare schande kon verbergen. + +Deze partij dan was op den schoonen Julimorgen vereenigd, om in stilte +en met gepasten ernst koffij te drinken, toen onverwacht een bediende +binnentrad en het bezoek van vijf Heeren uit Holland aankondigde. + +"Vijf Heeren uit Holland?" vroeg Mijnheer, met weêrzin de _Frankfurter +Zeitung_ op de tafel neêrleggende: "wat zijn het voor menschen?" + +"Zij schijnen fatsoenlijke Heeren te zijn," zei de knecht, "ik heb +ze in de zijkamer gelaten." + +Clare bloosde tot achter hare ooren. Susanne luisterde met +belangstelling. + +"Ik zal bij hen komen," zei Mijnheer. + +Terwijl de knecht de deur van het familievertrek geopend had, was +een der leden van het gezelschap, dien wij nog niet aan de lezers +voorgesteld hebben, vooruitgegaan, om de Heeren te recipiëren. Het +was een klein hondje, een van dat soort, die bij ons onder den naam +van keffertjes bekend staan; het begon brommende den gang door te +trippelen, en toen het de vijf vreemdelingen zag, uit al zijn magt +te keffen. + +Daar is in het aanhoudend en driftig blaffen van zulk een hondje +altijd weinig, dat ons aangenaam aandoet; maar, wanneer men voor de +eerste maal ergens eene visite brengt, wanneer men zich voorstelt +aangenaam ontvangen te worden, wanneer men eene phrase klaar heeft, +om zich op het voordeeligste te introduceren, en men ziet dan den Heer +des huizes naderen, voorafgegaan door zulk een geweldmakend huisdier, +dan zou men wenschen, dat... er eene zware belasting op het houden +van honden werd gesteld. + +"Dat is een verwenscht mormeldier," gromde een der Heeren. + +"Als de Heer des huizes ook zoo spraakzaam is," fluisterde een ander, +"dan zullen wij weinig aan 't woord komen." + +"St! bedaard, beest! wij zijn goed volk," zeide de bedaardste der +vrienden heel goedig. De hond kefte te luider. + +"Wien heb ik de eer te zien!" vroeg Mijnheer Furchtbach. + +"Ik ben de Neef van Mijnheer Blumengarten uit Coblenz," antwoordde +Polsbroekerwoud, zich bekend makende. "Ik breng u dezen brief uit +zijnen naam." + +De hond blafte zoo luid, dat Mijnheer Furchtbach geen woord van deze +aanspraak verstond. Hij opende echter den brief, en zijne hand dreigend +opheffende, riep hij met ernst: "Houd je mond, _Azor_!" + +De hond zette zijn geblaf voort, maar nu in een half gillenden toon. + +"Houd je mond, _Azor_!" riep Mijnheer nog eens te vergeefs. _Azor_ was +de eenige zijner huisgenooten, die zich niet door hem liet imposeren. + +De wijze, waarop Mijnheer Furchtbach den recommandatiebrief van zijn +correspondent las, en waarop hij nu en dan de recommandabele Heeren +aanzag, had veel overeenkomst met die, waarop de Serjant-kommandant +van een voorpost uw pas leest en uw signalement verifieert; en de toon, +waarop hij daarna de Heeren uitnoodigde, om binnen te komen, verschilde +in vriendelijkheid en voorkomendheid almede niet veel van dien, waarop +de Wacht-kommandant zijn "gij kunt passeren" uitspreekt. Onze vrienden +gevoelden heimelijk berouw, dat zij den raad van den hupschen _Herr_ +Blumengarten hadden opgevolgd, om maar terstond gezamenlijk Mijnheer +Furchtbach te gaan bezoeken, dien zij zeker als een regtschapen mensch +zouden leeren kennen. Zij maakten dan ook heimelijk de opmerking, +dat er nog iets anders dan regtschapenheid vereischt wordt, om iemand +aangenaam te ontvangen. Zij volgden Mijnheer naar het huishoudvertrek, +waar Susanne hen met den liefsten glimlach, en Clare met den hoogsten +blos, waarvoor beiden vatbaar waren, afwachten. + +De eerste oogenblikken werden in diep stilzwijgen doorgebragt. Geen +der vrienden scheen bij deze gelegenheid bijzonder gedisponeerd het af +te breken. Wel zweefde Pols de phrase op de lippen: "Het is van daag +een charmante dag weêr," maar hij was vergeten, wat het woord _weer_ +in het Duitsch beteekende. Eindelijk, toen hij met iets anders klaar +was, was Mijnheer Furchtbach hem voor, met de vraag, of de Heeren +voor zaken reisden. + +"Neen," was het antwoord; "alleen voor plaisir." + +"Dat reizen voor plaisir schijnt meer en meer in de mode te komen. Vele +menschen schijnen tegenwoordig met hun geld geen raad te weten." + +"Ik zou haast denken, dat het tegendeel aan hen blijkt, die het voor +reizen besteden," antwoordde Veervlug. + +"Nu, dat moet ieder voor zichzelven weten," zei Furchtbach; "maar +mag ik ook vragen, welke de betrekking is der Heeren?" + +"Twee onzer zijn gepromoveerd, de anderen nog studenten," antwoordde +Pols. + +Clare bloosde met een nieuwen blos. Zij had nog nooit studenten +gezien, maar wel rare dingen van dat soort van menschen gehoord. Zij +verkeerde in een verschrikkelijken toestand. Zij begreep, dat aan de +Heeren koffij moest gepresenteerd worden, en bijna had zij den moed +bijeenverzameld om die vraag te doen, toen de naam _studenten_ haar +geheel uit het veld sloeg. Zij hield zich overtuigd, dat zij door +te vragen, of de Heeren suiker gebruikten, meer avances zou maken, +dan een meisje _vis à vis_ studenten voegde. Angstig wendde zij zich +dus tot hare tante, die nu bij hare nicht de tolk werd van der Heeren +gevoelens, omtrent het gebruik van suiker in de koffij. + +"Ge zult u op uwe reis dus wel voornamelijk tot de Duitsche Akademies +bepalen?" vroeg Mijnheer verder. + +"Wij houden ons in steden niet langer op," antwoordde een hunner, +"dan noodig is om de voornaamste merkwaardigheden te zien." + +"Dan is toch ook Frankfort zeer interessant voor den beoefenaar der +geschiedenis," zei Furchtbach. "Behalve de nieuwere monumenten, hebben +wij hier de Römer en den Dom, en ook voor de Natuurlijke Historie is +hier een belangrijk kabinet." + +"Maar ook voor kunst levert deze stad veel merkwaardigs op. Wij zagen +straks het Museum van Bedman, en waren allen verrukt over de _Ariadne_ +van Dannecker." + +Clare bloosde weder zeer sterk, want zij had wel eens gehoord, dat +deze dame niet in eene hooge japon gekleed was; en daar zij juist +met afgewend gelaat aan een der Heeren een kopje koffij toereikte, +bragt het trillen van hare eigen vingers haar in den waan, dat het +reeds aangenomen was, en ziet! het viel aan scherven en spatten op +den grond. Het ongelukkige meisje was half dood van confusie. Hare +tante trachtte haar gerust te stellen, en zeide: "Het is immers niets, +lieve Clare!" En oom voegde haar, misschien met hetzelfde doel toe: +"Het is niets, dan eene verregaande lompheid!" Susanne glimlachte, +niet zoo zeer uit boosaardigheid, als wel omdat zij al lang naar eene +eenigszins geschikte gelegenheid om te glimlagchen had uitgezien. + +Mevrouw Furchtbach nam nu, op verzoek van Clare, zelve de directie op +zich over het koffij departement, en Torteltak, die, in de confusie, +uit den kring, waarin zij geschaard zaten, was voortgestapt, wendde +zich tot Susanne met de vraag, of zij Elise Saalbader ook nog gekend +had. "Wel zeker, Mijnheer! kent gij die ook? Zij is mijn eigen nicht." + +"Ik heb haar onlangs leeren kennen. Zij schijnt eene allerliefste +vrouw te zijn. Ik ontmoette haar heel toevallig te Aken...." + +"Ik moet u verzoeken, Mijnheer!" viel Susanna's vader in, "dien naam +niet in mijn huis te noemen, en mijne dochter gelast ik geen woord +meer te spreken over een meisje, dat ik niet aarzel eene schandvlek +harer sekse te heeten." + +"Maar, Mijnheer Furchtbach!" riep Torteltak, "is uw oordeel over +haar niet wat hard? Ik ken hare geheele geschiedenis uit den mond van +Sindenton, en heb mijzelf kunnen overtuigen, dat zij haren echtgenoot +heel gelukkig maakt." + +"Dan zult gij ook weten, Mijnheer! dat zij op eene onwettige wijze, +althans zonder toestemming van mij, die haar voogd was, met dien +Mijnheer Sindenton getrouwd is?" + +"Waart gij die voogd?" vroeg Torteltak verbaasd. "Maar toch, zij +trouwde immers met volkomen toestemming van hare eigen moeder?" + +"Mijne zuster moge de dwaasheid gehad hebben hare toestemming te geven; +dat neemt niets van het schandelijke harer houding omtrent mij weg. De +zwakke moeder heeft dat huwelijk dan ook maar een jaar overleefd." + +"Maar zij was toch immers regt gelukkig in het lot van hare +dochter?" waagde Mevrouw Furchtbach te zeggen. + +"En zij hebben zoo'n lief kindje; niet waar, Mijnheer?" vroeg Susanne. + +Clare bragt den geheelen tijd, dien dit gesprek duurde, met blozen +door. + +"Hoe het zij," riep Furchtbach ongeduldig uit, "Mijnheer Sindenton had +zulke dingen maar in Holland moeten beginnen. Ik noem zijne handelwijs +schandelijk, en zal ze hem nooit vergeven." + +"Maar hij was anders toch een lief mensch," zei Susanne. + +"Zoo lief, dat het mij aangenaam zal zijn, noch van hem, noch van zijne +vrouw, ooit weêr een woord te hooren, en dat ik openlijk verklaar, +dat, indien ooit een dergelijk geval met mijne eigene dochter plaats +greep, ik mij niet zou ontzien, de gestrengste maatregelen in het +werk te stellen." + +Sommigen der vrienden, een oog op Susanne slaande, maakten heimelijk +de opmerking, dat Mijnheer van dien kant waarschijnlijk nooit in +moeijelijkheden zou gebragt worden; en Pols, de rigting, die het +gesprek nam, eenigzins verontrustend vindende, vroeg, om er eene +andere wending aan te geven, aan Mijnheer Furchtbach, of het beroemde +gekkenhuis te Frankfort tegenwoordig nog al sterk bezet was. + +Deze zag den vrager met een doordringenden blik aan; maar daar hij in +zijn gelaat niets dan eenvoudigheid en goedhartigheid las, antwoordde +hij koeltjes: "Zoo, ja! altijd meer dan genoeg." + +De gesprekken werden nu met meer kalmte en over onverschilliger +onderwerpen gevoerd. Pols maakte nog eene opmerking over het vreemde +van in ledekanten zonder gordijnen te slapen. Torteltak begon over de +Hessen te spreken, die zich in 1792 bij de Friedbergerpoort hadden +laten doodslaan. Mijnheer vertelde een paar anekdoten omtrent de +kroning van Keizer Frans in hetzelfde jaar, en nam hieruit aanleiding, +om het noodige omtrent de vrije stad Frankfort te zeggen, en was, na +zichzelven een tijd lang te hebben hooren discoureren, eindelijk weêr +zoo vriendelijk en gastvrij gestemd, dat hij de Heeren ten eten vroeg, +tegen aanstaanden Vrijdag over acht dagen, iets waarvoor de Heeren, +die reeds den volgenden dag vertrokken, hoffelijk bedankten. + +Gelukkig kwamen de vrienden, die, nog altijd van de Blumengartens +vervuld, half en half op eene invitatie gerekend hadden, nog in tijds +_zum Schwane_ terug, om aan de _table d'hôte_ plaats te nemen, en +de manoeuvres met borden en schotels van den _Oberkellner_ aldaar, +den handigsten van geheel Duitschland, te bewonderen. + +De kennismaking met de familie Furchtbach animeerde de vrienden +niet bijzonder om van een tweeden recommandatiebrief, dien Sindenton +zijnen vriend gegeven had, gebruik te maken. Daar het evenwel mooi +weêr was, besloot Torteltak in den namiddag, die familie, op een +Buiten aan den Main residerende, toch eens te gaan opnemen. Aangenaam +gestemd door eene allerliefste wandeling, vreesde hij bijna die +stemming te bederven, door zich bij de familie Schmalheim te doen +aandienen; maar toch, de ligging van het Buiten en een paar lieve +vrouwenfiguurtjes, die zich voor de opgeschovene ramen bewogen, +trokken hem aan. En waarlijk, hij had er naderhand geen berouw van, +zich met nog meer Frankforters te hebben ingelaten. Naauwelijks had +hij zich bekend gemaakt als de overbrenger eens briefs van Sindenton, +of Mijnheer drukte hem met warmte de hand, drong hem met levendigheid +de kamer in, en stelde hem aan de dames vóór, als den vriend van +hunnen Sindenton. Terstond zag Torteltak zich door drie lieve jonge +meisjes omringd, die hem op de hartelijkste wijze welkom heetten, +en hem met vragen omtrent zijn vriend bestormden. "Hoe maakt hij +het toch?" riep de eene.--"En Elize?" viel de andere in.--"En de +engelachtige Anton?" vroeg de derde. + +"Heerlijk, gelukkig, wel!" riep Torteltak, die zichzelven door deze +receptie ook heerlijk, gelukkig en wel gevoelde.--Eene flesch Rijnwijn +van een niet onaangenaam merk, terstond ontkurkt werd, bragt het hare +bij, om hem in die aangename stemming te houden. + +Toen de eerste luidruchtigheid door wat meer kalmte werd opgevolgd, +nam Mijnheer den brief van Sindenton in handen, en na eenige woorden +gelezen te hebben, zei hij tot Torteltak: + +"Ik lees hier nog van uwe vrienden; zal ik het plaisir niet hebben +hen bij mij te zien?" + +"O, Mijnheer! wij zijn te talrijk. Vijf menschen is wat veel, om zoo +maar op eens eene familie te overvallen." + +"Wat zou dat zijn?" riep de gulle gastheer uit. "Waar is uw +logement? Caspar! ga spoedig _zum Schwane_, en inviteer de Heeren +van No.?--78 en 79--om hunnen vriend, zoodra zij lust hebben hier +te komen vinden." + +"Maar waarlijk, Mijnheer!" zei Torteltak, "het is ..." + +"Tututu! de vrienden van Sindenton zijn immers ook de mijne en die +van mijne geheele familie?" + +Torteltak was heel wel in zijn schik met deze vriendenaanwinst; want +Mijnheer beviel hem wel, en de dames schenen zoo wat tusschen de +achttien en vijfentwintig jaren oud te wezen. De twee oudsten waren +ganschelijk niet misdeeld van schoonheid, eene gave, die wel met regt, +maar 't meest door minder schoonen, als vergankelijk en toevallig +beschouwd wordt, maar die toch, even als vele andere vergankelijkheden +en toevalligheden, hare aangenaamheid bezit. Clementine, de oudste, +scheen wel een weinig naar het _schmeichelnde_ en sentimentele +over te hellen; zij sprak zacht, sloeg hare drijvende oogjes nog +al heel dikwijls naar boven, en kon wel onder verdenking vallen tot +de maanvriendinnen te behooren; maar de vrolijkheid van den kring, +waarin zij zich bewoog, scheen haar niet te hinderen, en zij had de +rozen nog niet van hare wangen gezucht. Hare zuster Sophie was een +der meest gracieuse schepseltjes, die Torteltak ooit ontmoet had. Zij +wist van hare heldere oogen misschien meer partij te trekken, dan +hare zuster, daar zij ze op minder koude en beseffelooze voorwerpen +dan de maan vestigde. De jongste, Katharin, niet bijzonder schoon, +moest evenwel een zacht en goed meisje wezen, blijkens de liefde en +vriendelijkheid, waarmede haar de zusters bejegenden, en de teedere +attenties, die Papa aan zijne kleine Kette bewees. + +Nu begon een gesprek over Sindenton en de Furchtbachen, en indien +over den eersten met veel levendigheid werd gesproken, ten opzigte der +laatste liet vooral Torteltak veel menschenkennis blijken. Deze toch +oefent zich het meest op onbekenden. De jongeling was juist bezig, +een diepen blik in het hart van den ouden Frankforter te slaan, en te +bepalen, hoe en op wat wijze hij door wijlen zijn vader ongetwijfeld +moest zijn opgevoed, toen de overige vrienden werden aangekondigd, +met uitzondering van De Morder, die zich eenigzins ongesteld gevoelde +en liever, op zijne kamer bleef, dan alweêr visites te maken. + +Pols kwam met eene deftige buiging vooraan, en naauwelijks gezeten, +haastte hij zich van de phrase "het is van daag een charmante dag +weêr" gebruik te maken, daar hij het vermiste Duitsche woord was op +het spoor gekomen. + +Het was al de vrienden spoedig aan te zien, dat de tweede +Frankfortsche familie, die zij bezochten, hun beter beviel dan +de eerste. Holstaff geraakte in een druk gesprek met Clementine, +en trof bij haar meer sympathie aan, dan hij nog ooit ontmoet +had. Hun discours werd al spoedig van de wezenlijke wereld op die der +idealen overgebragt. Klagten over dikwijls niet begrepen te worden, +over ijskoude ongevoeligheid werden uitgewisseld. Alleen van zijne +denkbeelden over het ongepaste der vrolijkheid verschilden de haren; +maar zij deelde anders in zijne verrukking, als hij passages uit +Duitsche Dichters aanhaalde over _verschwundene Idealen_, _holde +Phantasien_ en _unbestimmte Sehnsucht_. Torteltak was in een eenigzins +levendiger gesprek met Sophie, die bij deze gelegenheid allerliefste +coquetteriën in het werk stelde. Zij plaagde hem over teedere +betrekkingen, die hij wreed verlaten had, om in den vreemde rond +te zwerven. Zij was eens met hare zuster in Holland geweest, en nam +daaruit gelegenheid, om over de dames te spreken, die zij daar ontmoet +had, en die allen een fijnheid en blankheid van _teint_ bezaten, die +de Duitsche meisjes misten, en scheen in het geheel niet te weten, dat +van alle _charmes_ deze misschien bij haar de grootste was. Zij bragt +den jongeling heel dikwijls in 't nauw, door naïve verklaringen van hem +somtijds niet te begrijpen, en hem daardoor tot explicaties te brengen, +waarin hij zich noodwendig verwarren moest. Zij legde bij dit alles in +de onbeduidenste discourses zooveel natuurlijken geest aan den dag, +dat Torteltak naderhand zwoer, dat, al was zij zoo leelijk als de +nacht, zij nog in staat zou zijn iedereen het hoofd op hol te brengen. + +Mijnheer Schmalheim, die met Katharin en de twee overige vrienden +heel veel over Frankfort gesproken had, noodigde nu allen uit, om +gezamenlijk eene wandeling te doen, en bij die gelegenheid ook het +beroemde Kerkhof eens te gaan zien. Spoedig werd aan dit voorstel +gevolg gegeven. Pols ging met Papa vooruit, de anderen paar aan paar, +ieder discoursen op zijn eigen hand voerende. + +Het nieuwe Kerkhof te Frankfort is, zoowel wat ligging als wat aanleg +betreft, het schilderachtigste, dat men zich kan voorstellen; maar +het is, even als Dumas van dat te Konstantinopel zegt, meer tot +eene wandeling voor levenden, dan tot eene rustplaats voor dooden +ingerigt. Men moet het bewonderen als men 't ziet; maar men bezoekt +toch eigenlijk een kerkhof niet om te bewonderen. Daar zijn wél +afgemeten graven, en op ieder daarvan staat een kruis, en op dat +kruis een vers of een gedenkschrift; maar die afmetingen zijn, even +als de kruisen en verzen, wat al te mooi en te sierlijk. Een enkele +treurwilg maakt op zulk eene plaats meestal een goed effect; maar +honderde treurwilgen, kunstig gerangschikt, doen weêr geen effect. Eene +eenvoudige bloemstruik op een versch gevuld graf neemt misschien het +al te sombere weg; maar allées van rozen en meer schitterende bloemen +brengen bontheid voort, die nog meer hindert. Het plegtige zwart +eener lijkstaatsie moet tusschen deze bloemperken alleronaangenaamst +afsteken.--Maar met dat al, het kerkhof is beroemd; en indien men +er geene lijkstaatsie ontmoet, en men zich niet verbeelden wil over +graven te wandelen, dan beloont het ruimschoots de moeite. + +Het was in het schemeravonduur, dat ons gezelschap het doel der +wandeling bereikte. Een zacht windje deed de bladeren van het +geboomte ruischen; nog enkele vogelen zongen op hare takken; en het +was misschien onder den indruk van dit alles, dat Clementine zeide: +"Dit lieve kerkhof herinnert mij altijd Hölty's _Elegie auf ein +Landmädchen_. Hoe menigeen rust hier, jong en schoon als zij. + + + 'Angethan mit einem Sterbekleide, + Eine Blumenkron' im blonden Haar!'" + + +"Hölty spreekt in deze regels dan toch," zei Veervlug, "met meer +kieschheid en op liever toon van een gestorven meisje, dan wanneer +hij den _Todtengraber_ in den mond legt: + + + 'Jener Kopf mit Haaren + War vor wenig Jahren + Schön, wie Engel sind! + Tausend junge Fäntchen + Leckten ihm das Händchen + Gafften sich halb blind!'" + + +"Foei!" zei Sophie: "heeft Hölty dat gezegd? Dan lees ik nooit meer +iets van hem." + +"Ja maar," antwoordde Torteltak, "hij voert maar zelden zulke +bespiegelende doodgravers op. Hij spreekt immers op andere plaatsen +met meer opgewondenheid van de dames." + +"Wel zeker!" zei Sophie, "als hij aan de _Engelmienen_ en het _blaues +Augenpaar, woraus ein Engel blickte_, en de _schwanenweisse Hand_ +begint. Alles veel te mooi voor ons, Duitsche meisjes." + +Terwijl zag zij hem met hare heldere oogen lagchend aan, en trok een +handschoen uit om eene bloem te plukken, misschien ook om Torteltak in +de gelegenheid te stellen haar een _démenti_ te geven. Hun gesprek werd +echter afgebroken door het voorbijgaan eener oude vrouw, die langen +tijd in een afgelegen hoek van het kerkhof geknield had gelegen, en +op wier gelaat bittere en bijna aan wanhoop gelijkende droefheid te +lezen was. "Wat deert u?" vroeg Mijnheer Schmalheim haar: "gij zijt +zeker hier geweest, om een geliefde doode te beweenen!" + +"Ja, daar ligt hij!" riep de vrouw uit. "Hij is voor altijd dood. Hij +moest wel sterven, en ik en mijne arme kinderen zullen hem wel volgen." + +"Wees bedaard, goede vrouw! gij hebt zeker uw man verloren?" + +"Ja, Mijnheer! en zij hebben zijn naam geschandvlekt, en hij was +onschuldig; maar nu heeft Mijnheer Furchtbach zijn dood op het +geweten. Hij wist zelf wel, dat mijn man onschuldig was. Maar die +rijken en grooten denken altijd, dat wij armen geen eer te verliezen +hebben." + +"Maar wat was er dan met uw man?" vroeg Schmalheim met deelneming. + +De vrouw verhaalde in afgebroken termen nagenoeg het volgende: + +Haar man was dertig jaren een der eerste knechts geweest van +den Heer Furchtbach, en had altijd blijken gegeven van trouw en +eerlijkheid. Maar nu was er eenigen tijd geleden een kleine diefstal +in een der pakhuizen gepleegd, en de dader scheen onder de knechts +te moeten gezocht worden. Men was evenwel volstrekt niet te weten +kunnen komen wie de dief was, en nu had de Heer Furchtbach het de +regtvaardigste maatregel gevonden al zijne bedienden weg te zenden, +waaronder dus ook haar man behoorde. Deze, die altijd vergenoegd het +dagelijksch brood voor vrouw en kinderen verdiend had, wendde zich te +vergeefs tot zijnen Heer, hem herinnerende, dat hij reeds als knecht +zijns vaders diens volle vertrouwen genoot. Mijnheer hield steeds vol, +dat zij allen gelijk stonden, ten zij iemand hem den waren dader +wist aan te toonen. De arme man kon geen middel van bestaan meer +vinden, en bekommering hierover, gepaard aan het denkbeeld dat hij +van oneerlijkheid verdacht werd, had hem in een zware ziekte gestort, +waaraan hij bezweken was. + +"Wees toch bedaard, moeder!" zei Schmalheim tot de vrouw, die gedurende +dit gesprek hoe langer hoe uitbundiger in hare droefheid geworden was: +"Ik zal voor u doen wat ik kan. Uwen man kan ik u niet weêrgeven; +maar daar, koop brood voor uwe kinderen." + +De andere Heeren voegden van het hunne bij de aalmoes van hunnen +gastheer, en de vrouw snikte een "God loone het u!" maar ging nog +luid klagende heen. + +"Waar woont gij?" fluisterde Katharin haar heimelijk toe. + +"In de _Bobenstrasse_, digt bij den hoek," zei de vrouw. + +"Ik zal u komen opzoeken; maar st.!" + +Torteltak was de eenige, die iets van dit gefluister hoorde, en hij +sloeg voor het eerst zijn oog met belangstelling op de kleine Kette. + +Het was intusschen avond geworden, en men nam de terugwandeling +aan. Men soupeerde bij de Schmalheims, en keerde ten 10 ure in het +logement terug, zeer tevreden over den doorgebragten namiddag. Men +vond de Morder op zijne kamer met een pijp en een flesch Rudesheimer, +en werd dus omtrent den staat zijner gezondheid tamelijk gerustgesteld. + +Een weinig later dwaalde Torteltak door de naauwste straten van +Frankfort. Hij had zich de _Bobenstrasse_ doen aanwijzen, en klopte +aan eene zeer armoedige woning aan. + +"O! zijt gij het?" zei de vrouw, die hem de deur opende; "een dier +goede Heeren, die mij dezen middag zoo mild bedacht hebben. Zie dit +stuk geld, dat ik niet ken, maar het is goud, ontving ik van dien +kleinen Heer, die zoo lief met die dame stond te praten." + +Torteltak zag een Hollandsch vijfguldenstukje, dat, naar de uitduiding +der vrouw, uit Holstaff's beurs moest gekomen zijn. Hij merkte, dat +er dien dag iets bijzonders in het hart van zijn vriend moest hebben +plaats gehad. + +Hij bleef een half uur bij de arme vrouw en hare kinderen, en boezemde +haar door raadgevingen, met deelneming en ernst gedaan, moed voor de +toekomst in. Wat hij meer deed, weten wij niet; maar toen de vrouw +hem de deur weêr opende, was hij zelf zeer getroffen, en zij zeide, +hem de hand kussende: "Ik kan het u nooit vergelden, maar ik zal voor +u bidden." + +Dien nacht droomde Torteltak van geen der jonge meisjes, die hij +ontmoet had; maar toch, hij had een aangenamen droom, en toen hij +wakker werd, voelde hij zijne wangen door tranen bevochtigd. + + + + + +HOOFDSTUK XI. + + Waarin de reizigers meer dan twintig mijlen afleggen zonder + eenig avontuur; waarin zij naderhand in een klein bestek velerlei + genoegens smaken. + + +De meeste menschen, die voor plaisir reizen, zijn op slecht weêr niet +bijzonder voorbereid, ten zij ze de zaken naar de wijze van Dionysius +De Morder inzien. Zij weten wel, dat zij nu en dan een regenachtigen +dag zullen beleven, en dat mist en koude de helderheid en liefelijke +zomerwarmte somtijds zal vervangen; maar als zij zich in hunne +verbeelding een lief landschap of een beroemd vergezigt voorstellen, +dan ontbreekt een heldere zonneschijn er nooit; en zoo zij zich bij +preferente avondtooneeltjes denken, dan is altijd de maan op haar +post. Aan deze wijze van voorstellen hebben misschien ook de schilders, +die zelden onder een stortregen hunne landschapjes zitten te teekenen, +en die veeltijds niet karig zijn met hunne hemelsblaauwe verven, +veel schuld.--Maar het zij zoo! De menschen zijn misschien gelukkig, +die zoo kunnen idealiseren en nooit iets anders dan helderheid +in de toekomst zien. Ontwijken zij daardoor het verdriet al niet, +zij ontloopen het eenigen tijd; hun lot is verkieslijk boven dat +van hen, die alle tegenspoeden voorzien, schoon deze zich daardoor +ook tegen alles kunnen wapenen. Het is misschien minder onaangenaam +door eene onverwacht opkomende regenbui doornat te worden, dan een +halven dag te voren, onder het heerlijkste weêr van de wereld, met +een parapluie onder den arm te loopen. In de toepassing van deze +stelling op dingen van hooger aanbelang kan het evenwel geen kwaad, +met een weinig voorzigtigheid te werk te gaan. + +Deze inleiding schijnt nergens toe te dienen, dan om op eene geschikte +manier te kunnen meêdeelen, dat Polsbroekerwoud en zijne vrienden, +toen zij te Frankfort den morgen van hun vertrek ten zes ure opstonden, +met het plan om in een open rijtuig naar Heidelberg te rijden, hierin +verhinderd werden, daar een vrij koude, fijne regen neêrdaalde, en de +lucht die eigenaardige kleur en substantie had, die zelfs den weinig +gevorderden weerkundige doet vermoeden, dat het "een regentje voor +den geheelen dag" zal wezen. Men besloot dus na lange deliberatiën, +in een digten wagen de reis te aanvaarden. + +"'t Is toch waarachtig een ijselijkheid!" zei De Morder: "maar ik +had het gisteren avond wel gedacht." + +"Ik niet," viel Pols in; "want de zon ging charmant onder, en het +dauwde nog al vrij sterk. Wij moeten nu maar denken: Na regen komt +zonneschijn." + +"En na een graauwpapieren lucht een blaauwpapieren," zei Veervlug. + +"Het is jammer van de _Bergstrasse_," zei Torteltak, "en wel het meest +daarom, omdat wij bij onzen retour zullen moeten hooren, dat als wij +die niet bij mooi weêr gezien hebben, wij dan niets hebben gezien." + +Holstaff sprak niet; want hij was bezig eene mier te beklagen, +die, in een klein regenplasje spartelend, en in de zwemkunst zeer +onervaren, een gewissen dood voor oogen scheen te hebben. Gelukkig +voor het diertje kwam spoedig een zijner medemieren, met een vezeltje +stroo tusschen de pooten, waaraan de drenkeling zich greep, en zoo +gered werd. + +De vrienden klommen in het rijtuig. Voor sommigen scheen de nacht niet +lang genoeg geweest te zijn, om uit te slapen; althans zij sliepen +spoedig weêr in. Voor anderen scheen de nacht niet slapeloos genoeg +geweest te zijn, om uit te peinzen; want zij raakten in diep gepeins +verzonken. Slechts nu en dan vond een enkele hunner het gepast, iets +te zeggen; maar hij moest dikwijls lang naar antwoord wachten. "Zou +het dan waarlijk den geheelen dag door blijven regenen?" zei Pols, +voor zij aan Sachsenhausen kwamen.--"'t Kan wel wezen," antwoordde +Holstaff, toen zij Langen passeerden. Er scheen ook in de gepeinzen +niet veel variatie te zijn. + +Men dineerde te Darmstadt in een niet zeer aanzienlijk logement, +waar het meisje in 't buffet heel mooi was, en de opgezette vogels +en kapellen, die den muur in schilderijen versierden, heel leelijk +waren. Veervlug maakte een lieftallig madrigaaltje op de schoone, +maar verzocht den kastelein, de Duitsche vogels, als ze allen zoo +misvormd waren, maar liever in de lucht te laten vliegen. Men vond +de straten van Darmstadt heel nat, de huizen heel wit, en ging geen +buitentuinen en paardenstoeterijen zien, maar besloot uit wanhoop +den avond in de komedie door te brengen, waar men zeer onbevallige +boerinnetjes tusschen de schilderachtige decoratiën van Schoenberger +zag voorthuppelen, en men de entrée van 12 sgr. nog te duur vond. Men +verliet Darmstadt, zonder een enkel reis-avontuur gehad te hebben. + +Laat in den avond arriveerde men te Bickenbach, een dorp, naar +sommigen beweren, vroeger met den Rijn zeer gelieerd; maar sedert +eenige eeuwen moet er tusschen deze twee een zekere verwijdering +ontstaan zijn, waarvan men de schuld bij den Rijn schijnt te moeten +zoeken, die een geheel anderen weg wilde uitgaan dan Bickenbach, +dat altijd dezelfde gebleven is en nu heel wèl is met de Modau. Men +merkte bij den avond niets van de verschillende takken van nijverheid, +waardoor dit dorp bloeit, en was genoodzaakt ook dit te verlaten, +zonder zich op een enkel avontuur te kunnen beroemen. + +Men besloot den nacht dóór te rijden, en moest te Heppenheim een uur +vertoeven, eer men andere paarden kon krijgen. Men maakte de opmerking, +dat de Heppenheimsche postiljons hunne vreugde, om 's nachts te mogen +rijden, door binnen's monds gebromde vloeken en verwenschingen te +kennen geven. + +Te Weinheim arriveerde men, weder zonder eenig reis-avontuur opgejaagd +te hebben, in den vroegen morgenstond. Men dejeuneerde en ververschte +zich, en maakte de aanmerking, dat het waschwater van oneindig beter +kaliber was, dan de thee, die men dronk; schoon men bekennen moest, +dat beiden in kleur en geur niet veel verschilden. + +Het weêr was intusschen beter geworden, en men kon de kap van +het rijtuig te Weinheim achterlaten. En daar men nu in de laatste +vierentwintig uren niet veel anders gedaan had dan slapen en peinzen, +ondervond men dat reizen voor plaisir somtijds iets anders is, +dan plaisir hebben. 't Ging nu evenwel beter; verscheidene tongen +raakten in beweging; men vond de landstreek mooi, verheugde zich in +het vooruitzigt van heerlijke touren en goede _diners_, en zonder +verder eenig reis-avontuur tegen te komen, reed men ten negen ure +Heidelberg binnen. + + + +"Ik heb hem toch in dezen zak gehad, mij dunkt nog te Weinheim, +maar anders zeker te Darmstadt," zeide Veervlug, toen hij even na de +aankomst _zum Holländischen Hof_ aan zijne vrienden had medegedeeld, +dat hij zijn reispas, die geviseerd moest worden, niet kon vinden. + +De wijze, waarop hij deze woorden sprak, duidde aan, dat onze vriend +wel zijn verlies gevoelde, maar zich liever met hoop op herstel +troostte, dan in knorrige klagten en ontevreden gejammer uit te +barsten. Daar zijn maar weinig menschen, die bij treffende ongevallen +en grievende rampen de kalmte huns gemoeds niet verliezen. Maar daar +zijn er misschien nog minder, die bij kleine teleurstellingen de +knorrigheid en wrevel kunnen bedwingen, welke als van zelve in hen +schijnt op te komen. En zelfs onder de voorbeelden van lijdzaamheid in +'t zwaarste leed, zijn er die ongeduldig worden bij onaangenaamheden, +welke naauwelijks dien naam verdienen. Misschien rekenen zij het +dan der moeite niet waardig om zich in postuur te zetten; misschien +ook vinden zij zich verpligt dan alleen zelve te klagen, als zij +door niemand beklaagd worden. Zoo zijn er bij voorbeeld, die, door +ongelukken vervolgd, met gelatenheid gezien hebben, dat men al hun have +en goed verkocht, maar die van ongeduld stampvoetten, als zij zich met +een bot mes moesten scheren. Daar zijn reizigers, die lange dagen in +zandwoestijnen van dorst versmacht hebben, zonder een enkelen zucht +te slaken, en die, als zij na een goed _diner_, tot verfrissching, +frambozen van de heining willen eten, verscheidene Engelsche vloeken +op elkaâr stapelen, als zij er een aantreffen, die naar het kaarsvet +smaakt. En wie herinnert zich geene _scenes_, door hem bijgewoond +bij het breken van schoenlinten, bij aardappelen die niet regt gaar +waren, bij lampenpitjes, die maar niet branden wilden, of bij iets +dergelijks? Zoo niet Veervlug: hij bepaalde zich tot ijverig zoeken, +tot het geduldig aanhooren der vragen die hij niet kon beantwoorden, +en tot het in 't werk stellen van al de middelen, die men hem aan de +hand deed, om 't verloren papier terug te vinden. + +"Maar als je hem te Darmstadt nog hadt, moet je hem nog hebben," +zei er een, bij wijze van verwijt. + +"Zit hij niet in je jaszak?" zei een ander, om hoop te geven. + +"Of in je hoedendoosje?" vroeg een derde, die het veld der +doorzoekingen scheen te willen vergrooten. + +"Hij zal wel te regt komen," zei de vierde, die in 't geheel niet +van zoeken hield. + +Veervlug doorzocht alle plaatsen, waar het papier kon geborgen zijn, +en ook die, waar het onmogelijk kon gevonden worden; geen paar kousen +bleef opgerold, geen cigarenkoker of snuifdoos gesloten. Ook de andere +vrienden rekenden het zich ten pligt, te onderzoeken of zij 't ook bij +abuis onder hun goed ingepakt hadden. Weldra lag de grond der kamer met +kleedingstukken en allerhande voorwerpen overdekt. Alles te vergeefs. + +"Wij zoeken vast niet op de regte plaats," merkte Pols naar waarheid +aan, zonder evenwel door dit gezegde veel licht in de zaak te geven. En +terwijl schoof hij, een voor een, de laden eener chiffonière open, die, +nog door niemand hunner gebruikt wordende, moeielijk Veervlugs pas kon +bevatten, zoo niet Bamberg of De Linsky daarbij hunne tooverkunsten +hadden in 't werk gesteld. + +"Maar hebt ge al eens in den gang gekeken?" vroeg een hunner. + +"Of beneden in 't voorhuis?" zei een ander. + +"Of misschien op straat?" viel een derde in. + +"Is hij ook uit je zak gevallen, toen je buiten de poort uit het +rijtuig keekt?" + +"Wij zullen er den kastelein eens naar vragen," zei Pols. + +Maar ook Ludwig Spitz, de chef van 't hôtel, wist niets van de +zaak. Hij vond het zeer jammer, dat de heeren geen Heidelbergers +waren, omdat zij dan van de regering wel nieuwe papieren zouden +kunnen bekomen. + +In 't kort, de pas werd niet gevonden, en Veervlug bleef in 't +volslagen gemis van dit noodzakelijk reisdocument. Hij stond er +voor bloot, om door den eersten den besten Policiecommissaris als +een vagebond te worden opgepakt; en om zich tegen deze of dergelijke +onaangenaamheden te wapenen, besloot hij langs den afgelegden weg terug +te rijden, om op alle pleisterplaatsen informatiën te doen, of anders +aan de Hollandsche Ambassade te Frankfort een nieuwen pas te verzoeken. + +De vier vrienden hadden nu wel den geheelen dag, treurende om het lot +van Veervlug, in het logement kunnen blijven zitten; maar zij konden +het ook zonder zelfverwijt nalaten. Zij zetten dus hunne droefheid +aan een kant, en aanvaardden den togt naar den beroemden tuin, dien +men gezien moet hebben, indien men maar een dag in de omstreken van +Mannheim of Heidelberg heeft doorgebragt. + +Het zal zoo omstreeks vier ure na den middag geweest zijn, toen zich, +nadat zij het _diner_ in een logement te Schwetzingen gebruikt +hadden, eene vrouwelijke cicerone aan hen vertoonde, om hen in +den _Schlossgarten_ rond te leiden. Terwijl men nog een ander +reisgezelschap afwachtte, maakte deze dame aan de vrienden bekend, +hoe wijd van omvang hare taak was; hoeveel studie het haar gekost had, +om op het grondgebied van Schwetzingen overal regt te huis te wezen; +hoeveel talen zij verstaan moest, om al de spreuken, die daar te +lezen stonden, te expliceren; maar hoe zij ook nu niet schromen zou, +aan de zijde van een Arabier de moskee in te gaan, en met een ouden +Romein Apollo's tempel te naderen. Juist begon zij meê te deelen, +hoeveel geschikter zij was om vreemdelingen rond te leiden, dan haar +minder kundige gemaal, toen het verwachte reisgezelschap aankwam, +en aan het discours een andere wending gaf. + +De nieuwe aankomelingen waren slechts twee in getal, en naar ouderdom, +sekse, wijze van omgaan en gelaatstrekken te oordeelen, schenen zij +vader en dochter te zijn. De eerste moest omtrent zestig jaren oud +zijn, de laatste misschien vijfentwintig jaren met hem verschillen. Hij +was misschien knapper oud man, dan zij oud meisje. Zijn kostuum was +naar den ouden trant; het hare nieuwerwets, maar niet nieuwmodisch. In +één punt kwamen zij beiden veel overeen: zij hoorden weinig van +hetgeen men tot hen sprak; hij uit gebrek aan attentie; zij van +wege een gebrek aan de oorvliezen. Beiden waren voor het overige +heel vrolijke menschen: de oude Heer wedijverde in woordenrijkheid +met de kundige gade van den slotbewaarder; en de dochter, die haren +vader voor vrolijk en aardig hield, doch nooit een woord van hem +kon verstaan, maakte altijd, als zij zijne lippen maar zag bewegen, +een veelbeduidenden glimlach gereed. + +"Het gezelschap gelieve mij te volgen," sprak de vrouw, "door deze +laan, die geheel door oranje- en citroenboomen beschaduwd wordt." Dit +zeggende, legde zij met een zekeren trots hare hand op de kruin van +een der hoogste schaduwgevers van de geheele rij. + +"Wonderlijk mooi," riep de oude Heer: "prachtige boomen, en zoo +sierlijk rondgeknipt en niet lastig hoog; men heeft geen ladder noodig, +om de appelen te plukken, als ze rijp zijn. Men zou haast denken dat +men in Spanje wandelde; maar 't is hier rustiger. Geen binnenlandsche +oorlog. Hoe denken de Heeren over _Don_ Carlos?" + +De dochter glimlachte met veel beteekenis. + +Geen der heeren verdiepte zich dezen oogenblik in de Spaansche +quaestie. + +"Let op, Mijnheeren! Hij zal 't winnen; 't kan niet anders, hij +moest het winnen; hij heeft de geestelijkheid op zijn zij. Dat staat +vast. Maar zie, wat zijn dat voor figuren?" + +"Dat zijn," antwoordde de vrouw, "de vier elementen. Het gezigt, +het gehoor..." + +"Bravo, moedertje, bravo! wonderlijk aardig! Jet, schrijf op. De vier +elementen! Die daar met de watervaas zal de smaak voorstellen." + +Jet, den ouden man zoo hartelijk ziende lagchen, appliceerde bij deze +gelegenheid den meest beteekenden harer glimlagchen. + +"Zoo is het," antwoordde de vrouw met deftigheid. + +Men naderde door de breede laan den tempel van Minerva. + +"Deze," ging zij explicerende voort, "is de Godin der Wijsheid, gelijk +zij zinnebeeldig wordt voorgesteld in hare volle wapenrusting. Op +haar schild is het aangezigt van hare moeder afgebeeld." + +"Ge komt mij niet al te orthodox voor in uw Godenleer," viel +Torteltak in. + +"Lees dan het onderschrift," riep zij verontwaardigd uit; "daar staat +het in Latijnsche verzen te lezen: + + + '....De capitis fertur sine matre paterni + Vertice cum clypeo prosiluisse suo.'" + + +"Aardig, heel aardig," riep de oude Heer. "Ik houd veel van vrije +vertalingen. Jet, schrijf op; een aardig pendant voor die van den +koster te Antwerpen. (Jet begon haar gezigt al tot den gebruikelijken +vorm te plooijen.) Onder 't kruisbeeld stond daar iets van "_lapis +reprobatus_," dat de koster vertaalde: "_fait d'une seule pièce_." Zijn +de Heeren wel eens te Antwerpen geweest? Een mooie stad, maar niet +zooveel handel meer, als vroeger. + +"Daaraan heeft de revolutie van 1830 veel schuld," merkte Pols met +regt aan. + +De vrouw ging voort met blijken harer kundigheden te geven bij +de tempels van Apollo en Mercurius, de rots van Pan, de Romeinsche +ruïnes en bij de honderden beelden, waarmede de tuin opgevuld is. Zij +scheen maar half tevreden met het effect, dat al het fraais op het +gezelschap maakte. Zij kon het den ouden Heer niet vergeven, dat hij +door zijne uitweidingen gedurig de aandacht der overigen afleidde, +en zij scheen evenmin als de aanlegger van den lusthof te begrijpen, +dat de opeenhooping van zooveel kunststukken in zulk een klein bestek +een alleronaangenaamsten indruk maakt, en dat de poging, om natuur +en kunst smaakvol te vereenigen, hier jammerlijk mislukt is. + +Zoo kwamen zij aan de laatste en grootste der merkwaardigheden--de +moskee. Met eene vlugheid, die hare kennis in het Oostersch treffend +aan den dag bragt, las de vrouw de Duitsche vertaling, daar voor het +gemak onder de Arabische spreuken geschreven, en waarvan de oude Heer +de meest treffende aan Jet verzocht op te schrijven. Hij deelde bij +deze gelegenheid mede, dat hij overal zulke spreuken verzamelde, +dat hij een dolle liefhebber was van collecties, en dat hij reeds +drie deelen vol van wonderlijk aardige gedachten en twee dito van +dito dito beelden bijeen had. + +De moskee te Schwetzingen is, zoo als Tombleson, Schreiber, Osswald +en meer anderen zeggen, opmerkelijk schoon en doet een brillant +effect. Hunne uitspraak wordt bevestigd door die van Pols, die +haar allercharmantst keurde. Hij vond dat het uur, dat men aan het +bezigtigen van dit gebouw had zoek gemaakt, al te kort was, en verzocht +de andere vrienden, die al wel voldaan waren, een oogenblikje geduld, +daar hij de façade van den kant van den grooten vijver nog eens goed +wilde opnemen. + +"Neen maar waarlijk," riep hij uit, terwijl hij op het terrein tusschen +de moskee en het water een paar stappen achteruit ging, "ge moet mij +toestemmen, dat het uitmuntend mooi is."--"Kijk hier!" ging hij voort, +weêr een stapje achteruittredende: "die bouworde is weêr geheel anders +dan van onze kerken."--Hij verwijderde zich nog wat verder.--"Het +effect wordt hoe langer, hoe frappanter. Nog een weinigje verder, +dan... Help! Help!"--"_dan valt men in het water_," had hij zijne +phrase kunnen vervolgen, indien hij het niet gepaster gevonden had, +hier een kreet om hulp in het midden te brengen. + +"Help! help!"--Hij was al geholpen. De vijver was niet diep, en acht +handen werden hem tegelijk toegestoken. + +Daar stond nu de waardige Pols, druipende als een poedel, op den +kant. Donkerder gekleurd door het water, sloot hem zijn lichtblaauw +jasje om de leden; mistroostig hingen zijne haren langs zijn voorhoofd, +en waren even zoo veel waterleidingen, om het vocht langs zijn neus +en wangen tot de diepte te doen neêrdalen. Zwaar als lood hingen +hem zijne hooge schoenen aan de voeten, en lieten op iedere plaats, +waar zij stonden, hunne natte sporen na. + +"Vreemd, wonderlijk vreemd!" riep de oude Heer; "maar doe je jasje +uit. Daar, help eens, Jet!--daar doe dezen stofjas zoo lang maar +aan. Nat goed is heel ongezond. Ik heb ook eens in 't water gelegen, +te Carlsruhe; 't is een jaar of vijf geleden; 't was ook op een middag, +toen..." Jet glimlachte eerst, doch begreep daarna aan het trekken +van den ouden Heer, dat er aan een jas moest geholpen worden. + +Pols hoorde niets; hij gevoelde alleen dat hij door en door en nat +was; hij liet zich gewillig door Torteltak zijn jas uittrekken, +en stak machinaal zijne armen in den aangeboden mac-intosh. + +"Als je in 's Hemels naam maar geen koorts krijgt en dan gevaarlijk +ziek wordt," riep Holstaff, met angst zijn pols grijpende. + +"'t Is dan toch ook beroerd," zei De Morder, "om die moskee zoo digt +aan 't water te bouwen." + +"Had ik het maar vooruit geweten," zei Pols, eindelijk tot zichzelven +komende, "dan had ik nog een ander pak kleêren van Heidelberg kunnen +meêbrengen." + +Zoo verliet men den _Schlossgarten_; de oude Heer aan Jet +influisterende, dat zij dit geval moest opschrijven; Jet geen woord +verstaande, maar met veel beteekenis knikkende; Holstaff zijn natten +vriend ondersteunende; de anderen hem zwijgend volgende, en Pols +overdenkende waar hij het best drooge kleêren zou kunnen leenen, +en met het stellige voornemen, om dien avond, als hij te Heidelberg +zou zijn teruggekomen, zijn hart eens ter deeg aan kamillen en vlier +op te halen. + + + + + +HOOFDSTUK XII. + + Vermeldende hoe _Veervlug_ naar zijn pas zoekt, hoe hij zich + in zijne eenzaamheid tracht te amuseren, en hoe hij eerst te + Darmstadt plaisir krijgt. + + +Terwijl zijne vrienden aldus veelsoortige genoegens smaakten, was +Veervlug genoodzaakt voor de tweede maal de beroemde _Bergstrasse_ te +aanschouwen, die reeds de eerste maal zoo weinig aan zijne verwachting +had beantwoord. Hij troostte zich wel met het denkbeeld, dat hij +spoedig het papier kon terugvinden, en vervrolijkte zich door nu en +dan een calembourg op zijn eigen toestand voort te brengen, en phrases +met _niet van pas_ en _zonder pas_ en _ongepast_ te construëren; +maar toch, wij moeten het toestemmen, zijn tour was onaangenaam, +en de togt wat zwaar op een plaisirreis. + +Zoo arriveerde hij te Weinheim. "Al terug?" riep de _Kellner_ hem toe, +die hem 's morgens bediend had. "Gij kunt naauwelijks te Heidelberg +geweest zijn; maar nu ik u toch hier zie, kan ik u iets teruggeven, +dat een uwer dezen morgen hier heeft laten liggen." + +Verrukt staart Veervlug den _Kellner_ aan. "Dat is al te gelukkig," +zegt hij in zichzelven; maar hij had er berouw van, toen hij den +knecht uit de kast zag te voorschijn brengen--een roodgeruiten +katoenen zakdoek, gemerkt J P W 6, dien hij terstond herkende, als +tot de reis-zakdoeken van zijnen vriend Pols behoorende. + +Teleurgesteld stapte hij weêr in 't rijtuig en reed verder. Nu had +hij een langen tour te maken tot Heppenheim. Hij had niemand om meê te +praten, want de koetsier was niet spraakzaam; hij had weinig om op te +kijken, want de landstreek beviel hem niet. Hij moest zich dus, zoo +hij zich occuperen wilde, alleen met zichzelven bezig houden. Nu mag +zoodanige occupatie voor sommige menschen veel aangenaams opleveren +en voor iedereen misschien heel nuttig zijn, het was Veervlug vreemd +om zich in zichzelven te verdiepen. En toch, nu hij zich zoo geheel +alleen bevond, kwamen hem als van zelve vele _scènes_ uit zijn vroeger +leven voor den geest. Hij verplaatste zich in den tijd, waarin hij voor +het eerst het ouderlijk huis verliet, en als groen te Leyden uit de +schuit stapte; toen hij aan de zijde van zijn vriend Polsbroekerwoud, +op wiens bescherming hij trotsch was, de eerste collegiekamer betrad; +toen iedereen met belangstelling naar zijn naam informeerde, en zoo +vele vereerende epitheta, meestal van luchtverschijnselen ontleend, +op hem werden toegepast; nog eens zag hij voor zijn geest het heir +van vuile gezigten, oude jassen, dikke stokken en lange pijpen, die +'s morgens, bij het sluiten van het eerste collegie op de Akademie, +de zoogenaamde Ellendelingen afwachtten.--Van deze akelige tooneelen +werden zijne gedachten op eenmaal afgeleid, en hij zag zich verplaatst +in dien gelukkigen tijd, toen het magtige collegium hem uit louter +goedgunstigheid als student had aangenomen, en toen het hem op eens +vergund werd een pet te dragen, op sloffen te loopen en een hond te +houden. O dagen van weelde en genot! Hoe heerlijk kwam hij zichzelven +voor in den blaauwen jas met koperen knoopen en overdadig vele zakken; +hoe verschrikkelijk moest hij den Leydenaren schijnen, als hij 's +avonds met luider stemme langs 's heeren straten zong en zelfs de +nachtwacht overschreeuwde; hoe groot en in aanzien aan zijne hospita, +als hij soms twaalf heeren te gelijk bij zich op thee zag. + +Maar de tijd was ook gekomen, dat hij al die jonge studentenstreken +dwaasheid noemde. Hij was zelf oud student geworden, hij was zelf +senator geweest; nog meer eereposten waren hem opgedragen, en hij +had ze met een ijver vervuld, eene betere zaak waardig. Hij was, door +iederen middag in _de Paauw_ te komen, en door bijna elken avond drie +gulden in de societeit te verteren, en door habitué te zijn op alle +senaats- en promotiepartijen, een voorwerp van bewondering geworden +voor alle kasteleins; geen stalhouder, die hem niet hoogachtte, want +hij reed dikwijls met vier paarden; en geen der knechts, die dubbele +fooijen van hem ontvingen, kende een beteren Heer dan Veervlug. + +Maar gelukkig voor den jongeling, deze herinneringen waren niet +de eenigen, die zich aan hem voordeden. De laatste jaren van zijn +Akademietijd schenen zijne kennissen die van dwaze afzondering +geweest te zijn; anders dachten er zijne intime vrienden over. Hij was +verzadigd van nachtpartijen en vierspannen, van feesten, waar de wijn +alleen den toon geeft, en van uitspanningen, waarbij een paardenmenner +het meest heeft in te brengen. Hij was nu maar gelukkig onopgemerkt te +kunnen voortleven, en binnen de muren van zijne kamer en die zijner +ware vrienden verzamelde hij zich _souvenirs_, die ook heden menigen +glimlach van genoegen op zijn gelaat deden te voorschijn komen. Reeds +twee jaren waren er voorbijgegaan, sedert hij den kring verliet, +waarin hij zooveel gesmaakt had. Hij was als getituleerd persoon in de +maatschappij teruggekomen, en het was niet zijne schuld, dat men zoo +weinig notitie nam van zijne Doctorale Bul. En toch, reeds eenmaal +had hij een ter dood veroordeelde gered; hij had een grijsaard van +den strop bevrijd; en het was hem eene streelende gewaarwording, dat +de begenadigde, met een brandmerk en de litteekenen van eene gestrenge +geeseling op den rug, nu nog gedurende zijne twintigjarige opsluiting +de welsprekendheid van zijn ervaren pleitbezorger zou zegenen. + +Maar welk een beeld vertoont zich daar op eens aan zijn gezigt? Door +welk een stroom van herinneringen wordt hij overstort?--Het is +het beeld van haar, die eens geheel zijn hart bezat; het zijn de +herinneringen aan zijne eerste liefde: hoe hij haar bij den terugkeer +der Leydsche jagers voor het eerst 's morgens in de kerk waar hun het +eermetaal werd uitgereikt, en 's avonds in de komedie had gezien; +hoe hij niet gerust had, voordat hem de toegang tot hare woning +vrij stond, hoe hij drie jaren dol van verliefdheid geweest was, +en altijd het voorwerp zijner min fixeerde; en hoe hij, door uren +lang sprakeloos aan hare zijde te zitten, hare liefde had trachten te +winnen; hoe hij, die overal elders levendig, vrolijk en spraakzaam +was, altijd vreesde iets geks te zullen zeggen, als hij maar in +'t gezelschap van zijn meisje was, en daarom als een gek zweeg; hoe +hij evenwel om harentwil menigen slapeloozen nacht had doorgebragt: +hoe hij haar menige dienst had trachten te bewijzen en menig genoegen +verschaft, maar altijd zoo geheim, dat zij nooit iets daarvan merkte; +en hoe hij door al dit handelen en niet handelen menig gek figuur +mogt maken, en het genoegen kon hebben op te merken, dat velen hem +als een mijmerend en vervelend mensch considereerden. Maar hij was +toch niet altijd werkeloos toeschouwer geweest; hij had immers het +genoegen gehad haar, en die nu haar echtgenoot was, thee te brengen, +terwijl zij op eene buitenplaats in een prieel naar de liefdeverklaring +van den uitverkoren minnaar luisterde; hij had onder de eersten mogen +zijn, die haar met haar engagement konden feliciteren, en waren er +geene omstandigheden tusschenbeiden gekomen, dan zou hij ook nog een +vers op hare bruiloft hebben mogen debiteren. + +En nu,--daar waren jaren verloopen na deze gelukkige _scènes_, die +weêr in haar volle klaarheid voor zijn geest stonden. De smart over +deze eerste teleurstelling was voorbijgegaan. De meeste eerste liefdes +schijnen er trouwens op gemaakt om te mislukken; maar hoe was het nu op +dit oogenblik met zijn hart gesteld? Hij had nog vele meisjes ontmoet, +vele lieve meisjes leeren kennen; maar hij stond verstomd over de +imperturbable kalmte, die in zijne ziel bleef heerschen. Hij was dan +nu ook wijs geworden; althans hij verbeeldde het te zijn. Hij zou nu +geene onberaden coupen meer beginnen. Wij hopen voor hem, dat hij niet +in de gelegenheid zal gesteld worden, om ze te begaan. Maar toen hij +nu zichzelven ernstig afvroeg, of er dan niet één meisje mogt wezen, +dat hij boven anderen stelde, toen kwam een oogenblik Torteltak's +zuster hem voor den geest; maar neen, wat zou dat zijn? Zoo'n mooi +meisje, en hij al zoo oud! En hij was altijd zoo vrolijk met haar +geweest!--neen, dat kon niet wezen! Had zijn eerste liefdesgeval hem +misschien al niet wijs gemaakt, de uitkomst had hem geen zelfvertrouwen +en gevoel van onweêrstaanbaarheid ingeboezemd. + +Terwijl dit een en ander in Veervlug's ziel opkwam, was de zomerzon +druk bezig zijn aangezigt te roosteren, en zou men het aan zijne +bepoederde kleederen niet gezegd hebben, dat de straatweg nog gisteren +zoo overmatig bevochtigd was. Maar de jongeling merkte van dit alles +niets, en zoo niet de toren van Heppenheim hem had herinnerd, dat hij +daar eene commissie te verrigten had, hij zou nog heel wat avontuurtjes +hebben kunnen overpeinzen, eer hij aan den gelukkigen morgenstond kwam, +waarop hij bemerkte dat hij zijn pas verloren had. + +Voor het logement hield de calêche stil. Een deftig kastelein stond +zich reeds te voren in buigingen uit te sloven voor den rijken +reiziger, die zoo alleen per post reed. Het "_Gnädiger Herr Baron_" +vloeide reeds liefelijk van des _Gastgebers_ lippen, terwijl hij het +portier open maakte; maar toen Veervlug hem verzocht, in die manoeuvre +niet voort te gaan, maar hem liever informatiën te geven omtrent +den postiljon, die hem heden nacht gereden had en die misschien een +Hollandsch papier gevonden had, wendde zich de kastelein ontevreden +af, draaide hem den rug toe, als wilde hij daardoor de vruchtelooze +buigingen uitwisschen, en een _Kellner_ roepende, zei hij op een +barschen toon: "Johann! brengt hem bij den stalknecht." + +De stalknecht riep den postiljon, en de postiljon zei, dat hij van +niets wist; en toen nu Veervlug den stalknecht een fooitje voor het +roepen van den postiljon, en dezen een dito voor het _neen_ zeggen +had mogen geven, had hij permissie zijnen weg te vervolgen. + +Wederom teleurgesteld, besloot onze vriend zijn gepeins eens door +het in oogenschouw nemen der landstreek af te wisselen, en na dus +eene pijp gestopt te hebben, begon hij links en regts te kijken. Op +eens ziet hij, tegen de hoogte op, iets wits glinsteren. Naderbij +komende, bemerkt hij duidelijk dat het een papier is. "Halt!" roept +hij den koetsier toe, en op hetzelfde oogenblik springt hij uit +het rijtuig. "Ja wel," zegt hij in zichzelven, "ik ben er nog uit +geweest, toen van nacht die eene streng brak; maar ik dacht dat het +digter bij Darmstadt was. Nu, ik kan mij vergissen." En daar was het +hem, als zag hij het koninklijke wapen reeds door het dunne papier +schijnen. Verrukt grijpt hij het aan... O jammer! het gelijkt naar +alles, behalve naar een Hollandschen pas. Mismoedig werp hij het weêr +weg,--maar neen! Hij wil het toch meênemen. "Ik moet toch eens zien, +wat het waagde mij zoo te duperen," riep hij uit, terwijl hij weêr +in het rijtuig klom. Hij ontvouwde het papier, en las het volgende: + + + ...."Toen sprak de oude man tot hem: "Mijn zoon! wees sterk, + en denk maar dat de menschen u niet altijd kwaad zullen kunnen + doen. Neem mijnen zegen met u op reis." + + "Toen knielde de jongeling neêr, en twee groote tranen rolden + den vader over de wangen, terwijl hij zijne oogen ten hemel + sloeg. + + "Maar toen de zoon, door den vaderzegen gesterkt, opstond + en zich wilde verwijderen, kwam Lisette te voorschijn, met + bleeke wangen en roode oogen. En toch, die roodgeweende oogen + vermogten meer dan hare stem, want zij drukten wanhopige + smart uit; haar mond kon niets meer uitdrukken. Vast klemde + zij zich om den hals haars minnaars. + + "'Lisette!' gilde de jongeling in vertwijfeling. + + "Lisette sloot ook hare oogen: het marmerbleek van hare + wangen verbleekte nog meer; zij schenen nu door de kleur des + doods overtogen. + + "'O Hemel, wees haar en hem genadig!' riep de oude man. + + "Karel drukte zijne bruid aan het hart en bedekte haar + voorhoofd met brandende kussen, en tranen rolden uit zijne + oogen. Hij was nog gelukkig; want hij had nog tranen. Het + meisje bleef roerloos. + + "'Lisette!' riep hij nog eens, met zooveel teederheid en + kracht, dat zijne stem bijna een doode in het leven zou + hebben teruggeroepen. + + "Het meisje opende nog eenmaal de oogen, om te zien--dat + haar bruidegom door de gendarmes van hare zijde werd + weggesleept. Toen viel zij aan de voeten van den ouden man. + + "Dien avond zat de grijsaard voor het bed der halfdoode en het + viel hem moeijelijk, voor zijne vijanden te bidden. Maar toch, + hij deed het. + + "Zou de zegen des gebeds op hem of op hen zijn neêrgedaald?-- + + + + "Karel kwam in het leger van den overweldiger aan, en kreeg + wapenen om te strijden tegen hen, die de heilige zaak des + Vaderlands verdedigen. En hij moest den spot zijner kameraden + verduren; want de gendarmes hadden hun verteld, dat hij zijn + liefje aan een oud man had moeten overlaten. + + "Zij hadden den blik des grijsaards niet gezien, en de kleur + des doods, die de bruid overdekte, niet opgemerkt. Anders + zouden zij gezwegen hebben; want menschen zijn toch geen + verscheurende dieren. + + "En het leger trok op en legde vermoeijende dagmarschen + af. Uitgeput door afmatting, sliep de jongeling op het bivouac + in, en droomde een zoeten droom van zijne geliefden. Maar + zijn vader en zijne bruid sliepen niet, en zij waren met + kommervolle gedachten omtrent hunnen Karel vervuld. + + "De dag des gevechts brak aan. Karel stond in de rijen der + aanvallenden. Het geschut borst los; de storm begon. De + jongeling vocht met leeuwenmoed en behaalde zich lauweren, + en na den slag dronk hij volle bekers op het oorlogsgeluk van + den overweldiger; en hij zag het, dat hunne gevangenen van + spijt weenden. En die gevangenen waren zijne landgenooten, + zijne broeders. + + "Toen zijne bruid van dit eerste gevecht hoorde, hoopte zij, + dat Karel toch maar mogt leven; en de oude man hoopte, dat + zijn zoon dan voor zijn behoud mogt danken. + + "De jongeling streed nog menigen strijd en behaalde nog + menigen lauwer; de epauletten versierden zijne schouders en + het kruis van eer zijne borst; maar de vrijheid van zijn + Vaderland ging te gronde. En toen de laatste overwinning + behaald was, zat Karel met zijne krijgsmakkers, om den haard, + en de bekers werden omhoog geligt, en in vrolijke liedjes + werd er aan de vaderlandsche meisjes gedacht, en men vergat, + dat het Vaderland een wingewest was geworden. Men wijdde eenen + dronk aan de vreugde des wederziens, en de jongeling vergat, + dat hij een medaillon als trophée met zich voerde, hetwelk + hij eenen officier, door zijne hand gesneuveld, ontnomen had. + + "Terwijl knielden zijn vader en Lisette neder, om voor Karel + te bidden. + + "Hij trok met het zegevierende leger zijne geboorteplaats + binnen, en wierp zich in de armen van zijnen vader en van + zijne bruid. + + "En toen nu de oude man zijne oogen naar boven sloeg, vroeg + hij hem, wat hem deerde en waarom hij nu nog treurde. Ach! hij + begreep zijn vromen vader niet meer; hij had er nooit aan + gedacht, om in voorspoed een oog ten hemel te wenden. + + "En daar hij zijne vrienden en landgenooten opmerkzaam maakte + op de schoone houding der overwinnende troepen, werd hij boos + omdat zij zuchtten, in plaats van in zijne opgewondenheid + te deelen. + + "En hij nam het zijne bruid kwalijk, dat zij er nog altijd + doodsbleek uitzag, en niet met hem van vreugde schaterde. Hij + vergat, dat angst over hem haar zoo veranderd had, en dat + vreugde zich somtijds anders uitdrukt dan in uitbundig gejuich. + + "'Waart gij nog eene bruid als deze!' riep hij uit, terwijl hij + het medaillon te voorschijn bragt: "die smartelijke glimlach + zou u voegen." En hij wierp haar het vrouweportret toe. + + "'O mijn God!' riep zij uit: 'hoe komt dit in uwe handen?' + + "'Ik vond het op het hart van een, dien mijn degen doodelijk + trof.' + + "'Dan hebt gij mijn broeder vermoord, ongelukkige!' riep zij + in hevige smart. + + "De oude man sidderde en hield beide handen voor zijne oogen. + + "'Het was de krijgskans,' zeide hij koeltjes;--'maar men zal + mij wachten op de parade.' + + + + "'Hoe was de bruid?' vroeg hem een zijner vrienden: 'zeker + wonder in haar schik?' + + "'Zij schijnt wat ziekelijk en aandoenlijk te zijn,' + antwoordde hij. + + "'Morgen marscheren wij naar de hoofdstad,' kondigde de + kommandant aan. + + "'Bravo!' riepen al de officieren, en ook Karel riep: "bravo!" + + + + "Twee jaren later werd het leger van den overweldiger + geslagen. Karel had reeds vroeger zijn ontslag gevraagd, + en keerde naar zijne geboorteplaats terug. Hij was nu een + geheel ander mensch, dan toen hij met de zegevierende troepen + binnenrukte. Hij had weêr teleurstellingen ondervonden, en wat + hem vroeger grootheid scheen, was het hem nu niet meer. Hij + keerde naar zijn ouden vader terug; helaas! alleen naar + zijn vader. Lisette's ziel had haar bleeke hulsel afgelegd, + en daarmede tevens de smart, die haar doorgriefde. Deze slag + had de verwildering van den jongeling doen ophouden. + + "'Vader!' riep hij, toen hij de eenzame woning weêr binnentrad: + 'de Hemel heeft mij veel, te veel ontnomen!' + + "'Maar heeft hij u niet meer, veel meer teruggegeven? Wees + welkom, mijn zoon! mijn geliefde zoon!' + + "En 's avonds knielden beiden bij Lisette's graf, en zij + weenden." + + +"Moet Uwe Genade ook niet te Bickenbach wezen?" vroeg de koetsier, +terwijl Veervlug het gevonden manuscript, dat vrij slecht geschreven +was, nog ontcijferde. + +"Ja, maar niet lang," zei de ander. + +"Dat is wel jammer," zei de voerman, die nu voor 't eerst spraakzaam +werd; "ik zou Uwe Genade anders een drift ossen hebben laten zien, +zoo mooi als ze in 't laagland durven denken. En dan had ik meteen +mijn nichtje nog eens opgezocht, waar ik meê aan 't verkeeren ben." + +"Je kunt je nichtje toch wel eens gaan zien, mits je gaauw terugkomt; +maar ik zal de ossen maar daarlaten." + +"Uwe Genade is wel goed," zei de koetsier; "maar 't is anders een +mooi gezigt, en Uwe Genade heeft dan ook niets voor de moeite van +'t wachten." + +Veervlug bepaalde zich echter tot het nemen van informatiën, +maar ook hier vruchteloos; hij moest zich dus vergenoegen met in +de oogenblikken, die de voerman bij zijn liefje doorbragt, tot de +wetenschap te geraken, dat des Bickenbacher landwijns zuurheid met +zijne flaauwheid wedijvert. + +"Als ik hem nu hier niet vind, dan rijd ik in vredes naam maar in +eens door naar de Hollandsche Ambassade te Frankfort, om een nieuwen," +zei hij in zichzelven, toen hij te Darmstadt aankwam. + +"_Kellner_, geef spoedig wat eten, terwijl de koetsier van paarden +verwisselt; maar eerst nog--heb ik hier ook gisteren avond een +Hollandschen reispas laten liggen?" + +"Neen, Mijnheer! maar ik wil wel eens informeren." + +"Heb ik het plaisir Mijnheer Veervlug te zien," sprak een jong mensch, +die digt bij een raam een nieuwspapier doorbladerde. + +"Veervlug--o ja, Mijnheer!" zei de ander verwonderd. + +"Mag ik u dan dit papier uit naam van den Secretaris van Legatie te +Frankfort geven?" + +"Hoe?" riep Veervlug, daar hij zoo op eens en zoo onverwacht het +voorwerp van zijne nasporingen in handen hield. "Hoe, mijn pas? Maar +ik zou haast vragen, Mijnheer! waaraan ik het geluk te danken heb, +die hier en van u te ontvangen?" + +"De zaak is gemakkelijk te expliceren; men verzocht mij, daar ook +ik mijne papieren liet nazien, dit stuk, dat van een der Heeren was +achtergebleven, meê te nemen, daar men wist, dat gij naar Heidelberg +vertrokken waart." + +Nu ontstond er van den eenen kant een stroom van dankbetuigingen, +en van den anderen kant een dijk van afweringen: nu streed men +een strijd van liefheid en welwillendheid, waarvan bijna de uitslag +geweest zou zijn, dat de overbrenger van het papier dank verschuldigd +was aan Veervlug. Gelukkig moest de laatste spoedig aan het eten, en +daar de eerste plan had om dien avond per diligence naar Heidelberg +te vertrekken, nam hij zonder veel complimenten de uitnoodiging des +jongeling aan, om van de calêche-gelegenheid te profiteren. + +Een weinig later was Veervlug met zijn nieuwen vriend op reis. + + + + + +HOOFDSTUK XIII. + + De nieuwe vriend van _Veervlug_ komt op het tooneel, en legt veel + Duitsche plaatsen- en Fransche menschenkennis aan den dag. + + +Vroeg opstaan, wat genot! Welk een voorregt, om vóór dag en dauw +gelaarsd en gespoord te mogen staan! Hoe groot een geluk, zijne +bedgordijnen open te schuiven, voordat nog de vale gordijn des nachts +is opgeligt! Hoe interessant, om getuige te zijn, dat maan en sterren +voor eenige uren met verlof aftrekken! Welk een triomf, om Phebus +met zijn stralenkrans tot den luilak van de partij te maken!--Vroeg +opstaan! Stedelingen, luije stedelingen! beseft gij wat het zegt? Ten +zij gij tot de bevoorregten behoort, aan wie het gewigtige ambt van +porder is opgedragen; ten zij gij onder de gelukkigen zijt, die de +zoete wei uitventen, of wie het vochtige deeg wacht, om tot heete +bollen gepromoveerd te worden; ten zij gij geroepen zijt, om van +de hoogte eens torens den morgenstond met muziek te begroeten, of +men in u vertrouwen genoeg stelde, om voor de deur eens Kommandants +of op den wal eener vesting, in het stille en koele uur, in volle +wapenrusting heen en weêr te wandelen; ten zij gij tot deze of +dergelijke gelukkigen behoort, is het u ontzegd het eerste gekraai +des haans te hooren, waarmeê hij de odalisques uit zijn harem tot +eene morgenwandeling uitnoodigt.--Vroeg opstaan! Beseft gij het zelfs, +landbewoners, meermalen ook in dit opzigt ten koste van den stedeling +geroemd en gelukkig gesproken, maar o zoo dikwijls ten onregte! Ik +weet wel, Heeren van buitenplaatsen, dat zij, die uwe paden moeten +gladschoffelen en uwe wandelingen opharken, de koele ochtendlucht +mogen inademen; ik geloof het van uwe kameniers en keukenprinsessen, +die aan die tuinlieden het warme mokkavocht aanbieden, dat zij mede +van den vochtigen mist des morgens genieten; maar gij, smaakt gij deze +zaligheden? Ik vraag het u ten aanhooren uwer peluw en veêrenbedden, +vlijt gij u in den zomermorgen op het bedauwde mostapijt of in uw +kamperfoelieprieel onder den drop der twijgen neder?--Helaas! ook +gij ontzegt u dat genot; aan u, wien de zwaan haar dons afstaat, +onttrekt de kikvorsch zijn morgengekwaak; gij, die blijkens uwe +spreijen en dekens alleen den zijdeworm protegeert, zult niet door +den aardworm worden verwelkomd, wanneer hij bij het eerste licht zijn +kop uit de vette aarde uwer bloembedden omhoogsteekt; voor u geen +gonzen der muggen, die hunne vlerkjes uitspreiden in de stralen der +ochtendzon en hunne bloedrijke ligchamen door hare nog matige warmte +zachtjes laten koesteren; voor u geen gebrom van paardenvliegen, +daar zij naar de weide trekken, om uwe fiere genetten te teisteren, +en u uit hun vliegenhart grondigen dank toebrengen, dat zij, door uwe +zucht tot kortwieken, geen redoutabele staarten te vreezen hebben; uw +oog mag de eerste werkzaamheden niet aanschouwen der nijvere mieren, +die, even als de Amsterdamsche kruijers, altijd met een pakje onder +den arm loopen; en zelfs de rups kiest, in plaats van uw aangezigt, +den harden grond, waarop zij nog dommelend van slaap van een boomblad +nedervalt.--Neen, buitenlieden! evenmin als den stadbewoners, zijn +u de schatkameren van genot geopend, die de morgenstond ontsluit; +niet u, maar alleen den reiziger, den reiziger voor plaisir, is het +vergund te staan klappertanden en beven, als de maan haar flaauwe +schijnsel aan den aardbol onttrekt, en de zon haren gloed nog in de +wateren des oceaans bluscht. Terwijl Aeolus zijnen minst gedruisch +makenden, maar vinnigst aanvallenden Satelliet loslaat, die de wangen +van den morgenstondgenieter verbleekt, zijt gij nog in donzen boeijen +gekluisterd, en getuigen het uwe wangen, dat gij bloost over de banden, +waarin Morpheus u verstrikt houdt. En als gij dan uit uwe slaapkamer +de ontbijtzaal binnentreedt, hoe onaangenaam moet u dan het gezang +van het bijna overkokende water in de ooren klinken, terwijl het +den reiziger vergund is, kwartieren ja halfuren te wachten, eer zijn +theewater begint te razen. Vroeg opstaan! vroeg opstaan! wie gevoelt +ooit uwe genoegens dan de reiziger, de reiziger voor plaisir! + +En met dat al, het was laat, zeer laat, toen in het _Hôtel de +Hollande_ Polsbroekerwoud en zijne vrienden in de gezelschapszaal +bijeenkwamen. De vermoeijenissen van den vorigen dag waren voor +allen zwaar geweest, en op een nacht gevolgd, meer geschikt om de +oude krachten uit te putten, dan om nieuwe te doen ontstaan. Maar +toen zij dan ook nu ten negen ure hunne slaapkamers verlieten, kon +men het hun allen aanzien, dat zij zoo veel van de verkwikking der +rust gejouisseerd hadden, als hun maar te genieten was aangeboden. + +Nu sloot ook Veervlug zich weêr bij zijn gezelschap aan, en stelde +terstond met groote opgewondenheid zijn nieuwen bekende aan zijne +oude vrienden voor. + +De persoon nu in questie, uit Darmstadt aangevoerd, was de Heer +Van Aartheim, een jongmensch van omtrent vijfentwintig jaren. Hij +had een heel gunstig voorkomen en eene fiksche houding, zonder dat +evenwel de natuur, hem voortbrengende, gezegd kon worden, hem met +angstige naauwkeurigheid naar 't model van den Apollo van Belvedére +te hebben gevormd. Maar toch, wij zouden, indien wij zijn persoon +wilden beschrijven, kunnen spreken van donkere lokken, hooggewelfde +voorhoofden, deftige neuzen, geestige uitdrukkingen om den mond; maar +vooral van oogen, wier blik zoo doordringend was, dat zij zoo maar door +alles heen in het hart schenen te zien; wij zouden kunnen spreken van +ranke leesten en fijne handen, van bevallige manier om zich voor te +doen, en nog veel meer; maar wij laten dit nu daar. Pols vond, dat hij +wel herinnerde aan het portret van den Heer Pieter Pieterszoon Hein, +die hij uit Wagenaar's elfde deel kende; maar wij zouden misschien +met even veel regt kunnen beweren, dat hij, als de eene droppel water +op den anderen, op den Therese uit _the Byron Beauties_ geleek.--Hoe +dit zij, het is hier genoeg, als wij vermelden, dat hij door zijne +wijze van omgaan aan de vrienden aanvankelijk zeer goed beviel, en dat +hij zich naar verschillende menschen en verschillende omstandigheden +zeer goed scheen te kunnen schikken, daar hij te gelijk, als het ware +onwillekeurig, op de eersten een heilzamen invloed uitoefende en van +de laatsten de beste partij trok. Hij gebruikte de menschenkennis, +die hij zich reeds vroeg vergaard had, meer om anderen nuttig te zijn, +dan om hen te grieven en te beschamen, en scheen met de verkeerdheden, +die hij bij zijne natuurgenooten opmerkte, door onpartijdige toepassing +op zichzelven, zijn voordeel te doen; iets, dat ook het geval moest +zijn met de smarten en teleurstellingen, die zijn deel waren geweest, +en die hem misschien wel illusies hadden ontnomen, maar niet met +bitterheid en wrevel hadden vervuld. + +Hij scheen tamelijk bemiddeld te zijn en alleen voor uitspanning te +reizen; op dringend verzoek der vrienden, besloot hij hen eenigen tijd +te vergezellen, daar ook hij den kant van Zwitserland heen wilde. Hij +bedong zich evenwel de vrijheid, om hen, als het hem goeddacht, +te verlaten, daar er misschien omstandigheden zouden kunnen zijn, +die hem noopten, terstond naar Holland terug te keeren. De vrienden +namen in deze conditiën genoegen. + +Men besloot den dag door te brengen met de omstreken van Heidelberg +te bezoeken en de merkwaardige ruïnes van het slot in oogenschouw te +nemen. Van Aartheim, die reeds vroeger meermalen deze streken bezocht +had, kon hen hierin van veel dienst zijn, en zij vertrouwden zich +dus geheel aan zijn geleide toe. + +De _Koningsstuhl_ is de hoogste berg van de keten, die zich achter en +ten oosten van Heidelberg uitstrekt. Men kan, om dien te beklimmen, +den loop der Necker volgen tot Neckargemund, en van daar langs den +grooten weg, zelfs in een rijtuig, den top des bergs bereiken. Maar +indien men de fatigues der wandeling kan verdragen, is de weg, die +Van Aartheim de vrienden deed gaan, te verkiezen. Hij voerde hen naar +de hoogte langs een smal voetpad, aan de linkerzijde bepaald door +zwaar geboomte, dat, aan de helling groeiende, de kruinen boog naar de +diepte, waar zich de Necker om den berg kronkelde. Aan de regterzijde +verhieven zich donkere rotsen, die het voetpad beschaduwden en een +weinig verder de achtermuren uitmaakten der landelijke hutten van +Schlierbach. Hoe verder zij gingen, hoe hooger de rotsen werden, +en hoe woester aanzigt de landstreek kreeg, totdat zij op eenmaal +een zijpad insloegen, waar de steenklompen schenen vaneengescheurd, +en een liefelijk en vruchtbaar dal voor hunne voeten lag uitgespreid. + +Het zou moeielijk zijn, de verrukking der vrienden te schetsen, +die allen door dit onverwachte en schilderachtige tooneel getroffen +waren. De meest verrukten maakten terstond van de woordekens _heerlijk_ +en _hemelsch_ gebruik; de opgewondensten aanschouwden het in stomme +verbazing. Zij konden naauwelijks besluiten het standpunt te verlaten, +van waar zij het geheele dal, rondom door hooge rotsen omsloten, +konden overzien; en toch, zij daalden neder en wandelden op de groene +grasvelden, met geurige en zacht gekleurde bloemen bezaaid, en door +heldere stroomen, die in het gebergte ontspringen, doorsneden. Zij +vlijden zich op den bemosten grond neder, onder de schaduw van het +nog jeugdige geboomte, en gaven zich een geruimen tijd aan zoete +mijmeringen over. + +"'t Is jammer, dat hier nergens een logementje is," zei eindelijk +Pols, het lange zwijgen moede; "'t zou hier anders eene charmante +gelegenheid zijn om in de open lucht het _diner_ te gebruiken. En in +allen gevalle, het zou, dunkt mij, heel veel wandelaars lokken." + +"Maar ook zonder dat," zei Van Aartheim, "is deze plaats zeer +gezocht. Het was van ouds de meest geliefde wandeling der Paltzgraven +en keurvorsten; en vooral voordat de Oeconomische Directie hier het +hooge geboomte, dat het dal omgaf, had doen omverhakken en verkoopen." + +"Dat was een beroerde streek van die Oeconomische Directie," gromde +De Morder. + +"Toen," vervolgde Van Aartheim, "ging hier menig lijdende in +eenzaamheid om, en vond in de schoone natuur dikwijls balsem voor +zijne smarte (Holstaff zuchtte), maar zag men ook menig verliefd paar +zóó door den invloed der schoone natuur betooverd, dat zij de geheele +wereld buiten elkander vergaten." + +"Zoodat," glimlachte Torteltak, + + + "Indien dit bosje klappen kon, + Wat melde 't al vrijaadje?" + + +"'t Is ook zelfs door de Duitsche romandichters met vrucht tot +dergelijke _scènes_ gebruikt," zei Van Aartheim. "Mijnheer Holstaff +zal misschien de geschiedenis van Clairant en Clare du Plessis wel +kennen. Lafontaine laat hier heel wat met hen voorvallen." + +"Zoo?" vroeg Holstaff: "is dat hier? Hoe heet deze plaats dan?" + +"De _Wolfsbrunnen_," zei de ander. + +"Een weinig poëtische naam voor zulk een hemelsch oord," viel +Veervlug in. + +"En aan den anderen kant misschien weêr wel," zei Van Aartheim. "De +overlevering verhaalt ten minste, dat, toen de tooveres Jetta, die +op den berg woonde, waar later het slot gebouwd werd, eens van hare +hoogte afdwaalde en op deze plaats kwam, terwijl zij den gloed harer +lippen in helderen vloed wilde verkoelen, door eene wolvin en hare +jongen werd verscheurd. Ik hoop dat deze mededeeling u een weinig +met den naam zal verzoenen." + +Na nog een weinig toevens zette men den togt naar den top des +_Kaiserstuhls_ voort, en had gelegenheid op te merken, dat daar het +uitzigt ruimer, maar op den minder hoogen _Geissberg_ aangenamer is; +en toen men van daar langs den grooten weg naar den _Jettebühel_ +wandelde, om de _Schlossruïnen_ te gaan bezoeken, merkten niet alleen +Pols, maar ook de andere vrienden met genoegen op, dat niet ver van +daar gelegenheid was, om weêr eens op een houten stoel te zitten en +iets anders dan bronwater te drinken. + +Ons gezelschap scheen in dit soort van _Wirthshaus_ volstrekt de +aandacht niet te trekken van een menigte Heidelbergsche studenten, +die bezig waren, zich in verschillende groepen onder 't gebruik van +dunnen landwijn of dik bier te vervrolijken, maar wel die van drie +Fransche reizigers, uit twee heeren en eene dame bestaande. De heeren +schenen jong en waren beiden met weinig hoofdhaar versierd, maar met +formidabele zwarte knevels gewapend. De dame was zeer rijk gekleed, +en had misschien zelfs geene kosten gespaard aan een heel lief blosje, +dat door hitte noch koude, door schrik nog vreugde werd veranderd, +maar imperturbabel op hare wangen bleef wonen. Zij scheen niet meer +heel jong te zijn, maar kon toch nog lang niet voor oud doorgaan; +iets wat zij ook geenszins scheen te ambiëren. De schoonheid, die zij +misschien vroeger bezeten had, was haar een weinig ontrouw geworden; +maar levendigheid en gratie hadden haar nog niet verlaten. Naauwelijks +hadden deze drie ons gezelschap in het oog gekregen, of hunne blikken +begonnen hen te vervolgen en rustten voornamelijk op Pols; iets, +waarover de goede man tamelijk confuus werd, vooral toen hij de dame +tot een der heeren hoorde zeggen: "_C'est lui_." Hij begreep van het +geheele geval volstrekt niets; want hoe hij zijn onschuldig geheugen +martelde, hij herinnerde zich niet, ooit een dezer personen te voren +gezien te hebben. Maar hierbij bleef het niet; weldra naderde een der +heeren het gezelschap, en stortte een vloed van woorden over hen uit, +waarin hij te kennen gaf, dat Heidelberg lief gelegen was, en de zomer +een goed saizoen was om te reizen. Pols mengde zich eerst weinig in het +gesprek; maar toen zij na eenigen tijd die plaats verlieten, om naar +het slot te wandelen, en het Fransche gezelschap juist gelijktijdig +tot hetzelfde doel opstond, wilde het toeval, dat de dame aan zijne +zijde den togt begon. Hij rekende het nu zijn pligt, om het een +of ander te zeggen, en in de conversatie, die volgde, gebruikte +hij al de gezelschapsphrases, welke hij zich uit Pierre Marin kon +herinneren. De goede dame scheen met deze pogingen tevreden, althans +zij vergde hem niet, haar veel antwoord te geven, daar zij het discours +zoodanig inrigtte, dat Pols met een hoofdknikken of een _vraiment!_ +kon volstaan. Hare conversatie scheen niet van aantrekkelijkheid +ontbloot, althans het gelaat van onzen vriend werd hoe langer hoe +vergenoegder; en toen zij, daar de weg iets steiler werd, zijnen arm +greep, en hare vingeren nu en dan, niet zonder beteekenis, sommige +zijner spieren drukten, werd het den goeden man zoo wonderlijk, dat +zijne vrienden naderhand verklaarden, nooit meer glans op zijn gelaat +te hebben gezien, dan toen hij zoo vertrouwelijk met de _Française_ +op den _Jettenbühel_ arriveerde. + +De zeer _gnädiger-Herr_-rijke en buigende portier was terstond +bereid het gezelschap door de ruïnen rond te leiden. De standbeelden, +eetzalen, kapellen, wapenzalen en muren van het oude slot werden met +naauwkeurigheid bezigtigd, en het merkwaardige en niet merkwaardige, +dat de gids mededeelde, met geduld aangehoord. Eindelijk kwamen zij ook +aan den _dicken Thurm_ en den daaraan verbonden slotwal, waarvan de +aanleg boven de steenklompen van het slot aan de hangende tuinen van +oude tijden doet denken. Nog werpen daar de hooge lindeboomen hunne +schaduw over de ingestorte muren; maar van de steenen omheining, +die de oude _Elisabethsgarten_ omringde, zijn slechts wankelende +overblijfsels te vinden. + +"Ik bezoek nooit dit punt," zei Van Aartheim, "zonder met weemoed +te denken aan de ongelukkige Engelsche vorstin, voor wie de jonge +en teedere gemaal hier den harden rotsgrond in een weligen lusthof +herschiep." + +"O ja," viel de gids in; op dezen Eereboog staat het nog te lezen: + + + FRIDRICUS V ELIZABETHAE CONJUGI CARISSIMAE + A. C. MDCXV F. C. + + +"En wat was haar lot?" ging van Aartheim voort. "Voordat nog de +lusthof voltooid was, zwierven de echtelingen, reeds uit hunne staten +verstooten, in vreemde landen om. In plaats van in dit prachtige slot +van Heidelberg te heerschen, moest zij het nog den Staten van Holland +danken, dat haar een nederige woning in Rhenen werd aangewezen." + +"In Rhenen?" riep Veervlug uit. "Ongelukkige Vorstin!" + +"_The ton, I'll see the ton!_" riep een Engelschman, die mede tot +het gezelschap behoorde, ongeduldig. + +"En bleef zij altijd te Rhenen wonen?" vroeg Pols nieuwsgierig. "Dat +is toch ook wel een lief plaatsje." + +"Zij trok nog naar haar vaderland, nadat zij 40 jaren balling was +geweest en meer dan 30 jaren haren gemaal had beweend. Maar de +ongelukkige dochter van James I was ook in Engeland niet welkom; +en toch zij vond er een graf." + +"_The ton, the ton!_" riep de Engelschman, stampvoetende van ongeduld. + +Men verliet dus den _Elisabethsgarten_, en daalde in den slotkelder +neêr; Pols nog altijd met zijne _Française_ aan den arm, en vol van +kleine attenties voor haar, die zich zoo vrijwillig aan zijne zorgen +had toevertrouwd. Daar zagen zij op eenmaal het monstervat voor hunne +oogen, en hoorden tevens van den portier of deftigen toon verhalen: +"Dit groote vat is een wereldberoemde merkwaardigheid." Het zou +gepast zijn geweest, indien het gezelschap zich door deze uitspraak +had laten imposeren; maar geen hunner kon nalaten het gezigt van +zulk een vat bespottelijk te vinden, en in een dwaas gelach uit te +barsten. Dat effect schijnt het te hebben op de meeste pelgrims, die +het tot het doel hunner bedevaart maken. De ongeduldige Engelschman +evenwel lachte niet, maar keek _the ton_ eenige oogenblikken strak +aan; zette toen een kruisje in zijne reisportefeuille achter dit +opgegeven merkwaardige punt, en keerde zich met een _very well_ om, +zich haastende den kelder weêr te verlaten. + +"Uw landgenoot schijnt spoedig tevreden," merkte de _Française_ aan, +zich tot Pols wendende. + +"Hij is mijn landgenoot niet," antwoordde deze, "want ik ben een +Hollander." + +"Hoe!" riep de dame, op eens zijn arm loslatende: "dat is een +schandelijk bedrog." + +"Dit vat werd op last van den Keurvorst Karl Thedor gebouwd, en is +nu niet gevuld...." vervolgde de portier op zijnen ouden toon. + +De _Française_ vlugtte tot hare oude _cavaliers_, en riep hun toe: +"_Mais ce n'est pas Milord._" + +"Maar kan 236,000 flesschen wijn bevatten," ging de gids voort. + +Pols keek verbaasd. Hij wist naauwelijks, welk gezegde hem gold. Hij +begreep niets meer van de zaak. + +"Mijnheer!" sprak een der Fransche heeren, zijn zwarten knevel vinnig +opstrijkende: "gij hebt het vertrouwen van mijne nicht schandelijk +misbruikt en u laag gedragen." + +"Hoe? wat? ik?" riep Pols in toenemende verbazing. + +"Mijnheer! ik eisch 1000 _francs_ schâvergoeding voor de beleediging, +mijne familie aangedaan." + +"Maar, Mijnheer! het is duidelijk dat gij u vergist." + +"Wij spreken hier van geen vergissen. Zoo als ik zeg, 1000 _francs_ +schâvergoeding of een _duel à mort_. Gij hebt de keus." + +Dit was te veel voor Pols. Hij verloor zijne gewone bedaardheid. Hij +hief zijn vuist op, en als hij een degen was magtig geweest, hij zou +den uitdager doorregen hebben. Van Aartheim kwam tusschenbeiden. Hij +verzocht Pols zich een oogenblik te calmeren; en zich met de Franschen +een weinig verwijderd hebbende, fluisterde hij hun eenige woorden toe, +waarop de twee heeren verbleekten, en de dame wel schrikte, maar niet +bleek werd. Zonder een blik verder op Pols of de andere vrienden +te durven slaan, spoedden zij zich, om den kelder te verlaten. De +buigende portier liep hen na, en verzocht beleefd om een fooitje. + +"_Va te faire pendre!_" brulde een der heeren hem toe, zijn knevel +woedend opstrijkende. + +De portier sprong van schrik drie schreden achteruit. + +Daar was een geruime tijd noodig om Pols weêr tot bedaren te brengen; +maar toen kon hij zich niet weêrhouden te zeggen: "Ik begrijp mij +volstrekt niet, hoe zoo'n meisje met zulke lomperts reizen kan!" + +De vrienden glimlachten. "Maar hoe hebt gij zoo op eens de gevaren +van het hoofd van onzen waardigen Pols afgewend?" vroeg Veervlug aan +Van Aartheim. + +"Ik had het plaisir gehad die personen nog eens te ontmoeten," +antwoordde deze. "Hieraan heb ik hen herinnerd, en hun te gelijk +geraden, om maar zoo spoedig mogelijk te zien over de grenzen te +komen." + + + + + +HOOFDSTUK XIV. + + De reizigers bezoeken twee badplaatsen. Op de eene maakt Pols + eene schitterende vertooning; op de andere blijft hij geheel + onopgemerkt. + + +Men raadt iedereen, die een Rijnreisje maakt, aan, om toch vooral +veel gebruik te maken van retourrijtuigen. Onder de voordeelen, +die deze manier van reizen aanbiedt, somt men op, dat het nagenoeg +geen geld kost, en dat men niet zoo onbesuisd het land doorholt +als in eene diligence en per post, maar alles op zijn gemak kan +opnemen. Dit laatste vooral zal wel niemand tegenspreken. De +retourrijtuig-voerlieden verstaan meesterlijk de kunst, om hunne +paarden in zeer bedaarden tred te houden; en om hunne passagiers +zooveel mogelijk afwisseling en genot te verschaffen, vergunnen +zij hun, om bij het opklimmen van bergen naast het rijtuig voort +te wandelen, en zelfs nu en dan zich op het gras neêr te vlijen, +wanneer zij zuinigheidshalve niet aan logementen, maar midden op den +weg, hunne paarden een voêrtje geven. De genoegens, die deze manier +van reizen aanbiedt, zijn dus menigvuldig en de raad van ervaren +reizigers hieromtrent dient door die van mindere ondervinding te +worden opgevolgd; te meer daar, volgens de opgave van sommigen, de +gelegenheid zich zoo dikwijls voordoet, dat de Duitsche rijtuigen +bijna nooit andere dan retourreizen schijnen te maken. + +Het was na lange en vermoeiende nasporingen, dat ons reisgezelschap +eindelijk van een dier gelegenheden, die zich van zelve voordoen, +kon profiteren. Een koetsier van Rastadt bood zijne calèche aan, +om het zestal van Heidelberg naar Baden-Baden te voeren voor omtrent +denzelfden prijs, dien men voor een postrijtuig betaalt. De wagen was +breed, de paarden waren smal, en de koetsier vrolijk; dus besloot men +dit aanbod niet van de hand te wijzen, en men verliet in den vroegen +morgen de oude Akademiestad. + +Het was een schoone zomerochtend. De zon scheen in vollen glans aan +den helderblauwen hemel; ongestoord stortte zij haren gloed op het +frissche groen uit; verkwikkend was hare warmte na de koelte van den +nacht; overal, waar haar licht doordrong, verhelderden de kleuren, en +scheen een nieuw leven te ontstaan; en ook op de langzaam voortrollende +reiscalèche oefende zij haren invloed uit. Schilderachtig vooral was +haar effect op het bruinverbrande gelaat van Pols; als gepolituurd +mahonyhout glommen zijne wangen, en de geleende glans deed zijne oogen +schitteren. Gemakkelijk drukte hij zich in een hoekje van het rijtuig; +en zijne genoegelijke gewaarwordingen op den lieven zomermorgen, +na een weldoorgebragten nacht en een genuttigd _frühstück_, stemden +hem tot een aangenaam peinzend stilzwijgen; totdat hij eindelijk het +resultaat zijner bespiegelingen in deze woorden uitte: "Wat heeft +men toch al aangename afwisselingen op reis!" + +"Dat dacht ik eergisteren ook," zei Torteltak, "toen ik je aan den +rand van den vijver den mac-intosh aantrok." + +"Toen hadt je omtrent even aangename afwisseling," viel Veervlug in, +"als de dief, toen hij eerst gegeeseld en daarna gebrandmerkt werd." + +"Wat loopen die paarden weêr beroerd langzaam!" riep de Morder. + +"Dan hebben wij lang genot voor ons geld," grinnikte zijn buurman. + +"Voort, dat jonge goedje! hu, piassen!" riep de koetsier op vrolijken +toon tot twee eerwaardige grijsaards, die volstrekt niet in zijne +opgewondenheid schenen te deelen, en zich weinig in hunne carrière +als paarden te verlustigen. + +"Maar wij hebben immers zoo'n groote haast niet," zei Van Aartheim, +om De Morder wat tevreden te stellen; "wij kunnen toch gemakkelijk +vóór den avond te Baden aankomen, en zullen in de vrije lucht toch +wel meer jouïsseren, dan in een volgepropt logement. En levert deze +route niet een groote verscheidenheid van schoone gezigtspunten op?" + +"Ja, 't is charmant," zei Pols; "'t zou mij niet kunnen schelen, +om zoo'n mooien weg te wandelen." + +Juist reed men tegen eene vrij aanzienlijke hoogte op, hoewel hier +anders de landstreek niet bijzonder bergachtig is. De koetsier, +misschien de aanmerking van Pols verstaan hebbende, misschien ook uit +eigene beweging den heeren eene attentie willende bewijzen, proponeerde +hun om een eindwegs naast het rijtuig voort te stappen, en sommigen +gaven aan deze uitnoodiging met vreugde, anderen morrende gehoor. + +Ook "het jonge goedje" scheen dit uitstapje niet onaangenaam te +wezen. Met luchtiger tred gingen zij voor het rijtuig voort, nu en +dan de groep reizigers van ter zijde met eene uitdrukking op het +gelaat aanziende, alsof zij zeggen wilden: "Als die er allen inzaten, +verwondert het ons niet meer, dat het vrachtje zwaar was." + +"Voort, die Turken!" riep het koetsiertje, als de dieren, in gepeins +verzonken, vergaten hunne pooten te verzetten, en om hen wat te +vervrolijken, zong hij hun eenige zijner liedjes voor, waarin hij +onuitputtelijk scheen. + + + "Nicht zu reich und nicht zu arm, + Nicht zu kalt und nicht zu warm, + Nicht zu gross und nicht zu klein-- + Kein's von diesen möcht' ich seyn." + + +"Dat is wel een aardig liedje," zei Pols; "wie heeft dat gemaakt?" + +"Gemaakt?" vroeg het boertje verwonderd; "wel, ik heb het van mijn +vader geleerd." + +"'t Is zeker van eene soort van Maatschappij tot Nut van +'t Algemeen," zei Pols tot Torteltak. + +"Zoudt gij dat denken?" zei deze; "de toon is toch wat populair." + +"Hu, hu, voort! daar komen de Kozakken!" riep de koetsier zijne +paarden toe. Deze hadden misschien vóór vijfentwintig jaren en onder +andere omstandigheden op deze incitatie den gezwinden pas aangenomen; +nu evenwel bepaalden zij zich tot een zeer gematigden tred. + +Men had de hoogte bereikt, en klom weêr in het rijtuig: de Morder +met het vaste voornemen, om, al moesten zij nu den _Mont blanc_ +overrijden, niet weêr uit te klimmen; de anderen moede en warm, maar +toch opgeruimder. Men passeerde weldra Mingolsheim, en Holstaff raakte +in verrukking, toen hij het lieve kerkhof aldaar ontdekte. Hij vroeg +aan het boertje, of hij daarop geen toepasselijk liedje kende. Deze +antwoordde, dat hij niet wist, wat hij daarmeê bedoelde, maar dat +hij nog wel een liedje wou zingen. Hierop begon hij met heldere stem: + + + "Schön ist mein Mädchen, + Schlank wie ein Dräthchen, + Fein wie ein Fädchen + Wonnig und warm." + + +"Ik wou, dat ik het hem niet gevraagd had," zei Holstaff, door dit +begin teleurgesteld. + +"Ik vind het heel aardig," zei Pols. + +"Misschien wordt het straks wel treuriger," troostte Veervlug. + + + "Mir in das Leben + Freude zu weben, + Ward sie gegeben + Mir in den Arm." + + +ging de zanger voort. + +"Dat draait al wat naar het sentimentele," zei Torteltak. + +"Wacht maar!" zei Veervlug: "'t is een echt Duitsch liedje; straks +zal de doodgraver zijn werk ook wel krijgen." + +Het boertje ging voort: + + + "Ursel im Röckchen, + Rund wie ein Glöckchen, + Springt wie ein Böckchen + Fröhlich im Tanz." + + +"Dat heb je vast op je liefje gemaakt!" + +"Ik plagt het haar ten minste dikwijls voor te zingen, voordat wij +trouwden, en toen zij nog zoo'n dampige knol niet was." + +"Wat meent ge daarmeê?" vroeg onze vriend verwonderd. + +"Wel wat anders, dan dat ze, of het koud is of warm, altijd ligt te +hoesten of te fniesen. Zij kan geen twee uren staan spaden, of ze is +heel uit haar adem en droezig." + +"Dan zal ze ook nu niet meer springen _wie ein Böckchen_," merkte +Veervlug aan. + +"Zij heeft nu wel wat anders te doen dan dansen. Met der haast moet +zij aan 't maaijen. Maar van dien kant had ik 't wel beter kunnen +treffen; want als ik nu en dan niet een handje help, komt de oogst +slecht binnen." + +"Ik merk," zeide Torteltak, "dat de levenswijs der dames hier niet +bijzonder comfortable is." + +"Neen, waarlijk niet," antwoordde Van Aartheim: "hoe verder men in +dit land komt, hoe meer men verstomd staat over den zwaren arbeid, +dien de teedere sekse moet verrigten; terwijl het sterkere geslacht +met pijpenrooken en slapen den tijd doorbrengt. + + + "In den gindschen elzenschaâuw + Ligt de maaier, mat en flaauw." + + +Maar 't is eigenlijk meer loomheid dan matheid; en met de vrolijkheid +en frischheid der vrouwen is 't juist niet precies zoo als bij den +dichter: + + + "'t Meisjen veegt met purpren handen, + Gloeiend van het zonnebranden, + 't Druipend voorhoofd lachend droog. + Laat de lucht haar frischheid rooven, + Fier van aan zijn zij' te sloven, + Raapt zy aren, bindt zy schoven, + Het genoegen in het oog." + + +"Mijnheer schijnt ook liedjes te kennen," zei het boertje; "'t spijt +mij, dat ik het niet best begrijpen kan." + +Men was intusschen aan Langenbrücken genaderd, en daar het twaalf +ure was, en de zon nog steeds het rijk alleen had, door wind noch +wolken op zij gestreefd, besloot men een uurtje de koelte te zoeken, +en stapte in een logement af, om het _diner_ te gebruiken. Na afloop +des maaltijds, waaraan ook de koetsier, niet uitsluitend opgewonden +voor den heerlijken "_Kartoffeln Magenpflaster_", en niet bevreesd dat +"_Pasteien und Leckerbrod_" hem spoedig in het graf zouden helpen, +had deelgenomen, was den vrienden eene groote verrassing bereid. Zij +vernamen van den _Gastgeber_, dat Langenbrücken eene zeer beroemde +badplaats was, waarheen men van heinde en ver toestroomde, en dat +de wateren van het Amaliënbed op gezonden en zieken den heilzaamsten +invloed uitoefenden. Bij nader onderzoek bleek het inderdaad, dat de +kastelein niet te veel gezegd had: de badwateren zijn, in den volsten +zin des woords, in de meeste gevallen onschadelijk; de Amaliënbron +levert een vocht op, dat zelfs door de naauwkeurigste proevers +beschouwd werd als geheel overeenkomende met gewoon koud water, tot +dat de zeer geleerde Heer Siegel, eenige jaren geleden, ontdekte, +dat dit vocht, na eenige uren door de middagzon beschenen te zijn, +laauw werd; dat het, op saffraan gegoten, eene gele kleur aannam; +en zelfs door de vermenging met een weinig suiker eenen zoetachtigen +smaak verkreeg. Naauwelijks had gemelde Heer deze eigenschappen +ontdekt, of hij besloot met dit bijzondere water eenige proeven te +nemen. Hij liet het een vriend gebruiken, die sedert geruimen tijd +aan rheumatiek in den arm geleden had, en die tevens op raad van een +anderen doctor het pijnlijke lid geheel met watten had omwonden. En +waarlijk, na weinige dagen had het heilzame water effect: de lijder +gevoelde veel minder pijn; het was of het vocht hem den arm verwarmde, +en hij kreeg er langzamerhand het gebruik van terug. Op gelijke wijze +wendde hij het aan bij eene vrouw, die door hevige koortsen geteisterd +werd, en deed het haar, gemengd met _sulphas quininae_, gebruiken; +en ziet, in korten tijd verliet haar de koorts. Hierbij liet het de +warme menschenvriend niet; waar hij hoorde van ziekten en kwalen, +zond hij kruiken vol van het weldadige vocht; en de kastelein uit _de +Zon_ te Langenbrücken, om ook van zijne zijde iets goed te beproeven, +adverteerde, dat in zijn hotel kamers zouden worden afgestaan aan +hen, die op de plaats zelve de badkuur wilden ondergaan. Nu stroomden +de rheumatieken en koortsigen, wel van zes mijlen in het rond, toe; +en toen eenigen tijd daarna bij de bron een _Conversationshaus_ was +aangebouwd, aarzelden ook de betrekkingen der lijders niet meer om +hen te vergezellen, en ondervonden ook de gezonden, dat het badwater, +met goeden Rijnwijn aangelengd, eene zeer verfrisschende, en met +Franschen brandewijn vermengd, zelfs eene vervrolijkende kracht had. + +Ons reisgezelschap vond het gepast de courzaal in oogenschouw te gaan +nemen. Het was in het drokste van 't saizoen; vijfendertig reizigers +stonden op de badlijst ingeschreven, waarvan de meesten zich nu +in de zaal bevonden. De aankomst van zes nieuwe gasten verwekte +er opschudding. Hun uiterlijk scheen te imposeren; want de heeren +verwelkomden hen met veelvuldige buigingen; de dames raadpleegden +den spiegel omtrent den toestand harer lokken. De vrienden, reeds +gewoon aan het zien van courzalen en aanzienlijke gezelschappen, +waren niet bijzonder getroffen door den aanblik eener kamer van +vijfentwintig voet in het vierkant, opgevuld met menschen, aan wier +geheel uiterlijk en voorkomen bleek, dat geen hunner aan het Hof +was gepresenteerd. Zij zagen er bejaarde heeren, gevormd naar het +model van den achtkanten boer; dames, wier vingeren met denzelfden +blos prijkten, die haar de wangen sierde; jongelieden, die, door met +de handen in den zak te loopen en te fluiten, toonden dat zij zich +op hun gemak bevonden; kinderen, die hunne veelkleurige tandjes op +raauwe wortelen exerceerden, en die, bij gelegenheid der badreize, +zich zoover in het Fransch hadden geoefend, dat zij, zonder veel fouten +in de uitspraak te maken, _Papa_ en _Maman_ konden zeggen. Al deze +personen bewogen zich in het met bont papier behangen vertrek, waren +dagelijks in hunne feestkleederen en gelegenheidsaangezigten gedost, +courtiseerden en coquetteerden, rookten en dronken likeuren; het eerste +op wat gedwongen manier, het laatste meer natuurlijk. Eene soort van +bak met muzieklessenaars, aan den zolder hangende, deed vermoeden, +dat er somtijds gedanst werd; een zwart bord met nommers, in een hoek +der zaal, waarbij een oud man met eenige _thalers_ en een schopje +zat, toonde aan, dat ook aan de speelwoede kon worden toegegeven; en +indien men eenige kleinigheden over het hoofd wilde zien, moest men +toestemmen, dat deze menschen hier allerliefst badplaatsje speelden. + +"Doet Mijnheer ook aan 't snuiven?" sprak een zwaarlijvig heer, in een +zeer uitvoerigen donkergroenen jas en witte pantalon met plooijen, +tot Pols, terwijl hij hem eene ebbenhouten snuifdoos voorhield, +omtrent van de grootte van een beschuittrommeltje. + +"Met plaisir," zei onze vriend, en na den fijnen tabak met zijne +reukzenuwen in kennis te hebben gebragt, voegde hij er heel goedig bij: +"dat is waarlijk een lekker snuifje." + +"Neem dan nog eene prise," zei de dikke heer, de ebbenhouten kist op +nieuw openende; "'t is u van harte gegund." + +"Dankje wel; ik wil liever straks nog eens terugkomen." + +"Als Mijnheer eens stoppen wil," zei dezelfde heer tot Torteltak, +"ik heb voorraad van tabak." En om dit te bewijzen, bragt hij uit +zijn jaszak eene verlakte doos voor den dag, die men op den eersten +aanblik voor een koffijtrommel zou hebben gehouden. + +"Ik dank u, Mijnheer!" antwoordde deze; "ik heb mijne pijp in 't +rijtuig gelaten." + +"O, dat is niets," viel de gulle Duitscher in; "ik zal u de mijne +wel leenen.--_Kellner!_ krijg mijn oliekop eens!" + +"Dankje waarlijk, gij zijt veel te goed," zei Torteltak +haastig. "Eigenlijk rook ik maar heel zelden." + +"Wat heeft Blacken toch eene gemakkelijke manier om kennis te +maken! wat is hij nu weêr familjaar met die vreemde heeren! je kunt +zien, dat hij veel met groote lui heeft verkeerd," zei de spichtige +gade van den gullen heer, met zekeren trots, tot hare buurvrouw. + +"Dat is wel waar," antwoordde Juffrouw Glimbaum, minnelijk knikkende. + +Juffrouw Blacken stond op, en noodigde hare dochters, twee schrale +blondines in 't lichtgroen (groen scheen de onderscheidene kleur der +familie), om eens door de zaal te wandelen, daar zij iets aan Papa +te vragen had. + +"'t Is bespottelijk, zooveel als zij zich laat voorstaan op haar man," +zei juffrouw Glimbaum aan een _dandy_ met eene roozenroode das en +hooggeel vest. "Hij spreekt de groote lui ook niet, dan wanneer hij +ze voor hun doodkist komt meten. Ik schaam mij eigenlijk om met die +vrouw te converseren." + +De _dandy_ stak zijn linkerhand in zijne vestjeszak, omtrent zoo als +de acteur Schouten doet, als hij voor een groot heer speelt, en zeide +zeer lieftallig glimlachende: "_Ma foi_, Mevrouw! u hebt wel gelijk, +men moet zich niet encanailleren." + +Hun gesprek werd hier gestoord door den Heer Glimbaum, die van zijne +dagelijksche wandeling naar zijne woning te Bruchsal terugkeerde. + +"Hoe gaat het, lieve?" vroeg zijne vrouw: "hebt gij een aangenaam +tourtje gemaakt?" + +"Kapitaal, wijfje! maar een drukke morgen;--achttien baarden geschrapt +en zes koppen geknipt." + +De _dandy_ verliet neuriënde het echtpaar, om de dochter van den +Bruchsalschen torenwachter zijn hof te gaan maken. + +Veervlug was terwijl aan de speeltafel genaderd, en getuige dat een +aantal kreutzer-en driekreutzer stukken op nommers en kleuren werden +gezet. Hij mengde zich onder de spelers, en wekte aller verbazing +door de gelatenheid, waarmede hij zijn verlies droeg. De fortuin +was hem niet gunstig, en hij verloor in acht keeren omtrent twaalf +stuivers. Maar het was voor Pols weggelegd, om hier een schitterend +figuur te maken. Opmerkende, dat men op deze wijze van spelen niet +licht gevaar liep zich te ruïneren, waagde ook hij drie kreutzers. Het +geluk diende hem: hij won--verdubbelde--won meer en meer. Hij kreeg +een geheelen stapel klein geld voor zich.--"Mijnheer is ongehoord +gelukkig!" riep de oude Blacken in verbazing.--"Ongehoord!" herhaalde +de bankier angstig. Pols werd geanimeerd; zijne winst was reeds grooter +dan de kas der bank. "_Va banque!_" riep hij op eens, al het geld +op _rouge_ plaatsende. De dames Blacken gaven ieder een gil--"_onze, +rouge!_" zei de bankier, met wanhoop de geheele kas voor onzen vriend +uitstortende.--"Ik krijg zes kreutzers," riep eene dame, die nog in 't +geheel niet meêgespeeld had; "ik heb immers ook op _rouge_ gezet." Pols +maakte hierop geen captie. Hij schonk haar edelmoedig de gevraagde som. + +Sedert den merkwaardigen dag, waarop de Heer Siegel zijne ontdekking +omtrent de kracht der Amaliënbadwateren maakte, had er zeker in +Langenbrücken nooit zulk een belangrijk voorval plaats gehad als +heden. Al de badgasten verzamelden zich om Pols, die even verbaasd +scheen als de anderen, en naauwelijks begreep, dat hij de held was van +de partij. Voor hem lag de massa geld uitgespreid; de som beliep meer +dan zeven Pruisische _thalers_. "Dat is toch waarlijk zonderling," +zei hij tot De Morder; "ik had er volstrekt geen gedachte op."--"Dat +zult ge altijd zien," zei deze; "maar ik had eens moeten spelen, +dan was het wel anders geloopen."--"Maar wat zullen wij met dat +geld aanvangen?" vroeg Pols aan Veervlug. Deze wist er raad voor: +hij bestelde eenige flesschen goeden Rijnwijn. Al de glazen, die in +het buffet te vinden waren, werden volgeschonken. Ieder der badgasten +liet zich den aangeboden drank goed smaken; de bankier alleen trok +een gezigt, alsof hij er eenige zuurheid in ontdekte. En toen nu +het zestal, na nog eenige oogenblikken vrolijk in de zaal te hebben +doorgebragt, in het hen wachtende rijtuig stapte, bejammerden de +meesten der badgasten het zeer, dat zulke heeren hen zoo kort hun +aangenaam en onderhoudend gezelschap gunden. + + + +Bijna gelijktijdig met de zon hadden onze reizigers den togt van heden +volbragt. In vrolijke en aangename gesprekken waren hun de laatste +uren voorbijgegaan. Het genoegen, in korte oogenblikken in het kleine +Langenbrücken gesmaakt, scheen een gelukkig voorteeken voor hun langer +verblijf in de groote badplaats. Met verlangen zagen zij dus, van dat +zij Rastadt achter zich hadden gelaten, naar de liefelijke vallei uit, +waar "_die freundliche Najade die heil'gen Fluthen ausgieszt_," en +waar honderden baat komen zoeken tegen allerlei kwalen, duizenden +tegen de verveling, misschien de ergste en ongeneeslijkste van +allen. Eindelijk ontdekten zij, wat hun oog zocht: het vruchtbare +dal, door heuvelen omringd, en van den smallen stroom doorsneden, +die de vervallen woningen der inboorlingen van de nieuwe hotels en +prachtige lusthoven der vreemdelingen afscheidt. + +Het was in 't best van den tijd; dus waren van alle kanten +vreemdelingen toegesneld. Met verrukking staarden de vrienden op de +luxe van wandelaars en equipages, die door het schoone avondweder naar +buiten waren gelokt. Voordat zij in hun logement aankwamen, had Pols +opgemerkt, dat er hier heel wat geld verteerd werd; Holstaff, dat er +vrij wat meer gezonde dan zieke badgasten moesten wezen; Torteltak, dat +er een schat van mooije oogen en delicieuse figuurtjes te vinden was; +de Morder, dat het veel te vol was om plaisir te hebben; en Veervlug, +dat men zich te Baden niet alleen in bronwater, maar ook in allerhande +genoegens kon baden. + +Op van Aartheim scheen het gezigt van al dat schoon geenszins den +indruk te maken, die het bij de overige heeren verwekte. Met weinig +belangstelling sloeg hij het gewoel der menigte gade. Reeds sedert een +paar uren was hij stil en afgetrokken geweest, en scheen hem zijne +gewone opgeruimdheid te hebben verlaten. Pols had hem nu en dan al +een weinig pogen op te beuren, door hem te vragen, of hij hoofdpijn +had, of het soms ook togtte, en dergelijke zaken meer. Van Aartheim +had verklaard, dat hij zich volkomen wel gevoelde; daar moest dus +iets zijn, dat hem hinderde. De reis kon het niet wezen; want hij +was het zelf geweest, die er zoo zeer op had aangedrongen, om toch +heden te Baden aan te komen. Van tijd tot tijd sloeg hij de een of +andere groep onrustig gade, als hoopte of vreesde hij iemand aan te +treffen; en toen men nu in het Hotel _Zum Zäringer Hof_ was afgestapt, +verliet hij hen terstond, om eene dringende commissie te verrigten; +doch weinige minuten later kwam hij blijkbaar teleurgesteld tot hen +terug. De vrienden verdiepten zich in gissingen, wat er toch met hem +op handen was. Pols dacht, dat hij misschien een verwachten wissel +niet gevonden had; Holstaff, dat er op het Badensche kerkhof welligt +een zijner vrienden begraven lag; de Morder, dat zijn geweten hem de +een of andere kwade daad verweet; Torteltak, dat hij eene ongelukkige +liefde koesterde; Veervlug, dat hij eenvoudig in een knorrige bui +was. Men besloot eindelijk, omdat men niet anders kon, de oplossing +van dit raadsel geduldig van den tijd te verwachten. + +Men bezocht nog dienzelfden avond de courzaal, en zag het gewone +personeel van eene badplaats aldaar vereenigd: oude heeren, die +zich in een continuëlen roes van Bourgogne en Champagne tot den dood +voorbereiden; jonge meisjes, die in de balzaal tot huismoeders gevormd +worden; jongelingen, die proeven nemen, tegen hoevele aanlokselen +de deugd van eenvoudige landmeisjes bestand is; en bejaarde dames, +die de huwelijksgift harer dochters aan de inhalige schopjes der +_croupiers_ blootgeven. Deze personen gaven den toon aan; men moest +zich verwonderen, geene Bertrams te zien, die de Roberts tot de +verschillende soorten van zonden aanzetten, die hier met volkomen +vrijmoedigheid gepleegd worden, en had, om ook heiligschennis te zien, +slechts tot den Sabbat te wachten, wanneer de losbollen de vrome +kerkgangsters in hare devotie zoeken te storen; waarop men, om de +verveling van den dag des Heeren te verdrijven, dubbel gelegenheid +verkrijgt om den Mammon te dienen; wanneer de bedwelming des wijns +de gerekte gastmalen veraangenaamt, en de Italiaansche schoone ook +nog het gaas afrukt, dat haar den boezem bedekte, terwijl de Fransche +_danseuse_ hare weelderigste passen uitvoert, om zelfs de zuiverste +verbeelding te bezoedelen, en wanneer de leer: + + + "Chaque faute est un plaisir, + Et l'on a pour s'en repentir + Le temps ou l'on n'en peut commettre." + + +luid en met toejuiching gepredikt wordt. + +Gewis, het is nuttig, deel te nemen aan de genoegens, die eene +badplaats aanbiedt. Haar invloed op de redelijke en zedelijke vorming +van den mensch moet heilzaam zijn. Men leert die verouderde begrippen +afleggen, dat het verkeerd is om zijne driften bot te vieren; men +keert van daar terug, genezen van het vooroordeel, dat deugd alleen +waarachtig genot geeft; men leert begrijpen, dat men op de wereld +geplaatst is om de wereld te dienen; men beklaagt de dwazen, die +zich in zelfverloochening pijnigen en elders vreugde en zaligheid +zoeken, zoolang ze nog op de aarde te vinden zijn; en wanneer men, +na eene goedgelukte badkuur, aan eene welvoorziene tafel in het +_Conversationshaus_ te Baden neêrzit, en 's avonds in een wulpschen +dans eene dartele schoone in zijne armen drukt, haalt men de schouders +op over den bekrompene van geest, die in ouden tijd, gereinigd uit +de badwateren van Bethesda opklimmende, terstond zijne schreden naar +den Tempel des Heeren rigtte. + +Het was ongelukkig voor onze vrienden, dat zij niet liberaal genoeg +opgevoed en niet diep genoeg in den geest der wereld doorgedrongen +waren, om zich terstond met vrijmoedigheid in de armen van dit +schuldeloos genot te storten. Na een paar uren in de zaal te hebben +doorgebragt, was het sommigen hunner benaauwd geworden; zij zochten +de vrije lucht; anderen verklaarden openhartig, dat zij tegen zoo +veel verleiding niet bestand zouden wezen; Torteltak betuigde, +dat hij geen acht dagen in deze omgeving zou willen doorbrengen, +zonder de vergunning om aan alle kwaad toe te geven, en zoo slecht +te zijn, als hij zou willen; van Aartheim, dat hij ieder jong mensch +bewonderde en benijdde, die met de hand op het hart kon verklaren, +dat al deze aanlokselen niets op hem vermogten. + +Men besteedde de twee volgende dagen, die men te Baden-Baden doorbragt, +met uitstapjes in het _Mourgthal_ en met een bezoek naar het _Neue_ +en _Alte Schloss_, en schepte meer behagen in de trotsche ruïnes van +het laatste, dan in de mesquine inrigting van het eerste. Van Aartheim +verliet hen beide avonden terstond na hunne terugkomst, en kwam telkens +zeer laat uit het _Hôtel d'Angleterre_ terug. Hij was overigens zeer +geheimzinnig in deze uitstapjes, en welligt zouden sommigen er een +verkeerden uitleg aan hebben gegeven, zoo niet Holstaff hun berigt +had, dat hij hem in de duistere wandellanen was tegengekomen, in een +zeer druk en geanimeerd discours met een lang en mager heer, waarvan +hij niets had verstaan, dan dat het in 't Engelsch werd gevoerd. + +Wij hopen, dat de vrienden later omtrent deze geheimzinnige handelwijs +van Van Aartheim nadere inlichting zullen bekomen. + + + + + +HOOFDSTUK XV. + + De tour door het Schwartzwald. Pols maakt kennis met Engelsche + dames bij onweder, en met Ohlsbachsche bij feestmuziek. + + +De groote route van Baden-Baden naar Zwitserland loopt midden door +het steile gebergte en de donkere bosschen van het Schwartzwald, +dat een weinig noordoostelijk van Baden bij Pforzheim begint, en +door den Rijn tusschen Schaffhausen en Bazel begrensd wordt. Wanneer +men een beminnaar is van woeste natuurtooneelen, niet tegen zware +vermoeienissen opziet, en niet al te veel gewoon is aan de comfortable +logementen van den Rijn en in Zwitserland, kan men hier met genoegen +en vrucht eenige weken doorbrengen; men kan kale rotsen beklimmen, +en van daar langs gedruischmakende bergstroomen naar digtbegroeide +valleijen neêrdalen, waar men altijd overvloed van zwart brood +tot voedsel vindt, en de aarde genoeg met mos is begroeid, om voor +vermoeide leden tot rustbed te strekken. Men kan zich overtuigen, +dat er in het midden van beschaafde landen nog streken zijn, waar +de weelde niet is doorgedrongen, en de zeden van de vroegste eeuwen +zijn bewaard gebleven; waar de kleeding aan geene nieuwe modes is +onderworpen, en de taal noch door verbastering, noch door beschaving, +heeft geleden. In één woord, wie zien wil, hoe de oude Teutonen +omtrent huishielden, wanneer zij niet met de wapenen in de vuist op +veroveringstogten uittrokken, ga naar het minst bezochte gedeelte van +het Schwartzwald, en hij zal op eene zeer weinig kostbare wijze tot de +resultaten komen, waarnaar hij verlangt. Maar die liever wat meer op +zijn gemak reist, en die gaarne bij een goed _souper_ over het schoone +wil nadenken, dat hij des daags zag, en in een welgeschud bed van zijne +vermoeienissen wil uitrusten, bepale zich tot kleine uitstapjes in +de meer bezochte streken, en volge voor het overige de groote route, +waar hij nog gelegenheid genoeg zal hebben, om met nederige hutten, +eenvoudige landbewoners en slechte maaltijden kennis te maken. + +Onze reizigers behoorden tot de laatste soort: zij namen zes plaatsen +in den _Grossherzoglichen Badischen Eilwagen_, en verlieten daarmede +des morgens ten 12 ure de badplaats. De helft der vrienden kreeg +plaatsen binnen in den wagen, waar zij drie Engelsche dames ontmoetten; +de helft boven op, waar zij den _cavalier_ der _Ladies_ aantroffen, die +gaarne de zorg voor zijne jonge vrouw en hare zusters aan de vreemde +heeren overliet, zoo hij maar zijne plaats _outside_ niet verloor. De +vrienden zouden nu en dan onderling van plaatsen verwisselen, om zoo de +mooie uitzigten, die zich op hun tour voordeden, eerlijk te deelen. Het +toeval plaatste Pols met de Morder en Van Aartheim het eerst binnen +in de koets; de eerste begon zich zeer gegeneerd te gevoelen, daar +hij volstrekt geen Engelsch verstond, en toch zoo gaarne met drie +zulke lieve dames een praatje wilde maken; De Morder vond dat zij +het beroerd troffen, om op zulk een warmen dag zoo opgepropt in een +wagen te zitten; en Van Aartheim wachtte eene geschikte gelegenheid +af, om een discours met de _Ladies_ te beginnen. Hij scheen niet te +veel verwend door de voorkomendheid en beleefdheid zijner landgenooten +omtrent vreemdelingen, om bang te zijn voor de stugheid en stroefheid, +die men zoo zonder uitzondering aan de Engelschen ten laste legt; ook +_Mistress_ Hunshow en hare zusters Emma en Mary schenen er haar _fort_ +niet van te maken, om beleefdheden van vreemde heeren met lompheid +te beantwoorden. Toen Van Aartheim haar attent had gemaakt op een +schoon natuurtooneel, dat zich op hunnen weg voordeed, namen zij +daaruit terstond aanleiding, om over de schoonheden te spreken, die +zij op hare Rijnreis hadden opgemerkt, en die zij nog in Zwitserland +verwachtten. Alle de dames legden hierbij veel schoonheidsgevoel en +een geoefenden smaak aan den dag; en toen het gesprek langzamerhand +van landschappen op landbewoners werd overgebragt, sprak vooral +de schoone Emma zeer onderhoudend over originelen, die zij op reis +ontmoet had, zonder daarbij hare of Van Aartheims landgenooten te +sparen. Zij verhaalde onder anderen van eene zekere familie Dufduin, +die zij in Mainz hadden leeren kennen; hoe Mijnheer haar gevraagd had, +of de Engelschen niet jaloersch waren op den Hollandschen handel, en +of er te Londen ook zulke mooie winkels waren als in de Kalverstraat +te Amsterdam; en hoe zijne zwaarlijvige zuster haar verlangen had +geopenbaard, om eens het Kanaal over te steken, daar zij de echte +plumpudding wel eens proeven wilde, en zich zeer verwonderd had, dat +er in Engeland ook kaas gemaakt werd, daar er toch zooveel Hollandsche +werd ingevoerd. + +Terwijl was _outside_ Mijnheer Hunshow in een druk discours gewikkeld +over de Engelsche en Hollandsche politiek: hij gaf zijne tevredenheid +te kennen over de pasbegonnen regering van de jonge Koningin, en zijne +vrees, dat zij moeijelijk tot een huwelijk zou besluiten, en zoo, +bij haar eventuëel overlijden, de gehate Beer van Hanover op den +troon zou komen. Wat Holland betreft, baarde het hem verwondering, +dat men klaagde over de vermeerdering van schuld, daar ieder burger +toch nationaal genoeg moest wezen, om, indien de rente moeijelijk +meer betaald kon worden, zijne pretentie op den staat op te geven; +en hij kon zich niet begrijpen, waarom een land zichzelf vrijwillig +onder curatelen stelde. Torteltak lichtte hem omtrent sommige punten +nader in, en beweerde naar waarheid, dat er in Holland wel enkele +renteniers zouden gevonden worden, die iets tegen zijne wijze van +schuldvernietiging zouden hebben in te brengen. Hij maakte natuurlijk +ook van de gelegenheid gebruik, om over het goede figuur te spreken, +dat zijn Vaderland in de laatste omstandigheden had gemaakt. Maar +schoon de Engelschman den Hollanders in vele opzigten regt deed +wedervaren, scheen hij niet geheel in de opgewondenheid te deelen, +die Torteltak omtrent deze zaken aan den dag legde. Onze vriend moest +het daarom bejammeren, dat de Gedenkboeken van Hollands Roem en de +stukjes over Ontwaakte Leeuwen, Waterleeuwen enz. zoo weinig in den +vreemde gelezen werden, daar zij zoo geheel in staat zouden zijn om +de dingen onpartijdig te leeren beschouwen. + +Het was intusschen avond geworden; het _diner_ was te Buhl gebruikt, +en ook Offenburg was reeds achter den rug. Men verlangde sinds +vele uren naar de frischheid van den avond; want de hitte was +broeijend. Men had het aan de digtheid der bosschen toegeschreven, +dat geen enkel koeltje eenige verademing aanbragt; maar men zou in +eene open vlakte niet meer verkwikking hebben genoten. De lucht deed +zich aan het oog voor, alsof zij strak gespannen was en met ongewone +kracht de warmte naar beneden drukte. Maar nu verscheen op eens, daar +de zon in de zee neêrzonk, aan de andere zijde hoog in de lucht een +zwart wolkgevaarte, en begon de wind de toppen der boomen te bewegen, +zonder dat men lager zijne koelte nog gevoelde. Meer en meer naderde +het wolkgevaarte en scheen de warmte voor zich heen te jagen; dikke +droppelen begonnen neêr te vallen en werden door de drooge aarde met +gretigheid ingeslurpt. Weldra barste een onweêr in volle kracht over +het hoofd der reizigers los. Het schemerlicht maakte plaats voor +dikke duisternis, alleen voor ondeelbare oogenblikken afgewisseld +door het felle licht des bliksems; de wolken schenen met donderend +geknal van een te barsten en zich in regenvloeden neder te storten; +de bergstroomen zwollen op en vielen kletterend in de diepte; +rotsklompen werden afgebroken en stortten naar den afgrond af; de +bliksemschichten schenen de zwarte bosschen in vuur te verteren, +en de bergen weêrkaatsten honderdvoud het geratel des donders. + +De gewaarwordingen van het personeel voor, in en op den +_Grossherzoglichen Badischen Eilwagen_ waren zeer verschillend. Het +vierspan rende met neêrgebogen koppen in volle vaart over de bergen, +en scheen geheel te vergeten, dat verscheidene menschenlevens door +hunnen woesten ijver werden in gevaar gebragt; de postiljon hield met +alle magt de teugels in, die ieder oogenblik uit zijne handen dreigden +te glippen; de dames sloegen van verrukking de handen ineen, en riepen +niets dan "_beautiful, beautiful indeed_;" Van Aartheim deelde in hare +verrukking, maar had geene termen, om zijne bewondering te uiten; +De Morder vond het al heel akelig, voor een enkelen keer, dat hij +door het Schwartzwald reed, door eene donderbui overvallen te worden; +Pols beschouwde het geval als zeer verontrustend, en beantwoordde +het _beautiful_ der _Ladies_ met een _very inquietant indeed, very +yes_. Hij voorspelde, dat men wel van ongelukken zou hooren, en dat +het weêr hier of daar wel in een molen zou inslaan. Buitenop werd +de verrukking wel eenigzins bekoeld door het nederdalende vocht; +maar toch de Engelschman gaf zijne groote vreugde te kennen, dat +het hem gebeurde, een onweder tusschen de bergen bij te wonen; de +andere heeren wikkelden zich in hunne jassen en mantels, en zagen +het schouwspel in stilte aan. + +Het onweder was bedaard; de donderwolken waren overgedreven; en de +woeste onstuimige stortvloed maakte plaats voor eenen geregelden +aanhoudenden regen; de wind zweeg, en de stilte des avonds werd nu +alleen gestoord door het gedruisch der watervallen. Maar nog hield de +duisternis aan. De paarden, van hun rennen afgemat, stapten nu met +moeite langs den glibberigen weg voort. De postiljon hield raad met +den conducteur, en maakte hem opmerkzaam op de afgronden, waarlangs +zij heengleden. Holstaff, dit hoorende, hield beide handen voor zijne +oogen, en las reeds in verbeelding de aandoenlijke advertentie, die +men omtrent hem, den veelbelovenden jongeling, in den bloei zijns +levens door een nootlottig toeval omgekomen, in de Haarlemsche courant +zou plaatsen. Zoo arriveerde men te Ohlsbach; de conducteur meende +vrijheid te vinden, hier af te wachten tot de lucht wat opklaarde, +en zich over deze wijze van handelen wel bij het _Postamt_ zullen +kunnen verantwoorden. + +Het was een vreemd schouwspel, dat zich aan de reizigers bij het +binnenkomen der herberg voordeed. De zaak zelve was niets ongewoons, +want het was eene bruiloft; maar wanneer men, na eenige uren in +duisternis en stormachtig weêr te hebben doorgebragt, op eens eene +buitengewoon verlichte kamer binnenkomt,--wanneer men geen ander geluid +gehoord heeft, dan het neêrstorten des regens en het kletteren der +paarden door het water, en men in geruimen tijd niets, zelfs niet zijne +medereizigers, gezien heeft,--dan weet men naauwelijks waar men zich +bevindt, wanneer men op eens vrolijke muziek hoort en opgetooide paren +zich in vrolijke dansen ziet verlustigen.--In de herberg te Ohlsbach +werd de bruiloft van des kasteleins dochter gevierd; haar huwelijk met +een klompenmaker van Gengenbach was dien morgen voltrokken. Bijna al +de jongelingen en boerendeernen der beide plaatsen, in feestkleederen +uitgedost, waren verzameld in het grootste vertrek der woning. De +zwartberookte muren waren voor deze gelegenheid met bonte kleuren +beschilderd; bloemenkransen hingen aan stevige touwen van de zoldering +af, en guirlandes over de kleine, in ijzer gevatte vensterruiten; +vetpotten, in de hoeken der zaal geplaatst, verlichtten en bewalmden +dit vertrek; op eene stellaadje lagen twee bekranste vaten met jong +bier, waaruit de dansers hunne dames verkwikking aanboden; in een +grooten rooden pot was eene soort van geestrijk vocht, met honig +aangemengd, waaruit de speelnooten nu en dan eenen kroes vulden en +aan bruid en bruidegom aanboden. Het jonge paar was schoon; schooner +waren er in de geheele streek sedert lang geene jongelieden verbonden: +donkergele lokken hingen den jongeling over de breede schouders, en +zwierden op het lange vuurroode kamizool en de witte hemdsmouwen, die +er uit te voorschijn kwamen; eene korte broek van groene saaiachtige +stof, een paar lichtgrijze kousen, en schoenen met hooge hakken en +roodkleurige linten op den voet, maakten het overige van zijn kostuum +uit. In zijne handen had hij de bouquetten, bestaande uit een paar +boomtakken, ter lengte van drie voet, met dikke kransen van bladeren +en veelkleurige bloemen omwonden. Aan zijne zijde stond de bruid, rond +en kolossaal gebouwd, met vuurroode wangen en lichtblonde vlechten; een +geel keursje was met rozeroode veters geregen; een bonte halsdoek, van +voren om den hals vastgeknoopt, hing van achteren in vierkante plooijen +af; daarover daalden de lange tressen haar, met linten doorvlochten, +neder, en hingen haar tot de knieën. Zij droeg heden voor het laatst +deze versierselen; want die linten zijn de onderscheidingsteekenen +van den maagdelijken staat. Haar kort bontgestreept rokje werd ten +halve door een wit voorschoot bedekt, en puntige schoentjes waren met +linten om de donkerkleurige kousen vastgestrikt. Haar speelnootjes, +even als zij uitgedost, misten alleen het witte voorschoot.--Juist +toen de reizigers binnenkwamen, voerde men een volksdans uit, waarbij +de bruidegom zijne bruid aan hare vriendinnen, in wier midden zij +stond, moest ontrooven; doch op het zien der vreemdelingen, hielden +de speellieden op, en de voeten der dansers waren dus niet meer in +de gelegenheid om aan de toonen der muziek te gehoorzamen. De dames +verlieten hare positie; den bruidegom werd de moeite bespaard, om +zijne bruid te schaken; want toen haar de speelnooten loslieten, +was zij hem terstond in de armen gevlogen. + +Dit alles vernamen de vreemdelingen terstond, en zij bemerkten alras, +dat zij eene warme schuilplaats tegen den regen hadden gevonden. De +meesten hunner waren zeer in hun schik, dat de storm hen genoodzaakt +had, in deze haven binnen te loopen. Maar nog bleef de muziek zwijgen +en stonden de bruiloftsgasten op eenen eerbiedigen afstand. Zij lieten +de helft der zaal aan de vreemdelingen over. Pols, zich eenigzins +verontrustende, dat hunne tegenwoordigheid de vrolijkheid dezer goede +menschen zou verstoren, deed eenige stappen voorwaarts, en zeide in +zuiver Hollandsch: "Eilieve, laat onze komst u niet verhinderen!" Dit +gezegde nu schijnt omtrent even zoo te klinken, als de Teutonische +uitdrukking: "Wil niemand der dames met mij dansen?" althans eene der +speelnooten kwam terstond naar hem toe, en hare linkerhand op zijn +regterarm leggende, trok zij hem mede.--"Zoo was het niet gemeend," +riep Pols, door deze manoeuvre verbaasd; "waarlijk, ik kan niet +dansen." Hoe nu dit gezegde in de ooren der dansgrage Ohlsbachsche +klonk, zouden wij niet weten te bepalen; maar de deern trok hem steeds +meer naar zich toe. Pols zag haar smeekend aan; hij wist geen uitkomst +meer. "Komaan, dans maar eens! je bent nu aan 't lijntje vast," +riep Veervlug, die achter hem stond. De muziek begon; daar was geen +mogelijk meer om te ontwijken. Joachim Polsbroekerwoud danste voor +de eerstemaal van zijn leven, en wel in eene boerenherberg te Ohlsbach. + +Eén ding had onze goede vriend vooruit boven de andere heeren, die uit +de diligence gekomen waren: een boerenvolksdans uit het Schwartzwald +was hem niet vreemder, dan een wals of eene galoppade. Hij had +slechts flaauwe noties van de danskunst; hij wist dat het bij zulke +gelegenheden voornamelijk op de beenen aankomt, en dus legde hij zich +hoofdzakelijk toe, om die maar van den grond op te ligten. Hij liet +zich overigens door zijne dame leiden als een kind; hij sprong, +tot het zweet hem met groote stralen van het voorhoofd afliep; +hij slingerde zijne armen, totdat zij hem als lam langs het lijf +neêrhingen; nu en dan wierp hij een smeekenden blik op de speellieden, +of zij toch maar ééns wilden ophouden; en toen nu de dans eindigde +in een rondzwieren der heeren om de stilstaande dames, werd de goede +man zoo duizelig, dat hij op den grond zou zijn neêrgestort, zoo zijne +_danseuse_ hem niet had vastgehouden. Alles draaide hem voor de oogen; +en toen eindelijk de muziek ophield, en hij zijn hoofd op de borst +der Schwartzwaldsche schoone liet neêrvallen, scheen hij door een +schaterend gelach van al de toeschouwers uit een droom te ontwaken, +en riep hij op luiden toon uit: "Hemel! waar ben ik?" + +"Je bent een slimme vogel," fluisterde Veervlug hem in 't oor. + +"Pols, Pols, als Mijntje je zoo eens zag!" zei Torteltak. + +"Ik hoop in 's Hemels naam maar niet, dat dit meisje een vrijer heeft," +zei De Morder; "want je zult zien, dan krijgen wij hier een standje." + +Alles liep evenwel goed af: Pols was geen slimme vogel, Mijntje zag +hem niet, en het meisje scheen geen minnaar te hebben. De goede man +zette zich op eene bank bij de biertonnen neêr, en de kastelein bood +hem een verfrisschenden dronk aan. + +Terwijl kwam eene andere der speelnooten, en bragt aan de Engelsche +dames een kroes, met den bruidsdrank gevuld; het brouwsel, hoe zoet +ook, smaakte de _Ladies_ evenwel minder dan gewone Portwijn; maar om +nu toch deze beleefdheid te beantwoorden, namen zij de uitnoodiging +van Van Aartheim, Torteltak en Veervlug aan, om aan den dans deel +te nemen; Hunshow nam de dame van Pols over, en dezelfde dans werd +nog eens uitgevoerd. De Ohlsbachers en Gengenbachers schenen in +deze handelwijze veel genoegen te scheppen; zij gaven nu aan hunne +vrolijkheid den vollen teugel, en de reizigers zouden misschien nog +lang aan het feest hebben deelgenomen, zoo niet de conducteur op eens +op luiden toon had uitgeroepen: "Heeren en dames voor Schaffhausen, +de paarden zijn voorgespannen!" + +Door Hunshow en Van Aartheim werd namens het gezelschap aan den +bruidsvader een geschenk in geld ter hand gesteld, met verzoek, om +daarvoor het jonge paar eene gedachtenis aan hunne tegenwoordigheid +bij de bruiloft te koopen. + +Het schoone gedeelte van Ohlsbach tot Donauëschingen werd door +de meeste onzer vrienden slapende doorreisd. Het was jammer; maar +men troostte zich met het denkbeeld, dat men niet alles kan zien, +en hoopte maar, bij den retour in Holland, geene reizigers te zullen +aantreffen, die, hun _fort_ gemaakt hebbende van de Schwartzwaldreis, +zouden zeggen, dat het nu voor hen net zoo goed was, alsof zij geheel +waren te huis gebleven. + +Het uur poozens, dat den reizigers te Donauëschingen wordt toegestaan, +werd doorgebragt, zoo als dat daar gewoonlijk geschiedt: men maakte van +de gelegenheid gebruik, om zich met waschwater te verfrisschen en door +een stevig ontbijt te versterken; en door een uitstapje, dat weinige +minuten tijds vereischte, had men de voldoening, in het Schwartzwald +den oorsprong van ééne rivier, den Donau, te zien; zoo men, door het +korte oponthoud in die streek, al genoodzaakt was, om den Necker, +Wutach, Schwarzach, Kander, Vise, Treisam, Schulter, Kinrig, Murg, +Alb, enz. op hunne eigene gelegenheid te laten ontspringen. + +Ten zes ure vervolgde men de reis. Het was een heerlijke morgen. Frisch +en heldergroen ontwaakte het gras, dat door stof bedwelmd en uitgeput +door droogte was ingeslapen. De vogelen hernieuwden het lied, dat +zij den vorigen avond door matheid waren gedwongen af te breken, en +koesterden hunne beregende vleugelen in de warmte der zonnestralen, +wier verschroeijenden gloed zij gisteren onder de schaduw van het +geboomte hadden ontdoken; de bloemen, door den plasregen neêrgebogen, +waagden het op nieuw hare kruinen omhoog te heffen; en het geboomte +spreidde weder zijne bladeren uit, die den vorigen dag slap hadden +neêrgehangen. Ook de slaap, waarin de nacht de diligencelocataires +had gedompeld, werd door een verkwikt ontwaken opgevolgd, en zoo +aan hunne frischheid het waschwater in het logement veel deel had, +het was omdat de waterdigte hoofddeksels en de lederen wagenkappen +zich tegen het doordringen van den regen hadden verzet. + +De reizigers bragten de overige uren van den morgen door met in de +diligence de bergen af te draven, en bij het opklimmen hunne passen met +die der paarden te meten. Na nog eenige Badensche plaatsjes te hebben +gepasseerd, en geen het minste onderscheid te hebben gezien tusschen +het Duitsche Wies en het reeds op Zwitserschen bodem gelegen Oos, +hadden zij het land van belofte bereikt, in zichzelven de opmerking +makende, dat de natuur in hare overgangen niet conscientieus de +grensscheidingen der Mogendheden heeft geraadpleegd. + + + + + +HOOFDSTUK XVI. + + Aankomst in Zwitserland en verblijf te Schaffhausen; bevattende + tevens belangrijke opmerkingen omtrent den invloed van een nieuw + schoeisel op lichaam en ziel. + + +"Zoo zijn wij dan nu waarlijk in Zwitserland!" riep Torteltak uit, +toen de conducteur den grenspaal aanwees, en de reizende heeren met +hem naast de diligence voortstapten. + +"Ik moet ronduit zeggen, dat het mij tegenvalt," verklaarde De Morder; +"en schoon ik er mij heel weinig van had voorgesteld, dacht ik niet, +dat de reizigers zoo onbeschaamd konden liegen in het opvijzelen der +schoonheden van dit land." + +"Maar het kan immers nog komen," zei Pols; "evenwel moet ik u ook +zeggen, dat het mij zeer verwondert, dat men van den _Mont blanc_ +nog niets kan ontdekken." + +"Dat zullen allemaal wel praatjes wezen van dien _Mont blanc_," +zei zijn ontevreden vriend; "ik geloof er ten minste niets van, +voordat ik hem met mijne eigene oogen zie." + +"Pas maar op," zei Veervlug, "dat de witte reus niets van uw ongeloof +verneemt. Hij mogt zich anders eens wreken, door u bij gelegenheid +met een _avalanche_ op te frisschen." + +"Het moet u een heele studie geweest zijn," zei Van Aartheim +aan De Morder, "om de tevredenheid en opgeruimdheid, die ik mij +verzekerd houd, dat dikwijls in uwe ziel plaats vinden, in termen +van ontevredenheid en wrevel te leeren uitdrukken." + +"Hm!" bromde de ander tot antwoord; "ik kan het niet helpen, dat mij +alles in de wereld tegenloopt." + +"En dat juist de _Mont blanc_ u tegen_staat_," grinnikte Veervlug. + +"Ik ben nu toch benieuwd naar die Arcadische schoonen en hare gracieuse +costumes," zei Torteltak. "Ik hoop toch eens in de gelegenheid te +zullen zijn, om den minnekout van een paar Zwitsersche geliefden af +te luisteren." + +Juist ontmoetten zij eene kar, die den berg afreed. Een jonge +Schaffhauser man lag er boven op te slapen; zijne pijp was hem +uit den mond gevallen; zijne bruin verbrande echtgenoote, met wolle +rokken en bloote voeten, hield het paard bij den teugel, om het tegen +het uitglijden te behoeden. Eene gracieuse beweging, die zij met de +lippen maakte, en een zekere dikte aan de linkerwang deden vermoeden, +dat de schoone niet afkeerig was van 't gebruik van pruimtabak. + +"Weet je wat mij spijt," zei Pols, "het is, dat ik te Donauëschingen +vergeten heb, het lapje groene zijde uit mijn koffer te krijgen. Dat +is, volgens Ebel, zoo goed voor de oogen, als men in Zwitserland +reist. En wij mogen nu, zoodra wij te Schaffhausen zijn, wel werk +maken van konijnenwollen kousen en schoenen met spijkers; anders kan +men hier in dit land niet loopen." + +"En dan mogen wij ook wel terstond voor Alpenstokken zorgen," zei +Torteltak; "want die zullen wij morgen ook wel noodig hebben, als +wij per diligence naar Zurich reizen." + +De Engelschman hield terwijl een zeer geanimeerd discours met zijn jong +vrouwtje, dat haar hoofd uit het portier hield; en toen de conducteur +de heeren verzocht weêr in te klimmen, daar men de hoogte had bereikt, +stond een van onze vrienden hem met genoegen zijne plaats in het +rijtuig af, en Hunshow had dus gelegenheid zijn gesprek fluisterend +voort te zetten. + +Ten twee ure arriveerde men te Schaffhausen; gelukkig nog met heldere +oogen en gezonde voeten, hoe zich ook Pols over het veronachtzamen +der in Zwitserland noodige voorzorgen had verontrust. + +De stad Schaffhausen is omtrent even merkwaardig, als sommige plaatsen +in ons dierbaar Vaderland, met name Kuilenburg, Buren en Montfoort. De +belangstellende vreemdeling kan daar zijne oogen doen weiden over +ouderwetsche gebouwen en vervallen woningen; hij kan struikelen over de +ongelijke keisteenen, die in bevallige wanorde in de straten schijnen +neêrgeworpen; hij kan opmerken, dat onder de takken van nijverheid +het bedelen eene aanzienlijke plaats bekleedt, en ervaren, dat, zoo de +kasteleins de manier niet verstaan om iemand behoorlijk te recipiëren, +zij evenwel in de kunst van declaraties in te leveren aanzienlijke +vorderingen hebben gemaakt. De merkwaardigheden aldaar zijn het +Opvoedingsgesticht voor dienstboden in, en de groote Rijnval buiten +de stad. In het eerste worden de beginselen der brei- en spelkunst +gedoceerd; ook geeft men er grondig onderrigt in het straatschrobben +en vaatwasschen. Weinige vreemdelingen geven zich evenwel de moeite +deze merkwaardige inrigting te gaan opnemen, misschien wel, omdat de +slechte bediening van de in dit gesticht opgevoeden hun geen groote +denkbeelden van deszelfs onontbeerlijkheid inboezemen. De kastelein +uit den _Faucon d'Or_, opmerkende dat onze reizigers veel eetlust +hadden, en voor 's hands nog geen kans ziende om hieraan naar eisch te +voldoen, ried hun aan, van deze oogenblikken gebruik te maken, om het +Dienstboden-instituut te gaan zien, daar het heden Maandag was, en men +dan onderwijs gaf in het stoven van aardappelen. De Engelsche dames +werden hierdoor geanimeerd, en daarom ook de Hollandsche heeren. Pols +bleef te huis; want hij wachtte den schoenmaker, om de schoenen met +spijkers te passen; hij durfde zijn Rotterdamsch schoeisel niet aan +de ongelijke straatsteenen van Schaffhausen wagen. + +Zeer voldaan keerde het gezelschap van dien togt terug. Zij hadden van +den _chef_ van het etablissement belangrijke wenken omtrent opvoeding +ontvangen, en waarlijk met bewondering de liefde van den ouden man +voor het dienstbare menschdom opgemerkt, die zelfs zoo ver ging, dat +hij voornemens was, het volgende jaar eenen Almanak voor dienstboden +uit te geven; iets, waartoe hij te meer aangemoedigd werd, omdat +deze klasse in Schaffhausen de talrijkste is. Veervlug merkte aan, +dat dan misschien de uitgave van een Annual voor bedelaars ook niet +onbelangrijk zou zijn, daar, gelijk wij reeds opmerkten, dit vak in +de stad zeer ijverig werd beoefend. + +Het _diner_ had niets merkwaardigs, dan dat men voor het eerst +Zwitsersche florellen nuttigde, die ongemeen grondig smaakten. Het +product van eenige nijvere bijen, in den vorm van eene honigraat, +sierde het dessert, en scheen zeer naar den smaak te zijn van een +aantal gonzende vliegen, die, in dit hotel gelogeerd, zware verteringen +schenen te maken, daar zij zich niet ontzagen iederen dag met een +grooter aantal vrienden aan den maaltijd te komen deelnemen. De +familie Hunshow kreeg den inval om den Portwijn van den kastelein te +proeven, en daar hij vrij goed scheen te voldoen, volgden onze vrienden +hun voorbeeld. Pols, dien middag zeer dorstig zijnde, en gewoon den +Duitschen landwijn in groote hoeveelheid te gebruiken, ledigde dikwijls +zijn glas en werd buitengewoon vrolijk; hij gevoelde zich luchtiger +dan ooit, en scheen nu wel lust te gevoelen, om den dans, waarin hij +gisteren zoo uitgemunt had, nog eens te beproeven. Hij schreef deze +luchtigheid toe aan de konijnwollen kousen, die sedert een paar uren +zijne beenen omsloten. Toen hij van tafel opstond, gevoelde hij op eens +de vrijmoedigheid om een Engelsch discours te voeren. Hij wendde zich +daarom tot _Miss_ Mary, en vroeg haar op vrolijken toon: "_How do you +do_?" De dame keek hem verwonderd aan. Zij scheen deze vraag vreemd +te vinden van iemand, met wien zij gedurende meer dan 24 uren bijna +onafgebroken in gezelschap was geweest, en die haar nu voor het eerst +bepaaldelijk toesprak. "_You speak English, Sir!_" vroeg zij hem.--"_A +little_," antwoordde Pols naar waarheid; want toen Mary nog een paar +andere phrases tot hem uitte, kreeg zij geen ander antwoord meer, dan: +"_I cannot understand you._" Van Aartheim, die in de nabijheid was, +nam spoedig het discours over, en spaarde Pols daarna ook de moeite, +om de _Miss_ op den togt naar den Rijnval te geleiden. + +Een uur vóór zonneondergang bereikte men dit punt. Men had den raad +van Ebel opgevolgd, om den togt derwaarts niet over Neuhaus te nemen, +maar den overkant van den rivier te houden tot aan het kasteel van +Lauffen. Reeds meer dan een half uur, voordat men aan de plaats kwam, +had men het gedruisch gehoord, door de nederploffing der rivier van +een hoogte van meer dan zestig voet veroorzaakt. In het eerst had +Pols gemeend, dat het kraken zijner nieuwe schoenen dit gedruisch +veroorzaakte; maar toen hij er de ware oorzaak van vernam, gaf hij +zijne verwondering te kennen, daar hij nooit iets dergelijks bij de +watervallen op Hartjesberg of Rozendaal vernomen had. + +Het gezigt van den Rijnval bij Schaffhausen, van den kant van +Lauffenburg, is waarlijk indrukwekkend. Wanneer men, op eens voor de +houten balustrade geplaatst, van de hoogte den breeden stortvloed, +door twee rotspunten gebroken, _en profil_ ziet, verdringt de schrik +voor een oogenblik de bewondering, waarmede het heerlijke schouwspel +u vervult; en wanneer men daarna in de diepte nederdaalt en van de +vierkante galerij, die onder de voeten trilt, een oog naar boven +opheft, en men ziet eene onmetelijke massa water met donderend geweld +naar den afgrond storten, en, op de rotsen gebroken, in wolken als van +sneeuw omhoogvliegen, om daarna als schuim weêr in de diepte verzwolgen +te worden, dan is men.... Ja, wie kan zeggen, hoe men dan te moede is? + +Van al de belangrijke punten nam ook ons gezelschap den grooten +waterval, die door menschen, welke nooit den Niagara gezien hebben, +dikwijls den Niagara van Europa genaamd wordt, in oogenschouw. Aller +verrukking was groot; maar ieder drukte ze op zijne wijze uit. De +Morder vond het heerlijk, maar miserabel dat het zoo'n barbaarsch +geweld maakte. Holstaff werd opmerkzaam, dat men, zoo men door den +vloed werd weggesleept, een gewissen dood ter prooi zou worden. Pols +wist niet wat hij zeggen zou, maar vond toch, dat die gewast linnen +manteltjes, die men daar, om niet doornat te worden, aantrekt, de +menschen allerkoddigst stonden. Hunshow kocht al de afbeeldingen door +den schilder Bleuler van de verschillende gezigtspunten des watervals, +schoon hij zelf moest bekennen, dat geen een er een flaauw denkbeeld +van uitdrukte. Van Aartheim begon met hem een geleerd discours over het +onvermogen der schilderkunst, daar, waar het treffende in de beweging +en in het gedruisch bestond, en was het ook niet met den Duitscher +eens, waarvan _M. le Comte_ De Walsh spreekt, die meende, dat men +zich door muziek van dit effect een denkbeeld zou kunnen vormen. + +Men vond het gepast, na een geruimen tijd in bewondering te hebben +doorgebracht, den Rijn over te varen en zich in het logement een weinig +te verfrisschen. Daar aangekomen, begon Pols over duizeligheid te +klagen, en toen men hem vroeg, of hij daarvan geen reden kon gissen, +schreef hij die geheel toe aan den invloed van den waterval. De +duizeligheid had overigens voor onzen vriend geene gevolgen, dan dat +hij op de terugwandeling moeijelijk regtuit kon loopen, waarvan hij +evenwel de reden meende te zien, dat zijne schoenen scheef gemaakt +waren. + +Torteltak, Veervlug en Holstaff hadden het genoegen de dames op dezen +togt te geleiden. Zij hielden het tot Neuhaus uit, met over den Rijnval +te spreken; maar toen dienden de discoursen op iets anders over te +gaan, zoo men niet in herhalingen wilde vallen. Men was wel onvoldaan, +dat men zoo weinig kon zeggen over iets, dat zoo diepen indruk gemaakt +had, maar vond het toch beter over iets anders te praten, dan te +zwijgen. De remplacerende gesprekken waren misschien belangrijk; maar +wij kunnen er niets van meêdeelen, dan dat de namen Grisi, Lablache, +Persiani en Rubini dikwijls door de _Ladies_ werden genoemd. + +Hunshow had Van Aartheim onder den arm genomen, en na eerst over +onverschillige zaken gesproken te hebben, zei hij op eens tot hem: +"Mijnheer, ik houd u voor een regtschapen mensch, maar hoe kent +gij Lurgrave?" + +Van Aartheim verbleekte en antwoordde niet. + +"Ik zag u met hem te Baden-Baden in een druk discours. Ik meen u +tegen hem te moeten waarschuwen." + +"Ik dank u voor uw raad," zei de ander; "maar ik ken hem door en door, +en verlang niets vuriger, dan voor altijd van hem ontslagen te zijn; +maar nog ben ik in zijne magt." + +"Ik wil niet verder doordringen in uwe geheimen," zei Hunshow, +"maar ik wensch u toe, dat gij spoedig van hem verlost moogt worden." + +"Dat geve de Hemel, en tevens, dat ik niet een der heeren, met +wie ik thans reis, door mijne onvoorzigtigheid aan zijne lagen heb +blootgesteld!" + +Men arriveerde ten 10 ure in het logement, zeer verfrischt en +aangenaam gestemd door de avondwandeling. Pols evenwel had wat +ligtheid in het hoofd en loomheid in de beenen; hij schreef het toe +aan de konijnenwollen kousen en de schoenen met spijkers. + + + + + +HOOFDSTUK XVII. + + Bevattende eene al te lange beschrijving van eene voetreis en + eene al te korte van een watertogtje. + + +Hoe aangenaam is het, eene voetreis te maken! Dat is eigenlijk toch +maar de ware manier van reizen. Dan smaakt men zeker dubbel zoo veel +genoegen, als wanneer men zich afhankelijk maakt van paarden, die in +redelooze haast voorthollen, of van stoommachines, die ook al niet +volkomen begrijpen, waarom zij zich zoo gezwind bewegen. Luchtig +en vrij wandelt men voort, in alles volkomen zijn meester, en met +innig welgevallen slaat men het oog op het valies, dat men torscht, +daar men met zelfvoldoening kan uitroepen: "_Omnia mea mecum porto!_" +Waar een schoon natuurtooneel bijzonder de oogen boeit, vertoeft men +zoo lang men lust heeft; en hoeveel ziet men niet, dat anders voor +het oog verborgen blijft! De voetreiziger dringt door op plaatsen, +waar anderen moeten achterblijven; wat hun beletselen zijn, zijn het +hem niet meer. + +Hoe bekoorlijk zijn de aanlokselen van deze manier van reizen! hoe +zalig is het, zich er in te verdiepen, vooral wanneer men in een +gemakkelijken fauteuil neêrzit, of op eene welgevulde sofa ligt +uitgestrekt! + +Maar ook wanneer de gewigtige morgen aanbreekt en den voetreiziger +met moed en in vrolijkheid zijnen togt begint, en gedurende den +geheelen dag, dien hij aan de negen of tien uren afstands besteedt, +zijn de genoegens onuitputtelijk. Ziet hem daar met luchtigen tred +voortstappen; het ongewone pak, dat hij torscht, geeft hem meer gemak +dan last. Hij fluit, en neuriet, en zingt; maar niet om zich den tijd +te korten, want hij bereikt het eerste station, terwijl hij nog meende +er een half uur van af te zijn. + +Maar was die al te groote dartelheid misschien hemzelven hinderlijk, +na de eerste pauze wordt hij bedaarder. Met gematigder tred vervolgt +hij zijn weg: de koelte des morgens is geweken en de liefelijke +stralen der zomerzon koesteren zijn gelaat; de poriën worden geopend, +en in milden overvloed stroomt het vocht van zijn voorhoofd af. + +Indien hij later halfweg van zijnen togt is, dan de zon van de haren, +dit bevreemde hem niet; want de voetreiziger weet, dat zij haar +dagelijksch tourtje maakt in een wagen, met fiere genetten bespannen. + +En waren deze de genoegens, die hij de eerste uren van zijnen togt +smaakte, wat zijn zij in vergelijking van de verrassingen, die nog +wachten! Als hij gemeend heeft dat er een abuis in de opgave des +afstands is, daar het wel drie uren zal zijn in plaats van twee, +is de kastelein in de herberg, waar hij weêr zal rusten, in staat +hem meê te deelen, dat men het gemakkelijk in anderhalf uur kan +gaan. Vraagt hij, als de togt op het laatst loopt: "Hoe ver nog van +de stad?" dan is het antwoord: "Anderhalf uur."--Dit bevreemdt hem, +want het is een half uur langer dan hij dacht; maar grooter nog is +zijne verwondering, als hij, na nog een half uur voortgegaan te zijn, +op dezelfde vraag tot antwoord bekomt: "Zeven kwartiertjes." + +Meent hij dat hij steentjes in de schoenen heeft, het blijkt +hem bij nader onderzoek, dat het eenvoudig blaren zijn, die zijn +voeten als extra schoeisel dekken. Vreest hij op het laatst, dat +hij nooit het doel zijner reize zal bereiken, hij vergist zich en is +aangenaam verrast, als de toren, die voor hem scheen uit te wandelen, +toch eindelijk vlak voor hem staat. Had hij den moed verloren, om de +straten der stad door te wandelen, als hij de groote steenen onder zich +voelt, worden de gewaarwordingen der ganzen op de gloeijende platen te +Straatsburg hem duidelijk. Meent hij dien dag, daar hij vermoeid is, +niet veel van de stad te zullen zien, al wederom eene verrassing; +zijn logement is aan het andere eind gelegen. En als hij dan, na +50 trappen opgeklommen te zijn, de uitsluitend voor voetreizigers +bestemde apartementen bereikt, bespaart hij zich, door gebrek aan +eetlust, groote kosten. In den slaap meent hij een berg te beklimmen, +die al hooger en hooger wordt, en den volgenden morgen, daar hij, +zijne harkstijve beenen op den grond zettende, op spelden meent te +trappen, mag hij, ten behoeve zijner voetzolen, _kirschwasser_ en +een draad saijet doen aanrukken. + +Ongelukkigen, die met postpaarden rijdt, hoe geheel anders zijn +uwe gewaarwordingen, wanneer gij in uw logement aankomt! Hoe +weinig aanlokkends heeft de kanapé, die u wacht! Gij put op éénen +dag genoegens uit, waarvan de voetreiziger twee of drie dagen +jouisseert. Wanneer gij in uw bed stapt, moet gij u nog de moeite +geven om de oogen te sluiten, daar ze hem van zelve toevallen; geen +enkele droom doet u in uw slaap opspringen. Al de recepten tegen +de ongemakken, die eene voetreis ten gevolge heeft, zijn voor u te +vergeefs opgeschreven. + +En o, hoe was het u te moede, toen gij daar, tegen de kussens van uw +rijtuig aangeleund, de wandelaars voorbijsneldet! Zaagt gij den blik +niet, waarmede zij uw lot beklaagden? Was het niet, alsof zij u om +uws zelfs wil smeekten uit te stappen? Waart gij niet jaloersch op +het zweet dat hunne aangezichten, het stof dat hunne schoenen bedekte? + +Leert dan inzien, waarin het wezenlijk genoegen bestaat. Leert het +van uwe postpaarden, dat slechts eene voetreis onuitputtelijk genot +oplevert; ziet hoe mismoedig zij de koppen naar de aarde laten hangen, +als zij worden afgespannen, en hoe het zweet hun uitbreekt van angst, +dat zij reeds naar den stal moeten terugkeeren. Leert het van een +troep militairen, die een geheelen dag met marscheren doorbrengen, +niet slechts in de eerste uren, wanneer hun lied: "Wij zijn mannen van +Oranje," of "Wie praalt aan 't hoofd der heldenstoet?" met luider stem +wordt opgezongen; maar later, wanneer zij stilzwijgend voortwandelen, +en hunne zaligheid overpeinzen, terwijl zij de zachte drukking van hun +modelgeweer nu eens aan hun linker, dan weêr aan hun regter schouder +gunnen; leert het vooral van hen, die op het laatst van den marsch +vreezen, dat hunne wandeling al te spoedig zal zijn afgeloopen, en +zich in het mulle zand neêrvlijen, totdat de onderadjudant door eene +vriendelijke manoeuvre met zijn stok hen aanport, hunne kameraden +niet te verlaten. + +Wanneer gij in uw rijtuig zit en uwen weg begint, dan is uw eenig +verlangen alles te zien; de wenschen van den wandelaar strekken zich +verder uit; hij verlangt naar den oogenblik, dat hij alles gezien +heeft. Wanneer gij te huis komt, hebt gij niets te vertellen, dan dat +de route heerlijk mooi was. De voetreiziger maakt hiervan naauwelijks +gewag; hij kan meêdeelen dat hij zoo moê was als een hond, en dat +hij in zooveel uren zijne knieën niet gebogen had. + +Het was misschien de overtuiging van dit alles, die Joachim +Polsbroekerwoud en zijn gezelschap deed besluiten, om, in plaats van +nog heden van calêche-gelegenheden gebruik te maken, de Zwitsersche +voetreis reeds te Schaffhausen te beginnen. Ebel gaf negen uren +afstands op van daar tot Zurich; en het was alleen omdat men het +noodzakelijke inzag, om in die stad een weinig te vertoeven, dat +men besloot den eersten dagmarsch niet langer te nemen. Van Aartheim +bragt wel in het midden, dat hem de tour vrij groot scheen, daar hij +het voetreizen bij ondervinding kende; maar dit scheen den overige +heeren niet genoegzaam, om hun plan op te geven. De ransels werden +door de moedige voetgangers met het noodige niet alleen, maar ook +met het overbodige gevuld, en de togt begon. Te Neuhausen passeerde +hun de calêche met de Hunshows, die men 's avonds te Zurich weêr zou +aantreffen; te Eglisau trachtte men eenige zwaarte, die zich in de +beenen deed gevoelen, door het drinken van Champagne bij het _diner_ +te verligten; te Bulach gebruikte men tot hetzelfde einde thee; te +Seeb begonnen de ranselriemen te knellen; schoon de ransels zelve +volstrekt niet hinderden; te Claudia was de _sehnsucht_ naar Zurich +tot den hoogsten trap gestegen; en toen men laat in den avond de +stad bereikte, waren de meesten in zulk eene stemming, dat het hun +onverschillig zou geweest zijn, indien zij, in plaats van te Zurich, +te Nes op Ameland of te Khruntschehow in Siberië waren aangekomen, +zoo er maar ordentelijke kamers met heel goede bedden voorhanden waren. + +In het _Hôtel de l'Epée_ werd het vermoeide gezelschap goedgunstig +opgenomen. Zij hadden de satisfactie, den kastelein te hooren +aanmerken, dat de door hen afgelegde weg de moeite der beschouwing +naauwelijks waardig was. Met treurigheid had de inspectie der voeten +plaats; in stilte werd de avond doorgebragt, in zwaren slaap de nacht; +en bijna vermoeider dan men naar bed ging, stond men den volgenden +morgen op. + +In deze positie ontvingen zij het bezoek van den Heer Hunshow, die hen +kwam uitnoodigen, om gezamentlijk een tourtje op het meer van Zurich +te maken, en daartoe terstond per as naar Rapperschwijl te trekken, +om 's avonds in een schuitje naar de stad terug te keeren. Het had +wel in het plan der vrienden gelegen, om nog heden tot Zug te reizen, +maar men meende zulk eene lieve propositie niet te kunnen afslaan, +en zag, behalve het aangename gezelschap en den heerlijken tour, +ook een dag te gemoet, waarop men de knieën gebogen kon houden; het +denkbeeld van rusten was in de gegeven omstandigheden het aangenaamste, +dat men zich kon voorstellen. + +De westelijke oever van het meer van Zurich levert zulke schoone +gezigten op, dat de personen, die geen Engelsch verstonden, zich niet +behoefden te vervelen, als zij niet wilden; maar anders was het wel +hard, geen enkel woord te begrijpen van een discours, dat met veel +levendigheid gevoerd werd, en allen, die er aan deelnamen, tot de +hoogstmogelijke vrolijkheid opwond. Vooral Van Aartheim en _Miss_ Mary +schenen heden onuitputtelijk in geestige gezegden, of, zoo als Pols +zich uitdrukte, in boertige kwinkslagen. Het doet ons zeer leed, niet +in staat te zijn gesteld, het gesprek hier meê te deelen; misschien +evenwel is het goed; want daar is in zulk soort van gesprekken dikwijls +zooveel, dat zijne charmes van de omstandigheden en de plaats ontleent, +dat zij bij de overbrenging te veel verliezen. Torteltak was verrukt; +nog nooit was hij met Engelsche dames zoo na in aanraking geweest, +en het was zijn lot nog al veel geweest, met zoodanige zijner schoone +landgenootjes te converseren, die, zoodra het discours eenigzins van +het heel gewone vervreemdt en de onderwerpen van toilet, amusementen +en de dingen van den dag een weinig op zij laat liggen, terstond in de +weer zijn met haar: "Heden, mijnheer! wat wilt u daarmeê zeggen?" of +"zoo hoog kunnen wij niet vliegen." Hij moest misschien wel vreezen, +dat deze dames op verre na zulke goede huishoudsters niet zouden +zijn, als de gemelde landgenootjes, daar zij veel belezenheid, ja +zelfs veel studie aan den dag legden; maar hij getroostte zich een +aangenaam discours te voeren, zelfs met zulke meisjes, wier handen +geheel verkeerd stonden tot het opdoen der natte wasch, en die op +geen handvol na konden berekenen, hoeveel zout er tot het koken van +aardappelen werd vereischt. + +In het logement _de Paauw_ te Rapperschwijl werd het middagmaal +gebruikt. Terwijl het gezelschap aan tafel zat, kwam een jong +mensch, armoedig gekleed, van een zacht, innemend voorkomen, maar +in wiens trekken iets heel melancholieks was, met een oude vrouw, +wier voorkomen minder innam, in de zaal. Zij plaatsten zich op een +kleinen afstand van het gezelschap, en de jongeling stemde de viool, +die hij onder den arm droeg. + +"Kom aan, muziek!" zei Veervlug: "dat is goed; dan kunnen wij ons +eten op de maat in den mond brengen." + +De jonge man begon een dier stukken uit te voeren, die men aan alle +publieke tafels in Duitschland hoort. + +"'t Is wat nieuws," zei De Morder. "Kastelein, je tracteert ons op +beroerde muziek." + +"Het is eene ongelukkige familie," antwoordde deze; "daarom laat +ik ze nog al eens aan de tafel toe. Die jonge man is van eene zeer +fatsoenlijke familie uit Zurich, en de vrouw, die hij bij zich heeft, +is zijne moeder. Haar man had, bij zijn sterven, zijn vrij groot +vermogen tusschen hen beiden verdeeld; maar zij heeft eerst haar +eigen goed en toen dat van haren zoon op eene schandelijke wijze +verteerd; later raakte zij ook aan den drank verslaafd, en haalde +zich door hare liederlijke levenswijs de verachting van iedereen op +den hals. De zoon was aan een meisje van eene ordentelijke familie +verloofd; maar zij verlangde van hem, dat hij zijne moeder aan haar +lot zou overlaten. Deze had toen juist het laatst van zijn vermogen +verteerd, en nu wilde de zoon haar niet aan armoede prijs geven; en +daarom offerde hij zijn geluk--want het meisje wilde nu niets meer +van hem weten--om den wil zijner moeder op. De arme jongen! want in +plaats van hem uit dankbaarheid naar de oogen te zien, behandelt zij +hem nog schandelijk, en verteert het geld, dat hij zoo zuur verdient, +in dronkenschap. Ik wou dat ik hem maar van haar los kon krijgen." + +De jonge muzikant was, toen hij de aanmerking van De Morder hoorde, +bloedrood geworden. Helaas! hij herinnerde zich den tijd, toen +iedereen hem om zijn middelmatig muzikaal talent toejuichte; maar +toen immers was hij rijk, en beoefende de edele kunst niet als eene +kostwinning. Doch toen nu de kastelein zijne geschiedenis verhaalde, +en hij de uitdrukkingen hoorde, die deze zich omtrent zijne moeder +veroorloofde, werd hij doodsbleek, en pijnlijke tranen kwamen in +zijne oogen. Hij wilde teruggaan; maar zijne moeder hield hem tegen, +en beet hem onvriendelijk toe: "Komaan! kunt ge niet meer spelen?" + +"Het spijt mij, dat ik het gezegd heb," zei De Morder; "maar ik kon +ook niet weten, dat hij een fatsoenlijk mensch was." + +"En gij vondt zeker de vrijheid," zei Van Aartheim, "om het eergevoel +van een minder fatsoenlijk mensch te kwetsen?" + +Van Aartheim scheen niet van oordeel, dat gemeene menschen geen +eergevoel kennen. + +Een weinig later ging de muzikant met zijn hoed in de hand bij het +gezelschap om. Van Aartheim had hem met belangstelling en innig +medelijden gadegeslagen. Misschien wist ook hij, hoeveel men soms om +den wil eener moeder moet opofferen. Toen de jongeling hem naderde, +wierp hij niet alleen ongemerkt een ruime gift in den hoed, maar +drukte tevens met hartelijkheid zijne hand. + +Op nieuw sprongen de tranen uit de oogen van den jongen man; maar nu +waren zij hem toch zoo pijnlijk niet als daar even. + +De familie Hunshow zag Van Aartheim met bevreemding aan. Deze deelde +haar de geschiedenis van den ongelukkige mede, zoo als hij die van +den kastelein gehoord had. + +"Een zeldzaam voorbeeld van kinderlijke liefde," zei de Engelschman. + +"Maar gelukkig een nog zeldzamer van moederlijke ontaardheid en +verhardheid," voegde Mary er bij. + +Toen het armoedige paar de zaal verliet, zag de moeder met woeste +vreugd de ruime collecte na; de zoon sloeg nog eens eenen dankbaren +blik op Van Aartheim. + +Een schuitje wachtte nu het gezelschap, om den tour over het meer naar +Zurich te maken. De togt werd door het heerlijkste weder begunstigd. Op +het lieve schiereiland Au stapte men voor een oogenblik aan wal, +en Torteltak deed zijnen vrienden het genoegen, de heerlijke Ode van +Klopstock, _der Zürchersee_, te reciteren. Het was laat, toen men in +het _Hôtel de l'Epée_ terugkwam, waar de vrienden van de Hunshows, +die nu eenen anderen weg dan zij heenreisden, moesten afscheid nemen, +in de verwachting evenwel van ze te Geneve weêr te zien. + +Den volgenden morgen vertrokken de voetreizigers in eene calêche +over den Mont-Albis naar Zug, waar het bijna altijd mistig en slecht +weêr is, en waar de regering, om de nagedachtenis der burgers eer te +bewijzen, en de bedroefde betrekkingen der overledenen te troosten, +de doodskoppen, zoodra het vleesch genoegzaam tot ontbinding is +overgegaan, met de namen van hen, wien zij toebehoorden, op den +schedel geplakt, in eene traliekast ten toon stelt. + + + + + +HOOFDSTUK XVIII. + + Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen + zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien + opgaan. + + +Voor het logement _de Zwarte Arend_, te Art, stonden reeds langer dan +een half uur Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden in volkomene +besluiteloosheid wat te doen. Zij waren daar van Zug aangekomen met +het vaste plan om den Rigi te beklimmen, en zouden reeds terstond +dit voornemen hebben ten uitvoer gebragt, zoo niet de drijvende +wolkjes, die zij vóór eenige uren ontdekt hadden, tot dikke wolken +waren aangegroeid, en zich zoodanig om de kruin des bergs hadden +vastgehecht, dat men verzekerd kon wezen, op den top geen uitzigt te +zullen hebben dan in den digten sluijer, die het landschap overdekte +en de communicatie van het heldere zonlicht met het frissche groen +en het doorschijnend water afsloot. Wel konden zij, zonder zich +hierover te bekommeren, den togt aanvangen; maar zij liepen gevaar +eene vruchtelooze reis te maken, en het hemelsche vocht, dat tot +verfrissching van gras en geboomte bestemd was, in hunne kleederen op +te vangen. Zij hadden reeds de zekerheid het heerlijke schouwspel te +zullen missen, als de zon, achter het blaauwe gebergte neêrzinkende, +bij haar afscheid een purperen gloed om zich heen werpt; als die +gloed zich langzamerhand aan de valleien onttrekt, maar nog een krans +van warme en bonte kleuren om de witte en koude toppen van het hooge +gebergte slingert, totdat ook deze weldra in schemering verkwijnen en +in duisternis versterven; maar aan den anderen kant, de wolken konden +in den nacht in regen worden opgelost, en hoe heerlijk zou dan, van +den hoogsten top des Rigis, het opgaan der zon over het verfrischte +landschap te aanschouwen zijn! + +De kastelein uit _de Arend_, om redenen, hem bekend, liever de +heeren nog niet willende afstaan, recommandeerde tot schâvergoeding +den zonsopgang over het Zugermeer, uit zijn logement gezien; en +Pols inclineerde hiertoe al spoedig, mits men, om toch ook een +ruim uitzigt te hebben, eene bovenkamer nam; maar Aloys Stadler, +een jeugdig winkelier in zwam, vuurslagen en tonderdoozen te Zug, +doch wiens nering minder winsten aanbood, dan het rondzwerven door +het gebergte als gids van rijke vreemdelingen, vreezende dat, zoo de +reis heden niet doorging, het zestal hem ontsnappen zou, en hij voor +niet zijn besten groenen rok, leverkleurigen pantalon en vuurroden +parapluie uit de kast zou hebben gehaald, bestreed dit voorstel met +warmte en kracht, door de verzekering te geven, dat in het gebergte na +regen altijd droog weêr volgt. Dit argument wist de kastelein niet te +weêrleggen, en ook de vrienden verkozen het in deze maar voor alles +afdoend te houden. + +"Welaan dan, met moed!" riepen zij uit; de veldflesschen werden met +_kirschwasser_ gevuld, en de vreemdelingen met Alpenstokken, en de +gids met zijn rooden parapluie gewapend, begonnen den togt. + +Het eerste uur gaans, wanneer men den Rigi van deze zijde beklimt, +loopt door weiden en bosschen, en de helling is zeer geleidelijk. Men +maakte dus de aanmerking reeds, dat de Alpenstokken heel wat meer +last dan gemak geven, en Veervlug begon over te hellen om aan de +afleiding van den naam des bergs van _Regina Montium_ boven dien van +_Mons Rigidus_ den voorkeur te geven. Stadler evenwel raadde hem aan +om zich niet met die afleidingen te vermoeijen, want dat zoo lang hem +en zelfs zijn vader, die ook gids geweest was, heugde, de berg nooit +een anderen naam dan Rigi had gedragen.--Het weêr hield zich beter +dan men gedacht had, en zonder tegenspoed bereikte men _das untere +Dächli_. Het uitzigt van dit punt is reeds schoon en ruim, en werd, +toen zij er aankwamen, genoten door een heer van omtrent 50 jaren. Hij +scheen in gepeins verzonken; maar op het zien der reizigers stond hij +eensklaps op en zeide: "Schoon niet waar? Ik zou wel plan hebben om +dit punt uit te teekenen." + +"Wel, doe het eens, Mijnheer!" zei Torteltak; "ook nu met dit sombere +weder kan het een heel bevallig schilderijtje opleveren." + +"Ja maar," zei de ander, "ik kan niet teekenen. Maar ik wil, zoodra ik +te huis kom, een meester nemen; en als ik de kunst onder de knie heb, +hier nog eens weêrom komen. Een leelijk gebrek in mijne opvoeding, +dat ik het niet geleerd heb. Als ik eens kinderen krijg, zal ik daar +beter in voorzien." + +"Ik wil u niet tauxeren," zei Torteltak; "maar daar behoort nog al +iets toe, om zoo iets onder de knie te krijgen." + +"Dat is niets, Mijnheer! vlijt en langdurige oefening kunnen daarin +veel te gemoet komen. Ik verbeeld mij, als ik eens een jaar of twaalf +in een _atelier_ doorbragt, en dan eens een Italiaansch kunstreisje +maakte, dat ik een heele bol kon worden. Dan verkocht ik mijne affaire, +en ik zou, geloof ik, nog wel naam kunnen maken als schilder. Doch +ik heb geen plan om de jonge schilders in hunne fantastische +kleedingswijze te imiteren, maar wel in hunne vrolijkheid. Ik gevoel +dat ik aanleg heb om schilder te worden; want ik ben altijd vrolijk." + +Torteltak recommandeerde zich, om dan ook bij gelegenheid zijne +kunststukken eens te mogen zien, en de oude heer gaf hem terstond +zijn adreskaartje. + +Boven _das untere Dächli_, waar de beschilderde kruisen den weg in +stations verdeelen, tot aan de kapel van _Maria zum Schnee_, wordt de +weg steiler en moeijelijker. "Het spijt mij," zeide de oude heer, "dat +ik het plan, dat ik had, toen ik hier de laatste maal was, om eenen +straatweg over den Rigi aan te leggen, niet ten uitvoer heb kunnen +brengen. Dat zou het beklimmen merkelijk gemakkelijker gemaakt hebben." + +"Ik wou dat gij het gedaan hadt," zei De Morder, "want het is nu +in het geheel geen weg voor een fatsoenlijk man; zelfs met deze +miserabele stokken heeft men nog ieder oogenblik kans, om armen of +beenen te breken." + +"'t Spijt mij ook," zei de oude heer; "maar ik werd gecontrarieerd; +niemand wilde acties nemen, en mijne middelen lieten het niet toe, +om het geheele geval voor eigen rekening te nemen. Dat heeft mij al +meermalen gehinderd in het uitvoeren van waarlijk goede plannen. Hier +in mijn portefeuille heb ik nog een project, om den loop van den Rijn, +bij den waterval van Schaffhausen, te verleggen, door het graven +van een kanaal van boven de stad tot aan Rheinau. Dat zou den handel +van Zwitserland verbazend bevorderen. Hier is het; zie het eens in, +Mijnheer!" zeide hij, zich tot Van Aartheim wendende. + +"Het plan is mooi," zei deze, "maar het eenige, dat ik er op aan te +merken heb, is, dat het onuitvoerbaar is." + +"Dat is mij meer gezegd," zei de oude heer, zonder zich eenigzins aan +deze aanmerking te ergeren; "maar het is geen reden, om het niet eens +te beproeven." + +Tot aan het vierde kruis, waar zich de weg van Lowerz met dien van +Art en Goldau vereenigt, en waar de steilheid weêr vermindert, bleef +het weder goed, schoon de donkerheid, door de wolken veroorzaakt, op +de duisternis des avonds anticipeerde; maar toen begon een liefelijke +regen in overdadige mildheid neder te vallen. De gids bediende zich +van zijnen parapluie om droog te blijven, en raadde den reizigers +van hunne stokken gebruik te maken, om spoedig aan het _Hospitium_ +te arriveren. Deze raad was evenwel gemakkelijker gegeven dan +opgevolgd. De weg werd er door den regen niet beter om. Sommigen +der reizigers begonnen te morren, zonder daarom de nederdaling des +regens te stuiten; de anderen stapten zoo moedig voort, alsof er +niets gebeurde; de oude heer zeide, dat hij wel plan zou hebben, om +zijn mac-intosh uit zijn valies te halen, zoo hij dat niet ongelukkig +te Zurich had laten liggen. Maar met dat al, de bui werd zoo hevig, +dat in weinige oogenblikken aller kleederen doortrokken werden, +en de omgebogen hoedenranden het water bij wijze van goten in den +hals en langs den rug uitstortten. Gelukkig bood, na een eindweegs, +eene overhangende rots eene schuilplaats aan, waar men ten minste +eenige oogenblikken de bui kon afwachten. + +Een kleine vergoeding voor het doorgestane leed bood het uitzigt, dat +men van hier op de vallei had. De lucht was, zoo ver men zien kon, +met donkere wolken bedekt. Overal daalde de regen in dikke stralen +neder; maar op één punt was de lucht gebroken, en in het midden der +graauwkleurige landstreek zag men het schoone kleine meer van Lowerz +in een helder licht, en het bevallige eilandje Schwanau, waarover de +zon al haren glans scheen uit te storten. + +"Neen maar waarlijk," zei Pols, terwijl hij zijne natte wangen en +voorhoofd afdroogde, "dit uitzigt is een gulden waard." + +"Ik zou wel plan hebben," zei de oude plannenmaker, "om hier een stukje +lands te koopen en een koepel te bouwen; want het is hier een gezigt, +waaraan men zich niet kan verzadigen." + +"Het zou een perfecte gelegenheid wezen voor een theetuin," zei Pols, +wien het op eens inviel, welke aangename middagen hij in der tijd bij +zijne tante te Rotterdam, die een theetuin in de Keerweerlaan had, +plagt door te brengen. + +"Het is jammer, dat het voor u beiden wat ver van huis is," hernam +Torteltak, die op het kaartje van den ouden heer gezien had, dat hij +zijn domicilium te Stutgard hield. + +"Dat is niets," zei deze: "heeft Mijnheer geen zaken omhanden?" + +"Voorloopig nog niet," antwoordde Pols; "ik ben advocaat, maar ik +practiseer niet." + +"Juist," zeide de ander, "dat is zoo goed als vrij man: dan moesten +wij zamen op dat eilandje Schwanau eene fabriek oprigten van zoeten +wijn, uit zure appelen getrokken; dat kan hier wel opnemen, want de +wijn is in deze streek niet best." + +Pols glimlachte en zeide, dat hij zich nog eens bedenken zou. Hij +dacht in zichzelven: "Wat zou Mijntje wel zeggen, als ik haar eens +proponeerde om naar Schwanau te verhuizen!" + +Omstreeks zeven ure bereikte men het _hospice_ en de woning der +Capucijnen: men had zich genoodzaakt gezien, de reis te vervolgen, +voordat de regen geheel ophield, daar de bui het air had nog niet +spoedig te zullen overdrijven. Een oud eerwaardig vader ontsloot de +deur en bood den reizigers verkwikking aan; hij leidde hen daarna rond +in het kleine gebouw, en introduceerde hen ook in zijne enge cel. Het +zag er treurig uit in dat bouwvallig vertrekje; het was maar gelukkig, +dat de kleine glasruitjes weinig licht toelieten om deze vervelooze +wanden en halfvermolmde meubels te beschijnen; maar toch, de Capucijner +zeide nog met zeker welgevallen: "Ziet, deze kamer is de mijne." + +"Zij is waarlijk niet te ruim en te gemakkelijk," zei De Morder. + +"Ik zou mij hier gruwelijk vervelen," zeide Pols: "des zomers zou +het nog gaan, als er veel vreemdelingen komen; maar 's winters moet +het hier al akelig eenzaam wezen." + +"Ik zou wel plan hebben ook een klooster te laten bouwen, als zoo +iets bij de Lutherschen mode was," zeide de oude heer; "maar ik zou +het alles wat op een grooter en ruimer voet inrigten, en wat meer +gelegenheid tot amusementen geven, om de eentonigheid te verminderen." + +De Capucijner glimlachte. "Gij zoudt er anders over denken," zeide hij, +"indien gij, zoo als ik, 60 jaren in deze cel gewoond hadt. Wat zou ik +hier meer verlangen? Is het hier niet ruim genoeg voor mij alleen? Heb +ik niet mijn kruisbeeld en mijn gebedenboek? En als ik 's avonds +den helderen hemel uit mijn venster aanschouw, zie ik dan niet mijne +toekomstige woning daar, nog hoog boven die maan en sterren? Zegt mij, +hebt gij in uwe ruime zalen en prachtige steden een helderder uitzigt?" + +"Ik zou het lot van dien monnik in zijne enge cel begeerlijk kunnen +vinden," zei Van Aartheim tot Torteltak. + +"Ik ook," zei deze; doch terwijl hij het oog sloeg op zijn fijne +polonaise, dacht hij: "Maar toch die grove pij; het is al te erg." + +Op de Rigistaffel werd niet gepoosd, schoon De Morder, die vrij +vermoeid was, eene motie deed om hier te blijven, daar hij niet +wist waarom de _Kulm_ ook juist hooger dan de _Staffel_ moest +wezen. Gelukkig kwam weldra het _Wirthshaus_ van Burgi Ritschard +in het gezigt; want het werd zeer duister, en de regen hield nog +gestadig aan, schoon nu nog al met sneeuw vermengd. Het laatste eind +was echter het glibberigst, en het noodlottig gevolg hiervan was, +dat Holstaff, die in gepeins verzonken voortwandelde, uitgleed en +zijwaarts in een vijf à zes voeten diepen kuil viel. De eerste kreet +van den ongelukkige was: "Hemel! ik val in den afgrond!" maar de tweede +bragt de geruststellende tijding over, dat hij slechts zijne beenen +gebroken had, en dus onmogelijk een voet verder verzetten kon. Pols, +heel confuus, maar toch dadelijk hulp willende aanbrengen, vroeg +aan den gids, waar hier ergens de beste chirurgijn woonde. Aloys +Stadler antwoordde heel bedaard, dat hij de keuze had tusschen Zug +en Lucern. De andere vrienden staken de handen uit, en namen den +ongelukkige tusschen zich, die hun weldra verzekerde, dat hij geloofde, +slechts een zijner beenen gebroken te hebben, maar dat hij nog onzeker +was, welk van beiden. Hij klaagde tevens over eene hevige wondkoorts, +die hem terstond geattaqueerd had, en die, zoo hij de beenbreuk al +overleefde, hem zeker wel langzamerhand zou ondermijnen. De vrienden +troostten hem zoo goed zij konden. Pols stapte met Stadler driftig +vooruit, om vast alles in het logement te prepareeren, en vernam +van dezen, dat zijn vriend er toch nog beter afgekomen was dan de +_Königlich Preusische Oberförster_, Friedrich Wilhelm von Bornstett +_aus Rathenow_, die anno 1826, een weinig hooger op, in eene diepte +gevallen was van ongeveer 2000 voet, en zijne _Frau Gemahlin_ als +weduwe in het _Kulmhaus_ had achtergelaten. + +"Wij komen met een zieke," zei Pols tot den kastelein, "iemand +die bijna doodgevallen is; dus zouden wij gaarne eene goede kamer +hebben, maar liefst niet voor aan 't huis, waar de drukte van +de passage is." De kastelein was in de gelegenheid hem van dien +kant gerust te stellen, en raadde hem aan, om maar in de groote +zaal intrek te nemen, omdat daar een warme kagchel stond en die +nu geheel tot hunne dispositie was. Weldra volgde de lijder, door +vier vrienden ondersteund, telkens bij het neêrzetten zijner beenen +onderzoekende, welk toch gebroken was, en nog immer in dezelfde +pijnlijke onzekerheid. Van Aartheim raadde hem voorloopig maar te +gaan zitten, en schreef een preparaat voor, dat den lijder in de +koorts en hun allen tegen den schrik dienstig zou zijn, uit een +mixtuur van Jamaica-rum, citroenen en suiker, aangelengd met kokend +water, bestaande. Holstaff werd ontkleed en kreeg drooge kleêren +van den kastelein; de gekwetste leden werden onderzocht; doch de +wonden schenen, oppervlakkig beschouwd, alleen de spieren getroffen +te hebben, die hier en daar van vel ontbloot of met bonte kleuren +geteekend waren. Pols, een weinig gerustgesteld, had het genoegen, +ditmaal den door hem meêgevoerden Spijkerbalsem te _zien_ appliceren. + +Terwijl ook de andere vrienden zich zoo veel mogelijk in drooge +kleederen staken, vroeg Holstaff om papier en pennen; hij wilde +nog een brief aan zijne ouders schrijven, en vond het beter, dit nu +maar te doen, terwijl hij nog present was. Hij begon ook dadelijk +met bevende hand en vochtige oogen: "Lieve ouders! als gij dezen +ontvangt, is welligt..."--"Hier is een drankje," zei van Aartheim, +hem een glas rookenden punch aanbiedende; "om het half uur een +glaasje." Holstaff dronk het glas in één teug leêg, en ging daarna +voort met schrijven; "uw levensgeluk verstoord."--"Hoe gaat het +met de koorts?" vroeg Torteltak.--"Akelig," zei Holstaff; "ik begin +schrikkelijk te gloeijen."--Hij legde de pen neêr, en voelde zichzelven +den pols.--"Kom, je moest nog maar eens innemen," riep van Aartheim; +"het eerste glaasje was niet vol."--Holstaff nam den aangeboden drank +weêr heel gewillig in, en ging toen voort: "Een mijner vrienden zal +u mededeelen... Wie uwer," vroeg hij snikkende, "wil zich met den +brief aan mijne ouders belasten?"--"Komaan!" zei Pols; "je moet zoo +akelig niet praten."--"Wou Mijnheer een brief naar Holland bezorgd +hebben?" vroeg de oude heer: "ik heb plan, als alles wel lukt, binnen +kort een reisje derwaarts te ondernemen."--Holstaff bleef in gedachten +verzonken, totdat hij eindelijk, na nog een glaasje punch gedronken +te hebben, zijne vrees openbaarde, dat hij waarlijk onpresent zou +worden. En werkelijk, weldra stond hij op, en zonder aan het gevaar +te denken, waaraan hij zijne gebroken beenen exponeerde, liep hij +met groote stappen op en neder, jammerde, dat hij zijn brief niet had +afgeschreven, voordat de koorts zoo hevig werd. Torteltak raadde hem +troostend aan, om de boodschap bij den retour maar in persoon over te +brengen; en de ongelukkige lijder, geen beteren troost bij een der +vrienden vindende, zocht, door zich op een matras neder te vlijen, +heul en kalmte in de rust des slaaps. + +Zijn voorbeeld werd door de anderen spoedig gevolgd; geen hunner +scheen lust te gevoelen om de koude bovenkamers te betrekken, en dus +werd de warme gezelschapszaal tot slaapvertrek ingerigt. De kastelein +beloofde, zoo het noodig was, hen bij tijds te zullen wekken, en in +de overtuiging hiervan sliepen zij gerust in. + +Een half uur vóór zons-opgang gaf de wachter op de Belvedère het sein, +dat de regenwolken waren weggedreven, en de morgen helder en schoon +was. Haastig gaven de reizigers en ook Holstaff, die nog niet dood was, +aan die roepstem gehoor, en wachtten van het hoogste punt des bergs, +trillende van ongeduld, maar nog meer van koude, de aankomst van +de zon af. Daar zagen zij langzamerhand in het oosten... maar wij +willen maar niet trachten te beschrijven, wat wij zagen. Honderden +reisbeschrijvers hebben getracht dit tafereel met levendige kleuren +te malen, en hoe schoon zij het ook gedaan hebben, zij eindigen allen +met te zeggen, dat het er eigenlijk nog niets naar gelijkt; honderd +anderen hebben er zich afgemaakt, met te verklaren, dat geen mensch +in staat is, er eene flaauwe schets van te geven. Wij zullen, na die +afdoende uitspraak, maar niets anders zeggen dan dat de zon extra +mooi opging, dat het geheele panorama zich in zijne volle schoonheid +vertoonde, dat het opkomende licht weêr een heerlijk effect maakte +op de vallei aan de eene en de sneeuwbergen aan de andere zijde, +en dat de kastelein zijne gewone morgenverklaring aflegde, dat de +reizigers het uitmuntend troffen, want dat hij de zon nog nooit zoo +mooi had zien opgaan. De verrukking der vrienden was uitermate groot; +daar waren er, die, diep ontroerd van het heerlijk schouwspel beneden, +hunne oogen aanbiddend omhoog sloegen; daar waren er, die met hun +guide in de hand, de meren natelden, of zij er wel alle dertien op +hun post waren, en die bij elken toren, welken zij zagen, getrouw +informeerden, aan welke stad of dorp die toebehoorde; anderen weder +riepen, bij het zien van een zoo groot gedeelte van Zwitserland, +de schimmen op der Zwitsersche helden, van Divicon af, die eerst als +jongeling de legers der Romeinen versloeg, en vijftig jaren later, +Julius Caesar in het aangezigt weêrstond, tot de lange rij van dapperen +toe, die in de 14e eeuw de vrijheid van hun Vaderland tegen tiendubbele +magt bevochten; van Tell en het driemanschap van den Grutli, van de +Erlachs van Donnabuhl en Laupen, van de dappere Schwytzers, die zich +bij Morgarten onsterfelijke lauweren gaarden, van Ryzig en Chaldor, +de Tells van Appenzell, van Winkelried, die bij Sempach de speren der +vijandelijke ruiters op zijn eigen hart verzamelde, om zijne vrienden +de overwinning te verzekeren; daar waren er, die, zich in vrouwelijken +heldenmoed verdiepende, de gade van Werner Stauffacher aanriepen, +welke zelve haren man het zwaard in handen gaf, om de vrijheid van +het Vaderland te bevechten; en de dappere vrouwen en meisjes, die +door hare tegenwoordigheid alleen de Oostenrijkers verdreven, op den +berg Stoss terugwenschten; die beurtelings de zachte Julia Alpinula +aan de voeten van den Romeinschen Veldheer, het leven van haren vader +afsmeekende, en de wanhopige Helvetische vrouwen bewonderden, welke, +uit vrees haar kroost slaven te zien worden, hare zuigelingen tegen +de casques der vijanden verpletterden; daar waren er, die morden, +omdat zij Zwitserland een weinig te laat bezochten, om de prachtige +steden Aventicum en Vindonissa in haren grootsten bloei te zien; daar +waren er, die plan zouden hebben, om op dit uitzigt een vers te maken, +indien zij het door langdurige oefening zoo ver konden brengen, dat +zij geboren dichters werden; en eindelijk, die het allercharmantst, +maar toch verbazend koud vonden. + +Toen zij eenige uren later den Rigi naar Kussnacht afdaalden, +bejammerde niemand hunner het, dat zij dezen morgen met het natte +pak van gisteren avond hadden moeten loopen; en zelfs Holstaff was +niet meer treurig, dat het effect, 't welk zijn laatst vaarwel bij +zijne ouders zou gemaakt hebben, door zijn al te spoedig herstel +vernietigd was. + + + + + +HOOFDSTUK XIX. + + Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste dagen van + zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen bitter + wordt teleurgesteld. + + +Het is wel aangenaam voor vreemdelingen, in een hotel te logeren, +dat in eene niet al te breede straat gelegen is; want indien er in +zulk een straat nog al veel passage is, dan noemt men het een vrolijke +stand; dan kan men, op eene bovenkamer logerende, als men zijn ligchaam +ter halverwege uit het venster steekt, verscheidene menschen op het +hoofd zien, en eene aangename en bonte verwarring van vilten, stroo- +en zijden hoeden ontwaren; men heeft daarenboven den vrijen inkijk bij +de overburen, kan zich vermaken met het gezigt van heeren, die hunne +kin en wangen voor een scheerspiegeltje inzeepen; van dames, die een +kastanjebruinen tour over vuurroode haren vastbinden; van moeders, die +hare geluijerde lievelingen in zulk eene positie plaatsen, dat zij zich +bont en blaauw moeten schreeuwen; van oudere telgjes, die figuurtjes +op de glasruiten duimelen, en, als zij u ontdekken, dikwijls gereed +zijn u de inspectie hunner tongen te vergunnen; van dienstmeisjes, +die uit het raam van een bovenvertrek een luchtje scheppen, eene +bezigheid, waaraan zij bij hare mevrouwen den veelbeteekenenden +naam geven van eene kamer op te ruimen; indien verder de familie +in eene voorkamer dejeuneert, kan men opmerken, hoe oneindig veel +aftreksels men van eene zeer geringe dosis thee kan maken, en hoe +groot een aantal boterhammen de kinderen aan groote brokken in den +mond en kruimels op den grond kunnen consumeren. Men ziet dan schrale +en overdadige _dejeuners_, met slappe thee of met sterken Portwijn, +met magere boterhammetjes of met _foie gras_, met beefstuks of met +pillen; ja, daar zijn logementen, waar men de overburen met gloeijende +en saprijke sleep-asperges ziet ontbijten. + +Dit genoegen misten onze reizigers in het _Hôtel du Cygne_ te Lucern, +daar dit logement ongelukkig niet in eene straat, maar aan het _Lac +des quatre Cantons_ is gelegen. Zij moesten zich dus vergenoegen met +het uitgestrekte uitzigt over het blaauwe meer, tot waar het zich +bepaald ziet door de bevallige heuvelen, rijk met dennen en ander hout +begroeid; daar achter zagen zij de lange bergketen van den vruchtbaren +Rigi met welig groen omzoomd, tot de sombere rotsen van den Pilatus, +tegen wier spitsen zich de wolken braken; het hoog en frisch geboomte +spiegelde zich in het helder doorschijnend water; vruchtbare velden +waren als een bloemenkleed tegen de helling des bergs uitgespreid, +en gaven eene aangename afwisseling aan het oog, dat in het verder +verschiet gerust had op de hooge bergrotsen, wier naaktheid alleen +door een sneeuwgewaad wordt bedekt. + +Het kostte den vrienden weinig moeite om het den kastelein te vergeven, +dat hij aan deze plaats tot de oprigting van zijn etablissement de +voorkeur gegeven had boven de enge straten der stad. Moesten zij +zich al vergenoegen met het gezigt op bergen en meren, waar zich +slechts weinige menschen bewogen, in plaats van een groot aantal +hunner natuurgenooten in een klein bestek bijeen te zien; welnu, het +stond hun vrij hunne verbeelding den vollen teugel te laten, en het +liefste plekje, dat zij voor zich zagen, met die zij het liefst om +zich wenschten te bevolken. Het is een privilegie van den reiziger, +om eene landstreek, die hem bij uitstek bevalt, de zijne te denken, en +op die manier kan hij eigenaar zijn zonder kooppenningen te betalen, +en een talrijk gezelschap honderden mijlen ver overvoeren zonder een +stuiver reisgeld uit te geven. Het is een privilegie, waarvan vooral +jonge menschen, die in de kracht van hunnen wenschleeftijd zijn, die +nog niet al te veel in de wereld der wezenlijkheid te huis behooren, +en door een lange tehuisblijf-onderving tot het resultaat gekomen +zijn, dat er geen land beter is dan het hunne, en in dat land geen +plekje aangenamer dan juist dat, waar zij wonen, nog al eens gebruik +maken. Zij doen echter wijs, indien zij deze droomen en jeugdige +voorstellingen in hun eigen borst bewaren, en ze vooral niet aan +menschen, die wijs en van ondervinding zijn, meêdeelen; want velen +hunner zijn voorkomend genoeg, om den jeugdigen gloed, dien de tijd +langzaam en behoedzaam verkoelt, door hunne ijskoude aanmerkingen op +eenmaal uit te blusschen. + +Daar waren er zeker onder de vrienden, die allen, met uitzondering +van Pols, reeds een geruimen tijd in den morgen op het balkon van het +hotel hadden neêrgezeten, wie de landstreek, op welke zij het uitzigt +hadden, tot zulke bespiegelingen aanleiding gaf. Zij hadden daarom +ook naauwelijks opgemerkt, dat hun waardige vriend heden tegen zijne +gewoonte laat uit zijne slaapkamer te voorschijn kwam, en misschien zou +zijne aankomst in hun midden nog niemands aandacht getrokken hebben, +zoo niet een extra glans van genoegen en de bijzondere sierlijkheid +zijner kleeding al te in het oog loopend was geweest. De blaauwe jas +toch had heden voor een zwarten rok plaats gemaakt; een uitvoerige +jabot kwam uit een wit vest te voorschijn, en een zomerpantalon +met roode streepjes (een patroontje, dat hem zijn kleêrmaker in +der tijd, als zeer gedistingueerd, had aanbevolen) voltooide zijn +kostuum; een treffend schoon horlogiebandje, met kraaltjes gewerkt, +hing over het vest, en eindigde in een kolossalen gouden sleutel, +opgevuld met menschenhaar, afkomstig van de hoofden van de oude lieden +Polsbroekerwoud en den jeugdigen Joachim zelven, voorgesteld onder +de gedaante van twee kirrende tortels en een jong duifje op den rand +van het nest. + +Geen der vrienden kon de oorzaak bevroeden dezer belangrijke +gedaanteverwisseling. Pols was bij hen te wel bekend, als weinig werk +makende van zijn toilet; en schoon ook nu zijn dos alles behalve +datgene was dat men een goede kleeding noemt, hij scheen het er op +toegelegd te hebben, om eens mooi voor den dag te komen. De goede +man werd dus dadelijk met allerhande vragen bestormd, en had de +satisfactie van werkelijk effect te maken. In het eind gaf hij te +kennen, dat deze feestkleeding zijn gewone was op elken 22sten Juli, +als zijnde de belangrijke dag, waarop hij het eerste levenslicht had +gezien. Een stroom van gelukwenschen daalde nu neder over het hoofd +van den jarige, en men juichte hem toe wegens den inval om zich dezen +dag zoo feestelijk te tooien. + +Deze uitdrukking was maar half in den geest van Pols. Hij was zoo +gewoon den dag, waarop hij geboren was, jaarlijks plegtig te vieren, en +hij had van zijne vroegste jeugd altijd zoo velen om zich gezien, die +dan in feestelijke stemming waren, dat het hem bijna vreemd voorkwam, +dat er menschen zouden kunnen bestaan, die den 22sten Juli niet als +een merkwaardigen dag beschouwden. Hij kon het zich nog voorstellen, +hoe hij als een klein kind op dit feest altijd zijn beste pak mogt +dragen; hoe hij 's morgens bij zijn ontwaken voor zijn bedje een +grooten koek zag liggen, met eene inscriptie _ter uwer verjaring_, +_op uwen geboortedag_, _tot gelukwensching_, of iets dergelijks, en +hoe dan de persoon, die hem deze verrassing bereid had, niemand anders +dan zijn goede Mijntje, het oogenblik van zijn ontwaken bespiedde, +om zijne vreugd te genieten; hoe hem dan beneden van vader en moeder +teedere omarmingen en warme kussen wachtten, en hoe hij begeerig +zijne oogen naar de tafel opsloeg, waar de feestgeschenken lagen +uitgespreid; hoe hij nooit op dien dag naar school behoefde te gaan, +maar zelf naar het afgebrande huis mogt wandelen, om besten _janhagel_ +te koopen, waarop neef en nicht Van Kroesen en oom en tante Molslag +en Jansje uit de Lommerdstraat, als zij hunne gelukwenschen hadden +uitgestort, werden getracteerd. Hij stelde zich nog de avonden van die +feestdagen voor, waarop hij met dat lieve Jansje en nog een paar andere +nichtjes huishoudentje speelde; want in zijne kinderjaren behaagde +hem de conversatie met meisjes oneindig meer dan die met zijne woeste +kernuiten, aan welke hij dikwijls een blaauw oog of een bloedneus te +danken had. De verjaardagen uit dezen tijd van zijn leven stonden onzen +vriend het duidelijkst voor den geest, en gaven hem de genoegelijkste +herinneringen. Maar later toch ook waren het aangename feesten; de +_cadeaux_ werden langzamerhand grooter. Zijn vader schonk den leerzamen +jongeling bij zulke gelegenheden menig solied boekwerk: Van der Aa, +_Geschiedenis van den Oorlog_; Kok, _Vaderlandsch Woordenboek_, of +dergelijken. Zijne moeder liet altijd een kolossalen tulband bakken; +want ook de feesten werden deftiger, en Joachim wist zich reeds heel +goed als held van de partij te houden. Gedurende zijn verblijf te +Leyden plagt hij 's morgens eene uitgebreide waterchocolaadpartij te +geven, en verder eene lieve _soirée_ aan zijne uitverkorenen, waar +dan de stroopzolen en de peperkoek, die per pakschuit van Rotterdam +arriveerden, werden genuttigd. Was het dus wonder, dat Pols, die nog +nooit zijn verjaardag ongevierd had doorgebragt, zich ook heden te +Lucern in zijne feestkleeding vertoonde? + +Helaas! dat het onschuldigst genoegen zoo vaak door de omstandigheden +wordt verstoord! Moest juist heden een heir van onaangenaamheden en +droevige voorvallen tegen den feestvierenden jongeling aanrukken? Moest +al zijne vreugde vergald worden, en zijn vijfendertigste verjaardag +met zwarte kleuren in zijn dagboek worden aangeteekend! + +Toen men zich op weg begaf, om de merkwaardigheden der stad in +oogenschouw te nemen, moest men, daar het water van het meer door +zwaren regen en dubbelen toevoer van de bergstroomen tot eene onmatige +hoogte gestegen was, om uit het logement op de hoogere straten te +komen, over planken en noodbruggen voortgaan, daar de weg voor het +hotel geheel en al overstroomd was. Deze onaangenaamheid had evenwel +voor Pols iets aangenaams, daar het hem onwillekeurig aan Rotterdam +bij springvloed deed denken. Hij stapte dus vrolijk over de smalle +planken voort; maar ziet, eene calêche, die door het water heenrijdt, +passeert hem, en de onzachte beweging der paardenpooten in den +stroom is oorzaak dat zijn hagelwitte jabot geheel door slijkspatten +bezoedeld wordt. "Het is onaangenaam," zegt Pols; doch hij troost +zich, en haalt zijn bonten zakdoek voor den dag, om de ramp zoo veel +mogelijk te herstellen. Maar helaas! door de te hevige wrijving met +den doek springt het beeldschoone horlogiebandje los, en de gouden +sleutel, met de zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksgeluk +zijner ouders, ploft eensklaps in het water. Dit is te veel! Schrik en +droefheid betwisten zich het regt over des jongelings gelaatstrekken; +maar zijn besluit is spoedig genomen; hij bukt, waagt zijn geheelen arm +en het beste ongedecartiseerde laken aan het modderige vocht--en niet +te vergeefs; want hij redt het voorwerp, dat hem van onberekenbare +waarde is; maar ach! door den val is het glas gebroken, en de haren +projectilen zijn van haren glans en zuiverheid beroofd. Treurig slaat +Pols zijn oog er op, maar terstond is hij weêr met den zakdoek gereed; +hij wil de vochtige vleugels der diertjes zachtkens afdroogen; doch +hij berekent niet, dat haar eenige hechtsel aan het plaatje lijm is, +en zijne verbazing grenst aan wanhoop, toen hij bemerkt dat de veertjes +aan den doek kleven. Gelukkig is nog slechts het duifje op het nest +gewond; dit verlies is nog beter te herstellen, dan wanneer een der +kirrende tortels eene kwetsuur had ondergaan. Behoedzaam draagt hij +de schilderij dus naar het logement terug, in hoop dat de vochtigheid +verder aan de arme dieren geen letsel zal doen. Dit was de eerste ramp, +die Polsbroekerwoud op zijnen vijfendertigsten verjaardag trof. + +Na eenige uren in het bezigtigen der inrigtingen binnen de stad te +hebben doorgebragt, bezochten de vrienden ook de plaats, waar de +beroemde Leeuw van Thorwaldsen te zien is. Dit waardige gedenkteeken +van den heldenmoed der Zwitsersche garde, te Parijs in 1792 betoond, +wekt, door het eenvoudige en poëtische der gedachte van den grooten +meester, aller bewondering op, en zoo het dienen moet om den moed +en trouw der brave Zwitsers in het geheugen te bewaren en aan de +nakomelingschap over te brengen, het is verwonderlijk hoeveel meer het +monument vermaard is dan het moedig gedrag der helden zelf. Nu evenwel +is de oude Zwitser nog als guide daar, om u het feit, waarvan hij zelf +deelgenoot was, in het geheugen terug te roepen; en het is opmerkelijk, +met hoeveel meer warmte en natuurlijkheid hij van de verdediging der +Tuileriën spreekt, dan wanneer hij, om u op de schoonheid van het +gedenkteeken aandachtig te maken, altijd dezelfde geleende woorden +bezigt: "_L'expression du lion mourant est sublime; le tronçon de +la lance qui l'a percé est resté enfoncé dans son flanc; il étend sa +griffe redoutable comme pour repousser une nouvelle attaque; ces yeux +à demi fermés, vont s'eteindre pour jamais, et cependant son regard +semble menacer encore; sa façe majestueuse offre l'image d'une noble +douleur et d'un courage tranquille et resigné._" + +Terwijl de vrienden een zijpad insloegen, om de rots, waarin de leeuw +uitgehouwen is, van naderbij in oogenschouw te nemen, bleef Pols bij +den ouden Zwitser, dien hij vond dat zoo aardig kon keuvelen, en van +wien hij nog eens iets naders van de zaak wilde vernemen. Daarom de +inscriptie van het monument nog eens overlezende en ziende _Fortissimi +pugnantes ceciderunt Duces XXVI_, Milites circiter _DCCLX_, zeide +hij tot den veteraan: + +"_Mais il y a beaucoup de morts la dessous._" + +De Zwitser keek hem verwonderd aan; hij kon zich geen denkbeeld +maken, dat iemand eene rots van honderde voeten hoog, een soort +van berg van het hardste steen, als eene simpele zerk beschouwde, +die men op een graf gelegd had. "_Je ne comprends pas_," zeide hij, +zijn hoofd schuddende. + +Pols begreep dat hij zich verkeerd had uitgedrukt; daarom het gesprek +eenen anderen draai gevende, zei hij: + +"_Mais c'etait la une fameuse bataille aux Tuilleries._" + +"_Morbleu_," zeide de Zwitser, "_c'etait un carnage; nous étions un +contre quatre._" + +"Dat was moordenaarswerk," riep Pols met verontwaardiging. + +Maar naauwelijks had hij dit woord uitgesproken, of hij voelde zich +heel onzacht bij den schouder grijpen. Verschrikt zag hij om. Hij +meende in het eerst, dat hij met een van de revolutionaren te doen +had, die het in der tijd de Zwitsers zoo benaauwd hadden gemaakt, +en prepareerde zich om eene verzoenende phrase in het midden te +brengen, toen hij in den persoon, die hem aangreep, een der Franschen +herkende, die hij in de Heidelbergsche _Schlossruïnen_ had ontmoet, +en aan zijne zijde den anderen cavalier en de dame, welke nu in eene +intime conversatie was met een Engelschman, die er alles behalve +gedistingueerd uitzag. Pols wist niet, waar hij zich bevond, en +indien de pijnlijke gewaarwording, door de onzachte aangrijping van +zijn arm veroorzaakt, hem niet voor die dwaling behoed had, hij zou +gemeend hebben te droomen. In het eerst wist hij niet wat te doen, +zich bedaard houden of driftig opstuiven, toen hij, bedenkende, +dat het voor de dame, die zich ten zijnen opzigte zoo vergist had, +onaangenaam zou wezen hem te herkennen, besloot zich vreemd te houden, +evenwel geheel alleen om harentwille; want hij was, na den goeden +afloop der vorige historie, volstrekt niet bang meer. Maar hoe vreemd +kwam het hem voor, toen op eens de dame zelve naar hem toekwam, en, +hem ombeschaamd aanziende, lagchende zeide: + +"_Eh bonjour, mon cher Milord!_" + +"_Comment, Madame?_" zei Pols ontzet; want nu eerst werd het hem +duidelijk, dat de dame mede in het complot tegen hem betrokken was. + +"_Lache!_" riep een der cavaliers hem toe. + +"_Poltron!_" begroette hem de andere. + +Onze vriend voelde zich het bloed naar 't hoofd stijgen; hij +werd driftig en bedroefd tevens over deze nieuwe onaangenaamheid, +waarin hij zich op zijn vijfendertigsten verjaardag geplaatst zag. De +Zwitser was intusschen in de kapel gegaan, waar hij hoopte nog eenige +afbeeldingen van het monument te verkoopen. Pols bleef dus alleen, +even als de garde in 92, één tegen vier. Het was daarom eene uitkomst +voor hem, toen hij Van Aartheim zag aankomen, en de dame, dezen ziende, +onmiddellijk den arm van den Engelschman losliet, en onder den uitroep: +"_Mille tonnerres, c'est encore lui!_" met de Fransche cavaliers in +de kapel retireerde, schoon de Engelschman hun ook toeriep, dat zij +maar blijven moesten, want dat die heer zoo kwaad niet was, als zij +wel dachten. + +Nu meende Pols dat de zaak weêr gered was; hij had de magt gezien, +die Van Aartheim over de Fransche gelukzoekers uitoefende; hij meende +nu, dat hun Engelsche complice ook slecht van de reis zou komen. Groot +was dus zijne verbazing, toen deze, in plaats van eenigszins confuus +te worden, de linkerhand uitstak, en zijnen vriend op familjaren toon +begroette "_How do you do_, Van Aartheim?" + +Deze scheen heden volstrekt geen lust te gevoelen, om op den toon, +waarop hij te Heidelberg sprak, te beginnen; wel met eenigen weêrzin, +maar toch zonder aarzelen, nam hij de aangeboden hand aan, en mompelde +naauwelijks hoorbaar: "Mr. Lurgrave!" + +Gedurende het discours, dat nu volgde, had Pols schoon hij maar enkele +woorden begreep, gelegenheid om zich zoo veel te ergeren als het hem +maar lustte; want de Engelschman, die op zeer hevigen en onbeschaamden +toon sprak, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij, of niemand, +een schurk was, scheen over Van Aartheim zulk een _poids_ te hebben, +dat deze steeds concessies deed en bijna altijd op verzoekenden toon +tot hem sprak. Zij schenen zich beiden weinig om Pols te bekommeren, +en deze zou, daar hij toch in Van Aartheim teleurgesteld was, weinig +op het discours hebben gelet, zoo niet de Engelschman den naam +Torteltak met het vereerend epitheton van _damned_ genoemd had. Nu +begon hij scherper toe te luisteren, zonder daardoor evenwel eene +syllabe meer te verstaan. Eindelijk, toen ook de andere vrienden +weêr in het gezigt kwamen, verliet Lurgrave de Hollanders en sloot +zich weêr aan het Fransche reisgezelschap aan; fier passeerde hen de +dame, aan den arm van den Engelschman vertrekkende, en de cavaliers, +die haar volgden, keken de vrienden trotsch aan, met overmoed hunne +vreeselijke knevels omhoogstrijkende. + +De terugwandeling was geenszins door vrolijkheid gekenmerkt. Van +Aartheim was stil en afgetrokken. Pols zag beurtelings hem wantrouwend +en Torteltak deelnemend aan. Hij vreesde zeer dat tegen dezen vriend +een aanslag gesmeed werd, en wist voorloopig nog volstrekt niet, hoe +hij dat geval behandelen moest. Hij begon te wenschen dat Veervlug +dien vreemdeling maar nooit in hun midden gebragt had; maar van den +anderen kant kon hij toch niet gelooven, dat hij een slecht mensch +was. Hij had gedurende de dagen, die zij te zamen hadden doorgebragt, +zulk eene edele denkwijze aan den dag gelegd en allen zoo zeer aan zich +geboeid, dat hij òf een goed mensch, òf een vreeselijk huichelaar moest +wezen. Dit en de vrees, dat de twee natte tortels niet goed zouden +opdroogen, martelden den goeden Pols zoodanig, dat hij oogenblikken +had, waarin hij geheel vergat, dat hij heden zijnen vijfendertigsten +verjaardag vierde. + +Zoo kwamen zij in het logement aan, waar in de groote zaal de +_Oberkellner_ hen te gemoet kwam met brieven uit Holland, die hij op +hun verzoek van de post had doen halen. In een oogenblik verdwenen +van aller gelaat de wolken van droefgeestigheid en wantrouwen en +ontevredenheid Wie ooit, al was het maar weinige weken, buiten 's lands +gereisd heeft, kan zich van hunne vreugde een denkbeeld maken. Men +moge al het besluit nemen, om zich die weken niet over betrekkingen en +vrienden te bekommeren, en zich met het denkbeeld van "geen tijding, +goede tijding" tevreden stellen; daar zijn oogenblikken, waarin men +één enkelen regel van eene geliefde hand met goud zou willen betalen; +men gunt zich naauwelijks den tijd, om den brief open te breken en +te ontvouwen; men leest de phrase "alles is wel" wel honderdmalen +over, en schoon men zich volstrekt niet ongerust gemaakt heeft, +is het toch alsof er een pak van het hart valt; men verneemt met de +grootste belangstelling de onbeduidenste kleinigheden, die in den +brief vermeld zijn; want niets omtrent geliefde betrekkingen is in die +oogenblikken onbeduidend, niets eene kleinigheid; men vergeet geheel +waar men zich bevindt, en droomt zich in het midden van de zijnen; +en men is teleurgesteld, wanneer men het papier neêrgelegd heeft, +dat men de hand, die ons schreef, niet hartelijk kan drukken. + +Vier der vrienden riepen dan ook nu spoedig elkander toe: "bij mij +is alles wel," en verdiepten zich verder in de lectuur. Van Aartheim +slaakte een diepen zucht, maar zeide toch: "bij mij ook." Maar Pols, de +arme Pols! Hij las den brief, werd bleek, herlas hem nog eens, en legde +hem neder met de woorden: "Dat mij ook dit nog heden moest treffen!" + +De brief, dien hij ontving, was van den volgenden inhoud: + + + Rotterdam, 13 Juli 1837. + + Waarde Neef! + + "Ik ben frisch en gezond, en verwensche van uwé het zelfde + te hooren; ware het anders, het zou mij van harte leed + wezen. Maar ik bevind mij in de treurige omstandigheid, uwé + te moeten melden, als dat gisteren avond, omstreeks half + acht ure, uwé huishoudster en dienstmaagd Mijntje Boer, + na eene ziekte van slechts weinige dagen, in den ouderdom + van 58 jaren en 4 maanden is overleden. Ik denk, uwé deze + tijding ook regt leed zal doen; maar vond mij toch verpligt + van dit meê te deelen aan uwé adres, zoo als ik het van uwé + heb opgeteekend. Heb alles zelf bezorgd voor een eerlijke + begrafenis; verhope na uwé genoegen zal wezen, waaraan niet + vertwijfel; verwensche uwé verder veel genoegen en gezondheid, + en verblijve na groetenissen + + + "Uwé hoogachtende Neef + Leendert van Kroesen." + + P.S. Mijne vrouw wil, voor ik deze sluit, ook nog een woordje + bijvoegen. + + + "Waarde Neef Joachim!" + + "Uwe zult wel hebben staan te kijken, toen mijn man het u + schreef, van Mijntje. Ik kan uwe dan ook wel zeggen, ik er + geheel kapot van ben geweest, zoo zelfs, de meester mij een + drankje heeft voorgeschreven. Want Mijntje was toch heusch + een goede meid, en knap voor haar werk, en nog zoo zindelijk, + en eerlijk en trouw als goud, al kwam zij tot hooger jaren. Zij + was ook altijd uwe trouwe zorg, en die van uwes vader en moeder + zaliger, en dat bleef ze tot aan haar dood toe. Zij tobde er + wat over, toen zij zoo verslimmerde, zij het huis zoo maar half + schoongemaakt achterliet; en ik heb haar tusschenbeiden nog al + eens gaan opzoeken, daar zij dan ook heel dankbaar voor was, + moet ik zeggen. Ik ging gisteren avond nog eens naar haar + toe; maar toen zag ik zelfs wel, zij hard verminderde. Ik + zei nog tegen haar: "wel Mijntje, hoe gaat het?" maar zij + knikte flaauwtjes. En toen zei ze een kort poosje later: + "zal je toch wel de groetenis doen aan den jongen heer?" maar + toen heeft ze ook niet meer gesproken; en net kwam de meester, + en hij zei, hij geen pols meer voelde, en om half acht was zij + al dood. Mijn meid en de meid van den schrijnwerker, schuins + over de deur, hebben haar afgeleid, en alles zal eerlijk + en ordentelijk toegaan, en mijn man heeft alles heel goed + bezorgd. Jongens, jongens, zei ik 's avonds tegen mijn man; + wie had dat kunnen denken! Zondag vier weken, toen uwe nog + t'huis was en toen wij naar de avondkerk gingen, zat zij nog + voor het gordijntje en groette zoo opgemonterd. Maar nu hebben + wij, omdat uwes huis zoo lang niet leeg zou staan, er voor zoo + lang Pietje van Sannetje de plooister ingezet, die haar man op + 't geelgieten gaat en dan 's nachts meê het huis bewaakt. Dat + zijn toch ook eerlijke menschen. Nu, waarde neef Joachim! zal + ik eindigen; ik zou u nog wel veel willen schrijven, maar ik + zit midden in het inmaken, en dat zou bederven. Maar toch, + ik moet uwe nog eens vertellen, mijn zoon Hendrik een goed + oog heeft laten vallen op Paauwtje Vet van de Botersloot. Nu, + ik heb er niets tegen, want het is een eerlijk meisje, en ik + heb er nooit een onvertogen woord van gehoord. Maar nu zal + ik toch heusch eindigen; na vele groetenissen van ons allen + + + "Uwe waarde Nicht + S. van Kroesen, + geb. Molslag." + + +Dit was de derde ramp, die Pols op zijn vijfendertigsten verjaardag +trof. De vrienden betuigden hem, zoo hartelijk zij vermogten, hunne +deelneming; maar Pols bleef stil en zeide: "Niemand weet, hoeveel ik +aan Mijntje verlies; zij was geen gewone meid, maar als het ware eene +tweede moeder." + +De _Kellner_ kwam annonceren, dat het _diner_, door den Heer +Polsbroekerwoud besteld, gereed was. Werktuigelijk volgden deze en +de overige vrienden, die zeer verwonderd waren, in een bijzonder +apartement een zeer fijn _diner_ te zien aangerigt. Op het midden der +tafel stond eene groote taart, versierd met zinnebeeldige figuurtjes, +die op geboorte en geboortedagen betrekking hadden. + +"Ik had dat dezen morgen zoo besteld," zei Pols, terwijl hij zich +zuchtend aan de tafel plaatste, "weinig vermoedende, dat ik mijn +vijfendertigsten verjaardag zoo treurig zou moeten vieren." + + + + + +HOOFDSTUK XX. + + Waarin zoo vele zaken voorkomen, dat het moeielijk zou wezen, + de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen. + + +Daar zijn verliezen, die niet treffend zijn, die niemands medegevoel +opwekken, waarbij het geen mensch zal invallen deelneming te betuigen, +waarvan dikwijls te spreken zelfs bespottelijk schijnt, maar die met +dat al verliezen zijn. Zoodanig was voor Polsbroekerwoud de dood +van zijn getrouwe Mijntje. De goede man was altijd zeer aan haar +gehecht geweest. Zij behoorde tot de nalatenschap zijner ouders; zij +had hem van zijne vroegste jeugd af met zorg en liefde overladen; +hij wist dat zij geheel en alleen voor hem leefde, en het was hem +gewoonte geworden alle huiselijke zaken door haar te zien besturen, +en bij zijne afwezigheid te weten, dat zij op haar post was en alles +goed behartigde. Daarom ook was hij altijd goed en vriendelijk, en +zelfs, schoon het nooit opspraak gaf, dikwijls vertrouwelijk met haar +geweest. Deze manier van omgaan was misschien wel heel _mauvais genre_; +want Mijntje was toch maar een meid, en zij werd voor al wat zij deed +betaald. Een fatsoenlijk mensch voldoet immers aan zijne verpligting, +als hij aan zijne dienstbaren, voor den tijd dien zij hem wijden, de +moeite die zij zich om zijnentwil getroosten, de zorg die zij aan zijne +zaken besteden, en de liefde waarmeê zij al wat hem aangaat bejegenen, +een jaarlijksch loon uitbetaalt, en meer nog dan hij verpligt is, +als hij hun eene kermis- of nieuwjaarsfooi toereikt. Waartoe woorden +aan hen te verspillen, zoo zij niet dienen moeten om orders te +geven? waartoe een blik op hen te slaan, dan om hen te doen zien, dat +hij om het minst verzuim gramstorig is? Een fatsoenlijk man bewaart +den afstand, die tusschen hem en zijne dienstboden bestaan moet, +somtijds eene uitzondering makende met jonge en mooie kameniers, +jegens welke hij kan meenen nog andere pligten te moeten vervullen. + +Polsbroekerwoud was een burgerman, en koesterde ook in deze zeer +burgerlijke begrippen. Hij ging hierin zelfs zoo ver, dat hij meende, +dat dienstbaren somtijds onbetaalbare diensten kunnen bewijzen, +en onder dezulken telde hij zijn overledene Mijntje. Het scheen hem +dus een gemakkelijke pligt, haar altijd vriendelijk te bejegenen; +hij stelde er zich wezenlijk genoegen van voor, haar, die hem in +zijne jeugd zoo goed verzorgd had, eenen onbezorgden ouderdom te +verzekeren. Door haren dood werd hij hierin teleurgesteld en daar er +ook nog vele andere plannen voor de toekomst door verijdeld werden, +liet de noodlottige tijding nog langen tijd een zeer droevigen indruk +op hem na. Hierbij kwam het denkbeeld, dat, zoo hij te huis gebleven +was, de zaken misschien anders zouden geloopen zijn, schoon hij wel +wist dat zijne tegenwoordigheid haar niet in het leven zou hebben +behouden, maar dat hij dan toch in allen gevallen nu zelf over alles +het oog kon laten gaan. + +De reis ging evenwel verder. Over de Vierwaldstädtersee voer men +naar Alpnach, en wandelde langs de meren van Sarnen en Lungern naar +den Brünig, om zoo het Berner Oberland te bereiken. Maar Pols ging +langzaam en zwijgend naast Aloys Stadler voort. Hij merkte naauwelijks +de schoonheden van het lieve kanton Unterwalden op; want in zijne +gedachten wandelde hij langs de Rotte bij zijne geboortestad, liet +zich aan de molens in het Zwaanhals overzetten, en trok als pelgrim +naar Krooswijk, om te zien waar de laatste rustplaats der overledene +was bereid. + +Van het begin der excursie door het Oberland staat geen enkel woord +in zijn dagboek opgeschreven. Wij weten nogtans, dat hij Meyringen, +den Reichenbach en Handegg heeft bezocht; en het eerst vinden wij +zijne aanteekeningen weêr te Briënz, "aangekomen Zondag den 23 Juli, +des namiddags ten 2 ure, en van daar in een schuitje vertrokken +naar Interlaken, om _en passant_ den Giessbach te gaan bezigtigen, +in gezelschap van drie vreemde heeren." + +Men had in het logement te Briënz deze vreemdelingen ontmoet. Zij +waren nog jonge menschen, schoon in bedaardheid van toon en deftigheid +van kleeding hunnen leeftijd twintig jaren vooruit. Een hunner had, +behalve de gewone bestanddeelen van een menschelijk aangezigt, nog een +schildpadden bril op den neus, kennelijk met effen, ongeslepen glazen, +maar die hij toch, waar iets bijzonder de opmerkzaamheid verdiende, +tot verheldering der voorwerpen uit de nabijheid zijner oogen +verwijderde. De tweede trok terstond de aandacht door de kunstige wijs, +waarmeê zijne bovenlip was omgekruld en aan zijn neus vastgehecht, +welke speling der natuur evenwel door een zwart bandje over de lip +en om de wangen gebonden, ten deele werd verborgen. De derde had met +gedekten hoofde niets opmerkelijks; maar als hij den hoed afnam, stond +men in twijfel of zijn hoofd zich bevlijtigde om door zijn haar heen +te groeijen, of dat het door een kapper bediend werd, die geen ander +model van haardragt kende, dan dat der bedelmonniken. Weinige maanden +geleden had dit drietal de Akademie van Zurich verlaten, met documenten +begiftigd, waardoor het hun vrijstond hunne systemata, of die hunner +hoogleeraren, op de ligchamen van het lijdende menschdom te appliceren. + +Het was een warme middag, waarop dit gezelschap den togt over het +meer van Briënz ondernam. Dit ondervonden voornamelijk de roeijers, +drie stevige knapen, wie het zweet langs het aangezigt gudste, zonder +dat daarom hun ijver, om de schuit in eene snelle vaart te houden, +een oogenblik verflaauwde. + +"Het is een ongezond leven, dat die schippers leiden, blootgesteld +aan hitte en koude," zei een der doctoren tot zijne compagnons, die +met hem onder den rooden parapluie van Stadler den fellen zonneschijn +ontweken; "zulke menschen kunnen nooit oud worden." + +"Dat merk ik aan mijn vader," viel een der roeiers in: "die heeft +zijn heele leven op het meer gezwalkt, en is nu pas even zeventig; +verleden week maakte de stumpert nog een _spatziergang_ naar den +Faulhorn, om levensmiddelen in het _Kulmhaus_ te brengen, en hij kwam +nog zoo frisch als een hoen te huis." + +"Dat is verbazend!" riep Pols uit. + +"'t Is _contra naturam_," zei de doctor met de hazenlip. + +"'t Zal hem nog wel eens opbreken," hernam zijn confrater met den +schildpadden bril. + +"Ik zal hem de boodschap doen," zei de knaap; maar hij fluisterde een +zijner makkers toe: "Ik zat toch nog liever in de taaije verbrande +huid van den oude, dan in het bleeke vel van dien opbreker." + +Van Aartheim was intusschen met Stadler in gesprek geraakt over de +Bergmannetjes, die in ouden tijd in het Oberland zulk eene groote +rol hadden gespeeld, en vernam tot zijne groote verbazing, dat dit +geslacht nog niet was uitgestorven; dat zij nog dikwijls te middernacht +op de hoogten vergaderden, en zich dansende den tijd kortten, en dat, +naarmate zij veel of weinig passen uitvoerden, de oogst rijkelijker of +schraler was. Hij werd evenwel gerustgesteld door de verzekering, dat +de kwaden onder hen verdwenen waren, sedert de vijftig dappere ridders +den grooten vrouwenschaker van het Haslithal, die het opperhoofd dier +booze geesten was, hadden verslagen. + +De vrienden gaven hun verlangen te kennen, om iets naders van deze +belangrijke gebeurtenis te vernemen, en Aloys Stadler voldeed aan +hunne nieuwgierigheid door het volgende verhaal: + +"Vóór eeuwen stond er op eene rots van den Hasliberg een kasteel, +door een ringmuur van ongenaakbare hoogte beschut, en van peilloos +diepe afgronden als grachten omgeven. + +"De ridder, wien het toebehoorde, was uit verre streken gekomen, en +was jong en schoon. Hij leefde in zijn slot in weelde en overdaad; +vijftig knechten bedienden aan zijne tafel uit gouden schotels, +en vijftig maagden schonken hem wijn in gouden bekers. + +"Als hij een togt door het dal deed, was hij door honderd geharnaste +ruiters vergezeld, met lange slagzwaarden gewapend; maar onder die +allen blonk hij uit door schoonheid en vlugheid, en de kracht waarmeê +hij zijn wapen zwaaide. De bewoners van het Haslithal kruisten zich en +sidderden, als hij hunne woning voorbijreed. Want de heilige kluizenaar +uit de grot had hun verhaald, dat hij met den Booze omging; en zij +zelve hadden te middernacht dwalende vlammen om de torens van zijn +kasteel gezien. Maar de schoone meisjes, die hem zagen voorbijrijden, +merkten op, dat de Booze er niet zoo verschrikkelijk uitzag, als +hunne ouders haar wel wilden doen gelooven. + +"Maar sedert de ridder aan den Hasliberg woonde, werd er eens in +elke zeven weken door onzigtbare geesten een meisje uit het dal +geschaakt. Dit deden de kwade bergmannetjes, die in dienst van den +boozen ridder stonden. En na zeven weken keerde het meisje op dezelfde +manier terug, met een gouden beker in de hand, en had wonderen te +verhalen van het betooverde paleis, waar zij geweest was, maar ook +naar den zin der ouders al te veel wonderen van den schoonen ridder, +die haar geliefkoosd had. + +"De ouders uit het dal en ook de jongelingen, wier bruiden met +gouden bekers begiftigd waren, deden dagelijks een bedevaart naar +den kluizenaar in de grot, die vastte en zich kastijdde, om het land +van die plaag te verlossen. Deze troostte hen altijd met de hoop, +dat weldra de Booze verjaagd zou worden, maar dat nog de tijd niet +gekomen scheen. + +"Maar toen reeds vijftig van de honderd schoone meisjes van het +Haslithal door den ridder waren ontvoerd, kwam eens de kluizenaar +zelf in het dal, en verkondigde den bewoners, dat er den volgenden +dag redding zou komen. + +"En ziet, daar kwamen in den vroegen morgen vijftig Noordsche +ridders, die een kruistogt naar het Heilige Land hadden gemaakt, +en die bij den terugkeer in het Oberland waren verdwaald geraakt, +en de beenderen eens Heiligen met zich voerden. Deze, door den +kluizenaar uit de grot aangemaand, ondernamen het den ridder te +bestrijden. Zij reden, met zwaarden en speren gewapend, tot aan den +voormuur van het slot. Maar toen zij naderden, opende zich de poort, +en vijftig vreeselijke bloedhonden vertoonden honderd rijen scherpe +tanden. Doch de kluizenaar hield hun de beenderen van den Heilige voor, +en de honden stortten gillende in den afgrond. + +"Toen reden de dappere ruiters het slot binnen, versloegen de +krijgsknechten van den boozen ridder, die door dit wonder verschrikt +waren, staken het kasteel in den brand, en bleven het bewaken tot +het tot asch en puin was vernield; en zij zagen hoe de booze zelf in +vlammen verterend in den afgrond stortte. + +"In zegepraal keerden de ridders naar het Haslithal terug, en dronken +wijn met de geredde landbewoners; maar de kluizenaar keerde terstond +weder naar zijn grot. + +"Maar toen den volgenden morgen de ouders der vijftig maagden, die +nog niet in de magt van den Booze geweest waren, ontwaakten, waren +de ridders vertrokken, en ook de dochters waren niet te vinden. En +eenige dagen later keerden de meisjes terug, wel zonder gouden bekers, +maar toch niet veel onschuldiger dan hare speelnooten. + +"De ramp en de redding beide waren in den beginne zeer onaangenaam +voor de minnaars in het Haslithal; maar toch zij gewenden zich +langzamerhand aan het denkbeeld dat er iets bijzonders met hunne +schoonen gebeurd was: en toen de minnaars er genoegen in namen, +schikten de meisjes en de moeders zich ook. En sedert dien tijd is +de eer bij de schoonen van het Haslithal eene zoo onverschillige zaak +geworden, dat de moeders zonder eenig bezwaar hare dochters voor geld +aan vreemdelingen afstaan." + +"Zoo, is het dan toch waarheid, dat er nog altijd zulke mooie +meisjes in het dal gevonden worden, en dat de moeders er zoo raar meê +omspringen?" zei Torteltak, toen Stadler zijn verhaal geëindigd had: +"wij hadden dat toch wel eens kunnen gaan opnemen." + +Pols vond de laatste aanmerking van zijn vriend alles behalve gepast, +en om dus eene andere wending aan het gesprek te geven, merkte hij +aan, dat het zeer warm was, speciaal op de plaats waar hij zat, +daar de zon hem vlak in het aangezigt scheen. + +"Gij zult zeker spoedig hinder van de warmte hebben?" vroeg de doctor +met den schildpadden bril: "permitteer mij, dat ik u den pols eens +voel." + +Pols stak zijne hand uit, en de medicus zag hem weldra zeer bedenkelijk +aan. Hij reikte vervolgens den arm van onzen vriend aan zijne beide +collega's over, die volkomen van dezelfde opinie schenen te zijn. + +"Een congestieus gestel," zei de doctor met de hazenlip. "Mijnheer is +zeer vatbaar voor apoplexie. Hebt u nog nooit attaques van beroerte +gehad?" + +"De Hemel beware mij!" riep Pols verschrikt uit. + +"Ik herinner mij," zei de collega met de kale kruin, "eens met iemand +in gezelschap geweest te zijn, die juist zoo'n pols had als de uwe, +en die, bedaard met mij pratende, op een oogenblik dood bleef." + +Pols, die toch al niet in de aangenaamste stemming dit togtje begonnen +had, werd door deze aanmerkingen niet vrolijker. + +"Een streng dieet, rust en vermijding van alles wat echauffeert, +is misschien het eenige, dat u nog wat in het leven kan behouden," +merkte de medicus met den schildpadden bril aan. + +Het schuitje lag terwijl aan den Giessbach stil. Stadler noodigde de +heeren uit om het steile bergpad te beklimmen, een togtje dat niet +veel verkoeling beloofde, want de zon scheen brandend op het mulle +zand. Pols was wel ongerust, dat het hem kwaad zou doen; maar toch, +hij wilde niet gaarne achterblijven. Bevende van agitatie kwam hij +boven, en onder weg sprong hem de neus aan 't bloeden. + +"_Molimen naturae_," merkte een der doctoren aan. + +"'t Is een geluk," zei een zijner collega's; "zonder dat zou het mij +niet verwonderd hebben, als Mijnheer dood boven gekomen was." + +Voor het _Wirthshaus_ aan de watervallen kommandeerden de vrienden +goeden Rijnwijn. Pols vroeg aan een der _medici_, of een glas water +niet beter voor hem zou wezen. + +"Beter althans dan wijn," zeide deze; "maar 't zou u nu misschien te +veel verkoelen." + +Onze vriend verfrischte zich dus op den warmen namiddag met een glas +laauw water en melk. + +Wij willen op deze plaats geen uitspraak doen in het steeds +hangende geschil tusschen onderscheidene reisbeschrijvers, aan +welke der watervallen de voorkeur moet gegeven worden, dien van den +Reichenbach of dien van den Giessbach. De laatsten stroomen misschien +tusschen digter geboomte en zijn rijker aan water, twee zaken, die +het effect niet benadeelen; maar bij den eersten zijn de rotspunten +gemakkelijker te bereiken, tegen welke de nederstortende waterstroom +gebroken wordt. Dit ondervonden voornamelijk Veervlug en De Morder, +die, bijzonder begeerig om den oorsprong der cascades in oogenschouw +te nemen, als gemzen tegen de steilten opklommen, maar met minder +gemakkelijkheid en vlugheid dan deze hunnen weg naar de laagte wisten +weêr te vinden. De laatste ging zelfs zoo ver, dat hij zijn voet op +een lossen steen plaatste, terwijl hij nog driehonderd voeten van +den vlakken grond verwijderd was, aan het glijden raakte en in een +oogenblik vijftig voeten neêrdaalde, tevens een halfsleten jas en +een nieuwen zomerpantalon aan flarden scheurende. + +"Dat kunt ge vlug," riep Veervlug hem toe, die terwijl aan een boomtak +hing te spartelen. + +De Morder was gelukkig te land gekomen op een rotspunt aan de derde +cascade, waar hij veilig stond, maar evenveel uitzigt had om ooit weêr +het vaste land te bereiken, als wijlen Robinson Crusoe, gedurende de +vele maanden, die hij in stille afzondering van het menschdom sleet. + +"Ik weet toch ook waarlijk niet, waar al die waaghalzerij toe dient," +riep Pols, wien het angstzweet uitbrak over het lot zijner vrienden. + +"Als hij in de cascade verdwaald raakt, wordt hij tot pap vermorseld," +merkte de doctor met de hazenlip aan. + +"En ook zonder dat," zei zijn collega met de kale kruin, "als hij +maar van de helft dier hoogte afvalt, is hij weg. Ik heb eens iemand +getrepaneerd, die zoo'n val gedaan had; maar met dat al, den volgenden +dag was hij er om koud." + +"Help de heeren dan toch!" riep Pols den _guide_ toe. + +Maar deze, die van de oogenblikken rust bij de herberg gebruik maakte +om zijne schoenen te lappen, antwoordde heel bedaard, terwijl hij den +pikdraad door het leder trok: "Voorloopig zie ik er nog geen kans +toe; want de plaats waar die eene heer staat, is ongenaakbaar. Ik +zal er den kastelein eens over spreken; want ik voor mij ben nooit +gids geweest op de ontoegankelijke rotsen van den Giessbach." + +Veervlug was terwijl beneden gekomen, met de noodige schrammen en +bulten voorzien. Hij scheen volstrekt niet in de ongerustheid van Pols +over De Morder's lot te deelen; want hij voerde hem glimlagchende toe: +"'t Is jammer, dat het gedruisch van den waterval ons belet hem te +hooren; want ik denk dat hij weêr olijk aan 't brommen zal wezen." + +Holstaff had al de klagten, die hij bijeen kon brengen, veil voor het +lot van zijnen ongelukkigen vriend; Van Aartheim en Torteltak trokken +hem met ladders, touwen en stokken te hulp; en ook Aloys Stadler, +toen zijne schoenen gelapt waren, met raadgevingen en aanwijzingen, +door zijne lange bergklimmende ondervinding gesuppediteerd. Het gevolg +van dit alles was, dat De Morder beneden kwam, en terwijl hij drie +glazen Rijnwijn inzwolg, verwenschingen uitbraakte tegen de beroerde +manier, waarop de wandelingen aan den Giessbach waren ingerigt. + +Toen de grootste confusie, door dit geval veroorzaakt, wat over was, +noodigde de kastelein het gezelschap uit, om het beroemde concert +der bergbewoners te hooren, en de musicerende troep, grootendeels uit +zijne familie bestaande, schaarde zich in slagorde. De gevoelens der +reizigers over dit berggezang zijn zeer verschillend: sommigen, die +het in eene knorrige bui gehoord hebben, houden het voor krijschend +gegil; anderen, die er bedaard hun cigaar bij zaten te rooken, +vinden het lieve muziek; weêr anderen, die het na het gebruik van +eenige flesschen Rijnwijn vernamen, roemen het als hemelsche toonen, +zoo als men ze maar zelden op aarde hoort. Onze vrienden hadden er +aangename oogenblikken aan te danken, maar kwamen daarin overeen, +dat het beter moet voldoen in de open lucht, met accompagnement van +een gedruischmakenden bergstroom, dan in eene besloten zaal; weshalve +zij de zangers zouden raden, hunne concerten tot de rotsen van den +Giessbach te bepalen. + +De overige uren, die het gezelschap verder op het meer van Briënz +doorbragt, gingen in kalm en ongestoord genoegen voorbij. Veervlug +neuriede van tijd tot tijd het laatste gedeelte der Ranz van +Oberhalsi na: + + + "Ach Schaetzeli habe gute Muth, + Am Frytig wei mer fahren, + Es ziger und Pelznideli + Das kast de essen lideli, + A dir will is nit spahren." + + +De doctoren openbaarden weinig ziektekunde meer; nog eenmaal slechts +vroegen zij aan Torteltak, die ten gevolge van gevatte koude een weinig +hoestte, of er niet vele leden zijner familie aan de tering gestorven +waren, en zij verontrustten zich over de gezonde kleur zijner wangen, +waarop zij hectische blesjes meenden op te merken. Torteltak behoorde +evenwel niet tot die menschen, die zich heel spoedig verontrusten, +en hunne vriendelijke en gepaste mededeeling maakte dus weinig indruk +op hem. + +De avond begon reeds te vallen, toen men te Interlaken aankwam. Men +genoot dus niet het volle effect, dat de weelde dezer Engelsche +plaats in het midden der eenvoudiger en armere landstreek maakt; +maar men kon toch nog genoeg zien, hoe schitterend hare elegante +villa's tegen de nederige woningen der overige Zwitsersche dorpen +afsteken. Daar waren onder de vrienden, die terstond eenen kreet van +verontwaardiging tegen die verspillende Engelschen aanhieven, die al +het schoone der natuur door hunne kunst bedierven, en die zich niet +konden begrijpen, dat men, als men het buiten zoo heerlijk kan hebben, +zich binnen zoo op _comfort_ toelegt. Anderen hunner waren weêr van +meening, dat een elegant en smaakvol gebouw de schoone natuur zoo +veel niet meer tegenwerkt, als eene armoedige en bekrompen woning; +en die, helaas! zoo door den geest der weelderige negentiende eeuw +werden beheerscht, dat zij zich een genoegelijk buitenleven zonder +behelpen konden voorstellen, die een fijn dineetje in een lief en +luchtig salon op den duur de voorkeur gaven boven een rustiek maal +onder een ouden lindeboom; ja die zelfs liever in een zachten ronden +goedgevulden canapé de buitenlucht genoten, dan op de vierkante, +houten, groengeverfde, expresselijk daartoe vervaardigde tuinstoelen +der voorvaderen. + +Tusschen deze elegante villa's gingen de vrienden voort, en hadden door +de geopende ramen en deuren het gezigt in prachtig verlichte zalen; +want onder de Engelsche natuurbedervers zijn zelfs aterlingen, die +niet elken avond tot 10 ure schemeren. Het meest echter rustte hunne +aandacht op de zaal van het groote _Hôtel Garni_ van Colbert, niet +zoo zeer om de pracht van het vertrek, als wel om eene der personen, +die er zich op dien oogenblik in bevonden. Het was een jong meisje +van misschien 18 of 20 jaren, een dier wezens, waaraan de natuur meer +moeite schijnt ten koste gelegd te hebben dan aan vijftig anderen, +maar zeker onder alle schoonen de schoonste. Heath heeft zijn _Book +of Beauty_ eenige jaren geleden met haar portret versierd, en men +zou moeijelijk eenen schoonheidskenner vinden, die het niet boven +al de ideale kopjes stelde, die in dat werk gevonden worden. Voor +iemand, die een afkeer heeft van een rijkdom van donkere lokken, die +over een sneeuwwit gelaat hare schaduw werpen, van heldere, teedere, +donkerblaauwe oogen, van geestig gevormde lippen, van fijne en tevens +volle ronde vormen, en van dergelijke zaken meer, had zij misschien +weinig aantrekkelijks. Onze vrienden behoorden niet tot dezulken; zij +toonden dit, door op de plaats, waar zij haar zagen, als vastgenageld +te blijven staan, en vonden geen termen om hunne verrukking uit te +drukken. Gelukkig was voor hen de duisternis, waarin zij zich bevonden, +en het heldere licht, dat de schoone omgaf; anders twijfelen wij, +of zij wel zoo lang ongestoord zouden hebben genoten. In het eind +vond Pols het gepast, zijn hart in deze woorden lucht te geven: +"Kijk, ik ben geen meisjesgek; maar om zoo'n engel zou ik in staat +zijn eene dwaasheid te begaan." + +"Zij rappeleert mij volkomen een meisje," zei de doctor met de +hazenlip, "dat wij te Zurich in het ziekenhuis hebben gehad." + +"Juist," zei zijn confrater met de kale kruin: "die meid van den +vischkooper; behalve dat die een weinig scheel keek." + +"Ja wel," zei de derde collega: "ze is immers nog aan de pokken +gestorven. Weet je nog wel, hoe zwart zij op het laatst zag?" + +De herinneringen, die het zien dezer schoonheid bij de _medici_ +opwekten, werkten uit, dat de vrienden, om verdere dergelijke +aanmerkingen te ontwijken, met snellen tred voortstapten; vooral +scheen Van Aartheim door hun discours gekwetst, schoon hij het verst +van het raam was verwijderd geweest, en de minste aandacht aan de +schoone scheen te schenken. Ook Pols verliet eindelijk de plaats; +maar juist toen hij zich wilde verwijderen, zag hij een heer tot de +dame naderen, en zich vertrouwelijk naast haar nederzetten. + +Hoe groot was zijne verbazing en schrik, toen hij in dien heer den +vreeselijken en gevreesden Lurgrave herkende! Haastig volgde hij de +vrienden, en besloot van zijne ontdekking niets meê te deelen, maar +een wakend oog over Torteltak te houden; want op eens stond hem weêr +het discours bij den leeuw te Lucern voor den geest. + +Het kostte het zestal veel moeite in het drukbezochte Interlaken onder +dak te komen; eindelijk installeerden zij zich in het _Pension Baud_, +waar zij zich wel zouden moeten behelpen, maar toch dien nacht _logis_ +konden krijgen. De drie doctoren moesten hen evenwel verlaten. Zij +namen nog in den laten avond een rijtuig aan naar Thun, waar zij +den volgenden dag een vergelijkend examen voor het stads doctoraat +moesten ondergaan. Te dien einde had men daar gezorgd, dat drie +policiebedienden, door veel op togten te staan, catarrhale koortsen +hadden gekregen, en had men drie gevangenen aangezegd, dat zij zich +tegen den volgenden morgen prepareren moesten, om hun regterbeen te +verliezen. Later werd door de vrienden vernomen, dat de _medicus_ +met de hazenlip met den post begunstigd was, omdat hij in tien minuten +een diender aan het vomeren gekregen had, en in zestien en een halve +minuut het been eens misdadigers boven de knieschijf had geamputeerd. + +In het _Pension Baud_ werd het overige van den avond niet al te +vrolijk doorgebragt. Pols maakte groote haast om de vrienden naar bed +te krijgen, en droeg vooral zorg, dat niemand hunner meer buiten de +deur kwam. Toen allen naar hunne kamers waren, ging hij zelf nog eens +op straat zien, of alles veilig was. Misschien was het zijne vrees, +of misschien dat werkelijk iemand zich bewoog,--hij meende in de +verte een man te ontdekken, die het huis bespiedde. + +"Ziet gij daar niets?" vroeg hij den kastelein, die ook voor de +deur stond. + +"Neen; waar moest dat iets wezen?" vroeg deze. + +"Ik dacht dat ik wat boven dat jonge hout zag uitsteken." + +"Ik zie niets dan den top van de Jungfrau," zei de kastelein. + +"O, is het maar een _Jungfrau_" zei Pols, "dan is het niets; ik dacht +dat het een heer was." + +Toen den volgenden morgen de vrienden zich aan het ontbijt verzamelden, +ontbrak Van Aartheim. Zij wachtten lang, maar informeerden eindelijk +bij den _Kellner_. Deze berigtte hun, dat die heer nog laat in den +avond vertrokken was, en een briefje voor den Heer Torteltak had +achtergelaten. Dit briefje behelsde, dat hij zich genoodzaakt zag, +hen voor eenigen tijd te verlaten, om redenen voor hem van het grootste +gewigt, maar dat hij hun spoedig nader bericht zou doen toekomen. + +De reisgenooten zagen elkander verbaasd aan, maar nog meer, toen +weldra het gerucht hun ter ooren kwam, dat dien nacht de schoone +_Miss_ Cleford het _Hôtel Garni_ van Colbert had verlaten, en met +een Engelschman en een Hollander was doorgegaan. + +"Dat had ik toch nooit achter Van Aartheim gezocht," zei Pols +verontwaardigd. + +"Ik wist niet, dat men met dat meisje door kon gaan," zei Torteltak +peinzend. + +"Die kunsten heeft hij den ridder van den Hasliberg afgezien," +grinnikte Veervlug. + +"Ik hield veel van Van Aartheim," zei De Morder; "maar ik dacht toch +altijd wel, dat hij het beroerd zou laten liggen." + +Holstaff bragt zuchtend iets over het zedebederf der eeuw te berde. + +"Komaan," zei Pols eindelijk, "het is niet anders. Wij moeten nu maar +zien, dat wij te Bern komen. Maar daar wij verder niet zullen dwalen, +konden wij, dunkt mij, hier wel met Stadler afrekenen. + +Deze evenwel verzocht de reis uit liefhebberij meê te mogen maken. De +vrienden vonden dit heel aardig van hem; maar minder beviel het hun, +dat hij te Bern voor deze liefhebberij een dag geleide en een dag +retour in rekening bragt. + + + + + +HOOFDSTUK XXI. + + Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en zijne vrienden + het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft achtergelaten. + + +De geruchten, die 's morgens te Interlaken in omloop waren geweest, +dat _Miss_ Cleford door Lurgrave en Van Aartheim was geschaakt, +waren wat den laatsten betreft misschien gegrond, maar de eerste was +er tot zijne groote wanhoop volkomen onschuldig aan. Niet voor in +den morgen had de Engelschman het geval vernomen; en de natuurlijke +wijze, waar hij zijne woede in vloeken en verwenschingen openbaarde, +en de haast, waarmede hij in eene postchais vertrok, om de vlugtenden +te achterhalen, deden vermoeden dat, zoo hij eenigzins in het geval +betrokken was, hij zich dan met de rol van _dupe_ moest vergenoegen. + +In weinige uren had Lurgrave Bern bereikt; doch daar het voortvlugtige +paar bijna zes uren op hem vooruit had, en hij volstrekt niet wist, +welken kant zij heengegaan waren, behoefde het hem niet te verwonderen, +dat zij hem niet dadelijk bij zijne intrede in die stad onder de +oogen kwamen. Hij vond het evenwel naar den staat der zaken behoorlijk +steeds woedend te blijven, en zich in dollen ijver tot de policie te +wenden, om Van Aartheim, die hem zijne nicht en pupil, _Miss_ Cleford, +had ontvoerd, te doen gevangennemen, schoon deze waarschijnlijk het +Bernsche territoir reeds uren ver achter zich gelaten had; en om tevens +vijf Hollandsche heeren, die nog dien dag in de stad zouden aankomen, +als medepligtigen aan dat feit te doen arresteren. + +Ten gevolge hiervan genoten onze vrienden te Bern eene eer, die hun +nog nergens was te beurt gevallen. Van hooger hand waren terstond +toebereidselen gemaakt om hen naar behooren te recipiëren; en toen +zij nu aan de _Porte d'en bas_ gekomen waren, en hunne paspoorten +hadden overgelegd, vonden zij twee policiebeambten gereed om hen naar +hun hotel te geleiden, terwijl een derde van hunne aankomst aan de +overheid berigt ging brengen. + +Met bevreemding sloeg het vijftal, gewoon om bijna onopgemerkt in +de Zwitsersche steden aan te komen, al de beleefdheden gade, waarvan +zij de voorwerpen waren. + +"Neemt men omtrent alle vreemdelingen deze formaliteiten in +acht?" vroeg Veervlug aan een hunner geleiders. + +"Volstrekt niet," antwoordde deze; "maar omtrent ulieden zijn ons +buitengewone orders gegeven." + +"Het is zeker een misverstand," fluisterde Pols Torteltak in; "zij +houden ons vast voor vermomde Hertogen en Prinsen." + +Deze merkte evenwel in de policiebeambten, schoon in zeer versleten +lichtblaauw uniform gekleed en met dikke knuppels gewapend, weinig +op, dat hem aan eene eerewacht deed denken; en ook de blikken, die de +steeds aangroeijende volksmenigte op hen wierp, schenen iets anders +uit te drukken, dan de opgewondenheid en toejuiching, die het gemeen +gewoonlijk aan Prinsen en Vorsten, hetzij inlandsche of vreemde, +met vreugde ten koste legt. + +Tot dusverre was deze deftige ontvangst evenwel niet onaangenaam; +want behalve dat onzen vrienden de moeite bespaard werd om den weg +naar het _Hôtel du Faucon_ te vragen, werden zij in de gelegenheid +gesteld om met één _coup d'oeuil_ een groot gedeelte van de Bernsche +bevolking te zien; maar toen zij nu in het hotel waren aangekomen, +en zich voorstelden, zonder al die getuigen op hun eigen gelegenheid +een wandeling door de stad te gaan maken, contrarieerde het hen +eenigzins dat de geleiders hen verzochten eerst het bezoek van den +Policie-Commissaris af te wachten. + +Dit bezoek kwam spoedig. Een donkerblaauw heer, die aan de natuur en +aan zijne ouders één been te danken had, en aan de kunst van zijn oom, +een talentvol timmerman, het andere, strompelde de kamer in; zijne +zijde was versierd met een degen, zijne hand gewapend met een stok, +waarvan de knop een beer voorstelde, en, naar de uitgewerktheid van +het kunststuk te oordeelen, een zoodanige, tot welks fatsoenering de +moederlijke tong nog weinig heeft bijgedragen De eigenaar van dit +alles haastte zich een stoel te bereiken, zijne leden, zoover zij +daarvoor vatbaar waren, tot zitten te buigen, en het kunstproduct +zijns ooms onder de tafel te wringen. + +"Mag ik vragen," zei Polsbroekerwoud, wiens verbazing hoe langer hoe +grooter werd, "mag ik vragen, waaraan wij de eer..." + +"Accoord," antwoordde de Commissaris; "maar niemand heeft hier iets +te vragen dan ik." + +En terwijl hij dit zeide, ontvouwde hij eenige papieren, waaronder +zich ook de reispassen der vrienden bevonden; en een er van in handen +nemende, riep hij: "Wie uwer is Eduard van Torteltak?" + +"Die ben ik," zei deze. + +"Dan zult gij mij op de volgende vragen zonder omwegen en zonder +terughouding antwoorden. Hoe heet gij?" + +"Wel, Eduard van Torteltak, denk ik." + +"Dat is een ontwijkend antwoord, maar dat misschien veel licht over +de zaak zal verspreiden. Hoe oud zijt gij?" + +"Drieëntwintig jaren." + +"Nog zoo jong," riep de Commissaris verontwaardigd uit, "en dan al +medepligtig aan een schelmstuk, dat naauwelijks in een oud afgeleefd +man moest opkomen!" + +"Mijnheer! ik verzoek explicatie van zulke beleedigende uitdrukkingen." + +"Accoord, Mijnheer! maar ik heb hier geen explicatie te geven. Van +waar zijt gij dezen morgen gekomen?" + +"Van Interlaken," antwoordde Torteltak met verkropte woede. + +"Accoord," zei de Commissaris; "dat verspreidt licht over de zaak." + +Successivelijk werden al de vrienden één voor één opgeroepen, om +hunnen naam, ouderdom en laatste nachtkwartier op te geven, en de +Commissaris, die alles naauwkeurig opteekende, merkte aan, dat de +zaak hoe langer hoe meer helderheid verkreeg. Eindelijk stond hij op, +verklaarde het verhoor afgeloopen, en haalde uit zijne papieren een +tarief, krachtens hetwelk ieder der heeren genoodzaakt was hem 1 +franc en 4 Batzen voor zijn onderhoudend gezelschap te betalen. De +vrienden bragten hiertegen maar niet veel in, daar zij hoopten, dat +hiermede de zaak aan een einde zoude zijn. Maar helaas! voordat de +Commissaris vertrok, gaf hij den policiebeambten de uitdrukkelijke +order, om niemand der arrestanten een minuut uit het oog te verliezen, +en te zorgen, dat geen hunner het hotel verliet. + +"Dat wordt te erg!" riep Veervlug, zich tusschen den Commissaris en de +deur plaatsende. "Ik zeg u, Mijnheer, dat wij zulk eene willekeurige +manier van handelen moede zijn, en dat wij, zonder ons verder aan +deze hemelsblaauwe verklikkers te storen, onzen weg zullen gaan." + +"Accoord," zei de ambtenaar; "dat zou licht in de zaak geven." En +zich tot de policiedienaars wendende, voegde hij er bij: "Zoodra een +hunner oproerig wordt, zendt gij om assistentie, en wij zullen hen +naar het _Blauhaus_ transporteren." + +Deze uitspraak van den Commissaris verspreidde zooveel licht over +de treurige omstandigheden, waarin onze vrienden zich bevonden, dat +zij elkander wanhopig begonnen aan te zien; want het _Blauhaus_ te +Bern, dit wisten zij, heeft wonderlijk veel overeenkomst met hetgeen +men elders spin-, rasp-, tucht- of in het algemeen correctioneel +gevangen-huis noemt. + +Wanneer men op reis, door slecht weer, of door gescheurde kleeren, of +door gekwetste voeten, of door andere dergelijke dikwijls voorkomende +omstandigheden, genoodzaakt is een ganschen namiddag en avond in zijn +logement door te brengen, en men heeft geene brieven naar huis te +schrijven,--als dan het tarief der comestibles en de prijscourant +der wijnen grondig bestudeerd zijn, de uren van het vertrek van +diligences en stoombooten meermalen zijn nagezien, de vreemde +couranten herhaalde reizen zijn doorgeloopen, de verteringen van den +laatsten dag naauwkeurig zijn opgeteekend,--dan weet men al niet veel +bijzonders meer te doen, dan zijn naam op de glasruiten te snijden, +met de voeten de zandfiguurtjes op den vloer te derangeren, of zich +door andere dergelijke opwekkende amusementen den tijd te korten. Dan +komt dikwijls bij den reiziger voor plaisir de vraag op, waarom hij +zich nu niet liever in zijn gezellig studeervertrek, of in zijn nog +gezelliger familiekring kan bewegen; dan vergeet hij somtijds al de +genoegens, die hij reeds op zijne togten gesmaakt heeft, en die hem +nog wachten, en komt hij langzamerhand tot de overtuiging, dat een +booze daemon de eerste uitvinder van het reizen is, om ongelukkige +stervelingen van verveling en heimwee te doen omkomen. + +In een toestand, aan dezen grenzende, bevonden zich Pols en zijne +vrienden in het _Hôtel du Faucon_ te Bern. En was het wonder? Waren +zij niet de treurigste slagtoffers van hunnen reislust? Verleid door +de voorstelling van verscheiden weken, door geen enkele zorg gekweld, +in volkomen ongestoorde vrijheid, niets dan genot te smaken, hadden zij +den togt aanvaard. Helaas! hoe verschillend van deze voorstelling was +de uitkomst? Moesten zij daarom smarten gevoeld, ongemakken verdragen, +gevaren getrotseerd hebben, om eindelijk honderde mijlen van hunne +woning hunne vrijheid te verliezen, als gevangenen te zuchten, en +misschien als veroordeelden in eenen kerker te verkwijnen? En dat +alles onschuldig! + +"Waren wij ons maar van eenig misdrijf bewust," riep Pols uit; +"dan zou die pijnigende onzekerheid ons zoo niet kwellen." + +"Maar ik geloof niet, dat die bewustheid ons veel geruster zou maken," +merkte Torteltak aan. + +"Wij zijn slagtoffers van een schandelijk verraad," troostte zich +De Morder. + +"Als onze betrekkingen in Holland het hooren, treuren zij zich dood," +wond Holstaff zich op. + +"De receptie van die Bernsche Beeren laat veel te wenschen over," +zei Veervlug, die door dit gezegde weêr een weinig vrolijker werd. + +In deze en dergelijke uitroepingen werd het eerste uur na het vertrek +van den Policie Commissaris doorgebragt. + +"Ik moet toch eens zien, dat ik er achter kom," zei Pols, en zich +daarom tot een der bewakers wendende, die standvastig bij de deur post +hielden, stopte hij hem twee Zwitsersche francs in de hand. "Daar, +vriend! dat is voor u." + +"Dankje wel, Mijnheer!" zei de vriend. + +"Maar zeg mij nu eens, wat is de reden, dat wij hier gevangen moeten +blijven?" + +"Ik kan u op mijn woord verklaren, dat ik er niets van weet," was +het antwoord. + +Pols had dus de satisfactie, voor omtrent negenentwintig stuivers +Hollandsch te vernemen, dat de policiedienaar even weinig van de zaak +begreep als hij. + +"Als Mijnheer het mij gevraagd had," zei de andere wachter vrij luid +tot zijn confrater, "dan.... + +"Wat dan?" vroeg De Morder driftig, terwijl hij de handgreep met de +francs, die hij van Pols bespied had, navolgde. + +"Dan zou ik den heeren hetzelfde antwoord hebben moeten geven," zei +de wachter, terwijl hij dankbaar het geld opstak; "maar ik heb anders +ook nog wel gemerkt, dat het niet gemakkelijk met u zal afloopen; +ik heb al hooren praten van het _Schallenwerk_." + +De Morder vernam dus meer voor zijn geld dan Pols, vooral toen +de vriendelijke policiedienaar door de verklaring van het woord +_Schallenwerk_, als synoniem met _dwangarbeid_, nog eenig meerder +licht over de zaak verspreidde. + +Deze mededeeling gaf aanleiding tot nieuwe aanmerkingen, te veel om +op te noemen, en misschien zouden zij zich dien avond doodgetreurd +hebben, zoo niet Torteltak uit voorzigtigheid drie flesschen wijn en +twee spellen kaarten had doen aanrukken. Beide deze troostgronden +vonden tamelijk goeden ingang bij de gevangenen, en menig potje +_commerce_ werd door menige flesch Neuchateller vervrolijkt. Tamelijk +opgewonden gingen zij naar bed, en sommigen hunner merkten niet eens, +dat de onbezweken trouwe wachters de deuren hunner slaapkamers achter +hen afsloten. + +Den volgenden morgen ten negen ure kwam er eene aanschrijving van den +Policie-Commissaris, ten gevolge waarvan zijne beambten de vrienden +uitnoodigden tot eene wandeling naar de _Rathhausplatz_, om eene +contra-visite aan den vriendelijken bezoeker van gisteren te brengen. + +De zaal in het _Rathhaus_ te Bern, waar Schout en Vennerheeren van den +kleinen Raad zich met civile, correctionele en criminele affaires bezig +houden, heeft nog al overeenkomst met vele andere geregtszalen. Boven +den schoorsteen staat een geblinddoekte juffrouw met weegschalen, +waarin niet altijd gewogen wordt; links en regts van haar hangen +schilderijen, waarop Salomo en Brutus op de meest gebruikelijke wijze +worden voorgesteld. Dit standbeeld en deze afbeeldingen zijn zoodanig +geplaatst, dat zij den delinquenten terstond in het oog vallen en +met schrik vervullen, en tevens geen invloed kunnen uitoefenen op +de uitspraak der regters, voor wie zij door de hooge ruggen hunner +gestoelten verborgen zijn. Deze daarentegen hebben vlak het gezigt +op eene groote klok, opdat ze, in de drukte hunner bezigheden, nooit +het etensuur vergeten mogen. Voorts ligt op het groene kleed der tafel +voor ieder gestoelte eene massa wit papier, dat altijd zuiver blijft, +en eenige versneden pennen, die nooit met inkt bemorst worden. Een +balie scheidt dit gedeelte der zaal af van een kleine tusschenruimte, +voor het publiek afgezonderd, en waarin tien à twaalf personen op +elkaêr kunnen worden gepakt. + +Voordat het evenwel onzen vrienden vrijstond, al deze merkwaardigheden +in oogenschouw te nemen, moesten zij twee en een half uur in de kamer +der aangeklaagden vertoeven, een klein afgeschoten hokje, waarin +nooit zon of maan indiscrete blikken kan werpen, en dat overigens een +allergeschiktst vertrek is voor die soort van zieken, welke zich van +frissche en gezonde lucht moet menageren. + +Het was dus voor allen eene aangename boodschap, toen het berigt kwam, +dat de Raad voltallig was, en de aangeklaagden voor moesten komen. Kalm +en onverschrokken, gerust op hunne onschuld, traden zij de zaal binnen, +en geen hunner beefde terug voor de tabbaarden van den ouden Schout +en de jonge Vennerheeren, schoon daaruit diepe doordringende blikken +op de misdadigers te voorschijn kwamen. + +Het begin van dit verhoor had veel van het vroegere. De Schout begon +weêr te vragen: "Joachim Polsbroekerwoud, hoe is uw naam? Hoe oud zijt +gij? Van waar kwaamt gij gisteren alhier aan?" en zoo voorts met al +de aangeklaagden. Tusschen ieder dezer vragen vond de President het +evenwel noodig, eens te kugchen en omtrent de inkleeding der volgende +vraag zijnen buurman, een der jonge Vennerheeren, te raadplegen, +iets dat daarom geschiedde, zoo als de vrienden later vernamen, +omdat de tachtigjarige Schout aan eene volkomene memorieloosheid +laboreerde. Zijn mederegter aan de andere zijde hield zich intusschen +onledig met zijn repetitiehorlogie, dat driemaal in elke vijf minuten +aan de geheele vergadering verkondigde, hoe laat het eigenlijk was. + +Toen deze allergewigtigste vragen tot aller genoegen beantwoord +waren, wees de buurman den President, dat hij zich tot den Policie +Commissaris moest wenden, waarop Zijn Ed. Achtb. de vraag uitbragt: +"Werner Birnbaum, hoe is uw naam?" maar, terstond door gemelden buurman +nader ingelicht, zijne vraag veranderde in: "Welke zijn uwe rapporten +omtrent de arrestanten?" + +Deze diende hierop een verslag in, hoe op Maandag den 24sten Juli +A. D. 1837, na de stichting van Bern het 646ste, des namiddags ten half +vier ure, door de poort van Solothurn, of, gelijk zij thans genoemd +werd, _la Porte d'en bas_, in de stad Bern waren binnengekomen vijf +personen, welker namen blijkens hunne paspoorten waren, enz. + +Hoe hij, Werner Birnbaum, eerste Commissaris van Policie van Bern, +_Préfekture Bern_, _Division du centre_, _Canton Bern_, nadat hem +hunne paspoorten waren overgeleverd, zich begeven had naar het _Hôtel +du Faucon_ in de _Rue des Juifs_, waarheen zijne beambten gemelde +personen hadden geleid, enz. + +De slotsom zijner berigten was, dat voor het grootste gedeelte de +mondelinge verklaringen der arrestanten omtrent namen en ouderdom +overeenkwamen met hetgeen dienaangaande op hunne passen was +aangeteekend, met uitzondering evenwel van de verklaring van Eduard +van Torteltak, die omtrent zijn naam onzeker scheen, en Joachim +Polsbroekerwoud, die voor zijn ouderdom 35 jaren had opgegeven, +terwijl hij op zijn pas slechts 34 jaren had bereikt;--dat, wat de +signalementen betrof, alles in orde was, behalve dat bij de _signes +particuliers_ op de pas van August Holstaff geen melding gemaakt wordt +van de naden, die, gelijk Schout en Vennerheeren zichzelve konden +overtuigen, zijn gelaat versierden. Dat hij voorts aan den Raad in +bedenking gaf, of de paspoorten op zichzelve wel geldig waren als +Hollandsche paspoorten, omdat er geen enkel woord Hollandsch in te +lezen stond. + +De Regter met het repetitie-horlogie, dat gedurende dit verslag +achtentwintig malen geslagen had, proponeerde, om de zaak te +bespoedigen, deze kleine verschillen over het hoofd te zien, daar +de stukken op de Bureaux van Buitenlandsche zaken zelden met zulk +eene nauwkeurigheid werden bewerkt, dat zij het examen van een +Policie-Commissaris konden doorstaan. Wat de taal betrof, waarin +de stukken waren opgesteld, hij kon verzekeren, dat het Fransch +in Holland de algemeen gebruikelijke taal was, en dat slechts door +het gemeen en in enkele landprovinciën een _patois_ gesproken werd, +waarin misschien nog sporen van hetgeen men vroeger de Hollandsche +taal noemde, te ontdekken waren. + +Deze juiste wederlegging werd door al de regters als voldoende +aangenomen, tot groote wanhoop van den Policie-Commissaris, die al +het licht, dat hij over de zaak verspreid had, plotseling in dikke +duisternis zag veranderen, en daar zijne werkzaamheden in deze zaak +afgedaan schenen, naar huis strompelde, waar hij zijn houten been, +stok en andere _insignia_ tot nader order in de kast wegsloot. + +De vijf arrestanten en ook de Schout begonnen te hopen, dat nu ook +hunne taak was afgedaan, toen de laatste op nieuw aan zijnen tabbaard +werd getrokken en den Procureur van den raad verzoeken moest, de +eigenlijke beschuldiging voor te dragen. + +Hierop stond een lang, bleek menschenhater van zijnen zetel op, +en sprak eene soort van verhandeling uit, waarin hij aantoonde, +dat de verdorvenheid des menschdoms zich openbaarde in het plegen +van gruwelen en misdaden; dat naarmate die verdorvenheid toenam, ook +het getal dier gruwelen en misdaden aanwies; dat de geschiedenis van +oudere en nieuwere tijden deze stelling door voorbeelden kon staven; +dat onder de misdrijven, het meest in gebruik eerste plaatsen toekwamen +aan moord, diefstal en vrouwenroof; en dat degenen, die zich op deze +gruwelen toelegden, gezegd konden worden tot het slechtste gedeelte +van het menschdom te behooren; dat hij met het diepste leedwezen, +ja zelfs met afgrijzen ontdekt had, dat van de laatstgenoemde dier +gruwelen hier de quaestie was; en dat hij zich met innige droefheid +gedrongen zag te verklaren, dat de naamlijst der vreemdelingen, die +Zwitserland tot het tooneel dezer menschonteerende handelingen hadden +verkozen, met de namen van Van Aartheim en zijne medepligtigen stond +vergroot te worden. + +Hierop legde hij de aanklagt bloot van _Sir_ William Lurgrave, tegen +den voortvlugtigen schaker en de arrestanten hier tegenwoordig, wier +medepligtigheid nog wel niet ten volle bewezen was, maar, door gemis +aan directe bewijzen van het tegendeel, zeer waarschijnlijk werd; +en hij besloot zijne rede met te betoogen, dat de eenige voldoende en +het kwaad in den grond weerende straf de doodstraf was, blijkens de +voorbeelden der Heeren Von Schwanau en Wolfenschiess, die, in vroeger +eeuw door de jongelingen van Art en door den beleedigden Conrad von +Baumgarten omgebragt, zich later nooit meer aan dergelijke gruwelen +te buiten gingen; maar daar de wet, in hare veroordeelenswaardige +zachtheid en kwaadaanmoedigende laxiteit, zulk eene straf voor de +genoemde misdaad niet toestond, hij zich vergenoegen moest met +den eisch tegen de vijf gedaagden, hier tegenwoordig van eene +gevangenisstraf van 20 jaren en eene geldboete van 1000 _francs_. + +Nadat de lange heer zijn gemoed in deze lieve oratie had lucht +gegeven, nam hij zijne plaats aan de groene tafel weêr in, en +de Schout, die zich weêr aan den tabbaard voelde trekken, bragt +de vraag in het midden, of men nu niet tot het condemneren zou +overgaan. Zijn buurman met het repetitie-horlogie vond het niet +kwaad, mits het spoedig geschiedde, daar het uur verliep en hij +dien middag visch moest eten. Een der andere Vennerheeren evenwel +maakte ZEd. Achtb. opmerkzaam, dat het niet direct met de wet zou +strijden, indien men vooraf den gedaagden gelegenheid gaf, om hunne +verontschuldigingen voor te brengen. + +De verbazing, waarin al, wat zij gezien en gehoord hadden, de vrienden +gedompeld had, maakte het hun in den beginne moeielijk een woord te +uiten. In het eind stond Veervlug, door zijne betrekking den loop van +regtszaken eenigzins begrijpende, op, en maakte in weinige woorden +aan den Raad bekend, dat zij niet alleen niet medepligtig aan, maar +zelfs geheel onkundig van het feit waren, aan Van Aartheim ten laste +gelegd; dat een zijner vrienden een briefje van dien heer had, hetwelk +misschien de regters zou kunnen overtuigen, maar dat hij in allen +geval eischte, dat de aanklager zijne bewijzen tegen hen aanvoerde. + +Hierop nam de procureur het briefje van Torteltak in handen, hetwelk +hij verklaarde nooit _à décharge_ te kunnen getuigen, als in eene +taal geschreven, die niemand der regters verstond, maar veeleer de +suspicie tegen hen scheen te versterken, daar voor de handteekening +de zeer verdachte letters T. T. gelezen werden. De Vennerheer naast +den Schout vond het laatste verzoek van Veervlug, om de bewijzen van +den aanklager te hooren, evenwel zeer billijk, en stelde daarop de +gewone manoeuvre bij ZEd. Achtb. buurman in het werk, waarop deze +een beambte gelastte, den aanklager William Lurgrave te ontbieden. + +De beambte kwam spoedig terug met het berigt, dat gemelde heer niet +meer in het _Hôtel de la Couronne_ te vinden was; en daar de heer met +het repetitie-horlogie den Schout bij zich ten eten verzocht had, +verklaarde de laatste de vergadering gesloten en geadjourneerd tot +morgen ten negen ure, hetwelk in de taal der ingewijden beteekent +tusschen half twaalf en twaalven. + +De arrestanten hadden verlof naar hunne kamer in het _Hôtel +du Faucon_ terug te keeren, waar zij dien avond, in plaats van +_commerce_, _treize_ speelden, en Champagne in plaats van Neuchateller +dronken. Daar is niets, dat den mensch zoo debaucheert, als geforceerd +arrest. + +De tweede zitting had den volgenden morgen in dezelfde zaal en op +hetzelfde uur plaats. Maar de leden van den kleinen Raad te Bern +waren heden in pijnlijke onzekerheid. De aanklager was nergens meer te +vinden, en de kastelein uit _de Kroon_ had verklaard, dat hij zijne +rekening had betaald en was voortgereisd. Toen dus de arrestanten +weêr binnenkwamen, drong de Schout in het eerst aan op eene spoedige +bekentenis, maar zag daar spoedig van af, omdat de beschuldigden +niets te bekennen hadden. Wederom trok zijn buurman aan den tabbaard, +en na het gewoonlijk daarop volgende consult, verzocht de Schout met +luider stemme den Procureur tot de strikvragen over te gaan. Deze +vroeg hierop, met doordringende blikken de arrestanten aanziende, +welke de kleur was der japon, die _Miss_ Cleford aan had, toen zij +geschaakt werd; hoeveel paarden er voor de postchais stonden, waarin +de vlugtelingen waren vertrokken; met welke hand Van Aartheim haar in +het rijtuig had geholpen, enz. De vrienden ontkwamen gelukkig uit al +deze listig gesponnen valstrikken, en de regters begonnen zich zeer +weinig op hun gemak te gevoelen. + +Zij maakten dus gebruik van den in die positie noodigen en +gebruikelijken maatregel. De arrestanten moesten buiten staan. + +De uitslag der beraadslagingen van Schout en Vennerheeren kwam +hierop neêr: + +"De kleine Raad, etc. + +Overwegende, dat de aanklager zijne beschuldiging niet met bewijzen +gestaafd heeft, maar heimelijk is vertrokken; + +"Verklaart hem buiten eisch gesteld. + +"Overwegende verder, dat de aangeklaagden niet van medepligtigheid, +hun ten laste gelegd, kunnen beschuldigd worden; + +"Verklaart hen van beschuldiging ontheven. + +"Edoch: de Raad overwegende, dat een der partijen de kosten van het +proces moet betalen; + +"Dat degene, ten wiens laste zij moesten komen, door af te reizen, +zich aan die betaling heeft onttrokken; + +"Is genoodzaakt van de andere partij de kosten te eischen. + +"Maar tevens overwegende, dat de wet niet toestaat de kosten te +eischen, dan van de partij, ten wiens nadeele het vonnis geveld is; + +"Overwegende, dat de aangeklaagden, door vroeger in betrekking te +hebben gestaan tot den vermoedelijke schuldige, den schijn des kwaads +tegen zich hebben; + +"Echter in aanmerking nemende, dat zij, volkomen onschuldig schijnende, +ligt dienen te worden gestraft; + +"Veroordeelt hen tot eene geldboete van 5 Batzen, en alzoo ook tot +betaling der kosten." + +De vrienden betaalden met vreugd de boete, en ook met bereidwilligheid, +schoon niet met vreugd, de kosten, ten bedrage van 176 Zwitsersche +francs en 7 1/2 Batzen. + +Het was geen half uur later, toen Joachim Polsbroekerwoud en zijne +vrienden de stad Bern verlieten, en zij zouden misschien in wanhoop +terstond naar Holland zijn teruggekeerd, zoo zij niet bemerkt hadden, +dat zij de _Barrière de Morat_ waren uitgegaan, en den weg naar +Friburg waren ingeslagen. + + + + + +HOOFDSTUK XXII. + + Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voortvlugtigen + _Van Aartheim_ handelt. + + +Eene schaakhistorie kan onaangename gevolgen hebben; dit ondervonden +onze vrienden. Maar dat er toch ook tallooze genoegens en veel +genietingen aan verbonden zijn, meende Torteltak, schoon hij nooit +geschaakt had, gerust te kunnen gelooven; en dus, als hij aan +de beeldschoone Anglaise uit het _Hôtel Colbert_ dacht, en zich +voorstelde, hoe aardig Van Aartheim, die nu toch waarlijk bleek +de schaker te zijn, den tijd met haar zou doorbrengen,--als hij +beredeneerde, hoe sterk hare liefde voor zijn vriend moest wezen, om +haar tot zulk een stap te doen besluiten,--dan kon hij bemerken, dat +zijn hart niet alleen voor heel veel liefde, maar ook voor evenveel +jaloezie vatbaar was. Dat hij zich, in hetgeen hij van hare liefde +dacht, niet vergiste, maar wel in hetgeen hij van ongestoord geluk +bij Van Aartheim veronderstelde, bleek hem uit een brief, dien hij, +twee dagen na zijn vertrek uit Bern, te Lausanne ontving. + +Hoewel nu dit schrijven veel licht over de zaak verspreidde, en dus +voor den Bernschen Policie-Commissaris van het hoogste belang zou zijn +geweest, bleef er over vele zaken, en vooral over Van Aartheim's wijze +van handelen, nog zoo veel duisters, dat Torteltak maar ten halve +tevreden was. "Ik ben zeer gelukkig," schreef hij onder anderen, +"dat ik mijne geliefde heb kunnen redden van de gevaren, die haar +bedreigden. Ik heb mijn pligt gedaan, door haar tot een stap te +bewegen, die evenwel de oorzaak zal wezen, dat velen haar en mij +zullen veroordeelen. Nu, daar ik haar steeds aan mijne zijde zie, +heb ik daaraan een onuitsprekelijk genot te danken; maar het wordt +vergald door het denkbeeld, dat ik haar spoedig weêr zal moeten +verlaten,--dat ik door heilige pligten gedrongen word, wat mij het +liefst op de wereld is, aan nieuwe gevaren bloot te stellen,--en dat +ik haar, die zoozeer bescherming behoeft, de mijne moet onttrekken. Ik +kan u in deze vlugtige oogenblikken niet meêdeelen, hoe al die zaken +tot elkander in verband staan; maar dit moet ik u zeggen, dat ik tot +_Miss_ Cleford in de naauwste betrekking sta, dat ik haar gedurende +mijn vijfjarig verblijf in Engeland heb leeren kennen en dus moeten +beminnen, en dat ik waarschijnlijk nu reeds haar gelukkige echtgenoot +zou zijn, zoo niet de dood harer moeder haar onder de voogdijschap +van een wreed, slecht mensch had gesteld. Helaas, dat ik niet kan +voortgaan, zoo als ik begonnen ben, om mij tegen zijne schandelijke en +willekeurige handelwijze te verzetten! Ik word hiertoe aan den eenen +kant gedrongen door mijne lieve Jenny, die niets vuriger verlangt, dan +zich, op welke wijze ook, van haren voogd te ontslaan, en die behalve +dat bereid zou zijn, zich elke opoffering om mijnentwil te getroosten; +maar aan den anderen kant... Helaas! ik ben zeer ongelukkig." Hij +eindigde zijnen brief met de vrienden tegen den Engelschman te +waarschuwen, tegen wien hij had opgemerkt, dat Polsbroekerwoud met +regt kwade vermoedens had opgevat. + +"Die waarschuwing verzoent mij weêr geheel met hem," zei Pols, toen +Torteltak den brief had voorgelezen. + +"Maar zij komt beroerd laat," gromde De Morder. + +"Ik wou toch dat ik den goeden jongen van dienst kon zijn," zei Pols, +die al de onaangenaamheden van Bern weêr vergat, en gelukkig zijn +noteerboekje niet voor zich had, waarop de boeten en kosten in een +geregtelijk proces de grootste post waren; "ik zou dien Mijnheer +Lurgrave wel eens willen spreken. Ik geloof dat ik hem, door bedaard +redeneren en door hem eens goed aan te tasten, wel tot betere gedachten +zou kunnen brengen. Jammer maar, dat die kerel niets dan Engelsch +schijnt te praten." + +"Ik vind dat Van Aartheim wat beter door moest tasten," merkte +Torteltak aan; "ik wou wel eens zien, als ik het met het meisje eens +was, dat een voogd mij belette het doel mijner wenschen te bereiken." + +"Ik voorzie een ongelukkig einde," zei Holstaff, "ik houd het er voor, +dat wij onzen vriend voor het laatst gezien hebben, tenzij wij hem +nog eenmaal aantreffen, door verraad omgebragt, terwijl de schoone +Interlaaksche bij zijn lijk nederknielt." + +"Kom, kom!" zei Veervlug: "alles komt te regt. Ik stel mij liever voor, +nog eens op zijne bruiloft te galopperen, dan dat ik nu mijne voeten +al tot den begrafenispas exerceer." + +Het was jammer voor Van Aartheim, dat de goede wil zijner vrienden +hem niet dienen kon; maar gelukkig, dat zij niet in de gelegenheid +gesteld werden, om te beproeven wat zij bij Lurgrave vermogten; +want het zou misschien in dezen gegaan zijn, zoo als het dikwijls +in de wereld loopt: door al te groote lievigheid en zucht om ons van +dienst te wezen, bereiden dikwijls onze vrienden, die weinig inzigt +in de zaken hebben, en even weinig menschenkennis, den weg, die ons +lijnregt naar den afgrond leidt; en als wij dan in de diepte zijn +neêrgevallen, troosten zij zichzelven en ons met: "Wij hebben toch +alles gedaan wat wij vermogten." + +_Sir_ William Lurgrave was er niet direct de man na, om zich door +den eerzamen Rotterdamschen burgerman te laten ompraten. De redenen, +waarom hij het huwelijk zijner nicht met Van Aartheim belette, waren +aan weinigen buiten hem bekend; maar dat hij andere plannen met +haar had, was aan _Miss_ Cleford duidelijk geworden, toen hij haar +een zwaar gekneveld Franschman als zijn vriend had voorgesteld, tot +wien hij hoopte nog eenmaal in nadere betrekking te zullen staan. De +verloopen vriend was evenwel voor Van Aartheim niet gevaarlijk geweest; +want Jenny was niet bijzonder gesteld op een echtgenoot, in de school +der _débauches_ tot die betrekking gevormd, en de Franschman, die +op zijn dertigste jaar reeds afgeleefd was, kwam haar daarom niet +achtingswaardiger voor. Zij behoorde tot die dames, die in haar +gemaal minder ophebben met een prématuren ouderdom, dan met een, +die na een welbesteden jeugd volgt. + +Wij zijn intusschen genoodzaakt _Miss_ Cleford met haren minnaar aan +hun goed fortuin over te geven, en hopen dat zij hunnen vervolger +steden ver achter zich zullen laten; want te Lausanne vinden wij in de +aanteekeningen onzer vrienden nog niets naders omtrent hun lot vermeld. + + + + + +HOOFDSTUK XXIII. + + Waarin de lezer een geruimen tijd in het kerkerhol van Chillon + moet verzuchten. + + +De invloed van het ligchaam op den geest, en vice versa, behoort tot +die dingen, die volstrekt niet meer in twijfel getrokken, maar toch +veelvuldig betoogd worden. Het levert, even als de onsterfelijkheid der +ziel en het pligtmatige der deugd, sinds eeuwen her, aan verhandelaars +en schrijvers ruime stof, om veel in het midden te brengen, dat +volkomen overeenkomt met hetgeen anderen reeds hebben gezegd. Het +onderwerp is trouwens even zoo goed als een ander, in zoover het alleen +dient om den schrijver of spreker te amuseren en te stichten; en vooral +is het uitnemend geschikt, zoo als het ook heel veel gebruikt wordt, +om tot inleiding te dienen, en den spreker of auteur op den weg te +helpen, daar het, als het met het eigenlijke onderwerp niet in het +minste verband staat, kan blijven liggen voor hetgeen het is. + +De invloed, dien de toestand des ligchaams op de stemming der ziel +uitoefent, blijkt, zoo als onder alle omstandigheden, ook na het +gebruik van een goed _diner_. Als men heel gezellig en vrij lang +getafeld heeft, als de verschillende zintuigen van gezigt, reuk en +smaak aangenaam zijn gestreeld, en men door keur van spijs of drank +eene behoorlijke voeding, vulling en verkwikking heeft bewerkstelligd, +zonder daarin tot overladens toe te zijn voortgegaan, dan deelt de +aangename toon, die in het ligchaam heerscht, zich ook aan de ziel +mede, en hoewel in dien toestand de geest misschien niet tot bijzondere +inspanning geschikt is, hij is vatbaar voor genot en ontvankelijk en +gevoelig voor de indrukken, die zich aan hem voordoen. + +Het was na een goed diner in _le Croix blanche_ te Vevay (en hier +eindigt de inleiding van dit XXXIIIste Hoofdstuk), dat Pols en zijne +vrienden zich op eene wandeling _derrière l'aile_ aan het oostelijk +gedeelte van het meer van Genève begonnen te oriënteren. Het was +een heerlijke namiddag; het blaauw des hemels, hier reeds schoon, +als de hemel van Italië, scheen in helderheid en doorschijnendheid +met dat van de watervlakte te wedijveren; ongestoord wierp het licht, +dat reeds begon naar het westen te dalen, zijne stralen op het meer, +slechts aan het zuidelijk gedeelte door de schaduwen van het hoog +gebergte bepaald. De koude der sneeuwtoppen in het verschiet scheen +door de zachtheid der kleuren, waarvan zij schitterden, getemperd; +en het duister der schaduw, die de groene heuvels digt aan den oever +op het water wierpen, werd door lichtstralen, door de rotsopeningen +heendringende, gebroken. + +Het verwondert u niet, wanneer gij in de lieflijke wandeldreven van +Vevay dit heerlijk uitzigt geniet, dat de dichterlijke verbeelding +van Jean Jacques hier de helden van zijnen roman ten tooneele voerde; +ja het kost uwe minder dichterlijke verbeelding weinig moeite, als gij +op deze door de natuur begunstigde plaats aan uwe linkerzijde Chillon +en Clarens en tegenover u de rotsen van Meillerie ziet, ze wederom +met die personen te bevolken, wier bestaan gij hier bijna niet in +twijfel zoudt durven trekken, schoon gij ook zeker weet dat zij er +nooit bestonden. "_Allez à Vevay,_" zoo beroept er zich de auteur +zelf op, "_visitez le pays, examines les sites, promenez vous sur le +lac, et dites si la nature n'a pas fait ce beau pays pour une Julie, +pour une Claire et pour un Saint Preux;--mais ne les y cherchez pas._" + +Onder den invloed van al dat schoon, dat zij zagen, en ook van +hetgene zij niet zagen, maar zich aan den leiddraad van Rousseau's +verbeelding voorstelden, maakten onze vrienden den tour over Clarens, +Montreux, Chillon en Villeneuve naar Meillerie. Torteltak zocht met +belangstelling naar het plaatsje, waar de beroemdste aller eerste +kussen werd gegeven, en gevoelde zich sterk om hetzelfde effect te +sorteren en even opgewonden te worden als de minnaar van Julie, zoo +er maar eene even lieflijke dame te vinden was, die het met hem wilde +wagen; Holstaff treurde op de rotsen van Meillerie, en gluurde even +gevoelig en met hetzelfde succes, als de heer die er vroeger logeerde, +naar den overkant van het meer; met diepen weemoed betastte hij zijn +geluk, met dezelfde versierselen pronkende, die eens de trots en +het gelaat van Saint Preux uitmaakten; maar helaas! hij had ze op de +Fransche school overgeërfd, terwijl de ander ze aan de _Inoculation de +l'Amour_ dankte. Beide, hij en Torteltak, werden minzaam maar ernstig +door Pols aangevallen, die verklaarde, dat de _Nouvelle Heloise_ een +heel overdreven boek was, en dat hij al die kunsten van den minnaar +van Julie heel leelijke dingen vond, die niet te pas kwamen; dat hij +nooit zoo ver had moeten gaan van haar zijne liefde te verklaren, +ja zelfs dat hij haar nooit lief had moeten hebben; en dat hij, Pols, +wel altijd zou oppassen, een meisje, dat hij toch nooit kon trouwen, +zulke dingen in het hoofd te brengen. De Morder, schoon zich heel +weinig interesseerende in de historie, kon toch niet nalaten tegen +de koude berekenende nutbeoogers te ijveren, die, om den weg over +den Simplon te repareren, de rotsen van Meillerie zoo jammerlijk +hadden geschonden, en zich eenige niet zeer vleijende uitdrukkingen +te veroorloven tegen de monniken van den Saint Bernard die het bosquet +van Julie tot het tooneel eener houtveiling hadden vernederd. + +Het begon intusschen avond te worden; de zon was al tot eene redelijke +diepte neergedaald, en de maan, die reeds eenigen tijd aan den hemel +had post gevat, wachtte met haar gewone geduld het oogenblik af, waarop +het licht des dags geheel zou zijn verdwenen om haar minder schoon maar +toch lief en vriendelijk aangezigt over de aarde te doen lichten. Zij +scheen niet jaloersch op de magt, die de koningin des dags over al wat +leeft uitoefent, en den schittergloed, waardoor deze haar flaauweren +glans overschenen en haar bijzijn naauwelijks deed vermoeden; evenmin +als menig eene dier lieve, oudere zusters, die op weinig schoonheid +kunnen roemen, en die, terwijl de beeldschoone jongste als _Reine du +Bal_ de feestzaal rondzweeft, met kalmte en gelatenheid tapisserie +maakt, totdat de vermoeide danser hare zuster eenen anderen _cavalier_ +overlevert, en aan hare zijde komt uitrusten. De vrienden, die tot +St. Gingouph per rijtuig waren teruggekeerd, klommen hier af, om +over het meer naar Chillon te worden gevoerd. Dat zij nog steeds in +opgewonden stemming verkeerden, bleek aan de wijze, waarop zij zich +tot de schippers wendden, en als eene gunst verzochten, in hunne +vaartuigen de blaauwe wateren van het meer te mogen doorklieven, +en de gereedheid, waarmede zij den hoogen prijs betaalden dien deze +Savoyardsche natuurkinderen, in hunne naïve begeerte naar vreemd +goud, eischten; daar zij het heiligschennis zouden hebben geacht, +met de bewoners van dit aardsche Paradijs over een zoo nietig ding, +als geld, te twisten. + +Wanneer in onze dagen reizigers het kasteel van Chillon binnentreden, +dan bekommeren zij zich gewoonlijk weinig om het doel, waarmeê Amedeus +IV het vóór zes eeuwen stichtte, en geven zij zich naauwelijks de +moeite om op te merken, waarom het door zijne ligging en sterkte voor +de Graven van Savoye van zooveel belang was. Met weinig opgewondenheid +bezoekt men de ruime vertrekken, waar nog sporen der weelde en +grootheid van het vorstelijk huis te ontdekken zijn, omdat men in de +geheele reeks van Graven en Hertogen minder belang stelt, dan in den +edelen staatsgevangene, in wiens kerker men met weemoed vertoeft. + + + "Chillon! thy prison is a holy place, + And thy sad floor an altar--for 't was trod, + Until his very steps have left a trace, + Worn, as if thy cold pavement were a sod, + By Bonnivard!--May none those marks efface! + For they appeal from tyranny to God." + + +'t Was al vrij duister, toen ons reisgezelschap den trap naar den +onderaardschen kerker afdaalde. Door de naauwe opening, hoog in den +muur van het gewelf, drong evenwel nog juist zooveel licht door, +als noodig was om al de akeligheid van het verblijf te vertoonen. + +"'t Is hier een beroerde inrigting voor een gevangenis," zei De Morder: +"je kunt waarachtig geen hand voor oogen zien." + +"Ik vind het een allermelancholiekst verblijf," zei Pols. + +"Kunt gij u begrijpen," viel Veervlug in, "dat Bonnivald zich hier +zes jaren heeft kunnen amuseren?" + +Holstaff stond reeds met de hand aan den ring, die den gevangene +aan den pilaar had vastgekluisterd, en betastte de steenen zuil, +door de wrijving der steenen uitgehold. Zijn medegevoel in het lot +van Bonnivald was bij deze gelegenheid zoo sterk, dat hij later aan +zijne vrienden verklaarde, in de vijf minuten, die hij aan dien pilaar +doorbragt, al de smarten, angsten en verschrikkingen geconcentreerd +te hebben gesmaakt, die de voorstander van Genève's privilegiën en +vrijheid in zes jaren gevoelde, en die "zijne hairen vergrijsden en +zijn wenkbraauwbogen vergraauwden." + +Ons reisgezelschap was evenwel niet het eenige in de _souterrain_ van +Chillon. Een heer en twee dames waren eenige oogenblikken vroeger, +geleid door de cipiersvrouw, neêrgedaald. De heer was een Geneefsch +geleerde, van omtrent veertig jaren, waarvan hij er vijfentwintig +onafgebroken had doorgebragt in het verzamelen van bouwstoffen voor +een allerbelangrijkst werk over den grooten Johannes Calvinus, dat, +behalve eene uitvoerige uiteenzetting van 's mans handelingen met +betrekking tot de Hervorming, ook een allerherderst licht zou werpen +over zijne daden en lotgevallen, die daarmede niet in betrekking +stonden. Twee jaren had hij besteed in onderzoekingen, of de groote man +in den morgen of in den namiddag van den 10 Juli 1509 was geboren, en +vervolgens had hij eene reis ondernomen, om uit te vorschen, welke de +juiste ouderdom zijner moeder was, toen zij hem ter wereld bragt; iets +dat hij, na zeven jaren omwandelens en voor 20,000 francs onkosten, +thans met vrij groote waarschijnlijkheid wist te bepalen. Op die reis +had hij echter, behalve deze belangrijke aanwinst voor de wetenschap, +ook nog eene merkwaardige aanwinst voor zichzelven gedaan, daar hij +juist te Nojon, in Picardye, een meisje had leeren kennen, dat hem +geschikt voorkwam den roem met hem te deelen, dien hij zich door zijne +geleerde schriften zou verwerven. Sedert zeven jaren was deze vrouw +aan hem verbonden, en nog steeds naar de lauweren wachtende. Zij was +hem in dien tusschentijd eene bijna even trouwe hulpe geweest, als +wijlen de gade Trommii haren gemaal. Zij was eene dier lieflijken, +die den pligt om haren echtgenooten hunne gebreken onder het oog te +brengen, zoo ver drijven, dat zij hen van den morgen tot den avond +met aantijgingen en verwijten overladen, en die meesterlijk de kunst +verstaan, om op het pad harer geliefden de rozen zóó te strooijen, +dat de doornen hun de voeten kwetsen moeten. Zij was ruim dertig +jaren oud en niet misdeeld van schoonheid, hoewel op haar gelaat +minder aantrekkende bevalligheid gevonden werd, dan wel een zeker +iets, dat respect inboezemde en aanried, een betamelijken afstand +te houden, en denken deed aan de triviale uitdrukking van katjes, +die men niet zonder handschoenen moet aanraken.--De andere dame, die +bij dit gelukkige echtpaar behoorde, was eene nicht, een zacht jong +meisje van achttien jaren, die door tante uit louter goedgunstigheid +en medelijden was opgenomen, daar deze zich om harentwil de opoffering +getroost had eene meid minder te houden, en die door den lieven toon, +waarop zij bejegend werd, meermalen tot tranen toe werd geroerd, en +alzoo tot de overtuiging kon komen, dat het zoogenaamd genadebrood +geen droog eten is. + +"En was Bonnivard getrouwd?" vroeg de Geneefsche geleerde aan de +cipiersvrouw. + +"Ik heb ten minste een romantisch verhaal gelezen," antwoordde deze, +"waarin vermeld stond van zijne gade, die van verdriet stierf." + +De Geneefsche geleerde had op zijne lippen om te zeggen: "Dan had +zijne gevangenschap ten minste ééne goede zijde!" Maar gelukkig hield +hij het binnen, en zei liever: "Het was dan toch ook verschrikkelijk +hard voor die vrouw!" + +"Ten minste als hij haar gelukkig maakte," merkte zijne gade aan. "Daar +zijn anders wel echtgenooten, wier bijzijn, eerder dan hun afzijn, +hunne vrouwen in het graf zou helpen." + +De geleerde glimlachte pijnlijk: "Dat zal wel zoo zijn, vrouwtje!" + +"Neen, dat zal zoo niet zijn, maar dat is zoo," zei zijne beminnelijke +wederhelft wier kenmerkende eigenschap was, dat zij bij tegenspraak +boos werd, maar als zij niet werd tegengesproken, woedend. + +"Hebt u den naam van Byron al op den pilaar daarginds gezien," vroeg +Veervlug, die het papier in de handen hield, waarop hij in groote +opgewondenheid de letters had nagetrokken. + +"Daar heb ik ten minste mijne oogen voor," was het antwoord. + +Veervlug gebruikte de zijnen in deze oogenblikken om op zijn neus +te kijken. + +"Ik dacht niet dat die Byron zoo beroerd leelijk schreef," zei de +Morder, het papier in handen nemende. + +"Wat leelijk!" riep zijn vriend verontwaardigd. "Is dat +leelijk? had hij de letters dan in de zuil moeten beitelen, als een +steenhouwersknecht het op een zerk doet? Is er niet juist genie in de +scheefheid van die Y? In ieder der letters, zoo als zij daar staan, +ligt een idée; wie eenigszins poëtisch gestemd is, kan er zijn geheel +gedicht _the Prisoner_ in lezen. + +"Dat is juist als in de handteekening van Calvyn," zei de geleerde. "Ik +heb er te huis een, die zonder eenigen twijfel echt is; maar al +wist ik niets van hem, dan dat hij deze letters geschreven had, zou +ik overtuigd wezen, dat hij de grootste man van zijne eeuw geweest +was. Als de heeren te Genève komen, noodig ik ze uit, om het eens te +komen zien." + +"Het zal mij aangenaam zijn, lieve," viel de huisvrouw in, "als je +niet zoo maar iedereen uitnoodigt, om wegens zulke nesterijen mijn +huis te overloopen." + +De lieve herhaalde zijne uitnoodiging niet, maar zeide: "Je hebt +gelijk, goede vrouw! Hoe gaarne ik de heeren zien zou, ik heb het +tegenwoordig nog al druk met mijn werk over den grooten Hervormer." + +"Je weet heel goed, dat ik het daarom niet zeg," antwoordde de goede: +"jou getreuzel gaat mij niets aan; maar ik heb aan één man in mijn +huis al meer dan genoeg." + +Het kostte den gelukkigen gemaal bij deze gelegenheid heel veel +moeite om over dit lieve gezegde te glimlagchen, en den vrienden heel +weinig, om bij hun besluit van geene visites meer op reis te maken, +te volharden. + +Daar komt aan alle genoegens een einde: dit ondervond Bonnivard, toen +de Berners in 1536 zijnen kerker openden en zijne ketens losmaakten; +dit ondervonden ook de tegenwoordige bezoekers van Chillon, daar +een gendarme, uitmakende de helft der bezetting van het kasteel, +kwam waarschuwen, dat het bijna negen uur was, en dat de poorten dan +moesten gesloten worden. "'t Is de moeite naauwelijks waard om al die +trappen af te klimmen," zei de Morder, die al tweemaal geproponeerd +had om heen te gaan. + +"Wil jij nog wat blijven?" zei Veervlug: "je kunt hier misschien wel +logeren; het steenen bed van den gevangene ligt nog gespreid." + +"Julie, waar zit je toch?" riep de gade van den geleerde. + +"Hier ben ik, tante!" zei Julie, die met Torteltak over het voor +en tegen van gevangen zijn gesproken had, bij welke gelegenheid de +jongeling iets heel aardigs had gezegd van zachtere en tevens sterkere +boeijen, dan die uit ijzer waren gesmeed. + +"Je komt ook altijd achteraan," zei de tante tot de nicht, die voor +haar uit de trappen opging. + +De vrienden volgden; alleen Holstaff was nog zoo in gepeins verzonken, +tegen de zuil leunende, dat hij niet scheen te bemerken, dat het +gezelschap aftrok. + +"Kom dan toch, droomer!" riep Pols, terugkeerende en zijn vriend aan +den arm trekkende. + +Doch naauwelijks had de vriend deze manoeuvre in het werk gesteld, +toen hij op eens een dreigend gebrom vernam, en terstond daarop een +allervervaarlijkste bulhond, die tot nu toe achter de cipiersvrouw had +gestaan, tegen zich zag opspringen en de scherpte der tanden van dit +vreeselijke dier in zijn vleesch boven den linker elleboog gevoelde. + +"Hemel, wat is dat?" riep de vriend verschrikt uit. + +"Die hond lijkt wel dol!" viel de cipiersvrouw in, terwijl zij het +dier bij den halsband terugtrok. "U moet het mij niet kwalijk nemen, +Mijnheer! maar hij is op den man geleerd, en daar u dien anderen heer +bij den arm trokt..." + +"Wat zeg je daar, vrouw?" riep Pols verbleekende, daar het epitheton +_dol_, op een hond toegepast, die hem zoo even eene bloedige wond +had gebeten, hem niet geruststellend in de ooren klonk. + +"Waarlijk, Mijnheer! ik kan het niet helpen; anders is de hond +zoo goed als een lam, maar sedert een paar dagen heb ik niets meer +over hem te zeggen. Gisteren nog, toen ik met hem om het slot voer, +springt hij in eens uit het bootje, in het diepste van het meer. + +"Als hij dan in 's Hemels naam de watervrees maar niet heeft!" riep +onze vriend, terwijl hij met afgrijzen het bloed zag, dat zijn +lichtblaauw jasje reeds begon te verven. "Zegt mij, mijne vrienden! wat +zal ik beginnen?" + +"Ik zou er maar een compres met azijn en water omleggen," zei +Torteltak, "dan zal het wel schikken." + +"Wat beginnen zijne oogen raar te staan!" fluisterde Holstaff, zijne +handen wringende, Veervlug in. + +"Drink een glas water," zei deze, terwijl hij zijn vriend den trap +naar boven op geleidde, "dan kunnen wij meteen eens zien, of gij de +watervrees soms ook al hebt." + +"Neen maar, zonder gekheid," zei Pols, "die hond schijnt toch niet +te wezen zoo als hij behoort." + +"Hij heeft je ten minste onbehoorlijk gebeten." + +"Ik weet wel, dat ik nog niet dol ben," ging Pols voort, en zich +vermannende, voegde hij er pijnlijk glimlagchende bij: "en ik weet +wel, dat ik er niet razend van zal worden; maar zou je hier nergens +van die Biltsche dranken kunnen krijgen? dat kan toch nooit kwaad." + +Het viel evenwel den vrienden zeer moeijelijk om aan dezen wensch van +Pols te voldoen, daar de gevraagde drank tot die soort van geheime +geneesmiddelen behoort, wier uitwerking, volgens de verklaring der +erfelijke eigenaars, allerheilzaamst is, maar die zeker, indien men, +aan de inspraak der algemeene menschlievendheid gehoor gevende, +ze algemeen bekend maakte, die heilzame kracht zouden verliezen. + +De raad van Torteltak omtrent het verband van azijn en water werd +opgevolgd; de nicht van den geleerde stond met veel liefde haren fijnen +linnen zakdoek voor 't verband af, daar het roodgeruite katoentje van +Pols evenmin als de foulards zijner vrienden kon dienen. Hare tante +vond het evenwel gepast iets over de verregaande roekeloosheid van +sommige dames te zeggen, die zeker rijk genoeg moesten zijn, om zoo +maar een fijnen doek op te offeren, en tevens eene lieve aanmerking +te maken over menschen, die niet veel behoefden te veranderen om voor +dol te worden gehouden. + +"Als Hieronymus Bolzec nog leefde of Michaël Servede," merkte de +geleerde aan, "die zouden er wel raad voor weten; want zij waren +zeer kundige _medici_, schoon zij ook in 't godsdienstige aan de +allerverfoeijlijkste ketterijen schuldig stonden." + +Het was geen wonder dat de Geneefsche theoloog deze namen zoo +terstond bij de hand had, daar hij juist in deze dagen tot het +hoofdstuk genaderd was, waarin over Johannes Calvini zachtzinnigheid +en verdraagzaamheid gehandeld werd (de geleerde heer zou zijn werk +onvolledig hebben geacht, indien hij zijnen held niet alle mogelijke +deugden toekende), en waarin hij de opgemelde heeren, benevens +Castalio, Ochinus en anderen, als baarlijke duivels had leeren kennen. + +"Je bent onverdragelijk, lieve!" voegde des geleerden vrouw hem toe, +"met altijd over dien Calvijn en zijne vrienden te spreken. Wat weten +die vreemde heeren van hem?" + +"Met uw verlof, vrouwtje! Servetus en die anderen kunnen niet direct +gezegd worden, vrienden van Calvijn te zijn geweest." + +"Maar uw beroemde landgenoot," viel Veervlug in, "is ons in 't geheel +zoo onbekend niet, als Mevrouw veronderstelt. Wij zijn Hervormde +Nederlanders, en in ons land komen daarenboven veelsoortige boeken +over de Hervormers uit. 't Zou mij dus in 't geheel niet verwonderen, +als Calvinus nu ook aan een beurt lag. In allen gevalle, daar is +bij ons veel over hem geschreven. Ik herinner mij, bij voorbeeld, +nog een heel lief vers van Vondel: _'t decretum horribile_."' + +"'t Doet mij plaisir dit te vernemen," zei de geleerde. + +"En 't zal mij nog meer plaisir doen, als ik er geen woord meer over +behoef te hooren," viel zijne teedere wederhelft in, door deze phrase +het gesprek over den Hervormer en alle de gesprekken, binnen de muren +van Chillon gehouden, besluitende. + +Toen men aan den voet van het slot weêr in 't schuitje stapte, was +het geheel avond geworden. De maan wierp nu haren zachten en lieven +glans over het meer, en scheen over 't geheele landschap nog meer +rust en kalmte te verspreiden, schoon ook de dag stil en zoel was +voorbijgegaan. De maan doet zich eigenlijk zelden schoon voor, en +als zij mooi is, dan is zij, zoo als Veervlug beweerde, kaarsmooi; +maar toch trekt zij aan, toch is er iets zoets en liefelijks in +haar aangezigt; maar zeker is haar effect heerlijk en aantrekkend, +als zij met hare imposante kalmte, als beheerscheres der nacht, door +glinsterende sterren gelijfstaffierd, van hoog uit de lucht op het +meer van Genève neêrziet. + +Voor al de vrienden was het dus een verrukkelijk gezigt, toen zij, +uit de duisternis van den kerker tot het licht terugkeerende, over het +meer hunne oogen deden weiden. Torteltak haalde zeer gepast Byron's +woorden aan: + + + "Lake Leeman woos me with its crystal face, + The mirror where the stars and mountains view + The stillness of their aspect in each trace, + Its clear depth yields of their far height and hue." + + +Alleen Pols, die in den wijdgeopenden stand zijner oogen, door den +schrik veroorzaakt, te gelijk de maan en het water zag, werd er +treurig door gestemd, en begon over het verband tusschen maanziekte +en watervrees te peinzen. + +Het was reeds tien ure, toen men te Villeneuve aankwam, waar men +dien nacht het kwartier besteld had. Voordat men zich evenwel ter +ruste begaf, bragt men nog eene visite aan de familie Champal, +die, tijdens het bezoek van Byron te Chillon wonende, gezegd wordt +allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent den beroemden dichter te +kunnen mededeelen. + +"Het is heel aangenaam voor ons," zei de oudste der dames, van +haren stoel afspringende en zich in hare volle lengte van ongeveer +vier voeten vertoonende, "het is aangenaam en vereerend tevens, zoo +naauw in aanraking te zijn geweest met den grooten man. Ik had hem +de trappen af in den kerker geleid, en hij had den geheelen tijd met +zijne gewone bescheidenheid en respect voor de sekse gezwegen, toen hij +mij op eens minzaam bij den arm nam en verzocht hem alleen te laten." + +"En toen hij terugkwam," ging hare zuster voort, wier oogleden in +plaats van met wimpers, met roode randen waren versierd, "toen stiet +hij, in zijne dichterlijke gedachten verzonken, met zijn elleboog een +tafelbord van den schoorsteen. Ik heb de scherven bewaard, en zou ze +voor geen goud willen missen. Die lieve, groote man!" + +"Wij waren toen jonge meisjes," zei de oudste, "mijne zuster +vijfendertig en ik vierendertig; maar wij hebben niets van zijne +losheid en ondeugendheid met vrouwen gezien. Dat is allemaal vast +laster." + +"Ziet eens hier, Mijnheeren!" zei de jongste; "kijkt eens goed naar dat +portret." Zij wees hun op een kop, met rood en zwart krijt geteekend, +waarvan de trekken door grofheid en geesteloosheid uitmuntten: +"die lieve man, als ik nog aan hem denk!" + +"Wien moet dat voorstellen?" vroeg Torteltak. + +"Wel, mijn zaligen broeder," zei de oudste dame Champal; "die geleek +bij zijn leven sprekend op Byron." + +"Op Byron?" riep Veervlug in verbazing. + +"Ja toch, Mijnheer!" viel de jongste zuster in. "Wij vonden het +allebei; maar eigenlijk niet zoo zeer in zijn gezigt en postuur, +als wel in zijn gang. Mijn broeder trok ook zoo 'n beetje met zijn +eene been, net als de lieve groote man." + +"Dat is heel merkwaardig," zei Pols. + +"Maar heeft Byron toen terstond zijn gedicht geschreven?" vroeg +Torteltak: "nog in Chillon zelve?" + +"Neen," was het antwoord; "van het schrijven heb ik niets gezien; +maar ik heb anders het boek gedrukt in eigendom." + +"Eén ding is maar jammer in dat vers," zei de oudste zuster; "dat +plagt altijd mijn zalige broeder te zeggen, die ook heel knap was. Hij +heeft het gedicht alleen voorgelezen aan Mijnheer Hobhouse, en niet +aan ons. Mijn broeder had hem anders van veel belang kunnen wezen: +want Byron dacht, dat Bonnivard maar zes jaren had gevangen gezeten, +en mijn broeder wist zeker, dat het er zeven waren. Als hij dit nu in +tijds geweten had, zou het vers nog wat langer hebben kunnen worden." + +Het spreekt van zelve, dat de vrienden dit ook heel bejammerden; +maar verwonderlijk is het, dat de belangrijke mededeelingen van de +dames Champal het effect van een _narcoticum_ op hen hadden. Zij +maakten hunne visite wat kort, om den nacht wat te verlengen. + +Den volgenden avond kwamen Pols en zijne reisgenooten, na eenen +aangenamen stoomboot-togt over het lac Leeman, te Genève aan, en +namen hunnen intrek in het beroemde _Hotel des Bergues_. + + + + + +HOOFDSTUK XXIV. + + Geleidt de reizigers van Genève over Sallenches naar Chamounix en + van daar naar Martigny, en is eenigzins in afgebroken journaalstijl + geschreven. + + +Reizigers, die vóór eenige jaren Thun hebben bezocht, herinneren +zich zeker met aandoening de aangename uren, die zij aan den edelen +A. E. Rufenacht te danken hadden. Het kost hun gewis geene moeite +hem voor den geest terug te roepen, dien edelen _Gastgeber_ in het +_Freyenhof_, voor den werkkring geboren, waaraan hij zijn leven wijdde, +en die zich een _monumentum aere perennius_ heeft opgerigt in de harten +van wie maar eén nacht onder zijn dak huisvestten, of eens aan zijne +tafel aanzaten. Niemand hunner zal het tegenspreken, dat aan hem +de eerste plaats toekomt onder zijne ambtgenooten in Zwitserland, +welligt in de geheele bewoonde wereld; wien toch zou men kunnen +aanwijzen, die zoovele kasteleinsdeugden in zich vereenigt, als hij, +die zoo ieder het zijne weet te geven en tevens voor zichzelven te +zorgen,--die zoo de kunst verstaat de zwakheden zijner begunstigers +te vleijen, en die zijner onderhoorigen te straffen,--en die in zijn +pogen om u het logementsleven zóó aangenaam te maken, dat gij vergeet +in een hotel en niet bij vrienden te verkeeren, volkomen zou slagen, +zoo hij zich niet verpligt rekende u bij het vertrek eene kleine +Nota te overhandigen, die u van het tegendeel overtuigt.--Zoo was +het vroeger in het _Freyenhof_ te Thun, maar zoo is het nu niet +meer. Nog zal u de inrigting behagen van het hotel, nog zult gij er +wel en op uw gemak wezen, maar hem, den edelen kastelein, zult gij +er niet meer vinden. Rufenacht heeft Thun verlaten, en de directie +van het etablissement aan Knoerr overgedragen. De werkkring was voor +den grooten man te klein. Reeds lang had hij zwanger gegaan van een +ontwerp, welks volvoering in het eerst aan onoverkomelijke zwarigheden +onderhevig was; maar wat vermogten die bezwaren tegen zijn sterken +wil en zijn ondernemenden geest? Rufenacht's plan werd met een goeden +uitslag bekroond, en het _Hotel des Bergues_ te Genève verrees als +eene eerezuil voor zijn genie. + +Het gesticht van den gastvrijen Zwitser is belangrijk, en voor menschen +van het vak de reis naar Genève overwaardig. Aanzienlijker personen +kunnen het natuurlijk niet tot het doel van hunnen togt maken; neen, +hunner is het, den dorst naar geleerdheid te voldoen, door de Akademie +van Calvyn te bezoeken en de leerstoelen te bezigtigen, ja somtijds +een geheel uur te wijden aan het opdoen van grondige kennis; hunner +is het rondom het standbeeld van Jean Jaques te wandelen en in den +stoel van Voltaire uit te rusten, en alzoo veel dieper in den geest +dier auteurs in te dringen, dan die te huis hunne werken bestuderen; +zij mogen hunne mechanische kennis vermeerderen door horlogieradertjes +te zien slijpen en wijzerplaten polijsten. Hoeveel aangenamer en +belangrijker zijn hunne souvenirs dan die men zich in gezelligen +kring, onder vrolijke gesprekken, in het hotel vergadert! Hoe zoudt +gij den naam van Rufenacht durven noemen, daar zij u spreken van Besa, +De Saussure, Necker, Rousseau en Bautte! + +En met dat al, wij rekenden ons verpligt van het _Hotel des Bergues_ +te spreken, omdat ons reisgezelschap, bij hunne aankomst te Genève, +noch aan de schatten van geleerdheid en kunst dacht, die deze stad +bevat, noch zelfs oogen had voor het heerlijke panorama, dat het +meer voor hen en de hooge bergketen in 't verschiet aanbood. De +vrienden verkeerden in dien toestand, dien men zich, als men te +huis aan reizen denkt, niet kan voorstellen, doch dien men op reis, +helaas! meermalen leert kennen, waarin men minder gevoelig is voor +al de schoonheden van natuur en kunst, dan voor een goed _diner_ +en een gemakkelijken fauteuil. Het is eene wel treurige, maar toch +stellige waarheid, dat niet alleen het ligchaam uitgeput wordt, maar +ook de geest te veel vermoeid en oververzadigd door de veelvuldige +indrukken van schoonheid. Maar in zulk eene positie is het misschien +best te doen zoo als ons vijftal deed. Zij etabliseerden zich in het +hotel, en aten en dronken, alsof dit het eenig doel geweest ware, +waarmede zij zich honderde uren van hunne woonplaats hadden verwijderd. + +In deze stemming van opgewondenheid zou het sommigen der vrienden +zeer aangenaam geweest zijn eenige hunner goede kennissen, vrolijker +en minder vermoeid dan zij, te hebben mogen aantreffen, om, in hun +gezelschap zittende, den avond door te brengen. Torteltak bejammerde +het zeer, dat Van Aartheim het adres der Hunshows, die buiten +Genève de zomermaanden doorbragten, niet vóór zijn subiet vertrek +aan hen had afgegeven. Aangenaam was hem dus de verrassing, toen hij +tegen den avond, uit wanhoop op het _Ile de Rousseau_ ronddwalende, +op eens zijnen naam hoorde noemen en de hand van _Miss_ Emma in de +zijne gevoelde. + +Onze vriend brandde van verlangen om de Engelschen het gebeurde met +Van Aartheim meê te deelen, en hij zocht reeds naar zachte termen om +het gedrag van den jongeling in een niet al te ongunstig licht voor +te dragen, toen Hunshow hem voorkwam: "En uw vriend is met mijne +schoone landgenoot doorgegaan?" + +Torteltak zag hem verbaasd aan; hij dacht niet dat het geval zooveel +_éclat_ gemaakt had en reeds in Genève bekend was; maar hij begreep +er niets meer van, toen de Engelschman er bijvoegde: "Hij is mij voor +geweest. Ik ben met hetzelfde plan naar Interlaken gereisd." + +De jongeling sloeg onwillekeurig het oog op Mevrouw Hunshow, maar +zag niets van verstoordheid in hare blikken. Integendeel zeide zij +op vergenoegden toon: "Van Aartheim heeft zeer edel gehandeld, en +onze geheele familie zal er hem altijd erkentelijk voor blijven." + +De blikken der jonge dames bevestigden dit gezegde harer +zuster. Torteltaks verbazing groeide meer en meer aan. Hij verzocht om +nadere inlichtingen. Hij vernam evenwel niets anders, dan dat Lurgrave +zeer slechte dingen met _Miss_ Cleford voorhad; dat Van Aartheim, door +haar aan zijne magt te onttrekken, dit plan had verijdeld, en daarin op +de meestmogelijk kiesche manier was te werk gegaan. Voor het overige +openbaarde Hunshow zijne vreugde dat hij den jongeling toevallig had +leeren kennen, die zulke gewigtige diensten had bewezen aan de schoone +Jenny, welke hij zijne lieve bloedverwant noemde, en bleek uit zijne +discoursen, dat ook het tegenwoordig verblijf der vlugtelingen hem +bekend was, schoon hij het niet geraden scheen te vinden, dit aan +iemand te openbaren. Het was onzen vriend wel aangenaam zooveel tot +regtvaardiging van zijnen voormaligen reisgenoot te hooren, in wien hij +zich meende bedrogen te hebben; maar hij had, aan den anderen kant, +bijna liever niets vernomen dan deze halve mededeeling, die zijne +nieuwsgierigheid op eene zware proef stelde. Peinzend verliet hij, +na een paar aangename uren in hun gezelschap te hebben doorgebragt, de +Engelschen. Het zou hem moeielijk geweest zijn zichzelven rekenschap +te geven van de gewaarwordingen, die in zijn binnenste oprezen. Hoe +vriendschappelijk hij omtrent Van Aartheim gezind was, hij misgunde +hem toch wel een weinig de naauwe betrekking, waarin hij tot de schoone +Cleford stond; hij misgunde hem verder de toejuiching van de bevallige +Emma. Waarom wist hij zelf niet; maar hij had oogenblikken, waarin hij +zich verbeeldde verliefd te zijn, en in die oogenblikken stond hem nu +eens het beeld van Jenny, dan eens dat van Emma, dan eens Ambrosine, +dan weêr een ander landgenootje, voor den geest. Torteltak behoorde +tot die menschen, die eenen schat van liefde in hun hart bezitten, +maar van die soort, waarvan de bron misschien in eigenliefde en +ijdelheid te zoeken is, en die dan ook, wat de gehalte betreft om +duurzaam geluk aan te bieden, wel wat te wenschen overlaat. + +Toen de reizigers hunne krachten weêr wat hersteld hadden, kwam de lust +ook terug om verder te gaan. Nadat zij dus van Genève gezien hadden, +wat hun behaagde of behagelijk was voorgekomen, namen zij een rijtuig +aan naar Sallenches, om vandaar nog denzelfden dag naar Chamounix +voort te reizen. Zij hadden bij deze gelegenheid het genoegen partij te +maken met een Hollandsch heer, met wien Pols den vorigen avond aan de +publieke tafel zeer gelieerd was geraakt, door een warm en hartelijk +gesprek over het lieve en schoone Vaderland. Deze heer was Mijnheer +Cornelis van der Wieken van Zaandam, trotsch op zijn naam, die al lang +het eigendom zijner familie was; trotsch op zijne geboorteplaats, die +hij als een door de natuur begunstigd plekje gronds beschouwde. Zijn +goed gevuld ligchaam, zijne ruime, stevige en glanzende kleederen, +zijne massief gouden overhemdsversierselen, zijn zwaar horlogie +in drie kasten, en meer andere uiterlijkheden, deden vermoeden dat +hij een welgesteld man was, en zoo het niet hollend met den man is +achteruitgegaan, zou het ons zeer verwonderen, als de Prijsvraag over +het verval van een en ander te Zaandam onlangs ten zijnen behoeve +was uitgeschreven. De man was voor het overige zijn gezelschap wel +waard; want behalve dat hij zeer onderhoudend over het houtzagen en +olieslaan sprak, betaalde hij zijn zesde gedeelte in het rijtuig nog +voordat men afreed, en vergenoegde hij zich met het zuidwesterhoekje, +zoo als hij de plaats achteruit tegen den bok aan, noemde. + +De weg naar Sallenches over Bonneville en Cluse levert eene heerlijke +afwisseling van schoone gezigtspunten op. Het zachte schilderachtige, +dat de omstreken van Genève aan de andere zijde hebben, neemt +hier langzamerhand af, en maakt plaats voor woester en trotscher +natuurtooneelen. Een der vrienden maakte de opmerking, dat hij nergens +schooner boschpartijen gezien had; maar Mijnheer Van der Wieken deed +hem opmerken, dat er veel te weinig zuiver regtopgaande stammen te +vinden waren, en nam hieruit aanleiding om eene lofrede te houden +op de Noorsche juffers en deelen en andere houtsoorten, waarvan +hij eene belangrijke collectie te huis had. Hij loste overigens de +bedenking van Pols, waarom deze landstreek zoo weinig bewoond was, +op, door hem te doen opmerken, dat de grond ongeschikt was tot het +aanleggen van kanalen, en dus de verhuizingen zeer moeijelijk en +kostbaar moesten wezen. + +Men zou zich onderweg niet lang hebben opgehouden zoo men zich niet +verpligt had gerekend den achthonderd voet hoogen heuvel te beklimmen, +van waar men de _Grotte de Balme_ ingaat. De ingang van dit hol +is vrij ruim; maar wanneer men eenige voetstappen is voortgegaan, +huivert men bijna om verder door te dringen. Uw voet glijdt uit op den +glibberigen ongebaanden grond; zware steenklompen boven u dreigen u +te verpletteren, of, door achter u neêr te storten, den toegang tot +de bewoonde wereld af te sluiten. In het midden der grot ontdekt uw +oog eenen afgrond, die in een bodemloozen waterkolk eindigt. + +"Hier," zeide de vrouwelijke guide tot de reizigers, "had vóór +twee jaren de ontmoeting plaats tusschen Hudson Lowe en Lascases +en Bertrand. Deze laatsten kwamen in den namiddag in de grot, en +zagen in het boek de naam van den Cipier van St. Helena. In woedende +drift zochten zij hem op, en vonden hem bij deze versteening, waar +Mevrouw Bertrand, een jaar vroeger eenige gelijkenis met het graf +van Napoleon vindende, deze woorden geschreven had: '_Honneur à +l'immortel; mort au traitre._' Zij troffen Hudson Lowe aan, terwijl +hij bezig was deze woorden uit te wisschen. '_Mort au traitre!_' riep +Bertrand en greep den Engelschman bij den kraag. "Bereid u tot den +dood," voegde hij er bij; "want hier zult gij sterven." Hudson Lowe +bragt verontschuldigingen in, en ik smeekte, half dood van schrik, +om zijn leven. Ik bad den Franschman te bedenken, dat hij een moord +zou begaan. De vrienden van Napoleon gaven aan mijn smeeken gehoor, en +vergenoegden zich met hem te doen neêrknielen voor de beeldtenis van +het graf, en vergiffenis te vragen aan de schim des Keizers. Daarna +lieten zij hem zijn eigen naam, dien hij in 't boek geschreven had, +met eigen hand verbranden, en joegen hem voor zich de grot uit." + +"Dat is verbazend belangrijk!" riep Pols. + + + "Oui, le conte est fort bon, + Il faut en rire." + + +neuriede Torteltak. + +"Ik zal u de echtheid van mijn verhaal bewijzen," zei de vrouw. "Voor +in de grot heb ik nog het boek, en gij zult zien, dat er een blad +uitgescheurd is." + +Torteltak kon bij zulke evidente bewijzen niet blijven twijfelen. + +"'t Is een fatiguante tour," zei Pols, toen zij den terugtogt aannamen; +"maar 't is mooi." + +"'t Zou mij heel wat meer bevallen," zei Mijnheer Van der Wieken, +die van tijd tot tijd over den ongelijken en glibberigen grond +struikelde, "als zij hier een effen baan maakten en dien smerigen +grond wat afschrobden. Bij ons zouden er die muren ook zoo haveloos +niet uitzien. Een groen verfje zou ze heel wat opknappen." + +Men was weêr aan den uitgang der grot genaderd; en op eens was men +uit den duisteren nacht in de koude grot, op den helderen dag in de +liefelijke natuur overgeplaatst. Van de hoogte van Balme zag men +de vruchtbare landstreek in een licht, zoo als zich anders nooit +aan het oog voordoet, schitterend en helder, en te gelijk zacht en +blauw. Jammer dat de oogen zich weêr langzamerhand aan het licht +gewenden, en alles dus weêr de gewone tinten verkreeg; maar toch het +uitzigt was schilderachtig schoon over de frissche korenvelden door +welig hout begroeid, en in het verschiet op den spitsen toren en de +smaakvolle woningen van Maglan. + +Het liefelijke dorp trok de aandacht van al de vrienden; maar het +oog van den Zaandammer bleef strak op de korenvelden gevestigd. + +"Hier met eene geliefde in den arm te mogen leven!--welk een +genot!" riep Torteltak uit. + +"Hier te mogen sterven!" zuchtte Holstaff. + +"Is het niet of de grond met geboende matjes is belegd?" riep Van +der Wieken uit, terwijl hij Pols de korenvelden in de vallei aanwees. + +Pols stemde volkomen in met de opmerking van den Zaandammer. + +In stille overpeinzing over alles wat men gezien had, vervolgde men +den togt. Pols merkte nog eens met juistheid aan, dat men zulke dingen +toch in Holland niet vond, en zijn Zaandamsche vriend moest hem gelijk +geven. "Maar," voegde hij er bij, "als Mijnheer van der Beek bij ons +te Broek het zag, dan zoudt ge toch iets zien gebeuren, zoo waar ik +Van der Wieken heet. Hij zou zoo'n grot op zijn buitenplaats laten +aanleggen, want hij durft geld besteden voor wat moois; daarvoor +hebt ge maar _de spinnende vrouw_ en _den blaffenden hond_ in het +boerenhuisje, en _den Dominé_ in den Chineschen tempel te zien." + +De vrienden hadden plan, om van Sallenches den naasten weg door te +reizen naar Chamounix; maar een arm dienstmeisje uit het hotel, +waar zij gedineerd hadden, wendde zich smeekend tot Torteltak, +om zich een half uur langer rijdens te getroosten, en _en passant_ +te Saint Gervais een drankje af te geven, dat zij voor haren zieken +minnaar had bereid. De schoone oogen van het meisje wekten bij onze +vrienden menschlievendheid genoeg op, om zich dit voorstel te doen +welgevallen. En waarlijk, zij hadden reden er zich over te verheugen; +want behalve dat de zieke minnaar heel dankbaar was, hadden zij er +het genoegen aan te danken, dat zij er de heerlijke ligging en de +uitmuntende inrigting der baden van Saint Gervais door leerden kennen, +en dat de ongunstige opinie, die zij na hun bezoek te Baden-Baden tegen +alle badplaatsen hadden opgevat, eenigzins werd gewijzigd. Want hier +ontsproot de heilzame bron niet, opdat de grond, die ze omringde, +door menschelijke boosheid zou worden ontheiligd. Hier werden niet +naast het gedenkteeken der Hemelsche goedheid, gedenkteekenen van +wereldsche ondankbaarheid opgerigt. Hier werd het geneesmiddel, dat +de natuur aanbood, niet door de weelde krachteloos gemaakt. Het was +een zondagmiddag; de vrienden gingen de hoofddeur van het Badhuis +in, en meenden weder eene courzaal te zien. Daar zagen zij de vromen +neêrgeknield in het huis Gods, en hoorden zij den zegen des Hemels +afsmeeken in het zacht gezang, dat lijdenden aanhieven. Eene kleine +schaar was in de kerk en in de nabijzijnde vertrekken verzameld, +en ook daar lag het Woord des Heeren opengeslagen.--Het verwonderde +de vrienden niet langer, dat de badplaats Saint Gervais zoo weinig +bekend is en zoo weinig bezocht wordt. + +Langs den nu geheel ongebaanden weg reed men in de kleine ijzeren +rijtuigen over rotsklompen en naast afgronden en door bergstroomen +heen, en bereikte tegen het vallen van den avond de _Prieuré_ +van Chamounix. + +"Deze vallei is toch zeer merkwaardig," zei Pierre Marie Payot tot +de vrienden, die hij als gids naar den Montanvert geleidde. "Het is +dan ook de bewondering en verrukking van alle reizigers, en wij zien +op dit heerlijkste plekje der wereld de aanzienlijkste menschen uit +alle landen." + +"Maar gij hebt toch Czaar Peter hier nooit gezien," viel Van der +Wieken in, "zoo als wij bij ons." + +"Dien juist niet, maar wel Alexandre Dumas; ik heb zelf de eer gehad +zijn guide te zijn, schoon hij van mij zooveel melding niet gemaakt +heeft als van mijn ongelukkigen broeder." + +"Zijt gij waarlijk de broeder van Gabriel Payot!" riep Veervlug +verrukt uit. "Vertel mij dan toch eens het regte: hoe is het met uw +broeder afgeloopen?" + +"Hoe! hebt gij het verhaal dan niet gelezen, dat Mijnheer Dumas op +mijn broeder gemaakt heeft van zijn reis naar Engeland en zijn dood, +toen hij hier terugkwam?" + +"Was het dan toch waarheid?" vroeg Veervlug. "Ik meende dat het +tragisch eind een zuiver verdichtsel was, dat zoo bij het verhaal +behoorde." + +"Ik zal u de waarheid met mijn eigen hand opschrijven," antwoordde +de gids: "als gij dan ook eens een boek schrijft, komt er mijn eigen +handteekening in gedrukt; als gij maar niet zoo doet als Mijnheer +Dumas, en mij vergeet. Hier zijn wij juist aan de bekende fontein +van de schoone Claudine, die rijkelijk laat Mevrouw Belton wierd." + +"Is dat nu die fontein?" vroeg Van der Wieken, die de Fransche +litteratuur tot op Florian had bijgehouden. "Is het anders niet dan dit +straaltje, dat uit den grond opkomt? Men had er meer partij van kunnen +trekken, als men er bij voorbeeld een bronzen walvisch op had gemaakt." + +"Die groeijen zoo bij ons te land niet," zeide de guide, die juist +zijn autograaph aan Veervlug overhandigde, van den volgenden inhoud: + + + Marie Gabriel Payot, _mort an 1833, a prai son retour dan + Gleterre tombes aus es callié de la Couronne._ + + Pierre Marie Payot, _votre Guyde_. + + +"Ik geloof niet," voegde hij er zuchtend bij, "dat hij van de trappen +zou zijn gevallen, als hij niet zooveel geld bij zich gehad had; +maar dit blijft onder ons." + +Tot hiertoe was de weg gebaand en de opklimming gemakkelijk geweest; +maar nu ging het verder langs smalle paden, door sneeuwvallen in de +rotsen uitgehold. Van tijd tot tijd vertoonde zich in de openingen +in het geboomte, dat bijna den geheelen berg bedekt, de schoone +vallei van Chamounix, die tot in het midden der vorige eeuw door de +omgevende bergketen van de bewoonde wereld afgescheiden en voor ieder +menschelijk oog verscholen bleef; maar toch was het reeds vroeger +een door de natuur begunstigd plekje, en toen de eerste bewoners in +het dal neêrdaalden, vonden zij den grond bereid, en vruchtbaarder +dan het land, dat zij verlieten. Sedert heeft de vallei een gansch +ander aanzien verkregen, schoon er de weelde nog minder dan elders +is doorgedrongen, en de natuur zich nog in hare eenvoudigheid voordoet. + +Op den top van den Montanvert zijn de grasvelden welig, en de +alpenrozen bloeijen er mild en overvloedig; maar ziet, op eens opent +zich voor uwe oogen de grond, en ziet gij in een diepte neder, met ijs +bedekt; zoover uw oog reikt, strekt zich ter linker en regter zijde de +sneeuwvallei uit, in ongelijke massa's opgehoopt, en tegenover u ziet +gij steile bergtoppen, naakt en dor; het is als eene uitgestrekte zee, +in het midden van een woedenden storm op een oogenblik tot ijs gestold. + +Onze reizigers staarden in stomme verbazing dit treffend en majestueus +schouwspel aan. Gewaarwordingen kwamen in hen op, die zij vroeger +niet hadden gekend. Daar waren er, wie de tranen langs de wangen +stroomden, en die hunne oogen van de zee beneden hen eerbiedig naar +den hemel opsloegen. + +"Je zoudt zeggen, waar komt al dat ijs zoo op eens van daan?" riep +Pols verbaasd uit. + +"Kent gij een sterker bewijs voor Gods almagt?" vroeg hem Pierre +Marie Payot. + +"Neen," riep Van der Wieken; "want... Hemel, ziet gij dat daar voor +u? Zoudt gij niet zweren, dat dit een oliemolen was, en ziet, het is +toch maar een ijsklomp." + +Huiverend en niet zonder angst volgden de vrienden den gids op een +tour over de _Mer de Glace_, en daarna, opgewonden door wat zij gezien +hadden, naar het hotel van Charlet en Simond in de vallei terug. + +En toen zij den volgenden dag over de _Tête Noire_ tot Martigny +waren voortgereisd en door een aanhoudenden regen doornat waren, +gaf Pols zijne vrees te kennen, dat nu zeker de _Mer de Glace_ zou +gesmolten zijn. + + + + + +HOOFDSTUK XXV. + + Waarin aangetoond wordt, dat een interessante tour niet altijd + een gemakkelijke is. + + +De _mont Saint Bernard_ is een zeer beroemde berg. De meeste menschen, +die zich overigens weinig aan het bergwezen laten gelegen liggen, +kennen dezen, hetzij omdat zij weten, dat Bernard de Menthon er +voor omtrent duizend jaren een klooster stichtte, hetzij omdat zij, +als bewonderaars van menschenliefde, de edele zelfopoffering der +Bernardiner monniken waarderen, hetzij omdat zij de wonderen, door de +St. Bernardshonden verrigt, als admirabele feiten erkennende, nog al +dikwijls aan deze edele dieren denken. Dit laatste is bij de meesten +het groote punt van aanraking met deze bergketen, èn omdat deze dieren +vrij wat algemeener bekend zijn, dan hunne meesters, én omdat er geen +enkele hond bestaat, van de mopssoort af tot den Neufoundlandschen toe, +die niet nu en dan voor een St. Bernardshond doorgaat. + +Het is om deze reden en omdat men langs dezen weg vrij gemakkelijk in +Italië kan komen, dat de berg door vele reizigers bezocht wordt. Maar +waarom men er ook heenga, men zal zich de moeite beloond vinden. Het +gesticht van den Italiaan, die zich verpligt rekende zijne ouders +in ongerustheid achter te laten, en vermoeide vreemdelingen met +een goed onthaal te verrassen, is zeer belangrijk. Het is een oud +en ruim gebouw, met goede en, dank zij de Engelsche mildheid, rijk +gemeubelde zalen, kabinetten van schilderijen en mineraliën, en, +wat hongerige en vermoeide reizigers nog meer te pas komt, perfecte +magazijnen van levensmiddelen, en wel luchtige, maar toch gemakkelijke +slaapcellen. De monniken zijn meest alle fatsoenlijke jongelieden, die +somtijds, uit wanhoop over mislukte liefdespeculatiën, op algemeene +menschenliefde speculeren; soms eene heilige roeping gevoelen om de +beste jaren van hun leven in barre en koude streken door te brengen, +zich een vroegtijdigen ouderdom te bereiden en kropgezwellen magtig +te worden.--De honden zijn groot, hebben lang haar, rieken de menschen +op een kwartier afstands, en doen nog iets meer dan gewone jagthonden, +die alleen het wild opstooten; voor het overige zijn zij, als anderen +van hun ras, gehecht aan hunne meesters, en niet onverschillig voor +veel brood en lekkere kluifjes. + +Ik ken menschen, die zelden vergenoegd zijn en die toch zeer in hun +schik waren, toen zij in dit klooster waren aangeland, speciaal omdat +zij zich een dozijn uren al klimmende vermoeid hadden, en in het hartje +van den zomer door de sneeuw hadden gebaad en nog _par extraordinaire_ +door eene hagelbui waren overvallen. Zoo zij zich evenwel veel moois +hadden voorgesteld, werden zij bitter teleurgesteld; want hoe hooger +men klimt, hoe treuriger aanzien alles aanneemt. De frissche levende +natuur maakt voor dorheid en naaktheid plaats, maar die, bij gebrek +aan trotsche vormen, volstrekt niet dien indruk geven, dien de stoute +woeste natuur verwekt; de rotsen zijn ruwe, maar logge klompen; de +weg is lang, maar zelden steil; de voet stuit dikwijls tegen scherpe +uitstekende punten, maar heeft zelden gelegenheid naar een précipice +uit te glijden; de sneeuw vormt geene avalanches, maar bedekt als een +tapijt den zacht glooijenden grond; en de waterstroomen storten dus +niet met donderend geweld naar den afgrond neêr, maar gaan voort als +beekjes, die weinig haast hebben. Het treffende afsteken van bloemen +naast eene zee van eeuwig ijs bestaat bij gebrek aan bloemen niet, +daar het dezen niet te vergen is uit loutere steenklompen voort te +komen. Hierbij komt, dat men overal te vergeefs naar een schoon uitzigt +op de vallei zoekt, daar overal nabijzijnde bergtoppen, en dergelijke +kleinigheden meer, dit onschuldig genoegen verhinderen. Slechts voor +ééne soort van menschen is er eigenlijk op weg wat moois te ontdekken: +voor dezulken namelijk, die met een hamer, een beitel en een linnen zak +reizen, en die magtig vergenoegd kijken, als zij een grijzen steen, +en daarnaast een zwarten, en verderop een donkerbruinen aantreffen, +en die eindelijk, gebukt onder den last dien zij torschen, juichen +om de belangrijke aanwinst voor hun kabinet. + +Van Martigny ondernamen Pols en zijne vrienden de beklimming van +den St. Bernard. Zij moesten evenwel hunnen reisgenoot van de vorige +dagen vaarwel zeggen, omdat de waardige Van der Wieken een togt naar +Saxon in den zin had, waar zich, zoo als hij toevallig vernomen had, +eene stijfselfabriek moest bevinden. Voor dit verlies werden zij +echter spoedig schadeloos gesteld, daar zij, naauwelijks een uur +voortgegaan, een jongen Duitscher aantroffen, die geheel alleen den +berg wilde beklimmen, omdat hij zonder _guide_ den weg wel kon vinden, +maar die nu toch, om van het aangenaam gezelschap der Hollanders te +profiteren, zich wilde getroosten ook met hunne gidsen in gezelschap +te zijn, hoeveel hij anders ook tegen dat lastige menschensoort +mogt hebben. Dezelfde jongeling gaf onderweg nog vele blijken +van inschikkelijkheid; want schoon hij, toen de vrienden zich te +St. Pierre proviandeerden, zich daarmeê niet kon vereenigen, omdat +hij uit principe tegen eten op weg was, getroostte hij zich echter +zijn principe te verzaken, toen men later van den proviand gebruik +maakte, omdat zij niet alleen zouden eten en hem misschien voor een +zonderling aanzien. + +Het eerste gedeelte van den togt viel, zoo als het gewoonlijk gaat, +het gemakkelijkst; maar lang voordat men aan het eind was, begon Pols +al te spreken van laatste loodjes, die het zwaarst wegen; en toen zij +nu de kleine _Morgue_ voorbij en nog maar een uur van het klooster +af waren, openbaarden sommigen de vrees van er niet te zullen komen, +beklaagden enkelen zich den togt te hebben ondernomen, en hoorde +men hier en daar een wensch uiten, en eischen aan de gidsen doen, +omtrent even verstandig als soms passagiers op een schip, die bij +evident gevaar, van den kapitein eischen, dat hij hen op eens bij den +huiselijken haard en bij vrouw en kinderen verplaatst. Het gezigt van +het doodenhuis had zeker niet veel bijgedragen om de vrienden wat op +te beuren; want een aantal ongelukkigen, die te laat uit de sneeuw +waren opgedolven, stonden en zaten en lagen daar dooreen, en het +onbepaald vertrouwen op de kunde en behendigheid der gidsen was wel +een weinig verminderd, toen een der hunnen bij die dooden een zijner +confraters had aangewezen. Zwijgend en langzaam gingen zij voort in +den guren avond; hoe verder zij gingen, hoe snerpender de koude werd, +en ieder minuut werd het licht flaauwer en de lucht zwarter. De +Morder beschuldigde het Gouvernement, dat het niets uitrigtte, om +die ongepermitteerde koude tegen te gaan, en dat er geen lantaarns +langs den weg hingen; Veervlug werd bang, dat de _Morgue_ misschien +het eigenlijke klooster was, en dat de monniken waren doodgevroren; +Holstaff kreeg weêr, als naar gewoonte, hoe ongelukkiger hij zich +gevoelde, zooveel meer liefde voor zijne ouders, die niet ongelukkig +waren. Pols klaagde over hevige koude en hoofdpijn, en dat hij zich +heel raar gevoelde; en hij bewees de gegrondheid dezer klagten, door +in het eind op den grond neêr te storten, en zonder eenige verdere +waarschuwing flaauw te vallen. + +"Daar hebben wij het nu al!" riep de Morder. "Dacht ik het straks +niet? Dat is er weêr een voor het doodenhuis." + +"Bedaar," zei de gids; "hij is nog niet geheel flaauw. Geef hem wat +aangelengd _kirschwasser_." + +De jonge Duitscher gespte terstond de veldflesch van den flaauwen +Hollander los en vermengde het kirschwasser daaruit met een zeker +vocht, dat hij in zijne veldflesch meêvoerde, en dat uitstekend tot +aanlenging geschikt scheen. Voordat hij er echter den lijder aan +waagde, nam hij zelf eene goede teug, om zich te overtuigen, dat de +drank niet te sterk was. + +"Waar ben ik?" riep Pols, zijne oogen openende. + +"Op den grooten St. Bernard," antwoordde de Duitscher. + +"Digt bij het klooster," voegde de gids er bij. "Zie maar voort te +gaan. Wij zullen u ondersteunen" + +"Ik kan niet meer," zei de lijder met eene flaauwe stem. + +"Nog maar een klein endje," voegde Torteltak hem toe, zelf meer in +hoop, dan in dadelijk geloof sprekende. + +"Wat hoor ik daar?" riep Veervlug, verheugd opspringende. + +Het waren de honden van den St. Bernard, die hunne meesters +waarschuwden, dat er menschen in aantogt waren. + +"God dank!" riepen de vrienden in koor. + +Daar zagen zij op kleinen afstand de deur openen, en eene flambouw, +die een helder licht wierp op twee menschen in lange, zwarte kleeding. + +Als de geestelijken in het St. Bernardsklooster altijd reizigers zien, +die zoo gelukkig zijn in hun klooster te mogen ingaan en aan hunne +tafel te mogen aanzitten, als nu het geval was, dan hebben zij ten +minste eenige vergoeding voor al de moeite en ontberingen, die zij +zich moesten getroosten. Maar ook was hunne zorg voor de reizigers, en +inzonderheid voor den armen Pols, voorbeeldig. Deze lieten zich alles +met vreugde welgevallen en waren gansch niet onverschillig voor de +goede gaven, die hun werden voorgezet; en ook van de rust, die hun in +de naburige cellen werd aangeboden, maakten zij een dankbaar gebruik. + +In den vroegen morgen noodigden de geestelijken hen uit om de eerste +mis bij te wonen. Het was sommigen der vrienden aangenaam en goed, +hier een uur in gemeenschappelijke Godsvereering door te brengen, +schoon ook de wijze hoe van de hunne verschilde; zij verheugden zich +te gelijk, daarbij in de gelegenheid gesteld te zijn, in de armbus van +het klooster hunne aalmoezen te werpen. Alleen de Duitscher onttrok +zich omdat hij niets aan de huisgenooten zijns geloofs wilde ontstelen. + +Met eene wandeling in de omstreken van het klooster en in het bezien +der merkwaardige inrigtingen bragt men den morgen door. Veervlug vond +het gepast van dit hoogste bewoonde punt der aarde een brief aan de +zijnen te schrijven, die hij, om er een vrolijk denkbeeld aan te geven, +in dezer voege eindigde: + +"Het is hier een eeuwige winter. Men ziet hier de spade gebruiken, +niet als daar ginds beneden, om het land tot een tweeden oogst voor +te bereiden, maar om eenigzins toegankelijk pad in de sneeuw te +graven. Geene door de zon verbrande handen binden de korenschoven +zaam, maar bleeke bevende vingeren sprokkelen het met moeite naar +boven gevoerde hout bijeen. Geen vrolijke meisjes huppelen hier in +bonten opschik rond, maar monniken in zwarte kleederen kruisen door +het gebergte, om verdoolde reizigers op te sporen. In plaats van een +"reis gelukkig", dat men u beneden toeroept, als men u den weg langs +den bloeijenden wijnberg aanwijst, heet het hier "_memento mori_" +daar men u op harde ongebaande rotspaden wijst. Ginds is alles vreugd, +hier is het ernst; daar leven, hier dood. Ja, de dooden zelve wonen +in onbedekte woningen boven den grond; want geen spade kan een graf +in de harde steenen graven. De grond opent zich niet alleen voor het +leven, maar ook voor den dood is hij gesloten." + +Met dankbaarheid namen de vrienden afscheid van de herbergzame +monniken. De Duitscher beklaagde zich zeer, dat men hier niets kon +betalen, maar hoopte er later toch iets op te vinden. Nu was de reis +gemakkelijker dan gisteren; de weg aan het zuiden des bergs is minder +steil en wordt al spoedig schoon en aangenaam. Het panorama, dat zich +aan hen voordeed, was nu en dan heerlijk;--immers, het was Italië, +dat zij voor zich zagen; Italië, waarvan zij ten minste het voorportaal +zouden ingaan, al konden zij dan ook niet verder doordringen. + +En weldra kozen zij zich kwartier te Aoste, waar zij een luxe van +cretins en kropgezwellen aantroffen, en van daar reisden zij over +Ivréa, Vercelli en Novara tot Milaan, het doel en het verstverwijderd +punt hunner reis. + +Het eerst, wat zij bij hunne aankomst te Milaan deden, was naar brieven +te vragen aan het Postkantoor. Allen kregen zij goede berigten van +hunne betrekkingen. Torteltak nog een extra pakje, dat hij gretig +opende, en waarin hij vond--een _Series lectionum_ voor 1837-1838. Dit +was eene kleine attentie van Haak en Co. te Leyden. + + + + + +HOOFDSTUK XXVI. + + Waaruit blijkt, dat de reisavonturen van Joachim Polsbroekerwoud + nog na zijne aankomst te Milaan, vervolgd worden. + + +Slechts drie dagen vertoefden de vijf vrienden in Milaan. "Het waren +dagen van weelde en genot," zoo als Torteltak nog menigmaal pleegt +te zeggen, als hij zich, naar de wijze van vele reizigers, door de +mededeeling van hetgeen hij al gezien heeft, ten koste van een geheel +gezelschap amuseert. "Ik ken geen stad in de wereld, waar men den +beker van levensgenot, en zelfs van overdaad, zoo zonder ophouden +kan drinken, zonder ooit den bodem te zien." + +"Maar toch, mij dunkt, Londen of Parijs, naar ik ten minste hoor," +waagt de een of ander te zeggen. + +"Wat zouden die?" vraagt Torteltak, met medelijden glimlagchende. "Ik +ben nooit te Londen of te Parijs geweest, en ik verlang er niet naar, +nu ik Milaan gezien heb." En nu begint hij door te draven, over de +_Contrada di Roma_ met hare hemelhooge paleizen, ten minste van drie +à vier verdiepingen; over de _Ambrosiana_, de _Arco della Pace_, +de macaroni bij Rebecchino, de _Breza, de sorbetti_ in het _Café +Réale_, de _Cenaculo di Leonardo da Vinci_, den _Duomo_, met zijn +honderd torens en vierduizend beelden, de wit marmeren galerijen, +die het dak vormen, en van waar hij het vruchtbare Lombardije overzag, +begrensd door Alpen en Apennijnen, van wegen naar de beroemde steden +der oude en nieuwe wereld doorsneden, beladen met vruchten en ranken +en overwelfd door Italiës hemel. Van daar holt hij, niettegenstaande de +gloeijende hitte in de straten van Milaan, naar het _Teatro la Scala_, +en houdt niet stil, voordat hij in een calêche van Reichmann, tegen de +donzen kussens aangeleund, in een file van duizende rijtuigen zijne +promenade in den _Corso_ maakt. Het zou voor het gezelschap gelukkig +geweest zijn, als Torteltak op dit tourtje maar in slaap geraakt was; +dan hadden zij niet met hem de _revue_ behoeven te passeren van al +de Milanesche schoonen, die in die duizende rijtuigen gezeten waren, +en die, in weêrwil van den rijkdom van gitzwarte lokken, gloeijende +oogen en fijne en volle vormen, waarmede zij allen zonder onderscheid +prijkten, van wege hare onbekendheid nog al zoo weinig interesseerden, +als het dagelijksch gezigtje van jufvrouw Antje of Keetje, dat men, +zonder zich veel moeite te geven, zien kan als men wil. + +"Gunst, wat zijn de heeren toch raar! Het moet bij hen toch altijd +wat vreemds wezen, wil het bevallen; en men zoekt dikwijls ver af, +wat digt bij te vinden is!" valt nu de eene of andere deftige Mevrouw +in, die de reden, waarom zij het niet ver af gezocht wil hebben, +naast haar heeft zitten. + +"Misschien komt het," antwoordt Torteltak, die niet gaarne als +ongevoelig voor de Hollandsche schoonen wil beschouwd worden, "dat zij, +waar en wanneer men ze ziet, zoo lief, zoo los, zoo open gekleed zijn." + +"Misschien wat al té," zegt de dame. + +"Dat is te zeggen, niet veel anders dan bij ons de dames op concerten +en bals. Maar zoo ziet men ze ook in den Corso en in haar huis." + +"In haar huis ook?" roept Mevrouw verbaasd, "en dat alle dagen? Gunst, +dat is toch een beetje heel indécent!" + +"En gij troft uw vriend Van Aartheim weêr in Milaan aan?" vraagt een +goede kennis van Torteltak, die, om de oude dame nieuwe ergernissen +te sparen, het discours op iets anders wil brengen, en een verhaal +uitlokt, dat hij pas drieëntwintig malen gehoord heeft. + +"Ja, dat was eene aangename ontmoeting," begint Torteltak te +verhalen. "Het was juist den laatsten morgen van ons verblijf te +Milaan. Wij gebruikten het ontbijt in het koele salon, dat aan +onze apartementen aansloot, en deden ons te goed aan macaroni en +fijne vruchten, en vergaten niet van tijd tot tijd de Malvoisy aan +te spreken, die in een koelvat met ijs voor ons stond. Op eens +gaat de deur open, en onze vriend de avonturier staat voor onze +oogen. Wij hadden hem in een geruimen tijd niet gezien, en hij had +ons haast tot de _dupes_ van zijne schaakhistorie gemaakt; maar +toch, wij drukten hem hartelijk en vrolijk de hand. Hij was echter +alles behalve opgeruimd; want hij had juist een plegtig vaarwel +aan zijne schoone toegeroepen, en deze occupatie scheen hem niet +erg te hebben opgevrolijkt. Wij hielden onze plagerijen, die wij +hem hadden toegedacht, dus maar voor ons, en bepaalden ons in de +eerste oogenblikken tot de gebruikelijke vragen: "Heden, ben jij +het? Kom je zoo in eens uit de lucht vallen?" welke ontboezemingen +hij met een kort _ja_ en _neen_ beantwoordde. En toen wij nu een +poosje zamen geweest waren, en zoo weêr wat op den ouden voet kwamen, +verhaalde hij ons, met de behoorlijke inleidingen en tusschenredenen, +zoo veel van zijne geschiedenis, als hij goedvond dat wij wisten, +en dat genoeg was om ons te bewijzen, dat het met die schaakhistorie +ook niet alles _couleur de rose_ was. De arme jongen was in een +mal parquet. Hij was het met _Miss_ Cleford zoo tamelijk eens, en +de acht dagen, die hij met haar voor een groot deel _tête à tête_ +had doorgebragt, hadden hunne intimiteit niet verminderd. Van dien +kant was dus alles in orde. Maar minder goed stonden zijne zaken +bij haren voogd. _Sir_ Lurgrave was een soort van ellendeling, +die scheen te leven om de familie Van Aartheim te kwellen. De vader +van mijn vriend had een zeer aanzienlijken post in de Oost gehad, +en de Engelschman, die zich daar ook eenige jaren ophield, had zich +door aangenaamheid van omgang en het bewijzen van kleine diensten +tamelijk bij hem ingedrongen. Het doel, dat hij daarbij beoogde, +werd de schoone Mevrouw Van Aartheim al heel spoedig duidelijk; maar +zij verzweeg het haren man, om hem verdriet te besparen, en wist den +valschen vriend op een behoorlijken afstand te houden. Maar nu wil +het ongeluk, dat Mijnheer Van Aartheim sterft. Mevrouw, erfgenaam +van een vrij aanzienlijk vermogen, trekt met haar eenigen zoon naar +Engeland, waar zij geboren en opgevoed is. Lurgrave volgt haar spoedig, +en daar hare positie nu geheel veranderd is, legt hij er zich op toe, +hare hand en te gelijk haar vermogen te vermeesteren. Vijf jaren lang +verijdelt zij al zijne pogingen; maar nu, daar haar zoon zijne studiën +voleindigt heeft, en zij den lastigen indringer niet kan ontvlugten, +besluit zij den wijk naar Holland te nemen, waar zij het eerste jaar +van haar huwelijk heeft doorgebragt. Zij betrekt een buiten in de +omstreken van Utrecht. Maar nog is zij niet veilig. De Engelschman +vervolgt haar ook hier, en om zijne eischen kracht bij te zetten, +legt hij haar papieren voor, waarbij de Heer Van Aartheim verklaart +aan den Heer Lurgrave eene som schuldig te zijn, die oneindig +meer dan haar geheel vermogen bedraagt. Deze stukken zijn met de +handteekeningen van de behoorlijke getuigen voorzien en volkomen _in +forma_. Mevrouw Van Aartheim, die overtuigd is dat de papieren valsch +zijn stelt alle mogelijke onderzoekingen in het werk, en schrijft +aan de getuigen. Maar de een is kort na haar mans dood overleden; +de ander heeft sedert eenige jaren de Oost verlaten, en niemand weet +waarheen.--Lurgrave doet nog meer. Hij kent, even als de moeder, +de liefde van mijn vriend voor zijne pupil, en hij verklaart dat +deze verbintenis geheel afhangt van het besluit van Mevrouw Van +Aartheim. Bijna had de liefhebbende, teedere moeder toegegeven, +om haren zoon gelukkig te maken; maar deze verzet er zich tegen, en +wil zijn geluk niet voor dat zijner moeder koopen. Kort daarna wint +hij berigten in, die hem de hoop geven den getuige te zullen vinden, +van wiens verblijf men onkundig was, en wiens verklaring alles zal +afdoen. Lurgrave wordt ongerust en begint in te binden. Mijn vriend +gaat op reis; maar de Engelschman houdt hem in 't oog en blijft op +korten afstand van hem te meer, omdat zijne nicht zich juist in dezen +tijd te Interlaken bevindt, van waar haar broeder, die haar begeleidt, +een reis in het Oberland zou ondernemen. Te Baden had Van Aartheim +gehoopt nadere berigten in te winnen omtrent den persoon, dien hij +zocht; maar hij werd teleurgesteld, en dit ontging zijnen vijand, dien +hij er ontmoette, niet. Te Lucern trof hem dezelfde teleurstelling, +en toen hij daar Lurgrave ontmoette, was hij al gelukkig met dezen +een contract te kunnen sluiten, hetwelk zijne moeder voorloopig van +alle lastige en kwellende aanzoeken zou bevrijden, maar waartegen hij +beloven moest, zich volstrekt niet met _Miss_ Cleford in te laten, +ten zij haar voogd zelf hem door onwaardige behandeling daartoe +aanleiding gaf. Die aanleiding volgde spoedig; want Lurgrave, wel +inziende dat Van Aartheim in 't eind zou triomferen, had zijne plannen +gemaakt, en gebruik makende van de afwezigheid haars broeders, wilde +hij _Miss_ Cleford dwingen een huwelijk met een zijner vrienden, +een Franschen losbol, schoon van goede familie, aan te gaan; en +door geweld zou hij misschien zijn doel hebben bereikt, zoo niet Van +Aartheim, in tijds onderrigt, door de schaakhistorie zijne plannen had +doen mislukken.--Als nu mijn vriend de handen maar vrij gehad had, +dan zouden wij misschien in Zwitserland bruiloft hebben gehouden; +maar hij wist heel goed, dat zijne moeder nog in de magt van den +Engelschman was, en daarom zorgde hij, dat deze kennis kreeg, dat +hij het contract niet verbroken had, en zijne Jenny weêr aan haren +broeder zou overleveren. Door de familie Hunshow liet hij dezen naar +Milaan ontbieden, en daar scheidden de geliefden, niet wetende of +zij elkander ooit zouden weêrzien." + +Het spreekt van zelve, dat, terwijl Torteltak dus aan 't verhalen is, +de noodige aanmerkingen zacht of half overluid worden gemaakt als: +"Neen! zulke monsters, als die Mijnheer Lurgrave, bestaan er toch +niet."--"Maar waarom sprak Mevrouw Van Aartheim er dan niet eens met +een advocaat over?"--"Maar hoe konden zij nu in Zwitserland trouwen, +zonder papieren?"--"Gunst! die jufvrouw was toch een beetje heel ligt, +dat zij zich zoo liet schaken, en dat wel door een jong heer; dat is +al té," enz.--Gelukkig voor het gezelschap, als, wanneer Torteltak op +deze hoogte van zijn verhaal gekomen, of als hij maar even begonnen is, +de boodschap binnen komt: Daar is de knecht, om Jufvrouw T te halen," +of "de koets van Juffrouw U is voor;" want in de gegeve omstandigheden +is het wel waarschijnlijk, dat die dames spoedig aan allen het sein van +vertrekken zullen geven, "omdat mama doodelijk ongerust zou zijn," of +"dat papa heel bang is, dat de paarden door het lang staan verkouden +zullen worden."--De lezer, wij zijn er zeker van, stemt met de dames +T en U in, en gunt gaarne aan Tortelzak, de rest van zijn verhaal +voor zich te houden. + +In het reisjournaal van Polsbroekerwoud vinden wij weinig omtrent de +curiositeiten van Milaan vermeld. De reden hiervan is, dat de goede man +er niet heel veel van gezien had. Reeds te Ivréa was hij begonnen te +klagen over matheid en lusteloosheid; te Vercelli was hij op den inval +gekomen, dat het copieus gebruik van vruchten hem weêr op stel zou +helpen; te Novara werd hij bang, dat hij zijne maag wat sterk verkoeld +had, en zocht dit door eenige glaasjes Rosolio te herstellen: maar al +zijne huismiddeltjes hielpen hem weinig; zijne _malaise_ nam steeds +toe, en hij reed Milaan binnen, omtrent in even opgewekte stemming, als +waarin een detachement gevangenen de poort van Woerden binnenrukt. Toen +de vrienden nu in het _Albergo del Tudesco_ waren afgestapt, en de +overigen zich tot eene wandeling door de stad gereed maakten, besloot +Pols hen niet te vergezellen; maar, zich ten halve ontkleedende en, +niettegenstaande de brandende hitte hem groote druppelen uit de poriën +joeg, een wollen muts over het hoofd trekkende, vlijde hij zich op +een bed neder, in hoop wat aan 't uitwasemen te raken. Maar ook deze +kuur mislukte; want hoewel eene soort van cascade van zijne wangen +op de kussens neêrstortte, zijne benaauwdheid nam toe en werd in +'t eind zoo hevig, dat hij aan de schel trok en met drift uitriep: +"Een doctor! cito een doctor!"--De doctor kwam en nam een paar dekens +van het bed; dit gaf al eenige verligting aan den patiënt. "Ik zal +u genezen", ging hij voort, "en wel op een zeer eenvoudige manier, +zonder mixtuurtjes en dergelijke kwakzalverijen,--door olie, alleen +door zuivere olie. Ik gebruik geen ander medicament, noch uit- +noch inwendig. Olie verzacht, lenigt, zuivert, neemt elken prikkel +weg. Alle ziekten ontstaan uit overprikkeling van een der deelen, +en dus is olie een alles afdoend geneesmiddel." Terstond na het +uiten dezer redenering ging Doctor Buonaventa tot de praktijk over; +hij zelf gaf hem een lepel van het frissche en smakelijke vocht in, +en riep eene oude dienstmaagd naar boven, die onzen vriend hoofd, +borst en polsen met olie moest inwrijven. + +De doctor verliet zijn patiënt, en gelastte de oude meid, bij den +zieke te blijven en hem zooveel olie toe te dienen, als zij hem in kon +krijgen, en als hij ergens pijn gevoelde, het medicament uitwendig te +appliceren.--Hij liet Pols in verbazing achter over deze eenvoudige +manier van genezen, maar tevens met een vrij onaangenamen smaak in +den mond, en iets in zijn binnenste, dat naar walging zweemde. + +"Geef mij toch een glas water!" vroeg hij na een poosje, met een +benaauwd gezigt zijne oppaster aanziende, die naast zijn bed had +post gevat. + +"_Si, Signore!_" antwoordde de oude vrouw, die hem niet verstond, +maar die begreep, dat hij weêr eens wilde innemen; en eer hij er op +verdacht was, goot zij hem een tweeden lepel olie in de keel. + +"Wijf, ben je razend?" riep Pols. + +"_Si, Signore!_" en de vrouw stond alweêr met de flesch gereed. + +"Terug!" riep onze vriend angstig. "O Hemel, ik word zoo wonderlijk!" + +De vrouw merkte op, dat hij klaagde en terwijl de hand op zijn hart +hield. Zij goot olie op een wollen lap, en begon nu uit al hare magt +de pijnlijke plaats te wrijven. + +Pols kon haar geen weêrstand bieden en zonk na deze kuur aemechtig +op zijn kussen neêr. Hij bleef eenigen tijd in deze positie, totdat +een dier vlugge en goêlijke huisdiertjes, die meermalen in dekens +en bedden omspringen, zich opgewekt gevoelde, nadere kennis met den +vreemden heer te maken, en daarom zijn hals tot tooneel verkoos voor +eenige gymnastische en acrobatische oefeningen. + +Onze vriend was echter in dezen oogenblik niet tot dergelijke +amusementen gestemd, en dus schielijk zijne hand uit het dek trekkende, +trachtte hij het kleine kunstenaartje in arrest te nemen. Maar +naauwelijks zag de getrouwe oppaster deze beweging, of zij begreep +dat hier spoedige hulp noodig was, en dus den hals van den patiënt +rijkelijk met het vette vocht besproeijende, stelde zij wederom de +manoeuvre met den wollen lap in het werk. + +Pols begreep dat het best zou zijn, zich maar volstrekt niet meer +te bewegen. Lang hield hij dit vol; maar eindelijk riep hij met eene +angstige stem: "Ach, kwamen mijne vrienden mij maar te hulp!" + +"_Si, Signore!_" en de vrouw bragt hem den lepel weêr aan den +mond. Maar nu was het geduld van Pols ten einde. Hij hield zijne +tanden hardnekkig op elkander gesloten, en te gelijk opspringend, +greep hij de vrouw bij den arm. + +Op dit oogenblik kwamen de vrienden van hunne wandeling terug. Zij +bleven verbaasd staan over het schouwspel, dat zij zagen. Daar stond +Pols ten halve ontkleed, met een dubbelen vlaggedoek om zijn middel +gewonden, de blaauwe muts tot over zijne wenkbraauwen getrokken, +zijn gelaat glimmende, en het vet, dat door zijne onverwachte +beweging hem van de lepel in 't gezigt was gespat, van wangen en +kin afvloeijende. Met geweld slingerde hij de vrouw van zich af, +die hem angstig aanzag, en haar medelijden en verbazing in de meest +gebruikelijke Italiaansche vloeken openbaarde. Wij zullen hare +uitboezemingen hier niet herhalen, maar verwijzen den weetgierigen +lezer naar den eersten den besten roman, waarvan Italië het tooneel is, +en waarin hij eene profusie van zoodanige kunsttermen zal aantreffen. + +Het gelukte den vrienden de woede van Pols te matigen, door de +gedienstige waakster weg te zenden; maar het was minder in hunne +magt om de onaangename uitwerking der toegediende medicamenten tegen +te gaan; doch hier kwam de natuur te hulp, en de maag van Pols gaf +duidelijk te kennen, dat zij van al die vettigheid niet gediend +beliefde. Den volgenden morgen was hij reeds weêr zoover hersteld, +als toen hij den Doctor liet ontbieden, en toen deze hem een tweede +bezoek gaf, verleende de vrees voor nieuwe kuren hem kracht om +zich volkomen genezen te verklaren. Buonaventa verzocht hem, zijn +systeem in Holland bekend te maken, en had de edelmoedigheid, zich +met 20 liras voor twee visites te vergenoegen. Op de rekening van +Reichmann was beleefdelijk melding gemaakt van eenige vetvlakken op +beddengoed en tapijten. En toen de reizigers eindelijk vertrokken, +zag Pols onder het aantal bedienden, dat met uitgestoken handen tot +aan de poort van het hotel uitgeleide deden, nog eenmaal zijne waardige +waakster weder. Met weêrzin gaf hij haar het kleinst mogelijke fooitje, +waarvoor hij nu nog een krachtigen en zeer populairen vloek terugkreeg. + +De reizigers verlieten Milaan; en toen zij van eene kleine hoogte +nog een laatsten blik op de prachtige stad sloegen, riep Veervlug in +verrukking uit: "Het is een land, overvloeijende van melk en honig!" + +"En van olie!" voegde Pols er zuchtend bij. + + + + + +HOOFDSTUK XXVII. + + Waarin veel beredeneerd en weinig bewezen wordt, én waarin de + reizigers eene herberg aantreffen, waar op het uithangbord _vrij + wijn_ niet maar voor de leus geschreven is. + + + "De liefde tot zijn lant is ieder aangeboren," + + +zegt Vondel, en zijn levensbeschrijver merkt aan, dat hij het bewees, +"weinig jaren voor zijn doodt naar Keulen reisende, en zijn vermaak +neemende met op de bedtsteê te klimmen, daar hij ter weerelt quam." Men +kan dit gezegde van onzen dichter maandelijks als motto aantreffen +voor den Staat der runderen, schapen, varkens enz., die zich in de +Bedelaarskoloniën van ons dierbaar vaderland bevinden. En zoo dit +alles nog niet genoeg is, om dezulken te weêrleggen, die aan die +aangeboren liefde twijfelen, of die andere landen boven het hunne +verkiezen, zij worden krachtig, gemoedelijk en met zachtzinnigheid +overtuigd door de schoone regelen van een later dichter: + + + "Dat hij verga, die, diep verbasterd, + Den vaderlandschen grond miskent." + + +En met dat al, daar zijn voorbeelden van sommigen, die, in Holland +gewonnen en geboren, terwijl zij, in zeer aangenaam gezelschap +in den vreemde reizende, landen aanschouwden nog schooner dan +het hunne, in sommige oogenblikken vergaten te juichen om hun +voorregt, als "op Nederlandschen grond geteeld." Tot verbetering +dier stemming kan misschien somtijds dienstig zijn eene zeer wijze +en verstandige redenering, waarin het vaderland als het puikje +aller landen wordt voorgesteld, en waarin al de voorregten worden +aangetoond, die de bewoners van dat dierbaar en begunstigd plekje +gronds bezitten. Maar meer nog dan al die redeneringen strekken vaak +toevallige omstandigheden en ontmoetingen, om bij den verketterden +of dwalenden reiziger de liefde tot zijn land weêr op te wekken. Als +hij bij voorbeeld begint te bemerken, dat zijn geldbuidel slechts +weinige sequinen meer bevat, en hij bedenkt, dat hij te huis nooit +voor geldgebrek te vreezen heeft, of als hij na een vermoeijenden +togt op een hard en morsig leger de rust te vergeefs zoekt, dan, +ja dan zou ook hij gaarne "zijn vermaak neemen met op de bedsteê te +klimmen, daar hij ter weerelt quam." + +Ook onder de vrienden van Polsbroekerwoud was het nu en dan niet +pluis met de warme liefde voor het land "aan de baren ontwoekerd en +door de voorvaderen vrijgestreden." Het ergst maakte het Veervlug, +die altijd met vergelijkingen aankwam, als iets bijzonder schoons +hun oog trof. Pols kwam dan wel tusschenbeiden met "daar is toch +maar één Holland," of de alles afdoende uitspraak "Oost west, thuis +best." Maar dan begon zijn vriend: "Wat! al heeft ook mijn wieg in +een moeras gestaan, en al hebben mij bijna dertig jaren de nevelen +van het Noorden de oogen verduisterd, ik vind het denkbeeld niet +verschrikkelijk van een bruidsbed tusschen de bloemalpen een helderen +zuidelijken hemel boven een grijs hoofd. Neen, het zou beleedigen +worden van den Schepper om die drassige landen, door menschelijke +kunst aangewonnen, door menschenhand omdijkt, de voorkeur te geven +boven de bloeijende valleijen, door de hand der Almagt met een +keten van bergen omgeven. Moge ik bewaard blijven voor zulk eene +verblinding!"--Het zou Pols zeker gemakkelijk geweest zijn om zijn +vriend in bondige en betoogende redeneringen te weêrleggen; maar hij +vond bij zulke gelegenheden meer kracht van overtuiging in den uitroep: +"Nu, ik blijf toch maar zeggen "Holland bovenal!" al heb ik er kind +noch kraai, nu Mijntje dood is." + +Wij moeten het echter tot eer van Veervlug zeggen, dat, in weêrwil van +al zijne bespiegelingen en uitboezemingen, in zijn hart altijd nog veel +gevoel overbleef voor hetgeen hem aan zijn vaderland verbond. Bij +al de voorstellingen van geluk, in die heerlijke vreemde landen +te smaken, haalde hij eene menigte voorwerpen, waaraan hij zich +verknocht gevoelde, en die met hem tot de landverhuizing zouden +moeten besluiten; en dan zelfs twijfelde hij somwijlen, of hij op +vreemden grond wel ooit zoo gelukkig zou kunnen wezen, als op de +plaats, waaraan zich zoo vele aangename en teedere herinneringen +verbonden. Maar het meest ontwaakte bij hem en bij al de vrienden +de liefde en het verlangen naar zijn geboortegrond, toen zij Milaan +verlatende, de terugreis aannamen. Tot nu toe hadden zij terwijl +zij voortreizende de schoonheden van Duitschland en Zwitserland +bewonderden, altijd nog één punt voor oogen, het grenspunt van hun +togt. Hoe schoon zij alles vonden, hoe veel genoegen zij smaakten, +daarheen wendde zich met verlangen hun oog; het was als het doel +waarnaar zij streefden, dat elken dag de bereiking nader kwam, en +dus steeds hun verwachting hooger spande. Dit doel was nu bereikt, +en schoon zij ook op den terugtogt misschien nog evenveel nieuwe +schoonheden zouden ontdekken en aangename gewaarwordingen gevoelen, +zij moesten weêr een nieuw rustpunt voor oogen hebben, en dit was +nu de terugkomst in het vaderland. Als op eenmaal deden zich nu weêr +stemmen in hen hooren, lang onderdrukt of verdoofd. Een zoet verlangen +ontwaakte, aangename voorstellingen van de vreugde des wederziens, +van geluk en rust, kregen dagelijks meer en meer voedsel, en daar +waren spreekwoorden noch uitroepen van Pols, noodig om de vrienden +in eene behoorlijke vaderlandlievende stemming te houden. + +Tegen den middag van den eersten dag hunner terugreize kwamen zij +te Sesto Calende aan, waar zij zich in de stoomboot inscheepten, +om den tour op het Lago Maggiore te maken. Het was misschien wel +beschamend voor Hollandsche jongelingen, waarvan sommigen nog niet hun +geheel vaderland hadden doorkruist,--die het oostelijk gedeelte van +Drenthe niet hadden gezien, en den heerlijken weg tusschen Breda en 's +Bosch slechts bij reputatie kenden,--om zich in 't gezigt der kusten +van het Lombardijsche meer te verlustigen, en de woeste majesteit, +vereenigd aan de schoonheden van eene zachte en lagchende natuur te +bewonderen; bij velen hunner kwam misschien een stil verwijt op, dat +zij Schiermonnikoog nog niet kenden, terwijl zij op Isola Bella aan +wal stapten; maar toch, in weelde en genot doorwandelden zij de lanen +van laurier- en oranjeboomen; in stille verrukking rustten zij onder +de hooge bloeijende cypressen, en lieten zij van de terrassen voor het +marmeren paleis der Boromei hun oog over de blaauwe wateren weiden, +waarin de welige bloemtrossen en het donker groen zich spiegelden. + +Het was al den vrienden aangenaam, dat Van Aartheim zich te Milaan +weêr bij hen had aangesloten, en ten minste zeker tot Straatsburg met +hen zou reizen. De achting en liefde, die zij voor hem gevoelden, +was, nadat zij een gedeelte zijner lotgevallen kenden, niet +verminderd. Onwillekeurig oefende zijne tegenwoordigheid eenen +gunstigen invloed op hen uit, en een zeker _poids_, dat hij over +allen had, liet zich zeer goed gevoelen, zonder dat het iemand hunner +drukte. Maar De Morder beteugelde in zijn bijzijn aanmerkelijk zijne +ontevredenheid, want Van Aartheim wist heel aardig zijne grieven te +wegen en weg te redeneren; Holstaff was bang voor zijn spottenden +glimlach; Torteltak gevoelde eerbied voor iemand, die meisjes +zoover kon brengen, dat zij zich lieten schaken, en die daarin niets +buitengewoons scheen te vinden: in één woord, allen beijverden zich +minder om zich van hun slechtste of bespottelijkste zijde te doen +zien, en hadden tevens de satisfactie al het goede, dat zij bezaten, +te zien op prijs gesteld. Pols alleen bleef steeds dezelfde, omdat +hij maar ééne zijde had waaraan hij zich kon vertoonen. + +Een ligt schuitje voerde de reizigers over de grondelooze watervlakte, +die Isola Bella van het vaste land scheidt. Te Baveno stapten zij in +een _albergo_ af, die de roeijers hun gerecommendeerd hadden, en die +er uitwendig zeer schilderachtig, inwendig zeer morsig uitzag. De +waardin begroette hen als _Eccellenza's_ en _Augustissimo's_, en +gaf zich de moeite, om de bovenste laag stof van tafel en stoelen +weg te nemen, de kippen, die in de kamer patrouilleerden, een wenk +te geven om een ander vertrek te zoeken, en door eene manoeuvre +met haar voorschoot eenige honderden insecten, die tegen glazen en +muren een middagslaapje namen, om te brengen; welke laatste handgreep +tevens het gelukkig gevolg had, dat de overige gevleugelde diertjes, +klaar wakker geworden, onrustig begonnen om te zwerven, en zich door +gonzende koorzangen wat op te vrolijken. + +In weêrwil van al deze bemoeijingen der goede waardin scheen het +sommigen der heeren toe, dat hare receptiezaal geen zeer comfortabel +verblijf was. De temperatuur scheen hun ook al zoo geschikt voor +bloeijende aloës, als voor afgematte reizigers; zij zagen dus elkander +aan, of zij hier wel blijven wilden: maar de gulle gastvrouw plaatste +de stoelen zoo in hunne nabijheid, en verzekerde hun zoo dringend, +dat zij van harte welkom waren en haar volstrekt niet geneerden, +dat zij het zeker als eene onbeleefdheid zou hebben opgenomen, indien +de heeren terstond weer vertrokken waren. Om hare redenen kracht bij +te zetten, bragt zij ongevergd een paar flesschen wijn op tafel, en +verzocht hare gasten, te doen of zij te huis waren. De goedhartige +toon, waarop de oude vrouw dit alles zeide, bevestigde de vrienden +in hun plan, om haar niet voor het hoofd te stooten. Zij plaatsten +zich dus zoo veel op hun gemak, als in de gegevene omstandigheden +mogelijk was, en maakten van den aangeboden wijn gebruik. + +"Daar is een vreemde smaak aan dien wijn," voegde De Morder de waardin +toe; "iets van harst of teer." + +"Dat zou ik hopen," antwoordde zij: "ik heb ze in nieuwe vaten geperst, +en die zouden niet veel deugen, als zij niet een beetje van dien +smaak afgaven. Maar anders is de wijn goed, niet waar? Hij is van +mijn eigen grond, en ik heb hem met mijne dochter alleen bereid; +daar zijn geen andere handen aan geweest." + +Deze verklaring en de verschijning der dochter, wier wangen en vingeren +getuigden, dat zij geen overdadig gebruik van waschwater maakte, +bragt niet veel bij, om den heeren een _haut gout_ aan den flaauwen +en troebelen landwijn te doen ontdekken. Zij hadden overigens te veel +dorst en waren te lang op reis, om zich verder in bespiegelingen te +verdiepen, wat er al met het vocht kon gebeurd zijn eer zij het in +flesschen voor zich zagen. + +Na een uurtje poozens, wilden zij hunnen togt voortzetten; maar +de gastvrouw scheen geheel andere plannen te hebben: zij wist de +vrienden te overtuigen, dat zij eerst moesten dineren, en dan, +als het wat koeler was, konden opwandelen. En terwijl spreidde zij +reeds een servet over de tafel uit, dat misschien van den Maartschen +bleek was gekomen, maar dan toch in dien tusschentijd herhaalde malen +gebruikt. Hare dochter bragt de schotels, op welker randen zij de +sporen harer lieve vingeren achterliet; en zelfs aan het opdoen der +spijzen kon men bemerken, dat zij het gebruik van vorken en lepels bij +zulke gelegenheden voor noodelooze weelde hield. "Nu maar toegetast," +riep de gulle waardin: "het is kostelijk eten, en alles met de beste +olie toebereid." + +"Met olie?" riep Pols verschrikt: "alles? ook die macaroni?" + +"Neen, die is met Parmesaansche kaas gestoofd. Ik wil er nog wat +meer op doen." Zij raspte de kaas en strooide ze met hare vingeren +op den schotel. + +Terwijl zij aten, onderhield de waardin hare gasten over de menigte +reizigers, die bij haar logeerden, en scheen er niet tegen te hebben, +dat onze vrienden dit voorbeeld zouden volgen. "Ik heb boven fraaije +apartementen, waar Prinsen en Graven en Baronnen geslapen hebben, +en de aanzienlijkste reizigers uit alle landen hebben mij altijd +hunne tevredenheid betuigd." De _Eccellenza's_ van heden gaven echter +duidelijk te kennen, dat zij geen plan hadden, het getal dier tevredene +logés te vergrooten, en stellig nog dien avond tot Fariolo moesten +voortreizen. In het eind berustte zij in hun voornemen, maar begon +nu uit te vorschen, welke landslieden zij aan tafel had. Zij begon te +raden--Engeland, Frankrijk, Rusland, en zoo vele Europeesche staten, +als haar maar bij naam bekend waren. + +"Ik zal het u maar zeggen," zeide een hunner: "wij zijn Hollanders." + +Zeer natuurlijk zouden de reizigers het gevonden hebben, als de +waardin van Baveno nu gevraagd had, in welk werelddeel Holland te huis +behoorde, daar men hun aan het Postkantoor te Milaan verklaard had, +dit land niet te kennen, en een beroemd Historicus te Genève, het +Groot-Hertogdom Holland onder de Duitsche Staten had opgeteld; maar +tot hunne verbazing begon de vrouw op eens luide vreugdekreten voort +te brengen, en eenige Heiligen aan te roepen om in haar blijdschap +te deelen, terwijl zij hare dochter uit de keuken binnenhaalde, +meer gillende dan sprekende: "Cilie, zie dan toch! het zijn, bij den +Heiligen X., Hollanders!" + +"Toch niet van Leyden?" vroeg Cilie. + +Pols, den naam _Leyden_ hoorende, een der weinige woorden, die +hij van het gesprek verstond, legde zijn vork neêr, en zijn mond, +die zich voor een beet macaroni geopend had, bleef in deze positie, +om moeder en dochter verbaasd aan te gapen. Torteltak tastte in zijn +zak, of hij misschien zijn pas verloren had en die in de handen der +vrouw was geraakt. + +"Ja, van Leyden," riep de moeder, die een der heeren had zien +knikken. "Kent gij mijn zoon niet, mijn Piëtro, of mijn neef? Ja, +gij moet ze kennen; want zij wonen in uwe stad." + +"Maar vertel dan toch, wie zijn zij? wat doen zij?" vroeg Veervlug. + +"Mijn neef handelt er, een mooije, rijke handel, in galanteriën. Hij +woont er al lang; maar voor twee jaren schreef hij aan mijn zoon, +die regter was te Locarno, maar niet rijk, dat hij naar Holland +moest komen, dat hij daar eene uitmuntende betrekking voor hem wist, +en dat hij in weinige jaren zoo rijk kon worden als de Boromeï." + +"_Santa Maria!_" riep de dochter op eens: "wat lijkt hij op Piëtro!" En +zij trok hare moeder tot voor Torteltak, dien zij al gedurig met +aandacht had beschouwd. + +"Als de eene engel den anderen," riep de moeder, hem verrukt aanziende. + +"Maar wie is dan toch die Piëtro?" vroeg Torteltak. + +"Wel mijn zoon, die naar zijn neef in Holland reisde, en die door +zijn invloed terstond zeer voordeelig werd geplaatst als eerste +élève bij een schoorsteenveger en rookverdrijver, en die nu zelf al +schoorsteenvegersbaas is." + +"Zoo!" zeide Torteltak koeltjes, even alsof deze frappante gelijkenis +hem niet ten toppunt van verrukking voerde. + +"Dan geloof ik, dat ik hem wel gekend heb," viel Veervlug in: "een +mooije jongen, een beetje een fat; maar zijne handen gelijken veel +op die zijner zuster." + +Torteltak moest, of hij wilde of niet, lagchen, en keek beurtelings +zijne blanke handen en die van het meisje van Baveno aan. + +"Ja, gij kent hem," zeide de vrouw, met welgevallen de vrienden +aanziende. + +"Kom, moeder! drink eens op de gezondheid van uw zoon!" zei van +Aartheim, haar een glas aanbiedende. + +"Dank je wel, lieve, goede Eccellenza's!" zei de moeder, terwijl +een traan in haar glas viel "Ik beveel mijn Piëtro wel aan uwe +Eccellenza's aan. Hij is een brave, beste jongen..... En als de +schoorsteenen van Uwe Eccellenza's vuil zijn."..... voegde zij er na +eenige oogenblikken bij. + +"Wij zullen om hem denken, vrouwtje! en als ge misschien een lettertje +aan hem wilt meêgeven..." + +"Dank je Eccellenza's wel; maar ik kan niet best schrijven, en mijn +zoon niet best lezen. Maar druk hem eens hartelijk de hand voor mij; +dat zal hij beter verstaan." + +Terwijl drukte de moeder de hand van Torteltak, en zij zou hem +misschien wel hebben willen omhelzen, omdat hij zoo op Piëtro geleek; +maar onze vriend zag hiervan de noodzakelijkheid niet in, te minder +omdat hij die commissie dan toch niet letterlijk had kunnen volvoeren. + +Een half uur daarna namen de vrienden afscheid van hunne gulle +gastvrouw. Toen zij de rekening inleverde, maakte een der vrienden +haar opmerkzaam, dat zij den wijn had vergeten te noteren. + +"Ik zou mij voor Uwe Eccellenza's en voor alle Heiligen schamen," +antwoordde zij, "indien ik mij den wijn liet betalen, waarmeê mijn +zoons gezondheid is gedronken." + + + + + +HOOFDSTUK XXVIII. + + Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is, te digt langs een + afgrond te wandelen. + + +Als men van Locarno of Bellinzona de reis naar het noorden wil +ondernemen, en men besloten heeft niet den weg over den Simplon te +volgen, dan steekt er niets wonderlijks in, dat men den St. Gothard +overtrekt die een vrij gemakkelijken en gebaanden weg aanbiedt; want +gelijk reeds in de vorige eeuw de _Duchess of Devonshire_ aanmerkte: + + + "'Midst tow'ring cliffs and tracts of endless cold + Th'industrious path pervades the rugged stone, + And seems................................ + A granite girdle o'er the mountain thrown." + + +en sedert het bezoek van de edele Georgiana heeft de kunst nog steeds +het hare bijgebragt, om den weg te verbeteren en te verfraaijen. + +De zon begon reeds te dalen, voordat het reisgezelschap van +Polsbroekerwoud den top des bergs had bereikt, en schoon zij zich +aan het Hospenthal noch te Audermat ophielden, zagen zij duidelijk, +dat zij moeijelijk vóór den nacht Amsteg konden bereiken, en trokken +daarom met den meesten spoed voorwaarts. Reeds begon zich het licht aan +de enge bergwegen te onttrekken, toen zij aan de plaats kwamen, waar de +Reuss zich met donderend geweld van de rotsen afstort, en zij zagen de +wateren, in de hoogte nog door de stralen der avondzon gekleurd, als +zwarte stroomen door den afgrond inzwelgen. Het was een koude avond; +de wind woei snerpend en dikke wolken rustten op de duizendvoetenhooge +rotsen, of werden door de spitse toppen vaneengescheurd. In sombere +stilte gingen de reizigers langs de afgronden en onder de duistere +galerijen tusschen de Duivelsbrug en den Pfaffensprung voort; de woeste +natuur vervulde hen met ernst en bijna met schrik. Schoon zij er aan +gewoon waren, weinige menschen op hunne wegen te zien, zagen zij nu +angstig om zich heen, of niet nog eenig levend wezen hen zou ontmoeten, +als om hen de verzekering te geven, dat daarginds, aan het einde dier +naakte rotswanden en akelige holen, eene lagchende en bloeijende vallei +hen wachtte, waar herbergzaamheid en gezelligheid woonden. Doch niets +hoorden zij dan het steeds afnemend gedruisch van den bergstroom; +niets ontdekte hun oog dan vervaarlijke steenklompen, die over den +weg neêrhingen en slechts een wenk schenen af te wachten om in een +oogenblik het menschelijk kunstwerk van jaren te vernielen. Maar toen +zij nu uit de lange en donkere galerij van de Schoellenen weêr in de +vrije lucht kwamen, zagen zij op korten afstand voor zich eene witte +gestalte, die zich bewoog. + +"Ik geloof dat ik menschen zie!" riep Veervlug vrolijk uit. + +"Als het in 's Hemels naam maar niet de geest van den monnik is," +zegt de gids. + +"Daar zijn geen spoken," zegt Pols, die wit wordt als een doek. + +Zij kwamen nader en Pols had gelijk; het was geen spook, maar eene +jonge vrouw in ligte kleeding, wier sluijer om een kruis woei, +waartegen zij geknield lag. Naast haar stonden twee mannen, die elk +harer bewegingen gadesloegen. Op den achtergrond hield een rijtuig +stil. + +Verwonderd bleven de vrienden op een afstand staan; maar nu zagen +zij haar op eens haastig oprijzen en in woeste beweging de handen +omhoogslaan. Zij doet een stap voorwaarts naar den steilen afgrond, +en als belette haar eene hevige benaauwdheid te spreken, zegt zij op +afgebroken toon: "Adolf--mijn Adolf--kom--geef mij mijn kind!--Ik +wacht u, o God, ik wacht u--zoo lang!" En zij maakt een beweging, +als wilde zij zich in de diepte storten. + +Holstaff zoekt naar zijn zakdoek. Pols merkt aan, dat die vrouw zeker +niet bij haar positive was. Torteltak schiet toe; maar reeds hebben +hare geleiders haar naar de andere zijde des wegs voortgetrokken. Op +eens ziet zij den jongeling, en terwijl zij zich tracht los te rukken, +roept zij: "Niet waar, gij komt van hem? maar waar is mijn kind?" + +Torteltak ziet haar verschrikt aan, en slaat angstig de oogen neder. + +"O God, is het dan waar? dood, dood, beiden dood!" en haar hoofd zinkt +op den arm van een der mannen, en de kleur des doods verspreidt zich +op haar gelaat. Zij ligt bewusteloos neder. + +Maar op eens, schoon nog hare oogen gesloten zijn, schijnt het +leven in haar terug te keeren. Zij strekt haren arm uit, en drukt +de hand aan haar hoofd. "O was die benaauwde droom maar uit!" riep +zij. "Adolf! mijn geliefde! maak toch mij wakker!... Ha, daar hoor +ik hem, ik hoor mijn kind, ja ik hoor u, mijn lieve zoete Anton! uw +moeder komt!" + +En zij leunt tegen de hoogte aan, terwijl zij zich beweegt als wiegde +zij een kind in slaap. Op eens begint zij met zachte stem te zingen: + + + "Schlummre sanft! Noch an dem Mutterherzen + Fühlst Du nicht des Lebens Qual und Lust; + Deine Träume kennen keine Schmerzen; + Deine Welt ist Deiner Mutter Brust." + + +De maan, die langzamerhand over de bergen begon op te gaan, wierp +een flaauw licht tusschen de rotsen, waar dit tooneel plaats had. In +haar schijnsel vertoonde zich aan het oog der reizigers eene schoone, +jonge vrouw, doch wier gelaat met een doodelijk bleek was overtogen, +en wier oogen vol smachtende liefde op haren schoot waren gewend, waar +zeker dikwijls een teeder knaapje had gerust, maar die nu ledig was. + +De schoone moeder slaat de oogen op, en daar ziet zij Torteltak weder; +maar nu verschijnt er eene woeste vreugd op haar gelaat: zij vliegt +tot hem, sluit hem teeder in hare armen. "Ha, ha, zijt ge daar, +mijn geliefde, mijn dierbaarste!--Ja, ik wist wel, gij moest mij +plagen--ik had u een kus geweigerd--maar o, ik was zoo ongerust!--ik +had zoo veel pijn--hier,--hier!" Zij drukte de hand des jongeling +met kracht op haar hart. + +Torteltak tracht te spreken; maar zij legt hem de hand op den +mond. "St! st!--maak Anton niet wakker--hij slaapt, de lieve +engel. Hier, zie hem!" + +"Mevrouw!" zegt Torteltak, sidderend van medelijden en schrik. + +Zij ziet hem aan, en een vreeselijke gil klinkt hem in de ooren. "Neen, +ik ken u niet!--o God! het is dan geen droom!"--Een gloeijend rood +bedekt haar geheel gelaat; vreeselijk wild rollen hare oogen; zij rukt +zich los en vliegt naar den afgrond. "Ja, ik kom, mijne geliefden! gij +hebt mij al te lang gewacht,--daar--in de diepte!" + +Maar de twee mannen, die met haar waren, en Torteltak, weêrhielden +haar nog in tijds. Vruchteloos spande zij hare laatste krachten in, +om zich los te rukken. "O God! help mij, mijn Adolf! ze willen mij +van u scheiden, en ben ik dan Anton's moeder niet?" Maar nu zonk zij +ook uitgeput in des jongelings armen, die haar in het rijtuig droeg; +een der geleiders plaatste zich met Torteltak bij haar, en de calêche +reed met spoed naar Amsteg. + +De andere der mannen, die met de overige vrienden te voet denzelfden +weg insloeg, deelde hun nu mede, dat voor drie dagen in het logement +_de Engel_ te Amsteg, waarvan hij de _Gastgeber_ was, een jong paar met +een kind van twee jaren den nacht had doorgebracht. Zij hadden bij hem +een rijtuig naar Bellinzona aangenomen en waren den berg opgereden; +maar in de nabijheid van den Pfaffensprung waren zij afgestapt, om, +voor het rijtuig uit wandelende, de woeste natuurtooneelen beter te +kunnen opnemen. Aan de plaats gekomen, die zij nu verlieten, had de +jonge moeder, die haar kind droeg, te digt langs den afgrond gewandeld; +eene onverwachte beweging van het knaapje deed haar het evenwigt +verliezen, en zij stortte naar de diepte neder. Gelukkig bleef zij +met haar kleed aan een boomstronk hangen, en geen minuut verliep, +of de man had haar reeds in zijne armen. Maar nu roept zij op eens: +"Mijn kind!" De man ziet dat zij den lieven knaap niet meer op den +arm heeft, loopt terug, ziet het in de diepte neêrgestort, en de +ongelukkige, als had hij het levenlooze wicht nog kunnen redden, +werpt zich in den afgrond. Op één rotsklomp hebben zij beiden den +dood gevonden, en de bergstroom heeft hen heengevoerd, de Hemel weet +waarheen. De vrouw, die op den weg als vastgenageld stond, werd door +den koetsier in het rijtuig gedragen, en kwam weinige uren later +op die plaats, die zij zoo gelukkig en vrolijk verlaten had, als +kinderlooze weduwe terug. Zij zag strak voor zich neder, sprak niet, +en gebruikte geen voedsel. Zij liet een houten kruis maken, dat zij +zelve op de plaats wilde zien planten. De kastelein en zijn broeder +vergezelden haar, en zij kwamen aan, weinige oogenblikken nadat het +kruis was opgerigt. Maar toen nu de vrouw op de plaats kwam, waar +het ongeluk gebeurd was, scheen zij op eens al hare bedaardheid te +verliezen, zoo de toestand, waarin zij verkeerd had, dien naam kon +dragen. Van het overige waren de reizigers zelve getuigen geweest. + +Dit verhaal en het voorgevallene had de vrienden zeer getroffen; +vermoeid en treurig kwamen zij in _de Engel_ te Amsteg aan. Zij +vonden Torteltak in de hevigste agitatie. De jonge vrouw was nog +steeds zonder bewustheid. + +"Ik heb haar meer gezien," riep de jongeling "maar zij kan het toch +niet wezen. Neen, dat is onmogelijk.--Kastelein, weet gij den naam +ook van den ongelukkigen reiziger?" + +"De Heer Sindenton uit Aken," antwoordde deze. + +Torteltak zonk uitgeput op een stoel neder, en weende. + + + + + +HOOFDSTUK XXIX. + + Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer + zonder oponthoud kan eindigen. + + +Treffende en treurige voorvallen, die den mensch ontmoeten, laten +natuurlijk altijd eenigen indruk bij hem na. Indien hij nu zelf in die +rampen en ongelukken betrokken is, dringt die indruk dieper door; maar +het diepst, wanneer zij met zijne eigene omstandigheden, of zelfs met +zijn leven, in naauw verband staan. Een smartelijk verlies, waarvoor +de mensch misschien troost zou kunnen, de Christen moeten vinden, +maar dat in zijne geheele manier van zijn en handelen eene merkbare +verandering te weeg brengt, doet hem daarom misschien te langer +pijn, omdat hij, bij het onaangename van ieder dier veranderingen, +tot de oorzaak opklimt, die hem daartoe dwingt, en deze op nieuw in +al hare verschrikkelijkheid voor zich ziet, terwijl bij een anderen, +in wien het even treurige gewaarwordingen verwekt, maar minder in +zijn leven indringt, en hem in dit opzigt laat wie hij is, spoediger +het bittere der droefheid wordt weggenomen, en in zacht, weemoedig +smartgevoel veranderd. + +De indruk der treurige scène, waarvan zij op den Saint-Gothard getuigen +waren geweest, op de vrienden liet het langst sporen na bij Torteltak, +als den eenigen, die tot Sindenton in naauwere betrekking had gestaan; +en nog zult gij hem nooit over dit voorval hooren spreken, zonder +dat hij daarbij eenige weemoedige treurigheid openbaart. Maar toch, +daar waren door den dood des jongelings geene banden losgescheurd; +want de betrekking, waarin zij tot elkander gestaan hadden, was meer +eene gewoonte van omgaan geweest, dan eene teedere vriendschap. Indien +hij zijn ouden kennis niet voor weinige dagen te Aken had ontmoet en +zich niet zoo had verlustigd in zijn geluk, zou hij, bij het vernemen +der treurmare, zich misschien vergenoegd hebben met den uitroep: +"Die arme duivel! hij is er ook alweêr geweest. Hij was een beste +jongen."--Maar nu was het hem, alsof een schoone schilderij, in welks +beschouwing hij zich meermalen verlustigde, als hij zich in zijne +verbeelding op den Louisberg verplaatste, op eens totaal voor hem +was bedorven; en schoon hij ook oogenblikken had, waarin hij dacht, +dat hij er waarlijk ongelukkig door was, zijn gevoel verdiende meer +den naam van spijt dan van droefheid; het was voor hem meer jammer +dan ongelukkig. + +Maar met dat al, de eerste dagen na de treurige ontmoeting was +hij geheel onvatbaar voor de verschillende reisgenoegens, die de +anderen langzamerhand weêr begonnen te smaken. Doch wel begrijpende, +dat zijne vrienden niet op den duur sympathie met zijne smart konden +hebben, was hij verstandig genoeg, zijne klagten voor zich te houden, +uit vrees dat er bij hun medelijdend "ja, 't is heel naar en akelig, +ook voor u," niet eindelijk onwillekeurig het denkbeeld zou opkomen: +"maar toch ook voor ons, dat hij altijd met Jeremiades aankomt." + +Het was hem nu intusschen heel welkom, dat het in hun reisplan lag, om +den retour vrij expediet af te leggen. Zij bezagen dan ook maar vlugtig +het land, waar Willem Tell vóór ettelijke eeuwen zulk eene verbazende +rol speelde schoon zij zich verwonderden, dat op de plaats zelve de +historie een minder levendigen indruk op hen maakte, dan toen zij ze +uit hunne kinderboekjes vernamen. Zij namen evenwel, als conscienteuse +reizigers, de verschillende kapellen in oogenschouw, die te Burglen +en op den _Tell's Platte_ ter eere van den grondlegger der vrijheid +gesticht zijn, en die door smakeloosheid van bouworde uitmunten, en +met minder schoone schilderstukken zijn versierd, dan de gravures, +die wij er bij ons te land van aantreffen in plattelands-herbergen, +of bij onze oude keukenmeid, die met een tuinknecht getrouwd is. + +Van Brunnen is men in korten tijd te Zurich, als de paarden goed +loopen en maar een ligt rijtuig te trekken hebben. Dit ondervonden de +vrienden, en zij hoopten nu ook zonder verder oponthoud te Constants te +zullen komen, waarheen zij, boven op de diligence gezeten, 's morgens +ten zes ure vertrokken. + +Geheel zonder oponthoud voleinden zij echter deze reis niet; want +terwijl zij, door een lieflijken zonneschijn gestoofd, in een aangenaam +dutje verzonken waren, waarschijnlijk om zich de streken, die zij +doortrokken, zoo mooi als zij zelve wilden te kunnen voorstellen, +werden zij op eenmaal in de nabijheid van Frauenfeld in hunne +meditaties gestoord in toevallig juist een ondeelbaar oogenblik, +nadat het breken van de as de diligence had doen omvervallen. + +"Zijn wij hier aan eene pleisterplaats?" vroeg Pols, die vrij vast +geslapen had en nu vrij onzacht op den grond neêrkwam. + +"Ja, ik ben wakker, ik sta al op: maar schud me zoo niet!" riep +Veervlug, die naast hem in een hoop zand werd geworpen. + +"Mijnheer! zie wat beter voor u!" zei een slaperig heer in den wagen, +die een half dozijn passagiers op zijn lijf kreeg. + +"Ach, conducteur! laat er mij maar uit, want ik houd niets van +ongelukken!" riep een dametje. + +"Ik ben dood!" schreeuwde een Franschman, met drift uit de cabriolet +springende. + +En ieder der passagiers, die in en naast de omgevallene diligence +lagen, scheen zich verpligt te gevoelen, door eene meer of minder +gepaste phrase te kennen te geven, dat dit evenement niet onopgemerkt +voor hem had plaats gehad. + +Weinige oogenblikken later stonden al de reizigers op den straatweg +de paarden na te staren, die volstrekt niet verschrikt waren, maar +begrepen, dat zij op hun tijd op het station Frauenfeld moesten +aankomen. Bij de passagiers openbaarde zich nog eenige oogenblikken +bezorgdheid voor hunne goederen; vooral het dametje, dat niet van +ongelukken hield, nam informatiën naar hare hoedendoos maar de +conducteur beloofde voor alles te zullen zorgen, en ook aan het +verlangen der dame te voldoen, dat de doos toch vooral niet scheef +gehouden werd. En daar de poort van Frauenfeld reeds in het gezigt +was, besloten de reizigers niet op hun regt te staan, om daar in +staatsie binnen te rijden, maar liever door eene kleine wandeling +den schrik wat te verzetten. Allen konden zich verheugen goed van de +reis te zijn afgekomen, met uitzondering van eene dame, die aan haar +linkeroog de aanraking had gevoeld van de laars van haren overbuur, +welke laars meer indruk op haar gemaakt had, dan de _oeuillades_, +die hij haar sedert uren had toegeworpen. + +De waard uit _het Hert_, die de paarden op stal had zien aankomen, +maar door dezen niet genoeg inlichtingen had kunnen bekomen omtrent +het gebeurde, maakte nu uit de verschillende kreten en uitroepen op, +waarom de diligence niet was meêgekomen, en de vrolijke _Kellner_ +Jacques, die ieder der reizigers een glas _kirschwasser_ opdrong om +weêr wat bij te komen, verzocht al de passagiers geen rancune op de +diligence te houden en familiaar in het hotel te blijven dineren. + +Het ontbreekt na dergelijke voorvallen zelden aan discoursen +tusschen menschen, die elkander vroeger vreemd waren, maar door +gemeenschappelijk ongeluk verbroederd worden. In afwachting van het +_diner_ en de geschikte gelegenheid om verder te reizen, plaatsten +zich nu de reisgenooten in een cirkel, waarvan zich echter een jong +paar uitsloot, dat zich liever eenigzins op den achtergrond hield. Om +echter hunne reisgenooten niet af te matten door gissingen, waarom +zij zich schenen af te zonderen, gaven deze jonge lieden zich de +moeite, elkander teeder aan te zien, de hand te drukken, zamen niet +meer dan vijf kwart stoel in te nemen, en meer dergelijke zaken, die +op vrijerij duiden. Zij maakten daarenboven zeer dikwijls gebruik +van het privilegie van geëngageerden, om veelvuldig te fluisteren, +een voorregt, dat vele jongelingen, die niet sterk zijn op het punt +van lieve geheimpjes, somtijds zeer zwaar valt op den regten prijs te +schatten. Gelukkig dat allen, die zich op het liefde plegen toeleggen, +als het meer aankomt op dadelijke liefkozingen en dergelijke zaken, +die het gezigt van een verliefd paar voor een toeschouwer regt +onderhoudend maken, goed te huis zijn. + +"Ik gaf wel honderd _louis d'or,_ dat de diligence niet omgevallen +was! want ik ben zeer gepresseerd!" zei de Franschman die dood was, +en er uitzag alsof hij nooit honderd _francs_ te gelijk in zijn beurs +had gehad. + +"Pah!" riep een Duitscher: "is dat omvallen, en zonder dat iemand +armen of beenen breekt! Ik heb te Rome ook eens met de _Regio carriëro_ +omgelegen; maar toen waren al de reizigers er om koud, behalve ik." + +"Gij alleen over?" zei de Franschman: "dat was jammer." + +"Ik hoop dat de conducteur nu maar oppast en mijn hoedendoos regt +houdt," riep het dametje; "anders zijn al mijn mutsen verkreukt." + +"Maar, beste! het was toch een heel ongeluk!" fluisterde de verliefde, +die door Veervlug beluisterd werd: "ben je nu toch waarlijk niet +geschrikt?" + +"Neen, heusch niet; maar heb jij nergens pijn?" was het antwoord. + +"Je bent toch een engel!" fluisterde de jongeling. + +Deze zelfde phrases werden vijf malen binnen den tijd van zeven en +een halve minuut gewisseld. Toen werd de jongeling op eens pathetisch, +en vroeg met hevige rolling zijner oogen: "Maar beste! als ik nu toch +eens onder de diligence verpletterd was?" + +"Ach Hemel! dan was ik ook verpletterd." + +"Je bent toch een engel!" fluisterde de jongeling. "Maar wil je nu +niets gebruiken? zijt ge waarlijk niet geschrikt?" + +"Waarlijk niet?" antwoordde het meisje, en zuchtte hoorbaar. + +"Ik woû dat ze nu met dat satansche eten kwamen!" riep de Franschman +van de honderd _louis d'or_, eenen heer in de rede vallende, die van +een omgevallen diligence te Marseille verhaalde. + +"Beste!" fluisterde de verliefde jongeling, die een poosje op een +fluistergesprek had zitten peinzen: "wat denk je dat we eten zouden?" + +"Ja, dat weet ik heusch niet, dierbare! misschien coteletten." + +"Dat zou heerlijk wezen. Je bent toch een engel!" Maar nu ziet de +jongeling een wijd veld tot lieve geheimen open, en gaat voort: +"Waar houdt ge meer van, van rheevleesch of van faisanten?" + +"Ik weet het heusch niet. Wat vind jij het lekkerst?" + +"Ik rheevleesch." + +"Nu, dan ik ook." En het lieve meisje zag hem, na dit sterke bewijs +harer liefde gegeven te hebben, met zoo teedere oogjes aan, dat het +bijna in het geheel geen oogjes meer waren. + +"O Hemel!" zegt de jongeling: "zij is te edel en te groot voor de +wereld!" En na zich hierin een oogenblikje verdiept te hebben, vraagt +hij haar, terwijl zijne oogen van verliefdheid zijn hoofd schenen te +verlaten: "Beste, houdt ge wel van een kalfskop?" + +"Kunt gij dat nog vragen?" zegt de schoone, hem even smachtend +aanziende, als een schelvisch op het strand de middagzon. + +"Je bent toch een engel!" En de jongeling staat op het punt zijne +schoone te kussen. + +Juist wordt het eten opgedragen, en het eerste, wat de verrukte +minnaar voor zich op tafel ziet, is een schotel coteletten. + +Een traan van vreugde schittert in des jongelings oogen, die +hij beurtelings op den schotel en op zijne geliefde slaat. Ook de +Franschman van de honderd _louis d'or_, die nu zijne redenen meende +te moeten openbaren, waarom hij het _diner_ met zooveel verlangen +te gemoet had gezien, scheen het op de coteletten te hebben gemunt, +althans hij laadde er een aanzienlijk aantal van op zijn bord. Maar +eer nog de schotel tot het jonge paar was gekomen, en toen hij er nog +maar drie had ingezwolgen, riep hij uit, dat het vleesch taai was als +de duivel, waarmede hij wilde te kennen geven, dat het zeer taai was. + +De arme minnaar werd bleek van schrik, en zijn meisje dat vroeger door +zijne al te teedere blikken op den schotel bemerkt had, dat haar hart +wel eenigzins voor jaloezij vatbaar was, werd nu vervuld van innig +medelijden in deze bittere teleurstelling voor haren jongeling; +krampachtig drukte hij haar de hand, toen de eerste beet hem had +overtuigd, dat de Franschman de waarheid had gesproken. Op gelijke +wijze werd die handdruk beantwoord; doch na weinige oogenblikken +fluisterde zij er deze lieve en vertroostende woordjes bij: "Beste! ik +hoop u nooit zoo te leur te stellen; ik zal altijd mijn best doen u +malsch vleesch voor te zetten." + +Een glans van genoegen en vreugde keerde weêr op des jongelings gelaat, +en als twee illuminatieglazen schitterden zijne oogen, toen hij haar +toevoegde: "Je bent toch een engel!" + +De Franschman ging voort met al het eten verfoeijelijk slecht te +vinden en tevens van alles verbazende portiën te nuttigen, als wilde +hij, zooveel in zijn vermogen was, die slechte spijzen van de aarde +verdelgen. Hij ging tevens voort bij ieder zijner uitroepen onder +verschillende benamingen den duivel aan te roepen, zoodat sommige +leden van het gezelschap deze voor zijn beschermheilige begonnen te +houden. De minnaar, die onder al dat afgekeurde eten, verschillende, +zeer smakelijke zaken aantrof, liet zich geenszins onbetuigd; en wie +dus in het gezelschap gemeend had, dat hij niets kon dan fluisteren, +zag nu, dat hij den edelen jongeling deerlijk had miskend. Hij vond +echter onder al deze werkzaamheden gedurig gelegenheid, om iets +van zijne liefde te openbaren, en verstond meesterlijk de kunst, +te gelijk met kakebeen en oogen te werken. + +Het _diner_ kenmerkte zich overigens, zoo al niet door vrolijkheid, +toch door luidruchtigheid, vooral toen de reizigers bij het dessert +zich verpligt gevoelden, hunne dankbaarheid voor levensbehoud en +uitredding uit dreigend gevaar te betoonen door zich een halven +roes te drinken aan besten Rijnwijn. Spoedig werden zij echter in +deze hartverheffende pligtsbetrachting gestoord, daar de conducteur +binnenkwam, en het gezelschap verzocht in de rijtuigen te klimmen, +die hij te Frauenfeld had opgeloopen. + +"Maar, conducteur! staat mijn hoedendoos nu wel regt?" roept het +dametje, dat niet van ongelukken hield. + +"Best, dame! en de mutsen, die er uitgevallen waren, heb ik er zelf +weêr ingepakt." + +"En hebt gij voor mijn _effets_ gezorgd?" vraagt de Franschman van +de honderd _louis d'or_. + +"Uw pakje ligt onder de bank in het eerste rijtuig." + +"Ben je nu toch waarlijk niet bang?" fluistert de jongeling. + +"Neen, heusch niet." En reeds zit de engel in den wagen. + +"Ik zal nu wakker blijven," zegt Pols, terwijl hij inklimt; +"want ik zou niet gaarne weêr omvallen." + +En zonder verdere ongelukken ging de togt voort, en weinige uren later +zag men de torens van Constants. Veervlug herkende ze dadelijk uit +de decoratiën van de _Juive_, die hij in den Haag had zien opvoeren. + + + + + +HOOFDSTUK XXX. + + Waarin Pols een zeer mooien coup de théatre ziet mislukken, + en waarin Torteltak eene Dame in haar rijtuig helpt. + + +Het is heel moeielijk, het iedereen naar den zin te maken. Dit +ondervonden onder anderen, in het jaar 1415 de Heeren van het Concilie +te Constants, toen twee der Pausen, die zij op pensioen gesteld hadden, +en de eene nog wel op zijn eigen verzoek, dezen maatregel gansch +niet vriendelijk opnamen, en de derde gepensioneerde dit gunstbewijs +finaal afsloeg en zich tot zijn dood toe in active dienst aftobde.--Hoe +weinig goedkeuring verwierven gemelde Heeren verder van het algemeen, +toen zij, na vier jaren vergaderd geweest te zijn, uiteengaande de +Hervormingsplannen, waarvan nog al veel verwachting was, in den steek +lieten! En zoo zij niet de aangename bewustheid hadden meêgevoerd, +dat zij de Kettersche stellingen van Joannes Huss en Hieronymus van +Praag met kracht en vuur hadden weêrlegd en vernietigd, hoe gering zou +dan ook nog hunne zelfvoldoening over het verrigte werk zijn geweest! + +Maar al liet nu deze Kerkvergadering bij sommige pausen geene zeer +aangename herinneringen na, en al bevorderde zij de tijdelijke +belangen van eenige ketters niet veel, en al leverde zij voor +Kerk en Staat die resultaten niet op, die men gewacht had, zij was +belangrijk voor diegenen, die er maar partij van wisten te trekken, +en nog ten huidigen dage baant zij den weg tot onmetelijken rijkdom +en onsterfelijken roem voor Johann Kastell, _Antiquar_ te Constants. + +Wanneer gij ooit in de beroemde Conciliestad komt, zult gij niet +verzuimen den verdienstelijken oudheidkenner te bezoeken. Zijne +schriften zal hij u tegen betaling van 56 cents aanbieden, en gij +zult eigenaar worden van verschillende onuitgegeven brieven van Huss, +die Kastell uit het werk van Van der Hardt in zijn geschrift heeft +nagedrukt. Daarna zal de geleerde u uitnoodigen, om nog omtrent 73 +cents te betalen, voor welke u het gezigt der _Kunst und Altherthums +Sammlung_ in de _Conciliums-Saal_ zal worden vergund. Gelukkige! dan +zult gij langs een steilen trap naar den donkeren zolder worden geleid; +daar zult gij in een hoek twee vermolmde stoelen zien staan, die gij +met den naam van _troonen_ zult hooren bestempelen. Daarnaast ziet +gij een kistje, voor één derde uit hout en voor twee derde uit stof +bestaande; dat is het beroemde _Scrutinium_. Die ronde roestmassaas +tegen den wand zijn de schilden der krijgers, die den vorstelijken +troon omringden.--Is het u niet, als waart gij door een tooverslag +uit de negentiende in de vijftiende eeuw verplaatst? als bevondt gij u +in het midden der luisterrijke Kerkvergadering, omringd door vorsten +en kardinalen?--Ziet gij daar op dat zoldertje die drie mannen, +die onvermoeid met hunne armen roeijen, hun hoofd omdraaijen, meer +dan ooit een ander mensch het vermogt, en op de maat hunne oogen +doen rollen? Beteugel uwe verbeelding--zij leven niet; doe gerust +een stap nader;--ja, het zijn de twee ketters wel, en Celestinus de +Dominikaner monnik, die met hen disputeert; maar slechts geboetseerd in +gele was. De beide eersten zijn al eens door een pruikmaker gestolen +geweest, die den monnik, van wege de kaalgeschoren kruin voor zijn +doel onbruikbaar, had laten staan; maar Kastell heeft ze uit den +barbierswinkel naar zijn zoldertje teruggevoerd.--Maar nog hebt gij +niet alles gezien. Daar in dien hoek staan twee steenen muren; dat +zijn de muren der gevangenis van Johannes Huss, uit den kelder van +het Franciskaner klooster gebroken, en nu op de Conciliezaal heel +netjes weêr opgemetseld, om alles wat meer bij elkaêr te hebben. Het +is eene ijselijke gevangenis. Zie, zij ontvangt geen ander licht, +dan uit de hooge vensters van de zaal.--Gij opent de gegrendelde +kerkerdeur en stapt eene schrede terug. In die kerker ligt op stroo een +menschengedaante. Het is de ongelukkige. Vroeger figureerde het beeld +onder den preekstoel in de _Munsterkirche_, als de aartsvader Abraham; +een bekwaam schilder heeft het een weinig gemoderniseerd, en nu doet +het in den kerker van den aartsketter Huss volkomen zijne dienst. + +Het spreekt van zelve, dat alleen hij, die als pelgrim naar Constants +reist en inspectie _in loco_ houdt, zich eenigzins kan voorstellen, +hoe het op die Kerkvergadering is toegegaan, en dat niemand dan +de zoodanige een bevoegd beoordeelaar kan wezen van den invloed, +of wilt gij _vis et efficacitas_, dien zij op Kerk en Staat heeft +uitgeoefend. Begrepen alle geleerde _historici_ dat, hoeveel minder +verschil van opinie zou er omtrent deze zaak bestaan! Werd eindelijk +deze stelling in het algemeen toegepast, hoeveel grieven werden er +bespaard! Of bleek het ook ons Hollanders niet, dat het gevoelen +van sommige Duitsche en Fransche geschiedschrijvers, bij voorbeeld +omtrent den moord van Willem I, den heldendood van Van Speyk, en de +stoute daad van Hobein, zoo oneindig van het onze verschilt, omdat +die onkundigen niet in de gelegenheid waren zoo diep in de zaken in +te dringen, als wij, die in onze Museums den waarachtigen hoed en het +waarachtige buis van Balthasar Gerards hebben aanschouwd, en die toen +eerst de daden der dappere zeehelden regt leerden begrijpen, toen wij +het lapje blaauw laken van wijlen Van Speyk's rok en den vlaggedoek +van Hobein in het glazen kastje zagen ten toon gesteld?--Weg dan met +historie zonder oudheden en rariteiten! Hoe zouden wij Nederlanders +ooit zoo verbaasd veel licht hebben doen opgaan over de geschiedenis +van Egypte, indien wij niet zoo vele en zoo aanzienlijke mummies in +ons Leydsch Museum logeerden? + +Het gezigt van het meer van Constants is voor ieder Hollander treffend +en verrassend. Wanneer hij van het hoofd bij de stad, ter linkerzijde +van de kapel, in de vorm van een molen, die op alle plaatjes van +Constants staat afgebeeld, zijn oog laat weiden op de watervlakte en +het lage land, waartegen zij aanspoelt, dan is het hem, als stond hij +aan de haven bij Hillegom, en als zag hij op eens het Haarlemmermeer +voor zich. Maar slechts kort duurt deze begoocheling; want zoodra +hij zich aan de tafel in zijn hôtel heeft neêrgezet, mist hij den +schotel meerbaars, en met niemand der gasten kan hij zijn geliefkoosd +discours aanvangen, hoe mooi en hoe aardig het toch wel wezen zal, +als die groote kom eens geheel en al zal zijn drooggemaakt. + +Ofschoon nu onze reizigers aan de bezigtiging van al deze merkwaardige +kunst- en natuurschoonheden vele aangename en nuttige oogenblikken +te danken hadden, zij schenen er niet genoeg voedsel voor verstand +en hart uit te hebben opgedaan, om er een geheelen dag op te kunnen +teeren. Sommigen hunner merkten ten minste aan, dat zij nog wel +gaarne iets anders zouden zien, dat levendiger indruk bij hen naliet; +anderen vonden, dat de morgens te Constants veel langer duurden dan +elders. En toch, zij deden alles wat in hun vermogen was om zich den +tijd te korten. Zij doorkruisten herhaalde malen in een slenterpas +de geheele stad, namen successivelijk alle huizen op, keken nu en dan +over de balies van de brug in het water, vierden hunnen lust bot, om +zich door geeuwen en gapen te vervrolijken, fixeerde de zon zoolang, +tot zij aan het niezen raakten, en hielden hun horlogies elke tien +minuten aan hun oor, om te onderzoeken of zij ook stilstonden. Doch +toen zij eindelijk al deze genoegens tot overdaad toe gesmaakt hadden, +besloten zij, voor de variatie, in hun logement voor de ramen te gaan +zitten kijken. + +In hoeverre de uitvoering van dit plan aan de vrolijke verwachting, die +men er misschien van had, beantwoordde, durven wij niet bepalen. Veel +afwisseling leverde echter deze uitkijk niet op; want schoon het +logement niet in de afgelegenste wijk der stad gesitueerd was, de +geheele stad Constants is eigenlijk eene afgelegen buurt, en men ziet +er gewoonlijk evenveel menschen op straat, als te Woerden in de uren, +dat daar de diligence niet passeert. Binnen in de gezelschapskamer +was ook niet veel rumoer, maar daar was toch nog iets om de oogen meê +bezig te houden: een lief jong meisje namelijk en een bejaard heer, die +zamen het _dejeuner_ gebruikten. De vrienden hadden juist den tijd en +de gelegenheid om dit paar menschen eens goed op te nemen. Zij wisten +dan ook naderhand allen precies de kleur der oogen en der lokken van +het meisje, en hoe fijn haar mondje, hoe spits haar voetje was. Deze +bijzonderheden hadden zij bij den bejaarden heer minder opgemerkt, +schoon zij daarin overeenkwamen, dat de man een zeer gedistingueerd +voorkomen had, en dat er een waas van melancholie over zijn gelaat +lag. Zij schenen vader en dochter, schoon er in hunne gelaatstrekken +geen enkele van gelijkenis te ontdekken was; maar de teedere blikken, +die hij van tijd tot tijd op het meisje sloeg, en de liefde en eerbied, +waarmede zij hem bejegende, duidde kennelijk eene naauwe betrekking +aan; en schoon ook zij den bejaarden man vele attenties bewees, +die kinderen dikwijls omtrent hunne ouders verzuimen, zij zag er te +vrolijk en hij te verstandig uit, om bij het groote verschil hunner +jaren, aan eene andere liefde dan die van vader en kind te denken. + +Misschien waren er onder de vrienden, die eene nadere kennismaking +dan die der aanschouwers wenschten; maar daaraan viel niet te denken, +althans zoolang de twee vreemdelingen zich zoo uitsluitend met het +_dejeuner_ en met elkander bezig hielden, dat zij geene oogen schenen +te hebben voor iemand, die zich in de zaal bevond. Gemakkelijker +geraakten zij in gesprek met een ander heer, wiens voorkomen juist niet +veel belang inboezemde, ten zij men een zeer rooden en zeer gezwollen +neus en een aantal karbonkels voor interessante verschijnselen op +een menschelijk aangezigt houdt. Deze heer, die waarschijnlijk door +langdurige oefening de faculteit bezat, evenveel flesschen oud bier +in te houden als een Nederlandsch fust nam bij deze affaire tevens +die van kastelein waar, en om deze betrekking vond een der vrienden, +die gaarne eens iemand vreemds wilde toespreken, de vrijmoedigheid +hem te vragen, of er geen nieuws was. + +"Neen, wat wou er voor nieuws wezen," antwoordde Mr. Sorvels vrij +knorrig: "althans geen goed nieuws, maar kwaads genoeg, ten minste voor +mij." En na deze verklaring met een krachtigen vloek geverifieerd te +hebben, liet hij een verbazenden bierstroom met bruisend geweld in +zijn wijdgeopenden mond neêrstorten. + +"Maar je ziet er anders nog al niet uit, om zooveel verdriet te +hebben," zei Veervlug; "'t zal nog al zoo'n vaart niet met je loopen." + +"Ge zoudt wel anders spreken, als je bijgewoond hadt, wat ik daar +straks heb bijgewoond. Het is te verschrikkelijk om het uit te +spreken." + +"Is je land overstroomd, of je schuur verbrand?" vroeg een der +vrienden. + +"Is er een biervat gesprongen, of een brouwsel mislukt?" zei een ander. + +"Is je vrouw ziek, of een kind van je dood?" vroeg een derde. + +"Was het dat maar," riep de kastelein verdrietig uit; "dat zou nog zijn +over te komen. Ik zal het je maar zeggen, maar het is een vervloekte +leelijke historie. Mijn vrouw is van haar achtste kind bevallen." + +"Wel, daar filiciteer ik je meê," zei Pols heel goedig. "Als alles +goed afgeloopen is, is het een groot geluk. Maar wat is het, een +jongen of een meisje?" + +"Wat weet ik het!" riep de dikke heer vertoornd. "Een jongen of een +meisje, het is een doodeter te meer; het is waarachtig of de ellende +hier aan huis niet ophoudt. 't Is er net meê als met de kiespijn. Je +weet wel wanneer het begint, maar niet wanneer het eindigt." + +"Maar kinderen krijgen is toch een groote zegen," merkte een der +heeren zeer wijs aan. + +"Ik wensch je geluk met dien zegen," bromde de bierbuik. "Ik zie +liever, dat mijne koeijen me een keer meer aan kalfsvleesch helpen, +of dat ik den vetten os loot; dat helpt meer in het huishouden. Maar +kijk! hier heb ik er nog een, die zal mij niet doodeten." En hij wees +op een kind, dat voor het raam op de straat in een tafelstoel zat, +en zich de handen op het blad bont en blaauw sloeg. + +"Was dat je jongste?" vroeg een der vrienden. + +"Dat is een klucht!" riep de vader, terwijl hij zijn bierkan weêr eens +in zijn maag leêggoot en daarna in de hoogte zwaaide. "Dat hebben al +meer vreemdelingen gedacht; en het is juist de oudste van allen." + +"Maar het jongetje kan toch nog geen twee jaren oud zijn!" + +"Een jongetje van twee jaar? ha, ha! het is een meisje van +achttien. Maar ge hebt in uw leven zoo'n raar kind niet gezien: +het is sinds haar eerste jaar niet gegroeid en doofstom, en nog +onnoozeler als toen zij geboren werd. En zij kan niets binnen krijgen +dan wat broodwater, dat ze door een pijpje inzuigt; dat is een goedkoop +kostje, ha, ha! Maar ik houd het met mijn Duitsche bier!" En behalve +met een vrij forschen eed, bevestigde hij dit laatste gezegde door +een krachtige manoeuvre met de bierkan. Toen schoof hij het raam open +en tikte het meisje op den schouder. + +"Bu, bu!" kreet het onwijze kind en hapte naar den stok, waarmeê het +was geraakt. + +"Houd je snater, malloot!" riep de vader, "of ik kom je met den stok +op je ligchaam!" + +Het kind, den opgeheven stok ziende, begon te janken als een hond; +maar de vreemde dame, die bij het laatste gedeelte van het gesprek +toegeluisterd had, vloog toe, en terwijl een gloed van toorn haar +schoon gelaat bedekte, hield zij de hand des vaders terug. + +"Ik vraag u excus, schoone dame!" viel de dikke heer lagchend in: +"ik speelde maar met het kind. Ze heeft zoo geen gevoel van tikjes; +ze is zoo weekelijk niet opgebragt, als de rijkeluiskinderen." + +Het schoone meisje sloeg de oogen neder en keerde zich om. Een traan +kwam in haar oog, toen zij den bejaarden heer omhelsde en kuste. "Ook +ik ben achttien jaar, zeide zij, "en ik heb u tot vader." + +Mr. Sorvels ging echter, zonder zich aan zulke _scènes_ te ergeren, +of zich in het minste om zijne gasten te generen, voort met proeven +van zijne ouderliefde en teederheid van gevoel te geven. Zijne stem +werd intusschen heesch en zijn gang moeijelijk. "Ja, ik heb ze allen +onder appèl!" riep hij uit, terwijl hij op zijn duim floot, waarop uit +verschillende deuren vier of vijf zeer morsige kinderen te voorschijn +kwamen en vroegen wat hun papa beliefde. + +"Dat je allemaal weêr heengaat, waar je van daan gekomen zijt," riep de +oude heer, "en die het laatst in de kamer is, sla ik de ribben stuk." + +Als door een tooverwoord verdwenen de kinderen, misschien omdat zij +hun vader als een waarheidlievend man kenden. + +De bejaarde heer was intusschen met zijne dochter naar buiten gegaan, +waar hij liever zijn rijtuig wilde afwachten, dan in het onderhoudend +gezelschap in de zaal.--De vrienden, die ook liever _scènes_ van +anderen aard bijwoonden verzochten den kastelein hun wat rust te laten, +of een ander apartement aan te wijzen. + +"Wat rust?" riep de man, terwijl hij op zijne beenen voortwaggelde. "Ik +sta je niet in den weg, maar ik ben hier in mijn eigen huis, en ik +moet voor mijne kinderen zorgen; weet je dat met je rust? Maar ik zal +heengaan, omdat ik mijn wereld versta, hoort ge? maar als ik blijven +wou, dan bleef ik. Goeden dag!" + +En de man, die op den geboortedag van zijn achtste kind eenige uren +vroeger, dan hij gewoon was, fusthoogte had bereikt, zeilde naar eene +deur aan het eind van het vertrek, die hij achter zich geopend liet, en +daardoor den vrijen inkijk in de kraamkamer aan de vrienden vergunde. + +"Leg je daar met je leelijke marmot?" was de eerste phrase, die hij +zijne beminde wederhelft toevoegde. + +En hierop volgde een discours tusschen de beide echtelingen, dat met +vrij veel levendigheid werd gevoerd. De vrouw begon met haren gemaal +een beest te noemen, waarbij zij een epitheton voegde, dat kennelijk op +den staat van beschonkenheid doelde. De gemaal weêrlegde dit argument +met haar als een lui wijfjesvarken te begroeten, waarop de teedere +echtgenoote eenige gillen slaakte, en iets van besterven sprak, bij +welke gelegenheid zij een teug uit een flacon _kirschwasser_ nam, +dat te Constants een zeer dienstige drank voor jonge kraamvrouwen +schijnt te wezen. Hierop begon de lieve eerstgeborene te schreeuwen, +en de gemaal proponeerde derhalve den telg der huwelijksmin in het +meer te werpen; waarop weder de gemalin sprak van ontaarde vaders +en menschen erger dan de beesten; welk gezegde de dikke heer zich +aantrok, en een stok in de hoogte hield, waarop de jonge moeder een +nieuwe teug _kirschwasser_ nam, en nu de flesch aan haren echtvriend +voorhield, ten einde Z.Ed. de hersenpan in te slaan. Een paar oudere +zoontjes der gelukkige echtelingen, waarschijnlijk meenende dat papa +gefloten had, hingen hem nu aan de beenen, en een dochtertje stond +aan haar moeders bed, en scheen de aandacht op het voorvallende te +willen vestigen, door zeer voorbarig "moord" en zeer ontijdig "brand" +te roepen, terwijl de oudste dochter in de tafelstoel zich de handen +aan bloed sloeg, en harder dan ooit "bu, bu, bu!" riep. Het was een +zeer levendig tooneeltje, doch dat als onopgemerkt passeerde voor de +_kellners_, die daarin niets bijzonders schenen te vinden en intusschen +met groote bedaardheid de tafel begonnen te dekken. + +"Zoo'n _scène_ toont je nu eens aan, hoe veel geluk het huwelijk +oplevert!" riep de Morder, terwijl hem onwillekeurig de drie +vergeefsche aanzoeken, die hij in der tijd tot dat einde gedaan had, +voor den geest kwamen. + + + "Niet steeds is de liefde bestendig van duur, + Hoe snel zij den boezem deed jagen" + + +begon Torteltak te reciteeren. + +"Bier is toch erger dan de cholera," zeide Veervlug. + +"Ik moet eens zien, dat ik dat misverstand doe ophouden," zei Pols, +en met moed stapte hij de kraamkamer binnen. + +Zijne komst had evenwel niet terstond die uitwerking, die hij gewacht +had; want de echtelingen gingen voort elkander zeer onvriendelijke +gezegden toe te voegen; maar toen zij in diervoege elkander hun gemoed +hadden uitgestort, begon de vrouw luid te weenen, en aan Pols te +vragen, of hij ooit zoo'n ongelukkige en mishandelde vrouw gezien had. + +"En zou het wonder wezen, dat ik een ongeluk aan mijzelven +beging?" vroeg de man. + +"En dat nog wel eene kraamvrouw!" snikte zij. + +"En dat nog wel op den dag, dat zij mij eene nieuwe dochter in huis +heeft durven brengen!" riep hij woedend uit. + +Pols vond het evenwel geraden deze vragen der echtelingen niet te +beantwoorden; maar, hetzij dat zijn eigen gevoel, of wel het recit +van Torteltak dit idée bij hem verwekte, hij besloot de ouders door +middel van hun kind te verzoenen. Hij nam derhalve het pas geboren +wichtje uit de wieg, en het in de hoogte houdende, zeide hij op zeer +aandoenlijken toon: "Dit onschuldig wicht smeekt om uw beider liefde." + +Dit gezegde had uitwerking: want de vader riep dadelijk uit: "Smijt +het in het meer, en je zult zien, dat zij haar kind nog niet eens +naspringt." + +"Hang het aan de beenen op," zei de moeder, "en het monster zal het +nog niet eens afsnijden." + +Pols keek even verbaasd op, als de redenaar, die onder het uiten zijner +meest oratorische passage het signaal tot neuzensnuiten en hoesten +ziet geven. "Wat zal ik met u kindje doen?" vroeg hij met onrust. + +"Neem het meê," riep de vrouw: "dan redt gij het van zijn bederf en +van zijn vader." + +"Wel ja, doe dat!" riep de man: "dan zijn wij het met fatsoen kwijt." + +Daar dit evenwel niet in het plan lag van onzen vriend legde hij het +wichtje weêr voorzigtig in zijn wiegje neder, en stapte langzaam en +treurig de kamer uit. + +"Ik geloof niet dat er iets is, dat die menschen tot rust en +eensgezindheid kan brengen," zei hij teleurgesteld tot zijn vrienden. + +Maar hij vergiste zich; want naauwelijks had hij de kraamvrouw +verlaten, toen de man, uitgeput en bedwelmd door zijn krachtige +redeneringen en zijn nog krachtiger bier, op den grond neêrzonk en +in een vasten slaap insliep. + +En toen de vrouw nog een teugje _kirschwasser_ genomen had, daalde +ook de slaap over haar neder, en zij accompagneerde snurkende haar +snurkende gemaal. + +Toen heerschte er rust en eensgezindheid bij de gelukkige echtelingen. + +Het voorgevallene in het hotel maakte slechts kort een onderwerp +van discours uit tusschen de vrienden en den vreemden heer en dame, +met welke zij zich voor de deur vereenigd hadden. + +Toen evenwel het gesprek, dat natuurlijk over Zwitserland, reizen, +aangename ontmoetingen en dergelijke zaken gerouleerd had, een +weinig levendig begon te worden, kwam het reisrijtuig van de twee +vreemdelingen voor, en de vrienden maakten zich gereed om voor altijd +afscheid van hen te nemen. Maar juist toen de dame in de calêche wil +stappen, hoort zij den jongeling, die haar in het rijtuig helpt, +door een zijner vrienden met den naam van Torteltak noemen. Met +vrolijke belangstelling keert zij zich tot hem, en vraagt: "Is u +Mijnheer Torteltak uit Holland?" + +De jongeling beantwoordde deze vraag, die hem verwonderde, toestemmend. + +"En hebt ge te Kleef Ambrosine Korenaar ontmoet?" + +"Ik had het geluk..." zegt de jongeling blozend. + +"Dan weet ik genoeg; dat is heerlijk. He, papa! Is dat niet +toevallig? Die heer is Mijnheer Torteltak, die met Ambrosine Korenaar +geëngageerd is!" + +"Dat is te zeggen...." valt de jongeling in. + +"Nu, nu, geen woord meer," zegt het meisje, hem met hartelijkheid +de hand drukkende. "Wij moeten voort; maar gij gaat immers naar +Straatsburg? Gij kunt ons vinden in het _Hotel de Paris_. + + + + + +HOOFDSTUK XXXI. + + Waarin een heer zeer vrolijk en een ander zeer melancholiek wordt. + + +Nog nooit zoo veel te vroeg was Pols of een zijner vrienden aan +eenige diligence, stoomboot of trekschuit gekomen, als heden het +geval was aan den _eilwagen_, die des namiddags ten vier ure uit +Constants vertrok. Was het daarom, dat zij zoo vergenoegd zagen, +toen de postillon met zijn horen het sein tot vertrekken gaf? of +was het, omdat zij smachtten eene plaats te verlaten, waar zij +niets dan verveling en ergernis hadden ondervonden? Genoeg is het +te melden, dat zij allen, naarmate zij zich van de oude en vervallen +stad verwijderden, in vrolijkheid en opgewondenheid toenamen, en dat +zij, toen in den laten avond in Stokach de diligence een uur van zijn +eentoonig en vermoeijend rollen uitrustte, al het leed hadden vergeten; +dat zij heden hadden gevoeld, en zich zelfs genoegen durfden beloven +van een nog vierentwintig uren lang verblijf, als tusschen hemel en +aarde, boven op de postkoets. + +De tour door het Schwartzwald, dien zij nu, door handelbaarder weder +begunstigd, aflegden, wekte aangename herinneringen bij onze reizigers +op. Indien Pols dus afgetrokken was, hij dacht misschien aan zijne +schoone Ohlsbachsche, en het speet hem zeker, dat de _eilwagen_ +nu zeer weinig notitie nam van de boerenherberg, waar zij zoo goed +waren onthaald geworden, en slechts aan de gewone stations stilhield, +waar men zeer weinig met zeer veel geld moest betalen. De heerlijke +landstreek, die al vruchtbaarder en bloeijender werd, hoe verder zij +voortreisden, hield hen allen in eene zeer opgeruimde stemming, en +zoo sommigen hunner reikhalzend naar Straatsburg uitzagen, het was +heden niet, omdat zij iets tegen de landstreek, of het gezelschap, +waarin zij zich bevonden, hadden in te brengen. Maar Torteltak +brandde van verlangen om het schoone meisje van Constants weêr te +zien; nog voelde hij den lieven druk harer vingeren; nog zag hij +den vriendelijken en vertrouwelijken blik, dien zij hem schonk; +en schoon hij dat alles danken moest aan hare veronderstelling, +dat hij met een ander meisje geëngageerd was, ook dat denkbeeld, +dat men hem bij die schoone reeds zoo ver geavanceerd hield, deed +hem genoeglijk glimlagchen, en bevestigde hem in zijne opinie, dat +hij toch wel _l'enfant chéri des dames_ mogt genoemd worden. Bij Van +Aartheim was het verlangen naar de Fransche grensstad althans niet +minder dan bij zijn vriend, schoon hij volstrekt niet aan drukjes en +blikjes dacht, maar toch in vrolijke hoop leefde, daar zeer aangename +en gewigtige ontdekkingen te doen. + +Twee dingen zijn er, die den reiziger naar Straatsburg reeds in +tijds te kennen geven, dat hij de stad nadert; het eerste is de +domtoren, die van wege zijne hoogte van zeshonderd voet boven al zijne +medetorens uitsteekt; het tweede zijn de veelvuldige tamme ganzen, +die in troepjes van honderd, onder het kommando van een jongsken van +8 of 10 jaren, over de velden patrouilleren, waar zij niet zoozeer +door de vorming van verstand en hart, als wel door die hunner lever, +tot hunne bestemming worden opgeleid. + +Wie kent ze niet, die voortreffelijke producten van Straatsburg, +die meesterstukken uit deszelfs fabrieken? _Paté de foie gras!_ gij +zijt schoon; ja schoon zijt gij en heerlijk om te aanschouwen! Als +van de terrine, waarin gij verscholen ligt, het sierlijke deksel wordt +afgewenteld, en eene dartele hand den sluijer van sneeuwwitten reuzel +wegrukt, dan vertoont zich, met een zedigen blos bedekt, uw liefelijk +aangezigt; dan vervult gij allen, die u omringen niet met strengen +eerbied, maar met warme liefde, met een zoet en nameloos verlangen! Gij +zijt zacht, _foie gras_, als het dons; zacht voor het gevoel en zacht +voor het oog! Het sneeuwwit hermelijn moge schitteren, en zijn glans +moge verhoogd worden door de zwarte vlokken, waarmeê het bestrooid +is; hoeveel liefelijker is uw rooskleurige gloed! hoeveel bevalliger +wordt die verhoogd door uwe vereeniging met den edelen truffel, in het +statig zwart gedost! Maar wat beteekent het u te zien, voor hem die u +kent? Neen, gij verheft u niet op ijdele schoonheid, maar schittert +door innerlijke waarde. Gij stelt de hoop niet te leur van hem, die +verlangend zijnen mond ontsluit! Zacht en malsch als de liefdekus +raakt gij de lippen aan; als een dauwdrop in een bloemkelk voor de +zon, versmelt gij op de tong, die u verwarmt en koestert; en als de +toonen des nachtegaal het oor, zoo streelt uwe geur het gehemelte. + +En toch, daar zijn er die u miskennen, _foie gras_! daar zijn er +die u met smaad en schimp zouden willen beladen. Of heb ik het niet +gehoord, dat men uw uitzigt vergeleek met dat der geestelooze pommade, +uw smaak met dien van walgelijk kaarsvet? Ik ken er, die u niet willen +zien, omdat gij uwe frischheid en uwe mollige rondheid gedeeltelijk +dankt aan den wreeden ganzendans op de gloeijende roosters, schoon +ik diezelfde beestenvriendinnen in kwade luim heb gezien, omdat de +garnalen alweêr niet met koud water waren opgezet, en dus volstrekt +niet hadden begrepen, wat het zegt, _gekookt_ te worden.--Maar wie +u ook beleedigen of zijne verachting toonen moge, blijf niet terug +uit Nederland, edele wezens, in Straatsburg geboren en gewonnen! Gij +vindt er ook hier als elders, wie gij altijd welkom zijt, en die het +zich steeds tot geluk en vreugde zullen rekenen, u eene eereplaats +aan hunnen disch in te ruimen. + +Met deze en dergelijke bespiegelingen kortte Veervlug zich den tijd, +toen hij zichzelven en zijne vrienden moê geredeneerd had. Hij liet +zich niet uit zijne aangename stemming brengen door den vallenden +avond en een opkomenden mist, of door vermoeijenis en vrees, dat men te +laat zou aankomen, om goed te souperen, zoo als zijn vriend De Morder; +evenmin matte hij zich af in wiskundige berekeningen, hoe veel menschen +er zouden omkomen als de toren van Straatsburg eens onverwacht naar +beneden kwam, zoo als zijn vriend Holstaff; maar moeijelijk viel het +hem om vrolijk te blijven, toen de diligence meer dan twee uren voor +de poort der stad moest ophouden, omdat de douanen, om de belangen +der schatkist te bevorderen en hun eigen nieuwsgierigheid te voldoen, +alle koffers en doozen uitpakten, en zelfs onder jassen en mantels +onderzoek deden, wat er al zoo de stad werd ingevoerd. Daar is bijna +geen treuriger reisinconveniënt dan een grenscommies, zonder zelfs +muskieten en ander meer Noordelijk ongedierte uit te zonderen; en +onaangenaam is het er bij, dat men zich eigenlijk billijkerwijze over +dit ongemak niet beklagen kan. Als de wet spreekt, dient de onderdaan +der wet te zwijgen; maar nergens gevoelt men als eerlijk man meer +verdriet, dat er zooveel schurken zijn, als daar, waar men van het +principe uitgaat dat iedereen een schurk is, of tracht te wezen. Ik +geloof dan ook niet dat er iemand sterker aan de algemeene bedorvenheid +van het menschengeslacht kan gelooven, dan zij, die als commiezen +hun leven doorbrengen. Daar zijn intusschen weinig landen in Europa, +waar men zich meer tegen den invoer van verboden zaken wapent en te +weer stelt dan Frankrijk; misschien omdat men de overtuiging bezit, +dat daar reeds genoeg verboden zaken plaats vinden. (Men vergelijke +dit laatste gezegde met den brief van Veervlug aan zijn vriend L, +geschreven te Straatsburg, den 11den Augustus 1837.) + +Een der eerste merkwaardigheden van Straatsburg, die Torteltak +den volgenden morgen wenschte te zien, was de vreemdenlijst in het +_Hôtel de Paris_, omdat hij daaruit hoopte te kunnen ontdekken of +gissen, hoe de naam van het meisje was, dat hem hier verwachtte. Maar +naauwelijks heeft hij de lijst in handen, of daar gaat een licht voor +hem op, en hij noemt zichzelf een domkop, omdat hij vroeger niet op +die gedachte gekomen was. Hij las namelijk den naam Darmold, en het +verhaal van den ouden Heer Korenaar kwam hem in al deszelfs kleuren +voor den geest. "Wel ja!" roept hij uit: "zij zijn het! Wie kan het +ook anders wezen?" + +"Wie?" vroeg Van Aartheim, die naast hem zat. + +"Wel, Darmold en Emma, wie anders?" zegt Torteltak. + +"Hoe, wat?" zegt zijn vriend, van zijn stoel opspringende: "hoe weet +gij het? heb ik ze genoemd? kent gij ze? waar zijn ze?" Dit was het +begin van een serie andere vragen, in éénen adem uitgestort en te +veel om op te noemen. + +"Wat! kent gij die ook al?" vroeg Torteltak. "Heeft zij bij u ook +voor waarzegster gespeeld? Ik kon mij ook al niet begrijpen, dat zij +zijne dochter was." + +"Neen, maar, ik bid u, waar hebt gij dien Mijnheer Darmold +gezien?" vroeg Van Aartheim met drift. + +"Wel te Constants, daar gij hem ook hebt gezien, en waar ge nog een +heel interessant discours over de Koningin Hortense met hem gevoerd +hebt." + +"Wel, dat is vreeselijk! Was hij dat? En was ik dan met blindheid +geslagen? Verbeeld u! ik reis maanden lang, alleen om hem te vinden, +en ik kreeg tijding dat hij te Straatsburg zal komen; en ik zie hem +te Constants en ik verzuim mijn kans." + +"Dan moet ge ze hier beter waarnemen," zeide Torteltak. "_Garçon_! waar +logeert dat gezelschap, dat het laatst is aangekomen?" + +"In Nr. 9 en 10. Ik heb ze juist het _dejeuner_ gebragt." + +"De Hemel zij gedankt!" riep Van Aartheim, en met ongewone drift +sprong hij door de kamer rond. + +"Ge doet het immers niet om dat Emmaatje?" zei Torteltak glimlagchende; +"want, vriend! dan komt ge te laat; maar neen, ge hebt aan ééne +schaakpartij wel genoeg." + +Weinige oogenblikken later werd Van Aartheim bij den Heer Darmold +aangediend, en na eenige preliminairen openbaarde de jongeling +hem, dat hij hoop had om van hem belangrijke inlichtingen te zullen +inwinnen, omtrent zekere schuldbekentenissen van zijn vader, waarbij +de Heer Darmold als getuige moest gediend hebben. De oude heer liet den +jongeling alles uiteenzetten, en gaf hem toen hoop die zaak gemakkelijk +te kunnen schikken, daar de papieren, door den Heer Lurgrave gebruikt, +niet anders dan valsche stukken konden zijn. Hij deelde hem toen in +vele woorden mede, hoe goed hij den ouden Heer Van Aartheim gekend had, +en hoe hij zelf bij zijne komst in Oost-Indië aan dien waardigen man +veel te danken had, en sprak in zulke bewoordingen van Mevrouw Van +Aartheim, dat de jongeling hem met warmte de hand drukte. + +In het midden van dat gesprek bragt een bediende een kaartje binnen, +waarop onze vriend met verbazing den naam Lurgrave vond. De knecht had +in commissie, dat de heer van dien naam terstond Mijnheer Van Aartheim +verlangde te spreken, maar dat hij geen lang uitstel verzocht, omdat +hij niet veel tijd te verliezen had. + +"Hij komt of hij geroepen was!" zegt Darmold. "Verzoek Mijnheer hier +te komen." + +Sir Lurgrave kwam binnen, en zonder zich aan den ouden heer, die +een weinig ter zijde was gegaan, te storen, rigtte hij zich tot den +jongeling, wien hij niet veel met complimenten, informatiën naar +welstand en meer dergelijke zaken lastig viel, maar voegde hem op +zeer hoogen toon toe: "Gij hebt ons contract verbroken, Mijnheer Van +Aartheim, nu weet ook ik, waaraan ik mij te houden heb." + +"Ik heb alleen Miss Cleford voor uwe lagen behoed, Sir Lurgrave! Gij +hebt haar en mij beiden misleid; ik rekende mij geregtigd en verpligt +haar in veiligheid te brengen." + +"Noem mij de plaats, waar gij haar gebragt hebt!" + +"Nooit!" zegt Van Aartheim bedaard, maar met vastheid. + +"Dan haalt gij vloek over u, en ongeluk over uwe moeder!" roept de +Engelschman woedend. + +De jongeling werd bleek, niet van angst, maar van toorn. + +"Zoo spoedig niet, Sir Lurgrave!" zegt Darmold, zich omkeerende en +hem strak aanziende: "ik kan u zulke maatregelen, evenzeer als zulke +gezegden, ontraden." + +Lurgrave ziet den vreemdeling aan, en heeft een brutaal antwoord voor +hem klaar; maar toch eene zekere onrust overmeestert hem; misschien +sprak zijn geweten, misschien een duister voorgevoel. Maar in het +eind verzamelt hij al zijn moed en zegt: "Wie zijt gij, Mijnheer, +die zulken toon tot mij durft voeren, en die u met zaken inlaat, +die u niet aangaan?" + +"Gij zoudt echter wel wenschen dat zekere handteekening mij wat meer +aanging. Herkent gij mij niet, Lurgrave? Mijn naam is Darmold." + +De Engelschman staat alsof hij door den donder getroffen is, en alsof +de schrik al zijne leden verlamd heeft. Zijne oogen zijn onbewegelijk +gevestigd op den man, die hem dus heeft toegesproken. Maar op eens +springt hij op en terwijl hij een papier te voorschijn haalt en +in stukken scheurt, roept hij uit: "In uwe magt ben ik niet; de +bewijsstukken tegen mij zijn vernietigd." + +"Maar nog niet in zekere zaak van een voogd, die zich van het vermogen +zijner pupillen op een onwettige wijze heeft meester gemaakt." + +"Gij zijt een vreeselijk mensch, Mijnheer Darmold!" + +"Dat kan er naar wezen, als het noodig is," zegt de ander koel. + +"Kan ik u een oogenblik alleen spreken, Mijnheer?" zegt Lurgrave, +terwijl hij zijn partij angstig aanziet. + +"Mijnheer Van Aartheim is hier niet te veel; want de zaak gaat ook +hem aan. Naar ik hoor, is hij de minnaar van _Miss_ Cleford." + +"Maar hij krijgt haar nooit. Gaat nu beiden u gang en brengt mij op +'t schavot." + +En ijlings vliegt hij de kamer uit en in de postchais, die hem voor +de deur wacht. + +"Hoe zal ik u ooit genoeg dankbaar zijn, mijn goede, lieve Mijnheer +Darmold!" roept Van Aartheim uit. + +"Gij hebt zoo heel veel verpligting niet aan mij," zegt de oude heer; +"maar ik wenschte dat ik meer voor u had kunnen doen. Want het zal +nog heel wat moeite in hebben, de zaak met _Miss_ Cleford in orde te +brengen; want hij is listig en slecht." + +"Maar mijne lieve moeder is gered," riep Van Aartheim. "De Hemel +zij gedankt!" + +Kalmer dan het bovenstaande gesprek liep dat tusschen Torteltak en +Emma aan de publieke tafel af. Want na hem eerst wat geplaagd te +hebben, deelde het meisje hem mede, dat zij uit een brief van Mevrouw +Korenaar vernomen had, dat zekere Mijnheer Torteltak, een heel lief +jongmensch (dit zeggende keek Emma rijkelijk spottend genoeg, naar +der jongelings zin), te Kleef al zeer lief met Ambrosine was geweest, +en dat hij werkelijk al _acces_ gevraagd en dat dan ook verkregen had. + +"Ik wist waarlijk niet, dat ik al zoo ver gegaan was," zegt Torteltak +verbaasd in zichzelven. "Mama Korenaar schijnt niet voor uitstel te +wezen." Maar daar hij heel gaarne op den voet van intimiteit met de +lieve Emma wilde blijven, hield hij al zijne aanmerkingen binnen, +en bepaalde zich tot het maken van zoo veel lieve complimentjes, die +ook weer zoo aardig beantwoord werden, als beide deze zaken aan eene +publieke tafel en tusschen menschen, die elkaêr voor de tweedemaal +ontmoeten, kunnen geschieden. + + + + + +HOOFDSTUK XXXII. + + Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor de Nederlanders + in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het bijzonder. + + + "'t Neêrland, Neêrland is 't, dat in de rei der volken + 't Gelauwerd hoofd verheft door 't dundoek van de wolken, + En tot Europa roept: "Het licht dat u bestraalt, + De kunstrei die u volgt, is van mij afgedaald. + De lievling der Natuur zag op mijn' grond het leven! + Ik kweekte uw' Koster op! 'k heb hem aan de aard' gegeven." + + +Met deze regelen heeft de Heer J. F. Helmers, die te Amsterdam, +bij andere zaken, ook de dichtkunst waarnam anno 1804 de questie +uitgemaakt, waar en door wien de Drukkunst werd uitgevonden. Hij laat +het evenwel hierbij niet blijven; want nadat hij Haarlem verzocht +heeft te juichen, + + + "Juich, Haarlem, die hem 't eerst' mogt in uw' arm ontvangen! + Hem als een' zuigeling zaagt aan uw' boezem hangen!" + + +gaat hij over tot de mededeeling der mirakelen, die bij de geboorte +van den kleinen Koster plaats grepen; hoe de Natuur hem met een lach +begroette, en hoe het Spaarne, meer trotsch, de kruin opstak; hoe ook +de zwanen met opgestoken hals terstond driemaal de stad rondzwommen, +slaande met de vlerken en schaterende van vreugd; en hoe de bladen in +den Haarlemmerhout puur van wellust begonnen te fluiten en te gorgelen; +en hoe de Lente op zulk eene gelegenheid gewacht had om te komen; en + + + "Nooit steeg de Zonnegod met zulk een' gloed ten wagen, + En de uren, om zijn kar in 't bloemgareel geslagen, + Verspreidden als een' vloed van rozen in den wind, + En bloemen regenden op 't wiegje van het kind." + + +Hij maakt echter geen gewag van den klopper voor de deur, die zeker +ook wel opmerkelijk fraai zal zijn geweest. Te bejammeren is het, dat +hij van de verbazing der goede Haarlemmers, en in het bijzonder van +de oudelui Koster over al dat spectakel, geene andere melding maakt, +dan in de woorden: + + + "En nieuwe levenskracht vloog door elks aadren om." + + +Door een zamenloop van omstandigheden waren evenwel deze regelen in den +jare 1837 nog niet te Maints bekend, en in deze gelukkige onwetendheid +hebben onze Duitsche naburen met opgewondenheid het Gutenbergsfeest +gevierd. 't Is nu maar te hoopen, daar de zaak toch niet meer te +verhelpen is, dat de gedichten van Helmers nooit in het Duitsch worden +vertaald; want de inwoners van _Moguntinum_ zouden zeker dood confuus +worden, en te laat doen, wat Vondel nog in tijds van hen eischte: + + + "De Keurstadt kloppe op haer mont, + Als Haerlem spreekt: de fiere Rijn + Geef d'eere aan 't Sparen, met dien schijn + Van Recht, en zwijgh van Vuist, den zetter, + En Gutenberghs geroofde letter." + + +Maar wat hier ook van zij, in den vroegen morgen van den 15den +Augustus deden vijf Hollandsche jongelingen hun intrede in het "_Stolze +Maintz, von Rom gegründet_," en kwamen dus juist in tijds om te zien, +hoe de Duitschers Laurens Janszoon Koster van Haarlem miskennen en +verguizen. Het was wel hard, voor menschen, wie Neêrlandsch bloed +door d'adren vloeide, van dit schandelijk feit getuigen te zijn; maar +sommigen hunner kwam het nog harder voor, de stad, die er in haar +feestelijken dos regt sierlijk en vrolijk uitzag, zoo maar terstond +weêr te verlaten. Daarom besloten zij het doel der feestviering uit de +gedachten te zetten, iets dat eigenlijk altijd bij zulke gelegenheden +twee derde der zaamgevloeide menigte doet, en zoo veel moois te zien, +en zooveel plaisir te hebben, als zij maar grijpen en vangen konden. En +hiertoe werden zij al dadelijk in de gelegenheid gesteld; want zij +hadden het genoegen, met pak en zak beladen, de gansche stad Maintz +in alle rigtingen te doorkruisen, en aan alle logementen te vernemen, +dat er zelfs voor geen muis meer plaats was, iets dat iedereen die uit +de algemeene menschenliefde die tot kasteleins niet uitsluit, om den +wil van dezen hartelijk aangenaam moet wezen. Het deed intusschen den +vrienden wel leed, dat ook zij niet in de gelegenheid werden gesteld om +de _gastgebers_ voordeel te verschaffen, door etende en slapende geld +te verteren; maar men had maar een blik op al de logementen te slaan, +om te zien, dat zij van de vliering tot den kelder waren gevuld. In +het eind arriveerden zij aan een hôtel veertienden rang. Hier waren +zij gelukkiger; want de heer des huizes had nog juist gelegenheid om +vijf personen te logeren op twee stoelen met kussens en drie dito met +matten, in een soort van afgeschoten salon, of eigenlijk eene _suite_ +van de keuken. + +Hoewel nu zulk een apartement en zulke slaapplaatsen in gewone +omstandigheden niet bijzonder naar den zin van reizigers zijn, in +zulk een tijd is zoo iets nog eene verhooging van het genoegen: voor +sommigen, die zich om die reden verpligt gevoelen den ganschen dag +door te slenteren, en ook den nacht tot dag te maken; voor anderen, +omdat zij naderhand, bij de opsomming van de genoegens, die zij +gesmaakt hebben, ook zonder zich aan liegen te bezondigen, kunnen +vertellen dat zij zich armelijk moesten behelpen, of in geen twee +dagen een knie hebben gebogen. Voor onze vrienden had de situatie +van dat apartementje, dat aan de andere zijde in het bureau uitkwam +waar de juffrouw de notaas bijhield, dit nut, dat zij er een weinig +door ingewijd werden in de logementsgeheimen. Zoo kwamen zij er +in een half uur, dat zij met kleeden doorbragten, achter, hoe het +toch komt, dat nooit iets, zelfs niet de geringste kleinigheid, +op een nota vergeten is, daar de juffrouw, niet regt verstaande, +of de koffij en het brood, dat naar boven gebragt werd, voor Nr. 8 +of 18 was, dezen post op beide rekeningen boekte. Te gelijk leerden +zij doorgronden, waarom de knechts zoo dikwijls denken, dat er op eene +andere kamer dan de uwe gescheld was, en dus niet komen voordat gij de +manoeuvre een dozijnmalen herhaald hebt; want toen de schel van Nr. 4 +herhaalde malen vervaarlijk klingelde, vergenoegde zich de _kellner_, +wien deze schel aanging, met zoo lang te zeggen "wacht je beurt af," +tot hij op zijn gemak zijn _dejeuner_ had gebruikt. + +Maar daar de vrienden niet bepaaldelijk te Maintz waren gekomen om +zich met dit gewigtig onderwerp bezig te houden, haastten zij zich +hun hôtel te verlaten, om in tijds op de _Liebfrauplatze_ te wezen, +waar de onthulling van het Gutenbergs monument zou plaats hebben; +zij hadden het geluk eene uitmuntende staanplaats te verkrijgen, waar +de trein, uit den Domkerk komende, hen moest passeren, en tevens door +een paar uren wachtens hunne verwachting behoorlijk te spannen. Daar +klinken op eens hoornen en trompetten; zij komen; daar is reeds +de voorwacht, een aantal jolende knapen en deftig voortstappende +kerels, met vuile buizen aan het lijf, en dito handen in den zak. Met +uitgerekte halzen zien onze vrienden den optogt te gemoet; maar juist +in dien oogenblik komen de kurassiers om plaats te maken en rust te +bewaren, en deze heeren beginnen zulke vreemde manoeuvres met paarden +en sabels tegen al de belangstellende vreemdelingen, dat iedereen een +goed heenkomen zoekt. Pols en de zijnen bleven echter zeer vooraan, +en hadden dus het genoegen, toen de trein passeerde en de kurassiers +zich in linie van bataille schaarde, in zeer naauwe aanraking met +verscheiden regimentspaarden te komen en een rij blinkende kurassen +te aanschouwen. Dit was echter alles; zij zagen niets van den +_Burgemeister und der Gemeinderath_, van _die Polizei-Commissäre +und die Mitglieder des Literatuur-Vereins und der naturforschende +Gesellschaft_, geen enkele der _Buchdrucker_, _Schriftgiesser_, +_Buchhändler_, en niet een der vele dozijnen Duitsche Vorsten, die +allen in rokken, glinsterend door de nieuwheid van het laken of den +rijkdom van het verguldsel, voor de kurassiers heentrokken. + +Wij zouden intusschen niet gaarne beweren, dat de teleurstelling onzer +vrienden, die niets van den optogt gezien hadden, grooter was dan die +der andere vreemdelingen, die het wel gezien hadden. Gewoonlijk toch +valt zoo iets, waarvan een wijdloopig programma reeds dagen bekend +is geweest, voor iemand, die zich goude galons en purper fluweel en +veelkleurig laken, ook zonder het te zien, kan voorstellen, niet +erg in de hand. Maar zeker is het, dat zij nu bewaard bleven voor +het uiten van opinies omtrent de uitstekende schoonheid van dezen of +genen rok, over het vreemde fatsoen der mutsjes, die de letterzetters +op hun hoofd hadden, over de vriendelijkheid, waarmeê de burgemeester +groette, en over meer dergelijke belangrijke zaken, waarmede men zich +op de afgehuurde kamers, nadat de trein gepasseerd was, bezig hield. + +Maar toen nu al deze deftige personaadjes hunne eergestoelten hadden +ingenomen, en het ook Pols en zijnen vrienden gelukt was, op de trappen +der tribune plaats te krijgen, en de muziek ophield, nam de President +der _Gutenbergs-Commission_ de _Rednerbühne_ in, en bragt eene groote +rol papier te voorschijn, aan alle zijden volgeschreven, tot wanhoop +van al die het zagen, en die het meenden te moeten aanhooren. Maar die +wanhoop was te voorbarig; want de redenaar was niet wreed genoeg om zoo +veel van hunne aandacht te vergen. Hij sprak zoo zacht, dat slechts +drie à vier menschen, wier ooren bijna in aanraking met zijn mond +kwamen, door zijne verhandeling slaperig werden; terwijl het al den +anderen aanschouwers vrijstond, door welke middelen zij zelve verkozen, +tot dien toestand te geraken. In minder dan twee uren sprak hij zijne +geheele verhandeling uit, waarin hij het volgende had trachten aan te +toonen: "_Die Kunst, welche den Griechen und Römern verborgen blieb, +brachte eines Deutschen erfinderischer Geist an das Licht, und alles, +was die Alten und Neuen erdacht haben und wissen, haben sie jetzt +nicht mehr für sich, sondern für alle Völker erdacht_;" en toen hij +dit bewezen had, boog hij, en het publiek applaudiseerde van vreugd, +omdat het begreep wat die buiging beduidde, en de trompetten begonnen +te schallen, en door het verbranden van het chemisch geprepareerd +doek werd het Monument onthult, en allen die zamengevloeid waren +om het te aanschouwen, begonnen te juichen, met uitzondering van +drie individus, die door het verbazend gedrang onder den voet waren +geraakt en vertrapt, en voor wie het dus jammer was, dat zij niet +tot den volgenden dag gewacht hadden, om het beeld te gaan zien, +dat waarschijnlijk vooreerst niet zou wegloopen, omdat zij het nu +zeker nooit zouden zien. + +Toen nu deze plegtigheid zoo schoon en aandoenlijk was afgeloopen, +en ook onze vrienden nog een geruimen tijd het heerlijk monument voor +Gutenberg hadden aangegaapt, en Pols bij die gelegenheid gevraagd +had, of het standbeeld in den Haarlemmerhout ook niet van Thorwaldsen +was, begreep men elders fortuin te moeten zoeken. Dit fortuin zoeken +beteekent eigenlijk op zulke feestdagen niets anders, dan al de uren, +die niet aan openbare vermakelijkheden gewijd zijn, met flaneren +doorbrengen, en zich door den prikkel van sterken drank in een +betamelijk opgewonden stemming houden. Bij zulke gelegenheden merkt +men eerst regt op, hoe nuttige inrigtingen koffiehuizen zijn, en hoe +zeer men ze onregt doet, door ze niet bij de het een of ander schoons +en edels bedoelende Gestichten of Maatschappijen op te sommen. Want +waar wordt de vermoeide vreemdeling vriendelijker opgenomen? waar +stelt men sterker en geestrijker maatregelen in het werk, om hem van +geestdrift te doen gloeijen? waar hoort men ooit in opgewondener taal +vaderlands- en vorstenliefde, en warm medegevoel voor al wat schoon en +edel is, uiten? Als u dan de oogen schemeren, feestvierders, van al de +vlaggen, die uit de huizen wapperen,--als uw mond lusteloos toevalt, +van het aangapen van al de pracht en weelde,--als u de knieën knikken +van de vermoeienis, die gij staande en loopende hebt opgedaan,--naar +de koffiehuizen dan, naar de koffiehuizen! Ziet gij dien stoet daar +uit de deur komen? Zij waren even uitgeput als gij thans; en welk +een gloed is nu in hunne oogen! tot hoe vrolijk gejuich openen zich +hunne lippen! hoe luchtig en sierlijk zwaaien zij u voorbij! Naar +binnen dan, feestelingen! één glas, één bokaal, één toast, en gij +zijt hun gelijk, en uwe insluimerende belangstelling voor het feest, +tot welks viering gij u hier onder de vele duizende vreemdelingen +hebt geschaard, zal weêr ontwaken. + +Dank zij deze maatregelen van voorzigtigheid, kwam 's avonds het +gezelschap van Polsbroekerwoud, zeer luchtig en vrolijk gestemd, +voor de deur van het Maintzer Theater, en offerde met de grootste +bereidwilligheid een aanzienlijk aantal _Thalers_, om door vele +kelen den lof van Gutenberg te hooren uitgalmen. Het was nog aan een +bijzonder geluk te danken, dat zij werden binnengelaten, want reeds +dagen te voren waren natuurlijk alle kaartjes opgekocht; maar daar +men nu eerst vernomen had, dat er zestien Duitsche Vorsten minder +zouden komen dan men gewacht had, werd een der voor hen bestemde +loges aan de vrienden afgestaan, die daar nu op eene waardige wijze +de Hollandsche Natie konden representeren. + +Weldra kwam het gewigtig moment. Tweehonderd heeren in 't zwart +en tweehonderd dames in 't wit, met vierhonderd paar witte glacé +handschoenen en vierhonderd bleeke gezigten, namen hunne plaats op het +tooneel in. Op de voorste rij zetten zich vier andere heeren en ééne +dame, in 't zelfde kostuum als de vorigen, doch met een extra strik van +lichtblaauw versierd, en iets meer pommade in 't haar dan de anderen, +waaruit bleek, dat zij Adolph von Nassau, Gutenberg, _Der Kläger im +Erzbischöflichen Gericht_ en Maria Faust's _Tochter_ voorstelden. De +Orchestmeester had intusschen al zijnen onderhoorigen de noodige +wenken gegeven; de instrumenten waren gestemd; met het tooverstokje +werd op den lessenaar getikt, de arm in de hoogte gezwaaid, en in +een oogenblik zwollen al de wangen der blazers op, al de armen der +strijkers bewogen zich naar denzelfden kant. Het voorspel is geëindigd: +Gutenberg staat uit zijn fauteuil op, manoeuvreert eenige oogenblikken +met een schitterende _foulard_ en op eens begint hij te zingen: + + + "_O lichte Mainz_," enz. + + +en toen hij zesmaal zijn coupletje herhaald heeft, staan al de heeren +op, en daverend klinkt het door de zaal: + + + "_O Stolze Mainz_," enz. + + +maar naauwelijks hebben die heeren hunne vier regels uit, of Gutenberg +begint weêr van voren af aan: + + + "_O lichte Mainz_," + + +en eer hij nog een halven regel ver is, vallen de anderen weêr in: + + + "_O Stolze Mainz_," + + +en zonder dat een der partijen het opgaf, zongen zij nu ieder om het +hardst, totdat zij dood af waren, en weêr op hunne stoelen gingen +zitten, waarop het publiek luid begon te juichen, en zeide dat de +woorden en de muziek beiden heerlijk mooi waren. + +Maar naauwelijks gezeten, staan zij weêr op, en al de heeren zingen +vragenderwijze: + + + "Klang hier nicht noch eine Stimme? + Steht nicht jemand dort im Dunkel?" + + +waarop Faust begrijpt zich met het geval te moeten bemoeien, en ook +opstaande, zingt: + + + "Halt! Wer bist du? Nenne dich!" + + +En nu staat ook Gutenberg weêr op, en galmt uit! + + + "Gutenberg--Du kennst mich, Faust!" + + +waarop deze beide heeren aan het redeneren raken, en elkander herhaalde +malen dezelfde tweeregelige vragen en antwoorden toevoegen, totdat +ook de dame met den blaauwen strik er bijkomt, en voor de variatie +een aria zingt. + +De eerste afdeeling liep ten einde. Het geraas en geweld nam steeds +toe, en ook onze vrienden waren reeds half doof, toen Pols, die +intusschen zijne oogen over het schoone publiek had laten weiden, +op eens een gil geeft, en zijn buurman in den arm knijpt. Het eerste +werd gelukkig niet opgemerkt; want juist bulderde het koor met +vreeselijke kracht: + + + "Du taufst das Kind im Traume; + Du taufest das Metall." + + +Maar het laatste, dat ongelukkig een stalmeester van een regerend +Vorst getroffen had, werd met een zeer barsch gezigt achtervolgd en +met de vraag: "Wat beteekent dat?" + +"Ik vraagje excus, Mijnheer!" zegt Pols, "maar ik zag een neef en +nichten van mij zitten." + +"Als je dan nog meer familie ziet, verzoek ik je aan den anderen kant +te knijpen." + +En Pols maakte bij zichzelven de opmerking, dat die heer heel +kwalijknemend was en zeker weinig familiezwak had; maar toen nu +eindelijk "_das Kind im Traume getaufet was_," en er een moment van +stilte volgde, nam Pols deze gelegenheid waar, om zijn bovenlijf +over de balie der loge te buigen, en te kugchen en te hemmen, om de +aandacht te trekken van de familie Blumengarten, die schuins tegenover +hem in een andere loge zat; en toen dit nog niet gelukte, haalde hij +zijn geruiten zakdoek voor den dag en begon te wuiven, en te gelijk +rond te zien, waarover het publiek toch zoo lachte. Maar zijn vondst +had effect: de familie Blumengarten knikte neef toe, en nicht wenkte +zelfs, dat hij bij hen moest komen, waarop Pols eenige kamerheeren +en kamerdienaren bijna omverliep en de corridor doorsnelde, om zijne +familie op te zoeken. Van de _scène_ der ontmoeting werd evenwel +de aandacht van het publiek afgetrokken, omdat de tweede afdeeling +begonnen was, en de heeren met nieuwen moed aanhieven: + + + "Du taufst das Kind im Traume; + Du taufest das Metall; + An deines Mantels Saume + Liegt friedenreich das All." + + +Het ware voor Pols en zijne familie te wenschen geweest, dat zij +elkander wat later in den avond ontmoet hadden; want zij kregen het +zoo druk met praten, dat de heerlijkste stukken van het Oratorium +voor hen verloren gingen, en onze vriend was zoo oplettend voor zijne +jonge nicht, dat hij geene oogen had voor de tweehonderd zangeressen, +die onder aanvoering van Maria ook zeer aan het galmen raakten. Hij +begreep niets van het discours tusschen den _Kurfürst_ en den _Kläger_, +dat toch ook heel mooi was. Hij merkte naauwelijks of er _Ariosos_ +of _Chöre_ werden uitgevoerd; en eerst toen al de heeren en dames op +het tooneel opstonden, en hunne laatste krachten inspanden, voor het + + + "Dreimal gesegnete + Stimmen der Scheidenden, + Stimmen der Bleibenden + Preisen dich laut, du gewallige Mainz!" + + +en toen daarna een applaudissement volgde, zoo luid, dat een aardbeving +hare inferioriteit zou hebben moeten toegeven, begreep hij, dat het +einde dáár was van een zeer aangenaam doorgebragten avond. + +De familie Blumengarten en Polsbroekerwoud schenen elkander goed +bevallen te zijn; althans den volgenden dag haalde onze vriend zijne +bloedverwanten af, om de volksfeesten bij te wonen. Dit soort van +amusement viel geheel in den smaak dier goede menschen; zij lachten +zich dood, terwijl de Mainzers van de smalle gemeente allerlei +vergeefsche sprongen maakten, om den hangende aal te vangen; zij +juichten van plaisir bij het _Schifferstechen_, en gilden het uit van +pret bij den _Entenfang_. Hiertoe droeg bij, dat de oude heer volstrekt +niet hield van op een droogje te zitten, en dus verscheiden flesschen +goeden wijn liet ontkurken. Pols glom van genoegen, en verklaarde, +zijne jonge nicht helder aanziende, dat hij wel alle dagen zulke +feesten zou willen vieren; waardoor hij toonde volstrekt niet meer +boos te zijn, dat Maintz zich een regt aanmatigde het welke deze stad +in het geheel niet toekwam. + +Het gevolg van dit alles was, dat toen Pols gearmd met zijn jonge +nichtje, de _allgemeine Illumination_ in de stad en op de rivier +bezigtigde, na zeer vele belangrijke aanmerkingen gemaakt te hebben +over schoone sterren, door groene en gele en roode en blaauwe lampions +verlicht, en over het sierlijke van latten met glaasjes om een +geheel raam, en over licht in zulke vierkante, poort- en kolomvormige +gedaanten, als alleen de kunst kan voortbrengen, geheel uitgepraat, +misschien alleen om het discours op een anderen boog te wenden, +begon te zeggen: + +"Lieve nicht Caroline, ik ben niet heel jong meer." + +"Dat is waar, neef!" antwoordde Caroline. + +"En ook niet schoon." + +De nicht zei niets, maar knikte toestemmend. + +"Ik ben niet rijk." + +"Zoo!" zei Caroline. + +"Maar ik heb toch een aardig stuivertje geld." + +"Dat is altijd een groot geluk!" merkte nicht aan. + +"En ik wou, dat gij met mij deeldet." + +"Maar, neef! hoe kom je nu zoo? ik heb immers volstrekt geen geld +noodig." + +"Je begrijpt me niet, lieve nicht!" zei Pols: "ik wou nog meer. Ik +heb wel eens gedacht, om te trouwen!" + +"Wel dat is goed!" zei Caroline, schoon toch eenigzins bevende, +misschien door eene verwonderlijk sterke _Devinationsgabe_ begrijpende, +waar het heen wilde. En toen voegde zij er bij: "Daar zijn vast in +Holland meisjes genoeg." + +"Ja," zei Pols, "maar geen een zoo lief als jij!" + +"Heere, neef! wat praat je rare dingen!" + +"Ja, maar, lieve nicht! ik moet het je nu maar zeggen. Ik ben sinds +gisteren avond zoo raar, en al sedert verleden maand, toen ik je voor +het eerst zag. Je zoudt me een groot plaisir doen, als gij met mij +trouwen wildet." + +"Maar neef Joachim! ik ken u nog zoo weinig." + +"Ach! noem mij niet meer neef, maar alleen Jochem; en als ge met mij +trouwt, zult gij me wel beter leeren kennen." + +Toen zei het meisje een heel langen tijd geen woord, maar keek voor +zich op den grond, en Pols begreep, dat hij nu een voetval zou moeten +doen, maar het was zoo schrikkelijk vol op de straten, dat hij er geen +plaats toe vond. In het eind, toen Pols haar zoo in de hand kneep, +dat zij er misschien pijn van kreeg, zei het meisje: + +"Maar, neef! spreek er dan eens met papa en mama over." + +Toen zei Pols verrukt: "O mijne geliefde! noem mij dan maar eens bij +mijn naam." + +En het meisje zeide, hoog blozende: "Jochem!" Maar juist toen onze +vriend haar in verrukking de hand wilde kussen, kwam er een voetzoeker, +door een jong en dartel Maintzenaartje afgestoken, tusschen zijn mond +en haar hand, en Pols riep uit: "Dat is verduiveld onaangenaam!" en +het meisje: "Foei! is dat schrikken!" + +De jongeling bragt zijn meisje zeer zedig naar haar logement, en toen +hij afscheid van haar had genomen, verzocht hij de oude lieden nog +een woordje, en legde zijn belangen bloot. Neef en nicht vonden de +propositie zeer vereerend; maar daar zij zich verpligt gevoelden, +eerst de noodige informatiën te nemen, beloofden zij, zoo spoedig +zulks geschieden kon, hun antwoord schriftelijk te zullen meêdeelen. + +En toen Pols bij zijne vrienden terugkwam, deelde hij hun mede, dat +zijne nicht Caroline een engel was, en hij hoopte hun spoedig nog iets +te zullen meêdeelen, maar wat dat was, zouden zij nooit kunnen raden. + + + + + +HOOFDSTUK XXXIII. + + Hetwelk misschien voor sommige lezers zal ophelderen, wat het + titelvignet voorstelt. + + +Daar zijn weinig zintuigen, die den menschen over het algemeen meer +geld kosten, dan de smaak. Het ligt toch in de menschelijke natuur, +om ze allen ten behoorlijken, en soms ook ten onbehoorlijken tijde in +gelegenheid te stellen, om gestreeld te worden. Nu kan men de overige +zintuigen nog al eens gratis het een of ander genoegen verschaffen. Het +gezigt, bij voorbeeld, verlustigt zich kosteloos in een schoon +landschap, op eene gepaste wijze door de zon verlicht, of, zoo dit niet +in zijn _genre_ valt, in den windwijzer op de nieuwe Willemspoort te +Amsterdam en de klok, waarvan de plaat, voor de variatie, in plaats +van den wijzer ronddraait. Het gehoor wordt even kosteloos gestreeld, +als de nachtegaal zijne minneliederen kweelt, of als de Secretaris van +de pui van het stadhuis afleest. De genietingen des reuks in de geuren, +die de bloemen des velds of de grachten (burgwallen) der hoofdstad +uitwasemen, behoeven nooit te worden betaald, evenmin als die van +het gevoel, bij de aanraking van een paar malsche lipjes (ieder heeft +toch wel één paar in zijne familie), of van stuifzand, dat zich van +den straatweg in het menschelijk oog verplaatst. Maar nu de smaak! Ik +bid u, welke amusement kunt gij dit zintuig verschaffen, waarbij niet +te gelijk uwe beurs in het spel komt? Een dikke, vochtige mist is +misschien het eenige, dat zich tot dit doel geheel belangeloos bij u +aanmeldt, daar hij aan den smaak van stervelingen die gewaarwordingen +meêdeelt, welke buiten hem slechts Soester knolletjes vermogen op +te wekken. Maar ook dit genoegen is slechts weggelegd voor weinigen, +die de daartoe vereischte gelukkige en beminnelijke habitude hebben +van altijd met een open mond te wandelen; ieder ander is genoodzaakt +dagelijks van zijn rijkdom of zijne armoede ten offer te brengen, om +niet door de blijken van ontevredenheid zijns smaaks te worden gekweld. + +Meestal is het de overtuiging en ondervinding hiervan, die velen zoo +hevig doet ijveren tegen de genietingen, die men den smaak bereidt, +en laag doet neêrzien op dezulken, die daarvoor nu en dan nog wel +eens wat over hebben, terwijl dezelfde menschen veel verdraagzamer +zijn omtrent de amusementen der overige zintuigen. Het denkbeeld +"het genot is kort, en ieder voorwerp kan slechts eenmaal dat genot +verschaffen" doet gewoonlijk dien ijver ontbranden en die minachting +geboren worden. Bij de minsten dezer berispers komt het ooit op, dat +deze genietingen de meest dierlijke, ja soms niets dan dierlijk zijn. + +Zonder zich echter in eenig opzigt met deze of dergelijke +bespiegelingen in te laten, bestelden Polsbroekerwoud en zijne +vrienden, op den top van den Johannisberg gekomen, eene flesch +goudlak, en zonder zich aan den onmatig hoogen prijs van deze +genieting te ergeren, savoureerden zij den eêlsten en beroemdsten +van alle Rijnsche wijnen. Het spreekt dan ook van zelve, dat zij +met zekeren eerbied de gevulde glazen opnamen, en deze op de reis +naar den mond een kleinen omweg lieten maken langs den neus, die van +het _bouquet_ genieten moest, en dat toen reeds de vrienden elkander +veelbeteekenend toeknikten; ook dat toen de eerste teug in aanraking +kwam met het verhemelte, eene soort van verrukking allen aangreep, +zoo als ieder, die den duren kabinetswijn proeft en betaalt, gevoelt, +of zich althans verpligt rekent te gevoelen. Het is opmerkelijk, dat +eene flesch van dezen wijn, die toch waarlijk zooveel krachtiger niet +is dan andere fijne Rijnwijnen, in staat is om een geheel gezelschap +tot een hoogen trap van verheuging op te voeren, en dat reizigers, +die voor een paar flesschen Bourgogne niet staan, na het gebruik van +twee glazen Schloss-Johannisberger-kabinet-goudlak, wel weergaas goed +gevoelden, dat zij wat gedronken hadden. Te meer nog verdient het de +aandacht, dat de keldermeester als er wat veel bezoekers van den berg +zijn, zich vaak genoodzaakt ziet een zeer gewonen ligten Rijnwijn +in die goudlakflesschen op te disschen, en dat de verrukking en het +bedwelmend effect altijd dezelfde blijven. + +Wat hier ook van zij, onze vrienden geraakten bij het gebruik van +twee flesschen in eene vrolijk opgewonden stemming, zoo zelfs, dat +Pols het meisje, dat licht voor de sigaren bragt, tweemaal vriendelijk +toeknikte, en daarna zachtjes onder de kin streelde, waarop Torteltak +aanmerkte, dat zijn vriend aanmerkelijke vorderingen had gemaakt in +de kunst van minnekozen. + +"Ik hoop er wel spoedig in volleerd te worden," dacht Pols; doch +hij zeide het niet, want zoolang de zaak van zijn engagement nog +niet gedecideerd was, had hij besloten het diepste stilzwijgen te +bewaren. Maar hij zag er geen gevaar in, zichzelven op te wiegen in +vrolijke verwachtingen en hoop op geluk, als hij met zijne Caroline +in den Oppert zou wonen, en hij haar gedurig zou verrassen, door +wekelijks het houtvlotje van nieuwe bloemen te voorzien, en door zelf +beste springlevende visch van de markt te halen. Hoe lief zouden zij +daar zamen in de tuinkamer zitten--zij in den gemakkelijken stoel +van zijn vader, hij op een stoofje aan hare voeten! Hoe zouden zij +zich daar verbeelden buiten te wonen, als de geur der bloemen hun van +het houtvlot tegenwoei, terwijl de leeuwerik en de vinken in kooijen +sloegen en kweelden! Hoe veel vergoeding zou dit alles aan zijne jonge +vrouw geven, die om hem haar schoon land verliet, en hoe verheugde het +hem, dat hij juist daar woonde, waar hij, als zijne lieve van hare +Rijn dweepte, met billijken trots op de Rotte kon wijzen, die langs +zijn huis haren arm tot aan de boerenvischmarkt uitstrekte! Neen, +zoo gelukkig was hij nooit geweest; zooveel geluk kon Mijntje hem +niet geven, hoeveel zij ook van hem hield. En zelfs met Leentje, +de dochter van den droogist uit Utrecht, die zoovele weken bij zijne +nicht Van Schalen had gelogeerd, had hem zijn huis zulk een tempel +van huwelijksgeluk niet kunnen worden. Het is waar, hij had dit +Leentje meenen te beminnen; hij had zelfs bij den ouden droogist +om hare hand aangehouden: maar hoe koel was dat antwoord geweest, +dat zij hem wel hoogachtte, maar niet tot eene eerlijke verkeering +met hem kon besluiten! Een nacht had hij er niet van kunnen slapen, +schoon ook Mijntje, om hem over het verlies van dat meisje te troosten, +zulke heerlijke varkenskarbonaden voor hem gebraden had. Maar hij had +spoedig leeren inzien, waarom het meisje niet bevallen kon. Zij wilde +hooger op; zij moest schitteren in de wereld; en daarom gaf zij kort +daarna hare hand aan een tweeden Luitenant bij de Infanterie. + +Hoeveel beter dan deze was zijne tweede liefde! Caroline was niet +cocquet, niet zoo ijdel; zij was naif, onschuldig, teerder; zij had +hem uit achting haar hart geschonken; hij haar uit achting en liefde +zijn hand aangeboden. Deze verbindtenis moest gelukkig wezen. Het +was hier geheel anders toegegaan, dan met dezulken, die onder de +hedendaagsche jongelieden op een bal gesloten worden, waar de liefde +uit een wals geboren wordt, en waarvan de zinnelijkheid door gedurig +herhaalde genietingen wordt onderhouden. Neen, hij had zijne beminde +leeren kennen in de vrije natuur op een concert; hij had het eerst +ontdekt, dat hij haar liefhad, bij een hartverheffend oratorium; +hij had zijne plannen gevormd, om met haar gelukkig te zijn, terwijl +zij zich zamen onder onschuldige volksspelen verlustigden, en bij +eene vertrouwelijke avondwandeling hadden zij elkander hunne liefde +beleden. Hij kende haar alzoo onder verschillende omstandigheden; +hij had haar ook in den huiselijken kring gadegeslagen, toen hij +met zijne vrienden bij de Blumengartens soupeerde. Zoo dus zulk eene +liefde niet de bron werd van ongestoord huwelijksgeluk, dan kon er +nooit huwelijksgeluk op de wereld bestaan. + +Onder den invloed van deze en dergelijke redeneringen, die allen tot +dezelfde gelukkige resultaten leidden, volgde Pols zijne vrienden, +die luidruchtig, vrolijk en dartel den berg afhuppelden, als wilden +zij aan de geheele wereld toonen, dat zij niet maar voor de leus, of +om het uitzigt, naar boven geklommen waren. Maar om aan den anderen +kant te toonen, dat zij niet ongezind waren, om ook met andere wijnen +kennis te maken, hielden zij stil voor de kleine herberg in het dorp, +en riepen den kastelein toe, hun eene flesch Johannisdorfer voor de +deur te brengen. + +Een paar boomen, voor het huis geplaatst, waarschijnlijk niet om +binnen beschutting te geven tegen de brandende zon, iets waarvoor +de kleine tralievenstertjes genoegzaam zorgden, maar meer, om door +zekere kunstige leiding een prieel na te bootsen, boden den warmen +reizigers eene koele rustplaats aan. De bewoners van de herberg +schenen hieraan evenwel geen behoefte te gevoelen; want een driejarig +knaapje zat, met een houten kolonel in de armen, zich in de hitte des +middags te verlustigen, en zocht zich misschien daardoor schadeloos +te stellen voor het gebrek aan waschwater, waarvan zijn gezigtje, +handjes en beentjes duidelijke sporen droegen; de magere hond, met +gesloten oogen den kop vooruitstekende, ving de stralen op, die de +zon dien kant verkoos uit te zenden; en zelfs de dikke kastelein, +met wien de vrienden een praatje maakten, plaatste zich zoodanig, +dat het bladerrijk geboomte hem niet al de warmte ontroofde. + +"Wat een heerlijk land bewoont ge hier toch!" zei Veervlug, nadat hij +eene poos zijne oogen had laten weiden over den schoonen _Rheingegend_, +naar den kant van het nabijgelegen Bingen en Rüdesheim. + +"Dat schikt wel genoeg," zei de kastelein, "ten minste voor deze +streken. 't Zou evenwel anders mijne verkiezing niet wezen." + +"Ge schijnt niet heel gemakkelijk te voldoen," zei de ander. "Laat +eens hooren, waar zoudt gij het dan zoeken?" + +"Wel, ik koos het liever beneden Keulen, of nog lager. Het liefst +van allen was ik in Holland." + +"Dat is ook een best land," zei Pols, in triomf zijne vrienden +aanziende. + +"Men heeft er ten minste beter, wat een mensch toekomt," ging de +kastelein voort: "maar dat heb ik hier ook; ik moet niet klagen. Maar, +weet ge, het land is daar meer zoo als het behoort; ik wil zeggen, +dat het er vlak en effen is, en dat ge er zoo met geen bergen te +worstelen hebt." + +"Benijdt ge ons daarom?" riep Veervlug; "ik wou hartelijk, dat ge ons +daarover beklaagdet. Het is misschien het eenige, dat mijn vriend in +Holland anders zou wenschen; niet waar, Pols?" + +"En waarom?" zei onze vriend, die in dit gezegde al iets +revolutionnairs meende op te merken: "wij hebben immers bij ons +de duinen; en als ge iets uit de hoogte wilt zien, kunt ge op een +toren klimmen." + +"Ge hebt een mooi land, Mijnheer!" viel de kastelein in: "ik ken het +door en door; ik ben er menigmalen met de kar met glaswerk geweest. Ik +vraag je, waar vindt ge in heel Duitschland zoo'n schoonen weg, als +tusschen Gouda en Rotterdam, zoo effen en vlak, en waar men alles +om zich heen ziet, juist zoo als het is. Ik vraag je, wat hebben wij +aan al die bergen? Niets dan last en ongemak. Waarlijk, een mensch is +niet op dat klimmen gemaakt; dan moest hij een ander fatsoen hebben, +en niets zoo regtstandig. Ik weet wel, dat ik het niet zeggen mag, +maar ik begrijp mij niet, waar al die bergen voor dienen, behalve voor +de steenbokken en de eekhorentjes. Maar het minst van allen begrijp +ik mij, wat al die reizigers er aan vinden, die als katten tegen die +bergen opklauteren; want wat ze van al die ruime gezigten praten, +dat is voor de vaak; een mensch kan maar één ding te gelijk zien; +en de rest ziet er allemaal in de verte heel anders uit, dan het +is. Ik zie liever de zaken in haar natuurlijken staat." + +"Ge moet volstrekt eens in Leyden komen, vriendje, en daar, 's avonds +bij het quadrilletafeltje in _de Paauw_, wat gaan zitten koeteren. Ge +doet daar zeker opgeld; 't is of ik een van dat partijtje hoor praten," +zei Torteltak. "Maar ik vind toch je land zoo kwaad niet, en daar +groeit betere wijn, dan bij ons tusschen Gouda en Rotterdam. Vooral +die van uw buurman, boven op den berg, is uitmuntend." + +"Daar hebt ge 't alweêr," zei de kastelein. "Nu is die wijn boven +weêr beter; dat komt van die bergen. Nu doe ik en een ander evenveel +moeite aan den wijnbouw; maar Prins Metternich krijgt toch den besten, +en maakt grof geld, terwijl onze wijn in de vaten kan liggen verzuren." + +"Dat merk ik," zei Veervlug, terwijl hij een klein slokje van den +wrangen landwijn opslurpte. + +"Nu, wees maar tevreden," zei Torteltak; "wij zullen er u wel wat +doorhelpen. Als ik eens trouw, dan kom ik u nog eens opzoeken; dan +wil ik met plaisir een paar dagen bij u logeren." + +"Ja," zei Pols, "dat is een goede inval; het moet hier wel aardig +wezen, om met een jong vrouwtje een paar stille en rustige dagen door +te brengen." + +"Pas maar op, dat het u geen ongeluk aanbrengt," zei de kastelein. "Ik +heb eens een paartje hier bij mij gehad; daar is het niet best meê +afgeloopen." + +"En laat eens hooren hoe?" vroegen de vrienden. + +"'t Is hier wel juist niet gebeurd," zei de _gastgeber_; "daarom kan +ik het des te geruster vertellen, zonder dat het mij schade doet, +maar toch, de jongelieden waren de eerste dagen hier aan huis. Gij +moet dan weten, dat ik vroeger zooveel als eerste knecht was in een +heerenhuis te Frankfort, bij Mijnheer Schmallheim." + +"Schmallheim? dien ken ik wel!" riep een der vrienden. "Hij heeft +zijn buiten aan den Main." + +"Nu ja, dezelfde. Dan zult ge wel weten, dat hij drie dochters heeft, +engelen van kinderen; maar daar wilde ik nu niet van spreken. Ik heb ze +ook in geen tien jaren gezien; want het gaat nu aanstaande voorjaar al +in 't elfde jaar, dat ik er uit huis trouwde met mijne tegenwoordige +vrouw, die er zooveel als derde meid was. En toen wij getrouwd waren, +trokken wij hier naar toe, in deze affaire, die Mijnheer voor ons +gekocht had." + +"En waart gijlui toen dat ongelukkige paartje?" vroeg Veervlug +lagchend. + +"Wel neen; daar zijn wij nog niet aan toe; dat zou ook wat moois wezen; +dat is wel vijf jaren later geweest. Laat eens zien! Tien jaren ben ik +nu van Mijnheer van daan, en het is nu metterhaast vijf jaar geleden, +dat... Ja, het zal vijf jaar later geweest zijn, toen ik een brief +van Mijnheer ontving." + +"Dan ging de correspondentie niet druk," merkte Torteltak aan. + +"Neen; maar dat wou ik ook niet zeggen. Weet ge, Mijnheer schreef +mij, dat ik twee dagen later, met een rijtuig, digt bij zijn buiten +te Frankfort moest wezen. Of het nu op een Donderdag of op een +Vrijdag was, is mij ontschoten; maar dat zou ik nog kunnen nazien +in den almanak, want het is nu vijf jaren geleden, en het was een +schrikkeljaar." + +"Ga maar voort; dat kunnen wij straks nazien." + +"Nu dan! ik maakte, dat ik er was; want ik deed altijd alles wat +Mijnheer mij zeide, of het goed was en of het kwaad was; maar kwaads +gelastte hij mij nooit, in al de vijftien jaar, dat ik bij hem +gewoond heb, en de tien jaren, die ik nu al van hem weg ben, dat in +het voorjaar al elf jaar wordt.--Nu, zoo als ik zeide: ik stond 's +avonds met het rijtuig op mijn post, en oude Johann kwam bij mij en +zei: "Wilhelm, je krijgt straks een jonggetrouwd paar; maar je rijdt +maar met hen door, tot je t'huis bent, en je logeert ze maar bij je, +hoor!"--"Goed," zei ik, "als ze zich met mijn buitenherberg willen +vergenoegen. Ik zal ze het beste geven wat ik heb."--En ik wachtte +nog een uurtje, misschien wel anderhalf,--en ja wel, daar kwamen +ze.--"Voort maar!" riep Johann, toen hij het rijtuig toegemaakt had, +en ik lei er de zweep over, en ik reed door, of er niemand in zat, +en ik zag niets van hen, en ik hoorde niets, want ik had er geen +boodschap meê, wat zulke jongelui malkaêr te vertellen hadden. En zelfs +onderweg, als ik water gaf, hield ik me maar, of ik niemand bij me in +den wagen had; behalve te Beberich, toen kwam er de jonge Heer uit, +en ik zei hem goeden avond; maar ik kende hem niet, en het stond mij +niet voor, dat ik hem ooit bij Mijnheer aan huis gezien had; maar +ik ontgaf het mij, want het was al vijf jaar, dat ik van Mijnheer +weg was, en met het voorjaar wordt het er al elf; en ik reed weêr +verder, en het was al heel laat in den nacht, toen ik hier stilhield, +juist op het plekje, waar ik nu sta. En ik riep tegen mijne vrouw, +dat ze met licht zou komen, en zij kwam ook, maar zonder licht, en +zij hielp er het volk uit: en ik bragt de paarden naar den stal, en +ik kwam weêr binnen. Maar toen kwam de jonge Juffrouw naar mij toe, +en ze zei tegen mij, of ze mij mijn heele leven gekend had: "Ken +je me dan niet meer, Wilhelm?"--"Wel neen," zei ik, "hoe wou ik je +kennen?"--Maar toen ik ze eens regt aangekeken had, toen zei ik toch: +"Het ontschiet me, of je haalt na Elize van Mijnheer Furchtbach."--En +toen mijne vrouw ook: "Heden ja, het is Jufvrouw Elize, die zoo veel +bij ons aan huis verkeerd heeft," altijd bij Mijnheer aan huis; maar +het was al vijf jaar, dat ik bij Mijnheer van daan was, en ik moest +ze altijd om zeven uur 's avonds te huis brengen; want Mijnheer was +wat gestreng, en die wou nooit, dat zijne dochter of Juffrouw Elize +nachtliepen.--Maar hoe wij allebei nu stonden te kijken, toen ze +daar in het midden van den nacht voor onze oogen stond, en zoo groot +geworden, waarlijk eene heele juffrouw, en toen ik dezen Mijnheer +aankeek, en toen ik dacht, wat Johann tegen mij gezeid had, dat zij +zamen getrouwd waren!--Maar toen deed zij er ons de uitlegging van, +hoe die Mijnheer uit Holland gekomen was, en haar gezien had, toen +hij bij oom Furchtbach aan huis kwam, om een wissel te incasseren; +maar dat was alles na mijn tijd, want ik was toen al vijf jaren +bij Mijnheer van daan. En toen was de Juffrouw goed aan Mijnheer +bevallen, en zoo wederkeerig; en hij zocht verkeering over haar; +maar haar oom had veel tegen hem, omdat hij geene zaken aan de hand +had, en hij had toch geld genoeg om te leven, en goed ook; dus dat +was onredelijk; en de mama van Juffrouw Elize had er niets tegen, +maar zij zat ook al onder dien oom, en zij woonde daar in huis. En +dus had de jonge Mijnheer geene gelegenheid om de Juffrouw te zien, +dan als hij met een wisseltje kwam, om den hoek van de deur; want bij +mijn Mijnheer, daar hij ze meer ontmoette, mogt ze ook al geen voet +meer zetten; en toen kwam hij tweemaal in de week met een wissel; +en toen had Mijnheer nog veel meer tegen hem, en zei, dat hij een +doorbrenger was; en de jonge Juffrouw wierd er ziek van, maar dat kon +niet baten; en Mevrouw had evenwel alleen regt over hare dochter, +maar zij was te bang voor haren broeder. Maar toen moest Mijnheer +Furchtbach op reis voor zijne affaires, en toen kwam mijn Mijnheer +er bij, en die wist het met den jongen Mijnheer zoo mooi te praten, +dat de mama toestond, dat zij nu in stilte zouden trouwen, terwijl +de oom weg was, en mijn Mijnheer maakte de papieren in orde; en ik +zou dat alles zeker bezorgd hebben, maar ik was toen al vijf jaren +bij Mijnheer van daan. En toen gingen de mama en Juffrouw Elize 's +morgens uit, en de jonge Mijnheer wachtte ze op op straat, en zij +trouwden, zonder dat er een haan naar kraaide; en zij schreven een +briefje aan Mevrouw Furchtbach, dat zij op reis gingen, maar die was +er ook zoo niet tegen als Mijnheer; en toen was er bruiloft bij mijn +Mijnheer buiten, en 's avonds--dat ik mij nu maar niet herinneren kan, +of het Donderdag was of Vrijdag!--althans 's avonds moest ik met het +rijtuig komen, en ik bragt ze bij mij in de herberg, zoo als ik u +straks verteld heb--Maar nu zult gij misschien vragen, wat Mijnheer +Furchtbach zei, toen hij te huis kwam?--Maar hij kwam niet te huis, +althans niet voordat hij ze gezien had, want den tweeden dag, dat zij +hier waren,--laat eens zien! dat was op een Zondag; nu, dan was het +ook op een Vrijdag, dat ik ze gehaald heb; dat ik daar zoo even niet +op kon komen!--gingen zij eens wandelen. Nu, dat mogten zij wel doen, +want zij waren even wettig getrouwd, en zij verscholen zich maar +hier, omdat Mijnheer Furchtbach in het begin zeker te veel geweld +zou maken. Maar juist waren zij op den straatweg aan den overkant, +en daar komt de oom in een rijtuig aan, en hij hield ze staande ook +en hij schold den jongen Heer uit voor een maagdenroover; maar deze +had de papieren in zijn zak, dat hij getrouwd was, en de oom moest +optrekken, woedend van drift; maar hij kon er niets meer aan doen; +en toen zijn de jonge luidjes nog twee dagen bij mij geweest--laat +eens zien! ja, het was op een Dinsdag, toen zij heengingen; 't is nu +al over de vijf jaren geleden,--waar blijft de tijd!--en toen zijn ze +naar Aken gaan wonen, totdat het zoo bitter ellendig met die lieve, +goede menschen is afgeloopen." + +"Ja, wij kennen de historie," viel Torteltak in, die in het begin +het verhaal opmerkzaam had aangehoord, maar langzamerhand in treurig +gepeins verzonken was. "Wij hebben haar op den St. Gothard ontmoet." + +"Zoo! dan weet gij het, hoe akelig het met haar gesteld is. Gij zoudt +haar dan ook niet meer kennen, als gij haar nu zaagt." + +"Waar is zij dan?" vroeg Torteltak; "is zij al te Frankfort? Ik heb ten +minste toen maatregelen genomen, om haar daarheen te transporteren." + +"Wel, zij is hier, hier in mijn huis," zei de kastelein, "al sedert +eergisteren,--neen, laat eens zien! al sedert vooreergisteren; maar +zij is geheel onnoozel. Toen zij te Frankfort kwam bij Mijnheer +Schmallheim--want haar oom wou nu zelfs nog niets van haar weten, +en hij zeide, dat het haar eigen schuld was; de arme vrouw--toen zou +mijn Mijnheer haar zeker bij zich gehouden hebben; maar de pokken +waren bij hem aan huis, en Juffrouw Clementine is er deerlijk van +geschonden; en de doctor vond het goed, dat de arme Mevrouw Sindenton +weêrgebragt werd naar de plaats, waar zij het eerst gelukkig geweest +was, omdat zij misschien dan van hare verdooving zou terugkomen; +maar het heeft niets geholpen; want zij was niets getroffen van de +plaats, en zij kende mij niet meer, en mijne vrouw ook niet; en toch, +wij hebben zoo veel jaren met haar verkeerd, en toen die vier dagen +ook nog, dat nu vijf jaren geleden is; en zij zit maar stil; en wij +hebben ze de boerinnenplunje maar aangetrokken, omdat zij dan minder +in het oog zou vallen; maar ook daar heeft ze niets van gemerkt. Het +eenige, daar zij nog meê bezig is, is met mijn jongetje, dat daar zit; +somtijds streelt zij het nog wel eens, en zegt dan: Anton! maar als +die er niet is, houdt zij zich met niets bezig en spreekt geen woord. + +Terwijl de kastelein deze laatste woorden zeide, zagen de +vrienden eene boerin achter het huis aankomen. Verschrikt keken +zij op. Torteltaks oogen ontmoetten de haren, die hem een oogenblik +wezenloos aanstaarden. Maar zij ontroerde niet, en naderde zachtjes +naar het kind, dat steeds aan den boomstam leunde. Zij kuste het voor +het voorhoofd, en zette zich toen naast hem, en begon met den houten +kolonel te spelen. + +De vrienden stonden spoedig op, en verlieten met ontroering de plaats. + +Twee maanden na hunne terugkomst ontving Torteltak een brief van +den Heer Schmallheim, bij wien hij zich naar de weduwe zijns vriends +geïnformeerd had, en die hem meldde, dat op zekeren avond, terwijl +zij weêr met het kind en den houten kolonel speelde, een flaauwe +gil den kastelein uit het huis had doen komen, en dat hij haar, +tegen den boomstam gezonken, dood had gevonden. + + + + + +HOOFDSTUK XXXIV. + + Waarin Van Aartheim eene zeer treurige ontmoeting heeft. + + +Van Aartheim was van Straatsburg alleen vooruitgereisd. Het was +misschien hard voor hem, daar binnen twee dagen _Miss_ Cleford +aldaar met haren broeder moest aankomen; maar toch, hij weifelde +geen oogenblik. Het was voor hem van belang, vóór zijnen vijand +in Holland te wezen; want uit hetgeen hij van hem ondervonden had, +moest hij besluiten, dat Lurgrave nog een laatsten wanhopigen stap +zou doen, al was het nu maar alleen om zich op hem en Darmold te +wreken. Hoeveel spoed hij intusschen maakte, overal ontdekte hij, +dat de Engelschman hem vooruitbleef, en bijna wanhoopte hij hem +in te halen, toen hij 's avonds te Keulen aankwam, waar hij tot +den volgenden morgen vertoeven moest, daar de stoomboot, die dan +vertrekken zou, hem nog eerder in Holland kon doen aankomen, dan +wanneer hij nu in postrijtuig vertrok. Lusteloos en vermoeid stapte +hij in het Mainzerhof af, waar hij zich, met een nieuwspapier in de +hand, in eenen hoek plaatste, om door niemand te worden gestoord. In +plaats van zich echter met de politieke redeneringen in te laten, +waarvan de _Kölnische Zeitung_ als naar gewoonte vervuld was, liep hij +in zijne gedachten eens door, wat er in den laatsten tijd al in zijn +hart was omgegaan, en hij vond daar zooveel strijdende magten van hoop +en vrees, van vreugde en droefheid, van verwachting en teleurstelling, +dat hij het met zichzelven niet eens kon worden, aan welke van dezen, +in den tegenwoordigen staat van zaken, het opperbewind toekwam. Hij +besloot dus, zoo als het best was, af te wachten tot hij meer licht +in de zaken kreeg, en geen der strijdvoerende partijen te versterken, +voor dat het zeker was, aan wie de zegepraal toekwam. + +Terwijl hij aldus philosopheerde, werd zijne aandacht onwillekeurig +afgeleid door een verhaal, dat aan de gezelschapstafel werd +meêgedeeld, en hetwelk een kortelings voorgevallen vreeselijk +ongeluk betrof. Een duister voorgevoel, dat dit misschien met zijne +zaken in verband stond, kwam bij hem op, en toen hij de woorden +"Engelschman--vliegende ren--Holland" opving, voegde hij zich bij +het gezelschap, waar hem werd meêgedeeld, dat 's morgens heel vroeg +eene postchais in vollen ren van den kant van Bonn was gekomen, maar +dat, bij het omslaan van eenen hoek, een der paarden gestruikeld +en gestort was. De Engelschman, die met eene dame in het rijtuig +zat, zonder op de reden van dit oponthoud te letten, voer in hevige +vervloekingen tegen den postillon uit, en dreigde hem te vermoorden, +zoo hij te laat aan de Hollandsche stoomboot kwam. De arme postillon +deed wat hij kon, en het gelukte hem ook spoedig het paard te doen +opstaan. Maar de Engelschman, ongeduldig wordende, rukt het portier +open, en springt uit het rijtuig; doch ongelukkig juist, toen de +postillon zijne paarden weêr in vollen ren zette. Hierdoor wordt de +sprong den reiziger noodlottig; want zijn regterbeen haakt in het wiel, +en hij wordt onder het rijtuig geslingerd. De dame gilt en schreeuwt; +maar de postillon kan de paarden niet inhouden, voordat het wiel de +borst van den Engelschman raakte en ook zijn hoofd zwaar wondde, +terwijl zijn regterbeen geheel vermorseld was. Nu springt ook de +dame uit het rijtuig, en geeft kermend en handenwringend last, dat +men haren echtgenoot _zum Mainzerhof_ brenge. Onmiddellijk zijn de +doctoren ontboden; maar bij de eerste schouwing hebben zij verklaard, +dat de wonden doodelijk zijn, en dat hij geen vierentwintig uren meer +te leven heeft. Onbegrijpelijk is het, dat de dame, terstond nadat +zij deze verklaring gehoord had, met hare bagaadje, in een rijtuig, +weêr naar Bonn is vertrokken, en haren echtgenoot aan de zorg van +vreemden heeft overgelaten. + +De gissingen van Van Aartheim klommen door dit verhaal tot een +hoogen trap van waarschijnlijkheid, en hij wendde zich dus terstond +tot den kastelein, om nog nadere inlichtingen te bekomen. Uit de +beschrijvingen, zoo van den Engelschman als van de dame, meende hij +nu zeker te kunnen opmaken, dat het Lurgrave was, wien dit vreeselijk +ongeluk getroffen had, en daar juist op dat oogenblik de doctoren +inkwamen, volgde hij hen naar de ziekenkamer, om den lijder te +zien. En waarlijk, daar zag hij den ellendige, het zwaar gewonde +hoofd op de borst gezonken, al met de kleur des doods overtogen, +en hoorde hij het akelig reutelen, als van iemand, die in hevige +benaauwdheid sterft. Onze vriend was diep getroffen; het denkbeeld, +dat hij, die daar lag, zijn bitterste vijand, zijn hevige vervolger, +de verstoorder van al zijn geluk was geweest, kwam geen oogenblik bij +hem op. Hij zag alleen zijnen medemensch; iemand dien hij van zoo nabij +gekend had; dien hij kortelings nog zoo gezond en krachtvol gezien had; +maar tevens iemand, wiens sterven men zich zelfs niet kan voorstellen, +zonder met schrik en ontzetting vervuld te worden. + +"Het is nog geen sterven," zei een der doctoren, die tot zijn bed +genaderd was: "de verwonding van het borstbeen is de oorzaak van dit +benaauwd geluid. Ik zal trachten, door zijn hoofd lager te leggen, +het hem wat gemakkelijker te maken." + +"Voort, voort!" riep Lurgrave, toen hij door deze aanraking als uit een +sluimer ontwaakte, met eene benaauwde stem, maar toch met inspanning +van al zijne krachten: "voort, postillon! of ik sla u met eigen hand +de hersens in." + +"Houd u kalm, wat ik u bidden mag," zei de doctor, "en verzwaar uw +lijden niet! Tracht wat te rusten." + +De lijder sloeg wild de oogen om zich heen; langzamerhand scheen +het hem duidelijk te worden, waar hij zich bevond; maar toen de hand +opheffende en met de vuist dreigende, riep hij: "Ha! waar zijt ge, +slang! met wie ik mijn leven aan den duivel gewijd heb? Ellendige! hebt +gij mij nu verlaten en bestolen, en mij op mijn sterfbed beschimpt +en bespot? Wees vervloekt!" + +Deze uitroep scheen zijne trouwelooze maitresse te gelden. En o, +de beschuldiging, die hij tegen haar uitbraakte, bleek naderhand +maar al te gegrond te zijn. Neen! geen der misdrijven, waaraan de +ongelukkige _Française_ schuldig staat, zal eens haar sterfbed zoo +benaauwd en vreeselijk maken, als deze gruweldaad. + +Maar daar ontdekt zijn oog Van Aartheim. "Ook gij nog!" roept hij +woedend uit, terwijl hij het verband van zijn hoofd losrukt, en hem +met woeste gebaren dreigt. "Komt gij mij beschimpen en juichen?--Neen, +ik wil niet sterven--ik zal niet sterven--spoedig--paarden--rijd +voort--vlieg, postillon!--duizend guinjes, zoo gij dien ellendige +voorblijft.--Neen, gij zult niet lang meer juichen!" + +"Om Gods wil, bedaar!" roept Van Aartheim, terwijl hij smeekend de +armen naar hem uitstrekt. "Gij kent mij beter, Lurgrave! ik wil u +helpen, kon ik u maar helpen ik wil uw lijden verzachten. O, indien het +u troost geeft, zie, ik vergeef u alles, ik vergeet alles. Ongelukkige, +ik wil uw vriend zijn..." + +Maar de lijder hoort hem niet meer; afgemat zinkt zijn hoofd op het +kussen neêr; uitgeput en bedwelmd ligt hij na deze woedende inspanning; +en het vuurrood, waarmeê de drift zijn voorhoofd en wangen geverfd had, +maakt weêr plaats voor de bleeke en vale kleur des doods. + +De doctor herstelde het losgescheurd verband, en Van Aartheim plaatste +zich zoo, dat hij door den stervende niet meer gezien kon worden; +maar toch, hij bleef den geheelen nacht bij hem, bij afwisseling door +een der doctoren bijgestaan. Wij zullen onzen Lezers de bijzonderheden +van dien vreeselijken nacht niet mededeelen. Van Aartheim spreekt er +nooit van, dan met de diepste ontroering, en met weerzin brengt hij +zich die _horreurs_ voor den geest. In den vroegen morgen maakte de +dood een einde aan het aardsche lijden van Lurgrave, en deed eene +vervloeking, die hij uitbraakte, op zijne lippen versterven. + +"Het is een groot geluk voor hem, dat hij maar dood is," zei de +kastelein, toen hij het berigt in de gezelschapszaal had medegedeeld. + +"Ja, wel is het een geluk!" stemden al de gasten toe; maar niemand +hunner had hem zien sterven. + +Twee dagen later, in den vroegen morgen (eene voorzorg van den +kastelein, om zijne gasten niet door zulke akelige dingen te +indisponeeren) werd het lijk van Lurgrave naar het kerkhof buiten de +stad gedragen. Niemand verzelde de baar van den vreemdeling, dan van +Aartheim; niemand zou, zelfs in zijn vaderland, tranen van droefheid +voor hem over hebben. Maar een traan van innig medelijden viel op +de kist van den ongelukkige, toen die in de groeve der vertering +nederzonk. Wee hem, over wie dan nog tranen van medelijden moeten +worden geschreid! + +Nadat van Aartheim de zaken van den Engelschman had afgedaan, +besloot hij den volgenden morgen, per stoomboot zijne reis naar +Holland voort te zetten. In den namiddag ontmoette hij, op de +schipbrug, Polsbroekerwoud en de andere vrienden, die van Coblenz +waren teruggekeerd, en gezamenlijk reisden zij nu den volgenden dag +naar Nijmegen. + + + + + +HOOFDSTUK XXXV. + + Hetwelk het laatste is, behalve voor degenen, die al vroeger de + lectuur dezer reisontmoetingen hebben afgebroken. + + +Het oogenblik, waarin men, na eene lange afwezigheid of eene reis van +eenige uitgebreidheid, voor het eerst weder den vaderlandschen grond +betreedt, of het land weerziet, waar men geboren is, en dat alles, +wat ons dierbaar is, in zich bevat, is voor de meeste menschen in +de voorstelling zeer aangenaam; en velen, die voor het eerst reizen, +stellen zich de zoetste gewaarwording voor, die door een plotselingen +overgang zal worden opgewekt. Jammer is het, dat gewoonlijk de +uitkomst al bijzonder weinig aan die voorstelling beantwoordt. Want +wat die overgang betreft, men bemerkt er meestal niets van; men is +gewoonlijk in het vaderland, voordat men het weet, en men ziet in zulke +oogenblikken, dat men de voorgestelde zoete gewaarwordingen niet eer +kan smaken, voordat men zijn eigen woning binnentreedt. Welk genot +is er, bij voorbeeld, voor den Hollander, om aan het Lobith aan te +varen, of bij Westwezel de grenspaal voorbij te rijden? Zeker niet het +gevoel van trotschheid, zulk een mooi land het zijne te mogen noemen; +want schoon Holland niet als het Paradijs van Europa kan beschouwd +worden, het ziet er binnen's lands over het algemeen heel wat beter +uit, dan aan den grenscirkel. Of zou de vreugd te zoeken zijn in het +ontmoeten van zijne landgenooten! Ach, wie zijn het, die hij het eerst +aantreft! Commiezen, welke als gieren op zijn bagaadje aanvallen, en +zijne nette koffers met baldadig geweld van de diligence smijten, of +die met aanmatigende onbeleefdheid aan boord van de stoomboot stappen; +policiebeambten, welke hem bewijzen vragen, dat hij geen schurk is, +en aan wie hij toonen moet, dat hij permissie heeft, om zijn eigen +land binnen te komen; schippers en loodsen, handlangers en knechts, +die, terwijl zij elkander een touw toewerpen, of een baal voortsjouwen, +zichzelven en elkander, bij wijze van stopwoordjes en tusschenwerpsels, +het eeuwige oordeel toewenschen; in welke kunstige manier van spreken, +wij moeten het onbevooroordeeld bekennen, onze Hollandsche sjouwers, +schippers en werklieden, het gepeupel van alle andere landen verre +achter zich laten. Al verder: gij gaat in een herberg, en betaalt +uwe vertering, met een 5 franc of een thaler, of, zoo gij het nog +hebt, een fatsoenlijk stuk Hollandsch geld; en voor hetgeen men u +terug moet geven, regent het dertiendehalfjes, pietjes en blinde +dubbeltjes in uwe hand.--Maar nu zijt gij dan eindelijk verheugd, +dat gij toch weer op vaderlandschen bodem wandelt; nu stelt gij u +voor, hoe gij het verliet; maar gij denkt ook onwillekeurig aan al +het opgewisselde goud, dat toen uwe beurs bevatte, en het is alsof +gij nu voor het eerst opmerktet, dat uw plunje er armelijk uitziet, +en dat uw nieuw jasje wat al te versleten is, om daarmee in uwe +eigene stad aan te komen. Maar gij ontmoet ook menschen, die gij +half en half kent, die gij wel eens meer ontmoet; dat doet u plezier; +maar hen, die hunne gewone manier van leven gevolgd hebben, en wiens +niets bijzonders gebeurd is, treft deze ontmoeting volstrekt niet; +of zoo zij misschien ook een tourtje gemaakt hebben, dan is het +uwe grooter en interessanter, maar daar ligt hun niets aan gelegen; +en zij beginnen u over Kleef en den Eltenberg te onderhouden, daar +gij uwe mededeelingen omtrent den _Mont blanc_ kunt opzouten. Voorts +vraagt gij met brandend verlangen naar nieuws omtrent allerlei zaken; +en daar is niets nieuws voorgevallen, en alles gaat zijn gewonen gang, +alsof gij niet weg geweest waart. En waartoe al de teleurstellingen +opgesomd, die u treffen, als gij het genot smaakt den vaderlandschen +grond te betreden? Daar is misschien geen enkel genoegen op aarde, +dat zich met de voorstelling, die men er van maakt, kan meten. + +Nijmegen was de plaats, waar onze vrienden het eerst den vaderlandschen +bodem weer betraden. Weinige uren te voren hadden zij elkander met +veel deftigheid geluk gewenscht, toen zij eene Hollandsche vlag en +Hollandsche uniformen aan den wal ontdekten. Daar was zelfs eene +propisitie gedaan, om eene fijne flesch te drinken; maar niemand +durfde er sterk op aandringen, omdat aller finantiële toestand veel te +wenschen overliet, en sommigen zelfs niet begrepen, hoe zij Rotterdam +konden halen. Het afscheid van Van Aartheim, die terstond naar Utrecht +vertrok, liep dan ook zonder libaties, maar met hartelijke wenschen +en vriendschappelijke handdrukken af, en de hoop om elkander spoedig +weer te zien, verbande tevens alle droefgeestigheid en aandoening +van deze plegtigheid. + +En nu ondernamen de vijf getrouwe vrienden den volgenden morgen vroeg +den terugtogt naar Rotterdam, waar de reis volbragt zou zijn. Dezelfde +stoomboot, die hen vóór twee maanden had overgebracht, lag weer +gereed, en occupeerde zich met den overbodigen stoom snuivend uit te +blazen; de kaai was weer met dezelfde soort van toekijkers gevuld, +als altijd, en onder hen bevond zich een aanzienlijk aantal bedelaars, +die niets vuriger verlangden, dan de waarheid te ondervinden van het +spreekwoord: de morgenstond heeft goud in den mond. De hofmeester nam +al de passagiers met scherpe blikken waar, of er ook onder waren, die +hun leeftocht met zich voerden, of die al in hun logement gedejeuneerd +hadden; de kapitein liep met zekere gewigtigheid over het dek heen +en weder, zonder zich eenigszins met de passagiers of goederen in te +laten, die hij als bijkomende zaken beschouwde, doch die met het doel +zijner reize in geen het minste verband stonden; de stokers woelden +in den voorraad steenkolen, waarover zij te disponeeren hadden, +en brandden hunne zwarte aangezigten voor den gloeijenden oven; de +commissionairs en kruijers verwisselden met groot genoegen den zwaren +last, dien zij torschten, voor eenig klein zilvergeld; en de reizigers, +zelfs die nog een kwartier te vroeg kwamen, verhaastten hunnen tred, +zoodra zij de boot in het gezigt kregen, als hoorden zij in den +sissenden stoom eene waarschuwing: "Pas op, dat ge niet te laat komt." + +Het was een zeer koele morgen, en de meeste passagiers vonden het +dus geraden zich benedenwaarts te retireren. Ook Pols trok, toen hij +gezien had, dat de stoomboot gelukkig omgekeerd en goed _en train_ was, +naar de kajuit. Maar welk eene verrassing wachtte hem hier? Hij kon +nauwelijks zijne oogen gelooven, toen hij zijn waarden neef en nicht +van Schalen en hunne kolossale, blozende en gezonde dochter Truitje +ontdekte. "Wel heden, neef!"--"Mijn lieve tijd, nicht!" waren de eenige +woorden, die een paar omslagtige omhelzingen en luidruchtige kussen +vooraf gingen. Maar toen volgde een stroom van uitboezemingen over +de vreugde dezer ongehoopte ontmoeting, en eene reeks van opmerkingen +over het zonderlinge en buitengewone, dat dit juist zoo trof, en het +voorregt, dat menschen in zulk soort van rencontres boven bergen en +dalen vooruithebben; en toen nicht aan het verhalen, hoe het kwam, +dat zij juist heden in de stoomboot zat, en niet gisteren, zooals +haar eerste plan geweest was; en hoe zij niet weg had kunnen komen van +hare eigene zuster, die te Nijmegen woonde; en hoe zij de bruiloft had +wezen bijwonen van eene nicht, waarvan zij moei, of, op zijn Fransch, +tante was; en hoe die nicht een kostelijk huwelijk gedaan had met +een knap mensch, die een post had bij een dijkcollegie, zij geloofde +zooveel als bode; en hoe haar eigen man, die wel van een grapje hield, +zich op die bruiloft had verkleed als een Jood, en op het dessert +met een kruiwagen met amandelen om de tafel gereden had; en hoe zij +zelve hem haast niet herkend had, zoo natuurlijk riep hij; "mangelen, +beste mangelen!" en nog meer dergelijke vermakelijke grappen, waarvan +haar man de aanlegger geweest was, maar alles in eer en deugd. + +Pols luisterde met goedhartige aandacht naar al deze belangrijke +mededeelingen, en daarna met belangstelling naar een nader relaas +omtrent de laatste ziekte en de begrafenis van Mijntje; hij vernam +ook met veel genoegen, dat alles aan zijn huis toch goed en ordelijk +was toegegaan, maar dat Pietje wat zou staan te kijken, als hij daar +op eens voor haar stond, hoewel zij hem al sedert veertien dagen alle +uur te wachten was; en toen verzocht nicht hem, om ook eens wat van +zijn reizen te vertellen, en waar hij al zoo geweest was, en of hij +nu waarlijk zulke bijzonderheden gezien had, als de reizigers altijd +wel willen zeggen. Pols voldeed met genoegen aan haar verlangen, +en sprak een poosje over hooge bergen en watervallen, waarvan nicht +de handen in elkaâr sloeg, en waaronder neef in een gerusten slaap +raakte. Maar toen sprong hij in eens met zijne gedachten tot Coblenz +terug, en dit gaf hem aanleiding om te zeggen: + +"Maar nu zult ge nooit raden, wie ik onderweg ontmoet heb; het is +nog iemand van de familie." + +"Toch neef Joris niet? maar die is al dien tijd niet uit Rotterdam +geweest; of zijn broêrs weduwe? maar neen, die is al jaren dood. Neen, +ik kan het niet raden." + +"Ik zal het dan maar zeggen: 't was nicht Mientje van Schalen van +IJsselstein." + +"Wel, nu nog mooijer! Dat slechte schepsel, die niets had dan haar +mooije gezigtje, maar die er zoo trotsch op was, als wat ben je me! Nu, +ze zal ook wel in een mooije conditie wezen." + +"Neen, waarlijk, dat is alles heel goed te regt gekomen; ze is toen +met dien Duitschen heer in het geheim getrouwd." + +"Een mooije heer, een grasmof, die half naakt in 't land gekomen +is, om ons goede geld te winnen. En dat ze getrouwd zijn maakt mij +niemand wijs; dan had ze in IJsselstein moeten blijven, en dan hadden +de geboden moeten gaan, net als over mij en je neef, en over ieder +eerlijk en fatsoendelijk mensch. Neen, het is ook altijd een ligt +meisje geweest." + +"Ge oordeelt misschien wat te streng, nicht! Het was toen wel +onvoorzigtig van haar gehandeld, maar zij zijn waarlijk getrouwd; +en het is toen ook heel goed met hen gegaan; Mijnheer Blumengarten +is tegenwoordig een groot koopman in Coblenz, en zit in goeden doen." + +"Dat zal dan ook wel niet alles in den haak wezen; niet dat ik iemand +wil veroordeelen, maar het geld van weduwen en weezen is misschien ook +niet te goed voor iemand, die zoo ligt over eene heilige zaak denkt, +als toch het huwelijk is." + +Pols vond het geraden dit onderwerp maar niet langer te behandelen, +hoewel hij plan had het als inleiding te doen dienen voor eene +belangrijke confidentie, althans om zoo iets van zijne plannen in +het verschiet te laten zien. Nicht Van Schalen bromde nog eenige +liefderijke aanmerkingen, en sloot daarop hare oogen, om de schade +van een slapeloozen nacht nog wat in te halen. + +Onze vriend entameerde dus een discours met Truitje, en na eenige +woorden over onverschillende zaken gewisseld te hebben, dacht het hem +niet kwaad, aan deze, die toch zeker zoo streng niet denken zou, iets +van zijn voornemen omtrent Juffrouw Blumengarten meê te deelen. Hij +schoof dus zijn tabouretje wat nader aan haar toe, en begon op half +fluisterenden toon tot haar te zeggen: + +"Ik zal het nu wel eenig hebben in mijn ruime huis in den Oppert." + +"Ja maar, neef! u hebt zooveel vrienden; die zullen u nog wel eens +opzoeken." + +"Ja maar, nicht Truitje! vrienden zijn ook maar vrienden; ik heb mijn +gedachten al eens over een meisje laten gaan." + +Truitje zei niets, maar keek blozend voor zich. + +"Wel, nicht! wat zou je daarvan denken; daar is niets dat het mij +belet, en ik heb een nichtje, dat er heel mooi uitziet, en dat ook +heel lief is." + +Truitje werd nu eens voor de variatie bleek, doch zette toen weêr +haar blozen voort. + +"Maar zeg dan toch eens, lieve nicht! wat zou je mij hierin raden?" + +Met een nieuwen gloed op de wangen, stotterde Truitje; "Neef +Joachim! ik kan er niets van zeggen, zonder vader of moeder." + +"Maar dat is toch vreemd," zei Pols: "je kunt toch je eigen meening +wel zeggen zonder vader of moeder?" + +"Neen neef! dat mag ik niet doen; je moet het mij niet kwalijk +nemen. Ik ben het met moeder geheel eens, wat een meisje behoort te +doen, en ge hoordet straks zelf, hoe ze zich uitliet omtrent nicht +Mientje, die nu in Duitschland woont." + +Juist lag de stoomboot aan voor Tiel, en de botsing tegen den wal +maakte neef en nicht Van Schalen wakker. + +"Wel, nu zal ik je krijgen!" riep neef, toen hij Pols en zijne dochter +in een zoo vertrouwelijk discours zag. "Vrouw! je mag wel oppassen, +of ik moet het kleed van den mangelenjood al gaauw weer aantrekken." + +"Houd je mond, lobbes!" zei nicht. "Wat praat je altijd malle +praat! Maar, Trui-lief! wat hebt ge een kleur!" + +"'t Is hier vast wat benaauwd, moeder! ik wil eens naar boven gaan." + +Op den trap vroeg de moeder fluisterende aan de dochter: "Wat was +dat toch, kindje?" En het kindje van bijna zes voet antwoordde: +"Ik weet het niet, moetje! ik geloof, dat neef Joachim u en vader +wel eens spreken wou." + +Gedurende dit gesprek had boven eene ontmoeting plaats, niet minder +aangenaam, dan die tusschen Pols en de Van Schalens. Te Tiel zag +Torteltak zijn eenigen broeder aan boord komen. Juichend drukten zij +elkander de hand, en de glans van vreugde, die zich op beider gelaat +vertoonde, duidde aan, dat zij niet alleen door den band des bloeds, +maar ook door wederkeerige toegenegenheid en vriendschap aan elkander +verbonden waren. Daar is gewoonlijk veel, dat zich tegen zulk eene +naauwe vriendschap tusschen broeders aankant, misschien het meest, +dat men elkander van der jeugd af al te naauwkeurig kent, eene proef, +waartegen de meeste menschen niet bestand zijn. Maar wanneer, in +weerwil van al die tegenkantingen, zulk eene vriendschappelijke +betrekking bij broeders plaats vindt, dan kan er moeijelijk een +vriendschap zijn, naauwer en inniger dan de zoodanige, moeijelijk +eene vertrouwelijkheid, die grooter is en meer insluit, en die +door de natuurlijke betrekking meer gewaarborgd is tegen botsingen, +waartoe verscheidenheid van betrekkingen bij andere vrienden somtijds +aanleiding zou kunnen geven. + +Frederik van Torteltak was twee jaren ouder dan zijn broeder, en in +houding en gelaatstrekken zeer op dezen gelijkend. Alleen had hij +iets meer deftigs en bedaards, en miste hij de misschien te groote +ijdelheid van Eduard. Sedert een jaar had hij de Leidsche akademie +verlaten, zonder evenwel terstond eene plaats in de maatschappij in +te nemen. Hij behoorde tot die menschen, welke de voorregten van het +akademieleven verloren hebben, en wien men die van het maatschappelijke +nog niet toestaat. Hij was proponent, een dier benijdbaren, wier namen +vier- of zesmaal 's jaars in lange lijsten achter de Boekzaal worden +aangeplakt, even als die van dienstboden op een verhuurkantoor, en +die van wijnen op eene prijscourant; een dier gelukkigen, welke nooit +hunne betrekking kunnen noemen, zonder een medelijdenden glimlach of +schouderophalen te ontmoeten; over wie iedereen, als over publiek goed, +meent te kunnen en mogen oordeelen en beschikken, en die dat voorregt +boven doctoren en advokaten zonder praktijk en kooplieden zonder zaken +hebben, dat zij bij uitnemendheid als "arme stakkers" en "ongelukkigen, +die niets om handen hebben," worden beschouwd. Vertoont zich een +proponent in een gezelschap, iemand, die hem voor het eerst ontmoet, +en die het zeer indiscreet zoo rekenen, een jong doctor te vragen, +of hij al patiënten heeft, vraagt hem terstond: "Hebt u al eenig +uitzigt op eene plaats?" Hij maakt nooit eene visite bij een tante, of +eene mevrouw, die de Boekzaal bijhoudt, of hij hoort ten minste drie +keeren in het half uur van zijn bezoek: "Daar zijn ontzettend veel +proponenten!" Heeft een jong meisje de onvoorzigtigheid zich met hem +te engageren, hare vriendinnetjes maken toespelingen op minnarijen, +daar nog geen eind aan te zien is, of verheugen zich, dat zij haar +nog zoo heel gaauw niet zullen verliezen. Dit gaat zelfs verder: +de persoon, aan den proponent verbonden, wordt zelve een voorwerp +van deernis, even als de ongelukkige, aan wien zij zich opoffert. Is +de proponent treurig of ernstig: "hij zal zich nog doodkniezen," of +"wie wil met zoo'n stijven Klaas te doen hebben?" Is hij vrolijk +en opgeruimd: "hij trekt het zich niet veel aan; 't kan hem niet +schelen; hij is nog ongeschikt voor zijne betrekking."--Maar waartoe +al de voorregten, aan dezen stand verbonden, opgesomd! Waarom +gesproken van de philantropische vertogen en voorstellen, om hun +lot te verbeteren, en die misschien nog wel zullen leiden, om er +kerkeknechts en doodgravers van te maken! Met erkentenis voor den +goeden wil van allen, die zich zooveel aan hen laten gelegen leggen, +zouden de meeste proponenten wel onder hunne namen willen schrijven: +"Verzoeke van brieven en betuigingen van beklag verschoond te blijven." + +Torteltak had in een van de Geldersche waarden zijne gaven doen hooren; +hij liet zich evenwel volstrekt niet uit over zijne verwachtingen, en +daar Pols nog al veel met zijne familie bezig was, viel ook niemand +hem daarmeê lastig. De broeders hadden veel te praten en veel meê +te deelen: "en je hebt mijn brief te Straatsburg ontvangen?" vroeg +Frederik.--"Ik heb geen brief gezien na Constants van u, noch van +iemand."--"Dan weet ge ook het nieuwtje nog niet: ik ben geëngageerd, +en je kent het meisje ook; maar nu zeg ik je niet met wie, voor gij +haar ziet."--"Toch niet met Elize L.?--"Met Elize, noch met Sophie; +maar nu zeg ik niets meer."--Torteltak raadde nog twintig namen; maar +hij was altijd mis; dus besloot hij de zaak af te wachten. Hij deelde +intusschen aan zijn broeder meê, dat ook hij misschien geëngageerd was, +doch dat hij nog onderweg moest informeren, of het werkelijk zoo was, +maar dat hij niet wist, of hij het verlangde ja, dan neen.--Voorts +liepen de gesprekken over vele familiezaken; Veervlug informeerde met +veel belangstelling naar hunne zuster, maar vernam niets bijzonders, +dan dat zij springlevend, gezond en nog even dartel als vroeger was. + +Pols vond in den loop des morgens, toen hij met zijne oude nicht alleen +in de kajuit was, nog gelegenheid een woordje ten voordeele van Mevrouw +Blumengarten te spreken, en daar deze door sommige voorstellingen, +die zij sedert het discours op den trap had beginnen te scheppen, +in eene meer vergevensgezinde bui was geraakt, verklaarde zij nu +het huwelijk als wettig te beschouwen, en best te willen gelooven, +"dat dat eigenste losse en wilde Mientje toch nog wel eene goede +en brave huismoeder kon geworden zijn." Onze vriend was zoo voldaan +over deze omkeering, dat hij besloot terstond zijne confidentie te +doen volgen, en hij maakte haar alzoo in diep geheim bekend, dat hij +plegtig om de hand en het hart van Caroline Blumengarten had verzocht, +en hoop had binnen kort zijnen wensch vervuld te zien. + +Nicht Van Schalen werd, even als vroeger hare dochter, beurtelings +rood en bleek. "Je doet me schrikken, neef Joachim! en weet je wel, +dat je dan een Duitsche deern in je Rotterdamsche huis krijgt?" + +"Ja," zei Pols; "maar zij zal zich best bij ons kunnen schikken, +en ge zult zien, zij zal u uitmuntend bevallen." + +"En was het dat, dat je me zeggen woudt?" zei nicht, hem sterk +aanziende. "Truitje... ik dacht, dat je me iets hadt meê te deelen.'" + +En zonder zijn antwoord af te wachten--want juist kwam Truitje +beneden--nam de moeder hare dochter onder den arm en ging naar +boven. Op den trap fluisterde zij haar in: "Het reizen heeft neef +Joachim, geloof ik, heelemaal mal gemaakt." + +"Dat geloof ik ook," zei Truitje, toen de moeder haar de aanleiding +tot deze gissing meêdeelde. + +Ten een ure lag de stoomboot voor de Boompjes te Rotterdam stil. Pols +nam al de bagaadje en drie zijner vrienden terstond meê naar huis; +maar Torteltak werd door zijn broeder meegetroond, die hem hier tot +getuige van zijn geluk wilde maken. Niet ver van de aanlegplaats +schelden zij aan een groot huis aan, en de proponent sleepte zijn +broeder onaangediend naar boven. De deur eener zijkamer werd geopend, +"Hier is zij!" riep Frederik verheugd uit. "Eduard! zie hier mijn +meisje!" En Torteltak stamelde zijne broederlijke gelukwenschen uit +voor Ambrosine Korenaar. + +"Wel heden, Mijnheer Torteltak! dat vind ik nu eens heel aardig, +dat gij ons terstond komt bezoeken; en wat zegt gij nu van die +jongeluidjes? Ja, het kan wonderlijk in de wereld loopen. Wij +ontmoetten uwen broeder te Kleef, juist acht dagen nadat gij ons +verlaten hadt, en wij konden het terstond zoo best met hem vinden. En +nu wordt Ambrosine nog eene domineesvrouw! Nu, het is wel mijne eigen +dochter, maar ik durf gerust zeggen, dat er weinige zulke lieve en +geschikte meisjes ook daarvoor gevonden worden." + +Torteltak was in de eerste oogenblikken door deze ontmoeting een weinig +uit het veld geslagen, en hij stond eenige oogenblikken in beraad, +om nu als een wanhopig minnaar te gaan kwijnen, en met liedjes in het +genre van: "_Fare thee well!_--_Non, je ne t'aime plus._--_So willst +du treulos von mir scheiden!_" en dergelijke te gaan occuperen; +maar toen hij zijn hart eens goed onderzocht had, bleek het hem, +dat hij, zonder zich ongelukkig te maken, Ambrosine heel goed aan +zijn broeder kon afstaan. Hij ontwaarde geen pijnlijker aandoening, +dan die hij altijd gevoelde, als hij zag dat een mooi en lief meisje +zich aan een ander naauwer verbond dan aan hem. Toen dus de oude Heer +Korenaar bovenkwam, viel hij dadelijk in dien goeden toon, en sprak met +gemelden grijsaard zeven kwartier over den Engelschen en Hollandschen +koophandel, dronk aan tafel een vrolijken toast, en maakte bij zijn +afscheid van zijn broederlijk regt op Ambrosine met vreugde gebruik. + +En 's avonds was er feest in den Oppert, het feest der behouden +terugkomst, en het afscheidsmaal van vijf getrouwe reisgenooten. Pols +presideerde het souper, in den stoel van zijn vader, met zijn +gemakkelijken huisjas en zijne gevoerde pantoffels versierd. De +goedhartige vergenoegdheid, die op 's mans gelaat te lezen was, deelde +zich aan al de vrienden mede. "Daar is toch maar één Holland!" riep hij +uit, toen hij het laatste van vele glazen krachtige Portwijn uitdronk, +en toen hij zijne eigen leden op zijn eigen bed uitstrekte, murmelde +hij half sluimerend: "Oost west, 'thuis best!" + + + +Hier eindigt het relaas der Reisontmoetingen van Joachim +Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Wij weten het dat wij onze Lezers +weinig belangrijks en buitengewoons hebben meêgedeeld; maar het is +moeijelijk, indien men de waarheid getrouw wil blijven, zoo iets +uit hedendaagsche reizen te putten. Die, in weerwil van dat al, deze +ontmoetingen tot den einde toe gevolgd heeft, wordt bij deze bedankt +voor zijn geduld, en ontvangt tot toegift, hetgeen wij, omtrent het +wedervaren onzer personen, sedert hunne tehuiskomst vernomen hebben. + +Pols is na zijne terugkomst nog bijna een maand in onzekerheid geweest, +hoe het met zijn engagement zou afloopen. De Heer Blumengarten, die +zich als vader verpligt rekende omtrent den minnaar zijner dochter +behoorlijke informatiën in te winnen, wendde zich, met medewerking +zijner Overheid, tot de Regeering van Rotterdam, om inlichtingen +aangaande dien persoon te verzoeken. Deze renvoyeerde het stuk aan +de Policie, en het antwoord, dat teruggezonden werd, luidde, dat +gemelde Polsbroekerwoud geenszins voor een verdacht persoon gehouden +kon worden. Hiermede was de schoonpapa tevreden; en op aandringen +van zijne vrouw, die zoo gaarne haar vaderland eens wilde weêrzien, +ondernam hij met zijne familie de reis naar Rotterdam. Op eenen morgen, +in het laatst van September, werd er bij Pols een brief gebragt, dien +hij begeerig opende, maar dien hij, van wege het Duitsche schrift, +niet lezen kon. Hij spoedde zich dus naar een beëedigd translateur, die +hem met den volgenden inhoud bekend maakte: "De Heer Polsbroekerwoud +wordt verzocht dezen middag ten 2 ure in het Zwijnshoofd te komen +dineren bij zijne familie uit Coblenz." Onze vriend was zichzelven +nauwelijks meester, en zijne vreugde kende geen palen, toen de oude +Heer hem als _Herr Sohn_ en de broeder als _Herr Bruder_ begroette, +en Caroline hem blozend de hand toereikte. In Mei 1838 is dan ook +het huwelijk te Coblenz voltrokken; de Van Schalens zijn geheel met +de Blumengartens verzoend, vooral nadat deze hun een oxhoofd goeden +Rijnwijn hebben toegezonden. Mevrouw Polsbroekerwoud schikt zich +goed naar de Rotterdamsche levenswijze. Om harentwil is Pols lid +geworden van den Doelen, waar zij geen enkel zomerconcert verzuimen, +en waar de jonge vrouw zich doet opmerken door haar blanke _teint_ +en het overmatig gebruik van boterhammen met gerookten zalm. Sedert +eenigen tijd fluisteren de buren in den Oppert van iets, dat op til +zou wezen; althans, dat er eenige stukken mandenwerk en oogjesgoed, +benevens kousjes en slaapmutsjes van het kleinste soort, aan het huis +van Polsbroekerwoud zijn bezorgd. + +Torteltak is gepromoveerd en wacht op een post. Hij is nog altijd een +_enfant cheri des dames_, en kleedt zich voortdurend heel netjes. Hij +schijnt zich evenwel nog niet te kunnen decideren, wie der vele lieve +meisjes, die hij kent, door hem gelukkig zal worden gemaakt. Zijn +broeder is nu geplaatst, en Ambrosine vindt het buitenleven heel +aangenaam, hoewel mama Korenaar zich niet kan begrijpen, dat het +lieve meisje zich daar niet doodkniest. + +Veervlug maakt tegenwoordig minneliederen, met wonderlijke aardige _jeu +de mots_ omtrent _tortels op een tak_. Hij is vlug als een veertje, +sedert de dartele zuster van zijnen vriend deze minneliederen in +genade aanneemt. Tusschen beiden pleit hij ook _pro Deo_ en is een +gezocht advokaat door degenen, die bij voorkeur gratis consulteren. + +Holstaff had vroeger plan gemaakt nog eens een reisje naar Frankfort +te maken, om Clementine Schmallheim te zien; maar sedert hij vernomen +heeft, dat dit lieve meisje hevig door de kinderziekte geschonden +is, maakt hij zich ongerust, dat dit gezigt hem te veel treffen zou, +en stelt dus deze reis van dag tot dag uit. + +De Morder is gepromoveerd, na het verdedigen van een _Specimen_, +handelende over verschillende misbruiken en ongepermitteerde wettelijke +bepalingen. Hij staat op het trouwen met een weeuwtje, hoewel hij zich +lang op dien stap bedacht heeft, omdat hij het beroerd onaangenaam +vond, dat juist, als hij eens zin kreeg in een meisje, een ander al +eens met haar getrouwd was geweest. + +De vrienden, en vooral Torteltak, ontvangen goede berigten van Van +Aartheim. De oude Heer Torteltak, een kundig procureur, die reeds +vroeger eens de partij van Mevrouw Van Aartheim tegen Lurgrave had +opgevat, heeft hem den gemakkelijksten weg aangewezen, om al de zaken +van _Miss_ Cleford en haren voogd te ontwarren. De gelukkige man woont +met zijne jonge vrouw en zijne moeder op een buiten in Kent, waar hij +rustig leeft en bemind is, door allen die met hem in aanraking komen. + +En hiermede eindigt dit Hoofdstuk, en dit Boek. + + + + + + + + + +INHOUD. + + +Hoofdstuk I.--Kennismaking met de hoofdpersonen + +Hoofdstuk II.--De stoomboot van Rotterdam naar Nijmegen.--Ontmoetingen +met bekende en onbekende personen.--Polsbroekerwoud occupeert zich +met vele menschen en zaken.--Torteltak wordt verliefd.--Veervlug +heeft onaangenaamheden.--Holstaff weent met de weenenden + +Hoofdstuk III.--Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen + +Hoofdstuk IV.--Verblijf der reizigers te Kleef.--Zij maken kennis +met interessante landgenooten en naburen, spreken over menschen +en zaken in gebonden en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, +te worden vergast op een verhaal van den ouden Heer Korenaar + +Hoofdstuk V.--Het verhaal van den Heer Korenaar, dat misschien nog +met de verdere reisavonturen van Polsbroekerwoud en zijne vrienden +in verband zal staan + +Hoofdstuk VI.--Aken en Borcetti.--Torteltak ontmoet een oud vriend.--De +Louisberg.--Hij ziet dat zijn vriend gelukkig is.--De Courzaal.--Hij +vindt de vrouw van zijn vriend lief + +Hoofdstuk VII.--Keulen.--Bonn.--Men ontmoet interessante levenden, +maar nog interessanter dooden + +Hoofdstuk VIII.--Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen +bezoeken onder veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud +en de Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen + +Hoofdstuk IX.--Beginnende met eene stoombootreis naar Coblenz, +en eindigende met de _illustre rejeton_ der familie van Schalen + +Hoofdstuk X.--Een Hoofdstuk, waarin de nieuwsgierige lezer, die gaarne +vernemen wil, hoe de reizigers over de badplaatsen naar Frankfort +trekken, zeer teleurgesteld wordt en dat verder zeer geschikt is om +overgeslagen te worden door menschen, die niet gaarne kennis willen +maken met Frankfortsche families + +Hoofdstuk XI.--Waarin de reizigers meer dan twintig mijlen afleggen +zonder eenig avontuur, maar waarin zij naderhand in een klein bestek +velerlei genoegens smaken + +Hoofdstuk XII.--Vermeldende, hoe Veervlug naar zijn pas zoekt, hoe +hij zich in zijne eenzaamheid tracht te amuseeren, en hoe hij eerst +te Darmstadt plaisir krijgt + +Hoofdstuk XIII.--De nieuwe vriend van Veervlug komt op het tooneel, +en legt veel Duitsche plaatsen- en menschenkennis aan den dag + +Hoofdstuk XIV.--De reizigers bezoeken twee badplaatsen; op de eene +maakt Pols eene schitterende vertooning, op de andere blijft hij +geheel onopgemerkt + +Hoofdstuk XV.--De tour door het Schwartzwald.--Pols maakt kennis +met Engelsche dames bij onweder, en met Ohlsbachsche bij feestmuziek + +Hoofdstuk XVI.--Aankomst in Zwitserland en verblijf te Schaffhausen; +bevattende tevens belangrijke opmerkingen omtrent den invloed van +een nieuw schoeisel op lichaam en ziel. + +Hoofdstuk XVII.--Bevattende eene al te lange beschrijving van eene +voetreis, en eene al te korte van een watertogtje + +Hoofdstuk XVIII.--Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het +Holstaff tegen zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar +te zien opgaan + +Hoofdstuk XIX.--Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste +dagen van zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen +bitter wordt teleurgesteld + +Hoofdstuk XX.--Waarin zoovele zaken voorkomen, dat het moeijelijk zou +wezen, de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen + +Hoofdstuk XXI.--Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en +zijne vrienden het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft +achtergelaten + +Hoofdstuk XXII.--Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den +voorvluchtigen van Aartheim handelt + +Hoofdstuk XXIII.--Waarin de lezer een geruimen tijd in het Kerkerhol +van Chillon moet verzuchten + +Hoofdstuk XXIV.--Geleidt de reizigers van Geneve over Sallenches naar +Chamounix en vandaar naar Martigny, en is eenigszins in afgebroken +journaalstijl geschreven + +Hoofdstuk XXV.--Waarin aangetoond wordt, dat een interessante tour +niet altijd een gemakkelijke is + +Hoofdstuk XXVI.--Waaruit blijkt, dat de reisavonturen van Joachim +Polsbroekerwoud nog na zijne aankomst te Milaan vervolgd worden + +Hoofdstuk XXVII.--Waarin veel beredeneerd en weinig bewezen +wordt, en waarin de reizigers eene herberg aantreffen, waar op +het uithangbord _vrij wijn_ niet maar voor de leus geschreven +is + +Hoofdstuk XXVIII.--Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is, +te digt langs een afgrond te wandelen + +Hoofdstuk XXIX.--Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar +dat de lezer zonder oponthoud kan eindigen + +Hoofdstuk XXX.--Waarin Pols een zeer mooijen _coup de theatre_ +ziet mislukken, en waarin Torteltak eene dame in haar rijtuig +helpt + +Hoofdstuk XXXI.--Waarin een heer zeer vroolijk en een ander zeer +melancholiek wordt + +Hoofdstuk XXXII.--Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor +de Nederlanders in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het +bijzonder + +Hoofdstuk XXXIII.--Hetwelk misschien voor sommige lezers zal +ophelderen, wat het titelvignet voorstelt + +Hoofdstuk XXXIV.--Waarin van Aartheim eene zeer treurige ontmoeting +heeft + +Hoofdstuk XXXV.--Hetwelk het laatste is, behalve voor degenen, +die al voorlang de lectuur dezer reisontmoetingen hebben afgebroken + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Reisontmoetingen van Joachim +Polsbroekerwoud en zijne Vrienden, by Vlerk + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REISONTMOETINGEN VAN JOACHIM *** + +***** This file should be named 26100-8.txt or 26100-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/6/1/0/26100/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
