summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/26100-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '26100-8.txt')
-rw-r--r--26100-8.txt14130
1 files changed, 14130 insertions, 0 deletions
diff --git a/26100-8.txt b/26100-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d383841
--- /dev/null
+++ b/26100-8.txt
@@ -0,0 +1,14130 @@
+The Project Gutenberg EBook of Reisontmoetingen van Joachim
+Polsbroekerwoud en zijne Vrienden, by Vlerk
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden
+
+Author: Vlerk
+
+Commentator: W.F.C. van Laak
+
+Release Date: July 21, 2008 [EBook #26100]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REISONTMOETINGEN VAN JOACHIM ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ REISONTMOETINGEN
+
+ VAN
+
+ JOACHIM POLSBROEKERWOUD
+
+ en zijne Vrienden.
+
+ Uitgegeven
+ door
+
+ VLERK.
+
+
+
+ Geïllustreerd.
+
+ Arnhem--Nijmegen,
+
+ Gebrs. E. & M. Cohen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Gedrukt bij Karel F. Misset, Arnhem.
+
+
+
+
+
+
+Voorwoord.
+
+
+De "Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden"
+werden in 1840 te Amsterdam voor het eerst uitgegeven. In twaalf
+nummers van 24 bladzijden kwamen de afleveringen uit, elk voorzien
+van eene plaat en van een omslag met geestige randversiering.
+
+Het geheel valt merkwaardig in het genre van Dickens: hoofdonderwerp,
+stemming, stijl, platen en titelversiering. Bij den eersten oogopslag
+herkent men de uitgave van de Pickwick! Hendrik Frijlink te Amsterdam,
+die deze twaalf afleveringen à 30 cents uitgaf, heeft gezorgd voor
+eene keurige en smaakvolle uitvoering, weelderig genoeg voor dien
+tijd, terwijl de octavobladzijden met eene kleine, maar fraaie,
+scherpgeteekende letter zijn afgedrukt. Een boek, dat f 3,60 gekost
+heeft en dat dus den uitgever van het Leeskabinet tot eer en tot
+voordeel kon strekken.
+
+Hoe ging mijn hart open, toen ik die afleveringen na eene halve eeuw
+wederzag! In mijn prille jeugd had ik ze op eene bovenkamer in mijn
+vaders huis tusschen andere letterkundige en nuttige boeken gevonden
+en voor den dag gehaald. Gij kunt begrijpen, dat een knaap van een
+tiental of een twaalftal jaren het eerst naar de boeken grijpt, die
+door prentwerk aantrekkelijk gemaakt zijn! Ik kende toen reeds het een
+en ander van Dickens uit de vertaling, die in tal van afleveringen
+van het "Leeskabinet" voorkwam, een allergezelligst maandschrift,
+dat ook door Frijlink uitgegeven werd en waarvan enkele jaargangen op
+denzelfden zolder lagen opgestapeld. De platen in het Leeskabinet en
+die van de "Reisontmoetingen" hadden iets van elkaar en zoo meende ik
+toen reeds iets van de navolging te bespeuren. De prentjes brachten
+mij aan 't lezen; ik las toen rijp en groen, en de humor van dit boek
+boeide mij.
+
+Die humor deed mij te meer pleizier, omdat ik er weldra eenige
+inlichtingen bij ontving van vader en moeder.
+
+Ja, ja, zoo werd mij gezegd, dat was dat grappige boek van Oome
+Bernard, van Bernard Gewin, die het als student of proponent geschreven
+had en die nu reeds lang een deftig predikant was.
+
+De schrijver was wel niet rechtstreeks van de familie, maar het
+scheelde toch niet veel, want hij was de zwager van eene tante van
+mij. Hij kwam als student nog al eens op de pastorie te Oudshoorn
+bij Leiden een bezoek brengen en was dan zeer vriendelijk voor mijne
+zuster, toenmaals nog een kind. "Oome Bernard",--zoo werd hij nog
+dikwijls genoemd--was dus een huisvriend, aan wien men ook later
+gaarne dacht. Hij studeerde te Leiden in dezelfde jaren, toen daar
+ook nog twee andere Theologen waren, zijne vrienden Nicolaas Beets
+en Johannes Petrus Hasebroek; dit drietal ging ook vriendschappelijk
+om met J. Kneppelhout, die evenwel een jurist was, zonder examens
+te doen. Zij vormden een soort van clubje en hielden veel van
+letterkunde. Zij hadden als talentvolle jonge mannen iets later elk
+een boek geschreven onder een' aangenomen naam. De een was Hildebrand,
+de ander Jonathan, de derde trad op als Klikspaan.
+
+Hij, Gewin, had den naam van Vlerk aangenomen. Toen zij, of ten minste
+een paar van hen, een reisje langs den Rijn en naar Zwitserland gedaan
+hadden, had Gewin daar eene beschrijving van gemaakt, natuurlijk met
+allerlei bijwerk en verandering van namen en omstandigheden.
+
+Die goede, vroolijke Gewin was een liefhebber van grappen. Had hij
+niet als student een' grooten brief aan mijne ouders geschreven, een'
+brief zoo ontzaglijk, dat het vel sterk en dik papier wel eene geheele
+tafel bedekte? Daarin had hij schertsend in Bijbelstijl, in de tale
+Kanaäns, allerhande nieuwtjes medegedeeld, aardig te zamengebracht,
+met geestige afwisseling van het een op het ander overgaand.
+
+
+
+Nu ligt dat boek over Polsbroekerwoud hier voor mij als eene
+vriendelijke herinnering aan de roemvolle dagen der vernieuwing
+onzer Letterkunde.
+
+Het werk is zeldzaam geworden. Het zou menigeen moeilijk vallen er een
+tweede exemplaar naast te leggen! Zelfs oude bezitters van dit werk
+zijn het allengs kwijt geraakt. Ook wijlen de Heer J. Kneppelhout
+op den Hemelschen Berg bij Oosterbeek, niet ver van Arnhem, had het
+vroeger in zijne boekerij, maar het is er niet meer te vinden: een
+herdruk is het eenige middel om het aan de leesgrage wereld weder in
+handen te spelen.
+
+Buitendien is een herdruk niet ongewettigd. Dit boek immers
+vertegenwoordigt met eenige andere uit denzelfden tijd, een belangrijk
+tijdperk uit de geschiedenis onzer vaderlandsche Letterkunde.
+
+Ik denk hier aan het optreden der Romantische school in ons land. Met
+het woord school bedoel ik hier eigenlijk alleen eene richting,
+een overhellen tot wat toenmaals nieuw was in Europa.
+
+Sedert de dagen der zestiende en zeventiende eeuw, de bekende
+Herleving der Letteren, was de geestdrift voor het schoone der
+Klassieke Grieksche en Romeinsche oudheid eenigszins bekoeld.
+
+De navolging op slaafschen trant van steeds dezelfde verhalen in
+telkens denzelfden vorm begon bij mannen van gunstigen aanleg walging
+te verwekken. Geruimen tijd had men begrepen, dat de wereldbeschouwing
+en de nieuwerwetsche gevoelens evenals de met het heidendom van Rome
+en Griekenland niet meer strookende begrippen onmogelijk in de oude
+phraseologie te persen waren. De geleerden hadden het weliswaar nog
+lang volgehouden er behagen in te scheppen, als zij eenige volzinnen
+tegenkwamen, die geheel of gedeeltelijk uit de oude schrijvers vertaald
+of nagevolgd waren, maar het groote publiek bleef daar koud voor en
+liet zich op den duur niet bedotten.
+
+Ook zij, die met de oude letteren niet bekend waren, begonnen in de
+nieuwe talen als dichters en schrijvers roem te oogsten. Sommigen
+werden alom gevierd, ja wereldberoemd, die nooit Grieksch of Latijn
+hadden verstaan.
+
+Andere voortbrengselen van den menschelijken geest begonnen daarom
+meer de aandacht te trekken. Zoowel de stukken oude poëzie uit de
+Middeleeuwen, als andere uitingen van het Europeesche genie werden nog
+eens voor den dag gehaald en geprezen. Stukken, die in den boezem des
+volks waren ontstaan en die menigmaal onder de mindere bevolking in
+onooglijke blauwbloekjes een bijna verborgen leven leidden, ja, die
+soms in de verhalen der dorpelingen een gebrekkig voortbestaan hadden
+gevonden of slechts leefden in den mond der zangers in achterhoeken
+of kermisbuurten, zulke stukken nationaal volksleven waren reeds lang
+in Frankrijk en later in Engeland en Duitschland door geleerden of
+wijzen aan de kenners aangeprezen. Deze werden nu voortaan bestudeerd.
+
+Poëzie scheen iets nationaals te zijn geworden en bleef niet langer
+een soort van geleerdheid van een enkel individu, behoorende tot de
+"Republiek der Letteren".
+
+En toch bleek ook weder, dat de Poëzie iets internationaals was, meer
+dan eenige zaak ter wereld. Maar men lette nu ook op de dichters van
+het verre Oosten en legde opnieuw de hand op den ouden, bekenden
+Bijbel, maar om daar het _menschelijke_ te bestudeeren, als een
+product van dezelfde dichterlijke geestdrift, die ook elders werkzaam
+geweest was. Men stelde zelfs eene vergelijking in van het schoone,
+dat zich overal bij Perzen en Indiërs, bij Mohammedanen en heidenen
+evenals bij de oudste Germaansche stammen had voorgedaan.
+
+Ja, overal had men poëzie gevonden, en alle volken hadden, zoo bewees
+men, hunne eigen opvattingen en vormen gehad, en zelf gevonden, terwijl
+het eene volk niet uitsluitend een voorrecht bezat boven alle andere.
+
+Zoo werd nu niet langer _de tijd der Middeleeuwen_ verwaarloosd en in
+de verschillende landen werd _het echt nationale_ weder opgezocht. De
+deftigheid en stijfheid, die men zich eigen had gemaakt, denkende,
+dat dit bij de Grieken en Romeinen zoo was en die men dus ook had
+willen nabootsen als de eenige, ware, orthodox klassieke manier,
+ze werd eenvoudig uitgelachen en ter zijde gesteld.
+
+_De natuur_, die men niet meer door de oogen der Grieken of Romeinen,
+der geleerden of pedanten bekijken wilde, maar die de gansche wereld
+door Buffon had leeren kennen en door Rousseau had leeren liefhebben,
+de natuur, en _de rede_, beide door de Fransche omwenteling op den
+troon gezet, ze werden voortaan met ongekende geestdrift als eene
+nieuwe ontdekking geprezen en gevierd.
+
+Er was een geslacht opgetreden, dat groote dingen had gedaan of
+groote omwentelingen had bijgewoond en eene reuzenworsteling had
+doorleefd. Met den durf der vermetelheid werd veel over boord geworpen,
+dat lang voor heilig en onaantastbaar gegolden had.
+
+Geen wonder dat men lachte met de regelen der klassiek gevormde
+geleerden, dat men brak met de uitspraken van Boileau, dat de
+Fransche Académie niet meer alle gezag behield en dat men in brutalen
+overmoed of dichterlijke dweepzucht alle vormen schond van conventie
+of pruikendienst.
+
+Het was in de hoogste mate schokkend voor sommige bedeesde zielen,
+maar er was niets meer aan te doen: een ongekende maat van _vrijheid_
+begon zich overal baan te breken.
+
+Het proza en de poëzie vertoonden er dagelijks de sporen van.
+
+Wij stippen slechts even aan, wat er gebeurde in de drie voorname
+genres van letterkunde: in 't lyrische, in 't epische en in 't
+dramatische deel der moderne poëzie.
+
+
+
+Daar, waar de dichter zijn eigen gevoel te kennen wilde geven, zijn
+vreugde en zijn leed, had hij het steeds gedaan en bleef hij dat doen
+naar de mate zijner kracht. Maar met een hartstocht, nimmer voorheen
+vertoond, trok hij zich thans de meest onderscheidene dingen aan,
+verheugde zich met al wat op aarde schoon, goed of waar was en was in
+zijn gansche ziel geroerd over 't minste dat betreurd kon worden in
+'t rijke leven van plant, dier of mensch. Zelfs 't leven van gesteenten
+en delfstoffen in hun opkomen en vergaan scheen eene echo te vinden in
+'t kloppen van 's dichters hart. Zoo was het op 't gebied der _Lyriek_.
+
+Waar zich in vroeger jaren de schrijver voornamelijk beijverde
+avonturen van oorlog of liefde als geheel persoonlijk te schilderen
+en alleen in hoogsten ernst te behandelen, daar werd voortaan in den
+roman het _nationale_ opgezocht, de _historische waarheid_ weergegeven,
+de _plaatselijke kleur_ aangebracht en _de humor_ van den schrijver
+geopenbaard. Zoo werd _het epische_ geheel tot iets anders gemaakt.
+
+Met het Tooneel ging men nog veel meer revolutionair te werk. De oude
+comedie was niets dan scherts geweest, de klassieke tragedie niets
+dan hooge ernst.
+
+Reeds de achttiende eeuw begon met de drama's van Shakespeare op te
+hemelen en alle eer werd hun weldra gegund: die drama's hadden weinig
+gemeens met de oude Grieksche en werden meer en meer als voorbeelden
+van dichterlijk schoon gehuldigd.
+
+Het werd een vast gebruik, dat geestigheden en vroolijke zetten niet
+geweerd behoefden te worden uit welk tooneelstuk dan ook. Niet de
+vorsten alleen bleven de helden der ernstigste stukken, ook de kleinen
+en armen werden soms onder de hoofdpersonen opgenomen. De tijd, waarin
+de gebeurtenissen plaats hadden, werd geheel genomen, zooals men het
+noodig oordeelde, zoodat een tiental van jaren soms verliep tusschen
+het eene bedrijf en het ander. De schrijvers durfden alles te doen,
+wat zij maar wilden.
+
+Groote dichters waren daarin voorgegaan. Zoo werd het Drama aan
+willekeur prijsgegeven.
+
+Onder de mannen, wier naam verbonden werd aan al deze vernieuwingen of
+aan sommige er van, werden met evenveel geestdrift als bewondering
+Byron en Walter Scott genoemd, Goethe en Schiller, Lamartine en
+Victor Hugo.
+
+
+
+Geen wonder, dat menig student aan onze Akademiën een groot deel van
+zijnen tijd afzonderde om te doen wat men noemde met eene uitdrukking,
+die niet meer tot dien tijd behoorde: "offeren aan de Muzen!"
+
+Zooals de jongelui in de zestiende eeuw, die in de nationale
+letterkunde van hunnen tijd slechts wansmaak en gebrek aan stijl
+konden aantreffen, zich met hartstocht wierpen op de schriften der
+Grieken en Romeinen, zoo wilden de beschaafde jongelui in de jaren
+van 20 tot 40 der negentiende eeuw, de geniale schrijvers, daareven
+opgenoemd, als de hoofdleiders erkennen van allen goeden smaak en
+als de profeten van het ware, schoone en goede.
+
+Zelfs Bilderdijks leerlingen en bewonderaars moesten naar deze groote
+geesten luisteren.
+
+
+
+De vier Leidsche studenten, in den aanvang van deze inleiding genoemd,
+dweepten met de helden der nieuwe letterkundige richting. Zij lazen
+zoo mogelijk ieder nieuw geschrift, dat in denzelfden geest viel en zij
+schaamden zich niet de producten uit den vreemde te importeeren. Menige
+bladzijde, die hen aantrok, werd vertaald, menige, gedachte, die hen
+trof, werd overgenomen! Ja, zij oefenden zich onwillekeurig in het
+navolgen van dezelfde wijze van doen.
+
+Wat Jacob van Lennep en Izaäk da Costa niet hadden kunnen laten,
+hoe zouden Hildebrand, Klikspaan en Jonathan dat hebben kunnen doen?
+
+Hildebrand en Jonathan waren in hunne prozavorming geheel onder den
+indruk geraakt van wat de Engelschen _humor_ hebben genoemd. Het was
+dat spelen van den geest met den ernst en met de scherts, met het
+groote en het kleine, met het roerende en het potsierlijke. Het was
+het opmerken van de waarheid en van het natuurlijke in alle dingen
+en onder iedere omstandigheid. Het was vooral de wijsheid van den
+hoogontwikkelde en daarmede gepaard de hartelijkheid en innigheid
+van den zedelijk gemoedelijken mensch.
+
+Zij, de toekomstige Zondagspredikers, men zou haast zeggen: bij de
+gratie Gods, ze konden niet de gelegenheid verloren laten gaan om
+in het letterkundige alledagpredikers te worden door hun vriendelijk
+humoristische critiek op het dagelijksch leven van vele alledaagsche
+menschenkinderen in hunne omgeving.
+
+Al heeft hun vriend Vlerk het niet zoover gebracht in het aantal
+herdrukken tot nog toe als zij, zoo moeten wij hem toch in éénen adem
+met hen noemen.
+
+Hoe men hem ook beoordeele,--en een man als Potgieter, eens de criticus
+van "de Gids", beoordeelde hem niet zacht, Vlerk heeft nog meer dan
+zijne vrienden getoond in welke letterkundige atmosfeer hij leefde.
+
+Hij schijnt zich te hebben voorgesteld in dit boek over Polsbroekerwoud
+en zijne vrienden bij elkander te geven ongeveer al wat de Romantiek
+in dien tijd eigenaardigs had.
+
+Eigen, persoonlijke opmerkingen overal, humoristische uitweidingen,
+afgewisseld door de stelselmatige opsomming van de vier of vijf
+oordeelvellingen der vier of vijf reizigers omtrent al wat ze zien
+of beleven. Daarbij de zoete dweperij van een der vrienden, die een
+echt ontvlambaar jong hart bezit. Tot tegenstelling laat zich bij
+iedere gelegenheid de zwaartillende Holstaff hooren, die de donkerste
+schakeeringen der melancholie alom weet aan te brengen met een stillen
+wellust, eene betere zaak overwaardig. Dat alles gelijkt nu en dan op
+een van te voren opgemaakt stelsel, dat in alle onderdeelen uitgevoerd
+is naar een onwrikbaar besluit.
+
+Zoo moeten er dan ook onverwachte avonturen plaatshebben, schaking,
+moeite met de policie en minstens één erg hartstochtelijk, hoogst
+tragisch tooneel. De persoon van Polsbroekerwoud wandelt tusschen dat
+alles door als een type van het oude Hollandsche burgermannetje. Dat
+hij een der gepromoveerde vrienden is, gewezen student en Rotterdammer
+van geboorte, is misschien eene kleine vergissing, want hij is veeleer
+een jongere broeder van Stastok, dan een vriend uit den kring van
+Hildebrand.
+
+Doch, zooals hij daar treilt en zeilt, is hij een van de personen,
+die leven brengen en afwisseling in deze Romantische brouwerij.
+
+Het zal menigeen niet berouwen deze reisontmoetingen te hebben ter
+hand genomen, ja enkelen zullen met dankbaarheid in den schrijver den
+opgeruimden zin herkennen van Veervlug zelven, die onder den naam
+van Vlerk al zijnen humor heeft willen laten uitrazen, vóórdat hij
+als Bernard Gewin een beroep aanvaardde naar een stil en nederig dorp.
+
+Sic transit gloria mundi!
+
+Hij zal weldra aan andere dingen moeten denken. "Nu moet ik Pols
+nog afmaken, want Frijlink wil absoluut, dat het afkomt. Uit zijn
+boekverkopersoogen gezien, heeft hij gelijk. Ik wou dat het uit was"
+zoo schrijft hij aan zijnen vriend Kneppelhout. En een weinig verder:
+"Wat zitten die vrienden H. en B. stil. Daar komt nooit meer iets
+van hen uit." Dit doelt natuurlijk op Hasebroek en Beets, reeds lang
+voór hem op hunne dorpspastorie. Nu, in deze vergiste hij zich: er
+zou nog wel iets van hen uitkomen. Maar van Vlerk zou de Pers niets
+meer zien. "Ik bewaar liefst mijn incognito", schrijft hij in een'
+anderen brief aan den man, die nooit zou ophouden te schrijven,
+dan wanneer het hem onmogelijk worden zou.
+
+Voortaan zou Bernard Gewin de deftigheid bewaren voor het groote
+publiek en doen alsof hij nooit den luchtigen Vlerk gekend had.
+
+
+ Arnhem, Augustus 1902.
+
+ W. F. C. van Laak.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+ Kennismaking met de Hoofdpersonen.
+
+
+Ik ken vreemdelingen, die, van de Schiezijde Rotterdam binnenkomende,
+volstrekt niet verrukt waren over de entrée van den Oppert. En toch,
+de straat is lang en nauw en drok, de huizen zijn hoog en smal,
+en in een aantal derzelve wordt een koek- of broodbakkersaffaire
+uitgeoefend; eene menigte niet al te zindelijk gekleede kinderen
+beweegt zich op de stoepen, en vele moeders, die Mietje of Jantje of
+Klaasje roepen, stellen hare longen op eene zware proef, daar bijna
+altijd overrijwagens, met rammelend ijzer beladen, over de ongelijke
+keisteenen voortrollen. Zoo is het evenwel alleen in het begin: een
+weinig verder is het gewoel minder en ziet men deftige woningen het
+hooge dak verheffen, en vooral aan de zijde van het Turfmarktje zijn
+er zulke, dat men verwonderd staat, hoe zij in dit gedeelte der stad
+zijn verdwaald geraakt.
+
+Die verwondering houdt evenwel op wanneer men bespeurt, dat deze huizen
+van achteren aan de vaart voor groente- en marktschepen uitkomen,
+en dat aan de meesten een houtvlotje annex is, op palen in het water
+vastgeheid. Deze vlotjes zijn met hekjes omgeven, en over die hekjes
+hangen gewoonlijk theedoeken of luiers te droogen, en achter die
+doeken staan potten met bloemen en hier en daar eene tuinbank, en om
+de illusie nog te vermeerderen, hangt aan sommige achtermuren eene
+leeuwerikkooi of duiventil. Dit alles hebben de Oppertbewoners aan de
+Turfmarktzijde vooruit boven de Oppertbewoners aan de Slijkvaartzijde.
+
+Het was dus niet vreemd, dat de oude Heer Polsbroekerwoud, toen
+hij na vele jaren handelens rijk was geworden, de weinige jaren,
+die hem tot rusten overbleven, besloot door te brengen in een huis,
+met houtvlot en erve, gelegen aan de oostzijde van den Oppert. Hoe
+gaarne had de goede grijsaard daar in zijn eigen woning zijne gade,
+die met hem had gezwoegd en met hem was oud geworden, bij zich
+gezien! Maar helaas! daags na den aankoop van het huis, stierf zij;
+zij zag Kanaän, en mogt het niet binnengaan. Eenzaam leefde hij dus,
+maar toch gerust en gelukkig, en in de zomervacantie kwam zijn eenige
+zoon, die een geleerde moest worden, en dus in Leyden op kamers woonde,
+zijne rust met hem deelen. Acht jaren mogt de oude man al dat geluk
+smaken. Elken dag zagen de buren hem op zijne buitenplaats, zoo als hij
+zijn houtvlotje noemde, te voorschijn komen, en met welgevallen staren
+op zijne potjes met palm, primula veris, goudsbloemen en balsamines,
+die elkander afwisselden en tusschen de groenhouten bakken met oguba
+en hortensia waren geplaatst.--En toen hij nu op een zomer-avond,
+onverwacht en zonder smart, op zijne buitenplaats de eeuwige rust
+inging, was hij gelukkig in het denkbeeld, dat zijn lieve Joachim,
+die juist volleerd van de Akademie was te huis gekomen, de vruchten van
+zijnen arbeid mogt plukken, en een zorgeloos en rustig leven leiden.
+
+En Joachim, die goed was als zijn vader, en rust beminnend als deze
+in het laatst van zijn leven, en huishoudelijk als zijne moeder,
+betrok de woning in den Oppert. Daar leefde hij een weinig minder
+eenvoudig dan de oude Heer, daar hij aan de Akademie geleerd had,
+dat een mensch meer noodig heeft, dan een burgerman wel vermoedt;
+maar toch, hij was matig en bedaard. Hij behoorde tot die gelukkigen,
+die verwonderlijk weinig hartstogten te bestrijden hebben, die eene
+gemakkelijke ledigheid de aangenaamste occupatie rekenen, en die even
+weinig dorst naar genot als naar kennis hebben.
+
+Op een warmen zomer-avond, eenige jaren na zijne komst in Rotterdam,
+liep onze vriend de tuinkamer langzaam op en neder, en liet met
+welgevallen zijn oog gaan op de keurige rangschikking van vijf Goudsche
+pijpen, die met tabaksdoos, komfoor en andere rookbehoeften op de
+tafel waren geplaatst. Eene flesch Rijnwijn, die den hoogdravenden
+naam _Johannisberger_ op de etiquette voerde, maar, blijkens den prijs
+en de onbekrompen vermenging met waterdeelen, waarschijnlijk niet uit
+den slotkelder van Metternich ontboden was, stond, door een vijftal
+groene glazen omringd, op een blaadje, naast de pijpen, op de tafel.
+
+"Heeft Mijnheer nu nog iets verders te belasten?" vroeg Mijntje
+binnenkomende, terwijl zij met haar voorschoot een overgebleven stofje
+van een mahonijhouten stoel verwijderde.
+
+Mijntje was eene bedaagde dienstmaagd, die reeds bij den ouden Heer
+Polsbroekerwoud gewoond had, die met vele andere zaken aan Joachim
+als erfdeel was nagelaten, en steeds met een oog van welgevallen den
+Jongenheer Joachim aanschouwde, dien zij, o zoo klein! had gekend, en
+nog wel op den arm had gedragen. De Jongeheer was evenwel sinds dien
+tijd veel veranderd, want hij was nu een volwassen (schoon nog geen
+vijf voeten lang) persoon van 34 jaren; maar Mijntje was nog dezelfde,
+althans in hare gedachten, schoon de bakkersknecht zoo veel praatjes
+niet meer met haar maakte, en de slager niet meer zoo ondeugend was
+als voor 32 jaren. Maar in trouw en eerlijkheid en liefde voor de
+familie Polsbroekerwoud was waarlijk Mijntje nog dezelfde.
+
+"Ik dank u, kind!" zeide Joachim, terwijl hij een knoop van zijn
+lichtblaauw jasje losmaakte, waardoor zijn zwart cachemiren vest
+zich geheel vertoonde, zonder evenwel iets meer van den merinossen
+(luchtigen en toch deftigen) pantalon te doen zien. "Ik dank u;
+de Heeren kunnen nu komen, als zij willen."
+
+Dit konden evenwel de Heeren, die verwacht werden, niet; want zij zaten
+in de diligence, die naar Rotterdam reed, en de aankomst aldaar hing
+meer af van den voerman, die de paarden voortzweepte, of misschien
+van de paarden, die aan de zweepslagen lang gewoon waren, dan van
+den wil der in de builkast voorthotsende Heeren.
+
+"Maar, Mijntje!" dus ging Joachim voort: "gij weet nu, dat wij morgen
+op reis gaan." (Dit gezegde van Joachim was volkomen overbodig, daar
+Mijntje het reeds wist, toen voor vier maanden het reisplan gemaakt
+was, daar zij het daarenboven in de laatste dagen bij het inpakken
+van ieder stuk reisgoed had gehoord, daar zij bij elke commissie had
+moeten zeggen, dat het haast had, omdat Mijnheer Donderdag op reis
+ging, enz.) "Dus, Mijntje! is nu alles goed in orde?"
+
+"Ja, Mijnheer! alles is klaar; uw koffer gepakt; uw valies gesloten;
+op uw ransel heb ik de laarzen gebonden. Maar ... wat ik zeggen wilde,
+Mijnheer! daar is hier eene houten pijp bezorgd. Is dat ook voor
+Mijnheer? UE. rookt immers niet?"
+
+"Ja, kind! dat is nu wel zoo, maar op reis leert men dat misschien
+aan. En hier in dit land kan men al die dingen zoo goed krijgen. In
+Duitschland weet ik niet, of ze wel van die moffenpijpen verkoopen. In
+allen gevalle, ik hèb ze nu vast. Steek ze maar in het zijzakje van
+mijn ransel."
+
+Daar werd gescheld; Polsbroekerwoud keek door het raam naar beneden,
+en zag de vier verwachte reis-compagnons op de stoep staan, terwijl
+Mijntje met ijver de trappen afslofte, om de voordeur open te doen.
+
+De Heeren nu, die gescheld hadden en per diligence van Haarlem en
+Leyden kwamen, om gezamenlijk met hunnen vriend Polsbroekerwoud
+een reisje naar Duitschland en Zwitserland te ondernemen, waren
+de volgende:
+
+Eduard van Torteltak, een jongeling van 23 jaren, schoon van aangezicht
+en bevallig van statuur, aardig in gezelschap, maar van die schoonheid
+en bevalligheid en aardigheid ook ten volle bewust. Hij had het
+reisplan, door een der vrienden geopperd, gretig aangenomen, ja wel,
+omdat hij gaarne Duitschland en Zwitserland ook eens zien wilde,
+maar toch ook, omdat hij het effect van zijn persoon op de vreemde
+meisjes wilde observeren. Daarom was het hem ook niet onaangenaam,
+dat de compagnons, die hij bij zich zag, alle kennelijk minder
+mooije jongens waren en zich met minder smaak kleedden dan hij. Hij
+had zijn zoogenaamd los en gemakkelijk reiskostuum aan, dat hem tot
+nog toe evenwel zeer ongemakkelijk was; want de polonaise, die zijne
+taille heerlijk deed uitkomen, deed ook menigen zweetdroppel, welke
+zich anders die moeite niet zou gegeven hebben, uit zijne poriën te
+voorschijn komen.
+
+August Holstaff, van den ouderdom van Torteltak, maar ook slechts in
+dit opzigt aan hem gelijk; want hij was een ingedrongen persoontje,
+op wiens gelaat monumenten voor eens geheerscht hebbende kinderpokken
+waren opgerigt. Hij had dan ook niet veel met zijn persoon op,
+gelijk hij trouwens met niemand hoog liep, die een gewoon en
+dragelijk gelukkig mensch was. Maar was men een weinig ongelukkig,
+bijzonder indien men smart van eenen poëtischen aard had, o! dan was
+hij medegevoelig en medelijdende. Maar hij bleef overigens, naar den
+smaak van ongelukkigen, wat al te lijdelijk. Hij gevoelde niets voor de
+natuur, zoolang de zon helder scheen; maar als de maan was opgegaan,
+dan was het heerlijk. Eene bloeijende roos trok zijne aandacht niet;
+maar waren de bladeren door een toeval, liefst door hagel, afgevallen,
+dan ... o, dan!--Een heerlijk gebouw ging hij met verachting voorbij;
+maar eene ruïne! ... o, eene ruïne!--Zijne vrienden verweten hem
+wel eens, dat hij voor niets dan voor ziekelijkheid sympathie had,
+en dat hij nooit een frisch, bevallig meisje, maar eene sukkelende,
+teringachtige schoonheid voor zijne gade zou verkiezen.--August
+Holstaff was anders een goed mensch, alleen een weinig onbruikbaar
+in de zamenleving. Hij had lange, geelblonde, sluike haren, en was
+nooit naar de mode gekleed.
+
+Jan Veervlug was, behalve Joachim Polsbroekerwoud, de oudste van het
+reisgezelschap. Hij was evenwel niet zulk een bedaard en bezadigd
+jongeling als deze, maar zeer opgewonden en vurig. Ontvankelijk voor
+den indruk van ieder oogenblik, uitte hij zich terstond, en was daarom
+niet altijd consequent; maar hij wist dit, en maakte daarop ook geen
+aanspraak. Hij gaf zichzelven geen rekenschap van de indrukken, die
+hij ontving, en bespaarde zich daardoor de onaangename gewaarwording
+van te ontdekken, dat hij met niets zijn voordeel gedaan had. Hij was
+een bewonderaar van al wat groot en edel was, omdat het hem trof. Hij
+staarde met verrukking schoone natuurtooneelen aan, wanneer ze niet
+te lang achtereen voor hem geopend waren: want slechts _en gros_ kon
+hij genieten; _en detail_ had hij er niets aan. Daarom was nieuwheid
+voor hem altijd eene bekoorlijkheid. Hij kon nooit luisteren naar de
+bezadigde taal van zijnen vriend Joachim, dat deze hem moeijelijk
+vergeven kon; trouwens, hij kon naar niemand luisteren, ook niet
+naar zichzelven. Hij las veel en onbegrijpelijk schielijk, omdat hij
+onbegrijpelijk onattent las. Hij dweepte met krachtige dichterlijke
+taal, maar ook met hoogdravende ondichterlijke bombast. Voor het
+overige had hij nu en dan een aardigen inval, maar hij studeerde veel
+op calembourgs, en vooral op namen.
+
+Dionysius de Morder had, behalve dat hij een weinig scheel zag, niets
+opmerkelijks. Hij was wel goed, maar had veel onaangenaams. Hij was
+wantrouwend en ontevreden. Somwijlen in kleine dingen teleurgesteld,
+had hij het zich in het hoofd gebragt, dat hij in alles moest
+teleurgesteld worden. Gebeurde dit nu en dan, o ja! hij had het
+wel gedacht! Maar gebeurde het niet, en liep alles mee, dan was
+hij ontevreden, omdat het niet uitkwam, zooals hij gedacht had. Hoe
+het ook ging, daar hij nooit het aangename en gelukkige opmerkte,
+maar zich bij voorkeur bij het contrarie bepaalde, scheen hij,
+anderen gelukkig en vroolijk ziende, zichzelven toe een rampzalige
+speelbal van een balsturig noodlot te zijn. Daar hij bij dat alles
+scheel zag, meende hij, dat alle menschen hem scheel aanzagen. Zag
+hij fluisteren, hij vreesde dupe te wezen; hoorde hij een gesprek,
+waarvan hij het onderwerp niet begreep, men zou hem wel bespotten. Dit
+een en ander maakte, dat de man voor zichzelven niet direct gelukkig
+was; hij was dan ook zoo gewoon, om zich ongelukkig te gevoelen en
+alle smarten en rampen als zijn privaat erfdeel te beschouwen, dat,
+was er iemand, die zijn been brak, hij zich verwonderde, dat hij zelf
+nog gaan kon. Brandde er een huis af, hij begreep niet door welk
+toeval het zijne gespaard was. Met dat al, hij was goed en hield
+veel van zijne vrienden, deed zelf niemand iets onaangenaams aan,
+en was tevreden, als hij op den duur maar iemand had, die zijne
+klagten wilden aanhooren. Hij ging nu reizen, schoon hij overtuigd
+was, dat allerhande akelige reisontmoetingen zijn deel zouden zijn;
+dat het weer voortdurend slecht zou wezen, diligences zouden breken,
+logementen afbranden, steden overstroomd worden, rotsklompen hem zouden
+verpletteren, sneeuwvallen op hem neerstorten, gidsen moorddadige
+aanslagen doen, rooverbenden hem uitplunderen, en eindelijk dat niets
+van hetgeen hij zien zou, mooi of belangrijk zou wezen, juist omdat
+hij het zich mooi of belangrijk had voorgesteld.
+
+Deze waren de personen, die vergezeld van koffers, valiezen en ransels,
+zich op de stoep bij den Heer Joachim Polsbroekerwoud bevonden, en,
+na door Mijntje te zijn opengedaan, niet zonder gedruisch te trappen
+opstoven.
+
+"Dag, Pols! Dag, Pols! Dag, Joachim!" klonk het uit vier monden
+te gelijk.
+
+"Dag, goede vrienden!" zei Pols zeer goedig; en nu--om iets te zeggen,
+dat waar doch onnoodig was, want Polsbroekerwoud zei gaarne iets dat
+waar doch onnoodig was--"de diligence is, dunkt mij, juist op zijn
+tijd aan."
+
+"Dat moet wel zijn," zei Holstaff, "want de koetsier sloeg de paarden
+onmenschelijk. Ik had in mijne ziel deernis met de arme dieren. Ik
+dacht, dat zij zich dood zouden loopen."
+
+"Als zij dan dood toch maar geloopen hadden," zei Veervlug, niet
+zonder dit gezegde nog al aardig te vinden.
+
+"Nu, die is goed, Jan!" zei Torteltak; "maar het stoof verduiveld in
+die menschendoos."
+
+"Dat komt," zei Joachim, "omdat het zeer warm geweest is en in geen
+vier dagen geregend heeft." Deze opmerking van Polsbroekerwoud was
+zeer juist.
+
+"Pols, wat zijn hier weinig mooie meisjes in de stad!" ging Torteltak
+voort; "ten minste, ik heb niets dan dagelijksche gezigtjes gezien."
+
+"Je moet ook op Zondag komen, om Zondaggezigtjes te zien," grinnikte
+Jan.
+
+"Ja, maar," redeneerde Dionysius de Morder, "het zou ook wel raar
+zijn, indien _wij_ juist de mooije meisjes gezien hadden. Ik houd
+mij verzekerd, dat er vele zullen zijn, maar die hebben zich juist,
+nu wij er zijn, niet vertoond. Het is of alles er op aangelegd wordt,
+om mij tegen te werken. Daar is nu het weer. Nu wij het niet noodig
+hadden, is het helder en mooi. Wacht maar! als wij het behoeven voor
+een heerlijke landstreek, dan zou het mij verwonderen als het niet
+regende of mistte."
+
+Deze redenering van Dionysius de Morder was zoo in zijn gewone manier
+en werd niet geïnterrumpeerd, daar Torteltak terwijl zijne polonaise
+met een klein zakborsteltje schoonmaakte, en zich niet kon begrijpen,
+dat de spiegel bij Polsbroekerwoud in zulk een donkeren hoek hing;
+daar Holstaff nog altijd aan de arme paarden dacht en zuchtte;
+Veervlug op een _jeu de mots_ peinsde, dat niet lukken wilde, en
+Joachim veel te goedhartig was, om iemand in de rede te vallen,
+en daarenboven niets wist om zijn vriend in een goede luim te brengen.
+
+Intusschen kwamen de Heeren tot zitten, tot pijpenrooken en tot
+Rijnwijndrinken. De goede Polsbroekerwoud voorzag in alle behoeften,
+en ging daarin met de meest mogelijke bedaardheid, maar tevens met
+zijne gewone bedrijvigheid te werk. Eindelijk kwam hij tot rust, en
+nu op zijn gemak gaande zitten, of liever op zijnen stoel wippende,
+hingen zijne beenen met eene zekere ongedwongenheid van dezelve neder,
+en eindigden in een paar groote voeten, met hooge schoenen omgeven,
+tusschen zich en den grond juist zooveel plaats overlatende, als een
+soort van voetbankje voor den particulier gemakkelijk zoude doen
+schijnen. Evenwel zonder voetbankje wist hij toch zijn evenwicht
+te houden, en daarom te gemakkelijker, daar hij zijn linkerarm om
+de achterleuning van zijn mahonijhouten stoel had geslagen. In die
+positie dacht het aan Joachim Polsbroekerwoud goed, tot de verzamelde
+Heeren te zeggen: "En zoo gaan wij dan morgen op reis."
+
+En nu volgde een zeer lang discours tusschen de vijf reiscompagnons
+over allerhande zaken, die vroeger reeds besproken waren en nu
+nog nader werden bepaald. Nu onderzocht men elkander, of er niets
+vergeten was, en Joachim bleek degene te zijn, aan wiens equipement
+niets ontbrak; hij had in alles voorzien, wat maar ooit te pas kon
+komen. Zijne kleederen waren de kleinste, en toch was zijn koffer de
+grootste van allen; maar ook hij alleen had een potje Spijkerbalsem en
+een doosje linnen, indien een van zijn vrienden soms in Zwitserland van
+een berg mogt vallen en zich bezeeren; hij alleen had Hofmansdroppels,
+voor die zich niet zou bezeeren, maar schrikken; hij had Schotsche
+pillen en magnesia; veiligheidskoorden, indien er in een logement
+brand mogt komen; hulpmiddeltjes tegen ongedierte; bouillonkoekjes
+en poederchocolaad, en de Hemel weet, wat er meer in den koffer,
+het valies en den ransel van Joachim Polsbroekerwoud te vinden was.
+
+De reis zou den volgenden morgen per stoomboot beginnen. Pols had
+den klapperman doen waarschuwen, dat hij wekken zou; Veervlug wou
+opblijven; Torteltak vond, dat men dan te veel geëchaffeerd zou
+wezen. De opgewondenste van de reizigers dweepten over hetgeen
+zij zien zouden; de Morder bereidde zich voor op de hem wachtende
+teleurstellingen; Pols keek zijn lijstje van de beste logementen nog
+eens na.
+
+"Ha!" riep Veervlug uit: "daar zullen geen acht dagen verloopen zijn,
+voordat wij "het kleed van bloemen, wingertsblad en arien zaamgeweven,"
+waarmee Duitschland den koningsvloed omgordt, aanschouwen. Dan zullen
+wij den doorluchtigen Rhijn met de woorden van onzen grijzen Bard
+gegroeten:
+
+
+ "Gij schijnt een aerdsche regenboogh,
+ Gekleet met levendige kleuren,
+ En tart den hemelschen omhoogh,
+ Die hierom nijdigh schijnt te treuren.
+ De blaeuwe en purpre en witte druif
+ Verciert uw stedekroon en lokken,
+ En muskadelle wijngertkuif;
+ De vlieten staen met wijngertstokken
+ Rontom u, druipende van 't nat,
+ En offren elk hun watervat."
+
+
+"En dan," zuchtte Holstaff, "zullen wij op Rolandseck aan den getrouwen
+Ridder denken, die twee jaren uit zijne hermitage op Frauenwerth
+tuurde, waarin zijne geliefde Hildegond verkwijnde. En dan zullen
+wij den nacht in het somber en eerwaardig klooster van Nonnenwerth
+doorbrengen...."
+
+"Neen," viel Pols hem in; "daar is het duur en slecht. _Belle-Vue_
+te Godesberg is een oneindig beter logement."
+
+"Voor het goedkoop moet men nooit in hotels gaan," zei de Morder,
+"en al geeft ge handen met geld uit, 't is er nooit dragelijk, laat
+staan aangenaam."
+
+"Het meest stel ik mij voor," zei Torteltak, "van Ems en Baden-Baden,
+die ruime fashionable courzaals, die schitterende bals, en dan bovenal
+de lieve delicieuse badgasten, die coquette Françaises, die smachtende
+Duitschen, die levendige Italiënnes. Wacht maar, lieve kinderen! Wij
+spreken elkander nader:
+
+
+ "Quand mon coeur a fait un choix,
+ La belle doit se rendre."
+
+
+ging hij neuriënde voort, zijne donkere lokken opstrijkende.
+
+"En dan het Schwartzwald en de Rigi," ging Veervlug voort.
+
+"Als de Haarlemmerhout en de Hemelsche Berg maar niet interessanter
+zijn!" bromde de Morder. "Het zou mij verwonderen, als dat alles zoo
+heel mooi was."
+
+"Als wij daar de zon zien opgaan," ging Veervlug voort, "en dan
+langzamerhand die reuzengebergten in volle pracht en majesteit te
+voorschijn komen, en wij Zwitserland als ware het ééne vallei vol
+meeren en stroomen aan onze voeten zien."
+
+"Dat moet toch nog al een koude expeditie zijn," zei Pols; "ten minste
+ik heb wel gehoord, dat de reizigers zich dan van de wollen dekens
+als jassen bedienen."
+
+Veervlug hoorde hem niet, maar ging voort: "O mijne vrienden! als wij
+na afloop der reis nog eens bij elkander zitten, zooals wij hier zijn."
+
+"'t Zal wel wonder zijn, als wij allen behouden terugkomen," mompelde
+de Morder.
+
+"Dan zullen wij ons al die heerlijke tafereelen, die onze oogen
+aanschouwd hebben, nog eens voor den geest roepen. Dan verplaatsen
+wij ons nog eens op de Vierwaldstädtersee met haar water, helder als
+kristal en blauw als het azuur des hemels. Hoe zal dan onze verrukking
+zijn, als wij maar den naam _Zwitserland_ noemen!"
+
+Pols maakte een einde aan die uitroepen en bespiegelingen, door aan de
+vrienden te vragen, of zij van garnalen hielden, en gaf intusschen aan
+Mijntje den last, om die met de salade en het koude vleesch boven te
+brengen. Hij zou wel voor een soupétje gezorgd hebben, maar dat zou
+bezwarend zijn, en zij moesten vroeg op. De vrienden namen in alles
+genoegen, en na een en ander genuttigd te hebben, legden zij zich in
+ledekanten, bedsteden en kermis bedden neêr, en Polsbroekerwoud sliep
+in het volle vertrouwen in, dat de klapperman Mijntje, en Mijntje hem,
+kwart voor vier ure zou roepen, om klokke zeven op de stoomboot te
+kunnen zijn.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+ De stoomboot van Rotterdam naar Nijmegen.--Ontmoetingen met
+ bekende en onbekende personen.--Polsbroekerwoud occupeert zich
+ met vele menschen en zaken.--Torteltak wordt verliefd.--Veervlug
+ heeft onaangenaamheden.--Holstaff weent met de weenende.
+
+
+Polsbroekerwoud sliep evenwel weinig. Het denkbeeld van zulk
+eene reis te aanvaarden was voor den bedaarden burgerman te veel,
+dan dat hij daarvan het effect niet in zijne droomen zou gewaar
+worden. Voeg hierbij de garnalen, waarvan hij dol veel hield en die
+hij copieus gebruikt had, en gij zult u niet verwonderen, dat de man
+een slapeloozen nacht had, zich gedurig omkeerde, zijn hoofd uit het
+bed stak, om te zien of de dag nog niet aanbrak, en dan weêr poogde een
+klein slaapje te nemen. Maar als het hem dan na veel woelens gelukte,
+dan benauwden akelige droomen zijn geest: nu eens hoorde hij de schel
+van de stoomboot luiden, en hij kon onmogelijk klaar komen; dan weder
+kwam Mijntje, zoo hij meende, boven, daar hij wakker genoeg was,
+om te merken, dat hij nog geheel ontkleed was, en zij zag hem _en
+profond negligé_, en Mijntje bloosde, en Joachim zelf bloosde. Met
+een schrik ontwaakte hij, en gelukkig! hij was alleen, en het was nog
+donker. Niet voor op het laatst van den nacht sliep hij gerust in,
+en hij zou zich, met al zijne onrust en bezorgdheid, nog verslapen
+hebben, indien de nachtwacht niet aan de commissie van Mijntje en
+het toegezegde kwartje had gedacht. Maar toch, die publieke spreker,
+die altijd weet, dat hij weinige, en dan nog gewoonlijk slaperige of
+onopgewekte, toehoorders heeft, verlangt steeds, dat zijne welluidende
+stem gehoord en zijne vertrouwelijkheid met de stadsklok bekend worde
+aan wie het maar hooren wil, en bezit de middelen om zijne woorden
+ingang te doen vinden bij den hardnekkigsten sluimeraar. In 't kort,
+Mijntje was spoedig wakker en gekleed; ook Pols ontwaakte, toen de
+welbekende stem hem wekte, en eenigen tijd daarna zat hij met zijne
+vrienden aan de ontbijttafel, schoon de meesten bleek zagen, geeuwden,
+en er een was, die dat vroeg opstaan een akelig reisinconveniënt vond.
+
+Nu marcheerde het vijftal op. Mijntje kon nauwelijks een traan
+bedwingen, toen haar brave Heer voor zoo lang wegging, en dacht dat
+zij het wel eenig zou hebben. Pols vond Mijntje toch eene goede meid;
+de andere vrienden waren zeer weinig gevoelig voor hare verdiensten,
+en zeiden dus niets; maar allen stapten zij met stevigen tred naar
+de stoomboot: Pols zorgde voor de bagage, en nu wachtte men maar met
+ongeduld, tot het sein van vertrekken zou gegeven worden.
+
+In de meeste reisbeschrijvingen, die in de laatste jaren het licht
+zagen, staat aangeteekend, dat een opmerkzaam aanschouwer, bij het
+vertrek van diligences en stoombooten, veel kan opmerken omtrent
+karakters van menschen; dat men uit de wijze van afscheidnemen soms
+het doel der reize kan gissen enz. Zoo zal het nu dan ook geweest
+zijn, daar de stoomboot, met vele passagiers beladen, ook vele
+betrekkingen van die passagiers op den kant achterliet; maar daar
+geen onzer reizigers zich bepaaldelijk heeft bezig gehouden met de
+waarheid dezer opmerking te onderzoeken, heeft ook geen hunner mij
+iets bepaalds dienaangaande medegedeeld, hetwelk mij reden genoeg is
+om er hier niets bepaalds over neêr te schrijven.
+
+Ik zeide reeds, dat er vele passagiers aan boord waren. Met de meesten
+occupeerde de hofmeester zich meer dan onze vijf reizigers; sommigen
+evenwel zullen ons nader bekend worden. Onze vrienden vonden in 't
+begin, dat zij zich onderling genoeg konden bezighouden; maar--hoe
+het aankwam weet ik niet--het discours kwijnde spoedig. Nu en dan
+keek men naar een medereiziger, die een vreemden pet droeg, of door
+iets dergelijks attentie trok; men wandelde eens heen en weder;
+sommigen gingen eens beneden kijken, en zoo geraakten de vrienden
+langzamerhand uiteen, behalve Pols en Dionysius, daar de laatste in
+een lange redenering aan den eersten betoogde, dat eene stoomboot niet
+gauw voortging en een onaangenaam vaartuig was; dat eene diligence dan
+toch nog beter wijze van vervoer was, en dat men dan zoo geen nood
+had, dat de ketel sprong. Hij beweerde, dat de boot voor Sliedrecht
+wel zou vast raken, schoon het water nog al hoog was, en wat dies
+meer zij van aangename verwachtingen. Joachim luisterde lang, en
+wederlegde nu en dan eens met goedhartigheid, zonder evenwel ooit
+zijnen vriend tot andere gedachten te brengen.
+
+"Maar mijn lieve tijd!" (dit woord "lieve tijd" was een favoriet-woord
+van Pols, die, nooit vloekende, deze aanroeping aan den Tijd evenwel
+zeer gepast vond, en daardoor toonde, dat hij van het werkje der
+Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, _Schuitpraatje over het vloeken_,
+misschien eenig nut, maar van het _Koffiepraatje over de Stopwoorden_
+zeker geen nut gehad had) "maar mijn lieve tijd! is dat mijn vriend
+Dikhorst niet?" En werktuigelijk stak Pols zijn kleinen arm uit,
+en bood zijne hand den naderenden Dikhorst aan.
+
+Dikhorst nu was een van die menschen, die alleen geschikt zijn om
+op stoombooten, diligences of publieke plaatsen te ontmoeten. Ik
+geloof daarom niet, dat er velen waren, die iets _tegen_ den man
+hadden, maar ik zou ook niemand kunnen opnoemen, die iets bijzonders
+_voor_ hem gevoelde, behalve misschien zijn oude tante, wier eenige
+bloedverwant hij was,--zijn barbier, wiens hulp hij dagelijks
+behoefde,--en de hondenvriend, die tweemaal 's weeks zijn poedel,
+Caro geheeten, moest wasschen; want Dikhorst was even zindelijk op
+zijn hond, als op zichzelven, en dus kon men beiden tweemaal 's weeks
+gewasschen en helder aanschouwen. De man had in Leyden gestudeerd,
+en zes jaren lang daar met Caro geleefd. Hij dronk dagelijks een
+bittertje op de Societeit, wandelde elken middag, na op zijne kamer
+gegeten te hebben, een Leyderdorperhekje om, en wandelde nog veel
+meer, maar binnen de stad, doch altijd alleen vergezeld van Caro;
+zoodat men de gewoonte had, als men hen beiden zag aankomen, te
+zeggen: "Daar komt de club van Dikhorst aan!" Caro evenwel had,
+gedurende zijn verblijf in Leyden, veel conversatie aangeknoopt met
+andere Akademische honden. Men zou zich vergissen, indien men om dit
+alles dacht, dat de man volstrekt in verachting was. O neen! iedereen
+groette hem. "_Bonjour_, Dikhorst!" zeide elk oud en jong student,
+die hem tegenkwam; maar het viel niemand in, om nader kennis met hem
+te maken, en Dikhorst zelf scheen daaraan geen behoefte te hebben. In
+de Societeit vroeg hij wel eens om de post van de courant, keek nu en
+dan eens naar een paar dominospelers (schoon hij in zijn Akademietijd
+zich daaraan niet schuldig maakte, want Caro, veel ongeleerder dan zijn
+medepoedel, de beroemde Munito, verstond dat spel slecht), vroeg wel
+eens aan Toon, of er geen nieuws was, en verliet dan de Societeit,
+fluitende en roepende: "Hier, Caro!"--Polsbroekerwoud, die ook in
+Leyden gestudeerd had, Dikhorst gedurig op straat ontmoetende,--want
+ook hij wandelde veel--vond zich gedrongen om kennis met hem te
+maken. Op zekeren tijd liet hij zich op den Leyderdorpschen weg door
+hem achterhalen, en beantwoordde zijn groet van "_Bonjour_" met een:
+"Zoo, Dikhorst! hoe maakt gij het?"--Deze _recontre_ bevreemdde den
+baas en verbaasde den hond. De eerste kwam schichtig naar hem toe;
+de laatste snuffelende. Pols entameerde een discours, door het weêr
+in deszelfs aangezicht te prijzen,--zette dit voort, door naar Caro's
+ouderdom te informeren,--en zoo, daar een en ander beantwoord werd,
+wandelden de nieuwe vrienden de Hoogewoerdspoort binnen, over de
+dingen van den dag redenerende, in welke wijze van redeneren Pols
+ongemeen te huis was. Zoo kwamen zij voor de kamers van Joachim, die,
+nu stilhoudende, op eens tegen zijn wandelcompagnon zeide: "Gaat gij
+meê theedrinken?"--"Met plaisir," zeide de ander, die Caro riep; doch
+deze, hieraan ongewoon, wilde geen vreemden trap opklimmen, zoodat zijn
+baas gedwongen was hem naar boven te slepen. Maar nu bedacht Dikhorst
+zich onder weg, dat hij nog geen een der menigvuldige aangeknoopte en
+weêr afgebroken discoursen begonnen had, en hij rekende het zich tot
+pligt, ook iets in het midden te brengen. Daar hij nu een Litterator
+was, en nog al veel nieuwe Oude Litteratuur las (met regt de nieuwe
+Nieuwe litteratuur verachtende, als misselijke voortbrengselen van
+"Cabriolenmakers"), zei hij tot Pols, zoodra hij op de kamer kwam:
+"Kent ge Hirschig over _Seneca_?"
+
+Nu was deze vraag voor Joachim zeer moeijelijk te beantwoorden;
+want hoe goed Jurist hij ware, daar hij al de dictaten in het net
+overschreef, Litterator was hij niet. En daarenboven, door de menigte
+dictaten, die hij bezat, was hij langzamerhand in het denkbeeld
+geraakt, dat gedrukte boeken minder noodig waren voor studerenden,
+en had hij ook in die overtuiging het Kosterfeest met ongemeen
+weinig opgewondenheid gevierd. Maar zijne vriendschap voor sommige
+Boekverkoopers, bij wien hij nu en dan thee dronk, hield hem terug
+dit gevoelen aan anderen meê te deelen. Integendeel, hij had bij die
+theeschenkende vrienden vele titels van boeken gezien en hooren noemen,
+en maakte van die kennis nu en dan gebruik; maar helaas! Hirschig
+over _Seneca_ had hij nooit gezien, nooit hooren noemen. Wat nu te
+antwoorden? Ha! hij had nog, meende hij, met Hirschig gestudeerd,
+en dus kalm en peinzende zeide hij: "Hirschig, bij naam, ja."
+
+"Een gulden boeksken! een gulden boeksken!" zei de andere. "Hier,
+Caro!"
+
+Pols vond het ongepast dit discours verder voort te zetten, en door
+zijn gordijntje open te schuiven, kreeg hij aanleiding tot Dikhorst te
+zeggen: "Hoe vindt ge het uitzigt hier?"--Dikhorst vond het mooi; want
+door een hoekspiegeltje kon men de geheele Papengracht, van Gravenstein
+af tot de Breedestraat toe, zien. Pols vond het daarenboven nog al
+een kalme stand, niet te veel passage; en toen hij met zijn nieuwen
+vriend dit onderwerp afgehandeld had, sprak hij over de wijze van
+theezetten, over het preferabele van armstoelen boven anderen, over
+het beter koop van pleeten theelepeltjes dan zilveren, over melk,
+melkboeren, melkemmers en schalkachtige anecdotes van melkmeisjes,
+en vele andere zaken, die aan Pols kwamen in te vallen.--Dikhorst
+vertrok; Pols beloofde hem ook eens op te zoeken, en gedurende de nog
+overige Akademiejaren, voor den Litterator twee in getal, toen hij
+privaat promoveerde, en Caro terwijl hij den hondenvriend zond, is
+Pols nog viermaal bij Dikhorst, en deze nog driemaal bij Pols geweest.
+
+Daar zagen zij elkander na vijf jaren afzijns weder. Welk een
+wederzien! Dikhorst greep de hand van zijn besten Akademievriend,
+en schudde die met groote schudding. "Wel Pols, hoe gaat het je?"
+
+"Mij stilletjes, man! Ik woon te Rotterdam. Ik ben gepromoveerd,
+maar ik practiseer niet.--Waar hang jij uit?"
+
+Dit was nog een losse studententerm van Pols, die evenwel begrepen
+werd door zijn vriend, en beantwoord in een verhaal, hoe hij eerst
+huisonderwijzer geweest was, daarna een jaar niets om handen had
+gehad, en nu Praeceptor was in Zeeland; en hoe hij in de groote
+vacantie eens een uitstapje ging doen naar Gorkum, en over Woerkum
+zou terugkeeren. Op eens brak hij zijn verhaal af door te roepen:
+"Hier, Caro!"
+
+"Wat! leeft Caro nog?" zei Pols. En waarlijk, daar kwam Caro aan;
+maar, ach! hij was oud geworden, en hij werd in Zeeland zoo dikwijls
+niet gewasschen als zijn baas; dus was Caro in verval, en had juist
+een schop gekregen van een reiziger, omdat hij, de eens zoo zindelijke
+Caro, nu niet meer zindelijk was.
+
+Maar daar Dikhorst laat naar bed was gegaan, ging hij nu nog wat
+slapen, om frisch in Gorkum aan te komen, en Pols vervolgde zijn
+discours met Dionysius, die nog veel ten nadeele van stoombooten had
+in te brengen.
+
+Terwijl was Torteltak, die eens naar beneden gegaan was, om te kijken,
+beneden gebleven, en eerst toen men Dordrecht was voorbijgevaren,
+kwam hij weêr boven, maar niet alleen. Een oud Heer, met een wijden,
+zwarten rok, ridderorde, bril, hoed met breeden rand, lichtblaauwen
+pantalon, eenigzins opgeschort, en lage schoenen, vergezelde hem. De
+vrienden, die Torteltak in zulk gezelschap zagen arriveren, waren
+verbaasd, want slechts zeer zelden werd hij met een oud Heer gezien,
+en hunne verbazing nam nog toe, daar zij opmerkten, dat hij zóó
+beleefd en voorkomend voor den man was, als hij alleen voor minder
+jaren en liever sekse gewoon was te zijn. Maar Pols, die nieuwsgierig
+een weinig was vooruitgedrongen, deed hunne verbazing eindigen,
+door meê te deelen, dat Torteltak aan den ouden Heer gezegd had:
+"Dunkt u niet, het zal voor de dames boven warm genoeg wezen?"
+
+De oude Heer, die met onzen vriend bij den stuurstoel genaderd
+was, scheen het met dezen eens te wezen; doch minder driftig en
+geëmpresseerd dan hij, vond hij het niet noodig, zoo terstond weêr in
+de kajuit neêr te dalen, maar keek terwijl hij den rand van zijnen
+breed geranden hoed nog met zijne hand verbreedde, met een zeer
+deftig gelaat het luchtruim in, als wilde hij zich oriënteren, welke
+manoeuvre, door Torteltak nagevolgd wordende, hem, die zijne hand niet
+gebruikte, en geen breeden rand om den hoed had, belet werd door de
+stralen der helderschijnende zon. De oude Heer keek zeer lang, en even
+wijs als wijlen de Phenicische schippers bij nacht den sterrenhemel
+fixeerden, om hunne rigting niet uit het oog te verliezen. Eindelijk
+daalden zijne oogen tot de aarde neder, en het zij de blaauwe lucht,
+het zij de nabij zijnde torenspits, hem op dat denkbeeld bragt,
+hij uitte de gissing: "Wij moeten niet ver van Sliedrecht zijn!"
+
+"Willen wij dan de dames niet waarschuwen, Mijnheer?" vroeg Torteltak
+ongeduldig; "want zoo iets geeft nog eenige variatie."
+
+"Wel ja, dat kunnen wij straks wel doen," antwoordde de oude Heer
+heel geduldig. "Maar wat ik zeggen wilde, UEd. gaat van daag ook
+naar Nijmegen?"
+
+"Zoo is ons plan," zei de ander, tot den trap der kajuit genaderd.
+
+"Ik heb berekend," sprak de oude Heer, tot wanhoop van Torteltak de
+kajuit voorbij stappende, "dat wij er tegen vijf ure kunnen zijn."
+
+"Ja, dat moet wel wezen," zei de jongeling, steeds op zijne plaats
+blijvende staan, en nu besluitende den ouden Heer tot hem te doen
+komen. Maar deze, die nog steeds geen de minste haast had om naar
+beneden te gaan, riep Torteltak, met wien hij reeds gemeenzaam
+geworden was door een anderhalf uur lang discours in de kajuit,
+waarin hij hem ontwikkeld had, in hoeverre de Engelsche handel aan
+den Hollandschen nadeelig was. Deze had alles met een engelengeduld
+aangehoord, om den wil van de zeer aardige dochter des handelaars, die
+ondertusschen in eene aangename rust gezonken was, schoon de oogen des
+verliefden jongelings alles in het werk gesteld hadden, om de dame eer
+onrustig dan rustende te doen worden. Hij was daarom door deze eerste
+mislukking niet uit het veld geslagen, en beklaagde het lieve kind in
+zijne ziel, dat zij, in plaats van haars vaders handelsdiscoursen,
+niet liever _zijne_ vleijende complimenten mocht aanhooren. Hij had
+eindelijk den ouden Heer naar het dek gelokt, zich voorstellende,
+in de vrije lucht bevrijd te zullen worden van verdere mededeelingen,
+en bereidde zich om een vervelend kwartier met mama te passeeren, in
+hoop van daarna een triomf op het hart der dochter te behalen. Maar
+helaas! de vader was te zeer ingenomen met des jongelings oplettend
+toeluisteren. Hij verbeeldde zich, schoon zijne gade hierin met hem van
+gevoelen verschilde, dat zijne jaren, pruik en bril hem interessant
+maakten. Hij gevoelde al "het belangrijke van een zestigjarigen
+leeftijd," en, schoon hij nooit iets in de wereld gepresteerd had,
+hij kon spreken van de revolutie van '95; hij had den vreeselijken
+Tiran, in ik weet niet welk jaar, door de havens van Rotterdam zien
+varen; hij wist van een tijd, toen men cichorei voor koffie gebruikte,
+en de suiker zoo duur was, dat iedereen verbitterd werd. Wat wonder
+dus, dat hij zich een hoogst belangwekkend wezen beschouwde voor een
+jongeling, die nooit eene revolutie had beleefd dan die van 1830,
+die nooit een tiran gezien had, die nooit cichorei had gedronken, en
+nooit suiker gebruikt, duurder dan 50 cents het oude pond. Ach! hij
+vergat, dat zoovelen, helaas! van dien tijd wisten te spreken, en
+dat nooit papa's, ooms, neven, bejaarde nichten, goede kennissen,
+schoolmeesters, bakers, en allen, die maar eenigzins belangrijk oud
+zijn, verzuimen, den jongelieden deze wetenswaardige zaken meê te
+deelen. De oude heer Korenaar (want hij was het, die, met zijne
+gade en dochter Ambrosine, door Torteltak was aangetroffen) had
+dus niet nagelaten, in het belangrijk gesprek over den Engelschen
+en Hollandschen handel, deze dingen in te vlechten, en Torteltak
+had hem met een goedwillig: "ha, hoe interessant!"--"ijselijk, hoe
+duur!"--"ach, hoe treurig!"--ondersteund.--Maar was het dan nu ook
+vreemd, dat de jongeling met papa naar beneden wilde gaan en de dames
+naar boven inviteren?--En toch, hij moest nog langer geduld hebben;
+maar één belangrijk ding moest de oude Heer mededeelen: voor de machine
+moest hij aan Torteltak bekend maken, dat in zijne jeugd de stoombooten
+nog niet waren uitgevonden; dat men toen twee lange dagen noodig had
+om van Rotterdam naar Nijmegen te reizen; dat men in een bolderwagen
+naar _die_ plaats, in een wagen van zessen over _dien_ zandweg moest,
+dat het zooveel geld kostte; dat de herbergen op weg nog niet waren
+ingerigt als de tegenwoordige; en toen dit alles afgeloopen was,
+besloot de veel sprekende oude Heer, met aan den zwijgenden jongeling
+te vragen: "En hoe oud ziet ge mij nu aan?"--Torteltak hield hem voor
+diep in de zestig, maar daar hij wist, dat men, na de vijf en twintig
+jaar gepasseerd te zijn, gewoonlijk liever voor jonger aangezien wordt
+dan men is, antwoordde hij zeer beleefd: "Zoo wat een vijftig jaren."
+
+"Neen, Mijnheer!" zei de oude Heer: "doe er nog een kruisje bij,
+dan ben je er nog niet; ik ga in het najaar in mijn vierenzestigste."
+
+Torteltak wilde juist zeggen, dat dit hem frappeerde, dat hij zijne
+jaren met eer droeg, of iets dergelijks, toen hij eensklaps, tot
+zijne verbazing en vreugde, de dames aan zijne zijde zag, en mama,
+die de laatste phrase verstaan had, hoorde zeggen: "Ja, het is al
+een heele leeftijd; wij verschillen ook achttien jaren."
+
+Zoo was het dan op eenmaal aan Torteltak duidelijk geworden, welken
+ouderdom de Heer en Mevrouw Korenaar bereikt hadden; en daar Mevrouw
+later in het gesprek te kennen gaf, dat zij een zoon had, die ouder
+was dan Ambrosine, en twintig jaren telde, en nog eene dochter,
+die de jongste was, van bijna achttien, meende hij daaruit veilig te
+kunnen opmaken, dat hij in Ambrosine eene negentienjarige schoonheid
+aanschouwde. Deze leeftijd had altijd iets heel aanlokkelijks voor
+hem, en hij verschilde hierin met zijn vriend Polsbroekerwoud,
+die bij voorkeur zijn hof maakte aan dames boven de dertig, omdat
+deze hem in het discours te gemoet kwamen, zijn persoon niet zoo
+bijzonder klein schenen te vinden, en evenmin op te merken, dat hij
+tot die rampzalig ongelukkigen behoorde, die altijd onder een slechten
+kleermaker gebukt gaan.
+
+De wenschen van Torteltak waren nu vervuld. Mama en dochter waren boven
+en bleven boven; men liet vouwstoeltjes komen, zocht een plaatsje,
+waar het niet erg tochtte en de zon niet te fel brandde, hoedanigen
+men op eene stoomboot weinig vindt; en de oude Heer scheen wat van
+zijn discoureren te zullen rusten, daar hij uit een schildpadden koker
+een cigaar en gouden pijpje deed te voorschijn komen, terwijl hij met
+een schaartje de punt van het tabaksrolletje afknipte. En nu zich in
+rookwolken hullende, bereidde hij zich, als een gehoorzaam gemaal,
+die 18 jaren ouder is dan zijne dierbare wederhelft, om, terwijl deze
+sprak, aan te hooren, of ten minste te zwijgen.
+
+Mama Korenaar deelde nu, in vele bijzonderheden tredende, aan onzen
+jongen vriend mede, hoe zij, 20 jaren oud zijnde, haren tegenwoordigen
+echtgenoot had leeren kennen. "Ik logeerde toen," zoo sprak zij op een
+langzamen toon, aan alle syllaben den vollen eisch gevende, en vooral
+de laatste, die op _n_ eindigden, bijzonder drukkende, "bij eenen oom,
+bij wien Korenaar heel groot aan huis was; en, zoo als het dan bij
+jonge menschen gaat, het eene woord kwam uit het andere, en eer ik er
+aan dacht, waren wij geëngageerd. Ik had wel partijen kunnen doen met
+jongeren; maar ik heb altijd op ware verdiensten gelet, en Korenaar
+had een uitgebreiden zeehandel, schoon die in de laatste jaren niet
+vooruitgegaan is; maar anders, klagen hebben wij Goddank niet, en wij
+kunnen onze kinderen ook nog wel een stuivertje meêgeven, en dat is
+ook genoeg. Die groote rijkdommen brengen niet altijd geluk aan."
+
+Torteltak knikte toestemmend, sprak van andere dingen, die wezenlijk
+geluk aanbrengen, en gluurde naar de dochter, die bescheiden voor
+zich zag.
+
+"En daarenboven, het is niet alles goud wat er blinkt," ging mama
+voort. "Ik ken er wel, die den naam hebben van heel rijk te zijn,
+en als men het eens op den keper kon beschouwen, zou het misschien
+bitter tegenvallen.--Och, Ambrosine! wil je eens even mijn parasol
+van beneden halen; want het is toch nog al zonnig."
+
+Ambrosine ging naar beneden, hoewel Torteltak natuurlijk opvloog,
+en zich zeer gelukkig zou gevoeld hebben die dienst te bewijzen. Maar
+mama zeide, dat haar dochter hare parasol kende en hij zich ligt zou
+vergissen, en nam de gelegenheid waar om tegen Torteltak van hare
+lieve dochter te spreken. "Die Ambrosine is zulk een goed meisje,
+Mijnheer! Niets is haar ooit te veel. Wanneer ik haar iets vraag,
+zij is altijd gereed. Nu, indien ik het zeggen mag, wij hebben haar
+ook eene goede opvoeding gegeven. Zij spreekt zoo beelderig Fransch,
+en kent wat Engelsch ook. Zij teekent zoo heel lief, en speelt
+waarlijk mooi op de piano, schoon zij nog zoo jong is. Mijnheer Bax,
+de dansmeester, zegt, dat hij nooit zoo gracieus heeft zien dansen; en
+de catechiseerjufvrouw--Korenaar, hoe heet die catechiseerjufvrouw ook
+weer?--nu, die zegt, dat ze ook heel godsdienstig is. Ik zeg altijd,
+het is wel mijn eigen dochter, maar als Ambrosine ooit trouwt, dan kan
+de man, die haar krijgt, wel zeggen, dat hij een lot uit de loterij
+heeft getrokken. Ze is ook zoo huishoudelijk, dat ik mij haast met
+niets te bemoeien heb, en..."
+
+"Daar, mama, is de parasol. Wilt u ze ook opzetten?"
+
+"Dankje, lieve Ambrosine! de zon is nu al weer een weinigje weg. Maar
+à propos! heb je geen teekeningen bij je? Ik geloof gemerkt te hebben,
+dat Mijnheer veel van teekeningen houdt."
+
+"O, indien het niet te veel gevergd ware!" zei Torteltak.
+
+"Maar, mama! denkt u, dat ik die nu meêgenomen heb? en daarenboven,
+ik ken er zoo heel weinig van!"
+
+Hier waagde de heer Korenaar het, om dit discours af te breken, door
+op den toren van Gorkum te wijzen, en iets over de vestingwerken te
+zeggen, welke interruptie door de dochter met eenen lieven glimlach
+beantwoord werd, en door de moeder met een dito, minder lief dan
+grimmig; doch de oude Heer, die zoodanigen reeds velen gezien had,
+gedurende den langen tijd, dat hij gehuwd was geweest met zijne egade,
+die achttien jaren jonger was dan hij, ontroerde niet bijzonder
+sterk. Torteltak vond, dat gezegde gezigtsplooi aan mama geen nieuwe
+charme bijzette.
+
+Mijnheer Korenaar vond het gepast, op te staan en naar het voorste
+gedeelte der stoomboot te gaan, om alzoo eene scheepslengte dichter
+bij Gorkum te wezen. Hij schaarde zich daar onder de menigte, die op
+stoombooten altijd belang stelt in de plaatsen, welke men passeert;
+en zijne wederhelft verzelde hem, na aan Torteltak en Ambrosine
+verzocht te hebben hunne plaatsen te bewaren. Nu mogt dan de jongeling
+eindelijk zelf het discours leiden; en daar hij alleen door stilzwijgen
+en toeknikken het hart der oude lieden gewonnen had, gevoelde hij,
+dat hij een anderen weg moest inslaan, om dezelfde overwinning bij
+de dochter te behalen. Gaarne zouden wij onze lezers veel van dit
+gesprek meêdeelen; maar het had geene getuigen, en Torteltak hield
+het voor ons steeds geheim. Wij weten dan ook niets, behalve dat Pols,
+die nieuwsgierig om hen heen gedwaald had, bij zijne eerste omwandeling
+Torteltak heeft hooren zeggen, "dat hij zou wenschen haar nooit gezien
+te hebben, zoo deze eerste maal ook tevens de laatste moest zijn;"
+en bij zijne tweede omwandeling Ambrosine: "Gij zult papa altijd
+aangenaam wezen."--Misschien zal het vervolg der geschiedenis ons
+nadere opheldering geven.
+
+Men was Gorkum voorbijgevaren. Eenige passagiers waren tegen
+anderen uitgewisseld. Voor Dikhorst, vier _commis-voyageurs_,
+drie tweede luitenants, twee bejaarde dames en Caro, had men een
+Rus, een bejaard majoor met zijn vierjarig klein dochtertje, en
+een koopman, die voor zijn genoegen en geheel zonder wasdoeken
+pakjes reisde, terug ontvangen. De oude Korenaar en zijne gade
+bekwamen gelukkig nieuwe vouwstoeltjes, want de anderen waren door
+de jonge lieden onattent bewaakt; maar de goede mama Korenaar was
+hierover niet knorrig. Ieder ging voort met zich op zijne wijze te
+amuseren, of niet te amuseren. Pols was nu ook tot zitten gekomen,
+en in gezelschap met Veervlug, De Morder en een Luitenant van de
+koloniale troepen. Men praatte, lachte, morde en streek de knevels
+op. Veervlug was heel vrolijk, en dronk zijn tweede glaasje bitter,
+daar zij Loevestein voorbijvoeren, op Hugo Grotius, of, gelijk
+hij hem noemde, den Grooten Huig, die een type was van de harmonie
+der vijf faculteiten. Pols, als een oud student, riep: "Bravo!" De
+Luitenant van de koloniale troepen boog met een verbaasd gelaat. Pols
+begon een discours met hem over de garnizoensplaatsen, en vroeg hem,
+of hij wél gecantonneerd geweest was; de Luitenant vroeg hem excuus,
+en zeide, dat hij bij de troepen voor de Koloniën diende. Pols vroeg
+of hij campagnes gemaakt had; de Luitenant vroeg hem andermaal excuus,
+en zeide, dat hij steeds te Harderwijk was.--Alles ging goed; maar,
+helaas! daar ziet Veervlug bij toeval, dat de Luitenant rood haar,
+een bleek gelaat en een blaauwen uniformhals heeft, en kan niet
+nalaten aan De Morder eene aardigheid van eene Hollandsche vlag in
+te fluisteren. De luitenant hoort het woord _Hollandsche vlag_,
+en ziet de vrienden, vooral Veervlug, uitbundig lachen, denkt
+dat de vlag beschimpt wordt, en meent voor het wapperend dundoek
+partij te moeten trekken. Verwoed staat hij op: "Ik ben Officier
+in Hollandsche dienst, Mijnheer! Ik zal de Hollandsche vlag tot
+mijn laatsten ademtocht verdedigen!" Pols tracht hem te bevredigen
+en op zijn stoel terug te trekken. De Luitenant stoot hem terug;
+het vouwstoeltje kantelt--Pols verliest zijne balans--zijn stroohoed
+vliegt in het water--zijn lichtblaauw jasje scheurt. Een edeldenkend
+_commis-voyageur_ raapt hem op, en verwijdert zich voorzichtig met
+hem van de plaats des gevechts. Maar Joachim wil terugkeeren, om nog
+meer te bevredigen; doch gelukkig is de strijd spoedig geëindigd. De
+woede van den Luitenant is geweken; want Veervlug heeft zich zoo goed
+mogelijk verontschuldigd, en daarenboven, de Officier was buiten adem
+(zoo als Veervlug naderhand grinnekende aan Torteltak vertelde); dus
+had hij de vlag tot zijn laatsten ademtocht verdedigd. Pols kwam dus
+juist bij tijds, om de Madera voor de verzoeningsdronken te bestellen.
+
+Torteltak had dit alles in de verte aangezien, als iemand, die zich
+over het gedrag zijner vrienden schaamt, en wenschte zich (evenwel
+mèt Ambrosine) honderd mijlen ver. Intusschen, wij moeten het tot
+zijne eer zeggen, indien het geval erger geworden was, hij zou zich
+niet aan het gevaar onttrokken hebben; want was hij een onstandvastig
+minnaar, toch was hij een standvastig vriend.
+
+Holstaff had evenwel niets van dat alles gemerkt; want hij zat in
+de voorkajuit. Hij had namelijk, van het begin der reize af, naar
+menschen gezocht, die hem interessant voorkwamen, dat is: die hij voor
+ongelukkig mocht houden. Maar hij had op het dek niets dan vrolijke
+gezigten gezien, en beneden zag hij Engelschen, die verachtelijk
+gerust sliepen; zijn ergernis steeg ten top, toen hij een gelukkig
+jong paar zag, dat dus (naar de Morders berekening) nog geen volle
+week kon gehuwd zijn. In eene onaangename stemming verliet hij de
+eerste rangen, en hoopte in de voorkajuit gelukkiger te zijn, waar hij
+meer ongeluk vooronderstelde, schoon, helaas! daar moeijelijker van
+poëtischen aard. Bijna waren evenwel al zijne nasporingen vruchteloos,
+toen hij eindelijk duidelijk hoort zuchten. Pijlsnel daalt hij neder,
+en waarlijk, daar ziet hij aan de tafel eene vrouw niet jong meer,
+want zij heeft rimpels, en grijze haren komen door haar mutsje te
+voorschijn. "Zij zal toch nog niet oud zijn," denkt hij; "maar de
+smart zal dat, eens zoo gladde, voorhoofd doorploegd hebben; die
+haren kunnen in één nacht grijs zijn geworden." Zuchtende neemt hij
+plaats tegenover haar, en ziet haar van tijd tot tijd aan. In het
+begin had de oude vrouw hem naauwelijks opgemerkt, maar toen zij
+den welgekleeden jongeling aanziet, rijst zij uit hare achtelooze
+houding op, en wil het op den schoot gevallen breiwerk opnemen. Nog
+één oogenblik, en alle illusie ware voor Holstaff verloren geweest;
+want het denkbeeld van eene _breijende ongelukkige_ wilde er niet
+bij hem in. Was het nog _borduren_ geweest bij een ellendig lichtje,
+met verzwakte oogen en vermagerde vingeren; maar _breijen_....
+
+"Neen, neen vrouwtje! laat mijne komst u in uwe overdenkingen niet
+storen! Ik eerbiedig uwe smart; want gij zijt ongelukkig."
+
+"O ja, dat ben ik wel!" zuchtte de vrouw.
+
+"Ongeluk is ons deel, moedertje! wij zijn op aarde om te lijden."
+
+"Maar men kan toch gelukkig wezen, Mijnheer! Ik was het zelve eens;
+en daar zijn er, die nooit behoeven te treuren. Maar ik wil ze niet
+benijden."
+
+"Neen, wat ik u bidden mag, benijd ze niet! Het is ongelukkig om
+altijd gelukkig te wezen."
+
+De vrouw zag bevreemd op. Zij begreep hem niet.
+
+"Niet waar?" ging Holstaff voort: "toen gij gelukkig waart, hebt gij
+u niet kunnen begrijpen, dat er zooveel zoets in de smart is."
+
+"Dat weet ik niet, Mijnheer! maar dit weet ik: eens was ik heel
+gelukkig; nu ben ik heel ongelukkig."
+
+"Maar toch, gij moet u daarom niet beklagen; gelukkig, wie voor
+ongeluk vatbaar is! Maar kan ik door medelijden u troosten?"
+
+"Ach! wat zoudt gij mij troosten, Mijnheer! misschien is uw hart wel
+goed. Gij ziet, Mijnheer! ik ben oud (Holstaff schrikte; dus niets
+van subiete vergrijzingen enz.); het zal zoolang niet meer met mij
+duren; dit is mijn beste troost. O, kon ik maar iets voor mijn zoon,
+voor mijn goeden Pieter gedaan hebben!--Ja, Mijnheer! ik had voor
+drie jaren nog vijf kinderen, en voor zes jaren mijn man nog, en wij
+leefden zoo vergenoegd, en wij hadden ons dagelijksch brood. Maar toen
+mijn man dood was, toen is de zegen uit mijn huis gegaan. Mijne drie
+meisjes en mijn Willem zijn aan de cholera gestorven, en toen hield ik
+niets over dan mijn Pieter. Een knappe jongen was altijd mijn Pieter,
+en iedereen hield veel van hem, en Dominé zei altijd, dat hij zoo heel
+best leerde, en hij zou acht dagen na Sint Jan in zijn zesentwintigste
+jaar gegaan zijn. Hij ging bij ons, te Nijmegen, op het schoenmaken,
+en de baas was ook zoo tevreden. Maar toen is die baas verleden jaar
+ook al gestorven, en toen is Pieter naar Rotterdam gegaan, daar hij
+een anderen baas kon krijgen, en toen moest ik te Nijmegen blijven,
+want daar had ik mijn vaste huizen, om aan de wasch te helpen en te
+strijken en te plooijen. En mijn Pieter schreef mij in het eerst alle
+maanden een brief met zijn eigen hand, en zoo kostelijk geschreven,
+dat mijn Neef Jacob altijd zei, dat hij voor ondermeester had moeten
+leeren. Maar op het laatst schreef hij mij niet meer, en ik hoorde
+niet meer van Pieter, dan zoo te hooi en te gras. Maar nu, overmorgen
+zal het veertien dagen worden, toen kreeg ik een brief van zijn baas,
+dat Pieter op den dood leî, en ik nam gauw het beetje spaargeld, dat ik
+had, meê, en mijn mans horlogie nam ik ook meê, dat ik Pieter na Sint
+Jan had willen geven voor zijn verjaardag, en ik ging naar Rotterdam,
+en toen ik er kwam, was hij net den vorigen avond gestorven. En,
+Mijnheer! ik heb mijn geld gegeven en mijn mans horlogie verkocht,
+om hem een eerlijke begrafenis te geven; en nu heeft de kapitein
+van de stoomboot, die mijn man en Pieter zelf nog wel gekend heeft,
+mij voor niet meêgenomen. En was de jongen nog maar dood, zooals mijn
+meisjes en mijn Willem! Maar de vrouw van den baas heeft mij gezeid,
+dat Pieter te Rotterdam op slechte paden gegaan is en dat hij geen
+Dominé heeft willen hebben, toen hij op zijn laatste leger leî. En de
+baas heeft zijne vrouw wel bekeven, omdat zij het me gezeid had; maar
+Pieter zou het er nu toch niet beter om hebben, al had ik het niet
+geweten. Zie je, Mijnheer! nu zeg ik, als Koning David van Absalom:
+"Ach! ware ik in uwe plaats gestorven!" En Koning David is altijd
+bedroefd geweest over Absalom, meer dan over al zijne kinderen, die hij
+in het graf had, en zoo zal ik ook altijd over mijn Pieter treuren."
+
+De oude vrouw had haar verhaal onder het storten van vele tranen
+geëindigd, en Holstaff had met haar geweend. "Ach!" zeide hij,
+"wat is de aarde een tranendal! Mochten dat al die vrolijke menschen
+begrijpen! Eene keten van jammeren verbindt de wieg des menschen aan
+zijn graf. Moedertje! geef mij de hand! ik lijd met u; ik wil met
+u weenen."
+
+"Mijnheer! komt u dineren?" vroeg de hofmeester, binnenkomende. "De
+soep is gediend."
+
+"Ja, ik ga meê.--Nu, vrouwtje, ik zal u straks nog wel eens komen
+bezoeken."
+
+"Wilt gij ook wat te eten hebben?" vroeg de hofmeester aan de oude
+vrouw.
+
+"Dank je wel, kastelein!" zei de vrouw, want zij had geen geld;
+maar zij had toch ook geen honger.
+
+Het zou er in de groote kajuit schraal voor Holstaff hebben uitgezien;
+want daar waren overdadig veel gasten, en de hofmeester had niet
+overdadig veel eten. Maar Pols, die voor zijne vrienden, als eene
+moeder voor hare kinderen, zorgde, had zich op twee stoeltjes naast
+elkander geplaatst, om er een voor Holstaff te bewaren. Hij had
+met hetzelfde doel twee borden soep genomen, en zoo vond August,
+binnenkomende, een warm stoeltje en koude soep. Zijne aandoeningen
+beletten hem evenwel, om naar eisch dankbaar te zijn, schoon niet om
+zeer spoedig de vrienden in te halen en zich in tijds eene verbazende
+portie roastbeef toe te dienen. Al de vrienden aten smakelijk,
+schoon De Morder het eten infaam slecht vond, en het wel verwacht
+had, omdat hij het altijd zoo trof. Pols vond, dat het waarlijk
+nog al schikte, en schoon er niet te veel eten was, prees hij den
+hofmeester, dat er niet nog minder was; alleen hinderde het hem,
+dat men zoo verbazend schielijk at. Veervlug merkte hierop aan,
+dat op eene stoomboot alles door stoom moest gaan. Holstaff zeide,
+dat zijne aandoeningen hem belettenden met smaak te eten, en vroeg
+eene tweede portie roastbeef. Torteltak at weinig; want hij zat naast
+Ambrosine, en Ambrosine was engelachtig.
+
+Na het _diner_ spoedde men zich, om in de vrije lucht te komen;
+men voer Bommel voorbij, waar men den Luitenant van de Kolonialen
+verloor, die eene oude tante ging bezoeken. Pols vond het nog al
+aangenaam, dat zij van dien driftigen reisgenoot bevrijd raakten;
+want hij had vrees, bij eene nieuwe _scène_ ook zijn paardenharen
+petje te verliezen, en het lichtblaauw jasje, dat door de hand van
+des hofmeesters vrouw luchtig aaneengehecht was, kon geen nieuwen
+aanval weêrstaan. Het _diner_ en een glas wijn had anders den goeden
+man weêr tot zichzelven gebragt; doch hij kon niet nalaten er nog eens
+bedaard met Veervlug over te praten. Deze hield staande, dat niet hij,
+maar drie glaasjes bitter, de oorzaak van 's mans verbittering waren
+geweest, en Pols, die niets anders verlangde dan bevredigd te worden,
+berustte gemakkelijk in die explicatie.
+
+De nog overige uren tot Nijmegen werden door den ouden Heer Korenaar
+(wiens gade sliep) besteed, om eene zeer belangrijke geschiedenis uit
+zijne jeugd aan Torteltak mede te deelen; doch daar dezelfde oude Heer
+dezelfde historie nog eens, en nagenoeg in dezelfde bewoordingen,
+aan al onze vrienden te Kleef heeft verhaald, zullen wij ze op die
+plaats neerschrijven, daar dit Hoofdstuk toch nog al lang is geworden.
+
+Holstaff was nog eens naar de voorkajuit gegaan, maar had de vrouw
+in gesprek gevonden met den bejaarden Majoor, die haar op de best
+mogelijke wijze troostte, die naderhand boven kwam, en, aan de
+passagiers de historie mededeelende, eene kleine ondersteuning voor de
+arme weduw vroeg. Velen gaven met genoegen eene aalmoes. Holstaff zeer
+misnoegd; want geld te geven aan ongelukkigen scheen hem toe, de smart
+te ontheiligen. Pols zeide, dat, indien de vrouw te Rotterdam kwam
+wonen, zij dan alle weken vrijdags, een dubbeltje bij hem kon halen,
+maar gaf nu toch met vreugd een halven gulden. Torteltak gaf veel;
+want hij was verliefd, en Ambrosine was getroffen. Mevrouw Korenaar
+raadde Mijnheer, om er te Nijmegen eerst naar te onderzoeken. De Morder
+gromde en liet een kwartje vallen; de edeldenkende _commis-voyageur_
+raapte het kwartje op, en voegde er een pietje van zichzelven bij
+(hoedanige geldstukjes hij velen bij zich had). De bejaarde Majoor
+bracht zijne collecte aan de oude vrouw; en daar hij steeds voortging,
+om haar op eene verstandige wijze te troosten en zooveel mogelijk hoop
+voor haren Pieter te geven, was de vrouw, toen zij te Nijmegen aankwam,
+weêr een weinig opgebeurd. Al de reizigers verheugden zich hierover,
+en bejegenden den bejaarden Majoor met veel achting. Maar Holstaff
+zuchtte en zeide: "Ja, wel te recht zegt La Fontaine: 'Wij moeten
+het meest treuren, omdat onze smart niet eeuwig duurt.'"
+
+En weldra waren onze vrienden, benevens de familie Korenaar, in een
+druk en vrolijk logement geëtablisseerd.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+ Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen.
+
+
+De omstreken van Nijmegen hebben dit boven de stad zelve vooruit,
+dat zij bijzonder mooi zijn. Indien gij daar dus arriveert, en gij
+hebt een paar dagen den tijd, en een vriend, die het wel met u meent,
+dan zal hij niet verzuimen eene calêche te doen inspannen en met
+u naar Berg en Daal te rijden; is hij daarenboven gul en vrolijk,
+dan zal hij u in kennis brengen met den Steinberger kabinetwijn en
+den opgewonden kastelein aldaar; en wanneer gij over Ubbergen en
+Beek zult zijn teruggekeerd, en veel gesproken en gelagchen hebt,
+zult gij aangename souvenirs van uw Nijmeegsch tourtje verzameld
+hebben. Maar indien gij geen goede vrienden bezit en geen tijd hebt
+om een ordentelijk uitstapje te maken, dan benijd ik uw lot niet,
+zoo gij langer dan twee uren in Nijmegen moet vertoeven. Dit laatste
+was nu het geval met Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Zij hadden
+besloten, zich goed te amuseren, en moesten zich tot eene wandeling
+naar Belvédère bepalen; en daar zij nog tijd over hadden, maakten zij
+het plan, om daarna een uurtje door het beroemde, maar hun onbekende
+Kalverbosch te kruisen. Dit laatste werd evenwel niet ten volle
+geëffectueerd, daar zij spoedig bemerkten, dat men dit bosch in minder
+dan vijf minuten door en door kan leeren kennen, en men, om langer
+tijd daarmeê door te brengen, óf steeds denzelfden weg moet gaan,
+óf den bedaarden tred der slakken aannemen, die zich in gemeld bosch
+in overvloed bewegen. Zij kwamen dus spoedig in hun logement terug,
+en hadden daar goede gelegenheid en ruim tijd om uit te rusten, eer
+het _souper_ werd aangerigt. De zakboekjes werden uitgehaald en het
+reisjournaal begonnen; maar men stond verbaasd, dat men zoo weinig
+had op te teekenen, en Polsbroekerwoud was genoodzaakt punctum te
+zetten op de vijfde bladzijde van zijn journaal in folio, hoewel
+hij eene beredeneerde opgave gedaan had van de waarde der spijzen
+en dranken, die men in den loop des dags, deels uit behoefte, deels
+uit weelde, deels uit verveling, had gebruikt. Uit welk oogpunt hij
+de vier flesschen Rijnwijn, die men nog vóór het _souper_ gebruikte,
+beschouwd heeft, is mij niet uit zijne aanteekeningen gebleken. De
+wijn werkte bij deze gelegenheid meer op de oogleden dan op de tong,
+en het was nog geen half elf geslagen, toen zij de zaal verlieten en
+zonder verwijl hunne slaapkamers betrokken.
+
+Pols bemerkte dadelijk toen hij in bed kwam, dat Mijntje het niet
+voor hem had opgeschud. Hij deelde deze opmerking aan Torteltak mede,
+die met hem op ééne kamer sliep. Maar deze sloeg hierop weinig acht;
+want hij bereidde zich voor, om van Ambrosine te droomen, en, aan
+haar denkende, wakker te worden.
+
+En Ambrosine?--Wij hopen, dat zij goed zal gerust hebben. Zij was pas
+negentien jaren oud, en zal dus later nog gelegenheid genoeg gehad
+hebben, om slapelooze nachten door te brengen.
+
+
+
+Omtrent middernacht scheen alles in een diepe rust verzonken
+te wezen. Zoo beschouwde het althans de knecht, die, zijne
+redenen hebbende om iedereen te doen ontwaken, zulk een geweld
+op de kamerdeuren begon te maken, dat de slaap bij alle reizigers
+oogenblikkelijk zijne heerschappij aan den schrik en de verwarring
+overliet.
+
+"Zeg eens, vriendje! wat moet dat?" zei Polsbroekerwoud, de deur van
+zijne kamer openende. "Het is duidelijk, dat gij u vergist, want wij
+hebben verzocht om niet voor zeven ure geroepen te worden."
+
+"Wat vergissen!" zei de knecht: "ziet ge dan niet, dat het huis
+hiernaast in lichtelaaije vlam staat?"
+
+Pols keek op, en zag in den gang geen brandend huis, maar door de ramen
+een eenigzins suspecten gloed. "Dat is weergaês lastig," zeide hij;
+"dan zou dit logement ook wel eens gevaar kunnen loopen."
+
+"Dacht ik het niet!" riep De Morder, zijne kamer uitstuivende: "nu
+zullen wij allen nog levend verbranden. 't Is ongepermitteerd. Wij
+kunnen zeker de trappen niet meer af."
+
+"Ik zeg immers niet, dat _dit_ huis in brand staat," riep de knecht,
+steeds op kamerdeuren bonzende. "Kleed u maar aan. Ik kan voor niets
+instaan."
+
+"Dat is anders niets," zeide Pols, "al is de trap afgebrand. Ik heb
+een veiligheidskoord bij mij, en wij kunnen het raam dan nog uit. Wij
+moesten daarvan in alle geval maar gebruik maken."
+
+"Is er brand?" riep Torteltak. "Hemel, Jan! en die dames, daar van
+Numero 5?--Zeg dan toch, Jan! zijn die dames gered?"
+
+"Wees bedaard, mijn vriend!" riep Pols. "Hier heb ik het koord al." En
+waarlijk, daar kwam de man aan, met een vervaarlijk groot kabeltouw,
+van knoopen en een haak voorzien.
+
+"Loop naar den duivel met uwe koorden!" vloekte de ander, terwijl
+hij zijne elegante _chamberlouc_ omsloeg en in drift zijne lokken
+arrangeerde; "ik wil het lieve meisje redden."
+
+Pols vond dezen uitval van Torteltak wel niet heel lief, maar vergaf
+het hem toch gaarne, omdat hij in deze oogenblikken geene lieve
+gezegden kon verwachten; hij liet dus den jongeling voortspoeden om
+dames te redden, en bereidde zichzelven om voor het goed te zorgen,
+waarvan de anderen geen werk schenen te maken. Hij liet ze dus aan
+hun lot over, maar verzocht hen vriendelijk, om toch bedaard te wezen
+en zich niet te veel te agiteren.
+
+Daar heerschte evenwel noch onder de vrienden, noch onder de overige
+reizigers, de door Pols zoo zeer begeerde kalmte. Ook in de kamer der
+familie Korenaar scheen die te ontbreken. Daar evenwel was de mare niet
+zoo onverwacht gekomen. Mevrouw was wakker geworden, had eene ongewone
+drukte gehoord, en gemeend een brandlucht te bemerken. Ontsteld stond
+zij op, trok haren echtgenoot bij een arm het bed uit, en naderde
+met hem het venster. Daar zagen zij de vlammen, die het naaste huis
+verteerden. "Hemel, Korenaar! wat zijn wij in gevaar!" riep zij
+wanhopig: "dat komt ook van die Kleefsche reizen."
+
+"Maar, bout! waart gij het dan niet, die zoo op dat reisje aangedrongen
+hebt?"
+
+"Maar ik heb niet aangedrongen, om in een logement te gaan naast
+huizen die 's nachts uitbranden."
+
+Dit argument was te forsch voor den ouden Heer. Hij trachtte zich te
+verontschuldigen; doch Mevrouw verbood het hem: "Kleed u, in 's Hemels
+naam, maar aan, en maak voort; of wilt gij nu ook nog dat uwe vrouw
+en uw arm kind verbranden?--Ambrosine, lieve kind! word toch wakker!"
+
+"Wat is er, wat is er?" riep deze, haar lief kopje uit de gordijnen
+stekende. O! had Torteltak haar zóó gezien met dat lieve blosje op de
+wangen, en die oogjes nog dronken van slaap, hij zou waarlijk hebben
+moeten bekennen, dat het nachttoilet haar beter stond dan Mevrouw hare
+Mama, schoon deze eene echte kant en Ambrosine maar een _neigetje_
+om de muts had.
+
+"Sta op, mijn kind! sta op! daar is brand. Schielijk! sla uwen mantel
+om.--Korenaar, wat talm je toch! haast u dan, in 's Hemels naam!"
+
+Bons, bons! klonk het op de deur. "Mijnheer, sta spoedig op!" riep
+de knecht.
+
+"Dames, dames! haast u, wat ik u bidden mag!" riep weldra eene andere
+stem, die door Ambrosine herkend werd.
+
+"Ja, wij komen!" riep Mevrouw, en deed de deur open. Torteltak nam
+Ambrosine bij de hand, en trok haar voort. Mama volgde, met pakjes
+beladen, nog roepende: "Korenaar, kom dan toch! maar vergeet je
+horologie niet."
+
+Zonder hulp van veiligheidskoorden--want de trap stond nog zoo pal,
+alsof er in het geheel geen brand in de buurt was--kwamen al de
+reizigers beneden, en snelden de voordeur uit, om te zien, op welke
+hoogte de zaken stonden. Polsbroekerwoud had in den gang een kruiwagen
+opgemerkt, en begon nu al de koffers en valiezen van zichzelven en
+zijne reiscompagnons naar beneden te slepen. Hij was geheel gekleed,
+behalve dat hij zijne slaapmuts voor de nachtlucht had opgehouden;
+het veiligheidskoord had hij om zijn middel gewonden, om het altijd
+bij de hand te hebben. Met ongewone vlugheid klom hij de trappen op,
+waarvan hij telkens beladen weêr neêrdaalde. Hij lette weinig op de
+menschen, die om hem heen woelden en draafden, als zij hem maar niet
+in den weg kwamen, en dan was het: "Wat ik u bidden mag, een weinigje
+plaats; maar wees toch bedaard! Op mijn woord, die agitatie is meer
+hinderlijk dan nuttig."
+
+Eindelijk had hij alles bijeen op den kruiwagen, en krood nu den
+zwaren last met moeite voort, zich eenen weg banende door de menigte,
+die toegesneld was, om den brand te helpen blusschen, of door hunne
+tegenwoordigheid de blusschers in den weg te staan. Een eind wegs kon
+hij voortgaan; maar weldra zag hij zich aangehouden door een serjant
+van de schutterij, die in functie was, hoewel hij een phantasie-kostuum
+scheen te dragen, en die, de zilveren strepen op zijne mouw, dat teeken
+van uitgebreide magt, zoo lang daar geen zilveren schouderbladen
+present zijn, aan Pols vertoonende, met eene barsche stem vroeg:
+"Waarheen?"
+
+"Dat weet ik niet, vriend! Ik red mijn goed maar uit den brand!"
+
+De serjant scheen het uiterlijke van de koffers meer gedistingueerd
+te vinden dan dat van Pols; althans hij voegde hem toe: "Wat jou
+goed? Je ziet er mij wel naar uit, om met een dozijn zulke koffers
+te reizen. Laat jij dat goed maar staan, mannetje, en zoek een goed
+heenkomen."
+
+Dit zeggende, greep de serjant, ongewoon om magt uit te oefenen en
+nu verheugd een schitterend feit te kunnen verrigten, Pols bij den
+arm, en wilde hem van zijn goed verwijderen. Gelukkig evenwel kwam
+gedurende die worsteling een welgekleed Heer naderbij, en vroeg:
+"Wat is hier te doen?"
+
+De serjant keek den ondervrager eerst brutaal aan, maar veranderde
+weldra zijn gezigt, en nam zijne chacot zeer beleefd af, daar hij
+in dien heer iemand herkende, wiens kleederen hij poetste en wiens
+boodschappen hij verrigtte, wanneer er geen brand was, en hij dus
+geene schitterende uniform droeg.
+
+"Eene schreeuwende onregtvaardigheid," riep Pols. "Ik ben Joachim
+Polsbroekerwoud van Rotterdam. Ik ben hier voor mijn plaisir. Ik red
+mijn goed en dat van mijne vrienden, en deze soldaat hier wil mij
+hierin verhinderen. Maar ik zal naar den Burgemeester gaan. Ik wil
+dat mij regt geschiede."
+
+"Blijf maar hier bij uw goed," zeî de Mijnheer, "of breng het
+naar uw logement terug. Zij zullen straks den brand wel meester
+worden. Stoffel! ik zou dien Heer maar laten gaan."
+
+"Alderbest, Mijnheer!" zeî de serjant, die in het dagelijksch leven
+Stoffel scheen genaamd te worden.
+
+Gedurende dit gesprek had een dienstvaardig Nijmegenaar, die geene
+klare denkbeelden van het _jus possessionis_ scheen te hebben, den last
+voor Polsbroekerwoud een weinig verligt, en een der valiezen naar zijne
+woning, die ver van den brand in een achterbuurtje was gesitueerd,
+in veiligheid gebragt. Pols bemerkte dit eerst den volgenden morgen,
+toen hij, bij het nazien van het goed, zijn valiesje met linnen gevuld
+miste. Hij moest zich dit verlies getroosten; want daar de edelmoedige
+achterbuurtbewoner niet eens een fooitje voor het dragen had gevraagd,
+kon hij moeielijk zijn goed op het spoor komen, en hij droeg dit,
+om langdurig oponthoud voor te komen, ook maar niet aan de policie op.
+
+Terwijl dit eenige huizen van het logement plaats had, was er niet
+minder beweging voor de woning, die in lichtelaaije vlam stond. In
+kleine steden heeft men zoo weinig gelegenheid om dergelijke
+geimproviseerde illuminatiën te zien, dat, als het dan ook eens plaats
+heeft, iedereen zich verpligt acht daaraan te adsisteren. In groote
+steden, vooral in de hoofdstad, waar men zulke dingen meer gewoon
+is, verschijnen bij zoodanige gelegenheden alleen de stilzwijgend
+genoodigden; als daar zijn: de geattacheerden aan de brandspuiten,
+de schutters die het piquet hebben, de zakkenrollers,--in één woord,
+de zoodanigen, die daar in functie moeten wezen. Onder de dilettanten
+ziet men gewoonlijk alleen de naaste geburen en heel enkele van de
+alleropgewondenste vuuraanbidders. Terwijl occupeert zich niemand van
+de overige inwoners met zulke zaken, die hen niet aangaan, behalve
+de torenwachters, die het alarmdeuntje wel slapende kunnen spelen,
+en de nachtwachts, wie het woordeke _brand_ in de keel verroest
+is. Maar nu in Nijmegen! De gansche populatie was op de been. Niemand,
+dan die door gebrekkigen ouderdom of lamheid aan huis geconsigneerd
+was, bleef in zijne woning; dames _en négligé_, zoo als zij zich
+anders alleen aan hare kameniers vertoonden,--kameniers _en demi
+toilette_, zoo als zij gewoonlijk slechts door de lakeijen gezien
+werden,--mannen en vrouwen, in hetgeen zij maar het digtst bij de
+hand vonden, gehuld,--snelden naar het vroeger onopgemerkte, nu zoo
+belangwekkende huis. Zelfs de moeders meenden, dat zulk een schouwspel
+hare zuigelingen zou interesseren; althans zij drongen met zoodanige
+schepseltjes voorwaarts. "Het was op dien weg," om in dagbladenstijl
+te spreken, "eene voortgolvende massa, een digte phalanx; de straat
+was eivol."--Verscheidene particulieren wisten reeds zeker de oorzaak
+van den brand, schoon de bewoners van het huis zelve die nog niet
+gisten. Sommigen hadden den vorigen avond, ja 's middags al, iets
+branderigs geroken, en zoo veel wisten weêr anderen van goederhand,
+dat het huis veel te hoog geassureerd was.
+
+Intusschen waren eenige brandspuiten in werking geraakt, en
+overstroomde het water, dat voor de brandende woning gedestineerd was,
+de straat; want eene kenmerkende eigenschap van de slangen eener
+brandspuit is, dat zij lek zijn. Een veel te groot aantal armen
+bewoog de pompen, en een veel te groot getal schutters, om orde
+te houden, was aanwezig. Het ontbrak ook geenszins aan commando's,
+die elkander lijnregt tegenspraken, en dus had ieder onderhoorige
+eene schoone gelegenheid om te gelijk gehoorzaam en ongehoorzaam te
+wezen. Verscheidene stemmen trachten elkander te overschreeuwen; in
+'t kort, het geweld en rumoer, dat een brandtooneel regt levendig
+maakt, ontbrak ook nu niet.
+
+Onder de menigte toeschouwers, die eene zoogenaamde goede plaats
+hadden, bevonden zich ook onze reizigers. Mijnheer Korenaar had zijnen
+bril opgezet, en sloeg met aandacht de vlammen gade, die zich om de
+balken kronkelden, totdat zij door de nederstortende zoldering voor
+een oogenblik werden uitgedoofd, om daarna met vernieuwde kracht weêr
+te voorschijn te komen. Ambrosine leunde op den arm van Torteltak,
+en beefde van angst en ontzetting. Zij klemde zich nader aan den
+jongeling, als gevoelde zij bescherming te behoeven, en die liever
+bij hem te moeten zoeken dan bij Mama, die haar aan de andere
+zijde vasthield, en vele onnoodige jammerkreten uitte. De Morder
+stemde met haar in, dat het toch waarachtig eene ijselijkheid is,
+om wanneer men één nacht in eene stad logeert, dan zulke dingen te
+moeten treffen. Hij wond haar overigens op, door haar te verzekeren,
+dat men den brand nog in geen tweemaal vierentwintig uren zou meester
+worden, dat misschien de geheele stad wel eene prooi der vlammen
+zou worden, en dat straks zeker de brandende balken op de hoofden
+der menigte zouden neêrstorten. Veervlug staarde het tooneel met
+verrukking aan, sprak van den vuurkoning, die thans alle elementen
+beheerschte,--van massa's water, die in vloeijende vuurstroomen werden
+opgelost,--en eindigde alle dergelijke uitboezemingen met den uitroep:
+"Prachtig schouwspel! Verrukkelijk! Heerlijk!"--Een zeer hardhandig
+Nijmegenaar naast hem, geenszins in zijne verrukking deelende, en van
+zijne overige uitroepingen niets begrijpende, vond het gepast hem in
+deze uitroepingen te storen, door hem een klap voor den mond te geven,
+welke handgreep, Veervlug eenigzins pijnlijk aandoende, tot vrij hevige
+onaangenaamheden aanleiding gaf. Gelukkig was het, dat de _foule_ hen
+een weinig van elkander afdrong; anders weet ik niet wat de gevolgen
+zouden geweest zijn: want Pols, nog steeds met de koffers bezig, was
+niet tegenwoordig om te bevredigen. Holstaff stond, met één grooten
+traan in ieder oog, het akelig tooneel te aanschouwen. "Ach! ach! hoe
+ijselijk!" riep hij uit. "Die bloeden van kinderen, die nu in dit huis
+zullen verbranden, en die hopelooze ouders, die hunne dierbaarste
+panden op zulk eene vreeselijke wijs verliezen, en ze niet kunnen
+redden,--voor al het goud van de wereld niet kunnen redden! Die
+ongelukkige kinderen, geheel omringd door onmeêdoogende vlammen--den
+dood voor oogen--zonder hunne ouders--alleen--die arme, arme bloeden!"
+
+"Hou toch je mond van die arme bloeden van kinderen!" gromde een burger
+hem toe. "Denk jij, dat wij hier de menschen laten verbranden? Daar
+zijn geen kinderen in huis. Daar waren maar twee oude luidjes en eene
+meid, en die zitten al een uur in veiligheid."
+
+"Geen kinderen!" mompelde Holstaff: "een raar huisgezin zonder
+kinderen. "Nu, ik kan het niet helpen. Dan verliezen die menschen
+alleen hun goed. Ik dacht dat zij veel ongelukkiger waren."
+
+Het huis was intusschen tot den grond toe afgebrand; doch daar het stil
+weder was, en men de noodige voorzorgen voor de andere huizen nam,
+bepaalde zich het onheil tot die eene woning. Ten half vier ure was
+men, den brand geheel meester, en zag men langzamerhand de menschen
+aftrekken. De reizigers keerden weêr in hun logement; velen bleven uit
+voorzigtigheid beneden, waar eenigen op sofa's en stoelen insluimerden,
+terwijl anderen, onder een calmerend kopje thee, over den brand
+van dien nacht, over de oorzaken en gevolgen redeneerden, en ieder
+hunner een of meer dergelijke _scènes_ had bijgewoond, zeer geschikt
+om onder zulke omstandigheden te worden meêgedeeld en aangehoord,
+maar ook evenzeer geschikt om verder geheel te worden vergeten.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+ Verblijf der reizigers te Kleef.--Zij maken kennis met interessante
+ landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden
+ en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op
+ een verhaal van den ouden Heer Korenaar.
+
+
+Het nachtelijk avontuur te Nijmegen behoorde voor onze reizigers
+niet tot de vermakelijkste ontmoetingen; maar hen daarom ongelukkig
+te noemen, zoo als sommigen hunner zich verbeeldden te zijn, is
+misschien een weinig roekeloos omspringen met een term, die op vele
+omstandigheden des menschelijken levens met meer regt kan worden
+toegepast. Het is wel onaangenaam, als men meer geld dan gewoonlijk
+besteedt, om 's nachts behoorlijk te kunnen slapen, die duurgekochte
+rust te moeten opofferen, om niet misschien levend te verbranden; maar
+moet men zulke brandtooneelen in een belendend huis zien opvoeren,
+dan heeft dat in een logement dit voor, dat men zich gemakkelijker en
+zonder veel schade kan verwijderen, terwijl iemand, die onder dezelfde
+omstandigheden rustig zijn eigen huis in zijne eigene stad bewoont,
+doorgaans te veel wil redden, en zich daardoor aan aanmerkelijke schade
+blootstelt. En daarenboven vertrekt een reiziger den volgenden morgen,
+zonder dat hij lang aanschouwer behoeft te zijn van de treurige ruïnes
+en, wat bijna even erg is, toehoorder bij de menigvuldige verhalen, die
+nog wel een week na het ongeluk moeten uitgestort worden. Hij behoeft
+niet te vernemen, dat zijn goede kennis A bijna door een brandspuit
+overreden is, dat het bij B maar een duim breed gescheeld had, of
+hij was door een gloeijenden balk verpletterd; dat C brandgaatjes in
+zijn zwarten rok meent te ontdekken, schoon hij in zijn bruinen jas
+bij de vuurscène tegenwoordig was. Hij behoeft zijne deelneming niet
+te betuigen, wanneer zijne zenuwachtige vriendin P. hem verhaalt,
+dat zij zoo allerijselijkst geschrikt was, en dat zij niet anders
+meende, of haar eigen huis stond in brand. Hij is ontslagen om visites
+te ontvangen van Q of Z, die hem zouden vragen of hij den brand ook
+gezien had, dat hem vooral onaangenaam zou wezen, daar hij bijna door
+Q is omvergeloopen, en Z hem in de _foule_ zeer gevoelig op de teenen
+heeft getrapt. Hij zal niet bedroefd worden door op de societeit
+te ontdekken, dat Spanje en het Oosten vergeten, en het biljart en
+domino genegligeerd worden. In één woord, hij behoeft zich niet in
+zijne kamer op te sluiten, om niet van verveling te sterven.
+
+Gelukkig waren dus ook onze reizigers, die voor zoo vele rampzaligheden
+bewaard bleven, en reeds den volgenden middag, na een aangenaam
+tourtje, bij Roberts te Kleef aan de publieke tafel dineerden. Zij
+zaten daar rustig en op hun gemak; want daar het nog in het
+begin van het saizoen was, waren de logementen nog niet opgepropt
+vol. Het was daar nu beter voor menschen, die, om rust te genieten,
+het gewoel ontvlugten, dan voor die met hetzelfde doel het gewoel
+opzoeken. Mevrouw Korenaar scheen tot deze laatsten te behooren;
+althans zij vond, dat zij het heel ongelukkig troffen. Daar waren nog
+kamers _au premier_ te krijgen, behalve die zij besteld hadden, en de
+knechts hadden een lui leven, want zij konden het nog bijhouden om de
+_logés_ te bedienen. Ambrosine vreesde heimelijk, dat zij in Kleef
+niet zulke aangename kennissen zou maken, als het geval geweest was
+op de Nijmeegsche stoomboot. Misschien oordeelde zij voorbarig; want
+zij had aan de _table d'hôte_ toch reeds drie zeer solide gekleede
+Goudenaars en eene Delftsche familie met zeven kinderen ontmoet. Een
+der Goudenaars was zeer spraakzaam, en de zeven Delftsche kinderen
+waren zeer woelig, de Delftsche papa zeer kinderbedervend, en de
+Delftsche mama heel slordig. De Goudenaars verhaalden veel van de
+hemelhooge bergen, die zij bij Kleef beklommen hadden, en hadden
+het met de Eunomianen en vele kleine tourtjesmakers gemeen, dat zij
+het bereiken van den hemel voor heel gemakkelijk hielden. Zij hadden
+kennelijk vergeten, of misschien nooit geweten, dat Enceladus en zijne
+medereuzen, schoon zij ook bergen, van meer omvang dan de Kleefsche,
+op elkander gestapeld hadden, toch den hemel nog niet hadden kunnen
+beklimmen. Ook Ambrosine was misschien van deze proefneming onbewust;
+althans Mama had, bij de vroegere opnoeming van hare qualiteiten,
+niet van ervarenheid in de oude fabelleer gewag gemaakt; maar zij had
+toch wel eens gehoord van bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt,
+en misschien klopte haar hartje van angst, daar zij gehoord had, dat
+Torteltak zoodanigen moest beklimmen; dus kon zij weinig achting en
+opgewondenheid gevoelen voor de Goudenaars, daar zij ze vergeleek met
+den jeugdigen held, die met vreugde van zulke ondernemingen sprak,
+zonder nog eens hoog daarvan op te geven. Torteltak scheen met
+Ambrosine meer van de bergen dan van de lieve badgasten gesproken
+te hebben.
+
+De Delftsche familie had nog niets beklommen; want zij was gisteren pas
+gearriveerd. Zij had dien morgen een wandeling van een half uur gedaan;
+maar toen waren vier van de zeven telgen ook tamelijk vermoeid, en de
+oudste, een jongen van 16 jaren, had ronduit verklaard, dat hij den
+weg van Delft naar de Kethel mooijer vond, dan dien van de Diergaarde
+naar Berg-und-Thal. Zijn vader, die in hem veel genie en een opmerkende
+geest meende te vinden, had dezen zet onbetaalbaar gevonden. De moeder
+had niets gezegd; want zij zwoegde onder haren driejarigen jongsten
+telg, die van het eerste oogenblik der wandeling had geroepen:
+"Dragen--dragen--Jantje wou niet loopen,--Mama stout--Mama Jantje
+dragen."--Jantje was ten laatste redelijk zoet geworden, toen Mama aan
+zijn verlangen voldaan had. Deze berigten had Ambrosine ingewonnen,
+en zij verwachtte niet veel genoegen van de conversatie met de
+Delftsche familie.
+
+Na het _diner_ begaven onze vijf reizigers met de familie Korenaar
+zich naar Schwanenburg, en hoorden uit den mond van Holstaff de oude
+legende. Op de plaats zelve beviel dit verhaal vrij goed, als onder de
+veelvuldige legendes niet de naarste; maar toen zij, op hunne _retour_,
+van den goeden Holstaff niets hoorden dan: "Hoe akelig was dat voor de
+arme Beatrix, dat toen de zwanenridder zoo op eens verdween, en hoe zal
+zij nooit een zwaan hebben kunnen zien, zonder aan hare noodlottige
+nieuwsgierigheid te denken?" toen wenschten velen der reizigers, dat
+Erlin nooit vertrokken was, en Torteltak hield ten laatste staande,
+dat hij van goederhand vernomen had, dat de ridder acht dagen later
+was teruggekomen en een _mooi cadeau_ voor zijne gemalin uit Keulen
+had meegebragt.
+
+Toen zij in het logement waren teruggekeerd, sprak Mevrouw Korenaar
+van vroeg naar bed gaan; maar Torteltak zag haar zoo treurig aan,
+en Ambrosine slaakte bij die gelegenheid zulk een diepen zucht, dat
+Mama vermurwd werd. Mijnheer had nog een verhaal in zijn hoofd, dat
+hij de vrienden gaarne wilde meêdeelen, en waagde het dus tot zijne
+gade te zeggen: "Nu, bout! wij zullen toch niet met de kippen op stok
+gaan." En Mevrouw antwoordde nu, hare dochter de wangen streelende:
+"Neen, lieve! dat juist niet." En alzoo werd er besloten, niet met
+de kippen op stok te gaan.
+
+De vrienden namen nu plaats in de groote eetzaal. Daar zaten, behalve
+de drie Goudenaars, de Delftsche papa en mama en vijf Delftsche
+kinderen, die dien avond mogten opblijven, en nog twee Heeren van
+Elberfeld, zoo even gearriveerd. Juist toen de familie binnenkwam,
+had een der Goudenaars, een schoolmeester en opgewonden vaderlander
+in everlasting jas, na een paar trekken van Duitsche gastvrijheid te
+hebben aangehoord, de daad van Van Speyk opgehaald, en sprak op een
+uithalenden toon, aan sommige van zijne stadgenooten als aan hem eigen:
+"Ja, Mijnheeren Duitschers! dat was een groot stuk van Van Speyk."
+
+"Dat was het wel," zeiden de andere Goudenaars. Veervlug, die zich
+terstond bij dit gezelschap gevoegd had, kon niet nalaten te zeggen:
+"Ja, Mijnheeren! Van Speyk voerde zoo'n groot stuk uit, dat er maar
+een klein stukje van hem overbleef."
+
+"En onze dichters hebben hem bezongen," zei de schoolmeester.
+
+"Dat is ook zoo," zeiden de andere Goudenaars.
+
+"En daar was er een," ging Veervlug voort, "die, toen hem gevraagd
+werd, waarom hij Van Speyk niet bezong, antwoordde:
+
+
+ "Bewondren kan ik hem!... tot zingen faalt mij kracht."
+
+
+Maar naderhand schijnt hij berouw gekregen te hebben; althans hij
+zingt in een liedje, _Rood en zwart_:
+
+
+ "Die kleuren dekten eens het hart,
+ Des eedlen Wees in Amstels wallen;
+ Ach! weinig dacht dien Held toen nog,
+ Als 't geel (de kleur van snood bedrog),
+ Zich daaraan paart, zal ik eens vallen."
+
+
+'t Was jammer dat de dichter maar alleen kon zeggen, wat de held
+_weinig_ dacht; ik had liever geweten, wat hij _veel_ dacht. Hij
+wist anders nog al wat van hem te zeggen, zelfs hoe het met zijne
+ziel afliep, blijkens het derde Van Speyk's gedicht: _Aan ***, mij
+een pijpenkop vereerende, met de beeldtenis van_ Van Speyk. (Wit
+porselein met gouden rand).
+
+
+ "Gewis men had geen ongelijk
+ Om 't beeld van dapperen Van Speyk,
+ In wit, met goud omzet, te malen;
+ Zijn ziel zoo rein als 't zuiver wit,
+ Is in 't ontsterfelijk bezit
+ Van 't goud van 's hemels zalen."
+
+
+Deze door Veervlug aangehaalde regels werden slechts door een klein
+gedeelte van het gezelschap uitbundig toegejuicht. De Goudsche
+schoolmeester zag den Elberfelder triomferend aan. Deze glimlachte,
+en één hunner zeide: "Bij ons zouden er nog wel menschen gevonden
+worden, die de daad van Van Speyk konden verrigten; maar geene die
+door zulke verzen zijne schim zouden verontrusten." Dit zeggende,
+sloeg hij op de tafel, en kommandeerde nog eene flesch Hochheimer.
+
+De schoolmeester zag naar Veervlug met een veelbeteekenend gezigt;
+maar daar deze terwijl met de Delftsche dame in discours was geraakt,
+vond zijn gelaat het gepast, maar weêr de gewone onbeduidendheid aan
+te nemen.
+
+"Heden, Mijnheer!" zei de Delftsche dame: "watte mooije versjes zijn
+dat! En dat maar zoo op een pijpenkop? Ik weet heusch niet, waar de
+dichters het tusschenbeide van daan halen. Zoo heb ik ook een neef,
+die zulke alleraardigste versjes schrijft, en dat ook maar op alles,
+wat je wilt; laatst nog op een kip, die in 't water gevallen was,
+bij ons op 't Oud Delft. Ik meende te scheuren van 't lagchen, toen
+hij 't me voorlas. Niet waar, Van der Kaas?" ging zij voort, haren
+man tot getuige roepende: "ik spreek van de versjes van neef Sander."
+
+Het is opmerkelijk, dat de meeste menschen een neef hebben, die wel
+versjes maakt, en die al heel dikwijls Alexander of bij verkorting
+Sander heet. Gelukkig, indien deze neven zich alleen tot boertige
+stukjes bepalen; die blijven nog al veel privaat eigendom van de
+familie. Maar gaan zij somtijds verder,--dichten zij nu en dan een
+wiegeliedje of grafschriftje, dat al heel lief is,--rijmen zij ook
+wel Hymnes aan den Tijd, of Odes bij gelegenheid van de Eeuwigheid,
+of Dithyrambes bij het afsterven van een onvermoeid Catechiseermeester
+en doorkundig Krankbezoeker, dan zijn, helaas! te dikwijls de gevolgen
+voor de Drukkers, Uitgevers en het lezend Publiek onberekenbaar.
+
+"Wel ja, wijfje!" antwoordde de Heer Van der Kaas aan zijne kolossale
+Delftsche wederhelft: "Neef Sander is er al heel ver in. Is dat ook
+niet van hem?
+
+
+ "De zon rookte een cigaar; de maan borduurde een boordje."
+
+
+"Abuis, Papa!" viel de jongen van zestien jaren in, die veel genie en
+eenen opmerkenden geest had; "abuis, Papa! dat is uit dat gedrukte
+boek, dat van het begin tot het einde boertig is, en daar ook in
+staat van de trekschuit."
+
+"O ja, de trekschuit!" zei Mevrouw Van der Kaas; "dat is ook al heel
+aardig. Vindt uwé niet, Mijnheer? Dat is net, of je er in zit."
+
+"Ik zit niet graag in trekschuiten," antwoordde Veervlug.
+
+"Zulke verzen lees ik nu altijd met plaisir," zei Polsbroekerwoud;
+"daar kan een bedaard mensch nog bij op zijn stoel blijven zitten. Soms
+zweven die dichters zoo geweldig hoog, dat men er geen oog op kan
+houden. Ik weet waarlijk niet, waarom ze zich dikwijls zoo vermoeijen;
+ze moeten toch altijd weêr op de aarde te land komen. Nu, daar zorgen
+de meesten ook wel voor, vooral als het naar etenstijd loopt."
+
+"'t Is net of ik Sander hoor," zei Mevrouw Van der Kaas.
+
+"Dan merk ik," riep Veervlug verontwaardigd uit, "dat uw neef nog al
+niet veel hinder heeft van zijn Poëtisch gevoel."
+
+"Neen maar," zei Mevrouw, "als het op stuk van zaken aankomt is
+hij extra gevoelig. Zoo herinner ik mij nog van een vers, dat hij
+gemaakt heeft, en dat heel aandoenlijk was: _Uitboezeming aan mijne
+overledene grootmoeder, bij het zien van haar breitobbetje_. De meid,
+die vijfenvijftig jaar bij de goede vrouw gediend had, heeft er bij
+staan huilen als een kind."
+
+"Ja, vaak doet ons de dichter weenen," merkte Holstaff aan; "althans
+zoo is het mij dikwijls gegaan, wanneer ik in den avond ronddwaalde,
+met mijn lievelings-auteur in de hand, terwijl ik, door het zachte
+maanlicht beschenen, nog eens de regelen van Eduard _aan de Maan_
+nalas, die mij anders toch ook wel in het geheugen gegrift waren:
+
+
+ "Teedre maan! gij kunt mijn hart
+ Nimmer weêr bekoren--
+ Teedre maan! uw vriendlijk schoon
+ Is voor mij verloren!"
+
+
+En dan verder, daar hij schreijende zegt:
+
+
+ "En de beek ziet staâg een traan.
+ Met een golfje vlugten.
+
+ Zilte tranen! spoeit vrij voort,
+ Fanny voelt u vlieden--
+ Spoeit--een bleeke straal der maan
+ Zal u slechts bespieden."
+
+
+Jammer maar, dat in het laatste vers, waar Fanny op het graf van
+Eduard treurt, niet van een slepend koortsje gewag gemaakt wordt,
+dat haar ondermijnt, en hoop geeft, spoedig onder de groene zoden
+naast haren Eduard te rusten."
+
+"Je spreekt er over als een doodgraver," zeî Pols; "je zoudt alle
+menschen maar in het graf willen helpen. Juffrouw Fanny zal zich
+naderhand misschien nog wel wat getroost hebben. Wie weet of ze niet
+nog eens een goede partij gedaan heeft! Zulke dingen trekken nog wel
+eens bij."
+
+"IJskoude ongevoeligheid!" bromde Holstaff, en hij besloot den geheelen
+avond geen woord meer te spreken.
+
+De vaderlandlievende Goudsche schoolmeester vond, dat het discours
+over Van Speyk een weinig te spoedig was afgebroken, en de rigting,
+die het in de laatste oogenblikken genomen had, kon hem maar niet
+bevallen. Hij wilde gaarne Hollands roem bij vreemdelingen handhaven,
+en daartoe scheen hem het best toe, met enkele particulieren, die
+een bijzonder goed figuur gemaakt hadden, voor den dag te komen. Hij
+doorzocht nu zijn geheugen, daar men over gedichten sprak, om het
+een of ander vaderlandsch stuk te vinden. Maar, helaas! daar wilde
+hem niets invallen; want poëzij werd op zijne school niet geleerd,
+en was dus zoo zijn vak niet. Zijne reiscompagnons, die ook niet
+gewoon waren hem zoolang zwijgende te zien, schenen ook iets te
+verwachten. Eindelijk herinnerde hij zich nog een fragment van een
+vaderlandsch stukje. En dus zoodra er eene pauze was, wendde hij zich
+weêr tot de Elberfelders:
+
+"Ja, Mijnheeren Duitschers! zoo opgewonden de Hollanders zijn voor
+helden, die hun bloed voor de heilige zaak des Vaderlands veil hebben,
+zoo laag zien zij neêr op baatzuchtigen, die om eigen gewin die
+zaak afvallen."
+
+"Dat is wel waar," zeiden zijne mede-Goudenaars.
+
+"Zoo herinner ik mij," ging hij voort, "een vers, door een onzer
+dichteren gemaakt, op een verrader des Vaderlands. Krachtige taal;
+hoor slechts het begin;
+
+
+ "'t Was nagt, toen u uw moeder baarde,
+ Een nagt, zoo zwart als immer was."....
+
+
+"Met uw verlof!" viel Polsbroekerwoud in: "dat vind ik niet bijzonder
+krachtig gezegd; want de meeste kindertjes komen bij nacht ter wereld."
+
+"En," voegde Veervlug er bij, "dat het een zwarte nacht was, bewijst
+alleen, dat het geen lichte maan was."
+
+"Mijnheeren," riep de schoolmeester verontwaardigd, "op zulk eene
+wijze kunt ge alle verzen wel uitkleeden."
+
+"Dat kunt ge ook," zeiden de twee andere Goudenaars.
+
+"Mits," grinnikte Veervlug, "dat er eerst inkleeding heeft plaats
+gehad."
+
+Het goede plan van den schoolmeester, om Hollands roem bij
+vreemdelingen te handhaven, mislukte door deze interruptie geheel. De
+vrienden verzochten, om hem te bevredigen, wel, dat hij zou voortgaan;
+maar hij bedankte er voor, en hield zich stil. Zijne reiscompagnons
+vonden, dat hij gelijk had. Niemand vernam dus iets van "de helsche
+geesten, de krassende vogelen, de woedende zee en de verschrikte
+engelen;" en de Elberfelders waren van het genoegen verstoken, iets
+meer van Hollands roem te hooren.
+
+De Delftsche Mevrouw had met bewondering toegeluisterd. Haar gemaal
+had nu en dan gelagchen om zijn oudste zoontje, dat veel genie en
+een opmerkenden geest had; want hij had achter den stoel van den
+schoolmeester gestaan, en, als deze sprak, grimassen achter zijn rug
+gemaakt. Hij had ook nu en dan tegen de andere Heeren, die hem niet
+aanzagen, de tong uitgestoken. De overige kinderen liepen de kamer op
+en neder, plukten aan de stoelen, trokken aan de gordijnen, en kwamen
+nu en dan Mama aan den schoot hangen en een ulevelletje afdwingen om,
+na ontvangst daarvan, onderling te kibbelen en te harrewarren.
+
+Mevrouw Korenaar was gedurende de discoursen in eenen zoeten slaap
+geraakt, en droomde zich misschien op de bruiloft van Ambrosine's
+eersteling. De oude Heer had zijne tweede cigaar opgestoken en hulde
+zich in rookwolken. Torteltak sprak zeer druk met Ambrosine, en ook
+door de dichterlijke stemming, waarin de andere vrienden verkeerden,
+bezield, had hij alle mogelijke verzen, die hij zich herinnerde en
+die hij begreep dat een jong meisje uit zijn mond aardig in de ooren
+zouden klinken, fluisterende meêgedeeld en te gelijk met zijne oogen
+meesterstukken verrigt. Hij was nu eens teeder, dan weder dartel,
+soms ook hoogst gevoelig. Het verwijt "aan den stroeven wijsgeer,"
+die niet erg veel met kusjes op had, werd niet vergeten; het speet hem,
+dat hij moeijelijk kon te pas brengen het:
+
+
+ "Een wreede onpaslijkheid heeft mij aan huis gebonden:
+ Wat heeft mijn ziel al ondervonden
+ Van droefheid, smart en kommernis,
+ Vooral daar mijn vertrek zoo kort ophanden is."
+
+
+want hij vreesde, dat de eerste regel het effect van den laatsten
+zou benadeelen. Daarom bepaalde hij zich nu bij een ander gedicht,
+dat toch ook heel aandoenlijk was, na vooraf te hebben aangemerkt,
+dat men zich in sommige omstandigheden zoo gaarne de woorden van
+dichters zou willen toeëigenen.
+
+
+ "Ja, geen der wreedste folteringen,
+ Die ooit den Stervling viel te beurt,
+ Kan zoo het hart zijn moed ontwringen,
+ Als 't oogenblik dat ons een Zielsgeliefde ontscheurt!
+
+ Helaas! wen eensbezielden voelen
+ Hoe zalig ze in elkander zijn:
+ Wen al het heil dat zy bedoelen,
+ Het deelen is van vreugde en pijn:
+
+ Wen 't hart niet langer voor zich-zelven,
+ Maar voor zijn ander harte slaat;
+ De zucht een afgrond schijnt te delven,
+ Die zijns Geliefden borst ontgaat."
+
+
+Hier slaakte Ambrosine een diepen zucht, die echter bij deze bijzondere
+gelegenheid voor Torteltak geen afgrond scheen te delven, maar veeleer
+een demping te bewerkstelligen van den kleinen afgrond, die er nog
+tusschen hem en Ambrosine bestond.
+
+De aankomst van een Engelsch Heer en Dame brak hier deze gesprekken
+af, die anders misschien ook nog onder het _souper_ zouden hebben
+voortgeduurd en voor velen den maaltijd vergald. Terwijl de Heer naar
+boven ging om de kamers te bezigtigen, plaatste de Dame zich op een
+stoel aan het einde der zaal, na den groet van diegenen der reizigers,
+die haar begroet hadden, beleefd te hebben beantwoord.
+
+De Goudsche schoolmeester, die volstrekt geene notitie van haar
+binnenkomen genomen had, vond het gepaster dadelijk aan het gezelschap
+te zeggen: "Ik houd niet van Engelschen. Zij zijn mij te stuursch
+en onbeleefd."
+
+"Dat is wel waar, dat zult ge altijd zien," zeiden de andere
+Goudenaars, die misschien voor het eerst van hun leven Engelschen
+van zoo nabij zagen.
+
+Een der Elberfelders maakte de opmerking, dat dit toch eigenlijk meer
+in naam, dan inderdaad was; dat hij heel veel Engelschen ontmoet had,
+en nooit die bijzondere onbeleefdheid had ondervonden.
+
+"Dan hebt u wel rare Engelschen ontmoet," zeî de schoolmeester;
+"maar zoo veel is althans zeker, dat zij denken dat er geen een land
+boven Engeland gaat, en dat zij ondragelijk trotsch zijn op den roem
+van hunne natie."
+
+"En kunnen zij wel één Van Speyk opnoemen?" vroeg de Elberfelder.
+
+De schoolmeester antwoordde niet; want de knecht bragt het _souper_
+binnen, en allen plaatsten zich aan den disch, behalve de Engelschman,
+die, aan het einde der tafel gezeten, _tea for Mylady_ en voor
+zichzelven een glas _brandy hot_ besteld had, en eenige aanteekeningen
+in een zakboekje maakte, terwijl Mylady een _guide_ doorbladerde.
+
+"Die Engelschen lijken wel gek, dat zij niet souperen," zeide de
+schoolmeester; "maar misschien zijn zij daar te gierig toe. Wat doen
+ze dan te reizen?"
+
+"Maar als ze nu geen honger hebben," zei Pols.
+
+"Dat maakt mij geen mensch wijs, dat je 's avonds om tien ure geen
+honger zoudt hebben. 't Is te gek om van te spreken. Ik kan 's avonds
+wel een pond vleesch aan."
+
+"Ik ook," zeiden de andere Goudenaars.
+
+De andere reizigers vonden het nu maar gepaster, de Engelschen met
+hunne thee en cognac in vrede te laten, en zelve rustig te souperen;
+vooral scheen de lieve Delftsche jeugd geenszins onverschillig voor
+de praeparaten van den Kleefschen kok. Daar heerschte zelfs ongeduld
+en ongerustheid dat er niet genoeg zou zijn onder de jeugdige Van
+der Klaasjes. Mevrouw had het waarlijk druk met haar kroost, daar
+Geertje, voordat nog iemand gediend was, uitriep: "Mama! ik heb nog
+geen cotelettes," en dus moest gerustgesteld worden, en Pietje spoedig
+daarna opmerkte, dat Aernout veel grooter stuk vleesch had dan hij,
+en waarschijnlijk niet zou gezwegen hebben, indien niet Mama een
+stukje van haar eigen bord ten behoeve van Pietje had afgestaan. De
+jongen van zestien jaren, die veel genie en een opmerkenden geest had,
+mogt zichzelven dienen en nam opmerkelijk groote portiën, en Papa dit
+ziende, kon niet nalaten, aan Mama te zeggen: "Die Evert is toch een
+olijke gast van een jongen."
+
+Toen het _souper_ afgeloopen was, zouden de lievelingen vertrekken,
+omdat zij niet langer blijven wilden. Maar toen zij tot vreugd
+van het gezelschap reeds op weg waren, ontmoetten zij den knecht,
+die een schaal met aalbessen binnen bracht. IJlings vlogen zij naar
+hunne plaatsen terug en riepen eenstemmig, dat zij aalbessen moesten
+eten. Mama werd met deze luide kreten een weinig verlegen; maar Papa
+vond het nog al een aardige trek van zijne kinderen, dat zij zoo
+dadelijk, toen zij de vruchten zagen, waren teruggekomen.
+
+"Ik wou meer bessen," riep Pietje.
+
+"Ik heb geen suiker genoeg," riep Geertje.
+
+"Nou heb ik geen een trosje witte," griende Aernout.
+
+De zestienjarige jongen, met genie en een opmerkenden geest begaafd,
+had opgemerkt, dat zijn zusje gewoonlijk schreeuwde, als hij haar
+onder de tafel in de knieën kneep, en scheen haar gaarne te hooren
+schreeuwen.
+
+"Aw, Aw, je doet me zeer!" huilde Antje.
+
+"Is 't niet lekker, Pietje?" zei Polsbroekerwoud in eene heel
+kinderlievende bui.
+
+"Daar heb jij ook wat," antwoordde Pietje, en smeet hem een steeltje
+toe.
+
+"Foei, Pietje!" zei Mama, en kreeg eene kleur.
+
+"'t Wordt ook al een gannefje," zei Papa glimlachend.
+
+"Geeft u ze maar van die bessen, Mevrouw!" zeî Pols; "dat is gezond
+voor kinderen."
+
+"Ja," zei Veervlug, "gezond en frisch. Dit herinnert mij eene Ode
+aan de aalbes, van een onzer dichters:
+
+
+ "'t Lust mij zingend u te loven,
+ Ed'le bes, gezond en frisch!
+ Heerlijk ooft van Neêrlands hoven,
+ Sieraad van der burgren disch!
+ Mijne zangster, die haar toonen
+ Aan 't eenvoudig-ed'le wijdt,
+ Zal ook met een lied u kroonen,
+ Die eenvoudig edel zijt.
+
+ Andren zingen abrikozen;
+ Perzik, uw verheven zoet!.."
+
+
+"'t Is of ik Sander hoor," riep Mevrouw Van der Kaas.
+
+"Ja," zeî Veervlug, "ik kan het u niet geheel reciteren; maar nog
+ééne passage klinkt zeer schoon.
+
+
+ "Juich, verhef u vrij, Germanje!
+ Roem uw, druivenrijken Rijn!
+ Juich Bourgonje, bral Champagne!
+ De aalbes schenkt ons ed'len wijn."
+
+
+"Mooi, mooi," riep een der Elberfelders. "_Kellner_! hebt ge ook
+aalbessenwijn?"
+
+"Ja wel, Mijnheer!" zeî de _Kellner_.
+
+"Geef _mij_ dan nog een flesch Hochheimer. Die Hollandsche Mijnheer
+daar zal den bessenwijn waarschijnlijk prefereren."
+
+Veervlug scheen evenwel niet bijzonder nationaal te wezen; want hij
+hield zich met zijne vrienden bij den Rijnwijn.
+
+De Delftsche familie trok op. Mijnheer zou gaarne nog wat beneden
+gebleven zijn, maar Geertje riep met luider stem: "Papa meê!" en Papa
+ging als een gehoorzaam vader meê naar boven.
+
+Ook de Elberfelders vertrokken een weinig later; en de Goudsche
+schoolmeester zeide geeuwend, dat hij een beetje slaap kreeg.
+
+"Ik ook," zeiden de mede-Goudenaars, en bragten met veel moeite
+geeuwingen voort.
+
+Mevrouw Korenaar en Ambrosine vertrokken insgelijks, de laatste met
+een eenigzins treurig gezigt. Zij wist dat het reisplan der vrienden
+meêbragt, om den volgenden morgen ten 6 ure Kleef te verlaten. Vier
+hunner namen met groote bedaardheid van de Dames afscheid; één
+hunner met bijzonder empressement; hij hoopte na zijn _rétour_ het
+geluk te mogen hebben, bij de familie eene visite te maken. Hij nam
+met een eerbiedigen handdruk van Mevrouw, met een teederen dito van
+Ambrosine afscheid, en zoo wel hij, als het meisje, zuchtte bij deze
+gelegenheid hoorbaar.
+
+"Ik heb hoofdpijn, Mama!" zeî Ambrosine, bovenkomende;
+"ik ga dadelijk slapen."
+
+Misschien had zij waarlijk hoofdpijn, maar zij sliep niet dadelijk.
+
+Mijnheer Korenaar presenteerde aan de vrienden een cigaartje, en
+proponeerde nog een half uurtje op te blijven. Niemand had slaap,
+en dus bleef men zitten. Men sprak nog ter loops over de Goudsche,
+Delftsche en Elberfeldsche reizigers: maar spoedig geraakte men
+aan algemeene opmerkingen, en een van dezen, welke weten wij niet,
+werd door den ouden Heer opgevangen, die daarop zeide: "Ja, zoo heb
+ik eene ontmoeting gehad, die ik onlangs nog aan iemand, ik weet niet
+wien, meêdeelde," (Torteltak wist wel aan wien, maar 't was hem nu om
+'t even, of hij oude of nieuwe verhalen hoorde) "die waarlijk nog al
+interessant is. Wil ik ze u eens meêdeelen?"
+
+"Heel gaarne," riepen de vrienden.
+
+De Heer Korenaar legde zijn bril af, deponeerde zijn cigaar op een
+boord, en deelde de volgende geschiedenis mede.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+ Het verhaal van den Heer Korenaar, dat misschien nog met de
+ verdere reisavonturen van Polsbroekerwoud en zijne vrienden in
+ verband zal staan.
+
+
+"Het kan wonderlijk in de wereld loopen. Ik zat in het jaar 1800 op
+den 10den November op mijn kantoor. Ik weet den juisten datum nog
+zoo, omdat het de dag was na dien fameusen storm, daar de Heeren wel
+van zullen gehoord hebben. Het was de hevigste orkaan, dien ik ooit
+bijgewoond heb. Men wil nu wel zeggen, dat die van den 29en November
+verleden jaar even erg geweest is; maar, gelooft mij, die was maar
+een kind bij den vorigen. Alle menschen van jaren zullen dit met
+mij eens wezen; maar de jonge lieden willen tegenwoordig alles net
+zoo goed en misschien beter kennen dan menschen van jaren. Nu, dat
+daargelaten.--Ik zat op mijn kantoor in mijne zaken, en zag juist eene
+lijst na van goederen, die ik uit de Oost ontvangen had, toen een jong
+mensch van omtrent twintig jaren mij verlangde te spreken. Ik dacht
+natuurlijk dat het over zaken was, en zond hem mijn boekhouder in het
+spreekkantoortje; maar deze kwam spoedig terug, en overhandigde mij
+een brief van den Heer Darmold, een correspondent uit Marseille, die
+mij dringend verzocht zijnen zoon, den overbrenger van dezen brief,
+gedurende zijn verblijf in Holland eenig genoegen te verschaffen,
+en zoo veel mogelijk verstrooijing te geven. Hij had, schreef mijn
+correspondent mij verder, een paar jaar gestudeerd, maar was door
+treurige lotgevallen in eene diepe melancholie vervallen, en deed nu,
+op raad der geneesheeren, een reisje door Europa. Ik verzocht dadelijk
+den jongen mensch bij mij op mijn kantoor, en zeide, dat het mij
+genoegen zou wezen, indien hij straks met mij naar huis wilde gaan;
+doch daar ik nog eerst eenige zaken in orde te brengen had, gaf ik
+hem intusschen de cargalijsten en scheepstijdingen, om eens in te
+zien. Ik vervolgde mijne werkzaamheden, maar bemerkte spoedig, dat
+hij zich weinig met de lectuur bezig hield, en begreep dus, dat hij
+een zwaar verdriet moest hebben: waar het hem evenwel haperde, wist
+ik toen nog niet; maar later, toen hij eenige dagen bij mij geweest
+was, ontdekte ik, dat het iets betreffende zijn hart was. Ik wil
+wel bekennen, dat ik bij de ontdekking niet regt wist, hoe daarmeê
+te handelen; want ik heb mij in mijn leven meer op de kennis der
+koloniale waren, dan op die van het menschelijk hart toegelegd. Maar
+daar zijn oude Heer mij verzocht had hem veel verstrooijing te geven,
+deed ik wat in mijn vermogen was: ik wandelde eens met hem naar de
+Plantage, deed ook een tourtje naar het Overmaassche, en liet hem
+de werf zien. Dit alles scheen evenwel zijne treurigheid niet te
+verminderen; hij kon uren lang zitten, zonder een woord te spreken;
+en als ik hem dan zeide, dat hij zoo niet in zichzelven gekeerd moest
+wezen, glimlachte hij wel, maar hij bleef dezelfde. Ik raadde hem aan,
+om niet meer zoo melancholiek te wezen en zich over de zaken heen te
+zetten, daar alle dingen toch te regt komen, en bragt hem voorbeelden
+bij van twee speculatiën, die mij mislukt waren, maar die ik naderhand
+toch gelukkig geredresseerd had. Alles vergeefs.--Ik was zelf toen nog
+jong en ongetrouwd, en dus nog heel vrolijk; al mijne vrienden waren
+opgeruimde menschen, en wij bragten dikwijls de avonden met elkander
+door onder een glaasje wijn en een potje commerce; maar ook hierin
+scheen Darmold geen genoegen te vinden. Zoo zal hij omtrent zes weken
+bij mij in Rotterdam geweest zijn, toen hij hoorde, dat er een schip,
+waarin ik aandeel had, naar Oost Indië zeilreê lag. Hij verzocht mij,
+hem in de gelegenheid te stellen, met dat schip de reis te maken. Ik
+vroeg hem in het eerst wel, of hij gek was; hoe hij het verzon,
+om zoo in éénen naar de Oost te gaan. Ik ried hem, om dit plan nog
+eens een jaartje te wikken en te wegen, en het _pro_ en _contra_
+in aanmerking te nemen. Ik zeide hem, dat ik niet kon permitteren,
+dat zulke dollemanscoupen op een schip van mij gebeurden. Maar de
+man bleef onverzettelijk; hij sloeg mijn goeden raad in den wind, en
+daar zijn vader hem onbepaalde credietbrieven had meêgegeven, en hem
+in alles vrijgelaten had, moest ik wel aan zijn verlangen voldoen:
+ik bezorgde alles voor zijne uitrusting, en weinige dagen later was
+hij op reis.
+
+"De reis naar Oost-Indië was in dien tijd eene belangrijke onderneming,
+en duurde verscheiden maanden. Tegenwoordig, nu men stoombooten heeft,
+die evenwel nog niet op de Oost varen, doet men den overtogt veel
+spoediger. Gij kunt dus begrijpen, hoe verwonderd ik was, toen ik vier
+weken later mijn gewezen _logé_ weêr voor mij zag staan, ten minste
+zoo ik meende; schoon ik spoedig vernam, dat niet hij het was, maar
+zijn tweelingbroeder, die sprekend op hem geleek. Een van de eerste
+vragen, die deze mij deed, was, waar zijn broeder was. Ik antwoordde:
+"Aan boord van de _Johanna Maria_, op reis naar Oost-Indië," en terwijl
+ik de zeetijdingen nakeek, voegde ik er bij: "gepraaid in de Noordzee,
+den 15den November." Ik bemerkte spoedig, dat deze tijding aan den
+broeder niet beviel; althans hij riep met droefheid uit: "Hemel! dus
+toch te laat! Alles te vergeefs!" Ik begreep in den beginne niets van
+deze uitroepingen; maar naderhand zag ik de zaak beter in, toen mijn
+nieuwe bekende mij het volgende meêdeelde.
+
+"In de stad H****, waar de jonge Darmold studeerde, woonde de familie
+Pereaux, die door het geven van _diners_ en bals, vooral bij de
+studerende jongelieden, in groot aanzien was. De Heer des huizes was
+eigenlijk een slecht echtgenoot, en nog al heel los; maar daar hij rijk
+en gastvrij was, zag men bij hem veel door de vingers. Onder de Heeren,
+die zijn huis frequenteerden, bevond zich ook Darmold, die, stil en
+ingetogen levende, minder spoedig het hart van den Heer Pereaux won,
+dan dat van zijne echtgenoot en zeventienjarige dochter. Hij scheen
+evenwel met zijn succes van dien kant tevreden, en benijdde degenen,
+die hoog bij Mijnheer stonden aangeschreven, hunne plaats niet. Het zou
+evenwel wenschelijk voor hem geweest zijn, indien Mijnheer Pereaux,
+hoe los hij dan ook was, hem minder als een houten Klaas beschouwd
+had; want toen Emma hem reeds hare liefde geschonken had, en hij bij
+het verzoek om hare hand grooten steun in hare Mama vond, weigerde
+Mijnheer volstrekt iets daarvan te willen hooren, en protegeerde een
+medeminnaar, een jong officier, op wiens moreel misschien wel wat was
+aan te merken; maar Mijnheer Pereaux zeide, op zijn eigen voorbeeld
+wijzende, dat zulke menschen doorgaans de beste echtgenooten worden;
+iets dat, evenwel zijn brave vrouw door de ondervinding geheel anders
+geleerd had.
+
+"Emma, die den officier om zijne losheid verachtte, en nu eenmaal
+haar hart op Darmold gesteld had, verzette zich in den beginne wel
+wat sterker, dan eene dochter tegenover haren vader betaamt, tegen
+zijn gevoelen, maar later wendde zij het over eenen anderen boeg,
+en wist hem door tranen en smeekingen zoo ver te brengen, dat hij
+eindelijk zijne toestemming gaf, indien zij dan toch volstrekt hare
+dagen in verveling wilde doorbrengen.
+
+"De jonge Darmold was evenwel volstrekt geen vervelend mensch. Toen
+hij bij mij was, vond ik hem wel stil; maar hij was toen ook in zulke
+bedroefde omstandigheden en zijn broeder heeft mij verteld, dat hij
+vroeger altijd vrolijk en heel aardig was; maar daar hij zich heel
+weinig met de losbollen inliet, hielden deze hem voor een flaauwen
+jongen, en vooral de vrienden van den officier vatteden haat tegen
+hem op, toen hij Emma toch eindelijk kreeg. Hierdoor verbitterd,
+rustten zij niet, voordat zij zijn ongeluk bewerkt hadden, en zij
+schaamden zich niet daartoe de schandelijkste middelen te gebruiken.
+
+"Darmold miste op zekeren dag den ring, dien hij van zijne Emma
+ontvangen had, en toen hij, zich hierdoor ongelukkig gevoelende,
+op den gewonen tijd zijne bruid wilde bezoeken, werd hij aan de
+deur afgewezen. De ring was aan den Heer Pereaux overhandigd, en een
+relaas, daarbij gevoegd, schijnbaar met onwedersprekelijke bewijzen
+gestaafd, overtuigde dezen, en deed zelfs zijne huisgenooten vreezen,
+dat Darmold een verachtelijke huichelaar was. Vergeefs trachtte hij
+zich te verontschuldigen. De Heer Pereaux wilde hem niet meer zien,
+en zelfs zijne brieven werden hem ongeopend teruggezonden. Zijn
+engagement met Emma was onherroepelijk verbroken.
+
+"De arme jongeling kwam te Marseille bij zijne familie terug, en
+werd door eene hevige ziekte aangetast, en schoon hij daarvan ook
+genezen was, het ongeluk deed hem in zulk eene melancholie vervallen,
+dat men voor zijn verstand begon te vreezen; voornamelijk toen hij
+eenige maanden later hoorde, dat Emma weldra aan den officier Duchamps
+zou verloofd zijn. In dien toestand liet zijn vader hem, op raad der
+doctoren, eene reis ondernemen, en zoo kwam hij bij mij in Holland.
+
+"In dien tusschentijd werd de toestand van Mevrouw Pereaux, die reeds
+sedert eenige jaren aan eene gevaarlijke kwaal leed, zeer bedenkelijk,
+en de uitspraak der faculteit was, dat zij slechts weinige maanden
+meer te leven had. Toen zij nu haar einde voelde naderen, woog haar
+het lot van Emma zwaar op het hart, en daar het engagement met den
+officier nog zoo ver niet gevorderd was, als de geruchten verspreidden,
+deed zij nog eene poging om haren echtgenoot tot betere gedachten
+omtrent Darmold te brengen, en eischte, als een laatste bede, dat
+deze zich ten minste zou mogen verantwoorden. Mijnheer Pereaux, wien
+zijn geweten misschien veel verweet omtrent de vrouw, die hij weldra
+zou verliezen, durfde haar deze bede niet weigeren, en de broeder
+van Darmold, van dit besluit onderrigt, spoedde zich naar Holland,
+waar hij dezen nog meende te vinden.
+
+"Toen hij mij deze omstandigheden had meêgedeeld, begreep ik zeer
+goed, waarom mijn berigt omtrent de ondernomen reis naar Oost-Indië
+hem niet bijzonder aangenaam getroffen had. Ik trachtte hem evenwel
+zoo goed mogelijk te troosten, daar de zaak nu eenmaal zoo en niet
+anders was, schoon het geval ook mij waarlijk leed deed. Het bleek
+nu evenwel van achteren, dat ik gelijk had gehad, toen ik Darmold's
+coup, om zoo in éénen naar de Oost te gaan, dollemanswerk genoemd had,
+schoon ik ook van al deze omstandigheden niets wist.
+
+"Twee maanden later kreeg ik van den ouden Heer Darmold berigt,
+dat Mevrouw Pereaux overleden was, en toen ik weinig tijds daarna
+eene bezending goederen uit Marseille ontving, meldde hij mij in
+een post-scriptum, dat Mijnheer de belofte aan zijne stervende vrouw
+vergeten had, en dat Emma spoedig met den Heer Duchamps in den echt
+zou treden. Hij had deze tijding ook aan zijn zoon gezonden, die op
+een vroegeren brief misschien zou zijn teruggekeerd, en die bij zijn
+_retour_ door deze nieuwe teleurstelling misschien tot wanhoop zou
+geraakt zijn.
+
+"Ik had in geen twintig jaar iets meer van deze menschen gehoord, ja
+het was bijna eenentwintig jaren geleden, want de oude Heer Darmold
+was gestorven en ik had een anderen correspondent te Marseille; ik
+was in dien tusschentijd getrouwd en had drie kindertjes in leven,
+behalve die al gestorven waren; net die kinderen, die ik nu nog heb,
+en waarvan uwé mijne dochter Ambrosine gezien heeft, die toen nog maar
+drie jaren oud was; toen in den zomer van 1821 een tamelijk bejaard
+Heer bij mij op het kantoor komt, en tot mij zegt: 'Ik zal misschien
+niet meer bij u bekend zijn.'
+
+"'Dat ik ten minste weet, niet,' gaf ik hem ten antwoord. 'Wie heb
+ik eigenlijk 't plaisir te zien?'
+
+"'Ik ben Darmold,' zeide hij: 'ik heb nu twintig jaren geleden van
+uwe gastvrijheid geprofiteerd, en kom nu uit de Oost terug.'
+
+"'Darmold?' zeg ik: 'heden, je bent veranderd; maar 't is ook al een
+heele tijd, dat wij malkaâr niet gezien hebben. Wel ja, ik heb je
+toen nog naar het schip gebragt. Jammer maar, dat je toen toch die
+reis niet een jaartje uitgesteld hadt.'
+
+"'Ach ja!' zeide hij; 'maar hierover wel nader. Ik moet hier twee
+dagen blijven om mijne bagage, en reis dan verder naar Pyrmont.'
+
+"'Ja, en de oude Heer is ook zoo dood in dien tijd,' zeide ik.
+
+"'Dat is nu al achttien jaar geleden,' antwoordde hij. Ik had juist
+mijn correspondentieboek voor mij, en keek het eens na: het was
+achttien jaren en vijf maanden.
+
+"'En die Jufvrouw is toen, meen ik, getrouwd,' mogt ik zoo zeggen.
+
+"'En nu weduwe!' zei hij. 'Zij is twintig jaren ongelukkig geweest.'
+
+"'Dat is een heele tijd!' zei ik. 'Ik ben nu zeven jaren gehuwd; maar
+mijne vrouw is wat jonger dan ik. Ik zal u bij haar brengen. Gij zult
+onze gast wezen.'
+
+"Hij nam mijne invitatie aan, en beviel mijne vrouw en mij bijzonder
+wel, schoon hij nog altijd stil was; en toen hij twee dagen later
+vertrok, noodigden wij hem uit, om zijn bezoek eens te hervatten.
+
+"Hij beloofde dit, en hield ook zijn woord. Maar hij wachtte weêr
+zestien jaren. In dien tusschentijd, vernam ik, was hij naar Pyrmont
+gereisd, waar Mevrouw de weduwe Duchamps woonde, welke daar eenige
+maanden met haren ziekelijken echtgenoot had doorgebragt, en hem daar
+ook verloren had. Zij was in haar huwelijk zeer ongelukkig geweest,
+en had alle hare kinderen verloren, behalve een meisje, dat nog maar
+twee jaren oud was, toen haar vader stierf.
+
+"Darmold kwam bij zijne oude geliefde aan, en schoon de tijd hen beiden
+eenigszins veranderd had, herkenden zij elkander nog zeer goed; hij
+drong bij haar op eene verbindtenis aan, en zij gaf twee jaren na den
+dood van haren echtgenoot hare toestemming. Zoo zouden die menschen,
+na meer dan twintig jaren tegenspoeds, malkaâr waarlijk nog haast
+gekregen hebben; maar het scheen zoo niet te mogen wezen. De vrouw
+gevoelde zich voor het eerst van haar leven gelukkig; maar dit was
+ook haar veeg teeken. Zij werd door eene hevige ziekte aangetast, en
+weinige dagen voordat het huwelijk zou voltrokken worden stierf zij,
+haar eenige dochtertje aan de zorgen van Darmold aanbevelende."
+
+"Ik moet zeggen, dat hij aan zijne belofte trouw voldaan heeft: hij
+heeft Emma nooit verlaten; maar zoo als die Oost-Indienaars zijn,
+hij scheen nergens rust te hebben. Hij heeft zestien jaren lang geheel
+Europa doorkruist, en nu eens een winter in dit land, dan weder in dat,
+doorgebragt. Maar hij heeft eene beste opvoeding aan zijn aangenomen
+dochtertje gegeven, en ik weet niet hoeveel talen het meisje spreekt."
+
+"Mijnheer!" zeide de knecht, binnenkomende, tot Mijnheer Korenaar;
+"Mevrouw wacht u boven."
+
+"Ja, ik kom," antwoordde deze, opstaande. "Nog een woordje,
+Mijnheeren! Zoo als ik zeide, Darmold heeft mij nog eens opgezocht,
+en hoe de dingen raar kunnen loopen! Hij kwam nu in 't voorjaar
+uit London terug, en heeft zes weken bij ons gelogeerd. In dien
+tusschentijd heeft mijn oudste zoon, die in mijne zaken is, en die, nu
+ik van huis ben, alles alleen waarneemt, de jonge Emma leeren kennen,
+en de jongeluidjes zijn malkaâr goed bevallen. Ik had er niets tegen,
+want zij zal wel een goed stuivertje meêbrengen; en de oude Heer
+Darmold is van idee, dat men jonge menschen in hunne inclinatiën niet
+moet tegengaan. Dus die twee zullen, als alles wel loopt, aanstaande
+Mei een paar worden. Darmold is nu nog met haar naar Italië, en zal
+binnen zes weken over Zwitserland terugkeeren. Misschien ontmoeten de
+Heeren hem nog wel; doet hem in dat geval mijn compliment, en in het
+bijzonder ook aan het lieve Emmaatje.--Goeden nacht, Mijnheeren! Goede
+reis en gezondheid!"
+
+De noodige handdrukkingen, buigingen, en afscheidstermen werden
+gewisseld, en ook onze reizigers verlieten weldra, tot vreugde der
+_Kellners_, de groote zaal.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+ Aken en Borcetti.--Torteltak ontmoet een oud vriend.--De
+ Louisberg.--Hij ziet dat zijn vriend gelukkig is.--De
+ courzaal.--Hij vindt de vrouw van zijn vriend lief.
+
+
+Voor sommige menschen is reizen eene eenigzins omslagtige
+geographie-les. Ik bedoel hier de zoodanigen, die men altijd met eene
+_Guide des Voyageurs_ in de eene, en eene landkaart in de andere hand
+aantreft. Zij slaan hunne oogen nooit uit hun boek op, dan om den
+omvang der landstreek, de bogten in den weg, de ligging der dorpen
+en de kruiswegen met de afteekening te vergelijken. Zij schijnen
+hun eigen gevoel niet genoeg te vertrouwen, om de hen omringende
+landstreek mooi te vinden, en wachten zich dus wel, hieromtrent iets
+in het midden te brengen, voordat zij in hun boek zien aangeteekend:
+"_environs pitoresques_" of "_entzückend schöne Gegend_." Wanneer zij
+een dorp doorrijden, zijn zij verheugd, zoo zij hunnen reisgenooten
+kunnen meêdeelen, dat daar die fameuse slag tusschen _die_ en _die_
+volken heeft plaats gehad, hoewel zij noch hunne reisgenooten misschien
+immer vermoed hadden, dat _die_ en _die_ volken het nu en dan niet regt
+eens geweest waren. Evenmin verzuimen zij in steden, die zij passeren,
+verrukt te worden op het zien van het standbeeld van den geleerden
+X, die zoo veel tot de geestbeschaving van zijne tijdgenooten heeft
+bijgedragen; hoewel zij somtijds, bij wijze van, vergissing, door eene
+verkeerde markt over te rijden, niet het beeld van genoemden geleerde,
+maar dat van den Burgemeester N. N. zien, die riolen door de geheele
+stad heeft doen aanleggen. Komen zij dan verder in eene plaats, waar
+de _Guide_ aanraadt zich langer op te houden, en men dus nachtkwartier
+dient te nemen, dan verheugen zij zich, dat het, op denzelfden grond
+waar zij zich nu bevinden, den Romeinen ettelijke eeuwen geleden
+in het hoofd kwam, eenen burg te stichten of eene legerplaats op
+te slaan; en zij pijnigen zich, om ten minste eenige uren den naam,
+die op _unum_, _untum_, _agum_, of op welk _um_ ook, uitgaat, in het
+hoofd te houden. Bij dit alles laden zij in hunne somtijds zwakke
+hersenen gewoonlijk ook het jaartal, waarin het oostelijk of westelijk
+gedeelte der stad werd in de asch gelegd, en vergeten dat het onnoodig
+is, in steden, die men, passeert, een meer dan _passager_ belang te
+stellen.--Maar hielden hierbij de kwellingen nog maar op, die zulke
+ongelukkigen zich op den hals halen! Zij gaan verder. Naauwelijks
+hebben zij zich in hun logement een weinig verfrischt, of zij nemen,
+behalve den stommen gids dien zij bezitten, ook nog een praatachtigen
+huurling aan. Van dezen vergezeld, doorkruisen zij de stad, slaan hunne
+oogen op, waar het een der _guides_ invalt iets merkwaardigs aan te
+wijzen, laten zich de deuren van alle kerken ontsluiten, zien somtijds
+beroemde, maar meestal van wege hare middelmatigheid geheel onbekende
+schilderijen, en kunnen zich overtuigen, dat van de minste kerken de
+bouworde iets merkwaardigs heeft. Zij laten zich gewoonlijk ook nog
+verleiden, om ademloos den top van een toren te bereiken, en al de
+pannen of leijen, die zich op de huizen der geheele stad bevinden,
+gecombineerd te aanschouwen. Zij drentelen daarna (om maar van
+bibliotheken, paleizen, anatomische theaters, stadhuizen, kerkhoven,
+arsenalen, fabrieken, trafieken, wees-, oude mannen-, zieken-, dol-
+en pesthuizen, kazernes en burgerlijke gevangenissen te zwijgen) door
+een museum van _naturalia_, waar zij de beesten, in liggende positie
+opgezet, hun lot benijden, en een dito van schilderijen, waar zij
+de binnenhuisjes het meest bewonderen, omdat daar stoelen staan. En
+is dan eindelijk gelukkig alles gezien, dan vallen zij, in hun hôtel
+teruggekeerd, dood vermoeid op een sofa neder, en mogen dan nog eens
+narekenen, hoeveel _francs_, _drittels_ of _shillings_ de koster,
+dienders, torenwachters, custodes en loonbedienden successivelijk uit
+hunne beurzen hebben gejaagd. Zulke reizigers, die te huis veelal
+hun leven aan rust en werkeloosheid wijden, leeren in den vreemde
+duidelijk begrijpen, wat het zegt, in het zweet des aanschijns zijn
+brood te eten. Men kan ze vergelijken met de _Flagellantes_ van de
+13de eeuw, die zich ook vrijwillig en in 't openbaar teisterden en
+kastijdden. Beider doel is om daarna effect te maken; beiden zijn
+zij veelal onmagtig om op een waardiger wijze dit doel te bereiken.
+
+Gelukkig behoorden Polsbroekerwoud en zijne vrienden niet tot die soort
+van reizigers. Zij besparen ons dus de moeite om hunne berigten met
+die van geaccrediteerde _Guides_ te vergelijken. Niet één hunner liet
+er zich aan gelegen liggen, toen zij Aken binnenreden, dat Ptolomæus
+reeds van die stad, onder den naam van _Veterra_, melding maakt, dat de
+Romeinen ze _Aquisgranum_ noemden, dat de Duitschers vroeger _Aach_ en
+nu _Aachen_ zeggen, en de Hollanders _Aken_. Zij lieten er zich minder
+meê in, dat Hendrik I de stad, door de Noormannen in 822 verwoest,
+weêr opbouwde, en dat in 1224 het grootste gedeelte weêr afbrandde,
+dan dat er actueel in de oude en nieuwe stad vele badgasten waren;
+en het was sommigen hunner onverschilliger, dat Karel de Groote daar
+waarschijnlijk in 742 geboren werd, dan dat Wilhelm Gorissen in 1837
+een uitmuntend _Gastgeber_ in het _Hôtel de Charlemagne_ was. Men zou
+zich evenwel vergissen, indien men daarom meende, dat zij ongevoelig
+waren voor de interessante herinneringen; die zich aan Aken hechten. De
+groote kerk werd reeds den eersten dag door hen bezocht, en alles,
+wat daar den trots uitmaakt van de inwoners der keizerlijke stad,
+werd met aandacht in oogenschouw genomen. Pols deed meer. Hij nam zelf
+plaats in den marmeren stoel, waarin 36 vorsten gekroond waren; en
+toen de vrienden den volgenden morgen naar Borcetti wandelden, merkte
+Veervlug aan, dat aan dien zetel, sedert de kroning van Ferdinand I,
+zeker nooit grooter eer was te beurt gevallen.
+
+"Maar wat vertelde de koster toch met zoo veel opgewondenheid van
+Napoleon?" vroeg Pols "Die man sprak zoo schielijk, en zulk raar
+Hoogduitsch, dat ik hem niet best verstaan kon."
+
+"Gij hadt misschien liever gehad, dat hij wat meer Neêrduitsch
+had gesproken," grinnikte Veervlug. "Wel, de man vertelde, dat ook
+Josephine eens in dien stoel had gezeten, en dat Napoleon er toen
+naast stond."
+
+"Zoo? was dat al?" zei Pols; "dat vind ik zoo interessant niet."
+
+"Ik ook niet," viel Torteltak in. "Als ik niets anders van Napoleon
+wist, dan wat ik door deze en dergelijke anekdoten gehoord heb, zou
+ik hem even weinig voor een groot man houden, als ik dichters zou
+bewonderen, die ik alleen uit nalezingen of nagelaten werken kende."
+
+"Maar wat mooi is," riep Veervlug, "het grafschrift op Karel, midden
+in de kerk, niets dan de woorden _Carolo Magno_. Dat is subliem."
+
+"Ik vind het hoofd en den arm van den Keizer veel interessanter,"
+zei Holstaff; "zoo als die daar onder de reliquiën bewaard worden,
+vind ik er iets poëtisch in."
+
+"Ja wel poëtisch," zei Veervlug, "om daar aan stukken en brokken
+vertoond te worden."
+
+"Weet ge wat beroerd is," zei de Morder, "dat die hatelijke Franschen
+de mooije graftombe van Otto III vernield hebben; die had ik nu juist
+zoo gaarne gezien. Nu schepen ze een mensch maar af met een platten
+steen, waarop je van de _atavorum piëtas_ en de _funesta diës_ kunt
+lezen. Dan zie ik liever in het geheel niets."
+
+"Nog meer jammer vind ik het van de sarcophaag van Parisch marmer,"
+zei Torteltak; "ik kan niet zeggen dat het Proserpina en de andere
+dames flatteert, dat men ze de neuzen heeft afgeslagen."
+
+"Maar wat zegt ge toch van den massief zilveren preêkstoel?" vroeg
+Pols. "Jongens, dat is nog iets anders dan de preêkstoel van
+Roelevaartjesveen. Die is, meen ik, van vurenhout, met greenhout
+ingelegd."
+
+"Hendrik II kon hem gemakkelijk geven," bromde de Morder; "hij heeft
+hem nooit betaald."
+
+"Dan vond hij hem vast onbetaalbaar mooi," grinnikte Veervlug.
+
+"Wij hebben nog al veel interessants gezien," zei Torteltak; "maar
+ik had ook nog dolgraag het instituut _St. Leonard_ bezocht, waar de
+jonge dames van Aken hare educatie ontvangen. Ik vroeg gisteren avond
+nog aan den kastelein, of daartoe geene gelegenheid was; maar hij kon
+mij niet helpen. Hij wou mij wel een kaartje bezorgen voor dat van
+_Joseph_, waar 200 oude mannen en vrouwen op kosten van den staat
+onderhouden worden; maar dat heb ik nu ook maar tot eene volgende
+gelegenheid uit gesteld."
+
+Pols vond zulk een gesticht toch ook nog al interessant, en Veervlug
+raadde hem daarom aan, het dien avond eens te gaan bezigtigen, als
+hij met de andere vrienden naar de courzaal zou gaan.
+
+Terwijl wandelden zij met veel genoegen door de lieve streken, die
+de fabrieken en bronnen van Borcetti omgeven. Bij een der fonteinen
+genaderd, bood eene vrouw hun een glas van het heilzaamste warme
+bronwater aan.
+
+"Wel ja, vrouwtje, laat ons eens proeven!" zei Pols.
+
+Hij proefde; maar het effect, dat hij er van gevoelde, schrikte de
+anderen af om zijn voorbeeld te volgen. "Nu heb ik nog nooit zoo
+iets akeligs in mijn mond gehad," riep hij op benaauwden toon uit;
+"mijn hart draait ervan in mijn lijf om."
+
+"Dan is dit water vast heilzaam voor menschen, wien het hart verkeerd
+geplaatst is," merkte Veervlug aan.
+
+Een frissche teug minder heilzaam water bragt Pols weêr op streek. Men
+zette de wandeling voort, en kwam langzamerhand in zeer naauwe en
+lommerrijke lanen, waar weinig wandelaars gevonden werden. Op eens
+vond Pols--die de vrienden gisteren van een bezoek in de courzaal
+had teruggehouden, omdat het laat geworden was, maar nu wel inzag,
+dat het dezen avond toch zoo ver komen zou--goed, om op ernstigen
+toon tot hen te zeggen:
+
+"Hoeveel genot smaken wij nu in de heerlijke natuur! Hier wordt
+onze rust door niets gestoord. Maar hoe gansch anders zal het zijn,
+als wij dezen avond in het woeste gedruisch van de courzaal zullen
+wezen! Hoe..."
+
+Een pistoolschot, dat niet ver van de plaats, waar zij zich bevonden,
+gelost werd, stoorde Pols in zijne redenering. Hij liet dus de bedaarde
+phrase, die met _hoe_ begon, varen, en riep op een eenigzins driftigen
+toon: "Wat is dat?"
+
+"Wij zijn hier zoo digt bij de Belgen," zei de Morder; "zou het ook
+een verraderlijke inval zijn?"
+
+"Een moord misschien, een gruwzame moord," fluisterde Holstaff.
+
+"Of een Rotterdamsche _coup_" zei Veervlug.
+
+Een tweede pistoolschot werd gehoord.
+
+"'t Heeft al het air van een duël," merkte Torteltak aan; "'t is hier
+voor zulke affaires eene uitmuntende gelegenheid."
+
+"Maar zoo midden op den dag?" vroeg Pols.
+
+"Misschien zijn het menschen, die niet matineus zijn," antwoordde
+Eduard. "Maar ga voort; ge woudt iets zeggen van de courzaal."
+
+Pols was evenwel door deze gebeurtenis geheel van zijn stuk
+gebragt. Hij begreep, dat zijne uitmuntende inleiding, om tegen de
+gevaren van het spel te waarschuwen, verloren was, en ging dus nu
+maar niet voort. Hij had spoedig reden om zich hierover te verheugen,
+toen hij twee menschen uit een zijlaantje zag te voorschijn komen,
+hun te gemoet.
+
+"Wat, gij hier?" riep Torteltak op eens, zich tot een der nieuw
+aangekomenen spoedende: "moet ik mijn vriend Sindenton te Borcetti
+ontmoeten?"
+
+"En gij dan?" zei de ander, met warmte zijns vriends hand
+drukkende. "Jongen, ik ben blij, dat je juist van daag hier
+wandelt. Anders, je weet het, kom ik vóór het _diner_ nooit mijn
+huis uit."
+
+"En hoe dan juist nu?" vroeg Torteltak, deze ongewone wandeling van
+zijn vriend in gedachte met de gehoorde pistoolschoten vereenigende.
+
+"Ach ja!" zuchtte deze: "'t zou in mij nooit opkomen; maar ik had
+eene kleine _affaire d'honneur_, en mijne partij en seconde hielden
+beiden vol, dat zoo iets vóór het _diner_ moest afgeloopen zijn."
+
+"En gij zijt er beiden wel afgekomen, niet waar?"
+
+"O ja, redelijk wel. Partij heeft een klein stukje vleesch uit
+zijn regterarm verloren. Dat behoeft hij nu al weêr niet meê te
+dragen. Maar kom! laten wij voortgaan! Ginder staat mijn rijtuig. 't
+Zal langzamerhand tijd worden voor het _dejeuner_."
+
+"Je bent nog de oude Sindenton," glimlachte Torteltak. En hij had
+gelijk. De Oosterling, die op zijn twaalfde jaar in Holland gekomen
+was, om daar zijne educatie te ontvangen, en verder van zijn vrij
+groot fortuin te gaan leven waar het hem goeddacht, had een paar
+jaren te Leiden gestudeerd. Hij behoorde daar tot die studenten,
+die het bejammeren, dat er aan eene Akademie eigenlijk zoo weinig
+tijd tot werken kan gevonden worden. Gewoon om zeer op zijn gemak
+te leven, laat op te staan en bedaard te ontbijten, had hij met
+verontwaardiging de _Seriës Lectonum_ op zijde gelegd, toen hij daar
+colleges ten 8 ure 's morgens geannonceerd zag; en daar hij bij nader
+onderzoek gemerkt had, dat men niets meer van hem eischte, dan dat
+hij dagelijks zes uren de lessen der hoogleeraren bijwoonde, had hij
+het moedig besluit genomen, om zich nooit in eenig opzigt met een
+professor in te laten. Het was hem dan toch ook physiek onmogelijk om
+'s morgens vroeg uit te gaan; want hij was in de handen gevallen van
+den studenten-oppasser Gwoen, die, in dien tijd veel heeren hebbende,
+nooit Sindentons kleêren kon schoonmaken vóór elf ure. Wijselijk
+had hij zich dus naar de omstandigheden geschikt, en hij stond nooit
+op voordat Gwoen kwartier vóór twaalven vroeg, of Mijnheew nog iets
+vewdews te belasten had, en hem tevens meêdeelde dat de Juffwouw het
+theewatew had bovengebwagt. Ten drie ure was hij volkomen gekleed,
+om op de Mare te gaan eten, en bestelde gewoonlijk met een paar
+vrienden, terwijl hij _after dinner_ zijne Manilla-cigaar aanstak,
+eene koets, om hem naar _de Pauw_ te rijden, waar hij een kwartiertje
+naar het biljartspelen keek, totdat de oude Frans hem kwam zeggen:
+"De whisttafel is klaar, goede Heer!" en hem tevens een snuifje
+aanbood, constant op de inscriptie van zijne doos wijzende: "_aber
+nicht zu viel_". Na een paar robbers whist gespeeld te hebben, nam
+hij sommige vrienden met zich mede, of vereenigde zich 's avonds op
+de societeit met eenige _flaneurs_ (schoon zijn schoenmaker onder eede
+zou kunnen verklaren, dat Sinderton nooit tot dat gild behoord heeft),
+en kwam gewoonlijk 's nachts tusschen 2 en 3 ure op zijne kamers op
+de Breedestraat. Zijne lamp stond dan op zijn bedtafeltje te branden,
+en de boeken van den dag werden 's nachts _in pace_ door hem in zijn
+ruim ledekant gelezen, totdat hij zijne derde cigaar in rook en asch
+gemetamorphoseerd had. Daar was niets, dan eene nieuwe opera in
+de Haagsche komedie, of een bijzonder feest te Scheveningen of in
+den Haarlemmerhout, dat hem van deze geregelde levenswijs in iets
+deed afwijken; totdat hij ruim drie jaren vóór deze ontmoeting met
+Torteltak, daar zijne hospita gestorven was, en hij tegen den last
+van nieuwe kamers te huren opzag, naar Frankfort was vertrokken,
+omdat hij hoorde, dat men in het logement _de Zwaan_ aldaar zoo
+goed als te huis was. Sedert had Torteltak niets van hem gehoord;
+want brievenschrijven was hem veel te werkelijk en omslagtig.
+
+"Maar zeg me nu toch," ging Torteltak voort, "hoe kom je nu te Aken? Ik
+zou je nog altijd in Frankfort gezocht hebben."
+
+"Ja, man! dat is een heele geschiedenis. Wij zullen eens een verschen
+dag moeten nemen, om dat alles op te halen Ik dien nu met mijn
+antagonist te gaan ontbijten."
+
+"Maar nog iets! Hoe kom jij tot duëlleeren? Ben je zoo'n ruziemaker
+geworden?"
+
+"Ach neen! ik niet. Maar die mijnheer had goedgevonden mijne vrouw
+te beleedigen."
+
+"Je vrouw, Sinderton? Hemel! ben jij getrouwd? _Omnia jam fient_."
+
+"Ach ja, getrouwd, al bijna drie jaren, en daar is al een stamhouder
+ook. O, man! ik heb zoo veel onrust gehad! Doch ik heb een lief, kalm
+wijfje; maar eer ik ze had, een schaakhistorie enz. Ik word moê, als
+ik er om denk. Kom van avond in de courzaal, dan zal ik je aan Mevrouw
+Sindenton voorstellen. Morgen moet je den heelen dag bij ons komen."
+
+Zij waren bij het rijtuig van Sindenton gekomen, en deze vertrok met
+zijnen seconde, een blond, ovaal Duitscher; en daar de duëllisten op
+hetzelfde uur dejeuneerden, als de publieke tafel in het _Hôtel de
+Charlemagne_ begon, begaven onze vrienden zich naar het etablissement
+Gorissen.
+
+Na het _diner_ besloten zij de omstreken van Aken aan de noordzijde in
+oogenschouw te nemen, en na veel wandelens en klimmens kwamen zij op
+den top van den Louisberg. Het uitzigt van dat punt is ruim en zeer
+mooi. Men ziet langs de oude muren der Romeinen, over het vervallen
+gedeelte van Aken, op de witte gebouwen der nieuwe straten; daarachter
+verheft zich het boschachtig gedeelte aan de zijde van Borcetti,
+en meer regtsaf ziet men vruchtbare akkers en elegante buitenplaatsen.
+
+"Verrukkelijk schoon, verrukkelijk!" riep Veervlug, nog buiten adem
+van het klimmen.
+
+"'t Is waarlijk charmant," zei Pols. "Laat me eens zien! aan dien
+kant zoo wat moet ge ons logement hebben. Maar ziet ge wel voor ons,
+hoe oud en vervallen die huizen zijn?"
+
+"Dat zijn de hutten der armoede," zei Holstaff; "daar wordt geschreid,
+terwijl ginds alles gejuich is. Daar lijden menschen broodsgebrek,
+en hunne medemenschen, in de woningen der weelde, verkwisten hunne
+schatten op het groene laken. Hunne angstkreten worden verdoofd door
+de toonen der verwilderende muziek. Maar ik hoor u, ik beklaag u,
+ongelukkigen! geen uwer jammerklagten gaat voor mij verloren."
+
+"Wilt gij satisfactie hebben van uw medelijden," viel Torteltak in,
+"daal dan den berg af, en ga in de achterbuurten zelve huilen. De
+menschen kunnen van beneden je benaauwde gezigt niet zien. Maar
+wil je ze nog meer plaisir doen dan met medelijden, vergeet dan je
+Pruissische _Thalers_ niet."
+
+"IJskoude spotter!" mompelde Holstaff.
+
+"'t Is toch waarachtig een ijselijkheid!" riep de Morder uit:
+"dit uitzigt zou zoo heerlijk mooi kunnen wezen, als er maar eene
+fatsoenlijke rivier door die velden heenliep; maar ja wel! daar is
+naauwelijks een slootje. Wat doet die Maas zoo ver _regts_ en die Rijn
+zoo ver _links_ te liggen? Ze konden de laatste althans wel missen,
+een beetje hooger op, tusschen Nijmegen en Dusseldorp. Ik moet ronduit
+zeggen, dat ik het beroerd vind."
+
+"O zie eens beneden u!" zei Torteltak tot Veervlug, op een tooneeltje
+wijzende, omtrent vijftig voeten lager dan zij stonden, op eene kleine
+vlakte, aan de helling van den Louisberg: "benijdt ge het lot van
+dien man niet?"
+
+Het tooneeltje, waarop Torteltak doelde, was waarlijk lief, en de
+man, op wien hij wees, benijdenswaardig. Hij lag daar, op den warmen
+zomermiddag, heel gemakkelijk uitgestrekt, en aan zijne zijde zat in
+het gras een jong vrouwtje, een lief, rond Duitsch gezigtje, open en
+vrolijk, met heldere oogen en een blank _teint_; de mond niet Duitsch
+groot, waaruit scheen te blijken, dat zij van het woordje _aber_
+niet dan een spaarzaam gebruik maakte. Tusschen hen speelde een
+kind, dat omtrent twee jaren oud scheen, een blond krullebolletje,
+blootshoofds, Engelsch gekleed, alleen met een kort jurkje en een
+paar sokjes aan, in het kostuum, dat sommige Hollandsche dames
+goed noemen om de kinderen te vermoorden. Indien men de liefde en
+teêrheid van deze jonge moeder naar het warm kleeden moest afmeten,
+dan was zij een paar wollen en en een paar katoenen kousjes, een
+roodbaaijen luur en een wollen broekje, een dikken halsdoek en twee
+mutjes te weinig lief en teêr voor haar kind. Daar waren evenwel
+geene warmte-beminnende moeder present, en onze vrienden konden
+zich dus in dit gezigt verlustigen, zonder voor kindermoord bang te
+wezen. De kleine klom tegen papa op, die zijn gezigt achter zijne
+handen verborg, en trok die handen met zijne teedere vingertjes weg,
+om, zoodra het hem gelukt was, schaterende van lagchen het lieve kopje
+aan mama's boezem te verbergen. Dit spel, honderdmaal herhaald, scheen
+het jongske nooit te zullen vervelen. Hij wisselde het alleen af, met
+zich door mama te laten liefkozen en die liefkozingen aan papa over te
+brengen, en wederkeerig de kusjes, die hij van zijnen vader ontving,
+op moeders blanken hals en blozende wangen te drukken. De teedere
+blikken, die de ouders elkander toewierpen, schenen te getuigen,
+dat ook zij in dat spelen geen verdriet hadden.
+
+Torteltak was door dit tooneeltje zeer getroffen. Ambrosine was
+hem levendig voor den geest, en het kostte hem zoo weinig moeite,
+deze _scène_, althans in gedachten, over te brengen. Maar toch het
+gezigt alleen had een alleraangenaamst effect op hem. Hij gevoelde
+zich hier gelukkiger, dan hij ooit in het elegantste kostuum op het
+schitterendste bal geweest was.
+
+Ook Veervlug raakte opgewonden, en zou bijna door een luiden kreet
+alles verstoord hebben. Torteltak wenkte hem te zwijgen, en hij
+fluisterde dus zoo zacht mogelijk: "Wij moeten den _Louisberg_
+voortaan _Liefdesberg_ noemen."
+
+Pols vond het waarlijk charmant, maar vreesde toch heusch wel een
+beetje, dat het kindje koû zou vatten. Het heugde hem wel niet, maar
+toch hij wist zoo goed, dat Moeder Polsbroekerwoud hem in der tijd
+zoo warmpjes had ingebakerd.
+
+Holstaff keek nog steeds naar de vervallen buurten, en droomde
+zich aan de zijde van eene stervende moeder, op eene handvol half
+verteerd stroo.
+
+De Morder kon niet nalaten te zeggen: "'t Zou mij verwonderen, indien
+die menschen getrouwd waren."
+
+Torteltak zag hem verontwaardigd aan, en nog meer, toen hij, een
+oog naar beneden slaande, in den gelukkigen jongen man zijnen vriend
+Sinderton herkende.
+
+Deze merkte evenwel volstrekt niet, dat men zijn geluk bespiedde. Daar
+zijn oogenblikken voor sommigen, waarin zij zich zoo zalig gevoelen,
+dat zij op de wereld, die om hen is, geen acht geven; en slaan zij
+dan soms een blik naar boven, dan staart het oog naar hooger punt,
+dan den top van den Louisberg.
+
+
+
+"Mijn vriend Torteltak uit Holland, Elise!" zei 's avonds in de
+courzaal Sindenton tot zijne gade, terwijl hij haar. den jongeling
+voorstelde.
+
+"Het is mij aangenaam een vriend van mijn echtgenoot te ontmoeten,"
+antwoordde Mevrouw Sindenton, hare hand vriendelijk aan Torteltak
+toereikende.
+
+Deze had hierop met Jean-Paul kunnen zeggen, dat niets verrukkelijker
+is, dan de lieflijkheid, waarmede eene goede huisvrouw den vriend
+haars mans behandelt; maar hij vond deze introductie niet gepast,
+en hield niet bijzonder veel van boekenphrases in het dagelijksch
+leven te gebruiken.
+
+"Ik heb u heden reeds zamen gezien, zonder gezien te worden," zei hij.
+
+"Hadt gij dan den ring van Gyges wedergevonden?" vroeg Sindenton
+lagchende.
+
+"De Hemel beware mij!" antwoordde Torteltak; "ik was op den Louisberg
+heel boven, en zag u van daar met uw allerliefst kind."
+
+"Ja," zei Sindenton, "dat is een best plaatsje, om het na den eten
+wat af te leggen; dat bevalt mij eigenlijk nog beter dan het whisten
+in _de Paauw_."
+
+"Niet waar, wij hebben een lief kind?" vroeg Mevrouw Sindenton;
+"het maakt ons beiden regt gelukkig." En zij zag haren man aan met
+een blik, misschien wat al te teeder voor getrouwden in het publiek.
+
+"Kom, ik ga een uurtje dobbelen," zei Sindenton; "ik zie daar nog
+net een plaatsje leêg. Maak gij terwijl kennis met mijne vrouw."
+
+Torteltak wandelde met Mevrouw eenige malen de zaal op en neder, en
+plaatste zich daarna met haar bij een der balkons. Zij geraakten in
+een druk gesprek, en de jongeling werd meer en meer in het denkbeeld
+versterkt, dat Sindenton zijn geksten _coup_ niet gedaan had, toen
+hij een wettig huwelijk aanging.
+
+"_Messieurs, faites le jeu!_" klonk de eentoonige stem van den
+bankier. Eenige _drittels_ en _thalers_ werden op nommers en kleuren
+gezet.
+
+"_Le jeu est fait_."--Eenige goudstukken werden aan de genade van
+het lot prijsgegeven.--"_Rien ne va plus!_" En het balletje rustte
+van zijne omwandeling op een bepaald nommer uit.
+
+"_Trente et un_--_Impair_--_Rouge_--_Passe!_"--Eenige _drittels_
+werden uitbetaald, eenige _louis d'or_ door de schopjes der _croupiers_
+weggehaald.
+
+De vier vrienden, die niet met dames wandelden, tot groote ergernis
+van De Morder, stonden in het midden der zaal, met die uitdrukking
+op het gelaat, die ieder _habitué_ bekend maakte, dat zij voor het
+eerst op dusdanige plaats present waren. Polsbroekerwoud was met
+huivering de trappen opgeklommen, en had met angst zijn hoed aan de
+deur afgegeven, toen zij er toch toe kwamen, om "de verderfelijke
+spelonk der menschelijke boosheid" in te treden. Nu had hij zich
+een vreeselijk rumoer voorgesteld: hij had gedacht op aller gelaat
+afgrijselijke passies te zien uitgedrukt, verwenschingen te hooren,
+desolate _scènes_ te aanschouwen tusschen half geruïneerde heeren
+en hunne echtgenooten, en wat dies meer zij. Maar niets van dit
+alles. Kalme rust en stilte heerschten in de geheele zaal. Hij
+vernam geen geluid, behalve het gefluister van heeren, die dames
+courtiseerden; het zachte lagchen van meisjes, die elkander op ridicule
+toiletten opmerkzaam maakten; het eenigszins luider spreken om attentie
+te trekken, van mama's, die misschien wat heel veel dochters hadden;
+en het gegrinnik van oude zondaars, die eene nieuwe _beauté_ zagen,
+aan welke zij den vereerenden naam van "een lekker boutje" gaven. Aan
+de speeltafel niets van woede--want het valt aan weinigen te beurt,
+die woedende spelers aan te treffen; geene enorme verliezen--want
+zelden zijn de wanhopige Engelschen en verkwistende Franschen,
+die hun geheel fortuin wagen, te vinden. Een enkele _louis d'or_
+of _sovereign_ werd gezien, maar verscholen tusschen _thalers_
+en _drittels_; het zachte eentoonige "_Messieurs, faites le jeu!_"
+scheen eer in staat te wezen alle passies te dooden, dan ze op te
+wekken. De spijt, die hij gevoelde, voordat hij binnenkwam, dat hij
+verhinderd was geworden zijne vrienden eenige raadgevingen tegen de
+speelwoede te geven, verminderde allengs zeer. Maar toch, toen hij
+Veervlug, die de eerste aan de groene tafel genaderd was, in drie
+keeren een geheelen _thaler_ zag verliezen, zag hij in, dat men met
+klein spel, indien men lang aanhoudt, toch ook veel verliezen kan,
+vooral indien men maar matig van geld voorzien is, en begreep hij het
+best te zullen doen, indien hij op al de vrienden een weinig het oog
+hield. De Morder waagde twee _drittels_--hij won. "'t Is wel raar,"
+zeide hij, "dat ik winnen moet." Hij won vijf keeren achtereen:
+bij de zesde gelegenheid waagde hij een _thaler_--hij verloor. "'t
+Is waarachtig een ijselijkheid," zei hij tegen Pols: "juist nu ik
+eens winnen wou, gaat mijn _thaler_ weg. Die heele bankiersboel is
+allemaal dievenpak. Ik doe niet meer meê." En morrende en grommende
+stak hij de drie gewonnen _thalers_ op, en begon al de spelers, die
+zich lieten bedriegen, in zijne ziel te verachten. Nu keek hij de zaal
+rond, en ergerde zich doodelijk, dat Torteltak alweêr met een mooi
+vrouwtje zat te praten, en dat hij ook nooit zulk een avontuurtje
+had; en Pols kon hem in deze maar volstrekt niet troosten, schoon
+hij hem herinnerde, dat Torteltak nu toch maar met de vrouw van een
+vriend sprak, en bij die gelegenheid omtrent Mevrouw Sindenton den
+gedistingueerden term van "verkochte waar" bezigde.--Holstaff kon
+niet besluiten zijn geld voor den dag te brengen. Hij vond reizen al
+duur genoeg, om nu ook nog extra speelgeld te betalen. Dan gaf hij
+het nog liever aan eene hongerige, arme ziel. Het liefst van allen
+scheen hij het eigenlijk in zijne beurs te houden; want toen hij
+'s avonds de courzaal verliet, ging hij verscheiden armen voorbij,
+zonder dat het in hem opkwam om milddadig te wezen.
+
+Toen Sindenton een uurtje gespeeld had, stond hij op, en animeerde
+zijne vrouw en Torteltak om ook iets op te zetten. Zij deden dat
+met diezelfde onverschilligheid, waarmee Sindenton dagelijks eene
+kleine som waagde. Men liep nog een weinig in de zaal op en neder,
+en Torteltak, die den volgenden dag niet aan de uitnoodiging van zijn
+ouden vriend kon voldoen, daar hij 's morgens vroeg Aken reeds weêr
+verliet, ging nu met hem mede, om nog eens van oude tijden te spreken,
+en iets meer van zijne avonturen na hunne scheiding te vernemen. Een
+weinig later namen ook de andere vrienden afscheid van de courzaal,
+en trokken naar hun hotel.
+
+Toen zij zich den volgenden morgen aan het ontbijt vereenigden, zeide
+Torteltak, dat de geschiedenis van Sindenton, na zijn vertrek uit
+Leyden, zeer interessant was, en vooral de wijze, waarop hij zijne
+vrouw gekregen had. Hij zou het hun later in een verloren uurtje wel
+eens meêdeelen, maar kon dit nu niet doen, omdat de diligence, die
+hen naar Keulen zou overbrengen, op het punt stond om te vertrekken.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+ Keulen.--Bonn.--Men ontmoet interessante levenden, maar nog
+ interessanter dooden.
+
+
+In het hôtel _Belle-vue_, over de schipbrug te Keulen, zaten
+Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den tweeden en laatsten dag
+van hun verblijf aldaar, aan de publieke tafel, in de nabijheid van
+eene familie, die zij spoedig bemerkten tot hunne landgenooten te
+behooren. Zij bestond uit man, vrouw en mans zuster, allen van een
+tamelijk gevorderden leeftijd. Mijnheer Dufduin was eigenaar van
+een zwart pruikje, dat zijne vroeg verdwenen haren remplaceerde. Hij
+had een weinig-sprekend, zeer gewoon gelaat, zoo men mond en ooren
+uitzondert, wier vorm geheel beantwoordde aan het model, dat Cats
+voor deze deelen des aangezigts aan die "wil reysen door het lant,"
+voorschrijft, als hij zegt:
+
+
+ "Hebt vooreerst een esels oyr,"
+
+
+en
+
+
+ "Hebt dan nogh een verkensmuyl."
+
+
+Voorts was de man echtgenoot, maar geen vader, rijk aan wereldsch
+goed, maar niet aan wereldkennis, en reisde hij voor het eerst van
+zijn leven. Hij was een Amsterdammer van ouder tot ouder, rentenierde,
+en bezocht van tijd tot tijd uit liefhebberij de Beurs. Zijne vrouw
+was meer zwierig dan smaakvol gekleed, en wekte, bij gebrek aan
+_beaux restes_, geen spijt op, dat de schoonheid eene bloem is, die
+ras verwelkt. Zij was niet stom, maar maakte verwonderlijk weinig
+gebruik van haar spraakvermogen. Juffrouw Dufduin, de vleeschelijke
+zuster van den Amsterdammer, scheen wat oud om diep in de veertig
+en wat jong om even in de vijftig te wezen. Zij had dit boven haren
+kinderloozen broeder vooruit, dat zij ook nooit gehuwd was geweest. Zij
+behoorde tot de vetste menschensoort. Het eenmaal dunne huidsatijn,
+dat misschien vroeger doorschijnend geweest was, scheen haar nu als
+een goedgevoerde kamerjapon om de spieren te sluiten. Hare oogen hadden
+vóór dertig jaren welligt gloeijende vonken uitgezonden, maar lagen nu,
+in de wangen gezonken en door dikke oogleden overdekt, als uitgebrande
+kolen in een doofpot; de meeste harer overige ledematen schenen op
+nonactiviteit gesteld te zijn, met uitzondering evenwel van hare
+tong en haar gehemelte, daar de eerste voortdurend de gewaarwordingen
+der laatste verkondigde. Hare lippen schenen niet voor den kus, maar
+voor den soeplepel gevormd; iets, dat daarom vooral goed was, omdat
+hare laatste en misschien eenige liefde _de volmaakte Kok_ was. Aan
+hem was haar hart, hare ziel, haar verstand gewijd. Aan hem denkende,
+sliep zij in; van hem droomende, sliep zij door; naar hem verlangende,
+ontwaakte zij. Zijne raadgevingen vervulde zij met nauwgezetheid;
+zijne uitvindingen wekten hare bewondering op; zijne handelingen
+waren haar eerwaardig. Geene Astarte of Isis zag zeker ooit met
+grooter welgevallen neêr op de voor haar ontstoken offervuren, dan
+zij op den keukenhaard, waarboven een Amsterdamsche kalfskop of een
+goedgeklutste pudding te koken hing. Haar geheele aanzijn droeg de
+kenteekenen, dat zij "den mensch een volmaakbaar wezen" beschouwde.
+
+"De Heeren schijnen ook Hollanders?" zei Mijnheer Dufduin, zich tot
+Torteltak wendende, "maar zeker niet van Amsterdam."
+
+Torteltak beantwoordde het eerste toestemmend, het laatste ontkennend.
+
+"En de Heeren gaan zeker ook een Rijntourtje maken? Zoo is ook ons
+plan. Ik zei in 't voorjaar tegen mijne vrouw: "Kind! wij konden ook
+wel eens gaan reizen, want daar doen het wel minderen dan wij, en
+om het geld behoeven wij het niet te laten. Mijne vrouw was het met
+mij eens. Wij vonden het wel jammer om Amsterdam zoo met den zomer
+vaarwel te zeggen; want wij wonen op de Prinsengracht, en die is in
+dezen tijd net als een Engelsche tuin, als de boomen groen zijn, en de
+leeuwrikken, die ik in kooijen voor mijne deur heb, zingen. Maar toch,
+wij moesten ook eens iets meer zien dan regtuit. En morgen zal het
+drie weken worden, toen zaten wij nog hoog en droog in Amsterdam, en
+nu zitten wij al in Keulen. Wanneer zijn de Heeren uit Holland gegaan?"
+
+"Verleden Donderdag," was het antwoord van een der Heeren: "wij komen
+nu van Aken."
+
+"Te duiker!" riep Mijnheer Dufduin, "dat noem ik vlug reizen. Neen,
+wij leggen het langzaam aan. Wij zien den Rijn op ons gemak, en
+hebben ook nog een uitstapje naar Munster gemaakt. Dat 's wel een
+aardig stadje, dat Munster; maar 't is Amsterdam niet."
+
+"En je eet er ook zoo goed niet, als te Amsterdam," zei de zuster,
+die tot nu toe met zeer veel attentie soep gebruikt had. "Verbeeld u
+eens, Mijnheer!" zich tot Pols wendende: "daar hadden wij slaboontjes,
+doorgebroken, net of het dikke inmaakboonen waren, en met peterselie
+gestoofd. En dan geef ik u te raden, wat voor groente wij nog meer
+hadden, in dezen tijd van 't jaar?"
+
+"Misschien doperwtjes," zei Pols heel goedig.
+
+"Neen, Mijnheer! je raadt het nooit. Witte kool; zoo zondig als ik
+hier naast u zit,--witte kool, in de maand Juli!"
+
+Pols was verbaasd, niet zoozeer over de naïve bekentenis, dat Jufvrouw
+Dufduin zondig naast hem zat, of over de witte kool in Juli, als over
+de verontwaardiging, waarmede deze woorden geuit werden.
+
+"Maar in Dusseldorp hebben wij waarlijk goed gegeten, altijd voor
+een Duitschen pot; want dat zal iedereen mij moeten toestemmen,
+dat de Hollandsche keuken boven alles gaat. Dat hoor ik dan ook,
+dat alle vreemdelingen zeggen. Maar in Dusseldorp hadden wij eene
+heerlijke ossentong en een ontzettend lekkeren pudding, misschien
+wel met wat veel eieren, maar dat kan geen kwaad in een pudding."
+
+"Wat lastig is," zei Mijnheer, "dat je hier geen _Handelsblad_ hebt."
+
+"En geen nieuwe haring," viel Juffrouw Dufduin in. "Hebt u daar ook
+iets van gehoord? Ik heb een brief van een goede vriendin, dat ze van
+'t jaar ontzettend zout is. Ik had anders de reis nog gaarne een
+paar weken uitgesteld; want ik hou dol van nieuwen haring, en wij
+krijgen alle jaar een vaatje uit Rotterdam present, van den eersten
+jager.--Maar wat is dat nu weêr voor vleesch, dat die knecht mij daar
+geeft, met die gekookte biet en peterselie? Ik geloof, zoo zondig
+als ik hier zit, dat ze daar al eens soep van gekookt hebben."
+
+Pols en Torteltak waren geheel van hare opinie omtrent de voorgediende
+_bouilli_.
+
+"En hebt u de Cathedrale gezien?" vroeg Veervlug aan Mijnheer Dufduin:
+"vindt u die niet heerlijk mooi?"
+
+"Ja, gezien heb ik ze, voor zoover ze voltooid is,--let wel: voor
+zoover ze voltooid is. Ik houd niet van kerken, die niet voltooid
+zijn. 't Is net daarmeê, als bij ons met de Amstelkerk."
+
+"Maar de bouworde, Mijnheer! puur Gothisch! hebt u ooit zulke
+zwaarmoedige, plegtige lijnen gezien?"
+
+"Ja wel, 't is heel mooi, dat moet ik toestemmen, alles zoo als u zegt;
+maar de Nieuwe Kerk bij ons is ook mooi, en die is geheel voltooid,
+en de preêkstoel is superber."
+
+"En wat zegt u dan van de schilderij van Rubens in de
+Pieterskerk?" vroeg Holstaff.
+
+"Neen, die geloof ik niet dat wij gezien hebben; ten minste daar staat
+mij niets van voor. Maar ik heb in mijn leven zooveel schilderijen
+gezien; die hebben we bij ons op het Trippenhuis bij uitstek mooi."
+
+Successivelijk maakte Juffrouw Dufduin, die copieus dineerde, hare
+aanmerkingen op al de spijzen: het een was te bruin gebraden, het
+ander te veel gestoofd, het derde niet door en door gaar; alleen
+het reevleesch keurde zij de eer eener derde portie waardig, en de
+pudding was zoo overheerlijk, dat zij den _Kellner_ verzocht haar
+daarvan het recept te bezorgen.
+
+Mijnheer ging steeds voort, Keulen met Amsterdam te vergelijken; maar
+onze vrienden stonden spoedig op, daar het rijtuig, dat hen naar Bonn
+zou brengen, ingespannen was. Juffrouw Dufduin sloeg hare handen ineen,
+dat de Heeren vóór het dessert vertrokken. Haar broeder verheugde de
+vrienden door de mededeeling, dat ook zij nog dienzelfden dag naar
+Bonn vertrokken, en vond het vooruitzicht, daar alweêr Hollanders te
+zullen ontmoeten, alleraangenaamst.
+
+
+
+Naauwelijks hadden Polsbroekerwoud en zijne compagnons hunne namen in
+het Hollandsche album van het logement _Zum Stern_ te Bonn geteekend,
+en den kastelein op het hart gedrukt om het _Handelsblad_, dat zij
+daar aantroffen, toch dadelijk aan den Hollandschen Heer, die een
+weinig later zou aankomen, te presenteren, of zij wandelden op, om
+nog dien avond Clemensruhe en de Kreutzberg te bezoeken. Zij hadden
+op deze wandeling het geluk meer dan drie uren te dwalen; en na dus
+maar met een vlijtig oog de eerste der genoemde merkwaardigheden
+gezien te hebben, spoedden zij zich naar den Kreutzberg, aan welks
+voet zij niet arriveerden, voordat de avond reeds gevallen was. Dit
+hield hen evenwel niet terug den berg te beklimmen, om toch nog de
+kerk en den merkwaardigen grafkelder te bezigtigen, en Veervlug vond
+iets fantastisch in het denkbeeld, daar met flambouwen te zullen
+ronddwalen. Bijna aan den top genaderd, ontmoetten zij eene familie,
+die naar het haar wachtende rijtuig stapte, en hoe groot was hunne
+verbazing, toen zij in die personen de Dufduins herkenden.
+
+"Dat zijn wij de Heeren voor geweest," riep Mijnheer. "Kijk! dat
+moet je gaan zien, 't is waarlijk heel aardig; maar ik moet toch eens
+onderzoeken, of wij te Amsterdam ook zulke grafkelders niet hebben."
+
+"En let eens," fluisterde Juffrouw Dufduin Pols in, "op het _souper_
+van dien koster. Zoo zondig als ik hier voor je sta, ze eten daar
+gebakken aardappelen met zuring en krenten."
+
+"Tot weêrziens!" riep Mijnheer de vrienden na.
+
+Torteltak mompelde tot antwoord:
+
+
+ "Fare thee well! and if for ever,
+ Still for ever, fare thee well!"
+
+
+Het oude klooster op den Kreutzberg is geheel verwoest, en alleen
+de kerk is in stand gebleven. Met eene flambouw in de hand, ging een
+tweeënnegentigjarige grijsaard het laat aangekomen reisgezelschap in
+die kerk voor, en ontsloot hun daarna de deur van den merkwaardigen
+grafkelder, waarna zij nog zestien trappen afdaalden, en zich toen
+in het midden der dooden verplaatst vonden.
+
+De vrienden zagen eenige oogenblikken zwijgende het ongewone
+schouwspel aan, totdat Veervlug fluisterende zeide: "Het is toch
+vreemd, dat de stilzwijgendheid der dooden, en gedeeltelijk zelfs
+hunne onbewegelijkheid, zich aan de levenden mededeelt."
+
+"Maar het is niet vreemd," zei Torteltak, "dat het gezigt van lijken
+alle stervelingen tot ernst stemt."
+
+"Met uitzondering van lachende hyena's en doodgravers," viel
+Veervlug in.
+
+"Ik word altijd met treurigheid vervuld, wanneer ik ontslapenen
+zie," zei Holstaff; "maar toch, daar is iets zoets voor mij in die
+treurigheid, iets rustigs, iets dat mij aantrekt en niet dan met
+moeite doet besluiten om tot de wereld der levenden weêr te keeren."
+
+"Behalve wanneer de sporen der ontbinding ons met weêrzin het hoofd
+doen afwenden," zei De Morder.
+
+"Ja, daar is wel iets van aan," merkte Pols op. "Hoort eens! ik kan
+wel dooden zien, als het noodig is; maar zonder noodzaak vind ik het
+toch nog al akelig."
+
+"Maar wat is hier dan akeligs?' vroeg Veervlug: "zoo ergens, dan
+kan men hier den dood een slaap noemen. In dezen grafkelder heeft
+het verderf geen magt over de dooden. Ziet ze maar aan in hunne
+kribben! Kunt gij het wel gelooven, dat sommigen daar al eeuwen liggen
+uitgestrekt? Zijn hunne gelaatstrekken nog wel iets veranderd? En
+zou niet de koude wind, die om ons waait, ons bijna in het denkbeeld
+brengen, als wij hun gelaat en handen betasten, dat wij eene andere
+koude dan die des doods gevoelen?"
+
+"Niet waar?" zei de grijsaard, die zich intusschen op den rand eener
+ledige kribbe had neergezet, terwijl hij met bevende hand de flambouw
+naar de nabijzijnde dooden uitstrekte: "niet waar? zij rusten hier
+goed. Het is hier beter dan onder de aarde. Geen worm knaagt het
+vleesch van hun gebeente. Geen verscheurend dier zou hunne rust
+kunnen verstoren.--Maar," ging hij zuchtende voort, "niet altijd
+zijn zij voor de menschen veilig. Ziet gij daar aan de regterzijde
+broeder Fhilippus, den naamgenoot van onzen Heiligen Benitius van
+Florence? Hij had 400 jaren rustig doorgeslapen; maar toen kwam
+vóór drie jaren een Engelschman, en terwijl ik mijn hoofd naar mijne
+vrienden hier had gekeerd, sneed hij hem een vinger af, om dien als
+een antiquiteit mede naar zijn land te nemen. Ik zag het niet voordat
+hij vertrokken was; maar toen ik het bemerkte, beefde ik terug voor
+zulk eene gruweldaad. Nu, de ongelukkige is dan ook wel gestraft. Twee
+jaren lang is hij gekweld geweest door de wroegingen van zijn geweten,
+en misschien ook door de verachting van zijne medemenschen. Toen
+kon hij het niet langer uithouden, en hij zond mij verleden jaar den
+vinger terug, en verzocht mij in eenen brief, dien aan den doode weêr
+te geven. Ik heb ook voor den berouwhebbende gebeden; en ik hoop dat
+ook broeder Philippus het hem om zijne boete zal vergeven hebben,
+en niet eenmaal als getuige tegen hem zal optreden."
+
+De vrienden zagen werkelijk in de verminkte hand van den doode een
+verzegeld pakje liggen.
+
+"Ziet gij hier," ging de grijsaard na eenig stilzwijgen voort, "deze
+drie jonge menschen? Die heb ik er zelf in helpen dragen. Die daar,
+broeder Zartmann en broeder Florens, zijn nu bijna zestig jaren geleden
+gestorven. En die laatste, broeder Bastian _de Gartner_, met den
+palmkrans, is mijn beste vriend; hij rust daar nog pas vijfenveertig
+jaren. Hij zou mijn broeder geworden zijn, want hij was de bruidegom
+mijner zuster; maar toch, hij was mij al meer dan een broeder. En
+toen zij nu als zijne bruid stierf en in de aarde is moeten begraven
+worden, toen trad broeder Bastian ook in de orde der Serviten, en zoo
+konden wij te zamen over mijne zuster weenen. Hij is maar 46 jaren
+oud geworden, en droeg het zwarte kleed ter nagedachtenis van den
+weduwstaat der Gezegende Maagd niet langer dan twintig jaren bij zijn
+leven; maar nu rust hij daarin reeds bijna eene halve eeuw; en ziet,
+de palmkrans, dien ik hem op den dag zijns doods op het hoofd zette,
+is nog niet verdord. Ik bezoek hem dagelijks en dat is sedert langen
+tijd mijn eenige troost; want zij hebben ons klooster vernield, en
+ik mag zelfs het gewijde kleed niet meer dragen; maar toch naast mijn
+broeder Bastian zal ik eens rusten. Zij zullen mij toch mijn regt op
+deze kribbe niet betwisten. Ik hoop, dat als gij in een volgend jaar
+hier eens weêrkomt, gij mij dan op mijne plaats zult vinden."
+
+"Leef nog lang, goede grijsaard!" wenschten de vrienden hem toe,
+daar zij het grafgewelf verlieten.
+
+"Zoolang het de Heilige Maagd believen zal, dat ik haar op aarde dien,"
+antwoordde de oude man.
+
+In het logement teruggekeerd, maakte Holstaff een vers getiteld:
+_De frissche Dooden het verwelkte Leven_. Het is ongelukkigerwijze
+verloren geraakt, maar men kan er onderscheidene fragmenten van vinden
+bij dichters, die vóór Holstaff geschreven hebben, en dus niet gezegd
+kunnen worden, hem te hebben bestolen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+ Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder
+ veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de
+ Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen.
+
+
+Wanneer gij op eenen schoonen vroegen zomermorgen bij de ruïnes van
+het kasteel op den Godesberg nederzit, en uwe oogen van daar slaat
+op het heerlijk panorama dat voor u ligt uitgestrekt, terwijl de
+dorpelingen van alle kanten zamenkomen en zich in de eenvoudige kerk,
+een weinig lager op den berg gelegen, vereenigen, dan zult gij zoo
+gij niet al te veel wereldling of wijsgeer zijt, gaarne met het _Te
+Deum_ instemmen, dat door de geloovigen wordt aangeheven, en gij zult
+bij die gelegenheid misschien met vreugde gevoelen, dat de mensch
+voor verhevene aandoeningen vatbaar is. Maar wanneer gij dan in die
+oogenblikken een uwer medemenschen, dien gij reeds als een bekrompen
+schepsel hebt leeren kennen, tot u ziet naderen, gehuld in een witten
+stofjas (een soort van kleedingstuk, dat een gedistingueerd, zoowel
+als een gemeen gelaat zeer sterk doet uitkomen), en gij den zoodanigen
+alles zonder eenige opmerkzaamheid ziet voorbijgaan, en gij uit zijnen
+mond de aanmerking hoort; "te duiker! dat is nog een andere klim
+dan eene Amsterdamsche sluis!" dan zult gij met leedwezen bemerken,
+dat een groot deel uwer betere gewaarwordingen spoedig verdwijnt;
+voeg hierbij, dat zoodanigen mans zuster, zonder een oog aan het
+heerlijk uitzigt of een oor aan de zuivere kerkmuziek te wagen, den
+uitval doet: "zoo zondig als ik hier sta, ik geloof dat de aardbeien
+hier in het wild groeien," dan wordt het u spoedig duidelijk, dat de
+mensch toch waarlijk ook tot de dierlijke wezens behoort.
+
+Het genoegen, dat onze vrienden eenige oogenblikken op den Godesberg
+gesmaakt hadden, was door de Dufduins totaal bedorven; het minst
+evenwel voor Polsbroekerwoud, wien het misschien al wat lang geduurd
+had; althans hij had een paar malen van opstaan gesproken, en was nu
+bezig in zijn zakboekje eene fooi op te teekenen, die hij vergeten
+had te noteren, maar die hij toch gegeven had aan den portier van de
+Akademie te Bonn. Hij behoefde zich dus geen bijzonder geweld aan te
+doen, om het praatje met de Amsterdamsche familie voort te zetten,
+en om het hart der vette dame te winnen, voegde hij haar toe: "Daar
+zal een ontbijt op smaken!"
+
+"Dat zal het wel," antwoordde zij. "Wij hebben ook thee met de machine
+besteld; anders is die hier in dit land niet te drinken. En de knecht
+zou eens informeren, of de kastelein ossentong in huis had; want dat
+vind ik bij het ontbijt ontzettend lekker."
+
+"Het uitzigt," zei Mijnheer Dufduin, eindelijk eens een oog rondom zich
+slaande, "heeft hier wel iets van dat uit de Nieuwe Stadsherberg,
+behalve dat het Rijntje zoo bevaarbaar niet is, als bij ons het
+Y. Ha, wat zeg je, te duiker! ze moesten hier eens met een driemaster
+aankomen."
+
+Pols was het met het laatste gedeelte dezer aanmerking eens, maar was
+niet genoeg met Amsterdam bekend, om de frappante gelijkenis met het
+uitzigt op het Tolhuis te vinden.
+
+De vier andere vrienden waren reeds vooruitgegaan naar beneden. Pols
+vergezelde de Dufduins, die spoedig tevreden waren, en Mijnheer voegde
+zijne vrouw toe: "Zie zoo, wijfje! dat hebben wij alweêr gezien."
+
+Mevrouw knikte toestemmend, en men keerde naar het logement terug,
+terwijl Pols de zeer juiste opmerking maakte, "dat dalen toch eigenlijk
+gaauwer ging dan klimmen."
+
+Na het ontbijt, waaraan, tot grootste ergernis van Juffrouw Dufduin, de
+ossentong ontbroken had, maar door overheerlijke _saucisse de Bologne_
+geremplaceerd was, wandelden de vrienden op, terwijl de calêche voor
+de Amsterdamsche familie voor de deur stond, die even als zij het plan
+had, een tourtje naar het Zevengebergte te maken. De Drachenfels is
+maar een groot uur wandelens van Godesberg; dus besloot men deze reis
+te voet af te leggen, en de Dufduins aan hun lot over te laten. Pols
+evenwel, die met het afklimmen van den berg zijn regtervoet een weinig
+bezeerd had, was een ezel magtig geworden, die met bedaarden tred naast
+de vrienden voortstapte. Zoo ging het voorwaarts; maar naauwelijks
+waren zij driehonderd passen van het logement verwijderd, toen eene
+Engelsche reiskoets, met vier postpaarden bespannen, hen in vollen
+ren passeerde. De ezel van Pols, met grooten eerbied voor vierspannen
+koninklijk-Pruissische postpaarden bezield, maakte eene soort van
+ontwijkende beweging, die den _cavalier_ wat onverwacht voorkwam, en
+hem tegen zijn verlangen uit den zadel op den gemacadamiseerden weg
+neêrzette. Deze verplaatsing had gelukkig geene arm- of beenbrekende
+gevolgen, en met een grootheid van ziel, aan sommigen in het ongeluk
+eigen, stelde hij zijne vrienden gerust met een bedaard uitgesproken:
+"het is niets," en nam oogenblikkelijk zijne plaats op den zadel weêr
+in. Maar dit ongeluk (door het vierspan aangerigt) was niet het eenige;
+weinige schreden verder ontmoette het Engelsche rijtuig de calêche van
+de familie Dufduin. De Godesbergsche paarden sloegen volstrekt geen
+acht op hunne fiere en vlugge broeders van de koninklijke post, en
+weken geen stap ter zijde. Het gevolg hiervan was, dat de achterwielen
+der beide rijtuigen in een strijd raakten, die evenwel spoedig beslist
+was; want het stevige Engelsche rijtuig rolde overwinnend voort,
+en het Godesbergsche bleef op het slagveld. Een der achterwielen was
+verbrijzeld; de calêche, ongewoon op drie wielen te staan, verloor
+haar evenwigt, en de Dufduins rolden over en onder elkander, ieder
+op zijne wijze door schreeuwen en zuchten te kennen gevende, dat zij
+het onaangename van hunnen toestand gevoelden.
+
+Het tooneel had digt bij het wandelende reisgezelschap plaats. Ook
+sommigen hunner vonden het gepast eenen gil voort te brengen. Holstaff
+hield de handen voor zijne oogen, en doorzag terstond al het
+verschrikkelijke van op een reisje voor plaisir, ver van huis,
+in eene omvallende calêche zijn dood te vinden. Veervlug was
+oogenblikkelijk bij de hand, en zonder op eenig gevaar te letten,
+sprong hij voor de paarden, zijne beide armen uitstrekkende, om hun
+voorthollen te voorkomen. Maar de goede Godesbergsche dieren dachten
+er geen oogenblik aan, om zulke dolle coupen te beginnen. Zoodra de
+calêche omgevallen was, en de koetsier, door van den bok te storten,
+de teugels een weinig aangetrokken had, bleven zij stilstaan, hunne
+koppen ter aarde buigende, en ook zonder tusschenkomst van Veervlug,
+die bijna tot den grond moest bukken, om de fiere genetten bij de
+teugels te grijpen, zouden zij geen poot meer verzet hebben. Terwijl
+De Morder met een opgeheven vuist het Engelsche rijtuig nastaarde,
+en het ongepermitteerd vond met een vierspan te rijden, indien men
+zooveel ongelukken berokkende, was Torteltak naar de calêche gesneld,
+om de dames zijne hulp aan te bieden. Allen waren onbezeerd gebleven;
+Mijnheer was over de dames heengerold en spoedig weêr op de been, de
+aanmerking makende, "dat zoo iets met een Amsterdamsch sleetje niet
+ligt gebeuren zou." Mevrouw bedankte door eene stilzwijgende buiging
+Torteltak voor zijnen bijstand. De laatste, die gered kon worden, die
+de onderste lag, was Dufduins waardige zuster. Blazende en zuchtende
+kwam zij te voorschijn, en voelde zich wel, zoo zondig als zij daar
+stond; maar zij gaf terstond aan Torteltak hare ongerustheid te kennen,
+dat aan twee koude kippen, die zij uit het logement had meêgenomen om
+'s middags te nuttigen, misschien eenig leed weêrvaren was. Torteltak
+was spoedig in de gelegenheid, de bezorgde kippenvriendin mede te
+deelen, dat de gebraden schepsels geene nieuwe kneuzingen aan poot
+of vleugels hadden bekomen.
+
+Polsbroekerwoud had, zoodra hij het ongeluk bemerkt had, zijn ezel
+aangespoord om naar het logement terug te keeren, en kwam nu in draf
+terug, met een potje Spijkerbalsem en een fleschje Hofmansdroppels
+in de hand. Een knecht met een karaf water en glazen volgde hem. Op
+herhaalde uitnoodiging namen de dames van den aangelengden æther
+een teugje; maar wat den Spijkerbalsem betrof, zij verzochten den
+menschlievenden Pols, hiervan, indien het noodig mogt wezen, liever
+op hare apartementen in het logement gebruik te mogen maken.
+
+Na de behoorlijke woordenwisselingen tusschen den Godesbergschen
+koetsier en den Koninklijk-Pruisischen postiljon, kwam een ander
+rijtuig voor. Pols, die, in zijn ijver om de Amsterdamsche familie
+van dienst te zijn eigen leed vergeten had, bemerkte nu, dat de
+tuimeling van den ezel hem wel niet gevaarlijk had gekwetst, maar
+toch eene ontvelling veroorzaakt, die een nieuwen rid op den zadel
+minder begeerlijk voor hem maakte. Hij nam dus de uitnoodiging van
+de Dufduins aan, om de vakante plaats in hun rijtuig in te nemen,
+en liet zijne vrienden bedaard vooruit wandelen, na afgesproken te
+hebben, hen op den Drachenfels te zullen weêrvinden.
+
+Toen de vier voetgangers, die op hun gemak waren voortgewandeld, en
+nog een weinig in het schuitje, dat hen naar Königswinter overzette,
+op den Rijn hadden gedobberd, den Drachenfels beklommen hadden,
+vonden zij de Dufduins en Pols in het _Wirthshaus_ aldaar, zeer op
+hun gemak gezeten onder een glaasje Maydrank.
+
+"Welkom, Heeren!" riep de oude Heer hun toe: "wij zitten hier onder
+den kruiderwijn; maar 't is een ligt kostje. Zij zouden ons zulken
+dunnen wijn niet naar Amsterdam durven zenden. Nu, ze kunnen ook wel
+wat beters geven; want, te duiker! wij durven prijs besteden."
+
+"Den wijn vind ik nog zoo kwaad niet," zei de vette zuster van Dufduin;
+"maar de taartjes, die zij er ons bij gegeven hebben, zijn ontzettend
+oudbakken."
+
+De wandelaars dronken met smaak het praeparaat van den Drachenfelschen
+kastelein, schoon Pols hen aanried, niet te schielijk te drinken,
+omdat zij nog al hevig transpireerden. Men besloot weldra den togt
+voort te zetten naar de ruïne, nog weinige voeten hooger gelegen. De
+Heer Dufduin deed nu over zijn witten stofjas nog eenen uitvoerigen
+manteljas aan, en Pols verscheen spoedig met een mantel van den
+kastelein omgeslagen, en raadde de andere vrienden, om toch ook
+iets, al waren het maar schoudermantels, te zien te krijgen. Hij
+waarschuwde hen zeer tegen de koude lucht op de bergen. De roekelooze
+vrienden sloegen dien goeden raad in den wind, en drongen door den
+naauwen toegang in de ruïne, waar zij van het heerlijke uitzigt op
+de schoone en vruchtbare Rijnstreek jouisseerden, terwijl allen het
+uitmuntend effect van de eilandjes Nonnenwerth en Grafenwerth in den
+stroom opmerkten. Mejuffrouw Dufduin moest het bezoeken der ruïne
+opgeven. De veelvuldige lekkernijen en ontzettende heerlijkheden,
+die de Hollandsche keuken, de beste van alle Europesche keukens,
+HaarEd. sedert onheugelijke jaren had aangeboden, hadden haar zulk
+eenen omvang gegeven, dat alle pogingen om zich door den nauwen toegang
+heen te wringen, vruchteloos waren. Pols kwam spoedig bij haar, om
+haar tot troost te doen opmerken, dat het uitzigt buiten de ruïne
+toch ook allercharmantst was.
+
+Men keerde weldra naar het _Wirthshaus_ terug, om af te rekenen, en
+was daar nog getuige van eene allerhevigste woordenwisseling tusschen
+de keukenmeid en den knecht, bij welke gelegenheid de eerste, al de
+beminnelijkheid van hare sekse vergetende, het gelaat eener furie
+had aangenomen, en met eene ijzeren tang haren antagonist wilde
+overtuigen, dat _zij_ gelijk had. Pols sprak in zuiver Hollandsch
+een bedaard woordje op zijn pas; en dat, benevens eene bedreiging
+in plat Duitsch van den kastelein, dat zij ze beiden, zoo zij niet
+ophielden, de deur zou uitsmijten, deed de twistenden morrende en
+brommende uiteengaan. Veervlug merkte bij deze gelegenheid aan,
+dat de _Drachenfels_ nog met volle regt haren naam mogt behouden.
+
+Op Nonnenwerth betrad Holstaff met heiligen eerbied den drempel van het
+eens zoo eerwaardig klooster; en toen hij, den langen gang intredende,
+een vrouwestem hoorde zingen, was het hem alsof hij de kooren der
+gewijde maagden nog eens zou vernemen. Maar, helaas! bij naauwer
+toeluisteren bleek het, dat het uit den mond van eene frissche,
+levenslustige boerendeern voortkwam; en dat het geen lied was, uit
+het gezangboek der heilige nonnetjes ontleend, werd hem duidelijk
+uit het refrein van ieder couplet:
+
+
+ "Und er erwidert meine Küsse;
+ Welche namelose Lust!"
+
+
+En toen nu daarna diezelfde deern den bestelden Moezelwijn binnenbragt,
+en deze bleek tot de zuurste aller Moezelwijnen te behooren, losten
+zich al zijne Nonnenwertsche illusies in treurige zuchten op.
+
+Daar werd aan den voet van de rots van Rolandseck een _diner_ gebruikt,
+en de koude kippen, die sedert het ongeval van het rijtuig steeds onder
+Mejuffrouw Dufduins bijzondere bewaring waren gebleven, werden tot
+'s avonds bespaard, omdat men meer _delices_ in het kleine logement
+vond, dan men verwacht had. De namiddag was, als de voormiddag,
+schoon, en werd door de Dufduins met middagslaapjes en theedrinken
+doorgebragt. Zij reden vroeg naar huis, want de avondlucht, had
+Mijnheer wel eens gehoord, was aan den Rijn zoo gezond niet, als in
+Amsterdam; maar Pols, die zich tot de terugwandeling wel weêr in staat
+gevoelde, liet nu het plaatsje in het Godesbergsche rijtuig vakant.
+
+"Die Dufduins zijn toch verbazend duf," zei Veervlug, toen zij de
+rots beklommen.
+
+"Zeg het zoo luid niet!" zei Torteltak: "ik geloof dat onze waardige
+Pols nog al van de dames gecharmeerd is."
+
+"Neen maar waarlijk," zei Pols, "de menschen zijn nog zoo kwaad
+niet. Zij zijn nu juist geen overvliegers....."
+
+"Dat heb ik wel kunnen merken, toen zij den berg opkropen," viel
+Veervlug in.
+
+Zij waren bijna aan den top genaderd, toen een welluidend gezang hun
+in de ooren klonk. Torteltak arrangeerde zijne lokken een weinig. De
+Morder maakte de galante opmerking, dat de Moffinnen nooit haren mond
+schenen te kunnen houden. Pols vond, dat zij het charmant troffen. Bij
+de ruïne zat een groot gezelschap Duitschers, fatsoenlijke inwoners
+van Bonn, meest allen jonge menschen. Een allerliefst blozend meisje,
+met een paar levendige oogen, zat op een boomtronk; lichtblonde
+lokken speelden om een blanken hals, en twee rijen sneeuwwitte,
+tanden kwamen in hunne volle schoonheid te voorschijn, terwijl de
+zangeres met heldere stem eene vrolijke romance deed hooren. De
+mond was misschien wel wat groot om met een stuivertje te bedekken,
+maar toch de hoeken bleven op een eerbiedigen afstand van de ooren,
+dat waarlijk al heel veel is voor eene Duitsche _chanteuse_.
+
+Juist toen de vrienden naderden, was het lied
+geëindigd. "Bravo! bravo! _Schön! wahrhaftig schön!_" klonk het uit
+aller monden. Die van een der Bonnsche heeren ging zelfs verder,
+en drukte een warmen kus op de blozende wangen. Torteltak vond het
+jammer, dat het meisje niet door een mooijer jongen gekust werd. Zij
+evenwel scheen tevreden met de liefkozingen van den bruin verbranden
+Duitscher, met lang vlasachtig haar en omgeslagen boorden.
+
+De reizigers zagen hunnen beleefden groet minzaam beantwoord, en
+plaatsten zich op een kleinen afstand van de vrolijke groep, die
+dartelde en schaterde, alsof er geene vreemdelingen in de nabijheid
+waren. Holstaff vond hen wat al te vroolijk op eene plaats, waaraan
+zich zulke treurige _souvenirs_ hechtten.
+
+"_Aber jetzt noch Ritter Toggenburg!_" riep eene stem.
+
+"_O ja, Toggenburg!_" acclameerden allen.
+
+"Zou het mogelijk zijn? o Hemel!" zuchtte Holstaff, die zeer goed
+wist dat deze legende eigenlijk op Rolandseck te huis behoorde. Deze
+zucht dankte dus aan verrukking haren oorsprong.
+
+"_Wohlan! der Ritter!_" riep het meisje. Zij stemde hare guitar,
+en zong de treurige ballade van Schiller.
+
+Allen luisterden met aandacht en verrukking; Holstaff schreide voor
+verscheiden personen tranen, en wist niet waar hij zich bevond, toen
+de laatste toonen in de lucht wegstierven. De schoone zangeres had
+ook met zoo veel gevoel de laatste regels gezongen:
+
+
+ "Und so sass er, eine Leiche,
+ Eines Morgens da;
+ Nach dem Fenster noch das bleiche
+ Stille Antlitz sah."
+
+
+De jongeling meende bijna zelf de ridder te zijn, en verwonderde
+zich dat hij nog leefde, toen het onstuimig _bravo_ van het geheele
+gezelschap hem in zijne mijmeringen stoorde.
+
+"'t Is waarlijk charmant," zei Pols: "die dame zingt als een lijster."
+
+"Kon jij maar zoo'n lijster strikken!" grinnikte Veervlug.
+
+Holstaff werd bleek van ergernis.
+
+"_Es lebe unser Dichter! es lebe Schiller!_" riep een oud Heer.
+
+"_Und unsere schöne Sängerin!_" riepen hare jonge landgenooten,
+terwijl de jonge meisjes haar een krans, van eikenbladen gevlochten,
+op het hoofd plaatsten.
+
+De bruinverbrande Duitscher, met het lange vlasachtige haar, en de
+omgeslagen boorden, herhaalde de manoeuvre van straks. Torteltak vond
+hem nog leelijker dan den eersten keer.
+
+Het gezelschap van Bonn stond op, en maakte zich gereed, om dansende
+en zingende den berg af te dalen.
+
+"Dat hebben wij netjes getroffen," zei Pols.
+
+"'t Is hemeltergend, dat zoo iets aandoenlijks met eene klucht
+eindigt," zuchtte Holstaff.
+
+"Dat meisje is vast eene actrice," zei De Morder.
+
+"_Erlauben Sie mir,_" zeide de oude Duitsche Heer, die de laatste
+aanmerking gehoord had. "_Sie ist meine Tochter. Ich bin Professor
+Essenleben zu Bonn._"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+ Beginnende met eene Stoombootreis naar Coblenz, en eindigende met
+ het wedervinden van een _illustre rejeton_ der familie Van Schalen.
+
+
+"Daar komt het logge vaartuig dan toch eindelijk aan!" sprak Dionysius
+de Morder, nadat hij eenige minuten aan den Rijnoever bij Königswinter
+zonder verpoozing zijne oogen naar den kant van Bonn gevestigd had. "Ik
+dacht niet, dat die verwenschte stoomboot ooit zou komen."
+
+"Nu, het valt mij nog al heel wat meê," viel Pols in; "je kunt toch
+niet klagen, dat een kwartiertje wachtens te lang is."
+
+"Wat! een kwartier niet lang?" riep de Morder knorrig uit. "Het is
+vijftien minuten te lang. Je zoudt wel anders spreken, als je dien
+tijd aan de galg gehangen hadt."
+
+Wij zouden de waarheid van deze laatste opmerking van De Morder
+minder in twijfel durven trekken, dan hare gepastheid. Ook wij
+voor ons, in zooverre wij Pols kennen, houden ons overtuigd,
+dat hij zijne tevredenheid niet zou hebben te kennen gegeven, na
+het vierde gedeelte van een uur met hangen te hebben doorgebragt,
+speciaal indien een ervaren Regter van den Scherpen Zwaarde hierbij
+de manoeuvre van den strop om den hals had in 't werk gesteld. Pols,
+die blijkens de losheid, waarmede altijd zijn witte halsdoek was
+toegeknoopt, zich nooit met het denkbeeld van een toegenepen keel had
+gemeenzaam gemaakt, vond het ook nu maar beter, zich daarin niet te
+verdiepen. Hij wendde zich dus tot Veervlug, en maakte de aanmerking,
+"dat het charmant weêr was om een watertogtje te maken."
+
+"En om een togtje op het water te voelen," antwoordde deze; "want
+hier merkt men geen zuchtje, of het moest van Holstaff wezen, die
+vast weêr aan de laatste oogenblikken der kippen denkt, welke wij
+dezen middag zullen consumeren."
+
+"Ik wil ook wel bekennen, dat ik het rijkelijk warm heb," zeide Pols.
+
+"Wij staan hier dan ook lekker in het zonnetje te stoven," zeide
+Veervlug. "Ik hoop maar niet, dat wij menscheneters op de stoomboot
+zullen aantreffen. Zij zouden niet veel aan ons te prepareren hebben."
+
+"Die leelijke Rijnboot lijkt wel te kruipen, in plaats van voort te
+stoomen!" riep De Morder ongeduldig uit; "dan gaan onze trekschuiten
+toch nog gaauwer."
+
+"Ja maar, vriend! ze moeten hier al tegen een zwaren stroom opvaren."
+
+"Wat doen zij dan tegen den stroom op te varen? Maar, wat weêrga,
+is dat nu een gang voor eene stoomboot?"
+
+Gelukkig kwamen nu de veerlieden, om de passagiers naar de boot
+over te brengen. Pols wist ook geen raad meer met zijn knorrigen
+vriend. Weinige oogenblikken later waren zij aan boord van het logge
+vaartuig.
+
+De Rijnstoombooten zijn in het reissaizoen meermalen de trots
+en vreugde van de directeurs en actiehouders, van wege de groote
+menigte passagiers, die zich, door de kracht van een ketel kokend
+water, tegen den stroom doen optrekken. Zelden evenwel is het
+voller op een _Dampfschiff_ geweest, dan nu het geval was. Niet
+alleen waren alle stoeltjes en banken en koffers, die zich op het
+dek bevonden, door de passagiers bezet; maar alles wat dienen kon,
+om vermoeide leden eenigzins tot rust te brengen, was geprest. Op
+den boegspriet zat _en cavelier_ een Engelschman onbewegelijk, met
+Delkerkamps _Panorama of the Rhine_ in de hand en een lorgnet in de
+oogholte vastgeschroefd; op de raderkasten zat een gezelschap Bonnsche
+studenten, met kielen, en knevels, en ransels, en vervaarlijke pijpen,
+en schoenen met spijkers, eene voetreis te maken; op kolenbakken
+waren kameniers en _bonnes_ bezig om kinderen zoet te houden en de
+Duitsche studenten ondeugend te maken; uitgestrekte kabels dienden,
+om hen, die voor kanapés betaald hadden, tot zetel te strekken. En
+nog gelukkig dezulken; want een aantal anderen moest blijven staan;
+en hunne knikkende knieën en pijnlijke aangezigten duidden aan,
+dat zij het in die edele kunst nog niet zoover gebragt hadden, als
+wijlen Simeon Stylites. Hierbij kwam nog voor die ongelukkigen, dat de
+Kapitein actiever was dan de Hofmeester, en zij dus, des verkiezende,
+tweemaal het passagegeld mogten betalen en zesmaal de hun zoo noodige
+ververschingen kommanderen. Men had de gefolterden moeten zien, met
+hoeveel belangstelling zij der _Kellners_ gangen gadesloegen wanneer
+deze met Rijn- en Moezelwijn uit de kajuit te voorschijn kwamen,
+en met hoe bittere teleurstelling zij telkens bemerkten, dat die
+verkwikking niet hun, maar anderen was toegedacht. Men had ze moeten
+zien vooruitdringen, wanneer maar iemand een oogenblik zijne plaats
+verliet, en nooit hun doel bereiken, voordat de vorige eigenaar reeds
+was teruggekeerd. Daar waren er, die zich morrende en klagende tot
+den Kapitein wendden; doch deze had reeds met eene zelfopoffering,
+Van der Werf waardig, zijn kantoorbankje voor den dag gehaald en het
+der oproerige menigte aangeboden met de woorden: "Daar, zit op mijn
+eigen stoeltje!"--Voeg hierbij, dat geen enkel windje eenige verademing
+aanbragt, en dat Veervlug met volle regt had opgemerkt dat het zonnetje
+eene stovende kracht had; en men zal zich zeer goed kunnen begrijpen,
+dat onze reizigers met minder opgewondenheid ontvangen werden, dan
+zulks met eene enkele bank of vijf leêge tonnen het geval zou geweest
+zijn. Maar ook zij hadden niet meer genoegen dan hunne medereizigers,
+die insgelijks voor plaisir naar Coblenz voeren; wel was er voor
+hen nog staanplaats, maar niet dan om de schoorsteenpijp, en schoon
+de Kapitein onbaatzuchtig genoeg was, om hen geen meer geld voor
+extra verwarming te doen betalen, hij had van den anderen kant de
+voorzigtigheid, de twaalf Pruissische _Thalers_ voor hun transport
+terstond te vragen, eer zij misschien geheel versmolten mogten wezen.
+
+Zoo ging het tot Oberwesel. Daar lag weêr een schuitje, met achttien
+passagiers beladen, naast de stoomboot stil. Een luide kreet van
+schrik en ontzetting werd op de stoomboot gehoord: "Die menschen
+moeten maar naast ons voortzwemmen!" riep Veervlug. "Laat er ons maar
+af!" riepen de wanhopigsten. De Kapitein tastte met zijne handen in
+'t haar, als kon hij daar plaats maken.
+
+Het gevaar en de benaauwdheid was tot den hoogsten top gerezen. De
+redding was nabij. Voor Oberwesel lag eene andere stoomboot van
+de Maatschappij, die daar den vorigen dag ongemak aan de raderen
+bekomen had, en waarvan de passagiers per as waren vervoerd. De
+Kapitein riep den bijstand van zijn collega in, en het vuur werd
+in de pas herstelde boot aangemaakt. Een luid gejuich klonk van
+"de tot zinkens toe bezwaarde plank." Een gedeelte der passagiers
+werd verzocht op het andere vaartuig over te gaan, en het getal
+vrijwilligers tot deze expeditie was uitermate groot. De voetgangers
+verlieten hunne staanplaats; de Duitsche studenten hunne raderkast;
+de _bonnes_ en kameniers zouden ook wel hebben willen meêtrekken, maar
+zij moesten bij hare mevrouwen achterblijven. Ieder, die eenige hoop
+op verbetering had, liep over; ja daar waren er, die goede zitplaatsen
+hebbende, deze verlieten, in hoop om nog betere te bekomen.--Pols had
+in een oogenblik het gevolg van deze manoeuvre doorzien en de vrienden
+geraden, zich niet onder de overloopers te scharen; hij zag redelijke
+zitplaatsen vakant worden, en had heimelijk idee, dat de oude boot
+beter geproviandeerd zou zijn dan de andere. Deze maatregel bleek
+van achteren zeer wijs te zijn. Het werd, na de lossing van zoo veel
+ballast, heel dragelijk op den _Friedrich Wilhelm_, en met statigen
+tred vervolgde hij zijne wandeling naar Coblenz.
+
+Daar waren nog omtrent tweehonderd menschen op de boot achtergebleven,
+de Engelschman meêgerekend, die constant zijne plaats op den boegspriet
+had blijven behouden, en die, toen de Kapitein hem vroeg, of hij ook
+niet wilde overgaan, bedankt had. "Hij had zoolang voor des Kapiteins
+plaisir in die ongemakkelijke positie gezeten; hij wilde het nu verder
+voor zijn eigen plaisir doen." De Kapitein gunde hem het genoegen dezer
+wraakneming. Pols was spoedig een stoeltje machtig geworden, en de
+tevredenheid was op 's mans gelaat te lezen. Ook de andere vrienden
+kregen gelegenheid om zich neêr te zetten, en maakten daarvan met
+vreugde gebruik. Torteltak behield nog eenige oogenblikken zijne plaats
+bij den schoorsteen; niet omdat hij nog niet door en door warm was,
+maar meer omdat hij, nu het uitzigt ruimer werd, zijne medereizigers
+eens in oogenschouw wilde nemen. Hij hield veel van in oogenschouw
+nemen, vooral indien er dames in het spel waren, en die ontbraken bij
+deze gelegenheid niet. Daar waren er twee bij de deur van de kajuit
+gezeten, wier blankheid en blondheid haar dadelijk voor dochters van
+Albion zouden hebben doen herkennen, zoo al niet haar _cavalier_ een
+vorm van hoed, een knoop van das, eene snid van rok en een bijzonder
+soort van _embonpoint_ had geopenbaard, die hem onder duizenden als
+een echte Engelschman moesten onderscheiden. De gezigten kwamen aan
+Torteltak bekend voor, en weldra herinnerde hij zich, die familie bij
+den brand te Nijmegen te hebben ontmoet. Mijnheer wees ieder huis en
+toren aan zijne dames aan, en was verwonderlijk kundig in alle namen;
+iets, waarin het voor hem liggende _Panorama_ hem zeer behulpzaam
+was; voor het overige letten de dames nauwkeurig op alles wat er te
+zien was, maar zonder dat eenige plooi in haar gelaat verrukking of
+teleurstelling te kennen gaf.--Geheel anders was het met een Duitsch
+gezelschap niet ver van hen, die geen heuvel zagen, zonder "_O, wie
+herrlich schön!_" geen dorp, "_o, wie ländlich!_" geen woning zonder,
+"_wie glücklich!_" uit te roepen; zagen zij eenige minuten noch heuvel,
+noch dorp, noch woning dan bepaalden zich de uitroepen tot _himmlische
+Gegend_ en _irdisches Paradies_. Ook de dames van déze groep waren
+blond, maar meer Celtisch en minder zacht dan het _blond cendré_ van
+hare Engelsche buren.--Een geleerde met eene talrijke familie, aan
+velen van dat menschensoort eigen, deed aan zijne vrouw en kinderen
+eene beschrijving van de _villa_ van Horatius, en vergat daardoor
+al de _villa's_ aan den Rijn, die meer onder haar bereik lagen. Zijn
+oudste zoontje, een jong mensch van vijftien jaren, las met gretigheid
+de _Amores_ van Ovidius. De oude Heer sloeg met welgevallen het
+oog op dezen telg, die, zoo jong, reeds zulk een voorliefde voor de
+Classische Autheurs openbaarde.--Niet ver van hem zat een opmerker met
+heel kleine oogjes en wijd opgespalkte ooren, nu eens door een fijnen
+glimlach aanduidende, dat hij van een piquanten zet zwanger ging, dan
+weêr met veel zorg op iets naïfs en heel goedhartigs studerende. Hij
+was iemand, zoo als Torteltak later toevallig vernam, die er zich
+reeds acht jaren met de borst op had toegelegd, om een Humorist
+te worden.--Verder zaten een paar Brusselaren, met geruite jassen,
+heel mooi uitgemonsterd, die het hunnen kleedermaker dank moesten
+weten, zoo zij nog ooit iemands attentie tot zich trokken. Alle deze
+groepen hielden Torteltaks aandacht niet lang bezig; maar met veel
+opmerkzaamheid sloeg hij een gezelschap gade, dat niet ver van hem
+verwijderd was, en uit Hollanders scheen te bestaan. Een jong Heer,
+met een goed, fatsoenlijk voorkomen, zat aan de zijde zijner jeugdige
+gade, wier bloeijende schoonheid nog door de lieflijkheid van hare
+heldere oogen verhoogd werd. Zij scheen omtrent vijfentwintig jaren
+oud te zijn, waarvan zij zeker de laatste tien de oogen van alle
+jongelingen tot zich getrokken had. Hare fijne gestalte en haar geestig
+oog staken merkwaardig af tegen de plompe vormen en den zielloozen
+blik van een harer landgenooten, die nu en dan iets tot haar zeide,
+maar meestal zweeg, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij
+in zijn veertigjarig leven zich zelden aan denken verslaafd, maar
+nooit het etensuur vergeten had. Een klein, levendig, druk heertje,
+van omtrent denzelfden ouderdom, scheen hem te onderrigten, wanneer
+hij een of ander mooi moest vinden, maar van den anderen kant ook
+weêr bereid te zijn, om door zijn discipel onderwezen te worden,
+wanneer iets lekker moest gekeurd worden; van tijd tot tijd voegden
+zich bij dit gezelschap een paar jongere Hollanders, even als de
+Bonnsche studenten in een voetreis-kostuum gekleed, maar die door de
+fatigues nog niet schenen uitgeput. Zij hadden kennelijk veel plaisir
+in hun leven, en aan opgewondenheid ontbrak het geen hunner. Zij
+waren misschien wel wat al te druk voor het jeugdige echtpaar, maar
+zeker onverdragelijk voor den bedaarden veertiger, die meermalen
+door hun gerammel in een aangenaam dutje gestoord werd. Torteltak kon
+moeijelijk van dit gezelschap zijne oogen afwenden. Hij bejammerde het,
+dat deze dame niet alléén reisde en in moeijelijke posities kwam,
+waarin hij haar eminente diensten kon bewijzen. De oogen van zijn
+lief landgenootje deed hem menig interessant Rijngezigt onopmerkzaam
+voorbijzien. Eindelijk kon hij zich niet weêrhouden tot zijne vrienden
+te zeggen: "Hoeveel prijs ik ook op uw gezelschap stel, voor zulk
+een compagnon liet ik u allen vier optrekken."
+
+"Dat gezegde is meer liefderijk dan vriendschappelijk," grinnikte
+Veervlug.
+
+"Met uw verlof!" sprak een Heer, die digt bij hen zat, tot
+Polsbroekerwoud: "ik heb hier een questie met mijn dochtertje. Zij
+vindt den Rijnstroom mooijer dan de Maas, en ik ben van de
+tegenovergestelde opinie. Wat is hieromtrent uw idée?"
+
+De Duitscher, die deze vraag deed, scheen een zeer bejaard man te
+zijn, naar de grijsheid van zijn hair, de rimpels in zijn voorhoofd
+en zijne gebogen houding te oordeelen; maar naar de wijze, waarop hij
+redeneerde en de jeugd zijner kinderen te rekenen, moest men hopen, dat
+hij nog zoo heel oud niet was. Hij reisde met zijne twee dochtertjes
+van vijftien en twaalf jaren, die te Neuwied aan de leiding van den
+Heer Merian waren toevertrouwd en op het Instituut der Hernhutters
+hare educatie ontvingen. In de vacantie had de vader ze langs den
+Moezel naar Braband gevoerd, had haar de Maas tot Luik leeren kennen,
+en zij keerden nu naar zijne woning bij Frankfort terug, om daar den
+overigen vacantietijd door te brengen.--Pols was door de vraag, die
+door den Duitscher regtstreeks aan hem gedaan was, een weinig in het
+naauw gebragt, daar hij van den Rijn nog weinig kende, en de Maas
+niet verder dan tusschen Rotterdam en IJsselmonde. Hij antwoordde
+dus heel voorzigtig: "Voor zoover ik kan oordeelen, prefereer ik den
+Rijn verre."
+
+"Mijnheer schijnt Hollander te zijn; dus is de Rijn u misschien
+nieuw?" zei de ander.
+
+Men behoefde geene sterke _Devinationsgabe_ te bezitten, om te bemerken
+dat Pols een Hollander was, indien men het geluk had gehad hem eens
+in oogenschouw te nemen en vooral Duitsch te hooren spreken.
+
+"Ik," ging de oude Heer voort, "ken deze omstreken niet van van daag of
+gisteren. De Rijn is mij oud; maar ik had met mijne dochters de Maas en
+Moezel wezen zien, en wilde haar nu eens comparaties leeren maken. Mijn
+eenig doel met reizen is, om mijne dochters met de wereld bekend te
+maken; want ik hou vol, dat, indien men zijne kinderen niet vroeg
+doet reizen en alles zien, men ze dan eene slechte educatie geeft."
+
+De vrienden, die allen voor het eerst van hun leven reisden, bemerkten
+met vreugd, dat zij bezig waren door hun uitstapje eene onvergeeflijke
+fout van hunne respective ouders met betrekking tot hunne opvoeding
+te corrigeren.
+
+"Reizen is zeker niet kwaad," antwoordde Pols, "indien men de middelen
+bezit."
+
+"Wat middelen! Hoor eens, Mijnheer! men moet nooit opvoeden, indien
+men de middelen niet bezit."
+
+"Maar wat moet men dan met zijne kinderen aanvangen," vroeg Pols
+verbaasd, "indien alleen zij, die reizen kunnen, hunne kinderen
+goed opvoeden."
+
+"Dan moet men geen kinderen hebben. Ik vraag het uzelven: zijn er al
+niet veel menschen, en is er niet veel te weinig geestbeschaving en
+wereldwijsheid? Ik vraag u verder, wat moet er van kinderen worden,
+die in hunne jeugd altijd bij moeder thuis zijn, later steeds onder
+het opzigt van een bezadigden vader leven, geene andere menschen
+kennen dan hunne meesters en kameraden, en geen wereld buiten de stad,
+die zij bewonen?"
+
+"Wel," viel Veervlug in, "dat is niet moeijelijk te beantwoorden. Daar
+groeijen weêr huisvaders en huismoeders van, die bedaard en stil,
+in hunnen kring tevreden, op dezelfde wijze hunne kinderen opvoeden."
+
+"Wat tevreden?" riep de Duitscher ongeduldig. "Misschien al te
+tevreden, misschien dom tevreden, misschien bekrompen tevreden,--alles
+negative tevredenheid."
+
+Veervlug vond misschien domme, bekrompene, negative tevredenheid
+verkieselijk boven verstandige, liberale, positive ontevredenheid.
+
+"Vooroordeelen van den bakerstoel, van de kinderkamer," ging de
+oude Heer voort. "Mijne kinderen moeten de wereld zien, zij moeten
+de menschen doorgronden, zij moeten goed en kwaad leeren kennen,
+om met eigen verstand eene keus te kunnen doen."
+
+Pols vond de manoeuvre wat gewaagd, en vreesde dat zij nu en dan wel
+eens een slagtoffer, meer dan noodig was, zou maken.
+
+"Goed, laat het zoo zijn; dan ziet ge meteen, wat er in de kinderen
+zit. Laat ze kwaad doen, als zij geen _bons sens_ genoeg hebben om
+het goede te verkiezen; maar, in 's Hemels naam geene vooroordeelen,
+geene blinde navolging, geen deugdliefde, omdat Mama deugdzaam was. Zij
+zijn menschen, die op zichzelve staan; zij moeten onafhankelijk wezen;
+dit denkbeeld prent ik altijd mijnen kinderen in."
+
+"Maar zou het dan nog niet beter zijn," vroeg Veervlug, "om de
+kinderen, als zij loopen en spreken konden, maar terstond de wereld
+in te zenden? Dan zouden zij ook van de ouders onafhankelijk zijn."
+
+"Dat zou het zeker, Mijnheer! hiervan geven ons de dieren zelfs het
+voorbeeld; maar de toestand der Maatschappij is te miserabel. Zij
+zouden misschien in handen vallen, die hen in nog meer bekrompenheid
+opvoedden?"
+
+Pols sloeg verbaasd zijne handen ineen, en maakte de opmerking, dat de
+moeders veel tegen zulk eene handelwijze zouden in te brengen hebben,
+indien al de vaders zoo wreed konden zijn.
+
+"Dat is het juist, Mijnheer! die moeders, die wijvenpraatjes van
+wreedheid, die laffe teerhartigheid. Het is eigenlijk jammer, dat de
+kinderen moeders moeten hebben."
+
+De vrienden vonden beter het gesprek op een anderen boeg te wenden;
+want de Duitsche Mijnheer begon nu reeds in zijne hooge verlichtheid
+scheppingsfouten te ontdekken, en zij vreesden tot het resultaat te
+zullen komen, dat de Duitscher het jammer vond, dat hij de wereld
+niet geschapen had.
+
+Torteltak was terwijl in gesprek geraakt met de dochtertjes, die zoo
+liberaal opgevoed werden. "Hebt ge u nog al goed geamuseerd op uw
+tourtje?" vroeg hij aan de oudste.
+
+"Ach ja, vrij wel," antwoordde zij: "het land was mooi genoeg; maar
+Papa redeneert nu en dan wat sterk, en hij is wat oud. Ik stel mij
+veel meer plaisir voor, om eens zoo een tourtje te maken, als ik op
+mijzelve sta!"
+
+"Maar het gezelschap van uw Papa was u toch zeker aangenaam?"
+
+"Dat kan ik juist niet zeggen;" zei het meisje. "Ik harmonieer niet erg
+met hem in gevoelens. Ik hou over het algemeen niet van oude Heeren;
+zij zijn meestal te zeurig."
+
+"Ge prefereert dus jongere menschen?" glimlachte Torteltak.
+
+"Dat kan er naar zijn, als zij lief galant zijn. Dan ligt het ook in
+den aard der zaak. Ach! ik gevoel mij nu eigenlijk nergens op mijne
+plaats. Vele Heeren behandelen mij nog net of ik een kind was. Ik
+verlang maar eenige jaren ouder te wezen, om mij met fatsoen te kunnen
+etablisseren, en ik zal dat naar mijne keus kunnen doen; want zooveel
+heb ik al gemerkt, als men geld heeft, kan men zijn zin krijgen."
+
+Torteltak merkte, dat de opvoedingsmanier van den Duitscher aan zijne
+oudste dochter de noodige vrijmoedigheid had bijgezet. Hij wendde
+zich nu tot de jongste, met de vraag, of haar de school te Neuwied
+nog al beviel.
+
+"Zoo, zoo!" antwoordde de twaalfjarige. "Eene school is altijd een
+noodzakelijk kwaad. Zij zijn bij ons wél genoeg; maar zij zijn wat
+dweepachtig in hunne godsdienst. Daar kan ik mij niet meê vereenigen,
+en zij vinden niet goed, mijne ideën daaromtrent vrij te laten."
+
+Onze vriend zette het discours maar liever niet voort. Hij had reeds
+menigen onwillekeurigen glimlach door een gevoel van medelijden
+onderdrukt, en dit vond hij op den duur niet de aangenaamste manier
+van glimlagchen te onderdrukken.
+
+Het _diner_, dat boven op het dek der boot gebruikt werd, gaf eenige
+verpoozing, maar weinig verzadiging. Schoon de _Friedrich Wilhelm_
+beter geproviandeerd was dan de hulpboot, waar men zich met brood
+en dergelijke koude zaken moest behelpen, was er echter ook hier
+geen overvloed. De _Kellners_ weigerden den hongerigsten een tweede
+portie van het een of ander aan te brengen, en scheepten hem met een
+"je hebt al gehad" af. Ook de thee, die zij later gebruikten, werd hun
+in schrale hoeveelheid toegemeten, en was waarschijnlijk van minder
+kwaliteit, dan die een der Hollandsche voetreizigers uit zijn ransel
+te voorschijn bragt en aan zijne schoone landgenoot aanbood. Torteltak
+dacht niet om de thee, maar benijdde alle de Heeren van dat gezelschap,
+zelfs den slapenden veertiger, hunne plaatsen. Holstaff treurde, dat in
+zulk een mooi land, als Duitschland, zulke afzetters woonden. Veervlug
+zei, dat Joost of Heintje Pik hem halen mogt, als hij die thee voor
+_Joostjes_ en _Pecco_ hield. De Morder wist niet, wat hij laffer
+vond, het vocht of de aardigheid van zijn vriend. Pols trachtte aller
+gemoederen tot bedaardheid en tevredenheid te stemmen. En zoo kwamen
+zij, benijdende, treurende, grappen makende, knorrende en appaiserende,
+ten 7 ure te Coblenz aan.
+
+Na in het logement _zum Weissen Ross_ dat gelukkige oogenblik genoten
+te hebben, dat men gewoonlijk smaakt, wanneer u vreemde kamers
+in een vreemd logement aangewezen worden, waar alles aanwezig is,
+behalve hetgeen waaraan men in die oogenblikken behoefte gevoelt,
+waar de vriendelijke blik van de _Gastgeberin_ u het onvriendelijk
+aanzigt moet vergoeden, dat uwe apartementen hebben, voordat de
+ramen wijd opengeschoven zijn en de benaauwde lucht weggedreven is,
+voordat u waschwater en handdoeken zijn aangebragt, en de vale
+sprei op uw ledikant voor helder linnen heeft plaats gemaakt;
+na die oogenblikken doorleefd te hebben, begonnen onze reizigers
+zich een weinig te adoniseren en zich te bereiden om dien avond
+nog vele genoegens te smaken. Waarin die genoegens bestaan zouden,
+was evenwel onzeker. Men trad niet in de voetstappen der Engelsche
+medereizigers, die onmiddellijk de antiquiteiten en penningen van
+den Graaf Renesse Breitbach gingen doorsnuffelen: ook niet in die van
+eene Belgische familie, die, zonder uit te blazen, terstond de hoogte
+van Ehrenbreitstein beklom. Het laatste bespaarden zij zich tot den
+volgenden morgen; het eerste stelden zij tot een onbepaalden tijd
+uit. Aangenaam was het hun te vernemen, dat er in een tuin aan de
+Moezelbrug een concert zou gegeven worden, dat, naar des kasteleins
+verzekering, de moeite der wandeling overwaardig was.
+
+De tuin was prachtig geillumineerd; althans verscheiden glaasjes,
+met vet gevuld, wiegelden aan kromgebogen ijzerdraadjes tusschen de
+boomen, en kleine vlammende pitjes gloeiden in den walm van het kokende
+vet. Misschien is het de ongewoonheid, misschien ingenomenheid met
+menschelijke kunstproducten, die voor zoo velen zulk een schouwspel
+heerlijker doet zijn, dan het schitterendste zonlicht of de helderste
+starrenhemel. Pols merkte aan, dat het al heel goed trof, dat de
+avond zoo donker was, en hij had gelijk; want het bleekste schijnsel
+der maan is genoeg, om het effect van de luisterrijkste illuminatie
+te vernietigen.
+
+Het was met dat al heel aardig in de Coblenzsche Vauxhall. Het weêr
+was goed, en na de drukkende hitte des daags, was het aangenaam de
+avondkoelte te genieten. Daarbij kwam, dat de geheele fatsoenlijke
+bevolking der stad tegenwoordig, en de toon, die er heerschte, vrij
+en vrolijk was. Duitschers zijn spoedig tevreden; een glas Rijnwijn
+en dragelijke muziek was ook nu genoeg, om allen in aangename
+stemming te brengen. De schikking der tafeltjes was zoodanig, dat
+niet ieder gezelschap op zichzelf een kleine maatschappij vormde,
+maar dat verschillende familiën, die elkander anders misschien nooit
+ontmoetten, dien avond één gezelschap uitmaakten. Onze vrienden waren
+door deze wijze van plaatsing met eenige hunner buren in aanraking
+gekomen, en hunne gesprekken liepen over den heerlijken avond, de
+lieve muziek, de schoone omstreken van Coblenz, en dergelijke zaken
+meer. Zij konden met geheel onbekende menschen moeielijk zulke intime
+en belangrijke discoursen aanknoopen, als dat op de Hollandsche
+concerten onder goede bekenden wel eens het geval is. Daar toch
+kan men aan een lief meisje vragen: "Is uw Papa en Mama wel? Ik
+meen uwe nicht Pauline ook hier te zien? Vindt ge het dezen keer
+niet warmer in de zaal, dan op het vorige concert? Zal ik u op het
+bal bij Mevrouw V*** ontmoeten? Zijt ge verleden Dinsdag ook op de
+lezing geweest?" Men kan de aanmerking maken, dat het jammer was,
+dat bij het obligaat op de viool die snaar sprong, dat een pauze op
+een concert toch heel plaizierig is, omdat men dan nog eens praten
+kan, enz. En wanneer men dan, 's avonds te huis komende, de gehouden
+gesprekken nog eens nagaat, komt men tot het gewigtige resultaat,
+dat de Papa van Juffrouw R*** heel wel was, maar dat Mama een weinig
+hoofdpijn had; dat nicht Pauline ook tegenwoordig was, een kostuum
+aanhad, dat haar niets goed stond; dat Juffrouw S*** het al heel
+warm in de zaal vond; dat zij niet bij Mevrouw V*** zou dansen, en
+wel op de lezing geweest was, waar zij zich doodelijk verveeld had,
+omdat daar zoo'n raar publiek was; dat zij volkomen met u instemde,
+dat het springen van eene snaar voor een obligaatspeler onaangenaam is,
+en dat men in eene pauze praten kan.--Pols en zijne vrienden konden
+hier natuurlijk niet zoo diep in de familie- en hartsgeheimen der
+dames indringen, maar toch, zij maakten eenig gebruik van hun spraak
+en gehoor, en toen in de Coblenzsche Vauxhall de pauze begon, viel
+aan sommigen hunner het geluk te beurt van met dames de regte laan op
+en neêr te wandelen. Met statigen tred stapte Pols voorwaarts aan de
+zijde eener deftige, langwerpige matrone, terwijl Torteltak zich met
+het geleiden harer dochter moest vergenoegen. Ook de andere vrienden
+behoefden niet eenzaam hun pad te bewandelen, met uitzondering van
+Holstaff, die zitten bleef, en zich vervrolijkte door in zichzelven
+eene passage uit Feith's _Inez de Castro_ te reciteren.
+
+De oude Dame, met welke Pols wandelde, was zeer spraakzaam; maar zij
+sprak weêr zulk raar Hoogduitsch, dat de goede man een paar malen moest
+verzoeken de phrase te herhalen, en dan nog eindelijk even wijs was als
+te voren. Eindelijk luisterde hij maar toe, doch liet zich onvoorzigtig
+ontvallen: "Dat spreken van vreemde talen is toch verbruid lastig."
+
+De Dame, deze binnen 's monds geuite woorden verstaande, zeide op
+eens tot Pols: "Ik zal het u gemakkelijker maken; ik spreek toch ook
+nog Hollandsch, al ben ik sedert lang in Duitschland."
+
+"Hoe, heb ik het genoegen eene landgenoot te ontmoeten?" vroeg Pols
+met vreugde.
+
+"Ja," antwoordde de Dame: "oorspronkelijk ben ik eene Hollandsche. Is
+u ook toevallig in IJsselstein bekend?"
+
+"Neen, ik juist niet," antwoordde Pols; "maar mijne moeder was van
+IJsselstein, en die heeft er mij dikwijls van verteld."
+
+"Zoo," zei de Dame, "ik ben er ook geboren. Maar kent u misschien in
+Holland eene familie Polsbroekerwoud?"
+
+Pols keek verbaasd op (ik zou kunnen zeggen, alsof hij een klap
+in zijn gezigt kreeg, maar hij keek heel anders). "Hoe zegt u,
+Mevrouw? Polsbroekerwoud? Wel, dat ben ik zelf."
+
+Nu was het de beurt van de Dame om verbaasd te staan; maar zich
+bezinnende, zeide zij: "Neen, het kan niet zijn; gij zijt te
+jong. Maar kent ge Mijnheer Polsbroekerwoud, die met Mientje van
+Schalen getrouwd is?"
+
+"Die was mijn vader," zei Pols.
+
+"Dus zijt gij toch mijn neef. Wie had dat ooit kunnen denken?"
+
+Een licht ging voor Pols op. "Zou het mogelijk zijn, dat ik mijne nicht
+Stijntje van Schalen zag, die in der tijd met dien Duitschen klerk...."
+
+"Ga voort--die met dien Duitschen klerk is doorgegaan? Dezelfde. Maar
+wees welkom, neef! ik zal u terstond aan mijn man en kinderen
+voorstellen."
+
+Mijnheer Blumengarten, de echtgenoot der Dame, was spoedig gevonden;
+ook zijn zoon--een lang persoon, aan wiens jas veel koperwerk, en op
+wiens vest veel gemaakt goud te vinden was--snelde toe. Pols werd
+aan de beide Heeren als Neef voorgesteld, en onderging terstond
+twee omhelzingen, en hetgeen verder tot de allerhartelijkste
+begroeting der Duitschers behoort. Onze vriend had ze liever een
+weinig koeler gewenscht, maar begroette nu ook zijne jonge nicht op
+gelijke wijze. Torteltak maakte van deze familieconfusie gebruik,
+om de jongste der dames Blumengarten even liefderijk te bejegenen,
+alsof hij ook tot de bloedverwanten behoorde.
+
+Intusschen was de pauze geëindigd en de familie zette zich weêr op
+hare vorige plaatsen neêr; daar werden fijne flesschen geëischt,
+toasten gedronken, informatiën genomen, mededeelingen uitgewisseld en
+Och's en Ha's uitgeroepen. De geschiedenis van Stijntje van Schalen,
+de volle nicht van Polsbroekerwouds moeder, was eene zeer eenvoudige
+geschiedenis. Blumengarten, die het in Duitschland niet breed had,
+was naar Holland gegaan om fortuin te maken, en daarin te IJsselstein
+niet geslaagd; hij had daar echter zijn meisje leeren kennen, en
+hunne liefde werd door een stiefvader gedwarsboomd. Zij vlugtten naar
+Duitschland, waar de jongeling beter slaagde, goede zaken maakte,
+en nu als een der rijkste kooplieden van Coblenz met zijne vrouw
+en hare kinderen zeer vergenoegd leefde. Onze vrienden konden zich
+overtuigen, dat de familie zich in zeer goede omstandigheden bevond,
+toen zij allen het _souper_ bij de Blumengartens moesten gebruiken,
+bij welke gelegenheid Veervlug iets heel aardigs omtrent _Musikgartens_
+en _Blumengartens_ in het midden bragt. Zij lieten zich evenwel niet
+van hun plan afbrengen, om den volgenden dag de stad weêr te verlaten;
+doch Pols beloofde op hun retour eenige dagen bij zijne weêrgevonden
+familie te komen doorbrengen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+ Een Hoofdstuk, waarin de nieuwsgierige lezer, die gaarne vernemen
+ wil, hoe de reizigers over de Badplaatsen naar Frankfort trekken,
+ zeer teleurgesteld wordt, en dat verder zeer geschikt is, om
+ overgeslagen te worden door menschen, die niet gaarne kennis
+ maken willen met Frankfortsche families.
+
+
+In een der aanzienlijkste huizen van het oude gedeelte van Frankfort
+aan den Main, die door de stedelingen van den ouden stempel
+geprefereerd worden boven de meer elegante en comfortabele woningen
+in het nieuwer gedeelte der stad, zat op een helderen zomermorgen de
+familie Furchtbach stilzwijgend bijeen. Deze stilzwijgendheid werd niet
+veroorzaakt door het plegtige doel der samenkomst, als niet anders
+zijnde dan om koffij te gebruiken, maar wel door de tegenwoordigheid
+van den Heer des huizes, die, om de gezelligheid dezer vereeniging te
+bevorderen, altijd met een pak dagbladen binnenkwam, en niet gaarne
+zag, dat iemand hem door praten in de lectuur daarvan stoorde. Mevrouw
+had dan ook dadelijk haar werk in de hand genomen, en zag daarvan niet
+meer op, dan hoog noodig was. Ook Susanne, hare twintigjarige dochter,
+nam naald en draad tusschen de vingers, en maakte daarvan juist zooveel
+gebruik als behoefde, om Papa's reprimande van weêr niets uit te voeren
+te ontgaan; en Nicht Clare wijdde hare aandacht geheel aan het schenken
+der koffij, en het toebereiden van hetgeen daarbij genuttigd werd;
+welke taak haar onlangs, toen zij de volle achttien jaren bereikt had,
+voor vast was opgedragen. Zij was de eenige, die gedwongen werd, nu en
+dan de stilte af te breken, door half fluisterende te vragen: "Oom! zal
+ik u nog eens inschenken?" waarop dan op niet direct vriendelijken
+toon geantwoord werd: "Je ziet immers, dat mijn kopje nog half vol
+is." Of: "Zoo! ik dacht, dat je nooit weêr zoudt schenken." Men zou
+tot eene verkeerde conclusie komen, indien men uit deze wijze van
+omgaan tusschen Mijnheer Furchtbach en zijne huisgenooten opmaakte,
+dat hij een voorkomend, vriendelijk en inschikkelijk vader des gezins
+was; maar men zou zich aan den anderen kant evenzeer vergissen, zoo
+men meende, dat hij hierop eenige aanspraak maakte. En met dat al, hij
+was een man van groote deugden, hij was van eene stipte eerlijkheid,
+eene onwrikbare regtvaardigheid, hij handelde altijd naar vaste
+beginselen, was ijverig in iedere betrekking, waarin hij werkzaam was,
+en meester over zijne hartstogten: maar op zijne deugdenlijst stond
+de liefde niet aangeteekend; en daar hij bij iedereen dezelfde goede
+gezindheden zocht, die de zijnen waren, en alle anderen, waarvan hij
+zelf geen denkbeeld had, in hen voorbijzag, was hij langzamerhand tot
+die hoogte gekomen, dat hij zichzelven de onbepaalde achting toedroeg,
+en wel iets van het tegendeel voor de meeste zijner medemenschen
+gevoelde. De koophandel, waarin hij van zijne vroegste jeugd was bezig
+geweest, had de stroefheid, die hem van nature eigen was, niet veel
+verminderd. Misschien zou zijn huwelijk daarvan veel hebben kunnen
+wegnemen, indien bij die gelegenheid de liefde eenigzins was in het
+spel geweest; maar hij had eene vrouw gezocht, die juist evenveel
+middelen bezat als hij; iets, dat hem eene billijke voorwaarde
+toescheen bij het sluiten van zulk een contract. Het meisje had zijn
+voorstel aangenomen, omdat hare ouders Furchtbach protegeerden, en
+zij zelve niets tegen den man kon inbrengen; maar van vrouwelijken
+invloed op hem uit te oefenen, kwam niets in; want hij deed haar steeds
+gevoelen, dat de man het hoofd der vrouwe is, en zou er misschien niets
+tegen gehad hebben, dat zij hem, als Sara weleer haren echtgenoot,
+Heere genoemd had. Overigens was hij voor haar niet bijzonder hard,
+indien zij hem maar in alles gehoorzaam was en altijd zijn wil deed;
+en zij, de goede, geduldige vrouw, had spoedig ingezien, dat men om
+des vredes wille veel moet doen en opofferen, en had langzamerhand
+geleerd, maar in het geheel geen eigen wil meer te hebben.
+
+De opvoeding der twee meisjes (de eene was zijne wettige dochter,
+de andere zijne wettige pupil) was, gelijk men die van zulk eene man
+kan verwachten. Het minste vergrijp werd gestrengelijk gestraft; iets,
+dat bij de Nicht het gevolg had, dat zij weinig kwaads meer deed; bij
+de dochter, dat zij veel kwaads voor Papa leerde verbergen. Mama, die,
+uit vrees voor de gestrenge strafoefeningen, Susanne hierin misschien
+wat te veel voorthielp, verloor daardoor alle ontzag bij deze, en
+had na eenige jaren het genoegen te bemerken, dat zij, behalve haren
+wettigen meester, ook nog eene onwettige meesteres had. Daar nu de
+opvoeding der beide meisjes geheel aan Mevrouw was opgedragen, leerde
+de dochter juist zooveel, als het haar in den zin kwam, en op hare
+educatie viel dus evenveel aan te merken, als een schoonheidskenner
+aan hare trekken te berispen vond. Zij was de eenige, die in later
+jaren ook haren Papa durfde tegenspreken, schoon één strenge blik
+genoeg was, om haar binnen de palen der volkomenste vadervrees
+terug te brengen. Nicht Clare was gezeggelijker van aard; zij was
+van nature bloode en zichzelve mistrouwende. Oom Furchtbach had zich
+niet beijverd, om haar gepaste vrijmoedigheid en zelfvertrouwen in te
+boezemen. Zij werd daardoor niet, wat men een aanvallig meisje noemt;
+zij gevoelde zich nooit meer op haar gemak, dan in de eenzaamheid van
+hare eigene kamer. Hare tante was de eenige, met wie zij vrij durfde
+spreken; voor Susanne was zij bang, bijna even bang als voor haren
+wettigen voogd.
+
+De meisjes hadden vriendinnetjes, althans natuurgenootjes, die nu
+en dan een avondje bij haar doorbragten, en welke ook zij bezoeken
+mogten, mits daar geen broeders aan huis waren; want van alle
+menschen, die oom verachtte en wantrouwde, waren er geen, voor wie
+die verachting en dat wantrouwen grooter was, dan voor de winderige,
+laffe, beginsellooze jongelieden van de negentiende eeuw. Susanne
+was het met haren Papa heimelijk niet eens, dat er niets raars aan
+de flaauwe heertjes was; maar Clare beefde op het zien van een man
+beneden de 40 jaren, bloosde als er een het huis voorbijging, en
+wist naauwelijks, of de wezenstrekken dier monsters eenigzins met
+de menschelijke overeenkwamen. Zij zou voor geen wereldsgoed het
+woord bepaald tot één hunner gerigt hebben; en toen een jaar geleden
+haar volle neef naar de Oost-Indiën vertrokken was, en haar bij die
+gelegenheid een afscheidskus had gegeven, bejammerde zij het bijna,
+dat er geen kloosters waren, waarin zij hare schande kon verbergen.
+
+Deze partij dan was op den schoonen Julimorgen vereenigd, om in stilte
+en met gepasten ernst koffij te drinken, toen onverwacht een bediende
+binnentrad en het bezoek van vijf Heeren uit Holland aankondigde.
+
+"Vijf Heeren uit Holland?" vroeg Mijnheer, met weêrzin de _Frankfurter
+Zeitung_ op de tafel neêrleggende: "wat zijn het voor menschen?"
+
+"Zij schijnen fatsoenlijke Heeren te zijn," zei de knecht, "ik heb
+ze in de zijkamer gelaten."
+
+Clare bloosde tot achter hare ooren. Susanne luisterde met
+belangstelling.
+
+"Ik zal bij hen komen," zei Mijnheer.
+
+Terwijl de knecht de deur van het familievertrek geopend had, was
+een der leden van het gezelschap, dien wij nog niet aan de lezers
+voorgesteld hebben, vooruitgegaan, om de Heeren te recipiëren. Het
+was een klein hondje, een van dat soort, die bij ons onder den naam
+van keffertjes bekend staan; het begon brommende den gang door te
+trippelen, en toen het de vijf vreemdelingen zag, uit al zijn magt
+te keffen.
+
+Daar is in het aanhoudend en driftig blaffen van zulk een hondje
+altijd weinig, dat ons aangenaam aandoet; maar, wanneer men voor de
+eerste maal ergens eene visite brengt, wanneer men zich voorstelt
+aangenaam ontvangen te worden, wanneer men eene phrase klaar heeft,
+om zich op het voordeeligste te introduceren, en men ziet dan den Heer
+des huizes naderen, voorafgegaan door zulk een geweldmakend huisdier,
+dan zou men wenschen, dat... er eene zware belasting op het houden
+van honden werd gesteld.
+
+"Dat is een verwenscht mormeldier," gromde een der Heeren.
+
+"Als de Heer des huizes ook zoo spraakzaam is," fluisterde een ander,
+"dan zullen wij weinig aan 't woord komen."
+
+"St! bedaard, beest! wij zijn goed volk," zeide de bedaardste der
+vrienden heel goedig. De hond kefte te luider.
+
+"Wien heb ik de eer te zien!" vroeg Mijnheer Furchtbach.
+
+"Ik ben de Neef van Mijnheer Blumengarten uit Coblenz," antwoordde
+Polsbroekerwoud, zich bekend makende. "Ik breng u dezen brief uit
+zijnen naam."
+
+De hond blafte zoo luid, dat Mijnheer Furchtbach geen woord van deze
+aanspraak verstond. Hij opende echter den brief, en zijne hand dreigend
+opheffende, riep hij met ernst: "Houd je mond, _Azor_!"
+
+De hond zette zijn geblaf voort, maar nu in een half gillenden toon.
+
+"Houd je mond, _Azor_!" riep Mijnheer nog eens te vergeefs. _Azor_ was
+de eenige zijner huisgenooten, die zich niet door hem liet imposeren.
+
+De wijze, waarop Mijnheer Furchtbach den recommandatiebrief van zijn
+correspondent las, en waarop hij nu en dan de recommandabele Heeren
+aanzag, had veel overeenkomst met die, waarop de Serjant-kommandant
+van een voorpost uw pas leest en uw signalement verifieert; en de toon,
+waarop hij daarna de Heeren uitnoodigde, om binnen te komen, verschilde
+in vriendelijkheid en voorkomendheid almede niet veel van dien, waarop
+de Wacht-kommandant zijn "gij kunt passeren" uitspreekt. Onze vrienden
+gevoelden heimelijk berouw, dat zij den raad van den hupschen _Herr_
+Blumengarten hadden opgevolgd, om maar terstond gezamenlijk Mijnheer
+Furchtbach te gaan bezoeken, dien zij zeker als een regtschapen mensch
+zouden leeren kennen. Zij maakten dan ook heimelijk de opmerking,
+dat er nog iets anders dan regtschapenheid vereischt wordt, om iemand
+aangenaam te ontvangen. Zij volgden Mijnheer naar het huishoudvertrek,
+waar Susanne hen met den liefsten glimlach, en Clare met den hoogsten
+blos, waarvoor beiden vatbaar waren, afwachten.
+
+De eerste oogenblikken werden in diep stilzwijgen doorgebragt. Geen
+der vrienden scheen bij deze gelegenheid bijzonder gedisponeerd het af
+te breken. Wel zweefde Pols de phrase op de lippen: "Het is van daag
+een charmante dag weêr," maar hij was vergeten, wat het woord _weer_
+in het Duitsch beteekende. Eindelijk, toen hij met iets anders klaar
+was, was Mijnheer Furchtbach hem voor, met de vraag, of de Heeren
+voor zaken reisden.
+
+"Neen," was het antwoord; "alleen voor plaisir."
+
+"Dat reizen voor plaisir schijnt meer en meer in de mode te komen. Vele
+menschen schijnen tegenwoordig met hun geld geen raad te weten."
+
+"Ik zou haast denken, dat het tegendeel aan hen blijkt, die het voor
+reizen besteden," antwoordde Veervlug.
+
+"Nu, dat moet ieder voor zichzelven weten," zei Furchtbach; "maar
+mag ik ook vragen, welke de betrekking is der Heeren?"
+
+"Twee onzer zijn gepromoveerd, de anderen nog studenten," antwoordde
+Pols.
+
+Clare bloosde met een nieuwen blos. Zij had nog nooit studenten
+gezien, maar wel rare dingen van dat soort van menschen gehoord. Zij
+verkeerde in een verschrikkelijken toestand. Zij begreep, dat aan de
+Heeren koffij moest gepresenteerd worden, en bijna had zij den moed
+bijeenverzameld om die vraag te doen, toen de naam _studenten_ haar
+geheel uit het veld sloeg. Zij hield zich overtuigd, dat zij door
+te vragen, of de Heeren suiker gebruikten, meer avances zou maken,
+dan een meisje _vis à vis_ studenten voegde. Angstig wendde zij zich
+dus tot hare tante, die nu bij hare nicht de tolk werd van der Heeren
+gevoelens, omtrent het gebruik van suiker in de koffij.
+
+"Ge zult u op uwe reis dus wel voornamelijk tot de Duitsche Akademies
+bepalen?" vroeg Mijnheer verder.
+
+"Wij houden ons in steden niet langer op," antwoordde een hunner,
+"dan noodig is om de voornaamste merkwaardigheden te zien."
+
+"Dan is toch ook Frankfort zeer interessant voor den beoefenaar der
+geschiedenis," zei Furchtbach. "Behalve de nieuwere monumenten, hebben
+wij hier de Römer en den Dom, en ook voor de Natuurlijke Historie is
+hier een belangrijk kabinet."
+
+"Maar ook voor kunst levert deze stad veel merkwaardigs op. Wij zagen
+straks het Museum van Bedman, en waren allen verrukt over de _Ariadne_
+van Dannecker."
+
+Clare bloosde weder zeer sterk, want zij had wel eens gehoord, dat
+deze dame niet in eene hooge japon gekleed was; en daar zij juist
+met afgewend gelaat aan een der Heeren een kopje koffij toereikte,
+bragt het trillen van hare eigen vingers haar in den waan, dat het
+reeds aangenomen was, en ziet! het viel aan scherven en spatten op
+den grond. Het ongelukkige meisje was half dood van confusie. Hare
+tante trachtte haar gerust te stellen, en zeide: "Het is immers niets,
+lieve Clare!" En oom voegde haar, misschien met hetzelfde doel toe:
+"Het is niets, dan eene verregaande lompheid!" Susanne glimlachte,
+niet zoo zeer uit boosaardigheid, als wel omdat zij al lang naar eene
+eenigszins geschikte gelegenheid om te glimlagchen had uitgezien.
+
+Mevrouw Furchtbach nam nu, op verzoek van Clare, zelve de directie op
+zich over het koffij departement, en Torteltak, die, in de confusie,
+uit den kring, waarin zij geschaard zaten, was voortgestapt, wendde
+zich tot Susanne met de vraag, of zij Elise Saalbader ook nog gekend
+had. "Wel zeker, Mijnheer! kent gij die ook? Zij is mijn eigen nicht."
+
+"Ik heb haar onlangs leeren kennen. Zij schijnt eene allerliefste
+vrouw te zijn. Ik ontmoette haar heel toevallig te Aken...."
+
+"Ik moet u verzoeken, Mijnheer!" viel Susanna's vader in, "dien naam
+niet in mijn huis te noemen, en mijne dochter gelast ik geen woord
+meer te spreken over een meisje, dat ik niet aarzel eene schandvlek
+harer sekse te heeten."
+
+"Maar, Mijnheer Furchtbach!" riep Torteltak, "is uw oordeel over
+haar niet wat hard? Ik ken hare geheele geschiedenis uit den mond van
+Sindenton, en heb mijzelf kunnen overtuigen, dat zij haren echtgenoot
+heel gelukkig maakt."
+
+"Dan zult gij ook weten, Mijnheer! dat zij op eene onwettige wijze,
+althans zonder toestemming van mij, die haar voogd was, met dien
+Mijnheer Sindenton getrouwd is?"
+
+"Waart gij die voogd?" vroeg Torteltak verbaasd. "Maar toch, zij
+trouwde immers met volkomen toestemming van hare eigen moeder?"
+
+"Mijne zuster moge de dwaasheid gehad hebben hare toestemming te geven;
+dat neemt niets van het schandelijke harer houding omtrent mij weg. De
+zwakke moeder heeft dat huwelijk dan ook maar een jaar overleefd."
+
+"Maar zij was toch immers regt gelukkig in het lot van hare
+dochter?" waagde Mevrouw Furchtbach te zeggen.
+
+"En zij hebben zoo'n lief kindje; niet waar, Mijnheer?" vroeg Susanne.
+
+Clare bragt den geheelen tijd, dien dit gesprek duurde, met blozen
+door.
+
+"Hoe het zij," riep Furchtbach ongeduldig uit, "Mijnheer Sindenton had
+zulke dingen maar in Holland moeten beginnen. Ik noem zijne handelwijs
+schandelijk, en zal ze hem nooit vergeven."
+
+"Maar hij was anders toch een lief mensch," zei Susanne.
+
+"Zoo lief, dat het mij aangenaam zal zijn, noch van hem, noch van zijne
+vrouw, ooit weêr een woord te hooren, en dat ik openlijk verklaar,
+dat, indien ooit een dergelijk geval met mijne eigene dochter plaats
+greep, ik mij niet zou ontzien, de gestrengste maatregelen in het
+werk te stellen."
+
+Sommigen der vrienden, een oog op Susanne slaande, maakten heimelijk
+de opmerking, dat Mijnheer van dien kant waarschijnlijk nooit in
+moeijelijkheden zou gebragt worden; en Pols, de rigting, die het
+gesprek nam, eenigzins verontrustend vindende, vroeg, om er eene
+andere wending aan te geven, aan Mijnheer Furchtbach, of het beroemde
+gekkenhuis te Frankfort tegenwoordig nog al sterk bezet was.
+
+Deze zag den vrager met een doordringenden blik aan; maar daar hij in
+zijn gelaat niets dan eenvoudigheid en goedhartigheid las, antwoordde
+hij koeltjes: "Zoo, ja! altijd meer dan genoeg."
+
+De gesprekken werden nu met meer kalmte en over onverschilliger
+onderwerpen gevoerd. Pols maakte nog eene opmerking over het vreemde
+van in ledekanten zonder gordijnen te slapen. Torteltak begon over de
+Hessen te spreken, die zich in 1792 bij de Friedbergerpoort hadden
+laten doodslaan. Mijnheer vertelde een paar anekdoten omtrent de
+kroning van Keizer Frans in hetzelfde jaar, en nam hieruit aanleiding,
+om het noodige omtrent de vrije stad Frankfort te zeggen, en was, na
+zichzelven een tijd lang te hebben hooren discoureren, eindelijk weêr
+zoo vriendelijk en gastvrij gestemd, dat hij de Heeren ten eten vroeg,
+tegen aanstaanden Vrijdag over acht dagen, iets waarvoor de Heeren,
+die reeds den volgenden dag vertrokken, hoffelijk bedankten.
+
+Gelukkig kwamen de vrienden, die, nog altijd van de Blumengartens
+vervuld, half en half op eene invitatie gerekend hadden, nog in tijds
+_zum Schwane_ terug, om aan de _table d'hôte_ plaats te nemen, en
+de manoeuvres met borden en schotels van den _Oberkellner_ aldaar,
+den handigsten van geheel Duitschland, te bewonderen.
+
+De kennismaking met de familie Furchtbach animeerde de vrienden
+niet bijzonder om van een tweeden recommandatiebrief, dien Sindenton
+zijnen vriend gegeven had, gebruik te maken. Daar het evenwel mooi
+weêr was, besloot Torteltak in den namiddag, die familie, op een
+Buiten aan den Main residerende, toch eens te gaan opnemen. Aangenaam
+gestemd door eene allerliefste wandeling, vreesde hij bijna die
+stemming te bederven, door zich bij de familie Schmalheim te doen
+aandienen; maar toch, de ligging van het Buiten en een paar lieve
+vrouwenfiguurtjes, die zich voor de opgeschovene ramen bewogen,
+trokken hem aan. En waarlijk, hij had er naderhand geen berouw van,
+zich met nog meer Frankforters te hebben ingelaten. Naauwelijks had
+hij zich bekend gemaakt als de overbrenger eens briefs van Sindenton,
+of Mijnheer drukte hem met warmte de hand, drong hem met levendigheid
+de kamer in, en stelde hem aan de dames vóór, als den vriend van
+hunnen Sindenton. Terstond zag Torteltak zich door drie lieve jonge
+meisjes omringd, die hem op de hartelijkste wijze welkom heetten,
+en hem met vragen omtrent zijn vriend bestormden. "Hoe maakt hij
+het toch?" riep de eene.--"En Elize?" viel de andere in.--"En de
+engelachtige Anton?" vroeg de derde.
+
+"Heerlijk, gelukkig, wel!" riep Torteltak, die zichzelven door deze
+receptie ook heerlijk, gelukkig en wel gevoelde.--Eene flesch Rijnwijn
+van een niet onaangenaam merk, terstond ontkurkt werd, bragt het hare
+bij, om hem in die aangename stemming te houden.
+
+Toen de eerste luidruchtigheid door wat meer kalmte werd opgevolgd,
+nam Mijnheer den brief van Sindenton in handen, en na eenige woorden
+gelezen te hebben, zei hij tot Torteltak:
+
+"Ik lees hier nog van uwe vrienden; zal ik het plaisir niet hebben
+hen bij mij te zien?"
+
+"O, Mijnheer! wij zijn te talrijk. Vijf menschen is wat veel, om zoo
+maar op eens eene familie te overvallen."
+
+"Wat zou dat zijn?" riep de gulle gastheer uit. "Waar is uw
+logement? Caspar! ga spoedig _zum Schwane_, en inviteer de Heeren
+van No.?--78 en 79--om hunnen vriend, zoodra zij lust hebben hier
+te komen vinden."
+
+"Maar waarlijk, Mijnheer!" zei Torteltak, "het is ..."
+
+"Tututu! de vrienden van Sindenton zijn immers ook de mijne en die
+van mijne geheele familie?"
+
+Torteltak was heel wel in zijn schik met deze vriendenaanwinst; want
+Mijnheer beviel hem wel, en de dames schenen zoo wat tusschen de
+achttien en vijfentwintig jaren oud te wezen. De twee oudsten waren
+ganschelijk niet misdeeld van schoonheid, eene gave, die wel met regt,
+maar 't meest door minder schoonen, als vergankelijk en toevallig
+beschouwd wordt, maar die toch, even als vele andere vergankelijkheden
+en toevalligheden, hare aangenaamheid bezit. Clementine, de oudste,
+scheen wel een weinig naar het _schmeichelnde_ en sentimentele
+over te hellen; zij sprak zacht, sloeg hare drijvende oogjes nog
+al heel dikwijls naar boven, en kon wel onder verdenking vallen tot
+de maanvriendinnen te behooren; maar de vrolijkheid van den kring,
+waarin zij zich bewoog, scheen haar niet te hinderen, en zij had de
+rozen nog niet van hare wangen gezucht. Hare zuster Sophie was een
+der meest gracieuse schepseltjes, die Torteltak ooit ontmoet had. Zij
+wist van hare heldere oogen misschien meer partij te trekken, dan
+hare zuster, daar zij ze op minder koude en beseffelooze voorwerpen
+dan de maan vestigde. De jongste, Katharin, niet bijzonder schoon,
+moest evenwel een zacht en goed meisje wezen, blijkens de liefde en
+vriendelijkheid, waarmede haar de zusters bejegenden, en de teedere
+attenties, die Papa aan zijne kleine Kette bewees.
+
+Nu begon een gesprek over Sindenton en de Furchtbachen, en indien
+over den eersten met veel levendigheid werd gesproken, ten opzigte der
+laatste liet vooral Torteltak veel menschenkennis blijken. Deze toch
+oefent zich het meest op onbekenden. De jongeling was juist bezig,
+een diepen blik in het hart van den ouden Frankforter te slaan, en te
+bepalen, hoe en op wat wijze hij door wijlen zijn vader ongetwijfeld
+moest zijn opgevoed, toen de overige vrienden werden aangekondigd,
+met uitzondering van De Morder, die zich eenigzins ongesteld gevoelde
+en liever, op zijne kamer bleef, dan alweêr visites te maken.
+
+Pols kwam met eene deftige buiging vooraan, en naauwelijks gezeten,
+haastte hij zich van de phrase "het is van daag een charmante dag
+weêr" gebruik te maken, daar hij het vermiste Duitsche woord was op
+het spoor gekomen.
+
+Het was al de vrienden spoedig aan te zien, dat de tweede
+Frankfortsche familie, die zij bezochten, hun beter beviel dan
+de eerste. Holstaff geraakte in een druk gesprek met Clementine,
+en trof bij haar meer sympathie aan, dan hij nog ooit ontmoet
+had. Hun discours werd al spoedig van de wezenlijke wereld op die der
+idealen overgebragt. Klagten over dikwijls niet begrepen te worden,
+over ijskoude ongevoeligheid werden uitgewisseld. Alleen van zijne
+denkbeelden over het ongepaste der vrolijkheid verschilden de haren;
+maar zij deelde anders in zijne verrukking, als hij passages uit
+Duitsche Dichters aanhaalde over _verschwundene Idealen_, _holde
+Phantasien_ en _unbestimmte Sehnsucht_. Torteltak was in een eenigzins
+levendiger gesprek met Sophie, die bij deze gelegenheid allerliefste
+coquetteriën in het werk stelde. Zij plaagde hem over teedere
+betrekkingen, die hij wreed verlaten had, om in den vreemde rond
+te zwerven. Zij was eens met hare zuster in Holland geweest, en nam
+daaruit gelegenheid, om over de dames te spreken, die zij daar ontmoet
+had, en die allen een fijnheid en blankheid van _teint_ bezaten, die
+de Duitsche meisjes misten, en scheen in het geheel niet te weten, dat
+van alle _charmes_ deze misschien bij haar de grootste was. Zij bragt
+den jongeling heel dikwijls in 't nauw, door naïve verklaringen van hem
+somtijds niet te begrijpen, en hem daardoor tot explicaties te brengen,
+waarin hij zich noodwendig verwarren moest. Zij legde bij dit alles in
+de onbeduidenste discourses zooveel natuurlijken geest aan den dag,
+dat Torteltak naderhand zwoer, dat, al was zij zoo leelijk als de
+nacht, zij nog in staat zou zijn iedereen het hoofd op hol te brengen.
+
+Mijnheer Schmalheim, die met Katharin en de twee overige vrienden
+heel veel over Frankfort gesproken had, noodigde nu allen uit, om
+gezamenlijk eene wandeling te doen, en bij die gelegenheid ook het
+beroemde Kerkhof eens te gaan zien. Spoedig werd aan dit voorstel
+gevolg gegeven. Pols ging met Papa vooruit, de anderen paar aan paar,
+ieder discoursen op zijn eigen hand voerende.
+
+Het nieuwe Kerkhof te Frankfort is, zoowel wat ligging als wat aanleg
+betreft, het schilderachtigste, dat men zich kan voorstellen; maar
+het is, even als Dumas van dat te Konstantinopel zegt, meer tot
+eene wandeling voor levenden, dan tot eene rustplaats voor dooden
+ingerigt. Men moet het bewonderen als men 't ziet; maar men bezoekt
+toch eigenlijk een kerkhof niet om te bewonderen. Daar zijn wél
+afgemeten graven, en op ieder daarvan staat een kruis, en op dat
+kruis een vers of een gedenkschrift; maar die afmetingen zijn, even
+als de kruisen en verzen, wat al te mooi en te sierlijk. Een enkele
+treurwilg maakt op zulk eene plaats meestal een goed effect; maar
+honderde treurwilgen, kunstig gerangschikt, doen weêr geen effect. Eene
+eenvoudige bloemstruik op een versch gevuld graf neemt misschien het
+al te sombere weg; maar allées van rozen en meer schitterende bloemen
+brengen bontheid voort, die nog meer hindert. Het plegtige zwart
+eener lijkstaatsie moet tusschen deze bloemperken alleronaangenaamst
+afsteken.--Maar met dat al, het kerkhof is beroemd; en indien men
+er geene lijkstaatsie ontmoet, en men zich niet verbeelden wil over
+graven te wandelen, dan beloont het ruimschoots de moeite.
+
+Het was in het schemeravonduur, dat ons gezelschap het doel der
+wandeling bereikte. Een zacht windje deed de bladeren van het
+geboomte ruischen; nog enkele vogelen zongen op hare takken; en het
+was misschien onder den indruk van dit alles, dat Clementine zeide:
+"Dit lieve kerkhof herinnert mij altijd Hölty's _Elegie auf ein
+Landmädchen_. Hoe menigeen rust hier, jong en schoon als zij.
+
+
+ 'Angethan mit einem Sterbekleide,
+ Eine Blumenkron' im blonden Haar!'"
+
+
+"Hölty spreekt in deze regels dan toch," zei Veervlug, "met meer
+kieschheid en op liever toon van een gestorven meisje, dan wanneer
+hij den _Todtengraber_ in den mond legt:
+
+
+ 'Jener Kopf mit Haaren
+ War vor wenig Jahren
+ Schön, wie Engel sind!
+ Tausend junge Fäntchen
+ Leckten ihm das Händchen
+ Gafften sich halb blind!'"
+
+
+"Foei!" zei Sophie: "heeft Hölty dat gezegd? Dan lees ik nooit meer
+iets van hem."
+
+"Ja maar," antwoordde Torteltak, "hij voert maar zelden zulke
+bespiegelende doodgravers op. Hij spreekt immers op andere plaatsen
+met meer opgewondenheid van de dames."
+
+"Wel zeker!" zei Sophie, "als hij aan de _Engelmienen_ en het _blaues
+Augenpaar, woraus ein Engel blickte_, en de _schwanenweisse Hand_
+begint. Alles veel te mooi voor ons, Duitsche meisjes."
+
+Terwijl zag zij hem met hare heldere oogen lagchend aan, en trok een
+handschoen uit om eene bloem te plukken, misschien ook om Torteltak in
+de gelegenheid te stellen haar een _démenti_ te geven. Hun gesprek werd
+echter afgebroken door het voorbijgaan eener oude vrouw, die langen
+tijd in een afgelegen hoek van het kerkhof geknield had gelegen, en
+op wier gelaat bittere en bijna aan wanhoop gelijkende droefheid te
+lezen was. "Wat deert u?" vroeg Mijnheer Schmalheim haar: "gij zijt
+zeker hier geweest, om een geliefde doode te beweenen!"
+
+"Ja, daar ligt hij!" riep de vrouw uit. "Hij is voor altijd dood. Hij
+moest wel sterven, en ik en mijne arme kinderen zullen hem wel volgen."
+
+"Wees bedaard, goede vrouw! gij hebt zeker uw man verloren?"
+
+"Ja, Mijnheer! en zij hebben zijn naam geschandvlekt, en hij was
+onschuldig; maar nu heeft Mijnheer Furchtbach zijn dood op het
+geweten. Hij wist zelf wel, dat mijn man onschuldig was. Maar die
+rijken en grooten denken altijd, dat wij armen geen eer te verliezen
+hebben."
+
+"Maar wat was er dan met uw man?" vroeg Schmalheim met deelneming.
+
+De vrouw verhaalde in afgebroken termen nagenoeg het volgende:
+
+Haar man was dertig jaren een der eerste knechts geweest van
+den Heer Furchtbach, en had altijd blijken gegeven van trouw en
+eerlijkheid. Maar nu was er eenigen tijd geleden een kleine diefstal
+in een der pakhuizen gepleegd, en de dader scheen onder de knechts
+te moeten gezocht worden. Men was evenwel volstrekt niet te weten
+kunnen komen wie de dief was, en nu had de Heer Furchtbach het de
+regtvaardigste maatregel gevonden al zijne bedienden weg te zenden,
+waaronder dus ook haar man behoorde. Deze, die altijd vergenoegd het
+dagelijksch brood voor vrouw en kinderen verdiend had, wendde zich te
+vergeefs tot zijnen Heer, hem herinnerende, dat hij reeds als knecht
+zijns vaders diens volle vertrouwen genoot. Mijnheer hield steeds vol,
+dat zij allen gelijk stonden, ten zij iemand hem den waren dader
+wist aan te toonen. De arme man kon geen middel van bestaan meer
+vinden, en bekommering hierover, gepaard aan het denkbeeld dat hij
+van oneerlijkheid verdacht werd, had hem in een zware ziekte gestort,
+waaraan hij bezweken was.
+
+"Wees toch bedaard, moeder!" zei Schmalheim tot de vrouw, die gedurende
+dit gesprek hoe langer hoe uitbundiger in hare droefheid geworden was:
+"Ik zal voor u doen wat ik kan. Uwen man kan ik u niet weêrgeven;
+maar daar, koop brood voor uwe kinderen."
+
+De andere Heeren voegden van het hunne bij de aalmoes van hunnen
+gastheer, en de vrouw snikte een "God loone het u!" maar ging nog
+luid klagende heen.
+
+"Waar woont gij?" fluisterde Katharin haar heimelijk toe.
+
+"In de _Bobenstrasse_, digt bij den hoek," zei de vrouw.
+
+"Ik zal u komen opzoeken; maar st.!"
+
+Torteltak was de eenige, die iets van dit gefluister hoorde, en hij
+sloeg voor het eerst zijn oog met belangstelling op de kleine Kette.
+
+Het was intusschen avond geworden, en men nam de terugwandeling
+aan. Men soupeerde bij de Schmalheims, en keerde ten 10 ure in het
+logement terug, zeer tevreden over den doorgebragten namiddag. Men
+vond de Morder op zijne kamer met een pijp en een flesch Rudesheimer,
+en werd dus omtrent den staat zijner gezondheid tamelijk gerustgesteld.
+
+Een weinig later dwaalde Torteltak door de naauwste straten van
+Frankfort. Hij had zich de _Bobenstrasse_ doen aanwijzen, en klopte
+aan eene zeer armoedige woning aan.
+
+"O! zijt gij het?" zei de vrouw, die hem de deur opende; "een dier
+goede Heeren, die mij dezen middag zoo mild bedacht hebben. Zie dit
+stuk geld, dat ik niet ken, maar het is goud, ontving ik van dien
+kleinen Heer, die zoo lief met die dame stond te praten."
+
+Torteltak zag een Hollandsch vijfguldenstukje, dat, naar de uitduiding
+der vrouw, uit Holstaff's beurs moest gekomen zijn. Hij merkte, dat
+er dien dag iets bijzonders in het hart van zijn vriend moest hebben
+plaats gehad.
+
+Hij bleef een half uur bij de arme vrouw en hare kinderen, en boezemde
+haar door raadgevingen, met deelneming en ernst gedaan, moed voor de
+toekomst in. Wat hij meer deed, weten wij niet; maar toen de vrouw
+hem de deur weêr opende, was hij zelf zeer getroffen, en zij zeide,
+hem de hand kussende: "Ik kan het u nooit vergelden, maar ik zal voor
+u bidden."
+
+Dien nacht droomde Torteltak van geen der jonge meisjes, die hij
+ontmoet had; maar toch, hij had een aangenamen droom, en toen hij
+wakker werd, voelde hij zijne wangen door tranen bevochtigd.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+ Waarin de reizigers meer dan twintig mijlen afleggen zonder
+ eenig avontuur; waarin zij naderhand in een klein bestek velerlei
+ genoegens smaken.
+
+
+De meeste menschen, die voor plaisir reizen, zijn op slecht weêr niet
+bijzonder voorbereid, ten zij ze de zaken naar de wijze van Dionysius
+De Morder inzien. Zij weten wel, dat zij nu en dan een regenachtigen
+dag zullen beleven, en dat mist en koude de helderheid en liefelijke
+zomerwarmte somtijds zal vervangen; maar als zij zich in hunne
+verbeelding een lief landschap of een beroemd vergezigt voorstellen,
+dan ontbreekt een heldere zonneschijn er nooit; en zoo zij zich bij
+preferente avondtooneeltjes denken, dan is altijd de maan op haar
+post. Aan deze wijze van voorstellen hebben misschien ook de schilders,
+die zelden onder een stortregen hunne landschapjes zitten te teekenen,
+en die veeltijds niet karig zijn met hunne hemelsblaauwe verven,
+veel schuld.--Maar het zij zoo! De menschen zijn misschien gelukkig,
+die zoo kunnen idealiseren en nooit iets anders dan helderheid
+in de toekomst zien. Ontwijken zij daardoor het verdriet al niet,
+zij ontloopen het eenigen tijd; hun lot is verkieslijk boven dat
+van hen, die alle tegenspoeden voorzien, schoon deze zich daardoor
+ook tegen alles kunnen wapenen. Het is misschien minder onaangenaam
+door eene onverwacht opkomende regenbui doornat te worden, dan een
+halven dag te voren, onder het heerlijkste weêr van de wereld, met
+een parapluie onder den arm te loopen. In de toepassing van deze
+stelling op dingen van hooger aanbelang kan het evenwel geen kwaad,
+met een weinig voorzigtigheid te werk te gaan.
+
+Deze inleiding schijnt nergens toe te dienen, dan om op eene geschikte
+manier te kunnen meêdeelen, dat Polsbroekerwoud en zijne vrienden,
+toen zij te Frankfort den morgen van hun vertrek ten zes ure opstonden,
+met het plan om in een open rijtuig naar Heidelberg te rijden, hierin
+verhinderd werden, daar een vrij koude, fijne regen neêrdaalde, en de
+lucht die eigenaardige kleur en substantie had, die zelfs den weinig
+gevorderden weerkundige doet vermoeden, dat het "een regentje voor
+den geheelen dag" zal wezen. Men besloot dus na lange deliberatiën,
+in een digten wagen de reis te aanvaarden.
+
+"'t Is toch waarachtig een ijselijkheid!" zei De Morder: "maar ik
+had het gisteren avond wel gedacht."
+
+"Ik niet," viel Pols in; "want de zon ging charmant onder, en het
+dauwde nog al vrij sterk. Wij moeten nu maar denken: Na regen komt
+zonneschijn."
+
+"En na een graauwpapieren lucht een blaauwpapieren," zei Veervlug.
+
+"Het is jammer van de _Bergstrasse_," zei Torteltak, "en wel het meest
+daarom, omdat wij bij onzen retour zullen moeten hooren, dat als wij
+die niet bij mooi weêr gezien hebben, wij dan niets hebben gezien."
+
+Holstaff sprak niet; want hij was bezig eene mier te beklagen,
+die, in een klein regenplasje spartelend, en in de zwemkunst zeer
+onervaren, een gewissen dood voor oogen scheen te hebben. Gelukkig
+voor het diertje kwam spoedig een zijner medemieren, met een vezeltje
+stroo tusschen de pooten, waaraan de drenkeling zich greep, en zoo
+gered werd.
+
+De vrienden klommen in het rijtuig. Voor sommigen scheen de nacht niet
+lang genoeg geweest te zijn, om uit te slapen; althans zij sliepen
+spoedig weêr in. Voor anderen scheen de nacht niet slapeloos genoeg
+geweest te zijn, om uit te peinzen; want zij raakten in diep gepeins
+verzonken. Slechts nu en dan vond een enkele hunner het gepast, iets
+te zeggen; maar hij moest dikwijls lang naar antwoord wachten. "Zou
+het dan waarlijk den geheelen dag door blijven regenen?" zei Pols,
+voor zij aan Sachsenhausen kwamen.--"'t Kan wel wezen," antwoordde
+Holstaff, toen zij Langen passeerden. Er scheen ook in de gepeinzen
+niet veel variatie te zijn.
+
+Men dineerde te Darmstadt in een niet zeer aanzienlijk logement,
+waar het meisje in 't buffet heel mooi was, en de opgezette vogels
+en kapellen, die den muur in schilderijen versierden, heel leelijk
+waren. Veervlug maakte een lieftallig madrigaaltje op de schoone,
+maar verzocht den kastelein, de Duitsche vogels, als ze allen zoo
+misvormd waren, maar liever in de lucht te laten vliegen. Men vond
+de straten van Darmstadt heel nat, de huizen heel wit, en ging geen
+buitentuinen en paardenstoeterijen zien, maar besloot uit wanhoop
+den avond in de komedie door te brengen, waar men zeer onbevallige
+boerinnetjes tusschen de schilderachtige decoratiën van Schoenberger
+zag voorthuppelen, en men de entrée van 12 sgr. nog te duur vond. Men
+verliet Darmstadt, zonder een enkel reis-avontuur gehad te hebben.
+
+Laat in den avond arriveerde men te Bickenbach, een dorp, naar
+sommigen beweren, vroeger met den Rijn zeer gelieerd; maar sedert
+eenige eeuwen moet er tusschen deze twee een zekere verwijdering
+ontstaan zijn, waarvan men de schuld bij den Rijn schijnt te moeten
+zoeken, die een geheel anderen weg wilde uitgaan dan Bickenbach,
+dat altijd dezelfde gebleven is en nu heel wèl is met de Modau. Men
+merkte bij den avond niets van de verschillende takken van nijverheid,
+waardoor dit dorp bloeit, en was genoodzaakt ook dit te verlaten,
+zonder zich op een enkel avontuur te kunnen beroemen.
+
+Men besloot den nacht dóór te rijden, en moest te Heppenheim een uur
+vertoeven, eer men andere paarden kon krijgen. Men maakte de opmerking,
+dat de Heppenheimsche postiljons hunne vreugde, om 's nachts te mogen
+rijden, door binnen's monds gebromde vloeken en verwenschingen te
+kennen geven.
+
+Te Weinheim arriveerde men, weder zonder eenig reis-avontuur opgejaagd
+te hebben, in den vroegen morgenstond. Men dejeuneerde en ververschte
+zich, en maakte de aanmerking, dat het waschwater van oneindig beter
+kaliber was, dan de thee, die men dronk; schoon men bekennen moest,
+dat beiden in kleur en geur niet veel verschilden.
+
+Het weêr was intusschen beter geworden, en men kon de kap van
+het rijtuig te Weinheim achterlaten. En daar men nu in de laatste
+vierentwintig uren niet veel anders gedaan had dan slapen en peinzen,
+ondervond men dat reizen voor plaisir somtijds iets anders is,
+dan plaisir hebben. 't Ging nu evenwel beter; verscheidene tongen
+raakten in beweging; men vond de landstreek mooi, verheugde zich in
+het vooruitzigt van heerlijke touren en goede _diners_, en zonder
+verder eenig reis-avontuur tegen te komen, reed men ten negen ure
+Heidelberg binnen.
+
+
+
+"Ik heb hem toch in dezen zak gehad, mij dunkt nog te Weinheim,
+maar anders zeker te Darmstadt," zeide Veervlug, toen hij even na de
+aankomst _zum Holländischen Hof_ aan zijne vrienden had medegedeeld,
+dat hij zijn reispas, die geviseerd moest worden, niet kon vinden.
+
+De wijze, waarop hij deze woorden sprak, duidde aan, dat onze vriend
+wel zijn verlies gevoelde, maar zich liever met hoop op herstel
+troostte, dan in knorrige klagten en ontevreden gejammer uit te
+barsten. Daar zijn maar weinig menschen, die bij treffende ongevallen
+en grievende rampen de kalmte huns gemoeds niet verliezen. Maar daar
+zijn er misschien nog minder, die bij kleine teleurstellingen de
+knorrigheid en wrevel kunnen bedwingen, welke als van zelve in hen
+schijnt op te komen. En zelfs onder de voorbeelden van lijdzaamheid in
+'t zwaarste leed, zijn er die ongeduldig worden bij onaangenaamheden,
+welke naauwelijks dien naam verdienen. Misschien rekenen zij het
+dan der moeite niet waardig om zich in postuur te zetten; misschien
+ook vinden zij zich verpligt dan alleen zelve te klagen, als zij
+door niemand beklaagd worden. Zoo zijn er bij voorbeeld, die, door
+ongelukken vervolgd, met gelatenheid gezien hebben, dat men al hun have
+en goed verkocht, maar die van ongeduld stampvoetten, als zij zich met
+een bot mes moesten scheren. Daar zijn reizigers, die lange dagen in
+zandwoestijnen van dorst versmacht hebben, zonder een enkelen zucht
+te slaken, en die, als zij na een goed _diner_, tot verfrissching,
+frambozen van de heining willen eten, verscheidene Engelsche vloeken
+op elkaâr stapelen, als zij er een aantreffen, die naar het kaarsvet
+smaakt. En wie herinnert zich geene _scenes_, door hem bijgewoond
+bij het breken van schoenlinten, bij aardappelen die niet regt gaar
+waren, bij lampenpitjes, die maar niet branden wilden, of bij iets
+dergelijks? Zoo niet Veervlug: hij bepaalde zich tot ijverig zoeken,
+tot het geduldig aanhooren der vragen die hij niet kon beantwoorden,
+en tot het in 't werk stellen van al de middelen, die men hem aan de
+hand deed, om 't verloren papier terug te vinden.
+
+"Maar als je hem te Darmstadt nog hadt, moet je hem nog hebben,"
+zei er een, bij wijze van verwijt.
+
+"Zit hij niet in je jaszak?" zei een ander, om hoop te geven.
+
+"Of in je hoedendoosje?" vroeg een derde, die het veld der
+doorzoekingen scheen te willen vergrooten.
+
+"Hij zal wel te regt komen," zei de vierde, die in 't geheel niet
+van zoeken hield.
+
+Veervlug doorzocht alle plaatsen, waar het papier kon geborgen zijn,
+en ook die, waar het onmogelijk kon gevonden worden; geen paar kousen
+bleef opgerold, geen cigarenkoker of snuifdoos gesloten. Ook de andere
+vrienden rekenden het zich ten pligt, te onderzoeken of zij 't ook bij
+abuis onder hun goed ingepakt hadden. Weldra lag de grond der kamer met
+kleedingstukken en allerhande voorwerpen overdekt. Alles te vergeefs.
+
+"Wij zoeken vast niet op de regte plaats," merkte Pols naar waarheid
+aan, zonder evenwel door dit gezegde veel licht in de zaak te geven. En
+terwijl schoof hij, een voor een, de laden eener chiffonière open, die,
+nog door niemand hunner gebruikt wordende, moeielijk Veervlugs pas kon
+bevatten, zoo niet Bamberg of De Linsky daarbij hunne tooverkunsten
+hadden in 't werk gesteld.
+
+"Maar hebt ge al eens in den gang gekeken?" vroeg een hunner.
+
+"Of beneden in 't voorhuis?" zei een ander.
+
+"Of misschien op straat?" viel een derde in.
+
+"Is hij ook uit je zak gevallen, toen je buiten de poort uit het
+rijtuig keekt?"
+
+"Wij zullen er den kastelein eens naar vragen," zei Pols.
+
+Maar ook Ludwig Spitz, de chef van 't hôtel, wist niets van de
+zaak. Hij vond het zeer jammer, dat de heeren geen Heidelbergers
+waren, omdat zij dan van de regering wel nieuwe papieren zouden
+kunnen bekomen.
+
+In 't kort, de pas werd niet gevonden, en Veervlug bleef in 't
+volslagen gemis van dit noodzakelijk reisdocument. Hij stond er
+voor bloot, om door den eersten den besten Policiecommissaris als
+een vagebond te worden opgepakt; en om zich tegen deze of dergelijke
+onaangenaamheden te wapenen, besloot hij langs den afgelegden weg terug
+te rijden, om op alle pleisterplaatsen informatiën te doen, of anders
+aan de Hollandsche Ambassade te Frankfort een nieuwen pas te verzoeken.
+
+De vier vrienden hadden nu wel den geheelen dag, treurende om het lot
+van Veervlug, in het logement kunnen blijven zitten; maar zij konden
+het ook zonder zelfverwijt nalaten. Zij zetten dus hunne droefheid
+aan een kant, en aanvaardden den togt naar den beroemden tuin, dien
+men gezien moet hebben, indien men maar een dag in de omstreken van
+Mannheim of Heidelberg heeft doorgebragt.
+
+Het zal zoo omstreeks vier ure na den middag geweest zijn, toen zich,
+nadat zij het _diner_ in een logement te Schwetzingen gebruikt
+hadden, eene vrouwelijke cicerone aan hen vertoonde, om hen in
+den _Schlossgarten_ rond te leiden. Terwijl men nog een ander
+reisgezelschap afwachtte, maakte deze dame aan de vrienden bekend,
+hoe wijd van omvang hare taak was; hoeveel studie het haar gekost had,
+om op het grondgebied van Schwetzingen overal regt te huis te wezen;
+hoeveel talen zij verstaan moest, om al de spreuken, die daar te
+lezen stonden, te expliceren; maar hoe zij ook nu niet schromen zou,
+aan de zijde van een Arabier de moskee in te gaan, en met een ouden
+Romein Apollo's tempel te naderen. Juist begon zij meê te deelen,
+hoeveel geschikter zij was om vreemdelingen rond te leiden, dan haar
+minder kundige gemaal, toen het verwachte reisgezelschap aankwam,
+en aan het discours een andere wending gaf.
+
+De nieuwe aankomelingen waren slechts twee in getal, en naar ouderdom,
+sekse, wijze van omgaan en gelaatstrekken te oordeelen, schenen zij
+vader en dochter te zijn. De eerste moest omtrent zestig jaren oud
+zijn, de laatste misschien vijfentwintig jaren met hem verschillen. Hij
+was misschien knapper oud man, dan zij oud meisje. Zijn kostuum was
+naar den ouden trant; het hare nieuwerwets, maar niet nieuwmodisch. In
+één punt kwamen zij beiden veel overeen: zij hoorden weinig van
+hetgeen men tot hen sprak; hij uit gebrek aan attentie; zij van
+wege een gebrek aan de oorvliezen. Beiden waren voor het overige
+heel vrolijke menschen: de oude Heer wedijverde in woordenrijkheid
+met de kundige gade van den slotbewaarder; en de dochter, die haren
+vader voor vrolijk en aardig hield, doch nooit een woord van hem
+kon verstaan, maakte altijd, als zij zijne lippen maar zag bewegen,
+een veelbeduidenden glimlach gereed.
+
+"Het gezelschap gelieve mij te volgen," sprak de vrouw, "door deze
+laan, die geheel door oranje- en citroenboomen beschaduwd wordt." Dit
+zeggende, legde zij met een zekeren trots hare hand op de kruin van
+een der hoogste schaduwgevers van de geheele rij.
+
+"Wonderlijk mooi," riep de oude Heer: "prachtige boomen, en zoo
+sierlijk rondgeknipt en niet lastig hoog; men heeft geen ladder noodig,
+om de appelen te plukken, als ze rijp zijn. Men zou haast denken dat
+men in Spanje wandelde; maar 't is hier rustiger. Geen binnenlandsche
+oorlog. Hoe denken de Heeren over _Don_ Carlos?"
+
+De dochter glimlachte met veel beteekenis.
+
+Geen der heeren verdiepte zich dezen oogenblik in de Spaansche
+quaestie.
+
+"Let op, Mijnheeren! Hij zal 't winnen; 't kan niet anders, hij
+moest het winnen; hij heeft de geestelijkheid op zijn zij. Dat staat
+vast. Maar zie, wat zijn dat voor figuren?"
+
+"Dat zijn," antwoordde de vrouw, "de vier elementen. Het gezigt,
+het gehoor..."
+
+"Bravo, moedertje, bravo! wonderlijk aardig! Jet, schrijf op. De vier
+elementen! Die daar met de watervaas zal de smaak voorstellen."
+
+Jet, den ouden man zoo hartelijk ziende lagchen, appliceerde bij deze
+gelegenheid den meest beteekenden harer glimlagchen.
+
+"Zoo is het," antwoordde de vrouw met deftigheid.
+
+Men naderde door de breede laan den tempel van Minerva.
+
+"Deze," ging zij explicerende voort, "is de Godin der Wijsheid, gelijk
+zij zinnebeeldig wordt voorgesteld in hare volle wapenrusting. Op
+haar schild is het aangezigt van hare moeder afgebeeld."
+
+"Ge komt mij niet al te orthodox voor in uw Godenleer," viel
+Torteltak in.
+
+"Lees dan het onderschrift," riep zij verontwaardigd uit; "daar staat
+het in Latijnsche verzen te lezen:
+
+
+ '....De capitis fertur sine matre paterni
+ Vertice cum clypeo prosiluisse suo.'"
+
+
+"Aardig, heel aardig," riep de oude Heer. "Ik houd veel van vrije
+vertalingen. Jet, schrijf op; een aardig pendant voor die van den
+koster te Antwerpen. (Jet begon haar gezigt al tot den gebruikelijken
+vorm te plooijen.) Onder 't kruisbeeld stond daar iets van "_lapis
+reprobatus_," dat de koster vertaalde: "_fait d'une seule pièce_." Zijn
+de Heeren wel eens te Antwerpen geweest? Een mooie stad, maar niet
+zooveel handel meer, als vroeger.
+
+"Daaraan heeft de revolutie van 1830 veel schuld," merkte Pols met
+regt aan.
+
+De vrouw ging voort met blijken harer kundigheden te geven bij
+de tempels van Apollo en Mercurius, de rots van Pan, de Romeinsche
+ruïnes en bij de honderden beelden, waarmede de tuin opgevuld is. Zij
+scheen maar half tevreden met het effect, dat al het fraais op het
+gezelschap maakte. Zij kon het den ouden Heer niet vergeven, dat hij
+door zijne uitweidingen gedurig de aandacht der overigen afleidde,
+en zij scheen evenmin als de aanlegger van den lusthof te begrijpen,
+dat de opeenhooping van zooveel kunststukken in zulk een klein bestek
+een alleronaangenaamsten indruk maakt, en dat de poging, om natuur
+en kunst smaakvol te vereenigen, hier jammerlijk mislukt is.
+
+Zoo kwamen zij aan de laatste en grootste der merkwaardigheden--de
+moskee. Met eene vlugheid, die hare kennis in het Oostersch treffend
+aan den dag bragt, las de vrouw de Duitsche vertaling, daar voor het
+gemak onder de Arabische spreuken geschreven, en waarvan de oude Heer
+de meest treffende aan Jet verzocht op te schrijven. Hij deelde bij
+deze gelegenheid mede, dat hij overal zulke spreuken verzamelde,
+dat hij een dolle liefhebber was van collecties, en dat hij reeds
+drie deelen vol van wonderlijk aardige gedachten en twee dito van
+dito dito beelden bijeen had.
+
+De moskee te Schwetzingen is, zoo als Tombleson, Schreiber, Osswald
+en meer anderen zeggen, opmerkelijk schoon en doet een brillant
+effect. Hunne uitspraak wordt bevestigd door die van Pols, die
+haar allercharmantst keurde. Hij vond dat het uur, dat men aan het
+bezigtigen van dit gebouw had zoek gemaakt, al te kort was, en verzocht
+de andere vrienden, die al wel voldaan waren, een oogenblikje geduld,
+daar hij de façade van den kant van den grooten vijver nog eens goed
+wilde opnemen.
+
+"Neen maar waarlijk," riep hij uit, terwijl hij op het terrein tusschen
+de moskee en het water een paar stappen achteruit ging, "ge moet mij
+toestemmen, dat het uitmuntend mooi is."--"Kijk hier!" ging hij voort,
+weêr een stapje achteruittredende: "die bouworde is weêr geheel anders
+dan van onze kerken."--Hij verwijderde zich nog wat verder.--"Het
+effect wordt hoe langer, hoe frappanter. Nog een weinigje verder,
+dan... Help! Help!"--"_dan valt men in het water_," had hij zijne
+phrase kunnen vervolgen, indien hij het niet gepaster gevonden had,
+hier een kreet om hulp in het midden te brengen.
+
+"Help! help!"--Hij was al geholpen. De vijver was niet diep, en acht
+handen werden hem tegelijk toegestoken.
+
+Daar stond nu de waardige Pols, druipende als een poedel, op den
+kant. Donkerder gekleurd door het water, sloot hem zijn lichtblaauw
+jasje om de leden; mistroostig hingen zijne haren langs zijn voorhoofd,
+en waren even zoo veel waterleidingen, om het vocht langs zijn neus
+en wangen tot de diepte te doen neêrdalen. Zwaar als lood hingen
+hem zijne hooge schoenen aan de voeten, en lieten op iedere plaats,
+waar zij stonden, hunne natte sporen na.
+
+"Vreemd, wonderlijk vreemd!" riep de oude Heer; "maar doe je jasje
+uit. Daar, help eens, Jet!--daar doe dezen stofjas zoo lang maar
+aan. Nat goed is heel ongezond. Ik heb ook eens in 't water gelegen,
+te Carlsruhe; 't is een jaar of vijf geleden; 't was ook op een middag,
+toen..." Jet glimlachte eerst, doch begreep daarna aan het trekken
+van den ouden Heer, dat er aan een jas moest geholpen worden.
+
+Pols hoorde niets; hij gevoelde alleen dat hij door en door en nat
+was; hij liet zich gewillig door Torteltak zijn jas uittrekken,
+en stak machinaal zijne armen in den aangeboden mac-intosh.
+
+"Als je in 's Hemels naam maar geen koorts krijgt en dan gevaarlijk
+ziek wordt," riep Holstaff, met angst zijn pols grijpende.
+
+"'t Is dan toch ook beroerd," zei De Morder, "om die moskee zoo digt
+aan 't water te bouwen."
+
+"Had ik het maar vooruit geweten," zei Pols, eindelijk tot zichzelven
+komende, "dan had ik nog een ander pak kleêren van Heidelberg kunnen
+meêbrengen."
+
+Zoo verliet men den _Schlossgarten_; de oude Heer aan Jet
+influisterende, dat zij dit geval moest opschrijven; Jet geen woord
+verstaande, maar met veel beteekenis knikkende; Holstaff zijn natten
+vriend ondersteunende; de anderen hem zwijgend volgende, en Pols
+overdenkende waar hij het best drooge kleêren zou kunnen leenen,
+en met het stellige voornemen, om dien avond, als hij te Heidelberg
+zou zijn teruggekomen, zijn hart eens ter deeg aan kamillen en vlier
+op te halen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII.
+
+ Vermeldende hoe _Veervlug_ naar zijn pas zoekt, hoe hij zich
+ in zijne eenzaamheid tracht te amuseren, en hoe hij eerst te
+ Darmstadt plaisir krijgt.
+
+
+Terwijl zijne vrienden aldus veelsoortige genoegens smaakten, was
+Veervlug genoodzaakt voor de tweede maal de beroemde _Bergstrasse_ te
+aanschouwen, die reeds de eerste maal zoo weinig aan zijne verwachting
+had beantwoord. Hij troostte zich wel met het denkbeeld, dat hij
+spoedig het papier kon terugvinden, en vervrolijkte zich door nu en
+dan een calembourg op zijn eigen toestand voort te brengen, en phrases
+met _niet van pas_ en _zonder pas_ en _ongepast_ te construëren;
+maar toch, wij moeten het toestemmen, zijn tour was onaangenaam,
+en de togt wat zwaar op een plaisirreis.
+
+Zoo arriveerde hij te Weinheim. "Al terug?" riep de _Kellner_ hem toe,
+die hem 's morgens bediend had. "Gij kunt naauwelijks te Heidelberg
+geweest zijn; maar nu ik u toch hier zie, kan ik u iets teruggeven,
+dat een uwer dezen morgen hier heeft laten liggen."
+
+Verrukt staart Veervlug den _Kellner_ aan. "Dat is al te gelukkig,"
+zegt hij in zichzelven; maar hij had er berouw van, toen hij den
+knecht uit de kast zag te voorschijn brengen--een roodgeruiten
+katoenen zakdoek, gemerkt J P W 6, dien hij terstond herkende, als
+tot de reis-zakdoeken van zijnen vriend Pols behoorende.
+
+Teleurgesteld stapte hij weêr in 't rijtuig en reed verder. Nu had
+hij een langen tour te maken tot Heppenheim. Hij had niemand om meê te
+praten, want de koetsier was niet spraakzaam; hij had weinig om op te
+kijken, want de landstreek beviel hem niet. Hij moest zich dus, zoo
+hij zich occuperen wilde, alleen met zichzelven bezig houden. Nu mag
+zoodanige occupatie voor sommige menschen veel aangenaams opleveren
+en voor iedereen misschien heel nuttig zijn, het was Veervlug vreemd
+om zich in zichzelven te verdiepen. En toch, nu hij zich zoo geheel
+alleen bevond, kwamen hem als van zelve vele _scènes_ uit zijn vroeger
+leven voor den geest. Hij verplaatste zich in den tijd, waarin hij voor
+het eerst het ouderlijk huis verliet, en als groen te Leyden uit de
+schuit stapte; toen hij aan de zijde van zijn vriend Polsbroekerwoud,
+op wiens bescherming hij trotsch was, de eerste collegiekamer betrad;
+toen iedereen met belangstelling naar zijn naam informeerde, en zoo
+vele vereerende epitheta, meestal van luchtverschijnselen ontleend,
+op hem werden toegepast; nog eens zag hij voor zijn geest het heir
+van vuile gezigten, oude jassen, dikke stokken en lange pijpen, die
+'s morgens, bij het sluiten van het eerste collegie op de Akademie,
+de zoogenaamde Ellendelingen afwachtten.--Van deze akelige tooneelen
+werden zijne gedachten op eenmaal afgeleid, en hij zag zich verplaatst
+in dien gelukkigen tijd, toen het magtige collegium hem uit louter
+goedgunstigheid als student had aangenomen, en toen het hem op eens
+vergund werd een pet te dragen, op sloffen te loopen en een hond te
+houden. O dagen van weelde en genot! Hoe heerlijk kwam hij zichzelven
+voor in den blaauwen jas met koperen knoopen en overdadig vele zakken;
+hoe verschrikkelijk moest hij den Leydenaren schijnen, als hij 's
+avonds met luider stemme langs 's heeren straten zong en zelfs de
+nachtwacht overschreeuwde; hoe groot en in aanzien aan zijne hospita,
+als hij soms twaalf heeren te gelijk bij zich op thee zag.
+
+Maar de tijd was ook gekomen, dat hij al die jonge studentenstreken
+dwaasheid noemde. Hij was zelf oud student geworden, hij was zelf
+senator geweest; nog meer eereposten waren hem opgedragen, en hij
+had ze met een ijver vervuld, eene betere zaak waardig. Hij was, door
+iederen middag in _de Paauw_ te komen, en door bijna elken avond drie
+gulden in de societeit te verteren, en door habitué te zijn op alle
+senaats- en promotiepartijen, een voorwerp van bewondering geworden
+voor alle kasteleins; geen stalhouder, die hem niet hoogachtte, want
+hij reed dikwijls met vier paarden; en geen der knechts, die dubbele
+fooijen van hem ontvingen, kende een beteren Heer dan Veervlug.
+
+Maar gelukkig voor den jongeling, deze herinneringen waren niet
+de eenigen, die zich aan hem voordeden. De laatste jaren van zijn
+Akademietijd schenen zijne kennissen die van dwaze afzondering
+geweest te zijn; anders dachten er zijne intime vrienden over. Hij was
+verzadigd van nachtpartijen en vierspannen, van feesten, waar de wijn
+alleen den toon geeft, en van uitspanningen, waarbij een paardenmenner
+het meest heeft in te brengen. Hij was nu maar gelukkig onopgemerkt te
+kunnen voortleven, en binnen de muren van zijne kamer en die zijner
+ware vrienden verzamelde hij zich _souvenirs_, die ook heden menigen
+glimlach van genoegen op zijn gelaat deden te voorschijn komen. Reeds
+twee jaren waren er voorbijgegaan, sedert hij den kring verliet,
+waarin hij zooveel gesmaakt had. Hij was als getituleerd persoon in de
+maatschappij teruggekomen, en het was niet zijne schuld, dat men zoo
+weinig notitie nam van zijne Doctorale Bul. En toch, reeds eenmaal
+had hij een ter dood veroordeelde gered; hij had een grijsaard van
+den strop bevrijd; en het was hem eene streelende gewaarwording, dat
+de begenadigde, met een brandmerk en de litteekenen van eene gestrenge
+geeseling op den rug, nu nog gedurende zijne twintigjarige opsluiting
+de welsprekendheid van zijn ervaren pleitbezorger zou zegenen.
+
+Maar welk een beeld vertoont zich daar op eens aan zijn gezigt? Door
+welk een stroom van herinneringen wordt hij overstort?--Het is
+het beeld van haar, die eens geheel zijn hart bezat; het zijn de
+herinneringen aan zijne eerste liefde: hoe hij haar bij den terugkeer
+der Leydsche jagers voor het eerst 's morgens in de kerk waar hun het
+eermetaal werd uitgereikt, en 's avonds in de komedie had gezien;
+hoe hij niet gerust had, voordat hem de toegang tot hare woning
+vrij stond, hoe hij drie jaren dol van verliefdheid geweest was,
+en altijd het voorwerp zijner min fixeerde; en hoe hij, door uren
+lang sprakeloos aan hare zijde te zitten, hare liefde had trachten te
+winnen; hoe hij, die overal elders levendig, vrolijk en spraakzaam
+was, altijd vreesde iets geks te zullen zeggen, als hij maar in
+'t gezelschap van zijn meisje was, en daarom als een gek zweeg; hoe
+hij evenwel om harentwil menigen slapeloozen nacht had doorgebragt:
+hoe hij haar menige dienst had trachten te bewijzen en menig genoegen
+verschaft, maar altijd zoo geheim, dat zij nooit iets daarvan merkte;
+en hoe hij door al dit handelen en niet handelen menig gek figuur
+mogt maken, en het genoegen kon hebben op te merken, dat velen hem
+als een mijmerend en vervelend mensch considereerden. Maar hij was
+toch niet altijd werkeloos toeschouwer geweest; hij had immers het
+genoegen gehad haar, en die nu haar echtgenoot was, thee te brengen,
+terwijl zij op eene buitenplaats in een prieel naar de liefdeverklaring
+van den uitverkoren minnaar luisterde; hij had onder de eersten mogen
+zijn, die haar met haar engagement konden feliciteren, en waren er
+geene omstandigheden tusschenbeiden gekomen, dan zou hij ook nog een
+vers op hare bruiloft hebben mogen debiteren.
+
+En nu,--daar waren jaren verloopen na deze gelukkige _scènes_, die
+weêr in haar volle klaarheid voor zijn geest stonden. De smart over
+deze eerste teleurstelling was voorbijgegaan. De meeste eerste liefdes
+schijnen er trouwens op gemaakt om te mislukken; maar hoe was het nu op
+dit oogenblik met zijn hart gesteld? Hij had nog vele meisjes ontmoet,
+vele lieve meisjes leeren kennen; maar hij stond verstomd over de
+imperturbable kalmte, die in zijne ziel bleef heerschen. Hij was dan
+nu ook wijs geworden; althans hij verbeeldde het te zijn. Hij zou nu
+geene onberaden coupen meer beginnen. Wij hopen voor hem, dat hij niet
+in de gelegenheid zal gesteld worden, om ze te begaan. Maar toen hij
+nu zichzelven ernstig afvroeg, of er dan niet één meisje mogt wezen,
+dat hij boven anderen stelde, toen kwam een oogenblik Torteltak's
+zuster hem voor den geest; maar neen, wat zou dat zijn? Zoo'n mooi
+meisje, en hij al zoo oud! En hij was altijd zoo vrolijk met haar
+geweest!--neen, dat kon niet wezen! Had zijn eerste liefdesgeval hem
+misschien al niet wijs gemaakt, de uitkomst had hem geen zelfvertrouwen
+en gevoel van onweêrstaanbaarheid ingeboezemd.
+
+Terwijl dit een en ander in Veervlug's ziel opkwam, was de zomerzon
+druk bezig zijn aangezigt te roosteren, en zou men het aan zijne
+bepoederde kleederen niet gezegd hebben, dat de straatweg nog gisteren
+zoo overmatig bevochtigd was. Maar de jongeling merkte van dit alles
+niets, en zoo niet de toren van Heppenheim hem had herinnerd, dat hij
+daar eene commissie te verrigten had, hij zou nog heel wat avontuurtjes
+hebben kunnen overpeinzen, eer hij aan den gelukkigen morgenstond kwam,
+waarop hij bemerkte dat hij zijn pas verloren had.
+
+Voor het logement hield de calêche stil. Een deftig kastelein stond
+zich reeds te voren in buigingen uit te sloven voor den rijken
+reiziger, die zoo alleen per post reed. Het "_Gnädiger Herr Baron_"
+vloeide reeds liefelijk van des _Gastgebers_ lippen, terwijl hij het
+portier open maakte; maar toen Veervlug hem verzocht, in die manoeuvre
+niet voort te gaan, maar hem liever informatiën te geven omtrent
+den postiljon, die hem heden nacht gereden had en die misschien een
+Hollandsch papier gevonden had, wendde zich de kastelein ontevreden
+af, draaide hem den rug toe, als wilde hij daardoor de vruchtelooze
+buigingen uitwisschen, en een _Kellner_ roepende, zei hij op een
+barschen toon: "Johann! brengt hem bij den stalknecht."
+
+De stalknecht riep den postiljon, en de postiljon zei, dat hij van
+niets wist; en toen nu Veervlug den stalknecht een fooitje voor het
+roepen van den postiljon, en dezen een dito voor het _neen_ zeggen
+had mogen geven, had hij permissie zijnen weg te vervolgen.
+
+Wederom teleurgesteld, besloot onze vriend zijn gepeins eens door
+het in oogenschouw nemen der landstreek af te wisselen, en na dus
+eene pijp gestopt te hebben, begon hij links en regts te kijken. Op
+eens ziet hij, tegen de hoogte op, iets wits glinsteren. Naderbij
+komende, bemerkt hij duidelijk dat het een papier is. "Halt!" roept
+hij den koetsier toe, en op hetzelfde oogenblik springt hij uit
+het rijtuig. "Ja wel," zegt hij in zichzelven, "ik ben er nog uit
+geweest, toen van nacht die eene streng brak; maar ik dacht dat het
+digter bij Darmstadt was. Nu, ik kan mij vergissen." En daar was het
+hem, als zag hij het koninklijke wapen reeds door het dunne papier
+schijnen. Verrukt grijpt hij het aan... O jammer! het gelijkt naar
+alles, behalve naar een Hollandschen pas. Mismoedig werp hij het weêr
+weg,--maar neen! Hij wil het toch meênemen. "Ik moet toch eens zien,
+wat het waagde mij zoo te duperen," riep hij uit, terwijl hij weêr
+in het rijtuig klom. Hij ontvouwde het papier, en las het volgende:
+
+
+ ...."Toen sprak de oude man tot hem: "Mijn zoon! wees sterk,
+ en denk maar dat de menschen u niet altijd kwaad zullen kunnen
+ doen. Neem mijnen zegen met u op reis."
+
+ "Toen knielde de jongeling neêr, en twee groote tranen rolden
+ den vader over de wangen, terwijl hij zijne oogen ten hemel
+ sloeg.
+
+ "Maar toen de zoon, door den vaderzegen gesterkt, opstond
+ en zich wilde verwijderen, kwam Lisette te voorschijn, met
+ bleeke wangen en roode oogen. En toch, die roodgeweende oogen
+ vermogten meer dan hare stem, want zij drukten wanhopige
+ smart uit; haar mond kon niets meer uitdrukken. Vast klemde
+ zij zich om den hals haars minnaars.
+
+ "'Lisette!' gilde de jongeling in vertwijfeling.
+
+ "Lisette sloot ook hare oogen: het marmerbleek van hare
+ wangen verbleekte nog meer; zij schenen nu door de kleur des
+ doods overtogen.
+
+ "'O Hemel, wees haar en hem genadig!' riep de oude man.
+
+ "Karel drukte zijne bruid aan het hart en bedekte haar
+ voorhoofd met brandende kussen, en tranen rolden uit zijne
+ oogen. Hij was nog gelukkig; want hij had nog tranen. Het
+ meisje bleef roerloos.
+
+ "'Lisette!' riep hij nog eens, met zooveel teederheid en
+ kracht, dat zijne stem bijna een doode in het leven zou
+ hebben teruggeroepen.
+
+ "Het meisje opende nog eenmaal de oogen, om te zien--dat
+ haar bruidegom door de gendarmes van hare zijde werd
+ weggesleept. Toen viel zij aan de voeten van den ouden man.
+
+ "Dien avond zat de grijsaard voor het bed der halfdoode en het
+ viel hem moeijelijk, voor zijne vijanden te bidden. Maar toch,
+ hij deed het.
+
+ "Zou de zegen des gebeds op hem of op hen zijn neêrgedaald?--
+
+
+
+ "Karel kwam in het leger van den overweldiger aan, en kreeg
+ wapenen om te strijden tegen hen, die de heilige zaak des
+ Vaderlands verdedigen. En hij moest den spot zijner kameraden
+ verduren; want de gendarmes hadden hun verteld, dat hij zijn
+ liefje aan een oud man had moeten overlaten.
+
+ "Zij hadden den blik des grijsaards niet gezien, en de kleur
+ des doods, die de bruid overdekte, niet opgemerkt. Anders
+ zouden zij gezwegen hebben; want menschen zijn toch geen
+ verscheurende dieren.
+
+ "En het leger trok op en legde vermoeijende dagmarschen
+ af. Uitgeput door afmatting, sliep de jongeling op het bivouac
+ in, en droomde een zoeten droom van zijne geliefden. Maar
+ zijn vader en zijne bruid sliepen niet, en zij waren met
+ kommervolle gedachten omtrent hunnen Karel vervuld.
+
+ "De dag des gevechts brak aan. Karel stond in de rijen der
+ aanvallenden. Het geschut borst los; de storm begon. De
+ jongeling vocht met leeuwenmoed en behaalde zich lauweren,
+ en na den slag dronk hij volle bekers op het oorlogsgeluk van
+ den overweldiger; en hij zag het, dat hunne gevangenen van
+ spijt weenden. En die gevangenen waren zijne landgenooten,
+ zijne broeders.
+
+ "Toen zijne bruid van dit eerste gevecht hoorde, hoopte zij,
+ dat Karel toch maar mogt leven; en de oude man hoopte, dat
+ zijn zoon dan voor zijn behoud mogt danken.
+
+ "De jongeling streed nog menigen strijd en behaalde nog
+ menigen lauwer; de epauletten versierden zijne schouders en
+ het kruis van eer zijne borst; maar de vrijheid van zijn
+ Vaderland ging te gronde. En toen de laatste overwinning
+ behaald was, zat Karel met zijne krijgsmakkers, om den haard,
+ en de bekers werden omhoog geligt, en in vrolijke liedjes
+ werd er aan de vaderlandsche meisjes gedacht, en men vergat,
+ dat het Vaderland een wingewest was geworden. Men wijdde eenen
+ dronk aan de vreugde des wederziens, en de jongeling vergat,
+ dat hij een medaillon als trophée met zich voerde, hetwelk
+ hij eenen officier, door zijne hand gesneuveld, ontnomen had.
+
+ "Terwijl knielden zijn vader en Lisette neder, om voor Karel
+ te bidden.
+
+ "Hij trok met het zegevierende leger zijne geboorteplaats
+ binnen, en wierp zich in de armen van zijnen vader en van
+ zijne bruid.
+
+ "En toen nu de oude man zijne oogen naar boven sloeg, vroeg
+ hij hem, wat hem deerde en waarom hij nu nog treurde. Ach! hij
+ begreep zijn vromen vader niet meer; hij had er nooit aan
+ gedacht, om in voorspoed een oog ten hemel te wenden.
+
+ "En daar hij zijne vrienden en landgenooten opmerkzaam maakte
+ op de schoone houding der overwinnende troepen, werd hij boos
+ omdat zij zuchtten, in plaats van in zijne opgewondenheid
+ te deelen.
+
+ "En hij nam het zijne bruid kwalijk, dat zij er nog altijd
+ doodsbleek uitzag, en niet met hem van vreugde schaterde. Hij
+ vergat, dat angst over hem haar zoo veranderd had, en dat
+ vreugde zich somtijds anders uitdrukt dan in uitbundig gejuich.
+
+ "'Waart gij nog eene bruid als deze!' riep hij uit, terwijl hij
+ het medaillon te voorschijn bragt: "die smartelijke glimlach
+ zou u voegen." En hij wierp haar het vrouweportret toe.
+
+ "'O mijn God!' riep zij uit: 'hoe komt dit in uwe handen?'
+
+ "'Ik vond het op het hart van een, dien mijn degen doodelijk
+ trof.'
+
+ "'Dan hebt gij mijn broeder vermoord, ongelukkige!' riep zij
+ in hevige smart.
+
+ "De oude man sidderde en hield beide handen voor zijne oogen.
+
+ "'Het was de krijgskans,' zeide hij koeltjes;--'maar men zal
+ mij wachten op de parade.'
+
+
+
+ "'Hoe was de bruid?' vroeg hem een zijner vrienden: 'zeker
+ wonder in haar schik?'
+
+ "'Zij schijnt wat ziekelijk en aandoenlijk te zijn,'
+ antwoordde hij.
+
+ "'Morgen marscheren wij naar de hoofdstad,' kondigde de
+ kommandant aan.
+
+ "'Bravo!' riepen al de officieren, en ook Karel riep: "bravo!"
+
+
+
+ "Twee jaren later werd het leger van den overweldiger
+ geslagen. Karel had reeds vroeger zijn ontslag gevraagd,
+ en keerde naar zijne geboorteplaats terug. Hij was nu een
+ geheel ander mensch, dan toen hij met de zegevierende troepen
+ binnenrukte. Hij had weêr teleurstellingen ondervonden, en wat
+ hem vroeger grootheid scheen, was het hem nu niet meer. Hij
+ keerde naar zijn ouden vader terug; helaas! alleen naar
+ zijn vader. Lisette's ziel had haar bleeke hulsel afgelegd,
+ en daarmede tevens de smart, die haar doorgriefde. Deze slag
+ had de verwildering van den jongeling doen ophouden.
+
+ "'Vader!' riep hij, toen hij de eenzame woning weêr binnentrad:
+ 'de Hemel heeft mij veel, te veel ontnomen!'
+
+ "'Maar heeft hij u niet meer, veel meer teruggegeven? Wees
+ welkom, mijn zoon! mijn geliefde zoon!'
+
+ "En 's avonds knielden beiden bij Lisette's graf, en zij
+ weenden."
+
+
+"Moet Uwe Genade ook niet te Bickenbach wezen?" vroeg de koetsier,
+terwijl Veervlug het gevonden manuscript, dat vrij slecht geschreven
+was, nog ontcijferde.
+
+"Ja, maar niet lang," zei de ander.
+
+"Dat is wel jammer," zei de voerman, die nu voor 't eerst spraakzaam
+werd; "ik zou Uwe Genade anders een drift ossen hebben laten zien,
+zoo mooi als ze in 't laagland durven denken. En dan had ik meteen
+mijn nichtje nog eens opgezocht, waar ik meê aan 't verkeeren ben."
+
+"Je kunt je nichtje toch wel eens gaan zien, mits je gaauw terugkomt;
+maar ik zal de ossen maar daarlaten."
+
+"Uwe Genade is wel goed," zei de koetsier; "maar 't is anders een
+mooi gezigt, en Uwe Genade heeft dan ook niets voor de moeite van
+'t wachten."
+
+Veervlug bepaalde zich echter tot het nemen van informatiën,
+maar ook hier vruchteloos; hij moest zich dus vergenoegen met in
+de oogenblikken, die de voerman bij zijn liefje doorbragt, tot de
+wetenschap te geraken, dat des Bickenbacher landwijns zuurheid met
+zijne flaauwheid wedijvert.
+
+"Als ik hem nu hier niet vind, dan rijd ik in vredes naam maar in
+eens door naar de Hollandsche Ambassade te Frankfort, om een nieuwen,"
+zei hij in zichzelven, toen hij te Darmstadt aankwam.
+
+"_Kellner_, geef spoedig wat eten, terwijl de koetsier van paarden
+verwisselt; maar eerst nog--heb ik hier ook gisteren avond een
+Hollandschen reispas laten liggen?"
+
+"Neen, Mijnheer! maar ik wil wel eens informeren."
+
+"Heb ik het plaisir Mijnheer Veervlug te zien," sprak een jong mensch,
+die digt bij een raam een nieuwspapier doorbladerde.
+
+"Veervlug--o ja, Mijnheer!" zei de ander verwonderd.
+
+"Mag ik u dan dit papier uit naam van den Secretaris van Legatie te
+Frankfort geven?"
+
+"Hoe?" riep Veervlug, daar hij zoo op eens en zoo onverwacht het
+voorwerp van zijne nasporingen in handen hield. "Hoe, mijn pas? Maar
+ik zou haast vragen, Mijnheer! waaraan ik het geluk te danken heb,
+die hier en van u te ontvangen?"
+
+"De zaak is gemakkelijk te expliceren; men verzocht mij, daar ook
+ik mijne papieren liet nazien, dit stuk, dat van een der Heeren was
+achtergebleven, meê te nemen, daar men wist, dat gij naar Heidelberg
+vertrokken waart."
+
+Nu ontstond er van den eenen kant een stroom van dankbetuigingen,
+en van den anderen kant een dijk van afweringen: nu streed men
+een strijd van liefheid en welwillendheid, waarvan bijna de uitslag
+geweest zou zijn, dat de overbrenger van het papier dank verschuldigd
+was aan Veervlug. Gelukkig moest de laatste spoedig aan het eten, en
+daar de eerste plan had om dien avond per diligence naar Heidelberg
+te vertrekken, nam hij zonder veel complimenten de uitnoodiging des
+jongeling aan, om van de calêche-gelegenheid te profiteren.
+
+Een weinig later was Veervlug met zijn nieuwen vriend op reis.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII.
+
+ De nieuwe vriend van _Veervlug_ komt op het tooneel, en legt veel
+ Duitsche plaatsen- en Fransche menschenkennis aan den dag.
+
+
+Vroeg opstaan, wat genot! Welk een voorregt, om vóór dag en dauw
+gelaarsd en gespoord te mogen staan! Hoe groot een geluk, zijne
+bedgordijnen open te schuiven, voordat nog de vale gordijn des nachts
+is opgeligt! Hoe interessant, om getuige te zijn, dat maan en sterren
+voor eenige uren met verlof aftrekken! Welk een triomf, om Phebus
+met zijn stralenkrans tot den luilak van de partij te maken!--Vroeg
+opstaan! Stedelingen, luije stedelingen! beseft gij wat het zegt? Ten
+zij gij tot de bevoorregten behoort, aan wie het gewigtige ambt van
+porder is opgedragen; ten zij gij onder de gelukkigen zijt, die de
+zoete wei uitventen, of wie het vochtige deeg wacht, om tot heete
+bollen gepromoveerd te worden; ten zij gij geroepen zijt, om van
+de hoogte eens torens den morgenstond met muziek te begroeten, of
+men in u vertrouwen genoeg stelde, om voor de deur eens Kommandants
+of op den wal eener vesting, in het stille en koele uur, in volle
+wapenrusting heen en weêr te wandelen; ten zij gij tot deze of
+dergelijke gelukkigen behoort, is het u ontzegd het eerste gekraai
+des haans te hooren, waarmeê hij de odalisques uit zijn harem tot
+eene morgenwandeling uitnoodigt.--Vroeg opstaan! Beseft gij het zelfs,
+landbewoners, meermalen ook in dit opzigt ten koste van den stedeling
+geroemd en gelukkig gesproken, maar o zoo dikwijls ten onregte! Ik
+weet wel, Heeren van buitenplaatsen, dat zij, die uwe paden moeten
+gladschoffelen en uwe wandelingen opharken, de koele ochtendlucht
+mogen inademen; ik geloof het van uwe kameniers en keukenprinsessen,
+die aan die tuinlieden het warme mokkavocht aanbieden, dat zij mede
+van den vochtigen mist des morgens genieten; maar gij, smaakt gij deze
+zaligheden? Ik vraag het u ten aanhooren uwer peluw en veêrenbedden,
+vlijt gij u in den zomermorgen op het bedauwde mostapijt of in uw
+kamperfoelieprieel onder den drop der twijgen neder?--Helaas! ook
+gij ontzegt u dat genot; aan u, wien de zwaan haar dons afstaat,
+onttrekt de kikvorsch zijn morgengekwaak; gij, die blijkens uwe
+spreijen en dekens alleen den zijdeworm protegeert, zult niet door
+den aardworm worden verwelkomd, wanneer hij bij het eerste licht zijn
+kop uit de vette aarde uwer bloembedden omhoogsteekt; voor u geen
+gonzen der muggen, die hunne vlerkjes uitspreiden in de stralen der
+ochtendzon en hunne bloedrijke ligchamen door hare nog matige warmte
+zachtjes laten koesteren; voor u geen gebrom van paardenvliegen,
+daar zij naar de weide trekken, om uwe fiere genetten te teisteren,
+en u uit hun vliegenhart grondigen dank toebrengen, dat zij, door uwe
+zucht tot kortwieken, geen redoutabele staarten te vreezen hebben; uw
+oog mag de eerste werkzaamheden niet aanschouwen der nijvere mieren,
+die, even als de Amsterdamsche kruijers, altijd met een pakje onder
+den arm loopen; en zelfs de rups kiest, in plaats van uw aangezigt,
+den harden grond, waarop zij nog dommelend van slaap van een boomblad
+nedervalt.--Neen, buitenlieden! evenmin als den stadbewoners, zijn
+u de schatkameren van genot geopend, die de morgenstond ontsluit;
+niet u, maar alleen den reiziger, den reiziger voor plaisir, is het
+vergund te staan klappertanden en beven, als de maan haar flaauwe
+schijnsel aan den aardbol onttrekt, en de zon haren gloed nog in de
+wateren des oceaans bluscht. Terwijl Aeolus zijnen minst gedruisch
+makenden, maar vinnigst aanvallenden Satelliet loslaat, die de wangen
+van den morgenstondgenieter verbleekt, zijt gij nog in donzen boeijen
+gekluisterd, en getuigen het uwe wangen, dat gij bloost over de banden,
+waarin Morpheus u verstrikt houdt. En als gij dan uit uwe slaapkamer
+de ontbijtzaal binnentreedt, hoe onaangenaam moet u dan het gezang
+van het bijna overkokende water in de ooren klinken, terwijl het
+den reiziger vergund is, kwartieren ja halfuren te wachten, eer zijn
+theewater begint te razen. Vroeg opstaan! vroeg opstaan! wie gevoelt
+ooit uwe genoegens dan de reiziger, de reiziger voor plaisir!
+
+En met dat al, het was laat, zeer laat, toen in het _Hôtel de
+Hollande_ Polsbroekerwoud en zijne vrienden in de gezelschapszaal
+bijeenkwamen. De vermoeijenissen van den vorigen dag waren voor
+allen zwaar geweest, en op een nacht gevolgd, meer geschikt om de
+oude krachten uit te putten, dan om nieuwe te doen ontstaan. Maar
+toen zij dan ook nu ten negen ure hunne slaapkamers verlieten, kon
+men het hun allen aanzien, dat zij zoo veel van de verkwikking der
+rust gejouisseerd hadden, als hun maar te genieten was aangeboden.
+
+Nu sloot ook Veervlug zich weêr bij zijn gezelschap aan, en stelde
+terstond met groote opgewondenheid zijn nieuwen bekende aan zijne
+oude vrienden voor.
+
+De persoon nu in questie, uit Darmstadt aangevoerd, was de Heer
+Van Aartheim, een jongmensch van omtrent vijfentwintig jaren. Hij
+had een heel gunstig voorkomen en eene fiksche houding, zonder dat
+evenwel de natuur, hem voortbrengende, gezegd kon worden, hem met
+angstige naauwkeurigheid naar 't model van den Apollo van Belvedére
+te hebben gevormd. Maar toch, wij zouden, indien wij zijn persoon
+wilden beschrijven, kunnen spreken van donkere lokken, hooggewelfde
+voorhoofden, deftige neuzen, geestige uitdrukkingen om den mond; maar
+vooral van oogen, wier blik zoo doordringend was, dat zij zoo maar door
+alles heen in het hart schenen te zien; wij zouden kunnen spreken van
+ranke leesten en fijne handen, van bevallige manier om zich voor te
+doen, en nog veel meer; maar wij laten dit nu daar. Pols vond, dat hij
+wel herinnerde aan het portret van den Heer Pieter Pieterszoon Hein,
+die hij uit Wagenaar's elfde deel kende; maar wij zouden misschien
+met even veel regt kunnen beweren, dat hij, als de eene droppel water
+op den anderen, op den Therese uit _the Byron Beauties_ geleek.--Hoe
+dit zij, het is hier genoeg, als wij vermelden, dat hij door zijne
+wijze van omgaan aan de vrienden aanvankelijk zeer goed beviel, en dat
+hij zich naar verschillende menschen en verschillende omstandigheden
+zeer goed scheen te kunnen schikken, daar hij te gelijk, als het ware
+onwillekeurig, op de eersten een heilzamen invloed uitoefende en van
+de laatsten de beste partij trok. Hij gebruikte de menschenkennis,
+die hij zich reeds vroeg vergaard had, meer om anderen nuttig te zijn,
+dan om hen te grieven en te beschamen, en scheen met de verkeerdheden,
+die hij bij zijne natuurgenooten opmerkte, door onpartijdige toepassing
+op zichzelven, zijn voordeel te doen; iets, dat ook het geval moest
+zijn met de smarten en teleurstellingen, die zijn deel waren geweest,
+en die hem misschien wel illusies hadden ontnomen, maar niet met
+bitterheid en wrevel hadden vervuld.
+
+Hij scheen tamelijk bemiddeld te zijn en alleen voor uitspanning te
+reizen; op dringend verzoek der vrienden, besloot hij hen eenigen tijd
+te vergezellen, daar ook hij den kant van Zwitserland heen wilde. Hij
+bedong zich evenwel de vrijheid, om hen, als het hem goeddacht,
+te verlaten, daar er misschien omstandigheden zouden kunnen zijn,
+die hem noopten, terstond naar Holland terug te keeren. De vrienden
+namen in deze conditiën genoegen.
+
+Men besloot den dag door te brengen met de omstreken van Heidelberg
+te bezoeken en de merkwaardige ruïnes van het slot in oogenschouw te
+nemen. Van Aartheim, die reeds vroeger meermalen deze streken bezocht
+had, kon hen hierin van veel dienst zijn, en zij vertrouwden zich
+dus geheel aan zijn geleide toe.
+
+De _Koningsstuhl_ is de hoogste berg van de keten, die zich achter en
+ten oosten van Heidelberg uitstrekt. Men kan, om dien te beklimmen,
+den loop der Necker volgen tot Neckargemund, en van daar langs den
+grooten weg, zelfs in een rijtuig, den top des bergs bereiken. Maar
+indien men de fatigues der wandeling kan verdragen, is de weg, die
+Van Aartheim de vrienden deed gaan, te verkiezen. Hij voerde hen naar
+de hoogte langs een smal voetpad, aan de linkerzijde bepaald door
+zwaar geboomte, dat, aan de helling groeiende, de kruinen boog naar de
+diepte, waar zich de Necker om den berg kronkelde. Aan de regterzijde
+verhieven zich donkere rotsen, die het voetpad beschaduwden en een
+weinig verder de achtermuren uitmaakten der landelijke hutten van
+Schlierbach. Hoe verder zij gingen, hoe hooger de rotsen werden,
+en hoe woester aanzigt de landstreek kreeg, totdat zij op eenmaal
+een zijpad insloegen, waar de steenklompen schenen vaneengescheurd,
+en een liefelijk en vruchtbaar dal voor hunne voeten lag uitgespreid.
+
+Het zou moeielijk zijn, de verrukking der vrienden te schetsen,
+die allen door dit onverwachte en schilderachtige tooneel getroffen
+waren. De meest verrukten maakten terstond van de woordekens _heerlijk_
+en _hemelsch_ gebruik; de opgewondensten aanschouwden het in stomme
+verbazing. Zij konden naauwelijks besluiten het standpunt te verlaten,
+van waar zij het geheele dal, rondom door hooge rotsen omsloten,
+konden overzien; en toch, zij daalden neder en wandelden op de groene
+grasvelden, met geurige en zacht gekleurde bloemen bezaaid, en door
+heldere stroomen, die in het gebergte ontspringen, doorsneden. Zij
+vlijden zich op den bemosten grond neder, onder de schaduw van het
+nog jeugdige geboomte, en gaven zich een geruimen tijd aan zoete
+mijmeringen over.
+
+"'t Is jammer, dat hier nergens een logementje is," zei eindelijk
+Pols, het lange zwijgen moede; "'t zou hier anders eene charmante
+gelegenheid zijn om in de open lucht het _diner_ te gebruiken. En in
+allen gevalle, het zou, dunkt mij, heel veel wandelaars lokken."
+
+"Maar ook zonder dat," zei Van Aartheim, "is deze plaats zeer
+gezocht. Het was van ouds de meest geliefde wandeling der Paltzgraven
+en keurvorsten; en vooral voordat de Oeconomische Directie hier het
+hooge geboomte, dat het dal omgaf, had doen omverhakken en verkoopen."
+
+"Dat was een beroerde streek van die Oeconomische Directie," gromde
+De Morder.
+
+"Toen," vervolgde Van Aartheim, "ging hier menig lijdende in
+eenzaamheid om, en vond in de schoone natuur dikwijls balsem voor
+zijne smarte (Holstaff zuchtte), maar zag men ook menig verliefd paar
+zóó door den invloed der schoone natuur betooverd, dat zij de geheele
+wereld buiten elkander vergaten."
+
+"Zoodat," glimlachte Torteltak,
+
+
+ "Indien dit bosje klappen kon,
+ Wat melde 't al vrijaadje?"
+
+
+"'t Is ook zelfs door de Duitsche romandichters met vrucht tot
+dergelijke _scènes_ gebruikt," zei Van Aartheim. "Mijnheer Holstaff
+zal misschien de geschiedenis van Clairant en Clare du Plessis wel
+kennen. Lafontaine laat hier heel wat met hen voorvallen."
+
+"Zoo?" vroeg Holstaff: "is dat hier? Hoe heet deze plaats dan?"
+
+"De _Wolfsbrunnen_," zei de ander.
+
+"Een weinig poëtische naam voor zulk een hemelsch oord," viel
+Veervlug in.
+
+"En aan den anderen kant misschien weêr wel," zei Van Aartheim. "De
+overlevering verhaalt ten minste, dat, toen de tooveres Jetta, die
+op den berg woonde, waar later het slot gebouwd werd, eens van hare
+hoogte afdwaalde en op deze plaats kwam, terwijl zij den gloed harer
+lippen in helderen vloed wilde verkoelen, door eene wolvin en hare
+jongen werd verscheurd. Ik hoop dat deze mededeeling u een weinig
+met den naam zal verzoenen."
+
+Na nog een weinig toevens zette men den togt naar den top des
+_Kaiserstuhls_ voort, en had gelegenheid op te merken, dat daar het
+uitzigt ruimer, maar op den minder hoogen _Geissberg_ aangenamer is;
+en toen men van daar langs den grooten weg naar den _Jettebühel_
+wandelde, om de _Schlossruïnen_ te gaan bezoeken, merkten niet alleen
+Pols, maar ook de andere vrienden met genoegen op, dat niet ver van
+daar gelegenheid was, om weêr eens op een houten stoel te zitten en
+iets anders dan bronwater te drinken.
+
+Ons gezelschap scheen in dit soort van _Wirthshaus_ volstrekt de
+aandacht niet te trekken van een menigte Heidelbergsche studenten,
+die bezig waren, zich in verschillende groepen onder 't gebruik van
+dunnen landwijn of dik bier te vervrolijken, maar wel die van drie
+Fransche reizigers, uit twee heeren en eene dame bestaande. De heeren
+schenen jong en waren beiden met weinig hoofdhaar versierd, maar met
+formidabele zwarte knevels gewapend. De dame was zeer rijk gekleed,
+en had misschien zelfs geene kosten gespaard aan een heel lief blosje,
+dat door hitte noch koude, door schrik nog vreugde werd veranderd,
+maar imperturbabel op hare wangen bleef wonen. Zij scheen niet meer
+heel jong te zijn, maar kon toch nog lang niet voor oud doorgaan;
+iets wat zij ook geenszins scheen te ambiëren. De schoonheid, die zij
+misschien vroeger bezeten had, was haar een weinig ontrouw geworden;
+maar levendigheid en gratie hadden haar nog niet verlaten. Naauwelijks
+hadden deze drie ons gezelschap in het oog gekregen, of hunne blikken
+begonnen hen te vervolgen en rustten voornamelijk op Pols; iets,
+waarover de goede man tamelijk confuus werd, vooral toen hij de dame
+tot een der heeren hoorde zeggen: "_C'est lui_." Hij begreep van het
+geheele geval volstrekt niets; want hoe hij zijn onschuldig geheugen
+martelde, hij herinnerde zich niet, ooit een dezer personen te voren
+gezien te hebben. Maar hierbij bleef het niet; weldra naderde een der
+heeren het gezelschap, en stortte een vloed van woorden over hen uit,
+waarin hij te kennen gaf, dat Heidelberg lief gelegen was, en de zomer
+een goed saizoen was om te reizen. Pols mengde zich eerst weinig in het
+gesprek; maar toen zij na eenigen tijd die plaats verlieten, om naar
+het slot te wandelen, en het Fransche gezelschap juist gelijktijdig
+tot hetzelfde doel opstond, wilde het toeval, dat de dame aan zijne
+zijde den togt begon. Hij rekende het nu zijn pligt, om het een
+of ander te zeggen, en in de conversatie, die volgde, gebruikte
+hij al de gezelschapsphrases, welke hij zich uit Pierre Marin kon
+herinneren. De goede dame scheen met deze pogingen tevreden, althans
+zij vergde hem niet, haar veel antwoord te geven, daar zij het discours
+zoodanig inrigtte, dat Pols met een hoofdknikken of een _vraiment!_
+kon volstaan. Hare conversatie scheen niet van aantrekkelijkheid
+ontbloot, althans het gelaat van onzen vriend werd hoe langer hoe
+vergenoegder; en toen zij, daar de weg iets steiler werd, zijnen arm
+greep, en hare vingeren nu en dan, niet zonder beteekenis, sommige
+zijner spieren drukten, werd het den goeden man zoo wonderlijk, dat
+zijne vrienden naderhand verklaarden, nooit meer glans op zijn gelaat
+te hebben gezien, dan toen hij zoo vertrouwelijk met de _Française_
+op den _Jettenbühel_ arriveerde.
+
+De zeer _gnädiger-Herr_-rijke en buigende portier was terstond
+bereid het gezelschap door de ruïnen rond te leiden. De standbeelden,
+eetzalen, kapellen, wapenzalen en muren van het oude slot werden met
+naauwkeurigheid bezigtigd, en het merkwaardige en niet merkwaardige,
+dat de gids mededeelde, met geduld aangehoord. Eindelijk kwamen zij ook
+aan den _dicken Thurm_ en den daaraan verbonden slotwal, waarvan de
+aanleg boven de steenklompen van het slot aan de hangende tuinen van
+oude tijden doet denken. Nog werpen daar de hooge lindeboomen hunne
+schaduw over de ingestorte muren; maar van de steenen omheining,
+die de oude _Elisabethsgarten_ omringde, zijn slechts wankelende
+overblijfsels te vinden.
+
+"Ik bezoek nooit dit punt," zei Van Aartheim, "zonder met weemoed
+te denken aan de ongelukkige Engelsche vorstin, voor wie de jonge
+en teedere gemaal hier den harden rotsgrond in een weligen lusthof
+herschiep."
+
+"O ja," viel de gids in; op dezen Eereboog staat het nog te lezen:
+
+
+ FRIDRICUS V ELIZABETHAE CONJUGI CARISSIMAE
+ A. C. MDCXV F. C.
+
+
+"En wat was haar lot?" ging van Aartheim voort. "Voordat nog de
+lusthof voltooid was, zwierven de echtelingen, reeds uit hunne staten
+verstooten, in vreemde landen om. In plaats van in dit prachtige slot
+van Heidelberg te heerschen, moest zij het nog den Staten van Holland
+danken, dat haar een nederige woning in Rhenen werd aangewezen."
+
+"In Rhenen?" riep Veervlug uit. "Ongelukkige Vorstin!"
+
+"_The ton, I'll see the ton!_" riep een Engelschman, die mede tot
+het gezelschap behoorde, ongeduldig.
+
+"En bleef zij altijd te Rhenen wonen?" vroeg Pols nieuwsgierig. "Dat
+is toch ook wel een lief plaatsje."
+
+"Zij trok nog naar haar vaderland, nadat zij 40 jaren balling was
+geweest en meer dan 30 jaren haren gemaal had beweend. Maar de
+ongelukkige dochter van James I was ook in Engeland niet welkom;
+en toch zij vond er een graf."
+
+"_The ton, the ton!_" riep de Engelschman, stampvoetende van ongeduld.
+
+Men verliet dus den _Elisabethsgarten_, en daalde in den slotkelder
+neêr; Pols nog altijd met zijne _Française_ aan den arm, en vol van
+kleine attenties voor haar, die zich zoo vrijwillig aan zijne zorgen
+had toevertrouwd. Daar zagen zij op eenmaal het monstervat voor hunne
+oogen, en hoorden tevens van den portier of deftigen toon verhalen:
+"Dit groote vat is een wereldberoemde merkwaardigheid." Het zou
+gepast zijn geweest, indien het gezelschap zich door deze uitspraak
+had laten imposeren; maar geen hunner kon nalaten het gezigt van
+zulk een vat bespottelijk te vinden, en in een dwaas gelach uit te
+barsten. Dat effect schijnt het te hebben op de meeste pelgrims, die
+het tot het doel hunner bedevaart maken. De ongeduldige Engelschman
+evenwel lachte niet, maar keek _the ton_ eenige oogenblikken strak
+aan; zette toen een kruisje in zijne reisportefeuille achter dit
+opgegeven merkwaardige punt, en keerde zich met een _very well_ om,
+zich haastende den kelder weêr te verlaten.
+
+"Uw landgenoot schijnt spoedig tevreden," merkte de _Française_ aan,
+zich tot Pols wendende.
+
+"Hij is mijn landgenoot niet," antwoordde deze, "want ik ben een
+Hollander."
+
+"Hoe!" riep de dame, op eens zijn arm loslatende: "dat is een
+schandelijk bedrog."
+
+"Dit vat werd op last van den Keurvorst Karl Thedor gebouwd, en is
+nu niet gevuld...." vervolgde de portier op zijnen ouden toon.
+
+De _Française_ vlugtte tot hare oude _cavaliers_, en riep hun toe:
+"_Mais ce n'est pas Milord._"
+
+"Maar kan 236,000 flesschen wijn bevatten," ging de gids voort.
+
+Pols keek verbaasd. Hij wist naauwelijks, welk gezegde hem gold. Hij
+begreep niets meer van de zaak.
+
+"Mijnheer!" sprak een der Fransche heeren, zijn zwarten knevel vinnig
+opstrijkende: "gij hebt het vertrouwen van mijne nicht schandelijk
+misbruikt en u laag gedragen."
+
+"Hoe? wat? ik?" riep Pols in toenemende verbazing.
+
+"Mijnheer! ik eisch 1000 _francs_ schâvergoeding voor de beleediging,
+mijne familie aangedaan."
+
+"Maar, Mijnheer! het is duidelijk dat gij u vergist."
+
+"Wij spreken hier van geen vergissen. Zoo als ik zeg, 1000 _francs_
+schâvergoeding of een _duel à mort_. Gij hebt de keus."
+
+Dit was te veel voor Pols. Hij verloor zijne gewone bedaardheid. Hij
+hief zijn vuist op, en als hij een degen was magtig geweest, hij zou
+den uitdager doorregen hebben. Van Aartheim kwam tusschenbeiden. Hij
+verzocht Pols zich een oogenblik te calmeren; en zich met de Franschen
+een weinig verwijderd hebbende, fluisterde hij hun eenige woorden toe,
+waarop de twee heeren verbleekten, en de dame wel schrikte, maar niet
+bleek werd. Zonder een blik verder op Pols of de andere vrienden
+te durven slaan, spoedden zij zich, om den kelder te verlaten. De
+buigende portier liep hen na, en verzocht beleefd om een fooitje.
+
+"_Va te faire pendre!_" brulde een der heeren hem toe, zijn knevel
+woedend opstrijkende.
+
+De portier sprong van schrik drie schreden achteruit.
+
+Daar was een geruime tijd noodig om Pols weêr tot bedaren te brengen;
+maar toen kon hij zich niet weêrhouden te zeggen: "Ik begrijp mij
+volstrekt niet, hoe zoo'n meisje met zulke lomperts reizen kan!"
+
+De vrienden glimlachten. "Maar hoe hebt gij zoo op eens de gevaren
+van het hoofd van onzen waardigen Pols afgewend?" vroeg Veervlug aan
+Van Aartheim.
+
+"Ik had het plaisir gehad die personen nog eens te ontmoeten,"
+antwoordde deze. "Hieraan heb ik hen herinnerd, en hun te gelijk
+geraden, om maar zoo spoedig mogelijk te zien over de grenzen te
+komen."
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV.
+
+ De reizigers bezoeken twee badplaatsen. Op de eene maakt Pols
+ eene schitterende vertooning; op de andere blijft hij geheel
+ onopgemerkt.
+
+
+Men raadt iedereen, die een Rijnreisje maakt, aan, om toch vooral
+veel gebruik te maken van retourrijtuigen. Onder de voordeelen,
+die deze manier van reizen aanbiedt, somt men op, dat het nagenoeg
+geen geld kost, en dat men niet zoo onbesuisd het land doorholt
+als in eene diligence en per post, maar alles op zijn gemak kan
+opnemen. Dit laatste vooral zal wel niemand tegenspreken. De
+retourrijtuig-voerlieden verstaan meesterlijk de kunst, om hunne
+paarden in zeer bedaarden tred te houden; en om hunne passagiers
+zooveel mogelijk afwisseling en genot te verschaffen, vergunnen
+zij hun, om bij het opklimmen van bergen naast het rijtuig voort
+te wandelen, en zelfs nu en dan zich op het gras neêr te vlijen,
+wanneer zij zuinigheidshalve niet aan logementen, maar midden op den
+weg, hunne paarden een voêrtje geven. De genoegens, die deze manier
+van reizen aanbiedt, zijn dus menigvuldig en de raad van ervaren
+reizigers hieromtrent dient door die van mindere ondervinding te
+worden opgevolgd; te meer daar, volgens de opgave van sommigen, de
+gelegenheid zich zoo dikwijls voordoet, dat de Duitsche rijtuigen
+bijna nooit andere dan retourreizen schijnen te maken.
+
+Het was na lange en vermoeiende nasporingen, dat ons reisgezelschap
+eindelijk van een dier gelegenheden, die zich van zelve voordoen,
+kon profiteren. Een koetsier van Rastadt bood zijne calèche aan,
+om het zestal van Heidelberg naar Baden-Baden te voeren voor omtrent
+denzelfden prijs, dien men voor een postrijtuig betaalt. De wagen was
+breed, de paarden waren smal, en de koetsier vrolijk; dus besloot men
+dit aanbod niet van de hand te wijzen, en men verliet in den vroegen
+morgen de oude Akademiestad.
+
+Het was een schoone zomerochtend. De zon scheen in vollen glans aan
+den helderblauwen hemel; ongestoord stortte zij haren gloed op het
+frissche groen uit; verkwikkend was hare warmte na de koelte van den
+nacht; overal, waar haar licht doordrong, verhelderden de kleuren, en
+scheen een nieuw leven te ontstaan; en ook op de langzaam voortrollende
+reiscalèche oefende zij haren invloed uit. Schilderachtig vooral was
+haar effect op het bruinverbrande gelaat van Pols; als gepolituurd
+mahonyhout glommen zijne wangen, en de geleende glans deed zijne oogen
+schitteren. Gemakkelijk drukte hij zich in een hoekje van het rijtuig;
+en zijne genoegelijke gewaarwordingen op den lieven zomermorgen,
+na een weldoorgebragten nacht en een genuttigd _frühstück_, stemden
+hem tot een aangenaam peinzend stilzwijgen; totdat hij eindelijk het
+resultaat zijner bespiegelingen in deze woorden uitte: "Wat heeft
+men toch al aangename afwisselingen op reis!"
+
+"Dat dacht ik eergisteren ook," zei Torteltak, "toen ik je aan den
+rand van den vijver den mac-intosh aantrok."
+
+"Toen hadt je omtrent even aangename afwisseling," viel Veervlug in,
+"als de dief, toen hij eerst gegeeseld en daarna gebrandmerkt werd."
+
+"Wat loopen die paarden weêr beroerd langzaam!" riep de Morder.
+
+"Dan hebben wij lang genot voor ons geld," grinnikte zijn buurman.
+
+"Voort, dat jonge goedje! hu, piassen!" riep de koetsier op vrolijken
+toon tot twee eerwaardige grijsaards, die volstrekt niet in zijne
+opgewondenheid schenen te deelen, en zich weinig in hunne carrière
+als paarden te verlustigen.
+
+"Maar wij hebben immers zoo'n groote haast niet," zei Van Aartheim,
+om De Morder wat tevreden te stellen; "wij kunnen toch gemakkelijk
+vóór den avond te Baden aankomen, en zullen in de vrije lucht toch
+wel meer jouïsseren, dan in een volgepropt logement. En levert deze
+route niet een groote verscheidenheid van schoone gezigtspunten op?"
+
+"Ja, 't is charmant," zei Pols; "'t zou mij niet kunnen schelen,
+om zoo'n mooien weg te wandelen."
+
+Juist reed men tegen eene vrij aanzienlijke hoogte op, hoewel hier
+anders de landstreek niet bijzonder bergachtig is. De koetsier,
+misschien de aanmerking van Pols verstaan hebbende, misschien ook uit
+eigene beweging den heeren eene attentie willende bewijzen, proponeerde
+hun om een eindwegs naast het rijtuig voort te stappen, en sommigen
+gaven aan deze uitnoodiging met vreugde, anderen morrende gehoor.
+
+Ook "het jonge goedje" scheen dit uitstapje niet onaangenaam te
+wezen. Met luchtiger tred gingen zij voor het rijtuig voort, nu en
+dan de groep reizigers van ter zijde met eene uitdrukking op het
+gelaat aanziende, alsof zij zeggen wilden: "Als die er allen inzaten,
+verwondert het ons niet meer, dat het vrachtje zwaar was."
+
+"Voort, die Turken!" riep het koetsiertje, als de dieren, in gepeins
+verzonken, vergaten hunne pooten te verzetten, en om hen wat te
+vervrolijken, zong hij hun eenige zijner liedjes voor, waarin hij
+onuitputtelijk scheen.
+
+
+ "Nicht zu reich und nicht zu arm,
+ Nicht zu kalt und nicht zu warm,
+ Nicht zu gross und nicht zu klein--
+ Kein's von diesen möcht' ich seyn."
+
+
+"Dat is wel een aardig liedje," zei Pols; "wie heeft dat gemaakt?"
+
+"Gemaakt?" vroeg het boertje verwonderd; "wel, ik heb het van mijn
+vader geleerd."
+
+"'t Is zeker van eene soort van Maatschappij tot Nut van
+'t Algemeen," zei Pols tot Torteltak.
+
+"Zoudt gij dat denken?" zei deze; "de toon is toch wat populair."
+
+"Hu, hu, voort! daar komen de Kozakken!" riep de koetsier zijne
+paarden toe. Deze hadden misschien vóór vijfentwintig jaren en onder
+andere omstandigheden op deze incitatie den gezwinden pas aangenomen;
+nu evenwel bepaalden zij zich tot een zeer gematigden tred.
+
+Men had de hoogte bereikt, en klom weêr in het rijtuig: de Morder
+met het vaste voornemen, om, al moesten zij nu den _Mont blanc_
+overrijden, niet weêr uit te klimmen; de anderen moede en warm, maar
+toch opgeruimder. Men passeerde weldra Mingolsheim, en Holstaff raakte
+in verrukking, toen hij het lieve kerkhof aldaar ontdekte. Hij vroeg
+aan het boertje, of hij daarop geen toepasselijk liedje kende. Deze
+antwoordde, dat hij niet wist, wat hij daarmeê bedoelde, maar dat
+hij nog wel een liedje wou zingen. Hierop begon hij met heldere stem:
+
+
+ "Schön ist mein Mädchen,
+ Schlank wie ein Dräthchen,
+ Fein wie ein Fädchen
+ Wonnig und warm."
+
+
+"Ik wou, dat ik het hem niet gevraagd had," zei Holstaff, door dit
+begin teleurgesteld.
+
+"Ik vind het heel aardig," zei Pols.
+
+"Misschien wordt het straks wel treuriger," troostte Veervlug.
+
+
+ "Mir in das Leben
+ Freude zu weben,
+ Ward sie gegeben
+ Mir in den Arm."
+
+
+ging de zanger voort.
+
+"Dat draait al wat naar het sentimentele," zei Torteltak.
+
+"Wacht maar!" zei Veervlug: "'t is een echt Duitsch liedje; straks
+zal de doodgraver zijn werk ook wel krijgen."
+
+Het boertje ging voort:
+
+
+ "Ursel im Röckchen,
+ Rund wie ein Glöckchen,
+ Springt wie ein Böckchen
+ Fröhlich im Tanz."
+
+
+"Dat heb je vast op je liefje gemaakt!"
+
+"Ik plagt het haar ten minste dikwijls voor te zingen, voordat wij
+trouwden, en toen zij nog zoo'n dampige knol niet was."
+
+"Wat meent ge daarmeê?" vroeg onze vriend verwonderd.
+
+"Wel wat anders, dan dat ze, of het koud is of warm, altijd ligt te
+hoesten of te fniesen. Zij kan geen twee uren staan spaden, of ze is
+heel uit haar adem en droezig."
+
+"Dan zal ze ook nu niet meer springen _wie ein Böckchen_," merkte
+Veervlug aan.
+
+"Zij heeft nu wel wat anders te doen dan dansen. Met der haast moet
+zij aan 't maaijen. Maar van dien kant had ik 't wel beter kunnen
+treffen; want als ik nu en dan niet een handje help, komt de oogst
+slecht binnen."
+
+"Ik merk," zeide Torteltak, "dat de levenswijs der dames hier niet
+bijzonder comfortable is."
+
+"Neen, waarlijk niet," antwoordde Van Aartheim: "hoe verder men in
+dit land komt, hoe meer men verstomd staat over den zwaren arbeid,
+dien de teedere sekse moet verrigten; terwijl het sterkere geslacht
+met pijpenrooken en slapen den tijd doorbrengt.
+
+
+ "In den gindschen elzenschaâuw
+ Ligt de maaier, mat en flaauw."
+
+
+Maar 't is eigenlijk meer loomheid dan matheid; en met de vrolijkheid
+en frischheid der vrouwen is 't juist niet precies zoo als bij den
+dichter:
+
+
+ "'t Meisjen veegt met purpren handen,
+ Gloeiend van het zonnebranden,
+ 't Druipend voorhoofd lachend droog.
+ Laat de lucht haar frischheid rooven,
+ Fier van aan zijn zij' te sloven,
+ Raapt zy aren, bindt zy schoven,
+ Het genoegen in het oog."
+
+
+"Mijnheer schijnt ook liedjes te kennen," zei het boertje; "'t spijt
+mij, dat ik het niet best begrijpen kan."
+
+Men was intusschen aan Langenbrücken genaderd, en daar het twaalf
+ure was, en de zon nog steeds het rijk alleen had, door wind noch
+wolken op zij gestreefd, besloot men een uurtje de koelte te zoeken,
+en stapte in een logement af, om het _diner_ te gebruiken. Na afloop
+des maaltijds, waaraan ook de koetsier, niet uitsluitend opgewonden
+voor den heerlijken "_Kartoffeln Magenpflaster_", en niet bevreesd dat
+"_Pasteien und Leckerbrod_" hem spoedig in het graf zouden helpen,
+had deelgenomen, was den vrienden eene groote verrassing bereid. Zij
+vernamen van den _Gastgeber_, dat Langenbrücken eene zeer beroemde
+badplaats was, waarheen men van heinde en ver toestroomde, en dat
+de wateren van het Amaliënbed op gezonden en zieken den heilzaamsten
+invloed uitoefenden. Bij nader onderzoek bleek het inderdaad, dat de
+kastelein niet te veel gezegd had: de badwateren zijn, in den volsten
+zin des woords, in de meeste gevallen onschadelijk; de Amaliënbron
+levert een vocht op, dat zelfs door de naauwkeurigste proevers
+beschouwd werd als geheel overeenkomende met gewoon koud water, tot
+dat de zeer geleerde Heer Siegel, eenige jaren geleden, ontdekte,
+dat dit vocht, na eenige uren door de middagzon beschenen te zijn,
+laauw werd; dat het, op saffraan gegoten, eene gele kleur aannam;
+en zelfs door de vermenging met een weinig suiker eenen zoetachtigen
+smaak verkreeg. Naauwelijks had gemelde Heer deze eigenschappen
+ontdekt, of hij besloot met dit bijzondere water eenige proeven te
+nemen. Hij liet het een vriend gebruiken, die sedert geruimen tijd
+aan rheumatiek in den arm geleden had, en die tevens op raad van een
+anderen doctor het pijnlijke lid geheel met watten had omwonden. En
+waarlijk, na weinige dagen had het heilzame water effect: de lijder
+gevoelde veel minder pijn; het was of het vocht hem den arm verwarmde,
+en hij kreeg er langzamerhand het gebruik van terug. Op gelijke wijze
+wendde hij het aan bij eene vrouw, die door hevige koortsen geteisterd
+werd, en deed het haar, gemengd met _sulphas quininae_, gebruiken;
+en ziet, in korten tijd verliet haar de koorts. Hierbij liet het de
+warme menschenvriend niet; waar hij hoorde van ziekten en kwalen,
+zond hij kruiken vol van het weldadige vocht; en de kastelein uit _de
+Zon_ te Langenbrücken, om ook van zijne zijde iets goed te beproeven,
+adverteerde, dat in zijn hotel kamers zouden worden afgestaan aan
+hen, die op de plaats zelve de badkuur wilden ondergaan. Nu stroomden
+de rheumatieken en koortsigen, wel van zes mijlen in het rond, toe;
+en toen eenigen tijd daarna bij de bron een _Conversationshaus_ was
+aangebouwd, aarzelden ook de betrekkingen der lijders niet meer om
+hen te vergezellen, en ondervonden ook de gezonden, dat het badwater,
+met goeden Rijnwijn aangelengd, eene zeer verfrisschende, en met
+Franschen brandewijn vermengd, zelfs eene vervrolijkende kracht had.
+
+Ons reisgezelschap vond het gepast de courzaal in oogenschouw te gaan
+nemen. Het was in het drokste van 't saizoen; vijfendertig reizigers
+stonden op de badlijst ingeschreven, waarvan de meesten zich nu
+in de zaal bevonden. De aankomst van zes nieuwe gasten verwekte
+er opschudding. Hun uiterlijk scheen te imposeren; want de heeren
+verwelkomden hen met veelvuldige buigingen; de dames raadpleegden
+den spiegel omtrent den toestand harer lokken. De vrienden, reeds
+gewoon aan het zien van courzalen en aanzienlijke gezelschappen,
+waren niet bijzonder getroffen door den aanblik eener kamer van
+vijfentwintig voet in het vierkant, opgevuld met menschen, aan wier
+geheel uiterlijk en voorkomen bleek, dat geen hunner aan het Hof
+was gepresenteerd. Zij zagen er bejaarde heeren, gevormd naar het
+model van den achtkanten boer; dames, wier vingeren met denzelfden
+blos prijkten, die haar de wangen sierde; jongelieden, die, door met
+de handen in den zak te loopen en te fluiten, toonden dat zij zich
+op hun gemak bevonden; kinderen, die hunne veelkleurige tandjes op
+raauwe wortelen exerceerden, en die, bij gelegenheid der badreize,
+zich zoover in het Fransch hadden geoefend, dat zij, zonder veel fouten
+in de uitspraak te maken, _Papa_ en _Maman_ konden zeggen. Al deze
+personen bewogen zich in het met bont papier behangen vertrek, waren
+dagelijks in hunne feestkleederen en gelegenheidsaangezigten gedost,
+courtiseerden en coquetteerden, rookten en dronken likeuren; het eerste
+op wat gedwongen manier, het laatste meer natuurlijk. Eene soort van
+bak met muzieklessenaars, aan den zolder hangende, deed vermoeden,
+dat er somtijds gedanst werd; een zwart bord met nommers, in een hoek
+der zaal, waarbij een oud man met eenige _thalers_ en een schopje
+zat, toonde aan, dat ook aan de speelwoede kon worden toegegeven; en
+indien men eenige kleinigheden over het hoofd wilde zien, moest men
+toestemmen, dat deze menschen hier allerliefst badplaatsje speelden.
+
+"Doet Mijnheer ook aan 't snuiven?" sprak een zwaarlijvig heer, in een
+zeer uitvoerigen donkergroenen jas en witte pantalon met plooijen,
+tot Pols, terwijl hij hem eene ebbenhouten snuifdoos voorhield,
+omtrent van de grootte van een beschuittrommeltje.
+
+"Met plaisir," zei onze vriend, en na den fijnen tabak met zijne
+reukzenuwen in kennis te hebben gebragt, voegde hij er heel goedig bij:
+"dat is waarlijk een lekker snuifje."
+
+"Neem dan nog eene prise," zei de dikke heer, de ebbenhouten kist op
+nieuw openende; "'t is u van harte gegund."
+
+"Dankje wel; ik wil liever straks nog eens terugkomen."
+
+"Als Mijnheer eens stoppen wil," zei dezelfde heer tot Torteltak,
+"ik heb voorraad van tabak." En om dit te bewijzen, bragt hij uit
+zijn jaszak eene verlakte doos voor den dag, die men op den eersten
+aanblik voor een koffijtrommel zou hebben gehouden.
+
+"Ik dank u, Mijnheer!" antwoordde deze; "ik heb mijne pijp in 't
+rijtuig gelaten."
+
+"O, dat is niets," viel de gulle Duitscher in; "ik zal u de mijne
+wel leenen.--_Kellner!_ krijg mijn oliekop eens!"
+
+"Dankje waarlijk, gij zijt veel te goed," zei Torteltak
+haastig. "Eigenlijk rook ik maar heel zelden."
+
+"Wat heeft Blacken toch eene gemakkelijke manier om kennis te
+maken! wat is hij nu weêr familjaar met die vreemde heeren! je kunt
+zien, dat hij veel met groote lui heeft verkeerd," zei de spichtige
+gade van den gullen heer, met zekeren trots, tot hare buurvrouw.
+
+"Dat is wel waar," antwoordde Juffrouw Glimbaum, minnelijk knikkende.
+
+Juffrouw Blacken stond op, en noodigde hare dochters, twee schrale
+blondines in 't lichtgroen (groen scheen de onderscheidene kleur der
+familie), om eens door de zaal te wandelen, daar zij iets aan Papa
+te vragen had.
+
+"'t Is bespottelijk, zooveel als zij zich laat voorstaan op haar man,"
+zei juffrouw Glimbaum aan een _dandy_ met eene roozenroode das en
+hooggeel vest. "Hij spreekt de groote lui ook niet, dan wanneer hij
+ze voor hun doodkist komt meten. Ik schaam mij eigenlijk om met die
+vrouw te converseren."
+
+De _dandy_ stak zijn linkerhand in zijne vestjeszak, omtrent zoo als
+de acteur Schouten doet, als hij voor een groot heer speelt, en zeide
+zeer lieftallig glimlachende: "_Ma foi_, Mevrouw! u hebt wel gelijk,
+men moet zich niet encanailleren."
+
+Hun gesprek werd hier gestoord door den Heer Glimbaum, die van zijne
+dagelijksche wandeling naar zijne woning te Bruchsal terugkeerde.
+
+"Hoe gaat het, lieve?" vroeg zijne vrouw: "hebt gij een aangenaam
+tourtje gemaakt?"
+
+"Kapitaal, wijfje! maar een drukke morgen;--achttien baarden geschrapt
+en zes koppen geknipt."
+
+De _dandy_ verliet neuriënde het echtpaar, om de dochter van den
+Bruchsalschen torenwachter zijn hof te gaan maken.
+
+Veervlug was terwijl aan de speeltafel genaderd, en getuige dat een
+aantal kreutzer-en driekreutzer stukken op nommers en kleuren werden
+gezet. Hij mengde zich onder de spelers, en wekte aller verbazing
+door de gelatenheid, waarmede hij zijn verlies droeg. De fortuin
+was hem niet gunstig, en hij verloor in acht keeren omtrent twaalf
+stuivers. Maar het was voor Pols weggelegd, om hier een schitterend
+figuur te maken. Opmerkende, dat men op deze wijze van spelen niet
+licht gevaar liep zich te ruïneren, waagde ook hij drie kreutzers. Het
+geluk diende hem: hij won--verdubbelde--won meer en meer. Hij kreeg
+een geheelen stapel klein geld voor zich.--"Mijnheer is ongehoord
+gelukkig!" riep de oude Blacken in verbazing.--"Ongehoord!" herhaalde
+de bankier angstig. Pols werd geanimeerd; zijne winst was reeds grooter
+dan de kas der bank. "_Va banque!_" riep hij op eens, al het geld
+op _rouge_ plaatsende. De dames Blacken gaven ieder een gil--"_onze,
+rouge!_" zei de bankier, met wanhoop de geheele kas voor onzen vriend
+uitstortende.--"Ik krijg zes kreutzers," riep eene dame, die nog in 't
+geheel niet meêgespeeld had; "ik heb immers ook op _rouge_ gezet." Pols
+maakte hierop geen captie. Hij schonk haar edelmoedig de gevraagde som.
+
+Sedert den merkwaardigen dag, waarop de Heer Siegel zijne ontdekking
+omtrent de kracht der Amaliënbadwateren maakte, had er zeker in
+Langenbrücken nooit zulk een belangrijk voorval plaats gehad als
+heden. Al de badgasten verzamelden zich om Pols, die even verbaasd
+scheen als de anderen, en naauwelijks begreep, dat hij de held was van
+de partij. Voor hem lag de massa geld uitgespreid; de som beliep meer
+dan zeven Pruisische _thalers_. "Dat is toch waarlijk zonderling,"
+zei hij tot De Morder; "ik had er volstrekt geen gedachte op."--"Dat
+zult ge altijd zien," zei deze; "maar ik had eens moeten spelen,
+dan was het wel anders geloopen."--"Maar wat zullen wij met dat
+geld aanvangen?" vroeg Pols aan Veervlug. Deze wist er raad voor:
+hij bestelde eenige flesschen goeden Rijnwijn. Al de glazen, die in
+het buffet te vinden waren, werden volgeschonken. Ieder der badgasten
+liet zich den aangeboden drank goed smaken; de bankier alleen trok
+een gezigt, alsof hij er eenige zuurheid in ontdekte. En toen nu
+het zestal, na nog eenige oogenblikken vrolijk in de zaal te hebben
+doorgebragt, in het hen wachtende rijtuig stapte, bejammerden de
+meesten der badgasten het zeer, dat zulke heeren hen zoo kort hun
+aangenaam en onderhoudend gezelschap gunden.
+
+
+
+Bijna gelijktijdig met de zon hadden onze reizigers den togt van heden
+volbragt. In vrolijke en aangename gesprekken waren hun de laatste
+uren voorbijgegaan. Het genoegen, in korte oogenblikken in het kleine
+Langenbrücken gesmaakt, scheen een gelukkig voorteeken voor hun langer
+verblijf in de groote badplaats. Met verlangen zagen zij dus, van dat
+zij Rastadt achter zich hadden gelaten, naar de liefelijke vallei uit,
+waar "_die freundliche Najade die heil'gen Fluthen ausgieszt_," en
+waar honderden baat komen zoeken tegen allerlei kwalen, duizenden
+tegen de verveling, misschien de ergste en ongeneeslijkste van
+allen. Eindelijk ontdekten zij, wat hun oog zocht: het vruchtbare
+dal, door heuvelen omringd, en van den smallen stroom doorsneden,
+die de vervallen woningen der inboorlingen van de nieuwe hotels en
+prachtige lusthoven der vreemdelingen afscheidt.
+
+Het was in 't best van den tijd; dus waren van alle kanten
+vreemdelingen toegesneld. Met verrukking staarden de vrienden op de
+luxe van wandelaars en equipages, die door het schoone avondweder naar
+buiten waren gelokt. Voordat zij in hun logement aankwamen, had Pols
+opgemerkt, dat er hier heel wat geld verteerd werd; Holstaff, dat er
+vrij wat meer gezonde dan zieke badgasten moesten wezen; Torteltak, dat
+er een schat van mooije oogen en delicieuse figuurtjes te vinden was;
+de Morder, dat het veel te vol was om plaisir te hebben; en Veervlug,
+dat men zich te Baden niet alleen in bronwater, maar ook in allerhande
+genoegens kon baden.
+
+Op van Aartheim scheen het gezigt van al dat schoon geenszins den
+indruk te maken, die het bij de overige heeren verwekte. Met weinig
+belangstelling sloeg hij het gewoel der menigte gade. Reeds sedert een
+paar uren was hij stil en afgetrokken geweest, en scheen hem zijne
+gewone opgeruimdheid te hebben verlaten. Pols had hem nu en dan al
+een weinig pogen op te beuren, door hem te vragen, of hij hoofdpijn
+had, of het soms ook togtte, en dergelijke zaken meer. Van Aartheim
+had verklaard, dat hij zich volkomen wel gevoelde; daar moest dus
+iets zijn, dat hem hinderde. De reis kon het niet wezen; want hij
+was het zelf geweest, die er zoo zeer op had aangedrongen, om toch
+heden te Baden aan te komen. Van tijd tot tijd sloeg hij de een of
+andere groep onrustig gade, als hoopte of vreesde hij iemand aan te
+treffen; en toen men nu in het Hotel _Zum Zäringer Hof_ was afgestapt,
+verliet hij hen terstond, om eene dringende commissie te verrigten;
+doch weinige minuten later kwam hij blijkbaar teleurgesteld tot hen
+terug. De vrienden verdiepten zich in gissingen, wat er toch met hem
+op handen was. Pols dacht, dat hij misschien een verwachten wissel
+niet gevonden had; Holstaff, dat er op het Badensche kerkhof welligt
+een zijner vrienden begraven lag; de Morder, dat zijn geweten hem de
+een of andere kwade daad verweet; Torteltak, dat hij eene ongelukkige
+liefde koesterde; Veervlug, dat hij eenvoudig in een knorrige bui
+was. Men besloot eindelijk, omdat men niet anders kon, de oplossing
+van dit raadsel geduldig van den tijd te verwachten.
+
+Men bezocht nog dienzelfden avond de courzaal, en zag het gewone
+personeel van eene badplaats aldaar vereenigd: oude heeren, die
+zich in een continuëlen roes van Bourgogne en Champagne tot den dood
+voorbereiden; jonge meisjes, die in de balzaal tot huismoeders gevormd
+worden; jongelingen, die proeven nemen, tegen hoevele aanlokselen
+de deugd van eenvoudige landmeisjes bestand is; en bejaarde dames,
+die de huwelijksgift harer dochters aan de inhalige schopjes der
+_croupiers_ blootgeven. Deze personen gaven den toon aan; men moest
+zich verwonderen, geene Bertrams te zien, die de Roberts tot de
+verschillende soorten van zonden aanzetten, die hier met volkomen
+vrijmoedigheid gepleegd worden, en had, om ook heiligschennis te zien,
+slechts tot den Sabbat te wachten, wanneer de losbollen de vrome
+kerkgangsters in hare devotie zoeken te storen; waarop men, om de
+verveling van den dag des Heeren te verdrijven, dubbel gelegenheid
+verkrijgt om den Mammon te dienen; wanneer de bedwelming des wijns
+de gerekte gastmalen veraangenaamt, en de Italiaansche schoone ook
+nog het gaas afrukt, dat haar den boezem bedekte, terwijl de Fransche
+_danseuse_ hare weelderigste passen uitvoert, om zelfs de zuiverste
+verbeelding te bezoedelen, en wanneer de leer:
+
+
+ "Chaque faute est un plaisir,
+ Et l'on a pour s'en repentir
+ Le temps ou l'on n'en peut commettre."
+
+
+luid en met toejuiching gepredikt wordt.
+
+Gewis, het is nuttig, deel te nemen aan de genoegens, die eene
+badplaats aanbiedt. Haar invloed op de redelijke en zedelijke vorming
+van den mensch moet heilzaam zijn. Men leert die verouderde begrippen
+afleggen, dat het verkeerd is om zijne driften bot te vieren; men
+keert van daar terug, genezen van het vooroordeel, dat deugd alleen
+waarachtig genot geeft; men leert begrijpen, dat men op de wereld
+geplaatst is om de wereld te dienen; men beklaagt de dwazen, die
+zich in zelfverloochening pijnigen en elders vreugde en zaligheid
+zoeken, zoolang ze nog op de aarde te vinden zijn; en wanneer men,
+na eene goedgelukte badkuur, aan eene welvoorziene tafel in het
+_Conversationshaus_ te Baden neêrzit, en 's avonds in een wulpschen
+dans eene dartele schoone in zijne armen drukt, haalt men de schouders
+op over den bekrompene van geest, die in ouden tijd, gereinigd uit
+de badwateren van Bethesda opklimmende, terstond zijne schreden naar
+den Tempel des Heeren rigtte.
+
+Het was ongelukkig voor onze vrienden, dat zij niet liberaal genoeg
+opgevoed en niet diep genoeg in den geest der wereld doorgedrongen
+waren, om zich terstond met vrijmoedigheid in de armen van dit
+schuldeloos genot te storten. Na een paar uren in de zaal te hebben
+doorgebragt, was het sommigen hunner benaauwd geworden; zij zochten
+de vrije lucht; anderen verklaarden openhartig, dat zij tegen zoo
+veel verleiding niet bestand zouden wezen; Torteltak betuigde,
+dat hij geen acht dagen in deze omgeving zou willen doorbrengen,
+zonder de vergunning om aan alle kwaad toe te geven, en zoo slecht
+te zijn, als hij zou willen; van Aartheim, dat hij ieder jong mensch
+bewonderde en benijdde, die met de hand op het hart kon verklaren,
+dat al deze aanlokselen niets op hem vermogten.
+
+Men besteedde de twee volgende dagen, die men te Baden-Baden doorbragt,
+met uitstapjes in het _Mourgthal_ en met een bezoek naar het _Neue_
+en _Alte Schloss_, en schepte meer behagen in de trotsche ruïnes van
+het laatste, dan in de mesquine inrigting van het eerste. Van Aartheim
+verliet hen beide avonden terstond na hunne terugkomst, en kwam telkens
+zeer laat uit het _Hôtel d'Angleterre_ terug. Hij was overigens zeer
+geheimzinnig in deze uitstapjes, en welligt zouden sommigen er een
+verkeerden uitleg aan hebben gegeven, zoo niet Holstaff hun berigt
+had, dat hij hem in de duistere wandellanen was tegengekomen, in een
+zeer druk en geanimeerd discours met een lang en mager heer, waarvan
+hij niets had verstaan, dan dat het in 't Engelsch werd gevoerd.
+
+Wij hopen, dat de vrienden later omtrent deze geheimzinnige handelwijs
+van Van Aartheim nadere inlichting zullen bekomen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV.
+
+ De tour door het Schwartzwald. Pols maakt kennis met Engelsche
+ dames bij onweder, en met Ohlsbachsche bij feestmuziek.
+
+
+De groote route van Baden-Baden naar Zwitserland loopt midden door
+het steile gebergte en de donkere bosschen van het Schwartzwald,
+dat een weinig noordoostelijk van Baden bij Pforzheim begint, en
+door den Rijn tusschen Schaffhausen en Bazel begrensd wordt. Wanneer
+men een beminnaar is van woeste natuurtooneelen, niet tegen zware
+vermoeienissen opziet, en niet al te veel gewoon is aan de comfortable
+logementen van den Rijn en in Zwitserland, kan men hier met genoegen
+en vrucht eenige weken doorbrengen; men kan kale rotsen beklimmen,
+en van daar langs gedruischmakende bergstroomen naar digtbegroeide
+valleijen neêrdalen, waar men altijd overvloed van zwart brood
+tot voedsel vindt, en de aarde genoeg met mos is begroeid, om voor
+vermoeide leden tot rustbed te strekken. Men kan zich overtuigen,
+dat er in het midden van beschaafde landen nog streken zijn, waar
+de weelde niet is doorgedrongen, en de zeden van de vroegste eeuwen
+zijn bewaard gebleven; waar de kleeding aan geene nieuwe modes is
+onderworpen, en de taal noch door verbastering, noch door beschaving,
+heeft geleden. In één woord, wie zien wil, hoe de oude Teutonen
+omtrent huishielden, wanneer zij niet met de wapenen in de vuist op
+veroveringstogten uittrokken, ga naar het minst bezochte gedeelte van
+het Schwartzwald, en hij zal op eene zeer weinig kostbare wijze tot de
+resultaten komen, waarnaar hij verlangt. Maar die liever wat meer op
+zijn gemak reist, en die gaarne bij een goed _souper_ over het schoone
+wil nadenken, dat hij des daags zag, en in een welgeschud bed van zijne
+vermoeienissen wil uitrusten, bepale zich tot kleine uitstapjes in
+de meer bezochte streken, en volge voor het overige de groote route,
+waar hij nog gelegenheid genoeg zal hebben, om met nederige hutten,
+eenvoudige landbewoners en slechte maaltijden kennis te maken.
+
+Onze reizigers behoorden tot de laatste soort: zij namen zes plaatsen
+in den _Grossherzoglichen Badischen Eilwagen_, en verlieten daarmede
+des morgens ten 12 ure de badplaats. De helft der vrienden kreeg
+plaatsen binnen in den wagen, waar zij drie Engelsche dames ontmoetten;
+de helft boven op, waar zij den _cavalier_ der _Ladies_ aantroffen, die
+gaarne de zorg voor zijne jonge vrouw en hare zusters aan de vreemde
+heeren overliet, zoo hij maar zijne plaats _outside_ niet verloor. De
+vrienden zouden nu en dan onderling van plaatsen verwisselen, om zoo de
+mooie uitzigten, die zich op hun tour voordeden, eerlijk te deelen. Het
+toeval plaatste Pols met de Morder en Van Aartheim het eerst binnen
+in de koets; de eerste begon zich zeer gegeneerd te gevoelen, daar
+hij volstrekt geen Engelsch verstond, en toch zoo gaarne met drie
+zulke lieve dames een praatje wilde maken; De Morder vond dat zij
+het beroerd troffen, om op zulk een warmen dag zoo opgepropt in een
+wagen te zitten; en Van Aartheim wachtte eene geschikte gelegenheid
+af, om een discours met de _Ladies_ te beginnen. Hij scheen niet te
+veel verwend door de voorkomendheid en beleefdheid zijner landgenooten
+omtrent vreemdelingen, om bang te zijn voor de stugheid en stroefheid,
+die men zoo zonder uitzondering aan de Engelschen ten laste legt; ook
+_Mistress_ Hunshow en hare zusters Emma en Mary schenen er haar _fort_
+niet van te maken, om beleefdheden van vreemde heeren met lompheid
+te beantwoorden. Toen Van Aartheim haar attent had gemaakt op een
+schoon natuurtooneel, dat zich op hunnen weg voordeed, namen zij
+daaruit terstond aanleiding, om over de schoonheden te spreken, die
+zij op hare Rijnreis hadden opgemerkt, en die zij nog in Zwitserland
+verwachtten. Alle de dames legden hierbij veel schoonheidsgevoel en
+een geoefenden smaak aan den dag; en toen het gesprek langzamerhand
+van landschappen op landbewoners werd overgebragt, sprak vooral
+de schoone Emma zeer onderhoudend over originelen, die zij op reis
+ontmoet had, zonder daarbij hare of Van Aartheims landgenooten te
+sparen. Zij verhaalde onder anderen van eene zekere familie Dufduin,
+die zij in Mainz hadden leeren kennen; hoe Mijnheer haar gevraagd had,
+of de Engelschen niet jaloersch waren op den Hollandschen handel, en
+of er te Londen ook zulke mooie winkels waren als in de Kalverstraat
+te Amsterdam; en hoe zijne zwaarlijvige zuster haar verlangen had
+geopenbaard, om eens het Kanaal over te steken, daar zij de echte
+plumpudding wel eens proeven wilde, en zich zeer verwonderd had, dat
+er in Engeland ook kaas gemaakt werd, daar er toch zooveel Hollandsche
+werd ingevoerd.
+
+Terwijl was _outside_ Mijnheer Hunshow in een druk discours gewikkeld
+over de Engelsche en Hollandsche politiek: hij gaf zijne tevredenheid
+te kennen over de pasbegonnen regering van de jonge Koningin, en zijne
+vrees, dat zij moeijelijk tot een huwelijk zou besluiten, en zoo,
+bij haar eventuëel overlijden, de gehate Beer van Hanover op den
+troon zou komen. Wat Holland betreft, baarde het hem verwondering,
+dat men klaagde over de vermeerdering van schuld, daar ieder burger
+toch nationaal genoeg moest wezen, om, indien de rente moeijelijk
+meer betaald kon worden, zijne pretentie op den staat op te geven;
+en hij kon zich niet begrijpen, waarom een land zichzelf vrijwillig
+onder curatelen stelde. Torteltak lichtte hem omtrent sommige punten
+nader in, en beweerde naar waarheid, dat er in Holland wel enkele
+renteniers zouden gevonden worden, die iets tegen zijne wijze van
+schuldvernietiging zouden hebben in te brengen. Hij maakte natuurlijk
+ook van de gelegenheid gebruik, om over het goede figuur te spreken,
+dat zijn Vaderland in de laatste omstandigheden had gemaakt. Maar
+schoon de Engelschman den Hollanders in vele opzigten regt deed
+wedervaren, scheen hij niet geheel in de opgewondenheid te deelen,
+die Torteltak omtrent deze zaken aan den dag legde. Onze vriend moest
+het daarom bejammeren, dat de Gedenkboeken van Hollands Roem en de
+stukjes over Ontwaakte Leeuwen, Waterleeuwen enz. zoo weinig in den
+vreemde gelezen werden, daar zij zoo geheel in staat zouden zijn om
+de dingen onpartijdig te leeren beschouwen.
+
+Het was intusschen avond geworden; het _diner_ was te Buhl gebruikt,
+en ook Offenburg was reeds achter den rug. Men verlangde sinds
+vele uren naar de frischheid van den avond; want de hitte was
+broeijend. Men had het aan de digtheid der bosschen toegeschreven,
+dat geen enkel koeltje eenige verademing aanbragt; maar men zou in
+eene open vlakte niet meer verkwikking hebben genoten. De lucht deed
+zich aan het oog voor, alsof zij strak gespannen was en met ongewone
+kracht de warmte naar beneden drukte. Maar nu verscheen op eens, daar
+de zon in de zee neêrzonk, aan de andere zijde hoog in de lucht een
+zwart wolkgevaarte, en begon de wind de toppen der boomen te bewegen,
+zonder dat men lager zijne koelte nog gevoelde. Meer en meer naderde
+het wolkgevaarte en scheen de warmte voor zich heen te jagen; dikke
+droppelen begonnen neêr te vallen en werden door de drooge aarde met
+gretigheid ingeslurpt. Weldra barste een onweêr in volle kracht over
+het hoofd der reizigers los. Het schemerlicht maakte plaats voor
+dikke duisternis, alleen voor ondeelbare oogenblikken afgewisseld
+door het felle licht des bliksems; de wolken schenen met donderend
+geknal van een te barsten en zich in regenvloeden neder te storten;
+de bergstroomen zwollen op en vielen kletterend in de diepte;
+rotsklompen werden afgebroken en stortten naar den afgrond af; de
+bliksemschichten schenen de zwarte bosschen in vuur te verteren,
+en de bergen weêrkaatsten honderdvoud het geratel des donders.
+
+De gewaarwordingen van het personeel voor, in en op den
+_Grossherzoglichen Badischen Eilwagen_ waren zeer verschillend. Het
+vierspan rende met neêrgebogen koppen in volle vaart over de bergen,
+en scheen geheel te vergeten, dat verscheidene menschenlevens door
+hunnen woesten ijver werden in gevaar gebragt; de postiljon hield met
+alle magt de teugels in, die ieder oogenblik uit zijne handen dreigden
+te glippen; de dames sloegen van verrukking de handen ineen, en riepen
+niets dan "_beautiful, beautiful indeed_;" Van Aartheim deelde in hare
+verrukking, maar had geene termen, om zijne bewondering te uiten;
+De Morder vond het al heel akelig, voor een enkelen keer, dat hij
+door het Schwartzwald reed, door eene donderbui overvallen te worden;
+Pols beschouwde het geval als zeer verontrustend, en beantwoordde
+het _beautiful_ der _Ladies_ met een _very inquietant indeed, very
+yes_. Hij voorspelde, dat men wel van ongelukken zou hooren, en dat
+het weêr hier of daar wel in een molen zou inslaan. Buitenop werd
+de verrukking wel eenigzins bekoeld door het nederdalende vocht;
+maar toch de Engelschman gaf zijne groote vreugde te kennen, dat
+het hem gebeurde, een onweder tusschen de bergen bij te wonen; de
+andere heeren wikkelden zich in hunne jassen en mantels, en zagen
+het schouwspel in stilte aan.
+
+Het onweder was bedaard; de donderwolken waren overgedreven; en de
+woeste onstuimige stortvloed maakte plaats voor eenen geregelden
+aanhoudenden regen; de wind zweeg, en de stilte des avonds werd nu
+alleen gestoord door het gedruisch der watervallen. Maar nog hield de
+duisternis aan. De paarden, van hun rennen afgemat, stapten nu met
+moeite langs den glibberigen weg voort. De postiljon hield raad met
+den conducteur, en maakte hem opmerkzaam op de afgronden, waarlangs
+zij heengleden. Holstaff, dit hoorende, hield beide handen voor zijne
+oogen, en las reeds in verbeelding de aandoenlijke advertentie, die
+men omtrent hem, den veelbelovenden jongeling, in den bloei zijns
+levens door een nootlottig toeval omgekomen, in de Haarlemsche courant
+zou plaatsen. Zoo arriveerde men te Ohlsbach; de conducteur meende
+vrijheid te vinden, hier af te wachten tot de lucht wat opklaarde,
+en zich over deze wijze van handelen wel bij het _Postamt_ zullen
+kunnen verantwoorden.
+
+Het was een vreemd schouwspel, dat zich aan de reizigers bij het
+binnenkomen der herberg voordeed. De zaak zelve was niets ongewoons,
+want het was eene bruiloft; maar wanneer men, na eenige uren in
+duisternis en stormachtig weêr te hebben doorgebragt, op eens eene
+buitengewoon verlichte kamer binnenkomt,--wanneer men geen ander geluid
+gehoord heeft, dan het neêrstorten des regens en het kletteren der
+paarden door het water, en men in geruimen tijd niets, zelfs niet zijne
+medereizigers, gezien heeft,--dan weet men naauwelijks waar men zich
+bevindt, wanneer men op eens vrolijke muziek hoort en opgetooide paren
+zich in vrolijke dansen ziet verlustigen.--In de herberg te Ohlsbach
+werd de bruiloft van des kasteleins dochter gevierd; haar huwelijk met
+een klompenmaker van Gengenbach was dien morgen voltrokken. Bijna al
+de jongelingen en boerendeernen der beide plaatsen, in feestkleederen
+uitgedost, waren verzameld in het grootste vertrek der woning. De
+zwartberookte muren waren voor deze gelegenheid met bonte kleuren
+beschilderd; bloemenkransen hingen aan stevige touwen van de zoldering
+af, en guirlandes over de kleine, in ijzer gevatte vensterruiten;
+vetpotten, in de hoeken der zaal geplaatst, verlichtten en bewalmden
+dit vertrek; op eene stellaadje lagen twee bekranste vaten met jong
+bier, waaruit de dansers hunne dames verkwikking aanboden; in een
+grooten rooden pot was eene soort van geestrijk vocht, met honig
+aangemengd, waaruit de speelnooten nu en dan eenen kroes vulden en
+aan bruid en bruidegom aanboden. Het jonge paar was schoon; schooner
+waren er in de geheele streek sedert lang geene jongelieden verbonden:
+donkergele lokken hingen den jongeling over de breede schouders, en
+zwierden op het lange vuurroode kamizool en de witte hemdsmouwen, die
+er uit te voorschijn kwamen; eene korte broek van groene saaiachtige
+stof, een paar lichtgrijze kousen, en schoenen met hooge hakken en
+roodkleurige linten op den voet, maakten het overige van zijn kostuum
+uit. In zijne handen had hij de bouquetten, bestaande uit een paar
+boomtakken, ter lengte van drie voet, met dikke kransen van bladeren
+en veelkleurige bloemen omwonden. Aan zijne zijde stond de bruid, rond
+en kolossaal gebouwd, met vuurroode wangen en lichtblonde vlechten; een
+geel keursje was met rozeroode veters geregen; een bonte halsdoek, van
+voren om den hals vastgeknoopt, hing van achteren in vierkante plooijen
+af; daarover daalden de lange tressen haar, met linten doorvlochten,
+neder, en hingen haar tot de knieën. Zij droeg heden voor het laatst
+deze versierselen; want die linten zijn de onderscheidingsteekenen
+van den maagdelijken staat. Haar kort bontgestreept rokje werd ten
+halve door een wit voorschoot bedekt, en puntige schoentjes waren met
+linten om de donkerkleurige kousen vastgestrikt. Haar speelnootjes,
+even als zij uitgedost, misten alleen het witte voorschoot.--Juist
+toen de reizigers binnenkwamen, voerde men een volksdans uit, waarbij
+de bruidegom zijne bruid aan hare vriendinnen, in wier midden zij
+stond, moest ontrooven; doch op het zien der vreemdelingen, hielden
+de speellieden op, en de voeten der dansers waren dus niet meer in
+de gelegenheid om aan de toonen der muziek te gehoorzamen. De dames
+verlieten hare positie; den bruidegom werd de moeite bespaard, om
+zijne bruid te schaken; want toen haar de speelnooten loslieten,
+was zij hem terstond in de armen gevlogen.
+
+Dit alles vernamen de vreemdelingen terstond, en zij bemerkten alras,
+dat zij eene warme schuilplaats tegen den regen hadden gevonden. De
+meesten hunner waren zeer in hun schik, dat de storm hen genoodzaakt
+had, in deze haven binnen te loopen. Maar nog bleef de muziek zwijgen
+en stonden de bruiloftsgasten op eenen eerbiedigen afstand. Zij lieten
+de helft der zaal aan de vreemdelingen over. Pols, zich eenigzins
+verontrustende, dat hunne tegenwoordigheid de vrolijkheid dezer goede
+menschen zou verstoren, deed eenige stappen voorwaarts, en zeide in
+zuiver Hollandsch: "Eilieve, laat onze komst u niet verhinderen!" Dit
+gezegde nu schijnt omtrent even zoo te klinken, als de Teutonische
+uitdrukking: "Wil niemand der dames met mij dansen?" althans eene der
+speelnooten kwam terstond naar hem toe, en hare linkerhand op zijn
+regterarm leggende, trok zij hem mede.--"Zoo was het niet gemeend,"
+riep Pols, door deze manoeuvre verbaasd; "waarlijk, ik kan niet
+dansen." Hoe nu dit gezegde in de ooren der dansgrage Ohlsbachsche
+klonk, zouden wij niet weten te bepalen; maar de deern trok hem steeds
+meer naar zich toe. Pols zag haar smeekend aan; hij wist geen uitkomst
+meer. "Komaan, dans maar eens! je bent nu aan 't lijntje vast,"
+riep Veervlug, die achter hem stond. De muziek begon; daar was geen
+mogelijk meer om te ontwijken. Joachim Polsbroekerwoud danste voor
+de eerstemaal van zijn leven, en wel in eene boerenherberg te Ohlsbach.
+
+Eén ding had onze goede vriend vooruit boven de andere heeren, die uit
+de diligence gekomen waren: een boerenvolksdans uit het Schwartzwald
+was hem niet vreemder, dan een wals of eene galoppade. Hij had
+slechts flaauwe noties van de danskunst; hij wist dat het bij zulke
+gelegenheden voornamelijk op de beenen aankomt, en dus legde hij zich
+hoofdzakelijk toe, om die maar van den grond op te ligten. Hij liet
+zich overigens door zijne dame leiden als een kind; hij sprong,
+tot het zweet hem met groote stralen van het voorhoofd afliep;
+hij slingerde zijne armen, totdat zij hem als lam langs het lijf
+neêrhingen; nu en dan wierp hij een smeekenden blik op de speellieden,
+of zij toch maar ééns wilden ophouden; en toen nu de dans eindigde
+in een rondzwieren der heeren om de stilstaande dames, werd de goede
+man zoo duizelig, dat hij op den grond zou zijn neêrgestort, zoo zijne
+_danseuse_ hem niet had vastgehouden. Alles draaide hem voor de oogen;
+en toen eindelijk de muziek ophield, en hij zijn hoofd op de borst
+der Schwartzwaldsche schoone liet neêrvallen, scheen hij door een
+schaterend gelach van al de toeschouwers uit een droom te ontwaken,
+en riep hij op luiden toon uit: "Hemel! waar ben ik?"
+
+"Je bent een slimme vogel," fluisterde Veervlug hem in 't oor.
+
+"Pols, Pols, als Mijntje je zoo eens zag!" zei Torteltak.
+
+"Ik hoop in 's Hemels naam maar niet, dat dit meisje een vrijer heeft,"
+zei De Morder; "want je zult zien, dan krijgen wij hier een standje."
+
+Alles liep evenwel goed af: Pols was geen slimme vogel, Mijntje zag
+hem niet, en het meisje scheen geen minnaar te hebben. De goede man
+zette zich op eene bank bij de biertonnen neêr, en de kastelein bood
+hem een verfrisschenden dronk aan.
+
+Terwijl kwam eene andere der speelnooten, en bragt aan de Engelsche
+dames een kroes, met den bruidsdrank gevuld; het brouwsel, hoe zoet
+ook, smaakte de _Ladies_ evenwel minder dan gewone Portwijn; maar om
+nu toch deze beleefdheid te beantwoorden, namen zij de uitnoodiging
+van Van Aartheim, Torteltak en Veervlug aan, om aan den dans deel
+te nemen; Hunshow nam de dame van Pols over, en dezelfde dans werd
+nog eens uitgevoerd. De Ohlsbachers en Gengenbachers schenen in
+deze handelwijze veel genoegen te scheppen; zij gaven nu aan hunne
+vrolijkheid den vollen teugel, en de reizigers zouden misschien nog
+lang aan het feest hebben deelgenomen, zoo niet de conducteur op eens
+op luiden toon had uitgeroepen: "Heeren en dames voor Schaffhausen,
+de paarden zijn voorgespannen!"
+
+Door Hunshow en Van Aartheim werd namens het gezelschap aan den
+bruidsvader een geschenk in geld ter hand gesteld, met verzoek, om
+daarvoor het jonge paar eene gedachtenis aan hunne tegenwoordigheid
+bij de bruiloft te koopen.
+
+Het schoone gedeelte van Ohlsbach tot Donauëschingen werd door
+de meeste onzer vrienden slapende doorreisd. Het was jammer; maar
+men troostte zich met het denkbeeld, dat men niet alles kan zien,
+en hoopte maar, bij den retour in Holland, geene reizigers te zullen
+aantreffen, die, hun _fort_ gemaakt hebbende van de Schwartzwaldreis,
+zouden zeggen, dat het nu voor hen net zoo goed was, alsof zij geheel
+waren te huis gebleven.
+
+Het uur poozens, dat den reizigers te Donauëschingen wordt toegestaan,
+werd doorgebragt, zoo als dat daar gewoonlijk geschiedt: men maakte van
+de gelegenheid gebruik, om zich met waschwater te verfrisschen en door
+een stevig ontbijt te versterken; en door een uitstapje, dat weinige
+minuten tijds vereischte, had men de voldoening, in het Schwartzwald
+den oorsprong van ééne rivier, den Donau, te zien; zoo men, door het
+korte oponthoud in die streek, al genoodzaakt was, om den Necker,
+Wutach, Schwarzach, Kander, Vise, Treisam, Schulter, Kinrig, Murg,
+Alb, enz. op hunne eigene gelegenheid te laten ontspringen.
+
+Ten zes ure vervolgde men de reis. Het was een heerlijke morgen. Frisch
+en heldergroen ontwaakte het gras, dat door stof bedwelmd en uitgeput
+door droogte was ingeslapen. De vogelen hernieuwden het lied, dat
+zij den vorigen avond door matheid waren gedwongen af te breken, en
+koesterden hunne beregende vleugelen in de warmte der zonnestralen,
+wier verschroeijenden gloed zij gisteren onder de schaduw van het
+geboomte hadden ontdoken; de bloemen, door den plasregen neêrgebogen,
+waagden het op nieuw hare kruinen omhoog te heffen; en het geboomte
+spreidde weder zijne bladeren uit, die den vorigen dag slap hadden
+neêrgehangen. Ook de slaap, waarin de nacht de diligencelocataires
+had gedompeld, werd door een verkwikt ontwaken opgevolgd, en zoo
+aan hunne frischheid het waschwater in het logement veel deel had,
+het was omdat de waterdigte hoofddeksels en de lederen wagenkappen
+zich tegen het doordringen van den regen hadden verzet.
+
+De reizigers bragten de overige uren van den morgen door met in de
+diligence de bergen af te draven, en bij het opklimmen hunne passen met
+die der paarden te meten. Na nog eenige Badensche plaatsjes te hebben
+gepasseerd, en geen het minste onderscheid te hebben gezien tusschen
+het Duitsche Wies en het reeds op Zwitserschen bodem gelegen Oos,
+hadden zij het land van belofte bereikt, in zichzelven de opmerking
+makende, dat de natuur in hare overgangen niet conscientieus de
+grensscheidingen der Mogendheden heeft geraadpleegd.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI.
+
+ Aankomst in Zwitserland en verblijf te Schaffhausen; bevattende
+ tevens belangrijke opmerkingen omtrent den invloed van een nieuw
+ schoeisel op lichaam en ziel.
+
+
+"Zoo zijn wij dan nu waarlijk in Zwitserland!" riep Torteltak uit,
+toen de conducteur den grenspaal aanwees, en de reizende heeren met
+hem naast de diligence voortstapten.
+
+"Ik moet ronduit zeggen, dat het mij tegenvalt," verklaarde De Morder;
+"en schoon ik er mij heel weinig van had voorgesteld, dacht ik niet,
+dat de reizigers zoo onbeschaamd konden liegen in het opvijzelen der
+schoonheden van dit land."
+
+"Maar het kan immers nog komen," zei Pols; "evenwel moet ik u ook
+zeggen, dat het mij zeer verwondert, dat men van den _Mont blanc_
+nog niets kan ontdekken."
+
+"Dat zullen allemaal wel praatjes wezen van dien _Mont blanc_,"
+zei zijn ontevreden vriend; "ik geloof er ten minste niets van,
+voordat ik hem met mijne eigene oogen zie."
+
+"Pas maar op," zei Veervlug, "dat de witte reus niets van uw ongeloof
+verneemt. Hij mogt zich anders eens wreken, door u bij gelegenheid
+met een _avalanche_ op te frisschen."
+
+"Het moet u een heele studie geweest zijn," zei Van Aartheim
+aan De Morder, "om de tevredenheid en opgeruimdheid, die ik mij
+verzekerd houd, dat dikwijls in uwe ziel plaats vinden, in termen
+van ontevredenheid en wrevel te leeren uitdrukken."
+
+"Hm!" bromde de ander tot antwoord; "ik kan het niet helpen, dat mij
+alles in de wereld tegenloopt."
+
+"En dat juist de _Mont blanc_ u tegen_staat_," grinnikte Veervlug.
+
+"Ik ben nu toch benieuwd naar die Arcadische schoonen en hare gracieuse
+costumes," zei Torteltak. "Ik hoop toch eens in de gelegenheid te
+zullen zijn, om den minnekout van een paar Zwitsersche geliefden af
+te luisteren."
+
+Juist ontmoetten zij eene kar, die den berg afreed. Een jonge
+Schaffhauser man lag er boven op te slapen; zijne pijp was hem
+uit den mond gevallen; zijne bruin verbrande echtgenoote, met wolle
+rokken en bloote voeten, hield het paard bij den teugel, om het tegen
+het uitglijden te behoeden. Eene gracieuse beweging, die zij met de
+lippen maakte, en een zekere dikte aan de linkerwang deden vermoeden,
+dat de schoone niet afkeerig was van 't gebruik van pruimtabak.
+
+"Weet je wat mij spijt," zei Pols, "het is, dat ik te Donauëschingen
+vergeten heb, het lapje groene zijde uit mijn koffer te krijgen. Dat
+is, volgens Ebel, zoo goed voor de oogen, als men in Zwitserland
+reist. En wij mogen nu, zoodra wij te Schaffhausen zijn, wel werk
+maken van konijnenwollen kousen en schoenen met spijkers; anders kan
+men hier in dit land niet loopen."
+
+"En dan mogen wij ook wel terstond voor Alpenstokken zorgen," zei
+Torteltak; "want die zullen wij morgen ook wel noodig hebben, als
+wij per diligence naar Zurich reizen."
+
+De Engelschman hield terwijl een zeer geanimeerd discours met zijn jong
+vrouwtje, dat haar hoofd uit het portier hield; en toen de conducteur
+de heeren verzocht weêr in te klimmen, daar men de hoogte had bereikt,
+stond een van onze vrienden hem met genoegen zijne plaats in het
+rijtuig af, en Hunshow had dus gelegenheid zijn gesprek fluisterend
+voort te zetten.
+
+Ten twee ure arriveerde men te Schaffhausen; gelukkig nog met heldere
+oogen en gezonde voeten, hoe zich ook Pols over het veronachtzamen
+der in Zwitserland noodige voorzorgen had verontrust.
+
+De stad Schaffhausen is omtrent even merkwaardig, als sommige plaatsen
+in ons dierbaar Vaderland, met name Kuilenburg, Buren en Montfoort. De
+belangstellende vreemdeling kan daar zijne oogen doen weiden over
+ouderwetsche gebouwen en vervallen woningen; hij kan struikelen over de
+ongelijke keisteenen, die in bevallige wanorde in de straten schijnen
+neêrgeworpen; hij kan opmerken, dat onder de takken van nijverheid
+het bedelen eene aanzienlijke plaats bekleedt, en ervaren, dat, zoo de
+kasteleins de manier niet verstaan om iemand behoorlijk te recipiëren,
+zij evenwel in de kunst van declaraties in te leveren aanzienlijke
+vorderingen hebben gemaakt. De merkwaardigheden aldaar zijn het
+Opvoedingsgesticht voor dienstboden in, en de groote Rijnval buiten
+de stad. In het eerste worden de beginselen der brei- en spelkunst
+gedoceerd; ook geeft men er grondig onderrigt in het straatschrobben
+en vaatwasschen. Weinige vreemdelingen geven zich evenwel de moeite
+deze merkwaardige inrigting te gaan opnemen, misschien wel, omdat de
+slechte bediening van de in dit gesticht opgevoeden hun geen groote
+denkbeelden van deszelfs onontbeerlijkheid inboezemen. De kastelein
+uit den _Faucon d'Or_, opmerkende dat onze reizigers veel eetlust
+hadden, en voor 's hands nog geen kans ziende om hieraan naar eisch te
+voldoen, ried hun aan, van deze oogenblikken gebruik te maken, om het
+Dienstboden-instituut te gaan zien, daar het heden Maandag was, en men
+dan onderwijs gaf in het stoven van aardappelen. De Engelsche dames
+werden hierdoor geanimeerd, en daarom ook de Hollandsche heeren. Pols
+bleef te huis; want hij wachtte den schoenmaker, om de schoenen met
+spijkers te passen; hij durfde zijn Rotterdamsch schoeisel niet aan
+de ongelijke straatsteenen van Schaffhausen wagen.
+
+Zeer voldaan keerde het gezelschap van dien togt terug. Zij hadden van
+den _chef_ van het etablissement belangrijke wenken omtrent opvoeding
+ontvangen, en waarlijk met bewondering de liefde van den ouden man
+voor het dienstbare menschdom opgemerkt, die zelfs zoo ver ging, dat
+hij voornemens was, het volgende jaar eenen Almanak voor dienstboden
+uit te geven; iets, waartoe hij te meer aangemoedigd werd, omdat
+deze klasse in Schaffhausen de talrijkste is. Veervlug merkte aan,
+dat dan misschien de uitgave van een Annual voor bedelaars ook niet
+onbelangrijk zou zijn, daar, gelijk wij reeds opmerkten, dit vak in
+de stad zeer ijverig werd beoefend.
+
+Het _diner_ had niets merkwaardigs, dan dat men voor het eerst
+Zwitsersche florellen nuttigde, die ongemeen grondig smaakten. Het
+product van eenige nijvere bijen, in den vorm van eene honigraat,
+sierde het dessert, en scheen zeer naar den smaak te zijn van een
+aantal gonzende vliegen, die, in dit hotel gelogeerd, zware verteringen
+schenen te maken, daar zij zich niet ontzagen iederen dag met een
+grooter aantal vrienden aan den maaltijd te komen deelnemen. De
+familie Hunshow kreeg den inval om den Portwijn van den kastelein te
+proeven, en daar hij vrij goed scheen te voldoen, volgden onze vrienden
+hun voorbeeld. Pols, dien middag zeer dorstig zijnde, en gewoon den
+Duitschen landwijn in groote hoeveelheid te gebruiken, ledigde dikwijls
+zijn glas en werd buitengewoon vrolijk; hij gevoelde zich luchtiger
+dan ooit, en scheen nu wel lust te gevoelen, om den dans, waarin hij
+gisteren zoo uitgemunt had, nog eens te beproeven. Hij schreef deze
+luchtigheid toe aan de konijnwollen kousen, die sedert een paar uren
+zijne beenen omsloten. Toen hij van tafel opstond, gevoelde hij op eens
+de vrijmoedigheid om een Engelsch discours te voeren. Hij wendde zich
+daarom tot _Miss_ Mary, en vroeg haar op vrolijken toon: "_How do you
+do_?" De dame keek hem verwonderd aan. Zij scheen deze vraag vreemd
+te vinden van iemand, met wien zij gedurende meer dan 24 uren bijna
+onafgebroken in gezelschap was geweest, en die haar nu voor het eerst
+bepaaldelijk toesprak. "_You speak English, Sir!_" vroeg zij hem.--"_A
+little_," antwoordde Pols naar waarheid; want toen Mary nog een paar
+andere phrases tot hem uitte, kreeg zij geen ander antwoord meer, dan:
+"_I cannot understand you._" Van Aartheim, die in de nabijheid was,
+nam spoedig het discours over, en spaarde Pols daarna ook de moeite,
+om de _Miss_ op den togt naar den Rijnval te geleiden.
+
+Een uur vóór zonneondergang bereikte men dit punt. Men had den raad
+van Ebel opgevolgd, om den togt derwaarts niet over Neuhaus te nemen,
+maar den overkant van den rivier te houden tot aan het kasteel van
+Lauffen. Reeds meer dan een half uur, voordat men aan de plaats kwam,
+had men het gedruisch gehoord, door de nederploffing der rivier van
+een hoogte van meer dan zestig voet veroorzaakt. In het eerst had
+Pols gemeend, dat het kraken zijner nieuwe schoenen dit gedruisch
+veroorzaakte; maar toen hij er de ware oorzaak van vernam, gaf hij
+zijne verwondering te kennen, daar hij nooit iets dergelijks bij de
+watervallen op Hartjesberg of Rozendaal vernomen had.
+
+Het gezigt van den Rijnval bij Schaffhausen, van den kant van
+Lauffenburg, is waarlijk indrukwekkend. Wanneer men, op eens voor de
+houten balustrade geplaatst, van de hoogte den breeden stortvloed,
+door twee rotspunten gebroken, _en profil_ ziet, verdringt de schrik
+voor een oogenblik de bewondering, waarmede het heerlijke schouwspel
+u vervult; en wanneer men daarna in de diepte nederdaalt en van de
+vierkante galerij, die onder de voeten trilt, een oog naar boven
+opheft, en men ziet eene onmetelijke massa water met donderend geweld
+naar den afgrond storten, en, op de rotsen gebroken, in wolken als van
+sneeuw omhoogvliegen, om daarna als schuim weêr in de diepte verzwolgen
+te worden, dan is men.... Ja, wie kan zeggen, hoe men dan te moede is?
+
+Van al de belangrijke punten nam ook ons gezelschap den grooten
+waterval, die door menschen, welke nooit den Niagara gezien hebben,
+dikwijls den Niagara van Europa genaamd wordt, in oogenschouw. Aller
+verrukking was groot; maar ieder drukte ze op zijne wijze uit. De
+Morder vond het heerlijk, maar miserabel dat het zoo'n barbaarsch
+geweld maakte. Holstaff werd opmerkzaam, dat men, zoo men door den
+vloed werd weggesleept, een gewissen dood ter prooi zou worden. Pols
+wist niet wat hij zeggen zou, maar vond toch, dat die gewast linnen
+manteltjes, die men daar, om niet doornat te worden, aantrekt, de
+menschen allerkoddigst stonden. Hunshow kocht al de afbeeldingen door
+den schilder Bleuler van de verschillende gezigtspunten des watervals,
+schoon hij zelf moest bekennen, dat geen een er een flaauw denkbeeld
+van uitdrukte. Van Aartheim begon met hem een geleerd discours over het
+onvermogen der schilderkunst, daar, waar het treffende in de beweging
+en in het gedruisch bestond, en was het ook niet met den Duitscher
+eens, waarvan _M. le Comte_ De Walsh spreekt, die meende, dat men
+zich door muziek van dit effect een denkbeeld zou kunnen vormen.
+
+Men vond het gepast, na een geruimen tijd in bewondering te hebben
+doorgebracht, den Rijn over te varen en zich in het logement een weinig
+te verfrisschen. Daar aangekomen, begon Pols over duizeligheid te
+klagen, en toen men hem vroeg, of hij daarvan geen reden kon gissen,
+schreef hij die geheel toe aan den invloed van den waterval. De
+duizeligheid had overigens voor onzen vriend geene gevolgen, dan dat
+hij op de terugwandeling moeijelijk regtuit kon loopen, waarvan hij
+evenwel de reden meende te zien, dat zijne schoenen scheef gemaakt
+waren.
+
+Torteltak, Veervlug en Holstaff hadden het genoegen de dames op dezen
+togt te geleiden. Zij hielden het tot Neuhaus uit, met over den Rijnval
+te spreken; maar toen dienden de discoursen op iets anders over te
+gaan, zoo men niet in herhalingen wilde vallen. Men was wel onvoldaan,
+dat men zoo weinig kon zeggen over iets, dat zoo diepen indruk gemaakt
+had, maar vond het toch beter over iets anders te praten, dan te
+zwijgen. De remplacerende gesprekken waren misschien belangrijk; maar
+wij kunnen er niets van meêdeelen, dan dat de namen Grisi, Lablache,
+Persiani en Rubini dikwijls door de _Ladies_ werden genoemd.
+
+Hunshow had Van Aartheim onder den arm genomen, en na eerst over
+onverschillige zaken gesproken te hebben, zei hij op eens tot hem:
+"Mijnheer, ik houd u voor een regtschapen mensch, maar hoe kent
+gij Lurgrave?"
+
+Van Aartheim verbleekte en antwoordde niet.
+
+"Ik zag u met hem te Baden-Baden in een druk discours. Ik meen u
+tegen hem te moeten waarschuwen."
+
+"Ik dank u voor uw raad," zei de ander; "maar ik ken hem door en door,
+en verlang niets vuriger, dan voor altijd van hem ontslagen te zijn;
+maar nog ben ik in zijne magt."
+
+"Ik wil niet verder doordringen in uwe geheimen," zei Hunshow,
+"maar ik wensch u toe, dat gij spoedig van hem verlost moogt worden."
+
+"Dat geve de Hemel, en tevens, dat ik niet een der heeren, met
+wie ik thans reis, door mijne onvoorzigtigheid aan zijne lagen heb
+blootgesteld!"
+
+Men arriveerde ten 10 ure in het logement, zeer verfrischt en
+aangenaam gestemd door de avondwandeling. Pols evenwel had wat
+ligtheid in het hoofd en loomheid in de beenen; hij schreef het toe
+aan de konijnenwollen kousen en de schoenen met spijkers.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII.
+
+ Bevattende eene al te lange beschrijving van eene voetreis en
+ eene al te korte van een watertogtje.
+
+
+Hoe aangenaam is het, eene voetreis te maken! Dat is eigenlijk toch
+maar de ware manier van reizen. Dan smaakt men zeker dubbel zoo veel
+genoegen, als wanneer men zich afhankelijk maakt van paarden, die in
+redelooze haast voorthollen, of van stoommachines, die ook al niet
+volkomen begrijpen, waarom zij zich zoo gezwind bewegen. Luchtig
+en vrij wandelt men voort, in alles volkomen zijn meester, en met
+innig welgevallen slaat men het oog op het valies, dat men torscht,
+daar men met zelfvoldoening kan uitroepen: "_Omnia mea mecum porto!_"
+Waar een schoon natuurtooneel bijzonder de oogen boeit, vertoeft men
+zoo lang men lust heeft; en hoeveel ziet men niet, dat anders voor
+het oog verborgen blijft! De voetreiziger dringt door op plaatsen,
+waar anderen moeten achterblijven; wat hun beletselen zijn, zijn het
+hem niet meer.
+
+Hoe bekoorlijk zijn de aanlokselen van deze manier van reizen! hoe
+zalig is het, zich er in te verdiepen, vooral wanneer men in een
+gemakkelijken fauteuil neêrzit, of op eene welgevulde sofa ligt
+uitgestrekt!
+
+Maar ook wanneer de gewigtige morgen aanbreekt en den voetreiziger
+met moed en in vrolijkheid zijnen togt begint, en gedurende den
+geheelen dag, dien hij aan de negen of tien uren afstands besteedt,
+zijn de genoegens onuitputtelijk. Ziet hem daar met luchtigen tred
+voortstappen; het ongewone pak, dat hij torscht, geeft hem meer gemak
+dan last. Hij fluit, en neuriet, en zingt; maar niet om zich den tijd
+te korten, want hij bereikt het eerste station, terwijl hij nog meende
+er een half uur van af te zijn.
+
+Maar was die al te groote dartelheid misschien hemzelven hinderlijk,
+na de eerste pauze wordt hij bedaarder. Met gematigder tred vervolgt
+hij zijn weg: de koelte des morgens is geweken en de liefelijke
+stralen der zomerzon koesteren zijn gelaat; de poriën worden geopend,
+en in milden overvloed stroomt het vocht van zijn voorhoofd af.
+
+Indien hij later halfweg van zijnen togt is, dan de zon van de haren,
+dit bevreemde hem niet; want de voetreiziger weet, dat zij haar
+dagelijksch tourtje maakt in een wagen, met fiere genetten bespannen.
+
+En waren deze de genoegens, die hij de eerste uren van zijnen togt
+smaakte, wat zijn zij in vergelijking van de verrassingen, die nog
+wachten! Als hij gemeend heeft dat er een abuis in de opgave des
+afstands is, daar het wel drie uren zal zijn in plaats van twee,
+is de kastelein in de herberg, waar hij weêr zal rusten, in staat
+hem meê te deelen, dat men het gemakkelijk in anderhalf uur kan
+gaan. Vraagt hij, als de togt op het laatst loopt: "Hoe ver nog van
+de stad?" dan is het antwoord: "Anderhalf uur."--Dit bevreemdt hem,
+want het is een half uur langer dan hij dacht; maar grooter nog is
+zijne verwondering, als hij, na nog een half uur voortgegaan te zijn,
+op dezelfde vraag tot antwoord bekomt: "Zeven kwartiertjes."
+
+Meent hij dat hij steentjes in de schoenen heeft, het blijkt
+hem bij nader onderzoek, dat het eenvoudig blaren zijn, die zijn
+voeten als extra schoeisel dekken. Vreest hij op het laatst, dat
+hij nooit het doel zijner reize zal bereiken, hij vergist zich en is
+aangenaam verrast, als de toren, die voor hem scheen uit te wandelen,
+toch eindelijk vlak voor hem staat. Had hij den moed verloren, om de
+straten der stad door te wandelen, als hij de groote steenen onder zich
+voelt, worden de gewaarwordingen der ganzen op de gloeijende platen te
+Straatsburg hem duidelijk. Meent hij dien dag, daar hij vermoeid is,
+niet veel van de stad te zullen zien, al wederom eene verrassing;
+zijn logement is aan het andere eind gelegen. En als hij dan, na
+50 trappen opgeklommen te zijn, de uitsluitend voor voetreizigers
+bestemde apartementen bereikt, bespaart hij zich, door gebrek aan
+eetlust, groote kosten. In den slaap meent hij een berg te beklimmen,
+die al hooger en hooger wordt, en den volgenden morgen, daar hij,
+zijne harkstijve beenen op den grond zettende, op spelden meent te
+trappen, mag hij, ten behoeve zijner voetzolen, _kirschwasser_ en
+een draad saijet doen aanrukken.
+
+Ongelukkigen, die met postpaarden rijdt, hoe geheel anders zijn
+uwe gewaarwordingen, wanneer gij in uw logement aankomt! Hoe
+weinig aanlokkends heeft de kanapé, die u wacht! Gij put op éénen
+dag genoegens uit, waarvan de voetreiziger twee of drie dagen
+jouisseert. Wanneer gij in uw bed stapt, moet gij u nog de moeite
+geven om de oogen te sluiten, daar ze hem van zelve toevallen; geen
+enkele droom doet u in uw slaap opspringen. Al de recepten tegen
+de ongemakken, die eene voetreis ten gevolge heeft, zijn voor u te
+vergeefs opgeschreven.
+
+En o, hoe was het u te moede, toen gij daar, tegen de kussens van uw
+rijtuig aangeleund, de wandelaars voorbijsneldet! Zaagt gij den blik
+niet, waarmede zij uw lot beklaagden? Was het niet, alsof zij u om
+uws zelfs wil smeekten uit te stappen? Waart gij niet jaloersch op
+het zweet dat hunne aangezichten, het stof dat hunne schoenen bedekte?
+
+Leert dan inzien, waarin het wezenlijk genoegen bestaat. Leert het
+van uwe postpaarden, dat slechts eene voetreis onuitputtelijk genot
+oplevert; ziet hoe mismoedig zij de koppen naar de aarde laten hangen,
+als zij worden afgespannen, en hoe het zweet hun uitbreekt van angst,
+dat zij reeds naar den stal moeten terugkeeren. Leert het van een
+troep militairen, die een geheelen dag met marscheren doorbrengen,
+niet slechts in de eerste uren, wanneer hun lied: "Wij zijn mannen van
+Oranje," of "Wie praalt aan 't hoofd der heldenstoet?" met luider stem
+wordt opgezongen; maar later, wanneer zij stilzwijgend voortwandelen,
+en hunne zaligheid overpeinzen, terwijl zij de zachte drukking van hun
+modelgeweer nu eens aan hun linker, dan weêr aan hun regter schouder
+gunnen; leert het vooral van hen, die op het laatst van den marsch
+vreezen, dat hunne wandeling al te spoedig zal zijn afgeloopen, en
+zich in het mulle zand neêrvlijen, totdat de onderadjudant door eene
+vriendelijke manoeuvre met zijn stok hen aanport, hunne kameraden
+niet te verlaten.
+
+Wanneer gij in uw rijtuig zit en uwen weg begint, dan is uw eenig
+verlangen alles te zien; de wenschen van den wandelaar strekken zich
+verder uit; hij verlangt naar den oogenblik, dat hij alles gezien
+heeft. Wanneer gij te huis komt, hebt gij niets te vertellen, dan dat
+de route heerlijk mooi was. De voetreiziger maakt hiervan naauwelijks
+gewag; hij kan meêdeelen dat hij zoo moê was als een hond, en dat
+hij in zooveel uren zijne knieën niet gebogen had.
+
+Het was misschien de overtuiging van dit alles, die Joachim
+Polsbroekerwoud en zijn gezelschap deed besluiten, om, in plaats van
+nog heden van calêche-gelegenheden gebruik te maken, de Zwitsersche
+voetreis reeds te Schaffhausen te beginnen. Ebel gaf negen uren
+afstands op van daar tot Zurich; en het was alleen omdat men het
+noodzakelijke inzag, om in die stad een weinig te vertoeven, dat
+men besloot den eersten dagmarsch niet langer te nemen. Van Aartheim
+bragt wel in het midden, dat hem de tour vrij groot scheen, daar hij
+het voetreizen bij ondervinding kende; maar dit scheen den overige
+heeren niet genoegzaam, om hun plan op te geven. De ransels werden
+door de moedige voetgangers met het noodige niet alleen, maar ook
+met het overbodige gevuld, en de togt begon. Te Neuhausen passeerde
+hun de calêche met de Hunshows, die men 's avonds te Zurich weêr zou
+aantreffen; te Eglisau trachtte men eenige zwaarte, die zich in de
+beenen deed gevoelen, door het drinken van Champagne bij het _diner_
+te verligten; te Bulach gebruikte men tot hetzelfde einde thee; te
+Seeb begonnen de ranselriemen te knellen; schoon de ransels zelve
+volstrekt niet hinderden; te Claudia was de _sehnsucht_ naar Zurich
+tot den hoogsten trap gestegen; en toen men laat in den avond de
+stad bereikte, waren de meesten in zulk eene stemming, dat het hun
+onverschillig zou geweest zijn, indien zij, in plaats van te Zurich,
+te Nes op Ameland of te Khruntschehow in Siberië waren aangekomen,
+zoo er maar ordentelijke kamers met heel goede bedden voorhanden waren.
+
+In het _Hôtel de l'Epée_ werd het vermoeide gezelschap goedgunstig
+opgenomen. Zij hadden de satisfactie, den kastelein te hooren
+aanmerken, dat de door hen afgelegde weg de moeite der beschouwing
+naauwelijks waardig was. Met treurigheid had de inspectie der voeten
+plaats; in stilte werd de avond doorgebragt, in zwaren slaap de nacht;
+en bijna vermoeider dan men naar bed ging, stond men den volgenden
+morgen op.
+
+In deze positie ontvingen zij het bezoek van den Heer Hunshow, die hen
+kwam uitnoodigen, om gezamentlijk een tourtje op het meer van Zurich
+te maken, en daartoe terstond per as naar Rapperschwijl te trekken,
+om 's avonds in een schuitje naar de stad terug te keeren. Het had
+wel in het plan der vrienden gelegen, om nog heden tot Zug te reizen,
+maar men meende zulk eene lieve propositie niet te kunnen afslaan,
+en zag, behalve het aangename gezelschap en den heerlijken tour,
+ook een dag te gemoet, waarop men de knieën gebogen kon houden; het
+denkbeeld van rusten was in de gegeven omstandigheden het aangenaamste,
+dat men zich kon voorstellen.
+
+De westelijke oever van het meer van Zurich levert zulke schoone
+gezigten op, dat de personen, die geen Engelsch verstonden, zich niet
+behoefden te vervelen, als zij niet wilden; maar anders was het wel
+hard, geen enkel woord te begrijpen van een discours, dat met veel
+levendigheid gevoerd werd, en allen, die er aan deelnamen, tot de
+hoogstmogelijke vrolijkheid opwond. Vooral Van Aartheim en _Miss_ Mary
+schenen heden onuitputtelijk in geestige gezegden, of, zoo als Pols
+zich uitdrukte, in boertige kwinkslagen. Het doet ons zeer leed, niet
+in staat te zijn gesteld, het gesprek hier meê te deelen; misschien
+evenwel is het goed; want daar is in zulk soort van gesprekken dikwijls
+zooveel, dat zijne charmes van de omstandigheden en de plaats ontleent,
+dat zij bij de overbrenging te veel verliezen. Torteltak was verrukt;
+nog nooit was hij met Engelsche dames zoo na in aanraking geweest,
+en het was zijn lot nog al veel geweest, met zoodanige zijner schoone
+landgenootjes te converseren, die, zoodra het discours eenigzins van
+het heel gewone vervreemdt en de onderwerpen van toilet, amusementen
+en de dingen van den dag een weinig op zij laat liggen, terstond in de
+weer zijn met haar: "Heden, mijnheer! wat wilt u daarmeê zeggen?" of
+"zoo hoog kunnen wij niet vliegen." Hij moest misschien wel vreezen,
+dat deze dames op verre na zulke goede huishoudsters niet zouden
+zijn, als de gemelde landgenootjes, daar zij veel belezenheid, ja
+zelfs veel studie aan den dag legden; maar hij getroostte zich een
+aangenaam discours te voeren, zelfs met zulke meisjes, wier handen
+geheel verkeerd stonden tot het opdoen der natte wasch, en die op
+geen handvol na konden berekenen, hoeveel zout er tot het koken van
+aardappelen werd vereischt.
+
+In het logement _de Paauw_ te Rapperschwijl werd het middagmaal
+gebruikt. Terwijl het gezelschap aan tafel zat, kwam een jong
+mensch, armoedig gekleed, van een zacht, innemend voorkomen, maar
+in wiens trekken iets heel melancholieks was, met een oude vrouw,
+wier voorkomen minder innam, in de zaal. Zij plaatsten zich op een
+kleinen afstand van het gezelschap, en de jongeling stemde de viool,
+die hij onder den arm droeg.
+
+"Kom aan, muziek!" zei Veervlug: "dat is goed; dan kunnen wij ons
+eten op de maat in den mond brengen."
+
+De jonge man begon een dier stukken uit te voeren, die men aan alle
+publieke tafels in Duitschland hoort.
+
+"'t Is wat nieuws," zei De Morder. "Kastelein, je tracteert ons op
+beroerde muziek."
+
+"Het is eene ongelukkige familie," antwoordde deze; "daarom laat
+ik ze nog al eens aan de tafel toe. Die jonge man is van eene zeer
+fatsoenlijke familie uit Zurich, en de vrouw, die hij bij zich heeft,
+is zijne moeder. Haar man had, bij zijn sterven, zijn vrij groot
+vermogen tusschen hen beiden verdeeld; maar zij heeft eerst haar
+eigen goed en toen dat van haren zoon op eene schandelijke wijze
+verteerd; later raakte zij ook aan den drank verslaafd, en haalde
+zich door hare liederlijke levenswijs de verachting van iedereen op
+den hals. De zoon was aan een meisje van eene ordentelijke familie
+verloofd; maar zij verlangde van hem, dat hij zijne moeder aan haar
+lot zou overlaten. Deze had toen juist het laatst van zijn vermogen
+verteerd, en nu wilde de zoon haar niet aan armoede prijs geven; en
+daarom offerde hij zijn geluk--want het meisje wilde nu niets meer
+van hem weten--om den wil zijner moeder op. De arme jongen! want in
+plaats van hem uit dankbaarheid naar de oogen te zien, behandelt zij
+hem nog schandelijk, en verteert het geld, dat hij zoo zuur verdient,
+in dronkenschap. Ik wou dat ik hem maar van haar los kon krijgen."
+
+De jonge muzikant was, toen hij de aanmerking van De Morder hoorde,
+bloedrood geworden. Helaas! hij herinnerde zich den tijd, toen
+iedereen hem om zijn middelmatig muzikaal talent toejuichte; maar
+toen immers was hij rijk, en beoefende de edele kunst niet als eene
+kostwinning. Doch toen nu de kastelein zijne geschiedenis verhaalde,
+en hij de uitdrukkingen hoorde, die deze zich omtrent zijne moeder
+veroorloofde, werd hij doodsbleek, en pijnlijke tranen kwamen in
+zijne oogen. Hij wilde teruggaan; maar zijne moeder hield hem tegen,
+en beet hem onvriendelijk toe: "Komaan! kunt ge niet meer spelen?"
+
+"Het spijt mij, dat ik het gezegd heb," zei De Morder; "maar ik kon
+ook niet weten, dat hij een fatsoenlijk mensch was."
+
+"En gij vondt zeker de vrijheid," zei Van Aartheim, "om het eergevoel
+van een minder fatsoenlijk mensch te kwetsen?"
+
+Van Aartheim scheen niet van oordeel, dat gemeene menschen geen
+eergevoel kennen.
+
+Een weinig later ging de muzikant met zijn hoed in de hand bij het
+gezelschap om. Van Aartheim had hem met belangstelling en innig
+medelijden gadegeslagen. Misschien wist ook hij, hoeveel men soms om
+den wil eener moeder moet opofferen. Toen de jongeling hem naderde,
+wierp hij niet alleen ongemerkt een ruime gift in den hoed, maar
+drukte tevens met hartelijkheid zijne hand.
+
+Op nieuw sprongen de tranen uit de oogen van den jongen man; maar nu
+waren zij hem toch zoo pijnlijk niet als daar even.
+
+De familie Hunshow zag Van Aartheim met bevreemding aan. Deze deelde
+haar de geschiedenis van den ongelukkige mede, zoo als hij die van
+den kastelein gehoord had.
+
+"Een zeldzaam voorbeeld van kinderlijke liefde," zei de Engelschman.
+
+"Maar gelukkig een nog zeldzamer van moederlijke ontaardheid en
+verhardheid," voegde Mary er bij.
+
+Toen het armoedige paar de zaal verliet, zag de moeder met woeste
+vreugd de ruime collecte na; de zoon sloeg nog eens eenen dankbaren
+blik op Van Aartheim.
+
+Een schuitje wachtte nu het gezelschap, om den tour over het meer naar
+Zurich te maken. De togt werd door het heerlijkste weder begunstigd. Op
+het lieve schiereiland Au stapte men voor een oogenblik aan wal,
+en Torteltak deed zijnen vrienden het genoegen, de heerlijke Ode van
+Klopstock, _der Zürchersee_, te reciteren. Het was laat, toen men in
+het _Hôtel de l'Epée_ terugkwam, waar de vrienden van de Hunshows,
+die nu eenen anderen weg dan zij heenreisden, moesten afscheid nemen,
+in de verwachting evenwel van ze te Geneve weêr te zien.
+
+Den volgenden morgen vertrokken de voetreizigers in eene calêche
+over den Mont-Albis naar Zug, waar het bijna altijd mistig en slecht
+weêr is, en waar de regering, om de nagedachtenis der burgers eer te
+bewijzen, en de bedroefde betrekkingen der overledenen te troosten,
+de doodskoppen, zoodra het vleesch genoegzaam tot ontbinding is
+overgegaan, met de namen van hen, wien zij toebehoorden, op den
+schedel geplakt, in eene traliekast ten toon stelt.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII.
+
+ Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen
+ zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien
+ opgaan.
+
+
+Voor het logement _de Zwarte Arend_, te Art, stonden reeds langer dan
+een half uur Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden in volkomene
+besluiteloosheid wat te doen. Zij waren daar van Zug aangekomen met
+het vaste plan om den Rigi te beklimmen, en zouden reeds terstond
+dit voornemen hebben ten uitvoer gebragt, zoo niet de drijvende
+wolkjes, die zij vóór eenige uren ontdekt hadden, tot dikke wolken
+waren aangegroeid, en zich zoodanig om de kruin des bergs hadden
+vastgehecht, dat men verzekerd kon wezen, op den top geen uitzigt te
+zullen hebben dan in den digten sluijer, die het landschap overdekte
+en de communicatie van het heldere zonlicht met het frissche groen
+en het doorschijnend water afsloot. Wel konden zij, zonder zich
+hierover te bekommeren, den togt aanvangen; maar zij liepen gevaar
+eene vruchtelooze reis te maken, en het hemelsche vocht, dat tot
+verfrissching van gras en geboomte bestemd was, in hunne kleederen op
+te vangen. Zij hadden reeds de zekerheid het heerlijke schouwspel te
+zullen missen, als de zon, achter het blaauwe gebergte neêrzinkende,
+bij haar afscheid een purperen gloed om zich heen werpt; als die
+gloed zich langzamerhand aan de valleien onttrekt, maar nog een krans
+van warme en bonte kleuren om de witte en koude toppen van het hooge
+gebergte slingert, totdat ook deze weldra in schemering verkwijnen en
+in duisternis versterven; maar aan den anderen kant, de wolken konden
+in den nacht in regen worden opgelost, en hoe heerlijk zou dan, van
+den hoogsten top des Rigis, het opgaan der zon over het verfrischte
+landschap te aanschouwen zijn!
+
+De kastelein uit _de Arend_, om redenen, hem bekend, liever de
+heeren nog niet willende afstaan, recommandeerde tot schâvergoeding
+den zonsopgang over het Zugermeer, uit zijn logement gezien; en
+Pols inclineerde hiertoe al spoedig, mits men, om toch ook een
+ruim uitzigt te hebben, eene bovenkamer nam; maar Aloys Stadler,
+een jeugdig winkelier in zwam, vuurslagen en tonderdoozen te Zug,
+doch wiens nering minder winsten aanbood, dan het rondzwerven door
+het gebergte als gids van rijke vreemdelingen, vreezende dat, zoo de
+reis heden niet doorging, het zestal hem ontsnappen zou, en hij voor
+niet zijn besten groenen rok, leverkleurigen pantalon en vuurroden
+parapluie uit de kast zou hebben gehaald, bestreed dit voorstel met
+warmte en kracht, door de verzekering te geven, dat in het gebergte na
+regen altijd droog weêr volgt. Dit argument wist de kastelein niet te
+weêrleggen, en ook de vrienden verkozen het in deze maar voor alles
+afdoend te houden.
+
+"Welaan dan, met moed!" riepen zij uit; de veldflesschen werden met
+_kirschwasser_ gevuld, en de vreemdelingen met Alpenstokken, en de
+gids met zijn rooden parapluie gewapend, begonnen den togt.
+
+Het eerste uur gaans, wanneer men den Rigi van deze zijde beklimt,
+loopt door weiden en bosschen, en de helling is zeer geleidelijk. Men
+maakte dus de aanmerking reeds, dat de Alpenstokken heel wat meer
+last dan gemak geven, en Veervlug begon over te hellen om aan de
+afleiding van den naam des bergs van _Regina Montium_ boven dien van
+_Mons Rigidus_ den voorkeur te geven. Stadler evenwel raadde hem aan
+om zich niet met die afleidingen te vermoeijen, want dat zoo lang hem
+en zelfs zijn vader, die ook gids geweest was, heugde, de berg nooit
+een anderen naam dan Rigi had gedragen.--Het weêr hield zich beter
+dan men gedacht had, en zonder tegenspoed bereikte men _das untere
+Dächli_. Het uitzigt van dit punt is reeds schoon en ruim, en werd,
+toen zij er aankwamen, genoten door een heer van omtrent 50 jaren. Hij
+scheen in gepeins verzonken; maar op het zien der reizigers stond hij
+eensklaps op en zeide: "Schoon niet waar? Ik zou wel plan hebben om
+dit punt uit te teekenen."
+
+"Wel, doe het eens, Mijnheer!" zei Torteltak; "ook nu met dit sombere
+weder kan het een heel bevallig schilderijtje opleveren."
+
+"Ja maar," zei de ander, "ik kan niet teekenen. Maar ik wil, zoodra ik
+te huis kom, een meester nemen; en als ik de kunst onder de knie heb,
+hier nog eens weêrom komen. Een leelijk gebrek in mijne opvoeding,
+dat ik het niet geleerd heb. Als ik eens kinderen krijg, zal ik daar
+beter in voorzien."
+
+"Ik wil u niet tauxeren," zei Torteltak; "maar daar behoort nog al
+iets toe, om zoo iets onder de knie te krijgen."
+
+"Dat is niets, Mijnheer! vlijt en langdurige oefening kunnen daarin
+veel te gemoet komen. Ik verbeeld mij, als ik eens een jaar of twaalf
+in een _atelier_ doorbragt, en dan eens een Italiaansch kunstreisje
+maakte, dat ik een heele bol kon worden. Dan verkocht ik mijne affaire,
+en ik zou, geloof ik, nog wel naam kunnen maken als schilder. Doch
+ik heb geen plan om de jonge schilders in hunne fantastische
+kleedingswijze te imiteren, maar wel in hunne vrolijkheid. Ik gevoel
+dat ik aanleg heb om schilder te worden; want ik ben altijd vrolijk."
+
+Torteltak recommandeerde zich, om dan ook bij gelegenheid zijne
+kunststukken eens te mogen zien, en de oude heer gaf hem terstond
+zijn adreskaartje.
+
+Boven _das untere Dächli_, waar de beschilderde kruisen den weg in
+stations verdeelen, tot aan de kapel van _Maria zum Schnee_, wordt de
+weg steiler en moeijelijker. "Het spijt mij," zeide de oude heer, "dat
+ik het plan, dat ik had, toen ik hier de laatste maal was, om eenen
+straatweg over den Rigi aan te leggen, niet ten uitvoer heb kunnen
+brengen. Dat zou het beklimmen merkelijk gemakkelijker gemaakt hebben."
+
+"Ik wou dat gij het gedaan hadt," zei De Morder, "want het is nu
+in het geheel geen weg voor een fatsoenlijk man; zelfs met deze
+miserabele stokken heeft men nog ieder oogenblik kans, om armen of
+beenen te breken."
+
+"'t Spijt mij ook," zei de oude heer; "maar ik werd gecontrarieerd;
+niemand wilde acties nemen, en mijne middelen lieten het niet toe,
+om het geheele geval voor eigen rekening te nemen. Dat heeft mij al
+meermalen gehinderd in het uitvoeren van waarlijk goede plannen. Hier
+in mijn portefeuille heb ik nog een project, om den loop van den Rijn,
+bij den waterval van Schaffhausen, te verleggen, door het graven
+van een kanaal van boven de stad tot aan Rheinau. Dat zou den handel
+van Zwitserland verbazend bevorderen. Hier is het; zie het eens in,
+Mijnheer!" zeide hij, zich tot Van Aartheim wendende.
+
+"Het plan is mooi," zei deze, "maar het eenige, dat ik er op aan te
+merken heb, is, dat het onuitvoerbaar is."
+
+"Dat is mij meer gezegd," zei de oude heer, zonder zich eenigzins aan
+deze aanmerking te ergeren; "maar het is geen reden, om het niet eens
+te beproeven."
+
+Tot aan het vierde kruis, waar zich de weg van Lowerz met dien van
+Art en Goldau vereenigt, en waar de steilheid weêr vermindert, bleef
+het weder goed, schoon de donkerheid, door de wolken veroorzaakt, op
+de duisternis des avonds anticipeerde; maar toen begon een liefelijke
+regen in overdadige mildheid neder te vallen. De gids bediende zich
+van zijnen parapluie om droog te blijven, en raadde den reizigers
+van hunne stokken gebruik te maken, om spoedig aan het _Hospitium_
+te arriveren. Deze raad was evenwel gemakkelijker gegeven dan
+opgevolgd. De weg werd er door den regen niet beter om. Sommigen
+der reizigers begonnen te morren, zonder daarom de nederdaling des
+regens te stuiten; de anderen stapten zoo moedig voort, alsof er
+niets gebeurde; de oude heer zeide, dat hij wel plan zou hebben, om
+zijn mac-intosh uit zijn valies te halen, zoo hij dat niet ongelukkig
+te Zurich had laten liggen. Maar met dat al, de bui werd zoo hevig,
+dat in weinige oogenblikken aller kleederen doortrokken werden,
+en de omgebogen hoedenranden het water bij wijze van goten in den
+hals en langs den rug uitstortten. Gelukkig bood, na een eindweegs,
+eene overhangende rots eene schuilplaats aan, waar men ten minste
+eenige oogenblikken de bui kon afwachten.
+
+Een kleine vergoeding voor het doorgestane leed bood het uitzigt, dat
+men van hier op de vallei had. De lucht was, zoo ver men zien kon,
+met donkere wolken bedekt. Overal daalde de regen in dikke stralen
+neder; maar op één punt was de lucht gebroken, en in het midden der
+graauwkleurige landstreek zag men het schoone kleine meer van Lowerz
+in een helder licht, en het bevallige eilandje Schwanau, waarover de
+zon al haren glans scheen uit te storten.
+
+"Neen maar waarlijk," zei Pols, terwijl hij zijne natte wangen en
+voorhoofd afdroogde, "dit uitzigt is een gulden waard."
+
+"Ik zou wel plan hebben," zei de oude plannenmaker, "om hier een stukje
+lands te koopen en een koepel te bouwen; want het is hier een gezigt,
+waaraan men zich niet kan verzadigen."
+
+"Het zou een perfecte gelegenheid wezen voor een theetuin," zei Pols,
+wien het op eens inviel, welke aangename middagen hij in der tijd bij
+zijne tante te Rotterdam, die een theetuin in de Keerweerlaan had,
+plagt door te brengen.
+
+"Het is jammer, dat het voor u beiden wat ver van huis is," hernam
+Torteltak, die op het kaartje van den ouden heer gezien had, dat hij
+zijn domicilium te Stutgard hield.
+
+"Dat is niets," zei deze: "heeft Mijnheer geen zaken omhanden?"
+
+"Voorloopig nog niet," antwoordde Pols; "ik ben advocaat, maar ik
+practiseer niet."
+
+"Juist," zeide de ander, "dat is zoo goed als vrij man: dan moesten
+wij zamen op dat eilandje Schwanau eene fabriek oprigten van zoeten
+wijn, uit zure appelen getrokken; dat kan hier wel opnemen, want de
+wijn is in deze streek niet best."
+
+Pols glimlachte en zeide, dat hij zich nog eens bedenken zou. Hij
+dacht in zichzelven: "Wat zou Mijntje wel zeggen, als ik haar eens
+proponeerde om naar Schwanau te verhuizen!"
+
+Omstreeks zeven ure bereikte men het _hospice_ en de woning der
+Capucijnen: men had zich genoodzaakt gezien, de reis te vervolgen,
+voordat de regen geheel ophield, daar de bui het air had nog niet
+spoedig te zullen overdrijven. Een oud eerwaardig vader ontsloot de
+deur en bood den reizigers verkwikking aan; hij leidde hen daarna rond
+in het kleine gebouw, en introduceerde hen ook in zijne enge cel. Het
+zag er treurig uit in dat bouwvallig vertrekje; het was maar gelukkig,
+dat de kleine glasruitjes weinig licht toelieten om deze vervelooze
+wanden en halfvermolmde meubels te beschijnen; maar toch, de Capucijner
+zeide nog met zeker welgevallen: "Ziet, deze kamer is de mijne."
+
+"Zij is waarlijk niet te ruim en te gemakkelijk," zei De Morder.
+
+"Ik zou mij hier gruwelijk vervelen," zeide Pols: "des zomers zou
+het nog gaan, als er veel vreemdelingen komen; maar 's winters moet
+het hier al akelig eenzaam wezen."
+
+"Ik zou wel plan hebben ook een klooster te laten bouwen, als zoo
+iets bij de Lutherschen mode was," zeide de oude heer; "maar ik zou
+het alles wat op een grooter en ruimer voet inrigten, en wat meer
+gelegenheid tot amusementen geven, om de eentonigheid te verminderen."
+
+De Capucijner glimlachte. "Gij zoudt er anders over denken," zeide hij,
+"indien gij, zoo als ik, 60 jaren in deze cel gewoond hadt. Wat zou ik
+hier meer verlangen? Is het hier niet ruim genoeg voor mij alleen? Heb
+ik niet mijn kruisbeeld en mijn gebedenboek? En als ik 's avonds
+den helderen hemel uit mijn venster aanschouw, zie ik dan niet mijne
+toekomstige woning daar, nog hoog boven die maan en sterren? Zegt mij,
+hebt gij in uwe ruime zalen en prachtige steden een helderder uitzigt?"
+
+"Ik zou het lot van dien monnik in zijne enge cel begeerlijk kunnen
+vinden," zei Van Aartheim tot Torteltak.
+
+"Ik ook," zei deze; doch terwijl hij het oog sloeg op zijn fijne
+polonaise, dacht hij: "Maar toch die grove pij; het is al te erg."
+
+Op de Rigistaffel werd niet gepoosd, schoon De Morder, die vrij
+vermoeid was, eene motie deed om hier te blijven, daar hij niet
+wist waarom de _Kulm_ ook juist hooger dan de _Staffel_ moest
+wezen. Gelukkig kwam weldra het _Wirthshaus_ van Burgi Ritschard
+in het gezigt; want het werd zeer duister, en de regen hield nog
+gestadig aan, schoon nu nog al met sneeuw vermengd. Het laatste eind
+was echter het glibberigst, en het noodlottig gevolg hiervan was,
+dat Holstaff, die in gepeins verzonken voortwandelde, uitgleed en
+zijwaarts in een vijf à zes voeten diepen kuil viel. De eerste kreet
+van den ongelukkige was: "Hemel! ik val in den afgrond!" maar de tweede
+bragt de geruststellende tijding over, dat hij slechts zijne beenen
+gebroken had, en dus onmogelijk een voet verder verzetten kon. Pols,
+heel confuus, maar toch dadelijk hulp willende aanbrengen, vroeg
+aan den gids, waar hier ergens de beste chirurgijn woonde. Aloys
+Stadler antwoordde heel bedaard, dat hij de keuze had tusschen Zug
+en Lucern. De andere vrienden staken de handen uit, en namen den
+ongelukkige tusschen zich, die hun weldra verzekerde, dat hij geloofde,
+slechts een zijner beenen gebroken te hebben, maar dat hij nog onzeker
+was, welk van beiden. Hij klaagde tevens over eene hevige wondkoorts,
+die hem terstond geattaqueerd had, en die, zoo hij de beenbreuk al
+overleefde, hem zeker wel langzamerhand zou ondermijnen. De vrienden
+troostten hem zoo goed zij konden. Pols stapte met Stadler driftig
+vooruit, om vast alles in het logement te prepareeren, en vernam
+van dezen, dat zijn vriend er toch nog beter afgekomen was dan de
+_Königlich Preusische Oberförster_, Friedrich Wilhelm von Bornstett
+_aus Rathenow_, die anno 1826, een weinig hooger op, in eene diepte
+gevallen was van ongeveer 2000 voet, en zijne _Frau Gemahlin_ als
+weduwe in het _Kulmhaus_ had achtergelaten.
+
+"Wij komen met een zieke," zei Pols tot den kastelein, "iemand
+die bijna doodgevallen is; dus zouden wij gaarne eene goede kamer
+hebben, maar liefst niet voor aan 't huis, waar de drukte van
+de passage is." De kastelein was in de gelegenheid hem van dien
+kant gerust te stellen, en raadde hem aan, om maar in de groote
+zaal intrek te nemen, omdat daar een warme kagchel stond en die
+nu geheel tot hunne dispositie was. Weldra volgde de lijder, door
+vier vrienden ondersteund, telkens bij het neêrzetten zijner beenen
+onderzoekende, welk toch gebroken was, en nog immer in dezelfde
+pijnlijke onzekerheid. Van Aartheim raadde hem voorloopig maar te
+gaan zitten, en schreef een preparaat voor, dat den lijder in de
+koorts en hun allen tegen den schrik dienstig zou zijn, uit een
+mixtuur van Jamaica-rum, citroenen en suiker, aangelengd met kokend
+water, bestaande. Holstaff werd ontkleed en kreeg drooge kleêren
+van den kastelein; de gekwetste leden werden onderzocht; doch de
+wonden schenen, oppervlakkig beschouwd, alleen de spieren getroffen
+te hebben, die hier en daar van vel ontbloot of met bonte kleuren
+geteekend waren. Pols, een weinig gerustgesteld, had het genoegen,
+ditmaal den door hem meêgevoerden Spijkerbalsem te _zien_ appliceren.
+
+Terwijl ook de andere vrienden zich zoo veel mogelijk in drooge
+kleederen staken, vroeg Holstaff om papier en pennen; hij wilde
+nog een brief aan zijne ouders schrijven, en vond het beter, dit nu
+maar te doen, terwijl hij nog present was. Hij begon ook dadelijk
+met bevende hand en vochtige oogen: "Lieve ouders! als gij dezen
+ontvangt, is welligt..."--"Hier is een drankje," zei van Aartheim,
+hem een glas rookenden punch aanbiedende; "om het half uur een
+glaasje." Holstaff dronk het glas in één teug leêg, en ging daarna
+voort met schrijven; "uw levensgeluk verstoord."--"Hoe gaat het
+met de koorts?" vroeg Torteltak.--"Akelig," zei Holstaff; "ik begin
+schrikkelijk te gloeijen."--Hij legde de pen neêr, en voelde zichzelven
+den pols.--"Kom, je moest nog maar eens innemen," riep van Aartheim;
+"het eerste glaasje was niet vol."--Holstaff nam den aangeboden drank
+weêr heel gewillig in, en ging toen voort: "Een mijner vrienden zal
+u mededeelen... Wie uwer," vroeg hij snikkende, "wil zich met den
+brief aan mijne ouders belasten?"--"Komaan!" zei Pols; "je moet zoo
+akelig niet praten."--"Wou Mijnheer een brief naar Holland bezorgd
+hebben?" vroeg de oude heer: "ik heb plan, als alles wel lukt, binnen
+kort een reisje derwaarts te ondernemen."--Holstaff bleef in gedachten
+verzonken, totdat hij eindelijk, na nog een glaasje punch gedronken
+te hebben, zijne vrees openbaarde, dat hij waarlijk onpresent zou
+worden. En werkelijk, weldra stond hij op, en zonder aan het gevaar
+te denken, waaraan hij zijne gebroken beenen exponeerde, liep hij
+met groote stappen op en neder, jammerde, dat hij zijn brief niet had
+afgeschreven, voordat de koorts zoo hevig werd. Torteltak raadde hem
+troostend aan, om de boodschap bij den retour maar in persoon over te
+brengen; en de ongelukkige lijder, geen beteren troost bij een der
+vrienden vindende, zocht, door zich op een matras neder te vlijen,
+heul en kalmte in de rust des slaaps.
+
+Zijn voorbeeld werd door de anderen spoedig gevolgd; geen hunner
+scheen lust te gevoelen om de koude bovenkamers te betrekken, en dus
+werd de warme gezelschapszaal tot slaapvertrek ingerigt. De kastelein
+beloofde, zoo het noodig was, hen bij tijds te zullen wekken, en in
+de overtuiging hiervan sliepen zij gerust in.
+
+Een half uur vóór zons-opgang gaf de wachter op de Belvedère het sein,
+dat de regenwolken waren weggedreven, en de morgen helder en schoon
+was. Haastig gaven de reizigers en ook Holstaff, die nog niet dood was,
+aan die roepstem gehoor, en wachtten van het hoogste punt des bergs,
+trillende van ongeduld, maar nog meer van koude, de aankomst van
+de zon af. Daar zagen zij langzamerhand in het oosten... maar wij
+willen maar niet trachten te beschrijven, wat wij zagen. Honderden
+reisbeschrijvers hebben getracht dit tafereel met levendige kleuren
+te malen, en hoe schoon zij het ook gedaan hebben, zij eindigen allen
+met te zeggen, dat het er eigenlijk nog niets naar gelijkt; honderd
+anderen hebben er zich afgemaakt, met te verklaren, dat geen mensch
+in staat is, er eene flaauwe schets van te geven. Wij zullen, na die
+afdoende uitspraak, maar niets anders zeggen dan dat de zon extra
+mooi opging, dat het geheele panorama zich in zijne volle schoonheid
+vertoonde, dat het opkomende licht weêr een heerlijk effect maakte
+op de vallei aan de eene en de sneeuwbergen aan de andere zijde,
+en dat de kastelein zijne gewone morgenverklaring aflegde, dat de
+reizigers het uitmuntend troffen, want dat hij de zon nog nooit zoo
+mooi had zien opgaan. De verrukking der vrienden was uitermate groot;
+daar waren er, die, diep ontroerd van het heerlijk schouwspel beneden,
+hunne oogen aanbiddend omhoog sloegen; daar waren er, die met hun
+guide in de hand, de meren natelden, of zij er wel alle dertien op
+hun post waren, en die bij elken toren, welken zij zagen, getrouw
+informeerden, aan welke stad of dorp die toebehoorde; anderen weder
+riepen, bij het zien van een zoo groot gedeelte van Zwitserland,
+de schimmen op der Zwitsersche helden, van Divicon af, die eerst als
+jongeling de legers der Romeinen versloeg, en vijftig jaren later,
+Julius Caesar in het aangezigt weêrstond, tot de lange rij van dapperen
+toe, die in de 14e eeuw de vrijheid van hun Vaderland tegen tiendubbele
+magt bevochten; van Tell en het driemanschap van den Grutli, van de
+Erlachs van Donnabuhl en Laupen, van de dappere Schwytzers, die zich
+bij Morgarten onsterfelijke lauweren gaarden, van Ryzig en Chaldor,
+de Tells van Appenzell, van Winkelried, die bij Sempach de speren der
+vijandelijke ruiters op zijn eigen hart verzamelde, om zijne vrienden
+de overwinning te verzekeren; daar waren er, die, zich in vrouwelijken
+heldenmoed verdiepende, de gade van Werner Stauffacher aanriepen,
+welke zelve haren man het zwaard in handen gaf, om de vrijheid van
+het Vaderland te bevechten; en de dappere vrouwen en meisjes, die
+door hare tegenwoordigheid alleen de Oostenrijkers verdreven, op den
+berg Stoss terugwenschten; die beurtelings de zachte Julia Alpinula
+aan de voeten van den Romeinschen Veldheer, het leven van haren vader
+afsmeekende, en de wanhopige Helvetische vrouwen bewonderden, welke,
+uit vrees haar kroost slaven te zien worden, hare zuigelingen tegen
+de casques der vijanden verpletterden; daar waren er, die morden,
+omdat zij Zwitserland een weinig te laat bezochten, om de prachtige
+steden Aventicum en Vindonissa in haren grootsten bloei te zien; daar
+waren er, die plan zouden hebben, om op dit uitzigt een vers te maken,
+indien zij het door langdurige oefening zoo ver konden brengen, dat
+zij geboren dichters werden; en eindelijk, die het allercharmantst,
+maar toch verbazend koud vonden.
+
+Toen zij eenige uren later den Rigi naar Kussnacht afdaalden,
+bejammerde niemand hunner het, dat zij dezen morgen met het natte
+pak van gisteren avond hadden moeten loopen; en zelfs Holstaff was
+niet meer treurig, dat het effect, 't welk zijn laatst vaarwel bij
+zijne ouders zou gemaakt hebben, door zijn al te spoedig herstel
+vernietigd was.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIX.
+
+ Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste dagen van
+ zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen bitter
+ wordt teleurgesteld.
+
+
+Het is wel aangenaam voor vreemdelingen, in een hotel te logeren,
+dat in eene niet al te breede straat gelegen is; want indien er in
+zulk een straat nog al veel passage is, dan noemt men het een vrolijke
+stand; dan kan men, op eene bovenkamer logerende, als men zijn ligchaam
+ter halverwege uit het venster steekt, verscheidene menschen op het
+hoofd zien, en eene aangename en bonte verwarring van vilten, stroo-
+en zijden hoeden ontwaren; men heeft daarenboven den vrijen inkijk bij
+de overburen, kan zich vermaken met het gezigt van heeren, die hunne
+kin en wangen voor een scheerspiegeltje inzeepen; van dames, die een
+kastanjebruinen tour over vuurroode haren vastbinden; van moeders, die
+hare geluijerde lievelingen in zulk eene positie plaatsen, dat zij zich
+bont en blaauw moeten schreeuwen; van oudere telgjes, die figuurtjes
+op de glasruiten duimelen, en, als zij u ontdekken, dikwijls gereed
+zijn u de inspectie hunner tongen te vergunnen; van dienstmeisjes,
+die uit het raam van een bovenvertrek een luchtje scheppen, eene
+bezigheid, waaraan zij bij hare mevrouwen den veelbeteekenenden
+naam geven van eene kamer op te ruimen; indien verder de familie
+in eene voorkamer dejeuneert, kan men opmerken, hoe oneindig veel
+aftreksels men van eene zeer geringe dosis thee kan maken, en hoe
+groot een aantal boterhammen de kinderen aan groote brokken in den
+mond en kruimels op den grond kunnen consumeren. Men ziet dan schrale
+en overdadige _dejeuners_, met slappe thee of met sterken Portwijn,
+met magere boterhammetjes of met _foie gras_, met beefstuks of met
+pillen; ja, daar zijn logementen, waar men de overburen met gloeijende
+en saprijke sleep-asperges ziet ontbijten.
+
+Dit genoegen misten onze reizigers in het _Hôtel du Cygne_ te Lucern,
+daar dit logement ongelukkig niet in eene straat, maar aan het _Lac
+des quatre Cantons_ is gelegen. Zij moesten zich dus vergenoegen met
+het uitgestrekte uitzigt over het blaauwe meer, tot waar het zich
+bepaald ziet door de bevallige heuvelen, rijk met dennen en ander hout
+begroeid; daar achter zagen zij de lange bergketen van den vruchtbaren
+Rigi met welig groen omzoomd, tot de sombere rotsen van den Pilatus,
+tegen wier spitsen zich de wolken braken; het hoog en frisch geboomte
+spiegelde zich in het helder doorschijnend water; vruchtbare velden
+waren als een bloemenkleed tegen de helling des bergs uitgespreid,
+en gaven eene aangename afwisseling aan het oog, dat in het verder
+verschiet gerust had op de hooge bergrotsen, wier naaktheid alleen
+door een sneeuwgewaad wordt bedekt.
+
+Het kostte den vrienden weinig moeite om het den kastelein te vergeven,
+dat hij aan deze plaats tot de oprigting van zijn etablissement de
+voorkeur gegeven had boven de enge straten der stad. Moesten zij
+zich al vergenoegen met het gezigt op bergen en meren, waar zich
+slechts weinige menschen bewogen, in plaats van een groot aantal
+hunner natuurgenooten in een klein bestek bijeen te zien; welnu, het
+stond hun vrij hunne verbeelding den vollen teugel te laten, en het
+liefste plekje, dat zij voor zich zagen, met die zij het liefst om
+zich wenschten te bevolken. Het is een privilegie van den reiziger,
+om eene landstreek, die hem bij uitstek bevalt, de zijne te denken, en
+op die manier kan hij eigenaar zijn zonder kooppenningen te betalen,
+en een talrijk gezelschap honderden mijlen ver overvoeren zonder een
+stuiver reisgeld uit te geven. Het is een privilegie, waarvan vooral
+jonge menschen, die in de kracht van hunnen wenschleeftijd zijn, die
+nog niet al te veel in de wereld der wezenlijkheid te huis behooren,
+en door een lange tehuisblijf-onderving tot het resultaat gekomen
+zijn, dat er geen land beter is dan het hunne, en in dat land geen
+plekje aangenamer dan juist dat, waar zij wonen, nog al eens gebruik
+maken. Zij doen echter wijs, indien zij deze droomen en jeugdige
+voorstellingen in hun eigen borst bewaren, en ze vooral niet aan
+menschen, die wijs en van ondervinding zijn, meêdeelen; want velen
+hunner zijn voorkomend genoeg, om den jeugdigen gloed, dien de tijd
+langzaam en behoedzaam verkoelt, door hunne ijskoude aanmerkingen op
+eenmaal uit te blusschen.
+
+Daar waren er zeker onder de vrienden, die allen, met uitzondering
+van Pols, reeds een geruimen tijd in den morgen op het balkon van het
+hotel hadden neêrgezeten, wie de landstreek, op welke zij het uitzigt
+hadden, tot zulke bespiegelingen aanleiding gaf. Zij hadden daarom
+ook naauwelijks opgemerkt, dat hun waardige vriend heden tegen zijne
+gewoonte laat uit zijne slaapkamer te voorschijn kwam, en misschien zou
+zijne aankomst in hun midden nog niemands aandacht getrokken hebben,
+zoo niet een extra glans van genoegen en de bijzondere sierlijkheid
+zijner kleeding al te in het oog loopend was geweest. De blaauwe jas
+toch had heden voor een zwarten rok plaats gemaakt; een uitvoerige
+jabot kwam uit een wit vest te voorschijn, en een zomerpantalon
+met roode streepjes (een patroontje, dat hem zijn kleêrmaker in
+der tijd, als zeer gedistingueerd, had aanbevolen) voltooide zijn
+kostuum; een treffend schoon horlogiebandje, met kraaltjes gewerkt,
+hing over het vest, en eindigde in een kolossalen gouden sleutel,
+opgevuld met menschenhaar, afkomstig van de hoofden van de oude lieden
+Polsbroekerwoud en den jeugdigen Joachim zelven, voorgesteld onder
+de gedaante van twee kirrende tortels en een jong duifje op den rand
+van het nest.
+
+Geen der vrienden kon de oorzaak bevroeden dezer belangrijke
+gedaanteverwisseling. Pols was bij hen te wel bekend, als weinig werk
+makende van zijn toilet; en schoon ook nu zijn dos alles behalve
+datgene was dat men een goede kleeding noemt, hij scheen het er op
+toegelegd te hebben, om eens mooi voor den dag te komen. De goede
+man werd dus dadelijk met allerhande vragen bestormd, en had de
+satisfactie van werkelijk effect te maken. In het eind gaf hij te
+kennen, dat deze feestkleeding zijn gewone was op elken 22sten Juli,
+als zijnde de belangrijke dag, waarop hij het eerste levenslicht had
+gezien. Een stroom van gelukwenschen daalde nu neder over het hoofd
+van den jarige, en men juichte hem toe wegens den inval om zich dezen
+dag zoo feestelijk te tooien.
+
+Deze uitdrukking was maar half in den geest van Pols. Hij was zoo
+gewoon den dag, waarop hij geboren was, jaarlijks plegtig te vieren, en
+hij had van zijne vroegste jeugd altijd zoo velen om zich gezien, die
+dan in feestelijke stemming waren, dat het hem bijna vreemd voorkwam,
+dat er menschen zouden kunnen bestaan, die den 22sten Juli niet als
+een merkwaardigen dag beschouwden. Hij kon het zich nog voorstellen,
+hoe hij als een klein kind op dit feest altijd zijn beste pak mogt
+dragen; hoe hij 's morgens bij zijn ontwaken voor zijn bedje een
+grooten koek zag liggen, met eene inscriptie _ter uwer verjaring_,
+_op uwen geboortedag_, _tot gelukwensching_, of iets dergelijks, en
+hoe dan de persoon, die hem deze verrassing bereid had, niemand anders
+dan zijn goede Mijntje, het oogenblik van zijn ontwaken bespiedde,
+om zijne vreugd te genieten; hoe hem dan beneden van vader en moeder
+teedere omarmingen en warme kussen wachtten, en hoe hij begeerig
+zijne oogen naar de tafel opsloeg, waar de feestgeschenken lagen
+uitgespreid; hoe hij nooit op dien dag naar school behoefde te gaan,
+maar zelf naar het afgebrande huis mogt wandelen, om besten _janhagel_
+te koopen, waarop neef en nicht Van Kroesen en oom en tante Molslag
+en Jansje uit de Lommerdstraat, als zij hunne gelukwenschen hadden
+uitgestort, werden getracteerd. Hij stelde zich nog de avonden van die
+feestdagen voor, waarop hij met dat lieve Jansje en nog een paar andere
+nichtjes huishoudentje speelde; want in zijne kinderjaren behaagde
+hem de conversatie met meisjes oneindig meer dan die met zijne woeste
+kernuiten, aan welke hij dikwijls een blaauw oog of een bloedneus te
+danken had. De verjaardagen uit dezen tijd van zijn leven stonden onzen
+vriend het duidelijkst voor den geest, en gaven hem de genoegelijkste
+herinneringen. Maar later toch ook waren het aangename feesten; de
+_cadeaux_ werden langzamerhand grooter. Zijn vader schonk den leerzamen
+jongeling bij zulke gelegenheden menig solied boekwerk: Van der Aa,
+_Geschiedenis van den Oorlog_; Kok, _Vaderlandsch Woordenboek_, of
+dergelijken. Zijne moeder liet altijd een kolossalen tulband bakken;
+want ook de feesten werden deftiger, en Joachim wist zich reeds heel
+goed als held van de partij te houden. Gedurende zijn verblijf te
+Leyden plagt hij 's morgens eene uitgebreide waterchocolaadpartij te
+geven, en verder eene lieve _soirée_ aan zijne uitverkorenen, waar
+dan de stroopzolen en de peperkoek, die per pakschuit van Rotterdam
+arriveerden, werden genuttigd. Was het dus wonder, dat Pols, die nog
+nooit zijn verjaardag ongevierd had doorgebragt, zich ook heden te
+Lucern in zijne feestkleeding vertoonde?
+
+Helaas! dat het onschuldigst genoegen zoo vaak door de omstandigheden
+wordt verstoord! Moest juist heden een heir van onaangenaamheden en
+droevige voorvallen tegen den feestvierenden jongeling aanrukken? Moest
+al zijne vreugde vergald worden, en zijn vijfendertigste verjaardag
+met zwarte kleuren in zijn dagboek worden aangeteekend!
+
+Toen men zich op weg begaf, om de merkwaardigheden der stad in
+oogenschouw te nemen, moest men, daar het water van het meer door
+zwaren regen en dubbelen toevoer van de bergstroomen tot eene onmatige
+hoogte gestegen was, om uit het logement op de hoogere straten te
+komen, over planken en noodbruggen voortgaan, daar de weg voor het
+hotel geheel en al overstroomd was. Deze onaangenaamheid had evenwel
+voor Pols iets aangenaams, daar het hem onwillekeurig aan Rotterdam
+bij springvloed deed denken. Hij stapte dus vrolijk over de smalle
+planken voort; maar ziet, eene calêche, die door het water heenrijdt,
+passeert hem, en de onzachte beweging der paardenpooten in den
+stroom is oorzaak dat zijn hagelwitte jabot geheel door slijkspatten
+bezoedeld wordt. "Het is onaangenaam," zegt Pols; doch hij troost
+zich, en haalt zijn bonten zakdoek voor den dag, om de ramp zoo veel
+mogelijk te herstellen. Maar helaas! door de te hevige wrijving met
+den doek springt het beeldschoone horlogiebandje los, en de gouden
+sleutel, met de zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksgeluk
+zijner ouders, ploft eensklaps in het water. Dit is te veel! Schrik en
+droefheid betwisten zich het regt over des jongelings gelaatstrekken;
+maar zijn besluit is spoedig genomen; hij bukt, waagt zijn geheelen arm
+en het beste ongedecartiseerde laken aan het modderige vocht--en niet
+te vergeefs; want hij redt het voorwerp, dat hem van onberekenbare
+waarde is; maar ach! door den val is het glas gebroken, en de haren
+projectilen zijn van haren glans en zuiverheid beroofd. Treurig slaat
+Pols zijn oog er op, maar terstond is hij weêr met den zakdoek gereed;
+hij wil de vochtige vleugels der diertjes zachtkens afdroogen; doch
+hij berekent niet, dat haar eenige hechtsel aan het plaatje lijm is,
+en zijne verbazing grenst aan wanhoop, toen hij bemerkt dat de veertjes
+aan den doek kleven. Gelukkig is nog slechts het duifje op het nest
+gewond; dit verlies is nog beter te herstellen, dan wanneer een der
+kirrende tortels eene kwetsuur had ondergaan. Behoedzaam draagt hij
+de schilderij dus naar het logement terug, in hoop dat de vochtigheid
+verder aan de arme dieren geen letsel zal doen. Dit was de eerste ramp,
+die Polsbroekerwoud op zijnen vijfendertigsten verjaardag trof.
+
+Na eenige uren in het bezigtigen der inrigtingen binnen de stad te
+hebben doorgebragt, bezochten de vrienden ook de plaats, waar de
+beroemde Leeuw van Thorwaldsen te zien is. Dit waardige gedenkteeken
+van den heldenmoed der Zwitsersche garde, te Parijs in 1792 betoond,
+wekt, door het eenvoudige en poëtische der gedachte van den grooten
+meester, aller bewondering op, en zoo het dienen moet om den moed
+en trouw der brave Zwitsers in het geheugen te bewaren en aan de
+nakomelingschap over te brengen, het is verwonderlijk hoeveel meer het
+monument vermaard is dan het moedig gedrag der helden zelf. Nu evenwel
+is de oude Zwitser nog als guide daar, om u het feit, waarvan hij zelf
+deelgenoot was, in het geheugen terug te roepen; en het is opmerkelijk,
+met hoeveel meer warmte en natuurlijkheid hij van de verdediging der
+Tuileriën spreekt, dan wanneer hij, om u op de schoonheid van het
+gedenkteeken aandachtig te maken, altijd dezelfde geleende woorden
+bezigt: "_L'expression du lion mourant est sublime; le tronçon de
+la lance qui l'a percé est resté enfoncé dans son flanc; il étend sa
+griffe redoutable comme pour repousser une nouvelle attaque; ces yeux
+à demi fermés, vont s'eteindre pour jamais, et cependant son regard
+semble menacer encore; sa façe majestueuse offre l'image d'une noble
+douleur et d'un courage tranquille et resigné._"
+
+Terwijl de vrienden een zijpad insloegen, om de rots, waarin de leeuw
+uitgehouwen is, van naderbij in oogenschouw te nemen, bleef Pols bij
+den ouden Zwitser, dien hij vond dat zoo aardig kon keuvelen, en van
+wien hij nog eens iets naders van de zaak wilde vernemen. Daarom de
+inscriptie van het monument nog eens overlezende en ziende _Fortissimi
+pugnantes ceciderunt Duces XXVI_, Milites circiter _DCCLX_, zeide
+hij tot den veteraan:
+
+"_Mais il y a beaucoup de morts la dessous._"
+
+De Zwitser keek hem verwonderd aan; hij kon zich geen denkbeeld
+maken, dat iemand eene rots van honderde voeten hoog, een soort
+van berg van het hardste steen, als eene simpele zerk beschouwde,
+die men op een graf gelegd had. "_Je ne comprends pas_," zeide hij,
+zijn hoofd schuddende.
+
+Pols begreep dat hij zich verkeerd had uitgedrukt; daarom het gesprek
+eenen anderen draai gevende, zei hij:
+
+"_Mais c'etait la une fameuse bataille aux Tuilleries._"
+
+"_Morbleu_," zeide de Zwitser, "_c'etait un carnage; nous étions un
+contre quatre._"
+
+"Dat was moordenaarswerk," riep Pols met verontwaardiging.
+
+Maar naauwelijks had hij dit woord uitgesproken, of hij voelde zich
+heel onzacht bij den schouder grijpen. Verschrikt zag hij om. Hij
+meende in het eerst, dat hij met een van de revolutionaren te doen
+had, die het in der tijd de Zwitsers zoo benaauwd hadden gemaakt,
+en prepareerde zich om eene verzoenende phrase in het midden te
+brengen, toen hij in den persoon, die hem aangreep, een der Franschen
+herkende, die hij in de Heidelbergsche _Schlossruïnen_ had ontmoet,
+en aan zijne zijde den anderen cavalier en de dame, welke nu in eene
+intime conversatie was met een Engelschman, die er alles behalve
+gedistingueerd uitzag. Pols wist niet, waar hij zich bevond, en
+indien de pijnlijke gewaarwording, door de onzachte aangrijping van
+zijn arm veroorzaakt, hem niet voor die dwaling behoed had, hij zou
+gemeend hebben te droomen. In het eerst wist hij niet wat te doen,
+zich bedaard houden of driftig opstuiven, toen hij, bedenkende,
+dat het voor de dame, die zich ten zijnen opzigte zoo vergist had,
+onaangenaam zou wezen hem te herkennen, besloot zich vreemd te houden,
+evenwel geheel alleen om harentwille; want hij was, na den goeden
+afloop der vorige historie, volstrekt niet bang meer. Maar hoe vreemd
+kwam het hem voor, toen op eens de dame zelve naar hem toekwam, en,
+hem ombeschaamd aanziende, lagchende zeide:
+
+"_Eh bonjour, mon cher Milord!_"
+
+"_Comment, Madame?_" zei Pols ontzet; want nu eerst werd het hem
+duidelijk, dat de dame mede in het complot tegen hem betrokken was.
+
+"_Lache!_" riep een der cavaliers hem toe.
+
+"_Poltron!_" begroette hem de andere.
+
+Onze vriend voelde zich het bloed naar 't hoofd stijgen; hij
+werd driftig en bedroefd tevens over deze nieuwe onaangenaamheid,
+waarin hij zich op zijn vijfendertigsten verjaardag geplaatst zag. De
+Zwitser was intusschen in de kapel gegaan, waar hij hoopte nog eenige
+afbeeldingen van het monument te verkoopen. Pols bleef dus alleen,
+even als de garde in 92, één tegen vier. Het was daarom eene uitkomst
+voor hem, toen hij Van Aartheim zag aankomen, en de dame, dezen ziende,
+onmiddellijk den arm van den Engelschman losliet, en onder den uitroep:
+"_Mille tonnerres, c'est encore lui!_" met de Fransche cavaliers in
+de kapel retireerde, schoon de Engelschman hun ook toeriep, dat zij
+maar blijven moesten, want dat die heer zoo kwaad niet was, als zij
+wel dachten.
+
+Nu meende Pols dat de zaak weêr gered was; hij had de magt gezien,
+die Van Aartheim over de Fransche gelukzoekers uitoefende; hij meende
+nu, dat hun Engelsche complice ook slecht van de reis zou komen. Groot
+was dus zijne verbazing, toen deze, in plaats van eenigszins confuus
+te worden, de linkerhand uitstak, en zijnen vriend op familjaren toon
+begroette "_How do you do_, Van Aartheim?"
+
+Deze scheen heden volstrekt geen lust te gevoelen, om op den toon,
+waarop hij te Heidelberg sprak, te beginnen; wel met eenigen weêrzin,
+maar toch zonder aarzelen, nam hij de aangeboden hand aan, en mompelde
+naauwelijks hoorbaar: "Mr. Lurgrave!"
+
+Gedurende het discours, dat nu volgde, had Pols schoon hij maar enkele
+woorden begreep, gelegenheid om zich zoo veel te ergeren als het hem
+maar lustte; want de Engelschman, die op zeer hevigen en onbeschaamden
+toon sprak, en wiens geheele uiterlijk dicteerde, dat hij, of niemand,
+een schurk was, scheen over Van Aartheim zulk een _poids_ te hebben,
+dat deze steeds concessies deed en bijna altijd op verzoekenden toon
+tot hem sprak. Zij schenen zich beiden weinig om Pols te bekommeren,
+en deze zou, daar hij toch in Van Aartheim teleurgesteld was, weinig
+op het discours hebben gelet, zoo niet de Engelschman den naam
+Torteltak met het vereerend epitheton van _damned_ genoemd had. Nu
+begon hij scherper toe te luisteren, zonder daardoor evenwel eene
+syllabe meer te verstaan. Eindelijk, toen ook de andere vrienden
+weêr in het gezigt kwamen, verliet Lurgrave de Hollanders en sloot
+zich weêr aan het Fransche reisgezelschap aan; fier passeerde hen de
+dame, aan den arm van den Engelschman vertrekkende, en de cavaliers,
+die haar volgden, keken de vrienden trotsch aan, met overmoed hunne
+vreeselijke knevels omhoogstrijkende.
+
+De terugwandeling was geenszins door vrolijkheid gekenmerkt. Van
+Aartheim was stil en afgetrokken. Pols zag beurtelings hem wantrouwend
+en Torteltak deelnemend aan. Hij vreesde zeer dat tegen dezen vriend
+een aanslag gesmeed werd, en wist voorloopig nog volstrekt niet, hoe
+hij dat geval behandelen moest. Hij begon te wenschen dat Veervlug
+dien vreemdeling maar nooit in hun midden gebragt had; maar van den
+anderen kant kon hij toch niet gelooven, dat hij een slecht mensch
+was. Hij had gedurende de dagen, die zij te zamen hadden doorgebragt,
+zulk eene edele denkwijze aan den dag gelegd en allen zoo zeer aan zich
+geboeid, dat hij òf een goed mensch, òf een vreeselijk huichelaar moest
+wezen. Dit en de vrees, dat de twee natte tortels niet goed zouden
+opdroogen, martelden den goeden Pols zoodanig, dat hij oogenblikken
+had, waarin hij geheel vergat, dat hij heden zijnen vijfendertigsten
+verjaardag vierde.
+
+Zoo kwamen zij in het logement aan, waar in de groote zaal de
+_Oberkellner_ hen te gemoet kwam met brieven uit Holland, die hij op
+hun verzoek van de post had doen halen. In een oogenblik verdwenen
+van aller gelaat de wolken van droefgeestigheid en wantrouwen en
+ontevredenheid Wie ooit, al was het maar weinige weken, buiten 's lands
+gereisd heeft, kan zich van hunne vreugde een denkbeeld maken. Men
+moge al het besluit nemen, om zich die weken niet over betrekkingen en
+vrienden te bekommeren, en zich met het denkbeeld van "geen tijding,
+goede tijding" tevreden stellen; daar zijn oogenblikken, waarin men
+één enkelen regel van eene geliefde hand met goud zou willen betalen;
+men gunt zich naauwelijks den tijd, om den brief open te breken en
+te ontvouwen; men leest de phrase "alles is wel" wel honderdmalen
+over, en schoon men zich volstrekt niet ongerust gemaakt heeft,
+is het toch alsof er een pak van het hart valt; men verneemt met de
+grootste belangstelling de onbeduidenste kleinigheden, die in den
+brief vermeld zijn; want niets omtrent geliefde betrekkingen is in die
+oogenblikken onbeduidend, niets eene kleinigheid; men vergeet geheel
+waar men zich bevindt, en droomt zich in het midden van de zijnen;
+en men is teleurgesteld, wanneer men het papier neêrgelegd heeft,
+dat men de hand, die ons schreef, niet hartelijk kan drukken.
+
+Vier der vrienden riepen dan ook nu spoedig elkander toe: "bij mij
+is alles wel," en verdiepten zich verder in de lectuur. Van Aartheim
+slaakte een diepen zucht, maar zeide toch: "bij mij ook." Maar Pols, de
+arme Pols! Hij las den brief, werd bleek, herlas hem nog eens, en legde
+hem neder met de woorden: "Dat mij ook dit nog heden moest treffen!"
+
+De brief, dien hij ontving, was van den volgenden inhoud:
+
+
+ Rotterdam, 13 Juli 1837.
+
+ Waarde Neef!
+
+ "Ik ben frisch en gezond, en verwensche van uwé het zelfde
+ te hooren; ware het anders, het zou mij van harte leed
+ wezen. Maar ik bevind mij in de treurige omstandigheid, uwé
+ te moeten melden, als dat gisteren avond, omstreeks half
+ acht ure, uwé huishoudster en dienstmaagd Mijntje Boer,
+ na eene ziekte van slechts weinige dagen, in den ouderdom
+ van 58 jaren en 4 maanden is overleden. Ik denk, uwé deze
+ tijding ook regt leed zal doen; maar vond mij toch verpligt
+ van dit meê te deelen aan uwé adres, zoo als ik het van uwé
+ heb opgeteekend. Heb alles zelf bezorgd voor een eerlijke
+ begrafenis; verhope na uwé genoegen zal wezen, waaraan niet
+ vertwijfel; verwensche uwé verder veel genoegen en gezondheid,
+ en verblijve na groetenissen
+
+
+ "Uwé hoogachtende Neef
+ Leendert van Kroesen."
+
+ P.S. Mijne vrouw wil, voor ik deze sluit, ook nog een woordje
+ bijvoegen.
+
+
+ "Waarde Neef Joachim!"
+
+ "Uwe zult wel hebben staan te kijken, toen mijn man het u
+ schreef, van Mijntje. Ik kan uwe dan ook wel zeggen, ik er
+ geheel kapot van ben geweest, zoo zelfs, de meester mij een
+ drankje heeft voorgeschreven. Want Mijntje was toch heusch
+ een goede meid, en knap voor haar werk, en nog zoo zindelijk,
+ en eerlijk en trouw als goud, al kwam zij tot hooger jaren. Zij
+ was ook altijd uwe trouwe zorg, en die van uwes vader en moeder
+ zaliger, en dat bleef ze tot aan haar dood toe. Zij tobde er
+ wat over, toen zij zoo verslimmerde, zij het huis zoo maar half
+ schoongemaakt achterliet; en ik heb haar tusschenbeiden nog al
+ eens gaan opzoeken, daar zij dan ook heel dankbaar voor was,
+ moet ik zeggen. Ik ging gisteren avond nog eens naar haar
+ toe; maar toen zag ik zelfs wel, zij hard verminderde. Ik
+ zei nog tegen haar: "wel Mijntje, hoe gaat het?" maar zij
+ knikte flaauwtjes. En toen zei ze een kort poosje later:
+ "zal je toch wel de groetenis doen aan den jongen heer?" maar
+ toen heeft ze ook niet meer gesproken; en net kwam de meester,
+ en hij zei, hij geen pols meer voelde, en om half acht was zij
+ al dood. Mijn meid en de meid van den schrijnwerker, schuins
+ over de deur, hebben haar afgeleid, en alles zal eerlijk
+ en ordentelijk toegaan, en mijn man heeft alles heel goed
+ bezorgd. Jongens, jongens, zei ik 's avonds tegen mijn man;
+ wie had dat kunnen denken! Zondag vier weken, toen uwe nog
+ t'huis was en toen wij naar de avondkerk gingen, zat zij nog
+ voor het gordijntje en groette zoo opgemonterd. Maar nu hebben
+ wij, omdat uwes huis zoo lang niet leeg zou staan, er voor zoo
+ lang Pietje van Sannetje de plooister ingezet, die haar man op
+ 't geelgieten gaat en dan 's nachts meê het huis bewaakt. Dat
+ zijn toch ook eerlijke menschen. Nu, waarde neef Joachim! zal
+ ik eindigen; ik zou u nog wel veel willen schrijven, maar ik
+ zit midden in het inmaken, en dat zou bederven. Maar toch,
+ ik moet uwe nog eens vertellen, mijn zoon Hendrik een goed
+ oog heeft laten vallen op Paauwtje Vet van de Botersloot. Nu,
+ ik heb er niets tegen, want het is een eerlijk meisje, en ik
+ heb er nooit een onvertogen woord van gehoord. Maar nu zal
+ ik toch heusch eindigen; na vele groetenissen van ons allen
+
+
+ "Uwe waarde Nicht
+ S. van Kroesen,
+ geb. Molslag."
+
+
+Dit was de derde ramp, die Pols op zijn vijfendertigsten verjaardag
+trof. De vrienden betuigden hem, zoo hartelijk zij vermogten, hunne
+deelneming; maar Pols bleef stil en zeide: "Niemand weet, hoeveel ik
+aan Mijntje verlies; zij was geen gewone meid, maar als het ware eene
+tweede moeder."
+
+De _Kellner_ kwam annonceren, dat het _diner_, door den Heer
+Polsbroekerwoud besteld, gereed was. Werktuigelijk volgden deze en
+de overige vrienden, die zeer verwonderd waren, in een bijzonder
+apartement een zeer fijn _diner_ te zien aangerigt. Op het midden der
+tafel stond eene groote taart, versierd met zinnebeeldige figuurtjes,
+die op geboorte en geboortedagen betrekking hadden.
+
+"Ik had dat dezen morgen zoo besteld," zei Pols, terwijl hij zich
+zuchtend aan de tafel plaatste, "weinig vermoedende, dat ik mijn
+vijfendertigsten verjaardag zoo treurig zou moeten vieren."
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XX.
+
+ Waarin zoo vele zaken voorkomen, dat het moeielijk zou wezen,
+ de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen.
+
+
+Daar zijn verliezen, die niet treffend zijn, die niemands medegevoel
+opwekken, waarbij het geen mensch zal invallen deelneming te betuigen,
+waarvan dikwijls te spreken zelfs bespottelijk schijnt, maar die met
+dat al verliezen zijn. Zoodanig was voor Polsbroekerwoud de dood
+van zijn getrouwe Mijntje. De goede man was altijd zeer aan haar
+gehecht geweest. Zij behoorde tot de nalatenschap zijner ouders; zij
+had hem van zijne vroegste jeugd af met zorg en liefde overladen;
+hij wist dat zij geheel en alleen voor hem leefde, en het was hem
+gewoonte geworden alle huiselijke zaken door haar te zien besturen,
+en bij zijne afwezigheid te weten, dat zij op haar post was en alles
+goed behartigde. Daarom ook was hij altijd goed en vriendelijk, en
+zelfs, schoon het nooit opspraak gaf, dikwijls vertrouwelijk met haar
+geweest. Deze manier van omgaan was misschien wel heel _mauvais genre_;
+want Mijntje was toch maar een meid, en zij werd voor al wat zij deed
+betaald. Een fatsoenlijk mensch voldoet immers aan zijne verpligting,
+als hij aan zijne dienstbaren, voor den tijd dien zij hem wijden, de
+moeite die zij zich om zijnentwil getroosten, de zorg die zij aan zijne
+zaken besteden, en de liefde waarmeê zij al wat hem aangaat bejegenen,
+een jaarlijksch loon uitbetaalt, en meer nog dan hij verpligt is,
+als hij hun eene kermis- of nieuwjaarsfooi toereikt. Waartoe woorden
+aan hen te verspillen, zoo zij niet dienen moeten om orders te
+geven? waartoe een blik op hen te slaan, dan om hen te doen zien, dat
+hij om het minst verzuim gramstorig is? Een fatsoenlijk man bewaart
+den afstand, die tusschen hem en zijne dienstboden bestaan moet,
+somtijds eene uitzondering makende met jonge en mooie kameniers,
+jegens welke hij kan meenen nog andere pligten te moeten vervullen.
+
+Polsbroekerwoud was een burgerman, en koesterde ook in deze zeer
+burgerlijke begrippen. Hij ging hierin zelfs zoo ver, dat hij meende,
+dat dienstbaren somtijds onbetaalbare diensten kunnen bewijzen,
+en onder dezulken telde hij zijn overledene Mijntje. Het scheen hem
+dus een gemakkelijke pligt, haar altijd vriendelijk te bejegenen;
+hij stelde er zich wezenlijk genoegen van voor, haar, die hem in
+zijne jeugd zoo goed verzorgd had, eenen onbezorgden ouderdom te
+verzekeren. Door haren dood werd hij hierin teleurgesteld en daar er
+ook nog vele andere plannen voor de toekomst door verijdeld werden,
+liet de noodlottige tijding nog langen tijd een zeer droevigen indruk
+op hem na. Hierbij kwam het denkbeeld, dat, zoo hij te huis gebleven
+was, de zaken misschien anders zouden geloopen zijn, schoon hij wel
+wist dat zijne tegenwoordigheid haar niet in het leven zou hebben
+behouden, maar dat hij dan toch in allen gevallen nu zelf over alles
+het oog kon laten gaan.
+
+De reis ging evenwel verder. Over de Vierwaldstädtersee voer men
+naar Alpnach, en wandelde langs de meren van Sarnen en Lungern naar
+den Brünig, om zoo het Berner Oberland te bereiken. Maar Pols ging
+langzaam en zwijgend naast Aloys Stadler voort. Hij merkte naauwelijks
+de schoonheden van het lieve kanton Unterwalden op; want in zijne
+gedachten wandelde hij langs de Rotte bij zijne geboortestad, liet
+zich aan de molens in het Zwaanhals overzetten, en trok als pelgrim
+naar Krooswijk, om te zien waar de laatste rustplaats der overledene
+was bereid.
+
+Van het begin der excursie door het Oberland staat geen enkel woord
+in zijn dagboek opgeschreven. Wij weten nogtans, dat hij Meyringen,
+den Reichenbach en Handegg heeft bezocht; en het eerst vinden wij
+zijne aanteekeningen weêr te Briënz, "aangekomen Zondag den 23 Juli,
+des namiddags ten 2 ure, en van daar in een schuitje vertrokken
+naar Interlaken, om _en passant_ den Giessbach te gaan bezigtigen,
+in gezelschap van drie vreemde heeren."
+
+Men had in het logement te Briënz deze vreemdelingen ontmoet. Zij
+waren nog jonge menschen, schoon in bedaardheid van toon en deftigheid
+van kleeding hunnen leeftijd twintig jaren vooruit. Een hunner had,
+behalve de gewone bestanddeelen van een menschelijk aangezigt, nog een
+schildpadden bril op den neus, kennelijk met effen, ongeslepen glazen,
+maar die hij toch, waar iets bijzonder de opmerkzaamheid verdiende,
+tot verheldering der voorwerpen uit de nabijheid zijner oogen
+verwijderde. De tweede trok terstond de aandacht door de kunstige wijs,
+waarmeê zijne bovenlip was omgekruld en aan zijn neus vastgehecht,
+welke speling der natuur evenwel door een zwart bandje over de lip
+en om de wangen gebonden, ten deele werd verborgen. De derde had met
+gedekten hoofde niets opmerkelijks; maar als hij den hoed afnam, stond
+men in twijfel of zijn hoofd zich bevlijtigde om door zijn haar heen
+te groeijen, of dat het door een kapper bediend werd, die geen ander
+model van haardragt kende, dan dat der bedelmonniken. Weinige maanden
+geleden had dit drietal de Akademie van Zurich verlaten, met documenten
+begiftigd, waardoor het hun vrijstond hunne systemata, of die hunner
+hoogleeraren, op de ligchamen van het lijdende menschdom te appliceren.
+
+Het was een warme middag, waarop dit gezelschap den togt over het
+meer van Briënz ondernam. Dit ondervonden voornamelijk de roeijers,
+drie stevige knapen, wie het zweet langs het aangezigt gudste, zonder
+dat daarom hun ijver, om de schuit in eene snelle vaart te houden,
+een oogenblik verflaauwde.
+
+"Het is een ongezond leven, dat die schippers leiden, blootgesteld
+aan hitte en koude," zei een der doctoren tot zijne compagnons, die
+met hem onder den rooden parapluie van Stadler den fellen zonneschijn
+ontweken; "zulke menschen kunnen nooit oud worden."
+
+"Dat merk ik aan mijn vader," viel een der roeiers in: "die heeft
+zijn heele leven op het meer gezwalkt, en is nu pas even zeventig;
+verleden week maakte de stumpert nog een _spatziergang_ naar den
+Faulhorn, om levensmiddelen in het _Kulmhaus_ te brengen, en hij kwam
+nog zoo frisch als een hoen te huis."
+
+"Dat is verbazend!" riep Pols uit.
+
+"'t Is _contra naturam_," zei de doctor met de hazenlip.
+
+"'t Zal hem nog wel eens opbreken," hernam zijn confrater met den
+schildpadden bril.
+
+"Ik zal hem de boodschap doen," zei de knaap; maar hij fluisterde een
+zijner makkers toe: "Ik zat toch nog liever in de taaije verbrande
+huid van den oude, dan in het bleeke vel van dien opbreker."
+
+Van Aartheim was intusschen met Stadler in gesprek geraakt over de
+Bergmannetjes, die in ouden tijd in het Oberland zulk eene groote
+rol hadden gespeeld, en vernam tot zijne groote verbazing, dat dit
+geslacht nog niet was uitgestorven; dat zij nog dikwijls te middernacht
+op de hoogten vergaderden, en zich dansende den tijd kortten, en dat,
+naarmate zij veel of weinig passen uitvoerden, de oogst rijkelijker of
+schraler was. Hij werd evenwel gerustgesteld door de verzekering, dat
+de kwaden onder hen verdwenen waren, sedert de vijftig dappere ridders
+den grooten vrouwenschaker van het Haslithal, die het opperhoofd dier
+booze geesten was, hadden verslagen.
+
+De vrienden gaven hun verlangen te kennen, om iets naders van deze
+belangrijke gebeurtenis te vernemen, en Aloys Stadler voldeed aan
+hunne nieuwgierigheid door het volgende verhaal:
+
+"Vóór eeuwen stond er op eene rots van den Hasliberg een kasteel,
+door een ringmuur van ongenaakbare hoogte beschut, en van peilloos
+diepe afgronden als grachten omgeven.
+
+"De ridder, wien het toebehoorde, was uit verre streken gekomen, en
+was jong en schoon. Hij leefde in zijn slot in weelde en overdaad;
+vijftig knechten bedienden aan zijne tafel uit gouden schotels,
+en vijftig maagden schonken hem wijn in gouden bekers.
+
+"Als hij een togt door het dal deed, was hij door honderd geharnaste
+ruiters vergezeld, met lange slagzwaarden gewapend; maar onder die
+allen blonk hij uit door schoonheid en vlugheid, en de kracht waarmeê
+hij zijn wapen zwaaide. De bewoners van het Haslithal kruisten zich en
+sidderden, als hij hunne woning voorbijreed. Want de heilige kluizenaar
+uit de grot had hun verhaald, dat hij met den Booze omging; en zij
+zelve hadden te middernacht dwalende vlammen om de torens van zijn
+kasteel gezien. Maar de schoone meisjes, die hem zagen voorbijrijden,
+merkten op, dat de Booze er niet zoo verschrikkelijk uitzag, als
+hunne ouders haar wel wilden doen gelooven.
+
+"Maar sedert de ridder aan den Hasliberg woonde, werd er eens in
+elke zeven weken door onzigtbare geesten een meisje uit het dal
+geschaakt. Dit deden de kwade bergmannetjes, die in dienst van den
+boozen ridder stonden. En na zeven weken keerde het meisje op dezelfde
+manier terug, met een gouden beker in de hand, en had wonderen te
+verhalen van het betooverde paleis, waar zij geweest was, maar ook
+naar den zin der ouders al te veel wonderen van den schoonen ridder,
+die haar geliefkoosd had.
+
+"De ouders uit het dal en ook de jongelingen, wier bruiden met
+gouden bekers begiftigd waren, deden dagelijks een bedevaart naar
+den kluizenaar in de grot, die vastte en zich kastijdde, om het land
+van die plaag te verlossen. Deze troostte hen altijd met de hoop,
+dat weldra de Booze verjaagd zou worden, maar dat nog de tijd niet
+gekomen scheen.
+
+"Maar toen reeds vijftig van de honderd schoone meisjes van het
+Haslithal door den ridder waren ontvoerd, kwam eens de kluizenaar
+zelf in het dal, en verkondigde den bewoners, dat er den volgenden
+dag redding zou komen.
+
+"En ziet, daar kwamen in den vroegen morgen vijftig Noordsche
+ridders, die een kruistogt naar het Heilige Land hadden gemaakt,
+en die bij den terugkeer in het Oberland waren verdwaald geraakt,
+en de beenderen eens Heiligen met zich voerden. Deze, door den
+kluizenaar uit de grot aangemaand, ondernamen het den ridder te
+bestrijden. Zij reden, met zwaarden en speren gewapend, tot aan den
+voormuur van het slot. Maar toen zij naderden, opende zich de poort,
+en vijftig vreeselijke bloedhonden vertoonden honderd rijen scherpe
+tanden. Doch de kluizenaar hield hun de beenderen van den Heilige voor,
+en de honden stortten gillende in den afgrond.
+
+"Toen reden de dappere ruiters het slot binnen, versloegen de
+krijgsknechten van den boozen ridder, die door dit wonder verschrikt
+waren, staken het kasteel in den brand, en bleven het bewaken tot
+het tot asch en puin was vernield; en zij zagen hoe de booze zelf in
+vlammen verterend in den afgrond stortte.
+
+"In zegepraal keerden de ridders naar het Haslithal terug, en dronken
+wijn met de geredde landbewoners; maar de kluizenaar keerde terstond
+weder naar zijn grot.
+
+"Maar toen den volgenden morgen de ouders der vijftig maagden, die
+nog niet in de magt van den Booze geweest waren, ontwaakten, waren
+de ridders vertrokken, en ook de dochters waren niet te vinden. En
+eenige dagen later keerden de meisjes terug, wel zonder gouden bekers,
+maar toch niet veel onschuldiger dan hare speelnooten.
+
+"De ramp en de redding beide waren in den beginne zeer onaangenaam
+voor de minnaars in het Haslithal; maar toch zij gewenden zich
+langzamerhand aan het denkbeeld dat er iets bijzonders met hunne
+schoonen gebeurd was: en toen de minnaars er genoegen in namen,
+schikten de meisjes en de moeders zich ook. En sedert dien tijd is
+de eer bij de schoonen van het Haslithal eene zoo onverschillige zaak
+geworden, dat de moeders zonder eenig bezwaar hare dochters voor geld
+aan vreemdelingen afstaan."
+
+"Zoo, is het dan toch waarheid, dat er nog altijd zulke mooie
+meisjes in het dal gevonden worden, en dat de moeders er zoo raar meê
+omspringen?" zei Torteltak, toen Stadler zijn verhaal geëindigd had:
+"wij hadden dat toch wel eens kunnen gaan opnemen."
+
+Pols vond de laatste aanmerking van zijn vriend alles behalve gepast,
+en om dus eene andere wending aan het gesprek te geven, merkte hij
+aan, dat het zeer warm was, speciaal op de plaats waar hij zat,
+daar de zon hem vlak in het aangezigt scheen.
+
+"Gij zult zeker spoedig hinder van de warmte hebben?" vroeg de doctor
+met den schildpadden bril: "permitteer mij, dat ik u den pols eens
+voel."
+
+Pols stak zijne hand uit, en de medicus zag hem weldra zeer bedenkelijk
+aan. Hij reikte vervolgens den arm van onzen vriend aan zijne beide
+collega's over, die volkomen van dezelfde opinie schenen te zijn.
+
+"Een congestieus gestel," zei de doctor met de hazenlip. "Mijnheer is
+zeer vatbaar voor apoplexie. Hebt u nog nooit attaques van beroerte
+gehad?"
+
+"De Hemel beware mij!" riep Pols verschrikt uit.
+
+"Ik herinner mij," zei de collega met de kale kruin, "eens met iemand
+in gezelschap geweest te zijn, die juist zoo'n pols had als de uwe,
+en die, bedaard met mij pratende, op een oogenblik dood bleef."
+
+Pols, die toch al niet in de aangenaamste stemming dit togtje begonnen
+had, werd door deze aanmerkingen niet vrolijker.
+
+"Een streng dieet, rust en vermijding van alles wat echauffeert,
+is misschien het eenige, dat u nog wat in het leven kan behouden,"
+merkte de medicus met den schildpadden bril aan.
+
+Het schuitje lag terwijl aan den Giessbach stil. Stadler noodigde de
+heeren uit om het steile bergpad te beklimmen, een togtje dat niet
+veel verkoeling beloofde, want de zon scheen brandend op het mulle
+zand. Pols was wel ongerust, dat het hem kwaad zou doen; maar toch,
+hij wilde niet gaarne achterblijven. Bevende van agitatie kwam hij
+boven, en onder weg sprong hem de neus aan 't bloeden.
+
+"_Molimen naturae_," merkte een der doctoren aan.
+
+"'t Is een geluk," zei een zijner collega's; "zonder dat zou het mij
+niet verwonderd hebben, als Mijnheer dood boven gekomen was."
+
+Voor het _Wirthshaus_ aan de watervallen kommandeerden de vrienden
+goeden Rijnwijn. Pols vroeg aan een der _medici_, of een glas water
+niet beter voor hem zou wezen.
+
+"Beter althans dan wijn," zeide deze; "maar 't zou u nu misschien te
+veel verkoelen."
+
+Onze vriend verfrischte zich dus op den warmen namiddag met een glas
+laauw water en melk.
+
+Wij willen op deze plaats geen uitspraak doen in het steeds
+hangende geschil tusschen onderscheidene reisbeschrijvers, aan
+welke der watervallen de voorkeur moet gegeven worden, dien van den
+Reichenbach of dien van den Giessbach. De laatsten stroomen misschien
+tusschen digter geboomte en zijn rijker aan water, twee zaken, die
+het effect niet benadeelen; maar bij den eersten zijn de rotspunten
+gemakkelijker te bereiken, tegen welke de nederstortende waterstroom
+gebroken wordt. Dit ondervonden voornamelijk Veervlug en De Morder,
+die, bijzonder begeerig om den oorsprong der cascades in oogenschouw
+te nemen, als gemzen tegen de steilten opklommen, maar met minder
+gemakkelijkheid en vlugheid dan deze hunnen weg naar de laagte wisten
+weêr te vinden. De laatste ging zelfs zoo ver, dat hij zijn voet op
+een lossen steen plaatste, terwijl hij nog driehonderd voeten van
+den vlakken grond verwijderd was, aan het glijden raakte en in een
+oogenblik vijftig voeten neêrdaalde, tevens een halfsleten jas en
+een nieuwen zomerpantalon aan flarden scheurende.
+
+"Dat kunt ge vlug," riep Veervlug hem toe, die terwijl aan een boomtak
+hing te spartelen.
+
+De Morder was gelukkig te land gekomen op een rotspunt aan de derde
+cascade, waar hij veilig stond, maar evenveel uitzigt had om ooit weêr
+het vaste land te bereiken, als wijlen Robinson Crusoe, gedurende de
+vele maanden, die hij in stille afzondering van het menschdom sleet.
+
+"Ik weet toch ook waarlijk niet, waar al die waaghalzerij toe dient,"
+riep Pols, wien het angstzweet uitbrak over het lot zijner vrienden.
+
+"Als hij in de cascade verdwaald raakt, wordt hij tot pap vermorseld,"
+merkte de doctor met de hazenlip aan.
+
+"En ook zonder dat," zei zijn collega met de kale kruin, "als hij
+maar van de helft dier hoogte afvalt, is hij weg. Ik heb eens iemand
+getrepaneerd, die zoo'n val gedaan had; maar met dat al, den volgenden
+dag was hij er om koud."
+
+"Help de heeren dan toch!" riep Pols den _guide_ toe.
+
+Maar deze, die van de oogenblikken rust bij de herberg gebruik maakte
+om zijne schoenen te lappen, antwoordde heel bedaard, terwijl hij den
+pikdraad door het leder trok: "Voorloopig zie ik er nog geen kans
+toe; want de plaats waar die eene heer staat, is ongenaakbaar. Ik
+zal er den kastelein eens over spreken; want ik voor mij ben nooit
+gids geweest op de ontoegankelijke rotsen van den Giessbach."
+
+Veervlug was terwijl beneden gekomen, met de noodige schrammen en
+bulten voorzien. Hij scheen volstrekt niet in de ongerustheid van Pols
+over De Morder's lot te deelen; want hij voerde hem glimlagchende toe:
+"'t Is jammer, dat het gedruisch van den waterval ons belet hem te
+hooren; want ik denk dat hij weêr olijk aan 't brommen zal wezen."
+
+Holstaff had al de klagten, die hij bijeen kon brengen, veil voor het
+lot van zijnen ongelukkigen vriend; Van Aartheim en Torteltak trokken
+hem met ladders, touwen en stokken te hulp; en ook Aloys Stadler,
+toen zijne schoenen gelapt waren, met raadgevingen en aanwijzingen,
+door zijne lange bergklimmende ondervinding gesuppediteerd. Het gevolg
+van dit alles was, dat De Morder beneden kwam, en terwijl hij drie
+glazen Rijnwijn inzwolg, verwenschingen uitbraakte tegen de beroerde
+manier, waarop de wandelingen aan den Giessbach waren ingerigt.
+
+Toen de grootste confusie, door dit geval veroorzaakt, wat over was,
+noodigde de kastelein het gezelschap uit, om het beroemde concert
+der bergbewoners te hooren, en de musicerende troep, grootendeels uit
+zijne familie bestaande, schaarde zich in slagorde. De gevoelens der
+reizigers over dit berggezang zijn zeer verschillend: sommigen, die
+het in eene knorrige bui gehoord hebben, houden het voor krijschend
+gegil; anderen, die er bedaard hun cigaar bij zaten te rooken,
+vinden het lieve muziek; weêr anderen, die het na het gebruik van
+eenige flesschen Rijnwijn vernamen, roemen het als hemelsche toonen,
+zoo als men ze maar zelden op aarde hoort. Onze vrienden hadden er
+aangename oogenblikken aan te danken, maar kwamen daarin overeen,
+dat het beter moet voldoen in de open lucht, met accompagnement van
+een gedruischmakenden bergstroom, dan in eene besloten zaal; weshalve
+zij de zangers zouden raden, hunne concerten tot de rotsen van den
+Giessbach te bepalen.
+
+De overige uren, die het gezelschap verder op het meer van Briënz
+doorbragt, gingen in kalm en ongestoord genoegen voorbij. Veervlug
+neuriede van tijd tot tijd het laatste gedeelte der Ranz van
+Oberhalsi na:
+
+
+ "Ach Schaetzeli habe gute Muth,
+ Am Frytig wei mer fahren,
+ Es ziger und Pelznideli
+ Das kast de essen lideli,
+ A dir will is nit spahren."
+
+
+De doctoren openbaarden weinig ziektekunde meer; nog eenmaal slechts
+vroegen zij aan Torteltak, die ten gevolge van gevatte koude een weinig
+hoestte, of er niet vele leden zijner familie aan de tering gestorven
+waren, en zij verontrustten zich over de gezonde kleur zijner wangen,
+waarop zij hectische blesjes meenden op te merken. Torteltak behoorde
+evenwel niet tot die menschen, die zich heel spoedig verontrusten,
+en hunne vriendelijke en gepaste mededeeling maakte dus weinig indruk
+op hem.
+
+De avond begon reeds te vallen, toen men te Interlaken aankwam. Men
+genoot dus niet het volle effect, dat de weelde dezer Engelsche
+plaats in het midden der eenvoudiger en armere landstreek maakt;
+maar men kon toch nog genoeg zien, hoe schitterend hare elegante
+villa's tegen de nederige woningen der overige Zwitsersche dorpen
+afsteken. Daar waren onder de vrienden, die terstond eenen kreet van
+verontwaardiging tegen die verspillende Engelschen aanhieven, die al
+het schoone der natuur door hunne kunst bedierven, en die zich niet
+konden begrijpen, dat men, als men het buiten zoo heerlijk kan hebben,
+zich binnen zoo op _comfort_ toelegt. Anderen hunner waren weêr van
+meening, dat een elegant en smaakvol gebouw de schoone natuur zoo
+veel niet meer tegenwerkt, als eene armoedige en bekrompen woning;
+en die, helaas! zoo door den geest der weelderige negentiende eeuw
+werden beheerscht, dat zij zich een genoegelijk buitenleven zonder
+behelpen konden voorstellen, die een fijn dineetje in een lief en
+luchtig salon op den duur de voorkeur gaven boven een rustiek maal
+onder een ouden lindeboom; ja die zelfs liever in een zachten ronden
+goedgevulden canapé de buitenlucht genoten, dan op de vierkante,
+houten, groengeverfde, expresselijk daartoe vervaardigde tuinstoelen
+der voorvaderen.
+
+Tusschen deze elegante villa's gingen de vrienden voort, en hadden door
+de geopende ramen en deuren het gezigt in prachtig verlichte zalen;
+want onder de Engelsche natuurbedervers zijn zelfs aterlingen, die
+niet elken avond tot 10 ure schemeren. Het meest echter rustte hunne
+aandacht op de zaal van het groote _Hôtel Garni_ van Colbert, niet
+zoo zeer om de pracht van het vertrek, als wel om eene der personen,
+die er zich op dien oogenblik in bevonden. Het was een jong meisje
+van misschien 18 of 20 jaren, een dier wezens, waaraan de natuur meer
+moeite schijnt ten koste gelegd te hebben dan aan vijftig anderen,
+maar zeker onder alle schoonen de schoonste. Heath heeft zijn _Book
+of Beauty_ eenige jaren geleden met haar portret versierd, en men
+zou moeijelijk eenen schoonheidskenner vinden, die het niet boven
+al de ideale kopjes stelde, die in dat werk gevonden worden. Voor
+iemand, die een afkeer heeft van een rijkdom van donkere lokken, die
+over een sneeuwwit gelaat hare schaduw werpen, van heldere, teedere,
+donkerblaauwe oogen, van geestig gevormde lippen, van fijne en tevens
+volle ronde vormen, en van dergelijke zaken meer, had zij misschien
+weinig aantrekkelijks. Onze vrienden behoorden niet tot dezulken; zij
+toonden dit, door op de plaats, waar zij haar zagen, als vastgenageld
+te blijven staan, en vonden geen termen om hunne verrukking uit te
+drukken. Gelukkig was voor hen de duisternis, waarin zij zich bevonden,
+en het heldere licht, dat de schoone omgaf; anders twijfelen wij,
+of zij wel zoo lang ongestoord zouden hebben genoten. In het eind
+vond Pols het gepast, zijn hart in deze woorden lucht te geven:
+"Kijk, ik ben geen meisjesgek; maar om zoo'n engel zou ik in staat
+zijn eene dwaasheid te begaan."
+
+"Zij rappeleert mij volkomen een meisje," zei de doctor met de
+hazenlip, "dat wij te Zurich in het ziekenhuis hebben gehad."
+
+"Juist," zei zijn confrater met de kale kruin: "die meid van den
+vischkooper; behalve dat die een weinig scheel keek."
+
+"Ja wel," zei de derde collega: "ze is immers nog aan de pokken
+gestorven. Weet je nog wel, hoe zwart zij op het laatst zag?"
+
+De herinneringen, die het zien dezer schoonheid bij de _medici_
+opwekten, werkten uit, dat de vrienden, om verdere dergelijke
+aanmerkingen te ontwijken, met snellen tred voortstapten; vooral
+scheen Van Aartheim door hun discours gekwetst, schoon hij het verst
+van het raam was verwijderd geweest, en de minste aandacht aan de
+schoone scheen te schenken. Ook Pols verliet eindelijk de plaats;
+maar juist toen hij zich wilde verwijderen, zag hij een heer tot de
+dame naderen, en zich vertrouwelijk naast haar nederzetten.
+
+Hoe groot was zijne verbazing en schrik, toen hij in dien heer den
+vreeselijken en gevreesden Lurgrave herkende! Haastig volgde hij de
+vrienden, en besloot van zijne ontdekking niets meê te deelen, maar
+een wakend oog over Torteltak te houden; want op eens stond hem weêr
+het discours bij den leeuw te Lucern voor den geest.
+
+Het kostte het zestal veel moeite in het drukbezochte Interlaken onder
+dak te komen; eindelijk installeerden zij zich in het _Pension Baud_,
+waar zij zich wel zouden moeten behelpen, maar toch dien nacht _logis_
+konden krijgen. De drie doctoren moesten hen evenwel verlaten. Zij
+namen nog in den laten avond een rijtuig aan naar Thun, waar zij
+den volgenden dag een vergelijkend examen voor het stads doctoraat
+moesten ondergaan. Te dien einde had men daar gezorgd, dat drie
+policiebedienden, door veel op togten te staan, catarrhale koortsen
+hadden gekregen, en had men drie gevangenen aangezegd, dat zij zich
+tegen den volgenden morgen prepareren moesten, om hun regterbeen te
+verliezen. Later werd door de vrienden vernomen, dat de _medicus_
+met de hazenlip met den post begunstigd was, omdat hij in tien minuten
+een diender aan het vomeren gekregen had, en in zestien en een halve
+minuut het been eens misdadigers boven de knieschijf had geamputeerd.
+
+In het _Pension Baud_ werd het overige van den avond niet al te
+vrolijk doorgebragt. Pols maakte groote haast om de vrienden naar bed
+te krijgen, en droeg vooral zorg, dat niemand hunner meer buiten de
+deur kwam. Toen allen naar hunne kamers waren, ging hij zelf nog eens
+op straat zien, of alles veilig was. Misschien was het zijne vrees,
+of misschien dat werkelijk iemand zich bewoog,--hij meende in de
+verte een man te ontdekken, die het huis bespiedde.
+
+"Ziet gij daar niets?" vroeg hij den kastelein, die ook voor de
+deur stond.
+
+"Neen; waar moest dat iets wezen?" vroeg deze.
+
+"Ik dacht dat ik wat boven dat jonge hout zag uitsteken."
+
+"Ik zie niets dan den top van de Jungfrau," zei de kastelein.
+
+"O, is het maar een _Jungfrau_" zei Pols, "dan is het niets; ik dacht
+dat het een heer was."
+
+Toen den volgenden morgen de vrienden zich aan het ontbijt verzamelden,
+ontbrak Van Aartheim. Zij wachtten lang, maar informeerden eindelijk
+bij den _Kellner_. Deze berigtte hun, dat die heer nog laat in den
+avond vertrokken was, en een briefje voor den Heer Torteltak had
+achtergelaten. Dit briefje behelsde, dat hij zich genoodzaakt zag,
+hen voor eenigen tijd te verlaten, om redenen voor hem van het grootste
+gewigt, maar dat hij hun spoedig nader bericht zou doen toekomen.
+
+De reisgenooten zagen elkander verbaasd aan, maar nog meer, toen
+weldra het gerucht hun ter ooren kwam, dat dien nacht de schoone
+_Miss_ Cleford het _Hôtel Garni_ van Colbert had verlaten, en met
+een Engelschman en een Hollander was doorgegaan.
+
+"Dat had ik toch nooit achter Van Aartheim gezocht," zei Pols
+verontwaardigd.
+
+"Ik wist niet, dat men met dat meisje door kon gaan," zei Torteltak
+peinzend.
+
+"Die kunsten heeft hij den ridder van den Hasliberg afgezien,"
+grinnikte Veervlug.
+
+"Ik hield veel van Van Aartheim," zei De Morder; "maar ik dacht toch
+altijd wel, dat hij het beroerd zou laten liggen."
+
+Holstaff bragt zuchtend iets over het zedebederf der eeuw te berde.
+
+"Komaan," zei Pols eindelijk, "het is niet anders. Wij moeten nu maar
+zien, dat wij te Bern komen. Maar daar wij verder niet zullen dwalen,
+konden wij, dunkt mij, hier wel met Stadler afrekenen.
+
+Deze evenwel verzocht de reis uit liefhebberij meê te mogen maken. De
+vrienden vonden dit heel aardig van hem; maar minder beviel het hun,
+dat hij te Bern voor deze liefhebberij een dag geleide en een dag
+retour in rekening bragt.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXI.
+
+ Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en zijne vrienden
+ het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft achtergelaten.
+
+
+De geruchten, die 's morgens te Interlaken in omloop waren geweest,
+dat _Miss_ Cleford door Lurgrave en Van Aartheim was geschaakt,
+waren wat den laatsten betreft misschien gegrond, maar de eerste was
+er tot zijne groote wanhoop volkomen onschuldig aan. Niet voor in
+den morgen had de Engelschman het geval vernomen; en de natuurlijke
+wijze, waar hij zijne woede in vloeken en verwenschingen openbaarde,
+en de haast, waarmede hij in eene postchais vertrok, om de vlugtenden
+te achterhalen, deden vermoeden dat, zoo hij eenigzins in het geval
+betrokken was, hij zich dan met de rol van _dupe_ moest vergenoegen.
+
+In weinige uren had Lurgrave Bern bereikt; doch daar het voortvlugtige
+paar bijna zes uren op hem vooruit had, en hij volstrekt niet wist,
+welken kant zij heengegaan waren, behoefde het hem niet te verwonderen,
+dat zij hem niet dadelijk bij zijne intrede in die stad onder de
+oogen kwamen. Hij vond het evenwel naar den staat der zaken behoorlijk
+steeds woedend te blijven, en zich in dollen ijver tot de policie te
+wenden, om Van Aartheim, die hem zijne nicht en pupil, _Miss_ Cleford,
+had ontvoerd, te doen gevangennemen, schoon deze waarschijnlijk het
+Bernsche territoir reeds uren ver achter zich gelaten had; en om tevens
+vijf Hollandsche heeren, die nog dien dag in de stad zouden aankomen,
+als medepligtigen aan dat feit te doen arresteren.
+
+Ten gevolge hiervan genoten onze vrienden te Bern eene eer, die hun
+nog nergens was te beurt gevallen. Van hooger hand waren terstond
+toebereidselen gemaakt om hen naar behooren te recipiëren; en toen
+zij nu aan de _Porte d'en bas_ gekomen waren, en hunne paspoorten
+hadden overgelegd, vonden zij twee policiebeambten gereed om hen naar
+hun hotel te geleiden, terwijl een derde van hunne aankomst aan de
+overheid berigt ging brengen.
+
+Met bevreemding sloeg het vijftal, gewoon om bijna onopgemerkt in
+de Zwitsersche steden aan te komen, al de beleefdheden gade, waarvan
+zij de voorwerpen waren.
+
+"Neemt men omtrent alle vreemdelingen deze formaliteiten in
+acht?" vroeg Veervlug aan een hunner geleiders.
+
+"Volstrekt niet," antwoordde deze; "maar omtrent ulieden zijn ons
+buitengewone orders gegeven."
+
+"Het is zeker een misverstand," fluisterde Pols Torteltak in; "zij
+houden ons vast voor vermomde Hertogen en Prinsen."
+
+Deze merkte evenwel in de policiebeambten, schoon in zeer versleten
+lichtblaauw uniform gekleed en met dikke knuppels gewapend, weinig
+op, dat hem aan eene eerewacht deed denken; en ook de blikken, die de
+steeds aangroeijende volksmenigte op hen wierp, schenen iets anders
+uit te drukken, dan de opgewondenheid en toejuiching, die het gemeen
+gewoonlijk aan Prinsen en Vorsten, hetzij inlandsche of vreemde,
+met vreugde ten koste legt.
+
+Tot dusverre was deze deftige ontvangst evenwel niet onaangenaam;
+want behalve dat onzen vrienden de moeite bespaard werd om den weg
+naar het _Hôtel du Faucon_ te vragen, werden zij in de gelegenheid
+gesteld om met één _coup d'oeuil_ een groot gedeelte van de Bernsche
+bevolking te zien; maar toen zij nu in het hotel waren aangekomen,
+en zich voorstelden, zonder al die getuigen op hun eigen gelegenheid
+een wandeling door de stad te gaan maken, contrarieerde het hen
+eenigzins dat de geleiders hen verzochten eerst het bezoek van den
+Policie-Commissaris af te wachten.
+
+Dit bezoek kwam spoedig. Een donkerblaauw heer, die aan de natuur en
+aan zijne ouders één been te danken had, en aan de kunst van zijn oom,
+een talentvol timmerman, het andere, strompelde de kamer in; zijne
+zijde was versierd met een degen, zijne hand gewapend met een stok,
+waarvan de knop een beer voorstelde, en, naar de uitgewerktheid van
+het kunststuk te oordeelen, een zoodanige, tot welks fatsoenering de
+moederlijke tong nog weinig heeft bijgedragen De eigenaar van dit
+alles haastte zich een stoel te bereiken, zijne leden, zoover zij
+daarvoor vatbaar waren, tot zitten te buigen, en het kunstproduct
+zijns ooms onder de tafel te wringen.
+
+"Mag ik vragen," zei Polsbroekerwoud, wiens verbazing hoe langer hoe
+grooter werd, "mag ik vragen, waaraan wij de eer..."
+
+"Accoord," antwoordde de Commissaris; "maar niemand heeft hier iets
+te vragen dan ik."
+
+En terwijl hij dit zeide, ontvouwde hij eenige papieren, waaronder
+zich ook de reispassen der vrienden bevonden; en een er van in handen
+nemende, riep hij: "Wie uwer is Eduard van Torteltak?"
+
+"Die ben ik," zei deze.
+
+"Dan zult gij mij op de volgende vragen zonder omwegen en zonder
+terughouding antwoorden. Hoe heet gij?"
+
+"Wel, Eduard van Torteltak, denk ik."
+
+"Dat is een ontwijkend antwoord, maar dat misschien veel licht over
+de zaak zal verspreiden. Hoe oud zijt gij?"
+
+"Drieëntwintig jaren."
+
+"Nog zoo jong," riep de Commissaris verontwaardigd uit, "en dan al
+medepligtig aan een schelmstuk, dat naauwelijks in een oud afgeleefd
+man moest opkomen!"
+
+"Mijnheer! ik verzoek explicatie van zulke beleedigende uitdrukkingen."
+
+"Accoord, Mijnheer! maar ik heb hier geen explicatie te geven. Van
+waar zijt gij dezen morgen gekomen?"
+
+"Van Interlaken," antwoordde Torteltak met verkropte woede.
+
+"Accoord," zei de Commissaris; "dat verspreidt licht over de zaak."
+
+Successivelijk werden al de vrienden één voor één opgeroepen, om
+hunnen naam, ouderdom en laatste nachtkwartier op te geven, en de
+Commissaris, die alles naauwkeurig opteekende, merkte aan, dat de
+zaak hoe langer hoe meer helderheid verkreeg. Eindelijk stond hij op,
+verklaarde het verhoor afgeloopen, en haalde uit zijne papieren een
+tarief, krachtens hetwelk ieder der heeren genoodzaakt was hem 1
+franc en 4 Batzen voor zijn onderhoudend gezelschap te betalen. De
+vrienden bragten hiertegen maar niet veel in, daar zij hoopten, dat
+hiermede de zaak aan een einde zoude zijn. Maar helaas! voordat de
+Commissaris vertrok, gaf hij den policiebeambten de uitdrukkelijke
+order, om niemand der arrestanten een minuut uit het oog te verliezen,
+en te zorgen, dat geen hunner het hotel verliet.
+
+"Dat wordt te erg!" riep Veervlug, zich tusschen den Commissaris en de
+deur plaatsende. "Ik zeg u, Mijnheer, dat wij zulk eene willekeurige
+manier van handelen moede zijn, en dat wij, zonder ons verder aan
+deze hemelsblaauwe verklikkers te storen, onzen weg zullen gaan."
+
+"Accoord," zei de ambtenaar; "dat zou licht in de zaak geven." En
+zich tot de policiedienaars wendende, voegde hij er bij: "Zoodra een
+hunner oproerig wordt, zendt gij om assistentie, en wij zullen hen
+naar het _Blauhaus_ transporteren."
+
+Deze uitspraak van den Commissaris verspreidde zooveel licht over
+de treurige omstandigheden, waarin onze vrienden zich bevonden, dat
+zij elkander wanhopig begonnen aan te zien; want het _Blauhaus_ te
+Bern, dit wisten zij, heeft wonderlijk veel overeenkomst met hetgeen
+men elders spin-, rasp-, tucht- of in het algemeen correctioneel
+gevangen-huis noemt.
+
+Wanneer men op reis, door slecht weer, of door gescheurde kleeren, of
+door gekwetste voeten, of door andere dergelijke dikwijls voorkomende
+omstandigheden, genoodzaakt is een ganschen namiddag en avond in zijn
+logement door te brengen, en men heeft geene brieven naar huis te
+schrijven,--als dan het tarief der comestibles en de prijscourant
+der wijnen grondig bestudeerd zijn, de uren van het vertrek van
+diligences en stoombooten meermalen zijn nagezien, de vreemde
+couranten herhaalde reizen zijn doorgeloopen, de verteringen van den
+laatsten dag naauwkeurig zijn opgeteekend,--dan weet men al niet veel
+bijzonders meer te doen, dan zijn naam op de glasruiten te snijden,
+met de voeten de zandfiguurtjes op den vloer te derangeren, of zich
+door andere dergelijke opwekkende amusementen den tijd te korten. Dan
+komt dikwijls bij den reiziger voor plaisir de vraag op, waarom hij
+zich nu niet liever in zijn gezellig studeervertrek, of in zijn nog
+gezelliger familiekring kan bewegen; dan vergeet hij somtijds al de
+genoegens, die hij reeds op zijne togten gesmaakt heeft, en die hem
+nog wachten, en komt hij langzamerhand tot de overtuiging, dat een
+booze daemon de eerste uitvinder van het reizen is, om ongelukkige
+stervelingen van verveling en heimwee te doen omkomen.
+
+In een toestand, aan dezen grenzende, bevonden zich Pols en zijne
+vrienden in het _Hôtel du Faucon_ te Bern. En was het wonder? Waren
+zij niet de treurigste slagtoffers van hunnen reislust? Verleid door
+de voorstelling van verscheiden weken, door geen enkele zorg gekweld,
+in volkomen ongestoorde vrijheid, niets dan genot te smaken, hadden zij
+den togt aanvaard. Helaas! hoe verschillend van deze voorstelling was
+de uitkomst? Moesten zij daarom smarten gevoeld, ongemakken verdragen,
+gevaren getrotseerd hebben, om eindelijk honderde mijlen van hunne
+woning hunne vrijheid te verliezen, als gevangenen te zuchten, en
+misschien als veroordeelden in eenen kerker te verkwijnen? En dat
+alles onschuldig!
+
+"Waren wij ons maar van eenig misdrijf bewust," riep Pols uit;
+"dan zou die pijnigende onzekerheid ons zoo niet kwellen."
+
+"Maar ik geloof niet, dat die bewustheid ons veel geruster zou maken,"
+merkte Torteltak aan.
+
+"Wij zijn slagtoffers van een schandelijk verraad," troostte zich
+De Morder.
+
+"Als onze betrekkingen in Holland het hooren, treuren zij zich dood,"
+wond Holstaff zich op.
+
+"De receptie van die Bernsche Beeren laat veel te wenschen over,"
+zei Veervlug, die door dit gezegde weêr een weinig vrolijker werd.
+
+In deze en dergelijke uitroepingen werd het eerste uur na het vertrek
+van den Policie Commissaris doorgebragt.
+
+"Ik moet toch eens zien, dat ik er achter kom," zei Pols, en zich
+daarom tot een der bewakers wendende, die standvastig bij de deur post
+hielden, stopte hij hem twee Zwitsersche francs in de hand. "Daar,
+vriend! dat is voor u."
+
+"Dankje wel, Mijnheer!" zei de vriend.
+
+"Maar zeg mij nu eens, wat is de reden, dat wij hier gevangen moeten
+blijven?"
+
+"Ik kan u op mijn woord verklaren, dat ik er niets van weet," was
+het antwoord.
+
+Pols had dus de satisfactie, voor omtrent negenentwintig stuivers
+Hollandsch te vernemen, dat de policiedienaar even weinig van de zaak
+begreep als hij.
+
+"Als Mijnheer het mij gevraagd had," zei de andere wachter vrij luid
+tot zijn confrater, "dan....
+
+"Wat dan?" vroeg De Morder driftig, terwijl hij de handgreep met de
+francs, die hij van Pols bespied had, navolgde.
+
+"Dan zou ik den heeren hetzelfde antwoord hebben moeten geven," zei
+de wachter, terwijl hij dankbaar het geld opstak; "maar ik heb anders
+ook nog wel gemerkt, dat het niet gemakkelijk met u zal afloopen;
+ik heb al hooren praten van het _Schallenwerk_."
+
+De Morder vernam dus meer voor zijn geld dan Pols, vooral toen
+de vriendelijke policiedienaar door de verklaring van het woord
+_Schallenwerk_, als synoniem met _dwangarbeid_, nog eenig meerder
+licht over de zaak verspreidde.
+
+Deze mededeeling gaf aanleiding tot nieuwe aanmerkingen, te veel om
+op te noemen, en misschien zouden zij zich dien avond doodgetreurd
+hebben, zoo niet Torteltak uit voorzigtigheid drie flesschen wijn en
+twee spellen kaarten had doen aanrukken. Beide deze troostgronden
+vonden tamelijk goeden ingang bij de gevangenen, en menig potje
+_commerce_ werd door menige flesch Neuchateller vervrolijkt. Tamelijk
+opgewonden gingen zij naar bed, en sommigen hunner merkten niet eens,
+dat de onbezweken trouwe wachters de deuren hunner slaapkamers achter
+hen afsloten.
+
+Den volgenden morgen ten negen ure kwam er eene aanschrijving van den
+Policie-Commissaris, ten gevolge waarvan zijne beambten de vrienden
+uitnoodigden tot eene wandeling naar de _Rathhausplatz_, om eene
+contra-visite aan den vriendelijken bezoeker van gisteren te brengen.
+
+De zaal in het _Rathhaus_ te Bern, waar Schout en Vennerheeren van den
+kleinen Raad zich met civile, correctionele en criminele affaires bezig
+houden, heeft nog al overeenkomst met vele andere geregtszalen. Boven
+den schoorsteen staat een geblinddoekte juffrouw met weegschalen,
+waarin niet altijd gewogen wordt; links en regts van haar hangen
+schilderijen, waarop Salomo en Brutus op de meest gebruikelijke wijze
+worden voorgesteld. Dit standbeeld en deze afbeeldingen zijn zoodanig
+geplaatst, dat zij den delinquenten terstond in het oog vallen en
+met schrik vervullen, en tevens geen invloed kunnen uitoefenen op
+de uitspraak der regters, voor wie zij door de hooge ruggen hunner
+gestoelten verborgen zijn. Deze daarentegen hebben vlak het gezigt
+op eene groote klok, opdat ze, in de drukte hunner bezigheden, nooit
+het etensuur vergeten mogen. Voorts ligt op het groene kleed der tafel
+voor ieder gestoelte eene massa wit papier, dat altijd zuiver blijft,
+en eenige versneden pennen, die nooit met inkt bemorst worden. Een
+balie scheidt dit gedeelte der zaal af van een kleine tusschenruimte,
+voor het publiek afgezonderd, en waarin tien à twaalf personen op
+elkaêr kunnen worden gepakt.
+
+Voordat het evenwel onzen vrienden vrijstond, al deze merkwaardigheden
+in oogenschouw te nemen, moesten zij twee en een half uur in de kamer
+der aangeklaagden vertoeven, een klein afgeschoten hokje, waarin
+nooit zon of maan indiscrete blikken kan werpen, en dat overigens een
+allergeschiktst vertrek is voor die soort van zieken, welke zich van
+frissche en gezonde lucht moet menageren.
+
+Het was dus voor allen eene aangename boodschap, toen het berigt kwam,
+dat de Raad voltallig was, en de aangeklaagden voor moesten komen. Kalm
+en onverschrokken, gerust op hunne onschuld, traden zij de zaal binnen,
+en geen hunner beefde terug voor de tabbaarden van den ouden Schout
+en de jonge Vennerheeren, schoon daaruit diepe doordringende blikken
+op de misdadigers te voorschijn kwamen.
+
+Het begin van dit verhoor had veel van het vroegere. De Schout begon
+weêr te vragen: "Joachim Polsbroekerwoud, hoe is uw naam? Hoe oud zijt
+gij? Van waar kwaamt gij gisteren alhier aan?" en zoo voorts met al
+de aangeklaagden. Tusschen ieder dezer vragen vond de President het
+evenwel noodig, eens te kugchen en omtrent de inkleeding der volgende
+vraag zijnen buurman, een der jonge Vennerheeren, te raadplegen,
+iets dat daarom geschiedde, zoo als de vrienden later vernamen,
+omdat de tachtigjarige Schout aan eene volkomene memorieloosheid
+laboreerde. Zijn mederegter aan de andere zijde hield zich intusschen
+onledig met zijn repetitiehorlogie, dat driemaal in elke vijf minuten
+aan de geheele vergadering verkondigde, hoe laat het eigenlijk was.
+
+Toen deze allergewigtigste vragen tot aller genoegen beantwoord
+waren, wees de buurman den President, dat hij zich tot den Policie
+Commissaris moest wenden, waarop Zijn Ed. Achtb. de vraag uitbragt:
+"Werner Birnbaum, hoe is uw naam?" maar, terstond door gemelden buurman
+nader ingelicht, zijne vraag veranderde in: "Welke zijn uwe rapporten
+omtrent de arrestanten?"
+
+Deze diende hierop een verslag in, hoe op Maandag den 24sten Juli
+A. D. 1837, na de stichting van Bern het 646ste, des namiddags ten half
+vier ure, door de poort van Solothurn, of, gelijk zij thans genoemd
+werd, _la Porte d'en bas_, in de stad Bern waren binnengekomen vijf
+personen, welker namen blijkens hunne paspoorten waren, enz.
+
+Hoe hij, Werner Birnbaum, eerste Commissaris van Policie van Bern,
+_Préfekture Bern_, _Division du centre_, _Canton Bern_, nadat hem
+hunne paspoorten waren overgeleverd, zich begeven had naar het _Hôtel
+du Faucon_ in de _Rue des Juifs_, waarheen zijne beambten gemelde
+personen hadden geleid, enz.
+
+De slotsom zijner berigten was, dat voor het grootste gedeelte de
+mondelinge verklaringen der arrestanten omtrent namen en ouderdom
+overeenkwamen met hetgeen dienaangaande op hunne passen was
+aangeteekend, met uitzondering evenwel van de verklaring van Eduard
+van Torteltak, die omtrent zijn naam onzeker scheen, en Joachim
+Polsbroekerwoud, die voor zijn ouderdom 35 jaren had opgegeven,
+terwijl hij op zijn pas slechts 34 jaren had bereikt;--dat, wat de
+signalementen betrof, alles in orde was, behalve dat bij de _signes
+particuliers_ op de pas van August Holstaff geen melding gemaakt wordt
+van de naden, die, gelijk Schout en Vennerheeren zichzelve konden
+overtuigen, zijn gelaat versierden. Dat hij voorts aan den Raad in
+bedenking gaf, of de paspoorten op zichzelve wel geldig waren als
+Hollandsche paspoorten, omdat er geen enkel woord Hollandsch in te
+lezen stond.
+
+De Regter met het repetitie-horlogie, dat gedurende dit verslag
+achtentwintig malen geslagen had, proponeerde, om de zaak te
+bespoedigen, deze kleine verschillen over het hoofd te zien, daar
+de stukken op de Bureaux van Buitenlandsche zaken zelden met zulk
+eene nauwkeurigheid werden bewerkt, dat zij het examen van een
+Policie-Commissaris konden doorstaan. Wat de taal betrof, waarin
+de stukken waren opgesteld, hij kon verzekeren, dat het Fransch
+in Holland de algemeen gebruikelijke taal was, en dat slechts door
+het gemeen en in enkele landprovinciën een _patois_ gesproken werd,
+waarin misschien nog sporen van hetgeen men vroeger de Hollandsche
+taal noemde, te ontdekken waren.
+
+Deze juiste wederlegging werd door al de regters als voldoende
+aangenomen, tot groote wanhoop van den Policie-Commissaris, die al
+het licht, dat hij over de zaak verspreid had, plotseling in dikke
+duisternis zag veranderen, en daar zijne werkzaamheden in deze zaak
+afgedaan schenen, naar huis strompelde, waar hij zijn houten been,
+stok en andere _insignia_ tot nader order in de kast wegsloot.
+
+De vijf arrestanten en ook de Schout begonnen te hopen, dat nu ook
+hunne taak was afgedaan, toen de laatste op nieuw aan zijnen tabbaard
+werd getrokken en den Procureur van den raad verzoeken moest, de
+eigenlijke beschuldiging voor te dragen.
+
+Hierop stond een lang, bleek menschenhater van zijnen zetel op,
+en sprak eene soort van verhandeling uit, waarin hij aantoonde,
+dat de verdorvenheid des menschdoms zich openbaarde in het plegen
+van gruwelen en misdaden; dat naarmate die verdorvenheid toenam, ook
+het getal dier gruwelen en misdaden aanwies; dat de geschiedenis van
+oudere en nieuwere tijden deze stelling door voorbeelden kon staven;
+dat onder de misdrijven, het meest in gebruik eerste plaatsen toekwamen
+aan moord, diefstal en vrouwenroof; en dat degenen, die zich op deze
+gruwelen toelegden, gezegd konden worden tot het slechtste gedeelte
+van het menschdom te behooren; dat hij met het diepste leedwezen,
+ja zelfs met afgrijzen ontdekt had, dat van de laatstgenoemde dier
+gruwelen hier de quaestie was; en dat hij zich met innige droefheid
+gedrongen zag te verklaren, dat de naamlijst der vreemdelingen, die
+Zwitserland tot het tooneel dezer menschonteerende handelingen hadden
+verkozen, met de namen van Van Aartheim en zijne medepligtigen stond
+vergroot te worden.
+
+Hierop legde hij de aanklagt bloot van _Sir_ William Lurgrave, tegen
+den voortvlugtigen schaker en de arrestanten hier tegenwoordig, wier
+medepligtigheid nog wel niet ten volle bewezen was, maar, door gemis
+aan directe bewijzen van het tegendeel, zeer waarschijnlijk werd;
+en hij besloot zijne rede met te betoogen, dat de eenige voldoende en
+het kwaad in den grond weerende straf de doodstraf was, blijkens de
+voorbeelden der Heeren Von Schwanau en Wolfenschiess, die, in vroeger
+eeuw door de jongelingen van Art en door den beleedigden Conrad von
+Baumgarten omgebragt, zich later nooit meer aan dergelijke gruwelen
+te buiten gingen; maar daar de wet, in hare veroordeelenswaardige
+zachtheid en kwaadaanmoedigende laxiteit, zulk eene straf voor de
+genoemde misdaad niet toestond, hij zich vergenoegen moest met
+den eisch tegen de vijf gedaagden, hier tegenwoordig van eene
+gevangenisstraf van 20 jaren en eene geldboete van 1000 _francs_.
+
+Nadat de lange heer zijn gemoed in deze lieve oratie had lucht
+gegeven, nam hij zijne plaats aan de groene tafel weêr in, en
+de Schout, die zich weêr aan den tabbaard voelde trekken, bragt
+de vraag in het midden, of men nu niet tot het condemneren zou
+overgaan. Zijn buurman met het repetitie-horlogie vond het niet
+kwaad, mits het spoedig geschiedde, daar het uur verliep en hij
+dien middag visch moest eten. Een der andere Vennerheeren evenwel
+maakte ZEd. Achtb. opmerkzaam, dat het niet direct met de wet zou
+strijden, indien men vooraf den gedaagden gelegenheid gaf, om hunne
+verontschuldigingen voor te brengen.
+
+De verbazing, waarin al, wat zij gezien en gehoord hadden, de vrienden
+gedompeld had, maakte het hun in den beginne moeielijk een woord te
+uiten. In het eind stond Veervlug, door zijne betrekking den loop van
+regtszaken eenigzins begrijpende, op, en maakte in weinige woorden
+aan den Raad bekend, dat zij niet alleen niet medepligtig aan, maar
+zelfs geheel onkundig van het feit waren, aan Van Aartheim ten laste
+gelegd; dat een zijner vrienden een briefje van dien heer had, hetwelk
+misschien de regters zou kunnen overtuigen, maar dat hij in allen
+geval eischte, dat de aanklager zijne bewijzen tegen hen aanvoerde.
+
+Hierop nam de procureur het briefje van Torteltak in handen, hetwelk
+hij verklaarde nooit _à décharge_ te kunnen getuigen, als in eene
+taal geschreven, die niemand der regters verstond, maar veeleer de
+suspicie tegen hen scheen te versterken, daar voor de handteekening
+de zeer verdachte letters T. T. gelezen werden. De Vennerheer naast
+den Schout vond het laatste verzoek van Veervlug, om de bewijzen van
+den aanklager te hooren, evenwel zeer billijk, en stelde daarop de
+gewone manoeuvre bij ZEd. Achtb. buurman in het werk, waarop deze
+een beambte gelastte, den aanklager William Lurgrave te ontbieden.
+
+De beambte kwam spoedig terug met het berigt, dat gemelde heer niet
+meer in het _Hôtel de la Couronne_ te vinden was; en daar de heer met
+het repetitie-horlogie den Schout bij zich ten eten verzocht had,
+verklaarde de laatste de vergadering gesloten en geadjourneerd tot
+morgen ten negen ure, hetwelk in de taal der ingewijden beteekent
+tusschen half twaalf en twaalven.
+
+De arrestanten hadden verlof naar hunne kamer in het _Hôtel
+du Faucon_ terug te keeren, waar zij dien avond, in plaats van
+_commerce_, _treize_ speelden, en Champagne in plaats van Neuchateller
+dronken. Daar is niets, dat den mensch zoo debaucheert, als geforceerd
+arrest.
+
+De tweede zitting had den volgenden morgen in dezelfde zaal en op
+hetzelfde uur plaats. Maar de leden van den kleinen Raad te Bern
+waren heden in pijnlijke onzekerheid. De aanklager was nergens meer te
+vinden, en de kastelein uit _de Kroon_ had verklaard, dat hij zijne
+rekening had betaald en was voortgereisd. Toen dus de arrestanten
+weêr binnenkwamen, drong de Schout in het eerst aan op eene spoedige
+bekentenis, maar zag daar spoedig van af, omdat de beschuldigden
+niets te bekennen hadden. Wederom trok zijn buurman aan den tabbaard,
+en na het gewoonlijk daarop volgende consult, verzocht de Schout met
+luider stemme den Procureur tot de strikvragen over te gaan. Deze
+vroeg hierop, met doordringende blikken de arrestanten aanziende,
+welke de kleur was der japon, die _Miss_ Cleford aan had, toen zij
+geschaakt werd; hoeveel paarden er voor de postchais stonden, waarin
+de vlugtelingen waren vertrokken; met welke hand Van Aartheim haar in
+het rijtuig had geholpen, enz. De vrienden ontkwamen gelukkig uit al
+deze listig gesponnen valstrikken, en de regters begonnen zich zeer
+weinig op hun gemak te gevoelen.
+
+Zij maakten dus gebruik van den in die positie noodigen en
+gebruikelijken maatregel. De arrestanten moesten buiten staan.
+
+De uitslag der beraadslagingen van Schout en Vennerheeren kwam
+hierop neêr:
+
+"De kleine Raad, etc.
+
+Overwegende, dat de aanklager zijne beschuldiging niet met bewijzen
+gestaafd heeft, maar heimelijk is vertrokken;
+
+"Verklaart hem buiten eisch gesteld.
+
+"Overwegende verder, dat de aangeklaagden niet van medepligtigheid,
+hun ten laste gelegd, kunnen beschuldigd worden;
+
+"Verklaart hen van beschuldiging ontheven.
+
+"Edoch: de Raad overwegende, dat een der partijen de kosten van het
+proces moet betalen;
+
+"Dat degene, ten wiens laste zij moesten komen, door af te reizen,
+zich aan die betaling heeft onttrokken;
+
+"Is genoodzaakt van de andere partij de kosten te eischen.
+
+"Maar tevens overwegende, dat de wet niet toestaat de kosten te
+eischen, dan van de partij, ten wiens nadeele het vonnis geveld is;
+
+"Overwegende, dat de aangeklaagden, door vroeger in betrekking te
+hebben gestaan tot den vermoedelijke schuldige, den schijn des kwaads
+tegen zich hebben;
+
+"Echter in aanmerking nemende, dat zij, volkomen onschuldig schijnende,
+ligt dienen te worden gestraft;
+
+"Veroordeelt hen tot eene geldboete van 5 Batzen, en alzoo ook tot
+betaling der kosten."
+
+De vrienden betaalden met vreugd de boete, en ook met bereidwilligheid,
+schoon niet met vreugd, de kosten, ten bedrage van 176 Zwitsersche
+francs en 7 1/2 Batzen.
+
+Het was geen half uur later, toen Joachim Polsbroekerwoud en zijne
+vrienden de stad Bern verlieten, en zij zouden misschien in wanhoop
+terstond naar Holland zijn teruggekeerd, zoo zij niet bemerkt hadden,
+dat zij de _Barrière de Morat_ waren uitgegaan, en den weg naar
+Friburg waren ingeslagen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII.
+
+ Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voortvlugtigen
+ _Van Aartheim_ handelt.
+
+
+Eene schaakhistorie kan onaangename gevolgen hebben; dit ondervonden
+onze vrienden. Maar dat er toch ook tallooze genoegens en veel
+genietingen aan verbonden zijn, meende Torteltak, schoon hij nooit
+geschaakt had, gerust te kunnen gelooven; en dus, als hij aan
+de beeldschoone Anglaise uit het _Hôtel Colbert_ dacht, en zich
+voorstelde, hoe aardig Van Aartheim, die nu toch waarlijk bleek
+de schaker te zijn, den tijd met haar zou doorbrengen,--als hij
+beredeneerde, hoe sterk hare liefde voor zijn vriend moest wezen, om
+haar tot zulk een stap te doen besluiten,--dan kon hij bemerken, dat
+zijn hart niet alleen voor heel veel liefde, maar ook voor evenveel
+jaloezie vatbaar was. Dat hij zich, in hetgeen hij van hare liefde
+dacht, niet vergiste, maar wel in hetgeen hij van ongestoord geluk
+bij Van Aartheim veronderstelde, bleek hem uit een brief, dien hij,
+twee dagen na zijn vertrek uit Bern, te Lausanne ontving.
+
+Hoewel nu dit schrijven veel licht over de zaak verspreidde, en dus
+voor den Bernschen Policie-Commissaris van het hoogste belang zou zijn
+geweest, bleef er over vele zaken, en vooral over Van Aartheim's wijze
+van handelen, nog zoo veel duisters, dat Torteltak maar ten halve
+tevreden was. "Ik ben zeer gelukkig," schreef hij onder anderen,
+"dat ik mijne geliefde heb kunnen redden van de gevaren, die haar
+bedreigden. Ik heb mijn pligt gedaan, door haar tot een stap te
+bewegen, die evenwel de oorzaak zal wezen, dat velen haar en mij
+zullen veroordeelen. Nu, daar ik haar steeds aan mijne zijde zie,
+heb ik daaraan een onuitsprekelijk genot te danken; maar het wordt
+vergald door het denkbeeld, dat ik haar spoedig weêr zal moeten
+verlaten,--dat ik door heilige pligten gedrongen word, wat mij het
+liefst op de wereld is, aan nieuwe gevaren bloot te stellen,--en dat
+ik haar, die zoozeer bescherming behoeft, de mijne moet onttrekken. Ik
+kan u in deze vlugtige oogenblikken niet meêdeelen, hoe al die zaken
+tot elkander in verband staan; maar dit moet ik u zeggen, dat ik tot
+_Miss_ Cleford in de naauwste betrekking sta, dat ik haar gedurende
+mijn vijfjarig verblijf in Engeland heb leeren kennen en dus moeten
+beminnen, en dat ik waarschijnlijk nu reeds haar gelukkige echtgenoot
+zou zijn, zoo niet de dood harer moeder haar onder de voogdijschap
+van een wreed, slecht mensch had gesteld. Helaas, dat ik niet kan
+voortgaan, zoo als ik begonnen ben, om mij tegen zijne schandelijke en
+willekeurige handelwijze te verzetten! Ik word hiertoe aan den eenen
+kant gedrongen door mijne lieve Jenny, die niets vuriger verlangt, dan
+zich, op welke wijze ook, van haren voogd te ontslaan, en die behalve
+dat bereid zou zijn, zich elke opoffering om mijnentwil te getroosten;
+maar aan den anderen kant... Helaas! ik ben zeer ongelukkig." Hij
+eindigde zijnen brief met de vrienden tegen den Engelschman te
+waarschuwen, tegen wien hij had opgemerkt, dat Polsbroekerwoud met
+regt kwade vermoedens had opgevat.
+
+"Die waarschuwing verzoent mij weêr geheel met hem," zei Pols, toen
+Torteltak den brief had voorgelezen.
+
+"Maar zij komt beroerd laat," gromde De Morder.
+
+"Ik wou toch dat ik den goeden jongen van dienst kon zijn," zei Pols,
+die al de onaangenaamheden van Bern weêr vergat, en gelukkig zijn
+noteerboekje niet voor zich had, waarop de boeten en kosten in een
+geregtelijk proces de grootste post waren; "ik zou dien Mijnheer
+Lurgrave wel eens willen spreken. Ik geloof dat ik hem, door bedaard
+redeneren en door hem eens goed aan te tasten, wel tot betere gedachten
+zou kunnen brengen. Jammer maar, dat die kerel niets dan Engelsch
+schijnt te praten."
+
+"Ik vind dat Van Aartheim wat beter door moest tasten," merkte
+Torteltak aan; "ik wou wel eens zien, als ik het met het meisje eens
+was, dat een voogd mij belette het doel mijner wenschen te bereiken."
+
+"Ik voorzie een ongelukkig einde," zei Holstaff, "ik houd het er voor,
+dat wij onzen vriend voor het laatst gezien hebben, tenzij wij hem
+nog eenmaal aantreffen, door verraad omgebragt, terwijl de schoone
+Interlaaksche bij zijn lijk nederknielt."
+
+"Kom, kom!" zei Veervlug: "alles komt te regt. Ik stel mij liever voor,
+nog eens op zijne bruiloft te galopperen, dan dat ik nu mijne voeten
+al tot den begrafenispas exerceer."
+
+Het was jammer voor Van Aartheim, dat de goede wil zijner vrienden
+hem niet dienen kon; maar gelukkig, dat zij niet in de gelegenheid
+gesteld werden, om te beproeven wat zij bij Lurgrave vermogten;
+want het zou misschien in dezen gegaan zijn, zoo als het dikwijls
+in de wereld loopt: door al te groote lievigheid en zucht om ons van
+dienst te wezen, bereiden dikwijls onze vrienden, die weinig inzigt
+in de zaken hebben, en even weinig menschenkennis, den weg, die ons
+lijnregt naar den afgrond leidt; en als wij dan in de diepte zijn
+neêrgevallen, troosten zij zichzelven en ons met: "Wij hebben toch
+alles gedaan wat wij vermogten."
+
+_Sir_ William Lurgrave was er niet direct de man na, om zich door
+den eerzamen Rotterdamschen burgerman te laten ompraten. De redenen,
+waarom hij het huwelijk zijner nicht met Van Aartheim belette, waren
+aan weinigen buiten hem bekend; maar dat hij andere plannen met
+haar had, was aan _Miss_ Cleford duidelijk geworden, toen hij haar
+een zwaar gekneveld Franschman als zijn vriend had voorgesteld, tot
+wien hij hoopte nog eenmaal in nadere betrekking te zullen staan. De
+verloopen vriend was evenwel voor Van Aartheim niet gevaarlijk geweest;
+want Jenny was niet bijzonder gesteld op een echtgenoot, in de school
+der _débauches_ tot die betrekking gevormd, en de Franschman, die
+op zijn dertigste jaar reeds afgeleefd was, kwam haar daarom niet
+achtingswaardiger voor. Zij behoorde tot die dames, die in haar
+gemaal minder ophebben met een prématuren ouderdom, dan met een,
+die na een welbesteden jeugd volgt.
+
+Wij zijn intusschen genoodzaakt _Miss_ Cleford met haren minnaar aan
+hun goed fortuin over te geven, en hopen dat zij hunnen vervolger
+steden ver achter zich zullen laten; want te Lausanne vinden wij in de
+aanteekeningen onzer vrienden nog niets naders omtrent hun lot vermeld.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII.
+
+ Waarin de lezer een geruimen tijd in het kerkerhol van Chillon
+ moet verzuchten.
+
+
+De invloed van het ligchaam op den geest, en vice versa, behoort tot
+die dingen, die volstrekt niet meer in twijfel getrokken, maar toch
+veelvuldig betoogd worden. Het levert, even als de onsterfelijkheid der
+ziel en het pligtmatige der deugd, sinds eeuwen her, aan verhandelaars
+en schrijvers ruime stof, om veel in het midden te brengen, dat
+volkomen overeenkomt met hetgeen anderen reeds hebben gezegd. Het
+onderwerp is trouwens even zoo goed als een ander, in zoover het alleen
+dient om den schrijver of spreker te amuseren en te stichten; en vooral
+is het uitnemend geschikt, zoo als het ook heel veel gebruikt wordt,
+om tot inleiding te dienen, en den spreker of auteur op den weg te
+helpen, daar het, als het met het eigenlijke onderwerp niet in het
+minste verband staat, kan blijven liggen voor hetgeen het is.
+
+De invloed, dien de toestand des ligchaams op de stemming der ziel
+uitoefent, blijkt, zoo als onder alle omstandigheden, ook na het
+gebruik van een goed _diner_. Als men heel gezellig en vrij lang
+getafeld heeft, als de verschillende zintuigen van gezigt, reuk en
+smaak aangenaam zijn gestreeld, en men door keur van spijs of drank
+eene behoorlijke voeding, vulling en verkwikking heeft bewerkstelligd,
+zonder daarin tot overladens toe te zijn voortgegaan, dan deelt de
+aangename toon, die in het ligchaam heerscht, zich ook aan de ziel
+mede, en hoewel in dien toestand de geest misschien niet tot bijzondere
+inspanning geschikt is, hij is vatbaar voor genot en ontvankelijk en
+gevoelig voor de indrukken, die zich aan hem voordoen.
+
+Het was na een goed diner in _le Croix blanche_ te Vevay (en hier
+eindigt de inleiding van dit XXXIIIste Hoofdstuk), dat Pols en zijne
+vrienden zich op eene wandeling _derrière l'aile_ aan het oostelijk
+gedeelte van het meer van Genève begonnen te oriënteren. Het was
+een heerlijke namiddag; het blaauw des hemels, hier reeds schoon,
+als de hemel van Italië, scheen in helderheid en doorschijnendheid
+met dat van de watervlakte te wedijveren; ongestoord wierp het licht,
+dat reeds begon naar het westen te dalen, zijne stralen op het meer,
+slechts aan het zuidelijk gedeelte door de schaduwen van het hoog
+gebergte bepaald. De koude der sneeuwtoppen in het verschiet scheen
+door de zachtheid der kleuren, waarvan zij schitterden, getemperd;
+en het duister der schaduw, die de groene heuvels digt aan den oever
+op het water wierpen, werd door lichtstralen, door de rotsopeningen
+heendringende, gebroken.
+
+Het verwondert u niet, wanneer gij in de lieflijke wandeldreven van
+Vevay dit heerlijk uitzigt geniet, dat de dichterlijke verbeelding
+van Jean Jacques hier de helden van zijnen roman ten tooneele voerde;
+ja het kost uwe minder dichterlijke verbeelding weinig moeite, als gij
+op deze door de natuur begunstigde plaats aan uwe linkerzijde Chillon
+en Clarens en tegenover u de rotsen van Meillerie ziet, ze wederom
+met die personen te bevolken, wier bestaan gij hier bijna niet in
+twijfel zoudt durven trekken, schoon gij ook zeker weet dat zij er
+nooit bestonden. "_Allez à Vevay,_" zoo beroept er zich de auteur
+zelf op, "_visitez le pays, examines les sites, promenez vous sur le
+lac, et dites si la nature n'a pas fait ce beau pays pour une Julie,
+pour une Claire et pour un Saint Preux;--mais ne les y cherchez pas._"
+
+Onder den invloed van al dat schoon, dat zij zagen, en ook van
+hetgene zij niet zagen, maar zich aan den leiddraad van Rousseau's
+verbeelding voorstelden, maakten onze vrienden den tour over Clarens,
+Montreux, Chillon en Villeneuve naar Meillerie. Torteltak zocht met
+belangstelling naar het plaatsje, waar de beroemdste aller eerste
+kussen werd gegeven, en gevoelde zich sterk om hetzelfde effect te
+sorteren en even opgewonden te worden als de minnaar van Julie, zoo
+er maar eene even lieflijke dame te vinden was, die het met hem wilde
+wagen; Holstaff treurde op de rotsen van Meillerie, en gluurde even
+gevoelig en met hetzelfde succes, als de heer die er vroeger logeerde,
+naar den overkant van het meer; met diepen weemoed betastte hij zijn
+geluk, met dezelfde versierselen pronkende, die eens de trots en
+het gelaat van Saint Preux uitmaakten; maar helaas! hij had ze op de
+Fransche school overgeërfd, terwijl de ander ze aan de _Inoculation de
+l'Amour_ dankte. Beide, hij en Torteltak, werden minzaam maar ernstig
+door Pols aangevallen, die verklaarde, dat de _Nouvelle Heloise_ een
+heel overdreven boek was, en dat hij al die kunsten van den minnaar
+van Julie heel leelijke dingen vond, die niet te pas kwamen; dat hij
+nooit zoo ver had moeten gaan van haar zijne liefde te verklaren,
+ja zelfs dat hij haar nooit lief had moeten hebben; en dat hij, Pols,
+wel altijd zou oppassen, een meisje, dat hij toch nooit kon trouwen,
+zulke dingen in het hoofd te brengen. De Morder, schoon zich heel
+weinig interesseerende in de historie, kon toch niet nalaten tegen
+de koude berekenende nutbeoogers te ijveren, die, om den weg over
+den Simplon te repareren, de rotsen van Meillerie zoo jammerlijk
+hadden geschonden, en zich eenige niet zeer vleijende uitdrukkingen
+te veroorloven tegen de monniken van den Saint Bernard die het bosquet
+van Julie tot het tooneel eener houtveiling hadden vernederd.
+
+Het begon intusschen avond te worden; de zon was al tot eene redelijke
+diepte neergedaald, en de maan, die reeds eenigen tijd aan den hemel
+had post gevat, wachtte met haar gewone geduld het oogenblik af, waarop
+het licht des dags geheel zou zijn verdwenen om haar minder schoon maar
+toch lief en vriendelijk aangezigt over de aarde te doen lichten. Zij
+scheen niet jaloersch op de magt, die de koningin des dags over al wat
+leeft uitoefent, en den schittergloed, waardoor deze haar flaauweren
+glans overschenen en haar bijzijn naauwelijks deed vermoeden; evenmin
+als menig eene dier lieve, oudere zusters, die op weinig schoonheid
+kunnen roemen, en die, terwijl de beeldschoone jongste als _Reine du
+Bal_ de feestzaal rondzweeft, met kalmte en gelatenheid tapisserie
+maakt, totdat de vermoeide danser hare zuster eenen anderen _cavalier_
+overlevert, en aan hare zijde komt uitrusten. De vrienden, die tot
+St. Gingouph per rijtuig waren teruggekeerd, klommen hier af, om
+over het meer naar Chillon te worden gevoerd. Dat zij nog steeds in
+opgewonden stemming verkeerden, bleek aan de wijze, waarop zij zich
+tot de schippers wendden, en als eene gunst verzochten, in hunne
+vaartuigen de blaauwe wateren van het meer te mogen doorklieven,
+en de gereedheid, waarmede zij den hoogen prijs betaalden dien deze
+Savoyardsche natuurkinderen, in hunne naïve begeerte naar vreemd
+goud, eischten; daar zij het heiligschennis zouden hebben geacht,
+met de bewoners van dit aardsche Paradijs over een zoo nietig ding,
+als geld, te twisten.
+
+Wanneer in onze dagen reizigers het kasteel van Chillon binnentreden,
+dan bekommeren zij zich gewoonlijk weinig om het doel, waarmeê Amedeus
+IV het vóór zes eeuwen stichtte, en geven zij zich naauwelijks de
+moeite om op te merken, waarom het door zijne ligging en sterkte voor
+de Graven van Savoye van zooveel belang was. Met weinig opgewondenheid
+bezoekt men de ruime vertrekken, waar nog sporen der weelde en
+grootheid van het vorstelijk huis te ontdekken zijn, omdat men in de
+geheele reeks van Graven en Hertogen minder belang stelt, dan in den
+edelen staatsgevangene, in wiens kerker men met weemoed vertoeft.
+
+
+ "Chillon! thy prison is a holy place,
+ And thy sad floor an altar--for 't was trod,
+ Until his very steps have left a trace,
+ Worn, as if thy cold pavement were a sod,
+ By Bonnivard!--May none those marks efface!
+ For they appeal from tyranny to God."
+
+
+'t Was al vrij duister, toen ons reisgezelschap den trap naar den
+onderaardschen kerker afdaalde. Door de naauwe opening, hoog in den
+muur van het gewelf, drong evenwel nog juist zooveel licht door,
+als noodig was om al de akeligheid van het verblijf te vertoonen.
+
+"'t Is hier een beroerde inrigting voor een gevangenis," zei De Morder:
+"je kunt waarachtig geen hand voor oogen zien."
+
+"Ik vind het een allermelancholiekst verblijf," zei Pols.
+
+"Kunt gij u begrijpen," viel Veervlug in, "dat Bonnivald zich hier
+zes jaren heeft kunnen amuseren?"
+
+Holstaff stond reeds met de hand aan den ring, die den gevangene
+aan den pilaar had vastgekluisterd, en betastte de steenen zuil,
+door de wrijving der steenen uitgehold. Zijn medegevoel in het lot
+van Bonnivald was bij deze gelegenheid zoo sterk, dat hij later aan
+zijne vrienden verklaarde, in de vijf minuten, die hij aan dien pilaar
+doorbragt, al de smarten, angsten en verschrikkingen geconcentreerd
+te hebben gesmaakt, die de voorstander van Genève's privilegiën en
+vrijheid in zes jaren gevoelde, en die "zijne hairen vergrijsden en
+zijn wenkbraauwbogen vergraauwden."
+
+Ons reisgezelschap was evenwel niet het eenige in de _souterrain_ van
+Chillon. Een heer en twee dames waren eenige oogenblikken vroeger,
+geleid door de cipiersvrouw, neêrgedaald. De heer was een Geneefsch
+geleerde, van omtrent veertig jaren, waarvan hij er vijfentwintig
+onafgebroken had doorgebragt in het verzamelen van bouwstoffen voor
+een allerbelangrijkst werk over den grooten Johannes Calvinus, dat,
+behalve eene uitvoerige uiteenzetting van 's mans handelingen met
+betrekking tot de Hervorming, ook een allerherderst licht zou werpen
+over zijne daden en lotgevallen, die daarmede niet in betrekking
+stonden. Twee jaren had hij besteed in onderzoekingen, of de groote man
+in den morgen of in den namiddag van den 10 Juli 1509 was geboren, en
+vervolgens had hij eene reis ondernomen, om uit te vorschen, welke de
+juiste ouderdom zijner moeder was, toen zij hem ter wereld bragt; iets
+dat hij, na zeven jaren omwandelens en voor 20,000 francs onkosten,
+thans met vrij groote waarschijnlijkheid wist te bepalen. Op die reis
+had hij echter, behalve deze belangrijke aanwinst voor de wetenschap,
+ook nog eene merkwaardige aanwinst voor zichzelven gedaan, daar hij
+juist te Nojon, in Picardye, een meisje had leeren kennen, dat hem
+geschikt voorkwam den roem met hem te deelen, dien hij zich door zijne
+geleerde schriften zou verwerven. Sedert zeven jaren was deze vrouw
+aan hem verbonden, en nog steeds naar de lauweren wachtende. Zij was
+hem in dien tusschentijd eene bijna even trouwe hulpe geweest, als
+wijlen de gade Trommii haren gemaal. Zij was eene dier lieflijken,
+die den pligt om haren echtgenooten hunne gebreken onder het oog te
+brengen, zoo ver drijven, dat zij hen van den morgen tot den avond
+met aantijgingen en verwijten overladen, en die meesterlijk de kunst
+verstaan, om op het pad harer geliefden de rozen zóó te strooijen,
+dat de doornen hun de voeten kwetsen moeten. Zij was ruim dertig
+jaren oud en niet misdeeld van schoonheid, hoewel op haar gelaat
+minder aantrekkende bevalligheid gevonden werd, dan wel een zeker
+iets, dat respect inboezemde en aanried, een betamelijken afstand
+te houden, en denken deed aan de triviale uitdrukking van katjes,
+die men niet zonder handschoenen moet aanraken.--De andere dame, die
+bij dit gelukkige echtpaar behoorde, was eene nicht, een zacht jong
+meisje van achttien jaren, die door tante uit louter goedgunstigheid
+en medelijden was opgenomen, daar deze zich om harentwil de opoffering
+getroost had eene meid minder te houden, en die door den lieven toon,
+waarop zij bejegend werd, meermalen tot tranen toe werd geroerd, en
+alzoo tot de overtuiging kon komen, dat het zoogenaamd genadebrood
+geen droog eten is.
+
+"En was Bonnivard getrouwd?" vroeg de Geneefsche geleerde aan de
+cipiersvrouw.
+
+"Ik heb ten minste een romantisch verhaal gelezen," antwoordde deze,
+"waarin vermeld stond van zijne gade, die van verdriet stierf."
+
+De Geneefsche geleerde had op zijne lippen om te zeggen: "Dan had
+zijne gevangenschap ten minste ééne goede zijde!" Maar gelukkig hield
+hij het binnen, en zei liever: "Het was dan toch ook verschrikkelijk
+hard voor die vrouw!"
+
+"Ten minste als hij haar gelukkig maakte," merkte zijne gade aan. "Daar
+zijn anders wel echtgenooten, wier bijzijn, eerder dan hun afzijn,
+hunne vrouwen in het graf zou helpen."
+
+De geleerde glimlachte pijnlijk: "Dat zal wel zoo zijn, vrouwtje!"
+
+"Neen, dat zal zoo niet zijn, maar dat is zoo," zei zijne beminnelijke
+wederhelft wier kenmerkende eigenschap was, dat zij bij tegenspraak
+boos werd, maar als zij niet werd tegengesproken, woedend.
+
+"Hebt u den naam van Byron al op den pilaar daarginds gezien," vroeg
+Veervlug, die het papier in de handen hield, waarop hij in groote
+opgewondenheid de letters had nagetrokken.
+
+"Daar heb ik ten minste mijne oogen voor," was het antwoord.
+
+Veervlug gebruikte de zijnen in deze oogenblikken om op zijn neus
+te kijken.
+
+"Ik dacht niet dat die Byron zoo beroerd leelijk schreef," zei de
+Morder, het papier in handen nemende.
+
+"Wat leelijk!" riep zijn vriend verontwaardigd. "Is dat
+leelijk? had hij de letters dan in de zuil moeten beitelen, als een
+steenhouwersknecht het op een zerk doet? Is er niet juist genie in de
+scheefheid van die Y? In ieder der letters, zoo als zij daar staan,
+ligt een idée; wie eenigszins poëtisch gestemd is, kan er zijn geheel
+gedicht _the Prisoner_ in lezen.
+
+"Dat is juist als in de handteekening van Calvyn," zei de geleerde. "Ik
+heb er te huis een, die zonder eenigen twijfel echt is; maar al
+wist ik niets van hem, dan dat hij deze letters geschreven had, zou
+ik overtuigd wezen, dat hij de grootste man van zijne eeuw geweest
+was. Als de heeren te Genève komen, noodig ik ze uit, om het eens te
+komen zien."
+
+"Het zal mij aangenaam zijn, lieve," viel de huisvrouw in, "als je
+niet zoo maar iedereen uitnoodigt, om wegens zulke nesterijen mijn
+huis te overloopen."
+
+De lieve herhaalde zijne uitnoodiging niet, maar zeide: "Je hebt
+gelijk, goede vrouw! Hoe gaarne ik de heeren zien zou, ik heb het
+tegenwoordig nog al druk met mijn werk over den grooten Hervormer."
+
+"Je weet heel goed, dat ik het daarom niet zeg," antwoordde de goede:
+"jou getreuzel gaat mij niets aan; maar ik heb aan één man in mijn
+huis al meer dan genoeg."
+
+Het kostte den gelukkigen gemaal bij deze gelegenheid heel veel
+moeite om over dit lieve gezegde te glimlagchen, en den vrienden heel
+weinig, om bij hun besluit van geene visites meer op reis te maken,
+te volharden.
+
+Daar komt aan alle genoegens een einde: dit ondervond Bonnivard, toen
+de Berners in 1536 zijnen kerker openden en zijne ketens losmaakten;
+dit ondervonden ook de tegenwoordige bezoekers van Chillon, daar
+een gendarme, uitmakende de helft der bezetting van het kasteel,
+kwam waarschuwen, dat het bijna negen uur was, en dat de poorten dan
+moesten gesloten worden. "'t Is de moeite naauwelijks waard om al die
+trappen af te klimmen," zei de Morder, die al tweemaal geproponeerd
+had om heen te gaan.
+
+"Wil jij nog wat blijven?" zei Veervlug: "je kunt hier misschien wel
+logeren; het steenen bed van den gevangene ligt nog gespreid."
+
+"Julie, waar zit je toch?" riep de gade van den geleerde.
+
+"Hier ben ik, tante!" zei Julie, die met Torteltak over het voor
+en tegen van gevangen zijn gesproken had, bij welke gelegenheid de
+jongeling iets heel aardigs had gezegd van zachtere en tevens sterkere
+boeijen, dan die uit ijzer waren gesmeed.
+
+"Je komt ook altijd achteraan," zei de tante tot de nicht, die voor
+haar uit de trappen opging.
+
+De vrienden volgden; alleen Holstaff was nog zoo in gepeins verzonken,
+tegen de zuil leunende, dat hij niet scheen te bemerken, dat het
+gezelschap aftrok.
+
+"Kom dan toch, droomer!" riep Pols, terugkeerende en zijn vriend aan
+den arm trekkende.
+
+Doch naauwelijks had de vriend deze manoeuvre in het werk gesteld,
+toen hij op eens een dreigend gebrom vernam, en terstond daarop een
+allervervaarlijkste bulhond, die tot nu toe achter de cipiersvrouw had
+gestaan, tegen zich zag opspringen en de scherpte der tanden van dit
+vreeselijke dier in zijn vleesch boven den linker elleboog gevoelde.
+
+"Hemel, wat is dat?" riep de vriend verschrikt uit.
+
+"Die hond lijkt wel dol!" viel de cipiersvrouw in, terwijl zij het
+dier bij den halsband terugtrok. "U moet het mij niet kwalijk nemen,
+Mijnheer! maar hij is op den man geleerd, en daar u dien anderen heer
+bij den arm trokt..."
+
+"Wat zeg je daar, vrouw?" riep Pols verbleekende, daar het epitheton
+_dol_, op een hond toegepast, die hem zoo even eene bloedige wond
+had gebeten, hem niet geruststellend in de ooren klonk.
+
+"Waarlijk, Mijnheer! ik kan het niet helpen; anders is de hond
+zoo goed als een lam, maar sedert een paar dagen heb ik niets meer
+over hem te zeggen. Gisteren nog, toen ik met hem om het slot voer,
+springt hij in eens uit het bootje, in het diepste van het meer.
+
+"Als hij dan in 's Hemels naam de watervrees maar niet heeft!" riep
+onze vriend, terwijl hij met afgrijzen het bloed zag, dat zijn
+lichtblaauw jasje reeds begon te verven. "Zegt mij, mijne vrienden! wat
+zal ik beginnen?"
+
+"Ik zou er maar een compres met azijn en water omleggen," zei
+Torteltak, "dan zal het wel schikken."
+
+"Wat beginnen zijne oogen raar te staan!" fluisterde Holstaff, zijne
+handen wringende, Veervlug in.
+
+"Drink een glas water," zei deze, terwijl hij zijn vriend den trap
+naar boven op geleidde, "dan kunnen wij meteen eens zien, of gij de
+watervrees soms ook al hebt."
+
+"Neen maar, zonder gekheid," zei Pols, "die hond schijnt toch niet
+te wezen zoo als hij behoort."
+
+"Hij heeft je ten minste onbehoorlijk gebeten."
+
+"Ik weet wel, dat ik nog niet dol ben," ging Pols voort, en zich
+vermannende, voegde hij er pijnlijk glimlagchende bij: "en ik weet
+wel, dat ik er niet razend van zal worden; maar zou je hier nergens
+van die Biltsche dranken kunnen krijgen? dat kan toch nooit kwaad."
+
+Het viel evenwel den vrienden zeer moeijelijk om aan dezen wensch van
+Pols te voldoen, daar de gevraagde drank tot die soort van geheime
+geneesmiddelen behoort, wier uitwerking, volgens de verklaring der
+erfelijke eigenaars, allerheilzaamst is, maar die zeker, indien men,
+aan de inspraak der algemeene menschlievendheid gehoor gevende,
+ze algemeen bekend maakte, die heilzame kracht zouden verliezen.
+
+De raad van Torteltak omtrent het verband van azijn en water werd
+opgevolgd; de nicht van den geleerde stond met veel liefde haren fijnen
+linnen zakdoek voor 't verband af, daar het roodgeruite katoentje van
+Pols evenmin als de foulards zijner vrienden kon dienen. Hare tante
+vond het evenwel gepast iets over de verregaande roekeloosheid van
+sommige dames te zeggen, die zeker rijk genoeg moesten zijn, om zoo
+maar een fijnen doek op te offeren, en tevens eene lieve aanmerking
+te maken over menschen, die niet veel behoefden te veranderen om voor
+dol te worden gehouden.
+
+"Als Hieronymus Bolzec nog leefde of Michaël Servede," merkte de
+geleerde aan, "die zouden er wel raad voor weten; want zij waren
+zeer kundige _medici_, schoon zij ook in 't godsdienstige aan de
+allerverfoeijlijkste ketterijen schuldig stonden."
+
+Het was geen wonder dat de Geneefsche theoloog deze namen zoo
+terstond bij de hand had, daar hij juist in deze dagen tot het
+hoofdstuk genaderd was, waarin over Johannes Calvini zachtzinnigheid
+en verdraagzaamheid gehandeld werd (de geleerde heer zou zijn werk
+onvolledig hebben geacht, indien hij zijnen held niet alle mogelijke
+deugden toekende), en waarin hij de opgemelde heeren, benevens
+Castalio, Ochinus en anderen, als baarlijke duivels had leeren kennen.
+
+"Je bent onverdragelijk, lieve!" voegde des geleerden vrouw hem toe,
+"met altijd over dien Calvijn en zijne vrienden te spreken. Wat weten
+die vreemde heeren van hem?"
+
+"Met uw verlof, vrouwtje! Servetus en die anderen kunnen niet direct
+gezegd worden, vrienden van Calvijn te zijn geweest."
+
+"Maar uw beroemde landgenoot," viel Veervlug in, "is ons in 't geheel
+zoo onbekend niet, als Mevrouw veronderstelt. Wij zijn Hervormde
+Nederlanders, en in ons land komen daarenboven veelsoortige boeken
+over de Hervormers uit. 't Zou mij dus in 't geheel niet verwonderen,
+als Calvinus nu ook aan een beurt lag. In allen gevalle, daar is
+bij ons veel over hem geschreven. Ik herinner mij, bij voorbeeld,
+nog een heel lief vers van Vondel: _'t decretum horribile_."'
+
+"'t Doet mij plaisir dit te vernemen," zei de geleerde.
+
+"En 't zal mij nog meer plaisir doen, als ik er geen woord meer over
+behoef te hooren," viel zijne teedere wederhelft in, door deze phrase
+het gesprek over den Hervormer en alle de gesprekken, binnen de muren
+van Chillon gehouden, besluitende.
+
+Toen men aan den voet van het slot weêr in 't schuitje stapte, was
+het geheel avond geworden. De maan wierp nu haren zachten en lieven
+glans over het meer, en scheen over 't geheele landschap nog meer
+rust en kalmte te verspreiden, schoon ook de dag stil en zoel was
+voorbijgegaan. De maan doet zich eigenlijk zelden schoon voor, en
+als zij mooi is, dan is zij, zoo als Veervlug beweerde, kaarsmooi;
+maar toch trekt zij aan, toch is er iets zoets en liefelijks in
+haar aangezigt; maar zeker is haar effect heerlijk en aantrekkend,
+als zij met hare imposante kalmte, als beheerscheres der nacht, door
+glinsterende sterren gelijfstaffierd, van hoog uit de lucht op het
+meer van Genève neêrziet.
+
+Voor al de vrienden was het dus een verrukkelijk gezigt, toen zij,
+uit de duisternis van den kerker tot het licht terugkeerende, over het
+meer hunne oogen deden weiden. Torteltak haalde zeer gepast Byron's
+woorden aan:
+
+
+ "Lake Leeman woos me with its crystal face,
+ The mirror where the stars and mountains view
+ The stillness of their aspect in each trace,
+ Its clear depth yields of their far height and hue."
+
+
+Alleen Pols, die in den wijdgeopenden stand zijner oogen, door den
+schrik veroorzaakt, te gelijk de maan en het water zag, werd er
+treurig door gestemd, en begon over het verband tusschen maanziekte
+en watervrees te peinzen.
+
+Het was reeds tien ure, toen men te Villeneuve aankwam, waar men
+dien nacht het kwartier besteld had. Voordat men zich evenwel ter
+ruste begaf, bragt men nog eene visite aan de familie Champal,
+die, tijdens het bezoek van Byron te Chillon wonende, gezegd wordt
+allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent den beroemden dichter te
+kunnen mededeelen.
+
+"Het is heel aangenaam voor ons," zei de oudste der dames, van
+haren stoel afspringende en zich in hare volle lengte van ongeveer
+vier voeten vertoonende, "het is aangenaam en vereerend tevens, zoo
+naauw in aanraking te zijn geweest met den grooten man. Ik had hem
+de trappen af in den kerker geleid, en hij had den geheelen tijd met
+zijne gewone bescheidenheid en respect voor de sekse gezwegen, toen hij
+mij op eens minzaam bij den arm nam en verzocht hem alleen te laten."
+
+"En toen hij terugkwam," ging hare zuster voort, wier oogleden in
+plaats van met wimpers, met roode randen waren versierd, "toen stiet
+hij, in zijne dichterlijke gedachten verzonken, met zijn elleboog een
+tafelbord van den schoorsteen. Ik heb de scherven bewaard, en zou ze
+voor geen goud willen missen. Die lieve, groote man!"
+
+"Wij waren toen jonge meisjes," zei de oudste, "mijne zuster
+vijfendertig en ik vierendertig; maar wij hebben niets van zijne
+losheid en ondeugendheid met vrouwen gezien. Dat is allemaal vast
+laster."
+
+"Ziet eens hier, Mijnheeren!" zei de jongste; "kijkt eens goed naar dat
+portret." Zij wees hun op een kop, met rood en zwart krijt geteekend,
+waarvan de trekken door grofheid en geesteloosheid uitmuntten:
+"die lieve man, als ik nog aan hem denk!"
+
+"Wien moet dat voorstellen?" vroeg Torteltak.
+
+"Wel, mijn zaligen broeder," zei de oudste dame Champal; "die geleek
+bij zijn leven sprekend op Byron."
+
+"Op Byron?" riep Veervlug in verbazing.
+
+"Ja toch, Mijnheer!" viel de jongste zuster in. "Wij vonden het
+allebei; maar eigenlijk niet zoo zeer in zijn gezigt en postuur,
+als wel in zijn gang. Mijn broeder trok ook zoo 'n beetje met zijn
+eene been, net als de lieve groote man."
+
+"Dat is heel merkwaardig," zei Pols.
+
+"Maar heeft Byron toen terstond zijn gedicht geschreven?" vroeg
+Torteltak: "nog in Chillon zelve?"
+
+"Neen," was het antwoord; "van het schrijven heb ik niets gezien;
+maar ik heb anders het boek gedrukt in eigendom."
+
+"Eén ding is maar jammer in dat vers," zei de oudste zuster; "dat
+plagt altijd mijn zalige broeder te zeggen, die ook heel knap was. Hij
+heeft het gedicht alleen voorgelezen aan Mijnheer Hobhouse, en niet
+aan ons. Mijn broeder had hem anders van veel belang kunnen wezen:
+want Byron dacht, dat Bonnivard maar zes jaren had gevangen gezeten,
+en mijn broeder wist zeker, dat het er zeven waren. Als hij dit nu in
+tijds geweten had, zou het vers nog wat langer hebben kunnen worden."
+
+Het spreekt van zelve, dat de vrienden dit ook heel bejammerden;
+maar verwonderlijk is het, dat de belangrijke mededeelingen van de
+dames Champal het effect van een _narcoticum_ op hen hadden. Zij
+maakten hunne visite wat kort, om den nacht wat te verlengen.
+
+Den volgenden avond kwamen Pols en zijne reisgenooten, na eenen
+aangenamen stoomboot-togt over het lac Leeman, te Genève aan, en
+namen hunnen intrek in het beroemde _Hotel des Bergues_.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIV.
+
+ Geleidt de reizigers van Genève over Sallenches naar Chamounix en
+ van daar naar Martigny, en is eenigzins in afgebroken journaalstijl
+ geschreven.
+
+
+Reizigers, die vóór eenige jaren Thun hebben bezocht, herinneren
+zich zeker met aandoening de aangename uren, die zij aan den edelen
+A. E. Rufenacht te danken hadden. Het kost hun gewis geene moeite
+hem voor den geest terug te roepen, dien edelen _Gastgeber_ in het
+_Freyenhof_, voor den werkkring geboren, waaraan hij zijn leven wijdde,
+en die zich een _monumentum aere perennius_ heeft opgerigt in de harten
+van wie maar eén nacht onder zijn dak huisvestten, of eens aan zijne
+tafel aanzaten. Niemand hunner zal het tegenspreken, dat aan hem
+de eerste plaats toekomt onder zijne ambtgenooten in Zwitserland,
+welligt in de geheele bewoonde wereld; wien toch zou men kunnen
+aanwijzen, die zoovele kasteleinsdeugden in zich vereenigt, als hij,
+die zoo ieder het zijne weet te geven en tevens voor zichzelven te
+zorgen,--die zoo de kunst verstaat de zwakheden zijner begunstigers
+te vleijen, en die zijner onderhoorigen te straffen,--en die in zijn
+pogen om u het logementsleven zóó aangenaam te maken, dat gij vergeet
+in een hotel en niet bij vrienden te verkeeren, volkomen zou slagen,
+zoo hij zich niet verpligt rekende u bij het vertrek eene kleine
+Nota te overhandigen, die u van het tegendeel overtuigt.--Zoo was
+het vroeger in het _Freyenhof_ te Thun, maar zoo is het nu niet
+meer. Nog zal u de inrigting behagen van het hotel, nog zult gij er
+wel en op uw gemak wezen, maar hem, den edelen kastelein, zult gij
+er niet meer vinden. Rufenacht heeft Thun verlaten, en de directie
+van het etablissement aan Knoerr overgedragen. De werkkring was voor
+den grooten man te klein. Reeds lang had hij zwanger gegaan van een
+ontwerp, welks volvoering in het eerst aan onoverkomelijke zwarigheden
+onderhevig was; maar wat vermogten die bezwaren tegen zijn sterken
+wil en zijn ondernemenden geest? Rufenacht's plan werd met een goeden
+uitslag bekroond, en het _Hotel des Bergues_ te Genève verrees als
+eene eerezuil voor zijn genie.
+
+Het gesticht van den gastvrijen Zwitser is belangrijk, en voor menschen
+van het vak de reis naar Genève overwaardig. Aanzienlijker personen
+kunnen het natuurlijk niet tot het doel van hunnen togt maken; neen,
+hunner is het, den dorst naar geleerdheid te voldoen, door de Akademie
+van Calvyn te bezoeken en de leerstoelen te bezigtigen, ja somtijds
+een geheel uur te wijden aan het opdoen van grondige kennis; hunner
+is het rondom het standbeeld van Jean Jaques te wandelen en in den
+stoel van Voltaire uit te rusten, en alzoo veel dieper in den geest
+dier auteurs in te dringen, dan die te huis hunne werken bestuderen;
+zij mogen hunne mechanische kennis vermeerderen door horlogieradertjes
+te zien slijpen en wijzerplaten polijsten. Hoeveel aangenamer en
+belangrijker zijn hunne souvenirs dan die men zich in gezelligen
+kring, onder vrolijke gesprekken, in het hotel vergadert! Hoe zoudt
+gij den naam van Rufenacht durven noemen, daar zij u spreken van Besa,
+De Saussure, Necker, Rousseau en Bautte!
+
+En met dat al, wij rekenden ons verpligt van het _Hotel des Bergues_
+te spreken, omdat ons reisgezelschap, bij hunne aankomst te Genève,
+noch aan de schatten van geleerdheid en kunst dacht, die deze stad
+bevat, noch zelfs oogen had voor het heerlijke panorama, dat het
+meer voor hen en de hooge bergketen in 't verschiet aanbood. De
+vrienden verkeerden in dien toestand, dien men zich, als men te
+huis aan reizen denkt, niet kan voorstellen, doch dien men op reis,
+helaas! meermalen leert kennen, waarin men minder gevoelig is voor
+al de schoonheden van natuur en kunst, dan voor een goed _diner_
+en een gemakkelijken fauteuil. Het is eene wel treurige, maar toch
+stellige waarheid, dat niet alleen het ligchaam uitgeput wordt, maar
+ook de geest te veel vermoeid en oververzadigd door de veelvuldige
+indrukken van schoonheid. Maar in zulk eene positie is het misschien
+best te doen zoo als ons vijftal deed. Zij etabliseerden zich in het
+hotel, en aten en dronken, alsof dit het eenig doel geweest ware,
+waarmede zij zich honderde uren van hunne woonplaats hadden verwijderd.
+
+In deze stemming van opgewondenheid zou het sommigen der vrienden
+zeer aangenaam geweest zijn eenige hunner goede kennissen, vrolijker
+en minder vermoeid dan zij, te hebben mogen aantreffen, om, in hun
+gezelschap zittende, den avond door te brengen. Torteltak bejammerde
+het zeer, dat Van Aartheim het adres der Hunshows, die buiten
+Genève de zomermaanden doorbragten, niet vóór zijn subiet vertrek
+aan hen had afgegeven. Aangenaam was hem dus de verrassing, toen hij
+tegen den avond, uit wanhoop op het _Ile de Rousseau_ ronddwalende,
+op eens zijnen naam hoorde noemen en de hand van _Miss_ Emma in de
+zijne gevoelde.
+
+Onze vriend brandde van verlangen om de Engelschen het gebeurde met
+Van Aartheim meê te deelen, en hij zocht reeds naar zachte termen om
+het gedrag van den jongeling in een niet al te ongunstig licht voor
+te dragen, toen Hunshow hem voorkwam: "En uw vriend is met mijne
+schoone landgenoot doorgegaan?"
+
+Torteltak zag hem verbaasd aan; hij dacht niet dat het geval zooveel
+_éclat_ gemaakt had en reeds in Genève bekend was; maar hij begreep
+er niets meer van, toen de Engelschman er bijvoegde: "Hij is mij voor
+geweest. Ik ben met hetzelfde plan naar Interlaken gereisd."
+
+De jongeling sloeg onwillekeurig het oog op Mevrouw Hunshow, maar
+zag niets van verstoordheid in hare blikken. Integendeel zeide zij
+op vergenoegden toon: "Van Aartheim heeft zeer edel gehandeld, en
+onze geheele familie zal er hem altijd erkentelijk voor blijven."
+
+De blikken der jonge dames bevestigden dit gezegde harer
+zuster. Torteltaks verbazing groeide meer en meer aan. Hij verzocht om
+nadere inlichtingen. Hij vernam evenwel niets anders, dan dat Lurgrave
+zeer slechte dingen met _Miss_ Cleford voorhad; dat Van Aartheim, door
+haar aan zijne magt te onttrekken, dit plan had verijdeld, en daarin op
+de meestmogelijk kiesche manier was te werk gegaan. Voor het overige
+openbaarde Hunshow zijne vreugde dat hij den jongeling toevallig had
+leeren kennen, die zulke gewigtige diensten had bewezen aan de schoone
+Jenny, welke hij zijne lieve bloedverwant noemde, en bleek uit zijne
+discoursen, dat ook het tegenwoordig verblijf der vlugtelingen hem
+bekend was, schoon hij het niet geraden scheen te vinden, dit aan
+iemand te openbaren. Het was onzen vriend wel aangenaam zooveel tot
+regtvaardiging van zijnen voormaligen reisgenoot te hooren, in wien hij
+zich meende bedrogen te hebben; maar hij had, aan den anderen kant,
+bijna liever niets vernomen dan deze halve mededeeling, die zijne
+nieuwsgierigheid op eene zware proef stelde. Peinzend verliet hij,
+na een paar aangename uren in hun gezelschap te hebben doorgebragt, de
+Engelschen. Het zou hem moeielijk geweest zijn zichzelven rekenschap
+te geven van de gewaarwordingen, die in zijn binnenste oprezen. Hoe
+vriendschappelijk hij omtrent Van Aartheim gezind was, hij misgunde
+hem toch wel een weinig de naauwe betrekking, waarin hij tot de schoone
+Cleford stond; hij misgunde hem verder de toejuiching van de bevallige
+Emma. Waarom wist hij zelf niet; maar hij had oogenblikken, waarin hij
+zich verbeeldde verliefd te zijn, en in die oogenblikken stond hem nu
+eens het beeld van Jenny, dan eens dat van Emma, dan eens Ambrosine,
+dan weêr een ander landgenootje, voor den geest. Torteltak behoorde
+tot die menschen, die eenen schat van liefde in hun hart bezitten,
+maar van die soort, waarvan de bron misschien in eigenliefde en
+ijdelheid te zoeken is, en die dan ook, wat de gehalte betreft om
+duurzaam geluk aan te bieden, wel wat te wenschen overlaat.
+
+Toen de reizigers hunne krachten weêr wat hersteld hadden, kwam de lust
+ook terug om verder te gaan. Nadat zij dus van Genève gezien hadden,
+wat hun behaagde of behagelijk was voorgekomen, namen zij een rijtuig
+aan naar Sallenches, om vandaar nog denzelfden dag naar Chamounix
+voort te reizen. Zij hadden bij deze gelegenheid het genoegen partij te
+maken met een Hollandsch heer, met wien Pols den vorigen avond aan de
+publieke tafel zeer gelieerd was geraakt, door een warm en hartelijk
+gesprek over het lieve en schoone Vaderland. Deze heer was Mijnheer
+Cornelis van der Wieken van Zaandam, trotsch op zijn naam, die al lang
+het eigendom zijner familie was; trotsch op zijne geboorteplaats, die
+hij als een door de natuur begunstigd plekje gronds beschouwde. Zijn
+goed gevuld ligchaam, zijne ruime, stevige en glanzende kleederen,
+zijne massief gouden overhemdsversierselen, zijn zwaar horlogie
+in drie kasten, en meer andere uiterlijkheden, deden vermoeden dat
+hij een welgesteld man was, en zoo het niet hollend met den man is
+achteruitgegaan, zou het ons zeer verwonderen, als de Prijsvraag over
+het verval van een en ander te Zaandam onlangs ten zijnen behoeve
+was uitgeschreven. De man was voor het overige zijn gezelschap wel
+waard; want behalve dat hij zeer onderhoudend over het houtzagen en
+olieslaan sprak, betaalde hij zijn zesde gedeelte in het rijtuig nog
+voordat men afreed, en vergenoegde hij zich met het zuidwesterhoekje,
+zoo als hij de plaats achteruit tegen den bok aan, noemde.
+
+De weg naar Sallenches over Bonneville en Cluse levert eene heerlijke
+afwisseling van schoone gezigtspunten op. Het zachte schilderachtige,
+dat de omstreken van Genève aan de andere zijde hebben, neemt
+hier langzamerhand af, en maakt plaats voor woester en trotscher
+natuurtooneelen. Een der vrienden maakte de opmerking, dat hij nergens
+schooner boschpartijen gezien had; maar Mijnheer Van der Wieken deed
+hem opmerken, dat er veel te weinig zuiver regtopgaande stammen te
+vinden waren, en nam hieruit aanleiding om eene lofrede te houden
+op de Noorsche juffers en deelen en andere houtsoorten, waarvan
+hij eene belangrijke collectie te huis had. Hij loste overigens de
+bedenking van Pols, waarom deze landstreek zoo weinig bewoond was,
+op, door hem te doen opmerken, dat de grond ongeschikt was tot het
+aanleggen van kanalen, en dus de verhuizingen zeer moeijelijk en
+kostbaar moesten wezen.
+
+Men zou zich onderweg niet lang hebben opgehouden zoo men zich niet
+verpligt had gerekend den achthonderd voet hoogen heuvel te beklimmen,
+van waar men de _Grotte de Balme_ ingaat. De ingang van dit hol
+is vrij ruim; maar wanneer men eenige voetstappen is voortgegaan,
+huivert men bijna om verder door te dringen. Uw voet glijdt uit op den
+glibberigen ongebaanden grond; zware steenklompen boven u dreigen u
+te verpletteren, of, door achter u neêr te storten, den toegang tot
+de bewoonde wereld af te sluiten. In het midden der grot ontdekt uw
+oog eenen afgrond, die in een bodemloozen waterkolk eindigt.
+
+"Hier," zeide de vrouwelijke guide tot de reizigers, "had vóór
+twee jaren de ontmoeting plaats tusschen Hudson Lowe en Lascases
+en Bertrand. Deze laatsten kwamen in den namiddag in de grot, en
+zagen in het boek de naam van den Cipier van St. Helena. In woedende
+drift zochten zij hem op, en vonden hem bij deze versteening, waar
+Mevrouw Bertrand, een jaar vroeger eenige gelijkenis met het graf
+van Napoleon vindende, deze woorden geschreven had: '_Honneur à
+l'immortel; mort au traitre._' Zij troffen Hudson Lowe aan, terwijl
+hij bezig was deze woorden uit te wisschen. '_Mort au traitre!_' riep
+Bertrand en greep den Engelschman bij den kraag. "Bereid u tot den
+dood," voegde hij er bij; "want hier zult gij sterven." Hudson Lowe
+bragt verontschuldigingen in, en ik smeekte, half dood van schrik,
+om zijn leven. Ik bad den Franschman te bedenken, dat hij een moord
+zou begaan. De vrienden van Napoleon gaven aan mijn smeeken gehoor, en
+vergenoegden zich met hem te doen neêrknielen voor de beeldtenis van
+het graf, en vergiffenis te vragen aan de schim des Keizers. Daarna
+lieten zij hem zijn eigen naam, dien hij in 't boek geschreven had,
+met eigen hand verbranden, en joegen hem voor zich de grot uit."
+
+"Dat is verbazend belangrijk!" riep Pols.
+
+
+ "Oui, le conte est fort bon,
+ Il faut en rire."
+
+
+neuriede Torteltak.
+
+"Ik zal u de echtheid van mijn verhaal bewijzen," zei de vrouw. "Voor
+in de grot heb ik nog het boek, en gij zult zien, dat er een blad
+uitgescheurd is."
+
+Torteltak kon bij zulke evidente bewijzen niet blijven twijfelen.
+
+"'t Is een fatiguante tour," zei Pols, toen zij den terugtogt aannamen;
+"maar 't is mooi."
+
+"'t Zou mij heel wat meer bevallen," zei Mijnheer Van der Wieken,
+die van tijd tot tijd over den ongelijken en glibberigen grond
+struikelde, "als zij hier een effen baan maakten en dien smerigen
+grond wat afschrobden. Bij ons zouden er die muren ook zoo haveloos
+niet uitzien. Een groen verfje zou ze heel wat opknappen."
+
+Men was weêr aan den uitgang der grot genaderd; en op eens was men
+uit den duisteren nacht in de koude grot, op den helderen dag in de
+liefelijke natuur overgeplaatst. Van de hoogte van Balme zag men
+de vruchtbare landstreek in een licht, zoo als zich anders nooit
+aan het oog voordoet, schitterend en helder, en te gelijk zacht en
+blauw. Jammer dat de oogen zich weêr langzamerhand aan het licht
+gewenden, en alles dus weêr de gewone tinten verkreeg; maar toch het
+uitzigt was schilderachtig schoon over de frissche korenvelden door
+welig hout begroeid, en in het verschiet op den spitsen toren en de
+smaakvolle woningen van Maglan.
+
+Het liefelijke dorp trok de aandacht van al de vrienden; maar het
+oog van den Zaandammer bleef strak op de korenvelden gevestigd.
+
+"Hier met eene geliefde in den arm te mogen leven!--welk een
+genot!" riep Torteltak uit.
+
+"Hier te mogen sterven!" zuchtte Holstaff.
+
+"Is het niet of de grond met geboende matjes is belegd?" riep Van
+der Wieken uit, terwijl hij Pols de korenvelden in de vallei aanwees.
+
+Pols stemde volkomen in met de opmerking van den Zaandammer.
+
+In stille overpeinzing over alles wat men gezien had, vervolgde men
+den togt. Pols merkte nog eens met juistheid aan, dat men zulke dingen
+toch in Holland niet vond, en zijn Zaandamsche vriend moest hem gelijk
+geven. "Maar," voegde hij er bij, "als Mijnheer van der Beek bij ons
+te Broek het zag, dan zoudt ge toch iets zien gebeuren, zoo waar ik
+Van der Wieken heet. Hij zou zoo'n grot op zijn buitenplaats laten
+aanleggen, want hij durft geld besteden voor wat moois; daarvoor
+hebt ge maar _de spinnende vrouw_ en _den blaffenden hond_ in het
+boerenhuisje, en _den Dominé_ in den Chineschen tempel te zien."
+
+De vrienden hadden plan, om van Sallenches den naasten weg door te
+reizen naar Chamounix; maar een arm dienstmeisje uit het hotel,
+waar zij gedineerd hadden, wendde zich smeekend tot Torteltak,
+om zich een half uur langer rijdens te getroosten, en _en passant_
+te Saint Gervais een drankje af te geven, dat zij voor haren zieken
+minnaar had bereid. De schoone oogen van het meisje wekten bij onze
+vrienden menschlievendheid genoeg op, om zich dit voorstel te doen
+welgevallen. En waarlijk, zij hadden reden er zich over te verheugen;
+want behalve dat de zieke minnaar heel dankbaar was, hadden zij er
+het genoegen aan te danken, dat zij er de heerlijke ligging en de
+uitmuntende inrigting der baden van Saint Gervais door leerden kennen,
+en dat de ongunstige opinie, die zij na hun bezoek te Baden-Baden tegen
+alle badplaatsen hadden opgevat, eenigzins werd gewijzigd. Want hier
+ontsproot de heilzame bron niet, opdat de grond, die ze omringde,
+door menschelijke boosheid zou worden ontheiligd. Hier werden niet
+naast het gedenkteeken der Hemelsche goedheid, gedenkteekenen van
+wereldsche ondankbaarheid opgerigt. Hier werd het geneesmiddel, dat
+de natuur aanbood, niet door de weelde krachteloos gemaakt. Het was
+een zondagmiddag; de vrienden gingen de hoofddeur van het Badhuis
+in, en meenden weder eene courzaal te zien. Daar zagen zij de vromen
+neêrgeknield in het huis Gods, en hoorden zij den zegen des Hemels
+afsmeeken in het zacht gezang, dat lijdenden aanhieven. Eene kleine
+schaar was in de kerk en in de nabijzijnde vertrekken verzameld,
+en ook daar lag het Woord des Heeren opengeslagen.--Het verwonderde
+de vrienden niet langer, dat de badplaats Saint Gervais zoo weinig
+bekend is en zoo weinig bezocht wordt.
+
+Langs den nu geheel ongebaanden weg reed men in de kleine ijzeren
+rijtuigen over rotsklompen en naast afgronden en door bergstroomen
+heen, en bereikte tegen het vallen van den avond de _Prieuré_
+van Chamounix.
+
+"Deze vallei is toch zeer merkwaardig," zei Pierre Marie Payot tot
+de vrienden, die hij als gids naar den Montanvert geleidde. "Het is
+dan ook de bewondering en verrukking van alle reizigers, en wij zien
+op dit heerlijkste plekje der wereld de aanzienlijkste menschen uit
+alle landen."
+
+"Maar gij hebt toch Czaar Peter hier nooit gezien," viel Van der
+Wieken in, "zoo als wij bij ons."
+
+"Dien juist niet, maar wel Alexandre Dumas; ik heb zelf de eer gehad
+zijn guide te zijn, schoon hij van mij zooveel melding niet gemaakt
+heeft als van mijn ongelukkigen broeder."
+
+"Zijt gij waarlijk de broeder van Gabriel Payot!" riep Veervlug
+verrukt uit. "Vertel mij dan toch eens het regte: hoe is het met uw
+broeder afgeloopen?"
+
+"Hoe! hebt gij het verhaal dan niet gelezen, dat Mijnheer Dumas op
+mijn broeder gemaakt heeft van zijn reis naar Engeland en zijn dood,
+toen hij hier terugkwam?"
+
+"Was het dan toch waarheid?" vroeg Veervlug. "Ik meende dat het
+tragisch eind een zuiver verdichtsel was, dat zoo bij het verhaal
+behoorde."
+
+"Ik zal u de waarheid met mijn eigen hand opschrijven," antwoordde
+de gids: "als gij dan ook eens een boek schrijft, komt er mijn eigen
+handteekening in gedrukt; als gij maar niet zoo doet als Mijnheer
+Dumas, en mij vergeet. Hier zijn wij juist aan de bekende fontein
+van de schoone Claudine, die rijkelijk laat Mevrouw Belton wierd."
+
+"Is dat nu die fontein?" vroeg Van der Wieken, die de Fransche
+litteratuur tot op Florian had bijgehouden. "Is het anders niet dan dit
+straaltje, dat uit den grond opkomt? Men had er meer partij van kunnen
+trekken, als men er bij voorbeeld een bronzen walvisch op had gemaakt."
+
+"Die groeijen zoo bij ons te land niet," zeide de guide, die juist
+zijn autograaph aan Veervlug overhandigde, van den volgenden inhoud:
+
+
+ Marie Gabriel Payot, _mort an 1833, a prai son retour dan
+ Gleterre tombes aus es callié de la Couronne._
+
+ Pierre Marie Payot, _votre Guyde_.
+
+
+"Ik geloof niet," voegde hij er zuchtend bij, "dat hij van de trappen
+zou zijn gevallen, als hij niet zooveel geld bij zich gehad had;
+maar dit blijft onder ons."
+
+Tot hiertoe was de weg gebaand en de opklimming gemakkelijk geweest;
+maar nu ging het verder langs smalle paden, door sneeuwvallen in de
+rotsen uitgehold. Van tijd tot tijd vertoonde zich in de openingen
+in het geboomte, dat bijna den geheelen berg bedekt, de schoone
+vallei van Chamounix, die tot in het midden der vorige eeuw door de
+omgevende bergketen van de bewoonde wereld afgescheiden en voor ieder
+menschelijk oog verscholen bleef; maar toch was het reeds vroeger
+een door de natuur begunstigd plekje, en toen de eerste bewoners in
+het dal neêrdaalden, vonden zij den grond bereid, en vruchtbaarder
+dan het land, dat zij verlieten. Sedert heeft de vallei een gansch
+ander aanzien verkregen, schoon er de weelde nog minder dan elders
+is doorgedrongen, en de natuur zich nog in hare eenvoudigheid voordoet.
+
+Op den top van den Montanvert zijn de grasvelden welig, en de
+alpenrozen bloeijen er mild en overvloedig; maar ziet, op eens opent
+zich voor uwe oogen de grond, en ziet gij in een diepte neder, met ijs
+bedekt; zoover uw oog reikt, strekt zich ter linker en regter zijde de
+sneeuwvallei uit, in ongelijke massa's opgehoopt, en tegenover u ziet
+gij steile bergtoppen, naakt en dor; het is als eene uitgestrekte zee,
+in het midden van een woedenden storm op een oogenblik tot ijs gestold.
+
+Onze reizigers staarden in stomme verbazing dit treffend en majestueus
+schouwspel aan. Gewaarwordingen kwamen in hen op, die zij vroeger
+niet hadden gekend. Daar waren er, wie de tranen langs de wangen
+stroomden, en die hunne oogen van de zee beneden hen eerbiedig naar
+den hemel opsloegen.
+
+"Je zoudt zeggen, waar komt al dat ijs zoo op eens van daan?" riep
+Pols verbaasd uit.
+
+"Kent gij een sterker bewijs voor Gods almagt?" vroeg hem Pierre
+Marie Payot.
+
+"Neen," riep Van der Wieken; "want... Hemel, ziet gij dat daar voor
+u? Zoudt gij niet zweren, dat dit een oliemolen was, en ziet, het is
+toch maar een ijsklomp."
+
+Huiverend en niet zonder angst volgden de vrienden den gids op een
+tour over de _Mer de Glace_, en daarna, opgewonden door wat zij gezien
+hadden, naar het hotel van Charlet en Simond in de vallei terug.
+
+En toen zij den volgenden dag over de _Tête Noire_ tot Martigny
+waren voortgereisd en door een aanhoudenden regen doornat waren,
+gaf Pols zijne vrees te kennen, dat nu zeker de _Mer de Glace_ zou
+gesmolten zijn.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXV.
+
+ Waarin aangetoond wordt, dat een interessante tour niet altijd
+ een gemakkelijke is.
+
+
+De _mont Saint Bernard_ is een zeer beroemde berg. De meeste menschen,
+die zich overigens weinig aan het bergwezen laten gelegen liggen,
+kennen dezen, hetzij omdat zij weten, dat Bernard de Menthon er
+voor omtrent duizend jaren een klooster stichtte, hetzij omdat zij,
+als bewonderaars van menschenliefde, de edele zelfopoffering der
+Bernardiner monniken waarderen, hetzij omdat zij de wonderen, door de
+St. Bernardshonden verrigt, als admirabele feiten erkennende, nog al
+dikwijls aan deze edele dieren denken. Dit laatste is bij de meesten
+het groote punt van aanraking met deze bergketen, èn omdat deze dieren
+vrij wat algemeener bekend zijn, dan hunne meesters, én omdat er geen
+enkele hond bestaat, van de mopssoort af tot den Neufoundlandschen toe,
+die niet nu en dan voor een St. Bernardshond doorgaat.
+
+Het is om deze reden en omdat men langs dezen weg vrij gemakkelijk in
+Italië kan komen, dat de berg door vele reizigers bezocht wordt. Maar
+waarom men er ook heenga, men zal zich de moeite beloond vinden. Het
+gesticht van den Italiaan, die zich verpligt rekende zijne ouders
+in ongerustheid achter te laten, en vermoeide vreemdelingen met
+een goed onthaal te verrassen, is zeer belangrijk. Het is een oud
+en ruim gebouw, met goede en, dank zij de Engelsche mildheid, rijk
+gemeubelde zalen, kabinetten van schilderijen en mineraliën, en,
+wat hongerige en vermoeide reizigers nog meer te pas komt, perfecte
+magazijnen van levensmiddelen, en wel luchtige, maar toch gemakkelijke
+slaapcellen. De monniken zijn meest alle fatsoenlijke jongelieden, die
+somtijds, uit wanhoop over mislukte liefdespeculatiën, op algemeene
+menschenliefde speculeren; soms eene heilige roeping gevoelen om de
+beste jaren van hun leven in barre en koude streken door te brengen,
+zich een vroegtijdigen ouderdom te bereiden en kropgezwellen magtig
+te worden.--De honden zijn groot, hebben lang haar, rieken de menschen
+op een kwartier afstands, en doen nog iets meer dan gewone jagthonden,
+die alleen het wild opstooten; voor het overige zijn zij, als anderen
+van hun ras, gehecht aan hunne meesters, en niet onverschillig voor
+veel brood en lekkere kluifjes.
+
+Ik ken menschen, die zelden vergenoegd zijn en die toch zeer in hun
+schik waren, toen zij in dit klooster waren aangeland, speciaal omdat
+zij zich een dozijn uren al klimmende vermoeid hadden, en in het hartje
+van den zomer door de sneeuw hadden gebaad en nog _par extraordinaire_
+door eene hagelbui waren overvallen. Zoo zij zich evenwel veel moois
+hadden voorgesteld, werden zij bitter teleurgesteld; want hoe hooger
+men klimt, hoe treuriger aanzien alles aanneemt. De frissche levende
+natuur maakt voor dorheid en naaktheid plaats, maar die, bij gebrek
+aan trotsche vormen, volstrekt niet dien indruk geven, dien de stoute
+woeste natuur verwekt; de rotsen zijn ruwe, maar logge klompen; de
+weg is lang, maar zelden steil; de voet stuit dikwijls tegen scherpe
+uitstekende punten, maar heeft zelden gelegenheid naar een précipice
+uit te glijden; de sneeuw vormt geene avalanches, maar bedekt als een
+tapijt den zacht glooijenden grond; en de waterstroomen storten dus
+niet met donderend geweld naar den afgrond neêr, maar gaan voort als
+beekjes, die weinig haast hebben. Het treffende afsteken van bloemen
+naast eene zee van eeuwig ijs bestaat bij gebrek aan bloemen niet,
+daar het dezen niet te vergen is uit loutere steenklompen voort te
+komen. Hierbij komt, dat men overal te vergeefs naar een schoon uitzigt
+op de vallei zoekt, daar overal nabijzijnde bergtoppen, en dergelijke
+kleinigheden meer, dit onschuldig genoegen verhinderen. Slechts voor
+ééne soort van menschen is er eigenlijk op weg wat moois te ontdekken:
+voor dezulken namelijk, die met een hamer, een beitel en een linnen zak
+reizen, en die magtig vergenoegd kijken, als zij een grijzen steen,
+en daarnaast een zwarten, en verderop een donkerbruinen aantreffen,
+en die eindelijk, gebukt onder den last dien zij torschen, juichen
+om de belangrijke aanwinst voor hun kabinet.
+
+Van Martigny ondernamen Pols en zijne vrienden de beklimming van
+den St. Bernard. Zij moesten evenwel hunnen reisgenoot van de vorige
+dagen vaarwel zeggen, omdat de waardige Van der Wieken een togt naar
+Saxon in den zin had, waar zich, zoo als hij toevallig vernomen had,
+eene stijfselfabriek moest bevinden. Voor dit verlies werden zij
+echter spoedig schadeloos gesteld, daar zij, naauwelijks een uur
+voortgegaan, een jongen Duitscher aantroffen, die geheel alleen den
+berg wilde beklimmen, omdat hij zonder _guide_ den weg wel kon vinden,
+maar die nu toch, om van het aangenaam gezelschap der Hollanders te
+profiteren, zich wilde getroosten ook met hunne gidsen in gezelschap
+te zijn, hoeveel hij anders ook tegen dat lastige menschensoort
+mogt hebben. Dezelfde jongeling gaf onderweg nog vele blijken
+van inschikkelijkheid; want schoon hij, toen de vrienden zich te
+St. Pierre proviandeerden, zich daarmeê niet kon vereenigen, omdat
+hij uit principe tegen eten op weg was, getroostte hij zich echter
+zijn principe te verzaken, toen men later van den proviand gebruik
+maakte, omdat zij niet alleen zouden eten en hem misschien voor een
+zonderling aanzien.
+
+Het eerste gedeelte van den togt viel, zoo als het gewoonlijk gaat,
+het gemakkelijkst; maar lang voordat men aan het eind was, begon Pols
+al te spreken van laatste loodjes, die het zwaarst wegen; en toen zij
+nu de kleine _Morgue_ voorbij en nog maar een uur van het klooster
+af waren, openbaarden sommigen de vrees van er niet te zullen komen,
+beklaagden enkelen zich den togt te hebben ondernomen, en hoorde
+men hier en daar een wensch uiten, en eischen aan de gidsen doen,
+omtrent even verstandig als soms passagiers op een schip, die bij
+evident gevaar, van den kapitein eischen, dat hij hen op eens bij den
+huiselijken haard en bij vrouw en kinderen verplaatst. Het gezigt van
+het doodenhuis had zeker niet veel bijgedragen om de vrienden wat op
+te beuren; want een aantal ongelukkigen, die te laat uit de sneeuw
+waren opgedolven, stonden en zaten en lagen daar dooreen, en het
+onbepaald vertrouwen op de kunde en behendigheid der gidsen was wel
+een weinig verminderd, toen een der hunnen bij die dooden een zijner
+confraters had aangewezen. Zwijgend en langzaam gingen zij voort in
+den guren avond; hoe verder zij gingen, hoe snerpender de koude werd,
+en ieder minuut werd het licht flaauwer en de lucht zwarter. De
+Morder beschuldigde het Gouvernement, dat het niets uitrigtte, om
+die ongepermitteerde koude tegen te gaan, en dat er geen lantaarns
+langs den weg hingen; Veervlug werd bang, dat de _Morgue_ misschien
+het eigenlijke klooster was, en dat de monniken waren doodgevroren;
+Holstaff kreeg weêr, als naar gewoonte, hoe ongelukkiger hij zich
+gevoelde, zooveel meer liefde voor zijne ouders, die niet ongelukkig
+waren. Pols klaagde over hevige koude en hoofdpijn, en dat hij zich
+heel raar gevoelde; en hij bewees de gegrondheid dezer klagten, door
+in het eind op den grond neêr te storten, en zonder eenige verdere
+waarschuwing flaauw te vallen.
+
+"Daar hebben wij het nu al!" riep de Morder. "Dacht ik het straks
+niet? Dat is er weêr een voor het doodenhuis."
+
+"Bedaar," zei de gids; "hij is nog niet geheel flaauw. Geef hem wat
+aangelengd _kirschwasser_."
+
+De jonge Duitscher gespte terstond de veldflesch van den flaauwen
+Hollander los en vermengde het kirschwasser daaruit met een zeker
+vocht, dat hij in zijne veldflesch meêvoerde, en dat uitstekend tot
+aanlenging geschikt scheen. Voordat hij er echter den lijder aan
+waagde, nam hij zelf eene goede teug, om zich te overtuigen, dat de
+drank niet te sterk was.
+
+"Waar ben ik?" riep Pols, zijne oogen openende.
+
+"Op den grooten St. Bernard," antwoordde de Duitscher.
+
+"Digt bij het klooster," voegde de gids er bij. "Zie maar voort te
+gaan. Wij zullen u ondersteunen"
+
+"Ik kan niet meer," zei de lijder met eene flaauwe stem.
+
+"Nog maar een klein endje," voegde Torteltak hem toe, zelf meer in
+hoop, dan in dadelijk geloof sprekende.
+
+"Wat hoor ik daar?" riep Veervlug, verheugd opspringende.
+
+Het waren de honden van den St. Bernard, die hunne meesters
+waarschuwden, dat er menschen in aantogt waren.
+
+"God dank!" riepen de vrienden in koor.
+
+Daar zagen zij op kleinen afstand de deur openen, en eene flambouw,
+die een helder licht wierp op twee menschen in lange, zwarte kleeding.
+
+Als de geestelijken in het St. Bernardsklooster altijd reizigers zien,
+die zoo gelukkig zijn in hun klooster te mogen ingaan en aan hunne
+tafel te mogen aanzitten, als nu het geval was, dan hebben zij ten
+minste eenige vergoeding voor al de moeite en ontberingen, die zij
+zich moesten getroosten. Maar ook was hunne zorg voor de reizigers, en
+inzonderheid voor den armen Pols, voorbeeldig. Deze lieten zich alles
+met vreugde welgevallen en waren gansch niet onverschillig voor de
+goede gaven, die hun werden voorgezet; en ook van de rust, die hun in
+de naburige cellen werd aangeboden, maakten zij een dankbaar gebruik.
+
+In den vroegen morgen noodigden de geestelijken hen uit om de eerste
+mis bij te wonen. Het was sommigen der vrienden aangenaam en goed,
+hier een uur in gemeenschappelijke Godsvereering door te brengen,
+schoon ook de wijze hoe van de hunne verschilde; zij verheugden zich
+te gelijk, daarbij in de gelegenheid gesteld te zijn, in de armbus van
+het klooster hunne aalmoezen te werpen. Alleen de Duitscher onttrok
+zich omdat hij niets aan de huisgenooten zijns geloofs wilde ontstelen.
+
+Met eene wandeling in de omstreken van het klooster en in het bezien
+der merkwaardige inrigtingen bragt men den morgen door. Veervlug vond
+het gepast van dit hoogste bewoonde punt der aarde een brief aan de
+zijnen te schrijven, die hij, om er een vrolijk denkbeeld aan te geven,
+in dezer voege eindigde:
+
+"Het is hier een eeuwige winter. Men ziet hier de spade gebruiken,
+niet als daar ginds beneden, om het land tot een tweeden oogst voor
+te bereiden, maar om eenigzins toegankelijk pad in de sneeuw te
+graven. Geene door de zon verbrande handen binden de korenschoven
+zaam, maar bleeke bevende vingeren sprokkelen het met moeite naar
+boven gevoerde hout bijeen. Geen vrolijke meisjes huppelen hier in
+bonten opschik rond, maar monniken in zwarte kleederen kruisen door
+het gebergte, om verdoolde reizigers op te sporen. In plaats van een
+"reis gelukkig", dat men u beneden toeroept, als men u den weg langs
+den bloeijenden wijnberg aanwijst, heet het hier "_memento mori_"
+daar men u op harde ongebaande rotspaden wijst. Ginds is alles vreugd,
+hier is het ernst; daar leven, hier dood. Ja, de dooden zelve wonen
+in onbedekte woningen boven den grond; want geen spade kan een graf
+in de harde steenen graven. De grond opent zich niet alleen voor het
+leven, maar ook voor den dood is hij gesloten."
+
+Met dankbaarheid namen de vrienden afscheid van de herbergzame
+monniken. De Duitscher beklaagde zich zeer, dat men hier niets kon
+betalen, maar hoopte er later toch iets op te vinden. Nu was de reis
+gemakkelijker dan gisteren; de weg aan het zuiden des bergs is minder
+steil en wordt al spoedig schoon en aangenaam. Het panorama, dat zich
+aan hen voordeed, was nu en dan heerlijk;--immers, het was Italië,
+dat zij voor zich zagen; Italië, waarvan zij ten minste het voorportaal
+zouden ingaan, al konden zij dan ook niet verder doordringen.
+
+En weldra kozen zij zich kwartier te Aoste, waar zij een luxe van
+cretins en kropgezwellen aantroffen, en van daar reisden zij over
+Ivréa, Vercelli en Novara tot Milaan, het doel en het verstverwijderd
+punt hunner reis.
+
+Het eerst, wat zij bij hunne aankomst te Milaan deden, was naar brieven
+te vragen aan het Postkantoor. Allen kregen zij goede berigten van
+hunne betrekkingen. Torteltak nog een extra pakje, dat hij gretig
+opende, en waarin hij vond--een _Series lectionum_ voor 1837-1838. Dit
+was eene kleine attentie van Haak en Co. te Leyden.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVI.
+
+ Waaruit blijkt, dat de reisavonturen van Joachim Polsbroekerwoud
+ nog na zijne aankomst te Milaan, vervolgd worden.
+
+
+Slechts drie dagen vertoefden de vijf vrienden in Milaan. "Het waren
+dagen van weelde en genot," zoo als Torteltak nog menigmaal pleegt
+te zeggen, als hij zich, naar de wijze van vele reizigers, door de
+mededeeling van hetgeen hij al gezien heeft, ten koste van een geheel
+gezelschap amuseert. "Ik ken geen stad in de wereld, waar men den
+beker van levensgenot, en zelfs van overdaad, zoo zonder ophouden
+kan drinken, zonder ooit den bodem te zien."
+
+"Maar toch, mij dunkt, Londen of Parijs, naar ik ten minste hoor,"
+waagt de een of ander te zeggen.
+
+"Wat zouden die?" vraagt Torteltak, met medelijden glimlagchende. "Ik
+ben nooit te Londen of te Parijs geweest, en ik verlang er niet naar,
+nu ik Milaan gezien heb." En nu begint hij door te draven, over de
+_Contrada di Roma_ met hare hemelhooge paleizen, ten minste van drie
+à vier verdiepingen; over de _Ambrosiana_, de _Arco della Pace_,
+de macaroni bij Rebecchino, de _Breza, de sorbetti_ in het _Café
+Réale_, de _Cenaculo di Leonardo da Vinci_, den _Duomo_, met zijn
+honderd torens en vierduizend beelden, de wit marmeren galerijen,
+die het dak vormen, en van waar hij het vruchtbare Lombardije overzag,
+begrensd door Alpen en Apennijnen, van wegen naar de beroemde steden
+der oude en nieuwe wereld doorsneden, beladen met vruchten en ranken
+en overwelfd door Italiës hemel. Van daar holt hij, niettegenstaande de
+gloeijende hitte in de straten van Milaan, naar het _Teatro la Scala_,
+en houdt niet stil, voordat hij in een calêche van Reichmann, tegen de
+donzen kussens aangeleund, in een file van duizende rijtuigen zijne
+promenade in den _Corso_ maakt. Het zou voor het gezelschap gelukkig
+geweest zijn, als Torteltak op dit tourtje maar in slaap geraakt was;
+dan hadden zij niet met hem de _revue_ behoeven te passeren van al
+de Milanesche schoonen, die in die duizende rijtuigen gezeten waren,
+en die, in weêrwil van den rijkdom van gitzwarte lokken, gloeijende
+oogen en fijne en volle vormen, waarmede zij allen zonder onderscheid
+prijkten, van wege hare onbekendheid nog al zoo weinig interesseerden,
+als het dagelijksch gezigtje van jufvrouw Antje of Keetje, dat men,
+zonder zich veel moeite te geven, zien kan als men wil.
+
+"Gunst, wat zijn de heeren toch raar! Het moet bij hen toch altijd
+wat vreemds wezen, wil het bevallen; en men zoekt dikwijls ver af,
+wat digt bij te vinden is!" valt nu de eene of andere deftige Mevrouw
+in, die de reden, waarom zij het niet ver af gezocht wil hebben,
+naast haar heeft zitten.
+
+"Misschien komt het," antwoordt Torteltak, die niet gaarne als
+ongevoelig voor de Hollandsche schoonen wil beschouwd worden, "dat zij,
+waar en wanneer men ze ziet, zoo lief, zoo los, zoo open gekleed zijn."
+
+"Misschien wat al té," zegt de dame.
+
+"Dat is te zeggen, niet veel anders dan bij ons de dames op concerten
+en bals. Maar zoo ziet men ze ook in den Corso en in haar huis."
+
+"In haar huis ook?" roept Mevrouw verbaasd, "en dat alle dagen? Gunst,
+dat is toch een beetje heel indécent!"
+
+"En gij troft uw vriend Van Aartheim weêr in Milaan aan?" vraagt een
+goede kennis van Torteltak, die, om de oude dame nieuwe ergernissen
+te sparen, het discours op iets anders wil brengen, en een verhaal
+uitlokt, dat hij pas drieëntwintig malen gehoord heeft.
+
+"Ja, dat was eene aangename ontmoeting," begint Torteltak te
+verhalen. "Het was juist den laatsten morgen van ons verblijf te
+Milaan. Wij gebruikten het ontbijt in het koele salon, dat aan
+onze apartementen aansloot, en deden ons te goed aan macaroni en
+fijne vruchten, en vergaten niet van tijd tot tijd de Malvoisy aan
+te spreken, die in een koelvat met ijs voor ons stond. Op eens
+gaat de deur open, en onze vriend de avonturier staat voor onze
+oogen. Wij hadden hem in een geruimen tijd niet gezien, en hij had
+ons haast tot de _dupes_ van zijne schaakhistorie gemaakt; maar
+toch, wij drukten hem hartelijk en vrolijk de hand. Hij was echter
+alles behalve opgeruimd; want hij had juist een plegtig vaarwel
+aan zijne schoone toegeroepen, en deze occupatie scheen hem niet
+erg te hebben opgevrolijkt. Wij hielden onze plagerijen, die wij
+hem hadden toegedacht, dus maar voor ons, en bepaalden ons in de
+eerste oogenblikken tot de gebruikelijke vragen: "Heden, ben jij
+het? Kom je zoo in eens uit de lucht vallen?" welke ontboezemingen
+hij met een kort _ja_ en _neen_ beantwoordde. En toen wij nu een
+poosje zamen geweest waren, en zoo weêr wat op den ouden voet kwamen,
+verhaalde hij ons, met de behoorlijke inleidingen en tusschenredenen,
+zoo veel van zijne geschiedenis, als hij goedvond dat wij wisten,
+en dat genoeg was om ons te bewijzen, dat het met die schaakhistorie
+ook niet alles _couleur de rose_ was. De arme jongen was in een
+mal parquet. Hij was het met _Miss_ Cleford zoo tamelijk eens, en
+de acht dagen, die hij met haar voor een groot deel _tête à tête_
+had doorgebragt, hadden hunne intimiteit niet verminderd. Van dien
+kant was dus alles in orde. Maar minder goed stonden zijne zaken
+bij haren voogd. _Sir_ Lurgrave was een soort van ellendeling,
+die scheen te leven om de familie Van Aartheim te kwellen. De vader
+van mijn vriend had een zeer aanzienlijken post in de Oost gehad,
+en de Engelschman, die zich daar ook eenige jaren ophield, had zich
+door aangenaamheid van omgang en het bewijzen van kleine diensten
+tamelijk bij hem ingedrongen. Het doel, dat hij daarbij beoogde,
+werd de schoone Mevrouw Van Aartheim al heel spoedig duidelijk; maar
+zij verzweeg het haren man, om hem verdriet te besparen, en wist den
+valschen vriend op een behoorlijken afstand te houden. Maar nu wil
+het ongeluk, dat Mijnheer Van Aartheim sterft. Mevrouw, erfgenaam
+van een vrij aanzienlijk vermogen, trekt met haar eenigen zoon naar
+Engeland, waar zij geboren en opgevoed is. Lurgrave volgt haar spoedig,
+en daar hare positie nu geheel veranderd is, legt hij er zich op toe,
+hare hand en te gelijk haar vermogen te vermeesteren. Vijf jaren lang
+verijdelt zij al zijne pogingen; maar nu, daar haar zoon zijne studiën
+voleindigt heeft, en zij den lastigen indringer niet kan ontvlugten,
+besluit zij den wijk naar Holland te nemen, waar zij het eerste jaar
+van haar huwelijk heeft doorgebragt. Zij betrekt een buiten in de
+omstreken van Utrecht. Maar nog is zij niet veilig. De Engelschman
+vervolgt haar ook hier, en om zijne eischen kracht bij te zetten,
+legt hij haar papieren voor, waarbij de Heer Van Aartheim verklaart
+aan den Heer Lurgrave eene som schuldig te zijn, die oneindig
+meer dan haar geheel vermogen bedraagt. Deze stukken zijn met de
+handteekeningen van de behoorlijke getuigen voorzien en volkomen _in
+forma_. Mevrouw Van Aartheim, die overtuigd is dat de papieren valsch
+zijn stelt alle mogelijke onderzoekingen in het werk, en schrijft
+aan de getuigen. Maar de een is kort na haar mans dood overleden;
+de ander heeft sedert eenige jaren de Oost verlaten, en niemand weet
+waarheen.--Lurgrave doet nog meer. Hij kent, even als de moeder,
+de liefde van mijn vriend voor zijne pupil, en hij verklaart dat
+deze verbintenis geheel afhangt van het besluit van Mevrouw Van
+Aartheim. Bijna had de liefhebbende, teedere moeder toegegeven,
+om haren zoon gelukkig te maken; maar deze verzet er zich tegen, en
+wil zijn geluk niet voor dat zijner moeder koopen. Kort daarna wint
+hij berigten in, die hem de hoop geven den getuige te zullen vinden,
+van wiens verblijf men onkundig was, en wiens verklaring alles zal
+afdoen. Lurgrave wordt ongerust en begint in te binden. Mijn vriend
+gaat op reis; maar de Engelschman houdt hem in 't oog en blijft op
+korten afstand van hem te meer, omdat zijne nicht zich juist in dezen
+tijd te Interlaken bevindt, van waar haar broeder, die haar begeleidt,
+een reis in het Oberland zou ondernemen. Te Baden had Van Aartheim
+gehoopt nadere berigten in te winnen omtrent den persoon, dien hij
+zocht; maar hij werd teleurgesteld, en dit ontging zijnen vijand, dien
+hij er ontmoette, niet. Te Lucern trof hem dezelfde teleurstelling,
+en toen hij daar Lurgrave ontmoette, was hij al gelukkig met dezen
+een contract te kunnen sluiten, hetwelk zijne moeder voorloopig van
+alle lastige en kwellende aanzoeken zou bevrijden, maar waartegen hij
+beloven moest, zich volstrekt niet met _Miss_ Cleford in te laten,
+ten zij haar voogd zelf hem door onwaardige behandeling daartoe
+aanleiding gaf. Die aanleiding volgde spoedig; want Lurgrave, wel
+inziende dat Van Aartheim in 't eind zou triomferen, had zijne plannen
+gemaakt, en gebruik makende van de afwezigheid haars broeders, wilde
+hij _Miss_ Cleford dwingen een huwelijk met een zijner vrienden,
+een Franschen losbol, schoon van goede familie, aan te gaan; en
+door geweld zou hij misschien zijn doel hebben bereikt, zoo niet Van
+Aartheim, in tijds onderrigt, door de schaakhistorie zijne plannen had
+doen mislukken.--Als nu mijn vriend de handen maar vrij gehad had,
+dan zouden wij misschien in Zwitserland bruiloft hebben gehouden;
+maar hij wist heel goed, dat zijne moeder nog in de magt van den
+Engelschman was, en daarom zorgde hij, dat deze kennis kreeg, dat
+hij het contract niet verbroken had, en zijne Jenny weêr aan haren
+broeder zou overleveren. Door de familie Hunshow liet hij dezen naar
+Milaan ontbieden, en daar scheidden de geliefden, niet wetende of
+zij elkander ooit zouden weêrzien."
+
+Het spreekt van zelve, dat, terwijl Torteltak dus aan 't verhalen is,
+de noodige aanmerkingen zacht of half overluid worden gemaakt als:
+"Neen! zulke monsters, als die Mijnheer Lurgrave, bestaan er toch
+niet."--"Maar waarom sprak Mevrouw Van Aartheim er dan niet eens met
+een advocaat over?"--"Maar hoe konden zij nu in Zwitserland trouwen,
+zonder papieren?"--"Gunst! die jufvrouw was toch een beetje heel ligt,
+dat zij zich zoo liet schaken, en dat wel door een jong heer; dat is
+al té," enz.--Gelukkig voor het gezelschap, als, wanneer Torteltak op
+deze hoogte van zijn verhaal gekomen, of als hij maar even begonnen is,
+de boodschap binnen komt: Daar is de knecht, om Jufvrouw T te halen,"
+of "de koets van Juffrouw U is voor;" want in de gegeve omstandigheden
+is het wel waarschijnlijk, dat die dames spoedig aan allen het sein van
+vertrekken zullen geven, "omdat mama doodelijk ongerust zou zijn," of
+"dat papa heel bang is, dat de paarden door het lang staan verkouden
+zullen worden."--De lezer, wij zijn er zeker van, stemt met de dames
+T en U in, en gunt gaarne aan Tortelzak, de rest van zijn verhaal
+voor zich te houden.
+
+In het reisjournaal van Polsbroekerwoud vinden wij weinig omtrent de
+curiositeiten van Milaan vermeld. De reden hiervan is, dat de goede man
+er niet heel veel van gezien had. Reeds te Ivréa was hij begonnen te
+klagen over matheid en lusteloosheid; te Vercelli was hij op den inval
+gekomen, dat het copieus gebruik van vruchten hem weêr op stel zou
+helpen; te Novara werd hij bang, dat hij zijne maag wat sterk verkoeld
+had, en zocht dit door eenige glaasjes Rosolio te herstellen: maar al
+zijne huismiddeltjes hielpen hem weinig; zijne _malaise_ nam steeds
+toe, en hij reed Milaan binnen, omtrent in even opgewekte stemming, als
+waarin een detachement gevangenen de poort van Woerden binnenrukt. Toen
+de vrienden nu in het _Albergo del Tudesco_ waren afgestapt, en de
+overigen zich tot eene wandeling door de stad gereed maakten, besloot
+Pols hen niet te vergezellen; maar, zich ten halve ontkleedende en,
+niettegenstaande de brandende hitte hem groote druppelen uit de poriën
+joeg, een wollen muts over het hoofd trekkende, vlijde hij zich op
+een bed neder, in hoop wat aan 't uitwasemen te raken. Maar ook deze
+kuur mislukte; want hoewel eene soort van cascade van zijne wangen
+op de kussens neêrstortte, zijne benaauwdheid nam toe en werd in
+'t eind zoo hevig, dat hij aan de schel trok en met drift uitriep:
+"Een doctor! cito een doctor!"--De doctor kwam en nam een paar dekens
+van het bed; dit gaf al eenige verligting aan den patiënt. "Ik zal
+u genezen", ging hij voort, "en wel op een zeer eenvoudige manier,
+zonder mixtuurtjes en dergelijke kwakzalverijen,--door olie, alleen
+door zuivere olie. Ik gebruik geen ander medicament, noch uit-
+noch inwendig. Olie verzacht, lenigt, zuivert, neemt elken prikkel
+weg. Alle ziekten ontstaan uit overprikkeling van een der deelen,
+en dus is olie een alles afdoend geneesmiddel." Terstond na het
+uiten dezer redenering ging Doctor Buonaventa tot de praktijk over;
+hij zelf gaf hem een lepel van het frissche en smakelijke vocht in,
+en riep eene oude dienstmaagd naar boven, die onzen vriend hoofd,
+borst en polsen met olie moest inwrijven.
+
+De doctor verliet zijn patiënt, en gelastte de oude meid, bij den
+zieke te blijven en hem zooveel olie toe te dienen, als zij hem in kon
+krijgen, en als hij ergens pijn gevoelde, het medicament uitwendig te
+appliceren.--Hij liet Pols in verbazing achter over deze eenvoudige
+manier van genezen, maar tevens met een vrij onaangenamen smaak in
+den mond, en iets in zijn binnenste, dat naar walging zweemde.
+
+"Geef mij toch een glas water!" vroeg hij na een poosje, met een
+benaauwd gezigt zijne oppaster aanziende, die naast zijn bed had
+post gevat.
+
+"_Si, Signore!_" antwoordde de oude vrouw, die hem niet verstond,
+maar die begreep, dat hij weêr eens wilde innemen; en eer hij er op
+verdacht was, goot zij hem een tweeden lepel olie in de keel.
+
+"Wijf, ben je razend?" riep Pols.
+
+"_Si, Signore!_" en de vrouw stond alweêr met de flesch gereed.
+
+"Terug!" riep onze vriend angstig. "O Hemel, ik word zoo wonderlijk!"
+
+De vrouw merkte op, dat hij klaagde en terwijl de hand op zijn hart
+hield. Zij goot olie op een wollen lap, en begon nu uit al hare magt
+de pijnlijke plaats te wrijven.
+
+Pols kon haar geen weêrstand bieden en zonk na deze kuur aemechtig
+op zijn kussen neêr. Hij bleef eenigen tijd in deze positie, totdat
+een dier vlugge en goêlijke huisdiertjes, die meermalen in dekens
+en bedden omspringen, zich opgewekt gevoelde, nadere kennis met den
+vreemden heer te maken, en daarom zijn hals tot tooneel verkoos voor
+eenige gymnastische en acrobatische oefeningen.
+
+Onze vriend was echter in dezen oogenblik niet tot dergelijke
+amusementen gestemd, en dus schielijk zijne hand uit het dek trekkende,
+trachtte hij het kleine kunstenaartje in arrest te nemen. Maar
+naauwelijks zag de getrouwe oppaster deze beweging, of zij begreep
+dat hier spoedige hulp noodig was, en dus den hals van den patiënt
+rijkelijk met het vette vocht besproeijende, stelde zij wederom de
+manoeuvre met den wollen lap in het werk.
+
+Pols begreep dat het best zou zijn, zich maar volstrekt niet meer
+te bewegen. Lang hield hij dit vol; maar eindelijk riep hij met eene
+angstige stem: "Ach, kwamen mijne vrienden mij maar te hulp!"
+
+"_Si, Signore!_" en de vrouw bragt hem den lepel weêr aan den
+mond. Maar nu was het geduld van Pols ten einde. Hij hield zijne
+tanden hardnekkig op elkander gesloten, en te gelijk opspringend,
+greep hij de vrouw bij den arm.
+
+Op dit oogenblik kwamen de vrienden van hunne wandeling terug. Zij
+bleven verbaasd staan over het schouwspel, dat zij zagen. Daar stond
+Pols ten halve ontkleed, met een dubbelen vlaggedoek om zijn middel
+gewonden, de blaauwe muts tot over zijne wenkbraauwen getrokken,
+zijn gelaat glimmende, en het vet, dat door zijne onverwachte
+beweging hem van de lepel in 't gezigt was gespat, van wangen en
+kin afvloeijende. Met geweld slingerde hij de vrouw van zich af,
+die hem angstig aanzag, en haar medelijden en verbazing in de meest
+gebruikelijke Italiaansche vloeken openbaarde. Wij zullen hare
+uitboezemingen hier niet herhalen, maar verwijzen den weetgierigen
+lezer naar den eersten den besten roman, waarvan Italië het tooneel is,
+en waarin hij eene profusie van zoodanige kunsttermen zal aantreffen.
+
+Het gelukte den vrienden de woede van Pols te matigen, door de
+gedienstige waakster weg te zenden; maar het was minder in hunne
+magt om de onaangename uitwerking der toegediende medicamenten tegen
+te gaan; doch hier kwam de natuur te hulp, en de maag van Pols gaf
+duidelijk te kennen, dat zij van al die vettigheid niet gediend
+beliefde. Den volgenden morgen was hij reeds weêr zoover hersteld,
+als toen hij den Doctor liet ontbieden, en toen deze hem een tweede
+bezoek gaf, verleende de vrees voor nieuwe kuren hem kracht om
+zich volkomen genezen te verklaren. Buonaventa verzocht hem, zijn
+systeem in Holland bekend te maken, en had de edelmoedigheid, zich
+met 20 liras voor twee visites te vergenoegen. Op de rekening van
+Reichmann was beleefdelijk melding gemaakt van eenige vetvlakken op
+beddengoed en tapijten. En toen de reizigers eindelijk vertrokken,
+zag Pols onder het aantal bedienden, dat met uitgestoken handen tot
+aan de poort van het hotel uitgeleide deden, nog eenmaal zijne waardige
+waakster weder. Met weêrzin gaf hij haar het kleinst mogelijke fooitje,
+waarvoor hij nu nog een krachtigen en zeer populairen vloek terugkreeg.
+
+De reizigers verlieten Milaan; en toen zij van eene kleine hoogte
+nog een laatsten blik op de prachtige stad sloegen, riep Veervlug in
+verrukking uit: "Het is een land, overvloeijende van melk en honig!"
+
+"En van olie!" voegde Pols er zuchtend bij.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVII.
+
+ Waarin veel beredeneerd en weinig bewezen wordt, én waarin de
+ reizigers eene herberg aantreffen, waar op het uithangbord _vrij
+ wijn_ niet maar voor de leus geschreven is.
+
+
+ "De liefde tot zijn lant is ieder aangeboren,"
+
+
+zegt Vondel, en zijn levensbeschrijver merkt aan, dat hij het bewees,
+"weinig jaren voor zijn doodt naar Keulen reisende, en zijn vermaak
+neemende met op de bedtsteê te klimmen, daar hij ter weerelt quam." Men
+kan dit gezegde van onzen dichter maandelijks als motto aantreffen
+voor den Staat der runderen, schapen, varkens enz., die zich in de
+Bedelaarskoloniën van ons dierbaar vaderland bevinden. En zoo dit
+alles nog niet genoeg is, om dezulken te weêrleggen, die aan die
+aangeboren liefde twijfelen, of die andere landen boven het hunne
+verkiezen, zij worden krachtig, gemoedelijk en met zachtzinnigheid
+overtuigd door de schoone regelen van een later dichter:
+
+
+ "Dat hij verga, die, diep verbasterd,
+ Den vaderlandschen grond miskent."
+
+
+En met dat al, daar zijn voorbeelden van sommigen, die, in Holland
+gewonnen en geboren, terwijl zij, in zeer aangenaam gezelschap
+in den vreemde reizende, landen aanschouwden nog schooner dan
+het hunne, in sommige oogenblikken vergaten te juichen om hun
+voorregt, als "op Nederlandschen grond geteeld." Tot verbetering
+dier stemming kan misschien somtijds dienstig zijn eene zeer wijze
+en verstandige redenering, waarin het vaderland als het puikje
+aller landen wordt voorgesteld, en waarin al de voorregten worden
+aangetoond, die de bewoners van dat dierbaar en begunstigd plekje
+gronds bezitten. Maar meer nog dan al die redeneringen strekken vaak
+toevallige omstandigheden en ontmoetingen, om bij den verketterden
+of dwalenden reiziger de liefde tot zijn land weêr op te wekken. Als
+hij bij voorbeeld begint te bemerken, dat zijn geldbuidel slechts
+weinige sequinen meer bevat, en hij bedenkt, dat hij te huis nooit
+voor geldgebrek te vreezen heeft, of als hij na een vermoeijenden
+togt op een hard en morsig leger de rust te vergeefs zoekt, dan,
+ja dan zou ook hij gaarne "zijn vermaak neemen met op de bedsteê te
+klimmen, daar hij ter weerelt quam."
+
+Ook onder de vrienden van Polsbroekerwoud was het nu en dan niet
+pluis met de warme liefde voor het land "aan de baren ontwoekerd en
+door de voorvaderen vrijgestreden." Het ergst maakte het Veervlug,
+die altijd met vergelijkingen aankwam, als iets bijzonder schoons
+hun oog trof. Pols kwam dan wel tusschenbeiden met "daar is toch
+maar één Holland," of de alles afdoende uitspraak "Oost west, thuis
+best." Maar dan begon zijn vriend: "Wat! al heeft ook mijn wieg in
+een moeras gestaan, en al hebben mij bijna dertig jaren de nevelen
+van het Noorden de oogen verduisterd, ik vind het denkbeeld niet
+verschrikkelijk van een bruidsbed tusschen de bloemalpen een helderen
+zuidelijken hemel boven een grijs hoofd. Neen, het zou beleedigen
+worden van den Schepper om die drassige landen, door menschelijke
+kunst aangewonnen, door menschenhand omdijkt, de voorkeur te geven
+boven de bloeijende valleijen, door de hand der Almagt met een
+keten van bergen omgeven. Moge ik bewaard blijven voor zulk eene
+verblinding!"--Het zou Pols zeker gemakkelijk geweest zijn om zijn
+vriend in bondige en betoogende redeneringen te weêrleggen; maar hij
+vond bij zulke gelegenheden meer kracht van overtuiging in den uitroep:
+"Nu, ik blijf toch maar zeggen "Holland bovenal!" al heb ik er kind
+noch kraai, nu Mijntje dood is."
+
+Wij moeten het echter tot eer van Veervlug zeggen, dat, in weêrwil van
+al zijne bespiegelingen en uitboezemingen, in zijn hart altijd nog veel
+gevoel overbleef voor hetgeen hem aan zijn vaderland verbond. Bij
+al de voorstellingen van geluk, in die heerlijke vreemde landen
+te smaken, haalde hij eene menigte voorwerpen, waaraan hij zich
+verknocht gevoelde, en die met hem tot de landverhuizing zouden
+moeten besluiten; en dan zelfs twijfelde hij somwijlen, of hij op
+vreemden grond wel ooit zoo gelukkig zou kunnen wezen, als op de
+plaats, waaraan zich zoo vele aangename en teedere herinneringen
+verbonden. Maar het meest ontwaakte bij hem en bij al de vrienden
+de liefde en het verlangen naar zijn geboortegrond, toen zij Milaan
+verlatende, de terugreis aannamen. Tot nu toe hadden zij terwijl
+zij voortreizende de schoonheden van Duitschland en Zwitserland
+bewonderden, altijd nog één punt voor oogen, het grenspunt van hun
+togt. Hoe schoon zij alles vonden, hoe veel genoegen zij smaakten,
+daarheen wendde zich met verlangen hun oog; het was als het doel
+waarnaar zij streefden, dat elken dag de bereiking nader kwam, en
+dus steeds hun verwachting hooger spande. Dit doel was nu bereikt,
+en schoon zij ook op den terugtogt misschien nog evenveel nieuwe
+schoonheden zouden ontdekken en aangename gewaarwordingen gevoelen,
+zij moesten weêr een nieuw rustpunt voor oogen hebben, en dit was
+nu de terugkomst in het vaderland. Als op eenmaal deden zich nu weêr
+stemmen in hen hooren, lang onderdrukt of verdoofd. Een zoet verlangen
+ontwaakte, aangename voorstellingen van de vreugde des wederziens,
+van geluk en rust, kregen dagelijks meer en meer voedsel, en daar
+waren spreekwoorden noch uitroepen van Pols, noodig om de vrienden
+in eene behoorlijke vaderlandlievende stemming te houden.
+
+Tegen den middag van den eersten dag hunner terugreize kwamen zij
+te Sesto Calende aan, waar zij zich in de stoomboot inscheepten,
+om den tour op het Lago Maggiore te maken. Het was misschien wel
+beschamend voor Hollandsche jongelingen, waarvan sommigen nog niet hun
+geheel vaderland hadden doorkruist,--die het oostelijk gedeelte van
+Drenthe niet hadden gezien, en den heerlijken weg tusschen Breda en 's
+Bosch slechts bij reputatie kenden,--om zich in 't gezigt der kusten
+van het Lombardijsche meer te verlustigen, en de woeste majesteit,
+vereenigd aan de schoonheden van eene zachte en lagchende natuur te
+bewonderen; bij velen hunner kwam misschien een stil verwijt op, dat
+zij Schiermonnikoog nog niet kenden, terwijl zij op Isola Bella aan
+wal stapten; maar toch, in weelde en genot doorwandelden zij de lanen
+van laurier- en oranjeboomen; in stille verrukking rustten zij onder
+de hooge bloeijende cypressen, en lieten zij van de terrassen voor het
+marmeren paleis der Boromei hun oog over de blaauwe wateren weiden,
+waarin de welige bloemtrossen en het donker groen zich spiegelden.
+
+Het was al den vrienden aangenaam, dat Van Aartheim zich te Milaan
+weêr bij hen had aangesloten, en ten minste zeker tot Straatsburg met
+hen zou reizen. De achting en liefde, die zij voor hem gevoelden,
+was, nadat zij een gedeelte zijner lotgevallen kenden, niet
+verminderd. Onwillekeurig oefende zijne tegenwoordigheid eenen
+gunstigen invloed op hen uit, en een zeker _poids_, dat hij over
+allen had, liet zich zeer goed gevoelen, zonder dat het iemand hunner
+drukte. Maar De Morder beteugelde in zijn bijzijn aanmerkelijk zijne
+ontevredenheid, want Van Aartheim wist heel aardig zijne grieven te
+wegen en weg te redeneren; Holstaff was bang voor zijn spottenden
+glimlach; Torteltak gevoelde eerbied voor iemand, die meisjes
+zoover kon brengen, dat zij zich lieten schaken, en die daarin niets
+buitengewoons scheen te vinden: in één woord, allen beijverden zich
+minder om zich van hun slechtste of bespottelijkste zijde te doen
+zien, en hadden tevens de satisfactie al het goede, dat zij bezaten,
+te zien op prijs gesteld. Pols alleen bleef steeds dezelfde, omdat
+hij maar ééne zijde had waaraan hij zich kon vertoonen.
+
+Een ligt schuitje voerde de reizigers over de grondelooze watervlakte,
+die Isola Bella van het vaste land scheidt. Te Baveno stapten zij in
+een _albergo_ af, die de roeijers hun gerecommendeerd hadden, en die
+er uitwendig zeer schilderachtig, inwendig zeer morsig uitzag. De
+waardin begroette hen als _Eccellenza's_ en _Augustissimo's_, en
+gaf zich de moeite, om de bovenste laag stof van tafel en stoelen
+weg te nemen, de kippen, die in de kamer patrouilleerden, een wenk
+te geven om een ander vertrek te zoeken, en door eene manoeuvre
+met haar voorschoot eenige honderden insecten, die tegen glazen en
+muren een middagslaapje namen, om te brengen; welke laatste handgreep
+tevens het gelukkig gevolg had, dat de overige gevleugelde diertjes,
+klaar wakker geworden, onrustig begonnen om te zwerven, en zich door
+gonzende koorzangen wat op te vrolijken.
+
+In weêrwil van al deze bemoeijingen der goede waardin scheen het
+sommigen der heeren toe, dat hare receptiezaal geen zeer comfortabel
+verblijf was. De temperatuur scheen hun ook al zoo geschikt voor
+bloeijende aloës, als voor afgematte reizigers; zij zagen dus elkander
+aan, of zij hier wel blijven wilden: maar de gulle gastvrouw plaatste
+de stoelen zoo in hunne nabijheid, en verzekerde hun zoo dringend,
+dat zij van harte welkom waren en haar volstrekt niet geneerden,
+dat zij het zeker als eene onbeleefdheid zou hebben opgenomen, indien
+de heeren terstond weer vertrokken waren. Om hare redenen kracht bij
+te zetten, bragt zij ongevergd een paar flesschen wijn op tafel, en
+verzocht hare gasten, te doen of zij te huis waren. De goedhartige
+toon, waarop de oude vrouw dit alles zeide, bevestigde de vrienden
+in hun plan, om haar niet voor het hoofd te stooten. Zij plaatsten
+zich dus zoo veel op hun gemak, als in de gegevene omstandigheden
+mogelijk was, en maakten van den aangeboden wijn gebruik.
+
+"Daar is een vreemde smaak aan dien wijn," voegde De Morder de waardin
+toe; "iets van harst of teer."
+
+"Dat zou ik hopen," antwoordde zij: "ik heb ze in nieuwe vaten geperst,
+en die zouden niet veel deugen, als zij niet een beetje van dien
+smaak afgaven. Maar anders is de wijn goed, niet waar? Hij is van
+mijn eigen grond, en ik heb hem met mijne dochter alleen bereid;
+daar zijn geen andere handen aan geweest."
+
+Deze verklaring en de verschijning der dochter, wier wangen en vingeren
+getuigden, dat zij geen overdadig gebruik van waschwater maakte,
+bragt niet veel bij, om den heeren een _haut gout_ aan den flaauwen
+en troebelen landwijn te doen ontdekken. Zij hadden overigens te veel
+dorst en waren te lang op reis, om zich verder in bespiegelingen te
+verdiepen, wat er al met het vocht kon gebeurd zijn eer zij het in
+flesschen voor zich zagen.
+
+Na een uurtje poozens, wilden zij hunnen togt voortzetten; maar
+de gastvrouw scheen geheel andere plannen te hebben: zij wist de
+vrienden te overtuigen, dat zij eerst moesten dineren, en dan,
+als het wat koeler was, konden opwandelen. En terwijl spreidde zij
+reeds een servet over de tafel uit, dat misschien van den Maartschen
+bleek was gekomen, maar dan toch in dien tusschentijd herhaalde malen
+gebruikt. Hare dochter bragt de schotels, op welker randen zij de
+sporen harer lieve vingeren achterliet; en zelfs aan het opdoen der
+spijzen kon men bemerken, dat zij het gebruik van vorken en lepels bij
+zulke gelegenheden voor noodelooze weelde hield. "Nu maar toegetast,"
+riep de gulle waardin: "het is kostelijk eten, en alles met de beste
+olie toebereid."
+
+"Met olie?" riep Pols verschrikt: "alles? ook die macaroni?"
+
+"Neen, die is met Parmesaansche kaas gestoofd. Ik wil er nog wat
+meer op doen." Zij raspte de kaas en strooide ze met hare vingeren
+op den schotel.
+
+Terwijl zij aten, onderhield de waardin hare gasten over de menigte
+reizigers, die bij haar logeerden, en scheen er niet tegen te hebben,
+dat onze vrienden dit voorbeeld zouden volgen. "Ik heb boven fraaije
+apartementen, waar Prinsen en Graven en Baronnen geslapen hebben,
+en de aanzienlijkste reizigers uit alle landen hebben mij altijd
+hunne tevredenheid betuigd." De _Eccellenza's_ van heden gaven echter
+duidelijk te kennen, dat zij geen plan hadden, het getal dier tevredene
+logés te vergrooten, en stellig nog dien avond tot Fariolo moesten
+voortreizen. In het eind berustte zij in hun voornemen, maar begon
+nu uit te vorschen, welke landslieden zij aan tafel had. Zij begon te
+raden--Engeland, Frankrijk, Rusland, en zoo vele Europeesche staten,
+als haar maar bij naam bekend waren.
+
+"Ik zal het u maar zeggen," zeide een hunner: "wij zijn Hollanders."
+
+Zeer natuurlijk zouden de reizigers het gevonden hebben, als de
+waardin van Baveno nu gevraagd had, in welk werelddeel Holland te huis
+behoorde, daar men hun aan het Postkantoor te Milaan verklaard had,
+dit land niet te kennen, en een beroemd Historicus te Genève, het
+Groot-Hertogdom Holland onder de Duitsche Staten had opgeteld; maar
+tot hunne verbazing begon de vrouw op eens luide vreugdekreten voort
+te brengen, en eenige Heiligen aan te roepen om in haar blijdschap
+te deelen, terwijl zij hare dochter uit de keuken binnenhaalde,
+meer gillende dan sprekende: "Cilie, zie dan toch! het zijn, bij den
+Heiligen X., Hollanders!"
+
+"Toch niet van Leyden?" vroeg Cilie.
+
+Pols, den naam _Leyden_ hoorende, een der weinige woorden, die
+hij van het gesprek verstond, legde zijn vork neêr, en zijn mond,
+die zich voor een beet macaroni geopend had, bleef in deze positie,
+om moeder en dochter verbaasd aan te gapen. Torteltak tastte in zijn
+zak, of hij misschien zijn pas verloren had en die in de handen der
+vrouw was geraakt.
+
+"Ja, van Leyden," riep de moeder, die een der heeren had zien
+knikken. "Kent gij mijn zoon niet, mijn Piëtro, of mijn neef? Ja,
+gij moet ze kennen; want zij wonen in uwe stad."
+
+"Maar vertel dan toch, wie zijn zij? wat doen zij?" vroeg Veervlug.
+
+"Mijn neef handelt er, een mooije, rijke handel, in galanteriën. Hij
+woont er al lang; maar voor twee jaren schreef hij aan mijn zoon,
+die regter was te Locarno, maar niet rijk, dat hij naar Holland
+moest komen, dat hij daar eene uitmuntende betrekking voor hem wist,
+en dat hij in weinige jaren zoo rijk kon worden als de Boromeï."
+
+"_Santa Maria!_" riep de dochter op eens: "wat lijkt hij op Piëtro!" En
+zij trok hare moeder tot voor Torteltak, dien zij al gedurig met
+aandacht had beschouwd.
+
+"Als de eene engel den anderen," riep de moeder, hem verrukt aanziende.
+
+"Maar wie is dan toch die Piëtro?" vroeg Torteltak.
+
+"Wel mijn zoon, die naar zijn neef in Holland reisde, en die door
+zijn invloed terstond zeer voordeelig werd geplaatst als eerste
+élève bij een schoorsteenveger en rookverdrijver, en die nu zelf al
+schoorsteenvegersbaas is."
+
+"Zoo!" zeide Torteltak koeltjes, even alsof deze frappante gelijkenis
+hem niet ten toppunt van verrukking voerde.
+
+"Dan geloof ik, dat ik hem wel gekend heb," viel Veervlug in: "een
+mooije jongen, een beetje een fat; maar zijne handen gelijken veel
+op die zijner zuster."
+
+Torteltak moest, of hij wilde of niet, lagchen, en keek beurtelings
+zijne blanke handen en die van het meisje van Baveno aan.
+
+"Ja, gij kent hem," zeide de vrouw, met welgevallen de vrienden
+aanziende.
+
+"Kom, moeder! drink eens op de gezondheid van uw zoon!" zei van
+Aartheim, haar een glas aanbiedende.
+
+"Dank je wel, lieve, goede Eccellenza's!" zei de moeder, terwijl
+een traan in haar glas viel "Ik beveel mijn Piëtro wel aan uwe
+Eccellenza's aan. Hij is een brave, beste jongen..... En als de
+schoorsteenen van Uwe Eccellenza's vuil zijn."..... voegde zij er na
+eenige oogenblikken bij.
+
+"Wij zullen om hem denken, vrouwtje! en als ge misschien een lettertje
+aan hem wilt meêgeven..."
+
+"Dank je Eccellenza's wel; maar ik kan niet best schrijven, en mijn
+zoon niet best lezen. Maar druk hem eens hartelijk de hand voor mij;
+dat zal hij beter verstaan."
+
+Terwijl drukte de moeder de hand van Torteltak, en zij zou hem
+misschien wel hebben willen omhelzen, omdat hij zoo op Piëtro geleek;
+maar onze vriend zag hiervan de noodzakelijkheid niet in, te minder
+omdat hij die commissie dan toch niet letterlijk had kunnen volvoeren.
+
+Een half uur daarna namen de vrienden afscheid van hunne gulle
+gastvrouw. Toen zij de rekening inleverde, maakte een der vrienden
+haar opmerkzaam, dat zij den wijn had vergeten te noteren.
+
+"Ik zou mij voor Uwe Eccellenza's en voor alle Heiligen schamen,"
+antwoordde zij, "indien ik mij den wijn liet betalen, waarmeê mijn
+zoons gezondheid is gedronken."
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVIII.
+
+ Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is, te digt langs een
+ afgrond te wandelen.
+
+
+Als men van Locarno of Bellinzona de reis naar het noorden wil
+ondernemen, en men besloten heeft niet den weg over den Simplon te
+volgen, dan steekt er niets wonderlijks in, dat men den St. Gothard
+overtrekt die een vrij gemakkelijken en gebaanden weg aanbiedt; want
+gelijk reeds in de vorige eeuw de _Duchess of Devonshire_ aanmerkte:
+
+
+ "'Midst tow'ring cliffs and tracts of endless cold
+ Th'industrious path pervades the rugged stone,
+ And seems................................
+ A granite girdle o'er the mountain thrown."
+
+
+en sedert het bezoek van de edele Georgiana heeft de kunst nog steeds
+het hare bijgebragt, om den weg te verbeteren en te verfraaijen.
+
+De zon begon reeds te dalen, voordat het reisgezelschap van
+Polsbroekerwoud den top des bergs had bereikt, en schoon zij zich
+aan het Hospenthal noch te Audermat ophielden, zagen zij duidelijk,
+dat zij moeijelijk vóór den nacht Amsteg konden bereiken, en trokken
+daarom met den meesten spoed voorwaarts. Reeds begon zich het licht aan
+de enge bergwegen te onttrekken, toen zij aan de plaats kwamen, waar de
+Reuss zich met donderend geweld van de rotsen afstort, en zij zagen de
+wateren, in de hoogte nog door de stralen der avondzon gekleurd, als
+zwarte stroomen door den afgrond inzwelgen. Het was een koude avond;
+de wind woei snerpend en dikke wolken rustten op de duizendvoetenhooge
+rotsen, of werden door de spitse toppen vaneengescheurd. In sombere
+stilte gingen de reizigers langs de afgronden en onder de duistere
+galerijen tusschen de Duivelsbrug en den Pfaffensprung voort; de woeste
+natuur vervulde hen met ernst en bijna met schrik. Schoon zij er aan
+gewoon waren, weinige menschen op hunne wegen te zien, zagen zij nu
+angstig om zich heen, of niet nog eenig levend wezen hen zou ontmoeten,
+als om hen de verzekering te geven, dat daarginds, aan het einde dier
+naakte rotswanden en akelige holen, eene lagchende en bloeijende vallei
+hen wachtte, waar herbergzaamheid en gezelligheid woonden. Doch niets
+hoorden zij dan het steeds afnemend gedruisch van den bergstroom;
+niets ontdekte hun oog dan vervaarlijke steenklompen, die over den
+weg neêrhingen en slechts een wenk schenen af te wachten om in een
+oogenblik het menschelijk kunstwerk van jaren te vernielen. Maar toen
+zij nu uit de lange en donkere galerij van de Schoellenen weêr in de
+vrije lucht kwamen, zagen zij op korten afstand voor zich eene witte
+gestalte, die zich bewoog.
+
+"Ik geloof dat ik menschen zie!" riep Veervlug vrolijk uit.
+
+"Als het in 's Hemels naam maar niet de geest van den monnik is,"
+zegt de gids.
+
+"Daar zijn geen spoken," zegt Pols, die wit wordt als een doek.
+
+Zij kwamen nader en Pols had gelijk; het was geen spook, maar eene
+jonge vrouw in ligte kleeding, wier sluijer om een kruis woei,
+waartegen zij geknield lag. Naast haar stonden twee mannen, die elk
+harer bewegingen gadesloegen. Op den achtergrond hield een rijtuig
+stil.
+
+Verwonderd bleven de vrienden op een afstand staan; maar nu zagen
+zij haar op eens haastig oprijzen en in woeste beweging de handen
+omhoogslaan. Zij doet een stap voorwaarts naar den steilen afgrond,
+en als belette haar eene hevige benaauwdheid te spreken, zegt zij op
+afgebroken toon: "Adolf--mijn Adolf--kom--geef mij mijn kind!--Ik
+wacht u, o God, ik wacht u--zoo lang!" En zij maakt een beweging,
+als wilde zij zich in de diepte storten.
+
+Holstaff zoekt naar zijn zakdoek. Pols merkt aan, dat die vrouw zeker
+niet bij haar positive was. Torteltak schiet toe; maar reeds hebben
+hare geleiders haar naar de andere zijde des wegs voortgetrokken. Op
+eens ziet zij den jongeling, en terwijl zij zich tracht los te rukken,
+roept zij: "Niet waar, gij komt van hem? maar waar is mijn kind?"
+
+Torteltak ziet haar verschrikt aan, en slaat angstig de oogen neder.
+
+"O God, is het dan waar? dood, dood, beiden dood!" en haar hoofd zinkt
+op den arm van een der mannen, en de kleur des doods verspreidt zich
+op haar gelaat. Zij ligt bewusteloos neder.
+
+Maar op eens, schoon nog hare oogen gesloten zijn, schijnt het
+leven in haar terug te keeren. Zij strekt haren arm uit, en drukt
+de hand aan haar hoofd. "O was die benaauwde droom maar uit!" riep
+zij. "Adolf! mijn geliefde! maak toch mij wakker!... Ha, daar hoor
+ik hem, ik hoor mijn kind, ja ik hoor u, mijn lieve zoete Anton! uw
+moeder komt!"
+
+En zij leunt tegen de hoogte aan, terwijl zij zich beweegt als wiegde
+zij een kind in slaap. Op eens begint zij met zachte stem te zingen:
+
+
+ "Schlummre sanft! Noch an dem Mutterherzen
+ Fühlst Du nicht des Lebens Qual und Lust;
+ Deine Träume kennen keine Schmerzen;
+ Deine Welt ist Deiner Mutter Brust."
+
+
+De maan, die langzamerhand over de bergen begon op te gaan, wierp
+een flaauw licht tusschen de rotsen, waar dit tooneel plaats had. In
+haar schijnsel vertoonde zich aan het oog der reizigers eene schoone,
+jonge vrouw, doch wier gelaat met een doodelijk bleek was overtogen,
+en wier oogen vol smachtende liefde op haren schoot waren gewend, waar
+zeker dikwijls een teeder knaapje had gerust, maar die nu ledig was.
+
+De schoone moeder slaat de oogen op, en daar ziet zij Torteltak weder;
+maar nu verschijnt er eene woeste vreugd op haar gelaat: zij vliegt
+tot hem, sluit hem teeder in hare armen. "Ha, ha, zijt ge daar,
+mijn geliefde, mijn dierbaarste!--Ja, ik wist wel, gij moest mij
+plagen--ik had u een kus geweigerd--maar o, ik was zoo ongerust!--ik
+had zoo veel pijn--hier,--hier!" Zij drukte de hand des jongeling
+met kracht op haar hart.
+
+Torteltak tracht te spreken; maar zij legt hem de hand op den
+mond. "St! st!--maak Anton niet wakker--hij slaapt, de lieve
+engel. Hier, zie hem!"
+
+"Mevrouw!" zegt Torteltak, sidderend van medelijden en schrik.
+
+Zij ziet hem aan, en een vreeselijke gil klinkt hem in de ooren. "Neen,
+ik ken u niet!--o God! het is dan geen droom!"--Een gloeijend rood
+bedekt haar geheel gelaat; vreeselijk wild rollen hare oogen; zij rukt
+zich los en vliegt naar den afgrond. "Ja, ik kom, mijne geliefden! gij
+hebt mij al te lang gewacht,--daar--in de diepte!"
+
+Maar de twee mannen, die met haar waren, en Torteltak, weêrhielden
+haar nog in tijds. Vruchteloos spande zij hare laatste krachten in,
+om zich los te rukken. "O God! help mij, mijn Adolf! ze willen mij
+van u scheiden, en ben ik dan Anton's moeder niet?" Maar nu zonk zij
+ook uitgeput in des jongelings armen, die haar in het rijtuig droeg;
+een der geleiders plaatste zich met Torteltak bij haar, en de calêche
+reed met spoed naar Amsteg.
+
+De andere der mannen, die met de overige vrienden te voet denzelfden
+weg insloeg, deelde hun nu mede, dat voor drie dagen in het logement
+_de Engel_ te Amsteg, waarvan hij de _Gastgeber_ was, een jong paar met
+een kind van twee jaren den nacht had doorgebracht. Zij hadden bij hem
+een rijtuig naar Bellinzona aangenomen en waren den berg opgereden;
+maar in de nabijheid van den Pfaffensprung waren zij afgestapt, om,
+voor het rijtuig uit wandelende, de woeste natuurtooneelen beter te
+kunnen opnemen. Aan de plaats gekomen, die zij nu verlieten, had de
+jonge moeder, die haar kind droeg, te digt langs den afgrond gewandeld;
+eene onverwachte beweging van het knaapje deed haar het evenwigt
+verliezen, en zij stortte naar de diepte neder. Gelukkig bleef zij
+met haar kleed aan een boomstronk hangen, en geen minuut verliep,
+of de man had haar reeds in zijne armen. Maar nu roept zij op eens:
+"Mijn kind!" De man ziet dat zij den lieven knaap niet meer op den
+arm heeft, loopt terug, ziet het in de diepte neêrgestort, en de
+ongelukkige, als had hij het levenlooze wicht nog kunnen redden,
+werpt zich in den afgrond. Op één rotsklomp hebben zij beiden den
+dood gevonden, en de bergstroom heeft hen heengevoerd, de Hemel weet
+waarheen. De vrouw, die op den weg als vastgenageld stond, werd door
+den koetsier in het rijtuig gedragen, en kwam weinige uren later
+op die plaats, die zij zoo gelukkig en vrolijk verlaten had, als
+kinderlooze weduwe terug. Zij zag strak voor zich neder, sprak niet,
+en gebruikte geen voedsel. Zij liet een houten kruis maken, dat zij
+zelve op de plaats wilde zien planten. De kastelein en zijn broeder
+vergezelden haar, en zij kwamen aan, weinige oogenblikken nadat het
+kruis was opgerigt. Maar toen nu de vrouw op de plaats kwam, waar
+het ongeluk gebeurd was, scheen zij op eens al hare bedaardheid te
+verliezen, zoo de toestand, waarin zij verkeerd had, dien naam kon
+dragen. Van het overige waren de reizigers zelve getuigen geweest.
+
+Dit verhaal en het voorgevallene had de vrienden zeer getroffen;
+vermoeid en treurig kwamen zij in _de Engel_ te Amsteg aan. Zij
+vonden Torteltak in de hevigste agitatie. De jonge vrouw was nog
+steeds zonder bewustheid.
+
+"Ik heb haar meer gezien," riep de jongeling "maar zij kan het toch
+niet wezen. Neen, dat is onmogelijk.--Kastelein, weet gij den naam
+ook van den ongelukkigen reiziger?"
+
+"De Heer Sindenton uit Aken," antwoordde deze.
+
+Torteltak zonk uitgeput op een stoel neder, en weende.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIX.
+
+ Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer
+ zonder oponthoud kan eindigen.
+
+
+Treffende en treurige voorvallen, die den mensch ontmoeten, laten
+natuurlijk altijd eenigen indruk bij hem na. Indien hij nu zelf in die
+rampen en ongelukken betrokken is, dringt die indruk dieper door; maar
+het diepst, wanneer zij met zijne eigene omstandigheden, of zelfs met
+zijn leven, in naauw verband staan. Een smartelijk verlies, waarvoor
+de mensch misschien troost zou kunnen, de Christen moeten vinden,
+maar dat in zijne geheele manier van zijn en handelen eene merkbare
+verandering te weeg brengt, doet hem daarom misschien te langer
+pijn, omdat hij, bij het onaangename van ieder dier veranderingen,
+tot de oorzaak opklimt, die hem daartoe dwingt, en deze op nieuw in
+al hare verschrikkelijkheid voor zich ziet, terwijl bij een anderen,
+in wien het even treurige gewaarwordingen verwekt, maar minder in
+zijn leven indringt, en hem in dit opzigt laat wie hij is, spoediger
+het bittere der droefheid wordt weggenomen, en in zacht, weemoedig
+smartgevoel veranderd.
+
+De indruk der treurige scène, waarvan zij op den Saint-Gothard getuigen
+waren geweest, op de vrienden liet het langst sporen na bij Torteltak,
+als den eenigen, die tot Sindenton in naauwere betrekking had gestaan;
+en nog zult gij hem nooit over dit voorval hooren spreken, zonder
+dat hij daarbij eenige weemoedige treurigheid openbaart. Maar toch,
+daar waren door den dood des jongelings geene banden losgescheurd;
+want de betrekking, waarin zij tot elkander gestaan hadden, was meer
+eene gewoonte van omgaan geweest, dan eene teedere vriendschap. Indien
+hij zijn ouden kennis niet voor weinige dagen te Aken had ontmoet en
+zich niet zoo had verlustigd in zijn geluk, zou hij, bij het vernemen
+der treurmare, zich misschien vergenoegd hebben met den uitroep:
+"Die arme duivel! hij is er ook alweêr geweest. Hij was een beste
+jongen."--Maar nu was het hem, alsof een schoone schilderij, in welks
+beschouwing hij zich meermalen verlustigde, als hij zich in zijne
+verbeelding op den Louisberg verplaatste, op eens totaal voor hem
+was bedorven; en schoon hij ook oogenblikken had, waarin hij dacht,
+dat hij er waarlijk ongelukkig door was, zijn gevoel verdiende meer
+den naam van spijt dan van droefheid; het was voor hem meer jammer
+dan ongelukkig.
+
+Maar met dat al, de eerste dagen na de treurige ontmoeting was
+hij geheel onvatbaar voor de verschillende reisgenoegens, die de
+anderen langzamerhand weêr begonnen te smaken. Doch wel begrijpende,
+dat zijne vrienden niet op den duur sympathie met zijne smart konden
+hebben, was hij verstandig genoeg, zijne klagten voor zich te houden,
+uit vrees dat er bij hun medelijdend "ja, 't is heel naar en akelig,
+ook voor u," niet eindelijk onwillekeurig het denkbeeld zou opkomen:
+"maar toch ook voor ons, dat hij altijd met Jeremiades aankomt."
+
+Het was hem nu intusschen heel welkom, dat het in hun reisplan lag, om
+den retour vrij expediet af te leggen. Zij bezagen dan ook maar vlugtig
+het land, waar Willem Tell vóór ettelijke eeuwen zulk eene verbazende
+rol speelde schoon zij zich verwonderden, dat op de plaats zelve de
+historie een minder levendigen indruk op hen maakte, dan toen zij ze
+uit hunne kinderboekjes vernamen. Zij namen evenwel, als conscienteuse
+reizigers, de verschillende kapellen in oogenschouw, die te Burglen
+en op den _Tell's Platte_ ter eere van den grondlegger der vrijheid
+gesticht zijn, en die door smakeloosheid van bouworde uitmunten, en
+met minder schoone schilderstukken zijn versierd, dan de gravures,
+die wij er bij ons te land van aantreffen in plattelands-herbergen,
+of bij onze oude keukenmeid, die met een tuinknecht getrouwd is.
+
+Van Brunnen is men in korten tijd te Zurich, als de paarden goed
+loopen en maar een ligt rijtuig te trekken hebben. Dit ondervonden de
+vrienden, en zij hoopten nu ook zonder verder oponthoud te Constants te
+zullen komen, waarheen zij, boven op de diligence gezeten, 's morgens
+ten zes ure vertrokken.
+
+Geheel zonder oponthoud voleinden zij echter deze reis niet; want
+terwijl zij, door een lieflijken zonneschijn gestoofd, in een aangenaam
+dutje verzonken waren, waarschijnlijk om zich de streken, die zij
+doortrokken, zoo mooi als zij zelve wilden te kunnen voorstellen,
+werden zij op eenmaal in de nabijheid van Frauenfeld in hunne
+meditaties gestoord in toevallig juist een ondeelbaar oogenblik,
+nadat het breken van de as de diligence had doen omvervallen.
+
+"Zijn wij hier aan eene pleisterplaats?" vroeg Pols, die vrij vast
+geslapen had en nu vrij onzacht op den grond neêrkwam.
+
+"Ja, ik ben wakker, ik sta al op: maar schud me zoo niet!" riep
+Veervlug, die naast hem in een hoop zand werd geworpen.
+
+"Mijnheer! zie wat beter voor u!" zei een slaperig heer in den wagen,
+die een half dozijn passagiers op zijn lijf kreeg.
+
+"Ach, conducteur! laat er mij maar uit, want ik houd niets van
+ongelukken!" riep een dametje.
+
+"Ik ben dood!" schreeuwde een Franschman, met drift uit de cabriolet
+springende.
+
+En ieder der passagiers, die in en naast de omgevallene diligence
+lagen, scheen zich verpligt te gevoelen, door eene meer of minder
+gepaste phrase te kennen te geven, dat dit evenement niet onopgemerkt
+voor hem had plaats gehad.
+
+Weinige oogenblikken later stonden al de reizigers op den straatweg
+de paarden na te staren, die volstrekt niet verschrikt waren, maar
+begrepen, dat zij op hun tijd op het station Frauenfeld moesten
+aankomen. Bij de passagiers openbaarde zich nog eenige oogenblikken
+bezorgdheid voor hunne goederen; vooral het dametje, dat niet van
+ongelukken hield, nam informatiën naar hare hoedendoos maar de
+conducteur beloofde voor alles te zullen zorgen, en ook aan het
+verlangen der dame te voldoen, dat de doos toch vooral niet scheef
+gehouden werd. En daar de poort van Frauenfeld reeds in het gezigt
+was, besloten de reizigers niet op hun regt te staan, om daar in
+staatsie binnen te rijden, maar liever door eene kleine wandeling
+den schrik wat te verzetten. Allen konden zich verheugen goed van de
+reis te zijn afgekomen, met uitzondering van eene dame, die aan haar
+linkeroog de aanraking had gevoeld van de laars van haren overbuur,
+welke laars meer indruk op haar gemaakt had, dan de _oeuillades_,
+die hij haar sedert uren had toegeworpen.
+
+De waard uit _het Hert_, die de paarden op stal had zien aankomen,
+maar door dezen niet genoeg inlichtingen had kunnen bekomen omtrent
+het gebeurde, maakte nu uit de verschillende kreten en uitroepen op,
+waarom de diligence niet was meêgekomen, en de vrolijke _Kellner_
+Jacques, die ieder der reizigers een glas _kirschwasser_ opdrong om
+weêr wat bij te komen, verzocht al de passagiers geen rancune op de
+diligence te houden en familiaar in het hotel te blijven dineren.
+
+Het ontbreekt na dergelijke voorvallen zelden aan discoursen
+tusschen menschen, die elkander vroeger vreemd waren, maar door
+gemeenschappelijk ongeluk verbroederd worden. In afwachting van het
+_diner_ en de geschikte gelegenheid om verder te reizen, plaatsten
+zich nu de reisgenooten in een cirkel, waarvan zich echter een jong
+paar uitsloot, dat zich liever eenigzins op den achtergrond hield. Om
+echter hunne reisgenooten niet af te matten door gissingen, waarom
+zij zich schenen af te zonderen, gaven deze jonge lieden zich de
+moeite, elkander teeder aan te zien, de hand te drukken, zamen niet
+meer dan vijf kwart stoel in te nemen, en meer dergelijke zaken, die
+op vrijerij duiden. Zij maakten daarenboven zeer dikwijls gebruik
+van het privilegie van geëngageerden, om veelvuldig te fluisteren,
+een voorregt, dat vele jongelingen, die niet sterk zijn op het punt
+van lieve geheimpjes, somtijds zeer zwaar valt op den regten prijs te
+schatten. Gelukkig dat allen, die zich op het liefde plegen toeleggen,
+als het meer aankomt op dadelijke liefkozingen en dergelijke zaken,
+die het gezigt van een verliefd paar voor een toeschouwer regt
+onderhoudend maken, goed te huis zijn.
+
+"Ik gaf wel honderd _louis d'or,_ dat de diligence niet omgevallen
+was! want ik ben zeer gepresseerd!" zei de Franschman die dood was,
+en er uitzag alsof hij nooit honderd _francs_ te gelijk in zijn beurs
+had gehad.
+
+"Pah!" riep een Duitscher: "is dat omvallen, en zonder dat iemand
+armen of beenen breekt! Ik heb te Rome ook eens met de _Regio carriëro_
+omgelegen; maar toen waren al de reizigers er om koud, behalve ik."
+
+"Gij alleen over?" zei de Franschman: "dat was jammer."
+
+"Ik hoop dat de conducteur nu maar oppast en mijn hoedendoos regt
+houdt," riep het dametje; "anders zijn al mijn mutsen verkreukt."
+
+"Maar, beste! het was toch een heel ongeluk!" fluisterde de verliefde,
+die door Veervlug beluisterd werd: "ben je nu toch waarlijk niet
+geschrikt?"
+
+"Neen, heusch niet; maar heb jij nergens pijn?" was het antwoord.
+
+"Je bent toch een engel!" fluisterde de jongeling.
+
+Deze zelfde phrases werden vijf malen binnen den tijd van zeven en
+een halve minuut gewisseld. Toen werd de jongeling op eens pathetisch,
+en vroeg met hevige rolling zijner oogen: "Maar beste! als ik nu toch
+eens onder de diligence verpletterd was?"
+
+"Ach Hemel! dan was ik ook verpletterd."
+
+"Je bent toch een engel!" fluisterde de jongeling. "Maar wil je nu
+niets gebruiken? zijt ge waarlijk niet geschrikt?"
+
+"Waarlijk niet?" antwoordde het meisje, en zuchtte hoorbaar.
+
+"Ik woû dat ze nu met dat satansche eten kwamen!" riep de Franschman
+van de honderd _louis d'or_, eenen heer in de rede vallende, die van
+een omgevallen diligence te Marseille verhaalde.
+
+"Beste!" fluisterde de verliefde jongeling, die een poosje op een
+fluistergesprek had zitten peinzen: "wat denk je dat we eten zouden?"
+
+"Ja, dat weet ik heusch niet, dierbare! misschien coteletten."
+
+"Dat zou heerlijk wezen. Je bent toch een engel!" Maar nu ziet de
+jongeling een wijd veld tot lieve geheimen open, en gaat voort:
+"Waar houdt ge meer van, van rheevleesch of van faisanten?"
+
+"Ik weet het heusch niet. Wat vind jij het lekkerst?"
+
+"Ik rheevleesch."
+
+"Nu, dan ik ook." En het lieve meisje zag hem, na dit sterke bewijs
+harer liefde gegeven te hebben, met zoo teedere oogjes aan, dat het
+bijna in het geheel geen oogjes meer waren.
+
+"O Hemel!" zegt de jongeling: "zij is te edel en te groot voor de
+wereld!" En na zich hierin een oogenblikje verdiept te hebben, vraagt
+hij haar, terwijl zijne oogen van verliefdheid zijn hoofd schenen te
+verlaten: "Beste, houdt ge wel van een kalfskop?"
+
+"Kunt gij dat nog vragen?" zegt de schoone, hem even smachtend
+aanziende, als een schelvisch op het strand de middagzon.
+
+"Je bent toch een engel!" En de jongeling staat op het punt zijne
+schoone te kussen.
+
+Juist wordt het eten opgedragen, en het eerste, wat de verrukte
+minnaar voor zich op tafel ziet, is een schotel coteletten.
+
+Een traan van vreugde schittert in des jongelings oogen, die
+hij beurtelings op den schotel en op zijne geliefde slaat. Ook de
+Franschman van de honderd _louis d'or_, die nu zijne redenen meende
+te moeten openbaren, waarom hij het _diner_ met zooveel verlangen
+te gemoet had gezien, scheen het op de coteletten te hebben gemunt,
+althans hij laadde er een aanzienlijk aantal van op zijn bord. Maar
+eer nog de schotel tot het jonge paar was gekomen, en toen hij er nog
+maar drie had ingezwolgen, riep hij uit, dat het vleesch taai was als
+de duivel, waarmede hij wilde te kennen geven, dat het zeer taai was.
+
+De arme minnaar werd bleek van schrik, en zijn meisje dat vroeger door
+zijne al te teedere blikken op den schotel bemerkt had, dat haar hart
+wel eenigzins voor jaloezij vatbaar was, werd nu vervuld van innig
+medelijden in deze bittere teleurstelling voor haren jongeling;
+krampachtig drukte hij haar de hand, toen de eerste beet hem had
+overtuigd, dat de Franschman de waarheid had gesproken. Op gelijke
+wijze werd die handdruk beantwoord; doch na weinige oogenblikken
+fluisterde zij er deze lieve en vertroostende woordjes bij: "Beste! ik
+hoop u nooit zoo te leur te stellen; ik zal altijd mijn best doen u
+malsch vleesch voor te zetten."
+
+Een glans van genoegen en vreugde keerde weêr op des jongelings gelaat,
+en als twee illuminatieglazen schitterden zijne oogen, toen hij haar
+toevoegde: "Je bent toch een engel!"
+
+De Franschman ging voort met al het eten verfoeijelijk slecht te
+vinden en tevens van alles verbazende portiën te nuttigen, als wilde
+hij, zooveel in zijn vermogen was, die slechte spijzen van de aarde
+verdelgen. Hij ging tevens voort bij ieder zijner uitroepen onder
+verschillende benamingen den duivel aan te roepen, zoodat sommige
+leden van het gezelschap deze voor zijn beschermheilige begonnen te
+houden. De minnaar, die onder al dat afgekeurde eten, verschillende,
+zeer smakelijke zaken aantrof, liet zich geenszins onbetuigd; en wie
+dus in het gezelschap gemeend had, dat hij niets kon dan fluisteren,
+zag nu, dat hij den edelen jongeling deerlijk had miskend. Hij vond
+echter onder al deze werkzaamheden gedurig gelegenheid, om iets
+van zijne liefde te openbaren, en verstond meesterlijk de kunst,
+te gelijk met kakebeen en oogen te werken.
+
+Het _diner_ kenmerkte zich overigens, zoo al niet door vrolijkheid,
+toch door luidruchtigheid, vooral toen de reizigers bij het dessert
+zich verpligt gevoelden, hunne dankbaarheid voor levensbehoud en
+uitredding uit dreigend gevaar te betoonen door zich een halven
+roes te drinken aan besten Rijnwijn. Spoedig werden zij echter in
+deze hartverheffende pligtsbetrachting gestoord, daar de conducteur
+binnenkwam, en het gezelschap verzocht in de rijtuigen te klimmen,
+die hij te Frauenfeld had opgeloopen.
+
+"Maar, conducteur! staat mijn hoedendoos nu wel regt?" roept het
+dametje, dat niet van ongelukken hield.
+
+"Best, dame! en de mutsen, die er uitgevallen waren, heb ik er zelf
+weêr ingepakt."
+
+"En hebt gij voor mijn _effets_ gezorgd?" vraagt de Franschman van
+de honderd _louis d'or_.
+
+"Uw pakje ligt onder de bank in het eerste rijtuig."
+
+"Ben je nu toch waarlijk niet bang?" fluistert de jongeling.
+
+"Neen, heusch niet." En reeds zit de engel in den wagen.
+
+"Ik zal nu wakker blijven," zegt Pols, terwijl hij inklimt;
+"want ik zou niet gaarne weêr omvallen."
+
+En zonder verdere ongelukken ging de togt voort, en weinige uren later
+zag men de torens van Constants. Veervlug herkende ze dadelijk uit
+de decoratiën van de _Juive_, die hij in den Haag had zien opvoeren.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXX.
+
+ Waarin Pols een zeer mooien coup de théatre ziet mislukken,
+ en waarin Torteltak eene Dame in haar rijtuig helpt.
+
+
+Het is heel moeielijk, het iedereen naar den zin te maken. Dit
+ondervonden onder anderen, in het jaar 1415 de Heeren van het Concilie
+te Constants, toen twee der Pausen, die zij op pensioen gesteld hadden,
+en de eene nog wel op zijn eigen verzoek, dezen maatregel gansch
+niet vriendelijk opnamen, en de derde gepensioneerde dit gunstbewijs
+finaal afsloeg en zich tot zijn dood toe in active dienst aftobde.--Hoe
+weinig goedkeuring verwierven gemelde Heeren verder van het algemeen,
+toen zij, na vier jaren vergaderd geweest te zijn, uiteengaande de
+Hervormingsplannen, waarvan nog al veel verwachting was, in den steek
+lieten! En zoo zij niet de aangename bewustheid hadden meêgevoerd,
+dat zij de Kettersche stellingen van Joannes Huss en Hieronymus van
+Praag met kracht en vuur hadden weêrlegd en vernietigd, hoe gering zou
+dan ook nog hunne zelfvoldoening over het verrigte werk zijn geweest!
+
+Maar al liet nu deze Kerkvergadering bij sommige pausen geene zeer
+aangename herinneringen na, en al bevorderde zij de tijdelijke
+belangen van eenige ketters niet veel, en al leverde zij voor
+Kerk en Staat die resultaten niet op, die men gewacht had, zij was
+belangrijk voor diegenen, die er maar partij van wisten te trekken,
+en nog ten huidigen dage baant zij den weg tot onmetelijken rijkdom
+en onsterfelijken roem voor Johann Kastell, _Antiquar_ te Constants.
+
+Wanneer gij ooit in de beroemde Conciliestad komt, zult gij niet
+verzuimen den verdienstelijken oudheidkenner te bezoeken. Zijne
+schriften zal hij u tegen betaling van 56 cents aanbieden, en gij
+zult eigenaar worden van verschillende onuitgegeven brieven van Huss,
+die Kastell uit het werk van Van der Hardt in zijn geschrift heeft
+nagedrukt. Daarna zal de geleerde u uitnoodigen, om nog omtrent 73
+cents te betalen, voor welke u het gezigt der _Kunst und Altherthums
+Sammlung_ in de _Conciliums-Saal_ zal worden vergund. Gelukkige! dan
+zult gij langs een steilen trap naar den donkeren zolder worden geleid;
+daar zult gij in een hoek twee vermolmde stoelen zien staan, die gij
+met den naam van _troonen_ zult hooren bestempelen. Daarnaast ziet
+gij een kistje, voor één derde uit hout en voor twee derde uit stof
+bestaande; dat is het beroemde _Scrutinium_. Die ronde roestmassaas
+tegen den wand zijn de schilden der krijgers, die den vorstelijken
+troon omringden.--Is het u niet, als waart gij door een tooverslag
+uit de negentiende in de vijftiende eeuw verplaatst? als bevondt gij u
+in het midden der luisterrijke Kerkvergadering, omringd door vorsten
+en kardinalen?--Ziet gij daar op dat zoldertje die drie mannen,
+die onvermoeid met hunne armen roeijen, hun hoofd omdraaijen, meer
+dan ooit een ander mensch het vermogt, en op de maat hunne oogen
+doen rollen? Beteugel uwe verbeelding--zij leven niet; doe gerust
+een stap nader;--ja, het zijn de twee ketters wel, en Celestinus de
+Dominikaner monnik, die met hen disputeert; maar slechts geboetseerd in
+gele was. De beide eersten zijn al eens door een pruikmaker gestolen
+geweest, die den monnik, van wege de kaalgeschoren kruin voor zijn
+doel onbruikbaar, had laten staan; maar Kastell heeft ze uit den
+barbierswinkel naar zijn zoldertje teruggevoerd.--Maar nog hebt gij
+niet alles gezien. Daar in dien hoek staan twee steenen muren; dat
+zijn de muren der gevangenis van Johannes Huss, uit den kelder van
+het Franciskaner klooster gebroken, en nu op de Conciliezaal heel
+netjes weêr opgemetseld, om alles wat meer bij elkaêr te hebben. Het
+is eene ijselijke gevangenis. Zie, zij ontvangt geen ander licht,
+dan uit de hooge vensters van de zaal.--Gij opent de gegrendelde
+kerkerdeur en stapt eene schrede terug. In die kerker ligt op stroo een
+menschengedaante. Het is de ongelukkige. Vroeger figureerde het beeld
+onder den preekstoel in de _Munsterkirche_, als de aartsvader Abraham;
+een bekwaam schilder heeft het een weinig gemoderniseerd, en nu doet
+het in den kerker van den aartsketter Huss volkomen zijne dienst.
+
+Het spreekt van zelve, dat alleen hij, die als pelgrim naar Constants
+reist en inspectie _in loco_ houdt, zich eenigzins kan voorstellen,
+hoe het op die Kerkvergadering is toegegaan, en dat niemand dan
+de zoodanige een bevoegd beoordeelaar kan wezen van den invloed,
+of wilt gij _vis et efficacitas_, dien zij op Kerk en Staat heeft
+uitgeoefend. Begrepen alle geleerde _historici_ dat, hoeveel minder
+verschil van opinie zou er omtrent deze zaak bestaan! Werd eindelijk
+deze stelling in het algemeen toegepast, hoeveel grieven werden er
+bespaard! Of bleek het ook ons Hollanders niet, dat het gevoelen
+van sommige Duitsche en Fransche geschiedschrijvers, bij voorbeeld
+omtrent den moord van Willem I, den heldendood van Van Speyk, en de
+stoute daad van Hobein, zoo oneindig van het onze verschilt, omdat
+die onkundigen niet in de gelegenheid waren zoo diep in de zaken in
+te dringen, als wij, die in onze Museums den waarachtigen hoed en het
+waarachtige buis van Balthasar Gerards hebben aanschouwd, en die toen
+eerst de daden der dappere zeehelden regt leerden begrijpen, toen wij
+het lapje blaauw laken van wijlen Van Speyk's rok en den vlaggedoek
+van Hobein in het glazen kastje zagen ten toon gesteld?--Weg dan met
+historie zonder oudheden en rariteiten! Hoe zouden wij Nederlanders
+ooit zoo verbaasd veel licht hebben doen opgaan over de geschiedenis
+van Egypte, indien wij niet zoo vele en zoo aanzienlijke mummies in
+ons Leydsch Museum logeerden?
+
+Het gezigt van het meer van Constants is voor ieder Hollander treffend
+en verrassend. Wanneer hij van het hoofd bij de stad, ter linkerzijde
+van de kapel, in de vorm van een molen, die op alle plaatjes van
+Constants staat afgebeeld, zijn oog laat weiden op de watervlakte en
+het lage land, waartegen zij aanspoelt, dan is het hem, als stond hij
+aan de haven bij Hillegom, en als zag hij op eens het Haarlemmermeer
+voor zich. Maar slechts kort duurt deze begoocheling; want zoodra
+hij zich aan de tafel in zijn hôtel heeft neêrgezet, mist hij den
+schotel meerbaars, en met niemand der gasten kan hij zijn geliefkoosd
+discours aanvangen, hoe mooi en hoe aardig het toch wel wezen zal,
+als die groote kom eens geheel en al zal zijn drooggemaakt.
+
+Ofschoon nu onze reizigers aan de bezigtiging van al deze merkwaardige
+kunst- en natuurschoonheden vele aangename en nuttige oogenblikken
+te danken hadden, zij schenen er niet genoeg voedsel voor verstand
+en hart uit te hebben opgedaan, om er een geheelen dag op te kunnen
+teeren. Sommigen hunner merkten ten minste aan, dat zij nog wel
+gaarne iets anders zouden zien, dat levendiger indruk bij hen naliet;
+anderen vonden, dat de morgens te Constants veel langer duurden dan
+elders. En toch, zij deden alles wat in hun vermogen was om zich den
+tijd te korten. Zij doorkruisten herhaalde malen in een slenterpas
+de geheele stad, namen successivelijk alle huizen op, keken nu en dan
+over de balies van de brug in het water, vierden hunnen lust bot, om
+zich door geeuwen en gapen te vervrolijken, fixeerde de zon zoolang,
+tot zij aan het niezen raakten, en hielden hun horlogies elke tien
+minuten aan hun oor, om te onderzoeken of zij ook stilstonden. Doch
+toen zij eindelijk al deze genoegens tot overdaad toe gesmaakt hadden,
+besloten zij, voor de variatie, in hun logement voor de ramen te gaan
+zitten kijken.
+
+In hoeverre de uitvoering van dit plan aan de vrolijke verwachting, die
+men er misschien van had, beantwoordde, durven wij niet bepalen. Veel
+afwisseling leverde echter deze uitkijk niet op; want schoon het
+logement niet in de afgelegenste wijk der stad gesitueerd was, de
+geheele stad Constants is eigenlijk eene afgelegen buurt, en men ziet
+er gewoonlijk evenveel menschen op straat, als te Woerden in de uren,
+dat daar de diligence niet passeert. Binnen in de gezelschapskamer
+was ook niet veel rumoer, maar daar was toch nog iets om de oogen meê
+bezig te houden: een lief jong meisje namelijk en een bejaard heer, die
+zamen het _dejeuner_ gebruikten. De vrienden hadden juist den tijd en
+de gelegenheid om dit paar menschen eens goed op te nemen. Zij wisten
+dan ook naderhand allen precies de kleur der oogen en der lokken van
+het meisje, en hoe fijn haar mondje, hoe spits haar voetje was. Deze
+bijzonderheden hadden zij bij den bejaarden heer minder opgemerkt,
+schoon zij daarin overeenkwamen, dat de man een zeer gedistingueerd
+voorkomen had, en dat er een waas van melancholie over zijn gelaat
+lag. Zij schenen vader en dochter, schoon er in hunne gelaatstrekken
+geen enkele van gelijkenis te ontdekken was; maar de teedere blikken,
+die hij van tijd tot tijd op het meisje sloeg, en de liefde en eerbied,
+waarmede zij hem bejegende, duidde kennelijk eene naauwe betrekking
+aan; en schoon ook zij den bejaarden man vele attenties bewees,
+die kinderen dikwijls omtrent hunne ouders verzuimen, zij zag er te
+vrolijk en hij te verstandig uit, om bij het groote verschil hunner
+jaren, aan eene andere liefde dan die van vader en kind te denken.
+
+Misschien waren er onder de vrienden, die eene nadere kennismaking
+dan die der aanschouwers wenschten; maar daaraan viel niet te denken,
+althans zoolang de twee vreemdelingen zich zoo uitsluitend met het
+_dejeuner_ en met elkander bezig hielden, dat zij geene oogen schenen
+te hebben voor iemand, die zich in de zaal bevond. Gemakkelijker
+geraakten zij in gesprek met een ander heer, wiens voorkomen juist niet
+veel belang inboezemde, ten zij men een zeer rooden en zeer gezwollen
+neus en een aantal karbonkels voor interessante verschijnselen op
+een menschelijk aangezigt houdt. Deze heer, die waarschijnlijk door
+langdurige oefening de faculteit bezat, evenveel flesschen oud bier
+in te houden als een Nederlandsch fust nam bij deze affaire tevens
+die van kastelein waar, en om deze betrekking vond een der vrienden,
+die gaarne eens iemand vreemds wilde toespreken, de vrijmoedigheid
+hem te vragen, of er geen nieuws was.
+
+"Neen, wat wou er voor nieuws wezen," antwoordde Mr. Sorvels vrij
+knorrig: "althans geen goed nieuws, maar kwaads genoeg, ten minste voor
+mij." En na deze verklaring met een krachtigen vloek geverifieerd te
+hebben, liet hij een verbazenden bierstroom met bruisend geweld in
+zijn wijdgeopenden mond neêrstorten.
+
+"Maar je ziet er anders nog al niet uit, om zooveel verdriet te
+hebben," zei Veervlug; "'t zal nog al zoo'n vaart niet met je loopen."
+
+"Ge zoudt wel anders spreken, als je bijgewoond hadt, wat ik daar
+straks heb bijgewoond. Het is te verschrikkelijk om het uit te
+spreken."
+
+"Is je land overstroomd, of je schuur verbrand?" vroeg een der
+vrienden.
+
+"Is er een biervat gesprongen, of een brouwsel mislukt?" zei een ander.
+
+"Is je vrouw ziek, of een kind van je dood?" vroeg een derde.
+
+"Was het dat maar," riep de kastelein verdrietig uit; "dat zou nog zijn
+over te komen. Ik zal het je maar zeggen, maar het is een vervloekte
+leelijke historie. Mijn vrouw is van haar achtste kind bevallen."
+
+"Wel, daar filiciteer ik je meê," zei Pols heel goedig. "Als alles
+goed afgeloopen is, is het een groot geluk. Maar wat is het, een
+jongen of een meisje?"
+
+"Wat weet ik het!" riep de dikke heer vertoornd. "Een jongen of een
+meisje, het is een doodeter te meer; het is waarachtig of de ellende
+hier aan huis niet ophoudt. 't Is er net meê als met de kiespijn. Je
+weet wel wanneer het begint, maar niet wanneer het eindigt."
+
+"Maar kinderen krijgen is toch een groote zegen," merkte een der
+heeren zeer wijs aan.
+
+"Ik wensch je geluk met dien zegen," bromde de bierbuik. "Ik zie
+liever, dat mijne koeijen me een keer meer aan kalfsvleesch helpen,
+of dat ik den vetten os loot; dat helpt meer in het huishouden. Maar
+kijk! hier heb ik er nog een, die zal mij niet doodeten." En hij wees
+op een kind, dat voor het raam op de straat in een tafelstoel zat,
+en zich de handen op het blad bont en blaauw sloeg.
+
+"Was dat je jongste?" vroeg een der vrienden.
+
+"Dat is een klucht!" riep de vader, terwijl hij zijn bierkan weêr eens
+in zijn maag leêggoot en daarna in de hoogte zwaaide. "Dat hebben al
+meer vreemdelingen gedacht; en het is juist de oudste van allen."
+
+"Maar het jongetje kan toch nog geen twee jaren oud zijn!"
+
+"Een jongetje van twee jaar? ha, ha! het is een meisje van
+achttien. Maar ge hebt in uw leven zoo'n raar kind niet gezien:
+het is sinds haar eerste jaar niet gegroeid en doofstom, en nog
+onnoozeler als toen zij geboren werd. En zij kan niets binnen krijgen
+dan wat broodwater, dat ze door een pijpje inzuigt; dat is een goedkoop
+kostje, ha, ha! Maar ik houd het met mijn Duitsche bier!" En behalve
+met een vrij forschen eed, bevestigde hij dit laatste gezegde door
+een krachtige manoeuvre met de bierkan. Toen schoof hij het raam open
+en tikte het meisje op den schouder.
+
+"Bu, bu!" kreet het onwijze kind en hapte naar den stok, waarmeê het
+was geraakt.
+
+"Houd je snater, malloot!" riep de vader, "of ik kom je met den stok
+op je ligchaam!"
+
+Het kind, den opgeheven stok ziende, begon te janken als een hond;
+maar de vreemde dame, die bij het laatste gedeelte van het gesprek
+toegeluisterd had, vloog toe, en terwijl een gloed van toorn haar
+schoon gelaat bedekte, hield zij de hand des vaders terug.
+
+"Ik vraag u excus, schoone dame!" viel de dikke heer lagchend in:
+"ik speelde maar met het kind. Ze heeft zoo geen gevoel van tikjes;
+ze is zoo weekelijk niet opgebragt, als de rijkeluiskinderen."
+
+Het schoone meisje sloeg de oogen neder en keerde zich om. Een traan
+kwam in haar oog, toen zij den bejaarden heer omhelsde en kuste. "Ook
+ik ben achttien jaar, zeide zij, "en ik heb u tot vader."
+
+Mr. Sorvels ging echter, zonder zich aan zulke _scènes_ te ergeren,
+of zich in het minste om zijne gasten te generen, voort met proeven
+van zijne ouderliefde en teederheid van gevoel te geven. Zijne stem
+werd intusschen heesch en zijn gang moeijelijk. "Ja, ik heb ze allen
+onder appèl!" riep hij uit, terwijl hij op zijn duim floot, waarop uit
+verschillende deuren vier of vijf zeer morsige kinderen te voorschijn
+kwamen en vroegen wat hun papa beliefde.
+
+"Dat je allemaal weêr heengaat, waar je van daan gekomen zijt," riep de
+oude heer, "en die het laatst in de kamer is, sla ik de ribben stuk."
+
+Als door een tooverwoord verdwenen de kinderen, misschien omdat zij
+hun vader als een waarheidlievend man kenden.
+
+De bejaarde heer was intusschen met zijne dochter naar buiten gegaan,
+waar hij liever zijn rijtuig wilde afwachten, dan in het onderhoudend
+gezelschap in de zaal.--De vrienden, die ook liever _scènes_ van
+anderen aard bijwoonden verzochten den kastelein hun wat rust te laten,
+of een ander apartement aan te wijzen.
+
+"Wat rust?" riep de man, terwijl hij op zijne beenen voortwaggelde. "Ik
+sta je niet in den weg, maar ik ben hier in mijn eigen huis, en ik
+moet voor mijne kinderen zorgen; weet je dat met je rust? Maar ik zal
+heengaan, omdat ik mijn wereld versta, hoort ge? maar als ik blijven
+wou, dan bleef ik. Goeden dag!"
+
+En de man, die op den geboortedag van zijn achtste kind eenige uren
+vroeger, dan hij gewoon was, fusthoogte had bereikt, zeilde naar eene
+deur aan het eind van het vertrek, die hij achter zich geopend liet, en
+daardoor den vrijen inkijk in de kraamkamer aan de vrienden vergunde.
+
+"Leg je daar met je leelijke marmot?" was de eerste phrase, die hij
+zijne beminde wederhelft toevoegde.
+
+En hierop volgde een discours tusschen de beide echtelingen, dat met
+vrij veel levendigheid werd gevoerd. De vrouw begon met haren gemaal
+een beest te noemen, waarbij zij een epitheton voegde, dat kennelijk op
+den staat van beschonkenheid doelde. De gemaal weêrlegde dit argument
+met haar als een lui wijfjesvarken te begroeten, waarop de teedere
+echtgenoote eenige gillen slaakte, en iets van besterven sprak, bij
+welke gelegenheid zij een teug uit een flacon _kirschwasser_ nam,
+dat te Constants een zeer dienstige drank voor jonge kraamvrouwen
+schijnt te wezen. Hierop begon de lieve eerstgeborene te schreeuwen,
+en de gemaal proponeerde derhalve den telg der huwelijksmin in het
+meer te werpen; waarop weder de gemalin sprak van ontaarde vaders
+en menschen erger dan de beesten; welk gezegde de dikke heer zich
+aantrok, en een stok in de hoogte hield, waarop de jonge moeder een
+nieuwe teug _kirschwasser_ nam, en nu de flesch aan haren echtvriend
+voorhield, ten einde Z.Ed. de hersenpan in te slaan. Een paar oudere
+zoontjes der gelukkige echtelingen, waarschijnlijk meenende dat papa
+gefloten had, hingen hem nu aan de beenen, en een dochtertje stond
+aan haar moeders bed, en scheen de aandacht op het voorvallende te
+willen vestigen, door zeer voorbarig "moord" en zeer ontijdig "brand"
+te roepen, terwijl de oudste dochter in de tafelstoel zich de handen
+aan bloed sloeg, en harder dan ooit "bu, bu, bu!" riep. Het was een
+zeer levendig tooneeltje, doch dat als onopgemerkt passeerde voor de
+_kellners_, die daarin niets bijzonders schenen te vinden en intusschen
+met groote bedaardheid de tafel begonnen te dekken.
+
+"Zoo'n _scène_ toont je nu eens aan, hoe veel geluk het huwelijk
+oplevert!" riep de Morder, terwijl hem onwillekeurig de drie
+vergeefsche aanzoeken, die hij in der tijd tot dat einde gedaan had,
+voor den geest kwamen.
+
+
+ "Niet steeds is de liefde bestendig van duur,
+ Hoe snel zij den boezem deed jagen"
+
+
+begon Torteltak te reciteeren.
+
+"Bier is toch erger dan de cholera," zeide Veervlug.
+
+"Ik moet eens zien, dat ik dat misverstand doe ophouden," zei Pols,
+en met moed stapte hij de kraamkamer binnen.
+
+Zijne komst had evenwel niet terstond die uitwerking, die hij gewacht
+had; want de echtelingen gingen voort elkander zeer onvriendelijke
+gezegden toe te voegen; maar toen zij in diervoege elkander hun gemoed
+hadden uitgestort, begon de vrouw luid te weenen, en aan Pols te
+vragen, of hij ooit zoo'n ongelukkige en mishandelde vrouw gezien had.
+
+"En zou het wonder wezen, dat ik een ongeluk aan mijzelven
+beging?" vroeg de man.
+
+"En dat nog wel eene kraamvrouw!" snikte zij.
+
+"En dat nog wel op den dag, dat zij mij eene nieuwe dochter in huis
+heeft durven brengen!" riep hij woedend uit.
+
+Pols vond het evenwel geraden deze vragen der echtelingen niet te
+beantwoorden; maar, hetzij dat zijn eigen gevoel, of wel het recit
+van Torteltak dit idée bij hem verwekte, hij besloot de ouders door
+middel van hun kind te verzoenen. Hij nam derhalve het pas geboren
+wichtje uit de wieg, en het in de hoogte houdende, zeide hij op zeer
+aandoenlijken toon: "Dit onschuldig wicht smeekt om uw beider liefde."
+
+Dit gezegde had uitwerking: want de vader riep dadelijk uit: "Smijt
+het in het meer, en je zult zien, dat zij haar kind nog niet eens
+naspringt."
+
+"Hang het aan de beenen op," zei de moeder, "en het monster zal het
+nog niet eens afsnijden."
+
+Pols keek even verbaasd op, als de redenaar, die onder het uiten zijner
+meest oratorische passage het signaal tot neuzensnuiten en hoesten
+ziet geven. "Wat zal ik met u kindje doen?" vroeg hij met onrust.
+
+"Neem het meê," riep de vrouw: "dan redt gij het van zijn bederf en
+van zijn vader."
+
+"Wel ja, doe dat!" riep de man: "dan zijn wij het met fatsoen kwijt."
+
+Daar dit evenwel niet in het plan lag van onzen vriend legde hij het
+wichtje weêr voorzigtig in zijn wiegje neder, en stapte langzaam en
+treurig de kamer uit.
+
+"Ik geloof niet dat er iets is, dat die menschen tot rust en
+eensgezindheid kan brengen," zei hij teleurgesteld tot zijn vrienden.
+
+Maar hij vergiste zich; want naauwelijks had hij de kraamvrouw
+verlaten, toen de man, uitgeput en bedwelmd door zijn krachtige
+redeneringen en zijn nog krachtiger bier, op den grond neêrzonk en
+in een vasten slaap insliep.
+
+En toen de vrouw nog een teugje _kirschwasser_ genomen had, daalde
+ook de slaap over haar neder, en zij accompagneerde snurkende haar
+snurkende gemaal.
+
+Toen heerschte er rust en eensgezindheid bij de gelukkige echtelingen.
+
+Het voorgevallene in het hotel maakte slechts kort een onderwerp
+van discours uit tusschen de vrienden en den vreemden heer en dame,
+met welke zij zich voor de deur vereenigd hadden.
+
+Toen evenwel het gesprek, dat natuurlijk over Zwitserland, reizen,
+aangename ontmoetingen en dergelijke zaken gerouleerd had, een
+weinig levendig begon te worden, kwam het reisrijtuig van de twee
+vreemdelingen voor, en de vrienden maakten zich gereed om voor altijd
+afscheid van hen te nemen. Maar juist toen de dame in de calêche wil
+stappen, hoort zij den jongeling, die haar in het rijtuig helpt,
+door een zijner vrienden met den naam van Torteltak noemen. Met
+vrolijke belangstelling keert zij zich tot hem, en vraagt: "Is u
+Mijnheer Torteltak uit Holland?"
+
+De jongeling beantwoordde deze vraag, die hem verwonderde, toestemmend.
+
+"En hebt ge te Kleef Ambrosine Korenaar ontmoet?"
+
+"Ik had het geluk..." zegt de jongeling blozend.
+
+"Dan weet ik genoeg; dat is heerlijk. He, papa! Is dat niet
+toevallig? Die heer is Mijnheer Torteltak, die met Ambrosine Korenaar
+geëngageerd is!"
+
+"Dat is te zeggen...." valt de jongeling in.
+
+"Nu, nu, geen woord meer," zegt het meisje, hem met hartelijkheid
+de hand drukkende. "Wij moeten voort; maar gij gaat immers naar
+Straatsburg? Gij kunt ons vinden in het _Hotel de Paris_.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXI.
+
+ Waarin een heer zeer vrolijk en een ander zeer melancholiek wordt.
+
+
+Nog nooit zoo veel te vroeg was Pols of een zijner vrienden aan
+eenige diligence, stoomboot of trekschuit gekomen, als heden het
+geval was aan den _eilwagen_, die des namiddags ten vier ure uit
+Constants vertrok. Was het daarom, dat zij zoo vergenoegd zagen,
+toen de postillon met zijn horen het sein tot vertrekken gaf? of
+was het, omdat zij smachtten eene plaats te verlaten, waar zij
+niets dan verveling en ergernis hadden ondervonden? Genoeg is het
+te melden, dat zij allen, naarmate zij zich van de oude en vervallen
+stad verwijderden, in vrolijkheid en opgewondenheid toenamen, en dat
+zij, toen in den laten avond in Stokach de diligence een uur van zijn
+eentoonig en vermoeijend rollen uitrustte, al het leed hadden vergeten;
+dat zij heden hadden gevoeld, en zich zelfs genoegen durfden beloven
+van een nog vierentwintig uren lang verblijf, als tusschen hemel en
+aarde, boven op de postkoets.
+
+De tour door het Schwartzwald, dien zij nu, door handelbaarder weder
+begunstigd, aflegden, wekte aangename herinneringen bij onze reizigers
+op. Indien Pols dus afgetrokken was, hij dacht misschien aan zijne
+schoone Ohlsbachsche, en het speet hem zeker, dat de _eilwagen_
+nu zeer weinig notitie nam van de boerenherberg, waar zij zoo goed
+waren onthaald geworden, en slechts aan de gewone stations stilhield,
+waar men zeer weinig met zeer veel geld moest betalen. De heerlijke
+landstreek, die al vruchtbaarder en bloeijender werd, hoe verder zij
+voortreisden, hield hen allen in eene zeer opgeruimde stemming, en
+zoo sommigen hunner reikhalzend naar Straatsburg uitzagen, het was
+heden niet, omdat zij iets tegen de landstreek, of het gezelschap,
+waarin zij zich bevonden, hadden in te brengen. Maar Torteltak
+brandde van verlangen om het schoone meisje van Constants weêr te
+zien; nog voelde hij den lieven druk harer vingeren; nog zag hij
+den vriendelijken en vertrouwelijken blik, dien zij hem schonk;
+en schoon hij dat alles danken moest aan hare veronderstelling,
+dat hij met een ander meisje geëngageerd was, ook dat denkbeeld,
+dat men hem bij die schoone reeds zoo ver geavanceerd hield, deed
+hem genoeglijk glimlagchen, en bevestigde hem in zijne opinie, dat
+hij toch wel _l'enfant chéri des dames_ mogt genoemd worden. Bij Van
+Aartheim was het verlangen naar de Fransche grensstad althans niet
+minder dan bij zijn vriend, schoon hij volstrekt niet aan drukjes en
+blikjes dacht, maar toch in vrolijke hoop leefde, daar zeer aangename
+en gewigtige ontdekkingen te doen.
+
+Twee dingen zijn er, die den reiziger naar Straatsburg reeds in
+tijds te kennen geven, dat hij de stad nadert; het eerste is de
+domtoren, die van wege zijne hoogte van zeshonderd voet boven al zijne
+medetorens uitsteekt; het tweede zijn de veelvuldige tamme ganzen,
+die in troepjes van honderd, onder het kommando van een jongsken van
+8 of 10 jaren, over de velden patrouilleren, waar zij niet zoozeer
+door de vorming van verstand en hart, als wel door die hunner lever,
+tot hunne bestemming worden opgeleid.
+
+Wie kent ze niet, die voortreffelijke producten van Straatsburg,
+die meesterstukken uit deszelfs fabrieken? _Paté de foie gras!_ gij
+zijt schoon; ja schoon zijt gij en heerlijk om te aanschouwen! Als
+van de terrine, waarin gij verscholen ligt, het sierlijke deksel wordt
+afgewenteld, en eene dartele hand den sluijer van sneeuwwitten reuzel
+wegrukt, dan vertoont zich, met een zedigen blos bedekt, uw liefelijk
+aangezigt; dan vervult gij allen, die u omringen niet met strengen
+eerbied, maar met warme liefde, met een zoet en nameloos verlangen! Gij
+zijt zacht, _foie gras_, als het dons; zacht voor het gevoel en zacht
+voor het oog! Het sneeuwwit hermelijn moge schitteren, en zijn glans
+moge verhoogd worden door de zwarte vlokken, waarmeê het bestrooid
+is; hoeveel liefelijker is uw rooskleurige gloed! hoeveel bevalliger
+wordt die verhoogd door uwe vereeniging met den edelen truffel, in het
+statig zwart gedost! Maar wat beteekent het u te zien, voor hem die u
+kent? Neen, gij verheft u niet op ijdele schoonheid, maar schittert
+door innerlijke waarde. Gij stelt de hoop niet te leur van hem, die
+verlangend zijnen mond ontsluit! Zacht en malsch als de liefdekus
+raakt gij de lippen aan; als een dauwdrop in een bloemkelk voor de
+zon, versmelt gij op de tong, die u verwarmt en koestert; en als de
+toonen des nachtegaal het oor, zoo streelt uwe geur het gehemelte.
+
+En toch, daar zijn er die u miskennen, _foie gras_! daar zijn er
+die u met smaad en schimp zouden willen beladen. Of heb ik het niet
+gehoord, dat men uw uitzigt vergeleek met dat der geestelooze pommade,
+uw smaak met dien van walgelijk kaarsvet? Ik ken er, die u niet willen
+zien, omdat gij uwe frischheid en uwe mollige rondheid gedeeltelijk
+dankt aan den wreeden ganzendans op de gloeijende roosters, schoon
+ik diezelfde beestenvriendinnen in kwade luim heb gezien, omdat de
+garnalen alweêr niet met koud water waren opgezet, en dus volstrekt
+niet hadden begrepen, wat het zegt, _gekookt_ te worden.--Maar wie
+u ook beleedigen of zijne verachting toonen moge, blijf niet terug
+uit Nederland, edele wezens, in Straatsburg geboren en gewonnen! Gij
+vindt er ook hier als elders, wie gij altijd welkom zijt, en die het
+zich steeds tot geluk en vreugde zullen rekenen, u eene eereplaats
+aan hunnen disch in te ruimen.
+
+Met deze en dergelijke bespiegelingen kortte Veervlug zich den tijd,
+toen hij zichzelven en zijne vrienden moê geredeneerd had. Hij liet
+zich niet uit zijne aangename stemming brengen door den vallenden
+avond en een opkomenden mist, of door vermoeijenis en vrees, dat men te
+laat zou aankomen, om goed te souperen, zoo als zijn vriend De Morder;
+evenmin matte hij zich af in wiskundige berekeningen, hoe veel menschen
+er zouden omkomen als de toren van Straatsburg eens onverwacht naar
+beneden kwam, zoo als zijn vriend Holstaff; maar moeijelijk viel het
+hem om vrolijk te blijven, toen de diligence meer dan twee uren voor
+de poort der stad moest ophouden, omdat de douanen, om de belangen
+der schatkist te bevorderen en hun eigen nieuwsgierigheid te voldoen,
+alle koffers en doozen uitpakten, en zelfs onder jassen en mantels
+onderzoek deden, wat er al zoo de stad werd ingevoerd. Daar is bijna
+geen treuriger reisinconveniënt dan een grenscommies, zonder zelfs
+muskieten en ander meer Noordelijk ongedierte uit te zonderen; en
+onaangenaam is het er bij, dat men zich eigenlijk billijkerwijze over
+dit ongemak niet beklagen kan. Als de wet spreekt, dient de onderdaan
+der wet te zwijgen; maar nergens gevoelt men als eerlijk man meer
+verdriet, dat er zooveel schurken zijn, als daar, waar men van het
+principe uitgaat dat iedereen een schurk is, of tracht te wezen. Ik
+geloof dan ook niet dat er iemand sterker aan de algemeene bedorvenheid
+van het menschengeslacht kan gelooven, dan zij, die als commiezen
+hun leven doorbrengen. Daar zijn intusschen weinig landen in Europa,
+waar men zich meer tegen den invoer van verboden zaken wapent en te
+weer stelt dan Frankrijk; misschien omdat men de overtuiging bezit,
+dat daar reeds genoeg verboden zaken plaats vinden. (Men vergelijke
+dit laatste gezegde met den brief van Veervlug aan zijn vriend L,
+geschreven te Straatsburg, den 11den Augustus 1837.)
+
+Een der eerste merkwaardigheden van Straatsburg, die Torteltak
+den volgenden morgen wenschte te zien, was de vreemdenlijst in het
+_Hôtel de Paris_, omdat hij daaruit hoopte te kunnen ontdekken of
+gissen, hoe de naam van het meisje was, dat hem hier verwachtte. Maar
+naauwelijks heeft hij de lijst in handen, of daar gaat een licht voor
+hem op, en hij noemt zichzelf een domkop, omdat hij vroeger niet op
+die gedachte gekomen was. Hij las namelijk den naam Darmold, en het
+verhaal van den ouden Heer Korenaar kwam hem in al deszelfs kleuren
+voor den geest. "Wel ja!" roept hij uit: "zij zijn het! Wie kan het
+ook anders wezen?"
+
+"Wie?" vroeg Van Aartheim, die naast hem zat.
+
+"Wel, Darmold en Emma, wie anders?" zegt Torteltak.
+
+"Hoe, wat?" zegt zijn vriend, van zijn stoel opspringende: "hoe weet
+gij het? heb ik ze genoemd? kent gij ze? waar zijn ze?" Dit was het
+begin van een serie andere vragen, in éénen adem uitgestort en te
+veel om op te noemen.
+
+"Wat! kent gij die ook al?" vroeg Torteltak. "Heeft zij bij u ook
+voor waarzegster gespeeld? Ik kon mij ook al niet begrijpen, dat zij
+zijne dochter was."
+
+"Neen, maar, ik bid u, waar hebt gij dien Mijnheer Darmold
+gezien?" vroeg Van Aartheim met drift.
+
+"Wel te Constants, daar gij hem ook hebt gezien, en waar ge nog een
+heel interessant discours over de Koningin Hortense met hem gevoerd
+hebt."
+
+"Wel, dat is vreeselijk! Was hij dat? En was ik dan met blindheid
+geslagen? Verbeeld u! ik reis maanden lang, alleen om hem te vinden,
+en ik kreeg tijding dat hij te Straatsburg zal komen; en ik zie hem
+te Constants en ik verzuim mijn kans."
+
+"Dan moet ge ze hier beter waarnemen," zeide Torteltak. "_Garçon_! waar
+logeert dat gezelschap, dat het laatst is aangekomen?"
+
+"In Nr. 9 en 10. Ik heb ze juist het _dejeuner_ gebragt."
+
+"De Hemel zij gedankt!" riep Van Aartheim, en met ongewone drift
+sprong hij door de kamer rond.
+
+"Ge doet het immers niet om dat Emmaatje?" zei Torteltak glimlagchende;
+"want, vriend! dan komt ge te laat; maar neen, ge hebt aan ééne
+schaakpartij wel genoeg."
+
+Weinige oogenblikken later werd Van Aartheim bij den Heer Darmold
+aangediend, en na eenige preliminairen openbaarde de jongeling
+hem, dat hij hoop had om van hem belangrijke inlichtingen te zullen
+inwinnen, omtrent zekere schuldbekentenissen van zijn vader, waarbij
+de Heer Darmold als getuige moest gediend hebben. De oude heer liet den
+jongeling alles uiteenzetten, en gaf hem toen hoop die zaak gemakkelijk
+te kunnen schikken, daar de papieren, door den Heer Lurgrave gebruikt,
+niet anders dan valsche stukken konden zijn. Hij deelde hem toen in
+vele woorden mede, hoe goed hij den ouden Heer Van Aartheim gekend had,
+en hoe hij zelf bij zijne komst in Oost-Indië aan dien waardigen man
+veel te danken had, en sprak in zulke bewoordingen van Mevrouw Van
+Aartheim, dat de jongeling hem met warmte de hand drukte.
+
+In het midden van dat gesprek bragt een bediende een kaartje binnen,
+waarop onze vriend met verbazing den naam Lurgrave vond. De knecht had
+in commissie, dat de heer van dien naam terstond Mijnheer Van Aartheim
+verlangde te spreken, maar dat hij geen lang uitstel verzocht, omdat
+hij niet veel tijd te verliezen had.
+
+"Hij komt of hij geroepen was!" zegt Darmold. "Verzoek Mijnheer hier
+te komen."
+
+Sir Lurgrave kwam binnen, en zonder zich aan den ouden heer, die
+een weinig ter zijde was gegaan, te storen, rigtte hij zich tot den
+jongeling, wien hij niet veel met complimenten, informatiën naar
+welstand en meer dergelijke zaken lastig viel, maar voegde hem op
+zeer hoogen toon toe: "Gij hebt ons contract verbroken, Mijnheer Van
+Aartheim, nu weet ook ik, waaraan ik mij te houden heb."
+
+"Ik heb alleen Miss Cleford voor uwe lagen behoed, Sir Lurgrave! Gij
+hebt haar en mij beiden misleid; ik rekende mij geregtigd en verpligt
+haar in veiligheid te brengen."
+
+"Noem mij de plaats, waar gij haar gebragt hebt!"
+
+"Nooit!" zegt Van Aartheim bedaard, maar met vastheid.
+
+"Dan haalt gij vloek over u, en ongeluk over uwe moeder!" roept de
+Engelschman woedend.
+
+De jongeling werd bleek, niet van angst, maar van toorn.
+
+"Zoo spoedig niet, Sir Lurgrave!" zegt Darmold, zich omkeerende en
+hem strak aanziende: "ik kan u zulke maatregelen, evenzeer als zulke
+gezegden, ontraden."
+
+Lurgrave ziet den vreemdeling aan, en heeft een brutaal antwoord voor
+hem klaar; maar toch eene zekere onrust overmeestert hem; misschien
+sprak zijn geweten, misschien een duister voorgevoel. Maar in het
+eind verzamelt hij al zijn moed en zegt: "Wie zijt gij, Mijnheer,
+die zulken toon tot mij durft voeren, en die u met zaken inlaat,
+die u niet aangaan?"
+
+"Gij zoudt echter wel wenschen dat zekere handteekening mij wat meer
+aanging. Herkent gij mij niet, Lurgrave? Mijn naam is Darmold."
+
+De Engelschman staat alsof hij door den donder getroffen is, en alsof
+de schrik al zijne leden verlamd heeft. Zijne oogen zijn onbewegelijk
+gevestigd op den man, die hem dus heeft toegesproken. Maar op eens
+springt hij op en terwijl hij een papier te voorschijn haalt en
+in stukken scheurt, roept hij uit: "In uwe magt ben ik niet; de
+bewijsstukken tegen mij zijn vernietigd."
+
+"Maar nog niet in zekere zaak van een voogd, die zich van het vermogen
+zijner pupillen op een onwettige wijze heeft meester gemaakt."
+
+"Gij zijt een vreeselijk mensch, Mijnheer Darmold!"
+
+"Dat kan er naar wezen, als het noodig is," zegt de ander koel.
+
+"Kan ik u een oogenblik alleen spreken, Mijnheer?" zegt Lurgrave,
+terwijl hij zijn partij angstig aanziet.
+
+"Mijnheer Van Aartheim is hier niet te veel; want de zaak gaat ook
+hem aan. Naar ik hoor, is hij de minnaar van _Miss_ Cleford."
+
+"Maar hij krijgt haar nooit. Gaat nu beiden u gang en brengt mij op
+'t schavot."
+
+En ijlings vliegt hij de kamer uit en in de postchais, die hem voor
+de deur wacht.
+
+"Hoe zal ik u ooit genoeg dankbaar zijn, mijn goede, lieve Mijnheer
+Darmold!" roept Van Aartheim uit.
+
+"Gij hebt zoo heel veel verpligting niet aan mij," zegt de oude heer;
+"maar ik wenschte dat ik meer voor u had kunnen doen. Want het zal
+nog heel wat moeite in hebben, de zaak met _Miss_ Cleford in orde te
+brengen; want hij is listig en slecht."
+
+"Maar mijne lieve moeder is gered," riep Van Aartheim. "De Hemel
+zij gedankt!"
+
+Kalmer dan het bovenstaande gesprek liep dat tusschen Torteltak en
+Emma aan de publieke tafel af. Want na hem eerst wat geplaagd te
+hebben, deelde het meisje hem mede, dat zij uit een brief van Mevrouw
+Korenaar vernomen had, dat zekere Mijnheer Torteltak, een heel lief
+jongmensch (dit zeggende keek Emma rijkelijk spottend genoeg, naar
+der jongelings zin), te Kleef al zeer lief met Ambrosine was geweest,
+en dat hij werkelijk al _acces_ gevraagd en dat dan ook verkregen had.
+
+"Ik wist waarlijk niet, dat ik al zoo ver gegaan was," zegt Torteltak
+verbaasd in zichzelven. "Mama Korenaar schijnt niet voor uitstel te
+wezen." Maar daar hij heel gaarne op den voet van intimiteit met de
+lieve Emma wilde blijven, hield hij al zijne aanmerkingen binnen,
+en bepaalde zich tot het maken van zoo veel lieve complimentjes, die
+ook weer zoo aardig beantwoord werden, als beide deze zaken aan eene
+publieke tafel en tusschen menschen, die elkaêr voor de tweedemaal
+ontmoeten, kunnen geschieden.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXII.
+
+ Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor de Nederlanders
+ in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het bijzonder.
+
+
+ "'t Neêrland, Neêrland is 't, dat in de rei der volken
+ 't Gelauwerd hoofd verheft door 't dundoek van de wolken,
+ En tot Europa roept: "Het licht dat u bestraalt,
+ De kunstrei die u volgt, is van mij afgedaald.
+ De lievling der Natuur zag op mijn' grond het leven!
+ Ik kweekte uw' Koster op! 'k heb hem aan de aard' gegeven."
+
+
+Met deze regelen heeft de Heer J. F. Helmers, die te Amsterdam,
+bij andere zaken, ook de dichtkunst waarnam anno 1804 de questie
+uitgemaakt, waar en door wien de Drukkunst werd uitgevonden. Hij laat
+het evenwel hierbij niet blijven; want nadat hij Haarlem verzocht
+heeft te juichen,
+
+
+ "Juich, Haarlem, die hem 't eerst' mogt in uw' arm ontvangen!
+ Hem als een' zuigeling zaagt aan uw' boezem hangen!"
+
+
+gaat hij over tot de mededeeling der mirakelen, die bij de geboorte
+van den kleinen Koster plaats grepen; hoe de Natuur hem met een lach
+begroette, en hoe het Spaarne, meer trotsch, de kruin opstak; hoe ook
+de zwanen met opgestoken hals terstond driemaal de stad rondzwommen,
+slaande met de vlerken en schaterende van vreugd; en hoe de bladen in
+den Haarlemmerhout puur van wellust begonnen te fluiten en te gorgelen;
+en hoe de Lente op zulk eene gelegenheid gewacht had om te komen; en
+
+
+ "Nooit steeg de Zonnegod met zulk een' gloed ten wagen,
+ En de uren, om zijn kar in 't bloemgareel geslagen,
+ Verspreidden als een' vloed van rozen in den wind,
+ En bloemen regenden op 't wiegje van het kind."
+
+
+Hij maakt echter geen gewag van den klopper voor de deur, die zeker
+ook wel opmerkelijk fraai zal zijn geweest. Te bejammeren is het, dat
+hij van de verbazing der goede Haarlemmers, en in het bijzonder van
+de oudelui Koster over al dat spectakel, geene andere melding maakt,
+dan in de woorden:
+
+
+ "En nieuwe levenskracht vloog door elks aadren om."
+
+
+Door een zamenloop van omstandigheden waren evenwel deze regelen in den
+jare 1837 nog niet te Maints bekend, en in deze gelukkige onwetendheid
+hebben onze Duitsche naburen met opgewondenheid het Gutenbergsfeest
+gevierd. 't Is nu maar te hoopen, daar de zaak toch niet meer te
+verhelpen is, dat de gedichten van Helmers nooit in het Duitsch worden
+vertaald; want de inwoners van _Moguntinum_ zouden zeker dood confuus
+worden, en te laat doen, wat Vondel nog in tijds van hen eischte:
+
+
+ "De Keurstadt kloppe op haer mont,
+ Als Haerlem spreekt: de fiere Rijn
+ Geef d'eere aan 't Sparen, met dien schijn
+ Van Recht, en zwijgh van Vuist, den zetter,
+ En Gutenberghs geroofde letter."
+
+
+Maar wat hier ook van zij, in den vroegen morgen van den 15den
+Augustus deden vijf Hollandsche jongelingen hun intrede in het "_Stolze
+Maintz, von Rom gegründet_," en kwamen dus juist in tijds om te zien,
+hoe de Duitschers Laurens Janszoon Koster van Haarlem miskennen en
+verguizen. Het was wel hard, voor menschen, wie Neêrlandsch bloed
+door d'adren vloeide, van dit schandelijk feit getuigen te zijn; maar
+sommigen hunner kwam het nog harder voor, de stad, die er in haar
+feestelijken dos regt sierlijk en vrolijk uitzag, zoo maar terstond
+weêr te verlaten. Daarom besloten zij het doel der feestviering uit de
+gedachten te zetten, iets dat eigenlijk altijd bij zulke gelegenheden
+twee derde der zaamgevloeide menigte doet, en zoo veel moois te zien,
+en zooveel plaisir te hebben, als zij maar grijpen en vangen konden. En
+hiertoe werden zij al dadelijk in de gelegenheid gesteld; want zij
+hadden het genoegen, met pak en zak beladen, de gansche stad Maintz
+in alle rigtingen te doorkruisen, en aan alle logementen te vernemen,
+dat er zelfs voor geen muis meer plaats was, iets dat iedereen die uit
+de algemeene menschenliefde die tot kasteleins niet uitsluit, om den
+wil van dezen hartelijk aangenaam moet wezen. Het deed intusschen den
+vrienden wel leed, dat ook zij niet in de gelegenheid werden gesteld om
+de _gastgebers_ voordeel te verschaffen, door etende en slapende geld
+te verteren; maar men had maar een blik op al de logementen te slaan,
+om te zien, dat zij van de vliering tot den kelder waren gevuld. In
+het eind arriveerden zij aan een hôtel veertienden rang. Hier waren
+zij gelukkiger; want de heer des huizes had nog juist gelegenheid om
+vijf personen te logeren op twee stoelen met kussens en drie dito met
+matten, in een soort van afgeschoten salon, of eigenlijk eene _suite_
+van de keuken.
+
+Hoewel nu zulk een apartement en zulke slaapplaatsen in gewone
+omstandigheden niet bijzonder naar den zin van reizigers zijn, in
+zulk een tijd is zoo iets nog eene verhooging van het genoegen: voor
+sommigen, die zich om die reden verpligt gevoelen den ganschen dag
+door te slenteren, en ook den nacht tot dag te maken; voor anderen,
+omdat zij naderhand, bij de opsomming van de genoegens, die zij
+gesmaakt hebben, ook zonder zich aan liegen te bezondigen, kunnen
+vertellen dat zij zich armelijk moesten behelpen, of in geen twee
+dagen een knie hebben gebogen. Voor onze vrienden had de situatie
+van dat apartementje, dat aan de andere zijde in het bureau uitkwam
+waar de juffrouw de notaas bijhield, dit nut, dat zij er een weinig
+door ingewijd werden in de logementsgeheimen. Zoo kwamen zij er
+in een half uur, dat zij met kleeden doorbragten, achter, hoe het
+toch komt, dat nooit iets, zelfs niet de geringste kleinigheid,
+op een nota vergeten is, daar de juffrouw, niet regt verstaande,
+of de koffij en het brood, dat naar boven gebragt werd, voor Nr. 8
+of 18 was, dezen post op beide rekeningen boekte. Te gelijk leerden
+zij doorgronden, waarom de knechts zoo dikwijls denken, dat er op eene
+andere kamer dan de uwe gescheld was, en dus niet komen voordat gij de
+manoeuvre een dozijnmalen herhaald hebt; want toen de schel van Nr. 4
+herhaalde malen vervaarlijk klingelde, vergenoegde zich de _kellner_,
+wien deze schel aanging, met zoo lang te zeggen "wacht je beurt af,"
+tot hij op zijn gemak zijn _dejeuner_ had gebruikt.
+
+Maar daar de vrienden niet bepaaldelijk te Maintz waren gekomen om
+zich met dit gewigtig onderwerp bezig te houden, haastten zij zich
+hun hôtel te verlaten, om in tijds op de _Liebfrauplatze_ te wezen,
+waar de onthulling van het Gutenbergs monument zou plaats hebben;
+zij hadden het geluk eene uitmuntende staanplaats te verkrijgen, waar
+de trein, uit den Domkerk komende, hen moest passeren, en tevens door
+een paar uren wachtens hunne verwachting behoorlijk te spannen. Daar
+klinken op eens hoornen en trompetten; zij komen; daar is reeds
+de voorwacht, een aantal jolende knapen en deftig voortstappende
+kerels, met vuile buizen aan het lijf, en dito handen in den zak. Met
+uitgerekte halzen zien onze vrienden den optogt te gemoet; maar juist
+in dien oogenblik komen de kurassiers om plaats te maken en rust te
+bewaren, en deze heeren beginnen zulke vreemde manoeuvres met paarden
+en sabels tegen al de belangstellende vreemdelingen, dat iedereen een
+goed heenkomen zoekt. Pols en de zijnen bleven echter zeer vooraan,
+en hadden dus het genoegen, toen de trein passeerde en de kurassiers
+zich in linie van bataille schaarde, in zeer naauwe aanraking met
+verscheiden regimentspaarden te komen en een rij blinkende kurassen
+te aanschouwen. Dit was echter alles; zij zagen niets van den
+_Burgemeister und der Gemeinderath_, van _die Polizei-Commissäre
+und die Mitglieder des Literatuur-Vereins und der naturforschende
+Gesellschaft_, geen enkele der _Buchdrucker_, _Schriftgiesser_,
+_Buchhändler_, en niet een der vele dozijnen Duitsche Vorsten, die
+allen in rokken, glinsterend door de nieuwheid van het laken of den
+rijkdom van het verguldsel, voor de kurassiers heentrokken.
+
+Wij zouden intusschen niet gaarne beweren, dat de teleurstelling onzer
+vrienden, die niets van den optogt gezien hadden, grooter was dan die
+der andere vreemdelingen, die het wel gezien hadden. Gewoonlijk toch
+valt zoo iets, waarvan een wijdloopig programma reeds dagen bekend
+is geweest, voor iemand, die zich goude galons en purper fluweel en
+veelkleurig laken, ook zonder het te zien, kan voorstellen, niet
+erg in de hand. Maar zeker is het, dat zij nu bewaard bleven voor
+het uiten van opinies omtrent de uitstekende schoonheid van dezen of
+genen rok, over het vreemde fatsoen der mutsjes, die de letterzetters
+op hun hoofd hadden, over de vriendelijkheid, waarmeê de burgemeester
+groette, en over meer dergelijke belangrijke zaken, waarmede men zich
+op de afgehuurde kamers, nadat de trein gepasseerd was, bezig hield.
+
+Maar toen nu al deze deftige personaadjes hunne eergestoelten hadden
+ingenomen, en het ook Pols en zijnen vrienden gelukt was, op de trappen
+der tribune plaats te krijgen, en de muziek ophield, nam de President
+der _Gutenbergs-Commission_ de _Rednerbühne_ in, en bragt eene groote
+rol papier te voorschijn, aan alle zijden volgeschreven, tot wanhoop
+van al die het zagen, en die het meenden te moeten aanhooren. Maar die
+wanhoop was te voorbarig; want de redenaar was niet wreed genoeg om zoo
+veel van hunne aandacht te vergen. Hij sprak zoo zacht, dat slechts
+drie à vier menschen, wier ooren bijna in aanraking met zijn mond
+kwamen, door zijne verhandeling slaperig werden; terwijl het al den
+anderen aanschouwers vrijstond, door welke middelen zij zelve verkozen,
+tot dien toestand te geraken. In minder dan twee uren sprak hij zijne
+geheele verhandeling uit, waarin hij het volgende had trachten aan te
+toonen: "_Die Kunst, welche den Griechen und Römern verborgen blieb,
+brachte eines Deutschen erfinderischer Geist an das Licht, und alles,
+was die Alten und Neuen erdacht haben und wissen, haben sie jetzt
+nicht mehr für sich, sondern für alle Völker erdacht_;" en toen hij
+dit bewezen had, boog hij, en het publiek applaudiseerde van vreugd,
+omdat het begreep wat die buiging beduidde, en de trompetten begonnen
+te schallen, en door het verbranden van het chemisch geprepareerd
+doek werd het Monument onthult, en allen die zamengevloeid waren
+om het te aanschouwen, begonnen te juichen, met uitzondering van
+drie individus, die door het verbazend gedrang onder den voet waren
+geraakt en vertrapt, en voor wie het dus jammer was, dat zij niet
+tot den volgenden dag gewacht hadden, om het beeld te gaan zien,
+dat waarschijnlijk vooreerst niet zou wegloopen, omdat zij het nu
+zeker nooit zouden zien.
+
+Toen nu deze plegtigheid zoo schoon en aandoenlijk was afgeloopen,
+en ook onze vrienden nog een geruimen tijd het heerlijk monument voor
+Gutenberg hadden aangegaapt, en Pols bij die gelegenheid gevraagd
+had, of het standbeeld in den Haarlemmerhout ook niet van Thorwaldsen
+was, begreep men elders fortuin te moeten zoeken. Dit fortuin zoeken
+beteekent eigenlijk op zulke feestdagen niets anders, dan al de uren,
+die niet aan openbare vermakelijkheden gewijd zijn, met flaneren
+doorbrengen, en zich door den prikkel van sterken drank in een
+betamelijk opgewonden stemming houden. Bij zulke gelegenheden merkt
+men eerst regt op, hoe nuttige inrigtingen koffiehuizen zijn, en hoe
+zeer men ze onregt doet, door ze niet bij de het een of ander schoons
+en edels bedoelende Gestichten of Maatschappijen op te sommen. Want
+waar wordt de vermoeide vreemdeling vriendelijker opgenomen? waar
+stelt men sterker en geestrijker maatregelen in het werk, om hem van
+geestdrift te doen gloeijen? waar hoort men ooit in opgewondener taal
+vaderlands- en vorstenliefde, en warm medegevoel voor al wat schoon en
+edel is, uiten? Als u dan de oogen schemeren, feestvierders, van al de
+vlaggen, die uit de huizen wapperen,--als uw mond lusteloos toevalt,
+van het aangapen van al de pracht en weelde,--als u de knieën knikken
+van de vermoeienis, die gij staande en loopende hebt opgedaan,--naar
+de koffiehuizen dan, naar de koffiehuizen! Ziet gij dien stoet daar
+uit de deur komen? Zij waren even uitgeput als gij thans; en welk
+een gloed is nu in hunne oogen! tot hoe vrolijk gejuich openen zich
+hunne lippen! hoe luchtig en sierlijk zwaaien zij u voorbij! Naar
+binnen dan, feestelingen! één glas, één bokaal, één toast, en gij
+zijt hun gelijk, en uwe insluimerende belangstelling voor het feest,
+tot welks viering gij u hier onder de vele duizende vreemdelingen
+hebt geschaard, zal weêr ontwaken.
+
+Dank zij deze maatregelen van voorzigtigheid, kwam 's avonds het
+gezelschap van Polsbroekerwoud, zeer luchtig en vrolijk gestemd,
+voor de deur van het Maintzer Theater, en offerde met de grootste
+bereidwilligheid een aanzienlijk aantal _Thalers_, om door vele
+kelen den lof van Gutenberg te hooren uitgalmen. Het was nog aan een
+bijzonder geluk te danken, dat zij werden binnengelaten, want reeds
+dagen te voren waren natuurlijk alle kaartjes opgekocht; maar daar
+men nu eerst vernomen had, dat er zestien Duitsche Vorsten minder
+zouden komen dan men gewacht had, werd een der voor hen bestemde
+loges aan de vrienden afgestaan, die daar nu op eene waardige wijze
+de Hollandsche Natie konden representeren.
+
+Weldra kwam het gewigtig moment. Tweehonderd heeren in 't zwart
+en tweehonderd dames in 't wit, met vierhonderd paar witte glacé
+handschoenen en vierhonderd bleeke gezigten, namen hunne plaats op het
+tooneel in. Op de voorste rij zetten zich vier andere heeren en ééne
+dame, in 't zelfde kostuum als de vorigen, doch met een extra strik van
+lichtblaauw versierd, en iets meer pommade in 't haar dan de anderen,
+waaruit bleek, dat zij Adolph von Nassau, Gutenberg, _Der Kläger im
+Erzbischöflichen Gericht_ en Maria Faust's _Tochter_ voorstelden. De
+Orchestmeester had intusschen al zijnen onderhoorigen de noodige
+wenken gegeven; de instrumenten waren gestemd; met het tooverstokje
+werd op den lessenaar getikt, de arm in de hoogte gezwaaid, en in
+een oogenblik zwollen al de wangen der blazers op, al de armen der
+strijkers bewogen zich naar denzelfden kant. Het voorspel is geëindigd:
+Gutenberg staat uit zijn fauteuil op, manoeuvreert eenige oogenblikken
+met een schitterende _foulard_ en op eens begint hij te zingen:
+
+
+ "_O lichte Mainz_," enz.
+
+
+en toen hij zesmaal zijn coupletje herhaald heeft, staan al de heeren
+op, en daverend klinkt het door de zaal:
+
+
+ "_O Stolze Mainz_," enz.
+
+
+maar naauwelijks hebben die heeren hunne vier regels uit, of Gutenberg
+begint weêr van voren af aan:
+
+
+ "_O lichte Mainz_,"
+
+
+en eer hij nog een halven regel ver is, vallen de anderen weêr in:
+
+
+ "_O Stolze Mainz_,"
+
+
+en zonder dat een der partijen het opgaf, zongen zij nu ieder om het
+hardst, totdat zij dood af waren, en weêr op hunne stoelen gingen
+zitten, waarop het publiek luid begon te juichen, en zeide dat de
+woorden en de muziek beiden heerlijk mooi waren.
+
+Maar naauwelijks gezeten, staan zij weêr op, en al de heeren zingen
+vragenderwijze:
+
+
+ "Klang hier nicht noch eine Stimme?
+ Steht nicht jemand dort im Dunkel?"
+
+
+waarop Faust begrijpt zich met het geval te moeten bemoeien, en ook
+opstaande, zingt:
+
+
+ "Halt! Wer bist du? Nenne dich!"
+
+
+En nu staat ook Gutenberg weêr op, en galmt uit!
+
+
+ "Gutenberg--Du kennst mich, Faust!"
+
+
+waarop deze beide heeren aan het redeneren raken, en elkander herhaalde
+malen dezelfde tweeregelige vragen en antwoorden toevoegen, totdat
+ook de dame met den blaauwen strik er bijkomt, en voor de variatie
+een aria zingt.
+
+De eerste afdeeling liep ten einde. Het geraas en geweld nam steeds
+toe, en ook onze vrienden waren reeds half doof, toen Pols, die
+intusschen zijne oogen over het schoone publiek had laten weiden,
+op eens een gil geeft, en zijn buurman in den arm knijpt. Het eerste
+werd gelukkig niet opgemerkt; want juist bulderde het koor met
+vreeselijke kracht:
+
+
+ "Du taufst das Kind im Traume;
+ Du taufest das Metall."
+
+
+Maar het laatste, dat ongelukkig een stalmeester van een regerend
+Vorst getroffen had, werd met een zeer barsch gezigt achtervolgd en
+met de vraag: "Wat beteekent dat?"
+
+"Ik vraagje excus, Mijnheer!" zegt Pols, "maar ik zag een neef en
+nichten van mij zitten."
+
+"Als je dan nog meer familie ziet, verzoek ik je aan den anderen kant
+te knijpen."
+
+En Pols maakte bij zichzelven de opmerking, dat die heer heel
+kwalijknemend was en zeker weinig familiezwak had; maar toen nu
+eindelijk "_das Kind im Traume getaufet was_," en er een moment van
+stilte volgde, nam Pols deze gelegenheid waar, om zijn bovenlijf
+over de balie der loge te buigen, en te kugchen en te hemmen, om de
+aandacht te trekken van de familie Blumengarten, die schuins tegenover
+hem in een andere loge zat; en toen dit nog niet gelukte, haalde hij
+zijn geruiten zakdoek voor den dag en begon te wuiven, en te gelijk
+rond te zien, waarover het publiek toch zoo lachte. Maar zijn vondst
+had effect: de familie Blumengarten knikte neef toe, en nicht wenkte
+zelfs, dat hij bij hen moest komen, waarop Pols eenige kamerheeren
+en kamerdienaren bijna omverliep en de corridor doorsnelde, om zijne
+familie op te zoeken. Van de _scène_ der ontmoeting werd evenwel
+de aandacht van het publiek afgetrokken, omdat de tweede afdeeling
+begonnen was, en de heeren met nieuwen moed aanhieven:
+
+
+ "Du taufst das Kind im Traume;
+ Du taufest das Metall;
+ An deines Mantels Saume
+ Liegt friedenreich das All."
+
+
+Het ware voor Pols en zijne familie te wenschen geweest, dat zij
+elkander wat later in den avond ontmoet hadden; want zij kregen het
+zoo druk met praten, dat de heerlijkste stukken van het Oratorium
+voor hen verloren gingen, en onze vriend was zoo oplettend voor zijne
+jonge nicht, dat hij geene oogen had voor de tweehonderd zangeressen,
+die onder aanvoering van Maria ook zeer aan het galmen raakten. Hij
+begreep niets van het discours tusschen den _Kurfürst_ en den _Kläger_,
+dat toch ook heel mooi was. Hij merkte naauwelijks of er _Ariosos_
+of _Chöre_ werden uitgevoerd; en eerst toen al de heeren en dames op
+het tooneel opstonden, en hunne laatste krachten inspanden, voor het
+
+
+ "Dreimal gesegnete
+ Stimmen der Scheidenden,
+ Stimmen der Bleibenden
+ Preisen dich laut, du gewallige Mainz!"
+
+
+en toen daarna een applaudissement volgde, zoo luid, dat een aardbeving
+hare inferioriteit zou hebben moeten toegeven, begreep hij, dat het
+einde dáár was van een zeer aangenaam doorgebragten avond.
+
+De familie Blumengarten en Polsbroekerwoud schenen elkander goed
+bevallen te zijn; althans den volgenden dag haalde onze vriend zijne
+bloedverwanten af, om de volksfeesten bij te wonen. Dit soort van
+amusement viel geheel in den smaak dier goede menschen; zij lachten
+zich dood, terwijl de Mainzers van de smalle gemeente allerlei
+vergeefsche sprongen maakten, om den hangende aal te vangen; zij
+juichten van plaisir bij het _Schifferstechen_, en gilden het uit van
+pret bij den _Entenfang_. Hiertoe droeg bij, dat de oude heer volstrekt
+niet hield van op een droogje te zitten, en dus verscheiden flesschen
+goeden wijn liet ontkurken. Pols glom van genoegen, en verklaarde,
+zijne jonge nicht helder aanziende, dat hij wel alle dagen zulke
+feesten zou willen vieren; waardoor hij toonde volstrekt niet meer
+boos te zijn, dat Maintz zich een regt aanmatigde het welke deze stad
+in het geheel niet toekwam.
+
+Het gevolg van dit alles was, dat toen Pols gearmd met zijn jonge
+nichtje, de _allgemeine Illumination_ in de stad en op de rivier
+bezigtigde, na zeer vele belangrijke aanmerkingen gemaakt te hebben
+over schoone sterren, door groene en gele en roode en blaauwe lampions
+verlicht, en over het sierlijke van latten met glaasjes om een
+geheel raam, en over licht in zulke vierkante, poort- en kolomvormige
+gedaanten, als alleen de kunst kan voortbrengen, geheel uitgepraat,
+misschien alleen om het discours op een anderen boog te wenden,
+begon te zeggen:
+
+"Lieve nicht Caroline, ik ben niet heel jong meer."
+
+"Dat is waar, neef!" antwoordde Caroline.
+
+"En ook niet schoon."
+
+De nicht zei niets, maar knikte toestemmend.
+
+"Ik ben niet rijk."
+
+"Zoo!" zei Caroline.
+
+"Maar ik heb toch een aardig stuivertje geld."
+
+"Dat is altijd een groot geluk!" merkte nicht aan.
+
+"En ik wou, dat gij met mij deeldet."
+
+"Maar, neef! hoe kom je nu zoo? ik heb immers volstrekt geen geld
+noodig."
+
+"Je begrijpt me niet, lieve nicht!" zei Pols: "ik wou nog meer. Ik
+heb wel eens gedacht, om te trouwen!"
+
+"Wel dat is goed!" zei Caroline, schoon toch eenigzins bevende,
+misschien door eene verwonderlijk sterke _Devinationsgabe_ begrijpende,
+waar het heen wilde. En toen voegde zij er bij: "Daar zijn vast in
+Holland meisjes genoeg."
+
+"Ja," zei Pols, "maar geen een zoo lief als jij!"
+
+"Heere, neef! wat praat je rare dingen!"
+
+"Ja, maar, lieve nicht! ik moet het je nu maar zeggen. Ik ben sinds
+gisteren avond zoo raar, en al sedert verleden maand, toen ik je voor
+het eerst zag. Je zoudt me een groot plaisir doen, als gij met mij
+trouwen wildet."
+
+"Maar neef Joachim! ik ken u nog zoo weinig."
+
+"Ach! noem mij niet meer neef, maar alleen Jochem; en als ge met mij
+trouwt, zult gij me wel beter leeren kennen."
+
+Toen zei het meisje een heel langen tijd geen woord, maar keek voor
+zich op den grond, en Pols begreep, dat hij nu een voetval zou moeten
+doen, maar het was zoo schrikkelijk vol op de straten, dat hij er geen
+plaats toe vond. In het eind, toen Pols haar zoo in de hand kneep,
+dat zij er misschien pijn van kreeg, zei het meisje:
+
+"Maar, neef! spreek er dan eens met papa en mama over."
+
+Toen zei Pols verrukt: "O mijne geliefde! noem mij dan maar eens bij
+mijn naam."
+
+En het meisje zeide, hoog blozende: "Jochem!" Maar juist toen onze
+vriend haar in verrukking de hand wilde kussen, kwam er een voetzoeker,
+door een jong en dartel Maintzenaartje afgestoken, tusschen zijn mond
+en haar hand, en Pols riep uit: "Dat is verduiveld onaangenaam!" en
+het meisje: "Foei! is dat schrikken!"
+
+De jongeling bragt zijn meisje zeer zedig naar haar logement, en toen
+hij afscheid van haar had genomen, verzocht hij de oude lieden nog
+een woordje, en legde zijn belangen bloot. Neef en nicht vonden de
+propositie zeer vereerend; maar daar zij zich verpligt gevoelden,
+eerst de noodige informatiën te nemen, beloofden zij, zoo spoedig
+zulks geschieden kon, hun antwoord schriftelijk te zullen meêdeelen.
+
+En toen Pols bij zijne vrienden terugkwam, deelde hij hun mede, dat
+zijne nicht Caroline een engel was, en hij hoopte hun spoedig nog iets
+te zullen meêdeelen, maar wat dat was, zouden zij nooit kunnen raden.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIII.
+
+ Hetwelk misschien voor sommige lezers zal ophelderen, wat het
+ titelvignet voorstelt.
+
+
+Daar zijn weinig zintuigen, die den menschen over het algemeen meer
+geld kosten, dan de smaak. Het ligt toch in de menschelijke natuur,
+om ze allen ten behoorlijken, en soms ook ten onbehoorlijken tijde in
+gelegenheid te stellen, om gestreeld te worden. Nu kan men de overige
+zintuigen nog al eens gratis het een of ander genoegen verschaffen. Het
+gezigt, bij voorbeeld, verlustigt zich kosteloos in een schoon
+landschap, op eene gepaste wijze door de zon verlicht, of, zoo dit niet
+in zijn _genre_ valt, in den windwijzer op de nieuwe Willemspoort te
+Amsterdam en de klok, waarvan de plaat, voor de variatie, in plaats
+van den wijzer ronddraait. Het gehoor wordt even kosteloos gestreeld,
+als de nachtegaal zijne minneliederen kweelt, of als de Secretaris van
+de pui van het stadhuis afleest. De genietingen des reuks in de geuren,
+die de bloemen des velds of de grachten (burgwallen) der hoofdstad
+uitwasemen, behoeven nooit te worden betaald, evenmin als die van
+het gevoel, bij de aanraking van een paar malsche lipjes (ieder heeft
+toch wel één paar in zijne familie), of van stuifzand, dat zich van
+den straatweg in het menschelijk oog verplaatst. Maar nu de smaak! Ik
+bid u, welke amusement kunt gij dit zintuig verschaffen, waarbij niet
+te gelijk uwe beurs in het spel komt? Een dikke, vochtige mist is
+misschien het eenige, dat zich tot dit doel geheel belangeloos bij u
+aanmeldt, daar hij aan den smaak van stervelingen die gewaarwordingen
+meêdeelt, welke buiten hem slechts Soester knolletjes vermogen op
+te wekken. Maar ook dit genoegen is slechts weggelegd voor weinigen,
+die de daartoe vereischte gelukkige en beminnelijke habitude hebben
+van altijd met een open mond te wandelen; ieder ander is genoodzaakt
+dagelijks van zijn rijkdom of zijne armoede ten offer te brengen, om
+niet door de blijken van ontevredenheid zijns smaaks te worden gekweld.
+
+Meestal is het de overtuiging en ondervinding hiervan, die velen zoo
+hevig doet ijveren tegen de genietingen, die men den smaak bereidt,
+en laag doet neêrzien op dezulken, die daarvoor nu en dan nog wel
+eens wat over hebben, terwijl dezelfde menschen veel verdraagzamer
+zijn omtrent de amusementen der overige zintuigen. Het denkbeeld
+"het genot is kort, en ieder voorwerp kan slechts eenmaal dat genot
+verschaffen" doet gewoonlijk dien ijver ontbranden en die minachting
+geboren worden. Bij de minsten dezer berispers komt het ooit op, dat
+deze genietingen de meest dierlijke, ja soms niets dan dierlijk zijn.
+
+Zonder zich echter in eenig opzigt met deze of dergelijke
+bespiegelingen in te laten, bestelden Polsbroekerwoud en zijne
+vrienden, op den top van den Johannisberg gekomen, eene flesch
+goudlak, en zonder zich aan den onmatig hoogen prijs van deze
+genieting te ergeren, savoureerden zij den eêlsten en beroemdsten
+van alle Rijnsche wijnen. Het spreekt dan ook van zelve, dat zij
+met zekeren eerbied de gevulde glazen opnamen, en deze op de reis
+naar den mond een kleinen omweg lieten maken langs den neus, die van
+het _bouquet_ genieten moest, en dat toen reeds de vrienden elkander
+veelbeteekenend toeknikten; ook dat toen de eerste teug in aanraking
+kwam met het verhemelte, eene soort van verrukking allen aangreep,
+zoo als ieder, die den duren kabinetswijn proeft en betaalt, gevoelt,
+of zich althans verpligt rekent te gevoelen. Het is opmerkelijk, dat
+eene flesch van dezen wijn, die toch waarlijk zooveel krachtiger niet
+is dan andere fijne Rijnwijnen, in staat is om een geheel gezelschap
+tot een hoogen trap van verheuging op te voeren, en dat reizigers,
+die voor een paar flesschen Bourgogne niet staan, na het gebruik van
+twee glazen Schloss-Johannisberger-kabinet-goudlak, wel weergaas goed
+gevoelden, dat zij wat gedronken hadden. Te meer nog verdient het de
+aandacht, dat de keldermeester als er wat veel bezoekers van den berg
+zijn, zich vaak genoodzaakt ziet een zeer gewonen ligten Rijnwijn
+in die goudlakflesschen op te disschen, en dat de verrukking en het
+bedwelmend effect altijd dezelfde blijven.
+
+Wat hier ook van zij, onze vrienden geraakten bij het gebruik van
+twee flesschen in eene vrolijk opgewonden stemming, zoo zelfs, dat
+Pols het meisje, dat licht voor de sigaren bragt, tweemaal vriendelijk
+toeknikte, en daarna zachtjes onder de kin streelde, waarop Torteltak
+aanmerkte, dat zijn vriend aanmerkelijke vorderingen had gemaakt in
+de kunst van minnekozen.
+
+"Ik hoop er wel spoedig in volleerd te worden," dacht Pols; doch
+hij zeide het niet, want zoolang de zaak van zijn engagement nog
+niet gedecideerd was, had hij besloten het diepste stilzwijgen te
+bewaren. Maar hij zag er geen gevaar in, zichzelven op te wiegen in
+vrolijke verwachtingen en hoop op geluk, als hij met zijne Caroline
+in den Oppert zou wonen, en hij haar gedurig zou verrassen, door
+wekelijks het houtvlotje van nieuwe bloemen te voorzien, en door zelf
+beste springlevende visch van de markt te halen. Hoe lief zouden zij
+daar zamen in de tuinkamer zitten--zij in den gemakkelijken stoel
+van zijn vader, hij op een stoofje aan hare voeten! Hoe zouden zij
+zich daar verbeelden buiten te wonen, als de geur der bloemen hun van
+het houtvlot tegenwoei, terwijl de leeuwerik en de vinken in kooijen
+sloegen en kweelden! Hoe veel vergoeding zou dit alles aan zijne jonge
+vrouw geven, die om hem haar schoon land verliet, en hoe verheugde het
+hem, dat hij juist daar woonde, waar hij, als zijne lieve van hare
+Rijn dweepte, met billijken trots op de Rotte kon wijzen, die langs
+zijn huis haren arm tot aan de boerenvischmarkt uitstrekte! Neen,
+zoo gelukkig was hij nooit geweest; zooveel geluk kon Mijntje hem
+niet geven, hoeveel zij ook van hem hield. En zelfs met Leentje,
+de dochter van den droogist uit Utrecht, die zoovele weken bij zijne
+nicht Van Schalen had gelogeerd, had hem zijn huis zulk een tempel
+van huwelijksgeluk niet kunnen worden. Het is waar, hij had dit
+Leentje meenen te beminnen; hij had zelfs bij den ouden droogist
+om hare hand aangehouden: maar hoe koel was dat antwoord geweest,
+dat zij hem wel hoogachtte, maar niet tot eene eerlijke verkeering
+met hem kon besluiten! Een nacht had hij er niet van kunnen slapen,
+schoon ook Mijntje, om hem over het verlies van dat meisje te troosten,
+zulke heerlijke varkenskarbonaden voor hem gebraden had. Maar hij had
+spoedig leeren inzien, waarom het meisje niet bevallen kon. Zij wilde
+hooger op; zij moest schitteren in de wereld; en daarom gaf zij kort
+daarna hare hand aan een tweeden Luitenant bij de Infanterie.
+
+Hoeveel beter dan deze was zijne tweede liefde! Caroline was niet
+cocquet, niet zoo ijdel; zij was naif, onschuldig, teerder; zij had
+hem uit achting haar hart geschonken; hij haar uit achting en liefde
+zijn hand aangeboden. Deze verbindtenis moest gelukkig wezen. Het
+was hier geheel anders toegegaan, dan met dezulken, die onder de
+hedendaagsche jongelieden op een bal gesloten worden, waar de liefde
+uit een wals geboren wordt, en waarvan de zinnelijkheid door gedurig
+herhaalde genietingen wordt onderhouden. Neen, hij had zijne beminde
+leeren kennen in de vrije natuur op een concert; hij had het eerst
+ontdekt, dat hij haar liefhad, bij een hartverheffend oratorium;
+hij had zijne plannen gevormd, om met haar gelukkig te zijn, terwijl
+zij zich zamen onder onschuldige volksspelen verlustigden, en bij
+eene vertrouwelijke avondwandeling hadden zij elkander hunne liefde
+beleden. Hij kende haar alzoo onder verschillende omstandigheden;
+hij had haar ook in den huiselijken kring gadegeslagen, toen hij
+met zijne vrienden bij de Blumengartens soupeerde. Zoo dus zulk eene
+liefde niet de bron werd van ongestoord huwelijksgeluk, dan kon er
+nooit huwelijksgeluk op de wereld bestaan.
+
+Onder den invloed van deze en dergelijke redeneringen, die allen tot
+dezelfde gelukkige resultaten leidden, volgde Pols zijne vrienden,
+die luidruchtig, vrolijk en dartel den berg afhuppelden, als wilden
+zij aan de geheele wereld toonen, dat zij niet maar voor de leus, of
+om het uitzigt, naar boven geklommen waren. Maar om aan den anderen
+kant te toonen, dat zij niet ongezind waren, om ook met andere wijnen
+kennis te maken, hielden zij stil voor de kleine herberg in het dorp,
+en riepen den kastelein toe, hun eene flesch Johannisdorfer voor de
+deur te brengen.
+
+Een paar boomen, voor het huis geplaatst, waarschijnlijk niet om
+binnen beschutting te geven tegen de brandende zon, iets waarvoor
+de kleine tralievenstertjes genoegzaam zorgden, maar meer, om door
+zekere kunstige leiding een prieel na te bootsen, boden den warmen
+reizigers eene koele rustplaats aan. De bewoners van de herberg
+schenen hieraan evenwel geen behoefte te gevoelen; want een driejarig
+knaapje zat, met een houten kolonel in de armen, zich in de hitte des
+middags te verlustigen, en zocht zich misschien daardoor schadeloos
+te stellen voor het gebrek aan waschwater, waarvan zijn gezigtje,
+handjes en beentjes duidelijke sporen droegen; de magere hond, met
+gesloten oogen den kop vooruitstekende, ving de stralen op, die de
+zon dien kant verkoos uit te zenden; en zelfs de dikke kastelein,
+met wien de vrienden een praatje maakten, plaatste zich zoodanig,
+dat het bladerrijk geboomte hem niet al de warmte ontroofde.
+
+"Wat een heerlijk land bewoont ge hier toch!" zei Veervlug, nadat hij
+eene poos zijne oogen had laten weiden over den schoonen _Rheingegend_,
+naar den kant van het nabijgelegen Bingen en Rüdesheim.
+
+"Dat schikt wel genoeg," zei de kastelein, "ten minste voor deze
+streken. 't Zou evenwel anders mijne verkiezing niet wezen."
+
+"Ge schijnt niet heel gemakkelijk te voldoen," zei de ander. "Laat
+eens hooren, waar zoudt gij het dan zoeken?"
+
+"Wel, ik koos het liever beneden Keulen, of nog lager. Het liefst
+van allen was ik in Holland."
+
+"Dat is ook een best land," zei Pols, in triomf zijne vrienden
+aanziende.
+
+"Men heeft er ten minste beter, wat een mensch toekomt," ging de
+kastelein voort: "maar dat heb ik hier ook; ik moet niet klagen. Maar,
+weet ge, het land is daar meer zoo als het behoort; ik wil zeggen,
+dat het er vlak en effen is, en dat ge er zoo met geen bergen te
+worstelen hebt."
+
+"Benijdt ge ons daarom?" riep Veervlug; "ik wou hartelijk, dat ge ons
+daarover beklaagdet. Het is misschien het eenige, dat mijn vriend in
+Holland anders zou wenschen; niet waar, Pols?"
+
+"En waarom?" zei onze vriend, die in dit gezegde al iets
+revolutionnairs meende op te merken: "wij hebben immers bij ons
+de duinen; en als ge iets uit de hoogte wilt zien, kunt ge op een
+toren klimmen."
+
+"Ge hebt een mooi land, Mijnheer!" viel de kastelein in: "ik ken het
+door en door; ik ben er menigmalen met de kar met glaswerk geweest. Ik
+vraag je, waar vindt ge in heel Duitschland zoo'n schoonen weg, als
+tusschen Gouda en Rotterdam, zoo effen en vlak, en waar men alles
+om zich heen ziet, juist zoo als het is. Ik vraag je, wat hebben wij
+aan al die bergen? Niets dan last en ongemak. Waarlijk, een mensch is
+niet op dat klimmen gemaakt; dan moest hij een ander fatsoen hebben,
+en niets zoo regtstandig. Ik weet wel, dat ik het niet zeggen mag,
+maar ik begrijp mij niet, waar al die bergen voor dienen, behalve voor
+de steenbokken en de eekhorentjes. Maar het minst van allen begrijp
+ik mij, wat al die reizigers er aan vinden, die als katten tegen die
+bergen opklauteren; want wat ze van al die ruime gezigten praten,
+dat is voor de vaak; een mensch kan maar één ding te gelijk zien;
+en de rest ziet er allemaal in de verte heel anders uit, dan het
+is. Ik zie liever de zaken in haar natuurlijken staat."
+
+"Ge moet volstrekt eens in Leyden komen, vriendje, en daar, 's avonds
+bij het quadrilletafeltje in _de Paauw_, wat gaan zitten koeteren. Ge
+doet daar zeker opgeld; 't is of ik een van dat partijtje hoor praten,"
+zei Torteltak. "Maar ik vind toch je land zoo kwaad niet, en daar
+groeit betere wijn, dan bij ons tusschen Gouda en Rotterdam. Vooral
+die van uw buurman, boven op den berg, is uitmuntend."
+
+"Daar hebt ge 't alweêr," zei de kastelein. "Nu is die wijn boven
+weêr beter; dat komt van die bergen. Nu doe ik en een ander evenveel
+moeite aan den wijnbouw; maar Prins Metternich krijgt toch den besten,
+en maakt grof geld, terwijl onze wijn in de vaten kan liggen verzuren."
+
+"Dat merk ik," zei Veervlug, terwijl hij een klein slokje van den
+wrangen landwijn opslurpte.
+
+"Nu, wees maar tevreden," zei Torteltak; "wij zullen er u wel wat
+doorhelpen. Als ik eens trouw, dan kom ik u nog eens opzoeken; dan
+wil ik met plaisir een paar dagen bij u logeren."
+
+"Ja," zei Pols, "dat is een goede inval; het moet hier wel aardig
+wezen, om met een jong vrouwtje een paar stille en rustige dagen door
+te brengen."
+
+"Pas maar op, dat het u geen ongeluk aanbrengt," zei de kastelein. "Ik
+heb eens een paartje hier bij mij gehad; daar is het niet best meê
+afgeloopen."
+
+"En laat eens hooren hoe?" vroegen de vrienden.
+
+"'t Is hier wel juist niet gebeurd," zei de _gastgeber_; "daarom kan
+ik het des te geruster vertellen, zonder dat het mij schade doet,
+maar toch, de jongelieden waren de eerste dagen hier aan huis. Gij
+moet dan weten, dat ik vroeger zooveel als eerste knecht was in een
+heerenhuis te Frankfort, bij Mijnheer Schmallheim."
+
+"Schmallheim? dien ken ik wel!" riep een der vrienden. "Hij heeft
+zijn buiten aan den Main."
+
+"Nu ja, dezelfde. Dan zult ge wel weten, dat hij drie dochters heeft,
+engelen van kinderen; maar daar wilde ik nu niet van spreken. Ik heb ze
+ook in geen tien jaren gezien; want het gaat nu aanstaande voorjaar al
+in 't elfde jaar, dat ik er uit huis trouwde met mijne tegenwoordige
+vrouw, die er zooveel als derde meid was. En toen wij getrouwd waren,
+trokken wij hier naar toe, in deze affaire, die Mijnheer voor ons
+gekocht had."
+
+"En waart gijlui toen dat ongelukkige paartje?" vroeg Veervlug
+lagchend.
+
+"Wel neen; daar zijn wij nog niet aan toe; dat zou ook wat moois wezen;
+dat is wel vijf jaren later geweest. Laat eens zien! Tien jaren ben ik
+nu van Mijnheer van daan, en het is nu metterhaast vijf jaar geleden,
+dat... Ja, het zal vijf jaar later geweest zijn, toen ik een brief
+van Mijnheer ontving."
+
+"Dan ging de correspondentie niet druk," merkte Torteltak aan.
+
+"Neen; maar dat wou ik ook niet zeggen. Weet ge, Mijnheer schreef
+mij, dat ik twee dagen later, met een rijtuig, digt bij zijn buiten
+te Frankfort moest wezen. Of het nu op een Donderdag of op een
+Vrijdag was, is mij ontschoten; maar dat zou ik nog kunnen nazien
+in den almanak, want het is nu vijf jaren geleden, en het was een
+schrikkeljaar."
+
+"Ga maar voort; dat kunnen wij straks nazien."
+
+"Nu dan! ik maakte, dat ik er was; want ik deed altijd alles wat
+Mijnheer mij zeide, of het goed was en of het kwaad was; maar kwaads
+gelastte hij mij nooit, in al de vijftien jaar, dat ik bij hem
+gewoond heb, en de tien jaren, die ik nu al van hem weg ben, dat in
+het voorjaar al elf jaar wordt.--Nu, zoo als ik zeide: ik stond 's
+avonds met het rijtuig op mijn post, en oude Johann kwam bij mij en
+zei: "Wilhelm, je krijgt straks een jonggetrouwd paar; maar je rijdt
+maar met hen door, tot je t'huis bent, en je logeert ze maar bij je,
+hoor!"--"Goed," zei ik, "als ze zich met mijn buitenherberg willen
+vergenoegen. Ik zal ze het beste geven wat ik heb."--En ik wachtte
+nog een uurtje, misschien wel anderhalf,--en ja wel, daar kwamen
+ze.--"Voort maar!" riep Johann, toen hij het rijtuig toegemaakt had,
+en ik lei er de zweep over, en ik reed door, of er niemand in zat,
+en ik zag niets van hen, en ik hoorde niets, want ik had er geen
+boodschap meê, wat zulke jongelui malkaêr te vertellen hadden. En zelfs
+onderweg, als ik water gaf, hield ik me maar, of ik niemand bij me in
+den wagen had; behalve te Beberich, toen kwam er de jonge Heer uit,
+en ik zei hem goeden avond; maar ik kende hem niet, en het stond mij
+niet voor, dat ik hem ooit bij Mijnheer aan huis gezien had; maar
+ik ontgaf het mij, want het was al vijf jaar, dat ik van Mijnheer
+weg was, en met het voorjaar wordt het er al elf; en ik reed weêr
+verder, en het was al heel laat in den nacht, toen ik hier stilhield,
+juist op het plekje, waar ik nu sta. En ik riep tegen mijne vrouw,
+dat ze met licht zou komen, en zij kwam ook, maar zonder licht, en
+zij hielp er het volk uit: en ik bragt de paarden naar den stal, en
+ik kwam weêr binnen. Maar toen kwam de jonge Juffrouw naar mij toe,
+en ze zei tegen mij, of ze mij mijn heele leven gekend had: "Ken
+je me dan niet meer, Wilhelm?"--"Wel neen," zei ik, "hoe wou ik je
+kennen?"--Maar toen ik ze eens regt aangekeken had, toen zei ik toch:
+"Het ontschiet me, of je haalt na Elize van Mijnheer Furchtbach."--En
+toen mijne vrouw ook: "Heden ja, het is Jufvrouw Elize, die zoo veel
+bij ons aan huis verkeerd heeft," altijd bij Mijnheer aan huis; maar
+het was al vijf jaar, dat ik bij Mijnheer van daan was, en ik moest
+ze altijd om zeven uur 's avonds te huis brengen; want Mijnheer was
+wat gestreng, en die wou nooit, dat zijne dochter of Juffrouw Elize
+nachtliepen.--Maar hoe wij allebei nu stonden te kijken, toen ze
+daar in het midden van den nacht voor onze oogen stond, en zoo groot
+geworden, waarlijk eene heele juffrouw, en toen ik dezen Mijnheer
+aankeek, en toen ik dacht, wat Johann tegen mij gezeid had, dat zij
+zamen getrouwd waren!--Maar toen deed zij er ons de uitlegging van,
+hoe die Mijnheer uit Holland gekomen was, en haar gezien had, toen
+hij bij oom Furchtbach aan huis kwam, om een wissel te incasseren;
+maar dat was alles na mijn tijd, want ik was toen al vijf jaren
+bij Mijnheer van daan. En toen was de Juffrouw goed aan Mijnheer
+bevallen, en zoo wederkeerig; en hij zocht verkeering over haar;
+maar haar oom had veel tegen hem, omdat hij geene zaken aan de hand
+had, en hij had toch geld genoeg om te leven, en goed ook; dus dat
+was onredelijk; en de mama van Juffrouw Elize had er niets tegen,
+maar zij zat ook al onder dien oom, en zij woonde daar in huis. En
+dus had de jonge Mijnheer geene gelegenheid om de Juffrouw te zien,
+dan als hij met een wisseltje kwam, om den hoek van de deur; want bij
+mijn Mijnheer, daar hij ze meer ontmoette, mogt ze ook al geen voet
+meer zetten; en toen kwam hij tweemaal in de week met een wissel;
+en toen had Mijnheer nog veel meer tegen hem, en zei, dat hij een
+doorbrenger was; en de jonge Juffrouw wierd er ziek van, maar dat kon
+niet baten; en Mevrouw had evenwel alleen regt over hare dochter,
+maar zij was te bang voor haren broeder. Maar toen moest Mijnheer
+Furchtbach op reis voor zijne affaires, en toen kwam mijn Mijnheer
+er bij, en die wist het met den jongen Mijnheer zoo mooi te praten,
+dat de mama toestond, dat zij nu in stilte zouden trouwen, terwijl
+de oom weg was, en mijn Mijnheer maakte de papieren in orde; en ik
+zou dat alles zeker bezorgd hebben, maar ik was toen al vijf jaren
+bij Mijnheer van daan. En toen gingen de mama en Juffrouw Elize 's
+morgens uit, en de jonge Mijnheer wachtte ze op op straat, en zij
+trouwden, zonder dat er een haan naar kraaide; en zij schreven een
+briefje aan Mevrouw Furchtbach, dat zij op reis gingen, maar die was
+er ook zoo niet tegen als Mijnheer; en toen was er bruiloft bij mijn
+Mijnheer buiten, en 's avonds--dat ik mij nu maar niet herinneren kan,
+of het Donderdag was of Vrijdag!--althans 's avonds moest ik met het
+rijtuig komen, en ik bragt ze bij mij in de herberg, zoo als ik u
+straks verteld heb--Maar nu zult gij misschien vragen, wat Mijnheer
+Furchtbach zei, toen hij te huis kwam?--Maar hij kwam niet te huis,
+althans niet voordat hij ze gezien had, want den tweeden dag, dat zij
+hier waren,--laat eens zien! dat was op een Zondag; nu, dan was het
+ook op een Vrijdag, dat ik ze gehaald heb; dat ik daar zoo even niet
+op kon komen!--gingen zij eens wandelen. Nu, dat mogten zij wel doen,
+want zij waren even wettig getrouwd, en zij verscholen zich maar
+hier, omdat Mijnheer Furchtbach in het begin zeker te veel geweld
+zou maken. Maar juist waren zij op den straatweg aan den overkant,
+en daar komt de oom in een rijtuig aan, en hij hield ze staande ook
+en hij schold den jongen Heer uit voor een maagdenroover; maar deze
+had de papieren in zijn zak, dat hij getrouwd was, en de oom moest
+optrekken, woedend van drift; maar hij kon er niets meer aan doen;
+en toen zijn de jonge luidjes nog twee dagen bij mij geweest--laat
+eens zien! ja, het was op een Dinsdag, toen zij heengingen; 't is nu
+al over de vijf jaren geleden,--waar blijft de tijd!--en toen zijn ze
+naar Aken gaan wonen, totdat het zoo bitter ellendig met die lieve,
+goede menschen is afgeloopen."
+
+"Ja, wij kennen de historie," viel Torteltak in, die in het begin
+het verhaal opmerkzaam had aangehoord, maar langzamerhand in treurig
+gepeins verzonken was. "Wij hebben haar op den St. Gothard ontmoet."
+
+"Zoo! dan weet gij het, hoe akelig het met haar gesteld is. Gij zoudt
+haar dan ook niet meer kennen, als gij haar nu zaagt."
+
+"Waar is zij dan?" vroeg Torteltak; "is zij al te Frankfort? Ik heb ten
+minste toen maatregelen genomen, om haar daarheen te transporteren."
+
+"Wel, zij is hier, hier in mijn huis," zei de kastelein, "al sedert
+eergisteren,--neen, laat eens zien! al sedert vooreergisteren; maar
+zij is geheel onnoozel. Toen zij te Frankfort kwam bij Mijnheer
+Schmallheim--want haar oom wou nu zelfs nog niets van haar weten,
+en hij zeide, dat het haar eigen schuld was; de arme vrouw--toen zou
+mijn Mijnheer haar zeker bij zich gehouden hebben; maar de pokken
+waren bij hem aan huis, en Juffrouw Clementine is er deerlijk van
+geschonden; en de doctor vond het goed, dat de arme Mevrouw Sindenton
+weêrgebragt werd naar de plaats, waar zij het eerst gelukkig geweest
+was, omdat zij misschien dan van hare verdooving zou terugkomen;
+maar het heeft niets geholpen; want zij was niets getroffen van de
+plaats, en zij kende mij niet meer, en mijne vrouw ook niet; en toch,
+wij hebben zoo veel jaren met haar verkeerd, en toen die vier dagen
+ook nog, dat nu vijf jaren geleden is; en zij zit maar stil; en wij
+hebben ze de boerinnenplunje maar aangetrokken, omdat zij dan minder
+in het oog zou vallen; maar ook daar heeft ze niets van gemerkt. Het
+eenige, daar zij nog meê bezig is, is met mijn jongetje, dat daar zit;
+somtijds streelt zij het nog wel eens, en zegt dan: Anton! maar als
+die er niet is, houdt zij zich met niets bezig en spreekt geen woord.
+
+Terwijl de kastelein deze laatste woorden zeide, zagen de
+vrienden eene boerin achter het huis aankomen. Verschrikt keken
+zij op. Torteltaks oogen ontmoetten de haren, die hem een oogenblik
+wezenloos aanstaarden. Maar zij ontroerde niet, en naderde zachtjes
+naar het kind, dat steeds aan den boomstam leunde. Zij kuste het voor
+het voorhoofd, en zette zich toen naast hem, en begon met den houten
+kolonel te spelen.
+
+De vrienden stonden spoedig op, en verlieten met ontroering de plaats.
+
+Twee maanden na hunne terugkomst ontving Torteltak een brief van
+den Heer Schmallheim, bij wien hij zich naar de weduwe zijns vriends
+geïnformeerd had, en die hem meldde, dat op zekeren avond, terwijl
+zij weêr met het kind en den houten kolonel speelde, een flaauwe
+gil den kastelein uit het huis had doen komen, en dat hij haar,
+tegen den boomstam gezonken, dood had gevonden.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIV.
+
+ Waarin Van Aartheim eene zeer treurige ontmoeting heeft.
+
+
+Van Aartheim was van Straatsburg alleen vooruitgereisd. Het was
+misschien hard voor hem, daar binnen twee dagen _Miss_ Cleford
+aldaar met haren broeder moest aankomen; maar toch, hij weifelde
+geen oogenblik. Het was voor hem van belang, vóór zijnen vijand
+in Holland te wezen; want uit hetgeen hij van hem ondervonden had,
+moest hij besluiten, dat Lurgrave nog een laatsten wanhopigen stap
+zou doen, al was het nu maar alleen om zich op hem en Darmold te
+wreken. Hoeveel spoed hij intusschen maakte, overal ontdekte hij,
+dat de Engelschman hem vooruitbleef, en bijna wanhoopte hij hem
+in te halen, toen hij 's avonds te Keulen aankwam, waar hij tot
+den volgenden morgen vertoeven moest, daar de stoomboot, die dan
+vertrekken zou, hem nog eerder in Holland kon doen aankomen, dan
+wanneer hij nu in postrijtuig vertrok. Lusteloos en vermoeid stapte
+hij in het Mainzerhof af, waar hij zich, met een nieuwspapier in de
+hand, in eenen hoek plaatste, om door niemand te worden gestoord. In
+plaats van zich echter met de politieke redeneringen in te laten,
+waarvan de _Kölnische Zeitung_ als naar gewoonte vervuld was, liep hij
+in zijne gedachten eens door, wat er in den laatsten tijd al in zijn
+hart was omgegaan, en hij vond daar zooveel strijdende magten van hoop
+en vrees, van vreugde en droefheid, van verwachting en teleurstelling,
+dat hij het met zichzelven niet eens kon worden, aan welke van dezen,
+in den tegenwoordigen staat van zaken, het opperbewind toekwam. Hij
+besloot dus, zoo als het best was, af te wachten tot hij meer licht
+in de zaken kreeg, en geen der strijdvoerende partijen te versterken,
+voor dat het zeker was, aan wie de zegepraal toekwam.
+
+Terwijl hij aldus philosopheerde, werd zijne aandacht onwillekeurig
+afgeleid door een verhaal, dat aan de gezelschapstafel werd
+meêgedeeld, en hetwelk een kortelings voorgevallen vreeselijk
+ongeluk betrof. Een duister voorgevoel, dat dit misschien met zijne
+zaken in verband stond, kwam bij hem op, en toen hij de woorden
+"Engelschman--vliegende ren--Holland" opving, voegde hij zich bij
+het gezelschap, waar hem werd meêgedeeld, dat 's morgens heel vroeg
+eene postchais in vollen ren van den kant van Bonn was gekomen, maar
+dat, bij het omslaan van eenen hoek, een der paarden gestruikeld
+en gestort was. De Engelschman, die met eene dame in het rijtuig
+zat, zonder op de reden van dit oponthoud te letten, voer in hevige
+vervloekingen tegen den postillon uit, en dreigde hem te vermoorden,
+zoo hij te laat aan de Hollandsche stoomboot kwam. De arme postillon
+deed wat hij kon, en het gelukte hem ook spoedig het paard te doen
+opstaan. Maar de Engelschman, ongeduldig wordende, rukt het portier
+open, en springt uit het rijtuig; doch ongelukkig juist, toen de
+postillon zijne paarden weêr in vollen ren zette. Hierdoor wordt de
+sprong den reiziger noodlottig; want zijn regterbeen haakt in het wiel,
+en hij wordt onder het rijtuig geslingerd. De dame gilt en schreeuwt;
+maar de postillon kan de paarden niet inhouden, voordat het wiel de
+borst van den Engelschman raakte en ook zijn hoofd zwaar wondde,
+terwijl zijn regterbeen geheel vermorseld was. Nu springt ook de
+dame uit het rijtuig, en geeft kermend en handenwringend last, dat
+men haren echtgenoot _zum Mainzerhof_ brenge. Onmiddellijk zijn de
+doctoren ontboden; maar bij de eerste schouwing hebben zij verklaard,
+dat de wonden doodelijk zijn, en dat hij geen vierentwintig uren meer
+te leven heeft. Onbegrijpelijk is het, dat de dame, terstond nadat
+zij deze verklaring gehoord had, met hare bagaadje, in een rijtuig,
+weêr naar Bonn is vertrokken, en haren echtgenoot aan de zorg van
+vreemden heeft overgelaten.
+
+De gissingen van Van Aartheim klommen door dit verhaal tot een
+hoogen trap van waarschijnlijkheid, en hij wendde zich dus terstond
+tot den kastelein, om nog nadere inlichtingen te bekomen. Uit de
+beschrijvingen, zoo van den Engelschman als van de dame, meende hij
+nu zeker te kunnen opmaken, dat het Lurgrave was, wien dit vreeselijk
+ongeluk getroffen had, en daar juist op dat oogenblik de doctoren
+inkwamen, volgde hij hen naar de ziekenkamer, om den lijder te
+zien. En waarlijk, daar zag hij den ellendige, het zwaar gewonde
+hoofd op de borst gezonken, al met de kleur des doods overtogen,
+en hoorde hij het akelig reutelen, als van iemand, die in hevige
+benaauwdheid sterft. Onze vriend was diep getroffen; het denkbeeld,
+dat hij, die daar lag, zijn bitterste vijand, zijn hevige vervolger,
+de verstoorder van al zijn geluk was geweest, kwam geen oogenblik bij
+hem op. Hij zag alleen zijnen medemensch; iemand dien hij van zoo nabij
+gekend had; dien hij kortelings nog zoo gezond en krachtvol gezien had;
+maar tevens iemand, wiens sterven men zich zelfs niet kan voorstellen,
+zonder met schrik en ontzetting vervuld te worden.
+
+"Het is nog geen sterven," zei een der doctoren, die tot zijn bed
+genaderd was: "de verwonding van het borstbeen is de oorzaak van dit
+benaauwd geluid. Ik zal trachten, door zijn hoofd lager te leggen,
+het hem wat gemakkelijker te maken."
+
+"Voort, voort!" riep Lurgrave, toen hij door deze aanraking als uit een
+sluimer ontwaakte, met eene benaauwde stem, maar toch met inspanning
+van al zijne krachten: "voort, postillon! of ik sla u met eigen hand
+de hersens in."
+
+"Houd u kalm, wat ik u bidden mag," zei de doctor, "en verzwaar uw
+lijden niet! Tracht wat te rusten."
+
+De lijder sloeg wild de oogen om zich heen; langzamerhand scheen
+het hem duidelijk te worden, waar hij zich bevond; maar toen de hand
+opheffende en met de vuist dreigende, riep hij: "Ha! waar zijt ge,
+slang! met wie ik mijn leven aan den duivel gewijd heb? Ellendige! hebt
+gij mij nu verlaten en bestolen, en mij op mijn sterfbed beschimpt
+en bespot? Wees vervloekt!"
+
+Deze uitroep scheen zijne trouwelooze maitresse te gelden. En o,
+de beschuldiging, die hij tegen haar uitbraakte, bleek naderhand
+maar al te gegrond te zijn. Neen! geen der misdrijven, waaraan de
+ongelukkige _Française_ schuldig staat, zal eens haar sterfbed zoo
+benaauwd en vreeselijk maken, als deze gruweldaad.
+
+Maar daar ontdekt zijn oog Van Aartheim. "Ook gij nog!" roept hij
+woedend uit, terwijl hij het verband van zijn hoofd losrukt, en hem
+met woeste gebaren dreigt. "Komt gij mij beschimpen en juichen?--Neen,
+ik wil niet sterven--ik zal niet sterven--spoedig--paarden--rijd
+voort--vlieg, postillon!--duizend guinjes, zoo gij dien ellendige
+voorblijft.--Neen, gij zult niet lang meer juichen!"
+
+"Om Gods wil, bedaar!" roept Van Aartheim, terwijl hij smeekend de
+armen naar hem uitstrekt. "Gij kent mij beter, Lurgrave! ik wil u
+helpen, kon ik u maar helpen ik wil uw lijden verzachten. O, indien het
+u troost geeft, zie, ik vergeef u alles, ik vergeet alles. Ongelukkige,
+ik wil uw vriend zijn..."
+
+Maar de lijder hoort hem niet meer; afgemat zinkt zijn hoofd op het
+kussen neêr; uitgeput en bedwelmd ligt hij na deze woedende inspanning;
+en het vuurrood, waarmeê de drift zijn voorhoofd en wangen geverfd had,
+maakt weêr plaats voor de bleeke en vale kleur des doods.
+
+De doctor herstelde het losgescheurd verband, en Van Aartheim plaatste
+zich zoo, dat hij door den stervende niet meer gezien kon worden;
+maar toch, hij bleef den geheelen nacht bij hem, bij afwisseling door
+een der doctoren bijgestaan. Wij zullen onzen Lezers de bijzonderheden
+van dien vreeselijken nacht niet mededeelen. Van Aartheim spreekt er
+nooit van, dan met de diepste ontroering, en met weerzin brengt hij
+zich die _horreurs_ voor den geest. In den vroegen morgen maakte de
+dood een einde aan het aardsche lijden van Lurgrave, en deed eene
+vervloeking, die hij uitbraakte, op zijne lippen versterven.
+
+"Het is een groot geluk voor hem, dat hij maar dood is," zei de
+kastelein, toen hij het berigt in de gezelschapszaal had medegedeeld.
+
+"Ja, wel is het een geluk!" stemden al de gasten toe; maar niemand
+hunner had hem zien sterven.
+
+Twee dagen later, in den vroegen morgen (eene voorzorg van den
+kastelein, om zijne gasten niet door zulke akelige dingen te
+indisponeeren) werd het lijk van Lurgrave naar het kerkhof buiten de
+stad gedragen. Niemand verzelde de baar van den vreemdeling, dan van
+Aartheim; niemand zou, zelfs in zijn vaderland, tranen van droefheid
+voor hem over hebben. Maar een traan van innig medelijden viel op
+de kist van den ongelukkige, toen die in de groeve der vertering
+nederzonk. Wee hem, over wie dan nog tranen van medelijden moeten
+worden geschreid!
+
+Nadat van Aartheim de zaken van den Engelschman had afgedaan,
+besloot hij den volgenden morgen, per stoomboot zijne reis naar
+Holland voort te zetten. In den namiddag ontmoette hij, op de
+schipbrug, Polsbroekerwoud en de andere vrienden, die van Coblenz
+waren teruggekeerd, en gezamenlijk reisden zij nu den volgenden dag
+naar Nijmegen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXV.
+
+ Hetwelk het laatste is, behalve voor degenen, die al vroeger de
+ lectuur dezer reisontmoetingen hebben afgebroken.
+
+
+Het oogenblik, waarin men, na eene lange afwezigheid of eene reis van
+eenige uitgebreidheid, voor het eerst weder den vaderlandschen grond
+betreedt, of het land weerziet, waar men geboren is, en dat alles,
+wat ons dierbaar is, in zich bevat, is voor de meeste menschen in
+de voorstelling zeer aangenaam; en velen, die voor het eerst reizen,
+stellen zich de zoetste gewaarwording voor, die door een plotselingen
+overgang zal worden opgewekt. Jammer is het, dat gewoonlijk de
+uitkomst al bijzonder weinig aan die voorstelling beantwoordt. Want
+wat die overgang betreft, men bemerkt er meestal niets van; men is
+gewoonlijk in het vaderland, voordat men het weet, en men ziet in zulke
+oogenblikken, dat men de voorgestelde zoete gewaarwordingen niet eer
+kan smaken, voordat men zijn eigen woning binnentreedt. Welk genot
+is er, bij voorbeeld, voor den Hollander, om aan het Lobith aan te
+varen, of bij Westwezel de grenspaal voorbij te rijden? Zeker niet het
+gevoel van trotschheid, zulk een mooi land het zijne te mogen noemen;
+want schoon Holland niet als het Paradijs van Europa kan beschouwd
+worden, het ziet er binnen's lands over het algemeen heel wat beter
+uit, dan aan den grenscirkel. Of zou de vreugd te zoeken zijn in het
+ontmoeten van zijne landgenooten! Ach, wie zijn het, die hij het eerst
+aantreft! Commiezen, welke als gieren op zijn bagaadje aanvallen, en
+zijne nette koffers met baldadig geweld van de diligence smijten, of
+die met aanmatigende onbeleefdheid aan boord van de stoomboot stappen;
+policiebeambten, welke hem bewijzen vragen, dat hij geen schurk is,
+en aan wie hij toonen moet, dat hij permissie heeft, om zijn eigen
+land binnen te komen; schippers en loodsen, handlangers en knechts,
+die, terwijl zij elkander een touw toewerpen, of een baal voortsjouwen,
+zichzelven en elkander, bij wijze van stopwoordjes en tusschenwerpsels,
+het eeuwige oordeel toewenschen; in welke kunstige manier van spreken,
+wij moeten het onbevooroordeeld bekennen, onze Hollandsche sjouwers,
+schippers en werklieden, het gepeupel van alle andere landen verre
+achter zich laten. Al verder: gij gaat in een herberg, en betaalt
+uwe vertering, met een 5 franc of een thaler, of, zoo gij het nog
+hebt, een fatsoenlijk stuk Hollandsch geld; en voor hetgeen men u
+terug moet geven, regent het dertiendehalfjes, pietjes en blinde
+dubbeltjes in uwe hand.--Maar nu zijt gij dan eindelijk verheugd,
+dat gij toch weer op vaderlandschen bodem wandelt; nu stelt gij u
+voor, hoe gij het verliet; maar gij denkt ook onwillekeurig aan al
+het opgewisselde goud, dat toen uwe beurs bevatte, en het is alsof
+gij nu voor het eerst opmerktet, dat uw plunje er armelijk uitziet,
+en dat uw nieuw jasje wat al te versleten is, om daarmee in uwe
+eigene stad aan te komen. Maar gij ontmoet ook menschen, die gij
+half en half kent, die gij wel eens meer ontmoet; dat doet u plezier;
+maar hen, die hunne gewone manier van leven gevolgd hebben, en wiens
+niets bijzonders gebeurd is, treft deze ontmoeting volstrekt niet;
+of zoo zij misschien ook een tourtje gemaakt hebben, dan is het
+uwe grooter en interessanter, maar daar ligt hun niets aan gelegen;
+en zij beginnen u over Kleef en den Eltenberg te onderhouden, daar
+gij uwe mededeelingen omtrent den _Mont blanc_ kunt opzouten. Voorts
+vraagt gij met brandend verlangen naar nieuws omtrent allerlei zaken;
+en daar is niets nieuws voorgevallen, en alles gaat zijn gewonen gang,
+alsof gij niet weg geweest waart. En waartoe al de teleurstellingen
+opgesomd, die u treffen, als gij het genot smaakt den vaderlandschen
+grond te betreden? Daar is misschien geen enkel genoegen op aarde,
+dat zich met de voorstelling, die men er van maakt, kan meten.
+
+Nijmegen was de plaats, waar onze vrienden het eerst den vaderlandschen
+bodem weer betraden. Weinige uren te voren hadden zij elkander met
+veel deftigheid geluk gewenscht, toen zij eene Hollandsche vlag en
+Hollandsche uniformen aan den wal ontdekten. Daar was zelfs eene
+propisitie gedaan, om eene fijne flesch te drinken; maar niemand
+durfde er sterk op aandringen, omdat aller finantiële toestand veel te
+wenschen overliet, en sommigen zelfs niet begrepen, hoe zij Rotterdam
+konden halen. Het afscheid van Van Aartheim, die terstond naar Utrecht
+vertrok, liep dan ook zonder libaties, maar met hartelijke wenschen
+en vriendschappelijke handdrukken af, en de hoop om elkander spoedig
+weer te zien, verbande tevens alle droefgeestigheid en aandoening
+van deze plegtigheid.
+
+En nu ondernamen de vijf getrouwe vrienden den volgenden morgen vroeg
+den terugtogt naar Rotterdam, waar de reis volbragt zou zijn. Dezelfde
+stoomboot, die hen vóór twee maanden had overgebracht, lag weer
+gereed, en occupeerde zich met den overbodigen stoom snuivend uit te
+blazen; de kaai was weer met dezelfde soort van toekijkers gevuld,
+als altijd, en onder hen bevond zich een aanzienlijk aantal bedelaars,
+die niets vuriger verlangden, dan de waarheid te ondervinden van het
+spreekwoord: de morgenstond heeft goud in den mond. De hofmeester nam
+al de passagiers met scherpe blikken waar, of er ook onder waren, die
+hun leeftocht met zich voerden, of die al in hun logement gedejeuneerd
+hadden; de kapitein liep met zekere gewigtigheid over het dek heen
+en weder, zonder zich eenigszins met de passagiers of goederen in te
+laten, die hij als bijkomende zaken beschouwde, doch die met het doel
+zijner reize in geen het minste verband stonden; de stokers woelden
+in den voorraad steenkolen, waarover zij te disponeeren hadden,
+en brandden hunne zwarte aangezigten voor den gloeijenden oven; de
+commissionairs en kruijers verwisselden met groot genoegen den zwaren
+last, dien zij torschten, voor eenig klein zilvergeld; en de reizigers,
+zelfs die nog een kwartier te vroeg kwamen, verhaastten hunnen tred,
+zoodra zij de boot in het gezigt kregen, als hoorden zij in den
+sissenden stoom eene waarschuwing: "Pas op, dat ge niet te laat komt."
+
+Het was een zeer koele morgen, en de meeste passagiers vonden het
+dus geraden zich benedenwaarts te retireren. Ook Pols trok, toen hij
+gezien had, dat de stoomboot gelukkig omgekeerd en goed _en train_ was,
+naar de kajuit. Maar welk eene verrassing wachtte hem hier? Hij kon
+nauwelijks zijne oogen gelooven, toen hij zijn waarden neef en nicht
+van Schalen en hunne kolossale, blozende en gezonde dochter Truitje
+ontdekte. "Wel heden, neef!"--"Mijn lieve tijd, nicht!" waren de eenige
+woorden, die een paar omslagtige omhelzingen en luidruchtige kussen
+vooraf gingen. Maar toen volgde een stroom van uitboezemingen over
+de vreugde dezer ongehoopte ontmoeting, en eene reeks van opmerkingen
+over het zonderlinge en buitengewone, dat dit juist zoo trof, en het
+voorregt, dat menschen in zulk soort van rencontres boven bergen en
+dalen vooruithebben; en toen nicht aan het verhalen, hoe het kwam,
+dat zij juist heden in de stoomboot zat, en niet gisteren, zooals
+haar eerste plan geweest was; en hoe zij niet weg had kunnen komen van
+hare eigene zuster, die te Nijmegen woonde; en hoe zij de bruiloft had
+wezen bijwonen van eene nicht, waarvan zij moei, of, op zijn Fransch,
+tante was; en hoe die nicht een kostelijk huwelijk gedaan had met
+een knap mensch, die een post had bij een dijkcollegie, zij geloofde
+zooveel als bode; en hoe haar eigen man, die wel van een grapje hield,
+zich op die bruiloft had verkleed als een Jood, en op het dessert
+met een kruiwagen met amandelen om de tafel gereden had; en hoe zij
+zelve hem haast niet herkend had, zoo natuurlijk riep hij; "mangelen,
+beste mangelen!" en nog meer dergelijke vermakelijke grappen, waarvan
+haar man de aanlegger geweest was, maar alles in eer en deugd.
+
+Pols luisterde met goedhartige aandacht naar al deze belangrijke
+mededeelingen, en daarna met belangstelling naar een nader relaas
+omtrent de laatste ziekte en de begrafenis van Mijntje; hij vernam
+ook met veel genoegen, dat alles aan zijn huis toch goed en ordelijk
+was toegegaan, maar dat Pietje wat zou staan te kijken, als hij daar
+op eens voor haar stond, hoewel zij hem al sedert veertien dagen alle
+uur te wachten was; en toen verzocht nicht hem, om ook eens wat van
+zijn reizen te vertellen, en waar hij al zoo geweest was, en of hij
+nu waarlijk zulke bijzonderheden gezien had, als de reizigers altijd
+wel willen zeggen. Pols voldeed met genoegen aan haar verlangen,
+en sprak een poosje over hooge bergen en watervallen, waarvan nicht
+de handen in elkaâr sloeg, en waaronder neef in een gerusten slaap
+raakte. Maar toen sprong hij in eens met zijne gedachten tot Coblenz
+terug, en dit gaf hem aanleiding om te zeggen:
+
+"Maar nu zult ge nooit raden, wie ik onderweg ontmoet heb; het is
+nog iemand van de familie."
+
+"Toch neef Joris niet? maar die is al dien tijd niet uit Rotterdam
+geweest; of zijn broêrs weduwe? maar neen, die is al jaren dood. Neen,
+ik kan het niet raden."
+
+"Ik zal het dan maar zeggen: 't was nicht Mientje van Schalen van
+IJsselstein."
+
+"Wel, nu nog mooijer! Dat slechte schepsel, die niets had dan haar
+mooije gezigtje, maar die er zoo trotsch op was, als wat ben je me! Nu,
+ze zal ook wel in een mooije conditie wezen."
+
+"Neen, waarlijk, dat is alles heel goed te regt gekomen; ze is toen
+met dien Duitschen heer in het geheim getrouwd."
+
+"Een mooije heer, een grasmof, die half naakt in 't land gekomen
+is, om ons goede geld te winnen. En dat ze getrouwd zijn maakt mij
+niemand wijs; dan had ze in IJsselstein moeten blijven, en dan hadden
+de geboden moeten gaan, net als over mij en je neef, en over ieder
+eerlijk en fatsoendelijk mensch. Neen, het is ook altijd een ligt
+meisje geweest."
+
+"Ge oordeelt misschien wat te streng, nicht! Het was toen wel
+onvoorzigtig van haar gehandeld, maar zij zijn waarlijk getrouwd;
+en het is toen ook heel goed met hen gegaan; Mijnheer Blumengarten
+is tegenwoordig een groot koopman in Coblenz, en zit in goeden doen."
+
+"Dat zal dan ook wel niet alles in den haak wezen; niet dat ik iemand
+wil veroordeelen, maar het geld van weduwen en weezen is misschien ook
+niet te goed voor iemand, die zoo ligt over eene heilige zaak denkt,
+als toch het huwelijk is."
+
+Pols vond het geraden dit onderwerp maar niet langer te behandelen,
+hoewel hij plan had het als inleiding te doen dienen voor eene
+belangrijke confidentie, althans om zoo iets van zijne plannen in
+het verschiet te laten zien. Nicht Van Schalen bromde nog eenige
+liefderijke aanmerkingen, en sloot daarop hare oogen, om de schade
+van een slapeloozen nacht nog wat in te halen.
+
+Onze vriend entameerde dus een discours met Truitje, en na eenige
+woorden over onverschillende zaken gewisseld te hebben, dacht het hem
+niet kwaad, aan deze, die toch zeker zoo streng niet denken zou, iets
+van zijn voornemen omtrent Juffrouw Blumengarten meê te deelen. Hij
+schoof dus zijn tabouretje wat nader aan haar toe, en begon op half
+fluisterenden toon tot haar te zeggen:
+
+"Ik zal het nu wel eenig hebben in mijn ruime huis in den Oppert."
+
+"Ja maar, neef! u hebt zooveel vrienden; die zullen u nog wel eens
+opzoeken."
+
+"Ja maar, nicht Truitje! vrienden zijn ook maar vrienden; ik heb mijn
+gedachten al eens over een meisje laten gaan."
+
+Truitje zei niets, maar keek blozend voor zich.
+
+"Wel, nicht! wat zou je daarvan denken; daar is niets dat het mij
+belet, en ik heb een nichtje, dat er heel mooi uitziet, en dat ook
+heel lief is."
+
+Truitje werd nu eens voor de variatie bleek, doch zette toen weêr
+haar blozen voort.
+
+"Maar zeg dan toch eens, lieve nicht! wat zou je mij hierin raden?"
+
+Met een nieuwen gloed op de wangen, stotterde Truitje; "Neef
+Joachim! ik kan er niets van zeggen, zonder vader of moeder."
+
+"Maar dat is toch vreemd," zei Pols: "je kunt toch je eigen meening
+wel zeggen zonder vader of moeder?"
+
+"Neen neef! dat mag ik niet doen; je moet het mij niet kwalijk
+nemen. Ik ben het met moeder geheel eens, wat een meisje behoort te
+doen, en ge hoordet straks zelf, hoe ze zich uitliet omtrent nicht
+Mientje, die nu in Duitschland woont."
+
+Juist lag de stoomboot aan voor Tiel, en de botsing tegen den wal
+maakte neef en nicht Van Schalen wakker.
+
+"Wel, nu zal ik je krijgen!" riep neef, toen hij Pols en zijne dochter
+in een zoo vertrouwelijk discours zag. "Vrouw! je mag wel oppassen,
+of ik moet het kleed van den mangelenjood al gaauw weer aantrekken."
+
+"Houd je mond, lobbes!" zei nicht. "Wat praat je altijd malle
+praat! Maar, Trui-lief! wat hebt ge een kleur!"
+
+"'t Is hier vast wat benaauwd, moeder! ik wil eens naar boven gaan."
+
+Op den trap vroeg de moeder fluisterende aan de dochter: "Wat was
+dat toch, kindje?" En het kindje van bijna zes voet antwoordde:
+"Ik weet het niet, moetje! ik geloof, dat neef Joachim u en vader
+wel eens spreken wou."
+
+Gedurende dit gesprek had boven eene ontmoeting plaats, niet minder
+aangenaam, dan die tusschen Pols en de Van Schalens. Te Tiel zag
+Torteltak zijn eenigen broeder aan boord komen. Juichend drukten zij
+elkander de hand, en de glans van vreugde, die zich op beider gelaat
+vertoonde, duidde aan, dat zij niet alleen door den band des bloeds,
+maar ook door wederkeerige toegenegenheid en vriendschap aan elkander
+verbonden waren. Daar is gewoonlijk veel, dat zich tegen zulk eene
+naauwe vriendschap tusschen broeders aankant, misschien het meest,
+dat men elkander van der jeugd af al te naauwkeurig kent, eene proef,
+waartegen de meeste menschen niet bestand zijn. Maar wanneer, in
+weerwil van al die tegenkantingen, zulk eene vriendschappelijke
+betrekking bij broeders plaats vindt, dan kan er moeijelijk een
+vriendschap zijn, naauwer en inniger dan de zoodanige, moeijelijk
+eene vertrouwelijkheid, die grooter is en meer insluit, en die
+door de natuurlijke betrekking meer gewaarborgd is tegen botsingen,
+waartoe verscheidenheid van betrekkingen bij andere vrienden somtijds
+aanleiding zou kunnen geven.
+
+Frederik van Torteltak was twee jaren ouder dan zijn broeder, en in
+houding en gelaatstrekken zeer op dezen gelijkend. Alleen had hij
+iets meer deftigs en bedaards, en miste hij de misschien te groote
+ijdelheid van Eduard. Sedert een jaar had hij de Leidsche akademie
+verlaten, zonder evenwel terstond eene plaats in de maatschappij in
+te nemen. Hij behoorde tot die menschen, welke de voorregten van het
+akademieleven verloren hebben, en wien men die van het maatschappelijke
+nog niet toestaat. Hij was proponent, een dier benijdbaren, wier namen
+vier- of zesmaal 's jaars in lange lijsten achter de Boekzaal worden
+aangeplakt, even als die van dienstboden op een verhuurkantoor, en
+die van wijnen op eene prijscourant; een dier gelukkigen, welke nooit
+hunne betrekking kunnen noemen, zonder een medelijdenden glimlach of
+schouderophalen te ontmoeten; over wie iedereen, als over publiek goed,
+meent te kunnen en mogen oordeelen en beschikken, en die dat voorregt
+boven doctoren en advokaten zonder praktijk en kooplieden zonder zaken
+hebben, dat zij bij uitnemendheid als "arme stakkers" en "ongelukkigen,
+die niets om handen hebben," worden beschouwd. Vertoont zich een
+proponent in een gezelschap, iemand, die hem voor het eerst ontmoet,
+en die het zeer indiscreet zoo rekenen, een jong doctor te vragen,
+of hij al patiënten heeft, vraagt hem terstond: "Hebt u al eenig
+uitzigt op eene plaats?" Hij maakt nooit eene visite bij een tante, of
+eene mevrouw, die de Boekzaal bijhoudt, of hij hoort ten minste drie
+keeren in het half uur van zijn bezoek: "Daar zijn ontzettend veel
+proponenten!" Heeft een jong meisje de onvoorzigtigheid zich met hem
+te engageren, hare vriendinnetjes maken toespelingen op minnarijen,
+daar nog geen eind aan te zien is, of verheugen zich, dat zij haar
+nog zoo heel gaauw niet zullen verliezen. Dit gaat zelfs verder:
+de persoon, aan den proponent verbonden, wordt zelve een voorwerp
+van deernis, even als de ongelukkige, aan wien zij zich opoffert. Is
+de proponent treurig of ernstig: "hij zal zich nog doodkniezen," of
+"wie wil met zoo'n stijven Klaas te doen hebben?" Is hij vrolijk
+en opgeruimd: "hij trekt het zich niet veel aan; 't kan hem niet
+schelen; hij is nog ongeschikt voor zijne betrekking."--Maar waartoe
+al de voorregten, aan dezen stand verbonden, opgesomd! Waarom
+gesproken van de philantropische vertogen en voorstellen, om hun
+lot te verbeteren, en die misschien nog wel zullen leiden, om er
+kerkeknechts en doodgravers van te maken! Met erkentenis voor den
+goeden wil van allen, die zich zooveel aan hen laten gelegen leggen,
+zouden de meeste proponenten wel onder hunne namen willen schrijven:
+"Verzoeke van brieven en betuigingen van beklag verschoond te blijven."
+
+Torteltak had in een van de Geldersche waarden zijne gaven doen hooren;
+hij liet zich evenwel volstrekt niet uit over zijne verwachtingen, en
+daar Pols nog al veel met zijne familie bezig was, viel ook niemand
+hem daarmeê lastig. De broeders hadden veel te praten en veel meê
+te deelen: "en je hebt mijn brief te Straatsburg ontvangen?" vroeg
+Frederik.--"Ik heb geen brief gezien na Constants van u, noch van
+iemand."--"Dan weet ge ook het nieuwtje nog niet: ik ben geëngageerd,
+en je kent het meisje ook; maar nu zeg ik je niet met wie, voor gij
+haar ziet."--"Toch niet met Elize L.?--"Met Elize, noch met Sophie;
+maar nu zeg ik niets meer."--Torteltak raadde nog twintig namen; maar
+hij was altijd mis; dus besloot hij de zaak af te wachten. Hij deelde
+intusschen aan zijn broeder meê, dat ook hij misschien geëngageerd was,
+doch dat hij nog onderweg moest informeren, of het werkelijk zoo was,
+maar dat hij niet wist, of hij het verlangde ja, dan neen.--Voorts
+liepen de gesprekken over vele familiezaken; Veervlug informeerde met
+veel belangstelling naar hunne zuster, maar vernam niets bijzonders,
+dan dat zij springlevend, gezond en nog even dartel als vroeger was.
+
+Pols vond in den loop des morgens, toen hij met zijne oude nicht alleen
+in de kajuit was, nog gelegenheid een woordje ten voordeele van Mevrouw
+Blumengarten te spreken, en daar deze door sommige voorstellingen,
+die zij sedert het discours op den trap had beginnen te scheppen,
+in eene meer vergevensgezinde bui was geraakt, verklaarde zij nu
+het huwelijk als wettig te beschouwen, en best te willen gelooven,
+"dat dat eigenste losse en wilde Mientje toch nog wel eene goede
+en brave huismoeder kon geworden zijn." Onze vriend was zoo voldaan
+over deze omkeering, dat hij besloot terstond zijne confidentie te
+doen volgen, en hij maakte haar alzoo in diep geheim bekend, dat hij
+plegtig om de hand en het hart van Caroline Blumengarten had verzocht,
+en hoop had binnen kort zijnen wensch vervuld te zien.
+
+Nicht Van Schalen werd, even als vroeger hare dochter, beurtelings
+rood en bleek. "Je doet me schrikken, neef Joachim! en weet je wel,
+dat je dan een Duitsche deern in je Rotterdamsche huis krijgt?"
+
+"Ja," zei Pols; "maar zij zal zich best bij ons kunnen schikken,
+en ge zult zien, zij zal u uitmuntend bevallen."
+
+"En was het dat, dat je me zeggen woudt?" zei nicht, hem sterk
+aanziende. "Truitje... ik dacht, dat je me iets hadt meê te deelen.'"
+
+En zonder zijn antwoord af te wachten--want juist kwam Truitje
+beneden--nam de moeder hare dochter onder den arm en ging naar
+boven. Op den trap fluisterde zij haar in: "Het reizen heeft neef
+Joachim, geloof ik, heelemaal mal gemaakt."
+
+"Dat geloof ik ook," zei Truitje, toen de moeder haar de aanleiding
+tot deze gissing meêdeelde.
+
+Ten een ure lag de stoomboot voor de Boompjes te Rotterdam stil. Pols
+nam al de bagaadje en drie zijner vrienden terstond meê naar huis;
+maar Torteltak werd door zijn broeder meegetroond, die hem hier tot
+getuige van zijn geluk wilde maken. Niet ver van de aanlegplaats
+schelden zij aan een groot huis aan, en de proponent sleepte zijn
+broeder onaangediend naar boven. De deur eener zijkamer werd geopend,
+"Hier is zij!" riep Frederik verheugd uit. "Eduard! zie hier mijn
+meisje!" En Torteltak stamelde zijne broederlijke gelukwenschen uit
+voor Ambrosine Korenaar.
+
+"Wel heden, Mijnheer Torteltak! dat vind ik nu eens heel aardig,
+dat gij ons terstond komt bezoeken; en wat zegt gij nu van die
+jongeluidjes? Ja, het kan wonderlijk in de wereld loopen. Wij
+ontmoetten uwen broeder te Kleef, juist acht dagen nadat gij ons
+verlaten hadt, en wij konden het terstond zoo best met hem vinden. En
+nu wordt Ambrosine nog eene domineesvrouw! Nu, het is wel mijne eigen
+dochter, maar ik durf gerust zeggen, dat er weinige zulke lieve en
+geschikte meisjes ook daarvoor gevonden worden."
+
+Torteltak was in de eerste oogenblikken door deze ontmoeting een weinig
+uit het veld geslagen, en hij stond eenige oogenblikken in beraad,
+om nu als een wanhopig minnaar te gaan kwijnen, en met liedjes in het
+genre van: "_Fare thee well!_--_Non, je ne t'aime plus._--_So willst
+du treulos von mir scheiden!_" en dergelijke te gaan occuperen;
+maar toen hij zijn hart eens goed onderzocht had, bleek het hem,
+dat hij, zonder zich ongelukkig te maken, Ambrosine heel goed aan
+zijn broeder kon afstaan. Hij ontwaarde geen pijnlijker aandoening,
+dan die hij altijd gevoelde, als hij zag dat een mooi en lief meisje
+zich aan een ander naauwer verbond dan aan hem. Toen dus de oude Heer
+Korenaar bovenkwam, viel hij dadelijk in dien goeden toon, en sprak met
+gemelden grijsaard zeven kwartier over den Engelschen en Hollandschen
+koophandel, dronk aan tafel een vrolijken toast, en maakte bij zijn
+afscheid van zijn broederlijk regt op Ambrosine met vreugde gebruik.
+
+En 's avonds was er feest in den Oppert, het feest der behouden
+terugkomst, en het afscheidsmaal van vijf getrouwe reisgenooten. Pols
+presideerde het souper, in den stoel van zijn vader, met zijn
+gemakkelijken huisjas en zijne gevoerde pantoffels versierd. De
+goedhartige vergenoegdheid, die op 's mans gelaat te lezen was, deelde
+zich aan al de vrienden mede. "Daar is toch maar één Holland!" riep hij
+uit, toen hij het laatste van vele glazen krachtige Portwijn uitdronk,
+en toen hij zijne eigen leden op zijn eigen bed uitstrekte, murmelde
+hij half sluimerend: "Oost west, 'thuis best!"
+
+
+
+Hier eindigt het relaas der Reisontmoetingen van Joachim
+Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Wij weten het dat wij onze Lezers
+weinig belangrijks en buitengewoons hebben meêgedeeld; maar het is
+moeijelijk, indien men de waarheid getrouw wil blijven, zoo iets
+uit hedendaagsche reizen te putten. Die, in weerwil van dat al, deze
+ontmoetingen tot den einde toe gevolgd heeft, wordt bij deze bedankt
+voor zijn geduld, en ontvangt tot toegift, hetgeen wij, omtrent het
+wedervaren onzer personen, sedert hunne tehuiskomst vernomen hebben.
+
+Pols is na zijne terugkomst nog bijna een maand in onzekerheid geweest,
+hoe het met zijn engagement zou afloopen. De Heer Blumengarten, die
+zich als vader verpligt rekende omtrent den minnaar zijner dochter
+behoorlijke informatiën in te winnen, wendde zich, met medewerking
+zijner Overheid, tot de Regeering van Rotterdam, om inlichtingen
+aangaande dien persoon te verzoeken. Deze renvoyeerde het stuk aan
+de Policie, en het antwoord, dat teruggezonden werd, luidde, dat
+gemelde Polsbroekerwoud geenszins voor een verdacht persoon gehouden
+kon worden. Hiermede was de schoonpapa tevreden; en op aandringen
+van zijne vrouw, die zoo gaarne haar vaderland eens wilde weêrzien,
+ondernam hij met zijne familie de reis naar Rotterdam. Op eenen morgen,
+in het laatst van September, werd er bij Pols een brief gebragt, dien
+hij begeerig opende, maar dien hij, van wege het Duitsche schrift,
+niet lezen kon. Hij spoedde zich dus naar een beëedigd translateur, die
+hem met den volgenden inhoud bekend maakte: "De Heer Polsbroekerwoud
+wordt verzocht dezen middag ten 2 ure in het Zwijnshoofd te komen
+dineren bij zijne familie uit Coblenz." Onze vriend was zichzelven
+nauwelijks meester, en zijne vreugde kende geen palen, toen de oude
+Heer hem als _Herr Sohn_ en de broeder als _Herr Bruder_ begroette,
+en Caroline hem blozend de hand toereikte. In Mei 1838 is dan ook
+het huwelijk te Coblenz voltrokken; de Van Schalens zijn geheel met
+de Blumengartens verzoend, vooral nadat deze hun een oxhoofd goeden
+Rijnwijn hebben toegezonden. Mevrouw Polsbroekerwoud schikt zich
+goed naar de Rotterdamsche levenswijze. Om harentwil is Pols lid
+geworden van den Doelen, waar zij geen enkel zomerconcert verzuimen,
+en waar de jonge vrouw zich doet opmerken door haar blanke _teint_
+en het overmatig gebruik van boterhammen met gerookten zalm. Sedert
+eenigen tijd fluisteren de buren in den Oppert van iets, dat op til
+zou wezen; althans, dat er eenige stukken mandenwerk en oogjesgoed,
+benevens kousjes en slaapmutsjes van het kleinste soort, aan het huis
+van Polsbroekerwoud zijn bezorgd.
+
+Torteltak is gepromoveerd en wacht op een post. Hij is nog altijd een
+_enfant cheri des dames_, en kleedt zich voortdurend heel netjes. Hij
+schijnt zich evenwel nog niet te kunnen decideren, wie der vele lieve
+meisjes, die hij kent, door hem gelukkig zal worden gemaakt. Zijn
+broeder is nu geplaatst, en Ambrosine vindt het buitenleven heel
+aangenaam, hoewel mama Korenaar zich niet kan begrijpen, dat het
+lieve meisje zich daar niet doodkniest.
+
+Veervlug maakt tegenwoordig minneliederen, met wonderlijke aardige _jeu
+de mots_ omtrent _tortels op een tak_. Hij is vlug als een veertje,
+sedert de dartele zuster van zijnen vriend deze minneliederen in
+genade aanneemt. Tusschen beiden pleit hij ook _pro Deo_ en is een
+gezocht advokaat door degenen, die bij voorkeur gratis consulteren.
+
+Holstaff had vroeger plan gemaakt nog eens een reisje naar Frankfort
+te maken, om Clementine Schmallheim te zien; maar sedert hij vernomen
+heeft, dat dit lieve meisje hevig door de kinderziekte geschonden
+is, maakt hij zich ongerust, dat dit gezigt hem te veel treffen zou,
+en stelt dus deze reis van dag tot dag uit.
+
+De Morder is gepromoveerd, na het verdedigen van een _Specimen_,
+handelende over verschillende misbruiken en ongepermitteerde wettelijke
+bepalingen. Hij staat op het trouwen met een weeuwtje, hoewel hij zich
+lang op dien stap bedacht heeft, omdat hij het beroerd onaangenaam
+vond, dat juist, als hij eens zin kreeg in een meisje, een ander al
+eens met haar getrouwd was geweest.
+
+De vrienden, en vooral Torteltak, ontvangen goede berigten van Van
+Aartheim. De oude Heer Torteltak, een kundig procureur, die reeds
+vroeger eens de partij van Mevrouw Van Aartheim tegen Lurgrave had
+opgevat, heeft hem den gemakkelijksten weg aangewezen, om al de zaken
+van _Miss_ Cleford en haren voogd te ontwarren. De gelukkige man woont
+met zijne jonge vrouw en zijne moeder op een buiten in Kent, waar hij
+rustig leeft en bemind is, door allen die met hem in aanraking komen.
+
+En hiermede eindigt dit Hoofdstuk, en dit Boek.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Hoofdstuk I.--Kennismaking met de hoofdpersonen
+
+Hoofdstuk II.--De stoomboot van Rotterdam naar Nijmegen.--Ontmoetingen
+met bekende en onbekende personen.--Polsbroekerwoud occupeert zich
+met vele menschen en zaken.--Torteltak wordt verliefd.--Veervlug
+heeft onaangenaamheden.--Holstaff weent met de weenenden
+
+Hoofdstuk III.--Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen
+
+Hoofdstuk IV.--Verblijf der reizigers te Kleef.--Zij maken kennis
+met interessante landgenooten en naburen, spreken over menschen
+en zaken in gebonden en ongebonden stijl, en bereiden zich voor,
+te worden vergast op een verhaal van den ouden Heer Korenaar
+
+Hoofdstuk V.--Het verhaal van den Heer Korenaar, dat misschien nog
+met de verdere reisavonturen van Polsbroekerwoud en zijne vrienden
+in verband zal staan
+
+Hoofdstuk VI.--Aken en Borcetti.--Torteltak ontmoet een oud vriend.--De
+Louisberg.--Hij ziet dat zijn vriend gelukkig is.--De Courzaal.--Hij
+vindt de vrouw van zijn vriend lief
+
+Hoofdstuk VII.--Keulen.--Bonn.--Men ontmoet interessante levenden,
+maar nog interessanter dooden
+
+Hoofdstuk VIII.--Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen
+bezoeken onder veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud
+en de Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen
+
+Hoofdstuk IX.--Beginnende met eene stoombootreis naar Coblenz,
+en eindigende met de _illustre rejeton_ der familie van Schalen
+
+Hoofdstuk X.--Een Hoofdstuk, waarin de nieuwsgierige lezer, die gaarne
+vernemen wil, hoe de reizigers over de badplaatsen naar Frankfort
+trekken, zeer teleurgesteld wordt en dat verder zeer geschikt is om
+overgeslagen te worden door menschen, die niet gaarne kennis willen
+maken met Frankfortsche families
+
+Hoofdstuk XI.--Waarin de reizigers meer dan twintig mijlen afleggen
+zonder eenig avontuur, maar waarin zij naderhand in een klein bestek
+velerlei genoegens smaken
+
+Hoofdstuk XII.--Vermeldende, hoe Veervlug naar zijn pas zoekt, hoe
+hij zich in zijne eenzaamheid tracht te amuseeren, en hoe hij eerst
+te Darmstadt plaisir krijgt
+
+Hoofdstuk XIII.--De nieuwe vriend van Veervlug komt op het tooneel,
+en legt veel Duitsche plaatsen- en menschenkennis aan den dag
+
+Hoofdstuk XIV.--De reizigers bezoeken twee badplaatsen; op de eene
+maakt Pols eene schitterende vertooning, op de andere blijft hij
+geheel onopgemerkt
+
+Hoofdstuk XV.--De tour door het Schwartzwald.--Pols maakt kennis
+met Engelsche dames bij onweder, en met Ohlsbachsche bij feestmuziek
+
+Hoofdstuk XVI.--Aankomst in Zwitserland en verblijf te Schaffhausen;
+bevattende tevens belangrijke opmerkingen omtrent den invloed van
+een nieuw schoeisel op lichaam en ziel.
+
+Hoofdstuk XVII.--Bevattende eene al te lange beschrijving van eene
+voetreis, en eene al te korte van een watertogtje
+
+Hoofdstuk XVIII.--Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het
+Holstaff tegen zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar
+te zien opgaan
+
+Hoofdstuk XIX.--Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste
+dagen van zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen
+bitter wordt teleurgesteld
+
+Hoofdstuk XX.--Waarin zoovele zaken voorkomen, dat het moeijelijk zou
+wezen, de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen
+
+Hoofdstuk XXI.--Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en
+zijne vrienden het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft
+achtergelaten
+
+Hoofdstuk XXII.--Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den
+voorvluchtigen van Aartheim handelt
+
+Hoofdstuk XXIII.--Waarin de lezer een geruimen tijd in het Kerkerhol
+van Chillon moet verzuchten
+
+Hoofdstuk XXIV.--Geleidt de reizigers van Geneve over Sallenches naar
+Chamounix en vandaar naar Martigny, en is eenigszins in afgebroken
+journaalstijl geschreven
+
+Hoofdstuk XXV.--Waarin aangetoond wordt, dat een interessante tour
+niet altijd een gemakkelijke is
+
+Hoofdstuk XXVI.--Waaruit blijkt, dat de reisavonturen van Joachim
+Polsbroekerwoud nog na zijne aankomst te Milaan vervolgd worden
+
+Hoofdstuk XXVII.--Waarin veel beredeneerd en weinig bewezen
+wordt, en waarin de reizigers eene herberg aantreffen, waar op
+het uithangbord _vrij wijn_ niet maar voor de leus geschreven
+is
+
+Hoofdstuk XXVIII.--Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is,
+te digt langs een afgrond te wandelen
+
+Hoofdstuk XXIX.--Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar
+dat de lezer zonder oponthoud kan eindigen
+
+Hoofdstuk XXX.--Waarin Pols een zeer mooijen _coup de theatre_
+ziet mislukken, en waarin Torteltak eene dame in haar rijtuig
+helpt
+
+Hoofdstuk XXXI.--Waarin een heer zeer vroolijk en een ander zeer
+melancholiek wordt
+
+Hoofdstuk XXXII.--Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor
+de Nederlanders in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het
+bijzonder
+
+Hoofdstuk XXXIII.--Hetwelk misschien voor sommige lezers zal
+ophelderen, wat het titelvignet voorstelt
+
+Hoofdstuk XXXIV.--Waarin van Aartheim eene zeer treurige ontmoeting
+heeft
+
+Hoofdstuk XXXV.--Hetwelk het laatste is, behalve voor degenen,
+die al voorlang de lectuur dezer reisontmoetingen hebben afgebroken
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Reisontmoetingen van Joachim
+Polsbroekerwoud en zijne Vrienden, by Vlerk
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REISONTMOETINGEN VAN JOACHIM ***
+
+***** This file should be named 26100-8.txt or 26100-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/6/1/0/26100/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.