summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/27555-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:35:20 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:35:20 -0700
commit6a4c4ff8c3c1207e98d1bb1730002abffaadc0dc (patch)
treec47dffe35148678994d2d7a142a49b414b87f1a6 /27555-8.txt
initial commit of ebook 27555HEADmain
Diffstat (limited to '27555-8.txt')
-rw-r--r--27555-8.txt3919
1 files changed, 3919 insertions, 0 deletions
diff --git a/27555-8.txt b/27555-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..435830c
--- /dev/null
+++ b/27555-8.txt
@@ -0,0 +1,3919 @@
+The Project Gutenberg EBook of Een verlaten post, by Johanna van Woude
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een verlaten post
+
+Author: Johanna van Woude
+
+Release Date: December 17, 2008 [EBook #27555]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN VERLATEN POST ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ EEN VERLATEN POST
+
+ Door
+
+ JOHANNA VAN WOUDE
+
+
+ ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
+ Je rends au public ce qu'il
+ m'a prêté
+ La Bruyère
+ ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
+
+
+
+ Vijfde druk
+
+ L. J. Veen--Amsterdam
+
+
+
+
+
+
+ Typ. Zuid-Holl. Boek- en Handelsdrukkerij.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Nu was alles voorbij....
+
+Zij zat peinzend in de schemering bij het vuur en dacht aan de
+liefelijke jaren, die nu voor altijd heen waren, de jaren, licht, en
+zonnig voor haar gemaakt door dien éénen, welke nu in de huiskamer
+ontbrak en boven stil lag uitgestrekt, ingeslapen om niet weer te
+ontwaken.
+
+Buiten blies de herfstwind. Als zij het hoofd zijwaarts leunde tegen
+den rug van den grooten, hoogen leunstoel, waarin zij zat, kon zij
+de bladeren zien dalen en neerzweven in de breede grintpaden van den
+tuin, waar zij bleven vastkleven of terstond weer werden opgejaagd
+en voortgedreven.
+
+Hare groote droeve oogen bleven droomerig naar buiten staren. De hooge
+populieren en ranke dennen, haar zoo welbekend, bogen hunne toppen
+voor den stormwind en richtten zich dan ruischend weer op. Daar boven
+gleden de wolken onrustig voort, doorzichtig en ijl, in alle tinten van
+grijs en grauw. Op den straatweg liepen nog enkele voorbijgangers, het
+hoofd gebogen tegen de wilde stormvlagen, die telkens loeiend uit de
+verte naderden en dan voorbijgierden om in de schemering weg te ijlen.
+
+Het was geen aantrekkelijk schouwspel, maar met een weemoedigen,
+liefdevollen blik dwaalde haar oog ver en nabij, tot het bleef rusten
+op den kleinen, schilderachtigen stal, waarvan zij juist een gedeelte
+zien kon;--en zij keek naar de geel-en-bruine kastanjeboomen, die nu
+hunne glanzende vruchten bij dozijnen op het dak van den stal lieten
+neerregenen; naar de paardenkoppen, in den gevel aangebracht, die
+nu zoo treurig voor zich uitstaarden, als wisten zij dat zij spoedig
+weer een nieuwen meester krijgen zouden; en naar Toon den koetsier,
+tevens huisknecht, die in zijne lange, fladderende, zwart linnen
+staljas en op klompen naar buiten kwam. Maar zij zag eigenlijk niets,
+want zij dacht aan de welbeminde viervoeters daarbinnen....ach, ook
+hen zou zij moeten vaarwel zeggen, hen en den armen trouwen Caesar,
+die nu nog aan hare voeten lag uitgestrekt.
+
+Tranen gleden langs hare wangen, vonkelend in den vuurgloed. De
+paarden waren tenminste nog jong, maar de arme Cae, reeds tien jaren
+haar dagelijksche metgezel, wie zou hem voortaan liefhebben als zij!
+
+Zoo graag zou zij hem medegenomen hebben. Maar tante had geantwoord
+dat, "als het kon," moest zij hem liever achterlaten; in een
+stadswoning was zulk een groote hond zoo lastig.
+
+"Als het kon."--Neen, het kon eigenlijk niet, het moest
+alleen.... Tante's liefde mocht zij niet in de waagschaal stellen
+ter wille van eigen wenschen.
+
+En zij bleef zitten peinzen, weer starend in het opvlammende vuur,
+de handen in den schoot gevouwen,--kinderhanden, ietwat te bruin,
+maar welgevormd, met Slanke, spits toeloopende vingers. Kinderlijk was
+hare geheele gestalte, van het fijnbesneden, frissche gezichtje en de
+lange bruine vlecht op haar rug, tot haar slanke heupen en onafgeronde
+vormen; en zooals zij daar zat in hare jeugdige schoonheid en beschenen
+door den vollen gloed van het vuur, vormde zij een vreemd contrast
+met het sombere vertrek met zijne vele schaduwen en duistere hoeken,
+zijne ledige stoelen, als wachtende op gebruik, zijne sprakelooze
+beelden, zijne schilderijen, uit het krijgsmansleven genomen, degens,
+geweren en jachttropeeën aan den wand en andere versieringen, die er
+alle uitzagen als waren zij bezielde wezens, die veel dachten en veel
+zouden kunnen zeggen als zij wilden.
+
+Eindelijk stond zij op en verliet de kamer. Een groote hond volgde
+haar met loggen gang, kop en staart neerhangend. Eerst op de trap
+hoorde zij zijne nagels tikken op het hout, en zij stond stil om hem
+te liefkoozen. Zij zette zich op een der treden neder en drukte zijn
+grooten kop tegen haar gezicht.
+
+"Arme Cae! gauw kun je mij niet meer naloopen.... En wij zijn toch
+zoolang kameraden geweest!.... Weet je nog hoeveel hij van je hield
+en hoe trotsch hij op je was, omdat je van het echte soort waart? Hij
+gaf je niet, hoeveel men ook voor je bood. Weet je 't nog?"
+
+Hij wist het ontwijfelbaar zeer goed, want zij had het hem reeds
+dikwerf met stralende oogen verteld in de dagen, toen zij nog samen
+het veld inrenden of in het grasperk stoeiden en buitelden; maar hij
+antwoordde slechts door een vriendelijk gekwispel.
+
+"Kon jij ten minste maar meegaan! Jij weet overal van. Ik zou over
+alles met je kunnen praten, over pa en over den tuin en over onze
+heerlijke wandelingen; over al de oude kennissen hier en over het
+oude huis. Och, Cae, dat zal wel gauw weer verhuurd zijn. Kan je dat
+gelooven, dat hier andere menschen wonen zullen?.... Ga maar mee,"
+vervolgde zij opstaande. "Neem ook maar afscheid; het is voor het
+laatst."
+
+Op de bovengang zag zij rond en luisterde,--neen, er was niemand. De
+dienstboden waren liever beneden in de gezellige keuken dan in de
+nabijheid eens dooden en de huishoudster zou wel druk bezig zijn
+met inpakken.
+
+Behoedzaam opende zij een der talrijke deuren op de bovengang en sloot
+die ook weer achter zich toe. Het vertrek waarin zij zich nu bevond,
+was een slaapkamer, zooals de meubels aanduidden; maar in het midden
+stond op schragen een lijkkist en daarin lag een doode uitgestrekt.
+
+Het was een man in den herfst van 't leven, vijftig jaren oud
+misschien. Zeker had hij weinig gedacht te zullen sterven, maar zijn
+gelaat droeg nu geen sporen van zorg of bekommering meer. Er lag
+vrede op en goedheid en teederheid, zooals die zijn leven lang er
+zich op hadden afgespiegeld.
+
+En zij dacht weder aan die laatste uren, waarin hij zich zoo onrustig
+en gejaagd getoond had,--om harentwil misschien of omdat hij begon
+te gevoelen, dat hij sterven moest....
+
+Zij weende niet, doch stond maar stil te staren op dat dierbare
+gelaat, terwijl duizend zoete herinneringen haar weder bestormden en
+buiten de wind aan de zonneblinden rukte en de dakgooten rumoerig
+kletterden. Eerst toen zij een langen kus op een der kille handen
+had gedrukt, een kus, die een wereld van liefde en dankbaarheid
+bevatte--en met stijf opeengeklemde lippen de kamer had verlaten,
+barstte zij los in een wild, hartbrekend geween.
+
+"Voor het laatst!" snikte zij, en wierp zich in een ander vertrek in
+hare volle lengte op den grond.
+
+"Och Cae, och Cae!" zeide zij maar steeds, met beide armen den hond
+omklemmend, die zich bij haar hoofd liefkoozend had neergevlijd. "Och
+Cae, och Cae!"
+
+En zij ging maar voort op hartstochtelijken toon zijn naam te zeggen
+en daarmede, naar het scheen, al haar leed uit te storten, want na
+eenigen tijd werd zij rustiger, legde hare kin op hare gevouwen handen
+en bleef stil peinzend voor zich uit zien....
+
+Zij dacht aan het nieuwe leven, dat haar wachtte daarginds in die
+groote stad, onder bijna vreemde menschen, en bereidde er zich angstig
+op voor.... Maar het was immers de laatste wensch van haar stervenden
+vader geweest, dat zijn eenige broeder haar tot zich nemen zou. In den
+tijd van enkele uren was alles beslist geweest; een telegram heen, een
+telegram terug,--en, rustig had de stervende de moede oogen gesloten.
+
+"Vaarwel, mijn lief heiligdom!" zeide zij zacht, terwijl zij het
+vriendelijk vertrekje rondzag. "Als hier andere menschen wonen,
+denk dan nog eens aan de kleine Renée."
+
+Hoe gelukkig was zij hier geweest, hoe zorgeloos hier ingeslapen, hoe
+tevreden ontwaakt! Hier waren hare boeken, hare geliefkoosde gravuren,
+hare reissouvenirs, hare gedroogde bloemen en snuisterijen. Hier was
+zij omringd geworden door duizenden blijken van de liefde eens vaders,
+wiens afgod zij was.
+
+Al deze kleine schatten zouden haar vergezellen; wat oom
+wilde medenemen (doch dat bepaalde zich bijna geheel tot eenige
+familiesouvenirs) zou ook met haar gaan;--maar dat zou dan ook het
+eenige zijn wat haar zou herinneren aan de oude, dierbare woning. Al
+het andere zou gemakshalve verkocht worden.
+
+"Jij blijft ten minste bij Toon," zeide zij met gebroken stem tot den
+hond, en terwijl zij bij hem neerhurkte en zacht snikte, terwijl zij
+sprak, geleek zij meer dan ooit een kind. "En hij heeft mij beloofd dat
+hij goed voor je zorgen zou.... Als ik trouw, Cae,--en ik zal erg mijn
+best doen er als een jonge dame uit te zien, dan trouw ik eerder--ga
+ik in een eigen huis wonen, zie je, en dan schrijf ik dadelijk om je,
+hoor! Dat beloof ik je vast. Kijk altijd maar uit als het tijd is
+dat oude Peter met de brieventasch komt; eenmaal zal mijn brief er
+bij zijn."
+
+Hij kwispelde zacht; blijkbaar was hij zeer gelukkig met haar belofte.
+
+Een andere deur voerde haar in een vertrek, dat blijkbaar tot
+studeerkamer had gediend. Boekenkasten stonden in het rond en in het
+midden tusschen de vensters was een groote schrijftafel geplaatst,
+bedekt met papieren en brochures.
+
+Aan dat kleinere tafeltje ginds was haar plaats altijd geweest. Bijna
+alles wat zij wist, had zij van haar vader geleerd; en zij zag zich
+weer als klein meisje over haar boeken gebogen, nu en dan heimelijk
+uitkijkend naar de zonnige wereld daarbuiten, of glurend naar hare
+witte duiven, die op de vensterbanken te kirren of klapwiekend
+wegvlogen hoog in de lucht, een zilverwitte stip tegen den blauwen
+hemel.
+
+Hier ook had hij haar leeren genieten wat de beste dichters en
+schrijvers de menschheid boden. En als de studie-uren voorbij waren,
+was zij met hem veld of bosch ingegaan, en hij was kind geweest met
+haar. Hij had de eerste lentebloemen met haar gezocht en braambessen
+en beukenoten; of meikevers en vlinders met haar gevangen, al naar
+het jaargetijde medebracht. Hij had haar het schoone leeren zien en
+liefhebben, tehuis zoowel als op reis; hij had haar leeren spelen en
+zingen en rijden.... o, hoe bedrijvig en prettig had hij iederen dag
+van haar leven voor haar gemaakt!
+
+Zij trad aan het venster en zag naar den slingerenden landweg, waar
+zij dien laatsten keer geloopen hadden, nu juist veertien dagen
+geleden.... Ach, die vreeselijke veertien dagen!
+
+Onbewust van eenig naderend onheil was zij aan zijn arm, zoo heerlijk
+veilig en vertrouwelijk, dien weg opgewandeld. Het was een van die
+herfstdagen, wanneer boomen en planten zich nog eens overvloedig
+koesteren in den warmen zonneschijn. Nu en dan daalde langzaam en
+onhoorbaar een goudgeel boomblad neer, kantelend om en om in de
+zoele lucht, als nam het onwillig afscheid van zijn zomerleven;
+en de stammen zelf schenen overtrokken met bronskleurig fluweel,
+zacht glanzend in het zonnelicht. De paarden stonden roerloos in de
+weilanden, zich de vliegen afslaande met hunne staarten, juist alsof
+het nog zomer was, en boven de slooten dansten muggen. O, hoe anders
+dan nu!.... Was dat alles werkelijk pas veertien dagen geleden?
+
+Zij was zoo aan hem gewoon geweest en aan scheiden had zij nog nooit
+gedacht, nooit kunnen denken. Maar nu was hij haar toch van het hart
+gescheurd en dat hart lag als gestorven in hare borst.
+
+Hoe ledig scheen de wereld haar, nu er niemand meer leefde, die haar
+beminde of zelfs maar toebehoorde. Het leven lag als een last op
+hare schouders.
+
+Hoe onzinnig dat die dorpsklok daar nu sloeg en dat alle klokken en
+pendules in huis haar nasloegen! Halfzes.... etenstijd. Waarom moest
+men eten, waarom wilde men den tijd kennen....?
+
+En somber en afgemat ging zij de trappen weer af naar de huiskamer,
+waar nu licht was ontstoken en een gedekte tafel haar wachtte. Maar
+zijn vriendelijk gezicht zou haar nooit meer welkom heeten en aan tafel
+nooden. Nooit zou zij hier meer voor hem zingen (de ouderwetsche,
+militaire liederen, hem dierbaar bovenal) en dan zijn vroolijk
+"bravo!" hooren. Nooit meer in de schemering bij het vuur met hem
+zitten keuvelen, of in de winteravonden--terwijl buiten de sneeuw
+onhoorbaar neerzweefde--luisteren naar zijn heerlijk voorlezen.... Ach,
+het was nu alles, alles voorbij!
+
+
+
+
+II.
+
+
+"Ik begrijp niet waar je die gratie vandaan hebt, kind!" zeide mevrouw
+Gerlings met hare kwijnende stem, terwijl zij nog een gaslicht ontstak
+om Renée beter te kunnen zien. "Zeker van je mama: zij was ook net
+een veertje."
+
+"Ja, tante?" vroeg Renée, hare japon dichtknoopend.
+
+Zij droeg een zilvergrijs kleedje, in den verloopen zomer uit Parijs
+medegebracht en op haar dorpje nog weinig gedragen.
+
+"O, je doet mij telkens aan haar denken," ging mevrouw Gerlings
+voort op de lieftallige, innemende wijze, welke zij zich had eigen
+gemaakt. "Zij werd een vriendin van mij, omdat wij in dezelfde
+stad woonden en met twee broers geëngageerd waren, maar na ons
+trouwen.... och toen liepen onze wegen meer uiteen. Wij waren uit
+zulk verschillend hout gesneden.... Kijk eens, wat een figuurtje
+nu! Zonder corset negentien jaar geworden.... 't Is ongehoord!"
+
+"Papa vond het gezonder," antwoordde het meisje zacht.
+
+Mevrouw Gerlings antwoordde niet; zij was ijverig bezig nog iets te
+veranderen aan Renée's weerspannig bruin haar, dat nu in een bevallige
+wrong op het kleine hoofdje lag.
+
+"Zie zoo, nu ben je al een heel andere Renée dan toen je uit het
+rijtuig sprong met je wit wollen baret en hangende vlecht. Ik zal eer
+inleggen met mijn nichtje. Het is wel jammer dat wij dat avondje nu
+geven moeten zoo kort na je komst; maar het was nu toch het avondje
+van Huug.... Ik heb je immers gezegd dat ik een broer heb?--Nu, dat
+is Huug; een vroolijke, lieve jongen. Of eigenlijk een man, want hij
+is al twee en dertig jaar; maar ik ben wat ouder dan hij, daardoor
+schijnt hij mij altijd nog een jongen,--een allerliefste jongen."
+
+Onwillekeurig dacht Renée aan een dikwerf herhaalde bewering van haar
+papa, dat "lieve" jongens doorgaans geen flinke jongens, "lieve"
+mannen geen flinke mannen zijn, maar zij had te weinig ervaring om
+te kunnen beslissen of deze bewering waarheid inhield.
+
+"Natuurlijk zou hij je een visite hebben gebracht, als hij geweten
+had dat je hier waart. Maar je begrijpt: alles is zoo overhaast
+gegaan. Hij komt altijd om de veertien dagen een avondje, en nu vond
+oom het geschikt tegelijk die kennissen te vragen, omdat wij voor Huug
+toch altijd een lekker soupertje klaarmaken.... Die ondeugd, men moet
+hem wat lokken, weet je; tenminste, daar verdenk ik hem van. 't Is
+ook altijd een heele reis voor hem, want zijn kamers liggen aan het
+andere einde der stad.... Kijk eens, zoo'n enkel zilveren pijltje in
+je haar staat goed bij de zilveren broche en armbanden.... Gelukkig
+dat je papa je altijd verbood te rouwen! En heel verstandig ook. Een
+jong meisje in den rouw kan ik niet zien.... Huug ontmoet je nu straks
+vanzelf. Je hebt immers werkelijk wel lust binnen te komen?"
+
+"Wel zeker, tante," antwoordde Renée voorkomend, "ik wil uwe vrienden
+graag eens leeren kennen," maar zij sloeg hare oogen niet op, vreezende
+dat deze geheel iets anders verraden zouden.
+
+"Och, je bent natuurlijk erg bedroefd; maar dat zijn zoo van die
+dingen, die men maar op zijn kamer laten moet, niet waar?"
+
+Renée gevoelde zich pijnlijk getroffen, als greep iemand met ruwe
+hand in de fijnste snaren harer ziel. Bij dergelijke gezegden--en
+zij had er in die weinige dagen reeds vele zoo gehoord,--gevoelde
+zij maar al te goed, evenals hare moeder "van ander hout gesneden"
+te zijn dan deze vrouw, die haar in de eerste dagen toch zoo had
+aangetrokken door hare schoonheid en innemendheid.
+
+"Maar ik zou je nog van Huug vertellen," ging mevrouw Gerlings voort,
+terwijl zij met hare blanke vingers een der strikken op Renée's
+japonnetje wat opdofte. En zij babbelde maar voort, het verstrooide
+meisje verhalend hoe Huug vermaard was om zijne vlugheid met den degen,
+bewonderd werd om zijne behendigheid op de jacht en benijd om zijn
+geluk bij de vrouwen.
+
+Die laatste uitdrukking kwam niet tot klaarheid in het brein van
+Caesar's vriendinnetje, maar zij vroeg er geen verklaring van. Hare
+gedachten dwaalden. Zij wijlden niet rustig in het oude huis of bij
+een enkel punt in het verleden of de toekomst, maar zij waren nu hier,
+dan daar, zooals gedachten doen, wanneer men zich nieuw en vreemd
+gevoelt in een nieuwe, vreemde omgeving. En werktuiglijk antwoordde
+of glimlachte zij, al naar zij dacht dat van haar verwacht werd. Maar
+daar was een droef heimwee in haar, dat haar geheel vervulde, dat
+haar blik mat maakte en hare bewegingen langzaam en hare stem zacht.
+
+"Nu, loop eens naar den spiegel," zeide mevrouw Gerlings recht
+tevreden. "Om je de waarheid te zeggen: ik had verwacht een boerinnetje
+te zien, maar je papa heeft eer van zijn opvoeding, dat moet ik
+zeggen.--Wacht," vervolgde zij opeens levendig, "bijna zou ik nog
+vergeten je te poederen. Je teint is ook nog zoo gaaf en glad, maar
+niet blank. Sla dien handdoek even om.... Wat?"
+
+Ditmaal week Renée beslist terug.
+
+"O neen, tante, geen poeder!" en zij staarde met zekeren afschuw naar
+het donzen kwastje, dat hare tante reeds opgeheven hield.
+
+"Waarom niet?!" riep mevrouw Gerlings uit, verwonderd lachend.
+
+"O neen," herhaalde Renée onrustig, "ik weet niet goed waarom
+niet. Ik ben verbrand, dat weet ik, en het zou zeker heel mooi
+staan, maar.... er is zoo iets in--u moet er niet boos om zijn,
+tante--zoo iets, alsof ik mij anders wil voordoen dan ik ben. Heusch,
+tante,.... neen, ik kan er niet toe besluiten."
+
+Blijkbaar was zij zeer verlegen over hare besliste weigering, en
+nochtans--het was duidelijk merkbaar--zij zou er bij blijven.
+
+Mevrouw Gerlings maakte zich nooit boos. "Dat geeft rimpels," placht
+zij te zeggen en dus duwde zij het kwastje weer in de doos.
+
+"Wel kind, als je er tegen hebt, zullen we het niet doen," zeide zij
+lachend, maar in hare neergeslagen oogen flikkerde spot over Renée's
+"overdreven denkbeelden." "Nu, kijk eens in den spiegel. Ik heb je haar
+wat opgestoken, en een paar kleinigheden.... zie je, laatste smaak en,"
+zij begon weer te lachen,--"zooals je daar staat, zoo ben je."
+
+"O!!"
+
+Dat was alles wat Renée in de eerste opwelling van verrassing en
+bewondering uiten kon. Was zij dit slanke, bekoorlijke schepseltje,
+met de aardige krulletjes langs hals en voorhoofd, welke haar geheele
+gezicht zooveel mooier maakten, en dat schitterende pijltje in het
+opgestoken haar, dat vroeger glad naar achteren lag? Had die hals
+vroeger ooit zoo blank geschenen als in dit wolkachtig plooisel?--die
+polsen ooit zoo slank als in die zilveren armbanden?
+
+En toch beviel zij zichzelf maar half; van de oude, wilde, ongeharnaste
+Renée was zoo weinig overgebleven; alleen daarbinnen, daar was zij nog.
+
+"Ik bewonder uwe kunst, tante," zeide zij vriendelijk.
+
+"Ja, dat dacht je niet, hé?.... Toilet is alles, kind. Wat mijn
+uiterlijk betrof, heb ik al vroeg de kunst geleerd, die door sommige
+jonge meisjes veel te veel veronachtzaamd wordt: to make the most
+of it.... Nu, ik ga vast naar beneden. Je komt zeker ook dadelijk,
+niet waar.
+
+"Zij moet er plezier in krijgen," dacht mevrouw Gerlings recht voldaan,
+terwijl zij in haar elegant toiletje de trap afging. "Er moet leven in
+komen; dan kan ze hier een goed huwelijk doen! Wat een vervelende last
+zou zij worden, als het lang duurde. Maar ze is mooi en aantrekkelijk,
+een echte ingénue.... Ja, zij trouwt bepaald gauw.... Wat een taille;
+als een ree...."
+
+En de coquette veertigjarige dame trad peinzend haar salon binnen,
+voornemens in den spiegel haar eigen middel nog eens te vergelijken
+met het slanke figuurtje boven; maar een mannenstem hield haar van
+dit voornemen terug.
+
+"Mijn hemel, Lucie, wat maak je lang toilet! Ik wacht hier al een
+kwartier," en een jonge man in uniform trad naar voren en reikte haar
+de hand. Hij deed dat met een zekere matheid, misschien uit gewoonte,
+misschien uit gebrek aan hartelijkheid.
+
+Hij was een dier mannen, welke overal de aandacht--vooral de aandacht
+der vrouwen--trekken, door hunne hooge gestalte en fraaien kop. Er lag
+iets edels in het niet fijne, maar fijnbesneden, aristocratisch gelaat,
+trekken, hem bij de geboorte door een vriendelijke fee geschonken
+en misschien lang bewaard; maar nu lag er tevens een ontsierend waas
+over van genotzucht en oververzadiging tegelijk.
+
+"Ik heb je in het geheel niet hooren komen, Huug. Ik was boven. Hoe
+gaat het?.... Ik heb groot nieuws," vervolgde zij dadelijk.
+
+"En?"
+
+"Ons nichtje, Renée Gerlings, is hier."
+
+"Wat?--Toch niet om te blijven?"
+
+"Ja zeker.--Je weet dat Albert's broer gestorven is.... Appropos,
+je hadt wel eens kunnen komen condoleeren."
+
+"Onzin. Albert gaf niets om hem."
+
+"Maar voor den vorm!"
+
+"Voor den vorm heb ik een kaartje gezonden. Och," vervolgde hij ietwat
+ongeduldig, "je weet dat Albert om mijn troostredenen niet verlegen
+is.... En toen?"
+
+"Nu, toen hij op zijn sterfbed lag, liet hij telegrapheeren of wij
+haar wilden nemen.... Wat zal je doen in zoo'n geval!" ging zij
+voort, even hare schouders ophalend en hare blanke, mollige handjes
+uitbreidend. "Bij zijn leven bemoeiden de broers zich weinig met
+elkander, vooral doordat zij en ik zoo weinig sympathiseerden. Maar
+nu dat telegram kwam, seinde Albert dadelijk terug dat ons huis voor
+haar openstond.... Ja, wat zal men anders doen! Zoo'n laatsten wensen
+van je eenigen broer!.... niet waar?.... Zoo kun je soms onverwachts
+in een leelijk parket komen."
+
+Hij draaide peinzend zijn langen, donkeren knevel om zijn wijsvinger.
+
+"Een koopje, hoor!--Je stuurt haar naar kostschool zeker?"
+
+"Wel neen, ze is volwassen."
+
+"Is dat kind nu al volwassen?" vroeg hij verbaasd.
+
+"Ja jongen, de tijd vliegt. Ze is negentien; wel een echt kind nog,
+zooals die buitenmeisjes zijn, maar we zullen haar wel gauw wat
+fatsoeneeren. Straks komt ze binnen.... Ik ben eigenlijk blij dat ik
+je nog even spreken kan: ik wou je wat vragen."
+
+"En dat is?"
+
+"Kom wat drukker en breng wat goede vrienden van je mee," vroeg
+zij vleiend. "Uitgaan doet ze nog niet, maar hier aan huis kan zij
+natuurlijk ieder ontmoeten. Ik zou met een jaar of zoo graag weer
+van haar af zijn. Ze is lief, maar zoo'n doorloopende logée is toch
+vervelend."
+
+Hij fronste de wenkbrauwen, maar antwoordde niet rechtstreeks.
+
+"Zeker leelijk?"
+
+"O neen, een snoesje!.... En dan--origineel, weet je," ging zij voort,
+hare indrukken verzamelend. "Wel een beetje een soldatenkind en...."
+
+"Dat is een compliment."
+
+"In jouw oogen, maar in de mijne niet," lachte zij vriendelijk,
+bevreesd hem uit zijn humeur te maken. "Overigens nogal fortuin. Ik
+reken op je hulp, Huug.... Maar scheelt er wat aan?" vroeg zij,
+op eens het gesprek op hem zelf brengend. "Ik vind dat je bleek ziet."
+
+"Ik!" riep hij uit, als achtte hij zulk een veronderstelling van
+onwelzijn van een kloek man een beleediging. "Maak je niet bezorgd,
+hoor!.... Neen, ik heb tegenwoordig het land, dat is het. Ik verveel
+mij."
+
+"Waarom trouw je toch niet?"
+
+"Ja.... God!.... maar met wie?" riep hij uit, met een gebaar van
+wanhoop.
+
+"Och kom, ieder wil je graag hebben, en er zijn toch meisjes genoeg!"
+
+"Geen naar mijn zin. En als ik trouw, doe ik het magnifiek.... Voor de
+vrijwillige ballingschap moet ik ten minste ook vergoeding hebben,"
+wierp hij lachend tegen met zijne welluidende, klankrijke stem. "Ik
+vind het ook werkelijk geen kwaad idée."
+
+Hij, van alles verzadigd en toch smachtend naar nieuwe emotie, was tot
+het besef gekomen dat éen levensgenot hem nog een gesloten paradijs
+gebleven was: het huiselijk geluk. En schoon hij tot hiertoe de poort
+van het paradijs met zijne vrienden spottend was voorbijgegaan,
+nu wilde hij die eindelijk eens openen en daarbinnen een kijkje
+nemen, nieuwsgierig naar de zoete mysteriën daarachter verborgen,
+zeker--straks nog had hij onder het genot van een geurige havana op
+zijn sofa liggen peinzen over een mogelijk huwelijk, kalm overwegend,
+voorzichtig berekenend.... Een mooi en natuurlijk rijk meisje,
+jong als Aurora.... Zij zou hem een gezellig thuis geven--een
+paar kinderen.... hij hield wel van kinderen. Hij zou wat minder
+druk uitgaan--dat zou beter voor zijne gezondheid zijn ook.... Hij
+zou meer een geposeerd man worden, lid van dit en van dat.... een
+huishouden geeft altijd meer waardigheid. Hij was ook al zoo jong
+niet meer.... Zeker, zeker, geen kwaad idée. Het begon hem werkelijk
+meer en meer toe te lachen....
+
+En zoo lang als hij was, had hij zijn groot, vadsig, weldoorvoed
+lichaam eens tusschen de fluweelen pouffs uitgerekt, zich geheel
+overgevend aan den invloed der genotsprikkels, die van alle zijden
+op hem inwerkten door middel van een getemperd vuur, een smaakvol
+en weelderig gemeubeld vertrek, een droomerige stilte, een zachte
+ligging en den fijnen geur der havana.
+
+Maar van al die overleggingen sprak hij geen woord tot zijne zuster.
+
+"Als je een goede partij voor mij weet," vervolgde hij vroolijk,
+"dan stuur je maar een boodschap."
+
+"Wel," zeide zij peinzend, voor den spiegel nog hier en daar de golfjes
+en krulletjes van haar kapsel een duwtje gevend, "een van de Graantjes
+bijvoorbeeld;.... zulke aardige meisjes!"
+
+Hij maakte een afwerende beweging.
+
+"Te leelijk, hoor!"
+
+"Eva Wilson?"
+
+"Boe, die blauwkous kan ik niet uitstaan."
+
+"Haar logéetje dan?.... Die moet puissant rijk zijn."
+
+"Maar de dochter van een parvenu!" antwoordde hij, zijn trotsch gelaat
+vol minachting.
+
+"Laura van Vuren dan?"
+
+"Dat coquette schepsel! Laat een ander daarmee in zijn ongeluk
+loopen!.... Och neen, Luus, houd maar op. Ik geloof niet dat ik in
+de wieg ben gelegd voor het huwelijk. Vrijheid bovenal! Alle vrouwen
+vervelen me, zoodra ik denk dat ik ze levenslang tegenover me zal
+hebben."
+
+Eigenlijk verdroot het hem zich door zijne zuster in een dergelijke
+quaestie te laten raden.
+
+
+
+Op dit oogenblik draaide Renée het licht op hare kamer uit, gereed
+naar beneden te gaan; maar het venster opschuivende, bleef zij geboeid
+door de stille pracht van den avondhemel.
+
+Kleine, donzige wolken hingen bijna roerloos in het luchtruim en
+hoog boven hen troonde de maan, nu stralend in volle pracht, dan
+wegschuilend en slechts door een matten glans verradend, waar zij
+was. De avondkoelte blies ritselend in de dorre bladeren, die nog
+aan de heesters in den tuin hingen; overigens was alles stil.
+
+Renée kende de stemmen der natuur, zij was er vertrouwd mede; en
+terwijl zij daar stond, kwam plotseling een gevoel van bevrediging,
+van vertroosting over haar. Een diepe zucht steeg op uit hare borst,
+welsprekender dan stroomen van tranen. Zij kon den blik niet afwenden
+van dien avondhemel, die haar als een lieve oude bekende was. Zij had
+willen heenvliegen als een vogel, dáár, ver door die glanzende ruimte,
+die schoonheid, die heerlijkheid te gemoet--en ver van dat salon
+beneden, vol vreemde menschen. O, dat verlangen in haar hart!--zij
+wist niet waarnaar;--dat heimwee!--zij wist niet waarheen. In hare
+nieuwe omgeving gevoelde zij zich zoo misplaatst, zoo neergeworpen,
+als een plant, welker wortels ruw zijn losgerukt en in den nieuwen
+grond zich maar niet vasthechten kunnen. Haar omzweefden duizend
+liefelijke herinneringen, gelijk ieder mensch ze met zich omdraagt,
+visioenen van "vroeger," van alles, wat eenmaal het geluk uitmaakte
+van het nu eenzame hart.
+
+Zij gevoelde het, meer dan zij het onder woorden brengen kon: in
+dit huis was liefheid, aanhaligheid, schijnbare hartelijkheid--maar
+dit waren alle slechts armzalige nabootsingen van het heerlijke,
+zuivere goud der ware liefde, dat tot hiertoe zijn glans op haar
+had afgestraald.
+
+Haar hart, overvloeiend van erkentelijkheid en van de warme
+genegenheid, die de jeugd zoo spoedig heeft weg te schenken, had zich
+reeds bij de wel niet koele, maar toch evenmin warme ontvangst half
+gesloten, als de pas geopende rozeknop voor den killen adem van den
+noordenwind: en nu lag het in hare borst als een gegrendelde schatkamer
+vol kostbaarheden: liefelijke herinneringen, zoete gedachten, lieve
+geheimen...
+
+Zij wendde zich van het venster af; het was haar als had zij met het
+verleden gesproken. Zij gevoelde zich verkwikt.
+
+Toen zij vijf minuten later de gezelschapskamer binnentrad, was zij
+met haar opgewekt glimlachje geheel naar genoegen harer tante; naar
+het scheen had zij al hare droefheid op hare kamer achtergelaten.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Hoe zonderling dat wij voor een keerpunt in ons leven kunnen staan,
+zonder dat een geheim voorgevoel ons waarschuwt. Hoe zonderling dat wij
+het wezen naderen dat de hoofdrol in ons lot spelen zal,--naderen,
+altijd meer, tot wij eindelijk van aangezicht tot aangezicht
+staan,--zonder dat ons hart sneller klopt, of ons gesprek hapert,
+of onze hand beeft.
+
+Renée Gerlings was rustig de trap afgedaald en met vlugge stapjes
+de vestibule doorgeloopen zonder eenige bijzondere gewaarwording;
+en toen zij tegenover Hugo Freeze stond, zag zij hem onbevangen aan,
+eenvoudig denkende: "Zoo, zoo, is dit nu de veelgeprezen Huug." En zij
+legde hare kleine hand in de zijne, omdat hij de broer harer tante
+was en begon op zijn innemende vragen met den grootsten eenvoud en
+natuurlijkheid te antwoorden.
+
+Haar rijzig en slank figuurtje--slank van natuur en niet door
+kunstmiddelen--kwam allerliefst uit in het zilvergrijze japonnetje
+met polonaise en demi-traîne; de zilveren sieraden pasten uitstekend
+daarbij en haar jong gezichtje kwam in die zachte nuances geheel tot
+zijn recht. Het was waar, zij had blanker kunnen zijn, maar er was
+niets liefelijkers denkbaar dan dit crême en rose van haar gelaat,
+waarin de heldere bruine oogen fonkelden als zonnen, en dat omlijst
+werd door glanzend, golvend haar, hetwelk haar tot een volslagen
+brunette stempelde. En ofschoon haar mond zeker wat kleiner had kunnen
+zijn, reiner, kinderlijker uitdrukking, dan in den vorm der lippen lag,
+was niet mogelijk, terwijl al hare bewegingen die rustige waardigheid
+hadden, welke men somtijds opmerkt bij jongelieden, die met ernst
+zich een karakter vormen.
+
+"U hebt pas uw papa verloren, niet waar?" vroeg hij na de eerste
+voorstelling en begroeting, en in den blik, (hij had dezelfde
+eigenaardige fluweelzwarte oogen zijner zuster) waarmede hij op haar
+neerzag, lag een wereld van goedhartige deelneming.
+
+"Ja," antwoordde zij zacht en keek dankbaar naar hem op; want zij
+had reeds bemerkt dat oom en tante niet gaarne meer dan strikt noodig
+was over haren lieven doode spraken.
+
+"Hebt u hem gekend?" vroeg zij met een flauwe flikkering van hoop.
+
+"Neen, ik heb uw papa nooit ontmoet," antwoordde hij met een stille
+spijt. "Maar," jokte hij haastig, "ik heb dikwerf mijn broer en zuster
+met veel sympathie over hem hooren spreken.... Hij is zeker wel altijd
+een trouwe, lieve vader voor u geweest."
+
+"O ja," zeide zij, weer even zacht, en sloeg toen haastig de oogen
+neer, wijl de herinnering aan die trouw en liefde er tranen in te
+voorschijn riep.
+
+"Ik herinner mij," ging hij vriendelijk voort, hoewel eenigszins
+aarzelend, want heel zeker wist hij het niet meer, "indertijd uw
+oom Albert te hebben hooren vertellen dat uw papa uit den dienst was
+gegaan om uwentwil."
+
+"Ja, ik was, toen mama stierf, zoo aan de dienstboden overgelaten. Papa
+heeft zich toen geheel aan mij gewijd."
+
+Hij vond dat hij nu genoeg over den overledene gepraat had en bracht
+met tact het gesprek op een ander onderwerp.
+
+"Ik hoop nu maar dat u hier zult kunnen gewennen. Dat gaat zeker nog
+niet best?"
+
+"Waarom denkt u dat?" vroeg zij, hem nog niet geheel aanziende,
+verlegen over hare tranen, die maar niet onder hare oogleden drogen
+wilden.
+
+"Omdat ik mij dat wel begrijpen kan. U voelt u (ik geloof wel dat ik
+het kan raden) als een veldbloempje overgeplant in een trekkas. Is
+'t niet zoo?"
+
+Hij had iets vertrouwelijks over zich, iets hartelijks, iets,
+wat iedere vrouw aantrok tot wie hij met zijn innemenden glimlach
+en bedaarde, vloeiende stem het woord richtte; en zooals hij zich
+nu onder het spreken tot haar overboog, begon hij ook Renée zeer
+aantrekkelijk toe te schijnen.
+
+"Wel een beetje," gaf zij toe, verrast dat hij zoo juist in woorden
+bracht wat zij onbewust had gevoeld. "Maar er zijn vriendelijke tuinlui
+in de serre...." Zij wilde er nog iets bijvoegen, maar bedwong zich,
+vreezende onoprecht te zullen worden.
+
+Hier werd hun kort gesprek door de komst van andere gasten gestoord.
+
+Hij raakte met de heeren over politiek aan het disputeeren, zij werd
+door de dames in beslag genomen; en een gegons van stemmen begon,
+nu en dan afgebroken door een opklinkenden lach of een korte stilte,
+maar overigens gestadig voortdurende tot de gasten zich aan de speel
+tafeltjes verdeelden.
+
+Soms, als het gesprek meer algemeen werd, ontmoette Renée zijn
+welwillenden blik, maar merkte dit nauwelijks op; althans zij ving
+dien juist even rustig op als den blik der oude dame naast hem. En
+hij, zonderling getroffen, zeide tot zichzelf dat haar gedrag in
+niets geleek op dat van sommige grootsteedsche gekkinnetjes, die hij
+kende. Terwijl hij zijne meeningen uiteenzette over de handelingen
+van den Duitschen keizer, volgde hij haar heimelijk met zijn blik,
+en merkte op dat haar oog hem volstrekt niet zocht noch volgde; zij
+was kalm in gesprek, of soms, als zij zich onbespied waande, staarde
+zij droomerig voor zich uit, als waren hare gedachten elders. En
+voortdurend bleef het verlangen in hem levendig nog eens zulk een
+gesprekje met haar te kunnen voeren.
+
+Eerst tegen het souper gelukte hem dit.
+
+Renée stond juist alleen. Zij, nog geheel onder den indruk van haar
+groot verlies, was vermoeid van het vele hooren en vele spreken,
+en dacht met verlangen aan haar stil vertrekje, waar zij weer met
+zichzelf alleen zou zijn, waar zij hare schatkamer openen mocht en naar
+hartelust toeven bij hare schatten. Wat wist zij van deze mannen met
+hunne verschillende gezichten, ernstig, flauw of energiek;--en deze
+vrouwen, lieve en spraakzame, geestige, hartelijke of koele--en wat
+wisten zij allen van haar!.... Wat was hun verleden?.... Waar waren
+zij opgegroeid? en hadden zij die herinnering aan hunne jeugd zoo
+lief als zij de hare?....
+
+Dit was dan nu een dier conversatie-avondjes, waarover papa haar
+steeds met zooveel vermakelijken spot had gesproken; en nu begreep zij
+hem zoo goed! Zij was beu van het gegiegel en gebabbel en gelispel om
+haar heen, en toch kon zij zich voorstellen dat zij zich misschien zou
+hebben vermaakt, ware zij in een andere stemming geweest. Maar nu was
+hare ziel nog geheel vervuld van een groote treurigheid, die als een
+schoone smart was,--als een treurmuziek, die voortzong en voortzong,
+haar boeiende en hare gedachten afleidende. Mocht zij al uiterlijk een
+vroolijk jong meisje schijnen, innerlijk was zij een gebogen gedaante
+in rouwgewaad, wijlend ver van dit salon vol gemaakte vroolijkheid en
+schijn. En haar oog was scherper en haar oor gevoeliger, waar tegen
+de waarheid gezondigd werd.
+
+Hoor, dat groepje dames ginds lachte;--hoe onnatuurlijk klonk die
+lach!.... Nu ving zij eenige woorden van tante Lucie op, die in
+gesprek was met twee heeren, en Renée vond dat hare stem gemaakt
+klonk en dat zij er geéchauffeerd uitzag.... Andere dames maakten
+denzelfden indruk; het was als waren zij marionetten, opgewonden
+voor eenige uren, om straks tehuis weer gewoon te zijn. Blijkbaar
+streefden zij er allen in de eerste plaats naar dames du monde te
+zijn, daarna pas vrouw. Zij niet, o neen, zij nimmer. Zij zou altijd
+allereerst vrouw willen zijn, de rein-menschelijke vrouw, en daarna
+pas, als een onvermijdelijk iets, wereldlinge.
+
+Zie, nu luisterde oom oogenschijnlijk met belangstelling naar iemand,
+die over de nieuwe richting in de letterkunde sprak, een onderwerp,
+waaromtrent hij dien middag aan tafel nog verklaard had volkomen
+onverschillig te zijn.... En die dikke mijnheer dáár maakte aan
+tante een compliment over hare "eeuwige jeugd." Zou zij hem wel
+gelooven?.... Maar zij glimlachte toch heel gracieuselijk!
+
+Wat scheen zulk een bijeenzijn haar doelloos en vervelend! Er was
+iets scheefs in, er haperde iets. Haar aan zuivere toonen gewend oor
+vernam voortdurend dissonnanten. Was dit genot, als dat hetwelk zij
+kende? Was dit vriendschap?
+
+Daar plaatste zich een hooge gestalte tusschen haar en het gewoel,
+waarop zij staarde.
+
+"Hoe bevalt u dit staaltje van onze steedsche soirées?" vroeg hij
+met een zweem van ironie.
+
+Zij was te oprecht om iets anders te zeggen dan zij meende en wilde
+hem toch niet hinderen, waarom zij een ontwijkend antwoord gaf.
+
+"Naar één staaltje kan men ze niet in het algemeen beoordeelen,
+denk ik."
+
+"O, ja wel, zij gelijken alle op elkaar.... Nu, zeg het maar, het is
+niets voor u, geloof ik," riep hij op goed geluk.
+
+"Neen," gaf zij aarzelend en een weinig verlegen toe; maar toen,
+glimlachend naar hem opziende met het aangename gevoel hem te kunnen
+vertrouwen, zeide zij vrijmoediger: "Het kaarten vond ik het prettigste
+gedeelte van den avond."
+
+"Eigenlijk dacht ik niet dat u die kunst verstondt...."
+
+"Waarom niet? Juist op de dorpen wordt veel gespeeld. Wij hadden
+enkele gezellige vrienden."
+
+"Was het niet eentonig daar, vooral met zulk een stil huishoudentje?"
+
+"Een stil huishoudentje was het niet," protesteerde zij met hare
+eigenaardige beslistheid. "Daar was papa--en juf--en ik--en Toon
+de knecht--en de oude Kee--en dan Caesar. Zij brachten allen hunne
+drukte mee."
+
+"Wie was Caesar?" vroeg hij, zijn arm gemakkelijk op den
+schoorsteenmantel leggend, waarbij zij stonden.
+
+Hij schepte groot vermaak in haar eenvoud, en het was hem een
+verkwikking dat gezichtje vrij en rustig te mogen beschouwen, terwijl
+het naar hem opgeheven was. Geen zweem van behaagzucht ontsierde het;
+zij, die geen hulde zocht, bemerkte de zijne niet eens.
+
+"Caesar was mijn hond," antwoordde zij, denkend dat het toch
+vriendelijk van hem was haar zoo belangstellend te vragen naar alles,
+wat zij had verlaten, en met zooveel aandacht te luisteren naar
+alles, wat zij zoo gaarne vertelde. "Oom kreeg gisteren bericht van
+Toon dat de nieuwe huurder--een goed vriend van papa--de paarden zal
+overnemen. Maar wie wil een oude hond hebben? Hij is nu bij Toon in
+huis. Natuurlijk zal hij het daar niet zoo prettig hebben, als bij
+ons.... Hier kan hij niet zijn, dat begrijp ik wel; maar zoodra ik
+getrouwd ben, mag hij komen."
+
+Hij lachte gul.
+
+"Maar uw man?.... Die heeft toch ook wat te zeggen?"
+
+"Ja, dat is waar," gaf zij toe, een weinig uit het veld geslagen. "Maar
+misschien zal hij het wel goedvinden om mijnentwil, denkt u niet?"
+
+"Als ik hem spreek, zal ik het hem vragen," schertste hij. "Zoodra
+u kunt, moet u mij zijn adres opgeven."
+
+Zij wist niet goed wat te antwoorden en zweeg daarom. Zij had zeer
+weinig liefdesgeschiedenissen gelezen en beschouwde het huwelijk als
+de lotsbestemming van het meisje zooals een beroep de lotsbestemming
+is van een knaap. Waarom lachte hij dan, nu zij zeide: "zoodra ik
+getrouwd ben?"
+
+"U correspondeert natuurlijk met Caesar?" plaagde hij.
+
+Nu lachte zij ook en pareerde den aanval.
+
+"Ja zeker, in gedachten."
+
+"Waarlijk?--Nu, ik zou wat liefs willen geven om te weten wat u
+hem schrijft.... Eén ding zie ik," vervolgde hij ernstiger, met den
+lieven glimlach, die zijn gezicht zoo recht aantrekkelijk maken kon,
+"het hartje van de vrouw is al even trouw als dat van den hond. Is
+'t zoo niet?"
+
+Zij zag naar hem op.
+
+"Hebt u nooit een hond gehad?"
+
+"Ja, lang geleden; ik was toen pas tweede luitenant. Hij was mij een
+waar vriend."
+
+Zij zag dat hij met liefde aan dien tijd terugdacht en lokte nu hèm
+tot verhalen uit. En terwijl zij luisterde, merkte zij op dat hij
+goed sprak. Wat hij zeide, was wel niets buitengewoons: het was niet
+veel meer dan gewone salontaal, met een tintje van weemoedigen ernst
+vermengd; maar er lag in den toon zijner welluidende stem zulk een
+bekoring en er sprak zulk een warme waardeering uit zijn blik, dat zij,
+die zoo groote behoefte aan liefde had, een gewaarwording van geluk
+haar hart voelde verwarmen. En terwijl hij in den geest weder toefde
+in dien vervlogen tijd, toen hij een jongeling was vol droomen en
+idealen, was het hem alsof haar blik vol licht hem diep in het hart
+drong, en alles wat daar eenmaal goed en rein in hem geleefd had,
+wakker riep. Aan haar toonde hij in die enkele oogenblikken meer de
+goede zijde van zijn karakter, dan hij in vele jaren aan iemand deed.
+
+Bij Renée liet dit gesprek een aangename herinnering na. Maar dat
+was ook alles; toen zij zich ter ruste had gelegd, dacht zij er nog
+slechts in zooverre aan, dat zij in stilte overwoog wat zij aan Caesar
+schrijven zou, als zij het eens werkelijk deed.
+
+
+ "Lieve Cae, hoe gaat het je toch?--Ik denk altijd aan je, hoor,
+ en ik word nu al een echte dame. Ik heb nu dikwijls de japon
+ met den sleep aan; je weet wel, waar je altijd op trapte en
+ waarop je eens ging liggen om je te laten meesleepen. En weet
+ je nog hoe papa toen lachte en zeide dat jij mij bespotte? Maar
+ nu draag ik die dikwijls, zoodat ik op een dame gelijk,
+ en zal dus misschien wel gauw trouwen. Dan mag je komen,
+ Cae. Ik verlang erg naar je en in het geheim blijf ik altijd
+
+ de oude Renée."
+
+
+En Hugo Freeze was vergeten.
+
+Maar hij liep nog lang op zijne kamer op en neer. Zijne ziel was in
+ontroering. Het was hem alsof hij in een hemel geblikt had, en het
+was toch maar een meisjeshart. Niet hare schoonheid greep hem aan,
+hij had reeds zoovele schoone vrouwen bemind--maar hare onschuld. Die
+oogen--die reine kinderoogen! Nog altijd staarden zij hem aan,
+onbevangen en ernstig. Dat gezichtje, donzig, frisch en ongerept,
+met de aristocratische, even omgekrulde bovenlip, zoo fier en toch
+zoo kinderlijk;--die teedere leden, die rijzige gestalte.... het
+scheen hem, als smeekten zij om bescherming....
+
+Maar tegelijk was het hem als mocht hij die beschermer niet zijn,--als
+zou zijne aanraking haar ontheiligen.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+"Wat zien mijne oogen!" riep mevrouw Gerlings den volgenden dag uit,
+toen zij met Renée voor het raam zat te werken en een blik in het
+spionnetje wierp. "Daar heb je Huug zoo waarlijk!" en ontevreden
+merkte zij in stilte op dat hij niemand bij zich had.
+
+Het gezichtje van Renée bleef volkomen kalm, ook toen hij binnentrad.
+
+"Wel, waarde broeder," riep mevrouw Gerlings hem toe, "waaraan hebben
+wij de eer van je ongewone verschijning te danken?"
+
+"Aan twee redenen," antwoordde hij, terwijl hij zich naast zijne
+zuster in een hoek der canapé liet neerzinken juist tegenover Renée;
+"1º. kom ik vragen hoe de dames geslapen hebben; 2º. heb ik, naar
+het schijnt, hier mijne handschoenen laten liggen."
+
+"Renée," zeide zijne zuster lachend, (zij was in een bijzonder
+vroolijke luim, wijl haar soiréetje zoo goed geslaagd was) "ik zweer je
+plechtig dat de handschoenen de eenige aanleiding zijn. Onze nachtrust
+bekommert hem geen zier!--Zeg, Huug, een aardig avondje, hé? Uitstekend
+geslaagd. Wat hebben we ons laatst bij de Van Bevelant's verveeld!"
+
+"Ja, nogal," antwoordde hij verstrooid, naar Renée ziende, die
+aandachtig de steken van haar stramienwerk zat uit te tellen; want
+mevrouw Gerlings had voor eenigen tijd prijzen beloofd voor een
+liefdadigheidsloterij en was met veel ijver aan een canapékussen
+begonnen, dat echter onvoltooid was gebleven, tot Renée er zich nu
+vriendelijk over ontfermd had.
+
+"Jij hebt je ook goedgehouden. Je waart heel aardig, heel aardig,"
+ging zij voort, hem aanziende en juist den peinzenden blik opvangend,
+dien hij op Renée's gebogen hoofdje vestigde. "Maar Albert had
+het land. Heb je gezien hoe Kleevers hem bij een knoop van zijne
+jas vasthield, om over die vervelende letterkundige beweging te
+spreken? Mevrouw Kleevers stootte mij aan en wees het mij lachend;
+maar zij moest toch eens bedenken dat het voor de slachtoffers van
+haar man allesbehalve aangenaam is. Je moet weten, Renée, haar man
+schrijft zelf, zie je, en...."
+
+Zij praatte maar voort, schijnbaar volkomen natuurlijk; maar
+intusschen ontging het haar niet hoe Hugo zonder ophouden Renée
+gadesloeg met een bij hem ongewone belangstelling. Renée echter,
+die al hare aandacht verdeelde tusschen haar werk en het gesprek,
+bemerkte er niets van. Alleen gevoelde zij, toen zijne groote, maar
+zachte hand bij het afscheid de hare drukte, een hartelijkheid in dien
+druk, welke haar goeddeed; maar naar hem opziende, las zij in zijn blik
+meer ernst dan vroolijke vriendelijkheid, en hij zeide zóó eerbiedig:
+"Dag juffrouw Gerlings!" dat zij er zich zonderling door getroffen
+gevoelde en zich verwonderd afvroeg, waarom hij haar toch niet bij
+den naam noemde.
+
+"En de handschoenen?" riep mevrouw Gerlings, toen hij reeds bij de
+deur was.
+
+"O ja, dat is waar."
+
+De meiden werden ondervraagd; men zocht ijverig onder de kasten en
+commodes, tot zelfs de vazen op den schoorsteen werden omgekeerd,
+maar geen spoor van de verloren handschoenen was te ontdekken.
+
+"Nu, zij zullen wel terechtkomen," zeide hij eindelijk vrij
+onverschillig. "Adieu!"--en mevrouw Gerlings wist genoeg.
+
+"Vindt je hem geen knap man, zooals hij daar heengaat, Renée?" vroeg
+zij, schijnbaar alleen uit zustertrots, terwijl zij hem in het spion
+aanwees.
+
+"Ja, heel knap," antwoordde Renée vriendelijk.--"Zie eens, tante, wat
+zegt u er van? Vindt u niet dat ik flink gevorderd ben van middag?" en
+recht voldaan hield zij het werk omhoog en vroeg met hare lieve oogen
+een woordje van lof.
+
+
+
+"Albert!"
+
+Zij waren laat thuis gekomen van een avondje bij kennissen, zoodat
+mevrouw Gerlings nog niet veel tijd had kunnen vinden over hare
+ontdekking na te denken; maar nu--in bed--had zij de zaak nog eens
+rustig overwogen en kon niet laten haar man zijne meening te vragen.
+
+"Albert!"
+
+"Nu?" vroeg hij knorrig.
+
+"Neen, als je al slaapt, zeg ik niets."
+
+"Ik slaap nog niet. Wat is er?"
+
+Hij was eenmaal een flinke, vierkante, vroolijke jongen geweest,
+juist als zijn broeder, Renée's vader, en evenals deze had hij liever
+de wereld moeten ingaan, om lucht te geven aan het stormachtige en
+avontuurlijke in zijn karakter. Maar zijne levensomstandigheden hadden
+hem tot een eerzaam advocaat gemaakt, gekluisterd aan een vrouw, die
+hij met al den hartstocht van een reeds eenigszins gevorderde jeugd
+had bemind, maar welke hem niet begreep en ook nimmer begrijpen zou.
+
+Gelijk zij hem, den ernstigen man van studie, twintig jaren
+geleden had gevangen in een net van uiterlijke lieftalligheid en
+bekoorlijkheid, zoo had zij hem gedurende haar huwelijk gevangen
+weten te houden, fluweelig, zacht, vriendelijk, glimlachend. Hij
+haatte die gevulde salons, waarheen zij hem medesleepte;--die
+concertzalen, waar zij coquetteerde,--die balzalen, waar zij nog
+als jong meisje mededeed;--hij haatte ze, niet omdat hij haar nog
+liefhad, gelijk hij tot zichzelf met veel overtuiging zeide, maar
+omdat hij van eenvoud hield, van degelijkheid en waarheid. En toch
+gloorde daar nog een vonkje der oude liefde in zijn hart, dat--zij
+wist het wel--tot een hoog vuur had kunnen opvlammen, had zij zulks
+gewild en zich om zijnentwil veranderd. Maar zij was er volkomen
+onverschillig voor, en daar hij dit maar al te zeer begreep, was zijn
+humeur onaangenaam en prikkelbaar geworden. Soms nog brak hij wel met
+zijne breede schouders door de mazen van het net heen en bulderde het
+uit dat het hem verveelde en dat hij er den brui van gaf; maar dan
+glimlachte zij en herstelde met zijden draden, zacht maar ijzersterk,
+de verscheurde mazen, en hij schikte zich weer; reeds lang schikte hij
+zich en verschanste zich in zijne studeerkamer, en las of werkte. Zoo
+was hij langzamerhand een zeer knap en zeer belezen man geworden,
+maar ook een zeer knorrig huisgenoot.
+
+"Hebt je niets gemerkt?"
+
+"Wat dan?"
+
+"Neen, mannen merken nooit iets. Maar weet je wat ik gemerkt heb?--Dat
+Huug wel eens op den inval kon komen met Renée te trouwen."
+
+"Zoo-oo?" vroeg hij, blijkbaar verwonderd, zweeg toen een poos en
+snoof daarop. Hij snoof altijd als hij boos was.
+
+"Wat vindt je er van?"
+
+Zijn antwoord klonk brusque. "Dat zij veel te goed voor hem is."
+
+"Dat was mijne eerste gedachte ook," jokte zij slim. "Maar bij nader
+inzien zou ik het toch een uitstekend huwelijk voor beiden vinden. Hij
+komt er door tot rust en zij doet toch ook een goede partij met
+hem. Zij blijft dan in de familie, altijd onder jouw toezicht als
+'t ware: dat is een prettige gedachte voor je als oom en voogd. En
+Huug is toch zoo kwaad niet. Hem kennen we ten minste en van anderen
+weten wij niets. Ook zou Huug wel eens een minder prettig persoontje
+in de familie kunnen brengen.--Albert!"
+
+"Nu?"
+
+"Wat vindt je er van?"
+
+"Ik weet het nog niet," antwoordde hij kregel; maar zij hoorde zeer
+goed dat zij reeds veel gewonnen had.
+
+Pauze.
+
+"Albert!"
+
+Albert echter sliep reeds of hield zich zoo. Hij was nijdig over de
+combinatie, maar vond--slaperig als hij was--geen argumenten genoeg
+om een woordenstrijd te beginnen, waarin hij toch reeds vermoedde
+het onderspit te zullen delven. Honderdmaal sterker gevoelde hij
+zich tegenover zijne wel gewapende tegenpartijen in het gerechtshof;
+dáár won hij meestal het pleit.
+
+
+
+Toen Hugo Freeze dienzelfden avond uit de restauratie thuiskwam, waar
+hij had gedineerd, strekte hij zich als gewoonlijk op zijne sofa uit
+en greep een boek uit de pas gekomen portefeuille om zich den tijd te
+korten. Maar na eenigen tijd bleef zijn oog op enkele regels staren,
+die hij telkens en telkens herlas tot hij eindelijk opsprong, het boek
+van zich werpend. Het waren slechts weinige woorden uit een roman van
+Massi Bruhn, welke die uitwerking hadden: Per Gynt trok de groote,
+bonte menschenwereld in, omdat hij geen vrijheid vond het kind Solvegj
+aan zijn bedorven, verwoest leven te verbinden.
+
+En terwijl hij met groote stappen en gebogen hoofd de kamer op en neer
+liep, dacht hij aan een anderen Per Gynt en een ander kind Solvegj,
+maar deze laatste Per Gynt had zelfzuchtig en zonder zweem van wroeging
+het kind Solvegj "aan zijn bedorven, verwoest leven" willen verbinden.
+
+Op eens viel zijn oog op een aan hem geadresseerd briefje, dat tijdens
+zijne afwezigheid op zijne tafel was neergelegd.
+
+Hij opende het, als verlangend naar afleiding voor zijne pijnigende
+gedachten. Een hem welbekend parfum steeg naar hem op. Een kwartier
+lang liep hij met het papier in zijne hand, blijkbaar in heftigen
+tweestrijd. Toen,--als verdroot hem dat dobberen en weifelen--wierp hij
+haastig hoed en jas weer aan en verdween in de duisternis der straten.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Het was midden December, maar het scheen nog najaar, een sombere
+najaarsavond met geheimzinnig knappende vensters en onrustige
+jaloezieën; een donkere lucht, die volstrekt geen licht meer wierp door
+de zware draperieën voor de vensters, en in de straat een wilde jacht
+van pas afgewaaide bladeren--eerst in de lucht, dan op den grond;--een
+dolle dans, als wilden zij nog eens voor het laatst het leven genieten,
+eer zij voor altijd zouden vastkleven in het slijk en vergaan.
+
+In de achterkamer der suite van mevrouw Gerlings was het bijna geheel
+donker. Op de sofa lag mijnheer, een roerlooze gedaante, in zaligen
+namiddagsluimer verzonken, terwijl boven zijne vrouw hetzelfde genot
+smaakte.
+
+In de voorkamer brandde het blokkenvuur levendiger en wierp grillige
+schijnsels op meubels en wanden; ook op Renée, die droomerig in
+het vuur zat te staren, hare voeten koesterend weggedoken in de
+schapenvacht voor den haard, haar hoofd geleund tegen het fluweel
+van den fauteuil, haar oog in den spiegel tegenover haar den
+vlammenweerschijn bewonderd op het geschilderd plafond.
+
+En zij luisterde naar het lied van den wind, die steeds woester
+opstak. Van waar kwam hij, als hij zoo langs de vensters gierde, om
+in het volgend oogenblik weer uren verder te zijn? Had hij misschien
+juist met zijn onmeedoogend spel schepelingen tot wanhoop gebracht,
+en waren het wellicht hunne angstkreten, die hij medevoerde in zijne
+dolle vaart? Of was hij pas over den stillen grafheuvel gestreken,
+waaraan zij zoo dikwerf dacht, en ruischte wellicht het geritsel
+van het laatste beukenloover in zijn zang? Hoor, hoe weemoedig,
+hoe klagend! Wat zeide hij toch? Nu eens als in toorn, dan in stil,
+wanhopig geklaag ging hij voorbij, of floot in den schoorsteen,
+als riep hij haar, eenzame....
+
+Wat zeide hij, haar oude, lieve vriend?-- Ach, de tijd was voorbij
+dat zij zich door hem liet voortduwen in het veld of hem lachend
+trotseerde; dat hij haar plagend den hoed van het hoofd wierp of
+droppelen van de natte takken op haar neerschudde; dat hij hare
+krachten staalde en hare wangen rood kleurde. Neen, zij was nu een
+stadsnufje geworden: hij kende haar gewis niet meer....
+
+Zou zij hier altijd zoo blijven leven?
+
+'s Morgens opstaan en ontbijten, dan wat piano spelen of handwerken
+doen, koffiedrinken, visites maken of ontvangen, eten, schemeren en
+des avonds meest menschen zien of met oom en tante omberen.
+
+Van tante hield zij niet, neen, bepaald niet. Zij wist wel dat het
+verkeerd van haar was zulk een besliste antipathie te gevoelen:
+papa had haar daarover dikwerf onderhouden en zij deed ook wel haar
+best in tante het goede te zien. Maar het ging niet, het wou niet
+gaan.... Zij kon haar jeugdig bruisend bloed zoo gemakkelijk geen
+wetten voorschrijven, en die afkeer werkte neerdrukkend op hare
+stemming.
+
+En oom was zoo anders dan zij zich hem gedroomd had; goed, heel goed,
+maar in huis niet prettig. Zij begreep hem niet. Toch kon zij wel
+van hem houden, al was die genegenheid te lauw om haar geluk te
+verhoogen....
+
+Wat was het stil in de kamer! Slechts nu en dan eenige haastige
+voetstappen in de straat, het samenspreken van enkele voorbijgangers
+of een snel voortrollend rijtuig--dat was alles, wat men van buiten
+hoorde. En binnen slechts de tik der pendule, het knappen van het
+vuur en de eenigszins zware ademhaling van den slapende.
+
+Nu gingen er officieren voorbij; zij hoorde hunne beschaafde, vroolijke
+stemmen, die langzaam wegstierven, en het gerinkel hunner sabels,
+dat haar aan Hugo Freeze herinnerde.
+
+Hij trok haar aan. En eerst had zij gemeend ook in zijn smaak te
+vallen: hoe had zijne vriendelijkheid haar goedgedaan! Maar sedert
+dat bezoek ter wille der handschoenen, die nooit gevonden waren,
+was hij niet teruggekomen, en zelfs van zijn gewoon veertiendaagsch
+avondje had hij zich reeds tweemaal afgemaakt.
+
+Eerst gisteren op een wandeling hadden tante en zij hem toevallig
+weder ontmoet, en hij had zich bij hen gevoegd en hen vergezeld. Zij
+had bewondering gelezen in zijn blik, toen hij haar begroette, en hij
+had haar met zonderlingen ernst een sneeuwklokje genoemd. Niet heel
+toepasselijk, vond zij, want het pakje was van donkergroen laken met
+grijs bont afgezet, en haar groote Rembrandthoed van vilt met witte
+veer; maar zij wist niet dat hare geheele verschijning opnieuw met
+overweldigende bekoring een indruk van onschuld en reinheid op hem
+gemaakt had.
+
+Wat hadden zij veel gepraat, veel, waaraan zij sedert met genoegen
+terugdacht! En een arm klein meisje, dat "een centje" vroeg had hij
+een kwartje in de verkleumde vingertjes geduwd met een hartelijke
+vermaning nu naar huis te gaan.
+
+"Zoo lief!" vond zij, glimlachend bij de herdenking.
+
+Ja, dat was een prettige wandeling geweest. Voor hem gevoelde
+zij sympathie;--maar hoewel hij heel vriendelijk voor haar was,
+hem aantrekken deed zij toch niet, vreesde zij. Dan zou hij immers
+meer komen!....
+
+En zij zuchtte; en terwijl zij naar den langzaam verminderden
+gloed achter het koperen vuurschermpje staarde, gevoelde zij zich
+eenzamer dan ooit. Haar hart dorstte naar liefde, naar warmte,
+en het versmachtte; het wensen te zijne schatten in ruil te geven
+en niemand vroeg er naar.... Maar dit alles begreep zij niet. Zij
+beknorde zichzelf, omdat zij niet tevreden was, en zou niemand hebben
+durven vertellen dat zij soms heimelijk schreide, zonder eigenlijk
+te weten waarom.
+
+Zij keek eens naar de achterkamer, verlangend naar afleiding. Neen,
+het reeds grijzende hoofd van oom, het eenige, wat zij in de duisternis
+van hem kon onderscheiden, lag nog even roerloos.
+
+Daar werd zacht aan de huisdeur gescheld, en even behoedzaam werd na
+eenigen tijd de deur der voorkamer geopend. Tot hare verwondering
+herkende Renée, toen zij omzag, het fijnbesneden gelaat van Hugo
+Freeze.
+
+"Juist zoo dacht ik u te vinden," zeide hij met gedempte stem, terwijl
+hij haar de hand reikte. "U zei mij gisteren het schemeruurtje zoo
+eenzaam te vinden. Mag ik u wat gezelschap houden?"
+
+Vijf weken lang had hij de machtige ontroering, door zijne ontmoeting
+met Renée gewekt, dwaasheid genoemd, en zijn best gedaan zich
+"dien onzin uit het hoofd te zetten." Haar fortuin was immers niet
+groot genoeg om zijn huwelijk "brillant" te maken, en dan: zij was
+"zoo'n kind!" Hij was geheel de oude Hugo Freeze weer geworden en,
+toch--toch was haar beeld hem soms verschenen, juist waar hij haar
+het liefst vergeten had; toch was hare stem in zijn oor blijven hangen
+als zachte, gewijde muziek, die tot het goede wekt.
+
+De onverwachte ontmoeting van gisteren, toen hij haar zag naderen over
+de sneeuw in hare onbewuste bekoorlijkheid, had voor het oogenblik
+uit zijn hart alle andere indrukken weggevaagd. Sedert die wandeling
+beheerschte hem een vurig verlangen haar opnieuw te zien en te spreken,
+en hij wist niet beter te doen dan maar dadelijk zichzelf zijn zin
+te geven, als een bedorven kind, dat weer een nieuw stuk speelgoed
+opgemerkt heeft, en er telkens weer naar gaat zien, hopende het
+te krijgen.
+
+"Het is heel vriendelijk van u," zeide zij, en hij zag met voldoening
+een blijden glans in hare "kinderoogen."
+
+"Neen, neen, er is ook egoïsme bij," wierp hij tegen, een fauteuil
+aanrollend. "Eigenlijk vrees ik dat het geheel en al egoïsme is.--O,
+wat zitten wij gezellig nu!"
+
+Zij lachte om zijn welbehagen.
+
+"Ja, dat lijkt u nu misschien overdreven," ging hij voort op zijne
+eigenaardige, vertrouwelijke manier, "want dames hebben het altijd
+gezellig. Zij scheppen dadelijk op eene of andere manier gezelligheid
+om zich heen, maar een man verstaat die kunst niet. Ik ten minste
+niet. Op mijne kamer is het nooit gezellig."
+
+"Misschien omdat u er alleen ben...."
+
+"Misschien wel, ik weet het niet," antwoordde hij langzaam en keerde
+zijn gelaat naar het vuur, gevoelende dat zij hem uit haar donker
+hoekje met sympathie gadesloeg. "Ik denk dikwijls," ging hij zacht
+voort, "aan de woorden van ik weet niet welken schrijver: Laat het
+vriendelijk schijnsel van uw gezellig tehuis lichten voor den eenzamen
+wandelaar daarbuiten.--Die woorden zou ik wel alle getrouwde dames
+willen toeroepen ten aanzien van jongelui, die geen gezellig te
+huis hebben."
+
+Er was een weemoedige klank in zijne stem, die haar medelijden wekte,
+en zij kon niet dadelijk antwoorden, denkende hoe gaarne zij zelf in de
+gelegenheid zou zijn hem zulk een gezellig pied-à-terre aan te bieden.
+
+"Knap-knap!" zeiden de spattende vonkjes in den haard en vlogen
+den schoorsteen in, waarin de wind zoo weemoedig zong en suisde,
+dat beiden onwillekeurig er een oogenblik naar luisterden.
+
+"Tante klaagt toch dat u zoo zelden komt," zeide Renée eindelijk,
+als slotsom van haren gedachtengang.
+
+Hij glimlachte--niet zonder verlegenheid.
+
+"Ja, zij heeft gelijk: ik kom niet dikwijls."
+
+Hij kon hier niet zeggen dat hij in het geheel niet van zijn
+schoonbroeder en weinig van zijne zuster hield; maar Renée's vlug
+verstand deed haar het laatste raden.
+
+"Hij is ook van ander hout gesneden," dacht zij met zekere vreugde,
+en gevoelde zich te meer tot hem aangetrokken.
+
+"Maar ik zal voortaan dikwijls komen," ging hij voort. "Hoe kan ik
+straks naar huis wandelen en op mijne eenzame kamer terugkeeren zonder
+heimwee te gevoelen naar dit gezellig plekje aan den haard?"
+
+Hij zeide niet dat hij iederen avond uit was. Hij vond het aangenaam in
+hare oogen medelijden te lezen, ja, verbeeldde zich op dat oogenblik
+zelf beklagenswaardig te zijn en daarin duizend verontschuldigingen
+voor zichzelf te mogen vinden. Dien morgen had hij met zekeren
+theatralen ernst tot zichzelf gezegd dat hij een ander mensch worden
+moest, en onder den invloed van zijn verlangen naar haar had hij
+dien ganschen dag een zekere sentimentaliteit in zien gekweekt,
+die hem in eene weeke stemming bracht.
+
+"Hebt u wel eens heimwee gevoeld?" vroeg hij met een hem anders geheel
+vreemden ernst.
+
+"Ik geloof het wel," antwoordde zij en hare oogen kregen een vochtigen
+glans, maar dat zag niemand.
+
+"Het is nog niets," vond hij, "als men maar ergens heen kan gaan om het
+te verzetten, zooals ik nu, bij voorbeeld.... Wanneer voelt u heimwee?"
+
+"Och soms!" antwoordde zij zacht.
+
+"Hier natuurlijk!" hernam hij, voor haar gevoelende.
+
+"Het was dáár zeker een heel ander leventje," ging hij vriendelijk
+voort, denkende dat het haar goed zou doen eens over het verleden
+te spreken. "Ik kan mij het echte buitenleven zoo moeilijk
+voorstellen. U weet: ik ben tusschen huizen en menschen geboren en
+groot geworden. Vertel mij eens: hoe leeft men daar bij u?"
+
+En zij verhaalde met hare lieve, melodieuze stem, terwijl de wind
+met verdubbelde kracht tegen de vensters blies, als wilde hij haar
+overstemmen. Zij verhaalde--eerst beschroomd, daarna vrijer, eindelijk
+met geestdrift--van hare bosschen en weiden, van zonsondergang en
+sterrenhemel, van verre tochten en lievelingsplekjes.... tot hij
+wenschte te zijn groot geworden als zij. Misschien, zoo dacht hij,
+met het onbestemde verlangen naar volmaking, zwakkelingen eigen, zou
+daar een ander, een beter man uit hem geworden zijn. En hij wenschte
+altijd in hare nabijheid te kunnen zijn, altijd dien reinigenden
+invloed te mogen ondervinden....
+
+Zij zweeg reeds eenigen tijd, toen hij daaraan nog altijd dacht.
+
+"Vindt u niet dat dit weer iemand in een geheel bijzondere stemming
+brengt?" vroeg zij, meenende dat hij naar den wind luisterde. "Wat
+bent u in gepeins!"
+
+"Ja," antwoordde hij, terwijl juist de voetstap zijner zuster op de
+trap gehoord werd, "onwillekeurig geraakt men onder den invloed. Weet
+u waaraan ik dacht," vervolgde hij met een zonderlingen klank van
+aandoening in zijne stem, die zijne woorden tot gefluister deed dalen,
+"terwijl ik zoo stil naar u luisterde, dacht ik aan de woorden van
+La Bruyère: l'harmonie la plus douce est le son de voix de celle que
+l'on aime."
+
+Toen stond hij haastig op om zijne zuster te gemoet te gaan, die juist
+de deur opende. En Renée keerde haar gezichtje van het vuur af om
+den blos te verbergen, dien zijn woorden hadden te voorschijn geroepen.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Ook oom Albert ontwaakte, onbewust van het gesprek in zijne nabijheid
+gevoerd; maar geprikkeld tot kregeligheid, toen Hugo hem lachend
+toevoegde: "Wel, Albert, Albert, ik dacht niet dat je zulke slechte
+nachten maakte. Wij hebben hier zitten praten als redenaars en je
+bleef maar snorken."
+
+"Wie--wij?" vroeg Albert stug, die door Hugo's lange afwezigheid alle
+vrees voor een mogelijke verbintenis reeds uit zijn hoofd gezet had.
+
+"Juffrouw Gerlings en ik natuurlijk. Luus zal boven wel in mol-tonen
+dezelfde muziek hebben gemaakt!"
+
+"Het ware te wenschen," zeide Albert vinnig, terwijl hij in den
+fauteuil ging zitten, zoo even door Hugo verlaten, "dat alle jongelui
+zulke lange nachten maakten als ik!"
+
+En toen snoof hij eens recht verontwaardigd, met voldoening tot
+zichzelf zeggend dat deze woorden ad rem waren.
+
+De beide schoonbroeders stonden altijd tegenover elkaar in bedekten
+strijd; maar Hugo sloeg er zich altijd met zekere gratie doorheen. Hij
+vond drift en boosheid en hatelijkheid lastige dingen, vermoeiende
+dingen, waarmede hij zich liever niet inliet, en niets scheen hem
+onaangenamer dan een feitelijke breuk met een bloedverwant, die
+algemeen hoog gezien en geacht werd.
+
+"Ja, ja," antwoordde hij luchtig, terwijl hij voor zijne zuster het
+gas aanstak, "dat is tegenwoordig treurig: als je dat eens allemaal
+wist!...."
+
+Albert plaatste zijne beide handen binnenwaarts op zijne knieën en
+staarde met verbitterden blik in het vuur.
+
+"Ja, jij zult wel beter op de hoogte zijn dan ik."
+
+"Zeker--in de militaire wereld gaat heel wat om. Qu'y faire! 't Is
+de geest van den tijd, en dien moet men eerbiedigen, niet waar?"
+
+"Neen, dat ben ik volstrekt niet met je eens.... Och, Renée, je
+staat er zoo dicht bij; lees eens voor wat er vandaag op den kalender
+staat. Het heeft mij van morgen getroffen, maar ik herinner het mij
+niet juist."
+
+Hugo volgde de slanke gedaante met warmen blik, toen zij naar den
+kalender ging en de woorden van Lavater voorlas: "Vereer al wat
+eerwaardig is, hoezeer de geest van den tijd het veracht. Veracht al
+wat verachtelijk is, hoezeer de geest van den tijd het vereert."
+
+"Daar heb je 't!" vervolgde Albert, "en de toepassing is niet ver
+te zoeken. Er wordt tegenwoordig door vele jongelui eene levenswijze
+vereerd, die door en door verachtelijk is, een levenswijze, iederen
+man van karakter onwaardig."
+
+"Tut, tut!--Il faut que jeunesse se passe," kwam zijne vrouw
+vergoelijkend tusschenbeide.
+
+"Ziedaar het devies van onze ridders à la mode!" riep hij uit
+met een minachtend handgebaar. "Dat devies staat op het vaandel,
+waarmede zij de wereld inmarcheeren: il faut que jeunesse se passe. En
+daarmede gooien zij alle zelfbeheersching, allen innerlijken strijd
+overboord. Welke verzoeking ook lokt, de jonge man mag toegeven,
+want.... il faut que jeunesse se passe. Ha, ha, prachtig! En wat
+zijn de resultaten? Hoe treden zij in de maatschappij?--O, schijnbaar
+heel netjes en ordentelijk, en zij trouwen en nemen hunne betrekking
+waar. Maar karakter brengen zij niet mee. Waar zouden de ventjes dat
+ook in eens vandaan halen, na altijd aan al hunne zinnen en lusten
+te hebben toegegeven! Lekker eten, goede sigaren, mooie vrouwen
+en--rust--ziedaar hunne levensidealen."
+
+"Hm!" waarschuwde zijne vrouw met een blik op Renée, die ijverig
+bezig was thee te zetten; maar hij bemerkte het niet.
+
+"Il faut que jeunesse se passe!.... En als die jeunesse voorbij is,
+zullen ze op eens veranderen, meen je? Poe!-- Dan hebben ze geleerd het
+huwelijk als een eenvoudige handelszaak te beschouwen, een uitrekening,
+hoe men wel het luist en gemakkelijkst aan zijn eind kan komen,
+en die het niet naar zijn zin kan doen, blijft maar liever ongetrouwd."
+
+Hugo, die in muziek bladerde, begon zacht een deuntje te fluiten;
+hem hinderde dit gesprek in tegenwoordigheid van Renée. Hij kende
+die duistere zijde van het leven, maar háár wilde hij slechts de
+zonzijde doen kennen. Het was hem, terwijl hij daar stond en niet
+wist hoe den bruisenden stroom van Albert's woorden te stuiten, of
+hij hare ooren moest dichtstoppen, opdat geene gedachte zelfs aan
+die sombere schaduwen hare reine ziel bezoedelen zou.
+
+"In mijne jeugd spotten we nog niet met alles, wat hoog en goed is;
+in geestdrift zagen we nog niets belachelijks en godsdienst vonden we
+nog wel waard om er over te disputeeren, ook toen we al dertig jaar
+waren. In dien tijd heb ik wel eens iemand in heiligen ernst hooren
+zeggen dat hij wenschte bij de muziek van Weber's Letzte Gedanke te
+kunnen sterven; nu zingen de jongelui op die wijs:
+
+
+ In die Kneipen laufen,
+ Und sein Geld versaufen
+ Ist ein höher, herrlicher Beruf.
+
+
+Ik ontken niet dat sommige auteurs wat te sentimenteel waren, maar
+men is nu tot een ander, veel treuriger, uiterste vervallen, en boek
+na boek legt men onvoldaan uit de hand. Het hooge in de menschelijke
+ziel blijft onbevredigd, en het geslacht dat nu opgroeit zal heimwee
+gaan gevoelen naar wat ouderwetsche warmte, wat ernst, wat geestdrift
+en gevoel.... Als ik kinderen had, zou ik ze ouderwetsche lectuur in
+handen geven, niet de lamlendige, ziellooze pennevruchten, waarmede wij
+nu worden bedeeld door droomende jongens en overprikkelde mannen. Wij
+noemden een huwelijk uit liefde nog geen dwaasheid uit passie, (het
+verschil tusschen passie en liefde weten ze ook al niet meer!) en
+wij vonden nog niet voornaam om voor alles onverschillig te schijnen."
+
+Hij poosde even om op adem te komen of was misschien in bittere
+gedachten verdiept, en dit oogenblik nam Hugo Freeze waar om een
+smeekenden blik op zijne zuster te werpen en haar met dienzelfden
+blik Renée aan te wijzen, die in een fauteuil was gaan zitten, zeer
+op haar gemak, blijkbaar om eens aandachtig te luisteren naar oom's
+redeneeringen; ten minste, zij staarde hem met groote, peinzende
+oogen aan.
+
+"Als de meisjes nu ook eens zoo deden," barstte Albert weer los. "Zoo
+heel geniepig, weet je, en dan trouwden--met allerlei herinneringen en
+oude bekenden en geheimen! Welke ideaal-huwelijken zouden we dan...."
+
+"En wie wil er nu een lekkeren kop thee?" viel zijne vrouw
+op eens in. "Ha, ha, ha!--Maar man, wat heb je toch voor
+invallen! Ha, ha! Komaan, houd nu op met brommen.... Kijk, geurig
+en warm,--Alsjeblieft!.... Alsjeblieft!.... Zie zoo.--Zeg, Huug,
+blijf je vanavond: dan maken we een gezellig partijtje, hè!"
+
+"En hier is de portefeuille van het leesgezelschap. Kijk eens, Albert,
+in dat tijdschrift staat het portret van je ouden vriend, hoe heet
+hij ook weer? Zijne levensgeschiedenis staat er ook bij.--Hier Renée,
+de modejournalen, zoek nu eens uit hoe wij je nieuwe japonnetje zullen
+nemen, hè?--Vindt je dat hij gelijkt, man?"
+
+
+
+Dien avond dacht Renée, toen zij zich ter ruste legde, dat zij het hier
+"toch wel prettig" vond. Zij gevoelde zich minder eenzaam. Het was
+haar alsof zij een vriend gevonden had, of haar onbestemd verlangen
+gestild was en haar heimwee een einde had.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Het was Nieuwjaarsmorgen.
+
+De winterzon keek door alle vensters, waar zij kon binnendringen
+en sprak van blijdschap en hoop. In de straten klonk het vroolijk
+gedruisch van vele voetstappen, van hartelijke begroetingen en
+opgewekte menschenstemmen.
+
+Binnen was de eigenaardige rust van den Zondag: een opstaan zonder
+doel, een langzaam ontbijt en dan.... een wachten op koffietijd.
+
+Mijnheer Gerlings zat in zijne studeerkamer, want hij zou dien middag
+op reis gaan naar een goed vriend, wiens recht in een proces hij
+bepleiten zou, en snuffelde nu nog wat in zijne aanteekeningen. Mevrouw
+dribbelde heen en weer door het huis en Renée stond, na het ontbijt
+te hebben weggeruimd, bij de tafel en las beurtelings al de reeds
+bezorgde kaartjes.
+
+Zij droeg een bijzonder elegante peignoir van crêmekleurig laken met
+witte kant, een japon, die zij in allen ernst "veel te mooi!" had
+verklaard, toen tante die wel geschikt voor haar vond. Maar nadat het
+gebleken was dat de peignoir haar uitstekend kleedde, had tante haar
+die laten thuis bezorgen.
+
+"Och, een aardigheidje!" zei ze afwerend, toen Renée haar hartelijk
+dankzegde, "alleen--iederen dag dragen, hoor!"
+
+Mevrouw Gerlings toonde in alle opzichten de grootste belangstelling
+in Renée's uiterlijk.
+
+"Ja, ja, ik pronk graag met mijn nichtje," zeide zij wel eens bij
+wijze van verklaring, als zij weer eens een bevallig wandeltoiletje
+had uitgedacht of een élégante avondjapon; maar in werkelijkheid was
+daar een geheel andere reden voor die belangstelling. Het denkbeeld,
+Hugo en Renée een paartje te zien worden, lachte haar zóó toe, dat zij,
+wetende hoe gevoelig hij was voor de bekoring eener goedgekleede vrouw,
+alles deed om Renée's aantrekkelijkheid te verhoogen.
+
+En zoo stond zij daar nu, slank en bevallig, half vrouw, half kind. Zij
+nam de kaartjes beurtelings op en las de namen; maar zij deed het
+werktuiglijk: hare eigenlijke bezigheid was denken.
+
+Zij dacht aan de verloopen veertien dagen, die als een heerlijke droom
+waren voorbijgegaan met vele ontmoetingen, en vele gesprekjes, en vele
+handdrukken vol gloed, en vele blikken vol onuitgesproken wenschen.
+
+Zou hij haar liefhebben?--zóó lief, dat hij haar vragen zou?
+
+Zij was in een voortdurende spanning, maar het was een heerlijke
+spanning, vond zij. Er was immers geen twijfel meer, zijne liefde
+verried zich op duizenden wijzen, eenvoudig omdat hij die niet
+verbergen kon. De vraag was niet meer òf hij spreken zou, alleen
+wanneer?....
+
+Oom Albert had blijkbaar tegen hem.... Waarom toch?.... Neen, dat kon
+zij maar niet doorgronden.... Maar oom Albert was een brompot.... Men
+moest natuurlijk rekening met hem houden als voogd, maar tante had
+veel invloed op hem, en Huug had veel invloed op tante. Zoo zou alles
+wel in orde komen.... De persoonlijke meening van oom behoefte haar
+niet te verontrusten. Hij was blind. Kon zij hem de blinde oogen
+toch openen!.... Hoe kon hij eigenlijk blind zijn!--Het was haar als
+moest Huugs' volmaaktheid ieder in het oog vallen.... Voor háár ging
+er licht en warmte van hem uit als van een zon, en het verwonderde
+haar hoe iemand hare zon onopgemerkt kon voorbijgaan. Zij benijdde
+zijne hospita en zijn oppasser, die voor hem mochten zorgen, en zijne
+kameraden, die veel met hem omgingen. Zijne minderen moesten hem wel
+hoog vereeren, meende zij, en zijne meerderen hem hartelijk genegen
+zijn.... Voor haar ging er bekoring uit van alles wat hem toebehoorde
+of van verre maar met hem in betrekking stond.
+
+Wat ging die bel vandaag!.... Maar nu scheen het wel een bezoeker....
+
+Zij hief het hoofd op, luisterend.
+
+Ja, dat was zijne stem, die de meid vroeg of de familie in de suite
+was. Een blos van blijde verrassing steeg haar naar het gelaat, en
+met dubbele aandacht begon zij het kaartje te bekijken, dat zij in
+de hand had.
+
+Monsieur et madame Verhulst, p. f.... Monsieur et madame Verhulst,
+p. f.... Wat klopte dat hart toch!--Monsieur et madame....
+
+Daar ging de deur open, en hij zag haar staan, slank en rijzig in haar
+rijk gewaad, haar blozend kopje uitkijkend boven den kraag van breede
+witte kant, terwijl twee beschroomde oogen naar hem werden opgeheven.
+
+"Tref ik u alleen?" vroeg hij, schijnbaar verwonderd. "Ik kwam om u
+mijne hartelijke gelukwenschen aan te bieden, juffrouw Gerlings."
+
+"Dank u," antwoordde zij lachend. "Maar nu moet ik toch eerst weten
+wat u mij als geluk toewenscht.--U komt toch niet met een gemeenplaats
+hier?" vervolgde zij plagend.
+
+Zij dacht hem in het nauw gebracht te hebben, maar hij was niet gewoon
+zich in het nauw te laten brengen.
+
+"Zeg mij dan," vervolgde hij, terwijl hij dicht bij haar kwam staan
+en met teederen glimlach op haar neerzag, "wat u dit jaar u als
+geluk droomt."
+
+Een gloeiende blos overtoog opnieuw haar gezichtje, zij sloeg de
+oogen neer en bleef het antwoord schuldig. Want voor haar was maar
+één geluk mogelijk: zijne liefde.
+
+"Kunt u ook raden wat ik mij als geluk droom?" vroeg hij zacht.
+
+Zij verzamelde al hare krachten om zich goed te houden en zeide:
+"Promotie natuurlijk!"
+
+Hij gevoelde zich teleurgesteld; hij dorstte naar bewijzen harer
+liefde, niet beseffende dat hij ze vooral begeerde om zijne declaratie
+voor zichzelf te kunnen verontschuldigen. Want hij dacht er wel aan
+hoe jong zij nog was en hoe.... nu ja, hoe anders dan hij.... Hij
+gevoelde zich als een wilde knaap, gereed een lelie te knakken
+voor eigen genoegen, en plotseling bedenkende dat het de arme bloem
+misschien beter ware te blijven waar zij was.... Maar die aarzelingen
+waren even zeldzaam als vluchtig.
+
+"Neen, geen promotie," zeide hij, zijne wenkbrauwen samentrekkend als
+een lastig, bedorven kind, dat zijn zin niet krijgt; en hij bleef haar
+vragend aanzien, maar op dat oogenblik trad mevrouw Gerlings binnen.
+
+Zij begroette hem hartelijk met een kus en vele goede wenschen,
+en begon toen, vermoedende dat zij hen in aangenaam en misschien
+gewichtig gesprek had gestoord, in de andere kamer ijverig piano te
+spelen. Maar Hugo en Renée wisten den draad niet weer op te vatten van
+het gesprek, dat veel meer in gedachten dan in woorden had bestaan,
+zoodat Lucie maar weer met spelen ophield en begon stof af te nemen.
+
+"Van middag," zeide Hugo tot zijne zuster, "gaan wij een toertje
+doen. Zijn jullie dan thuis?--Dan komen we even voorbij."
+
+Hij wist wel welk een goed figuur hij maakte op zijn fraai paard,
+en liet zich gaarne bewonderen.
+
+"Dat beloven wij niet," zeide mevrouw Gerlings lachend, terwijl zij
+met haar plumeau de prisma's der gaskroon deed rinkelen. "Wat zeg jij,
+Renée?--dan zijn wij maar gebonden. Ga je met je vrienden?"
+
+"Ja--denkelijk. En anders toch alleen."
+
+"Ik zie je liever met een troepje cavalleristen. Dan zie je er zoo
+krijgshaftig uit, Huug.--Zeg eens, denk je dat de soldaten graag
+onder jou ten oorlog zouden trekken?"
+
+Hij streek zich den goed verzorgden knevel eens op--wat hij gaarne
+deed, als hij over zichzelf sprak,--en zeide met een ijdel lachje:
+"Ja, dat kan ik wel eens merken."
+
+"Hoe zou je ze dapper maken?" vroeg mevrouw Gerlings, terwijl zij de
+plumeau liet rusten. Zij zag wel met welk een afgodischen blik Renée
+hem heimelijk gadesloeg en deed maar een vraag in het wilde heen.
+
+"Door mijn voorbeeld," antwoordde hij dadelijk: want het was
+werkelijk altijd een zijner vurigste wenschen geweest ten oorlog te
+kunnen trekken, en zeker ware hij in dit geval een zeer dapper en
+flink soldaat geworden--misschien wel een edel mensch. Maar zijne
+weinige bezigheden, zijn rijkdom en vele verleidingen hadden zijne
+wilskracht verlamd en zijne eerzucht gedood. Voor sommige karakters
+zijn rijkdommen een vloek, hun door een boosaardige fee op den
+levensweg medegegeven. "Het voorbeeld is alles. Voor een aanvoerder,
+tegen wien de soldaat kan opzien, doet hij alles, maar van een,
+die zelf niet uitmunt, kan ook geen kracht en bezieling uitgaan."
+
+"Dat beweerde papa ook altijd," zeide Renée met schitterende
+oogen. "Als ik een jongen geweest was, zou ik stellig in dienst
+gegaan zijn."
+
+Mevrouw Gerlings begon nu in de voorkamer het stof te vervolgen,
+en Renée kreeg haar kamergietertje en opende de deuren der serre. Zij
+wist wel dat hij haar volgen zou, en begon ijverig de breede, glanzende
+bladeren der azalia's, die bij den ingang stonden, af te sponsen.
+
+Hij bleef tegen den deurpost leunen, haar stil beschouwende zooals zij
+daar stond in het licht der morgenzon, dat zich door de neergelaten
+gordijnen niet liet afschrikken, maar de serre vulde met gouden
+gloed. Zij bewoog zich zoo aardig met die zekere waardigheid, welke
+al hare manieren kenmerkte en toch zoo eenvoudig en kinderlijk. Zij
+stak zoo bekoorlijk af in haar lichtkleurig kleed tegen het groen der
+palmen en azalia's, varens en cactusplanten, liefelijk afgebroken door
+een reeks primula chinensis, door haar zelf in bloei gebracht. Hij kon
+niet laten haar met zeker artistiek genot te beschouwen; en hij dacht
+er aan welk een heerlijk vrouwtje zij zijn zou, juist een, dat ieder
+hem zou benijden.... Wat zou zij een elegant gastvrouwtje zijn!.... Hij
+genoot reeds bij het denkbeeld. Hij hield van weelde en schoonheid
+en, terwijl hij haar met peinzenden blik volgde, zag hij haar in den
+geest in een keurig salon met mollige divans en zachte fauteuils,
+achter een theeblad, schitterend van fijn porselein en zilver.
+
+"U bent natuurlijk als een echt soldatenkind grootgebracht?" vroeg
+hij haar toelachend, in antwoord op hare laatste opmerking.
+
+"Ja.... Papa vertelde er mij reeds vroeg van, altijd
+oorlogsverhalen. Het mooist vond ik altijd het verhaal van een kleinen
+schildwacht--kent u dat misschien?--die trouw op post stond voor de
+tent van zijn vorst en dapper: "Werda!" riep bij het minste verdachte
+gedruisch. Toen zijn aangebeden vorst echter een lafaard bleek te
+zijn, doorstak hij zich.--Het is langen tijd mijn ideaal geweest met
+papa in den oorlog te gaan en zijn kleine schildwacht te zijn zooals
+die jongen."
+
+"En ook dood te gaan?" vroeg hij glimlachend.
+
+Zij zag ernstig naar hem op.
+
+"Waarom niet? In sommige gevallen schijnt de dood mij veel begeerlijker
+dan het leven;--dan een lang bitter, teleurgesteld leven zonder doel,
+bij voorbeeld."
+
+Hij beschouwde haar, maar sprak niet, verwonderd als hij was over
+haar ernst. Lang, lang daarna herinnerde hij het zich.
+
+"Hebt u daar dan zoo diep over nagedacht?"
+
+"Ja, nogal eens, naar aanleiding van dat verhaal. Ik zou ook niet
+hebben kunnen verdragen dat papa mij tegenviel. Het zou mij gedood
+hebben, vanzelf geloof ik."
+
+Hare bruine oogen fonkelden; om hare lippen kwam een harde,
+vastberaden trek.
+
+En weder verwonderde zij hem; zooveel hartstochtelijkheid had hij
+niet in haar verwacht....
+
+"Een vreemd ideaal voor een meisje!" ging hij voort. "Nu zal het al
+wel op den achtergrond geschoven zijn door andere idealen, is 't niet?"
+
+"Neen, het is mij altijd bijgebleven. Het ligt in een vrouw evengoed
+of liever nog: het ligt juist bijzonder in een vrouw zich zoo geheel
+te wijden, gelooft u niet? In figuurlijken zin kan ik tòch nog eenmaal
+een kleine schildwacht zijn."
+
+"Voor uw man," antwoordde hij, vlug hare bedoeling vattend.
+
+Zij glimlachte; haar oog zag vol licht naar hem op.
+
+"Ja, voor mijn man. Ook voor hem kan ik dag en nacht waken en
+"werda!" roepen bij ieder naderend gevaar. Dat verlangen ligt eenmaal
+in een vrouw, in iedere vrouw geloof ik."
+
+Even zweeg hij.
+
+"En als hij u eens teleurstelde?" vroeg hij langzaam met een
+zonderlinge ontroering in zijne stem.
+
+Zij zag naar hem op. Hare ziel lag in dien blik, vol onwrikbaar
+geloof. Toen kleurde zij hevig en antwoordde, zacht hoofdschuddend
+op vasten toon: "Dat zal hij niet doen."
+
+Een oogenblik zagen zij elkaar recht in de oogen. Toen sloeg hij de
+zijne neer, keerde zich om zonder een woord te spreken en verliet
+het huis.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+De zon scheen warm en koesterend op Hugo Freeze neer, toen hij het
+huis zijner zuster verliet en door de drukke straten werktuiglijk
+den weg naar zijne kamers nam; maar evengoed had het kunnen stormen
+en regenen, zonder dat hij het bemerkt zou hebben.
+
+Naast hem klonk gelach en gepraat; straatjongens staken vuurwerk af;
+hier en daar zelfs knalde een pistoolschot in zijne nabijheid ter eere
+van het nieuwe jaar; maar hem ging het alles voorbij als een droom.
+
+Hij zag slechts die meisjesgestalte in haar lichtkleurig gewaad,
+staande in den gloed der zonnestralen; hij zag dat lieve, onschuldige
+gelaat en den blik vol vast vertrouwen; en hij hoorde maar steeds
+die zachte woorden: "Dat zal hij niet doen."
+
+O, die toon vol onwrikbaar geloof! Diep had hij hem in het hart
+gegrepen. Want die woorden golden hèm, hèm alleen, daarvan was hij
+overtuigd. Het was juist iets voor haar oprecht karakter om zich
+aldus te verraden, hoewel met hooger blos, als zelf verschrikt over
+hare vrijmoedigheid.
+
+En nog gisteren was hij in een gesprek met een paar vrienden--een
+heel philosophisch gesprek en heel philosophische vrienden--tot de
+conclusie gekomen dat een getrouwd man.... nu ja, dat hij zich wel eens
+wat meer vrijheid mag veroorloven dan een getrouwde vrouw. Zij hadden
+prachtige bewijsgronden aangevoerd, onomstootelijke argumenten;--en
+nu!.... Deze vielen alle in elkaar als dorre geraamten voor dien éenen,
+reinen, vertrouwenden blik....
+
+In gedachten verzonken bereikte hij zijne kamer, maar zette daar zijn
+wandeling voort, altijd met gebogen hoofd en starenden blik. Hij zag
+plotseling al de armzaligheid der sophismen van zwakke mannen, nu er
+het licht op neerstraalde eener smettelooze vrouwenziel, en als een
+openbaring kwam de gedachte tot hem hoe schoon het leven kan zijn voor
+den mensch, in wiens hart de liefde haar gewijden intocht houdt, als
+dat hart nog onbedorven is. Hij zag het plotseling, als in een visioen,
+welke machtige, heerlijke gewaarwordingen het zijne zouden vervuld
+hebben, had hij de liefde niet anders gekend dan als deze zachte,
+heilige aandoening, welke hem door de ziel voer als een gebed....
+
+Nu begreep hij Albert's woorden: "Zij weten niet eens het verschil
+tusschen passie en liefde." Nu wist hij het--voor het eerst.
+
+Zijne vuisten balden zich krampachtig, zich samentrekkend in jeugdige,
+pas ontwaakte geestdrift; zijne borst zwoegde van pijnlijk berouw. Iets
+zeide hem dat, als hij waarlijk liefhad, hij hare wederliefde niet
+vragen zou, eer hij een ander man geworden zou zijn. En wild drukte
+hij zich de handen tegen het voorhoofd. Titanen worstelden in zijn
+brein en hij zag sidderend den strijd aan. Al wat eenmaal goed
+en edel in hem geleefd had, als kind, als knaap en als jongeling,
+ontwaakte opnieuw; en het hief zich op, hoog, hoog, als een lang
+getergd en ten doode gemarteld dier en ving opnieuw de worsteling
+aan tegen Begeerte, Zelfzucht en Zwakheid. Hij zag den strijd aan,
+langen, langen tijd en.... hielp de laatsten overwinnen.
+
+Ja, hij wist het wel, hij was harer niet waardig, maar hij wilde het
+worden. Hij wilde het verleden afschudden, vergeten; het bestond
+reeds niet meer voor hem, meende hij.... En hij zou haar alles
+bekennen.... Of alles wel niet, maar toch veel, zóóveel, dat het
+hem bevrijden zou van dien drukkenden gedachtenlast, als pleegde hij
+verraad tegen haar....
+
+Ja, met dat verleden zou hij breken, en voortaan slechts voor
+háár leven, voor háár geluk. En deze week nog zou hij haar
+vragen. Morgenavond misschien, als zij weer bij den haard zouden
+zitten schemeren, want dan zouden zij geheel alleen zijn. Albert zou
+niet vóór Dinsdag terugkomen. En als hij maar eenmaal Renée's woord
+had, zou hij Lucie vragen Alberts toestemming te verkrijgen; het was
+haar toevertrouwd! Wat wist Albert trouwens kwaad van hem.... Hij kon
+wel gissen, maar niet weten, en op gissingen zou hij geen weigering
+durven gronden.
+
+Niet met zijne vrienden wilde hij gaan rijden, neen, hij moest
+alleen zijn. Zijn gemoed ging open voor de weelde van dezen
+heerlijken winterdag, die wel een lentedag geleek. Hij wilde ver
+gaan, heel ver, altijd voort, diep ademhalend van geluk, bijna het
+uitjubelend.... denkende aan haar, steeds maar denkende aan haar!
+
+
+
+"Zoo alleen op weg?" vroeg hij eenige uren later aan zijne zuster,
+die hij hier ver van haar huis ontmoette.
+
+"Ik zou je dezelfde vraag kunnen doen," antwoordde zij lachend,
+terwijl zij zijn vurig paard beschouwde, dat nauwelijks geduld had
+tot stilstaan.
+
+"Ja, ik ga maar alleen vandaag."
+
+"Ga niet te ver, Huug. De lucht betrekt zoo."
+
+"Neen.... Renée thuis gebleven?"
+
+"Zij had geen lust.--Adieu!"
+
+En zij gingen beiden hun weegs, ieder met zijne eigene tevreden
+gedachten.
+
+Lucie's poging was gelukt; zij was uitgegaan in de hoop hem te
+ontmoeten, opdat hij weten zou dat Renée alleen tehuis was. Er was
+nu zulk een goede gelegenheid voor een beslissing, vond zij; Albert
+van huis, zij uit--bijna nooit hadden de kinderen zulk een kansje.
+
+De slotsom van Hugo's gedachtengang voerde hem inderdaad in vollen draf
+huiswaarts. Snel verwisselde hij zijne rijkleeding voor een andere,
+en spoedde zich toen naar de woning zijner zuster, waar de meid hem
+mededeelde dat alleen de juffrouw thuis was en dat hij haar in de
+serre zou vinden.
+
+Zijn hart klopte wilder, toen hij de kamerdeur zacht opende en sloot,
+en over het mollig tapijt onhoorbaar naar de serre trad. Bij de
+opengeschoven deur bleef hij staan. Zij zat half van hem afgewend; op
+haar schoot lag een boek, maar zij las niet; haar blik was peinzend op
+den grond gevestigd. Als gevoelde zij echter zijne tegenwoordigheid,
+zag zij op, en weer kleurde een blos hare wangen, een blos, die van
+onstuimigen hartslag sprak en Hugo Freeze opeens iedere inleiding
+overbodig deed achten. Want er zijn oogenblikken in het leven, wanneer
+onze gemoedsaandoeningen ons zoo geheel beheerschen, dat ons alles,
+wat naar conventioneele vormen zweemt, belachelijk schijnt; en iets
+daarvan gevoelde Hugo Freeze, toen hij met zwoegende borst daar stond
+en haar blik ontmoette.
+
+"Renée!"
+
+Hij zag haar aan, niet overmoedig als gewoonlijk, maar ernstig,
+smeekend. En zij begreep dat het oogenblik gekomen was, waarnaar zij
+zoolang had uitgezien. Zij legde haar boek ter zijde en stond op,
+als aangegrepen door den ernst van dezen stond;--want wat voor den
+een soms niet meer is dan een "interessante emotie," is voor den
+ander als een heilige plechtigheid. Renée beefde van het hoofd tot
+de voeten en haar blos week voor een teedere bleekheid.
+
+Hij trad nader en vatte hare hand.
+
+"Renée!"--en zijne anders zoo klankvolle stem klonk dof van
+ontroering--"ik wilde je vragen of je nòg niet weet wat ik mij dit
+jaar als geluk droom."
+
+Zij zweeg en boog diep het hoofd, als ontbrak haar de moed het zelf
+in woorden te brengen.
+
+"Mag ik het zeggen?"
+
+Een nauw hoorbaar ja kwam over hare lippen.
+
+"Ik zou een goed en dapper aanvoerder willen worden," zeide hij
+zacht, "en ik zal dat worden, als jij mijn kleine schildwacht zijn
+wilt.... Wil je?"
+
+Nu sloeg zij de oogen naar hem op. Een wereld van zaligheid lag in
+die schuchtere meisjesoogen, een juichend ja, en toen verborg zij
+het gelaat aan zijne borst.
+
+En hij wachtte niet meer op antwoord; hij was tevreden en zag teeder
+neer op het hoofdje, dat zoo gelukkig aan zijn schouder lag.... zóó
+gelukkig, dat zij plotseling in tranen uitbarstte.
+
+"Het is niets," zeide zij echter dadelijk om hem gerust te stellen,
+het is alleen van geluk...." en zij lachte hem toe met stralenden
+blik en wischte haastig hare tranen weg.
+
+"Ik zal een goed aanvoerder zijn," ging hij voort, want juist het
+bewustzijn zijner zedelijke zwakheid deed hem kracht zoeken in
+beloften. "Geloof je dat, kind?" en hij streelde liefkoozend haar
+lokkig hoofd.
+
+"O, ja!" antwoordde zij, als vond zij het volkomen overbodig daarvan
+te spreken.--"O Huug, het is zoo heerlijk dat je mij liefhebt!"
+
+Maar hij ging door over hetzelfde onderwerp; hij had zich immers
+voorgenomen een bekentenis te doen.
+
+"En wil jij dan mijn kleine, trouwe schildwacht zijn.... die mij
+helpt en...."
+
+"Dat beloof ik," viel zij hem in de rede; groote tranen welden
+opnieuw in hare oogen en zij reikte hem met zekere plechtigheid de
+hand, al klonken hare woorden eenvoudig: "Je zult mij altijd trouw
+op post vinden, bij nacht en bij dag. Je hebt het immers zelf gezegd
+van morgen: "Voor een aanvoerder tegen wien een soldaat kan opzien,
+doet hij alles." En tegen jou kan ik opzien, Huug; wat zou ik voor
+jou niet kunnen!"
+
+"Maar je moogt niet al te goed van mij denken, kind. Bedenk
+eens:.... ik ben al twee en dertig en...."
+
+Zij zag hem verwonderd aan; blijkbaar was het haar onmogelijk verband
+te vinden tusschen zijne eerste en zijne laatste woorden. Maar daar
+ging haar een licht op.
+
+...."O, je meent dat je voor dien leeftijd nog niet ver genoeg ben
+naar je zin?.... Wees gerust," vervolgde zij met een engelachtigen
+glimlach, "je denkt veel te nederig van jezelf, Huug. In ieder geval
+is de aanvoerder zijn klein schildwachtje ver vooruit."
+
+Zij, die alle mannen beoordeelde naar haar ernstigen, edelen vader en
+het een eenvoudigen plicht achtte voor ieder mensch er naar te streven
+elken dag beter te zijn dan den vorigen, veronderstelde dat verlangen
+naar volmaking in anderen ook; en daar zij Hugo Freeze met de oogen
+der liefde beschouwde, dacht zij dit in de eerste plaats van hem en
+sprak met zóóveel overtuiging, dat hij er zelf bijna door overtuigd
+geraakte. Toch vond hij dat hij nog niet genoeg gezegd had; hij wilde
+nu als het ware biechten om met zijnen aflaatbrief heen te gaan en
+het verledene voor altijd te vergeten. Dat verleden was harer niet
+waardig, maar zijne toekomst zou dit zijn. Hij zou en hij wilde! Nu
+kon hij begrijpen dat men behoefte kon gevoelen aan een dagboek. Hij
+ook--hij zou het willen opschrijven.... of ten minste wilde hij het
+uiten.... als een toekomstigen dwang, dien hij zichzelf oplegde.
+
+Maar telkens als hij weer in dat onschuldige gelaat staarde,
+verstomden hem de woorden op de lippen.... O God, neen, het was
+onmogelijk--onmogelijk! Hij wilde haar zóó behouden, zoo smetteloos
+en kinderlijk, zoo onwetend van alles wat lag buiten haar klein
+meisjeswereldje van boeken en snuisterijen, en mooie verzen en
+muziekstukjes en ideaaltjes. Zóó juist zou zij hem het beste schild
+zijn.
+
+Dit alles ging in zijn hoofd om, terwijl hij haar stil in de oogen zag,
+en zij dronk zijn teederen blik in, zwijgend en gelukkig.
+
+"Ik heb bijna wroeging, dat ik mij zoo zalig kan gevoelen, Huug,
+terwijl papa zoo kort geleden is heengegaan.... Wat zou hij veel van
+je gehouden hebben?"
+
+Een sombere wolk vloog over zijn gelaat; telkens als hij aan dien
+vader dacht, van wien hij steeds met zeker ontzag had hooren spreken,
+was het hem als plaatste diens schim zich tusschen hem en Renée. Maar
+hij had geleerd zijne gedachten te verbergen en antwoordde schertsend:
+"Je moet het in ieder geval maar dadelijk aan Caesar schrijven."
+
+Zij glimlachte weemoedig.
+
+"Ja, en als wij getrouwd zijn, mag hij komen, niet waar?"
+
+"Natuurlijk!"--en toen zag hij haar peinzend aan met vergodenden blik.
+
+"Onveranderlijk trouw!" zeide hij. "Ik geloof dat ik een goed
+schildwachtje heb uitgekozen."
+
+"En ik een heerlijken aanvoerder," lachte zij en toen drukte hij in
+vervoering het ranke kind aan zijne borst, waar zij stil bleef rusten,
+overstelpt door geluk. Want háár was alles nieuw, iedere liefkoozing,
+ieder teeder woord, iedere zwevende, vage gedachte aan de toekomst, het
+was voor haar een zaligheid op zichzelf, nooit gekend, nooit begrepen.
+
+"Wat bedoelde je straks toch?" vroeg zij, opeens het hoofd
+opheffende. "Je bent immers niet nòg eens geëngageerd geweest?"
+
+"Och, wel neen! Maar.... misschien heb ik wel eens iets gedaan wat
+je verdriet zou doen, als je 't wist, en nu wilde ik je beloven...."
+
+"Neen, doe dat niet!" bad zij zacht. "Het ware berouw belooft niet;
+het handelt. Als er ooit zoo iets gebeurd is, denk er dan maar niet
+meer aan. Je hadt toen immers nog geen verplichtingen aan mij."
+
+"Neen, misschien niet," antwoordde hij peinzend; want hij dacht
+er aan dat toch eigenlijk iedere jonge man, die eenmaal denkt te
+huwen, verplichtingen heeft tegenover het hem nog onbekende jonge
+schepseltje, dat zich aan hem toevertrouwen zal. En hij gevoelde--als
+een ontdekking--dat hij nu zeer zeker verplichtingen aan haar had
+en dat zij het als niet meer dan natuurlijk beschouwde dat hij die
+trouw zou nakomen, even trouw, met evenveel lust, als zij de hare
+nakomen zou.
+
+"Maar ik geloof het niet," liet zij op eens lachend volgen, "o, ik weet
+zeker dat het niet waar is, en ik wil er ook niet aan denken.... Maar
+laten wij niet vergeten dat er ieder oogenblik bezoek komen kan."
+
+En zij gingen deftig tegenover elkander zitten, ieder aan een kant van
+de rieten tafel. Zij hadden zooveel, zoo eindeloos veel te praten:
+over het publiek worden van hun engagement, over de toestemming van
+oom Albert en over hun huwelijk, dat Hugo zoo spoedig mogelijk wilde
+laten voltrekken. Waarop zouden zij wachten?
+
+En zij liet hem maar redeneeren. Zij had geen behoefte aan gedachten
+over iets, wat later komen zou. Zij was reeds tevreden met de zoete
+zekerheid dat zij in zijn hart woonde, dat zij voortaan voor hem leven
+mocht, dat zij hem nu vrijelijk alles mocht zeggen. Het was haar reeds
+zaligheid genoeg daar stil tegenover hem te zitten en hem in het gelaat
+te mogen zien, terwijl hij sprak, met de gedachte dat hij de hare
+was; en zij antwoordde slechts nu en dan fluisterend met een teeder
+woord of met de zoete verzekering dat zij niet van hem zou afzien, al
+verzette oom Albert en de geheele wereld zich tegen hunne vereeniging.
+
+Hare vermoeide ziel, die zoo lang zoekende was rondgegaan in die
+vreemde wereld, had eindelijk de vleugelen dichtgevouwen en rustte
+in zalige, liefelijke rust. Zij had haar tehuis gevonden.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+De paarden draafden lustig voort en Renée liet de schoone wereld aan
+zich voorbijglijden.
+
+Eerst villa's met welonderhouden tuinen, vol geurige seringen en
+levendig getinte tulpenbedden, trotsche hyacinten en rozerooden
+Meidoorn. Dan boerenhofsteden met beplante moestuinen of vriendelijke
+hutjes met wilden wingerd begroeid; en eindelijk de ruime, wijde
+wereld--de schoone aarde beneden, de hemel daarboven. Weilanden, aan
+met bloemen doorwerkte tapijten gelijk, waarboven vlinders dartelen
+en goudgestreepte hommels gonsden; hier en daar doorsneden door een
+zilveren beekje, waaraan vergeet-mij-nieten zich droomend wiegelden.
+
+De lauwe lentewind streek liefkoozend langs hare wangen en
+haar. Telkens gleed een vluchtige boomschaduw over haar heen, om dan
+weer plaats te maken voor onafgebroken licht. Warme geuren stegen op
+uit verschgeploegde akkers.
+
+Hoog in de boomen klonk zacht gekweel, en, als het rijtuig naderde,
+zag men de kleine zangers met rappen wiekslag wegijlen in de lucht,
+helder bestraald door de zilveren zonnestralen. O, die zonneschijn, dat
+vogelenlied, die lentegeuren! Die vage gedachten van iets verhevens,
+iets schoons, iets "ver van de menschen"; een droom van zaligheid,
+een dronkenheid van genot. Renée sloeg onwillekeurig de oogen op
+naar de groote witte wolken vol glans, die boven haar zeilden, ver
+boven haar in de blauwe ruimte van eindelooze lucht. Haar hart was
+als een tempel, waarin altijd zachte orgelmuziek ruischte; maar in
+deze omgeving was haar geluk als verdubbeld en het orgel bruiste en
+jubelde. Duizend stemmen paarden er zich juichend aan in dankbaar
+lofgezang en zij luisterde....
+
+Maar tante sprak zoo luide over ontdekkingen op het meidenkamertje
+gedaan, en oom en Huug lachten. Zij zagen geen van drieën rond en er
+was toch zooveel met de oogen te genieten. Over het meidenkamertje kon
+men thuis ook praten, vond Renée. Moest men daarvoor op een heerlijken
+Meidag uit rijden gaan!
+
+Maar zij liet zich hare stemming niet bederven. Zij vonden haar
+alleen wat stil; doch glimlachend antwoordde zij dat zij genoot en
+toen waren zij tevreden.
+
+En zij mijmerde weer voort.... Straks zou zij met Huug alleen
+zijn. Wat zouden zij dan weer heerlijk samen praten! Hij had den
+sleutel gevonden tot die gesloten schatkamer, haar hart, en zij
+toonde hem al hare kostbaarheden.... Niets ging haar boven die uren
+van gedachtenwisseling, waarin zij als het ware in elkanders zielen
+schouwden, als in tot dusver gesloten boeken. Voor lezen was nog
+niet altijd gelegenheid; dat zou later komen. En zij liet hem vrij
+bladeren; hij mocht haar zieleboek openslaan, waar hij wilde: het
+was overal blank en onbevlekt. Maar haar minnaar was voorzichtiger
+en wees haar alleen de minst bezoedelde bladzijden aan.
+
+Wat konden zij ook tehuis heerlijk zitten redeneeren, het liefst
+nog over beider levensbeschouwing. Dan sprak hij het meest en
+zij luisterde--zij leerde. Zijne denkbeelden waren veel minder
+idealistisch dan die haars vaders, maar er lag toch blijkbaar veel
+waarheid in. Daarbij sprak hij met zooveel overtuiging. Zij vond hem
+knap en verstandig, heel verstandig. Maar als hij te ver ging met
+zijn pessimisme, dan bestreed zij hem met warmte.
+
+Hoe kon hij zoo spreken, hij die toch even gelukkig moest zijn als
+zij! Hij bedroefde haar. Was hij dan niet even gelukkig? Of was hij
+in jarenlang niet gelukkig geweest en was dit misschien nog maar
+gewoonte van hem om zoo te spreken?
+
+En dan gaf hij toe dat voor hem alles veranderd was sedert hij haar
+kende, maar hij sprak van het leven in het algemeen, het leven van
+alle menschen. Zij mochten immers niet alleen naar zichzelf oordeelen!
+
+Zij echter kende het leven niet anders dan uit haar eigene, eenvoudige
+geschiedenis, en ondanks veel weemoed scheen het haar een liefelijk
+Eden vol genot. Zij wilde dat hij het ook zoo vinden zou; langzamerhand
+zou zij er hem toe brengen, dacht zij. Want zij wist niet dat hij
+roekeloos de bloemen, die langs zijn levensweg groeiden, in den
+knop had opengebroken, lang eer zij zich tot bloem hadden ontplooid,
+om te rechter tijd zijn pad te verlieflijken.
+
+Toch waren er oogenblikken in zijn leven--neen, uren en dagen wanneer
+hij aan die mogelijkheid ook geloofde. Eerst had hij slechts hare
+schoonheid liefgehad, hare jeugd, hare onschuld, en hij had haar
+begeerd juist om die frissche ongereptheid; maar nu hij ook nog
+vrijelijk blikken mocht in hare ziel, even frisch en ongerept als
+haar lichaam, nu was het hem dikwerf als moest hij zich voor haar
+neerbuigen in het stof. Dan was er deemoed in zijn hart, waarachtige
+deemoed, omdat hij al zijne zwakheid, al zijne zedelijke nietigheid
+gevoelde. En dan hoopte hij dat van haar zóóveel kracht zou uitgaan,
+dat deze hem sterken zou. Dan waren daar vele heerlijke gedachten in
+hem aan een nieuw en beter leven--dan was hij goed.
+
+Doch daar waren ook andere oogenblikken, wanneer hij opgewonden door
+wijn of lectuur of schouwburgbezoek, aanvechtingen kon hebben van
+verlangens, die hij haar nimmer zou hebben durven bekennen; wenschen
+naar vernieuwing van onedele genietingen, welke hem eens bekoord,
+eens hem geheel in hare macht gehad hadden. En hij riep de oude
+drogredenen voor zijn geest terug, die zijne philosophische vrienden
+hem hadden voorgezegd, vond dat er toch eigenlijk veel waars in was,
+heel veel waars--en gaf zich toe.
+
+Als dan de opwinding voorbij was en de koele nachtlucht langs zijn
+verhit gelaat streek, als hij de sterren boven zijn hoofd zag vonkelen
+in stille majesteit, dan ontwaakte hij als het ware. Dan dacht hij
+aan zijne Renée, zijne schoone lieveling, rustig slapend, omgeven
+door dat waas van onschuld en vertrouwen, dat haar altijd omgaf, in de
+gezelschapszaal zoowel als in zijne armen. Dan verfoeide hij zichzelf
+en mompelde een: "Ellendeling!" uit den grond van zijn hart, maar dat
+maakte hem harer niet waardig; en den volgenden dag stond hij dan weer
+tegenover haar, glimlachend en zelfingenomen, alleen met een klein
+weinigje heimelijk berouw, dat echter zijne stemming niet bedierf.
+
+Na de thee wandelden zij samen weg. Oom en tante hadden kennissen
+aangetroffen en lieten de jongelui hun gang gaan.
+
+Renée wandelde aan Hugo's arm door het dorp naar het bosch en samen
+lieten zij zich door de boeren en boerinnen aangapen, of misschien
+bewonderen. Zij liep als op wolken in een gouden nevel van geluk. Zij
+had al die menschen wel aan haar hart kunnen drukken. Sedert de laatste
+maanden scheen de aarde haar een paradijs. Overal lachten haar nu geluk
+en liefde en schoonheid toe. Duizend heerlijke beloften scheen het
+leven haar te doen. Wel was het tegenwoordige reeds vol zaligheid,
+maar vooral toch door dat verschiet van altijd klimmend geluk,
+zooals een landschap pas zijne schoonheid en volmaking bereikt door
+een fraaien achtergrond. Vroeger leefde zij niet; neen, dat was een
+rupsenleven, eentonig en werktuiglijk. Maar nu was zij als de vlinder,
+tallooze schoone bloemen op zijn weg vindend en dartelend in den
+zonneschijn. Nu meende zij niet meer dat een meisje tot een huwelijk
+komt als een jongen tot een beroep. Welk een heiligschennis!....
+
+"O Huug," zeide zij, toen zij het bosch hadden bereikt en zij sloeg
+hare kleine handen om zijn arm, "ik zou het wel kunnen uitjubelen
+van geluk!"
+
+Al hare aandoeningen waren zoo echt, zoo natuurlijk, zoo waar; wild
+opwellend uit het diepst van haar gemoed, niet eerst onbewust van
+buiten geleerd uit de boeken.
+
+"Laten we dan eens zingen."
+
+"Neen, zingen helpt niet of ik moest zelf componiste zijn. Ik kan
+mij niet herinneren dat één componist iets gemaakt heeft, wat mij nu
+bevredigen zou. Misschien ook uit zulk een stemming zich het best in
+een weemoedig lied of.... is er geen uiting voor te vinden."
+
+"Misschien wel, ja."
+
+"Voel jij zoo iets wel eens?"
+
+"Wat?"
+
+"Zoo iets jubelends. Zoo'n overstelpend geluk."
+
+"Ja, soms," antwoordde hij, denkende aan zijne beste oogenblikken.
+
+Zij zag hem even van ter zijde aan, terwijl zij luchtig over de
+bemoste paden stapten.
+
+"Huug, soms vind ik het net, alsof je niet openhartig met mij ben,"
+zeide zij opeens met de haar eigene klakkelooze oprechtheid. "Je bent
+toch niet boos dat ik dit maar zoo zeg?.... Je geeft mij soms den
+indruk, niet bepaald alsof je iets voor mij verzwijgt of verbergt,
+dat niet,--maar toch alsof je mij niet alles zegt, wat je denkt."
+
+"Verbeelding, kind!" antwoordde hij, met een stokje een hoop
+bijeengewaaide dorre bladeren van het vorig jaar uiteenslaande.
+
+"Je moet er niet boos om zijn. Ik dacht het maar zoo. En wij moeten
+elkaar geheel vertrouwen, als we gelukkig willen worden. Geloof je
+dat ook niet?"
+
+"Ja, dat is zeker," zeide hij flauw, en zijn peinzenden blik verried
+den tweestrijd in zijne ziel. Hij dacht er aan dat het oogenblik
+voorbij was, toen hij haar alles had kunnen zeggen; nu had hij slechts
+in hare tegenwoordigheid te waken over zijne woorden en daden. Want
+hij vreesde haar te kunnen verliezen door een enkel ondoordacht woord,
+gelijk hij ze vroeger roekeloos bij dozijnen uitte. O, hoe wenschte
+hij in dit oogenblik, nu zij door hare schoonheid en lieftalligheid
+hem weder tot in het diepst zijner ziel roerde, geen enkel duister
+plekje in zijne herinnering te hebben!
+
+Zij hoorde het in zijne stem, zij las het in zijne oogen, dat hij
+niet zeide wat hij dacht; en plotseling als een bliksemschicht op
+een schoonen zomeravond, viel de argwaan in hare ziel. Voor het
+eerst sedert den zonnigen dag harer verloving rees iets als een
+twijfel in haar, een vage vrees, een spook, dat haar aangrijnsde,
+een donkere wolk, die een oogenblik een dreigende slagschaduw wierp
+over de zonnige vlakte van haar geluk.
+
+"Huug!" zeide zij, plotseling stilstaande en de handen tegen zijne
+borst vouwend terwijl zij hem recht in het gelaat zag, "je verbergt
+immers niets voor mij?"
+
+Toen vermande hij zich, zag haar verwijtend aan en zeide op den toon
+der koelste verontwaardiging: "Dat je me wantrouwen zoudt, had ik
+niet gedacht."
+
+"O neen!" riep zij verschrikt uit, "ik vraag je duizendmaal
+vergeving. Je hebt gelijk, het was heel, heel leelijk van me. Kom,
+geef me een zoen, dan is alles weer over, hè?"
+
+Zij zag hem vol liefde en vertrouwen aan, en hij kuste haar op de
+oogen. Was het om ze te sluiten?
+
+"Zie je, Huug,"--en zij wandelden weer voort,--"het kwam maar doordat
+ik zelf zoo'n flapuit ben. Alles, wat ik denk, als ik bij je ben,
+zeg ik ook dadelijk. En ik vond jou soms zoo.... ja ik weet niet
+hoe. Maar ik begrijp wel dat ik je verkeerd beoordeelde. Wij zullen
+elkaar alles zeggen, vindt je niet? Je weet: het hoogste geluk tusschen
+man en vrouw kan alleen bestaan bij volkomen wederzijdsch vertrouwen."
+
+"Daarvan ben ik overtuigd," antwoordde hij met gemaakten ernst,
+terwijl toch het vurig verlangen in hem rees tegenover dit kind,
+dat hij zoo afgodisch beminde even oprecht te kunnen staan als zij
+tegenover hèm stond. "Wij moeten als twee vrienden zijn, niet waar? En
+als vriendschap en liefde ons tegelijk gelukkig maken, wat zullen
+wij dan een paar gelukkige menschenkinderen zijn."
+
+En zoo sprak hij voort, terwijl zij zich op een omgewaaiden stam
+neerzetten; en hij fluisterde zoo zoet, dat de donkere slagschaduw
+als alle slagschaduwen in een oogwenk verdween.
+
+Toen zij terugreden, was het reeds bijna donker. En Renée zag naar
+den witten dauw, die langzaam opsteeg uit de velden, onzichtbaar
+van nabij, maar ver in het rond zich uitbreidend over de velden,
+als een witte zee. Droomerig rees de gouden sikkel der maan, en trouw
+kwamen de flonkerende sterren op haar post, een voor een, vriendelijk
+oogwenkend naar de aarde.
+
+Renée sloot de oogen. O, altijd zóó gelukkig te mogen zijn! Zóó
+gelukkig te blijven als heden,--levend in zonneschijn en Meigroen,
+onder een blauwen hemel of flonkerende sterren. Zoo maar stil voort
+te glijden door het leven--met hem!--en de menschen te laten praten,
+zooals zij nu oom en tante praten liet, die er over kibbelden of
+zij morgen naar de komedie zouden gaan of niet! Haar mond en haar
+hart gesloten te houden en haar geluk te verbergen voor de geheele
+buitenwereld, zooals zij nu mond en hart gesloten hield, ofschoon
+overvloeiend van geluk!
+
+"'t Kind slaapt zoowaar," zeide oom Albert, die tegenover haar zat.
+
+"Zij is zeker moe," zeide Huug vergoelijkend van de andere zijde
+der voorbank.
+
+Maar zij sliep niet en lag hem maar stil uit haar donker hoekje
+aan te staren, genietende van den aanblik van zijn schoon gelaat,
+dat met zijne scherpe trekken en donkere, eigenaardig gevormde
+wenkbrauwbogen nog duidelijk te onderscheiden was. En zij dacht er
+aan met een zucht van genot hoe lief zij hem had. Zijn leven was met
+het hare ineengeweven voor altijd. De gedachte aan zijn mogelijken
+dood deed haar het hart ineenkrimpen; dan zou zij nimmermeer den blik
+naar den schoonen hemel durven heffen, dacht zij. En zij herinnerde
+zich op eens een tekst, lang geleden in de dorpskerk vernomen, dien
+zij zich in het geheugen had gegrift, omdat zij toen daarbij aan haar
+vader dacht. Het waren de woorden van Ruth: "Waar gij zult heengaan,
+zal ik ook heengaan; en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten;
+uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven,
+zal ik sterven: aldaar zal ik begraven worden. Alzoo doe mij de Heer
+en alzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken
+tusschen mij en tusschen u."
+
+Nu dacht zij daarbij aan Huug. En zij zeide ze zacht voor zich heen,
+telkens weer, die schoone woorden vol liefde en poëzie: "zoo niet de
+dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u."
+
+Zij was als een kwijnende plant geweest, die vruchteloos de zon
+zoekt, maar opleeft, zoodra deze haar beschijnt;--dan zich in teedere
+schoonheid naar die zon keerend, tallooze jonge knoppen ontplooiend,
+bloem en blad gevend, alles gevend, om het kopje te laten hangen,
+als zij verdwijnt. Hij was haar zon; was hij weg, dan leefde zij
+slechts droomend voort; dan kwam het haar vreemd voor dat niemand haar
+miste, dat men geen leegte gevoelde zooals zij;--keerde hij terug,
+dan ontwaakte zij en glimlachte en straalde.
+
+
+
+Even vóór zij de stad inreden, passeerden zij een van die stille
+buitenstraten, gelijk om elke stad gevonden worden. Renée lag kalm
+opwaarts te kijken naar de eindelooze reeks gelijkvormige vensters,
+die rusteloos voorbijgleden, als zou er nooit een eind aan komen. Voor
+één dier vensters zag zij een vrouwengelaat, dat haar bijzonder
+trof. Het was in het oog vallend schoon met zijne rossig-blonde lokken
+en lichtblauwe oogen en fraaie kleur, maar tegelijk was het wreed,
+coquet en zinnelijk; trekken, die Renée zag zonder ze te kunnen
+ontleden, maar die haar toch afkeer inboezemden.
+
+Het licht van een straatlantaarn scheen op dat gelaat en... zag
+Renée goed?.... kwam daar niet plotseling een lach als van geheime
+verstandhouding in die oogen, terwijl zij op den voorbijrollenden
+landauer neerzagen?.... Wien gold die blik?
+
+Niemand meer was wakker dan Huug; maar nu de lantaarn voorbij was,
+kon Renée zijn gezicht niet meer onderscheiden.
+
+Zij sloot de oogen.... O God, als tòch eens....!
+
+Maar toen verjoeg zij die gedachte met verontwaardiging uit haar
+hart. Zij kon--neen, zij moest zich vergist hebben. Zij verweet zich
+haar argwaan, en bij het afscheid kuste zij hem met de innigste liefde
+goedennacht en bad hem nog eens met teedere stem haar te vergeven
+wat zij dien middag gezegd had.
+
+
+
+
+X.
+
+
+"Och kind," zeide mevrouw Verhulst en zij zag Renée aan met den
+beschermenden glimlach, dien een ervaren wereldlinge zich veroorloven
+mag tegenover een pas getrouwd vrouwtje, dat zoo juist met schitterende
+oogen over de heerlijkheid van het leven heeft uitgeweid, "als men
+ouder wordt, beschouwt men alles zoo anders. Dan krijgt men een geheel
+ander kijkje op het leven."
+
+"Maar het huwelijksgeluk...."
+
+"Juist dat huwelijksgeluk is zoo hersenschimmig," zeide mevrouw
+Verhulst met de hand wuivend. "Natuurlijk--als men jong is, heeft
+men idealen, dat is bij alle menschen eender. Kijk maar naar de
+geëngageerde luidjes, die loopen allemaal met de hoofden naar
+elkaar gebogen, maar na tien jaar doen ze heel anders. Idealen en
+hersenschimmen behooren bij de jeugd en gaan ook met de jeugd over."
+
+"Maar de liefde kan toch blijven," wierp Renée bescheiden tegen,
+bescheiden alleen om haar verschil in jaren met de spreekster, maar
+met heilige, onwrikbare overtuiging in het hart.
+
+"Och, liefde is ook al een hersenschim, bij de mannen ten minste. Het
+egoïsme drijft bij hen altijd weer boven. Ieder klein gekkinnetje
+droomt er van een meester, een meerdere te zullen vinden, tegen wien
+zij kan opzien; maar hoe anders komt dat meestal uit! De vrouwen
+moeten tegenwoordig als schildwachten staan bij de deugd van hare
+mannen!" En zij lachte, maar bitter, weemoedig bitter, zoodat Renée
+heimelijk dacht dat wel een diep leed ten grondslag moest liggen aan
+zulk een hard oordeel.
+
+Hoe gelukkig, hoe trotsch, hoe rijk voelde zij zichzelf! School al
+eenige waarheid in zulke beweringen, dat alles ging toch buiten haar
+klein paradijsje om, waar "de tijdgeest" niet binnen mocht treden,
+maar waar slechts geofferd werd op het altaar van het eeuwig schoone
+en goede: liefde en trouw. Zij luisterde wel is waar met huivering
+naar de voorbeelden, door hare bezoekster te berde gebracht, maar
+twijfelde heimelijk aan de waarheid er van. Wel begreep zij nu het
+leven en de maatschappij een weinig anders dan vóór haar huwelijk;
+wel dacht zij er soms met weemoed aan hoeveel zonde en schuld in de
+wereld rondwaarden; doch er was geen punt van aanraking tusschen die
+wereld en haar zonnig huis, haar kleinen tempel van geluk.
+
+Daaraan dacht zij, toen zij, alleen gebleven, aan het venster post
+vatte om naar haar man uit te zien. 't Was eigenlijk nog wel wat vroeg,
+maar op hem wachten was ook een heerlijke bezigheid. Wat zou zij ook
+anders doen? Van den morgen tot den avond was haar leven een genieten
+van zijne tegenwoordigheid, een verlangen naar zijn terugkeer.
+
+Die arme mevrouw Verhulst, dacht zij. Zou zij ongelukkig gehuwd
+zijn?.... Haar man zag er niet prettig uit, heel anders dan Huug,
+haar Huug....
+
+Hare borst rees en daalde sneller bij de gedachte aan hem.... O,
+dat was immers juist zoo heerlijk in het leven dat men alleen door
+de liefde tot het huwelijk komen mocht; "want," zoo redeneerde zij
+heel wijsgeerig, "immers de liefde alleen geeft ons de kracht om
+onze gebreken te bestrijden en dan veredeld en gelouterd te zamen
+het leven in te gaan!"
+
+Die arme mevrouw Verhulst! Kon zij haar toch maar overtuigen!.... En
+andere menschen, die ook al zoo dom praatten.... Maar daartoe zou zij
+eigene gedachten en gewaarwordingen moeten brengen in vreemde harten,
+en dat ging niet. Misschien ook was niemand ooit zoo gelukkig geweest
+als zij, en al was zij nu bijna reeds vijf maanden getrouwd, het was
+alsof dat geluk nog dagelijks grooter werd.
+
+Nu voelde zij iets aan hare hand; het was Caesar, die zijn kouden neus
+liefkoozend tusschen hare vingers duwde. En zij streek hem teeder
+over den kop en dacht aan dien heerlijken Augustusdag, toen zij van
+hun huwelijksreisje thuis kwamen en Huug, de deur openend, lachend
+zeide: "Treed binnen, mevrouwtje!" Wie was toen de eerste geweest,
+die haar verwelkomend te gemoet was gesprongen, die met luid geblaf
+en woeste sprongen gezegd had: "Ik heb zoo naar je verlangd." Niemand
+anders dan Caesar, die lieve, goede Caesar! O, dat gevoel--zoo lang
+ontbeerd--van dien vochtigen snoet en die zachte, warme haren! Tallooze
+herinneringen waren er plotseling mede voor haar geest gerezen; het
+was als een groet, een zegening voor haar uit het oude huis, juist
+nu zij hare intrede deed in een nieuwe, eigene woning! En toen zij,
+met hare armen nog om Caesar's hals, bij wien zij was neergeknield,
+den vochtigen blik naar Huug had opgeheven, toen had zij aan zijne
+stralende oogen gezien dat zij niemand anders dan hem deze verrassing
+te danken had.
+
+Weer zag zij naar buiten. De straten waren dik besneeuwd. Nu en dan
+rinkelde een ar voorbij. Jongens waren aan het sleden, en sneeuwballen
+vlogen van alle zijden door de straat. Maar het was toch geen vroolijk
+schouwspel, want de lucht hing er zwaar en droevig over, geelachtig
+grauw, als was zij vol nieuwe sneeuw.
+
+Maar in Renée's hart scheen een warme zomerzon. Zij dacht aan die
+hooggeplaatste Russische vrouw, van wie zij pas gelezen had dat deze
+haar echtgenoot gevolgd was naar Siberië en zij dacht dat zij dit
+zelf ook zou doen. Zij zou hem volgen door ontbering en ellende,
+tot in "de schaduwen des doods". In hare hooge stemming hield zij
+er van versregels of bekende uitdrukkingen uit gewijde literatuur
+zacht bij zichzelf op te zeggen, uitdrukkingen, die zij zich van
+vroeger herinnerde, maar waarvan zij nu pas recht al de diepte en
+schoonheid begreep. Alle hadden zij betrekking op Huug, op hare
+koning, haar afgod! Zoolang zij elkander zóó liefhadden, welk leed
+kon hen dan treffen: slechts de dood kon scheiding maken tusschen hem
+en tusschen haar, gelijk de bijbeltekst zeide. Zoolang dat zalige
+gevoel van vereering haar hart vervulde, zoolang zij met geheel
+hare ziel dien man aanhing, hem haar leven wijdde, een leven van
+stille, maar diepe vereering, omgaf haar een pantser, dat haar tegen
+ieder leed beveiligde. Zij was niet godsdienstig opgevoed, maar zij
+begreep nu volkomen het geluk, dat geloof, liefde en vertrouwen in een
+aangebeden godheid den mensch kunnen schenken; zij begreep den drang,
+die in oude tijden de menschen zich had doen werpen onder de alles
+verpletterende wielen van den wagen des Gods, dien zij liefhadden;
+zij begreep de doodsverachting der martelaren en de zelfontzegging der
+kloosterlingen. Vereering--zoo heette de sleutel tot al die raadselen,
+en die zaligmakende kracht was ook in hare ziel gekomen en vervulde
+er alles met gouden glans.
+
+Nu was haar ideaal werkelijkheid geworden: zijn kleine schildwacht was
+zij; van den morgen tot den avond mocht zij waken over zijn geluk. Des
+morgens omgaf zij hem met duizend teedere oplettendheden; niemand
+mocht ooit die kleine zorgen en bezigheidjes van haar overnemen. Des
+middags ontving zij bezoeken om zijnentwil of legde ze af, bij
+allerlei vreemde menschen, die haar volkomen onverschillig waren,
+maar aan wie zij door haar stralend gezichtje steeds de overtuiging
+gaf dat hij "de beste man der wereld" was, gelijk zij hem werkelijk
+soms in intiemer kring ook lachend noemde, wanneer de stroom van
+zoete gedachten haar te machtig werd en uit moest barsten, ondanks
+haarzelf. En des avonds vulde haar salon zich met bezoekers--o, zoo
+vermoeiend soms!--maar heerlijk toch ook, als zij zag hoe hij genoot;
+als zijn blik dwaalde langs de smaakvol versierde wanden of op háár
+bleef rusten, zooals ze daar zat, slank en bevallig, achter haar
+theegoed, dat zij zoo aardig hanteerde. Nooit, zoolang zijne moeder
+van hem was heengegaan, had hij zich zoo tehuis gevoeld; nooit was
+hij omringd geweest van zooveel oplettendheid.
+
+En hoe graag ging hij met haar uit! Zij was zoo mooi, dat de menschen
+op straat bleven stilstaan om haar na te zien; het was als straalde er
+licht van haar af, als omgaf een aureool dat reine, lieve kindergelaat,
+en menig dof oog verhelderde, menige in bitterheid saamgenepen mond
+ontspande zich tot een glimlach, als zooveel geluk voorbijging.
+
+Ha, daar kwam hij! Hunne blikken kruisten elkaar als gouden stralen.
+
+Bij de deur wachtte zij hem op. Een lange kus, een wisseling van
+teedere, zoete woordjes.... zij waren nog even dwaas verliefd als in
+hun kort engagement.
+
+"Wachtte je op me?" vroeg hij.
+
+"Ja," antwoordde zij glimlachend. "Je weet wel: als je weg ben,
+wacht ik altijd op je. Dan leef ik maar half.--Kom, doe nu gauw dat
+vervelende paradepak uit, dan ben je meer op je gemak."
+
+"En de receptie bij den kolonel dan?"
+
+Een uitdrukking van groote teleurstelling kwam over haar opgewekt
+gezichtje.
+
+"O, die had ik vergeten.... Hè, hoe saai!"
+
+"Ik kwam maar eens even naar je kijken. Ik geloof dat ik ook alweer
+verlangde," en toen glimlachten zij elkaar toe.
+
+"Maar er is niets aan te doen," hervatte zij dapper. "Ga maar gauw. Het
+kan vlug afloopen, niet?"
+
+"Een uur gaat er spoedig mee heen," zeide hij haar vertroostend op
+het voorhoofd kussend.
+
+"Neem een rijtuig, Huug. Kijk, het begint te sneeuwen."
+
+"Ja, wees maar niet bezorgd, kleintje."
+
+Hij behandelde haar met een teederheid, die een reus voor een kind
+zou aan den dag leggen, maar het was een eerbiedige teederheid. Hij
+gevoelde haar louterenden invloed op zijn zieleleven, hoewel dan
+ook onbewust uitgeoefend, en was er dankbaar voor. Hij wist het:
+wat zij in hem zag, was hij nog niet, maar meer en meer wilde hij
+het worden. Hij vorderde: hij won krachten en de tijd zou komen,
+wanneer hij haar waardig zou zijn.
+
+Soms, als hij haar toefluisterde hoe lief hij haar had, voelde hij
+plotseling tranen in zijne oogen wellen--van overstelpend geluk. Want
+zijne liefde, vroeger zoo vol zelfzucht, had zich gewijzigd tot dat
+vurig verlangen, alle ware liefde eigen: het beminde voorwerp te
+beschermen en veilig door het leven te doen gaan, geschraagd door
+zijne kracht, beschut door zijne armen....
+
+"Adieu, lieveling!"
+
+Het laatste, wat hij van haar zag, was haar blozend, lief gezichtje,
+dat hem achter de groote spiegelruit vriendelijk toelachte, tot de
+sneeuwvlokken haar voor hem onzichtbaar maakten.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+In eenzaamheid bleef zij achter, die liefelijke eenzaamheid van een
+weelderig salon, waarvan ieder meubeltje slechts zoete herinneringen
+wakker roept, waar een knappend vuur gezelligheid brengt en de
+droomerige tik der pendule tot aangename overpeinzingen stemt.
+
+Hugo's portret was er ook; dat had zij zoo gewild. En boven in
+haar boudoirtje hing zijne buste levensgroot, haar glimlachend
+aanziende. Dikwijls in zijne afwezigheid had zij uit verlangen naar
+dat gelaat haar handwerkje of boek neergelegd en was naar boven
+gesneld om het te beschouwen.
+
+In de straat werd het stiller, naarmate de sneeuwvlokken dichter
+begonnen te vallen. Nu en dan blies een gure windvlaag ze tegen
+het venster, maar zij keek er glimlachend naar met een zalig gevoel
+van veiligheid. In háár warm, gezellig nestje, zoo zeide zij zacht,
+kon geen windvlaag of sneeuwvlok doordringen.
+
+Maar iets anders kon daar binnenkomen, kouder en verstijvender dan de
+Noordenwind; iets, wat haar warm bloed verkillen en haar warm hart
+met een ijskorst omgeven zou: iets, wat met één slag alle jeugdige
+geluksbloesems zou doen verdorren: het noodlot;--het noodlot, dat de
+schuld en de zwakheid der mannen wreekt aan jonge, reine, gelukkige
+schepselen, die zich vertrouwend aan hen overgaven. Hugo Freeze,
+die gemeend had het verleden te kunnen afschudden als het stof van
+zijne zolen, zou gevoelen dat het zich als een slang gekronkeld had
+om zijn voet en met hem gaan zou, het lange leven door, waar hij ging.
+
+En terwijl Renée, mijmerend over haar geluk, als een tevreden kind de
+reusachtige sneeuwvlokken met het oog volgde of de figuren bewonderde,
+die zij er in kon waarnemen, als zij tegen het glas bleven kleven,
+naderde het noodlot, stil maar zeker. Reeds was het in de naaste
+straat...., het kwam dichter, altijd dichter.
+
+Nu had het haar huis gevonden; het was op haar drempel....
+
+De schel klonk door de gang, brutaal en bevelend.
+
+"Mevrouw," zeide Frederik de oppasser, "daar is een vrouw om u te
+spreken. Zij zegt dat zij niet weg zal gaan, vóór zij u gesproken
+heeft, en.... het is misschien beter dat u maar gaat, dan dat
+ze.... schandaal maakt," voegde hij er zacht bij.
+
+Renée rees haastig op.
+
+"Maar ik wil haar immers wel spreken, Frederik", antwoordde zij met
+zacht verwijt. "Je moogt in deze koude geen enkelen arme wegzenden."
+
+Frederik's gezicht had een zeer bekommerde, bijna ontroerde
+uitdrukking, maar hij zeide niets meer en liet zijne mevrouw
+voorbijgaan.
+
+Rustig ging zij de trap af, die naar het portaal leidde, denkende hoe
+wreed de winter is voor de armen. Toen echter haar oog op de vrouw
+viel, die haar achter de glazen tochtdeur stond op te wachten, liet
+zij haastig hare goedgevulde portemonnaie weer in haar zak glijden
+en bleef, als door den bliksem getroffen, een oogenblik roerloos
+staan. Een rilling ging door al hare leden en zij gevoelde haar gelaat
+koud worden, als verbleekte zij.
+
+Maar snel herwon zij hare zelfbeheersching en trad vooruit.
+
+Zij wist nauwkeurig waar zij dat gelaat nog eens gezien had en
+herinnerde zich den vreeselijken lach, die haar zoozeer gepijnigd
+had. Nu echter lachten die oogen niet; zij fonkelden haar tegen als
+gloeiende kolen, vol haat wegens meerdere rechten, vol afgunst wegens
+meerderen rijkdom, vol zegepralenden wraaklust wegens teleurgestelde
+hoop, en vol woede wegens de reine schoonheid, de kalme waardigheid,
+die zij aanschouwden.
+
+Een oogenblik stonden zij zwijgend tegenover elkaar, als overstelpt
+door eigen aandoeningen, die nooit een vrouw machtiger overweldigen
+dan wanneer het hare liefde geldt, en Frederik, die achter zijne
+mevrouw was aangekomen om naar het sousterrain terug te keeren, zeide
+later dat het was geweest of er een engel en een duivelin tegenover
+elkander hadden gestaan.
+
+Toen klonk Renée's bevende stem: "U wilt mij spreken, juffrouw? Kom
+even met uwe kindertjes in het spreekkamertje."
+
+Want de jonge vrouw had twee kinderen bij zich, een knaapje van twee
+jaar en een kleintje van weinige weken.
+
+Renée's blik bleef op het gezichtje van het jongentje staren; aan
+wien herinnerde het haar toch met zijne donkere oogen en eigenaardigen
+wenkbrauwboog?
+
+Toen traden zij het spreekkamertje binnen en de deur sloot zich
+achter hen.---
+
+Een half uur later trad de vrouw weer naar buiten; een glimlach van
+voldoening over gestilde hebzucht lag om hare lippen en over gestilde
+wraakzucht tevens; vergeten was zij, maar gewroken ook....!
+
+En daar binnen stond Renée, roerloos, versteend. Zij staarde recht
+voor zich uit, minuten lang, met vaalbleek gelaat en onbeweeglijken
+blik. Maar in haar hart was een storm, een orkaan, welks koude adem
+dat gloeiende, hartstochtelijk liefhebbende hart tot een klomp ijs
+verstijfde.
+
+In haar stierf langzaam het schoone jonge leven weg; hare liefde,
+haar geluk, haar verleden, hare toekomstidealen, één voor één stierven
+zij weg, als bloemen voor de zeis des maaiers.
+
+Met dien starenden blik schouwde zij in een afgrond, waarvan zij
+nauwelijks het bestaan had vermoed; en op den bodem van dien afgrond
+zag zij haar koning, haar god, zich wentelend in het slijk, hem,
+dien zij smetteloos gewaand had als zichzelf.
+
+Geld had die vrouw gevraagd, geld voor.... o God, voor zijne
+kinderen! En de waarheid harer woorden lag die kleinen in het gezicht
+geschreven. Dat kind van enkele weken--het was onbewust zoo wreed
+geweest, het had haar de ziel verscheurd.
+
+De stem van een der dienstboden in het sousterrain deed haar
+opschrikken en zij begreep hier niet zoo te kunnen blijven.
+
+Was zij nog dezelfde Renée van straks?--Neen, de kleine, gelukkige
+Renée, die zich als een koningin gevoeld had in haar huis, als een
+gezegende onder de stervelingen, was dood; zij zou nimmer terugkeeren,
+nimmer, nimmermeer.
+
+Nu sloop daar een vreemde de trap op, een verguisde en bedrogen vrouw,
+ging de slaapkamer door en verdween in het kleine vertrekje daarnaast:
+haar boudoir.
+
+Daar sloot zij de deur, nauwkeurig en schijnbaar kalm, altijd met
+die starende oogen en dat bleek gelaat; deed toen enkele stappen
+vooruit en bleef staan leunen tegen het hoofdeinde van de rustbank,
+juist zooals zij beneden gestaan had, bewegingloos, gevoelloos.
+
+De schaduwen vielen dichter; buiten werd het stiller en stiller;
+beneden in de eetkamer klonk het bezige gedruisch van het
+tafeldekken. Maar zij bemerkte het niet.
+
+Eens klonk het vreemd en hard door het stille vertrekje: "Hij was
+slecht, slecht!" en toen weer dat vreeselijk staren, dat opgaan in
+een enkele verpletterende gedachte, waarbij het lichaam niet meer
+gevoeld wordt en de mensch slechts geest is geworden.
+
+Op eens ontwelde daar een kermende kreet aan hare lippen; zij wierp
+zich bij de sofa neer, het gelaat in de handen verbergend, het
+hoofd diep, diep neerdrukkend in de fluweelen kussens. Toch weende
+zij niet. Zij steunde slechts zacht, zacht en klagend, altijd weer
+hetzelfde geluid.
+
+Telkens viel daar weer een andere gedachte in hare ziel, een gedachte
+als een dolkmes, die haar kermen deed van pijn. Herinneringen,
+ontdekkingen, gevolgtrekkingen.... o, hoeveel begreep zij nu op
+eens! Hoe zag zij alles in een ander licht; hoe voelde zij zich
+misleid en bedrogen! Duizend kleinigheden, eerst niet door haar
+opgemerkt of overdacht, voegden zich nu samen tot een lange reeks
+van bewijzen en beschuldigingen.
+
+Met krampachtigen greep vatte zij haar hoofd, zoodat de golvende
+haren losraakten en de sidderende gestalte omhulden; en toen
+zij het bemerkte, deed het haar goed. Zich verbergen, onzichtbaar
+worden.... voor de meiden, voor hare kennissen, voor de wereld.... Er
+was iets belachelijks aan haar, iets schandelijks!.... De menschen
+zouden er naar wijzen.... Iets bespottelijks was het en toch
+iets vreeselijks, en alle menschen zouden haar belachen, haar
+beklagen,.... O weg, weg!
+
+Zij sprong op als om te vluchten, toen haar blik op het portret van
+haar man viel, dat haar glimlachend aanzag.
+
+Toen hoorden de meiden beneden, uit het boudoir een wilden lach,
+een lach, als van een waanzinnige, kort en luid en vreemd, die echter
+spoedig weer door diepe stilte gevolgd werd....
+
+Zij staarde op dat fraaie, lachende mannengelaat, waarin zij nu
+plotseling zwakheid en karakterloosheid las. Hare lippen krulden zich
+minachtend, haar blik nam een uitdrukking van afkeer aan, het jonge
+gezichtje was op eens dat eener vrouw, eener diep beleedigde vrouw.
+
+Langzamerhand werd die blik zachter, maar geen verzoening sprak
+er uit; medelijden slechts en.... een lang, een eeuwig vaarwel;
+een afscheidsgroet tegelijk aan den man, dien zij had bemind, en
+aan den zwakkeling, dien zij niet beminnen, niet meer toebehooren
+kon; een vrijwillige, eeuwige scheiding van de reine vrouw aan den
+verachtelijken slaaf zijner lusten. Ach, nog iets anders, iets oneindig
+wreeders dan de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar,
+maar dááraan had zij nooit gedacht....!
+
+"O, Huug," fluisterde zij, dicht voor het portret tredend, "hoe lief
+heb ik je gehad! Hoe heb ik je aangebeden! Ik geloofde in je.... Ik
+wist niets van die vuile, walgelijke wereld, waarin de mannen
+leven. Ik zag het leven, zooals het werkelijk is, niet, zooals het
+door de ellendelingetjes, die zich mannen noemen, is ontheiligd en
+verlaagd. Je staat daar rechtop tegenover mij, netjes aangekleed in
+je uniform met goudgalon en blinkende knoopen, maar geen mannenhart
+slaat daarachter. Ik veracht je,.... ik kan niet anders, en dat ik
+je verachten moet, doodt mij."
+
+Weer kreunde zij zacht en wendde het gelaat van die eens zoo beminde
+trekken.
+
+Het was haar als bestond zij niet meer; de vroegere Renée was
+verdwenen; haar geest was reeds gestorven in haar, alleen dat rampzalig
+lichaam stond daar nog, dat maar niet zoo spoedig sterven wilde als
+de ziel.
+
+En weg wilde zij toch, naar lichaam en geest, weg, ver weg, naar
+een toevluchtsoord, waarheen niemand haar volgen kon en vanwaar geen
+wreede, menschelijke wet de beleedigde vrouw tot terugkeer dwingen kan.
+
+En zij dacht er over, kalm, volkomen onverschillig, hoe zij het jonge,
+sterke leven in haar vernietigen zou.... Dat gehate, bloeiende lichaam,
+dat nergens meer toe diende, het moest weg; dat kloppende, eens zoo
+gloeiende hart moest dood; het was immers toch maar een bedrogen,
+misleid hart. Als zij nog vier en twintig uren leven moest, zou zij
+krankzinnig zijn. Misschien was zij het reeds; zij wist het zelf
+niet recht. Het kon haar ook niet schelen.... Als zij maar inslapen
+kon--voor altijd!
+
+Haar afgod was van zijn voetstuk gevallen en had in zijn val haar
+hart verbrijzeld. Nimmer, nimmer kon hij weer opgericht worden.
+
+"Ha, ha!" zeide zij overluid en hare eigene stem klonk haar vreemd
+in de ooren, "zelf de scherven aaneenlijmen en dan mijzelf en anderen
+wijsmaken dat dit nu weer....!
+
+Hare woorden eindigden in een vlijmenden spotlach.
+
+Eens had zij gevoeld altijd meer vrouw dan wereldlinge te zullen
+zijn, en zoo zeide zij nu ook tot zichzelf dat zij niet behoorde tot
+de vrouwen, die kunnen voortleven met een ongeneeslijke wonde in het
+hart; wier lichaam nog altijd rondloopt en werktuiglijk zijne plichten
+vervult, terwijl de ziel reeds gestorven is in haar, lang geleden
+reeds, toen haar liefde en vertrouwen gebroken werden, evenals de
+hare nu. Of ja, misschien zou zij er toe in staat zijn geweest ter
+wille eener moeder of van hulpelooze kinderen, maar.... zij had geen
+andere schatten, geen anderen rijkdom gehad dan hèm!
+
+Rustig keerde zij zich naar de deur en trad de slaapkamer binnen. Hier
+opende zij een kast en zag zoekend rond....
+
+Ja, daar in den hoek stond wat zij zocht. Hij had haar dikwerf
+gewaarschuwd het nooit te verzetten, opdat het niet verward zou worden
+met een der fleschjes op de toilettafel.
+
+Nu nam zij het in handen en las het opschrift. Enkele druppels
+waren voldoende om een sterken man den slaap te bezorgen, dien hij
+soms vruchteloos zocht, en met wreed genot mat zij den inhoud met
+de oogen. Het waren zeker wel honderd droppels.... ja, zeker wel
+honderd! En als een schat drukte zij het kleine voorwerp tegen hare
+borst, trad er het boudoir mede binnen en sloot de deur achter zich.
+
+
+
+Een kwartier later stak Hugo Freeze den sleutel in zijne huisdeur.
+
+Hij kwam fluitend de trap op, verlangend zijn paradepakje uit te
+doen. Maar eerst wilde hij rondzien naar Renée. Een blik in het
+salon--neen, zij was daar niet.
+
+Toen hij zich omkeerde, om haar elders te zoeken, trad Frederik hem
+in den weg, sloeg aan met neergeslagen oogen en vroeg aarzelend of
+hij mijnheer even spreken mocht.
+
+"Spreek op!" klonk het ongeduldig antwoord.
+
+Toen daalde Frederik's stem tot gefluister en toen hij had
+uitgesproken, was het gelaat van zijn meester doodsbleek.
+
+"Dank je--je bent een beste kerel, hoor! Ik zal aan je denken," zeide
+hij ontroerd, hem de hand reikende: en toen, nauwelijks in staat zich
+goed te houden, verdween hij in de slaapkamer.
+
+Goddank--zij was hier niet. Waarschijnlijk was zij in het boudoir. Hij
+zou zich stilhouden, want haar onder de oogen treden kon hij nog
+niet. Eerst moest hij zich herstellen en dan wilde hij tot haar gaan
+en haar vergeving vragen;.... haar zeggen hoe lief hij haar toch had,
+hoe haar invloed reeds een ander, een beter mensch van hem gemaakt
+had.... Hij zou zichzelf beschuldigen en vrijpleiten tegelijk.
+
+Maar dan dacht hij weer aan die reine kinderoogen vol geloof en
+vertrouwen.... en hij deinsde voor een ontmoeting terug....
+
+O God, dat dit nu had moeten gebeuren!
+
+Hij zat maar roerloos, schrijlings op een stoel neergevallen, de
+armen over de leuning en het gelaat in de handen geborgen.... Zou
+zij in het boudoir zijn?
+
+Hij luisterde geruimen tijd.
+
+Geen geluid.
+
+Hij ging naar de deur, aarzelde weder in zijn bewustzijn van schuld,
+trad weer nader en moed vattende, zeide hij smeekend: "Renée!"
+
+Maar geen antwoord volgde.
+
+Toen opende hij de deur en daar, neergezonken op de rustbank, half
+verborgen in hare fraaie lokken, lag haar slank meisjesfiguur. Was
+zij ingesluimerd?
+
+In de schemering kon hij haar gelaat slechts flauw onderscheiden,
+maar hij trad nader en knielde bij haar, zijn gelaat aan hare borst
+verbergend en verwachtende dat zij ontwaken zou.
+
+Maar zij bewoog zich niet.
+
+"Renée--lieveling?"
+
+Hij wilde hare hand vatten.... Maar wat hield zij er mede omklemd?
+
+Een kreet onsnapte hem, een ijskoude rilling ging hem van het hoofd
+tot de voeten.
+
+Hij zag haar oplettend aan.... En toen hij in dat doode, welbeminde
+gelaat zag, toen begreep hij plotseling dat het nooit weer in
+vertrouwende liefde aan zijne borst zou rusten; dat hij nimmer,
+nimmermeer, ondanks boete en rouw, het zoete: "Huug, ik heb je zoo
+lief!" van hare lippen zou hooren; dat een vreeselijk "te laat!" op
+die dierbare trekken geschreven stond.
+
+Op eens, als door waanzin bevangen, riep hij op hartverscheurenden
+toon, die van de diepste zielesmart getuigde:
+
+"Renée, Renée!.... Mijn vrouwtje!.... Word wakker? Geef
+antwoord!.... Zeg me dat je leeft.... O, spreek toch, spreek toch!"
+
+Maar zijne stem kon haar niet meer bereiken. De kleine schildwacht
+had haar post verlaten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE EERSTE DAG VAN BETERSCHAP
+
+
+In de stilte van den sneeuwigen winternacht hoort zij de klokken vijf
+slaan, tegelijk of na elkaar. Nu reeds?.... Hoe kan men toch beweren
+dat de uren aan een ziekbed lang vallen! Er is zooveel te doen en--als
+de handen rusten--zooveel te denken. Voor een moeder althans....
+
+Aandachtig slaat zij den kranke gade. Een geheel uur lang ligt hij
+daar nu reeds in heerlijken, diepen slaap.--Hoor die ademhaling! Het
+is niet dat schokkende, haastige hijgen, waarnaar zij nu reeds weken
+lang zoo angstig luisterde. Het is een rustige in- en uitademing. En
+het kleine beminde gezichtje is niet meer rood van koortshitte, maar
+bleek, akelig bleek. Nu ziet ze eerst recht hoe ontzettend vermagerd
+en ingezonken het is. Zij kan het bijna niet meer vereenzelvigen
+met de ronde wangen en schitterende oogen, die zij zich van vroeger
+herinnert.... Maar hij is toch haar dierbare kleine Wim nog....
+
+Ach, zooals hij daar nu ligt, ziet hij er uit, als ware hij reeds
+gestorven. Welk een verschrikkelijk gezicht!
+
+Een traan welt haar in de oogen, maar zij wischt dien haastig af
+en klemt de lippen opeen. Niet schreien! Als het haar weer eens
+overweldigde zooals gisteren, toen de dokter gezegd had dat het kind
+niet lang meer bestand zou kunnen zijn tegen die hevige en voortdurende
+koorts en die afmattende hoestbuien, welke allen slaap beletten! Toen
+had, nadat de dokter weggereden was, al haar zelfbedwang haar niets
+meer gebaat, en zij had geschreid, geschreid, tot ze geen tranen meer
+had. En toen had ze hoofdpijn en was verplicht naar bed te gaan en
+kleinen Wim aan anderen over te laten....
+
+O neen, niet meer schreien!
+
+
+
+Ze heeft grooten Wim om middernacht, nadat zij eenige uren gerust
+had, naar de logeerkamer gezonden, om daar den slaap te genieten,
+waaraan hij na den vermoeienden arbeid van den dag behoefte heeft,
+en kan nu ongestoord den kleinen zieke verplegen.
+
+Ze staart hem maar altijd aan. Haar hart wordt lichter en lichter. Dit
+moet beterschap zijn. De laatste hoestaanval ging niet met benauwdheid
+gepaard, en na dien tijd is hij zoo stil tevreden geweest, als gevoelde
+hij zich zeer welbehaaglijk.
+
+Beterschap.... Voor het eerst durft ze er aan denken.
+
+Zal ze zijn vroolijken lach, zijn lief gekeuvel weer hooren, waaraan
+ze zoo menigmaal met smartelijk, wild verlangen heeft teruggedacht in
+deze droeve weken? Zal ze hem weer zien rondloopen in zijn aardig,
+nieuw pakje, waarop ze gister nog in stomme smart haar hoofd heeft
+neergebogen, toen ze het bij het openen der kast zag liggen? Zal
+er niets bewaarheid worden van die vreeselijke visioenen, welke haar
+telkens voor oogen zweefden: een kistje, een begrafenisstoet, een graf,
+een altijd ledig stoeltje.... Ja, hoe zonderling dat zij daaraan met,
+naar het haar toeschijnt, ijzige kalmte, met zoo doffe, wanhopige
+berusting heeft kunnen denken, als ze daar onbeweeglijk in haar stoel
+zat en doelloos naar de bloemen van het tapijt staarde! Zelfs heeft
+ze overwogen hoe koel zij de advertentie wel zou wenschen, die het
+doodsbericht van haar lieveling zou bevatten, en hoe onbewogen zij
+schijnen zou in tegenwoordigheid van vrienden en kennissen.
+
+Telkens zijn haar de zoogenaamde condoleantievisites in de gedachte
+gekomen en zij heeft gehuiverd. Hoe, zouden reeds in die eerste droeve
+dagen allerlei menschen in huis komen en met haar willen spreken over
+hem, wiens naam zij niet zou kunnen noemen zonder in tranen uit te
+barsten? Hare goede vrienden--zouden zij dàt van haar eischen? Zouden
+zij onnadenkend genoeg zijn om blindelings een gebruik te volgen zonder
+eerbied voor de zielesmart eener moeder; of ongevoelig genoeg om uit
+bloote nieuwsgierigheid het huis der droefenis binnen te dringen? Men
+kan immers ook schriftelijk deelneming betuigen!
+
+Zij heeft zich herinnerd dat, toen Willem zijne moeder verloren
+had,--die goede, lieve, waardige vrouw, aan wie hij met zijne
+gansche ziel hing,--zij er zich over verwonderde dat er bij iedere
+betuiging van deelneming iets hards in zijn gelaat kwam, terwijl
+hij de vormelijke condoleantie-phrase niet--of met een algemeenheid
+beantwoordde. Nu eerst had ze hem begrepen. Ja, ook zij zou haar
+hart met een pantser omringd en niemand toegestaan hebben de versche
+wonde daarbinnen te bekijken, te peilen en verder open te rijten. De
+menschen mochten dan zeggen dat zij niet zeer bedroefd scheen, zooals
+zij het van Willem gezegd hadden....
+
+Dat alles is herhaaldelijk in haar omgegaan. Maar nu.... Is dit
+beterschap?
+
+Ze kan zich maar niet verzadigen aan het gezicht van haar rustig
+sluimerend kind. Zonderling, zelf heeft ze in het geheel geen slaap. Ze
+is te gelukkig. Het is haar alsof zij nu pas voor het eerst weer eens
+rustig denken kan.
+
+
+
+Allerlei zoete herinneringen komen tot haar.
+
+Haar kleine ridder: wat was hij altijd galant! Hoe sprong hij op,
+als haar vingerhoed viel of haar kluwen wegrolde! Hoe graag snelde
+hij naar huis om hoed of parasol, als in den tuin de zon haar begon
+te hinderen! En bovenal--hoe aandoenlijk lief hield hij de kleintjes
+stil, als maatje eens hoofdpijn had! Die vurige vereering zijner
+moeder--alleraardigst was ze in het zesjarig kereltje.
+
+De spiegel zeide haar dikwerf reeds dat hare eerste schoonheid
+voorbij was; haar voorhoofd werd minder glad, haar teint grover,
+hare tanden begonnen hunne witheid te verliezen en haar figuurtje
+zijne gratie. Maar behalve grooten Wim had ze toch altijd nog één
+aanbidder: dat was kleine Wim.
+
+"Ik kijk zoo graag naar u. Ik vind u zoo mooi," zeide hij soms,
+haar in stille verrukking aanstarend.
+
+Hoe gaarne ook haalde hij zich allerlei ongelukken in het hoofd,
+om te toonen hoe dapper hij zijn zou om harentwil.
+
+"Als er een beer kwam in de gang," zei hij dan met schitterenden blik
+en gebalde vuistjes, "dan zouden pa en ik u met de kleintjes hier in
+de kamer sluiten en hem dan gaan doodslaan...."
+
+
+
+Hare oogen beginnen te schemeren van het staren op dat in het kussen
+weggezonken blonde kopje. Dan heft ze het gebogen hoofd op en ziet
+de kamer rond, gelijk ze reeds duizendmaal deed in de uren aan dit
+ziekbed doorgebracht.
+
+De nachtlamp, ginds op de waschtafel, wordt getemperd door een
+schermpje, waarop kinderen zijn afgebeeld, die bellen blazen. Dat
+is het meest verlichte. Dan het bovenvlak der waschtafel met de
+gebloemde stellen; het breede penant met den spiegel en dan--reeds
+flauwer verlicht--de gordijnen voor de vensters aan weerszijden. In
+dommelige schaduw weggezonken aan den muur links het groote ledekant,
+en daartegenover het bed van hare kleine meisjes. Alles ledig nu. Over
+de kleintjes ontfermde zich een hartelijk vriend, ze aldus behoedende
+tegen de besmetting van den epidemischen hoest, waardoor Wim is
+aangetast. Iederen dag, klokke halfzes, komen ze voorbijwandelen en
+haar verkwikken door dien aanblik.
+
+De groote tafel, zij zelf en Wim's ledekantje, 't is alles in schemer
+gehuld....
+
+Wat is het stil! Haar horloge tikt ijverig; dat is het eenige geluid
+in het vertrek. En buiten steekt de wind op, en zachte tikjes tegen
+de ruiten zeggen haar dat het sneeuwt, droge, korrelige sneeuw.
+
+Hare oogleden beginnen nu toch ook zwaar te worden. Wim slaapt nog
+steeds voort....
+
+Ze is koud. De kachel is uitgegaan, doordat ze vreesde hem door eenig
+geraas te wekken.
+
+Een verlangende blik gaat naar het groote ledekant, telkens, telkens
+weer....
+
+Zou ze 't wagen?--Ze kan immers toch in een oogwenk bij hem zijn. Het
+is niet die onrustige slaap van anders met half gesloten oogleden en
+telkens wakker schrikken en benauwde hijgende borst....
+
+Ze staat onhoorbaar op, verwisselt haar warmen peignoir voor een
+nachtkleed en strekt zich welbehaaglijk uit in het weeke bed.
+
+"Och, een uurtje maar!" fluistert zij, als capituleerende met
+zichzelf. Zij schijnt zich zoo zelfzuchtig.
+
+En dan rijst de verlangende gedachte: "Als het eens twee uur was! Als
+de brievenbesteller eens voorbijging, die altijd zoo hard aanschelt,
+en de meid zich eens versliep, en Wim niet wakker werd!...."
+
+De matte oogleden vallen reeds toe. Zij denkt niet meer. Zij slaapt
+den vasten slaap van een doodelijk vermoeide.
+
+
+
+Als ze ontwaakt, slaat ze verwonderd de oogen op. Hoe, reeds volle
+dag?.... Het moet wel negen uur zijn.
+
+Een blik op haar horloge zegt haar dat het reeds over elven is. Zij
+ontstelt ervan.
+
+In een ommezien is zij bij het kleine bed. Daar ligt hij nog juist
+als dien nacht. Ze weet het: als hij haar ook slechts fluisterend
+geroepen had, ze zou het gehoord hebben.
+
+.... Dus ligt hij daar nu reeds.... laat zien: van vier tot elf--reeds
+zeven uur in vasten gezonden slaap.
+
+O, dit moet wel beterschap zijn!.... Ze zou het kunnen uitjubelen.
+
+Haar oog valt op een stukje beschreven papier, dat op de tafel ligt.
+
+
+ "Lieve vrouw, ik wou je niet wakker maken. Je sliep zoo
+ lekker. En Wim ook. Tot straks."
+
+
+Zij glimlacht. Wat zal hij straks zeggen, als hij hoort, dat Wim
+nog altijd slaapt? Tot elf uur ten minste. Neen, tot kwartier over
+elven....
+
+Dus is hij in de kamer geweest. En zij heeft het niet eens
+gehoord! Misschien heeft ook de meid in huis gestommeld en de
+brievenbesteller hard aangescheld, evenals na hem de melkboer, de
+bakker, de vleeschhouwer, de groenteboer.
+
+Terwijl zij zich kleedt, denkt zij verwonderd over dat alles na. Dan
+gaat ze in de aangrenzende kamer en trekt aan het schelkoord, om
+straks met nauwelijks bedwongen blijdschap aan de dienstbode het
+heuglijk nieuws mede te deelen. Ze moet het aan iemand vertellen!
+
+Dan geeft ze hare bevelen en blijft alleen.
+
+Zij drinkt koffie, telkens even oprijzende om door de deur der
+slaapkamer te gluren, die op een kier staat. Dan luistert zij. Geen
+geluid; niets dan die geregelde, rustige ademhaling....
+
+Gistermorgen heeft de dokter gezegd dat het kind hem iets beter
+scheen; zij echter heeft hem ongeloovig aangezien. Hoe?--Beter!--Ja,
+de koorts scheen overwonnen, maar de pols was nauwlijks waar te nemen
+en haar arme lieveling bleek te zwak om zelfs maar zijn hoofdje op
+te tillen.... Wat kon hij er eigenlijk over oordeelen, die man, welke
+het kind slechts eenige minuten daags gadesloeg! Zij, de eigen moeder,
+vond haar jongen veel erger.
+
+Maar nu zegt ze tot zichzelf dat de dokter toch goed gezien had,
+en ze peinst er over, hoe ze 't heden erkennen zal.
+
+"U hadt toch gelijk, dokter, er was beterschap." En ze weet al dat
+ze zal glimlachen bij die woorden, een zalige glimlach.
+
+Daar laat ze een mes vallen. Haar hart klopt voelbaar van schrik.... Ze
+staat roerloos en luistert, maar alles blijft stil.
+
+Ze treedt aan het venster en ziet naar buiten in de straat.
+
+Alles wit. Hoe glinstert en fonkelt de sneeuw in de zon! En wat
+ziet de wereld er vroolijk uit! Het is lente, ondanks de sneeuw. De
+straatmusschen denken er blijkbaar ook zoo over en verkondigen het
+al tjilpend van de daken.
+
+Zij kan de warmte der zon voelen door het glas heen, en koestert er
+zich in, evenals de hyacinten en narcissen in de vensterbank.
+
+Uit het huis harer naaste buren dringt pianospel door. Het herinnert
+haar hoe ze in de duistere dagen, die voorbij zijn, zich er telkens
+niet zonder bitterheid over verwonderde, hoe zij lust konden hebben
+in spel en zang, wetende dat niet verre van hen een teeder geliefd
+kind met den dood worstelde. Ze hadden wel dagelijks laten vragen hoe
+het den kleinen patiënt ging en eens zelfs er bijgevoegd of de piano
+ook hinderde, maar zij had die laatste vraag naar waarheid ontkennend
+kunnen beantwoorden. Waarom had die muziek haar dan gegriefd?
+
+Nu vergeeft ze hun zoo gemakkelijk en luistert met welgevallen naar
+den vroolijken galop, waarvan de tonen flauw tot haar doordringen.
+
+Haar dwalende blik valt op den kalender. Reeds vijf Maart?....
+
+Ja zeker, het is de vijfde Maart vandaag. Dat wist ze wel, en
+toch schijnt het haar vreemd. Toen zij in die andere kamer de
+gordijnen neerliet en de deur sloot om haar kranken lieveling te
+verplegen, was het nog geen half Februari. En de tijd is onmerkbaar
+voortgegleden. Buiten zijn grachten en slooten tot ijs gestold, hebben
+vele vroolijke schaatsenrijders gedragen, en zijn weer ontdooid;
+dagen zijn nachten geworden en nachten dagen, maar voor háár waren
+de grenzen tusschen die beide uitgewischt. Zij leefde niet. Voor haar
+was het alles te zamen als één lange, treurige nacht.
+
+Het is haar, nu ze daar staat met licht hart en bestraald door de
+warme lentezon, alsof zij uit een bangen droom is ontwaakt.
+
+
+
+In ieder rijtuig meent ze het dokterskoetsje te hooren naderen. Maar
+zij bedenkt dat het Zaterdag is. Hij rijdt heden al zijne patiënten
+af om morgen iets te genieten wat op rust gelijkt. Het is bij
+drieën. Zeker zal hij nu spoedig komen.
+
+Nu nadert er weer een rijtuig.... ja, dat is hij nu toch.
+
+Zij gaat hem eenige schreden tegemoet, om te voorkomen dat hij als
+gewoonlijk de slaapkamer binnentreedt.
+
+"Hoe gaat het?"
+
+Weer dezelfde vraag,--heden misschien reeds vijftigmaal gedaan,--op
+gedempten toon geuit, juist als iederen dag. Maar nu--welk een genot
+het hem te vertellen!
+
+Even gaat hij bij den kleinen kranke. Zij zou het hem willen beletten,
+maar zij durft niet....
+
+Gelukkig, Wim ontwaakt er niet door.
+
+Als hij terugkeert, ziet ze hem gespannen aan, als wil ze hem in de
+ziel lezen. Maar hij zegt niet veel; dokters zijn voorzichtig met
+hunne gelukwenschen.
+
+"Heeft hij niet meer gehoest?"
+
+"Sedert van nacht niet.--Hoe vindt u hem?"
+
+"Hm! Het gaat goed zoo. Uitstekend. Nu maar voorzichtig met
+eten.--Adieu, mevrouw, morgen kom ik nog eens zien."
+
+Hij is alweer weg.
+
+Terwijl zij het portier hoort dichtklappen en luistert naar het doffe
+geratel der snel wegrollende wielen, herhaalt ze, op een stoel bij het
+venster neergezonken, zijne woorden: "Het gaat goed zoo. Uitstekend,
+nu maar voorzichtig met eten."
+
+Zij weet het: dat is bijna hetzelfde als had hij gezegd: " Ik wensch
+u geluk, mevrouw. Uw kind is behouden."
+
+En telkens fluistert ze weer dat heerlijke woord: "
+Uitstekend! Uitstekend!"
+
+Daar zijn ze weer, die waterlanders. Ditmaal laat ze hun vrij spel. Op
+de eene of andere manier moet ze toch haar vol hart lucht geven,
+juichend of weenend....
+
+Ginds komt Willem. Dat is vroeg. Ongetwijfeld heeft hij zich gehaast.
+
+Hij ziet niet naar boven. Het is ook in zoo langen tijd niet gebeurd,
+dat ze hem daar opwachtte.
+
+Nu draait hij den sleutel in het slot. Als de tocht de deur maar niet
+weer toeflapt zooals gisteren!....
+
+Neen, Willem is op zijne hoede.
+
+Hoor, nu zet hij zijn stok in den standaard en hangt hoed en overjas
+op den kapstok.
+
+Nu komt hij de trap op.
+
+Zij staat reeds in de geopende deur, een blos van geluk op het gelaat.
+
+Dadelijk vestigt hij, als gewoonlijk, zijn vragenden blik op haar,
+en ditmaal behoeft zij hem niet vol bekommering te antwoorden.
+
+"O pa, hij slaapt NOG."
+
+Die weinige woorden zijn als een juichtoon.
+
+"En de dokter is geweest, en verbeeldt je, hij zei: "Uitstekend!"
+
+" Uitstekend!" herhaalt hij overgelukkig.
+
+Nu hij haar blik ontmoet, merkt hij hare beschreide oogen op.
+
+"Wat, heb je gehuild?"
+
+"Ja, och.... even maar. Van blijdschap, zie je.... Och, lach me
+niet uit."
+
+Maar hij lacht haar wel uit met teederen lach, en juist wil hij haar
+eens terdege gaan bespotten, als ze hem wenkt den kleinen zieke te
+bespieden. Terwijl hij gluurt, slaat ze hem gade, gretig den indruk
+afwachtend, die het schouwspel op hem maken zal.
+
+Dan wisselen ze een blik vol zaligheid.
+
+"Je denkt toch ook dat het beterschap is?"--Ze kan het niet genoeg
+hooren uit ieders mond.
+
+"Of ik dat denk!" antwoordt hij vergenoegd.
+
+Intusschen heeft de meid het eten opgedragen. Eéns heeft ze het ongeluk
+een schaaltje wat àl te hard met het komfoor in aanraking te brengen,
+en dadelijk keeren twee hoofden zich naar haar om.
+
+"St!...."
+
+Ze gaan dicht bijeenzitten; (wat is het in lang niet gebeurd dat ze
+zoo rustig te zamen konden eten!) en ze vertelt hem fluisterend al
+hare ondervindingen van dien dag.
+
+"Van vier uur af, Wim. Wat zeg je er van? Al meer dan een wijzertje
+rond.--Stil, hoor je niets?"
+
+................
+
+"Neen."
+
+"Ik meende het."
+
+Ten overvloede gaat ze nog even zien, maar keert met een geruststellend
+hoofdschudden terug.
+
+Telkens slaan zij den blik naar de pendule. Alweer een kwartier!
+
+"Zijn de meisjes er al geweest?"
+
+"Neen."
+
+"Toe, doe mij dan het genoegen en wandel haar straks eens te
+gemoet. Het zal zoo goed voor je zijn. Je zit nu al drie weken
+in huis."
+
+Zij dankt hem met een vriendelijken blik voor zijne bezorgdheid.
+
+"Vindt je toch niet dat het wat lang duurt?" vraagt ze na een poos.
+
+"Wel neen, niets te lang voor een kind, dat dagen aaneen geen twee
+uur achter elkaar rust heeft gehad en op alle manieren verzwakt
+is. Het kàn niet te lang duren, al slaapt hij tot morgen vroeg.--Ga
+jij nu opruimen?"
+
+"Ja...."
+
+"En je zoudt uitgaan?"
+
+"Och, morgen dan. Ik wou.... er zoo graag bij zijn, als hij wakker
+wordt."
+
+Hij schudt het hoofd, maar spreekt haar niet meer tegen; en terwijl
+hij zijne sigaar geniet, ruimt ze onhoorbaar op. De meid kan zoo
+onstuimig zijn, zoo overhaast. Zij denkt aan haar werk, maar Wim's
+moeder denkt aan Wim alleen.
+
+"Stil!"
+
+Ze zeggen het beiden tegelijk. Wim heeft gehoest.
+
+Zij ziet verschrikt naar haar man; hij staart kalm naar den grond,
+als iemand, die weet de wijste te moeten zijn. Is het weer een aanval
+als vroeger? Die vraag beklemt beider ziel.
+
+Neen, het hoesten houdt niet aan. Hij wordt er niet eens wakker
+van. Ze stond al aan de deur met een verzachtenden drank, maar het
+is onnoodig. Het kind heeft zich slechts een weinig omgewend en
+slaapt weer.
+
+De avondschaduwen vallen reeds. Ze zitten stil bijeen aan het venster,
+uitziende naar de "kleintjes."
+
+Eindelijk, daar komen ze. Langzaam drentelen ze voorbij aan de
+hand eener dienstbode, werpen kushandjes naar boven, komen terug en
+wuiven opnieuw hare kleine armpjes moe. Dan verdwijnen ze weer uit
+het gezicht. O, ze te mogen kussen en pakken naar hartelust! Wanneer
+zal het mogen zijn? Wanneer toch!--Hoe dom dat ze dàt niet aan den
+dokter gevraagd heeft!
+
+Zij voelt Willem's hand op de hare; hij glimlacht haar bemoedigend toe.
+
+"Het zal nu niet lang meer duren, moedertje!"
+
+
+
+Nu hebben zij toch werkelijk iets gehoord.
+
+"Maatje!"
+
+Ze is reeds bij hem.
+
+"Wel, hoe gaat het?" vraagt zij vroolijk.
+
+"Ik heb honger."
+
+Welk een muziek!
+
+"Goed, ventje. Een eitje dan?
+
+"Een eitje!" herhaalt hij minachtend, als stond de omvang van een
+ei in hoegenaamd geen verhouding tot den omvang van zijn eetlust,
+"neen, een boterham met...."
+
+"Dan zullen we liever beginnen met wat arrowroot, niet waar?--Kijk,
+hier is pa. Terwijl pa je gezelschap houdt, zal ik gauw wat lekkers
+voor je maken."
+
+"Hij heeft honger!!" fluistert ze Willem in het voorbijgaan toe,
+en al de jubel harer ziel straalt haar uit de oogen.
+
+Dan vangt ze den zoeten arbeid aan. Hare handen beven van blijdschap
+en haast. Wat heeft die slaap hem goedgedaan; hij is hetzelfde kind
+niet meer van gisteren....
+
+Uit de slaapkamer dringen welbekende, vroolijke klanken uit een
+dierbaren kindermond tot haar door, en Willem's grove stem, getemperd
+tot een liefkoozend gekeuvel. Hoor, wat kan hij die bromstem teeder
+maken!
+
+"Mijn jongen! mijn beste kereltje!"
+
+Ziezoo, het is reeds klaar.
+
+Als ze er echter mede naar het bedje komt, vraagt Wim zoo smeekend of
+hij het in de andere kamer mag opeten, dat zij niet vermag te weigeren,
+vooral nu ze niet tevergeefs in papa's oogen bekrachtiging van hare
+toestemming zoekt.
+
+Iederen dag heeft hij even, in dekens gewikkeld, op haar arm gehangen,
+terwijl de meid het bedje schudde en de kamer luchtte. Maar heden
+leunt haar dierbare last niet mat en lusteloos aan haar schouder. Met
+gretigen blik ziet hij naar zijn voedsel en wacht ongeduldig tot zij
+hem het eerste hapje toereikt.
+
+O, hoe smaakt het hem! Hij wendt er zijne oogen niet af.... En zij
+slaan hem gade, blikken wisselend vol geheime verstandhouding.
+
+Nu willen zij het ook nog uit zijn mond hooren.
+
+"Wel, hoe smaakt het, Wim?"
+
+"Lekker, pa," antwoordt Wim, zonder de oogen af te wenden van den
+lepel, die juist weer zijn mond nadert.
+
+En dan mama--na eenige oogenblikken--plagend: "Wat heb je nòg niet
+genoeg?"
+
+En Wim lacht witjes en zegt: "Neen, neen!" en smult maar voort.
+
+De meid veroorlooft zich de vrijheid in de porte-brisée te verschijnen
+en met de handen in de zijden en een glimlach om haar breeden mond
+het schouwspel mede te genieten.
+
+Zij knikken haar even toe.
+
+"Het gaat er schoontjes in," voorspelt zij een paar maal, maar
+zij heeft het mis. Een klein restje moet zij mede naar de keuken
+nemen. Toch zijn de ouders recht tevreden.
+
+"Nu, Wim, het bedje is weer klaar."
+
+"Maar ik wou nog even naar buiten kijken," zegt Wim op bevelenden toon.
+
+Ja, ze heeft hem wel wat bedorven in den laatsten tijd; ze heeft
+gevlogen op zijne wenken, hem iederen wensch van de lippen gelezen. Hoe
+kon ze anders! Meende ze toen niet dat het de laatste teederheden
+waren, welke ze hem nog zou kunnen bewijzen? Zij zal wel spoedig weer
+den ouden lieven jongen van hem maken. Vandaag mag hij papa en mama nog
+eens commandeeren, als belooning voor zijne aanvankelijke beterschap.
+
+"Ik hoor de jongens," gaat Wim met aandrang voort. "Laat me toch eens
+kijken, ma!"
+
+Weer slaat ze een vragenden blik op haar man.
+
+"Even dan," zegt hij, en zij zet zich verheugd met Wim aan het
+venster neer, waar hij zien kan hoe zijn juichende vriendjes elkaar
+met sneeuwballen werpen.
+
+"Kijk, daar heb je Piet!" zegt hij en zijn ingevallen gezichtje wordt
+verhelderd door een lach van genoegen. "En Karel en Jan.... Nou,
+die is raak! Zag u 't pa?"
+
+De meid van de buren aan de overzijde--ze houdt zooveel van Wim--is
+op de stoep aan het werk en ziet verrast naar boven.
+
+"Weer beter?" vragen duidelijk haar mond en oogen, terwijl ze over
+haar emmer gebogen staat en haar dweil uitwringt. En daar de moeder
+slechts keuze heeft tusschen ontkennen en bevestigen, doet zij het
+laatste met een blijden knik.
+
+Dan schudt de meid meewarig het hoofd en strijkt zich langs de wangen,
+hetwelk klaarblijkelijk beteekent: "Wat is hij bleek!" en gaat dan
+met een vriendelijken groet in huis.
+
+Ja, bleek is hij, zoo bleek als zijn hanssopje. Zijne wangbeenderen
+steken uit en zijne oogen staan hol, maar het leven, het leven is
+behouden!
+
+Zij is zoo dankbaar, zoo gelukkig! In de volheid van haar gemoed
+slaat zij den blik naar boven, naar die blauwe lucht, waar wel geen
+hemel zijn kan, maar waar het hart dien toch altijd nog zoo gaarne
+zoekt. Onwillekeurig wordt haar oog--zoo lang aan de schemering van
+het ziekvertrek gewoon--getroffen door de schoonheid van dat reine
+blauw, met de helderwitte wolkstrepen.
+
+"Zie je wel wat een prachtige lucht, Wim?" vraagt ze, gewoon als zij
+is hem de natuur te leeren liefhebben.
+
+"Ja," antwoordt Wim bewonderend, "net of er glijbanen in de lucht
+zijn."
+
+Ze ziet even met een knipoogje naar "pa", die met vroolijken spot
+aanmerkt dat Wim reeds diep gevoel voor natuurschoon krijgt en dan
+oprijst om het gas aan te steken.
+
+"Het is te frisch bij het raam," waarschuwt hij. Kom nu hier, Wim,
+dan mag je nog een oogenblik met ons aan de tafel zitten. Zullen we
+eens een prentenboek kijken?"
+
+"Neen," zegt Wim, "weet u wat ik wou?...."
+
+Zij hangen aan zijne lippen.
+
+"Dat ik eens een mooie speelgoeddoos had."
+
+"Maar je heb er immers wel drie!"
+
+"Ja, maar een geheel nieuwe, zoo een als ik nog nooit gehad heb."
+
+Zij wisselen een blik. Beiden berekenen in stilte dat de naaste
+speelgoedwinkel geen drie minuten ver ligt en dat pa lange beenen
+heeft en dat.... Hij is reeds weg.
+
+Wie hem gadeslaat op straat of in den winkel, ziet niets bijzonders
+aan hem. Met oogenschijnlijke bedaardheid en met zijn gewone deftigheid
+kiest en koopt hij.... maar daar binnen is het zoo wonder licht.
+
+Onder de zware overjas klopt zulk een gelukkig hart, vlak tegen de
+nieuwe doos, die aan zijne borst rust. Met een paar sprongen is hij
+de trap weer op....
+
+En drie gelukkige gezichten buigen zich over pa's keus: boomen, die
+omvallen, vuurroode herten, goudgele honden, en jagers met hoofden
+als knikkers, maar Wim is verrukt....
+
+
+
+"Nu is het genoeg," zegt papa met een blik op zijn horloge, en neemt
+den lichten last op zijne armen.
+
+Eigenlijk hadden ze tegenstand verwacht, maar hij geeft terstond toe.
+
+"Ja, nu ga ik weer slapen," zegt hij gewillig en laat zich lijdzaam
+wegdragen. Blijkbaar is hij vermoeid.
+
+Te zamen dekken zij hem toe.
+
+Zie, daar vallen zijne oogen reeds dicht; zij drukken hunne laatste
+kussen op zijn gezichtje, en slaan hem dan gade.
+
+Op eens ziet hij hen weer aan.
+
+"Dag maatje! Dag paatje!"
+
+Het is meer een liefkoozing dan een groet.
+
+"Dag jongen! Dag zoete schat!"
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een verlaten post, by Johanna van Woude
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN VERLATEN POST ***
+
+***** This file should be named 27555-8.txt or 27555-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/7/5/5/27555/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.