summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/27783-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '27783-8.txt')
-rw-r--r--27783-8.txt7399
1 files changed, 7399 insertions, 0 deletions
diff --git a/27783-8.txt b/27783-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..0ea1bf3
--- /dev/null
+++ b/27783-8.txt
@@ -0,0 +1,7399 @@
+Project Gutenberg's Twee vroolijke geschiedenissen, by Fritz Reuter
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Twee vroolijke geschiedenissen
+
+Author: Fritz Reuter
+
+Translator: E. Laurillard
+
+Release Date: January 12, 2009 [EBook #27783]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VROOLIJKE GESCHIEDENISSEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE VROOLIJKE GESCHIEDENISSEN.
+
+
+
+
+HOE IK AAN EENE VROUW KWAM.
+
+ Na de bruiloft is het uit:
+ Vóór de bruiloft wen je bruid.
+
+
+Ik was zachtkens aan een oude knaap geworden. Ik was in de wereld
+rondgejaagd, hier heen en daar heen, ik had mijn hoofd menigmaal op
+eene zachte peluw nedergelegd, maar ook menigmaal op een bos stroo. Nu
+ik echter ouder werd, beviel mij dat stroo lang zoo goed niet meer als
+toen ik op twintigjarigen leeftijd was; want die in zijn kinderjaren
+gaarne gele wortels eet, versmaadt daarom, als hij ouder is geworden,
+juist geen gebraden gans. De menschen zeiden: "trouwen;" en ik zei:
+"bedenken," en beschouwde den heiligen huwelijksstaat als de vos de
+ganzenkooi, en dacht: "Ge zoudt er wel gaarne eene hebben! Ge komt
+er ook heel zacht in! Maar als gij er eerst eene uitgezocht hebt,
+komt ge er dan ook weder uit?"--Wanneer ik dan later weder aan het
+eeuwige varkens- en lamsvleesch van den hospes dacht, en hoe het
+er in mijne kamer uitzag, als op Gods lieve aarde vóór den eersten
+scheppingsdag, en hoe de oude sakkermentsche knoopen steeds van mijn
+kleêren scheurden, dan zeî ik: "trouwen;" en dan zeiden de malle
+menschen weder: "bedenken." Zoo zat ik dan steeds tusschen hangen
+en worgen, en de jaren begonnen al een grijzen tint over mijn hoofd
+te verspreiden. Toen stond ik eens bij de kachel en had mijne pijp
+aangestoken en keek naar het weder.
+
+De sneeuw dwarrelde zachtkens van den hemel neer; 't was buiten zeer
+stil, geen rijtuig liet zich hooren; slechts in de verte hoorde
+men het gerinkel van sledebellen en het werd mij al te eenzaam:
+'t was bovendien heilige kerstavond. Terwijl ik nog zoo stond en
+onwillekeurig door de ruiten keek, kwam mijn schoenmaker Linsener
+met eene handslede vol hout voor zijne deur aan, wat hij in het
+stadsbosch bijeen verzameld had, en boven op de slede lag een groene
+dennetak. "Zie nu dien rakker eens aan!" zeg ik. "Hij zou mij een paar
+andere laarzen maken, en hij is met hout aan 't karren! Hij heeft mij
+al likdoorns aangelapt; ik laat bij dien kerel voortaan niets meer
+maken!"--Zoo sta ik toen nog een tijd lang, en ik gevoel eene huivering
+door al de leden en 't is alsof er ijs langs mijn' ruggegraat glijdt,
+en ik zeg tot mij zelven: "Natuurlijk!" zeg ik. "Eene verkoudheid,
+eene zware verkoudheid! En geen wonder? De laarzen zijn stuk? en met
+de wol, die ik aan vrouw Bütow gegeven heb, stopt zij hare eigene
+kousen, en de mijne hebben geene zolen meer. Alles in de wereld heeft
+zijn natuurlijke oorzaken."--Zoo stond ik, totdat het donker werd,
+en toen ik licht wilde aansteken, kon ik de lucifers niet vinden,
+en toen ik die gevonden had, wilde de lamp niet branden: vrouw Bütow
+had de kous niet afgeknipt; en toen die eindelijk na veel moeite begon
+te branden, ging ze weder vlak voor mijn neus uit; vrouw Bütow had er
+geen olie ingedaan. Onder zulke omstandigheden is het niet onaardig,
+wanneer er dadelijk iemand bij de hand is, dien men eens ferm de huid
+kan vol schelden; ik had echter niemand bij de hand, en wat zou ik
+dus aanvangen? Ik keek maar weder uit het venster.
+
+Bij het gezin van den schoenmaker was het licht opgestoken en in de
+kamer begon het vroolijk en luidruchtig te worden, maar zien kon ik
+niets, want de gordijnen waren toegeschoven. "Zie nu eens bij den
+schoenmaker!" zeide ik, "knappe gordijnen!"--Ik had geene gordijnen;
+vrouw Bütow stelde geen belang in gordijnen. In den eersten tijd
+had zij mij wat lappen aan elkaâr genaaid; die zagen er uit als
+"van onder niets en van boven niets," en ik had ze afgetrokken, toen
+mij de menschen vroegen of ik aan mijne vensters kinderhemden te
+drogen hing. Natuurlijk ergerde ik mij dan nu over den schoenmaker:
+de vent maakte mij mijne laarzen niet, en wilde leven als een graaf,
+en ik zat in 't donker zonder gordijnen en met eene verkoudheid door
+al mijne leden. Welnu, ik ga de straat op en denk: "Wacht! ik zal
+dien kerel eens duchtig de les lezen!"
+
+Toen ik de kamer inkwam, stond een denneboom op de tafel en er brandden
+lichten aan, en de kleine jongens van den schoenmaker, zijn Kareltje
+en Christiaantje, hadden een fluit en een trompet, en maakten muziek,
+en zijn klein Marieken juichte daarbij en gilde het uit, en greep met
+de handjes naar de lichten, en trappelde met de voetjes in haar moeders
+schoot, want zij kon nog niet loopen. De schoenmakersvrouw had het
+spinnewiel terzijde gezet, zij had een schoonen boezelaar voorgedaan
+en haren zondagschen doek omgeslagen en zette een zondags-gezicht
+daarbij, lachte de kinderen toe en wischte klein Marieken den mond af,
+wanneer die zich met de pepernoten wat al te smerig gemaakt had. De
+schoenmaker had een stuk linnen van eene huifkar over de werkplaats
+gelegd; hij had zijne pantoffels aangetrokken en zat nu met een lange
+pijp bij de kachel, en met een' kan bier voor zich.
+
+Nu, hier kon toch niemand kwaad gemutst binnen komen. Ik zeide alzoo
+niet anders dan: "Goeden avond! ik wilde maar eens komen zien,
+waarom gij allen zoo vroolijk zijt."--En nu werd mij dan alles
+gewezen; de pepernoten en de appelen, de bonte-boonen-kransen en de
+rozenbottelskransen, de zeven krentenbroodspoppen en de eene suikerpop,
+die heel boven in den denneboom hing. "Het zijn altemaal begeerde
+zaken," zeide de schoenmaker, "drie jaren hebben wij ze nu gelukkig
+kunnen bewaren, tot op den staart na van dit huzarenpaard; dien heeft
+Christiaantje eens afgebeten, toen moeder er een oogenblik niet goed
+acht op gaf.--Ja, jou meen ik; liet hij er op volgen, en dreigde zijn
+jongen met den vinger.--"Ik wil hem mijn werk toch maar niet ontnemen,"
+zeide ik tot mij zelven, en ik gevoelde mij innig vergenoegd,
+niettegenstaande ik vreeselijke hoofdpijn had. Maar toen schoenmaker
+Linsener mij het hoofd- en middelstuk had aangewezen en uitgelegd,--'t
+was Adam en Eva vóór den val, heel mooi in krentenbroodsdeeg gekneed,
+en met eieren en saffraan geel bestreken,--en toen de beide kleine
+Linseners zich rechts en links van onze eerwaardige stamouders
+posteerden en met toeteren en trompetten begonnen, toen werd het mij
+toch juist te moede alsof de oude wagenmaker Langklas mij met zijn
+stompe fretboor altijd pianoforte--pianoforte--in het hoofd boorde,
+dat het piepte en knarste, en mij daarbij vroeg of het niet heel
+mooi ging?--De schoenmaker scheen het mij aan te zien, dat ik mij
+niet recht wel gevoelde, want toen zijne beide kleine cherubs mij
+behoorlijk uit zijn paradijs getoeterd hadden, ging hij met mij naar
+den overkant en wilde mijn licht aansteken en vroeg waar de lucifers
+stonden.--"Ik heb ze wel," zeide ik, "maar de hemel en vrouw Bütow
+alleen weten waar ze te vinden zijn."--De schoenmaker hielp mij nu uit
+mijne laarzen en zeide: "Natte voeten! En ik heb u de andere laarzen
+niet in orde gemaakt!" Hij hielp mij naar bed en zeide: "Heb maar een
+weinig geduld, mijne vrouw zal ik bij u zenden en zij zal thee voor u
+zetten."--Dat gebeurde dan ook; maar wat in de eerste veertien dagen
+met mij is voorgevallen, daarvan weet ik niet veel te vertellen.--
+
+Ik lag in een zwaren droom. Het kwam mij voor alsof mijne gansche
+kamer door brandende denneboomen verlicht was, en aan elken boom hing
+een fraaie krentenbroodspop met Adam en Eva en heel het paradijs,
+en als ik daarop afging en de hand er naar uitstrekte, dan had ik een
+kapotte laars in de hand en eene kous zonder zolen, en Christiaantje
+en Kareltje stonden tusschen mij en de gaven van den kerstavond, en
+floten en toeterden, dat het mij door het hoofd dreunde en knarste,
+en de duizend lichten dansten voor mijne oogen, en als ik dan riep:
+"Laat mij toch met rust! Laat mij toch met rust! Ik wil immers bij je
+vader weêr laten werken!" en dan de hand weder uitstak naar de mooie
+krentenbroodspop, dan drongen zij mij weder terug en toeterden mij
+in de ooren:
+
+
+ "Schoenen lappen, schoenen lappen!
+ Hebt gij ook wat om te lappen?
+ Voor zoo'n ouden jongen heer
+ Is 't geen kerstmisvreugde meer!"
+
+
+Toen begon de oude rood verglaasde pot, die aan mijn hoofdeinde stond,
+over zijn geheel breed en blank gezicht te lachen, en door de kamer
+liepen kapotte laarzen, die staken allen de tong uit, en schoenmaker
+Linsener pakte ze beet, de ééne na de andere, en reeg ze allen te
+zamen en hing ze aan mijn venster in plaats van gordijnen.--Aan
+mijn voeteneinde, daar zaagden twee, steeds afwisselend, hout:
+de een zaagde altijd kleine dunne stukjes voor een koffie-vuurtje,
+en de ander verwerkte knoesterig eikenhout; en als het hout voor
+het koffie-vuurtje gezaagd werd, dan danste de nachtmuts van vrouw
+Bütow voor mijne oogen op en neêr, altijd op en neêr; en als in het
+knoesterig eikenhout gewerkt werd, dan schemerde het mij voor de oogen,
+alsof een groote schoone aardbezie in een groen boschje stond, en als
+ik scherper toekeek, dan was het de roode neus van mijn oom Matthijs,
+die boven mijn groene deken uit kwam kijken.--
+
+Eens op een nacht, toen er weder zwaar in het knoesterig eikenhout
+gewerkt werd, werd het mij op eens, alsof ik uit de duisternis in
+het licht kwam. Ik greep om mij heen. Waar was ik? Ik lag in bed, de
+nachtlamp brandde flauw, en in den grooten opgevulden leuningstoel
+lag mijn oom Matthijs inderdaad, tot aan zijn neus in mijn groene
+deken en snorkte allervreeselijkst. "Oom Matthijs!" riep ik.--In
+het eerst hoorde hij niet, maar eindelijk werd hij wakker en wreef
+zich de oogen uit. "Oom Matthijs," vroeg ik, "waar is de schoenmaker
+Linsener?"--"Jongen," zeide mijn oom,--want hij noemt mij nog altijd
+"jongen," ongeveer met evenveel recht als de oude buurman Haman
+altijd nog zijn twee-en-twintigjarig bij-de-hand's vóórpaard "het
+veulen" noemt;--"Jongen, begint ge al weder? Wat hebt ge toch met den
+schoenmaker Linsener te maken? De man doet u immers niets."--"Oom,"
+zeide ik, toen hij zich weder ter deeg legde, om weder aan 't zagen
+te gaan, "is het waar; of heb ik het gedroomd? Hebben wij oude vrijers
+geen deel aan de kerstvreugde?"--"Gekkepraat!" zeide oom Matthijs. "Leg
+stil!"--"Ik ben zeker erg ziek geweest?" vroeg ik.--"Dat is God
+bekend," zeide mijn oom en kroop van onder de deken uit en nam de
+lamp en lichtte mij in de oogen. "Maar waarlijk, waarlijk! Ik geloof,
+dat ge het gevaar te boven zijt, want ge ziet er; mijn jongetje,"--en
+daarbij streelde hij mij,--"geheel anders uit. Kunt ge nu werkelijk
+zien, dat ik uw oom ben, en dat dit mijn neus is, en geen aardbezie? En
+wilt ge dat aardbeziën plukken nu zachtjes aan wel eens laten? Want
+ge hebt mij gisteren nacht tweemaal leelijk in het gezicht gepakt,
+toen ik een beetje ingedommeld was." Ik beloofde dat ik mij nu beter
+zou gedragen, want ik kwam nu weder tot mijn verstand.
+
+In waarheid, de ziekte was geweken, maar nu kwam de ellende eerst
+aan. Ik was zoo ontzettend zwak, dat ik mij niet verroeren kon, en
+als ik de oogen eens opsloeg, dan stond vrouw Bütow voor mij en had
+den rooden verglaasden pot in de ééne hand en een lepel in de andere,
+en voerde en propte mij vol met een ziekensoep, die zoo stijf was als
+boekbindersstijfsel en ook zóó smaakte, en ze zeide dan: "Eet toch,
+eet toch maar!--Als ge niet eet, wordt ge niet beter." En bij al deze
+kwelling zette dat oude goedhartige meubel bij haren stijfselpot nog
+zulk een meêwarig gezicht, dat ik wel moest toehappen, of ik wilde
+of niet.--
+
+Ieder ding heeft een end, en eene worst heeft er twee. Ik kon het bed
+weêr verlaten en zat toen uren lang met mijn oom Matthijs te zamen,
+en keuvelde wat met hem. "Oom;" zei ik eens, want de droom van den
+kerstboom en de oude vrijers lag mij door het hoofd te malen, "oom,
+we hadden eigenlijk beiden moeten trouwen."--"Gekkepraat!" zeî
+mijn oom, "meent ge dat ik als Oostenrijksche wachtmeester van
+anno dertien in de keizerlijk-koninklijke staten eene kleine
+Hongaarsche huzarenfokkerij had moeten aanleggen?"--"Dat niet,"
+zeg ik, "ik spreek ook eigenlijk slechts van mij zelven. Zie, ik
+denk wel eens, als ik eene vrouw had,--namelijk eene flinke vrouw,
+eene goede vrouw, eene--een aardig, lief vrouwtje, en gij kwaamt
+dan bij ons inwonen...." "Om op de kinderen te passen? Ik dank je
+hartelijk!" zei mijn oom Matthijs.--"Zoo meen ik dat niet," zeg
+ik. "Maar trouwen doe ik, want de oppassing van vrouw Bütow in mijn
+laatste ziekte...."--"Mij dunkt," viel hij mij in de rede, "dat gij
+goed genoeg opgepast zijt.--Ik zelf...."--"Wel, praat zóó niet," zei
+ik, "gij hebt al het mogelijke gedaan; maar vrouw...."--"Nu, hebt gij
+dan al eene bepaalde op het oog?" vroeg mijn oom.--"Ik weet er eene,"
+zeg ik.--"Ei, zoo, en is zij je ook al genegen?" vroeg hij.--"Dat weet
+ik niet," zeg ik.--"'t Is zeker zoo'n ijdele modepop?" vroeg hij en
+pinkte met het ééne oog.--"Dat niet," zeg ik.--"Dan is zij zeker al
+lang de militaire dienstjaren te boven?" vroeg hij weder en knipoogde
+andermaal.--"Ook dat niet," zeg ik. "Maar gij kunt er eens een kijkje
+van nemen;--ik kan helaas niet mede;--zij gaat elken namiddag buiten
+de poort naar den molen heen wandelen, zoo tusschen drie en vier uren,
+en gij kunt er u niet in vergissen, want zij is de mooiste van allen,
+die daar loopen."--"Natuurlijk!" zegt mijn oom.--"En ze heeft een'
+kwast aan den mantel en een kleinen jongen aan de hand," liet ik
+er op volgen.--"Trouwt ge dat kind op den koop mede?" vraagt mijn
+oom.--"Hoe komt gij daar bij?" voer ik driftig uit. "Dat is haar
+zusters kind."--"Heere, bewaar ons!" zegt mijn oom.--"Maak u maar
+niet zoo boos! Wat weet ik daarvan? Voor mijn part kon zij immers
+eene weduwe zijn. Maar, ik wil toch eens een kijkje gaan nemen!"--En
+daarmede ging hij heen.
+
+Des namiddags, zoo omstreeks vijf uren, kwam hij weder, stak een pijp
+op, ging zitten en zeide hoegenaamd niets. Dit hinderde mij natuurlijk,
+en ik sprak dus ook niet. We rookten nu beiden als kalkovens; maar
+ik was toch al te nieuwsgierig; ik stond op en plaatste mij zóó,
+dat hij mij met zijn oud knipoogerig gezicht niet in de oogen kon
+kijken, en vroeg: "Zijt gij van daag buiten de poort geweest?"--"Dat
+ben ik," zegt hij.--"Wel?" vraag ik.--"Ja," zegt hij.--"Hebt gij
+haar gezien?" vraag ik. "Ik heb haar gezien," zegt hij, "en heb
+ook met haar gesproken." "Ben je bezeten?" zeg ik en ik draai me
+om. "Wat hebt gij met haar te praten? Ik zelf heb nog niet eens met
+haar gesproken."--"Daarom juist!" zegt hij; "want één van ons beiden
+moet toch een begin maken en ik zal toch wel met de beminde van mijn
+zusters zoon mogen spreken?" "Zoo ver zijn wij nog lang niet," zeg
+ik.--"Wat niet is kan immers nog worden," zegt hij; en hij ging wat
+dieper in den ouden leuningstoel zitten en strekte de beenen vooruit,
+als wilde hij zeggen: "ziet ge me wel?"--"Ik wil het u vertellen,"
+zeide hij. "Toen ik den weg was opgegaan, kwam zij achter mij aan en
+ik bleef staan en zag naar haar, want zij had een kleinen jongen aan
+de hand; den kwast kon ik niet zien, omdat die op haar rug hing."--"Ik
+kan 't mij zoo verbeelden," zei ik, "gij hebt haar zeker wonderlijk
+aangekeken?"--"Als ik wat zien wil, dan maak ik mijne oogen open,"
+zeide mijn oom, "en dat deed ik, en zij sloeg hare oogen zoo naar
+beneden--eensklaps, en met zulk eene snelle beweging, alsof zij 's
+avonds de gordijnen van haar ledekant toetrekken wilde, en toen zij
+voorbij was, zag ik ook den kwast."--"Gij zult haar mooi aangekeken
+hebben," zei ik--"Dat heb ik, maar het mooiste komt nog."--"Nu, maar is
+zij u goed bevallen?" vroeg ik.--"Wel zeker! zij bezit onderscheidene
+deugden, die mij wel aanstaan: in de eerste plaats heeft zij niet
+veel klungels om haar hoofd hangen, en ten tweede veegt zij met hare
+kleêren de straat niet schoon, en dat zijn een paar deugden, mijn zoon,
+die meer te beteekenen hebben dan men doorgaans denkt; want die zoo
+veel aan het hoofd hebben hangen, hebben er meestal niet veel in,
+en die zulke lange kleêren dragen, hebben allen kromme beenen,
+of wat nog erger is, haar schoeisel bevindt zich in geen goeden
+staat. Mijn zoon, bij vrouwen en paarden moet gij altijd het eerst
+naar de beenen kijken; ziet dat onderspul er knap uit, zetten zij de
+beenen goed neer, en is het voetwerk netjes, dan kunt gij op vlijt,
+orde en zindelijkheid rekenen." "Gij meent alzoo--?" vroeg ik.--"Ik
+meen in het geheel niets," viel hij mij in de rede. "Laat mij eerst
+vertellen, hoe 't mij verder gegaan is.--Toen zij nu zoo vóór mij
+uit naar den molen ging, en ik achter haar, toen moest ik wel tot mij
+zelven zeggen: waarlijk! ge neemt eene deftige houding aan! Ge draait
+een beetje met het hoofd; maar dat kan geen kwaad! Want waarom zou zij
+niet met haar hoofd draaien? daarvoor is zij immers een vrouwspersoon;
+maar--denk ik zoo bij mij zelven--de spraak! Dat is de hoofdzaak! gij
+moet met haar een onschuldig gesprek aanknoopen!--Toen zij nu weder
+terug kwam, plaatste ik mij met den rug tegen den boom en deed alsof
+ik mijn pijp wilde aansteken, en toen zij ongeveer een pas of vijf van
+mij af was, haalde ik mijn vuurslag uit den zak en bij die gelegenheid
+trok ik tevens voor een daalder klein geld er mede uit.--Jongen! vat
+je 't? Alles voorbedacht!--De twee-groschenstukken rammelden zoo maar
+over den hard bevroren straatweg. Nu buk ik en hijg er geweldig bij,
+alsof het oprapen mij uiterst moeilijk viel, en toen zij dit gewaar
+werd, zeide zij werkelijk tot den kleinen jongen dat hij mij zou
+helpen, en zij hielp ook mede,--en dat wilde ik juist. Ik bedankte
+haar nu, en wij kwamen in een gesprek en gingen te zamen tot aan de
+poort."--"En waarover hebt gij dan gesproken?" vroeg ik.--"O! het
+had niets te beduiden.--Ik zeide dat ik uw oom was, en vroeg of zij u
+niet kende, daar gij hier ook steeds op en neêr liept; toen zeide zij
+dat zij niet het genoegen had,--"genoegen" zeide zij--; toen vroeg
+ik of zij hier niet een jongmensch had zien gaan met een geelachtig
+grijzen hoed en een geelachtig grijze overjas, een geelachtig grijze
+broek en geelachtig grijs haar?---"Neen," zeide zij; "een oudachtig
+heer in zulk eene kleeding had zij wel gezien."--Toen zeide ik dat
+de oudachtige heer de jonge mensch was, waarvan ik gesproken had;
+dat waart gij.--Toen sprong dat aardige kleine jongske tegen haar op
+en zeide: Tante, dat is die menheer, waarvan gij altijd zegt, dat hij
+er uitziet als een regelbroodje, dat in koffie met veel melk gesopt
+is."--Toen werd zij vuurrood en ik moest luidkeels lachen en zeide,
+jawel, dat gij dat waart.
+
+Nu werd ik ook vuurrood, want de grap maakte mij zeer knorrig, en
+ik zei tot mijn oom: "Als gij niets anders gewild hebt dan uw eigen
+zusters kind belachelijk bij de menschen te maken, dan hadt gij maar
+liever moeten t'huis blijven."--"Dat had ik ook," zeide hij; maar
+ik wilde nog wat anders; ik wilde gaarne weten, of zij u zou willen
+hebben?" "Maar, mijn hemel!" zeg ik, "dat hebt gij haar toch niet
+gevraagd?"--"Jongen," zeide mijn oom en dampte daar vreeselijk bij,
+"wanneer ik eene zaak op mij neem, dan volbreng ik haar behoorlijk,
+maar fijn!--Ik vroeg haar dus, of zij wel wist, wat gij waart?--"Neen,"
+zeide zij, "gij waart wellicht een dokter?"--"Heer! bewaar me!" zeg ik,
+"hoe zou zij daaraan komen?"--"Een advocaat?"--"Ook dat niet." "Nu dan
+dit, of dan dat?" En zoo raadde zij nu eens opwaarts tot een raadsheer,
+dan weêr afdalend tot een barbier; ik schudde maar altijd met het
+hoofd en zeide eindelijk: gij raadt het toch niet!--Hij is op zijn
+hoogst volstrekt niets."--Dit kwam haar dan nu al heel min voor, en
+zij meende dus, dat gij dan zeker van uw geld zoudt leven. "Ik zeide
+toen, ja! daaraan had zij in zooverre gelijk dat gij in die zaak van
+jongs af den meesten lust hadt betoond; maar, dat gij daardoor een post
+gekregen hadt, kon ik juist niet zeggen. Gij zaagt nu naar eene andere
+betrekking uit.--"Naar welk eene? vroeg zij.--"Naar den huwelijken
+staat," zeide ik en vroeg daarbij, hoe zij daarover dacht. Vooraf
+had ik reeds tot mij zelven gezegd: wordt zij bij deze vraag bleek,
+dan mag ze hem niet lijden; wordt zij rood, dan neemt ze hem.--En
+zie! zij werd over en over rood en boog zich en frommelde wat aan
+den hoed van den kleinen jongen en toen zij zich weder oprichtte,
+keek zij mij van boven naar beneden aan, maakte eene kleine beweging,
+eene soort van dienaresse, en weg was zij! En de vraag, die ik haar,
+mijn persoon aangaande, nog wilde doen, kwam in 't geheel niet bij mij
+op het tapijt."--"Dat zal ook een mooie vraag geweest zijn!" zeg ik,
+en beet van ergernis een stuk van het pijperoer.--"O neen!" zeide mijn
+oom, "ik wilde haar alleen vragen, of zij goed visch kan koken; dan
+wilde ik bij je komen inwonen." En daarop zag de oude knaap er uit,
+zoo belangwekkend en ernstig, alsof mijne huwelijksaangelegenheden
+hem meer ter harte gingen, dan mij zelven. Dit zou echter nog veel
+koddiger worden.
+
+Toen ik spoedig daarna al eens even uit mocht gaan, ging ik nu
+met opzet niet naar den molen, want het hinderde mij, haar onder
+de oogen te komen. "Laat ik een beetje naar het meer op het ijs
+gaan," denk ik "en naar het schaatsenrijden en het slederijden gaan
+zien."--Dat deed ik dan ook, en toen ik in de nabijheid van de tent
+kwam, waar bier en brandewijn en punch en grog verkocht werd, ging
+ik er wat dichter bij, en zag toen juist, hoe mijn oom Matthijs een
+acht-groschen stuk op de tafel legde en voor vier groschen koek en
+voor vier groschen punch nam. Dat kwam mij nu al zeer vreemd voor,
+want hij dronk liever een glas grog dan punch, en koek nam hij nooit
+in den mond. "Wat zou dit toch te beduiden hebben?" denk ik, "hij wil
+zeker kinderen trakteeren."--Maar neen! Zonder dat hij mij gewaar werd,
+ging hij met zijn stapel koeken en zijn glas punch op eene slede af,
+waarin eene dame met een' groenen sluier zat, en boog zich met zijn
+lijf voor en achterwaarts, alsof hij zijne lendenen wilde verrekken
+en kraste met de voeten zoo potsierlijk op het ijs, dat ik dacht:
+de oude man zal zijn evenwicht verliezen. Maar juist toen ik naar
+hem toe wilde springen, om hem onder de armen te grijpen, sloeg de
+dame den sluier terug, en wat zie ik?--Mijn lieve schat en mijn zoete
+oogentroost! En het werd mij, alsof iemand mij rechts en links een
+paar oorvijgen had gegeven.--"Dat mag de koekoek weten!" zeg ik,
+"de oude bederft mij de heele vrijage!" En, ik ga naar huis, zeer
+verdrietig, zoo verdrietig, als eenig mensch ooit kan worden.
+
+Daar zat ik nu in 't donker en ergerde mij inwendig. Toen ging de deur
+open, en mijn oom kwam binnen. "Goeden avond!" zeide hij. "Hoe zit gij
+hier zoo in de duisternis?--Steek licht aan!"--Dit is de eenige keer
+in mijn leven geweest, dat ik mijn moeders broeder niet gegroet heb;
+ik stond echter op en stak licht aan, en zag er zoo zuur uit, als
+een zoute haring, die veertien dagen in azijn gelegen heeft.--"Wat
+scheelt u?" vroeg hij.--"Niets!" zeg ik kortaf, ik dacht echter: 't
+is mijn moeders broeder! en liet er op volgen: "Ik ben niet in mijn
+schik!"--"Ik zeer," zeide hij, en daarbij zag hij er zoo vroolijk
+uit, als een oude ezel, die veertien dagen bij gladde haver op stal
+gestaan heeft.--"'k Heb weêr met haar gesproken," zeide hij.--"Wat
+gaat het mij aan," zeg ik.--"Hoe moet ik dat verstaan?" vroeg hij en
+legde zijne beide armen op de leuningen van den leuningstoel en keek
+met den neus daarover heen, mij strak in 't gezicht: "Ik heb de zaak
+zoo fijn bewerkt, zoo fijn! dat een hond er om zou jammeren, wanneer
+daar niets van kwam, en nu wilt gij niet?"--"Neen," zeg ik. "Oom,
+ik wil niet! Meent gij, dat ik u den room zal laten afscheppen en
+ik mij met de zure melk zal tevreden stellen? Want daarover zijn ze
+'t allen eens,--zie maar hier! Amalia Schoppe, geboren Weise, en
+Elize von Hohenhausen, geboren von Ochs, en al de anderen, die over
+dit onderwerp geschreven hebben--"het schoonste bij het trouwen is
+het verkeer van verloofden vóór de bruiloft," en dat pleizier eigent
+gij u toe, en ik zal toezien hoe ge mijne liefste op punch en koeken
+tracteert?"--Mijn oom neemt de geboren "Weise" en de geboren "von
+Ochs" en smijt ze in den hoek van de canapé en gaat voor mij staan en
+zegt: "Ik vraag je voor het laatst, of gij het meisje trouwen wilt
+of niet?"--"Neen," zeg ik.--"Nu," zegt hij en keek mij lang aan met
+zulk een ernstig gezicht, alsof hij zoo even zijn testament gemaakt
+had en nu nog zijn' naam wilde teekenen, "nu het meisje zal door mij
+geene schade te lijden hebben, want ik zal ze trouwen." En daarmede
+ging hij met een fieren tred de deur uit.
+
+Dat was me nu een geschiedenis!--In 't eerst stond ik geheel verbluft,
+vervolgens viel ik in den hoek van de canapé op de geboren "Weise"
+neder en lachte overluid. Mijn oom, die ruim twintig jaar ouder was dan
+ik, durfde eene zaak ondernemen, waartoe mij op mijne jaren de courage
+bijna begon te ontzinken!--Ik wilde nu weder in lachen uitbarsten,
+maar 't wilde niet meer vlotten, want mijn hart was niet zonder zorg:
+en hoezeer ik mijn gezicht breed genoeg vertrok, het kwam tot geen
+lachen, toen ik mij nu met het domste gelaat van de wereld in den
+spiegel te zien kreeg, sprong ik overeind en ging met groote schreden
+de kamer op en neêr, en maakte mij niet weinig boos en sloeg op de
+tafel en sprak: "Hij doet het, hij is er toe in staat."
+
+Toen vrouw Bütow kwam, werd zij natuurlijk om onderscheidene redenen
+beknord, en toen ik haar behoorlijk had terecht gewezen, ging ik naar
+de club, en speelde omber en zeide steeds tot mij zelven: "Dat kunt
+ge zoo toch maar niet laten gaan," en speelde solo's, die hoegenaamd
+niet op de wereld bestonden, en verloor ze, en zeide dan weder: "Gij
+zult u dien harten toch niet laten ontnemen!" en nam de schoppen en
+werd codille.
+
+Ik ging verdrietig naar huis, begaf mij te bed en wilde slapen, maar ik
+kon niet. Ik kwelde mij den ganschen nacht, want ik kon mij dat lieve
+kind niet meer uit de gedachten zetten,--zij had mij betooverd,--en
+de kerstavond viel mij in, en de vrees, dat ik in mijn leven geen
+kerstboom zou versieren. Wanneer ik dan tot mij zelven zeide: "zet het
+maar door!" dan vlogen mij al mijne bedenkingen als een bijenzwerm door
+het hoofd, en voor mijne oogen stond altijd een groot vraagteeken,
+en wanneer ik mij dat wilde verklaren, dan beteekende het steeds:
+"Ja, maar wil zij ook?"
+
+Dit kon niemand beter beantwoorden, dan zij zelve,--zooveel zag ik
+in,--en toen nu de grauwe wintermorgen in mijne koude kamer begon aan
+te breken, en ik van koude rilde, terwijl ik koffie zette, zeide ik:
+"Nu weet ik, wat ik te doen heb! Wat zijn moet, moet zijn!" En ik
+zeg aan vrouw Bütow: "vrouw Bütow," zeg ik, "ga eens naar den koopman
+Bohnsacken en koop voor mij een paar fijne gele handschoenen, zooals
+de jonge heeren advokaten steeds dragen, als zij eens heel veel willen
+beteekenen.--Maar mooie gele!"
+
+Tegen elf uren had ik nu mijn zwarten rok, zwarte broek en glimmende
+laarzen en de nieuwe gele handschoenen aan, en eer ik mijn hoed
+opzette, ging ik voor den spiegel staan en zeide met recht: "Hoe
+is 't mogelijk! Dat had ik zelf niet meer kunnen denken!" Ik wierp
+nog een blik in mijne kamer rond en zeide: "Zóó zal 't dan nu hier
+niet blijven!" Ik keek eens in mijne oude pantoffels, die voor het
+bed stonden, en zeide: "Jelui zult ook raar staan kijken, als het
+gelukt, en binnen kort een paar kleine, nette pantoffeltjes bij je
+komen logeeren."
+
+Ik ga nu de straat af en kom het huis van mijn oom Matthijs voorbij en
+denk: "Eerst met de gansche wereld vrede gemaakt, alvorens iemand zulk
+een' gang doet!" Want het was mij om 't hart, alsof ik mijn laatsten
+gang ging volbrengen. Ik klop alzoo aan zijn' deur en treed binnen.
+
+Nu, ik heb al veel in de wereld gezien; ik heb eens gezien, dat een
+kerel vuur vrat; ik heb eens gezien, dat iemand vlas vrat en een mooi
+zijden lint uit zijn keel haspelde; maar zoo iets wonderlijks is mij
+nog nooit onder de oogen gekomen, als in het oogenblik, toen ik op
+dien morgen mijn oom Matthijs te zien kreeg.
+
+Daar stond hij in zijne kamer, even mooi opgeschikt als ik, behalve dat
+zijn zwarte rok een groen jachtbuis was, en dat zijne gele handschoenen
+van hertsleder waren, en de mijne van schapeleder, en dat zijne witte
+knevels links en rechts, als een paar heldere ijskegels, langs zijn
+mond afhingen, en de mijne naar boven opgedraaid waren en zich in
+alle mogelijke nuances vertoonden.
+
+"Oom!" riep ik, toen ik binnenkwam, en mijn hoed rolde voor mij
+uit de kamer in, zoo was ik ontsteld.--"Jongen," riep hij, "wat wilt
+gij?"--"Wat wilt gij?" riep ik.--"Ik wil dat, wat gij niet wilt!" zegt
+hij.--"Neen, ik wil weêr!" riep ik. "En ik ben maar eens even," voegde
+ik er bij, "hier in dezen opschik naar u toegekomen, om u te zeggen,
+dat ik nu mijn besluit genomen heb, en om u te vragen, of gij weder
+mijn lieve oude oom wilt blijven."--"Wilt gij dat?" zeide hij, en zette
+zich in zijn leuningstoel neder, en zag mij met een veelbeteekenenden
+blik aan. "Nu, dan wil ik u maar zeggen, dat ik ook in dezen opschik
+bij u wilde komen, om u een weinig schrik aan te jagen. Ik weet dat
+uit den tijd toen ik soldaat was: zoo een weinigje schrik, dat schudt
+den mensch goed wakker en doet hem zijne krachten inspannen; want dan
+komt het eergevoel mede in 't spel.--"En, jongen," zeide hij en stond
+op en legde mij de hand op den arm, "ik wil je niet in den weg staan
+en ik wil den helderen hemel van je geluk niet verduisteren, want dat
+lieve kind is voor jou geboren, en dat meisje is goed!" En daarbij
+kneep hij mij in den arm met zijne oude breede vuist, dat ik dacht:
+"Als zij zóó is, dan is zij meer dan goed."
+
+Mijn oom ging nu heen en haalde een glas van zijn ouden portwijn en
+zeide: "Kom hier mijn jongen, eerst iets ter versterking!--En, hoe zult
+gij de zaak nu aanleggen?"--"Ja," zeg ik, "als ik dat wist!"--"Zet
+eens je voet hier op den stoel," zegt hij. "Wat moet dat?" vroeg
+ik. "Niets, niemendal," zegt hij, en knipt de souspieds van mijn broek
+af: "met een voetval moet gij toch beginnen, en die dingen konden u
+daarin hinderen." "Nu," zeg ik, "gij maakt een mooi begin."--"Zooals
+'t behoort, behoort het ook," zegt hij. "Ik heb het van mijn leven
+niet zelf ondervonden, maar ik heb het altijd zoo op afbeeldingen
+gezien. Wat zegt gij er van?--Wacht! Ik wil je helpen!" en daarbij
+maakte hij haastig zijne ouderwetsche commode open, en frommelde in
+de lade rond, waarin hij zijn heiligste schatten had. En--al zijn
+leven! Daar kwam hij met zijn album te voorschijn.--Dat kreeg men
+zelden te zien, en wanneer hij het in handen nam, gebeurde dit alleen
+'s avonds, als alles heel stil was. Dan trok hij eerst schoon linnen
+en zijn beste kleêren aan en zette rechts en links een paar lichten
+op de tafel, sloeg, diep in gedachten verzonken, blad voor blad om,
+las de verzen en hield met zwarte kruisjes het dooden-register in
+orde. Den anderen morgen was hij dan zeer weemoedig gestemd. Onlangs
+kwam hij naar mij toe, en zeide: "Zoo veel ik weet, is er nog maar
+één in leven, dat is Christiaan Bunger, de zoon van den ouden snijder
+Bunger, die vlak naast mijne ouders woonde. Gij zegt, niet waar? Dat
+hij kommies te Parchen moet zijn, en als God mij het leven laat,
+dan wil ik hem dezen zomer eens bezoeken."
+
+"Hier!" zeide hij, toen hij het album voor den dag gehaald en op de
+tafel gelegd had, "ga hier zitten en zoek een vers uit en leer dat
+van buiten. Daar staan er in, die voor gebeden zouden kunnen dienen;
+dus zal er ook wel één voor het beste meisje op aarde in te vinden
+zijn."--"Oom," zeide ik en nam het album in de hand en bladerde er in,
+"ik weet, wat ik doe: ik spreek zóó, als mijn hart het mij zal ingeven,
+en het is mij dezen morgen zoo bijzonder wèl om het hart."--"Ook goed,
+mijn jongen," zeide mijn oom, "en wellicht nog beter. Doch maak dan
+nu voort! Maar wacht eens even!" liet hij er op volgen, toen ik mij
+omdraaide om te gaan, "het witte bandje van je voorhemdje hangt je
+een halve el langs den rug!" En hij stopte dat eind band onder mijn
+das en gaf mij zijnen zegen: "Zie zoo! Ga met God!"
+
+Ik ging dus, maar toen ik de huisdeur uitkwam, werd er boven mij
+gehoest, en toen ik naar boven keek, lag mijn oom Matthijs uit het
+venster, en knikte en wenkte mij toe, en telkens, als ik in de lange
+straat omkeek, dan knikte hij en wuifde met zijn roodbonten zakdoek
+uit het venster, zoodat angst en vrees mij bekroop, dat de menschen
+merken zouden, wat er tusschen ons beiden aan de hand was.
+
+Nu zou ik hier eene treffende geschiedenis kunnen vertellen; maar
+ik zal mij wel in acht nemen.--Zoo gemakkelijk, als dit in romans
+beschreven wordt, gelukt zulk eene zaak in de werkelijkheid niet. Onder
+honderd begaan negen en negentig, op dezen gang, de kluchtigste
+dwaasheden, en wanneer er ook al honderd als de gelukkigste minnaars
+terugkeeren, zullen toch negen en negentig tot zich zelven zeggen:
+"Geve de lieve hemel, dat wij niet weder in het geval komen; als wij
+echter voor de tweede maal die zaak moesten ondernemen, dan zouden
+wij het verstandiger aanleggen."
+
+Na anderhalf uur kwam ik dan weder terug, tot over de ooren toe
+gelukkig, en ik zal er ook wel naar uitgezien hebben; en daar ik mij in
+mijn eenzaam leven als jonggezel de dwaze gewoonte had aangewend, in
+mij zelven te praten, zoo kon ik bij bedaard nadenken het de menschen
+niet kwalijk nemen, dat zij voor mij, toen ik de straat kwam afgaan,
+een weinig uit den weg gingen en mij strak nakeken, of mijne beenen
+wellicht ook zóó gestikuleerden als mijne handen.--Toen ik nu niet
+ver meer van het huis van mijn oom was, ijlde hij mij al te gemoet en
+viel mij om den hals, want hij had gedurende die anderhalf uur achter
+de huisdeur op de loer gestaan, en riep: "Zwijg maar stil! Vertel mij
+maar niets! Ik weet alles! En wanneer is de bruiloft?"--Ik zocht hem
+te bedaren en zeide: "Zwijg toch! Ten minste op straat!" nam hem onder
+den arm en trok hem mede naar mijn huis. Maar toen wij daar binnen
+kwamen en vrouw Bütow juist de tafel dekte, toen kon hij zich niet
+langer goed houden, toen speelde zijn gansche hart solo in de kleur,
+en toen de vrouw hem aankeek, straalden uit zijne oogen niets dan
+troeven, en hij wees met den duim over de schouders naar mij heen en
+zeide: "Ziet ge hem daar, vrouw Bütow? Daar staat hij,--mijn zusters
+zoon! Die is nu ook al aan 't vrijen, zoo goed als de besten!" en toen
+vrouw Bütow kwam en mij feliciteerde en weten wilde, wie de gelukkige
+was, had ik al weder genoeg te doen om haar tot zwijgen te brengen;
+en toen zij weg was, zeide hij, terwijl hij zeer van ter zijde mij
+aankeek, dat ik een huichelaar, een verstokte was en een slecht hart
+moest hebben, dat ik zulk een geluk zoo lang verzwijgen kon.
+
+Ik moest nu gaan zitten en hem vertellen hoe het gegaan was. Hij
+werd dan nu ook vriendelijker en knikte met het hoofd en zeide:
+"mooi!"--en weder schudde hij met het hoofd en zeide, dat dit niet
+geheel naar zijn zin was, en toen ik uitverteld had, stond hij op,
+en zette een gezicht gelijk de hemel in den hooitijd, als hij niet
+recht weet, of hij de zon zal laten schijnen of het zal laten regenen;
+hij schudde en knikte, en knikte en schudde, en eindelijk zeide hij:
+"wat hem betrof, hij zou het toch vrij wat beter gemaakt hebben;"
+en vroeg toen, bij welk vers van dit hoofdstuk ik den voetval had
+gedaan. Ik moest nu bekennen, dat die in het geheel niet te voorschijn
+was gekomen. Toen nam mijn oom Matthijs zijn' hoed en zeide: "Nu,
+dan wensch ik je smakelijk eten! En houd u aan 't geen gij hebt;
+wat daarna komt, daar valt niet veel op te rekenen.--Gij hebt veel te
+vroeg koning gekraaid; de zaak is nog lang niet in orde; een voetval
+behoort bij iedere verloving en de zaak gelukt niet, wanneer ze niet
+met de beide knieën bezegeld is. Het zal mij ten minste in het geheel
+niet verwonderen, als de koop eerstdaags komt te vervallen.--Volg
+een ander maal beter mijn raad!"--En zoo vertrok hij.
+
+Niettemin begon nu voor mij een heerlijk mooie tijd, een heerlijk
+mooie tijd! Ik zou ook hiervan weder veel kunnen vertellen, maar zal
+er liever niet aan beginnen. De hoogste vreugde en het diepste leed
+moet men niet iedereen aan den neus hangen; en hoewel ik nu gaarne
+geloof, dat allen, die dit lezen, fatsoenlijke en bezadigde menschen
+zijn, de een of andere hansworst kon er toch onder gevonden worden,
+die te mijnen koste er den gek mede stak; en dat zou mij dan toch
+zeer hinderen.
+
+Maar bij iederen degelijken honigkoek behoort een weinig peper,
+en daaraan zou het mij nu en dan ook niet ontbreken. Eerst strooide
+mijn oom Matthijs af en aan eenige korreltjes er bij; doch toen hij
+zag, dat de zaak stand hield, en toen hij zelf bij de familie mijner
+aanstaande bruid op visite geweest was, en zich bij die gelegenheid
+tot zijne tevredenheid van het vischkoken overtuigd had, spaarde hij
+zijne specerijen en greep diep in zijn' honigpot--te diep! zeg ik--want
+nu schilderde hij aan alle menschen, die hem wilden aanhooren, mijn
+geluk zoo zoet af, dat in mijn honigkorf weldra eene menigte vliegen
+gonsden, zoodat ik mij niet wist te bergen, en er spoedig zoo vele
+kluchten van mij verteld werden, als ware ik alleen ten genoegen
+van iedereen niet slechts een Brüjam, maar ook een Brüdjam geworden
+[1]. Ik werd geplaagd, waar ik mij liet zien. Op vijf pas grijnsde mij
+iedere kwast op straat na, en als ik dan vroeg, wat dat grijnzen te
+beduiden had, dan zeiden zij allen, alsof zij het afgesproken hadden:
+"O, niets, niemendal!"--Wanneer ik nu en dan 's avonds in mijne oude
+damclub kwam,--want dit had ik mij dadelijk voorgenomen, dat ik onder
+geenerlei omstandigheden dit gezelschap er aan geven wilde, vooreerst,
+omdat het zeer met mijne neiging overeenstemde; en ten tweede, omdat
+ik het voor mijne vorming zeer voordeelig achtte;--nu, wanneer ik er
+dus eens heenging, was het me daar een gefluister en gesis, en dan
+stieten ze elkander aan; de een maakte heel bedekt fijne, en de ander
+heel onbewimpeld grove zinspelingen, en zij vertelden elkander allerlei
+geschiedenissen, wat deze vóór de bruiloft gezegd, en wat gene na de
+bruiloft gezegd had, en wat de herder tot zijn hond gezegd had; en als
+ik er mij dan boos over maakte, en vroeg, wat zij daarmede bedoelden,
+en of dat hekelen op mij zag, dan zeiden zij allen: "De hemel beware
+ons! We meenen dat maar zoo."--En wanneer ik nu 's avonds deswege
+niet naar de damclub ging, dan begon vrouw Bütow, die wauwelaarster,
+en strooide mij steeds heel kleine, fijne snuifjes in den neus en in
+de oogen: of dat zóó moest? of dat het zóó moest? Zij wist immers
+niet, hoe ik dat nu hebben wilde. En zij was eene oude vrouw en
+had in haar leven al bij veel heeren gediend, maar nog bij geen,
+die op het punt van trouwen stond; ik moest daarom geduld met haar
+hebben, want de zaak werd nu immers toch spoedig anders. En wat het
+schoonmaken aanging, daarin gaf zij mij volkomen gelijk, dat was voor
+mijne aanstaande bruid niet goed genoeg, want zooals zij gehoord had,
+was die als eene prinses opgevoed en had in haar leven geen vinger in
+koud water gestoken; maar haar oogen waren al te oud voor ieder vlokje
+stof. En als de juffrouw mij eerstdaags bezoeken wilde, kon zij dat
+immers doen; zij voor haar persoon had daar hoegenaamd niets tegen,
+en over het spinrag aan de zoldering en het stof op de commode zou
+zij immers niet vallen, en over den kleinen afzonderlijken hoop vuil,
+dien zij gemakshalve in den eenen hoek van mijne kamer had verzameld,
+zou zij zich juist ook de beenen niet breken. En als ik 's avonds
+vuur wilde hebben, dan moest ik dat maar zeggen,--zij kon dat toch
+immers niet weten,--ik was immers altijd naar de damkroeg gegaan,
+waarom dan nu ook niet? En daarop ging zij vóór de opening van de
+kachel zitten blazen, en de kolen gloeiden tegen hare dikke bolle
+wangen, zoodat ik haar niet kon aanzien, of ik moest steeds denken:
+"'t Is zonde! ik weet zeer goed, dat dit mijne vrouw Bütow is, eene
+christelijke weversweduwe; waarom moet ik dan bij haar altijd aan de
+hooge personages denken, die diep, zeer diep beneden ons wonen op een
+plek, waar het zeer heet moet zijn? En waarom valt mij bij haar blazen
+altijd in, dat mogelijker wijze op die plek ook iemand zit, die kolen
+aanblaast, om mijn schoon huwelijksgeluk een weinigje op te stoken!"
+
+Hieruit kan iedereen nu opmaken, dat bij mij nog niet alle bezwaren
+uit den weg geruimd waren, en ze zouden nog erger worden.
+
+Toen ik namelijk op zekeren namiddag van mijne verloofde kwam, hoorde
+ik op straat al in de verte een groot rumoer; de menschen zagen uit
+de vensters, en voor eene huisdeur stonden er al eene heele hoop
+bijeen, die naar de stoep keken. Toen ik nu juist de deur wilde
+voorbijgaan, vloog de bontwerker Obst over zijn onderdeur heen,
+zoo als een biljartbal soms over den band komt gesprongen, en komt
+op handen en voeten in de goot terecht.--"Mijn hemel! broertje,"
+zegt zijn buurman Gräun, "hoe komt gij daar beland!"--"Ja, dat moogt
+ge wel zeggen!" zegt de bontwerker, "mijne vrouwlui hebben er mij
+uitgegooid."--"Waarom dat?" vraagt de ander--"Ja, broêr," zegt de
+bontwerker, terwijl hij overeind krabbelt, "dat zal ik je zeggen:
+mijne vrouw wil, wat ik wil, en dat wil ik niet."
+
+Daar mij nu dit geval niets aanging, ging ik maar verder en dacht
+zoo bij mij zelven: het is toch een koddig gezegde! Wat zou de kerel
+daarmeê toch bedoeld hebben? "Mijne vrouw wil, wat ik wil, en dat
+wil ik niet." 'k Zal er oom Matthijs eens naar vragen.
+
+Ik ga dus naar hem toe en vertel hem de zaak en deel hem het gezegde
+mede en vraag: "Oom, wat meent de kerel daarmeê?"--"Hm!" zegt hij
+en stapt nadenkend de kamer op en neêr, "en de kerel was van zijn
+vrouwvolk er uit gegooid, zegt gij?" "Ja," zeg ik, "hij zeide het
+althans zelf."--"En hij zat in de goot?" vroeg hij verder.--"Ja,"
+zeg ik, "daar zat hij in."--"Nu," sprak mijn oom, nadat hij zich
+eene wijle bedacht had, "dan zal dat ook wel de waarheid zijn,
+en zijne vrouw heeft hem er dan stellig wel uitgesmeten, en dan is
+het gezegde aldus te verstaan: Mijne vrouw wil baas in huis zijn,
+en ik wil ook baas in huis zijn, en aan den wil van mijn vrouw wil
+ik niet toegeven.--Maar," liet hij er op volgen, "wanneer zij in het
+huis is blijven staan en hij heeft vóór het huis in de goot gelegen,
+dan zal zij wel baas in huis zijn."
+
+Ik weet het niet, maar het werd mij na dit gesprek zeer verdrietig
+en angstig te moede. Uit dit oogpunt had ik mijn voornemen nog niet
+bekeken. "Oom," zeide ik, "gij kent mij toch en kent haar immers ook;
+wat meent gij dan wel, wie van ons beiden baas in zijn huis zijn
+zal?"--"Ja," zegt hij, "zij ziet er mij in het geheel niet naar uit,
+alsof zij gaarne vóór de huisdeur in de goot zou zitten; ik geloof,
+dat zij liever binnen blijft."--"Wel verduiveld!" zeg ik.--"Nu, zoo
+erg," zegt oom Matthijs, "zal zij het nu wel niet maken, maar zoo'n
+beminnelijk vrouwelijk bewind,--gelijk de menschen dat noemen,--zal
+zij wel over u uitoefenen, gij zult wel een beetje aan haar leiband
+moeten loopen, en hoe klein de hakken van haar pantoffeltjes zijn,
+zal men later op uw rug wel kunnen lezen."
+
+"Bang maken beduidt niets!" zeg ik, "ik zal haar na de bruiloft bij
+het eerste schepel rogge wel wennen."--"Verlaat u daar niet op!" zegt
+mijn oom. "Kent gij het spreekwoord niet:
+
+
+ "Vóór de bruiloft wen je bruid:
+ Na de bruiloft is het uit."
+
+
+"Neen," zeg ik, "dat is mij geheel onbekend!" En ik zette een
+gezicht daarbij, alsof mijn oom mij verteld had dat zij mij tot
+Paus gemaakt hadden.--"Nu, ga dan zitten," zegt hij, ik zal je eene
+historie vertellen."--"Vertel op!" zeg ik. "Doch laat de toepassing
+maar weg! Daar ben ik al te oud toe."--Wees maar niet bang!" zegt
+hij. "De toepassing zal je lieve vrouw wel op zich nemen, als gij
+mijn raad niet zult volgen."
+
+Ik zette mij dus naast mijn oom neder, en hij begon te vertellen.
+
+"Te Rümpelmanshagen, waar ik mijne eerste leerjaren als kluitentrapper
+[2] heb doorgebracht, woonden toenmaals twee jonge flinke kerels, de
+een heette Wolf en was smid in het dorp, en de ander heette Kieviet
+en was molenaar. De smid was een slimme vos en verstond zijn ambacht;
+de molenaar was minder bij de hand, maar hij had geld.--Nu ging met
+der tijd in het dorp het praatje: "Jongens, hebt ge 't al gehoord? De
+smid en de molenaar gaan beiden om Fieken en Marieken uit, de dochters
+van den schout en ze praten al van de bruiloft tegen St. Maarten."--En
+dat kwam ook zoo uit, zij trouwden beiden op St. Maarten, en de oude
+schout richtte eene bruiloft aan van stavast; en wij, jongelieden
+van het landgoed waren ook daarop verzocht, en ik weet het nog als
+den dag van heden, hoe vroolijk het er toeging, want onze boekhouder
+Lodewijk Brookman goot mij 's morgens eene houten kan vol bier over
+mijn hoofd uit en zeide, toen ik boos werd: "'t Is maar een grap!"
+
+Na de bruiloft ging het dan nu ook alles in liefde en vrede; maar
+dat duurde slechts korten tijd. Toen werd er in het dorp gemompeld:
+"Jongens, hebt ge 't al gehoord? De molenaarsvrouw slaat haren
+man."--En dat was ook zoo.--Eens op een zondag-namiddag kwam de
+molenaar bij den smid, die in de herberg zat en solo speelde, en
+de molenaar zei: "Nu, wat je van avond zal overkomen, dat weet ik
+al."--"Hoe zoo?" vraagt de smid en staat op en gaat met zijn zwager
+naar buiten.--"Och kom," zegt de molenaar, "hou je maar niet zoo
+onnoozel! We zijn er beiden mooi ingeloopen."--"Als gij mijne vrouw
+bedoelt," zegt de smid, "dan moet ik je zeggen, ik heb een goeden
+huurder."--"Ja," zegt de molenaar, "als ze niet te huis is."--"Ga met
+mij mede!" zegt de smid. "Ik heb gisteren een varken geslacht en gij
+weet, dat mijn vrouw veel van "swartsur" [3] houdt.--Ik zal het bewijs
+leveren." Zij gaan daarop naar de woning van den smid, en toen zij
+daarvóór staan, roept de smid! "Fieken!"--Zijne vrouw kijkt uit het
+venster en vraagt: "Wat wilt ge van mij?"--"Fieken!" zegt de smid,
+"neem eens den grooten schotel met "swartsur" en smijt dien het raam
+uit, hier op straat."--"Wat?" vroeg zijne vrouw. "Smijt den schotel
+met "swartsur" op de straat neêr."--"Dadelijk!" zegt Fieken, en in een
+ommezien vliegt de schotel de deur uit, juist zóó als dezen morgen de
+bontwerker. "Goed zoo!" zegt de smid Wolf. "En nu, Fieken, smijt nu
+ook den pot met het andere "swartsur" er uit.--Dat gebeurde nu ook,
+en de smid zegt: "Mooi, Fieken! en laat je den tijd niet lang vallen,
+als ik van avond wat laat te huis kom."
+
+Hiermede gaat hij met den molenaar naar de herberg terug en vraagt hem:
+"Wel nu? Heb je het gezien?"--"Ja," zegt de molenaar, "die is naar
+den aard.--Hoe heb je dat aangevangen?"--"Op eene zeer eenvoudige
+manier," zegt de smid.--"Heb je ze opgesloten?"--"Neen!"--"Heb je ze
+geranseld?"--"Neen, ook niet!"--"Nu, wat heb je dan gedaan?"--"Dat
+zal ik je zeggen," antwoordt de smid. "Al in onze vrijage zocht ik
+er achter te komen, van welk stuk goed zij het meeste hield, en toen
+werd ik gewaar, dat het eene kleine mooie roode zijden doek was, en
+eens bij gelegenheid, dat wij ontbeten hadden, en de tafel een beetje
+heel erg met ganzenvet besmeerd was, veegde ik met haren mooien doek
+de tafel af. Nu, kan je wel denken, hoe zij tegen mij uitvoer! Ik
+sloeg echter mijn arm om haar midden, kuste haar en zeide: "Fieken,
+ge hebt mij immers! Wat is aan zoo'n doek gelegen? Zoo'n doek krijgt
+ge wel weder; maar iemand, die zoo veel van u. houdt, als ik, dien
+vindt ge van uw leven niet meer."--Nu, zij berustte er dan ook in,
+en toen wij naar het Tetterowsch schuttersfeest gingen, won zij eene
+vaas, eene mooie vaas; en toen zij zich daarover zeer verheugde, nam
+ik de vaas en ging er wat onachtzaam mede om,--paf!--liet ik die op
+de steenen vallen. Nu begon zij een weinig te schreien; maar ik kuste
+haar en zeide: "Houd daarmede op, Fieken, 't is beter, dat de vaas in
+stukken is gevallen, dan dat ik een arm of een been had gebroken, want
+ik moet ons leven lang voor ons het brood verdienen." En eindelijk brak
+ik haar nog drie tanden uit haren kam; toen begon zij al te lachen en
+zeide: "Ik ben benieuwd, of ge mij met de Tetterowsche najaarsmarkt
+weder een nieuwen zult schenken. Nu dat gebeurde dan ook, en zoo is
+het dan ook gebleven; zij is met alles tevreden.--Maar ik moet naar
+binnen en mijn solo spelen."
+
+De smid ging alzoo in de herberg en speelde solo; maar na verloop
+van een half uur kwam de kastelein binnen en zeide: "Smid, kom eens
+naar buiten! De molenaar Kieviet staat voor de deur en ziet er erg
+toegetakeld uit."--De smid Wolf gaat alzoo naar buiten! en ziet dan
+ook zijn zwager met een opengereten gezicht en een dik oog, en is
+niet weinig verbaasd en vraagt: "Zwager Kieviet, wat scheelt er nu
+aan?"--"Ja dat mag je wel zeggen!" zegt de molenaar, "dat komt van
+de vervloekte histories die jij me verteld hebt."--"Hoe zoo?" vroeg
+de smid.--"Wel, vraag je dat nog!" zegt de molenaar. "Ik had je malle
+geschiedenis goed genoeg onthouden, en denk zoo bij mij zelven: wat bij
+de ééne zuster geholpen heeft, kan immers ook bij de andere helpen;
+het is altijd eens te probeeren. Ik ga dus naar huis, en mijne vrouw
+staat voor den spiegel hare haren op te maken om naar de pachtersvrouw
+op koffievisite te gaan, en op de tafel ligt hare beste muts, en
+ik dacht bij mij zelven: "dat tref ik gelukkig!" en neem de muts
+en denk: als ik die nu in het vuile zeepwater in de waschkom doop,
+dan kan zij goed worden. Nu, ik doe dat, en zij ziet zeker in den
+spiegel wat ik voornemens ben, en eer ik er nog het minste erg in heb,
+krabbelt ze mij in het gezicht, en toen ik zeg: "Marieken, ge hebt mij
+immers, en eene muts krijgt ge gemakkelijk weder!" toen roept zij:
+"Ja, ik heb jou! En de muts zal ik je behoorlijk inpeperen!"--"En
+zie eens!" zegt de molenaar en trekt zijn hand van voor het blauwe
+oog weg, zóó heeft ze me toegetakeld, en dat door jou vervloekte
+vertelsel."--"Jou domoor zegt de smid, "heb ik je niet gezegd, dat
+ik dat stukje vóór de bruiloft heb uitgevoerd? Wat vóór de bruiloft
+helpt, helpt niet na de bruiloft."
+
+"En dat is nu de geschiedenis, mijn zoon," zeide mijn oom Matthijs,
+en stond op:--"als ge verstandig zijt, dan kunt ge er een voorbeeld
+aan nemen."
+
+Ik stond ook op en ging naar het venster, en liet mij de geschiedenis
+door het hoofd gaan, en keerde mij eindelijk om en zeide: "Eene
+dwaze geschiedenis, oom! Gij hebt anders wel betere geschiedenissen
+verteld."--"Ja," zeide de oude lachende, "omdat ik je anders de
+toepassing er dadelijk bij gaf, en hier moet je die zoeken."--"Gij
+zult toch niet gelooven," zeg ik, "dat ik de muts van mijn meisje
+in een waschkom zal doopen en met haren zijden doek de tafel zal
+afvegen?"--"Gij kunt het toch eens probeeren," zeide de oude snaak
+lachende.--"Nu," zeg ik, "dat ontbreekt er nog aan, dan zou ik er
+eerst mooi inzitten."--De oude glimlacht nu steeds bij zich zelven,
+en terwijl ik zoo denk: oude lieden zijn wonderlijk; als 't regent
+gaan ze op het hooien uit, zegt hij: "Jongen, hoe oud zijt ge dan
+nu wel?"--Van mijn ouderdom hoorde ik, nu ik aan 't vrijen was, niet
+gaarne praten, en ik denk bij mij zelven: "Ha, ha! Begint gij al weder
+met de peper? en ik vroeg: "Waarom vraagt gij dat?" "O," zegt hij,
+"ik meen maar zoo."--"Dan wil ik je zeggen," zeg ik een weinig kort
+af, "dat ik den zevenden November laatstleden een en veertig jaar
+geweest ben."--"Alzoo," zegt hij, "hebt ge de vier kruisjes achter
+den rug?"--"Ja," zeg ik, "is u dit niet naar den zin?"--"Wat mij
+betreft!" zegt hij.--"Mij valt daarbij het spreekwoord in: "wie in
+de twintig jaren niet mooi is, in de dertig niet sterk, in de veertig
+niet wijs, en in de vijftig niet rijk, die kan het maar laten blijven;
+van zoo iemand komt niets terecht. En gij schijnt mij in de veertig nog
+niet wijs te zijn."--"Oom Matthijs," zeide ik, en richtte mij trotsch
+overeind, "die mij voor dom aanziet, die bedriegt zich," en daarbij
+moet ik wel een zeer dom gezicht gezet hebben, want mijn oom lachte en
+zeide: "En ge kunt niet te min voor u zelven geene toepassing uit de
+geschiedenis maken!--Jongen, dat is ook maar eene gelijkenis!--Wat
+de smid met den doek en de vaas en den kam heeft uitgericht, dat
+past niet voor u, dat weet ik wel. Gij moet het natuurlijk anders
+aanleggen. Bij voorbeeld: gevoelt ge u wel in staat, op uwe jaren
+nog vóór de bruiloft een stuk of drie mooie gekke streken uit te
+voeren?"--"Gekke streken?" vroeg ik.--"Gekke streken!" zegt mijn
+oom. En ik ga de kamer op en neêr en overleg de zaak en draai mij
+eindelijk om en zeg: "Ja; ik geloof, oom, dat ik er in allerijl nog
+een paar kan klaar krijgen."--"Voer ze dan uit," zegt mijn oom.--"En
+gij meent dat ik daardoor baas in huis zal blijven?"--"Ik geloof het,
+mijn jongen.--Gekke streken--geen slechte!--Zie, als zij dan knorrig
+begint te worden, dan valt gij haar om den hals en kust haar recht
+hartelijk en zegt: "Houd maar op! Zie die grap maar over het hoofd,
+zie liever op mijn hart, dat behoort u en slaat voor u van nu af
+tot in alle eeuwigheid.--En dan, jongen," liet hij er op volgen,
+"dan kunt gij ook nog den voetval te pas brengen, want,--je moogt
+zeggen, wat ge wilt,--die behoort er nu eenmaal bij."
+
+Ik overlegde nu de zaak van alle kanten en zeide eindelijk tot mij
+zelven: "Hij is uw moeders broeder, en ge moet daarin zijn zin eens
+doen en er eens een paar proefjes van nemen!" En ik deed het ook
+werkelijk.
+
+Ik zou nu hier de grappen kunnen vertellen, die ik uitgericht heb,
+maar ik zal 't liever laten. Het kon ongelukkigerwijze gebeuren, dat
+de vertelling mijne vrouw ter oore kwam, en zij kon er dan wellicht
+achter komen, dat al deze grappen met overleg geschied waren,
+en dat zij in hare goedheid was beet genomen, en zij kon zeggen:
+"Halt! dit spel gold niet; gij hebt niet eerlijk gespeeld. Ik zal de
+kaarten eens schudden.--Zie zoo! ik heb de vóórhand, en nu speel ik
+uit! Beken deze en beken die! en nu willen we eens zien, of gij aan
+het hoogste bod zijt!"
+
+Maar menigmaal, wanneer zij nu als mijne vrouw zoo stil en vlijtig
+om mij heen bezig is en voor mij allerlei zorgen heeft, en mij met
+vriendelijke toegevendheid behandelt, dan denk ik toch zoo bij mij
+zelven: "Schaam u, dat gij bedriegelijk zijt te werk gegaan!" En
+ik zeide onlangs tot mijn oom: "Weet ge wat? Ik vertel haar, hoe
+het met die gekke streken vóór de bruiloft gegaan is."--"Plaagt
+je de drommel?" vroeg mijn oom. Ieder rechtschapen man moet af en
+toe een goeden gekken streek en een goeden kwinkslag maken; maar
+hij mag ze zelf niet weder vertellen, want dan verliezen ze alle
+beide hunne kracht.--Ge leeft immers te zamen gelukkig; wees daarmeê
+tevreden."--"Ja," zeg ik, "dat zegt gij wel; maar het is mij menigmaal
+te moede, alsof wij nog gelukkiger konden zijn, indien zij in alles de
+baas was."-"Mijn zoon," zeide mijn oude oom Matthijs en legde zijne
+hand op mijn schouder: Al het geluk, wat op deze aarde bestaanbaar
+is, valt nimmer aan één enkel mensch te beurt; vergenoeg u met dat,
+wat gij hebt. En wat den echtelijken staat betreft, hebt gij den
+ouden Jochem Smit nog gekend?--Den ouden Jochem Smit meen ik, die
+met zijne oude vrouw tachtig jaar oud werd, en kort daarna met haar
+te zamen op eenen schoonen zomer-zondagmorgen werd begraven.--Nu,
+die zeide eens tot mij,--want ik versta niets van die zaken:--"heer
+wachtmeester," zeide hij, "de echtelijke staat is als een appelboom;
+daar zit iemand in en plukt en plukt; maar de mooiste en roodste
+appelen zitten in den top, zoodat haast niemand er bij kan. Wanneer
+nu iemand onverstandig is, en met geweld de appelen krijgen wil, dan
+neemt hij een stok en slaat de mooie appelen er af, maar soms ook
+slaat hij te gelijk de takken af, waaraan de beste knoppen zitten,
+die de meeste vruchten voor de toekomst beloven; de verstandige man
+laat ze rustig zitten en wacht tot den laten herfst, dan vallen ze
+hem van zelf in den schoot en dan smaken ze veel zoeter.--En daarom,
+jongen," voegde mijn oom er bij, en zijn oud ernstig gezicht zag er
+daarbij bijzonder trouwhartig uit, "stoot dien rooden appel niet vóór
+den tijd van den boom en wacht tot den herfst,--dat duurt toch zoo
+lang niet meer,--en wanneer gij uwe vrouw den laatsten mooien appel
+brengt, vertel haar dan ook de historie van uwe gekke streken vóór
+de bruiloft; gij zult zien, dat zij er zich dan vroolijk over maakt."
+
+
+
+
+
+
+UIT DEN FRANSCHEN TIJD.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij
+ mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.
+
+
+Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als
+mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen,
+dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen: "Kijk, wat
+zijn dat stevige kerels! Naar zoo'n soort kan men tegenwoordig lang
+zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!" En één was er onder hen,
+die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit,
+zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij
+had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge
+glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken
+geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een'
+manden stoel had gezeten,--op zijn hoog voorhoofd stond geschreven,
+en ook uit zijne blauwe oogen kon men 't lezen: "Geen menschenvrees,
+maar wel vrees voor God!" En hij was een kerel van stavast.
+
+'s Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en
+zijne lieve vrouw bond hem dan een' witten, ouden mantel om den hals,
+wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn
+haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.
+
+Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter
+onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;--maar zóó een,
+als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige
+geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer 's middags, onder
+de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige
+kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag
+van den blauwen rok uit en 't zeide tot elk, die het hooren wilde:
+"Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar 't uiterste puntje
+van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u
+voorstellen, hoe vroolijk 't er van binnen uitziet."
+
+Wanneer ik soms eene boodschap van mijn' vader te bezorgen had, en
+het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide:
+"Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen
+en kraken; als je 't afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.--Ga
+nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven." Tot mijn
+vader zeide hij dan: "Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een'
+jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te
+teemachtig. Goddank, ik heb ook een' jongen; ik meen mijn' Jochem."
+
+Mijn vader zeide tot mijne moeder: "Weet ge, wat de oude baljuw
+zegt? Jongens zijn beter dan meisjes." Ik stond in de kamer en hoorde
+dat, en zeide natuurlijk: "Ja wel," zeide ik, "mijn peetoom heeft
+altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar
+verdienste en waardigheid." En ik nam het grootste stuk ketelkoek en
+gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van
+mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een'
+kleinen appel was.--Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene
+andere wending.
+
+Op zekeren dag,--'t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis,
+die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons
+al wat beweging begon te komen,--klopte iemand aan de kamer van
+mijnheer den Baljuw. "Binnen!" riep de oude heer en binnen kwam de
+oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst,
+en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof
+hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke
+soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. "Goeden dag,
+mijnheer de baljuw!" zeide hij. "Goeden morgen, molenaar!" zeide de
+oude heer.--Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag
+bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk:
+want de molenaar stond 's morgens klokke vier op, en bij hem was 't
+na den middag, en bij den baljuw was 't vroeg in den morgen, want hij
+stond te elf uren op. "Wat wil je, molenaar?"--Want de molenaars werden
+toen nog jij en jou genoemd.--"Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u
+wegens eene zaak van belang.--Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu
+ook bankroet wou gaan."--"Wat wou je, vriendlief?"--"Bankroet gaan,
+heer baljuw."--"Hm, hm!" bromde de oude heer, "dat is immers eene
+desperate zaak." En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en
+neder. "Hoe lang woon je al in 't Stemhager [4] rechtsgebied?"--"Dat
+wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar."--"Hm, hm,"
+bromt de baljuw verder, "en hoe oud ben je, molenaar?"--"Met den
+erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; 't kan ook mogelijk wezen,
+dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid,
+die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die
+'t schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen,
+omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij
+eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:--maar
+dat ging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar
+den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te
+kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf
+en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en
+zeker van."--De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende
+met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt
+hem scherp in de oogen en zegt barsch: "Molenaar Voss, dan ben je
+veel te oud voor je plan."--"Hoezoo dat?" vraagt de molenaar geheel
+ontsteld."--"Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij
+op jou jaren niet meer gedaan."--"Denkt gij dat, heer baljuw?"--"Ja,
+dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud, dat moeten we aan
+jongelieden overlaten.--Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen,
+als ik bankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het
+slot is gek geworden," en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn
+schouder, "en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?"--De
+molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne
+ooren: "De waarheid is 't, mijnheer!"--"Wel," vraagt de oude heer,
+en hij schudt den molenaar zoo'n beetje aan de schouders: "Waar drukt
+de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?"--"Kwellen? zegt gij,
+mijnheer de baljuw!" riep de molenaar uit, en 't was, als had hem eene
+bij achter 't oor gestoken, zóó krabde hij: "Villen, mijnheer, moet
+gij zeggen, villen!--De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses,
+mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!"--"Zie je wel, molenaar? dat
+is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een
+proces ophoudt."--"Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de
+goede jaren, en ik dacht ook, dat ik 't nog bij mijn leven zou klaar
+krijgen; maar ik merk wel, dat zoo'n prinses één langeren adem heeft,
+dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden."--"'t Loopt nu toch,
+als ik het wel heb, haast ten einde."--"Ja, mijnheer de baljuw! maar
+dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de
+avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder,
+den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet
+een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op
+gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen
+smijten.--En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige
+zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op
+'t oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog
+leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder,
+en Jochem Voss, die mijn neef was..."--"Ik weet het geval," sprak
+mijnheer de baljuw, "en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot
+eene schikking te komen."--"Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft
+doet Jochem's lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben
+ik een bedelaar.--Neen, mijnheer de baljuw, 't mag gaan zoo 't wil,
+toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.--Zoo'n
+lummel, zoo'n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan
+en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een
+mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden;
+hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben
+afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet
+geplunderd hebben, die wil zich op mij wreken?--Mijnheer de baljuw,
+gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo'n bengel, en neem 't
+mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben."--"Molenaar Voss," zegt de
+oude heer, "wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook
+eens ten einde! want het is in vollen gang."--"In gang, mijnheer de
+baljuw? Neen, 't is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den
+bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde."--"'t
+Is waar, vrind Voss, 't is waar! Maar dit kan u intusschen op 't
+oogenblik toch niet zoo drukken."--"Drukken?--Zeg liever klemmen,
+mijnheer!--klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels
+uitkomt.--Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde
+jood!"--"Welke jood is dat?" vraagt de baljuw. En de molenaar draait
+zijn' hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem
+ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden
+heer toe, legt de hand aan zijn' mond en fluistert half overluid:
+"'t Is Itzig, mijnheer de baljuw." "Foei!" zegt de oude heer,
+"hoe komt gij aan dien kerel?"--"Mijnheer de baljuw, hoe komt de
+ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en
+bezeeren zich aan een' brandnetel, en de koster van Gagelow meende,
+dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven
+op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen
+zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei:
+"Vader, wij spreken elkaâr wel nader!"--In mijn grootsten nood, toen
+de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders
+van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot
+termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot
+vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.--"Molenaar,
+heb je dat onderteekend?"--"Ja, mijnheer de baljuw."--"Dan moet je
+'t ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven." "Wel, mijnheer
+de baljuw, ik dacht...."--"'t Helpt je niets: wat geschreven is,
+is geschreven."--"Maar, de jood...."--"Molenaar, wat geschreven is,
+is geschreven."--"Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan
+doen."--De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en
+zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek
+hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: "Molenaar, jongelieden
+kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één
+van je jongens eens bij mij."--De oude molenaar keek weder naar de
+punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide
+hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: "Och,
+mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen,
+en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland,
+en hij is niet teruggekomen."--"Molenaar," zegt de oude baljuw, en
+hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: "Heb je dan
+in 't geheel geen kinderen?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zegt hij,
+terwijl hij zijne oogen afwischt, "nog zoo'n klein deerntje."--"Ja,"
+antwoordt de oude heer, "vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes;
+meisjes zijn mij te teemachtig."--"Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn
+teemachtig!" "En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen,
+molenaar!"--"Wat zal er dan van mijne zaak worden?"--"Executie, oude
+vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen."--"Nu, mijnheer
+de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood
+'t nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En
+om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?"--"Ja, mijn goede
+vrind."--"Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw." Daarop ging hij heen.
+
+De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na,
+terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven:
+"'t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om den anderen
+zoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere
+menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige
+is, hem tijd te laten winnen.--Vijfhonderd daalders!--Wie heeft
+tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden
+Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche
+Stemhager rechtsgebied wel 't onderste boven zou kunnen keeren en
+de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit;
+en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou 't mogelijk gaan, maar
+zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is 't
+een slechte tijd!"
+
+Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op
+het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in,
+en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel
+Westphalen's kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de
+kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor te sakkerbleuen
+en met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft
+staan en hem aankijkt.--Toen dit echter erger werd en de Franschman de
+blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits
+Sahlmann, die zijn calefactor was en de loopende zaken moest bezorgen,
+en zeide: "Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet
+eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben."
+
+Frits Sahlmann komt nu bij mijn' vader en zegt: "Mijnheer de
+burgemeester, kom toch eens gauw meê naar 't slot; 't loopt anders
+van mijn leven niet goed af!"--"Wat is er dan te doen?" vraagt mijn
+oude.--"Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven
+stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden
+heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken
+en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem,
+recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat
+net zooveel van 't Fransch, als een koe van den zondag."--
+
+"Wel duivels!" zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een
+stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte
+onder den nagel,--en hij liep naar het slot.
+
+Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de
+Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn
+mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer
+staat echter heel bedaard en heeft zijn "dictionnaire de poche" in de
+hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat,
+dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu
+mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: "Zeg, kindlief, wat wil die
+kerel?--Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil."--"Mijn vader begint
+dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft
+aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom
+vraagt: "Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?"--Nu,
+eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met
+zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde,
+dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd
+el groen laken, en honderd louis d'or verlangde, en verder voor zich
+en zijne manschappen nog veel "du vin,"--toen zeide de oude baljuw:
+"Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......"--"Houd
+op!" roept mijn vader uit.--"Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord
+niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord
+hebben, en hij zou 't mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u
+raden, hem "du vin" te geven; dan zal hij 't andere denkelijk wel
+vergeten."--En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann,
+dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar
+niet van den besten wijn.
+
+De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de
+Franschman schenkt mijn vader in, en 't gaat steeds beurt om beurt,
+en mijn oude heer zegt: "Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan
+gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in
+'t lijf heeft."--"Kindlief," hervat de oude heer, "ik ben een oud
+man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in 't Stemhager
+rechtsgebied; 't past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan
+drinken."--"Nu ja," zegt mijn vader, "maar, nood breekt wetten; en
+dit is voor 't vaderland."--De oude baljuw komt er dus bij zitten,
+en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader:
+"Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, 't zou een zegen
+van den hemel wezen, als wij op 't oogenblik iemand hadden met eene
+goede maag en een sterk hoofd."--En terwijl hij dit zegt, wordt
+er aan de deur geklopt. "Binnen!"--"Goeden dag samen!" zegt de oude
+molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. "Goeden dag, mijnheer de
+baljuw!"--"Goeden dag, vriend Voss!"--"Wel, mijnheer, ik kom nog eens
+over mijne zaak praten."--"Daar hebben we vandaag geen tijd toe,"
+zegt de oude heer, "want je ziet wel, in welke omstandigheden wij
+ons bevinden." En mijn vader roept: "Mijn lieve Voss, komt gij eens
+hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman
+zitten en neem hem eens in 't verhoor, maar scherp."--En de molenaar
+Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er
+het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven
+zegt hij: op zoo'n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;--maar hij
+schikt zich gemakkelijk in de zaak.
+
+Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt:
+"Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen;
+ik ken hem."--"Kostelijk," zegt de oude heer: "maar, kindlief,
+hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog
+klaar?"--"Dat is maar zoo'n maraudeurs- en strooperstroep," zegt mijn
+oude, "laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken." En hij roept
+Frits Sahlmann en zegt tot hem: "Frits, mijn jongen, ga eens achter uit
+door den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker
+Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken,
+met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel;
+en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen,
+tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten."
+
+Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een
+Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen,
+en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met
+eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en
+als hij 's avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te
+repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne
+kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts,
+dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde
+hij van "la grande nation," en "le grand empereur," en kommandeerde
+het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand
+inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter 't bed wegkropen. Hij was
+echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag "la
+grande nation" in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste
+en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil
+en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.
+
+Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en
+zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te
+zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en
+de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: "A vous!" en dan nam
+de molenaar zijn glas op en zeide: "Praat maar toe!"--en dan klonk de
+molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide:
+"Serviteur!" en dan dronk de molenaar ook en zeide: "Zet hem voor de
+deur!" En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.
+
+Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de
+Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang,
+of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn
+stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in 't aangezicht, van
+stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop
+opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.
+
+Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest,
+en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede,
+wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op
+en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou,
+zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: "Vriend
+Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn." En
+de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.
+
+De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin
+terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde,
+zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was
+nu weder "la grande nation," en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort
+binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en
+postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden,
+keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe
+en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend
+over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in 't Fransch,
+dat hij de kwartiermeester was van 't drie en zeventigste regiment,
+en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst
+met "Monsieur le bailli" spreken. Toen begon de jager bang te worden,
+en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen
+en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood
+schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon
+een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van
+wege hun' kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot
+wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig,
+en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes
+Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want
+het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche
+landwegen, zoo in 't voorjaar, als 't alles pas ontdooid is.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+ Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken,
+ en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek
+ wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te
+ bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet
+ genomen heeft.
+
+
+Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en
+sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen
+droogde hare oogen af, en sprak: "Mijnheer Droi, gij zijt een reddende
+engel!"--Zij noemt hem namelijk altijd Droi in plaats van Droz,
+daar zij meent, dat Droi zuiverder Fransch is en dat de menschen
+het juiste accent niet aan den naam geven.--De reddende engel zet nu
+zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak,
+legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de
+aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak,
+vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel
+zachtmoedig onder zijn' krommen neus; daarop brengt hij zijne groote
+ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe,
+terwijl hij vraagt: "Plait-il?"--"Ja wel," zeide mamsel Westphalen,
+"zeer gaarne, want, mijnheer Droi, ik heb zeer slechte oogen, en
+zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de
+zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar
+mijnheer Droi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was,
+en daar blijf ik bij." Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie,
+gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van
+mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die
+in 't water onderduikt, en zeide ook: "Plait-il?" Nu, den horlogemaker
+"plait-il-de" dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke
+engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking
+tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen
+hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van "vin dit
+en vin dat" en van "de skoone Suisse."--Middelerwijl was het donker
+geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: "Nu,
+'t is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in
+'t stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik,
+van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en
+schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en
+de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt
+waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de
+Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert
+of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd."--"Frits
+Sahlmann," vraagt mamsel Westphalen "verroert hij zich niet?"--"Neen
+mammesel."--"Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar
+bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op
+je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?" "Neen, mammesel,
+volstrekt niet, in 't geheel niet."--"Nu, mijnheer Droi, ga dan mede,
+dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar,
+neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als
+gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits
+Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de
+paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één
+mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk."
+
+Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt
+zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat
+nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop,
+dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen
+heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.
+
+Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft
+twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen
+'t andere, en met het andere tegen 't ééne, en drinkt beurtelings
+voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht
+verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm
+geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman
+met den langen paardestaart, en over zijn' dikken buik had hij, zoo
+goed als 't gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De
+laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft
+de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens
+chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar
+heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand
+gegeven, waarmede hij stilzwijgend in 't rond zwaait, want spreken
+kan hij geen woord.
+
+Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag,
+zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene,
+oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: "Molenaar Voss,
+wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?" De molenaar wil
+antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts
+met moeite er uit: "Komedie!"--"Wat?" vraagt mamsel Westphalen,--"is
+dat een antwoord van een' man, met vrouw en kinderen? Is dat het
+respect voor uw opperhoofd, om zoo'n uilenspiegelstreek in zijne;
+studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!" Dit zeggende,
+gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd
+en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal
+de twee woorden uitspreekt: "Jou varken!" Vervolgens keert zij
+zich om en roept: "En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij
+om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En
+gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben,
+neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp
+die sabel los."--Nadat dit alles geschied was, zeide zij: "En jij,
+Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!--Jij zult het
+hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er
+met zijne commoditeiten hier gepasseerd is, want hij laat ze anders
+verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen,
+dat de menschen zich als kwajongens aanstellen."--Daarbij ziet zij den
+ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch,
+zet hare armen weder in de zijden en vraagt: "Wat nu?"--
+
+"Ik weet het," zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag,
+doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los
+en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.
+
+"Heer in den hemel, Frederik!" roept mamsel Westphalen uit, en
+springt er tusschen in; "zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen
+moord begaan?"--"Diable," zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van
+Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt
+het venster open en schreeuwt: "Mijnheer de baljuw, mijnheer de
+baljuw! Nu gaat het er op los!"--Klets! krijgt hij een klap op zijn
+mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort
+van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen,
+zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.
+
+Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: "Hoe zóó dan? Wat
+meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden;
+dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen
+hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende;
+en tegen den gauwdief "Dumouriez", onder den hertog van Brunswijk,
+na anno 90." En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende:
+"Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de
+broek op hun knieën."
+
+"Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de
+broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo'n aanblik
+wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de
+studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien
+is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel
+zullen blijven."
+
+Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan,
+maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: "Blijven? Wat
+blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap
+gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte
+Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!" En
+hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop
+antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende;
+"Broeder, ik neem je meê."--"Dat is ook het beste," zegt mamsel
+Westphalen, "dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!"--En
+de één van de "grande nation" pakte den ander van de "grande nation"
+aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;--Frits
+Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel,
+en de molenaar kwam, een' kleinen boog beschrijvende, achteraan.
+
+"Zie zoo," zegt Frederik, "nu maar achterin, in den wagen!--Zoo,
+lig daar nu maar stil!--Frits Sahlmann, span jij de paarden eens
+in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen;
+maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem,
+dan tuimelt hij omver."
+
+Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: "Wel, is alles aan
+boord?"--"Alles aan boord!" zegt mamsel Westphalen.--"Nu, dan
+maar ju!" zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden
+voortgereden, of de horlogemaker roept: "Alt! alt, Frederik!--Gij
+hebt vergisteren dat kameraad zijn cheval; dat staan in de logis
+voor de kleine poules!"--"Ja," zegt Frits Sahlmann, "'t staat in
+'t kippenhok." "Nu, haal het dan," antwoordt Frederik, "en bind het
+van achteren maar aan den wagen."
+
+Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt
+de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat
+hier te doen is. "Niemendal," zegt mamsel Westphalen. "De molenaar
+Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, om meê te rijden en van
+nacht op den molen te Gielow te blijven."--"Dat is eene andere zaak,"
+zegt de oude heer.--"Adjuus, vrind Voss! Ik zal 't niet vergeten." De
+molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder,
+en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit
+moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de
+kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in 't oog kreeg:
+"Breng alles maar naar mijne kamer," zeide zij, "en leg 't achter
+mijn bed."
+
+Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg
+van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven:
+"Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard
+rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen
+van den wagen af." Maar toen hij een eindje verder was en omkeek,
+lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in,
+en Frederik zeide: "Zonder hulp komt die niet weêr beneden." En hij
+haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over 't lijf,
+opdat hij geen kou zou vatten.
+
+Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen
+weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij
+Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger
+eens gezegd had, toen de molenaar alleen zóó was aangekomen, en wat
+ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam;
+en wat molenaar's Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met
+het hoofd en zeide: "Goed loopt het zeker niet af."--En ten tweede
+viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in
+zoo'n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen
+uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in
+'t Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel
+had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.--En, ten derde,
+viel hem in,--en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,--hoe
+hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan
+het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen
+hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den
+landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan
+Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. "En de beide mooie
+bruinen," sprak hij bij zich zelven, "hebben ze mij ook afgenomen,
+en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die
+moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo'n karnalje vogel
+van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair
+is?--Vervloekte patriotten!--Gauwdief.--Dumouriez!"--Dat waren zijne
+eenige vloeken als hij boos was.--"Ho! ho!" riep hij en sprong van
+den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van 't
+achterdeel van den wagen;--daarop pakte hij den Franschman bij de
+beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder
+onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij
+hem onder een beuk nederlegde.--"Ja" zegt hij, toen de Franschman zich
+daar een weinig begon te bewegen, "dat is je zeker een beetje vochtig,
+maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?" En
+hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: "Voor in 't laatst van
+Februari is 't een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist
+niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren
+zingen, en,--zoo God wil, zingt hij hier van 't jaar weder."--En toen
+de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij:
+"Niet waar, broertje! 't is een beetje koel en 'k zou je hier nu mooi
+kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar
+kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb." Dit
+zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en
+werpt dat over hem heen, met de woorden: "Nu, adjuus! Meênemen doe
+'k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je
+ergeren?" Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.
+
+Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem
+moed in en zegt: "Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er
+u straks af." De molenaar richt zich op en zegt: "Ik bedank u wel,
+mijnheer de baljuw!" En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en
+vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen
+hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden,
+achter in den wagen en vroeg: "Frederik, waar is de Fransoos?"--"Ja,
+waar is die!" zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en
+sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen
+met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de
+molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: "Wel, vader, hoe is 't
+afgeloopen?"--De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de
+kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een
+paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in
+'t oog houdt, en zegt: "Dat is een zware gang!"--"Dat zie ik," zegt
+de molenaarsvrouw.--Fieken zat aan de tafel en naaide linnengoed.--En
+de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: "Ziet gij niets
+aan mij?"--"Genoeg," antwoordde zijne vrouw. "Ge hebt weêr bij den
+bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en
+je vrouw en kinderen, en zijt aan 't drinken geweest."--"Zoo? Denkt
+ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan
+vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester
+en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken,
+en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken,
+want dit was voor 't vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet
+weg! Dat heb je niet noodig!--De koopman van Malchin had je voor mijn
+part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!"
+
+Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: "Vader laat dat
+toch rusten, ten minste van avond!"--"Best, lief dochtertje! Je hebt
+gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is
+Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!--Maar, dat zeg ik je: gooi
+je niet weg! en verder zeg ik niets.--En onze geldzaak, moeder?--Wat
+zegt de oude baljuw?--Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan
+gedenken.--En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!--Waar, duivel, is
+de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch
+weten." Hij rukt het venster open en roept: "Frederik! Frederik! hoort
+ge dan niet?"
+
+Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog
+en zeide: "Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de
+molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet
+branden." Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en
+nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij:
+"Verduiveld was is die zwaar!" en legde hem in zijne haverkist, schudde
+het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep,
+alsof er niets bijzonders was voorgevallen.
+
+Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik
+niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, "Vader, laat hem maar blijven;
+ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en
+zwaar gewerkt;--ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken,
+dat de nachtlucht je geen kwaad doet."--"Moedertje," antwoordde hij,
+"ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken
+grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde,
+zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss,
+ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar
+Stemhagen." Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder,
+en dadelijk sliep hij in.
+
+De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten
+verdiept en naaide onophoudelijk door.--"Ja," zegt de moeder eindelijk:
+"Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den
+schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij
+kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder,
+en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en
+de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig
+betalen, en wij hebben geen schelling." "Vader doet toch net alsof
+alles in orde is."--"Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat
+en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij
+van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar
+genomen."--"Moedertje," zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens
+op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: "Moedertje,
+dat was de rechte niet."--"Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle
+keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al
+licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning,
+en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou
+ons een pak van 't hart wezen."
+
+"Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij
+en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke
+wijze?"--"Oneerlijk, Fieken?"--"Ja, oneerlijk, moederlief!" zeide
+Fieken en 't was haar aan te zien, dat het haar hinderde, "want toen
+de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen
+was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want
+al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe 't met ons
+gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch
+al lang gemerkt. Nu weten de menschen 't al zoo tamelijk, en als er nu
+een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld,
+en dan is 't immers mogelijk, dat hij de rechte is." Dit zeggende stond
+zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. "Goeden
+nacht moederlief!" sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.--De
+molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte:
+"Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!"
+
+Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen
+draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken
+grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten
+nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit
+het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde
+het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,--en diep onder in
+den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden
+zang: "het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang
+ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij
+geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal
+mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe,
+dan staat alles stil, en dan is 't zondag."
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom Frits Sahlmann een' oorveeg krijgt, en de horlogemaker
+ den ganschen nacht met mamsel Westphalen's ledekant in de
+ kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een
+ roode deken bij den horlogemaker te visite komt.
+
+
+Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de
+baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer
+Droz toe en vroeg: "Wat ben ik u schuldig, mijn lieve Droz?"--Nu, die
+zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan
+had, want de "Allemange was nu zijne patrie, en hij was tout pour la
+patrie."--"Dat meen ik niet," zeide de oude heer, "ik meen voor mijn
+horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?"--De heer Droz antwoordde, dat
+dit alles betaald was; "de kleine garçon, Frits Sahlmann had alles
+bezorgd."--"Ja, dat weet ik wel," sprak de oude heer, "maar, mijn
+lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen,
+dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat
+hij er niets aan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is,
+daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan." En hij drukte hem
+twee daalders in de hand en ging het huis in.
+
+"Welnu," zeide mamsel Westphalen, "laat hem begaan! Hij is een
+wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer
+Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want
+bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf
+bevriezen." Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks
+gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart
+van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had
+zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar
+kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit
+te deelen, om de ooren. "Jou uilenspiegel!" riep zij en zij rukte hem
+den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter
+haar bed. "Uilenspiegel! Op zoo'n avond, als wij allen in angst en
+nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?--Ga liever eens
+naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe 't komplement van mij,
+dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in
+mijne kamer is, en dat hier in 't geheel geen gevaar is."
+
+Frits Sahlmann gaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van
+den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi
+vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat
+mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder
+weinig van. "Hij zijn bon!" zegt Droi en rammelt met de beide
+daalders in zijne hand. "Ja wel," zegt mamsel Westphalen, "zeker
+zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou
+geven?"--"Ah! 't niks valsch geld! Ik meenen hem lui-même," zegt
+mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.--"O, zoo! gij
+meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hij bon, maar, hoe ouder
+hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht
+tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet
+bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst
+'s nachts, klokke elf, en 't wordt soms wel twaalf ook, en als 't
+lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan
+'t knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij
+te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen
+wij 't helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen:
+wij hebben een goed geweten! Maar, mijnheer Droi, 't is een zwaar
+stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te
+hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de
+vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang
+huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is
+'t weer boos weder!--Mijnheer Droi, gij zijt zeker in 't geheel niet
+bang!" "Eh, non!" zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert
+naar het weder en zegt eindelijk: "Attendez, du tonnerre!" "Wat meent
+gij?"--vraagt mamsel Westphalen.--"Ik meenen," antwoordde hij,--en hij
+zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, "ik meenen de
+lichte zig-zag met rompel, pompel, retteteta,"--"Dan hebt gij gelijk,
+mijnheer Droi," zegt mamsel Westphalen, "want daar buiten gaat het
+werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!"--"Ah!" zegt mijnheer Droi,
+"dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers."--Hij
+sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd,
+want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil
+en riep: "Luister! Zij marcheer op de marché, op de markt!" en:
+"Luister!" Dat zijn de "grand canons, de zware geschut!" En mamsel
+Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan
+en schudt het hoofd, zeggende: "Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is
+anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild
+aan? 't Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden,
+klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!"
+
+En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur
+in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij
+kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol
+nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten
+er uit.--Zij had haren rok over 't hoofd geslagen en droop als een
+dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: "Br.... wat
+is 't een weêr!" "Dat is 't wel, juffrouw Stahl," zeide de mamsel,--zij
+noemt haar altijd juffrouw Stahl,"--"niet om harentwil," zeide zij,
+"neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen,
+als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?--neen! ik heb ook
+mijn trots!" "Mamselletje," zeide de weversvrouw, "ik kwam hier heen;
+op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop
+kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd;
+die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en
+de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag,
+en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering."--"Dat weet de
+goede hemel!" zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept
+Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer,
+naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig
+zoo'n pochhans van een Franschen overste en zoo'n misselijken krates
+van een adjudant den berg naar het slot opkarren."--Daarna keert zij
+zich om naar het gezelschap, en zegt: "Dáár kunnen zij liggen, en als
+het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij
+juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want,
+mijnheer Droi," gaat zij voort, "hiernaast in de kamer spookt het;
+gelooft gij ook aan spoken?"--Mijnheer Droi zegt: "Neen!" en inmiddels
+komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam
+werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een
+paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamer gebracht,
+waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven,
+naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.
+
+De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den
+anderen: "Diable!" en "Diantre!" En toen hem naar de reden gevraagd
+werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid
+was, en 't kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering
+en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door
+de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche
+wachtposten, of zoo'n strooper van een Fransoos, en ze konden hem
+vragen: "Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij
+zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis
+van dezen middag kon uitkomen, en wat dan?"--"Mijnheer Droi," zegt
+mamsel Westphalen, "dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel,
+van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook
+uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?--Dan de
+kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk
+eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik
+met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen
+hebben we, Goddank, hier niet.--Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van
+middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe
+vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van
+nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en
+dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!"--Dit zeggende
+gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen
+en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: "Mijnheer Droi,
+zijt gij ook bang?"--Mijnheer Droi zegt weder: "neen!" en zij zegt:
+"Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan
+hoort men: "trap! trap! trap! maar 't komt hier niet binnen; ik heb
+een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.--Hoor nu toch eens! Hoor
+nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu
+toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi," vraagt zij zachtjes, "kunt
+gij dat alles verstaan?"--"Oui," zegt mijnheer Droi.--"Ik geloof het,"
+zegt zij, "want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer,
+maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom,
+juffrouw Stahl!"--Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in 't
+Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat
+hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide
+zachtjes tot de weversvrouw: "Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde
+vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht." En zij gaat
+heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.
+
+Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de
+nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; 't is de
+goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder
+den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op
+de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen
+en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich
+zelven zegt: "Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen,
+die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen." En
+daarop sluipt hij de deur weder uit.
+
+Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt "la grande
+nation" vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich
+neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt:
+"Ah! c'est bon!"--Nu luistert hij naar den storm daar buiten en
+naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar 't redeneeren van
+de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het
+gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken,
+toen begint het: trap--trap--trap. "Ha, ha!" denkt mijnheer Droi
+in 't Fransch, "dat is het spook, hier naast!" En hij luistert nu
+wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel
+stil; maar trap--trap--trap gaat het bedaard voort, en nu komt het
+mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is
+'t en als 't in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen;
+hoe zou 't anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne
+schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen
+tegen de deur aan, en 't is een geraas op de gang, alsof het onweder
+was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te
+bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil;
+maar trap--trap--trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer
+Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om
+beter te kunnen hooren,--klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal
+hoofd--en, klets!--nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór
+zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te
+doorweeken. "Diable!" zegt hij, "het dak is niet dicht en dat lekt
+door den zolder. Wat nu?" Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten
+inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil
+met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude,
+zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt
+niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek
+staan, en,--al zijn leven!--dat glijdt langs den muur naar beneden,
+en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet
+weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!--de
+beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden
+en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft,
+en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid,
+en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water
+dringt overal door, en hij denkt--natuurlijk in 't Fransch:--"Nu
+slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou
+'k misschien van het lek bevrijd wezen."--Hij staat op, en rukt het
+voeteneinde los--paf!--daar valt zijn geweer langs den muur op den
+vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.
+
+Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en
+hield met geweld zijn' adem in, alsof door dat inhouden van zijne
+ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al
+luidkeels raasden en scholden en "silence!" riepen, en tegen den muur
+sloegen. "Que faire?" zegt hij tot zichzelven. "De eerste nood moet
+afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog
+stuk en stookte daarvan vuur onder 't water." Toen kroop hij weêr in
+'t bed en zeide: "Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd."--Hij
+was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal
+liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in
+'t bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch
+in 't voorjaar.--'t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en
+weder verhuizen; maar hij zou 't zachtjes doen, dat hij niets omver
+stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te
+voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het
+toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen
+nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes;
+maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.
+
+Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde
+en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich
+eindelijk met de hand voor 't hoofd, en zeide: "Ik domkop!" Want er
+was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de
+kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus
+zachtjes naar buiten op de gang en,--ja, waarlijk!--daar brandde ook
+de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht
+in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep:
+"Ah, canaille!" Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch
+niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde
+naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet
+vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne
+krachten in,--krak!--zegt de hemel,--en hemel, en ijsklomp, en Droi,
+'t valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt
+mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met
+zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten,
+wat hun heer was weêrvaren.
+
+Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt--de Fransche
+overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken
+over 't beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen
+loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen,
+en met bloote beenen, zijn adjudant.--Mijnheer Droi haspelt onder
+de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd,
+gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: "Bonsoir,
+mon colonel!" De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste
+aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien
+de zwarte slobkousen en de geheele "grande nation" vóór het bed liggen,
+zij zien geweer en sabel; en--wat erger is dan erg,--zij zien de sabel
+en den paardestaart van den chasseur. Wat beteekent dat en wat moet
+dat?--Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer
+Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi;
+jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.
+
+In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De
+overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant
+roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van
+de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in 't water
+gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te
+maken;--van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje
+en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand,
+maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare
+oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over
+haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid:
+"Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!..." "Schaam je toch!" zegt
+mamsel Westphalen, "wat heeft zij te kijken? Wat hebt gij te kijken? En
+wat is hier te kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven,
+dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de
+angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je
+nu om!" De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om,
+en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: "Mijnheer de
+Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom
+laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? 't Is hier
+een christelijk huis en een stil huis, en zoo'n beweging zijn we hier
+niet gewend." En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: "Eén
+van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan."--De Fransche overste
+beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en
+mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn' spillebeenigen
+adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen,
+met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor,
+dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch,
+dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij
+was een Duitscher, hij was een Westphaler.--"Zoo heet ik ook!" zegt
+mamsel Westphalen.--De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen
+heet, maar uit Westphalen is; hij heette "Von Toll."--Mamsel Westphalen
+maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: "Neem 't mij niet
+kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en
+kastelein Toll, hier in de stad?" "Dat niet!" antwoordde de overste,
+doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen
+bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn,
+en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was,
+wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te
+liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij
+keerde zich in drift om en zeide: "Foei, mijnheer Droi; die zich op
+zijn' ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten,
+die krijgt een hard kussen onder 't geweten. En, schaam u, mijnheer
+Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt
+dan pas zijne beenen!"--Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd,
+dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen
+stomp in de korte ribben en sprak: "domme deern!"--Daarop maakt zij
+nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: "Uwe dienaresse,
+mijnheer de overste von Toll!" En zij gaat heen, met de beide
+dienstmeisjes.--De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles
+stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn
+huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom
+ Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs
+ voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van
+ Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.
+
+
+Den volgenden morgen was 't den molenaar Voss alsof hij een half dozijn
+musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En
+zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den
+vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. "Moeder,"
+zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in
+zijne laars: "roode wijn is 's avonds een kostelijk ding, maar 's
+morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin
+bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart;
+'t gekste is maar, met den Fransoos!--achter in den wagen heeft hij
+gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is."--"Welnu vader,"
+zegt zijne vrouw, "Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor
+'t ontbijt." De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich
+achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met
+zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken,
+en 't laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik,
+en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.
+
+De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: "Waar
+blijft Frederik toch?" Hij eet weder, en gaat naar 't venster en roept
+den hof over: "Frederik!"--Frederik komt niet.--De schotel is eindelijk
+ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: "Als
+'k een knecht gehuurd heb, wil 'k geen heer in mijn huis hebben!" En
+hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten,
+toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. "Waar
+blijft ge, schelm?" vraagt de molenaar.--"Baas," zegt Frederik,
+terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink
+inklemt, "wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en
+niet voor mij.--Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is 't slecht
+erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is
+'t slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht,
+totdat de deerns er uit waren. En hier," zegt hij, en hij gooit wat
+op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, "en hier,
+molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne
+huid, maar zijn valies!" "Wat moet dat?" vraagt de molenaar, en hij
+valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.--"Wat
+dat moet?" zegt Frederik, "dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak
+niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen."
+
+De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen
+zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en
+er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die
+opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden
+daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. "Heere! bewaar
+ons!" schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.
+
+Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare
+handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en
+zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden
+en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende:
+"Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat
+is het onze niet!"--Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij
+zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en
+de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: "Vader, vader!"--En
+de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen
+en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke
+geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had
+omgestooten en riep uit: "Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik
+weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet
+ik!" En heel flauw liet hij er op volgen: "Frederik moet het overige
+weten."--Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen,
+en schreeuwde hem toe: "Waar is de Franschman gebleven?"--Frederik
+bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht
+aan en zeide: "Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte
+gerechtsdag!--Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en
+moordenaar?--Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in 't Stemhager
+bosch, onder een' beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel
+geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur
+dronken." "Dat was hij," zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik
+aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik's woorden geluisterd
+heeft, en zegt: "Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt
+altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!" En
+zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de
+kachel neêr en begon bitter te schreien.--"Dumouriez!" zegt Frederik,
+"dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne
+hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,--maar, een mensch, die
+zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!" Hij bromde
+nog zoo wat in zijn' baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes
+onder de klink uit, en sprak: "Baas, de lucht is nu zuiver, want de
+beide deerns gaan aan 't mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven;
+overleg de zaak goed. Wilt gij 't behouden,--goed! Wat mij betreft,
+ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het
+recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is,
+en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan
+zwijgen. Maar, wilt ge 't eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge
+'t bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar,
+dat ik er mijn deel afgenomen heb."--"Frederik, Frederik," zegt de
+molenaarsvrouw, "breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons
+ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit
+het paradijs." "Vrouw," zegt Frederik, "iedereen moet weten, wat hij
+te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te
+Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne
+vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde,
+sprong zoo'n infame gauwdief, zoo'n chasseur, er op toe en pakte
+'t weg; en toen ik mij daartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun
+drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan
+'t behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die acht groschen heb
+ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft
+deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het
+gedaan, of zijn kameraad, en 't blijft dan toch in de familie. De
+acht groschen behoud ik." En daarop ging hij de deur uit.
+
+De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan,
+en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef
+hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik
+weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak
+van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd
+maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide:
+"Ja, morgen is het de dag."--Zijne vrouw stond met den rug tegen de
+huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde
+zich in stilte.--"Ja," zegt de molenaar, "als we 't houden, dan
+zij wij gered." "Ach God, vader!" zegt de vrouw, en zij ziet zoo
+angstig tot hem op.--"En gestolen heeft de kerel," zegt hij verder;
+"op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou 't ook wel
+uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van
+verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten
+zak terugkomen."--"Vader!" zegt zijne vrouw, "gij waagt er uw hals aan,
+als de kerel het aanklaagt, dat gij 't hem afgenomen hebt."--"Die zal
+zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld
+gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen
+en amandelen vetmesten.--En hebben wij 't hem dan ook afgenomen?--Het
+paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het
+paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht;
+wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb." En dit zeggende begon
+hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.--"Ja,
+maar 't hoort ons toch niet toe," zegt zijne vrouw.--"Wien hoort
+het dan?" vraagt de molenaar. "Den Fransoos hoort het ook niet,
+en als wij 't hem weder geven willen waar is hij?"--"Frederik zegt
+immers, in 't bosch." "Zoo?" vraagt de oude man. "Denkt ge, dat die
+bij dit weêr, van 's avonds klokke acht, tot 's morgens klokke negen,
+daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en
+wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld
+terugtebrengen?" Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en
+legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende
+zegt: "Gij moet het weten."--En Fieken zit nog op de bank te schreien.
+
+De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig
+naar Fieken, en dan is 't altijd alsof hij zich vertellen
+moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op
+de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: "Als ik de halve
+florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het
+meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood."--Toen
+staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is
+bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: "Neen! nu begint onze nood
+eerst." "Fieken, spreek zóó niet," zegt haar vader. "Van nu af," zegt
+ze, "eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en
+gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken
+naam."--"Van begraven is geen sprake," zegt de molenaar. "Neen, ik
+betaal daarmeê eerlijk mijne schulden."--"Eerlijk, vader? En al was 't
+ook alles zoo, als 't niet is, zal de oude baljuw niet vragen, met welk
+geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen,
+hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik
+zwijgen zal?" De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half
+verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een
+ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de
+inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de
+duisternis zingen en fluiten om zich het spook van 't lijf te houden.
+
+Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan
+de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast
+in de oogen en riep: "Vader, vader! breng dat geld op het slot,
+geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank
+aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.--Hoe dikwijls
+hebt gij mij verteld van uw' ouden vader, hoe dikwijls hebt gij
+mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk
+doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij
+verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen
+handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden
+hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te
+moede was."--"Ja, maar dat was heel wat anders," zegt de molenaar,
+"'k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik 't niet, en
+'k heb het ook niet gestolen. 'k Heb een goed geweten."
+
+Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit:
+"De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en
+komt naar de deur toe!"--"Houdt de deur dicht!" roept de molenaar en
+loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige
+stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.--"Is dat uw goed
+geweten?" vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan
+en zegt: "Moeder, laat de deur open! Dien mensch zendt ons onze lieve
+Heer; die brengt ons zegen in huis."--De molenaarsvrouw laat de deur
+open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door
+rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.
+
+Er wordt aangeklopt. "Binnen!" roept Fieken. En binnen komt een
+jonge, slanke kerel, van zoo'n jaar of twintig en nog een paar; hij
+kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen,
+die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en
+gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt:
+"Goeden morgen!"--"Ik dank je wel!" zegt Fieken;--de molenaar verroert
+zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer
+gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden,
+en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: "Neem 't
+mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen."--"O,
+ja wel," zegt Fieken, een' stoel bij de kachel zettende; "ga zitten;
+vader is dadelijk met zijn zaken klaar." "Ja, dadelijk!" zegt nu de
+molenaar, en hij rukt het venster open en roept: "Frederik span de
+paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman
+achteraan; wij rijden naar het slot." Hij maakt het venster dicht,
+keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: "Zoo! met die zaak is 't
+in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan
+kan Frederik hem op den wagen gooien." Hij gaat nu naar den vreemdeling
+toe, reikt hem de hand en zegt: "'k Heet u welkom!"--"Molenaar
+Voss," zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat:
+"laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd,
+en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben,
+zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne
+familie eens woû komen opzoeken."--"Familie?" vraagt de molenaar,
+en ziet hem twijfelend aan.--"Ja," zegt de ander, "want ik ben de
+zoon van Jochem Voss, en uw achterneef." En daar nu de oude man
+niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij,
+"en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en
+toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet,
+en ook geene familie hier in den omtrek; 'k wil eens naar 't Stemhager
+gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon
+van Jochem Voss willen weten." En met die woorden gaat hij naar de
+molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de
+molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de
+muizen hem de boter van 't brood hadden gestolen, zegt de bezoeker:
+"Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen
+daarom toch goede vrienden wezen." "Zóó?" zegt de molenaar, "en ge
+hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van 't Borchertsche
+goed af zoudt gooien?"--"Wat voor menschen?" vraagt Hendrik Voss. "De
+menschen praten. Wat kan ik 't helpen? Mijn vader heeft den strijd
+begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder
+gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen,
+een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene
+schikking kunnen komen, zal 't aan mij niet liggen."--"Gij wilt
+het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden."--"Ik
+raad mij zelven, neef," antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende,
+"want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou
+'t water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is
+dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog
+lang braden, eer hij aanbrandt." En hij wees op den mantelzak, dien
+moeder en Fieken juist ingepakt hadden.--"Daar heb je niet over te
+schimpen!" roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk
+om, geheel bruin in 't aangezicht. "Dat geld... dat geld, dat hoort mij
+niet toe!" Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt:
+"Vader, het was immers niet boos gemeend." "Neen," zegt Hendrik, "ik
+ben uit vriendschap gekomen, en 'k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn
+wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en 'k heb maar een
+paar stappen te doen, om daar te komen." "Houd op!" zegt Fieken,
+"neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd
+vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., 't Zou hem erg
+spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan."--"Fieken," zegt de
+molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op 't voorhoofd,
+"je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk;
+ge zijt mijn lief kind." En hij reikt den jongen man de hand toe. "En,
+Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss
+met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.--Zoudt ge hier willen
+heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij
+mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene
+dringende zaak.--Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon,
+en als ge 't met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat
+van komen.--Adjuus moeder, adjuus Fieken!" Daarop gaat hij de deur
+uit en klimt op den wagen.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk
+ "suum cuique" vertaalt, en achter den "chasseur" op de
+ ganzenjacht gaat; en waarin 't den molenaar duidelijk wordt,
+ dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.
+
+
+"Baas!" zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen
+weg kwamen, "hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een'
+pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en
+zegt: Zóó heeft het gezeten?"--"Waarom vraagt ge dat?" zegt de oude
+Voss.--"Och, dat zeg ik zoo maar," antwoordt Frederik; en hij speelt
+zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof 't in den vliegentijd
+was. De molenaar zit in gedachten.--Na eene poos vraagt Frederik
+weder: "Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch
+uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt:
+"O!"--"Wat meent ge daarmeê?" vraagt de molenaar, en Frederik zegt:
+"Och, dat zeg ik zoo maar!" De molenaar zit weder stil. Er ging hem van
+alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel
+van drieën in zijn hoofd op: "wat hem tegen paschen het schepel rogge
+zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf," en daarbij
+kwam hij erg in de breuken.--Zij reden steeds voort. Eindelijk keert
+Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: "Baas! kent gij het
+spreekwoord wel: "Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water
+hebt?"--Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen
+tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden
+moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: "Hoe is 't? Moeten
+dit steken onder water zijn?"--"Steken onder water?" vroeg Frederik,
+"bewaar ons!--Dat zeg ik zoo maar,--Maar, ik weet nog een ander
+spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij
+Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch
+vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn'
+staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een
+weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó:
+"houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt." Die spreuk is
+op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.--Zie, molenaar
+Voss, vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van
+mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren,
+de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd;
+maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de
+rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand,
+en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk
+op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den
+vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.--Baas
+Voss,"--en hij wees hem op den mantelzak,--"dit zou nu wel zoo'n
+afbreuk wezen."--"Laat dat!" zegt de molenaar kortaf,--"die zaak is
+afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het
+geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon;
+Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden." "'k Heb er niets
+tegen," zegt Frederik.--"Ju!" en hij klapt met de zweep;--"sommigen
+luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg
+voor den raad van vrouwluî."--"Ik anders ook niet," zegt de molenaar.
+
+Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd:
+"Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen
+inging?" Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik 't prinses
+heb.--Bevalt hij je?"--Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar
+hij is goed voor grenadier."--"Hij zegt, dat hij eene schikking met
+mij wil maken."--"Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager
+vergelijk is beter dan een vet proces."--"Hij wil op mij wachten, tot
+ik terugkom."--"Zóó?" vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om
+en zegt: "Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze
+Fieken maken: dat zou 't beste wezen."--"Hoe meent ge dat?" vraagt de
+molenaar. "Dat zeg ik zoo maar," zegt Frederik. En toen hij zich weder
+omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs;
+hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen,
+maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los;
+en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij
+met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en
+bindt dat kreatuur aan een' doornstruik, die op den slootrand staat,
+vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.--"Wat heb je?" vraagt
+de molenaar, toen hij wederkomt.--"Wat ik heb?--Ik heb niets goeds
+gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden;
+en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het
+paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen,
+zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben."--"Gij hebt gelijk,"
+zegt de molenaar.
+
+Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep
+naar een' beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: "Dáár heb 'k hem
+neergelegd."--"Och of hij er nog maar lag," zegt de molenaar Voss.--"Is
+niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend
+en in dit jaargetijde houdt zoo'n beuk niet veel tegen."--En terwijl
+zij nog daarover aan 't redeneeren zijn, komen er twee Franschen
+aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want
+hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees
+Frederik hen rechts af, naar 't Cummrosische bosch toe, en toen zij
+vroegen: "Hoe ver nog?" zeide hij: "Eene kleine lieu," en de Franschen
+reden verder.
+
+"Hoe? Plaagt je de booze?" vraagt de molenaar, het hoofd schuddende;
+als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen
+molen met den staart aankijken.--Maar, waartoe dat?"--"Baas," zegt
+Frederik, "die soort brengt een' mensch niets in 't huis, en ik heb
+geen lust om alle morgens bij 't eerste ontbijt gehakte opgewarmde
+kool te eten."--"Hoe meen je dat?" "Och, dat zeg ik zoo maar.--Zie,
+baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen,
+niet verliefd waren geworden op onze Stina. En 't kon dan immers ook
+mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat
+het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze
+beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan
+buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich
+uitgedreven hebben, en dan was 't met de melkpap 's morgens gedaan
+geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust
+geen' kool."--"Mogelijk zou 't wezen," zeide de molenaar.--"'t Is ook
+mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. "Dit
+zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders,
+en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij
+den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op--zij zoeken den
+Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen
+is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen
+gelijk heeft gehad. Nu woû 'k zelf dat wij den Fransoos hadden."--"Dat
+zeg ik!" roept de molenaar. "Dat zeg ik!"--"Hm," zegt Frederik;
+"gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar
+beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk
+eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow
+is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het
+slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna,
+of ik hem nog kan krijgen."
+
+Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik
+ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven:
+"Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald,
+en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de
+Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den
+dag komen zal hij!"
+
+De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij
+krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die
+'t hem benauwd maakten. "Heer in den hemel," zeide hij, "als mijn
+kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en
+banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu
+eerst recht meê, en 't regent nu ook al, en dat geen klein beetje."
+
+Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem
+ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne
+schuur en zegt: "Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan
+een Fransozenpaard?"--"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordt de
+molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.--"Dat is een erg geval,"
+zegt de bakker Witt; "want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat
+paard kunt ge niet binnenbrengen, zonder dat ze 't merken; ik raad u,
+zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur."
+
+Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn' krommen, koperen
+haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het
+hoofd en zegt: "Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten,
+waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles
+ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van
+morgen zijn fijn brood voor 't ontbijt al klokke acht laten halen,
+in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt,
+dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch
+weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in
+de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen
+praten al van standrecht en van doodschieten."
+
+"God zal me bewaren!" roept de oude molenaar uit. "'t Is een
+bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den
+mantelzak moet ik den ouden heer op 't slot brengen. En, vader! ik zal
+om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin,
+en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng
+den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen,
+rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en
+Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult
+aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen
+en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten."--Bakker
+Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den
+wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt
+de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door
+de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit
+schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: "Beter
+mij wat in 't gezicht, dan jelui striemen op het vel!"--Daar achter
+komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt:
+"Nu dat mankeerde er nog aan!--Rooversgespuis!" En hij jaagt in
+galop over het slotplein. "Ja," zegt de oude landbouwer Adler uit
+Stavenhagen;--hij heeft een' zak over zijne schouders gehangen, want
+dat waren de toenmalige regenjassen,--en hij stoot zijn oud zwart
+rijpaard in de ribben.--"Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou
+een werkje voor ons wezen?--Neen, 'k breng je in 't Stemhager bosch,
+en bind je in den zandkuil vast. 't Is alles egaal; te vreten heb
+je t'huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg."--En toen
+de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met
+de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil
+de zijnen in veiligheid brengen.--"Molenaar Voss," zegt de zoon van
+den schout Besserdich uit Gulzow, "breng uwe paarden uit den weg! Wie
+maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte,
+want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen."
+
+De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak
+op het slot.
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en
+ waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet
+ geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt,
+ en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.
+
+
+Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij
+'t juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een
+akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets
+overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en
+daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om
+er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet
+eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van
+mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.
+
+Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne
+laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan,
+want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen
+die haar niet meer in 't rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer
+zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen,
+maar zij klopte eerst aan, en vroeg: "Mijnheer Droi, zijt gij reeds
+in uw volstandig kostuum?"--"Oui!" zeide de horlogemaker.--Zij maakt
+de kamerdeur open. Groote hemel!--wat zag het er dáár uit! zóó iets
+had zij van haar leven nog niet gezien; want 's nachts was zij maar
+tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het
+geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur
+lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte
+uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw
+onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen
+beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi
+zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek
+een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en
+ellende.--Wat zag het er in haar lief kamertje uit!--'t Was altijd
+haar trots geweest; haar porseleinkastje;--hier had zij steeds op
+hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en
+zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd
+en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of 't
+onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.--"Neen," zeide
+zij; "de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne
+barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd
+vertrouw ik haar niet."--En nu!--Alles was omvergehaald en van zijne
+plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van
+den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en
+den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed,
+stond midden in de kamer.--Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom,
+de schrijnwerker Reuss,--de oude Reuss, niet de jonge,--had haar
+ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist
+voor haar had moeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve
+besponnen; meester Stohl had het geweven, "tamelijk goed," zei ze,
+"maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid,
+want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest
+hij weten." De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke
+willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald,
+want zeide ze, "juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust
+wil ik zelve verdiend hebben, want daar ben ik trotsch op." En toen
+nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte
+gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast;
+daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide:
+"Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!"--Nu lagen de stukken
+van het bed in wanorde in 't rond en de kroon lag op den vloer.
+
+In 't eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij
+kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw;
+daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe,
+haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen
+waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd
+van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: "Wat is dit?"--Mijnheer
+Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem
+scherp in 't aangezicht en zegt: "Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van
+nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid
+mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!"--Dit
+zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit
+de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien;
+nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen,
+half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan 't harte, en
+zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte
+plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar
+'t hoofd, zeggende: "Foei! Ook dat nog!" En zij zeilde de deur uit en
+zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld,
+als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.
+
+De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar
+niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met
+zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene
+beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet
+voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij
+toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch
+ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging
+naar beneden en zegt: "Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,"
+en wil voorbijgaan.--De overste houdt haar echter tegen en zegt;
+"Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik
+moet hem spreken?"--Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte
+getroffen zal worden. "Wat wilt gij?" vraagt zij, geheel onthutst.--De
+Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.--"Hoe zou dat
+mogelijk zijn!" zegt mamsel Westphalen. "Onzen mijnheer den baljuw
+wilt gij 's morgens om half acht spreken?" En daar de Franschman er bij
+blijft, zegt zij: "Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van
+nacht alles 't onderste boven gekeerd,--ik moet mij dat helaas! laten
+welgevallen,--maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend
+heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is 't ook
+geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij toch heer
+en kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en
+geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er
+mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik
+in te laten."--De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou;
+hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar
+boven. "De hemel zal mij bewaren!" zeide de goede dame, en liet hare
+handen langs het lichaam zakken: "ik geloof waarlijk dat die kerel
+het doet!" En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer
+hoorde binnengaan, riep zij uit: "Hij doet het!" En toen de adjudant
+naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: "Scheefbeenige,
+misselijke kerel, gij mankeert er nog aan." Nu gaat zij naar de keuken
+en zegt tot de beide dienstmeisjes: "Fieken en Carolien, de dag begint
+van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel
+weten, waarmeê het zal eindigen.--Morgen moeten we aan 't wasschen;
+daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn
+werk, en doet alsof er niets gebeurd was." En met die woorden nam zij
+den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde
+en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden,
+was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.
+
+Boven bij den ouden heer begon 't nu zeer levendig te worden en er
+werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel,
+die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen,
+wilde nu toch vertellen, hoe 't boven toeging, en stoof, met het
+gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken
+juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een
+beetje van te profiteeren, en--bons!--vliegt hij tegen Fieken aan,
+en--klets!--liggen al de pijpen op den grond, en 't rammelt door de
+keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen
+liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: "'t Is geheel in
+de orde!--Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo'n pijp wel
+het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.--'t
+Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam,
+die al ons porcelein door de vensterruiten gooide."
+
+De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het
+portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen
+af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat
+de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch
+de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die
+macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe 't met de zaak
+gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats
+gehad, die naar 't scheen, verduisterd zouden worden.--Hij had niets te
+verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was,
+dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo'n
+schurk, als de "chasseur" geweest was, bij hen in eer en achting
+staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel als
+een roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen,
+en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de
+Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had
+hij hem niet.--De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in
+Fransche uniform kwam.--Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de
+oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had
+slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform
+aantrok.--"Dat zijn uitvluchten," zeide de overste. Maar toen vloog
+de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte
+overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide:
+"Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en
+mijnen stand!"--De overste wordt nog driftiger en zegt: "Kort en goed,
+die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor." "Zóó?" vraagt de oude heer,
+en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok,
+gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over
+een bekoorlijk landschap heenschiet. "Komt dat u onwaarschijnlijk
+voor?" En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den
+schouder aan. "Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene
+Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor
+hun genoegen rond loopen?"
+
+De overste werd bloedrood in het aangezicht,--één oogenblik
+slechts,--en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden
+achteruit, greep naar zijn degen, en 't was alsof eene vreeselijke
+daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde
+besturen,--ook maar één oogenblik;--haastig keert hij zich om en gaat
+met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door
+eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd,
+dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; "hij was immers een
+knap man en had een vriendelijk gezicht," voegde zij er bij; "maar,
+toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe 't mij op eens
+zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den
+zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die,
+eer 'k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den
+pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog;
+en zóó vloog 't ook over zijn gezicht."
+
+De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en
+zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel
+eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig
+te onderzoeken.--"Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot
+geslapen?" vroeg hij verder.--"Hij heeft hier niet geslapen!" hernam
+de oude heer. "Ja wel," zeide de overste, "hij heeft hier geslapen,
+in die kamer heeft hij geslapen,"--en hij wijst op de kamer van mamsel
+Westphalen.--"Onmogelijk!" riep de oude heer, zijne stem verheffende,
+als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld
+optreden;--"dat is mamsel Westphalen's kamer. Dat goede meisje is meer
+dan twintig jaar in mijn huis en zij zou 's nachts manspersonen bij
+zich herbergen?"--"Carolien," zeide mamsel Westphalen in de keuken,
+"sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte,
+en alles draait met me in 't rond!"
+
+Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer
+de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant
+juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het
+mogelijke verteld had,--slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem
+als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,--en die ook
+bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager
+meêgenomen had.--De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den
+horlogemaker daar ziet. "Dat is mij onverklaarbaar!" roept hij uit. De
+overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt,
+niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar
+woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de
+slot-gevangenis.--"Dien geef ik niet af voor den gevangene," zegt
+mijnheer de baljuw,--"want voor dien man is de slot-gevangenis niet,
+hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis."--De overste
+zeide, dat zulks best was, en zóó had hij 't zelfs nog liever, want hij
+wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.
+
+Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het
+wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het
+slotplein,--en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging
+ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide:
+zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw
+ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral,
+omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had
+gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak
+niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat
+woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne
+tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek
+noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de
+baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit
+beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste
+vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den
+Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.
+
+De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg
+van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen;
+doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven
+zeggende: "Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op
+zich te laden?--Wat zoo'n Fransche overste slechts zeggen kan, dat
+kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij
+laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden." En
+hij ging naar zijne kamer.
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom
+ Frits Sahlmann fluiten moest.
+
+
+Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits
+Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den
+arrestant de zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop
+ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar
+beneden, naar 't raadhuis, want men had moeite zich door allerlei
+paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage
+en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden
+gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar
+het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat
+zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu
+al drommelsch goed slag gekregen.--De horlogemaker ging, zoo geduldig
+als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in
+'t eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien
+nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende
+het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene
+stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: "Praat
+jij maar! Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!" En
+zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist
+niet zoo'n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat,
+zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls
+in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor. Hij liet
+de zaak haren gang gaan. "Hoe zou dat hier wel afloopen?" zeide hij
+tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.
+
+"Frits Sahlmann," zegt de raadsheer Herse;--toen de jongen den weg
+naar het slot weder wilde opgaan; "wat beteekent dat?"--Frits vertelt
+nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe
+mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles
+kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer
+de baljuw stuk had gesmeten,--maar, dat kon hij niet helpen, daar
+had Fieken schuld aan,--en hoe de overste mijnheer den baljuw had
+willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een
+toonbeeld van ellende en smart;--doch van den ijsklomp zeide hij niets.
+
+Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot,
+ofschoon in 't geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij
+mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde,
+hij behoorde in dien tijd tot het deugdverbond. En 'k geloof dat
+wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een
+langen horlogeketting van zeer licht haar,--en tante Herse's haar
+was zwart,--en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren
+vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht
+Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal
+zeer onbehoorlijk gedragen had.--"Frits," zeide hij later tot mij,
+"dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno
+dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor 't vaderland, en
+de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er
+niet van, ik heb dat liever niet." Hij was dus met recht, ten tijde
+toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het
+is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel,
+van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke
+verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de
+nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat
+de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles
+in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren
+en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;--die
+verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn,
+hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken,
+en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er
+zoo juist de man naar, om van eene vloo een' olifant te maken, in
+elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen
+dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij
+een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog
+van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.
+
+"Hou je snater, jongen!" fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig,
+"wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?--Voor
+'t leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is
+zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen
+hebben...."--"De molenaar niet," valt Frits hem in de rede, "de
+molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid."
+
+"Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis
+is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme
+jongen, wat kijk je me aan?--Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden
+aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,--den ouden
+baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den
+schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd
+hebben; en mamsel Westphalen,--zooveel ik van de Fransche krijgswetten
+weet,--zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor
+de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag
+krijgen."--Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en
+zette er ook een gezicht naar.--"Mijnheer Herse, toch niet openlijk op
+de markt?" vroeg hij.--"Waar je maar gaat en staat, daarom heet het
+immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat,
+kan alles nog best terecht komen.--Kunt ge zwijgen?"--Frits Sahlmann
+zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.--"Nu, kom dan eens hier,
+steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.--Zoo! dat gaat
+al goed!--En zet nu eens zoo'n onnoozel gezicht, alsof je alles niets
+aanging,--zooals je 's zomers wel eens doet als je in den slottuin
+appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.--Mooi
+zóó!--En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met
+dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld,
+tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken,
+en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan
+maar deze beide woorden: "Redding nadert!" Mocht zij daarmede niet
+tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat
+ik van 't ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje
+verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen;
+want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar
+zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de
+achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het
+een of ander ding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en
+jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal
+echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,--'k wil
+maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,--en mijn
+parool zal wezen: "Wel, wel!" en mijn veldgeschreeuw: "York!" Neen;
+dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.--Nu, wat dan? 't Is alles
+egaal,--'t is alles egaal.--Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... "Zuur
+varkensvleesch!" Dat begrijpt zij.--Als er nu iemand komt, die dit
+woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.--Hebt ge alles
+onthouden?" "Ja, mijnheer Herse."--"Nu, ga dan maar heen. En geen
+mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,--mag er een woord van
+vernemen!" Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.
+
+Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer
+was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud
+belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man
+was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding
+toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden,
+of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of
+als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje
+achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten,
+ging de raadsheer Herse vóór de gerechtstafel op en neêr en zorgde voor
+de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde,
+wanneer zoo'n Franschman hem als "monsieur le maire" aansprak. Mijn
+vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak,
+ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan
+den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden
+zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne
+zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk
+vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat
+verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij
+werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op
+een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren
+van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van
+den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de
+erwtenvelden joeg,--dan zou 'k wel eens willen zien, wáár eene stad
+en een rechtsgebied te vinden was, waar 't zoo in orde en geregeld
+toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar
+vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.
+
+Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,--want het regende steeds,
+dat het goot,--zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen
+mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht:
+"Zie! vandaag is 't er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze
+mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn."--Hij trekt ze dus aan,
+en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand
+steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten
+drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de
+raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn
+mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er
+op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer
+hij de vijandelijke posten observeert. "Zoo!" sprak hij, "nu kent mij
+ook geen mensch!" Hij ging de markt over en maakte een' kleinen omweg
+over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne
+paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. "Goeden
+morgen, mijnheer Herse!" zeide de pachter; "lieve Hemel, wat is 't een
+nare tijd!"--"Stil!" zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de
+schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. "Goeden morgen,
+mijnheer de raadsheer!"--"Houd uw mond!" zegt mijn oom knorrig en hij
+gaat achter den slottuin om.--"Goeden morgen, mijnheer Herse!" zegt de
+jongen van den ouden muzikant Hartlaff.--Klets! daar krijgt hij er een,
+met de platte hand, om zijn ooren. "Domme jongen! zie je niet, dat ik
+niet bekend wil wezen?"--Met die woorden gaat hij den slottuin in,
+en hij is knorrig en zegt: "De drommel mag het weten! Eene openbare
+betrekking drukt waarachtig als een vloek op een' mensch!"
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt,
+ waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil;
+ en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar
+ en ook weder er afkomt.
+
+
+Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met
+de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch,
+toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een
+gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam's
+gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel
+Westphalen toe: "Redding nadert!" "Jongen! Frits Sahlmann!" zegt mamsel
+Westphalen, "wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?" Frits
+zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot
+op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten,
+en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en
+het kommando op zich nemen zou. "Goede hemel!" zegt mamsel Westphalen,
+"wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet
+onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil
+mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn
+raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders
+raadsheer wezen?--Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur;
+Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui
+het veldgeschreeuw niet vergeet."--De deuren werden gesloten, Fieken
+nam een' bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een' potlepel
+en mamsel Westphalen grijpt al naar een' stamper, maar zij laat hem
+liggen, terwijl zij zegt: "De hemel beware mij, dat ik door moord en
+doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,"
+en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel,
+van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide:
+"Zóó! Laat ze nu maar komen!--Maar, wie van mijne soort van zalf wat in
+'t gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!"
+
+Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur:
+"Wel, wel!" En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid
+door het sleutelgat: "Zuur varkensvleesch!"--"Dat is de rechte," zegt
+mamsel Westphalen,--"Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als
+hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht." Carolien doet dus nu de
+deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen;
+toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed
+en de roode uniformkraag komt te voorschijn. "Hu!" gilt Carolien uit,
+en klemt den raadsheer half in de deur vast; "een Fransozenkerel, een
+Fransozenkerel!"--"Zuur varkensvleesch!" roept de raadsheer Herse,
+"hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!" Maar 't kwam te laat; Fieken
+had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn
+vel van 't gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee
+handen vol asch in de oogen gestrooid.
+
+Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde
+met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: 't was
+nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen
+was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit
+een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten,
+als 't met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans,
+wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?
+
+De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit
+alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de
+achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende:
+"Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!" Frits
+Sahlmann riep: "Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse." Mamsel
+Westphalen stond daar als Loth's huisvrouw, en zij zag den raadsheer
+aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem
+uit: "Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!"--"Gij
+kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.--Water,
+hier!" Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en
+verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden,
+en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen
+worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke
+samenzwering in te laten.--Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor
+hare oogen en begon te schreien en zeide: "Mijnheer de raadsheer,
+geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den
+baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen;
+gij zijt mijn eenige troost."
+
+Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig
+gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel
+Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had
+ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel,
+waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk:
+"Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet
+vluchten."--"Vluchten!" riep zij en keek heel verbaasd hare figuur
+van boven tot onderen aan. "Mijnheer Herse; ik vluchten!" En zij
+dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had,
+en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren,
+zou zij bijna gelachen hebben.--"Ja," zegt mijn oom, "kunt gij bij
+dezen weg en in dit weder, wel zoo'n mijl of drie vier, in ééns door
+marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en 't is ook niet
+heimelijk genoeg." "Mijnheer Herse," zegt Mamsel Westphalen, en het
+lachen verging haar geheel en al; "zie mijne persoonlijkheid aan;
+ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al
+heel moeilijk."--"Kunt gij dan rijden?"--"Wat zegt gij?"--"Ik meen,
+of gij kunt paardrijden?" Mamsel Westphalen stond nu op en zette de
+handen in de zijden, zeggende: "Met schande wil ik niet leven. Welk
+vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn
+leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar."--Nu stond
+de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de
+keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: "Acht gij u zelve in staat,
+om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in
+het riet te verstoppen?"--"Mijnheer Herse," zegt mamsel Westphalen
+en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af,
+"zie, 'k ben nu al in de vijftig en 'k heb verleden najaar die
+zware ziekte gehad..." "Dan gaat dat ook niet," valt de raadsheer
+Herse haar in de rede, "dan zijn er nog maar twee wegen; een naar
+boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, 't zij op den zolder,
+of in den kelder."--"Mijnheer de raadsheer!" roept Frits Sahlmann
+uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, "ik weet
+het."--"Jongen," zegt mijn oom, "zijt gij hier?"--"Ja;" zegt Frits,
+heel benauwd.--"Dan is 't met de heele heimelijkheid niets waard: want
+wat drie weten, weet de heele wereld."--"Mijnheer Herse," zegt Frits,
+"ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje
+voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan
+worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar
+tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje,
+daar vindt u geen duivel." "Entfaamte lummel!" zegt mamsel Westphalen,
+en zij vergeet al haren angst en nood; "dan ben jij 't geweest, die
+altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse,
+ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht." Mijn oom houdt nu Frits
+Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd
+was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.
+
+Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje,
+en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter
+had aangewezen, sprak mijn oom Herse: "Zóó, mamselletje! ga hier nu
+op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u
+toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt,
+dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas
+vooral op, dat gij niet hoest of niest." "Dat is gemakkelijk zeggen,
+mijnheer de raadsheer; maar in zoo'n rook!" antwoordt zij.--"Dat zullen
+wij verhelpen!" zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan,
+maar zij roept: "Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng
+mij bericht, hoe 't met de zaak staat."--"Hij mag, wat er ook gebeurt,
+niet naar den zolder gaan," zegt de raadsheer Herse, "dat zou de een
+of ander kunnen zien, en dan is alles verraden."--"Wees maar gerust,
+mamselletje," zegt Frits, "ik zal 't wel gedaan krijgen," en hij
+knipoogt haar listig toe.--Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit
+vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt:
+"Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren
+moet vluchten."
+
+Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging
+hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter
+deeg, met een' kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In
+de keuken trok hij den kraag van zijn' grijzen mantel weder over den
+geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk,
+gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.
+
+Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er
+werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden,
+dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven
+uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar
+invliegt.--"Houdt uw' mond!" riep oom Herse, "ik zal u geen kwaad
+doen!"--Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden
+in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij
+achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk
+mijn oom Herse was,--toen gingen zij op den loop, allen op de groene
+poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk
+van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af,
+tusschen het struikgewas, en toen hij zoo'n klein, half verborgen
+pad langs ging, wie kwam daar aan?--De oude molenaar Voss met zijn'
+mantelzak onder den arm. "Goeden morgen, raadsheer!"--"Daar speelt
+de drommel meê!" zegt de raadsheer Herse.--"Molenaar Voss, ziet gij
+'t niet? Ik wil immers niet bekend wezen."--"Wel, dat begeer ik ook
+niet," zegt de molenaar. "Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een
+genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden:
+breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een
+genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u
+weten."--"'k Zal er voor zorgen," zegt de raadsheer, en hij gaat naar
+de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond,
+maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen
+hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf,
+op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag,
+dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.
+
+Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen
+gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep,
+dat hij conseiller d'état was,--want hij wist in dat oogenblik geen
+beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de
+Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem
+voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op
+de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou
+statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd
+mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was,
+om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel
+in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.
+
+Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij,
+achter een' grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen
+van den molenaar in veiligheid te brengen. "Kwaad kan 't den raadsheer
+niet," zeide hij bij zich zelven; "hij koopt zijn wittebrood bij Guhl,
+waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij
+ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan
+'t niet, daarvoor moeten wij zorgen." En dit zeggende, klom hij op
+den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur,
+en trok de paarden er in.
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en
+ zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van
+ den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.
+
+
+De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want
+al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud
+man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en
+nu moest hij zich laten kommandeeren, en had 's morgens klokke acht
+moeten opstaan,--wat tegen zijne natuur was,--en koffie had hij ook
+niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde
+aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits
+Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij
+haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk
+een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle
+mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te
+voorschijn en kijkt naar 't weder. Het regende buiten dat het goot,
+en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil
+en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij
+dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan
+den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. "Die hebben ook
+al geen pleizier!" zeide de oude heer. "Maar, waar is tegenwoordig
+pleizier in de Duitsche landen? 't Is toch eene wonderlijke zaak
+met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één
+zoo'n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een
+christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke
+kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen
+ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch
+ook maar zoo'n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge
+eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat
+weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder
+eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan
+een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien,
+dat is--dat is!"--en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim
+of drie boven zijn hoofd, "God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen
+geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook
+niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën,
+maar nu heb ik een' haat!" en hij smeet zijne slaapmuts op den vloer
+en zette er zijne voeten op; "nu heb ik er een! en ik wil hem ook
+behouden!"
+
+Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw
+kwam geheel ontsteld de deur in.--"Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft
+Frits Sahlmann of Fieken...?"--"Neen, Netje," viel hij haar in de rede
+en raapte de slaapmuts op, "die niet, Bonaparte maar." "Goede hemel,"
+riep zij uit, "al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?" En
+zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een
+boek uit, zeggende: "Daar, Weber, lees in je boek!" Dat was nu het
+boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij
+zich boos gemaakt had, en zoo 't heel erg geweest was, twee. Hij nam
+dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten
+purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide
+het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het
+stuivende poeder over 't hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne,
+en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen
+de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het
+poeder van 't aangezicht afschrapte.--"Want dat moet zij er altijd
+afschrappen," zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten,
+"en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de
+oogen dichtplakken."
+
+"Netje," sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde
+gemaakt was, "kijk toch, als ge kunt, eens beneden in 't huishouden
+rond. 't Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits
+Sahlmann niet: die verd... 'k wou zeggen--dat goddelooze Fransozentuig
+heeft alles hier in huis in de war gemaakt.--Wat moet dat?"
+
+De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw,
+een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds
+bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden
+heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang
+buiten 's lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot
+alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en
+leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen,
+dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder
+ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam
+dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het
+gaat met de liefde als met een' boom: hoe meer de wind in de kruin
+en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.
+
+Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw
+verlangde, dat zij namelijk eens in 't huishouden zou omzien, was nu
+juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet,
+ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede
+vrouw wel gedaan zou hebben.--Zij was juist heengegaan, toen de
+oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. "Goeden morgen,
+mijnheer de baljuw!" zeide de molenaar en maakte een buiging, "met uw
+verlof!" En hij legde het valies op de tafel, "hier is 't!" "Wat is
+'t?" vroeg de oude heer.--"Mijnheer, wat weet ik 't? Ik weet wat,
+ik weet veel, ik weet in 't geheel niks, maar, zooveel weet ik,
+een gauwdievenkraam is 't." "Molenaar Voss, hoe komt gij aan een
+gauwdievenkraam?"--"Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de
+baljuw? Hoe kwam het meisje aan 't kind?--Ik weet maar, dat dit de
+mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos
+gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er
+weêr afgesmeten heeft." En nu vertelde de molenaar het geheele geval.
+
+De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo
+wat in zijn baard, van "leelijke zaak!" en dan weder stond hij voor
+den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal
+van den molenaar uit was, zeide hij: "Wel, vriend Voss, 't is immers
+toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?"--"Mijnheer de baljuw,
+wat weet ik 't?--Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was
+'t van nacht voor den tijd van 't jaar juist niet; maar geregend
+heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw,
+gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk
+verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is 't liggen in de lucht
+beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan,
+dan zal 't hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is
+hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat
+overkomen is, kunnen wij dat niet helpen."--"Vrind Voss, vrind Voss,"
+sprak de oude heer, het hoofd schuddende, "dat is een erg ding! Als
+jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan 't je den hals
+kosten."--"God beware mij!" riep de molenaar, "met welke dwaasheden
+heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, 'k ben
+immers onschuldig, en 'k heb immers het valies ook niet gehouden,
+en het paard staat in de schuur van den bakker Witt." "Dat is ook je
+geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik
+getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?" "Ja,
+louter goud en zilver," antwoordde de molenaar. En dit zeggende,
+gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.
+
+Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. "Heere! bewaar ons!" riep
+hij uit, "dit is waarlijk een schat."--"Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer
+de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag,
+sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord."--"Gestolen is
+'t alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen;
+dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt
+gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter."
+
+De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de
+baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij
+naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide:
+"Molenaar Voss, 'k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden;
+maar zoo'n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van
+den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging
+zoo'n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het
+t'huis hoort!"--De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar
+de punten van zijne laarzen. "Ja, Voss," sprak de oude baljuw verder,
+"'t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen
+weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want
+het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt."
+
+Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende
+lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een
+leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op
+nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze
+gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen,
+en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar
+vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen
+en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg
+hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen
+geraakte, en riep: "De drommel hale de heele Fransozenhistorie en
+mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor
+recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet
+met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En
+als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte
+Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg." En nu
+vertelde hij de zaak.
+
+"Vrind Voss," zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld
+waren, "ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn
+me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere
+zaak.--Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo'n
+kind hebt.--Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken
+eens meê; ik....--dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over
+verheugen. En neem nu het valies en breng het naar 't raadhuis en
+meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo'n soort van
+gerechtsdag houden,--'t zal er ook naar wezen!--en vraag eerst naar den
+burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch,
+en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is,
+zal ik voor je doen."--"Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel
+lichter om 't hart.--En met de andere zaak; met het bankroet meent
+gij...?"--"Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog
+met zulke dingen in te laten!"--"Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus
+dan!" Daarop ging de molenaar heen.
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een
+ appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn
+ vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij
+ eene erge zondares is.
+
+
+Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en
+zeide: "Weber, wat beteekent dit?" Frits Sahlmann is er niet, mamsel
+Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen
+en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij
+van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur
+is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen
+bezem over 't gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een
+paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis,
+en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan,
+en ze weten niet waar ze zijn."--"Dat is eene wonderlijke zaak,
+zegt de oude heer.--"Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? 'k
+Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man,
+maar hij steekt zijn' neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs
+is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.--Zeg eens,
+Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?" "Weber,
+wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake
+wezen."--"Nu, dan de slimste, die 't meest bij de hand is."--"O,
+dan is 't Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond,
+en haar mondwerk nog veel beter."--"Roep haar dan eens binnen."
+
+Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern,
+zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar
+zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.--Nu stond zij
+echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte
+aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een
+soort van verhoor zou worden.--"Alzoo," begon de oude heer, "tot de
+waarheid vermaand, en zoo voorts,--Fiek Besserdichs, wat weet je van
+mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!"--Fieken vertelde nu,
+wat zij wist, en wat wij weten.--"Dus," sprak de oude heer, "heeft ze
+bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?"--"Weber,
+wat praat je toch?" viel zijne vrouw hem in de rede.--"Netje lief,
+elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet
+komen.--En geloof je niet," zoo vroeg hij aan Fieken, "dat zij met
+den raadsheer Herse weggeloopen is?"--"Neen, mijnheer; op de vlucht
+is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb
+ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr
+terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met
+onze paarden, tot voorspan, maar--" en hier sloeg zij hare oogen op, en
+het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, "maar mijnheer
+de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst." "Zoo,"
+vroeg de oude heer, "heeft hij de plaat gepoetst?" "Ja, mijnheer,"
+zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, "en hij heeft al de anderen
+ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort
+aangewezen." "Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen
+hem krijgen, zullen ze 't hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig
+geslacht, jelui, Besserdichs.--Netje, help me eens aan dien bengel,
+dien Frits Besserdichs, denken.--En waar is Frits Sahlmann?"--Nu was
+Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar
+heel langzaam aan. "Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij
+al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik 't gedaan had. En,
+mijnheer de baljuw, ik kon 't niet helpen, want ik woû maar eventjes
+om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen
+liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de
+keuken."--"En heb je hem van morgen verder gezien?"--"Ja, mijnheer,
+toen de horlogemaker getranspireerd werd; toen liep hij meê, en toen
+hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch,
+en naderhand fluisterden zij te zamen." "Hoogduitsch? Frits Sahlmann
+hoogduitsch? Wat heeft die lummel in 't hoogduitsch te praten? Wat zei
+hij dan?"--"Hij zei: "Redding nadert.""--"Zoo! en kwam naderhand de
+raadsheer?" "Ja, mijnheer de baljuw, en ik streek hem met den bezem
+in 't gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen."--"'t Is toch eene
+wonderlijke zaak!" riep de oude heer uit en hij liep op en neêr,
+wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den
+zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: "Netje, de zaak wordt
+mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst
+gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een
+of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt
+heeft."--"Laat haar dan begaan, Weber." "Dat gaat niet, Netje; zij
+moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den
+horlogemaker en voor den molenaar; 't kan die beiden anders den hals
+kosten.--Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was,
+die weet van de heele zaak af.--En jij weet niet, waar hij is, Fiek?"--
+"Neen mijnheer."--"Nu, dan kunt gij heengaan."
+
+Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch,
+daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door
+het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich
+haastig weder om en zeide: "Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij
+is."--"Wel, waar dan?"--"Kijk, daar zit hij." "Waar?" vroeg de oude
+heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen,
+slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.--"Dáár, mijnheer de
+baljuw,--dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van
+de keuken staat."--"Waarachtig! ja!--Dat is toch eene wonderlijke
+zaak!--Netje, in den winter!--Als 't in den herfst was, als er
+appelen aan den boom zijn;--maar Netje, in den winter!"--"Och, Weber,"
+zeide zijne lieve vrouw, "hij oefent zich zeker daar maar op."--"Fiek
+Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?" vroeg de oude
+heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.--"Wel, mijnheer,
+hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is,
+dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen
+meê tegen 't luik van den rookzolder."--"Netje, tegen onzen zolder! Wat
+zou hij daar uitvoeren, Netje?"--"'k Weet het niet, Weber; maar 't zal
+mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn."--"Kijk
+eens, kijk eens.--Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een
+prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. 's Zomers appelen, en 's
+winters worst!"--Dit zeggende maakte hij het venster open en riep:
+"Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in
+den regen verkouden kunnen worden."
+
+Men zegt, dat het bekende dier, 't welk luiaard genoemd wordt, zeven
+dagen noodig heeft, om in een' boom te klimmen en zeven dagen, om
+er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann
+juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde
+toch lang genoeg, en van wege zijn' broek klauterde hij zeker niet
+zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar,
+dat hij ernstig aan 't overleggen was, of hij zou komen, of op den
+loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich
+menigmaal slechts een beetje op.--"Fiek, wat doet hij daar achter het
+kruisbessenboschje?" vroeg de oude heer.--"Wel, mijnheer, hij heeft
+daar zeker wat achter gegooid."--"Zoo?--Dat is dan iets anders.--Nu,
+Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en
+pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt."--Fieken
+ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij
+kwam.--"Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je
+al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is,
+om als 't regent, buiten te zitten; neem, als 't weêr gebeurt, een
+parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook
+wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een' regenbui in
+een boom te klimmen; zoek in 't vervolg een drogen tijd van 't jaar
+daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?"--"Och,
+mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens."--"Hm," hernam de oude
+heer, "die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû:
+heb je niets van mamsel Westphalen gezien?"
+
+Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde
+zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: "Neen, mijnheer de
+baljuw."--"Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat
+weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu 't pleizier eens,
+en kijk me nu eens flink in de oogen."--Frits Sahlmann deed hem dit
+pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer
+scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide:
+"Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens
+uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,--zoo'n klein stokje,
+zooals een--als een--nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan
+heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep
+Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr
+te krijgen.--Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan."
+
+Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in
+eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de
+menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de
+eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden
+heer bij zijn voornemen een' steen in den weg zou leggen, en ten
+tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had
+daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen
+niets weten, namelijk zoo'n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke
+gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan
+ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den
+tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den
+juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was,
+de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met
+inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging
+en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene
+worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier
+zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den
+hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg,
+en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen,
+Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede
+verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook
+bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die
+haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar
+in 't bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met den stok,
+en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.
+
+"Fieken," zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, "gij
+kunt nu heengaan, mijn kind!--Netje!" zeide hij tot zijne lieve
+vrouw, en hield de worst voor hare oogen, "dat noemen wij een corpus
+delicti."--"'t Is mogelijk, Weber, dat ze in 't Latijn zóó heet; wij
+zeggen er metworst tegen."--"Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig
+verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?"--"Ja, Weber, ik ken
+ze aan den band."--"Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?"
+
+Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam
+blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den
+steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de
+worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van
+zijn' rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht,
+en dat was ook maar zóó--zóó; de baljuw had het al eens aan 't klappen
+gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide:
+"Ze is mij gegeven."--"Dat jokt ge!" was het driftig antwoord van de
+vrouw van den baljuw; "je hebt ze met een stok van den rookzolder
+gehaald."--"Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!--Frits,
+wie heeft je die worst gegeven?"--"Mamsel Westphalen."--"Frits,
+wáár?" "Toen ik in den boom zat."--"Zat zij daar dan bij jou?" "Neen,
+zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan
+den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen."--"Maar je
+hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen
+was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen." "Mijnheer de baljuw, och,
+sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben
+samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch,
+ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was."--"Krijg je
+bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits,
+en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt." En
+met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den
+stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was 't nu
+hoog tijd daartoe, en--de hemel deed het.
+
+Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam
+binnen met: "'t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak
+stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer
+de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, om zoodra mogelijk ginder
+te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar
+getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht."--"Ik kom dadelijk,
+mijn lieve Luth,--Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann,
+haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel
+op den rookzolder, en breng haar beneden."--Hoe vlug bracht Frits
+Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te
+komen! "Mevrouw," zeide hij, "ik moet meêgaan; alleen voor u maakt
+zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze
+zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet." Zoo liep hij dus
+vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.
+
+Frits klopte aan de deur: "Mamselletje, doe open, ik ben 't!"--Geen
+antwoord.--"Mamselletje, wel, wel! Zuur varkensvleesch!"--Geen
+antwoord.--"Mamselletje, de Fransozen zijn weg!"--Toen liet zich wat
+hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: "Frits Sahlmann, ge zijt
+een befaamde leugenaar.--Leid mij niet in verzoeking!"--Middelerwijl
+riep nu ook de vrouw van den baljuw: "Westphalen, doe open! Ik ben het,
+uwe meesteres."--"Ik kan mij niet voor u vertoonen," riep de stem,
+"'k ben eene zondares, eene erge zondares!"--"Doe maar open; dan komt
+alles weder te recht."
+
+Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk
+open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen
+liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog
+niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe
+het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene
+corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast
+zeggen, daar stond zij als "een geknakt riet."--"Mevrouw Weber," zeide
+zij, "ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer
+dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik
+u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders
+gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.--"Och, Westphalen,
+laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!"--"Geen stap doe ik,
+mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!--Zie! gij weet het, ik ben
+op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze
+bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer
+en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk
+dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe
+'t met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten,
+en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip
+en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want,
+verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen
+en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai
+over den afgrond. "Jongen," zeg ik, "Frits Sahlmann, wilt ge wel uit
+den boom komen!"--Toen grijnst die jongen mij aan. "Jongen," roep ik,
+"ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo'n gevaar te
+zien." Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt:
+"Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den
+raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien,
+en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken." Mevrouw
+Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot;
+maar ik kan 't naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen
+was nog grooter. "Jongen," riep ik, "klim den boom uit!" Zie toen
+grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: "Ja, als
+gij mij eene worst geeft." En daarop begon hij allerhande grappen te
+maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool,
+zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw,
+dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde
+van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom
+vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor
+hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den
+boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had,
+dat van alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is,
+mevrouw, en daar blijf ik bij."--"Laat dat maar rusten, Westphalen;
+hij heeft bij mijn' man ook nog wat in 't zout, hij zal zijn' rechter
+niet ontkomen."
+
+Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder
+af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap,
+in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. 't Kostte nu veel moeite,
+mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis
+te gaan--"in den geopenden leeuwenmuil," zeide zij. Zij wilde lijden,
+wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid,
+en in eere was geschied;--maar, om voor al dat vreemde manvolk te
+staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven
+hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de
+baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê,
+want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar
+in de kamer geslapen had.
+
+Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen
+naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een' doek en eene
+warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden,
+in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena'schen
+"Ziegenhainer" [5] in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van
+zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: "Netje, zij heeft gelijk;
+dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje," en hij snoof zoo'n
+beetje in de lucht rond; "'t ruikt hier zoo naar gerookte paling;
+is de oude Neils uit Gulzow met zijn' paling hier geweest?"--"Wat
+praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het
+uur op den rookzolder gezeten."--"Dan is 't iets anders!" zeide de
+oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra
+mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van
+mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand
+sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog
+mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: "Fieken, als wij op de
+markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem,
+dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen,
+want ik kon in flauwte vallen."
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom de bakker Witt, door zijn' meerschuimen pijpekop,
+ meê in 't komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als
+ eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt,
+ en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.
+
+
+Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad
+nog veel bonter uit. 't Is waar, wanneer zoo'n troep inkwartiering
+eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en
+de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr
+getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt,
+en dáár de overmoed snoeft,--dan kan 't niet stil toegaan, gelijk in
+de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden
+Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden
+liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan:
+"rust is de eerste burgerplicht," toen ging het toch rustiger toe,
+dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen
+sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust
+geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één
+schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte
+laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen,
+en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen:
+"Ik moet mij redden; aan jelui is niets gelegen; jelui blijft hier,
+als de Fransozen komen;"--en hij liep naar 't elzenmoeras en kroop in
+'t riet.--Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven
+tot beneden.
+
+De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich
+verweren. Schill rukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel
+Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar 't
+kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou. Schill trok dwars door
+Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de
+Mekklenburgers hem den pas bij Bamgarten en Tribsees afsnijden;
+zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een
+huzaar van Schill nam een geheel rot lange Mekklenburgsche
+grenadiers gevangen. "Kinderen," riep hij hun toe, "zijt gij allen
+gevangen?"--"Neen," zeide de brave korporaal, "niemand heeft ons
+wat gezegd."--"Nu, gaat dan maar meê!" En zij gingen meê. Was dat
+lafhartigheid? Was dat vrees?--Wie onze landslieden in 1813 en 1814
+gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft
+gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is,
+om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.--Neen! dat
+was geene lafhartigheid, dat was onwil, om te strijden tegen datgeen,
+wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het
+spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was
+Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is 't
+geweest, en zóó moet het ook blijven.
+
+En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den
+Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid
+afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam
+als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche
+mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den
+woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die
+van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan
+had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld
+in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en
+de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland
+was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en
+kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen:
+"Opstand tegen den menschenmoorder!"--Dat was het veldgeschreeuw. Maar
+het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep
+onervarene jongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede;
+neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene
+samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met
+weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de
+jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg
+de eerste vlam omhoog;--wij Nederduitschers houden niet van vuur op de
+straat;--neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman
+kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een
+vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch
+overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn
+een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in
+den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven,
+die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand
+waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen
+wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de
+haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp;
+en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het
+zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader,
+het hem zóó in te prenten, dat hij 't in zijn leven niet vergeet.
+
+Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen
+roken 't in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond,
+waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet
+moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige
+ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij
+zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne
+hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den
+tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds
+weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met
+opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene
+verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van
+allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur
+hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden,
+want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.
+
+Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens
+geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij 't echter verstaan
+in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den
+ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur
+teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte,
+en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij
+zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste
+de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen
+pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn
+overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de
+voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in
+de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo'n kleinen
+steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min
+of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in
+de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet
+vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen,
+en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander,
+totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude
+bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar 't raadhuis gesleept,
+want hij had zich aan de grande nation vergrepen, en of hij al zeggen
+mocht, dat de grande nation zich aan zijn pijpekop vergrepen had,
+'t hielp geen zier, hij moest meê.
+
+Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in
+'t verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met
+het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als
+burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval,
+zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat
+de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken,
+had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?--De horlogemaker zal
+het zelf wel zeggen, of indien hij 't niet zegt, moet hij toch, door
+mamsel Westphalen's getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er
+daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken
+waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem
+willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat
+in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en
+dat hij geheel uit eigen' beweging het geld had geleverd, en ook het
+paard van den "chasseur" door hem, zonder omwegen, werd aangewezen,
+als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit
+een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken,
+dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene
+vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden,
+dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar
+als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.
+
+Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den
+bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat
+er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd,
+waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en
+voor zijn "gauwdieven en roovers," een paar "bougres" en "sacres"
+terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het
+daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en
+mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.--"Mijn'
+pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien
+zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik
+een Stemhager burger, of niet?" De Franschen tierden en raasden
+daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de
+auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en
+meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman
+aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en
+zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten
+en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche
+bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of
+begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als
+krijgscontributiën aan te zien?--Hierdoor had hij den Franschman erg
+op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen,
+dat ook hijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een
+prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield,
+was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn
+kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in
+zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor
+zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak;
+en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land,
+dat men er de varkens wel meê voeren kon.--De Franschman schuimbekte
+van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer
+uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt
+voor mijn vader op en liet een paar maal "schooiers en schurken"
+hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne
+vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von
+Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden
+had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had;
+hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar,
+de bakker was dezelfde man, die het chasseur's-paard in zijne schuur
+had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot
+complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp
+aan,--en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand;
+en, zoo 't er hier niet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek,
+waar het er wel uitkomen zou, en die plek heette Stettin.
+
+Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast,
+de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring
+gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam
+in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een
+eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn "Ziegenhainer"
+in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter
+hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich
+stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar
+breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als
+zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke
+Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide,
+toen zij er doordrong: "Mosjeu Fransoos, pardoen! Waar mijnheer de
+baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun."
+
+Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het
+venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den
+tolk, wie hij was en hoe hij heette.--"Ik ben eerste ambtenaar hier
+in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber." En
+dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam
+"Jochem Weber" was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe
+te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan,
+en 't scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het
+blijven en keek weder het venster uit.
+
+Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. "Ik
+dank u," zeide hij, "tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en,
+verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende
+te kunnen afdoen."--Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging,
+alles wat hem van den chasseur bekend was. "En," zeide hij aan 't
+slot zijner rede, "indien iemand het den molenaar tot eene misdaad
+zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken
+maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel
+heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te
+zeggen."--Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide
+dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn
+bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk
+wilde zijn.--"En daar lacht gij om?" vroeg de oude heer, zoo bedaard,
+alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. "Is dat in Frankrijk niet
+zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de
+menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene
+rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als
+men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar
+flesschen wijn van den hals schuift?"--Nu had de Franschman weêr eene
+gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Fransche chasseur,
+dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd,
+niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging
+met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur
+grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard,
+ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman
+een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide:
+"Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die
+het voeren. Die soort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels
+niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders
+te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels."--Hiertegen
+viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een' geschikten
+zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer,
+hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht
+op het slot te doen had gehad?--"Daar vraagt gij mij te veel," zeide
+mijnheer de baljuw; "ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel 's
+avonds, toen de molenaar met den chasseur wegreed, vluchtig gezien,
+en dat hij 's nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen
+of weten geschied." De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met
+den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf
+mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich
+niet uit het raadhuis zou verwijderen. "Best!" zeide de oude heer,
+en keerde zich om. "Dus, totdat de zaak beslist is."
+
+Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche
+overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens
+zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer
+het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te
+lezen: hij was namelijk uit den Jena'schen studententijd van den
+ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer
+de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo'n
+halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: "Met uw
+verlof, mijnheer de overste, mijn stok."--De overste zag een weinig
+verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging,
+ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en
+Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar "Alt, alt!" schreeuwde
+de auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.
+
+Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van
+dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd
+begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den
+Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein,
+haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar
+weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat
+van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven
+of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar
+aan haren rokrand vast gehouden. "En," liet zij er op volgen, "Juffrouw
+Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw
+al te zamen geleerd heeft, en 't waren allen luchtige vogels; maar
+zóó'n bonten vogel en zóó'n galgevogel, als deze Fransche auditeur,
+was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een
+bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op 't gezicht."
+
+'t Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben
+grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze
+er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen;
+den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen
+zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak
+ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en
+stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan
+had. "Want," zeide zij later, "ik had gezien, hoe trotsch hij daar
+gestaan had, en zijn geest kwam over mij."
+
+De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?--"Ik weet
+van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat
+hij voor brood "du pain", en voor wijn "du vin", zegt; en dat is
+alles."--Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?--"'k Weet niet,
+hoe hij daarin komt, en 'k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat
+zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen."--Waarom hij dien
+avond op het slot was geweest?--"Op het slot komen vele menschen, en
+louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen;
+en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te
+doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de
+baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen."--Waarom de horlogemaker
+dien avond niet naar huis was gegaan? "Omdat het een weêr was,
+waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een
+christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen,
+hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat
+hij 's nachts op de hazenjacht,--waarom niet bij dag, zooals andere
+menschen?--en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot,
+dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch
+zit op een bankje met drie pooten;--en hij heeft onze Carolien willen
+bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar
+heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon
+hij met zoo'n paal achteruit rondloopen, zij wou bij 't melken niet
+voor uilenspiegel spelen."--Maar, waarom zij toch den horlogemaker
+heimelijk in hare kamer had ontvangen?--Hier zweeg mamsel Westphalen
+stil; het bloed vloog haar in 't aangezicht over de onbeschaamdheid
+van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht
+gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den
+angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek
+Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op
+los. "Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!" En zij wilden
+er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden
+'t aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest,
+dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen."--'t Werd een vreeselijk
+spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht,
+dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen,
+totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.
+
+"Juffrouw Stahl," sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van
+den wever: "gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen
+mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer
+hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de
+mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is:
+men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een
+goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd
+aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft."
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander
+ bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn
+ jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn' vader en mijn
+ oom Herse wegsleepte.
+
+
+Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich
+regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar
+hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner
+moeder;--want wij woonden in het raadhuis.
+
+Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar
+heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig
+en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet
+eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de
+onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne
+gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede
+vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk
+van waar de wind waait,--zoo weet eene goede vrouw al lang te voren,
+dat er iets aan de lucht broeit.
+
+De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: "Goeden
+morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche
+volk!" Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van
+den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en,
+met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar
+uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat
+er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van
+zijn' studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf
+Diederik--"de professor juris utriusque in Rostock, kindlief!"--in
+een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem
+hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte
+verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in
+hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig,
+alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade
+dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken
+las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren
+'t niet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden
+baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.
+
+Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in
+plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon
+hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte
+beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,--want
+die was toen nog niet bestraat,--toen de deur geopend werd en de
+Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne
+moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.--Wij, kinderen,
+hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een'
+hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is,
+en wij dachten zeker ook wel: "Wat moet dat worden?" Hetzelfde dacht
+mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig
+aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en
+deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De
+Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag
+eene vriendelijke beleefdheid in zijn' toon van spreken, toen hij
+den ouden heer vroeg: "Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in
+de gerechtszaal den naam "Weber;" heet gij Weber?"--"Jochem Hendrik
+Weber," zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.--"Hebt
+gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?"--"Adolf Diederik,
+professor in Rostock?" antwoordde de oude heer, en verroerde geen
+lid.--"Mijnheer de baljuw," zeide de Franschman, en hij strekte
+zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen
+morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u,
+dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een' naam gelezen die mij
+diep in 't harte geschreven is. Zie eens, hier: "Renatus Von Toll,"
+"Nu, kent gij dien man?" vroeg de oude heer, en 't was alsof in zijn
+gelaat een schoon morgenrood opdaagde. "Zou ik hem niet kennen!" riep
+de overste uit;--"hij is mijn vader."--"Man!" zeide de oude heer:
+"man!--wat zegt gij?" En hij schoof den overste een eind van zich af en
+keek hem in de oogen; "zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?"--"Ja! en
+hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van
+de beide Weber's, van de beide lange Mekklenburgers."--"Kindlief,"
+riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, "van wien heb ik u
+verteld?--het meeste verteld?--Niet waar? Van den braven Westphaler,
+van Renatus?" Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in
+de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed
+komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit,
+en werden vrijmoediger, en 't was ons, alsof iemand van de naaste
+familieleden t'huis gekomen was.--"Jongske, jongske!" riep de
+baljuw, "'k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche
+uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen," voegde hij
+er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar
+'t aangezicht vloog, "zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine
+oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?--Een kostelijk mensch,
+kindlief!" sprak hij tot mijne moeder, "een mensch, wien onze goede God
+den naam man op 't voorhoofd geschreven heeft!"--De overste zeide nu,
+dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine
+haar al verbleekt was.--"Ja wel," sprak de baljuw, "dat moet wel zóó
+wezen; Adolf Diederik's haar is ook al grijs.--Maar nu, manlief, ga
+nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het,
+'t is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij
+mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier;
+gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan
+niet anders dan een braaf Duitscher zijn." Mijne moeder, die zag,
+hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan
+bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen
+hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas;
+dat hij zwijgen zou.--Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg
+haar: "Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?" Thans was de beurt
+om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in
+dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en
+zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: "Mijnheer
+de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een
+half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt,
+ook niet bevallen kan,--dat wil ik toegeven,--ik wil haar toch niet
+onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt,
+dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen
+moet,--gij hebt gelijk;--doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt
+aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij
+hiermede geen beroep op mijn geweten doen, maar op dat van mijn'
+landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen
+in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren,
+naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al
+zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind
+Duitschland anders dan het geweest is;--wat mij door 't hoofd en door
+'t hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig
+mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn' vader geschieden;
+voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn:
+'t is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over
+deze aangelegenheid gesproken heb."
+
+Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij
+zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen
+hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware,
+trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt,
+en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: "Dat is dan
+eene andere zaak!" Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en
+sprak: "Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll
+heeft gelijk. 't Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!" Daarop nam
+hij de hand van den overste en vroeg: "Mijn lieve jonge vriend, kunt
+gij waarlijk hier niet blijven?" En toen de officier hem verzekerde,
+dat dit onmogelijk was, riep hij mij. "Frits," zeide hij, "jongen,
+je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw
+van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier
+een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! een
+verblijdend voorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,"
+zeide hij tot mijne moeder.
+
+Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook
+niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht,
+zoo als 't hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje,
+om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens
+te hoeden.
+
+Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich
+voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er
+voor, in orde, en het bataljon stond in 't gelid, en men kon zien, dat
+het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis,
+doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel
+Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve
+wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers,
+bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde
+haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de
+kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl
+hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde
+zich aan, alsof die goede ziel in 't water wou springen, en zij haar
+voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog
+eens een "gauwdief" los, maar 't halve vuur was toch maar in hem,
+en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar
+werd, viel hem zijn eigen' huishouding in en hij riep mij. "Fritsje,"
+zeî hij, "loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een
+suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de
+vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen,
+want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen
+meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij 't vroeger al met mijn
+vijfjarig bruintje gedaan hebben."
+
+Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het
+suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar,
+met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met
+zijn' wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den
+rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele
+nest uitgehaald.
+
+Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die
+bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: "Hebt
+gij het geld afgegeven?"--De oude molenaar wees naar de gerechtszaal
+en zeide: "Dáár ligt het."--"Vader, wees dan maar getroost: onze
+goede God zal u niet verlaten."
+
+Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr
+gegaan; 't moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens
+stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van
+de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat
+hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.
+
+Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: "bon!" Hij werd een'
+heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette
+welgemoed zijn arm in de zijde.
+
+Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den
+overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn
+voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar
+de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide
+dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen
+dook driemaal met eene nijging onder en zeide: "Ik bedank u wel,
+overste Von Toll."--Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den
+hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste
+voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de
+adjudant: "Marsch!" En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer
+Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had
+den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij
+met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide:
+"Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u."--Met
+den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich
+uit, schoot nog een paar "gauwdieven," luk of raak, in de lucht af; gaf
+nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de
+deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne
+kleine kinderen klemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch
+en in 't Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn
+vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom
+de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een
+gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen;
+dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene
+misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers
+ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk,
+dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan
+aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want
+de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd
+dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.--Hij had de uniform
+misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.--Mijn vader riep,
+dat zulks niet waar was;--het was geen misbruik, zoo iemand zich
+door eene onschuldige list roovers en schurken van 't lijf hield,
+en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den
+mantelzak van den Franschman te vinden.
+
+De adjudant zag mijn' vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij
+hem gaarne zijn degen' wilde doen voelen, de overste trad nader met
+een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de
+hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die
+zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep:
+"Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan ben
+ik het, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan:
+indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het."--"Dat
+kan geschieden!" sprak de overste kortaf. "Laat dien man los en
+neemt dezen hier!"--"Kindlief," riep mijnheer de baljuw hem toe,
+"wat doet gij?"--"Mijn plicht, mijnheer de baljuw," zeide de overste,
+hem de hand gevende. "Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is
+verstreken." Met die woorden ging hij het huis uit.
+
+De geheele zaak ging zoo schielijk in 't werk, dat de meesten volstrekt
+niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog
+maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader
+een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus
+te schreien en toen de kleine Droi's hunne tranen droogden, liepen de
+mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen
+hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. "Mijnheer de
+baljuw," zeide mijn vader, "troost gij mijne arme vrouw! en, Frits,"
+riep hij mij toe, "haal jij mijn hoed eens."--Ik liep naar binnen om
+zijn' hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mij op,
+gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: "Zeg aan moeder, dat ik gauw
+weêr hier kom."
+
+Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in
+het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen
+zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en
+wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de
+artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het
+wegloopen van de boeren.
+
+"Goede God!" zeide mijn vader, "raadsheer Herse, wat beteekent dat
+met u?" "Voor 't vaderland, burgemeester!" riep mijn oom Herse;--"ik
+heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu
+heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk
+is 't wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme
+boeren."--Zij deelden nu elkander in 't kort hun wedervaren mede,
+en mijn oom Herse ging met zijn' driekanten hoed en zijn geborduurden
+kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn
+oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit
+als zijn grootsten eeredag, en alsof hij 's nachts, na den regen,
+nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de
+Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en
+christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen
+toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger
+op zijn' mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken
+dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of
+de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer
+hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken;
+maar de anderen zouden wel opgehangen worden.
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank
+ een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al
+ de molens in 't geheele land in brand wil steken, en waarom
+ de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert
+ gereed houdt.
+
+
+Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen,
+marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden
+Brandenburgschen weg op,--straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog
+niet;--en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg
+leidde, en dien de Stavenhager burgers den "paardendood" of ook wel,
+"halsbrekerseinde" noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht:
+"halt!" want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche
+kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken,
+en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied,
+die nu niet daar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij
+zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar
+zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners
+uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche
+paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen
+gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een' drogen draad
+aan het lijf hield. "Vader Voss," zegt de bakker Witt, "wat is dat
+een regen!"--"Mooi weêr voor de late gerst;" zegt de oude Voss,
+"als iemand ze al gezaaid heeft." "Ik kan mijn hemd wel uitwringen,"
+zegt de bakker.--"En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol," zegt
+de molenaar.--"Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn' mantel
+staan, om te schuilen," zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog
+een beetje breeder, dan hij van nature was;--ik verheug mij maar, dat
+deze tirannenknechten ook door en door nat worden."--Mijn vader ging
+achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in
+'t oog gekregen.
+
+Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden,
+daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van
+regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den
+stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop Frits Sahlmann
+heen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die 't nog niet wist,
+de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd,
+stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te
+paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne
+paarden niet voor goed zouden medenemen.--De oude inspektor Bräsig
+was een zeer goed vriend van mijn' vader en toen Frits Sahlmann een
+poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig
+hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu
+zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot
+totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij
+weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote
+behendigheid achter een' wortel van een' ouden wilgeboom hangen en
+struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht
+bij mijn vader was, viel hij, alsof 't volstrekt niet anders wezen kon,
+in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. "Let goed op
+dat paard!" zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen
+uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.
+
+Was mijn vader te voren al half oplettend op den inspektor en den
+jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude
+Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die Frits
+Sahlmann in de hand gaf; hij zag, hoe de jongen nu het paard begon te
+leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat
+hij eindelijk achter een' hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar
+tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij
+mijn' vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug
+van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed
+wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.
+
+Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker
+weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets
+aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den
+Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den
+hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was
+blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten
+voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit
+gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter
+des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen
+den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep
+en teugel uit de hand, sprong op het paard en,--heb ik van mijn leven
+zoo iets gezien!--holde den berg af.
+
+"Feu, Feu!" schreeuwden de Franschen; "knak! knak!" zeiden de hanen;
+en "misgeschoten!" antwoordde het oude geweerslot, want het kruit
+was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.
+
+Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester
+zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een
+vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al:
+"Leve onze burgem...," toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de
+schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te
+volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen
+gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering
+van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel
+bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij
+te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat
+hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard
+af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen
+kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het
+vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger
+was, onder den ouden windmolen [6] naar welken de berg zijn naam heeft.
+
+Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. "Voor
+den burgemeester is 't goed," sprak de oude Witt, en hij kamde zijne
+natte haren met den koperen kam naar achteren; "dat hij op die manier
+vrij is gekomen, maar voor ons is 't erg, want nu zijn wij, als de
+bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog
+wel vrij gekregen hebben."--"Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,"
+zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe,
+die zich ook onder den molen had geplaatst.--"Hm!" bracht oom Herse
+daartegen in.--"Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij
+recht t'huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken,
+wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar
+weet hij even zooveel van als.... als...."--"Als gij en ik, mijnheer
+Herse," zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te
+denken.--"Molenaar Voss," hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende;
+"ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Wat gij
+daarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude
+baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en als
+ik er mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen
+hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal
+ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?" "Meent gij den ouden Jahn van
+de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?"--"Och,
+loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den
+zwager van Kolloff in Luwkow."--"Neen, die man is mij onbekend." "Nu,
+luister dan. Deze Jahn gaat eens met een' student in Berlijn de straat
+over en komt aan de Brandenburger poort,--want ze hebben in Berlijn
+even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,--en hij
+wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft,
+die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat
+hij daarbij wel denkt.--"Niets," antwoordt deze. Klets! krijgt hij een
+draai om de ooren."--"Dat was brutaal," zegt de oude molenaar.--"Ja,
+mijnheer Herse," zegt de bakker, "ik heb ook eene verduivelde losse
+hand, maar...."--"Laat mij toch uitvertellen!" zegt mijn oom Herse;
+"Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg
+zeer verbaasd stond, "dit is een aandenken voor 't niets denken. Gij
+hadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit
+Parijs moeten terug gaan halen."--"Ja, maar...." zegt Witt.--"Maar,
+dat is dan toch...." zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter
+niet aan 't woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: "Nu
+vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt
+gij daarbij?"--"Mijnheer Herse," zegt Voss, terwijl hij opstaat en
+een beetje op een' afstand blijft. "Mijnheer Herse, gij zult mij toch
+niet zóó trakteeren?"--"Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij
+daarbij denkt?"--"Wel," zegt de molenaar en kijkt den molen van boven
+tot beneden aan;--"wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een
+oude kavalje is, en dat er in 't voorjaar nieuwe wieken aan moeten,
+en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier
+beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel
+zullen moeten verteren."--"En daarin hebt ge gelijk, oude!" zegt
+de bakker.--"En daarin heeft hij ongelijk!" roept mijn oom Herse:
+"als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen
+moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden,
+al de molens in 't heele land moeten in brand gestoken worden." Dit
+zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen
+rond.--"De hemel moge ons bewaren!" zegt de molenaar Voss, "wie zal
+die schanddaad uitoefenen?"
+
+"Ik!" zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij
+de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken
+moesten, en fluisterde hun toe: "Wanneer de landstorm uitrukt, dan
+steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal,
+en 't beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat
+jelui niet eens weet, wat een fanaal is."--"Mijnheer de raadsheer,"
+zegt Voss, "'t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal,
+of eene andere aal is; maar, wie mijn' watermolen in brand steekt,
+die zal er niet gemakkelijk afkomen."--"Windmolens, windmolens,
+meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens
+liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft
+de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te
+handelen, als ik?"--"Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij
+niet gezegd," zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins
+twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts
+moest beteekenen.--"Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de
+koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat
+wil zoo'n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn
+lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een' baktrog, ik
+kneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indien ik geplaatst was,
+waar ik t'huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en
+'k sprak met dien man. "Majesteit," zou 'k zeggen, "gij zijt, geloof
+ik, een beetje in verlegenheid."--"Hoe kan het anders, raadsheer,"
+zegt hij--"ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas."--"Is 't
+anders niet?" zeg ik. "Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts
+eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,--licentia poetica heet
+dat in 't latijn, molenaar Voss,--en een regiment grenadiers van de
+garde." "Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer," zegt de koning,
+en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein
+in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en
+plaats mij aan 't hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein
+op marcheer. "Zijt gij nu allen hier?" vraag ik aan de joden.--"Ja,"
+zeggen zij.--"Wilt gij nu vrijwillig," vraag ik hun, "de helft van
+uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?"--"Dat
+kunnen wij niet," zegt de een, "dan zijn we geruweneerd."--"Wilt gij,
+of wilt gij niet?" vraag ik. "Geef acht!" kommandeer ik.--"Mijnheer
+de raadsheer," zegt een ander, "neem een vierde part."--"Geen'
+groschen minder dan de helft," zeg ik. "Maakt u gereed!"--"Wij
+willen immers!" schreeuwden de joden.--"Mooi zoo!" zeg ik. "Gaat
+dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne
+Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld
+voor de trappen van den troon neder."--Als zij allen boven geweest
+zijn, ga ik ook naar boven. "Wel!" zeg ik, "Uwe Majesteit, hoe is
+'t nu?"--"Opperbest, mijn lieve raadsheer!" zegt hij. "Als 't andere
+ook maar zóó was!" "Dat zullen wij krijgen!" zeg ik. "Geef mij maar
+een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie
+en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen." "Die zult
+gij hebben," zegt de koning.--"Kostelijk!" zeg ik, en 'k marcheer
+met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge
+dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en
+prins Eckmühl overval ik; hij wordt vóór mij gebracht. "Richt eens
+eene zeer hooge galg op!" zeg ik.--"Genade!" zegt hij.--"Niets komt
+er in van genade!" zeg ik. "Dat is daarvoor, omdat jij hertog van
+Mekklenburg hebt willen worden!"---"Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer
+Herse," zegt Voss, "praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals
+zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan
+konden." "Dat zou verduiveld gek wezen!" hernam mijn oom Herse,
+en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij
+geen acht op hem sloegen, zeide hij: "gij zijt een oude bloodaard,
+baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.--Alzoo: ik hang
+hem op, en ruk links op, naar 't Hannoversche en val hem zelf, den
+Korsikaan... nu! jelui weet het, wien 'k meen,... in den rug. Al het
+andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.--Een
+groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter
+naar mij toe: "Wapenstilstand!"--"Daar kan niets van komen," zeg ik;
+"voor de aardigheid zijn wij niet hier."--"Vrede!" laat hij mij
+zeggen.--"Best!" zeg ik "Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas
+en Lotharingen."--"Dat kan ik niet!" zegt hij, "mijn broeder moet
+daarvan leven."--Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel
+de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. "Dat mag de
+drommel weten!" zegt hij; "daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen
+raadsheer weder in mijne achterhoede!"--"'t Eerste regiment grenadiers,
+velt 't geweer!" kommandeer ik, de batterij wordt genomen. "'t Tweede
+regiment huzaren, voorwaarts!"--Hij waagt zich met zijn generalen staf
+te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. "Hier is mijn
+degen!" zegt hij. "Kostelijk!" zeg ik. "Ga gij nu maar meê. En gij,
+kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan."--Nu
+breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: "Uwe Majesteit van
+Pruisen, hier is hij!"--"Mijnheer de raadsheer;" zegt de koning,
+"verzoek een gunstbewijs voor u."--"Uwe Majesteit," zeg ik, "kinderen
+heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein
+pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor 't overige
+wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug
+te keeren."--"Zooals gij wilt," zegt de koning. "Maar onthoudt dit,
+wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert
+voor u gereed." Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar
+Stavenhagen."--"Dat 's braaf van u!" zegt bakker Witt. "Maar, wat helpt
+ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal 't achterstevoor
+in de wereld gekomen; gij hebt hem niet; hij heeft u, en ons daarbij,
+en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden,
+dan zijn wij 't. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste
+van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en
+ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten
+geschud wordt."--"Och, loop!" zeide oom Herse; "dat 's geen kunst,
+zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;--neen, mijn raad is,
+dat wij 't fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van
+ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand
+de beste uitzoeken."
+
+De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken;
+hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de
+landstraat heen. "Wat?" riep hij eindelijk uit, "dat is immers wel
+haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fieken en Hendrik van
+Jochem Voss daar komen aanrijden?"
+
+En... zoo was het.
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene
+ ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom
+ Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.
+
+
+De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren,
+was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!
+
+Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat
+niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een' opgewekten
+geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk
+deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch
+reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping
+te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder
+is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te
+verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang
+hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige
+bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat
+zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen
+mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar
+hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon,
+dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen
+vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamer inkwam,
+was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.
+
+De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op
+de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd,
+dacht hij er in 't geheel niet meer aan en riep herhaalde malen:
+"Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?" De oude baljuw, die anders
+niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel
+in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden,
+dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote
+tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom,
+waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: "Dit is toch eene
+zeer zonderlinge zaak!"--Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw
+van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne
+moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: "Moeder, lieve moeder,
+hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal
+wezen!"--Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en,
+was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.
+
+Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige
+redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een' treurende
+het bewijs zijner beleefdheid wil geven;--maar 't is de moeilijkste
+taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart,
+dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij
+gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend
+is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware
+taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene
+troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier
+het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte
+den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in
+haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor
+troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had
+één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw,
+en hij was er heden niet karig mede.
+
+Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik
+nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel
+Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de
+oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de
+mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig
+getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt
+een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.
+
+Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen
+en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten
+stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. "Kindlief,"
+zeide de oude heer, "dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en
+zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier
+hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? "Est solamen
+miseris socios habuisse malorum." 'k Zal dat later wel eens voor u
+vertalen.--Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen."
+
+Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid
+lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik
+ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op
+andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar
+geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich
+niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was
+het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht
+en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den
+regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en
+groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar
+zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: "Wel, hoe vindt gij 't,
+Netje?"--Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van
+den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,--maakte ook voor
+haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden,
+eenvoudigen tijd het gebruik.
+
+"Mijnheer de baljuw," zeide Fieken, "mijn vader en onze boeren hebben
+altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig,
+van in mijn leed eens bij u te komen."--"Wat hebt gij dan wel op uw
+hart, mijn dochtertje!" vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne
+hand op het hoofd leggende.--"Mijnheer, mijn vader is onschuldig,"
+ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de
+oogen.--"Dat hij dat is, weet ik, mijn kind," zeide de oude heer en
+knikte met het hoofd. "En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet
+spoedig vrijkomt," sprak Fieken.--"Hm? Ja! Dat is te zeggen, 't zou
+niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat
+geweld voor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden
+reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te
+onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en
+'t is nog erger, als de goede wil ontbreekt."--"Daarvoor ben ik niet
+bang," viel Fieken hier schielijk op in; "vrijkomen moet hij, en dat
+spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en
+dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen."--"Lief
+kind," hernam de oude heer en schudde het hoofd; "gij zijt jong, en
+soldaten zijn ruwe gasten; 't zou geen troost voor uwen vader zijn,
+zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt."--"Mijnheer! 'k wou
+ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem
+Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven,
+zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan
+kon ons niets kwaads overkomen."--"Een brief van vrijgeleide?" vroeg
+de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. "Mijn lieve kind,
+dat volk zal zich niet veel aan zoo'n brief van een Stemhager baljuw
+storen. En toch, kindlief?" en hij wendde zich om, naar mijne moeder,
+"als ik haar eens zoo'n brief meêgaf, aan den overste Von Toll;
+wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten
+zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.--En gij
+zegt," zoo sprak hij weder tot Fieken, "dat uw neef Hendrik met u
+wil gaan?"--"Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang."--"Roep hem
+eens binnen!"
+
+Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de
+schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, van
+die soort, die men bij ons in den oogsttijd van 's morgens, klokke
+zes, tot 's avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof 't
+eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon," vroeg de oude heer, "wilt
+gij met Fieken gaan?" "Ja, mijnheer." "En wilt gij haar beschermen,
+en bij haar blijven?" "Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn
+wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had,
+dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast
+gaan."--"Mijnheer de baljuw!" riep mijne moeder, "help hem bij zijn
+voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het
+noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond,
+op de straat gerukt, en dan in dat weder!"--"'t Is waar, kindlief,
+'t is waar! Ja, ik wil een' brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje,
+de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.--Mijn
+mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet,
+dat hij die gebruikt. En, kindlief," zeide hij tot mijne moeder,
+"wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is 't lastig, ze
+te moeten missen."--"Frits," zei de vrouw van den baljuw tot mij,
+"loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw
+Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven."
+
+Nu ging men aan 't pakken; het was spoedig in orde, en toen alles
+op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol
+boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen;
+de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven
+had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: "Gij zijt dus de zoon van
+Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?" "Ja,
+mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook
+wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben
+daarom hier gekomen en 'k heb ook al met den molenaar gesproken en
+naderhand ook met Fieken, en als 't naar mijn zin gaat, dan komt die
+zaak in orde." "Mijn zoon," zeide de oude heer en gaf hem de hand en
+drukte de zijne: "vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij;
+maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den
+molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt
+wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!"--Dit zeggende, keerde
+hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: "'t Is een
+prachtig meisje, kindlief!"--
+
+"Wat heeft de baljuw je gezegd?" vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare
+zijde zat, en de wagen afreed. "Och, hij zeî maar zoo wat," sprak
+Hendrik. "Maar, je zult koû vatten!" voegde hij er bij en wikkelde
+haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.
+
+Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden
+hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen
+medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die
+jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de
+klei had gewerkt. "De burgemeester heeft de plaat gepoetst!" riep
+hij langs de straat. "De burgemeester is op den bruine van den
+ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een' wenk gegeven, en,
+roef! was hij weg."--"Jongen, wat praat je?" zeide de vrouw van den
+schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.--"Ja,
+buurvrouw," zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam;
+"de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een
+aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en
+leg hem dat tusschen de schouders, op het plekje, waar de Fransoos
+hem met zijn' geweerkolf gekitteld heeft."
+
+Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: "de
+burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!" en
+de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een
+gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij
+er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche
+Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. "Mevrouw
+Reuter!" riep hij. "Schrik niet!--Mijnheer de baljuw! 't Is wat
+goeds!--'t Is wat goeds, mevrouw Weber!--Mamsel Westphalen, hoe is
+'t mogelijk!--Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!"--Och,
+goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan
+handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne
+betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde
+hem uit alle macht: "Luth," riep hij, "man, bedenk u toch! Wij zijn
+hier niet gestemd voor grappen."--De vrouw van den baljuw ging vol
+bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat
+stijf en strak en zeide: "Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is
+een hansworst!"--"Mijnheer de baljuw," riep Luth en liet zich schudden,
+"geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien,
+en heeft het mij gezegd."
+
+"Frits Sahlmann? Mijn Frits Sahlmann?" vroeg de oude heer, den
+politiedienaar loslatende.--"Mijnheer de baljuw," zeide mamsel
+Westphalen heel bedaard: "zooals de een heet, ziet de ander er
+uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als
+zijn neus en de maan." "Waar is de jongen?" vroeg de baljuw.--"Hij
+staat hier buiten, op de gang," antwoordde Luth.
+
+Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten:
+"Frits! Frits Sahlmann, kom hier eens binnen!"--Frits Sahlmann
+kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om
+zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een' onweêrsbui,
+omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de
+andere hield hem terug, en 't scheen wel, alsof de ééne links, en de
+andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den
+goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening
+gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk
+zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus
+dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in 't oog
+vallen moest.--"Frits Sahlmann," vroeg de oude heer, "wat is dat
+alles?"--Frits Sahlmann, die in 't geheel genomen, met eene soort
+van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn
+onderdeel. "O, 't is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje
+droge klei."--"De hemel beware ons!" riep de vrouw van den baljuw,
+"wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?"--"Daar
+moeten Fiek en Carolien, ieder met een' stompen bezem over heen,"
+zeide mamsel Westphalen heel bedaard.--"Jongen," sprak de baljuw;
+"zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester
+gevlucht of niet?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zeide Frits en keek
+weder op, "hij is hun ontsnapt!"--"Leugens!" riep mamsel Westphalen
+er tegen in. "Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid
+komen?"--"Vertel het, Frits!" zeide de oude man, en Frits vertelt.
+
+'t Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten
+en dat hij daardoor ook die verloren ziet gaan, die hem met recht
+toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de
+geschiedenis gekomen was, vertelde hij 't zoo omstandig; hij beschreef
+zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om
+zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet
+met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester
+Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag:
+"Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?" Baas Tröpner,
+gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als
+een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een
+beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen:
+"Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles
+heb aangezien." Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan,
+liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg,
+en besloot zijne vertelling met deze woorden: "En aldus sprong de
+burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om de
+ekklipage rond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter
+den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de
+handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van
+den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd
+maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon."--"En de
+Franschen?" vroeg de oude heer.--"O, mijnheer de baljuw, die waren
+half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal
+af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid
+op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den
+schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen
+de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden,
+doordien wij den berg afliepen." "Kindlief," riep de oude baljuw, "die
+kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel,
+flink als een geweerslot, kindlief!"--Maar zij, voor wie deze woorden
+bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en
+schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den
+arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene
+duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat
+mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen;
+zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.
+
+Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en
+leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart
+dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het
+beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren,
+heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag
+van vrees. De doorgestane angst om mijn' vader en de vrees voor zijne
+toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en
+de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt
+er in 't geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?
+
+'t Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven,
+een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;--ik
+weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine
+klok aan, en luisterde naar den slinger,--een korten tijd! Ik zag
+op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel;
+mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook;
+zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij 't laatste ruischen
+der engelenvleugels, zeide zij: "Frits, mijn jongen, ga naar het
+slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren
+geven."--"En ik, mijnheer de baljuw," sprak Luth, "wil naar Gulzow
+gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester
+niet misloopen."--De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar
+mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: "Gij, en hier,
+uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken."
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom de overste zich bij Fieken's woorden moest afwenden, en
+ waarom Fieken zich bij Hendrik's woorden afwenden moest. Waarom
+ de raadsheer op de kleine menschen schold, en de molenaar
+ wenschte, dat hij een kraai was.
+
+
+Zoodra Fieken met Hendrik bij den molenberg kwam, vlogen hare oogen
+naar alle zijden rond, en het duurde ook niet lang, of zij had haren
+vader en zijn gezelschap herkend, zooals zij daar onder den molen
+zaten.--"Daar is mijn vader," zeide zij tot Hendrik. "Wel," zeide
+Hendrik, "dan willen we hier rechts van den hollen weg, naar den
+geploegden akker, den kant naar den molen inslaan. 't Zal wel slecht
+gaan; maar door den hollen weg is niet door te komen, en ge kunt dan
+toch ook met uw' vader spreken."--"Halt," riep Fieken, "niet rechts,
+naar den molen toe; neen, links, van den molen af; ik wil niet met
+hem spreken.--Goede hemel, nu heeft hij ons al gezien en hij wenkt
+ons."--"Fieken," zeide Hendrik, toen hij volgens hare aanwijzing reed,
+"wat beteekent dit? Waarom zoekt gij uwen vader te ontwijken?" "Omdat
+ik niets voor hem doen kan, eer ik den brief bezorgd heb. Wie weet,
+hoe de Franschen 't zouden opnemen, als ik met hem sprak? Daar kon
+beweging en twist uit ontstaan; en als wij op die manier voor den
+overste gebracht werden, zou hij ons juist niet vriendelijk aanzien. En
+dan, waartoe zal ik mijn' ouden vader met uitzichten vleien, die nog
+onzeker zijn? Voor 't oogenblik is het hem genoeg te weten, dat wij
+dicht bij hem zijn."
+
+Middelerwijl waren nu ook de kanonnen uit den hollen weg opgetild en
+uitgegraven, en de stoet zette zich weder in beweging. De gevangenen
+werden langs de ééne zijde van den hollen weg gekommandeerd en Hendrik
+reed aan den anderen kant, zoo schielijk hij door het bouwland van
+den ouden Nahmaker kon voortkomen. Fieken keek naar den overste
+uit. "Wanneer ik hem maar zie, zal ik hem wel herkennen," zeî ze tot
+Hendrik. "Hij heeft een goed gezicht, al zag het er ook streng uit,
+toen hij den burgemeester liet wegbrengen."--Zoo kwamen zij voorbij
+de kanonnen en langs menigen troep Franschen, die in den diepen
+weg zachtjes voortsukkelden. Eindelijk, dicht bij de kroeg "In de
+bromvlieg," zagen zij den overste, terwijl hij met eenigen zijner
+officieren stapvoets voortreed.--"Hendrik," zeide Fieken, "draaf hier
+zoo hard ge kunt en houd op de hoogte stil; dan wil ik er afklimmen."
+
+Dit geschiedde. Toen de overste nader kwam, stond Fieken op het
+voetpad in den weg, zij ging hem een paar schreden te gemoet, reikte
+hem den brief toe en zeide: "Mijnheer, ik heb een brief voor u."--De
+overste hield stil, nam den brief, zag Fieken een weinig verwonderd
+aan en vroeg: "Van wien, mijn kind?"--"Van onzen baljuw, mijnheer
+Weber."--De overste brak den brief open en las; zijn aangezicht begon
+er deelnemend uit te zien, en toen hij ten einde toe gelezen had,
+schudde hij zacht met het hoofd. Fieken had hem met den grootsten
+angst aangezien; zij las het antwoord op den brief in de trekken van
+den overste, en toen hij zoo droevig het hoofd schudde, liepen haar
+de tranen uit de oogen. "Mijnheer, 't is mijn oude vader, en ik ben
+zijn eenig kind!" riep zij uit.
+
+Zij had alles in de wereld kunnen zeggen, de schoonste aanspraak en de
+krachtigste bijbelspreuk,--niets zou zulk een indruk op dien sterken
+man gemaakt hebben, als deze weinige woorden, in de platduitsche
+spraak.--Hij had ook een' ouden vader en was diens eenig kind;
+zijn vader zat op een aanzienlijk kasteel in het Westphaalsche land,
+maar in eenzaamheid, ontevreden met zijn volk en zijn vaderland; de
+tijdsomstandigheden hadden vele steenen tusschen hem en den eenigen
+zoon opgestapeld, totdat het een breede muur was geworden, over
+welken zij zich slechts moeielijk konden doen verstaan. Misverstand
+en oneenigheid waren daaruit ontsproten, en waar die zijn, daar doet
+zich ook, in stille uren, het geweten gelden. Hoe vaak had zijn hart
+tot hem gesproken: "'t Is uw oude vader, en gij zijt zijn eenig
+kind!" Blijdschap en lijden, kanongebulder en veldslag hadden die
+stem wel van tijd tot tijd doen zwijgen; maar altijd kwam de gewonde
+plek van zijn hart weder te voorschijn, gelijk een bloedige plek op
+den vloer. Voor de eerste maal hoorde hij dit woord uitspreken van
+vreemde lippen, voor de eerste maal in de spraak zijner kindsheid;
+'t was hem, alsof er geen verwijt meer in dat woord lag, zóó zacht
+werd het uitgesproken, 't klonk hem zacht in de ooren, als een woord
+van vergeving, en toen hij het arme kind voor zich zag staan, met
+haar angstig, bekommerd gelaat, toen werd het hem te benauwd; hij
+moest zich afwenden, en het duurde eenigen tijd, eer hij weder met
+haar spreken kon. Eindelijk had hij zich hersteld en zeide tot haar,
+met al de hartelijkheid, die uit zulk een oogenblik geboren wordt:
+"Mijn lief kind, vrij laten kan ik uw vader nu niet; maar dat zal wel
+komen; gij, en uwe liefde voor uwen vader, zult niet te vergeefs bij
+mij aangeklopt hebben, gij zult in zijne nabijheid blijven, en hij
+zal op uwen wagen met u rijden.--En als wij in Brandenburg komen,
+meld u dan bij mij aan." Hij gaf daarop de noodige bevelen en reed
+met zijne officieren verder.
+
+Hendrik kwam nu met zijn wagen naderbij, sprong er af en vroeg:
+"Fieken, hoe is 't?--Maar, wat vraag ik nog lang? Je ziet er immers
+uit, alsof het hart je op de tong ligt; niet waar, hij heeft je
+vader vrij gegeven?" En hij sloeg zijn arm om haar heen; "kom Fieken,
+klim op den wagen: daar komt weêr zoo'n hoop volk, we willen op zij
+gaan." "Die doen ons niets," sprak Fieken, en zij klom hooger naar den
+slootrand op en zag den weg langs. "Vrijgelaten heeft hij hem niet;
+maar hij heeft het mij beloofd. Ik mag bij hem blijven, en zij mogen
+met mij rijden, en, Hendrik, nu zoudt gij wel naar huis kunnen gaan
+en op den molen acht geven en moeder bijstaan."
+
+Hendrik bond den teugel om een' wilgeboom vast en bukte, gespte aan
+het tuig en streek toen zijn paard met de hand langs den gladden,
+natten rug. "Ge hebt gelijk, Hendrik," zeide Fieken, "ge zijt
+bezorgd, om paard en wagen te verlaten, maar dat kan immers de oude
+inspektor Bräsig uit Bramborg meê terug nemen, die doet ons gaarne
+dezen dienst."--"Fieken," hernam Hendrik, "aan 't voertuig heb ik
+niet gedacht; ik dacht aan jou en aan 't geen de oude baljuw tot
+mij gezegd heeft."--"Wat was dat?" vroeg zij.--"Als ik er niet voor
+zorgde, dat je geen haar werd gekrenkt, mocht ik hem niet meer onder
+de oogen komen. En, Fieken, ik heb hem beloofd, je ten allen tijde
+bij te staan, en toen ik hem dat beloofde,"--en nu ging hij naar haar
+toe, nam hare hand en zag haar zoo recht eerlijk in de oogen,--toen
+waren er nog twee bij tegenwoordig, die dat meê aangehoord hebben,
+en daar wist niemand wat van, dan ik alleen; dat was de goede God,
+Fieken, en mijn eigen hart."--Fieken werd zoo rood als eene roos,
+en toen hij zijn arm om haar heensloeg, wond zij zich los en riep:
+"Daarover hier verder niets, Hendrik! Van daag niet, Hendrik! Heer
+in den hemel! Daar komt mijn goede vader aan!" En dit zeggende,
+ging zij van hem weg, haren vader te gemoet, en Hendrik stond stil
+gelijk een boom in den wintertijd, als de groene bladeren afgevallen
+zijn en de vogels niet meer van liefde en vroolijkheid in de takken
+zingen. Doch toen zij zich omkeerde, en weder tot hem terugkwam,
+zeggende: "Hendrik! Hendrik!" en de tranen uit hare oogen stroomden, en
+zij daarna weder schielijk naar haren vader toeging,--toen schoot blad
+op blad uit dien stillen boom, en liederen van lust en liefde klonken
+in zijne takken, en de lente ontlook in hem, de eenige lente, die door
+'t gansche leven, in zomerhitte, in herfststormen, en in winterkoude
+moet voortduren, als het de rechte lente en het rechte leven is.
+
+"Fieken!" riep de oude molenaar Voss, "waar komt gij vandaan?" En
+toen Fieken hem om den hals viel, en hem met tranen in de oogen,
+de omstandigheden had medegedeeld, knorde de oude man en zeide, dat
+Hendrik alleen had kunnen komen; en dat dit aangelegenheden waren,
+waar vrouwen zich niet mede inlaten moeten. De raadsheer Herse
+verklaarde echter, dat de molenaar van zulke zaken volstrekt geen
+verstand had, en Fieken's inval met den wagen was zoo mooi, dat hij
+zelf het niet beter had kunnen bedenken; want, wat zijne postpapieren
+laarzen betrof, die waren door den schoenmaker Bank, opzettelijk voor
+de raadsvergaderingen vervaardigd, en niet, om in dit jaargetijde,
+vier mijlen op den Mekklenburgschen landweg meê te loopen. En de
+bakker Witt, van de mand met metworst en boterbroodjes hoorende,
+klopte zich op de maag en zeide, dat Fieken zijn beste peetekindje
+was, en al behoorde hij ook tot dezulken, die hun voederkist altijd
+bij zich hebben, zoo veranderden de omstandigheden de zaak, en bij
+zulk weder moest zelfs de beste bakkersoven van tijd tot tijd nog
+wat opgestookt worden.
+
+De Fransche sergeant had nu aan de mannen van de wacht het bevel
+van den overste medegedeeld, en het gezelschap klom op den wagen,
+en maakte het zich zoo gemakkelijk en warm als eenigszins kon. Mijn
+oom Herse eigende zich de kleedingstukken toe, die voor mijn vader
+bestemd waren, daar hij er als collega de naaste toe was, en hij
+schold op de kleine, magere menschen in 't algemeen, en op mijn'
+vader in 't bijzonder. Van de lengte, zeî hij, wilde hij niet
+spreken, want die kon niemand zich zelven geven of ontnemen; maar,
+voor de behoorlijke breedte kon ieder verstandig mensch met den tijd
+zorgen. "Kijk eens hier, baas Witt, dit moet een jas voor een volwassen
+en doorvoed mensch verbeelden!" Dit zeggende, hield hij mijns vaders
+jasje tot spektakel omhoog. "Mijnheer Herse," zeide de bakker; "steek
+van voren uwe beide armen in de mouwen, zoodat het ruggestuk van den
+burgemeester op uw borststuk komt te zitten, hier is nog eene jas,
+die hang ik u van achteren om, zoo maken wij uit twee kleine ééne
+groote; een mensch moet zich weten te helpen."--Nu, dit gebeurde, en
+mijn oom Herse zag er uit als eene mooie vette oester, die al eenigen
+tijd op reis geweest is: achter en vóór had hij eene stevige schulp,
+maar op zijde gaapte hij van tijd tot tijd uit elkander. Bakker Witt
+had een zijden wintermantel van zijne overledene vrouw gevonden, en
+hij had dien om, met de konijnevellen naar buiten; want, zeide hij,
+'t was in zulk slecht weêr jammer van de zijden stof; maar de vellen
+konden er wel tegen, want zooveel hij wist, liepen de konijnen ook
+met de haren naar buiten rond.
+
+Met deze twee ging het inpakken, over het geheel, tamelijk vlug, doch
+met den molenaar kwam het zeer in de war, want, toen hij hoorde, dat de
+mantel met de zeven kragen, die voor hem bestemd was, van rechtswege
+den baljuw toebehoorde, werd hij eerst door het verschuldigde respekt
+overvallen en maakte de eene buiging na de andere alsof de oude heer
+voor hem stond en hem 't eerst de deur wilde doen ingaan; en daarna
+kwam de aandoenlijkheid, omdat de baljuw aan hem gedacht had, en hij
+zeide, dat hij dit niet waardig was; en toen Fieken hem de eene mouw
+had aangetrokken, begon hij het bezwaar te maken, dat de menschen
+hem voor een voornaam man zouden houden.--"En, vader," zoo sprak hij
+tot Witt, "als ik nu begin te praten, en als dan de ezelsooren uit de
+zeven kragen komen uitkijken, wat dan?"--"Ja, oude," zegt de bakker,
+"daarin hebt ge gelijk; uit een varkensoor kan men nooit van zijn leven
+een zijden geldbeurs maken; maar je kunt immers den mond houden, of
+praat anders hoogduitsch; dat kunt ge toch." "Ik kan 't wel, maar 't is
+er ook naar," zegt de molenaar en hij gaat op den voorsten zak zitten.
+
+Zij zaten nu allen, slechts Hendrik niet. "Hendrik," zeide de molenaar,
+"hoe is 't? Je zult toch wel op je eigen wagen komen zitten. Fieken,
+schuif wat op, en maak plaats voor je neef."--Maar Hendrik liet dat
+niet toe, hij sloeg Fieken de paardedeken om de voeten en zeide,
+dat hij zou loopen. Hij liep dus en terwijl hij nu zoo liep, en hier
+over een' sloot sprong, en dan weêr terug, altijd vóórop, dat hij
+Fieken in de oogen kon kijken, zeide de molenaar Voss: "Mijnheer
+Herse, dat is mijn neef, de zoon van Jochem Voss; is 't niet een
+flinke kerel?"--En de raadsheer Herse antwoordde: "Dat is hij,
+vriend Voss; een knappe kerel is hij."--En de bakker Witt zeide:
+"Hij is een stevige kerel."--Fieken zeide niets; maar zij dacht:
+"Hij is een goede kerel en een trouwe kerel." En zij zou mogelijk
+nog meer van hem gedacht hebben, maar Hendrik stond op eens bij haar
+en zag haar zoo vriendelijk aan en vroeg, of zij 't ook koud had;
+toen was het met het denken gedaan, en zij gaf hem de hand, zeggende:
+"Neen! voel maar, ik ben heel warm."
+
+Bakker Witt tastte nu in de mand met worst en broodjes en gaf ieder
+zijn deel, en toen de raadsheer de broodjes zeer roemde, zeide de oude
+bakker bij zich zelven: "Kijk zoo'n rakker; anders koopt hij bij Guhl;
+maar als men niets beters heeft, dan is een uil ook een vogel."--De
+raadsheer Herse buigt zich naar den bakker toe en fluistert hem half
+overluid in: "Baas Witt, daar vóór ons ligt de kroeg "In de bromvlieg,"
+en als de dienaars van den korsikaanschen tiran nog een zweem van
+menschelijk gevoel in zich hebben, dan zullen zij er niets tegen
+inbrengen, zoo wij ons daar, door den ouden Haker bij onze broodjes
+een borrel laten geven."--Hij had onder 't spreken echter geen acht
+geslagen op zijn brood en had het met de worst een beetje over den
+rand van den wagen heen gehouden. Op eens voelt hij, dat hem daar iets
+tusschen zijne vingers grabbelt, en toen hij omzag, bespeurde hij, dat
+een der korsikaansche wachters juist in zijne worst en zijn brood boet,
+en toen hij nu met harde woorden tegen zulk openlijk maraudeeren wilde
+uitvaren, reikte een andere sakkermentsche kerel van achteren over den
+wagen en trok de geheele mand naar zich toe.--"Heere, bewaar ons!" riep
+mijn oom Herse uit; "zóó slecht heb ik mij de toestanden van ons
+vaderland toch niet voorgesteld!"--"Entfaamte gauwdieven!"--bulderde
+de oude Witt weder los, en de molenaar, die reed, had in den warmen
+mantel van den baljuw, zijn' toestand zoo geheel en al vergeten, dat
+hij de zweep al oplichtte, om er de Franschen een meê toe te dienen,
+toen Fieken zijn arm tegenhield: "Om Gods wil, vader," zeide zij;
+"wat doet gij?"--"Hm!--Ja!"--zeide de molenaar, en bedacht zich;
+"Fieken, je hebt al weêr gelijk." En zich tot de Franschen keerende,
+zeide hij: "Neemt mij niet kwalijk, ik deed dat zoo maar!"
+
+Nu, die namen 't blijkbaar ook niet kwalijk en aten recht vergenoegd
+van de worst en de broodjes, zoodat den raadsheer van kwaadheid en
+afgunst de gal in de ledige maag kwam, en hun allen hun treurige
+toestand weder duidelijk werd, dien zij bij het gemakkelijk en warm
+zitten in den wagen, voor een poos hadden vergeten. Zij reden dus
+in den donkeren avond op Brandenburg aan, en waar eerst de broodmand
+gestaan had, in het achterdeel van den wagen, waren nu de bezwaren en
+zorgen en de treurigheid ingekomen, en die fluisterden hun allerlei
+angstwekkende verhalen in de ooren, en toen er een zwerm kraaien
+over hen heenvloog, zeide mijn oom Herse: "Ja, wat weet jelui van
+nood? jelui kunt lachen!" En de bakker zeî: "Dat volkje betaalt huur,
+noch belasting!" En de oude molenaar zuchtte en zeî: "'k Woû, dat ik
+een kraai was!"
+
+Maar in twee harten vond de zorg geene plaats; daar had de liefde
+haren intrek genomen, met haren ganschen hofstoet van geheime wenschen,
+en van hoop en vertrouwen; en die geheime wenschen liepen als flinke
+bruidsjuffers door 't gansche huis en al zijn' kamers, ruimden op,
+wat in den weg stond, en wischten het stof van de tafel en van de
+banken af, en maakten de vensterruiten schoon, zoodat men ver uitzien
+kon in 't schoonste landschap; en zij dekten de tafel in de helder
+verlichte zaal en spreidden het bed in de stille kamer en hingen
+frissche kransen van loof en bloemen over deuren en vensters en om de
+lijsten van de keurigste schilderijen. En de hoop stak hare duizend
+lichten aan en ging toen, heimelijk, stil in een' hoek zitten, alsof
+zij 't volstrekt niet geweest was; alsof hare zuster het gedaan had,
+de werkelijkheid;--en het vertrouwen stond aan de deur en liet niemand
+binnen, die geen bruiloftskleed aanhad, en zeide tot de zorg, toen die
+naar Fieken vroeg: "Ga uwen weg; de oude molenaar danst nog op onze
+bruiloft." En ze zeide tot het bezwaar, toen dat naar Hendrik vroeg:
+"Ga uwen weg; 't is alles in orde."
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom ik Frederik van den molenaar en geene prinses door
+ het Gulzowsche bosch zend; waarom Frederik tot den schout
+ Besserdich "schoonvader" zegt; waarom hij den hond uit den
+ oven lokt en waarom de politiedienaar Luth om zijn' eigen
+ burgemeester lacht.
+
+
+Indien eene der jonge dames, die dit boek lezen, zich wellicht ergert,
+omdat dit hoofdstuk met een' molenaarsknecht begint en niet met eene
+prinses, zoo gelieve zij te bedenken, dat er in 't geheel geene
+prinsessen voorhanden konden zijn, zoo er geen molenaarsknechts
+waren, en dat op sommige plaatsen een molenaarsknecht meer waard is
+dan eene prinses, bij voorbeeld op dit oogenblik voor mij. Want, als
+ik den Franschen "chasseur" weêr wil vangen, kan ik hem toch geene
+prinses met eene crinoline en satijnen schoentjes bij dezen weg en
+door dit weder door het Gulzowsche bosch nazenden;--daartoe is een
+molenaarsknecht beter geschikt, en bovenal Frederik van den ouden Voss.
+
+"Dumouriez!" zeide Frederik, terwijl hij het voetspoor van den
+Franschman volgde; "als de Fransoos tusschen hier en Greifswald zich
+ophoudt, voor den dag komen zal hij!"
+
+Frederik gaat dus den Franschen jager door het Stavenhager bosch
+en door het Gulzowsche bosch na en komt zóó op den Gulzowschen weg;
+maar daar was 't uit; 't was misgeschoten: er was daar geen spoor meer
+te vinden. Was de kerel links of rechts gegaan? Een tijd lang stond
+hij daar, alsof hij zijn zondagsoortje versnoept had, doch weldra
+werden zijne denkbeelden weder helder, en hij zeide bij zichzelven:
+"Zoo die kerel naar Stemhagen gegaan was, moest ik hem dat toch voor
+puur onverstand toerekenen. Neen, de rakker is naar Gulzow gegaan." En
+hij ging hem na.
+
+In Gulzow stond de boer Freier bij zijne heg en wierp steenen, zoo
+groot als de bol van een hoed, in een gat op den weg,--iets, wat ze op
+enkele plaatsen in Mekklenburg noemen: den weg verbeteren. "Goeden
+morgen, Freier! Hebt ge hier van morgen ook een Fransoos zien
+loopen?" vraagt Frederik.--"Een Fransoos?" vraagt Freier.--"Ja,"
+zegt Frederik, "een Fransche chasseur."--"Een chasseur?" vraagt
+Freier.--"Ja, in eene groene monteering," zegt Frederik.--"Te
+paard?" vraagt Freier.--"Neen, te voet," zegt Frederik.--"Wat moet
+die?" vraagt Freier. "Wat hij moet?" vraagt Frederik. "Niks moet hij;
+ik wil maar eens met hem praten."--"Wat heb jij met een Fransoos te
+praten?"--"Dumouriez!" zegt Frederik. "Wat heb jij, domkop, daarnaar te
+vragen? Ik vraag immers maar of je den kerel gezien hebt?"--"In eene
+groene monteering?" vraagt Freier.--"Ja," zegt Frederik.--"Met eene
+schako?" vraagt Freier.--"Neen, blootshoofds."--"Blootshoofds? En dan
+van morgen in zoo'n regen?"--"Ja, dat hoor je immers!" roept Frederik
+knorrig uit. "Antwoord dan toch, of je dien kerel gezien hebt?"--"Wacht
+eens! Hebben we van daag geen donderdag?"--"Ja," zegt Frederik.--"Neen,
+van daag niet, maar Maandag," zegt Freier, "toen zijn er hier een
+stuk of wat geweest, maar met blauwe monteering, en dan te paard;
+en van daag is mijn Samuel met voorspan naar Stemhagen." "Freier,"
+zegt Frederik, "dat voorspan had je niet naar Stemhagen moeten
+sturen, dat kan je zelf beter gebruiken, vooral als je de menschen
+antwoord moet geven."--"Hoe zóó?" vraagt Freier.--"En dan, Freier,"
+zegt Frederik, "dan weet ik nog een mooi baantje voor je; je zoudt
+kreeften naar Berlijn kunnen drijven; zoo'n kerel als jij, die komt
+daarmeê vooruit." "Hoe meen je dat?" vraagt Freier verwonderd.--"Och,
+dat zeg ik zóó maar," zegt Frederik.--"Nu, goeden morgen, Freier.--En
+als de Fransoos komt, dien ik zoek, zeg hem dan dat ik gezegd heb,
+dat jij gezegd hebt, dat jou grootmoeder je verteld had: als hij zei,
+wat hij zei, moest gij hem zeggen, had ik gezegd, dat hij tegen jou
+niet moest zeggen schaapskop.--En nu adjuus, Freier."--"Wat?" zegt
+Freier en kijkt hem na, terwijl hij het dorp doorgaat, en hij draait
+een steen van een pond of dertig in zijn' handen rond: "Wat? hij
+had gezegd, ik had gezegd?--Wat?--jij hadt gezegd, moest ik zeggen,
+hij moest tegen mij geen schaapskop zeggen? Wat?" En hij neemt den
+steen en gooit hem met alle geweld tusschen de anderen. "Entfaamte
+pruisische gauwdief! Zoo doet hij altijd."
+
+Frederik gaat verder. De oude schout Besserdich kijkt over de
+onderdeur. "Schout, hebt gij hier van morgen geen Fransoos zien
+loopen?--"Een Fransoos?" vraagt de schout. "Wel, dat volk is hier
+tegenwoordig juist zoo vreemd niet; maar, van morgen, zeg je?"--Nu,
+begint gij nu ook al te vragen?" zegt Frederik. "'k Wil u liever de
+historie vertellen, dat zal beter wezen."--Hij vertelde nu zóó--en
+zóó. "En,"--zoo besloot hij zijn verhaal, "voor den dag komen moet
+hij!"--"Dat moet hij, Frederik," zegt de schout. "En ik wil met je
+gaan, want ik ben er toch immers eenmaal voor aangesteld, en onze
+baljuw zeî laatst nog tegen mij: "Schout," zei hij, "op u rust
+het alles in Gulzow;" en toen gaf hij me een vel pampier en zeî:
+"deze zaak is pressant." Nu, ik liet mij dat door den veldwachter
+voorlezen, en toen hij dat klaar gekregen had, zei hij: "Schout, bij
+die zaak is haast."--"Neen, zeg ik, dat weet ik beter, mijnheer de
+baljuw heeft mij gezegd, die zaak is pressant, en als hij dat te voren
+gezegd heeft, dan heb ik nog altijd goed vier weken gedacht en 'k ben
+altijd nog bij tijds gekomen." En zoo kwam 't ook ditmaal uit. Maar,
+Frederik! jou zaak is niet pressant, maar die heeft haast; 'k zal
+nog maar eventjes mijn hoed halen, en dan kunnen we er op losgaan."
+
+Dit gebeurde, en zij gingen. Toen zij het dorp uitkwamen, sprak de
+schout: "Frederik, mijn Hannes,--je kent dien jongen toch wel; hij
+is nu in zijn zestiende, en ik dacht zoo, dat ik hem nog zoo'n jaar
+zonder vast werk woû laten rondloopen; hij hoedt hier de schapen op
+'t roggeveld; want, zie je! ik dacht ook zóó, 't voêr is toch krap,
+en in dit jaargetij vertrappen ze wel een' maaltijd op 't veld en
+dus joeg ik ze er uit,--zie je? die jongen kan mogelijk den kerel
+wel gezien hebben." Zij vragen 't nu aan Hannes, en de jongen heeft
+den kerel werkelijk gezien; hij is den weg naar Pinnow opgegaan. In
+Pinnow gaan zij bij den schoolmeester aan en vragen hem of hij geen
+Franschman gezien heeft.
+
+De schoolmeester heet Mosch, maar ze noemen hem altijd Vink; sommigen
+zeiden, omdat hij zoo mooi kon zingen, anderen, omdat hij zoo vlug en
+wakker was en met iedereen allerlei grappen maakte. De oude schout
+liet zich ook nu inderdaad door den vink bij den neus nemen; maar
+Frederik zag spoedig, hoe de vork in den steel zat; en, toen hij
+bemerkte, dat de vink zijne vrouw een knipoogje gaf, dat zij met hem
+uit één vaatje tappen zou, dacht hij: "Wacht, nu zal ik je wel beet
+hebben!"--Hij stond op en zeide, dat hij in de keuken een kooltje
+voor zijn pijp wou gaan halen.
+
+De vink praatte nu den ouden schout allerlei dwaze verhalen voor
+en toen de schout aan 't woord kwam en vroeg of hij den Franschman
+niet gezien had, zeide de vink: "Neen," en zijne vrouw zeide ook
+"neen!"--Terwijl zij nu den ouden schout zoo fopten, kwam Frederik
+weêr binnen en sprak: "Juffrouw! er is in uw' keuken zeker wat
+voorgevallen, want de ééne lat met worsten ligt op den grond."--De
+schoolmeestersvrouw loopt nu de kamer uit en komt met de lat weêr
+binnen, uitroepende: "Zie zóó! Dat hebben we daarvan; die vervloekte
+kerel heeft ons een worst gestolen."--"Wat voor een kerel?" vraagt
+Frederik.--"De Fransoos, daar jelui naar gevraagd hebt."--"Zoo! dus
+hij is toch hier geweest," zegt Frederik. "Wel zeker is hij dat! En
+Mosch heeft hem nog een borrel en een boterham gegeven, en heeft hem
+den weg gewezen naar Demzin." "Nu, adjuus dan!" zegt Frederik. "Kom
+schout! Verder willen we immers niks weten."
+
+"Schout," zegt Frederik, toen zij een eind weegs van Pinnow en van
+den vink af zijn; "gij zijt toch een soort van een gerechtspersoon
+en moet het weten; welke straf staat eigenlijk op 't stelen van
+eene worst?"--"Wel, Frederik," zegt de schout, "met worst ben ik in
+dat opzicht niet bekend; wat er op eene zijde spek staat, dat weet
+ik wel; want toen de oude manke schoenmaker er mij laatst een uit
+het rookhok had gehaald, liet de baljuw hem veertien dagen zitten,
+en dan kreeg hij er nog een stuk of twaalf op zijn baaitje."--"Dan
+zou 't juist niet zoo gevaarlijk wezen," zegt Frederik, "want als
+ik het daar naar bereken, hoeveel er op eene worst komt, dan is
+'t weêrgaasch weinig."--"Hoe zoo?"--"Wel, schout, zeg eens, als gij
+zeven varkens slacht, hoeveel zijden spek krijgt ge dan?"--"Veertien,"
+zegt de schout.--"Dat's niet waar," zegt Frederik. "Gij krijgt er
+maar dertien; ééne komt in de worst."--"Daar heb je gelijk aan!" zegt
+de schout.--"En hoeveel worsten maakt uwe vrouw dan wel van zeven
+varkens? Toch zeker wel een stuk of dertig; dus komen er dertig
+worsten op ééne zijde spek, en op ééne worst zou dus, als men 't mooi
+uitrekent, op zijn hoogst een halve dag en een halve slag komen, en
+dat estemeer ik voor een rechtvaardig en genadig recht;--nu kunt gij
+mij hier dadelijk op heeterdaad den halven slag in mijn nek geven,
+en den halven dag wil ik toekomenden zondagmiddag, in uw huis achter
+de kachel komen zitten,--want, kijk eens hier! Ik heb de worst van den
+vink weggenomen."--"Wat! Plaagt jou de duivel?" vraagt de schout.--"Die
+niet, maar de honger," zegt Frederik; en hij haalt de worst uit zijn'
+zak en snijdt er een stuk af. "Hier, schout! Die worst is goed, die
+kan men zonder brood eten."--"Neen," zegt de schout, "met gestolen
+goed wil ik niets te doen hebben."--"Hoe zoo, gestolen?" vraagt
+Frederik. "Dit is eene fourageering, zooals wij bij den hertog van
+Brunswijk zeiden, of een mondroof, zooals jelui 't noemt. En schout,
+ge zijt toch zeker ook dikwijls in den appelboom van den domeneer
+geklommen?"--"De drommel weet, wat jou van daag bezielt;--ja, dat ben
+ik, toen ik nog een kwâjongen was, maar nu heb ik groote kinderen, die
+ik met een goed voorbeeld moet voorgaan."--"'t Is waar," zegt Frederik,
+"en wat voor den een past, dat past niet voor den ander."--"Schout,"
+zegt hij, na eene poos, "hoe oud is je Fieken?"--"Wel," zegt de schout,
+en zijne oogen begonnen te schitteren, "Frederik, die deern, ik zeg
+je, die deern,--oud is ze niet, zij wordt pas achttien; maar, ik zeg
+je, wakker is ze als een honigbij." "Dat weet ik," zegt Frederik,
+"ik heb gisterenavond nog op 't Stemhager slot bij haar gezeten, en
+ik kan wel zeggen, ze is me zoo goed bevallen, dat ik in staat zou
+wezen, om ten haren gevalle te gaan trouwen."--"Nou! hoor eens aan,
+die is niet kwaad!" zegt de schout, en kijkt Frederik van boven tot
+onder aan.--"Ja," zegt Frederik, "en ik dacht, voor uw Frits is er
+wel wat anders te vinden, en gij wordt al oud, en als gij dan uwe
+rust woudt gaan nemen, dan zoudt ge ons de hofsteê kunnen geven,
+dan hadden Fieken en ik een mooi bestaan, en gij zoudt veel pleizier
+aan ons kunnen beleven."--"De hemel zal me bewaren!" roept de schout
+uit. "Dat meen je toch niet in ernst?"--"Waarom niet?" zegt Frederik,
+en richt zich in zijne geheele lengte op. "Zie ik er uit of ik gekheid
+maak?"--"Wat!" roept de oude schout, en gaat op hem af, "zoo'n oude
+bedelaar als gij zijt, die wou naar eene schoutsdochter vrijen? Mijne
+dochter, een jonge deern van achttien jaar?"--"Schout!" zegt Frederik,
+"pas op uwe woorden!--Oud, zegt gij? Kijk mij eens aan; ik ben in mijn
+beste jaren, tusschen de twintig en vijftig.--Bedelaar, zegt gij? Ik
+heb u nog om geen pijp tabak gevraagd. Maar, 't is waar, uw Fieken
+is heel wat jonger dan ik, doch daar geef ik niets om; ik neem haar
+toch, want zij is verstandig en weet dat zoo'n kerel als ik, die de
+wereld gezien heeft, meer waard is dan zoo'n boerenjongen met een'
+dikken rooden kop en vlashaar, die een dienaar maakt als een knipmes,
+en bij de menschen in den kamer spuwt."--"Hebt ge mijne dochter al
+gekheden in 't hoofd gepraat?" schreeuwt de oude schout hem toe en
+licht zijn stok tegen hem op.--"Halt, schout!" zegt Frederik. "Dien
+stok weg! Wat zouden de menschen zeggen als er verteld werd dat ik
+met mijn schoonvader al vóór de bruiloft, op den landweg gevochten
+had."--De schout liet den stok vallen.--"Schout," sprak Frederik,
+"'k ben wel in staat om van zoo'n Vink eene worst weg te kapen,
+maar, nooit van mijn leven daartoe, om zoo'n jong, lief schepsel
+tot haar ongeluk te bedriegen; ik heb uw Fieken geen gekheden in 't
+hoofd gezet."--De oude schout zag hem zoo van ter zijde aan, alsof
+hij zeggen wilde: de drommel mag jou vertrouwen!--maar hij zeide
+niets. Zij gingen nu verder, maar zij waren 't niet meer recht ééns.
+
+Toen zij dicht bij Demzin kwamen, stond daar een jonge klerk van den
+rentmeester en Frederik ging naar hem toe en vroeg: "Neem mij niet
+kwalijk, hebt gij hier geen Franschman gezien? en zóó--en zóó." De
+jonge man zegt: "ja; een klein uur geleden, is hier zoo'n kerel
+voorbijgekomen." Zij gaan het dorp door, en aan het andere einde heeft
+ook eene oude vrouw den "chasseur" gezien. "Nu hebben we hem gauw,"
+zegt Frederik. Doch, toen zij een weinig verder op het veld een ouden
+man aantroffen, die bezig was, om op den weg de toppen der wilgeboomen
+af te slaan, wilde die niets van den Franschman weten en zei dat die
+kerel hier sedert klokke zes 's morgens niet voorbijgekomen was.
+
+Wat nu? In die richting voortgaan? Dat zou eene ware ganzenjacht
+geworden zijn. Uit het dorp was de kerel toch gegaan; waar was hij
+gebleven? De schout krabde zijn hoofd; Frederik keek overal rond, bezag
+de gelegenheid en zeide eindelijk: "Schout, verder kunnen wij niet
+gaan, hier houdt het spoor op; wij willen dus de zaak overleggen; maar
+'t blaast hier drommelsch koud over 't open veld; laten we daarachter
+den bakoven [7] gaan zitten."--Nu, zij doen dat. "Wat ben ik toch
+een dwaas," zegt de schout, "om hier in zoo'n weêr en over zoo'n weg
+een Fransoos achterna te loopen!"--"Schoonvader, laat den Fransoos
+maar rusten," zegt Frederik, "hem krijgen we toch nog."--"Begint ge
+alweêr met je "schoonvader", jij, pruisische gauwdief?"--"Schout,
+wat ge niet zijt, kunt ge nog worden. Ik heb menschen genoeg gekend,
+die hebben voor dien naam hunne dochters en daarbij nog veel geld
+gegeven."--"Dan hebben ze daarvoor ook andere schoonzoons gekregen,
+dan gij zijt."--"Kijk me eens goed aan, schout," zegt Frederik, en
+hij gaat voor den schout recht overeind staan; "een avekaat ben ik
+niet en een dokter ook niet; maar ik heb gezonde kneukels, en kijk
+mijne handen eens, die kunnen van werken meêpraten. En zoo gij uwe
+eigene oogen niet vertrouwt, dan kunt ge 't immers aan mijn baas,
+den molenaar, vragen."--"Ei, weet je, wat die zegt? Die zegt, dat
+je wel een flinke kerel bent en dat je wel wat durft aan te pakken;
+maar dat je uitdrukkingen over je hebt, dwaze uitdrukkingen, waar geen
+hond om achter den oven vandaan zou komen." "'k Zal u straks bewijzen,
+dat dit onjuist gezien is. Maar nu, zeg eens schout, wilt ge mij uw
+Fieken geven?"--"Wat drommel!" zegt de schout, "ik dacht eerst dat het
+eene grap moest verbeelden, en nu geloof ik, jou rakker, dat je hier
+ernst van wilt maken."--"Schout," zegt Frederik, "met de hofsteê en
+dat gij uwe rust moest nemen, dat was gekheid; want uw Frits moet de
+hofsteê hebben, en gij zijt ook zoo oud nog niet; maar, met uw Fieken,
+dat is ernst, en eene hofsteê zal 'k gemakkelijk krijgen."--"Jou
+snoever," zegt de schout. "Kijk, dat is weêr zoo'n spreekmanier,
+zooals ik gezegd heb, waarmeê je geen hond achter den oven vandaan
+krijgt." "Dat wil ik u toonen!" roept Frederik.--"Pocher!" zegt
+de schout, terwijl hij opstaat. "Ik ga naar huis, en ga jij aan
+'t honden lokken, of vang jij den Fransoos." "Dien heb ik," zegt
+Frederik.--"Praalhans!" roept de schout.--"Schout," zegt Frederik,
+"wanneer in drie minuten de Fransoos voor u staat, en ik met mijn
+spreekwijzen een hond uit den oven lok, wilt gij mij dan uw Fieken
+geven?" En hij hield hem zijne hand tegen, "sla dan toe!"--"Jou,
+leugenaar!" roept de schout, "alleen, om 't je met een' langen neus
+te bewijzen, dat je een praalhans bent.--Ja!" en hij slaat toe.
+
+Frederik lacht zoo'n beetje in zich zelven; hij bukt naar de opening
+van den oven en roept: "Monsieur, allons, ici!--Allons, ici!"--En
+wat kroop er te voorschijn? De fransche chasseur. "Hemelsche
+goedheid!..." roept de schout.--"Pardon, monsieur!" roept de
+Franschman.--"Schout, wie heeft de weddingschap gewonnen?" vraagt
+Frederik. "Hier is de Fransoos en hier is ook de hond! Wie krijgt
+nu uw Fieken?"--"Pruisische schurk!" roept de schout, en licht den
+stok weder op. "Je wilt mij hier voor den gek houden, niet waar? Jij,
+mijn Fieken! Dan wil ik toch liever...."--"Schout," zegt Frederik,
+"laat uw stok rusten; de Fransoos wordt bang; kom liever hier,
+en help mij bij 't arresteeren; over de weddingschap spreken wij
+nader." "Pardon!" roept de Franschman er tusschen in. "Wat, hier
+en ginder! Pardon!" roept Frederik. "Waarom loop je onder den beuk
+vandaan, waar ik je had neêrgelegd? Dezen keer zal ik je op mijn'
+manier trakteeren; mamsel Westphalen is hier niet bij," en dit zeggende
+sneed hij hem de knoopen van zijne kleêren af; "en nu, allons, en
+avant!" En zoo gaat het dan nu voorwaarts door Demzin naar Pinnow heen.
+
+De oude schout loopt er, in den zwaren regen, stil naast, en is
+knorrig, 't meeste op zich zelven; en als hij de schuld op Frederik
+schuiven wil, dan moet hij telkens weêr zeggen: "Een schelm is hij,
+maar een drommelsche wakkere kerel is hij toch! Hoe hij dat toch wist,
+dat de Fransoos in den oven zat? En dan dat knoopen afsnijden! Nu,
+dat zal 'k dan toch onthouden!"
+
+Toen zij Gulzow naderden, zei Frederik: "Schout, wie drommel komt daar,
+dwars over uw bouwland, aandraven? Wat heeft die daar te jagen? Den
+regen kan hij toch niet ontkomen."--"Wel, sakkerloot!" zegt de schout,
+"dat is immers de bruine van den inspektor Bräsig, en die er op zit
+is zoo waar, de Stemhager burgemeester."
+
+En zoo was 't.
+
+Mijn vader kwam nader, en toen hij den Franschman zag en Frederik,
+zeide hij, dat de zaak nu wel zou schikken. "Maar," voegde hij erbij,
+"schout, nu naar uw huis, want ik ril in mijn binnenste van de koû
+en ben doornat."--"Dat zeg ik ook, mijnheer, wij zijn ook al mooi
+doorgeweekt."
+
+Toen zij bij den schout in huis gekomen waren, haalde zijne vrouw
+allerlei afgelegde kleêren voor den dag, doch het was ter nauwernood
+genoeg, want de slechte tijden hadden ook de kleêrkast van den
+schout erg uitgeplunderd, en ieder van hen dankte den hemel zoo
+hij maar iets vond, wat hem half en half paste! De oude schout kon
+geene andere huisvesting vinden dan in zijne eigene broek, Frederik
+zat heel deftig in den kerkjas van Frits, en mijn vader, die de
+kleinste was, moest zich met het korte buis van Hannes vergenoegen,
+'t geen de schout natuurlijk eerst niet toestond, en waar hij veel
+komplimenten over maakte. Maar, wanneer iemand uit een benarden
+toestand in veiligheid, en uit den regen op het droge gekomen is, dan
+laat de vroolijkheid zich lichtelijk vinden, en mijn vader lachte over
+zijne kleedij, dat de tranen hem over 't aangezicht liepen.--"Goede
+hemel!" zeide hij op eens en werd heel ernstig, "wij lachen hier,
+en onder ons zit een menschenkind, dat rilt niet alleen van koû, dat
+rilt ook van angst: wij zullen hem ten minste zooveel goed doen, als
+wij kunnen. Vrouw Besserdich, gij moet ook den Fransoos aan het een
+of ander helpen."--Dat ging nu slecht, en toen alles aangewend was,
+wat slechts eenigszins er voor paste, moest toch de dikke wollen rok
+van de oude schoutsvrouw nog het meeste te hulp komen.
+
+"Broêrtje, eet maar ferm!" zeide Frederik, toen zij bij het ruim
+voorziene avondeten zaten, en schoof den Franschman zoo'n stuk
+pekelvleesch toe van een pond of drie. "Eet, broer! Zoolang de
+mensch eet, zoo lang leeft hij nog."--En mijn vader kreeg medelijden
+met den kerel, hij sprak een paar woorden in 't Fransch tot hem: op
+deelnemenden toon, om hem te troosten, en de arme zondaar antwoordde
+zoo onderworpen, zoo weemoedig en bedrukt, dat het den ouden schout,
+ofschoon hij er niets van verstond, toch ter harte ging. Hij boog
+zich naar mijn vader toe en vroeg: "Mijnheer de burgemeester, willen
+we den kerel maar weêr laten loopen?"--"Neen," was het antwoord van
+mijn vader; "zoo gaat dat niet. De molenaar en de bakker zitten in
+bitter leed en zij hebben eene rechtvaardige zaak; en de Franschman
+zit ook in nood, maar hij heeft eene onrechtvaardige zaak, en het
+recht moet zijn loop hebben."
+
+Later komt Frits, de zoon van den schout, met de paarden den hof
+oprijden. Hij treedt binnen en zegt: "Goê'n avond, vader! Ik ben van
+de Fransozen weggeloopen."--Hij geeft zijn' vader de hand, gaat naar
+mijn' vader toe, die met den rug naar hem toegekeerd zit, en geeft
+hem een recht aardigen stomp in den nek, zeggende: "Goê'n avond,
+Hannes! Kan je ook je broêr niet eerst goê'n avond zeggen?"--Mijn
+vader springt overeind en keert zich om, en Frits staat daar als Loth's
+huisvrouw.--"Heere, bewaar me," roept de schout. "Dat komt hier binnen
+en slaat me den Stemhager burgemeester in mijn eigen huis! En zoo'n
+lummel wil eenmaal schout worden!"--"Laat hem met rust!" zegt mijn
+vader. "Doch, daarvoor zal hij van avond nog geene rust hebben; hij zal
+ons voor zijn straf van avond nog allen naar Stemhagen rijden."--"Door
+de heele wereld, burgemeester!" zegt Frits.--"Maar, hoe komt ge zoo
+laat t'huis?" vraagt de schout.--"Wel, vader, ik dacht zóó: als ze
+je krijgen, zal 't er slecht uitzien, en daarom trok ik de paarden
+in het bosch en ging op de loer staan, en woû wachten tot het avond
+werd, en toen ik zoo stond, kwam de politiedienaar Luth aanloopen;
+hij zei dat de Fransozen al lang weg waren, en dat de burgemeester
+ook aan den haal gegaan was, en hij hem nu zocht."--"Waar is hij dan
+gebleven?" vraagt mijn vader.--"Hij zal dadelijk komen," zegt Frits,
+"hij ging nog maar eens bij den schoolmeester aan."
+
+Luth kwam dan ook weldra, en toen hij naar mijn' vader vroeg en hij
+dien in 't korte buis van Hannes in 't oog kreeg, was 't uit met zijne
+boodschap; hij vergat alles, wat hij moest en wilde zeggen, en begon
+te schateren van lachen; mijn vader werd boos, want hij dacht niet
+meer aan zijne kleeding, maar aan mijne moeder en aan t'huis; hij
+pakt den politiedienaar bij den kraag en roept: "Luth, zijt gij gek
+geworden? Hoe maakt het mijne vrouw en mijne kinderen?"--"Kostelijk
+in orde, burgemeester! Ha, ha, ha!--En mijnheer de baljuw leest uwe
+vrouw wat uit de boeken voor, en mamsel Westphalen stopt Frits op
+met appelen en lekkers, maar,--ha, ha, ha!--neem 't mij niet kwalijk,
+ik moet lachen."--En Frederik begon ook te lachen, en de oude schout
+ook, en Frits, en de vrouw van den schout zeiden dat mijnheer de
+burgemeester er toch ook heel kluchtig uitzag.--Mijn vader was nu
+lichter om 't hart geworden en lachte dapper mede. "Luth, lach maar
+goed uit," zeide hij, "maar lach wat vlug ook! want 'k heb wat voor je
+te doen, daar haast bij is.--De Fransozen hebben immers den mantelzak
+met het geld en het zilverwerk meêgenomen, niet waar?"--"Ja, mijnheer,
+'k heb gezien, dat zij 't wegdroegen."--"Haast je dan wat. In den stal
+staat de bruine van den inspektor Bräsig, neem dien en draaf, wat ge
+kunt, naar Kittendorp, naar mijnheer den landraad von Urtzen,--want,
+van dáár zijn gisteren de Fransche jagers gekomen, en daar zullen
+de lepels ook wel van afkomstig zijn;--en vertel gij dan aan den
+landraad, hoe 't ons in Stemhagen gegaan is, en verzoek hem u een
+vertrouwd persoon mede te geven, die omtrent de lepels een eed doen
+kan. Op die wijze kon hij mogelijk zijn eigendom nog terugkrijgen.--En
+maak nu dat ge weg komt. En, Frits, span gij nu dadelijk in!"
+
+Het duurde ook heel kort, of zij zaten allen op den wagen; slechts
+den schout wilde moederlief niet laten meêgaan.--"Je hebt daar niks te
+maken, je kunt t'huis blijven," zeide zij.--"Moeder," zeide de schout,
+en hij zette zijn' éénen voet in het rad en den anderen op de as,
+en keek van boven af om; "dit is tegen onze afspraak. Jij bent baas
+in huis en ik ben baas in mijne schoutszaken, en een' gevangene te
+transpireeren is eene schoutszaak." En, met die woorden klemt hij
+zich met Frederik en den Franschman op éénen zak. "Zoo, Frits, nu
+maar voort, ju, ju!"
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom Frederik eigenlijk geen gauwdief was; waarom keizer
+ Napoleon niets met den raadsheer te doen wil hebben, en waarom
+ de overste met den raadsheer geheimen heeft.
+
+
+Voor het raadhuis te Stavenhagen hield de wagen stil, en met één
+sprong was mijn vader van zijn' zak af, en zeide tot de anderen,
+dat zij nog eene poos stil zouden blijven zitten, totdat hij hen
+roepen zou.--Toen hij op de gang kwam, ontmoette hem Marieken Wienk,
+met een licht, want het was inmiddels donker geworden. Marieken, ons
+dienstmeisje, had bijna het licht laten vallen en wilde juist gaan
+schreeuwen, toen zij mijn' vader in de kleêren van Hannes herkende;
+hij trok haar echter schielijk in zijne kamer en zeide: "Hou je
+stil, Marieken, ge zijt immers een verstandig meisje!"--Marieken
+was vrij droomerig, maar niets helpt de domheid beter voort dan dat
+zij wijsheid wordt genoemd; 't werd in Marieken's hoofd ook heel wat
+helderder.--"Is mijnheer de baljuw nog hier?" vroeg mijn vader.--"Ja,
+mijnheer."--"Zet dan dat licht neêr en ga naar binnen, in de kamer,
+en laat mijne vrouw niets merken, maar zeg aan den baljuw dat er
+iemand is, die hem verlangt te spreken, en breng hem dan bij mij."
+
+Nu, dat gebeurde, en de oude heer kwam binnen en zeide: "Goeden
+avond, mijn jongen; wat wilt gij, en wat doet ge hier in de kamer
+van den burgemeester?"--"Mijnheer de baljuw, hoe maken het mijne
+vrouw en mijne kinderen?"--"Wel jongske, wat weet ik van jou vrouw en
+kinderen? Hoe kom jij aan vrouw en kinderen?"--"Wel, heere, bewaar
+me!" roept mijn vader uit, "kent gij mij dan niet? Ik ben immers
+de burgemeester!"--"O, zoo, dan is 't eene andere zaak!" roept de
+oude heer. "Dat is toch eene geheel buitengewone zaak! De consul
+Stavenhageniënsis in een kort buisje!--Maar, wat zegt Horatius? Nil
+mirari, zegt hij. Vooral in deze tijden, kindlief."--"Mijnheer de
+baljuw, mijne vrouw!"--"Zij weet dat gij ontkomen zijt, kindlief,
+en zal zich zeer verheugen."--"Maar....?"--"Neen, 't zal haar geen
+kwaad doen, ook niet als ze u in dat korte buis ziet. Kom maar mede!"
+
+Alle verrassingen deugen geen zier, zelfs niet de goede. Wanneer
+de blijdschap ons plotseling in de ooren dreunt, alsof twee dozijn
+muziekanten tegelijk, dicht bij ons, achter de struiken, zoo luid
+mogelijk beginnen te spelen, dan schokt het ons door hart en hoofd,
+en het schoonste lied wekt niets dan smart. Neen, ik houd meer van de
+blijdschap, die tot mij komt als een zangvogel in een boschje, altijd
+nader en nader, van tak tot tak, totdat hij ten laatste van den dichtst
+bij zijnden boom zijn liedje mij heel duidelijk in de ooren zingt.
+
+De blijdschap kwam bij mijne moeder in 't eerst wel een weinig haastig,
+maar dat was doorgestaan; nu kwam zij van tak tot tak, en toen mijn
+vader de kamer inkwam, zong zij haar lied haar heel duidelijk in
+de ooren; en toen de vogel eindelijk zelf in een kort buisje kwam,
+toen was 't haar alsof hij haar allerlei zwaaien en sprongen in
+'t boschje voordeed, zoodat zij er hartelijk om lachen moest.--De
+herinnering aan dezen dag is in ons huis levendig gebleven tot in
+veel lateren tijd; wanneer mijn vader, onder werk en zorgen, eens
+recht vroolijk t'huis kwam, dan zeiden wij onder ons: "Vader heeft
+van daag 't korte buisje aan!"
+
+Toen de blijdschap ten halve bedaard was, begon de oude heer: "En de
+Franschman hebt gij dus ook medegebracht, jongenlief!"--"Ik niet,"
+zeide mijn vader; "Frederik van den molenaar heeft wel het meest
+daaraan gedaan, en de Gulowsche schout heeft hem geholpen."--"Zoo? Die
+Frederik moet een drommelsche wakkere vent wezen, een uitgeslapen
+kerel; wij zullen hem eens binnen laten komen."
+
+Frederik kwam en de schout ook. "Zeg eens, mijn zoon, zijt gij het,
+die den Franschman van den wagen gesmeten hebt?" Frederik dacht bij
+zich zelven: Wat? Dit schijnt wel weêr een gerechtsdag te worden,
+en daar hij die vraag met "ja" beantwoorden moest, zette hij
+zich dadelijk in postuur en wachtte af wat er van komen zou. "Ja,
+mijnheer," zeide hij.--"Weet ge dan ook wel, dat gij den molenaar
+in groote verlegenheid gebracht hebt?"--"Verlegenheid? Hij is aan
+verlegenheden gewend, en ééne verlegenheid meer zal hem geen kwaad
+doen."--"Zijt gij het, die den mantelzak van het paard van den
+Franschman hebt genomen?"--"Ja, mijnheer."--"Hebt ge u daarbij
+niet, door het nemen van een achtgroschen, aan het eigendom van
+den Franschman vergrepen?"--"Ik heb mijn' eigen achtgroschen maar
+weêrom genomen," zeide Frederik en vertelde het geval.--"Gij hebt die
+tegen wet en recht genomen: en hoe wordt zoo iemand genoemd, die dat
+doet?"--Frederik zag den ouden heer vrijmoedig aan, maar sprak geen
+woord. "Schout Besserdich, hoe wordt zoo'n mensch genoemd?"--"Met uw
+permissie, mijnheer de baljuw, een gauwdief," zei de oude schout. "En
+dat is hij, mijnheer; hij heeft vandaag nog van den ouden Vink eene
+worst uit het rookhok gestolen, en zoo'n kerel wil met mijn Fieken
+trouwen?"--"Wat wil hij?"--"Mijn Fieken, mijnheer, die bij u dient,
+mijnheer, daar wil hij meê trouwen, mijnheer."--"Zóó, zóó?" zeide de
+baljuw en keek Frederik van boven tot beneden aan, "dat is dan eene
+andere zaak!--Mijn zoon, dan kunt gij heengaan, maar ik zal er aan
+denken, wat gij gisteren en heden gedaan hebt."
+
+Frederik ging en was in zijn hart boos op den schout en op den
+baljuw. "Waar wil hij aan denken?" vroeg hij zich zelven af, toen
+hij op de gang stond. Had hij echter geweten wat die woorden bij den
+ouden heer beteekenden, dan zou hij er wel niet zóó naar gevraagd
+hebben, want ten kwade dacht de baljuw nooit ergens meer aan; het
+kwade ging bij hem spoedig voorbij, dat liet geen indruk bij hem na,
+en hij schrapte het door; maar ontmoette hij het goede op zijn weg,
+dan was hij bang, dat het hem soms door 't hoofd mocht gaan, dan zeide
+hij: "Netje, Frits Sahlmann, Westphalen, kinderen! helpt er mij toch
+aan denken."
+
+Toen Frederik de deur uit was, keerde de oude heer zich om en
+lachte van ganscher harte. "Netje," zeide hij, "de worst van Frits
+Sahlmann, van dezen morgen, krijg je niet weêrom, die moet de Vink
+in Pinnow hebben, want als deze bengel, die Frederik, met Fieken
+van den schout wil trouwen, dan moeten we toch eerst weêr een
+eerlijk man van hem maken."--"Ja," riep mijn vader, terwijl hij
+een achtgroschenstuk op de tafel legde, "en hier is het geld, dat
+hij den Franschman ontnomen heeft."--"Wel nu, schout, zeg, wanneer
+wordt nu de bruiloft gehouden?" vroeg lachende de oude heer.--De
+oude schout stond daar en trok een gezicht, alsof iemand hem van
+achteren een bril van voetzolen had opgezet; hij wist niet wat
+om hem heen gebeurde. "Mijnheer de baljuw," zeide hij ten laatste,
+"die kerel is toch maar een bedelaar." "Schout," hernam de oude heer;
+"die zaak kan veranderen. Er zijn in deze tijden in ons rechtsgebied
+boerenhofsteden open gekomen, en wie weet, hoe de hooge hertogelijke
+kamer daarover denkt."--"Ja, maar hij is toch ook een gauwdief,
+mijnheer."--"Schout, dat wou 'k toch nog wel eens van je hooren. Toen
+de kerel van morgen die acht groschen uit het valies genomen heeft,
+had hij toen het geheele ding niet kunnen houden? Wie zou daar iets van
+geweten hebben? En, als hij het op zijn nek had genomen, en daarmede
+over de pruisische grenzen gegaan was, zou daar dan een haan naar
+gekraaid hebben? Derhalve."--"Ja, mijnheer, maar toch die acht groschen
+en die worst?"--"Het eene heeft hij in zijn onverstand voor zijn
+recht aangezien, en het andere voor een grap." "Ja, mijnheer," zegt
+de schout, zijn hoofd krabbende, "al is dat alles ook zoo, mijn Fiek
+is toch te jong voor dien ouden knaap."--"Met uw verlof, mijnheer de
+baljuw," viel mamsel Westphalen hierop in, "dat ik in gerechtszaken en
+boerenaangelegenheden meêspreek.--Schout Besserdich! dat 's een flauwe
+bedenking van je; want als je Fiek nog eene jonge, onervarene deern is,
+dan is 't goed, dat zij een ervaren man krijgt, want dat is altijd
+goed uitgekomen. En, mijnheer de baljuw, neem het mij niet kwalijk,
+hij is een geresolveerde kerel en goed in dezen tijd te gebruiken en
+gisterenavond,--ik wil niks niemendal tegen mijnheer Droi zeggen,
+want hij moet weten wanneer het tijd is met geweer en sabel op een
+mensch af te gaan,--maar gisteren ging Frederik geheel alleen op den
+Fransoos aan, en al waren ook zijne redeneeringen voor uwe kamer en
+voor mijne ooren niet fatsoenlijk genoeg, zoo zeî ik toch in mij zelve:
+dat is een kerel, die durft. En, schout Besserdich, die twee passen
+voor malkaâr, want, wat hij met daden heeft, heeft zij met woorden;
+en, mijnheer de baljuw, zij kan zich een kerel van 't lijf houden,
+want zij heeft een gezegend mondwerk, dat zeg ik."
+
+De oude schout keek mamsel Westphalen aan en dan weêr mijnheer
+den baljuw; hij was geheel ontsteld; al de tegenwerpingen, die hij
+gemaakt had, waren wederlegd; hij zocht naar nieuwe en vond die niet,
+totdat hem ten laatste datgene inviel, wat hem op 't laatst altijd
+inviel; hij krabde zich dus achter de ooren en zeide: "Ja, mijnheer
+de baljuw, ik moest eerst hooren wat moeder ervan zegt."--"Best, mijn
+lieve schout! Maar in de allereerste plaats moest gij hooren wat uw
+Fieken ervan zegt. Wat mij betreft, 'k heb u maar willen aantoonen,
+dat deze Frederik geen gauwdief is."
+
+Hiermede was dan deze zaak voorloopig tot op Sint Nimmermeer
+uitgesteld. De vrouw van den baljuw was met mamsel Westphalen reeds
+weder naar het slot gegaan, en bij het overige gezelschap liet zich
+de vermoeidheid gevoelen, toen de politiedienaar Luth van zijn rit
+naar Kittendorp terugkwam en mededeelde dat mijnheer de landraad
+vele groeten liet doen en zijn eigen kamerdienaar had meêgegeven,
+ter zake van het zilverwerk.
+
+Daardoor was alles dan nu mooi in orde gekomen; de baljuw schreef
+nu nog een brief aan den Franschen overste; mijn vader gaf Luth
+nauwkeurige inlichting, wat hij te doen en te zeggen had; Frederik
+en Luth namen den "chasseur" tusschen zich in, op den wagen; de
+kamerdienaar en Frits Besserdich gingen voorop zitten, en zoo ging het
+voort, in den donkeren nacht en door den zwaren weg, naar Brandenburg.
+
+"Ja," zeide de oude schout, toen hij alleen, in de duisternis naar
+Gulzow terugging, "jelui hebt goed praten! Zoo'n baljuw en zoo'n
+burgemeester, en mamsel Westphalen op het slot, dat zijn voorname lui,
+die hebben niemand boven zich; maar zoo'n schout wordt van iedereen
+gekommandeerd. Ja, als moeder er niet was! En als die kerel geen
+gauwdief was, en hij was een jaar of tien jonger, en hij had een
+boerenplaats, en mijn Fieken woû hem hebben, ja, dan--dan--kreeg hij
+haar toch niet, want moeder zou 't niet toestaan."
+
+Geen mensch kan het mij nu ten kwade duiden, dat ik bij het vertellen
+van eene vroolijke historie, geen lust heb vreeselijke verhalen
+er tusschen te voegen, en daarom spreek ik niet meer dan noodig is
+van den Franschen "chasseur;" ik zeg er niets van, hoe hij te moede
+was, toen hij in Brandenburg kwam, en toen hij voor den krijgsraad
+stond; niets daarvan, hoe de angst, de doodsangst steeds nader kwam,
+toen hij het loon voor zijne booze daad zou ontvangen. En indien
+ik het ook wilde, zoo zou ik het niet kunnen doen, want ik schrijf
+maar van zaken die ik ken, en deze zaak ken ik niet; ik heb 't van
+mijn leven niet over mijn hart kunnen krijgen, om een armen zondaar
+nieuwsgierig te gaan bekijken op zijn' laatsten gang en toe te zien,
+hoe de eene zondaar den ander door een menschelijk oordeel, voorbarig
+voor den rechterstoel van den Heer onzen God brengt.--Maar, dat was nu
+eenmaal zoo, en dat geschiedde ook zoo; en toen zijn bloedig lichaam
+op het zand lag, heeft wel niemand er aan gedacht, dat de kogels,
+ver weg in Frankrijk, veel dieper in een ander hart gedrongen waren,
+dan in het zijne,--ik meen in het hart zijner oude moeder.
+
+Ik wil dan alleen vertellen, dat door de uitlevering van den levenden
+Franschman de molenaar en de bakker van de verdenking dat zij een moord
+zouden gepleegd hebben, vrij kwamen; en dat door zijne bekentenis
+en door de getuigenis van den inspektor Bräsig en den kamerdienaar,
+de landraad Von Urtzen zijn eigendom wederkreeg, en dat de overste Von
+Toll, toen de auditeur het geld wilde terughouden, als onbeheerd goed,
+op strengen toon zeide dat zijn regiment niet met roof en diefstal
+zou bezoedeld worden. Hij stond op, nam het valies, en sprak tot Luth:
+"Mijn goede vriend, gij schijnt mij toe, een verstandig man te wezen;
+neem dezen verzegelden mantelzak en geef dien aan den baljuw, den heer
+Weber, opdat hij daarmede handele, zoo als 't hier te lande als recht
+geacht wordt." Luth ontving een geschrift daarbij, en aldus was die
+zaak afgedaan.
+
+Maar nu ontstond er eene zwarigheid, waaraan niemand gedacht had;
+wat moest er van mijn oom Herse worden? Toen de molenaar en de bakker
+en al de anderen de gerechtszaal uit, en van hem weggegaan waren,
+stond daar mijn oom Herse nog, als een statige, eenzame eikeboom
+in eene houtvelling, dien de houtvester alleen om zijne statigheid
+verschoond had.--De overste zag hem verwonderd aan en vroeg hem:
+"Waarom staat gij hier nog?"--Oom Herse bewoog zijne takken en aan
+zijn donkerrood gelaat was het te zien, dat in zijn' top de stormwind
+begon te ruischen. "Dat wilde ik u vragen," was zijn antwoord. Zoo in
+dit oogenblik een vreemdeling de deur was binnengekomen, zou hij 't
+wel gelaten hebben, te beslissen wie de overste en wie de raadsheer
+was. Zij hadden beiden een deftigen uniform aan; en beiden hadden
+een voornaam, trotsch voorkomen, doordien zij beiden gewoon waren te
+bevelen;--was de overste een paar duim langer, zoo was mijn oom een
+halven voet dikker; kon men bij den overste den krijgsman onder zijn
+neus zien, zoo had mijn oom dien over 't gansche gezicht, want hij
+had zich in een paar dagen niet kunnen scheren; de oude dokter Metz
+had eergisteren overgeslagen, en wat den dag te voren en gisteren
+en vandaag gegroeid was woog rijkelijk op tegen den knevel van den
+Franschman.
+
+"Wie zijt gij?" vroeg de Franschman.--"Ik ben een raadsheer, een
+Stavenhager raadsheer," zeide mijn oom. Dat scheen den Franschman nu
+toch eenigszins te treffen; hij liep op en neder en bleef eindelijk
+voor mijn oom staan, zeggende: "Ik zie er geen voordeel voor keizer
+Napoleon in, om nog langer met u in het land rond te trekken. Gij kunt
+henengaan."--Zoo iets was mijn oom nu toch niet gewoon. "Mijnheer,"
+riep hij uit, "deze behandeling..."--"Het doet mij oprecht leed," viel
+de overste hem in de rede, "dat men u in 't geheel geïncommodeerd
+heeft. Gij moet wezenlijk bij vergissing medegenomen zijn."--Dat
+was dan nu toch voor mijn oom al te erg! Hij had zich den geheelen
+weg langs, in den barren winternacht, daarmede getroost, dat hij een
+uitverkoren slachtoffer was van den korsikaanschen draak, en nu zou
+dat alles eene eenvoudige vergissing wezen? Hij had in zijne onschuld
+ten minste op eene openlijke verklaring tot herstel zijner eer, voor
+het front van een geheel Fransch regiment, gerekend, en thans schopte
+hem,--met permissie gesproken,--de Fransche overste met den voet voor
+het allerdierbaarste en zeide, dat hij kon vertrekken.--"Een man,
+gelijk ik ben," riep hij uit, "uit vergissing medegenomen!" "Gij moogt
+nog van geluk spreken," zeide de overste en klopte hem, vriendelijk
+lachende, op den schouder; "in den oorlog komt menigmaal wat ergers
+voor; daar wordt menigeen uit vergissing doodgeschoten. Zie de zaak als
+eene beproeving van den hemel aan."--"Als dit eene beproeving wezen
+moet," zegt mijn oom, "dan is 't wel een zeer domme."--De overste
+lacht en neemt mijn oom onder den arm.--"Kom, mijnheer de raadsheer"
+zegt hij, "ik ben recht vergenoegd gestemd, dat die zaak zóó afgeloopen
+is en dat ik den baljuw heb kunnen tevreden stellen. En ik zou gaarne
+nog een paar woorden in 't geheim en onder vier oogen met u willen
+spreken." In 't geheim en onder vier oogen, dat waren woorden, waaraan
+mijn oom Herse geen weêrstand kon bieden; hij volgde dus den overste.
+
+"Mijnheer Herse," sprak de overste, toen zij buiten, op de markt, voor
+het logement "In den gouden knoop," stonden, waar het hoofdkwartier
+was;--"mijnheer Herse, wees zoo goed den ouden, braven baljuw te
+zeggen, dat ik hem nog hartelijk laat groeten, en nu ik gelukkig aan
+zijn verzoek heb kunnen voldoen, moge hij ook trachten het mijne
+te vervullen; mijn verzoek is dat hij, indien zulks met recht kan
+geschieden, het onbeheerde geld aan het lieve meisje doe toekomen,
+dat mij gisteren onderweg den brief van hem heeft gebracht. En,
+mijnheer Herse, gij zult wel inzien dat dit geheim gehouden moet
+worden, want anders kon de baljuw daardoor in verdenking komen."--Nu
+was mijn oom Herse weder recht in zijn element. "Gij meent immers
+Fieken?" vroeg hij schielijk. "Fieken, de dochter van den molenaar
+Voss, die daar staat?" En hij wees op Fieken, die, een weinig ter
+zijde, bij haren vader stond en haren arm om zijn hals geslagen had
+en van blijdschap schreide.--"Ja, die meen ik," antwoordde de overste,
+naar het paar toegaande.
+
+Fieken liet haren arm van haars vaders hals los, maar hare tranen kon
+zij niet terughouden, en toen de overste naderbij kwam, was 't haar,
+alsof ze nog meer moest schreien, en toen hij haar de hand gaf, maakte
+zij stilzwijgend eene dienaresse; zij kon geen woord uitbrengen. Zoo
+lang de nood, gelijk een sombere nacht, haar had bezwaard, zoolang
+was zij kalm en stil, zonder rechts of links om te zien, haren weg
+gegaan, en het vertrouwen op God alleen had haar, als eene heldere
+ster, licht geschonken; thans, nu de zon was opgegaan, stond zij stil,
+haar hart bloeide als eene schoone roos opwaarts naar het licht, de
+frissche morgenwind speelde in hare bladeren, zoodat zij kon uitzien
+naar alle zijden, en de morgendauw viel op de aarde neder.
+
+De oude molenaar stond ook zwijgend voor den overste; toen die
+hem echter vroeg of hij de vader van dat meisje was, kon hij geene
+woorden genoeg vinden. "Ja, mijnheer," zeide hij: "en hoewel het
+waar is misschien, wat mijnheer onze baljuw zegt, dat jongens beter,
+en meisjes te week zijn, want, dat zijn ze, mijnheer, zooals gij aan
+Fieken zien kunt,"--en daarbij wischte hij zelf de tranen uit zijne
+oogen,--"zoo weet ik u toch voor uwe goedheid niets beters te wenschen,
+dan dat onze goede God u eenmaal zoo'n lief deerntje moge schenken,
+als mijn kleine Fieken is." De overste dacht er misschien ook wel zoo
+over, doch hij zeide het niet; hij keerde zich schielijk naar Fieken
+toe en vroeg haar: "Zeg eens, lief meisje, kunt ge schrijven?"--"Ja,
+mijnheer," zeide Fieken, nijgende. "Zij kan alles," zeide de molenaar;
+"zij kan geschreven schrift lezen en zij kan schrijven als een
+schoolmeester; want zij moet voor al mijn schrijfwerk zorgen." "Welnu,
+lief kind," sprak de overste, "schrijf mij dan hier je naam eens in,
+en de plaats, waar ge t'huis behoort; maar in 't platduitsch."
+
+En Fieken schreef in het zakboekje van den overste: "Fieken Voss,
+op den Gielowschen molen, onder Stemhagen."--De overste las het,
+maakte zijn zakboekje dicht, gaf haar en haren vader de hand en ging
+weg, met de woorden: "Vaartwel; wij zullen elkaâr misschien nog wel
+eens ontmoeten!"
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad
+ Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader
+ Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van
+ Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.
+
+
+Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg
+twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude
+heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook
+mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth
+op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl
+Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.
+
+Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te
+spreken. "Zie zoo!" zeide hij: "uit die val zijn wij gelukkig
+ontkomen." "Ja wel, raadsheer," antwoordde de oude bakker Witt,
+"en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester,
+maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. "Al naar
+dat men het aanziet, baas Witt," hernam oom. "Ik, voor mijn persoon,
+heb niets tegen die drie, en dat de "chasseur" terecht gekomen is,
+heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt
+gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor
+de deur heeft gesproken?" "Ja, mijnheer." "Nu, laat mij u dan zeggen,
+indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig
+gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze
+weggebracht hebben." "Dat mag de drommel weten!" riep de oude bakker,
+en keek den raadsheer zoo'n beetje van ter zijde aan.--Mijn oom zeide
+niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit
+naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker
+behoorlijk wilde laten werken.--Dit mislukte echter; het hoofd van
+den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken
+gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand
+toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde
+op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe
+vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers
+woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.--"Baas
+Witt," hernam de raadsheer, na een poosje, "'k wou dat ik in Stemhagen
+was."--Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide
+dus: "Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden." "Zoo
+meen ik het niet," sprak mijnheer de raadsheer, "ik meen wegens onze
+ontvangst." Nu liep de pint bij den bakker weêr over. "Hoe zoo?" vroeg
+hij. "Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort." Nu druipt
+het uit de maat tappelings op den grond. "Ontvangst?--Eerepoort?--Hoe
+zoo?--Komt onze hertog dan?"--"Baas Witt, die komt niet; maar wij
+komen."--Doch nu was 't bij den ouden Witt juist alsof iemand hem,
+terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft
+uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles
+door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging
+van den raadsheer eene plaats krijgen. "Baas Witt, ik zeg: wij
+komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijk onze stad is, niet
+even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor
+het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een
+hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die
+denken er niet aan!--Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij
+eens zoo'n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook
+naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden,
+baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van
+den toren blazen kan hij; verder niets.--Ja, als ik er was!"--"Maar,
+mijnheer Herse," zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens
+bedaard werd, "in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen
+vandaan halen?"--"Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de
+oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe
+heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen
+zetten?"--"'t Is waar," sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel
+en al vol. "Wat zegt gij, molenaar Voss?" vroeg de raadsheer.--"Ik zeg
+volstrekt niets, mijnheer de raadsheer," zeide de molenaar, terwijl
+hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er
+een toegetrokken tabakszak over zijn' schouder keek; "ik zeg volstrekt
+niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik
+niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd,
+heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd."--"Hoe dat zoo?" vroeg mijn
+oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.--"Hm,"
+zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af,
+zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet,
+daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte
+naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf
+in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar
+'t was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.
+
+Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht
+gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd
+open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den
+grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske
+van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart;
+hij moest een goed werk tot stand brengen. "Baas Witt," sprak hij,
+"ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier
+komen; ik heb wat met hem te praten."
+
+Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid
+met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak
+zeer zacht met den molenaar. "Molenaar Voss," zeide mijn oom, "ik
+help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar
+eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een
+geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is
+'t niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor
+u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na
+en neem de zaak in handen, want, ziet gij"--en, dit zeggende haalde
+hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,--"ik ben er toe
+gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche
+letters verkeerd lezen?"--De oude molenaar antwoordde, dat hij ze
+noch recht, noch verkeerd lezen kon.--"Nu, het komt er ook niet op
+aan. Hier staat: Not. Pub. Im. Caes. dat beteekent, ik ben Notarius
+publicus, en Im. Caes. beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad
+kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene
+voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan
+niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden
+baljuw. De zaak blijft geheim."--Dat beloofde de molenaar dan ook.
+
+Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op
+den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den
+achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef
+niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag
+immers achter in 't afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord
+voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.
+
+Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann,
+die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep:
+"Zij komen, zij komen!" Hij had op den molenberg al twee uren op post
+gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem
+gescheld en was op 't laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.
+
+"Zij komen!" riep de bengel.--"Is 't waar, jongen?" vroeg de oude
+Rickert, die klokluider was.--"Ja, vader Rickert, ze zijn al op de
+weide."--En de oude Rickert zeide bij zich zelven: "Dan is 't niet
+anders, dan moet ik er het mijne aan doen!"--Hij ging naar den toren
+en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon,
+trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren
+uitloopen. "Zij komen!--Zij komen!"--"Wie komt?"--"De raadsheer Herse,
+en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!"--"Hoera!" riep
+Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn' arm in de lucht, maar hij had
+vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.--"Hoera!" riep
+Tröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. "Maar,
+kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!" en hij stiet de vrouw
+van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist
+bij mamsel Westphalen gehaald had.--"Oera!" riep mijnheer Droi,
+die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders "in negligé," en
+achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden:
+"Vive l'empereur!" toen juist de raadsheer, op den eersten wagen,
+door den volkshoop kwam aanrijden.
+
+Hij zat echter op zijn' zak, en hield de geheele straat langs,
+de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de
+rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de
+aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: "Voss, dit doet
+mij de eerepoort vergeten."--En de oude molenaar keek den raadsheer
+aan, om te zien, hoe die het deed, en toen deed hij 't ook zoo, en
+hij antwoordde mijn' oom: "Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan
+Itzig."--De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen,
+waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze;
+en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den
+wagen af: "Goeden dag, oude!--Goeden dag, Bank; hoe maakt het je
+bochel?--Goeden dag, Johan!--Goeden dag, Strüwing!--Wel?--Alles
+wel?--Hoe is 't met de varkens?"
+
+Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine
+witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in 't hart van
+oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven
+overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. "Tante," zeide
+hij, half overluid;--"tante!"--want hij noemt zijne eigene vrouw altijd
+"tante," en zij noemt hem daarom "oom,"--"tante, ik kan uwen wenk niet
+opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en
+niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te
+doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.--Bakker
+Witt," riep hij, en daarbij drukte hij zijn' driekanten hoed dieper
+in de oogen; "naar 't raadhuis!" De raadsheer had over den huisvader
+en oom de zege behaald.
+
+Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in
+keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor
+den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van het slot. Marieken Wienk
+dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken,
+om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet
+voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam
+hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.--Mamsel Westphalen
+stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit
+allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van
+de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de
+baljuw stond daarbij en was altijd aan 't proeven, en schudde het hoofd
+en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide:
+"Mamsel Westphalen, zóó is 't goed!" En hij keert zich om en zegt tot
+mijne moeder: "Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens
+laten: de punch geef ik." Mijn vader was met den kurketrekker aan 't
+werk, en Luth zorgde voor 't schenken, en de kamerdienaar stond bij
+de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd
+en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het
+zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren
+schoot.--Ja, 't was een schoone avond. Frederik stond aan de deur,
+paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog
+zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem
+en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk,
+of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn' neus snoot. En
+Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de
+handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij
+haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: "Zult ge ook zooveel van mij
+houden?"--Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak
+met hem in 't geheim.--Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss
+in 't geheim te spreken?--De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte
+zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over 't proces was,
+zeide hij tot Witt: "Zoo! met het princes heb ik het nu in orde;
+nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal 'k van avond in de
+punch soppen." "Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss," zegt de
+bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne
+hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. "Met uwe
+permissie, mijnheer de burgemeester, 'k woû graag mijn deel aan het
+traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier,
+mevrouw, is mijne dochter; neem 't mij niet kwalijk, zij had zoo'n
+grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen."
+
+Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn' oom
+Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in
+volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn
+vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn' mantel beveiligd had;
+mijne moeder, omdat hij daardoor mijn' vader had helpen ontvluchten;
+mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij 't nooit zou
+vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat
+zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren;
+en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem
+in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch,
+rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen;
+hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: "Ik weet waarlijk niet,
+waar mijne goede tante blijft."--Bij de woorden van den molenaar kwam
+hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt
+zich tot den baljuw en zegt: "Mijnheer de baljuw, ik heb met u een
+paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime
+aangelegenheid." En daarop trok hij den baljuw in een' hoek.--Wij,
+mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die
+hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde,
+dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn
+vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven
+aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo
+recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want
+nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam
+binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden
+de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en
+de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen
+was. En tante Herse had een' krans van groene laurierbladen in de
+hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders
+alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte;
+en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had
+Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar
+oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd,
+zoodat de roode linten langs zijn' rug hingen, en zij sprak eenige
+zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel
+te vroeg met zijn: "hoerah!" in, en de molenaar met zijn: "vivat, de
+raadsheer leve!" En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.
+
+Ja, 't was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik
+eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in
+de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn
+oom heel wat vriendelijker en voller in 't aangezicht was, dan die
+stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als
+ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van
+bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten
+en kreeg er nooit maagpijn van.
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene
+ maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en,
+ waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop
+ worden.
+
+
+Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen
+uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en
+keek mijmerend in zijne laars. "Moeder," vroeg hij eindelijk, "heb ik
+gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?" "Och,
+kom, vader!" antwoordde zijne vrouw: "ge hebt hem immers gedurig
+omhelsd en hem "je lieve zoon" genoemd, en Frederik hebt ge veel
+geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudt wezen, en dat zou
+niet heel lang meer duren." "Moeder, dan heb ik al heel gekke praat
+gepraat."--"Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou
+je dat niet bekennen." "De hemel zal me bewaren!" riep de molenaar,
+"ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!"
+
+Frederik kwam binnen. "Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik
+kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak
+nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt
+beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het
+noodig zal hebben."--"Hm!" roept de oude molenaar, op zijn' stoel
+heen en weêr schuivende. "Ja," zeide Frederik; "maar ik had nog een
+ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken,
+ofschoon het buitenstijds is?" "Waarom? Wat ben je van plan?" "Ik wou
+gaan trouwen!" "Wat, jij, trouwen?" "Ja, baas; ik wou gaan trouwen met
+Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient;
+en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide
+schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht,
+konden wij wel op éénen dag bruiloft houden."--Dit was den ouden
+molenaar dan toch al te kras. "Jou, bedelaar..." riep hij opspringende
+en greep naar de ééne laars. "Bedaar, baas!" zeide Frederik, zich hoog
+oprichtende; "die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor
+u. Hoe 't met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe 't
+met Hendrik en ons Fieken gesteld is, weet ik sedert gisteren middag;
+ik lag achter hen in den wagen en 'k heb alles aangehoord."--"Vader,"
+riep de molenaarsvrouw, "dat zou nog zoo kwaad niet wezen!" "Daar heb
+jij geen verstand van!" riep de oude man en liep vreeselijk driftig
+door de kamer. "Nu, baas," zeide Frederik, de deur uitgaande, "overleg
+de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond
+rond, om te overleggen." "Je kunt je getuigschrift krijgen," riep de
+molenaar hem achterna, "maar eerst tegen St. Jan."
+
+Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne
+lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht,
+dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij
+zelf had hem gisteren "zijn lieven zoon" genoemd,--maar, dat was 't
+juist! Gisterenavond had de punch hem tot een' rijk man gemaakt, en
+vandaag keek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig
+zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig
+uitstel van executie. "Vader," sprak de molenaarsvrouw, "'t is het
+beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen." "Moeder,"
+hernam de oude man, en 't was een geluk, dat hij nog geene laarzen
+aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; "ik zeg je,
+dat jij daar geen verstand van hebt!--Wat?--'k Zou den zoon van Jochem
+Voss, die met mij in princes ligt, en die met een' grooten zak geld in
+'t land rondreist, mijn kind geven,--mijn beste, liefste kind!--en
+'k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar
+niets, want ik ben een bedelaar!--Neen, moeder, neen! 'k Zou de vodden
+moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken,
+voor 't altaar zou staan!--Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden
+doen wezen!"
+
+Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor
+iemand, zoodat hij 't maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan
+zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met
+ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed,
+zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter
+hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den
+molenaar was zijn proces, en ook wel zijn slechte beheer in vroegere
+tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die
+keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij
+had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn
+leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een
+weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.
+
+'t Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek
+iedereen, en was geheel alleen aan 't werk, in den molen en in den
+stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele
+jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam
+aan, doch heden in burgerkleeding. "Goeden dag, Voss!" riep hij hem
+toe. "Nu, onze zaak is in orde!"--Maar de oude molenaar was heden niet
+lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: "Ja, als 't maar waar was,
+mijnheer Herse."--"Als ik het zeg, vriend Voss," hernam de raadsheer en
+haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar
+in de kamer, "dan moet gij 't gelooven, want ik ben van daag hier als
+notarius publicus."--"Moeder," zeide de molenaar, laat ons alleen,
+en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan." Dat was nu juist niet
+noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien,
+dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had
+branden, en hij wilde 't ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne
+kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was,
+daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar 't kwam hem toch
+zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had;
+en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen
+er bij.
+
+Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de
+raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de
+jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse,
+tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het
+papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op
+het gelaat, alsof hij zeggen wilde: "Wat zegt ge nu, kameraad?"--De
+molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van "hm" en "nu ja!" en "maar"
+en krabt zijn hoofd.--"Vrind Voss," zeide mijn oom, die knorrig werd,
+"wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,--kijk
+maar, hier!--een gierststengel, omdat ik "Herse" heet; 'k had er
+ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in 't Fransch
+"herse" beteekent; maar 'k ben niet voor de Fransozen,--en hier,
+er om heen, staat mijne authorisatie: not: pub: im: caes: en hier
+staat de onderteekening van den jood: Itzig; en wat geschreven is,
+is geschreven." "Dat zegt mijnheer de baljuw ook," zeide de molenaar
+en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: "wat geschreven is,
+is geschreven." "Wat die zegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss, ik
+ben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften met
+mijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen
+uit alle verlegenheid." "Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar
+wat dan?"--Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. "Hm! Wat
+dan?--Ja!--Nu!--Nu, vriend Voss,"--en zijn goedhartig aangezicht
+zette zijne geheele ambtsdeftigheid van notarius publicus ter zijde
+en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den
+ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,--"nu, vriend
+Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder
+raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde
+brengen. Maar, daartoe is 't noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden
+vertelt en al uwe papieren toont." Dat zag de molenaar dan ook in en
+hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom
+Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele
+papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden;
+mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht
+gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las
+alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. "Vriend
+Voss!" vroeg hij eindelijk, "is dat alles?" "Ja, mijnheer," sprak
+de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland,
+als de nachtvorst er over heengegaan is, "en dit is nog mijn kontrakt
+met het Stemhager rechtsgebied."--Mijn oom nam het kontrakt, las het
+zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel;
+maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: "Wat is dat? Daar zijn
+we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een
+millionnair! 't Gansche Stemhager gebied moet de rechten op 't gemaal
+betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf
+vier, en wat zegt paragraaf vijf: "voor elk schepel, dat de molenaar
+maalt, kan gij wettelijk een schepel als maalloon eischen."--"Een maat,
+mijnheer Herse!" riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong,
+"van elk schepel eene maat!"--"Neen! Een schepel!--Hier staat:
+voor ieder schepel een schepel als maalloon; en wat geschreven is,
+is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel
+onder gezet." "Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait:
+dat is toch maar eene vergissing." "Vergist is ook verspeeld, en wat
+geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf
+gezegd. "Dat heeft hij, mijnheer," zeide de molenaar, "ja, dat heeft
+hij; daar kan ik op zweren."
+
+Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit
+de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en
+op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de
+rechten op 't gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. "Mijnheer,"
+riep hij, "dat zal helpen!--Maar... maar..." "Voss," zeide mijn oom
+knorrig, "wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en
+duidelijk."--"Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan
+met de zakken gaan?" "Met de zakken? Met wat voor zakken?" "Met
+de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg
+ik, maar wie krijgt de zakken?" "Hm," zeide mijn oom, "dat is eene
+moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in
+'t kontrakt staat niets daarvan; als ik u echter raden moet, behoud ze
+dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel: beati possidentes;
+dat beteekent: hebben is hebben!--Vriend Voss, nu heb ik u uit alles
+geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over
+die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!--met niemand
+hoegenaamd!--Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van
+geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan,
+Voss...." "En dan, mijnheer Herse?"--"Dan komt het surplus. Maar,
+Voss, de zaak blijft geheim!"
+
+De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en
+Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man
+toeknikte en de vinger op den mond legde.
+
+"Fieken," zeide Hendrik, "mij is 't niet gegeven, om geheimen te
+hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe
+'t alles is." "Doe dat," zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe 't
+met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben,
+dat hij nog wat moest wachten.
+
+Met den ouden molenaar was 't al heel wonderlijk gesteld. Heden
+morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder
+bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig
+kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame
+worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang
+te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was;
+daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was,
+als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden
+zou, niet recht en billijk was. "Maar" zeide hij dan weder bij zich
+zelven: "de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven;
+en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik."
+
+Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te
+krijgen, zoo was 't in dit oogenblik in 't geheel niet mogelijk. Toen
+Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te
+spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij een
+geruïneerd man was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem
+hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde
+nu, dat hij 't goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide
+schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen
+zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn
+pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat
+wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest
+"hei!" roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door
+iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo'n jongen knaap,
+als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou
+ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!--Zulk eene taal
+was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was;
+ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen
+toon, dat de molenaar "ja!" of "neen!" zeggen moest, of hij hem zijne
+dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om,
+keek uit het venster en zeide: "neen!" Hendrik keerde zich ook om
+en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het
+rijtuig van Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij
+Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel
+bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: "Hendrik, het woord, dat ik
+je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!" Hij knikte
+met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw,
+die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op
+den wagen en reed zachtjes weg.
+
+Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen,
+en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en
+vroeg: "Hendrik, waar rijdt gij heen?" "Naar Stemhagen." "Blijft gij
+daar van nacht?" "Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal
+blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken." "Dat
+moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook
+nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook
+nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen
+ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is." Hendrik beloofde,
+op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.
+
+Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een' vracht koren naar
+den molen reed en zeide: "Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met
+den avond ben ik weêr t'huis, dan praten we een beetje samen."
+
+Wel ja! wel ja! 't Was al lang avond, en de bakker was al lang t'huis;
+maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik
+was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot
+zijne dochter: "Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat
+de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen,
+want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al
+het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang
+gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man
+heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs
+worden! Toen ik hem vroeg: "Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen
+halen?" zeide hij: "Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien." En
+toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij,
+dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik
+wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding
+mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan,
+die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij 't goedvond. "Wel, dat
+'s toch gek," zeide vrouw Strüwing.
+
+Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken
+uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij
+daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in
+de rede en vroeg: "Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen
+doen?" "Waarom niet?" hernam de bakker. "Bij u komen veel menschen,
+en gij hebt ook plaats in uw' stal; ik wou mijn paard en mijn' wagen
+verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?" "Waarom
+niet?" vroeg Witt. "Maar Hendrik," liet hij er na een poos op volgen,
+en 't was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne
+gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan
+hij het gesprek wilde voortzetten, "maar, Hendrik, dat heeft immers
+tijd.--De paarden--de paarden--zijn nu zoo goedkoop; waarom?--Wel,
+wat weet ik 't! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is,
+dat de Fransoos ze hem 's nachts niet uit den stal haalt; maar, de
+paarden,--ge zult zien,--zij worden duur,--want--ge zult zien:--in den
+tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos." "Dat heb
+ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden,
+baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. "Ja," viel Frederik
+hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was;
+"ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden
+zal veel gevraag zijn, als 't aan den gang gaat, en naar de vrouwlui
+weinig en als 't voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten
+zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam
+iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken;
+die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al
+gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.--Ik zei,
+dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag
+behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd:
+maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest
+wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik
+eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik
+mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik
+heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort,
+dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn
+goed. En nu, adjuus! 'k moet van avond weer op den molen zijn."
+
+Daarop vertrok hij.--Hendrik ging hem na. "Frederik, wat beteekent
+dit?" vroeg hij. "Wat dit beteekent?" hernam Frederik. "Dat zal ik
+u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is
+hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken
+lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, 't komt er ook niet op
+aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een
+uil is, is voor den ander een nachtegaal." "Frederik," gaf Hendrik hem
+zacht ten antwoord, "spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden,
+en ik ook." "Wat, gij?" "Stil!--Ja, ik ook. Ik heb geene familie en
+ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken
+en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn
+molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en
+mijn paard en wagen verkoop ik." "Hoera!" riep Frederik. "Geef mij
+de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je 't al dadelijk den eersten
+morgen aan, dat er een soldaat in je stak."--"Ja?" zeî Hendrik,
+"dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het
+volbrengen?" "Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft,
+dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de
+Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de
+rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor 't vaderland. Zie, ik
+kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk
+naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar
+een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de
+rechterwang,--ge zult hem wel vinden--en meld u en mij bij hem aan:
+"Frederik Schult," en 'k had al gediend, maar ge behoeft niet te
+zeggen, dat ik eens van 't kinderwiegen gedeserteerd ben. En als
+ge 't in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik." "Dat zal
+gebeuren!" riep Hendrik. "En Frederik, groet jelui Fieken nog van
+mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik
+haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden." "Dat zal ik waarnemen,
+en nu goeden nacht!" "Goeden nacht!"--En toen Hendrik zoo bleef staan
+en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek,
+bij de apotheek, nog: "Dumouriez! Vervloekte patriotten!"
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in 't molenaarshuis
+ bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen
+ rijden en waarom Fieken hen volgt.
+
+
+De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het
+er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het
+opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen
+hadden slechts pieken,--alleen de rektor Schäfer had door den smid
+Tröpner een hellebaard laten maken,--mijn oom Herse richtte een korps
+scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge
+landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te
+lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien,
+dat zóó'n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó'n
+tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren
+hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen
+troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: 't Is mogelijk,
+zeg ik; maar den geest zouden ze niet verjaagd hebben; over enkele
+kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd
+niemand, zelfs Bonaparte niet.
+
+Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van den
+Weichsel tot aan de Elbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: "de
+Franschen komen!"--Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan,
+om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is,
+dan hebben zij 't te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef
+door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp
+bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat
+ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo 't overal
+te gelijk den storm had willen stillen.
+
+De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz
+zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen;
+in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, 't was een verward
+huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën
+ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak
+besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers
+wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en
+de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de
+schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in 't eerste
+stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem,
+bij 't vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van 't
+geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn
+oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan 't exerceeren in
+'t volle vuur, met de één-en-twintig jachtgeweren, altijd allen te
+gelijk. Zijn hoofdkommando was: "roef! roef!"--dan moesten zij allen
+op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen;
+toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd
+doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow,
+de snijder, het gedaan had, maar 't is niet bewezen geworden. Eindelijk
+waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow
+kommandeerde: "links zwenken!" kwamen zij ook werkelijk allen de
+Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit;
+en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij
+marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.
+
+Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen
+kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen,
+en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij
+zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen
+hij aankwam, werd hij met "Vivat!" door zijne troepen ontvangen; hij
+hield daarop eene aanspraak en zeide: "Kinderen! Soldaten zijn wij
+niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op
+aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen
+plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien,
+dat wij op onzen post zijn. Doch 't is erg, dat ik niets van de
+krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien,
+die daarin ervaren is.--Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en
+wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan
+moet worden.--Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts,
+voor 't vaderland!" "Hoera!" riep zijn volk, en voorwaarts ging het,
+den vijand te gemoet.
+
+De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp
+kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich
+aan. "Johan Heinz," zeide mijn oom Herse tot zijn' adjudant, "dit
+zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed
+te gebruiken, zooals wij 't bij de kozakken gezien hebben, maar zij
+brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom
+goed op een hoop, en, als 't er op losgaat, dan maar altijd "roef!""
+
+De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude
+inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden
+pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang
+te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen
+geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij:
+"Kinderen! mij dunkt, 't is voor vandaag genoeg, en als wij nu
+omkeeren, komen wij nog met den dag thuis."--De inval was goed;
+kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis,
+uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die
+in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.
+
+Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg:
+"Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel een
+beetje in uw' wagen leggen?" "Zeer gaarne, mijn vriend." En nu kwamen
+de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen,
+allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te
+Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit
+als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.
+
+De raadsheer Herse liet nog driemaal "roef, roef!" op de markt
+schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen
+was verdrietig. "Johan Heinz!" sprak hij tot zijn adjudant: "daar
+kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den
+windmolen in brand steken?"
+
+Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging 't op
+den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en
+kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den
+zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en
+telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: "Gode
+zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!" al naar
+dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer
+moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en
+hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan
+en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien,
+en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij
+weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de
+vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem
+bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk,
+met tranen in de oogen, hem vroeg: "Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat
+heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?" dan was 't verschillend,
+wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan
+van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar
+moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had
+hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei
+hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij
+moest weten, wat hij te doen had.
+
+'t Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle
+kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de
+bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij
+had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist,
+en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met
+aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest
+naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren,
+om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen,
+maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam
+op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde
+allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór
+paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar
+zeide bij 't middageten tot zijne vrouw en Fieken: "Zie zoo! van hem
+zijn wij af; hij heeft zijn geld."--Zijne vrouw en Fieken zwegen
+stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart,
+want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in
+hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder
+en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en
+hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem,
+dat hij ook bij den baljuw moest komen. "Als 'k wil," antwoordde
+Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den
+baljuw kwam hem in de gedachte: "dat zal ik niet vergeten, wat ge
+gedaan hebt."--"Als gij niet komt," zeide de veldwachter, "dan is dat
+voor uwe eigene verantwoording."--"Die heeren denken altijd," hernam
+Frederik, lachende, "dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten
+plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want
+mijn tijd bij den molenaar is om."--"Je zult je wel bedenken!" bromde
+de molenaar; "tot Sint-Jan heb ik je gehuurd."
+
+Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen
+van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde
+Frederik naar bakker Witt heendraaien.--"Halt," riep de molenaar,
+"daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan."--"Wel, baas," zeide
+Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp,
+"rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt." En dit zeggende,
+ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet
+geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet
+hebben, zelfs, hoewel 't Frederik was; heden zeide hij niets: hij
+was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor
+de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van
+den raadsheer aan den overkant.
+
+Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken,
+in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de
+kachel zat te schreien. "Moeder," sprak zij, "ik kan 't niet helpen,
+ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal,
+ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of
+niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is...."--"Hij heeft
+het in zijn onverstand gedaan!" riep de molenaarsvrouw haar toe. "En
+daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden,
+of zijne vrouw, of iemand anders,--ik weet het ook nog niet,--de goede
+God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven." "Ga,
+mijn Fieken," sprak hare moeder.
+
+Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij
+kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij
+vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de
+kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood
+buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op:
+"Dumouriez! Fieken, waar komt gij vandaan?"--De soldaat sprong
+ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar
+Hendrik?--Ja, hij was 't, hij legde zijn arm om haar heen en zeide:
+"Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?"--O,
+zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: "Hendrik, Hendrik;
+jij onder de soldaten?" "Nu," riep Frederik haar toe; "Fieken, gij
+houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan
+onder de soldaten?" Fieken luisterde niet naar 't geen hij sprak, zij
+had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij
+de woorden: "Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat
+is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?"
+
+"Fieken," zeide Hendrik, "om mijnent wille behoeft hij zich geene
+verwijtingen te doen, en indien ik in 't eerst ook maar weg wilde,--'t
+was mij 't zelfde waarheen of waartoe;--nu is dat anders, nu weet ik
+eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek;
+nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat een kamerraad>kameraad zijn
+kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor
+'t vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar,
+als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet
+nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij." "Zoo spreekt een
+kerel!" riep Frederik uit. "Goed, Hendrik!" zeide Fieken, "je hebt
+gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer
+zoeken; het ongeluk hangt ons boven 't hoofd, en wie weet, hoe kort
+de molen ons nog huisvesting geven zal." "Och, kom Fieken!" zeide
+Frederik; "je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend;
+hij is, tot aan den hals toe, in 't water gegaan, maar daarom is
+'t nog niet noodig, dat de golven hem over 't hoofd klotsen; hij
+heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken." "Wie kan
+hem helpen?" zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in
+haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet
+heeft." "O," hernam Frederik, "Hendrik weet er wat van, hij heeft
+er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens
+vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw."
+
+
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Waarom de molenaar er bij blijft, dat geschreven is, wat
+ geschreven is. Waarom mijnheer de baljuw Frits Sahlmann aan
+ zijn oorlapje trekt, en mijn oom Herse steeds van zijn stuk
+ geraakt. En hoe de geschiedenis heel mooi ten einde komt.
+
+
+Hij ging, en Hendrik en Fieken bleven alleen.--Op het slot zat
+de oude baljuw met den poedermantel op den poederstoel; hij was
+verdrietig. "Netje," zeide hij, "de mantel zit mij te stijf om de
+keel." "Wel Weber, hoe kan die te stijf zitten?" "Netje, hij trekt
+me, en ik ben geen turksche pacha, die vooraf probeert, of 't pijn
+doet, als iemand zich met een' zijden koord verworgt."--"Nu, is
+'t zoo goed?"--"Hm, ja; maar dat is een verdrietige zaak." "Wat dan
+toch, Weber?" "Met den Gielowschen molenaar; de oude man is zeker
+gek geworden, wil ik maar zeggen, ofschoon zijne zaak zeer veel
+van misdrijf heeft." "Wat heeft hij gedaan?" "Wel, wat hij gedaan
+heeft? Al het koren heeft hij gehouden, wat de menschen hem gebracht
+hebben, om te malen, en naderhand moet hij 't aan Itzig verkocht
+hebben. Waar kijk je naar, Netje?" "Och, ik zie hem daar juist met
+den raadsheer Herse aankomen." "Met den raadsheer Herse?" riep de
+oude heer; hij stond op, en keek ook uit het venster. "Wat wil de
+raadsheer Herse, Netje?" "Hij praat immers met den molenaar." "En heel
+druk praat hij met hem, Netje!" sprak de oude heer, en zijn gelaat
+helderde geheel op, en een vroolijke glimlach speelde om zijn mond;
+"Goddank! nu zal ik den molenaar van slechtheid kunnen vrijspreken;
+het zal op eene dwaasheid neêrkomen, want de raadsheer is meê in 't
+spel." "De raadsheer is toch zoo'n goede, eerlijke man." "Dat is hij,
+Netje, maar, hij doet ook soms dwaze dingen; dwaze dingen doet hij
+soms!" Dit zeggende ging mijnheer de baljuw naar de gerechtszaal.
+
+Vóór de gerechtszaal stonden de pachter Roggeboom, de bakker Witt,
+de schout Besserdich, en nog wel een dozijn anderen, die allen
+den molenaar aangeklaagd hadden. Toen deze nu, met den raadsheer,
+tusschen hen door ging en zijne beste vrienden tegen zich zag optreden,
+zakte hem het hart in de schoenen; en toen zij hem allen ontweken
+en hij zijne beschimping in hunne oogen kon lezen, werd hij angstig
+te moede; hij moest zich aan den arm van den raadsheer vasthouden en
+zeide zacht: "Mijn lieve mijnheer Herse, mijn lieve mijnheer Herse,
+ik ben zoo akelig." Zoo iets is aanstekelijk; mijn oom Herse werd ook
+akelig. Voor de eerste maal, gedurende al den tijd, dat die zaak aan
+den gang was, begon er een duister voorgevoel in hem op te rijzen, dat
+hij zich waarschijnlijk in ongelegenheid brengen zou. Alles, wat hij,
+ten voordeele van den molenaar spreken wilde, draaide verward door zijn
+hoofd, en toen de oude Voss in de gerechtszaal werd binnengeroepen en
+hij medeging was hij geheel en al den tekst kwijt en zelfs zijn deftig
+voorkomen begon hem bijna te begeven, toen de oude baljuw zeer ernstig
+de vraag tot hem richtte: "Wat verschaft mij de eer u hier te zien,
+mijnheer de raadsheer?"
+
+Mijn oom Herse was bijzonder ver in juiste antwoorden; doch, men moest
+hem tijd laten; hij moest altijd eerst een grooten omweg maken, eer
+hij tot de zaak zelve kwam; deze vraag was hem al te veel op den man
+af, en de oude heer zag er hem te strak uit; hij mompelde dus zoo wat
+tusschen de tanden van notarius publicus en gerechtelijken bijstand
+voor den molenaar. "Bijstand?" vroeg de oude heer, en eene kluchtige
+uitdrukking kwam op zijn gelaat. "'t Is goed mijnheer Herse, ga zitten,
+als ik u verzoeken mag, en hoor toe."--Mijn oom Herse ging dus zitten,
+en dat was een geluk voor hem, want hij kon, onder 't zitten, beter
+nadenken en ook beter tot zich zelven komen. En zoo dacht hij dan
+na, en kwam tot zich zelven. "Molenaar Voss," vroeg de oude heer,
+"hebt ge van dien--en dien--en dien--koren om te malen gekregen?" "Ja
+mijnheer de baljuw." "Waar is dat koren gebleven?" "Dat heb ik aan
+Itzig verkocht; maar de zakken liggen bij mij in huis, die zal ik aan
+'t gerecht afleveren." "Zoo? Wel, dat is alleraardigst. Maar, weet ge
+wel, dat ge u met groote ongerechtigheden hebt afgegeven, en dat het
+zeer veel van bedriegerij heeft?" "Mijnheer de baljuw," antwoordde de
+molenaar; "ik ben in mijn recht," en hij wischte zich met de vlakke
+hand het klamme zweet van 't voorhoofd. "Ja," zeide mijn oom Herse,
+opstaande, "wij zijn....."--"Mijnheer Herse," zeide de baljuw, "ik
+heb in mijne gerechtszaal mijne eigene manieren; ik verzoek u te gaan
+zitten en toe te hooren." Waarom was mijn oom Herse ook opgestaan? Nu
+was hij weêr van zijn stuk geraakt en moest weêr gaan zitten, om
+opnieuw tot zich zelven te komen. "Molenaar Voss, wat praat ge van
+uw recht?" "Wel, mijnheer, gij hebt mij zelf gezegd: wat geschreven
+is, dat is geschreven; en in mijn nieuw kontrakt van verleden jaar
+staat het geschreven dat ik van elk schepel een schepel maalloon zal
+hebben." "Waar is je kontrakt?" "Hier," antwoordde de molenaar en gaf
+het hem.--De oude heer las het kontrakt, schudde het hoofd en zeide:
+"Hm, hm! Dat is toch eene wonderlijke zaak!" Hij nam de schel en
+schelde: "Frits Sahlmann moet eens binnenkomen!" Frits kwam. "Frits,
+kom eens hier, wat dichter bij!" Frits kwam dichter bij; mijnheer de
+baljuw trok hem aan zijn oorlapje en bracht hem bij de tafel, waar het
+kontrakt op opengeslagen lag. "Frits, wat heb ik je altijd gezegd? je
+zult nog eens in je onbedachtzaamheid allerlei onheil aanrichten,
+en nu is 't waarlijk zóó uitgekomen, je hebt nu een paar oude lieden
+tot dwaasheden verleid, die hun duur te staan konden komen, wanneer
+ik niet wist, dat het enkel dwaasheden waren. Neem de pen en schrap
+hier: "schepel" uit; en schrijf: "maat" er boven." Frits deed zulks;
+mijnheer de baljuw nam het kontrakt en gaf het aan den molenaar,
+zeggende: "Zie zóó, molenaar Voss, nu is alles in orde!"--"Maar,
+mijnheer de baljuw...." riep de molenaar uit.--"Voss," viel de oude
+heer hem in de rede, "ik zal met de beschuldigers spreken, dat zij
+je acht dagen uitstel geven, maar dan moet je hun het koren of het
+geld er voor verschaffen, anders loopt het niet goed af."--"Maar,
+mijnheer de baljuw...." riep oom Herse, en hij stond op. De baljuw
+zag hem aan: oom Herse was blijkbaar van zijn stuk. "Mijnheer Herse,
+ik verzoek u te gaan zitten en toe te hooren," sprak de oude heer op
+hoogst ernstigen toon. "Mijnheer Herse, gij hebt kind noch kraai, en
+gij hebt zooveel, dat gij toch goed kunt leven; laat dan den notarius
+publicus varen, en kunt gij daar niet toe besluiten, blijf er dan
+mede uit ons rechtsgebied. Iets goeds komt er voor ons nooit uit
+voort." Daarop keert hij den raadsheer zijn rug toe, schelt en zegt:
+"Frederik Schult, de knecht van den molenaar, moet binnenkomen."
+
+De oude molenaar was geheel verslagen en ternedergedrukt naar de
+deur gegaan; mijn oom was hem gevolgd; maar men kon 't hem aanzien,
+dat het in zijn hoofd bruiste en kookte. In de deur bleef hij staan;
+hij strekte beide armen vóór zich uit; nog sprak hij geen woord;
+maar nu--nu kwam Frederik binnen en schoof hem een goed eind op zeide
+en de deur uit;--hij wierp een knorrigen blik op Frederik,--de oude
+gerechtsdienaar Ferge deed de deur dicht, en dat was de laatste blik,
+dien hij in rechtszaken gedaan heeft, want sedert dien tijd liet hij
+den notaris geheel en al varen.
+
+"Mijn zoon," zeide mijnheer de baljuw tot Frederik, "kom een beetje
+dichter bij! Gij zijt het immers, die met mijne Fieken Besserdich
+wilt gaan trouwen?" "Neen mijnheer," sprak Frederik. "Ei," zeide
+de oude heer, en keek hem nauwkeuriger aan, "dient ge dan niet
+bij den molenaar?" "Neen," zeide Frederik weder en verroerde zich
+niet. "Wat?" vroeg de oude heer, "zijt ge dan niet de molenaarsknecht,
+Frederik Schult, tot wien ik eens gezegd heb, dat ik aan hem denken
+zou?" "Die Frederik Schult ben ik, mijnheer, maar ik dien niet meer
+bij den molenaar; daar ben ik vandaan gegaan; en de deern wil ik niet
+meer hebben, want zij liet mij loopen, en de molenaarsknecht ben
+ik ook niet meer, want sinds een half uur ben ik onder de soldaten
+gegaan." "Wel, ga daar maar onder! Ik geloof, dat je daar op de rechte
+plaats zult wezen. Maar, mijn zoon, er ligt bij mij nog wat voor je in
+'t zout. Zijt gij 't niet geweest, die 't eerst den mantelzak van het
+paard des "chasseurs" afgenomen hebt?" "Ja," "En ge hebt den mantelzak
+open gemaakt, en er geld uitgenomen en dus geweten, dat er geld in
+was?" "Dat heb ik," antwoordde Frederik, en hij zag er onverschrokken
+uit, "en ik spreek het ook niet tegen." "Welnu, luister dan eens heel
+goed naar 't geen ik je zeggen zal. Dat geld is onbeheerd goed, want
+de Franschen hebben het laten varen; gij hebt het gevonden en hebt het
+je ook al toegeëigend, want ge hebt er van genomen; nu is er evenwel
+nog een kerel, dien noemen ze "fiscus;" dat is een brutale kerel,
+die alles inslokt, wat hij krijgen kan, en bovenal is hij verzot op
+onbeheerd goed, en dit heeft hij, om zóó te spreken, ook al in zijne
+kaken. Maar somtijds krijgt hij ook aanvallen van zachtmoedigheid,
+wanneer hij eene oprechte, ware eerlijkheid aantreft, en iemand hem
+die recht duidelijk voor de oogen stelt. Dat laatste heb ik nu naar
+mijn vermogen beproefd en mijnheer de "fiscus" heeft ten uwen gevalle
+afstand van het geld gedaan. En, zie hier, mijn zoon, dit is 't, wat
+er bij mij voor je in 't zout ligt!" Dit zeggende, nam hij een doek
+weg, en de mantelzak van den Franschman kwam te voorschijn. "Frederik
+Schult, de mantelzak en het geld behooren u toe!"
+
+Daar stond Frederik en zag mijnheer den baljuw en den mantelzak aan, en
+dan weêr den mantelzak en mijnheer den baljuw, en begon zich eindelijk
+heel hard achter de ooren te krabben. "Wel," vroeg de oude heer en
+legde hem de hand op den schouder. "Nu, wat dan, Frederik?"--"Hm"
+zeide Frederik, "ja, mijnheer de baljuw, en ik bedank u ook zeer, maar
+'t komt me niet recht gelegen." "Komt het geld je niet gelegen?" "Nu
+ja, het geld komt me wel gelegen, maar 'k heb er op dit oogenblik
+maar niet veel aan. De deern wil me niet hebben, en ik ben onder de
+soldaten, en daar kan ik het toch niet meênemen." "Hm," zeide de
+oude heer, terwijl hij met groote stappen in de kamer op en neder
+ging; "dat is toch eene wonderlijke zaak." Eindelijk bleef hij voor
+Frederik staan en zag hem met een beteekenisvollen blik in de oogen,
+zeggende: "Frederik Schult, kontant geld is tegenwoordig schaarsch,
+en ik weet plaatsen, waar de huisvader zich daarom de handen aan stuk
+wringt, en vrouw en kind in tranen nederzitten."--De molenaarsknecht
+Frederik Schult keek op; hij zag in de oogen van den ouden baljuw, en
+'t was hem, alsof hem vandáár een straal tegenblonk, die zijn hart
+verwarmde. "Dumouriez!" riep hij uit, greep naar den mantelzak, nam
+dien onder den arm, en zeide: "Ik weet waar ik wezen moet, mijnheer de
+baljuw. Adjuus, mijnheer!"--Hij wilde weggaan; de oude heer ging hem
+na tot aan de deur. "Frederik Schult," zeide hij en nam zijne hand,
+"mijn zoon, als ge uit den oorlog terugkomt, moet ge eens bij mij
+aankomen, en mij vertellen hoe 't je gegaan is."
+
+De gerechtszaal was ledig; mijnheer de baljuw zat bij zijne vrouw in
+hare kamer en zeide: "Netje, die molenaarsknecht, die Frederik, als
+die eens bij mij terugkomt, dan zal ik mij, geloof ik, meer verblijden,
+dan wanneer eene prinses mij kwam bezoeken."
+
+Toen de molenaar en mijn oom Herse den slotberg afgingen, spraken
+zij geen woord, maar uit geheel verschillende oorzaken; de molenaar
+zweeg, omdat hij geheel in zich zelven gekeerd was,--mijn oom, omdat
+hij geheel buiten zich zelven was; hij kon de woorden niet vinden. Ten
+laatste barstte hij uit: "Dat moet een gerechtsdag verbeelden? Dat moet
+een vonnis verbeelden! Die oude baljuw, die oude lompe kerel, laat
+die een mensch aan het woord komen? Molenaar Voss, wij gaan verder,
+wij gaan ter tweeder instantie." "Mijnheer Herse," zeide de oude
+molenaar, geheel verslagen; "ik ga niet verder, ik ben ver genoeg,
+ik ben al tot den grond gegaan." "Vader," sprak de oude bakker Witt,
+die achter hen aan was gekomen, en de woorden van den molenaar gehoord
+had, "trek u dat niet te zeer aan, 't kan alles beter worden. En gaat
+nu meê naar mijn huis; uw Fieken is er ook." "Mijn Fieken?" Maar de
+bakker liet hem niet verder aan 't woord komen, en de oude molenaar
+volgde hem in 't huis als een lam. 't Was niet de armoede, maar de
+schande, die hem nederdrukte.
+
+Mijn oom Herse ging niet mede het huis in; hij liep vóór de deur op en
+neder, en allerlei gedachten kwamen bij hem op. Mijn oom had altijd
+veel gedachten, en gewoonlijk gingen die in zijne hersenkast rond,
+als kleine, aardige, nette kinderen met heldere, blauwe oogen, en al
+verjoegen ze elkaâr ook menigmaal, of al duikelden ze over elkander,
+of al speelden ze dikwijls blindemannetje en al richtten ze allerlei
+dwaasheden uit, zoo waren ze toch altijd in zondagskleêren, en in
+zijn oog, netjes en sierlijk om aan te zien;--doch, de gedachten, die
+voor de deur van Witt bij hem opkwamen, waren als eene bende havelooze
+bedelkinderen, die zich niet lieten afwijzen maar de handen uitstrekten
+en uit éénen mond riepen: "Raadsheer, raadsheer Herse, help gij den
+molenaar! Gij hebt hem in de knoei gebracht, help er hem nu ook weêr
+uit!"--"Goede hemel," zeide mijn oom, "laat mij toch met rust! Ik
+wil immers; ik wil eene hypotheek op mijn huis nemen, maar waar zal
+'t geld vandaan komen?" En de kleine bedeljongens brachten hem zóó in
+'t nauw, dat hij bij bakker Witt, in de oprijpoort moest gaan staan,
+om van hen bevrijd te worden.
+
+Hier stond Hendrik, bezig om zijne beide bruintjes, die nog niet
+verkocht waren, te zadelen en op te toomen; en toen mijn oom hem in
+het roode buis, en met den krijgsman onder den neus, ter nauwernood
+herkende, kwam Frederik juist de poort in en gooide zijn' mantelzak
+in de kribbe, zoodat het rammelde en klonk. "Hendrik," riep hij hem
+toe, in den beginne is alles moeilijk, zeî de duivel en hij droeg
+molensteenen, maar..."--hier werd hij den raadsheer gewaar en bleef
+in zijne rede steken;--"goeden morgen, mijnheer Herse, en neem 't
+mij niet kwalijk, maar, gij kunt mij een groot genoegen doen. Zie,
+de molenaar heeft mij nog tot Sint-Jan gehuurd, en blijven moest
+ik eigenlijk zoo lang; maar, 'k heb toch zoo'n grooten lust om te
+trekken; en zeg gij hem nu, als hij mij laat gaan, dan woû 'k hem
+het Fransozengeld leenen, totdat ik terugkom, want dat hebben ze mij
+vandaag op het slot toegewezen, en 't ligt hier in de kribbe."
+
+Weg waren uit de verstandskast van mijn' oom de kleine
+bedeljongens,--de aardige, zondagsch-aangekleede kinderen sprongen
+er in rond en duikelden, en hij zelf begon bijna te duikelen, over
+een' halsterketting, toen hij naar Frederik toesprong en uitriep:
+"Frederik, Frederik! Je bent een--je bent een--een engel!"--"Ja,
+een oude, mooie engel!" zeide Frederik.--"Frederik," riep mijn oom,
+"dat willen we dadelijk op schrift brengen."--"Neen, mijnheer Herse,"
+zeide Frederik, "dat willen we niet doen; daar zou weêr een schrijffout
+kunnen insluipen, en dan kon daar weêr ellende door ontstaan. Wat van
+mond tot mond gesproken is, dat zal gelden."--"Hendrik," zoo wendde hij
+zich nu tot dezen; "hebt ge alles, ook met Fieken, in orde?" Hendrik
+stond achter zijn paard, hij had beide zijne armen op den zadel
+gelegd, zag daarover heen en knikte met het hoofd, want spreken kon
+hij niet.--"Nu dan!" riep Frederik en reikte naar den teugel van
+het spattige rijpaard; maar Hendrik trok hem den teugel uit de hand,
+sprong in den zadel, en, hem den toom van den fraaien, bruinen ruin
+toewerpende, riep hij uit: "Broeder! het beste is voor jou nog te
+slecht!"--"Maar," riep mijn oom, "wilt gij dan den molenaar en Fieken
+niet...?"--"'t Is alles al in orde!" riep Frederik. "Adjuus, mijnheer
+de raadsheer!" En weg draafden zij, de Brandenburgsche poort uit.
+
+Wij, kinderen, stonden bij de poort en keken hen na. "Dat zijn geen'
+Fransozen!" zeî Johan Bank.--"Dat zijn een paar van de onzen!" zei
+Frits Risch. En 't was alsof een eigenaardige trots over ons gekomen
+was.
+
+"God geve, dat zij wederkomen!" sprak de oude vader Rickert.
+
+
+
+En zij kwamen weder. Na jaar en dag en nogmaals na jaar en dag was
+een voorjaar voor Duitschland aangebroken. Veldslagen hadden plaats
+gehad, bloed had gestroomd op de bergen en in de dalen, maar de regen
+had het weggespoeld en de zon had het opgedroogd, en de aarde liet
+gras daarover groeien en de wonden van 't menschenhart waren door
+de hoop verbonden met een' balsem, dien zij vrijheid heeten. Vele
+zijn naderhand weder opengegaan, want het scheen wel, dat het niet
+de echte, van den hemel afkomstige, balsem was.
+
+Doch daaraan dacht in dit schoone voorjaar niemand, en in mijne kleine
+vaderstad groeide en bloeide het in tuinen en velden, en de bezwaarde
+menschenborst haalde ruim adem; want vrede met God en menschen lag
+over de wereld verspreid. Het scherpschutterskorps van oom Herse had
+zijne een-en-twintig jachtgeweren in de kast gezet; en mijn oom had
+er een muziekkorps uit bijeengebracht, wat hij eene kapel noemde;
+'t kwam hem daarbij zeer te stade, dat hij hun in den oorlogstijd
+geleerd had, om allen tegelijk af te vuren, want nu vielen zij van
+zelf met violen en fluiten en klarinetten gelijktijdig in. Des avonds
+brachten zij serenades, en ik kan nog heden de melodie zingen, daar
+zij altijd hetzelfde stuk speelden; mijn oom heeft mij later gezegd,
+dat het variaties waren op het mooie thema: "Gisteren was neef Michel
+hier."--Toen de slag bij Leipzig gewonnen was, brandden er vreugdevuren
+op den Uilenberg en op den Molenberg en de stad was geïllumineerd;
+geschoten werd er wel is waar niet, want wij hadden geene kanonnen;
+maar kanongebulder hadden wij toch; de adjudant van den raadsheer,
+Johann Heinz, en de oude dokter Metz waren namelijk op den gelukkigen
+inval gekomen, om eenige zeer zware steenen op eene mestkar te leggen,
+en gooiden die met alle geweld tegen de groote poort van den ouden
+podagreusen Kasper aan, zoodat er een echt kanongebulder ontstond en
+de poort in stukken viel.
+
+En wat was 't een gejuich, en wat was 't eene heerlijkheid, wanneer
+de eene moeder aan de andere vertelde: "Zeg eens, nicht! mijn Jochem
+is er ook bij geweest, en hij heeft geschreven, dat hij er gelukkig
+afgekomen is." En Hendrik had ook geschreven, en Frederik had zijne
+groeten laten doen. En toen dat in Stavenhagen bekend werd, ging het
+van mond tot mond: "Wel, die goede Frederik! Laat hem maar loopen! Dat
+is een oud gediende!" En iedereen sprak van den ouden Frederik en
+zóó heeft zich, van lieverlede, in mijne vaderstad Stavenhagen,
+de overlevering verbreid, dat de oude onderofficier Frederik Schult
+eigenlijk den slag bij Leipzig gewonnen had; hij had aan zijn' overste,
+Warburg, gezegd, hoe 't gedaan moest worden, en die had het aan den
+adjudant van den ouden Blücher gezegd, en de oude Blücher had gezegd:
+"Frederik Schult heeft gelijk!" Dat had hij gezegd!
+
+Maar ook deze tijd vol gejubel en vol twijfel, vol vrees en vol hoop,
+was voorbij, en het schoone voorjaar was gekomen, van 't welk ik
+hierboven gesproken heb. En op zekeren dag was eene mooie koets den
+weg naar het slot opgereden en de menschen zeiden, dat het op het slot
+feestelijk toeging. Frits Sahlmann kwam den eenen dag in de stad en
+vertelde, dat het met mamsel Westphalen wel spoedig gedaan zou wezen;
+want als dat acht dagen zoo voortging, dan zou zij zeker nog maar
+in de graten hangen, en de gasten zouden, naar hij zeide, acht dagen
+blijven. Den anderen dag kwam hij weder en vertelde, dat mijnheer de
+baljuw al klokke negen was opgestaan en het venster had opengemaakt
+en gezongen had, met zijne natuurlijke stem gezongen!--en de vrouw van
+den baljuw had achter hem gestaan en had hare handen ineengeslagen; en
+hij,--Frits Sahlmann,--moest vele komplimenten doen aan mijn' vader en
+mijne moeder, en, zoo het mogelijk was, moesten zij van middag komen
+eten. Op den derden dag werd ik netjes aangekleed en naar het slot
+gezonden: vele komplimenten aan mijnheer den baljuw en aan mevrouw, en
+aan de logeergasten en zij werden verzocht op thee en een avondbroodje,
+mamsel Westphalen ook, en mijne moeder stampte het mij behoorlijk in,
+dat ik tot de jonge dame altijd "genadige vrouw" moest zeggen.
+
+Toen ik binnenkwam en mijne boodschap overbracht, zat mijnheer de
+baljuw op de kanapé en naast hem zat een oud heer, die er zeer ernstig
+uitzag, en de baljuw zeide tot hem: "Dat is mijn peetekind, dat is
+burgemeesters Frits." En de vreemde heer werd vriendelijker en ik
+moest hem de hand geven en hij vroeg mij naar 't een en ander. Terwijl
+ik nog bij hem stond, werd de deur geopend en binnenkwam--de Fransche
+overste Von Toll, en hij had zijn arm om eene jonge, beeldschoone vrouw
+geslagen; dat was zijne "genadige vrouw." Ik keek den overste aan en
+'t was mij, alsof ik hem al meer gezien had, en daar de mensch, als
+hij in 't onzekere is, juist niet het verstandigste gezicht vertoont,
+is mij dit toen zeker ook wel zoo gegaan, want zij lachten beiden
+en toen ik de komplimenten van vader en moeder had uitgestameld,
+zeiden zij, dat zij komen zouden; de vreemde dame streek met hare
+hand over mijn hoofd en zeide, dat ik stug haar had, en misschien ook
+wel een stuggen aard, en de baljuw zeide: "Daar kunt gij wel gelijk
+in hebben, kindlief, maar wat hij met zijn onbuigzaam hoofd misdoet,
+daar zal hij dan maar met een' weeken rug voor moeten boeten."
+
+Dien avond ging het weêr heel feestelijk toe bij ons, maar 't was niet
+zoo vroolijk, als toen mijn oom Herse Julius Caesar voorstelde; en
+punch werd er ook niet geschonken, maar Marieken Wienk moest langkurk
+brengen; dat was toen de beste wijn, want geen mensch wist toen wat
+van grand vin château of champagne. De mannen spraken over den oorlog,
+en de vrouwen van de bruiloft, die morgen op den Gielowschen molen zou
+plaats hebben, en toen de gasten weggingen, keerde de overste zich naar
+mijn' vader toe en sprak: "Maar, mijnheer de burgemeester, niemand mag
+ontbreken van al degenen, die in dit stuk hebben medegespeeld!" Mijn
+vader beloofde hem, dat niemand ontbreken zou.
+
+Den anderen middag gebeurde het weder eens, dat de oorlogs- en
+bagagewagen van den baljuw gesmeerd werd, en hij en zijn vriend
+Renatus Von Toll zaten er naderhand in en reden de Malchinsche poort
+uit. "Juffrouw Stahl," zeide mamsel Westphalen later: daar zaten zij
+beiden te zamen in het rijtuig en keken zoo vriendelijk en onschuldig
+in de wereld rond als een paar pasgeboren tweelingen. En, juffrouw
+Stahl, in de mooie koets der logeergasten had de genadige vrouw Von
+Toll, en de vrouw van den baljuw en de vrouw van den burgemeester
+en ik de eer te rijden; en de vrouw van den burgemeester had haar
+jongen, haar Frits, medegenomen en die bengel hing mij den heelen
+weg over, op 't lijf, zoodat mijne voeten begonnen te slapen, en
+als de huzaar-onderofficier Frederik Schult er niet geweest was,
+dan zou ik, bij 't uitklimmen, van de treê gevallen zijn. Dat komt
+van die kinderen, dat zeg ik."--En op een' grooten korenwagen zaten
+de bakker Witt en zijne dochter, en Luth en Fiek Besserdich en Frits
+Sahlmann, en mijnheer Droi, en van achteren in den wagen lag een hoop
+armen en beenen: dat waren de kleine Fransche kindertjes van mijnheer
+Droi. Mijn vader en de overste reden te paard. "Maar, waar blijft
+de raadsheer?" vroeg de overste. "Hij komt," antwoordde mijn vader,
+"maar wanneer en waar, dat mag de hemel weten, want toen hij 't mij
+verzekerde dat hij komen zou, knipte hij met één oog en trok een
+gezicht, wat ik van hem ken, en dat ik zijn "heimelijk gezicht" noem."
+
+Toen mijnheer de baljuw aankwam, stond de molenaar Voss met eene
+zwarte manchestersche muts op het hoofd voor de deur, en zijne vrouw
+stond bij hem in een zwart kalaminken rok, en hij boog, en zij neeg,
+en de baljuw vroeg: "Wel, vriend Voss, hoe gaat het?" "Opperbest;"
+zeide de oude molenaar, terwijl hij de treê neêrsloeg.--Mijnheer de
+baljuw boog zich naar zijn vriend Renatus toe, en zeide: "Kindlief,
+de oude molenaar is tegenwoordig weder in goeden doen; hij is wijs
+geworden, en heeft er van afgezien, om zelf het bestuur te hebben en
+laat nu zijne Fieken huishouden."
+
+Thans kwam de staatsiekoets. De dames klommen er uit; en Frederik
+droeg mijne moeder de kamer in; hij heeft haar naderhand nog dikwijls
+gedragen. De korenwagen hield stil; alles sprong eraf, alles ging in
+huis, ik meê, slechts de kleine Droi's liepen eerst naar den tuin en
+vielen op de onrijpe kruisbessen aan.
+
+In de kamer stond de dominé; hij had al gewacht, en bij hem stond
+Hendrik met zijne Fieken. Wat was Fieken schoon! Wat is eene bruid toch
+schoon!--De dominé hield zijne trouwrede, zijne beste; hij kende er
+drie, en de eene was steeds mooier dan de andere, en daarnaar was ook
+de prijs ingericht. Die van "de kroon" was de mooiste en de duurste;
+ze kostte "een daalder en zestien groschen,"--dan kwam die van "het
+hert," tegen "een daalder," en eindelijk kwam die van "jammerlijk,
+ellendig ding,"--die kostte maar "acht groschen" en was voor den
+gemeenen man. Heden trok hij het groote register van "de kroon," uit;
+dat wilde de molenaar zoo hebben. "Domeneer," had de molenaar gezegd,
+"mijn Fieken wil absoluut dat het eene stille bruiloft wezen zal,
+en haar zin mag ze ook hebben, maar alles wat toch bij eene bruiloft
+behoort, dat moet van 't beste soort zijn."
+
+En zóó geschiedde het ook. Toen de toespraak geëindigd was, ging de
+schoone genadige vrouw naar Fieken toe en gaf haar een kus, en deed
+haar een gouden ketting om den hals, waaraan een net plaatje hing en
+daarop stond de datum van den dag, waarop Fieken aan den overste verlof
+gevraagd had, bij haren vader te mogen gaan. De overste was bij Hendrik
+gaan staan, en toen hij hem de hand drukte, toen waren de oogen van
+den ouden vreemden heer zoo vriendelijk op hem gericht, dat de baljuw
+zijne hand vatte en tot hem sprak: "Kindlief, nu, wat dan?"--Hij wist
+misschien wel meer van de zaak dan iemand anders onder ons.
+
+Nu ging men aan tafel. De bakkersdochter zorgde voor 't opscheppen
+der soep, en Luth diende het gebraad voor, terwijl Fiek Besserdich
+met de beide molenaars-deerntjes bedienden. Nauwelijks had de
+molenaar het eerste bord vol kippesoep gebruikt, of hij stond op,
+en hield eene indrukwekkende aanspraak tot zijne gasten, doch hij
+keek daarbij altijd slechts den baljuw aan. Hij had, zeide hij, het
+geheele gezelschap maar op eene bruiloft zonder muziek, zoo maar, dood
+eenvoudig, zonder komplimenten, uitgenoodigd; zijn Fieken had het zoo
+gewild, en de heeren en dames moesten 't niet kwalijk nemen, maar, al
+hadden zij ook geen muziek...--hier was 't gedaan met zijne aanspraak,
+want buiten barstte het eensklaps los: "Gisteren was neef Michel hier;
+neef Michel, die was gisteren hier," en toen de deur opengerukt werd,
+stond daar mijn oom Herse met zijne gansche kapel; hij had den dikken
+stok van den molenaar in de hand en sloeg de maat op een meelzak,
+zoodat de fluiters en trompetters hunne tonen als door eene mooie,
+witte zomerwolk heenbliezen.
+
+Dat was een pret, dat was een leven! De overste sprong op,
+begroette mijn' oom vriendelijk en trok hem aan zijne zijde aan
+tafel, en mijnheer de baljuw fluisterde zijn' vriend Renatus toe,
+zoodat het geheele gezelschap het hooren kon: "Dat is de raadsheer,
+lief kind, van wien ik van morgen die zotte historie vertelde, van
+het kontrakt;--'t is anders een goede pleizierige man." En de oude
+molenaar trok de geheele kapel de kamer binnen, en de heilige Cecilia
+werd in den hoek gezet, en de kippesoep loste haar af, en vervolgens
+kwam "neef Michel" weêr, en die werd door 't gebraad afgelost, en zóó
+ging het steeds beurt om beurt. En toen het avond werd, was oom Herse
+weder met geheimen aan den gang; hij en zijn adjudant, Johan Heinz,
+waren in den donker, achter in den tuin, aan 't werk; eindelijk echter
+werden wij allen verzocht naar buiten te komen en er werd een vuurwerk
+afgestoken en 't had heel mooi kunnen worden; maar--'t was jammer, och,
+zoo jammer!--'t was wat te zwak, er moest bij geblazen worden, en dat
+was wat te sterk; 't vloog in de lucht, en 't was nog een zegen van
+den hemel, dat Frederik juist bij den mesthoop stond, toen die begon
+te branden, want anders had het slecht kunnen afloopen. Mijn oom Herse
+wilde echter zijne kunststukken doorzetten en had al weder een nieuw
+rolletje kruit genomen, doch de baljuw ging naar hem toe en zeide,
+dat het nu genoeg was; 't was heel mooi geweest, en hij bedankte hem
+zeer. Maar den volgenden dag zond hij den veldwachter door 't geheele
+Stavenhager rechtsgebied, en liet bekend maken, dat een iegelijk,
+die het zou durven wagen een vuurwerk in 't hertogelijke gebied af
+te steken, het zwaar te verantwoorden zou hebben.
+
+
+
+Zoo eindigde de dag, en zoo eindigt ook mijn verhaal. De dag was
+vroolijk en iedereen was daarmede tevreden,--ik wenschte dat mijn
+verhaal ook vroolijk was en dat iedereen ook daarmede tevreden
+mocht wezen.
+
+Maar, waar zijn zij gebleven, al de vroolijke en trouwe lieden, die
+in dit verhaal voorkomen? Allen dood. Allen dood! Allen slapen zij
+den langen slaap. Bakker Witt was de eerste, en de politiedienaar
+Luth is de laatste geweest; en wie is overgebleven? Wel, wij
+beide jongens, Frits Sahlmann en ik; en Fieken Besserdich.--Fieken
+Besserdich is werkelijk met den vlaskoppigen jongen van den ouden
+boer Freier getrouwd, en zit nu in goeden doen in Gulzow, op de eerste
+boerenhofstede aan de linkerhand. Frits Sahlmann is een flinke kerel
+geworden, en wij zijn altijd goede vrienden gebleven en indien hij
+'t mij kwalijk mocht nemen, dat ik guitenstreken van hem verteld heb,
+dan zal ik hem de hand toereiken en zeggen: "Kindlief, wat geschreven
+is, is geschreven; dat is niet meer te veranderen; maar, daarom moet
+ge toch niet boos blijven, hoor!"
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Hier is moeilijk het eigenaardige van het origineel terug te
+geven. Brüjam beteekent bruidegom en Brüdjam een geplaagde.
+
+[2] Een scheldnaam voor landlieden.
+
+[3] "Swartsur." Een in Pommeren en Mekklenbürg geliefkoosd gevecht
+van varkensvleesch, varkensbloed, gestoofde peren of pruimen, en
+zoogenaamde Klösse, eene meelspijs.--Vert.
+
+[4] Stavenhager.
+
+[5] Eene bepaalde soort van studentenstok.
+
+[6] Buckmahl is het oorspronkelijke woord.--'t Is een windmolen op
+schragen,--waaronder men dus schuilen kan.--Vert.
+
+[7] In die streken staat niet zelden een bakoven van het dorp op het
+open veld.--Vert.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Twee vroolijke geschiedenissen, by Fritz Reuter
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VROOLIJKE GESCHIEDENISSEN ***
+
+***** This file should be named 27783-8.txt or 27783-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/7/7/8/27783/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.