diff options
Diffstat (limited to '27783-8.txt')
| -rw-r--r-- | 27783-8.txt | 7399 |
1 files changed, 7399 insertions, 0 deletions
diff --git a/27783-8.txt b/27783-8.txt new file mode 100644 index 0000000..0ea1bf3 --- /dev/null +++ b/27783-8.txt @@ -0,0 +1,7399 @@ +Project Gutenberg's Twee vroolijke geschiedenissen, by Fritz Reuter + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Twee vroolijke geschiedenissen + +Author: Fritz Reuter + +Translator: E. Laurillard + +Release Date: January 12, 2009 [EBook #27783] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VROOLIJKE GESCHIEDENISSEN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + + +TWEE VROOLIJKE GESCHIEDENISSEN. + + + + +HOE IK AAN EENE VROUW KWAM. + + Na de bruiloft is het uit: + Vóór de bruiloft wen je bruid. + + +Ik was zachtkens aan een oude knaap geworden. Ik was in de wereld +rondgejaagd, hier heen en daar heen, ik had mijn hoofd menigmaal op +eene zachte peluw nedergelegd, maar ook menigmaal op een bos stroo. Nu +ik echter ouder werd, beviel mij dat stroo lang zoo goed niet meer als +toen ik op twintigjarigen leeftijd was; want die in zijn kinderjaren +gaarne gele wortels eet, versmaadt daarom, als hij ouder is geworden, +juist geen gebraden gans. De menschen zeiden: "trouwen;" en ik zei: +"bedenken," en beschouwde den heiligen huwelijksstaat als de vos de +ganzenkooi, en dacht: "Ge zoudt er wel gaarne eene hebben! Ge komt +er ook heel zacht in! Maar als gij er eerst eene uitgezocht hebt, +komt ge er dan ook weder uit?"--Wanneer ik dan later weder aan het +eeuwige varkens- en lamsvleesch van den hospes dacht, en hoe het +er in mijne kamer uitzag, als op Gods lieve aarde vóór den eersten +scheppingsdag, en hoe de oude sakkermentsche knoopen steeds van mijn +kleêren scheurden, dan zeî ik: "trouwen;" en dan zeiden de malle +menschen weder: "bedenken." Zoo zat ik dan steeds tusschen hangen +en worgen, en de jaren begonnen al een grijzen tint over mijn hoofd +te verspreiden. Toen stond ik eens bij de kachel en had mijne pijp +aangestoken en keek naar het weder. + +De sneeuw dwarrelde zachtkens van den hemel neer; 't was buiten zeer +stil, geen rijtuig liet zich hooren; slechts in de verte hoorde +men het gerinkel van sledebellen en het werd mij al te eenzaam: +'t was bovendien heilige kerstavond. Terwijl ik nog zoo stond en +onwillekeurig door de ruiten keek, kwam mijn schoenmaker Linsener +met eene handslede vol hout voor zijne deur aan, wat hij in het +stadsbosch bijeen verzameld had, en boven op de slede lag een groene +dennetak. "Zie nu dien rakker eens aan!" zeg ik. "Hij zou mij een paar +andere laarzen maken, en hij is met hout aan 't karren! Hij heeft mij +al likdoorns aangelapt; ik laat bij dien kerel voortaan niets meer +maken!"--Zoo sta ik toen nog een tijd lang, en ik gevoel eene huivering +door al de leden en 't is alsof er ijs langs mijn' ruggegraat glijdt, +en ik zeg tot mij zelven: "Natuurlijk!" zeg ik. "Eene verkoudheid, +eene zware verkoudheid! En geen wonder? De laarzen zijn stuk? en met +de wol, die ik aan vrouw Bütow gegeven heb, stopt zij hare eigene +kousen, en de mijne hebben geene zolen meer. Alles in de wereld heeft +zijn natuurlijke oorzaken."--Zoo stond ik, totdat het donker werd, +en toen ik licht wilde aansteken, kon ik de lucifers niet vinden, +en toen ik die gevonden had, wilde de lamp niet branden: vrouw Bütow +had de kous niet afgeknipt; en toen die eindelijk na veel moeite begon +te branden, ging ze weder vlak voor mijn neus uit; vrouw Bütow had er +geen olie ingedaan. Onder zulke omstandigheden is het niet onaardig, +wanneer er dadelijk iemand bij de hand is, dien men eens ferm de huid +kan vol schelden; ik had echter niemand bij de hand, en wat zou ik +dus aanvangen? Ik keek maar weder uit het venster. + +Bij het gezin van den schoenmaker was het licht opgestoken en in de +kamer begon het vroolijk en luidruchtig te worden, maar zien kon ik +niets, want de gordijnen waren toegeschoven. "Zie nu eens bij den +schoenmaker!" zeide ik, "knappe gordijnen!"--Ik had geene gordijnen; +vrouw Bütow stelde geen belang in gordijnen. In den eersten tijd +had zij mij wat lappen aan elkaâr genaaid; die zagen er uit als +"van onder niets en van boven niets," en ik had ze afgetrokken, toen +mij de menschen vroegen of ik aan mijne vensters kinderhemden te +drogen hing. Natuurlijk ergerde ik mij dan nu over den schoenmaker: +de vent maakte mij mijne laarzen niet, en wilde leven als een graaf, +en ik zat in 't donker zonder gordijnen en met eene verkoudheid door +al mijne leden. Welnu, ik ga de straat op en denk: "Wacht! ik zal +dien kerel eens duchtig de les lezen!" + +Toen ik de kamer inkwam, stond een denneboom op de tafel en er brandden +lichten aan, en de kleine jongens van den schoenmaker, zijn Kareltje +en Christiaantje, hadden een fluit en een trompet, en maakten muziek, +en zijn klein Marieken juichte daarbij en gilde het uit, en greep met +de handjes naar de lichten, en trappelde met de voetjes in haar moeders +schoot, want zij kon nog niet loopen. De schoenmakersvrouw had het +spinnewiel terzijde gezet, zij had een schoonen boezelaar voorgedaan +en haren zondagschen doek omgeslagen en zette een zondags-gezicht +daarbij, lachte de kinderen toe en wischte klein Marieken den mond af, +wanneer die zich met de pepernoten wat al te smerig gemaakt had. De +schoenmaker had een stuk linnen van eene huifkar over de werkplaats +gelegd; hij had zijne pantoffels aangetrokken en zat nu met een lange +pijp bij de kachel, en met een' kan bier voor zich. + +Nu, hier kon toch niemand kwaad gemutst binnen komen. Ik zeide alzoo +niet anders dan: "Goeden avond! ik wilde maar eens komen zien, +waarom gij allen zoo vroolijk zijt."--En nu werd mij dan alles +gewezen; de pepernoten en de appelen, de bonte-boonen-kransen en de +rozenbottelskransen, de zeven krentenbroodspoppen en de eene suikerpop, +die heel boven in den denneboom hing. "Het zijn altemaal begeerde +zaken," zeide de schoenmaker, "drie jaren hebben wij ze nu gelukkig +kunnen bewaren, tot op den staart na van dit huzarenpaard; dien heeft +Christiaantje eens afgebeten, toen moeder er een oogenblik niet goed +acht op gaf.--Ja, jou meen ik; liet hij er op volgen, en dreigde zijn +jongen met den vinger.--"Ik wil hem mijn werk toch maar niet ontnemen," +zeide ik tot mij zelven, en ik gevoelde mij innig vergenoegd, +niettegenstaande ik vreeselijke hoofdpijn had. Maar toen schoenmaker +Linsener mij het hoofd- en middelstuk had aangewezen en uitgelegd,--'t +was Adam en Eva vóór den val, heel mooi in krentenbroodsdeeg gekneed, +en met eieren en saffraan geel bestreken,--en toen de beide kleine +Linseners zich rechts en links van onze eerwaardige stamouders +posteerden en met toeteren en trompetten begonnen, toen werd het mij +toch juist te moede alsof de oude wagenmaker Langklas mij met zijn +stompe fretboor altijd pianoforte--pianoforte--in het hoofd boorde, +dat het piepte en knarste, en mij daarbij vroeg of het niet heel +mooi ging?--De schoenmaker scheen het mij aan te zien, dat ik mij +niet recht wel gevoelde, want toen zijne beide kleine cherubs mij +behoorlijk uit zijn paradijs getoeterd hadden, ging hij met mij naar +den overkant en wilde mijn licht aansteken en vroeg waar de lucifers +stonden.--"Ik heb ze wel," zeide ik, "maar de hemel en vrouw Bütow +alleen weten waar ze te vinden zijn."--De schoenmaker hielp mij nu uit +mijne laarzen en zeide: "Natte voeten! En ik heb u de andere laarzen +niet in orde gemaakt!" Hij hielp mij naar bed en zeide: "Heb maar een +weinig geduld, mijne vrouw zal ik bij u zenden en zij zal thee voor u +zetten."--Dat gebeurde dan ook; maar wat in de eerste veertien dagen +met mij is voorgevallen, daarvan weet ik niet veel te vertellen.-- + +Ik lag in een zwaren droom. Het kwam mij voor alsof mijne gansche +kamer door brandende denneboomen verlicht was, en aan elken boom hing +een fraaie krentenbroodspop met Adam en Eva en heel het paradijs, +en als ik daarop afging en de hand er naar uitstrekte, dan had ik een +kapotte laars in de hand en eene kous zonder zolen, en Christiaantje +en Kareltje stonden tusschen mij en de gaven van den kerstavond, en +floten en toeterden, dat het mij door het hoofd dreunde en knarste, +en de duizend lichten dansten voor mijne oogen, en als ik dan riep: +"Laat mij toch met rust! Laat mij toch met rust! Ik wil immers bij je +vader weêr laten werken!" en dan de hand weder uitstak naar de mooie +krentenbroodspop, dan drongen zij mij weder terug en toeterden mij +in de ooren: + + + "Schoenen lappen, schoenen lappen! + Hebt gij ook wat om te lappen? + Voor zoo'n ouden jongen heer + Is 't geen kerstmisvreugde meer!" + + +Toen begon de oude rood verglaasde pot, die aan mijn hoofdeinde stond, +over zijn geheel breed en blank gezicht te lachen, en door de kamer +liepen kapotte laarzen, die staken allen de tong uit, en schoenmaker +Linsener pakte ze beet, de ééne na de andere, en reeg ze allen te +zamen en hing ze aan mijn venster in plaats van gordijnen.--Aan +mijn voeteneinde, daar zaagden twee, steeds afwisselend, hout: +de een zaagde altijd kleine dunne stukjes voor een koffie-vuurtje, +en de ander verwerkte knoesterig eikenhout; en als het hout voor +het koffie-vuurtje gezaagd werd, dan danste de nachtmuts van vrouw +Bütow voor mijne oogen op en neêr, altijd op en neêr; en als in het +knoesterig eikenhout gewerkt werd, dan schemerde het mij voor de oogen, +alsof een groote schoone aardbezie in een groen boschje stond, en als +ik scherper toekeek, dan was het de roode neus van mijn oom Matthijs, +die boven mijn groene deken uit kwam kijken.-- + +Eens op een nacht, toen er weder zwaar in het knoesterig eikenhout +gewerkt werd, werd het mij op eens, alsof ik uit de duisternis in +het licht kwam. Ik greep om mij heen. Waar was ik? Ik lag in bed, de +nachtlamp brandde flauw, en in den grooten opgevulden leuningstoel +lag mijn oom Matthijs inderdaad, tot aan zijn neus in mijn groene +deken en snorkte allervreeselijkst. "Oom Matthijs!" riep ik.--In +het eerst hoorde hij niet, maar eindelijk werd hij wakker en wreef +zich de oogen uit. "Oom Matthijs," vroeg ik, "waar is de schoenmaker +Linsener?"--"Jongen," zeide mijn oom,--want hij noemt mij nog altijd +"jongen," ongeveer met evenveel recht als de oude buurman Haman +altijd nog zijn twee-en-twintigjarig bij-de-hand's vóórpaard "het +veulen" noemt;--"Jongen, begint ge al weder? Wat hebt ge toch met den +schoenmaker Linsener te maken? De man doet u immers niets."--"Oom," +zeide ik, toen hij zich weder ter deeg legde, om weder aan 't zagen +te gaan, "is het waar; of heb ik het gedroomd? Hebben wij oude vrijers +geen deel aan de kerstvreugde?"--"Gekkepraat!" zeide oom Matthijs. "Leg +stil!"--"Ik ben zeker erg ziek geweest?" vroeg ik.--"Dat is God +bekend," zeide mijn oom en kroop van onder de deken uit en nam de +lamp en lichtte mij in de oogen. "Maar waarlijk, waarlijk! Ik geloof, +dat ge het gevaar te boven zijt, want ge ziet er; mijn jongetje,"--en +daarbij streelde hij mij,--"geheel anders uit. Kunt ge nu werkelijk +zien, dat ik uw oom ben, en dat dit mijn neus is, en geen aardbezie? En +wilt ge dat aardbeziën plukken nu zachtjes aan wel eens laten? Want +ge hebt mij gisteren nacht tweemaal leelijk in het gezicht gepakt, +toen ik een beetje ingedommeld was." Ik beloofde dat ik mij nu beter +zou gedragen, want ik kwam nu weder tot mijn verstand. + +In waarheid, de ziekte was geweken, maar nu kwam de ellende eerst +aan. Ik was zoo ontzettend zwak, dat ik mij niet verroeren kon, en +als ik de oogen eens opsloeg, dan stond vrouw Bütow voor mij en had +den rooden verglaasden pot in de ééne hand en een lepel in de andere, +en voerde en propte mij vol met een ziekensoep, die zoo stijf was als +boekbindersstijfsel en ook zóó smaakte, en ze zeide dan: "Eet toch, +eet toch maar!--Als ge niet eet, wordt ge niet beter." En bij al deze +kwelling zette dat oude goedhartige meubel bij haren stijfselpot nog +zulk een meêwarig gezicht, dat ik wel moest toehappen, of ik wilde +of niet.-- + +Ieder ding heeft een end, en eene worst heeft er twee. Ik kon het bed +weêr verlaten en zat toen uren lang met mijn oom Matthijs te zamen, +en keuvelde wat met hem. "Oom;" zei ik eens, want de droom van den +kerstboom en de oude vrijers lag mij door het hoofd te malen, "oom, +we hadden eigenlijk beiden moeten trouwen."--"Gekkepraat!" zeî +mijn oom, "meent ge dat ik als Oostenrijksche wachtmeester van +anno dertien in de keizerlijk-koninklijke staten eene kleine +Hongaarsche huzarenfokkerij had moeten aanleggen?"--"Dat niet," +zeg ik, "ik spreek ook eigenlijk slechts van mij zelven. Zie, ik +denk wel eens, als ik eene vrouw had,--namelijk eene flinke vrouw, +eene goede vrouw, eene--een aardig, lief vrouwtje, en gij kwaamt +dan bij ons inwonen...." "Om op de kinderen te passen? Ik dank je +hartelijk!" zei mijn oom Matthijs.--"Zoo meen ik dat niet," zeg +ik. "Maar trouwen doe ik, want de oppassing van vrouw Bütow in mijn +laatste ziekte...."--"Mij dunkt," viel hij mij in de rede, "dat gij +goed genoeg opgepast zijt.--Ik zelf...."--"Wel, praat zóó niet," zei +ik, "gij hebt al het mogelijke gedaan; maar vrouw...."--"Nu, hebt gij +dan al eene bepaalde op het oog?" vroeg mijn oom.--"Ik weet er eene," +zeg ik.--"Ei, zoo, en is zij je ook al genegen?" vroeg hij.--"Dat weet +ik niet," zeg ik.--"'t Is zeker zoo'n ijdele modepop?" vroeg hij en +pinkte met het ééne oog.--"Dat niet," zeg ik.--"Dan is zij zeker al +lang de militaire dienstjaren te boven?" vroeg hij weder en knipoogde +andermaal.--"Ook dat niet," zeg ik. "Maar gij kunt er eens een kijkje +van nemen;--ik kan helaas niet mede;--zij gaat elken namiddag buiten +de poort naar den molen heen wandelen, zoo tusschen drie en vier uren, +en gij kunt er u niet in vergissen, want zij is de mooiste van allen, +die daar loopen."--"Natuurlijk!" zegt mijn oom.--"En ze heeft een' +kwast aan den mantel en een kleinen jongen aan de hand," liet ik +er op volgen.--"Trouwt ge dat kind op den koop mede?" vraagt mijn +oom.--"Hoe komt gij daar bij?" voer ik driftig uit. "Dat is haar +zusters kind."--"Heere, bewaar ons!" zegt mijn oom.--"Maak u maar +niet zoo boos! Wat weet ik daarvan? Voor mijn part kon zij immers +eene weduwe zijn. Maar, ik wil toch eens een kijkje gaan nemen!"--En +daarmede ging hij heen. + +Des namiddags, zoo omstreeks vijf uren, kwam hij weder, stak een pijp +op, ging zitten en zeide hoegenaamd niets. Dit hinderde mij natuurlijk, +en ik sprak dus ook niet. We rookten nu beiden als kalkovens; maar +ik was toch al te nieuwsgierig; ik stond op en plaatste mij zóó, +dat hij mij met zijn oud knipoogerig gezicht niet in de oogen kon +kijken, en vroeg: "Zijt gij van daag buiten de poort geweest?"--"Dat +ben ik," zegt hij.--"Wel?" vraag ik.--"Ja," zegt hij.--"Hebt gij +haar gezien?" vraag ik. "Ik heb haar gezien," zegt hij, "en heb +ook met haar gesproken." "Ben je bezeten?" zeg ik en ik draai me +om. "Wat hebt gij met haar te praten? Ik zelf heb nog niet eens met +haar gesproken."--"Daarom juist!" zegt hij; "want één van ons beiden +moet toch een begin maken en ik zal toch wel met de beminde van mijn +zusters zoon mogen spreken?" "Zoo ver zijn wij nog lang niet," zeg +ik.--"Wat niet is kan immers nog worden," zegt hij; en hij ging wat +dieper in den ouden leuningstoel zitten en strekte de beenen vooruit, +als wilde hij zeggen: "ziet ge me wel?"--"Ik wil het u vertellen," +zeide hij. "Toen ik den weg was opgegaan, kwam zij achter mij aan en +ik bleef staan en zag naar haar, want zij had een kleinen jongen aan +de hand; den kwast kon ik niet zien, omdat die op haar rug hing."--"Ik +kan 't mij zoo verbeelden," zei ik, "gij hebt haar zeker wonderlijk +aangekeken?"--"Als ik wat zien wil, dan maak ik mijne oogen open," +zeide mijn oom, "en dat deed ik, en zij sloeg hare oogen zoo naar +beneden--eensklaps, en met zulk eene snelle beweging, alsof zij 's +avonds de gordijnen van haar ledekant toetrekken wilde, en toen zij +voorbij was, zag ik ook den kwast."--"Gij zult haar mooi aangekeken +hebben," zei ik--"Dat heb ik, maar het mooiste komt nog."--"Nu, maar is +zij u goed bevallen?" vroeg ik.--"Wel zeker! zij bezit onderscheidene +deugden, die mij wel aanstaan: in de eerste plaats heeft zij niet +veel klungels om haar hoofd hangen, en ten tweede veegt zij met hare +kleêren de straat niet schoon, en dat zijn een paar deugden, mijn zoon, +die meer te beteekenen hebben dan men doorgaans denkt; want die zoo +veel aan het hoofd hebben hangen, hebben er meestal niet veel in, +en die zulke lange kleêren dragen, hebben allen kromme beenen, +of wat nog erger is, haar schoeisel bevindt zich in geen goeden +staat. Mijn zoon, bij vrouwen en paarden moet gij altijd het eerst +naar de beenen kijken; ziet dat onderspul er knap uit, zetten zij de +beenen goed neer, en is het voetwerk netjes, dan kunt gij op vlijt, +orde en zindelijkheid rekenen." "Gij meent alzoo--?" vroeg ik.--"Ik +meen in het geheel niets," viel hij mij in de rede. "Laat mij eerst +vertellen, hoe 't mij verder gegaan is.--Toen zij nu zoo vóór mij +uit naar den molen ging, en ik achter haar, toen moest ik wel tot mij +zelven zeggen: waarlijk! ge neemt eene deftige houding aan! Ge draait +een beetje met het hoofd; maar dat kan geen kwaad! Want waarom zou zij +niet met haar hoofd draaien? daarvoor is zij immers een vrouwspersoon; +maar--denk ik zoo bij mij zelven--de spraak! Dat is de hoofdzaak! gij +moet met haar een onschuldig gesprek aanknoopen!--Toen zij nu weder +terug kwam, plaatste ik mij met den rug tegen den boom en deed alsof +ik mijn pijp wilde aansteken, en toen zij ongeveer een pas of vijf van +mij af was, haalde ik mijn vuurslag uit den zak en bij die gelegenheid +trok ik tevens voor een daalder klein geld er mede uit.--Jongen! vat +je 't? Alles voorbedacht!--De twee-groschenstukken rammelden zoo maar +over den hard bevroren straatweg. Nu buk ik en hijg er geweldig bij, +alsof het oprapen mij uiterst moeilijk viel, en toen zij dit gewaar +werd, zeide zij werkelijk tot den kleinen jongen dat hij mij zou +helpen, en zij hielp ook mede,--en dat wilde ik juist. Ik bedankte +haar nu, en wij kwamen in een gesprek en gingen te zamen tot aan de +poort."--"En waarover hebt gij dan gesproken?" vroeg ik.--"O! het +had niets te beduiden.--Ik zeide dat ik uw oom was, en vroeg of zij u +niet kende, daar gij hier ook steeds op en neêr liept; toen zeide zij +dat zij niet het genoegen had,--"genoegen" zeide zij--; toen vroeg +ik of zij hier niet een jongmensch had zien gaan met een geelachtig +grijzen hoed en een geelachtig grijze overjas, een geelachtig grijze +broek en geelachtig grijs haar?---"Neen," zeide zij; "een oudachtig +heer in zulk eene kleeding had zij wel gezien."--Toen zeide ik dat +de oudachtige heer de jonge mensch was, waarvan ik gesproken had; +dat waart gij.--Toen sprong dat aardige kleine jongske tegen haar op +en zeide: Tante, dat is die menheer, waarvan gij altijd zegt, dat hij +er uitziet als een regelbroodje, dat in koffie met veel melk gesopt +is."--Toen werd zij vuurrood en ik moest luidkeels lachen en zeide, +jawel, dat gij dat waart. + +Nu werd ik ook vuurrood, want de grap maakte mij zeer knorrig, en +ik zei tot mijn oom: "Als gij niets anders gewild hebt dan uw eigen +zusters kind belachelijk bij de menschen te maken, dan hadt gij maar +liever moeten t'huis blijven."--"Dat had ik ook," zeide hij; maar +ik wilde nog wat anders; ik wilde gaarne weten, of zij u zou willen +hebben?" "Maar, mijn hemel!" zeg ik, "dat hebt gij haar toch niet +gevraagd?"--"Jongen," zeide mijn oom en dampte daar vreeselijk bij, +"wanneer ik eene zaak op mij neem, dan volbreng ik haar behoorlijk, +maar fijn!--Ik vroeg haar dus, of zij wel wist, wat gij waart?--"Neen," +zeide zij, "gij waart wellicht een dokter?"--"Heer! bewaar me!" zeg ik, +"hoe zou zij daaraan komen?"--"Een advocaat?"--"Ook dat niet." "Nu dan +dit, of dan dat?" En zoo raadde zij nu eens opwaarts tot een raadsheer, +dan weêr afdalend tot een barbier; ik schudde maar altijd met het +hoofd en zeide eindelijk: gij raadt het toch niet!--Hij is op zijn +hoogst volstrekt niets."--Dit kwam haar dan nu al heel min voor, en +zij meende dus, dat gij dan zeker van uw geld zoudt leven. "Ik zeide +toen, ja! daaraan had zij in zooverre gelijk dat gij in die zaak van +jongs af den meesten lust hadt betoond; maar, dat gij daardoor een post +gekregen hadt, kon ik juist niet zeggen. Gij zaagt nu naar eene andere +betrekking uit.--"Naar welk eene? vroeg zij.--"Naar den huwelijken +staat," zeide ik en vroeg daarbij, hoe zij daarover dacht. Vooraf +had ik reeds tot mij zelven gezegd: wordt zij bij deze vraag bleek, +dan mag ze hem niet lijden; wordt zij rood, dan neemt ze hem.--En +zie! zij werd over en over rood en boog zich en frommelde wat aan +den hoed van den kleinen jongen en toen zij zich weder oprichtte, +keek zij mij van boven naar beneden aan, maakte eene kleine beweging, +eene soort van dienaresse, en weg was zij! En de vraag, die ik haar, +mijn persoon aangaande, nog wilde doen, kwam in 't geheel niet bij mij +op het tapijt."--"Dat zal ook een mooie vraag geweest zijn!" zeg ik, +en beet van ergernis een stuk van het pijperoer.--"O neen!" zeide mijn +oom, "ik wilde haar alleen vragen, of zij goed visch kan koken; dan +wilde ik bij je komen inwonen." En daarop zag de oude knaap er uit, +zoo belangwekkend en ernstig, alsof mijne huwelijksaangelegenheden +hem meer ter harte gingen, dan mij zelven. Dit zou echter nog veel +koddiger worden. + +Toen ik spoedig daarna al eens even uit mocht gaan, ging ik nu +met opzet niet naar den molen, want het hinderde mij, haar onder +de oogen te komen. "Laat ik een beetje naar het meer op het ijs +gaan," denk ik "en naar het schaatsenrijden en het slederijden gaan +zien."--Dat deed ik dan ook, en toen ik in de nabijheid van de tent +kwam, waar bier en brandewijn en punch en grog verkocht werd, ging +ik er wat dichter bij, en zag toen juist, hoe mijn oom Matthijs een +acht-groschen stuk op de tafel legde en voor vier groschen koek en +voor vier groschen punch nam. Dat kwam mij nu al zeer vreemd voor, +want hij dronk liever een glas grog dan punch, en koek nam hij nooit +in den mond. "Wat zou dit toch te beduiden hebben?" denk ik, "hij wil +zeker kinderen trakteeren."--Maar neen! Zonder dat hij mij gewaar werd, +ging hij met zijn stapel koeken en zijn glas punch op eene slede af, +waarin eene dame met een' groenen sluier zat, en boog zich met zijn +lijf voor en achterwaarts, alsof hij zijne lendenen wilde verrekken +en kraste met de voeten zoo potsierlijk op het ijs, dat ik dacht: +de oude man zal zijn evenwicht verliezen. Maar juist toen ik naar +hem toe wilde springen, om hem onder de armen te grijpen, sloeg de +dame den sluier terug, en wat zie ik?--Mijn lieve schat en mijn zoete +oogentroost! En het werd mij, alsof iemand mij rechts en links een +paar oorvijgen had gegeven.--"Dat mag de koekoek weten!" zeg ik, +"de oude bederft mij de heele vrijage!" En, ik ga naar huis, zeer +verdrietig, zoo verdrietig, als eenig mensch ooit kan worden. + +Daar zat ik nu in 't donker en ergerde mij inwendig. Toen ging de deur +open, en mijn oom kwam binnen. "Goeden avond!" zeide hij. "Hoe zit gij +hier zoo in de duisternis?--Steek licht aan!"--Dit is de eenige keer +in mijn leven geweest, dat ik mijn moeders broeder niet gegroet heb; +ik stond echter op en stak licht aan, en zag er zoo zuur uit, als +een zoute haring, die veertien dagen in azijn gelegen heeft.--"Wat +scheelt u?" vroeg hij.--"Niets!" zeg ik kortaf, ik dacht echter: 't +is mijn moeders broeder! en liet er op volgen: "Ik ben niet in mijn +schik!"--"Ik zeer," zeide hij, en daarbij zag hij er zoo vroolijk +uit, als een oude ezel, die veertien dagen bij gladde haver op stal +gestaan heeft.--"'k Heb weêr met haar gesproken," zeide hij.--"Wat +gaat het mij aan," zeg ik.--"Hoe moet ik dat verstaan?" vroeg hij en +legde zijne beide armen op de leuningen van den leuningstoel en keek +met den neus daarover heen, mij strak in 't gezicht: "Ik heb de zaak +zoo fijn bewerkt, zoo fijn! dat een hond er om zou jammeren, wanneer +daar niets van kwam, en nu wilt gij niet?"--"Neen," zeg ik. "Oom, +ik wil niet! Meent gij, dat ik u den room zal laten afscheppen en +ik mij met de zure melk zal tevreden stellen? Want daarover zijn ze +'t allen eens,--zie maar hier! Amalia Schoppe, geboren Weise, en +Elize von Hohenhausen, geboren von Ochs, en al de anderen, die over +dit onderwerp geschreven hebben--"het schoonste bij het trouwen is +het verkeer van verloofden vóór de bruiloft," en dat pleizier eigent +gij u toe, en ik zal toezien hoe ge mijne liefste op punch en koeken +tracteert?"--Mijn oom neemt de geboren "Weise" en de geboren "von +Ochs" en smijt ze in den hoek van de canapé en gaat voor mij staan en +zegt: "Ik vraag je voor het laatst, of gij het meisje trouwen wilt +of niet?"--"Neen," zeg ik.--"Nu," zegt hij en keek mij lang aan met +zulk een ernstig gezicht, alsof hij zoo even zijn testament gemaakt +had en nu nog zijn' naam wilde teekenen, "nu het meisje zal door mij +geene schade te lijden hebben, want ik zal ze trouwen." En daarmede +ging hij met een fieren tred de deur uit. + +Dat was me nu een geschiedenis!--In 't eerst stond ik geheel verbluft, +vervolgens viel ik in den hoek van de canapé op de geboren "Weise" +neder en lachte overluid. Mijn oom, die ruim twintig jaar ouder was dan +ik, durfde eene zaak ondernemen, waartoe mij op mijne jaren de courage +bijna begon te ontzinken!--Ik wilde nu weder in lachen uitbarsten, +maar 't wilde niet meer vlotten, want mijn hart was niet zonder zorg: +en hoezeer ik mijn gezicht breed genoeg vertrok, het kwam tot geen +lachen, toen ik mij nu met het domste gelaat van de wereld in den +spiegel te zien kreeg, sprong ik overeind en ging met groote schreden +de kamer op en neêr, en maakte mij niet weinig boos en sloeg op de +tafel en sprak: "Hij doet het, hij is er toe in staat." + +Toen vrouw Bütow kwam, werd zij natuurlijk om onderscheidene redenen +beknord, en toen ik haar behoorlijk had terecht gewezen, ging ik naar +de club, en speelde omber en zeide steeds tot mij zelven: "Dat kunt +ge zoo toch maar niet laten gaan," en speelde solo's, die hoegenaamd +niet op de wereld bestonden, en verloor ze, en zeide dan weder: "Gij +zult u dien harten toch niet laten ontnemen!" en nam de schoppen en +werd codille. + +Ik ging verdrietig naar huis, begaf mij te bed en wilde slapen, maar ik +kon niet. Ik kwelde mij den ganschen nacht, want ik kon mij dat lieve +kind niet meer uit de gedachten zetten,--zij had mij betooverd,--en +de kerstavond viel mij in, en de vrees, dat ik in mijn leven geen +kerstboom zou versieren. Wanneer ik dan tot mij zelven zeide: "zet het +maar door!" dan vlogen mij al mijne bedenkingen als een bijenzwerm door +het hoofd, en voor mijne oogen stond altijd een groot vraagteeken, +en wanneer ik mij dat wilde verklaren, dan beteekende het steeds: +"Ja, maar wil zij ook?" + +Dit kon niemand beter beantwoorden, dan zij zelve,--zooveel zag ik +in,--en toen nu de grauwe wintermorgen in mijne koude kamer begon aan +te breken, en ik van koude rilde, terwijl ik koffie zette, zeide ik: +"Nu weet ik, wat ik te doen heb! Wat zijn moet, moet zijn!" En ik +zeg aan vrouw Bütow: "vrouw Bütow," zeg ik, "ga eens naar den koopman +Bohnsacken en koop voor mij een paar fijne gele handschoenen, zooals +de jonge heeren advokaten steeds dragen, als zij eens heel veel willen +beteekenen.--Maar mooie gele!" + +Tegen elf uren had ik nu mijn zwarten rok, zwarte broek en glimmende +laarzen en de nieuwe gele handschoenen aan, en eer ik mijn hoed +opzette, ging ik voor den spiegel staan en zeide met recht: "Hoe +is 't mogelijk! Dat had ik zelf niet meer kunnen denken!" Ik wierp +nog een blik in mijne kamer rond en zeide: "Zóó zal 't dan nu hier +niet blijven!" Ik keek eens in mijne oude pantoffels, die voor het +bed stonden, en zeide: "Jelui zult ook raar staan kijken, als het +gelukt, en binnen kort een paar kleine, nette pantoffeltjes bij je +komen logeeren." + +Ik ga nu de straat af en kom het huis van mijn oom Matthijs voorbij en +denk: "Eerst met de gansche wereld vrede gemaakt, alvorens iemand zulk +een' gang doet!" Want het was mij om 't hart, alsof ik mijn laatsten +gang ging volbrengen. Ik klop alzoo aan zijn' deur en treed binnen. + +Nu, ik heb al veel in de wereld gezien; ik heb eens gezien, dat een +kerel vuur vrat; ik heb eens gezien, dat iemand vlas vrat en een mooi +zijden lint uit zijn keel haspelde; maar zoo iets wonderlijks is mij +nog nooit onder de oogen gekomen, als in het oogenblik, toen ik op +dien morgen mijn oom Matthijs te zien kreeg. + +Daar stond hij in zijne kamer, even mooi opgeschikt als ik, behalve dat +zijn zwarte rok een groen jachtbuis was, en dat zijne gele handschoenen +van hertsleder waren, en de mijne van schapeleder, en dat zijne witte +knevels links en rechts, als een paar heldere ijskegels, langs zijn +mond afhingen, en de mijne naar boven opgedraaid waren en zich in +alle mogelijke nuances vertoonden. + +"Oom!" riep ik, toen ik binnenkwam, en mijn hoed rolde voor mij +uit de kamer in, zoo was ik ontsteld.--"Jongen," riep hij, "wat wilt +gij?"--"Wat wilt gij?" riep ik.--"Ik wil dat, wat gij niet wilt!" zegt +hij.--"Neen, ik wil weêr!" riep ik. "En ik ben maar eens even," voegde +ik er bij, "hier in dezen opschik naar u toegekomen, om u te zeggen, +dat ik nu mijn besluit genomen heb, en om u te vragen, of gij weder +mijn lieve oude oom wilt blijven."--"Wilt gij dat?" zeide hij, en zette +zich in zijn leuningstoel neder, en zag mij met een veelbeteekenenden +blik aan. "Nu, dan wil ik u maar zeggen, dat ik ook in dezen opschik +bij u wilde komen, om u een weinig schrik aan te jagen. Ik weet dat +uit den tijd toen ik soldaat was: zoo een weinigje schrik, dat schudt +den mensch goed wakker en doet hem zijne krachten inspannen; want dan +komt het eergevoel mede in 't spel.--"En, jongen," zeide hij en stond +op en legde mij de hand op den arm, "ik wil je niet in den weg staan +en ik wil den helderen hemel van je geluk niet verduisteren, want dat +lieve kind is voor jou geboren, en dat meisje is goed!" En daarbij +kneep hij mij in den arm met zijne oude breede vuist, dat ik dacht: +"Als zij zóó is, dan is zij meer dan goed." + +Mijn oom ging nu heen en haalde een glas van zijn ouden portwijn en +zeide: "Kom hier mijn jongen, eerst iets ter versterking!--En, hoe zult +gij de zaak nu aanleggen?"--"Ja," zeg ik, "als ik dat wist!"--"Zet +eens je voet hier op den stoel," zegt hij. "Wat moet dat?" vroeg +ik. "Niets, niemendal," zegt hij, en knipt de souspieds van mijn broek +af: "met een voetval moet gij toch beginnen, en die dingen konden u +daarin hinderen." "Nu," zeg ik, "gij maakt een mooi begin."--"Zooals +'t behoort, behoort het ook," zegt hij. "Ik heb het van mijn leven +niet zelf ondervonden, maar ik heb het altijd zoo op afbeeldingen +gezien. Wat zegt gij er van?--Wacht! Ik wil je helpen!" en daarbij +maakte hij haastig zijne ouderwetsche commode open, en frommelde in +de lade rond, waarin hij zijn heiligste schatten had. En--al zijn +leven! Daar kwam hij met zijn album te voorschijn.--Dat kreeg men +zelden te zien, en wanneer hij het in handen nam, gebeurde dit alleen +'s avonds, als alles heel stil was. Dan trok hij eerst schoon linnen +en zijn beste kleêren aan en zette rechts en links een paar lichten +op de tafel, sloeg, diep in gedachten verzonken, blad voor blad om, +las de verzen en hield met zwarte kruisjes het dooden-register in +orde. Den anderen morgen was hij dan zeer weemoedig gestemd. Onlangs +kwam hij naar mij toe, en zeide: "Zoo veel ik weet, is er nog maar +één in leven, dat is Christiaan Bunger, de zoon van den ouden snijder +Bunger, die vlak naast mijne ouders woonde. Gij zegt, niet waar? Dat +hij kommies te Parchen moet zijn, en als God mij het leven laat, +dan wil ik hem dezen zomer eens bezoeken." + +"Hier!" zeide hij, toen hij het album voor den dag gehaald en op de +tafel gelegd had, "ga hier zitten en zoek een vers uit en leer dat +van buiten. Daar staan er in, die voor gebeden zouden kunnen dienen; +dus zal er ook wel één voor het beste meisje op aarde in te vinden +zijn."--"Oom," zeide ik en nam het album in de hand en bladerde er in, +"ik weet, wat ik doe: ik spreek zóó, als mijn hart het mij zal ingeven, +en het is mij dezen morgen zoo bijzonder wèl om het hart."--"Ook goed, +mijn jongen," zeide mijn oom, "en wellicht nog beter. Doch maak dan +nu voort! Maar wacht eens even!" liet hij er op volgen, toen ik mij +omdraaide om te gaan, "het witte bandje van je voorhemdje hangt je +een halve el langs den rug!" En hij stopte dat eind band onder mijn +das en gaf mij zijnen zegen: "Zie zoo! Ga met God!" + +Ik ging dus, maar toen ik de huisdeur uitkwam, werd er boven mij +gehoest, en toen ik naar boven keek, lag mijn oom Matthijs uit het +venster, en knikte en wenkte mij toe, en telkens, als ik in de lange +straat omkeek, dan knikte hij en wuifde met zijn roodbonten zakdoek +uit het venster, zoodat angst en vrees mij bekroop, dat de menschen +merken zouden, wat er tusschen ons beiden aan de hand was. + +Nu zou ik hier eene treffende geschiedenis kunnen vertellen; maar +ik zal mij wel in acht nemen.--Zoo gemakkelijk, als dit in romans +beschreven wordt, gelukt zulk eene zaak in de werkelijkheid niet. Onder +honderd begaan negen en negentig, op dezen gang, de kluchtigste +dwaasheden, en wanneer er ook al honderd als de gelukkigste minnaars +terugkeeren, zullen toch negen en negentig tot zich zelven zeggen: +"Geve de lieve hemel, dat wij niet weder in het geval komen; als wij +echter voor de tweede maal die zaak moesten ondernemen, dan zouden +wij het verstandiger aanleggen." + +Na anderhalf uur kwam ik dan weder terug, tot over de ooren toe +gelukkig, en ik zal er ook wel naar uitgezien hebben; en daar ik mij in +mijn eenzaam leven als jonggezel de dwaze gewoonte had aangewend, in +mij zelven te praten, zoo kon ik bij bedaard nadenken het de menschen +niet kwalijk nemen, dat zij voor mij, toen ik de straat kwam afgaan, +een weinig uit den weg gingen en mij strak nakeken, of mijne beenen +wellicht ook zóó gestikuleerden als mijne handen.--Toen ik nu niet +ver meer van het huis van mijn oom was, ijlde hij mij al te gemoet en +viel mij om den hals, want hij had gedurende die anderhalf uur achter +de huisdeur op de loer gestaan, en riep: "Zwijg maar stil! Vertel mij +maar niets! Ik weet alles! En wanneer is de bruiloft?"--Ik zocht hem +te bedaren en zeide: "Zwijg toch! Ten minste op straat!" nam hem onder +den arm en trok hem mede naar mijn huis. Maar toen wij daar binnen +kwamen en vrouw Bütow juist de tafel dekte, toen kon hij zich niet +langer goed houden, toen speelde zijn gansche hart solo in de kleur, +en toen de vrouw hem aankeek, straalden uit zijne oogen niets dan +troeven, en hij wees met den duim over de schouders naar mij heen en +zeide: "Ziet ge hem daar, vrouw Bütow? Daar staat hij,--mijn zusters +zoon! Die is nu ook al aan 't vrijen, zoo goed als de besten!" en toen +vrouw Bütow kwam en mij feliciteerde en weten wilde, wie de gelukkige +was, had ik al weder genoeg te doen om haar tot zwijgen te brengen; +en toen zij weg was, zeide hij, terwijl hij zeer van ter zijde mij +aankeek, dat ik een huichelaar, een verstokte was en een slecht hart +moest hebben, dat ik zulk een geluk zoo lang verzwijgen kon. + +Ik moest nu gaan zitten en hem vertellen hoe het gegaan was. Hij +werd dan nu ook vriendelijker en knikte met het hoofd en zeide: +"mooi!"--en weder schudde hij met het hoofd en zeide, dat dit niet +geheel naar zijn zin was, en toen ik uitverteld had, stond hij op, +en zette een gezicht gelijk de hemel in den hooitijd, als hij niet +recht weet, of hij de zon zal laten schijnen of het zal laten regenen; +hij schudde en knikte, en knikte en schudde, en eindelijk zeide hij: +"wat hem betrof, hij zou het toch vrij wat beter gemaakt hebben;" +en vroeg toen, bij welk vers van dit hoofdstuk ik den voetval had +gedaan. Ik moest nu bekennen, dat die in het geheel niet te voorschijn +was gekomen. Toen nam mijn oom Matthijs zijn' hoed en zeide: "Nu, +dan wensch ik je smakelijk eten! En houd u aan 't geen gij hebt; +wat daarna komt, daar valt niet veel op te rekenen.--Gij hebt veel te +vroeg koning gekraaid; de zaak is nog lang niet in orde; een voetval +behoort bij iedere verloving en de zaak gelukt niet, wanneer ze niet +met de beide knieën bezegeld is. Het zal mij ten minste in het geheel +niet verwonderen, als de koop eerstdaags komt te vervallen.--Volg +een ander maal beter mijn raad!"--En zoo vertrok hij. + +Niettemin begon nu voor mij een heerlijk mooie tijd, een heerlijk +mooie tijd! Ik zou ook hiervan weder veel kunnen vertellen, maar zal +er liever niet aan beginnen. De hoogste vreugde en het diepste leed +moet men niet iedereen aan den neus hangen; en hoewel ik nu gaarne +geloof, dat allen, die dit lezen, fatsoenlijke en bezadigde menschen +zijn, de een of andere hansworst kon er toch onder gevonden worden, +die te mijnen koste er den gek mede stak; en dat zou mij dan toch +zeer hinderen. + +Maar bij iederen degelijken honigkoek behoort een weinig peper, +en daaraan zou het mij nu en dan ook niet ontbreken. Eerst strooide +mijn oom Matthijs af en aan eenige korreltjes er bij; doch toen hij +zag, dat de zaak stand hield, en toen hij zelf bij de familie mijner +aanstaande bruid op visite geweest was, en zich bij die gelegenheid +tot zijne tevredenheid van het vischkoken overtuigd had, spaarde hij +zijne specerijen en greep diep in zijn' honigpot--te diep! zeg ik--want +nu schilderde hij aan alle menschen, die hem wilden aanhooren, mijn +geluk zoo zoet af, dat in mijn honigkorf weldra eene menigte vliegen +gonsden, zoodat ik mij niet wist te bergen, en er spoedig zoo vele +kluchten van mij verteld werden, als ware ik alleen ten genoegen +van iedereen niet slechts een Brüjam, maar ook een Brüdjam geworden +[1]. Ik werd geplaagd, waar ik mij liet zien. Op vijf pas grijnsde mij +iedere kwast op straat na, en als ik dan vroeg, wat dat grijnzen te +beduiden had, dan zeiden zij allen, alsof zij het afgesproken hadden: +"O, niets, niemendal!"--Wanneer ik nu en dan 's avonds in mijne oude +damclub kwam,--want dit had ik mij dadelijk voorgenomen, dat ik onder +geenerlei omstandigheden dit gezelschap er aan geven wilde, vooreerst, +omdat het zeer met mijne neiging overeenstemde; en ten tweede, omdat +ik het voor mijne vorming zeer voordeelig achtte;--nu, wanneer ik er +dus eens heenging, was het me daar een gefluister en gesis, en dan +stieten ze elkander aan; de een maakte heel bedekt fijne, en de ander +heel onbewimpeld grove zinspelingen, en zij vertelden elkander allerlei +geschiedenissen, wat deze vóór de bruiloft gezegd, en wat gene na de +bruiloft gezegd had, en wat de herder tot zijn hond gezegd had; en als +ik er mij dan boos over maakte, en vroeg, wat zij daarmede bedoelden, +en of dat hekelen op mij zag, dan zeiden zij allen: "De hemel beware +ons! We meenen dat maar zoo."--En wanneer ik nu 's avonds deswege +niet naar de damclub ging, dan begon vrouw Bütow, die wauwelaarster, +en strooide mij steeds heel kleine, fijne snuifjes in den neus en in +de oogen: of dat zóó moest? of dat het zóó moest? Zij wist immers +niet, hoe ik dat nu hebben wilde. En zij was eene oude vrouw en +had in haar leven al bij veel heeren gediend, maar nog bij geen, +die op het punt van trouwen stond; ik moest daarom geduld met haar +hebben, want de zaak werd nu immers toch spoedig anders. En wat het +schoonmaken aanging, daarin gaf zij mij volkomen gelijk, dat was voor +mijne aanstaande bruid niet goed genoeg, want zooals zij gehoord had, +was die als eene prinses opgevoed en had in haar leven geen vinger in +koud water gestoken; maar haar oogen waren al te oud voor ieder vlokje +stof. En als de juffrouw mij eerstdaags bezoeken wilde, kon zij dat +immers doen; zij voor haar persoon had daar hoegenaamd niets tegen, +en over het spinrag aan de zoldering en het stof op de commode zou +zij immers niet vallen, en over den kleinen afzonderlijken hoop vuil, +dien zij gemakshalve in den eenen hoek van mijne kamer had verzameld, +zou zij zich juist ook de beenen niet breken. En als ik 's avonds +vuur wilde hebben, dan moest ik dat maar zeggen,--zij kon dat toch +immers niet weten,--ik was immers altijd naar de damkroeg gegaan, +waarom dan nu ook niet? En daarop ging zij vóór de opening van de +kachel zitten blazen, en de kolen gloeiden tegen hare dikke bolle +wangen, zoodat ik haar niet kon aanzien, of ik moest steeds denken: +"'t Is zonde! ik weet zeer goed, dat dit mijne vrouw Bütow is, eene +christelijke weversweduwe; waarom moet ik dan bij haar altijd aan de +hooge personages denken, die diep, zeer diep beneden ons wonen op een +plek, waar het zeer heet moet zijn? En waarom valt mij bij haar blazen +altijd in, dat mogelijker wijze op die plek ook iemand zit, die kolen +aanblaast, om mijn schoon huwelijksgeluk een weinigje op te stoken!" + +Hieruit kan iedereen nu opmaken, dat bij mij nog niet alle bezwaren +uit den weg geruimd waren, en ze zouden nog erger worden. + +Toen ik namelijk op zekeren namiddag van mijne verloofde kwam, hoorde +ik op straat al in de verte een groot rumoer; de menschen zagen uit +de vensters, en voor eene huisdeur stonden er al eene heele hoop +bijeen, die naar de stoep keken. Toen ik nu juist de deur wilde +voorbijgaan, vloog de bontwerker Obst over zijn onderdeur heen, +zoo als een biljartbal soms over den band komt gesprongen, en komt +op handen en voeten in de goot terecht.--"Mijn hemel! broertje," +zegt zijn buurman Gräun, "hoe komt gij daar beland!"--"Ja, dat moogt +ge wel zeggen!" zegt de bontwerker, "mijne vrouwlui hebben er mij +uitgegooid."--"Waarom dat?" vraagt de ander--"Ja, broêr," zegt de +bontwerker, terwijl hij overeind krabbelt, "dat zal ik je zeggen: +mijne vrouw wil, wat ik wil, en dat wil ik niet." + +Daar mij nu dit geval niets aanging, ging ik maar verder en dacht +zoo bij mij zelven: het is toch een koddig gezegde! Wat zou de kerel +daarmeê toch bedoeld hebben? "Mijne vrouw wil, wat ik wil, en dat +wil ik niet." 'k Zal er oom Matthijs eens naar vragen. + +Ik ga dus naar hem toe en vertel hem de zaak en deel hem het gezegde +mede en vraag: "Oom, wat meent de kerel daarmeê?"--"Hm!" zegt hij +en stapt nadenkend de kamer op en neêr, "en de kerel was van zijn +vrouwvolk er uit gegooid, zegt gij?" "Ja," zeg ik, "hij zeide het +althans zelf."--"En hij zat in de goot?" vroeg hij verder.--"Ja," +zeg ik, "daar zat hij in."--"Nu," sprak mijn oom, nadat hij zich +eene wijle bedacht had, "dan zal dat ook wel de waarheid zijn, +en zijne vrouw heeft hem er dan stellig wel uitgesmeten, en dan is +het gezegde aldus te verstaan: Mijne vrouw wil baas in huis zijn, +en ik wil ook baas in huis zijn, en aan den wil van mijn vrouw wil +ik niet toegeven.--Maar," liet hij er op volgen, "wanneer zij in het +huis is blijven staan en hij heeft vóór het huis in de goot gelegen, +dan zal zij wel baas in huis zijn." + +Ik weet het niet, maar het werd mij na dit gesprek zeer verdrietig +en angstig te moede. Uit dit oogpunt had ik mijn voornemen nog niet +bekeken. "Oom," zeide ik, "gij kent mij toch en kent haar immers ook; +wat meent gij dan wel, wie van ons beiden baas in zijn huis zijn +zal?"--"Ja," zegt hij, "zij ziet er mij in het geheel niet naar uit, +alsof zij gaarne vóór de huisdeur in de goot zou zitten; ik geloof, +dat zij liever binnen blijft."--"Wel verduiveld!" zeg ik.--"Nu, zoo +erg," zegt oom Matthijs, "zal zij het nu wel niet maken, maar zoo'n +beminnelijk vrouwelijk bewind,--gelijk de menschen dat noemen,--zal +zij wel over u uitoefenen, gij zult wel een beetje aan haar leiband +moeten loopen, en hoe klein de hakken van haar pantoffeltjes zijn, +zal men later op uw rug wel kunnen lezen." + +"Bang maken beduidt niets!" zeg ik, "ik zal haar na de bruiloft bij +het eerste schepel rogge wel wennen."--"Verlaat u daar niet op!" zegt +mijn oom. "Kent gij het spreekwoord niet: + + + "Vóór de bruiloft wen je bruid: + Na de bruiloft is het uit." + + +"Neen," zeg ik, "dat is mij geheel onbekend!" En ik zette een +gezicht daarbij, alsof mijn oom mij verteld had dat zij mij tot +Paus gemaakt hadden.--"Nu, ga dan zitten," zegt hij, ik zal je eene +historie vertellen."--"Vertel op!" zeg ik. "Doch laat de toepassing +maar weg! Daar ben ik al te oud toe."--Wees maar niet bang!" zegt +hij. "De toepassing zal je lieve vrouw wel op zich nemen, als gij +mijn raad niet zult volgen." + +Ik zette mij dus naast mijn oom neder, en hij begon te vertellen. + +"Te Rümpelmanshagen, waar ik mijne eerste leerjaren als kluitentrapper +[2] heb doorgebracht, woonden toenmaals twee jonge flinke kerels, de +een heette Wolf en was smid in het dorp, en de ander heette Kieviet +en was molenaar. De smid was een slimme vos en verstond zijn ambacht; +de molenaar was minder bij de hand, maar hij had geld.--Nu ging met +der tijd in het dorp het praatje: "Jongens, hebt ge 't al gehoord? De +smid en de molenaar gaan beiden om Fieken en Marieken uit, de dochters +van den schout en ze praten al van de bruiloft tegen St. Maarten."--En +dat kwam ook zoo uit, zij trouwden beiden op St. Maarten, en de oude +schout richtte eene bruiloft aan van stavast; en wij, jongelieden +van het landgoed waren ook daarop verzocht, en ik weet het nog als +den dag van heden, hoe vroolijk het er toeging, want onze boekhouder +Lodewijk Brookman goot mij 's morgens eene houten kan vol bier over +mijn hoofd uit en zeide, toen ik boos werd: "'t Is maar een grap!" + +Na de bruiloft ging het dan nu ook alles in liefde en vrede; maar +dat duurde slechts korten tijd. Toen werd er in het dorp gemompeld: +"Jongens, hebt ge 't al gehoord? De molenaarsvrouw slaat haren +man."--En dat was ook zoo.--Eens op een zondag-namiddag kwam de +molenaar bij den smid, die in de herberg zat en solo speelde, en +de molenaar zei: "Nu, wat je van avond zal overkomen, dat weet ik +al."--"Hoe zoo?" vraagt de smid en staat op en gaat met zijn zwager +naar buiten.--"Och kom," zegt de molenaar, "hou je maar niet zoo +onnoozel! We zijn er beiden mooi ingeloopen."--"Als gij mijne vrouw +bedoelt," zegt de smid, "dan moet ik je zeggen, ik heb een goeden +huurder."--"Ja," zegt de molenaar, "als ze niet te huis is."--"Ga met +mij mede!" zegt de smid. "Ik heb gisteren een varken geslacht en gij +weet, dat mijn vrouw veel van "swartsur" [3] houdt.--Ik zal het bewijs +leveren." Zij gaan daarop naar de woning van den smid, en toen zij +daarvóór staan, roept de smid! "Fieken!"--Zijne vrouw kijkt uit het +venster en vraagt: "Wat wilt ge van mij?"--"Fieken!" zegt de smid, +"neem eens den grooten schotel met "swartsur" en smijt dien het raam +uit, hier op straat."--"Wat?" vroeg zijne vrouw. "Smijt den schotel +met "swartsur" op de straat neêr."--"Dadelijk!" zegt Fieken, en in een +ommezien vliegt de schotel de deur uit, juist zóó als dezen morgen de +bontwerker. "Goed zoo!" zegt de smid Wolf. "En nu, Fieken, smijt nu +ook den pot met het andere "swartsur" er uit.--Dat gebeurde nu ook, +en de smid zegt: "Mooi, Fieken! en laat je den tijd niet lang vallen, +als ik van avond wat laat te huis kom." + +Hiermede gaat hij met den molenaar naar de herberg terug en vraagt hem: +"Wel nu? Heb je het gezien?"--"Ja," zegt de molenaar, "die is naar +den aard.--Hoe heb je dat aangevangen?"--"Op eene zeer eenvoudige +manier," zegt de smid.--"Heb je ze opgesloten?"--"Neen!"--"Heb je ze +geranseld?"--"Neen, ook niet!"--"Nu, wat heb je dan gedaan?"--"Dat +zal ik je zeggen," antwoordt de smid. "Al in onze vrijage zocht ik +er achter te komen, van welk stuk goed zij het meeste hield, en toen +werd ik gewaar, dat het eene kleine mooie roode zijden doek was, en +eens bij gelegenheid, dat wij ontbeten hadden, en de tafel een beetje +heel erg met ganzenvet besmeerd was, veegde ik met haren mooien doek +de tafel af. Nu, kan je wel denken, hoe zij tegen mij uitvoer! Ik +sloeg echter mijn arm om haar midden, kuste haar en zeide: "Fieken, +ge hebt mij immers! Wat is aan zoo'n doek gelegen? Zoo'n doek krijgt +ge wel weder; maar iemand, die zoo veel van u. houdt, als ik, dien +vindt ge van uw leven niet meer."--Nu, zij berustte er dan ook in, +en toen wij naar het Tetterowsch schuttersfeest gingen, won zij eene +vaas, eene mooie vaas; en toen zij zich daarover zeer verheugde, nam +ik de vaas en ging er wat onachtzaam mede om,--paf!--liet ik die op +de steenen vallen. Nu begon zij een weinig te schreien; maar ik kuste +haar en zeide: "Houd daarmede op, Fieken, 't is beter, dat de vaas in +stukken is gevallen, dan dat ik een arm of een been had gebroken, want +ik moet ons leven lang voor ons het brood verdienen." En eindelijk brak +ik haar nog drie tanden uit haren kam; toen begon zij al te lachen en +zeide: "Ik ben benieuwd, of ge mij met de Tetterowsche najaarsmarkt +weder een nieuwen zult schenken. Nu dat gebeurde dan ook, en zoo is +het dan ook gebleven; zij is met alles tevreden.--Maar ik moet naar +binnen en mijn solo spelen." + +De smid ging alzoo in de herberg en speelde solo; maar na verloop +van een half uur kwam de kastelein binnen en zeide: "Smid, kom eens +naar buiten! De molenaar Kieviet staat voor de deur en ziet er erg +toegetakeld uit."--De smid Wolf gaat alzoo naar buiten! en ziet dan +ook zijn zwager met een opengereten gezicht en een dik oog, en is +niet weinig verbaasd en vraagt: "Zwager Kieviet, wat scheelt er nu +aan?"--"Ja dat mag je wel zeggen!" zegt de molenaar, "dat komt van +de vervloekte histories die jij me verteld hebt."--"Hoe zoo?" vroeg +de smid.--"Wel, vraag je dat nog!" zegt de molenaar. "Ik had je malle +geschiedenis goed genoeg onthouden, en denk zoo bij mij zelven: wat bij +de ééne zuster geholpen heeft, kan immers ook bij de andere helpen; +het is altijd eens te probeeren. Ik ga dus naar huis, en mijne vrouw +staat voor den spiegel hare haren op te maken om naar de pachtersvrouw +op koffievisite te gaan, en op de tafel ligt hare beste muts, en +ik dacht bij mij zelven: "dat tref ik gelukkig!" en neem de muts +en denk: als ik die nu in het vuile zeepwater in de waschkom doop, +dan kan zij goed worden. Nu, ik doe dat, en zij ziet zeker in den +spiegel wat ik voornemens ben, en eer ik er nog het minste erg in heb, +krabbelt ze mij in het gezicht, en toen ik zeg: "Marieken, ge hebt mij +immers, en eene muts krijgt ge gemakkelijk weder!" toen roept zij: +"Ja, ik heb jou! En de muts zal ik je behoorlijk inpeperen!"--"En +zie eens!" zegt de molenaar en trekt zijn hand van voor het blauwe +oog weg, zóó heeft ze me toegetakeld, en dat door jou vervloekte +vertelsel."--"Jou domoor zegt de smid, "heb ik je niet gezegd, dat +ik dat stukje vóór de bruiloft heb uitgevoerd? Wat vóór de bruiloft +helpt, helpt niet na de bruiloft." + +"En dat is nu de geschiedenis, mijn zoon," zeide mijn oom Matthijs, +en stond op:--"als ge verstandig zijt, dan kunt ge er een voorbeeld +aan nemen." + +Ik stond ook op en ging naar het venster, en liet mij de geschiedenis +door het hoofd gaan, en keerde mij eindelijk om en zeide: "Eene +dwaze geschiedenis, oom! Gij hebt anders wel betere geschiedenissen +verteld."--"Ja," zeide de oude lachende, "omdat ik je anders de +toepassing er dadelijk bij gaf, en hier moet je die zoeken."--"Gij +zult toch niet gelooven," zeg ik, "dat ik de muts van mijn meisje +in een waschkom zal doopen en met haren zijden doek de tafel zal +afvegen?"--"Gij kunt het toch eens probeeren," zeide de oude snaak +lachende.--"Nu," zeg ik, "dat ontbreekt er nog aan, dan zou ik er +eerst mooi inzitten."--De oude glimlacht nu steeds bij zich zelven, +en terwijl ik zoo denk: oude lieden zijn wonderlijk; als 't regent +gaan ze op het hooien uit, zegt hij: "Jongen, hoe oud zijt ge dan +nu wel?"--Van mijn ouderdom hoorde ik, nu ik aan 't vrijen was, niet +gaarne praten, en ik denk bij mij zelven: "Ha, ha! Begint gij al weder +met de peper? en ik vroeg: "Waarom vraagt gij dat?" "O," zegt hij, +"ik meen maar zoo."--"Dan wil ik je zeggen," zeg ik een weinig kort +af, "dat ik den zevenden November laatstleden een en veertig jaar +geweest ben."--"Alzoo," zegt hij, "hebt ge de vier kruisjes achter +den rug?"--"Ja," zeg ik, "is u dit niet naar den zin?"--"Wat mij +betreft!" zegt hij.--"Mij valt daarbij het spreekwoord in: "wie in +de twintig jaren niet mooi is, in de dertig niet sterk, in de veertig +niet wijs, en in de vijftig niet rijk, die kan het maar laten blijven; +van zoo iemand komt niets terecht. En gij schijnt mij in de veertig nog +niet wijs te zijn."--"Oom Matthijs," zeide ik, en richtte mij trotsch +overeind, "die mij voor dom aanziet, die bedriegt zich," en daarbij +moet ik wel een zeer dom gezicht gezet hebben, want mijn oom lachte en +zeide: "En ge kunt niet te min voor u zelven geene toepassing uit de +geschiedenis maken!--Jongen, dat is ook maar eene gelijkenis!--Wat +de smid met den doek en de vaas en den kam heeft uitgericht, dat +past niet voor u, dat weet ik wel. Gij moet het natuurlijk anders +aanleggen. Bij voorbeeld: gevoelt ge u wel in staat, op uwe jaren +nog vóór de bruiloft een stuk of drie mooie gekke streken uit te +voeren?"--"Gekke streken?" vroeg ik.--"Gekke streken!" zegt mijn +oom. En ik ga de kamer op en neêr en overleg de zaak en draai mij +eindelijk om en zeg: "Ja; ik geloof, oom, dat ik er in allerijl nog +een paar kan klaar krijgen."--"Voer ze dan uit," zegt mijn oom.--"En +gij meent dat ik daardoor baas in huis zal blijven?"--"Ik geloof het, +mijn jongen.--Gekke streken--geen slechte!--Zie, als zij dan knorrig +begint te worden, dan valt gij haar om den hals en kust haar recht +hartelijk en zegt: "Houd maar op! Zie die grap maar over het hoofd, +zie liever op mijn hart, dat behoort u en slaat voor u van nu af +tot in alle eeuwigheid.--En dan, jongen," liet hij er op volgen, +"dan kunt gij ook nog den voetval te pas brengen, want,--je moogt +zeggen, wat ge wilt,--die behoort er nu eenmaal bij." + +Ik overlegde nu de zaak van alle kanten en zeide eindelijk tot mij +zelven: "Hij is uw moeders broeder, en ge moet daarin zijn zin eens +doen en er eens een paar proefjes van nemen!" En ik deed het ook +werkelijk. + +Ik zou nu hier de grappen kunnen vertellen, die ik uitgericht heb, +maar ik zal 't liever laten. Het kon ongelukkigerwijze gebeuren, dat +de vertelling mijne vrouw ter oore kwam, en zij kon er dan wellicht +achter komen, dat al deze grappen met overleg geschied waren, +en dat zij in hare goedheid was beet genomen, en zij kon zeggen: +"Halt! dit spel gold niet; gij hebt niet eerlijk gespeeld. Ik zal de +kaarten eens schudden.--Zie zoo! ik heb de vóórhand, en nu speel ik +uit! Beken deze en beken die! en nu willen we eens zien, of gij aan +het hoogste bod zijt!" + +Maar menigmaal, wanneer zij nu als mijne vrouw zoo stil en vlijtig +om mij heen bezig is en voor mij allerlei zorgen heeft, en mij met +vriendelijke toegevendheid behandelt, dan denk ik toch zoo bij mij +zelven: "Schaam u, dat gij bedriegelijk zijt te werk gegaan!" En +ik zeide onlangs tot mijn oom: "Weet ge wat? Ik vertel haar, hoe +het met die gekke streken vóór de bruiloft gegaan is."--"Plaagt +je de drommel?" vroeg mijn oom. Ieder rechtschapen man moet af en +toe een goeden gekken streek en een goeden kwinkslag maken; maar +hij mag ze zelf niet weder vertellen, want dan verliezen ze alle +beide hunne kracht.--Ge leeft immers te zamen gelukkig; wees daarmeê +tevreden."--"Ja," zeg ik, "dat zegt gij wel; maar het is mij menigmaal +te moede, alsof wij nog gelukkiger konden zijn, indien zij in alles de +baas was."-"Mijn zoon," zeide mijn oude oom Matthijs en legde zijne +hand op mijn schouder: Al het geluk, wat op deze aarde bestaanbaar +is, valt nimmer aan één enkel mensch te beurt; vergenoeg u met dat, +wat gij hebt. En wat den echtelijken staat betreft, hebt gij den +ouden Jochem Smit nog gekend?--Den ouden Jochem Smit meen ik, die +met zijne oude vrouw tachtig jaar oud werd, en kort daarna met haar +te zamen op eenen schoonen zomer-zondagmorgen werd begraven.--Nu, +die zeide eens tot mij,--want ik versta niets van die zaken:--"heer +wachtmeester," zeide hij, "de echtelijke staat is als een appelboom; +daar zit iemand in en plukt en plukt; maar de mooiste en roodste +appelen zitten in den top, zoodat haast niemand er bij kan. Wanneer +nu iemand onverstandig is, en met geweld de appelen krijgen wil, dan +neemt hij een stok en slaat de mooie appelen er af, maar soms ook +slaat hij te gelijk de takken af, waaraan de beste knoppen zitten, +die de meeste vruchten voor de toekomst beloven; de verstandige man +laat ze rustig zitten en wacht tot den laten herfst, dan vallen ze +hem van zelf in den schoot en dan smaken ze veel zoeter.--En daarom, +jongen," voegde mijn oom er bij, en zijn oud ernstig gezicht zag er +daarbij bijzonder trouwhartig uit, "stoot dien rooden appel niet vóór +den tijd van den boom en wacht tot den herfst,--dat duurt toch zoo +lang niet meer,--en wanneer gij uwe vrouw den laatsten mooien appel +brengt, vertel haar dan ook de historie van uwe gekke streken vóór +de bruiloft; gij zult zien, dat zij er zich dan vroolijk over maakt." + + + + + + +UIT DEN FRANSCHEN TIJD. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij + mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat. + + +Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als +mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, +dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen: "Kijk, wat +zijn dat stevige kerels! Naar zoo'n soort kan men tegenwoordig lang +zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!" En één was er onder hen, +die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, +zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij +had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge +glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken +geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een' +manden stoel had gezeten,--op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, +en ook uit zijne blauwe oogen kon men 't lezen: "Geen menschenvrees, +maar wel vrees voor God!" En hij was een kerel van stavast. + +'s Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en +zijne lieve vrouw bond hem dan een' witten, ouden mantel om den hals, +wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn +haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van. + +Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter +onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;--maar zóó een, +als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige +geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer 's middags, onder +de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige +kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag +van den blauwen rok uit en 't zeide tot elk, die het hooren wilde: +"Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar 't uiterste puntje +van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u +voorstellen, hoe vroolijk 't er van binnen uitziet." + +Wanneer ik soms eene boodschap van mijn' vader te bezorgen had, en +het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide: +"Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen +en kraken; als je 't afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.--Ga +nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven." Tot mijn +vader zeide hij dan: "Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een' +jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te +teemachtig. Goddank, ik heb ook een' jongen; ik meen mijn' Jochem." + +Mijn vader zeide tot mijne moeder: "Weet ge, wat de oude baljuw +zegt? Jongens zijn beter dan meisjes." Ik stond in de kamer en hoorde +dat, en zeide natuurlijk: "Ja wel," zeide ik, "mijn peetoom heeft +altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar +verdienste en waardigheid." En ik nam het grootste stuk ketelkoek en +gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van +mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een' +kleinen appel was.--Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene +andere wending. + +Op zekeren dag,--'t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis, +die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons +al wat beweging begon te komen,--klopte iemand aan de kamer van +mijnheer den Baljuw. "Binnen!" riep de oude heer en binnen kwam de +oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, +en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof +hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke +soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. "Goeden dag, +mijnheer de baljuw!" zeide hij. "Goeden morgen, molenaar!" zeide de +oude heer.--Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag +bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: +want de molenaar stond 's morgens klokke vier op, en bij hem was 't +na den middag, en bij den baljuw was 't vroeg in den morgen, want hij +stond te elf uren op. "Wat wil je, molenaar?"--Want de molenaars werden +toen nog jij en jou genoemd.--"Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u +wegens eene zaak van belang.--Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu +ook bankroet wou gaan."--"Wat wou je, vriendlief?"--"Bankroet gaan, +heer baljuw."--"Hm, hm!" bromde de oude heer, "dat is immers eene +desperate zaak." En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en +neder. "Hoe lang woon je al in 't Stemhager [4] rechtsgebied?"--"Dat +wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar."--"Hm, hm," +bromt de baljuw verder, "en hoe oud ben je, molenaar?"--"Met den +erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; 't kan ook mogelijk wezen, +dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, +die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die +'t schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, +omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij +eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:--maar +dat ging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar +den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te +kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf +en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en +zeker van."--De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende +met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt +hem scherp in de oogen en zegt barsch: "Molenaar Voss, dan ben je +veel te oud voor je plan."--"Hoezoo dat?" vraagt de molenaar geheel +ontsteld."--"Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij +op jou jaren niet meer gedaan."--"Denkt gij dat, heer baljuw?"--"Ja, +dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud, dat moeten we aan +jongelieden overlaten.--Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, +als ik bankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het +slot is gek geworden," en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn +schouder, "en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?"--De +molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne +ooren: "De waarheid is 't, mijnheer!"--"Wel," vraagt de oude heer, +en hij schudt den molenaar zoo'n beetje aan de schouders: "Waar drukt +de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?"--"Kwellen? zegt gij, +mijnheer de baljuw!" riep de molenaar uit, en 't was, als had hem eene +bij achter 't oor gestoken, zóó krabde hij: "Villen, mijnheer, moet +gij zeggen, villen!--De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, +mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!"--"Zie je wel, molenaar? dat +is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een +proces ophoudt."--"Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de +goede jaren, en ik dacht ook, dat ik 't nog bij mijn leven zou klaar +krijgen; maar ik merk wel, dat zoo'n prinses één langeren adem heeft, +dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden."--"'t Loopt nu toch, +als ik het wel heb, haast ten einde."--"Ja, mijnheer de baljuw! maar +dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de +avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, +den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet +een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op +gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen +smijten.--En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige +zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op +'t oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog +leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, +en Jochem Voss, die mijn neef was..."--"Ik weet het geval," sprak +mijnheer de baljuw, "en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot +eene schikking te komen."--"Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft +doet Jochem's lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben +ik een bedelaar.--Neen, mijnheer de baljuw, 't mag gaan zoo 't wil, +toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.--Zoo'n +lummel, zoo'n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan +en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een +mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden; +hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben +afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet +geplunderd hebben, die wil zich op mij wreken?--Mijnheer de baljuw, +gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo'n bengel, en neem 't +mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben."--"Molenaar Voss," zegt de +oude heer, "wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook +eens ten einde! want het is in vollen gang."--"In gang, mijnheer de +baljuw? Neen, 't is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den +bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde."--"'t +Is waar, vrind Voss, 't is waar! Maar dit kan u intusschen op 't +oogenblik toch niet zoo drukken."--"Drukken?--Zeg liever klemmen, +mijnheer!--klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels +uitkomt.--Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde +jood!"--"Welke jood is dat?" vraagt de baljuw. En de molenaar draait +zijn' hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem +ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden +heer toe, legt de hand aan zijn' mond en fluistert half overluid: +"'t Is Itzig, mijnheer de baljuw." "Foei!" zegt de oude heer, +"hoe komt gij aan dien kerel?"--"Mijnheer de baljuw, hoe komt de +ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en +bezeeren zich aan een' brandnetel, en de koster van Gagelow meende, +dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven +op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen +zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: +"Vader, wij spreken elkaâr wel nader!"--In mijn grootsten nood, toen +de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders +van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot +termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot +vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.--"Molenaar, +heb je dat onderteekend?"--"Ja, mijnheer de baljuw."--"Dan moet je +'t ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven." "Wel, mijnheer +de baljuw, ik dacht...."--"'t Helpt je niets: wat geschreven is, +is geschreven."--"Maar, de jood...."--"Molenaar, wat geschreven is, +is geschreven."--"Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan +doen."--De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en +zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek +hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: "Molenaar, jongelieden +kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één +van je jongens eens bij mij."--De oude molenaar keek weder naar de +punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide +hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: "Och, +mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, +en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland, +en hij is niet teruggekomen."--"Molenaar," zegt de oude baljuw, en +hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: "Heb je dan +in 't geheel geen kinderen?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zegt hij, +terwijl hij zijne oogen afwischt, "nog zoo'n klein deerntje."--"Ja," +antwoordt de oude heer, "vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; +meisjes zijn mij te teemachtig."--"Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn +teemachtig!" "En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, +molenaar!"--"Wat zal er dan van mijne zaak worden?"--"Executie, oude +vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen."--"Nu, mijnheer +de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood +'t nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En +om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?"--"Ja, mijn goede +vrind."--"Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw." Daarop ging hij heen. + +De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, +terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven: +"'t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om den anderen +zoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere +menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige +is, hem tijd te laten winnen.--Vijfhonderd daalders!--Wie heeft +tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden +Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche +Stemhager rechtsgebied wel 't onderste boven zou kunnen keeren en +de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; +en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou 't mogelijk gaan, maar +zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is 't +een slechte tijd!" + +Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op +het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, +en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel +Westphalen's kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de +kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor te sakkerbleuen +en met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft +staan en hem aankijkt.--Toen dit echter erger werd en de Franschman de +blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits +Sahlmann, die zijn calefactor was en de loopende zaken moest bezorgen, +en zeide: "Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet +eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben." + +Frits Sahlmann komt nu bij mijn' vader en zegt: "Mijnheer de +burgemeester, kom toch eens gauw meê naar 't slot; 't loopt anders +van mijn leven niet goed af!"--"Wat is er dan te doen?" vraagt mijn +oude.--"Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven +stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden +heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken +en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, +recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat +net zooveel van 't Fransch, als een koe van den zondag."-- + +"Wel duivels!" zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een +stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte +onder den nagel,--en hij liep naar het slot. + +Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de +Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn +mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer +staat echter heel bedaard en heeft zijn "dictionnaire de poche" in de +hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat, +dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu +mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: "Zeg, kindlief, wat wil die +kerel?--Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil."--"Mijn vader begint +dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft +aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom +vraagt: "Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?"--Nu, +eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met +zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, +dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd +el groen laken, en honderd louis d'or verlangde, en verder voor zich +en zijne manschappen nog veel "du vin,"--toen zeide de oude baljuw: +"Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......"--"Houd +op!" roept mijn vader uit.--"Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord +niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord +hebben, en hij zou 't mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u +raden, hem "du vin" te geven; dan zal hij 't andere denkelijk wel +vergeten."--En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, +dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar +niet van den besten wijn. + +De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de +Franschman schenkt mijn vader in, en 't gaat steeds beurt om beurt, +en mijn oude heer zegt: "Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan +gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in +'t lijf heeft."--"Kindlief," hervat de oude heer, "ik ben een oud +man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in 't Stemhager +rechtsgebied; 't past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan +drinken."--"Nu ja," zegt mijn vader, "maar, nood breekt wetten; en +dit is voor 't vaderland."--De oude baljuw komt er dus bij zitten, +en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader: +"Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, 't zou een zegen +van den hemel wezen, als wij op 't oogenblik iemand hadden met eene +goede maag en een sterk hoofd."--En terwijl hij dit zegt, wordt +er aan de deur geklopt. "Binnen!"--"Goeden dag samen!" zegt de oude +molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. "Goeden dag, mijnheer de +baljuw!"--"Goeden dag, vriend Voss!"--"Wel, mijnheer, ik kom nog eens +over mijne zaak praten."--"Daar hebben we vandaag geen tijd toe," +zegt de oude heer, "want je ziet wel, in welke omstandigheden wij +ons bevinden." En mijn vader roept: "Mijn lieve Voss, komt gij eens +hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman +zitten en neem hem eens in 't verhoor, maar scherp."--En de molenaar +Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er +het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven +zegt hij: op zoo'n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;--maar hij +schikt zich gemakkelijk in de zaak. + +Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt: +"Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; +ik ken hem."--"Kostelijk," zegt de oude heer: "maar, kindlief, +hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog +klaar?"--"Dat is maar zoo'n maraudeurs- en strooperstroep," zegt mijn +oude, "laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken." En hij roept +Frits Sahlmann en zegt tot hem: "Frits, mijn jongen, ga eens achter uit +door den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker +Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, +met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; +en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, +tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten." + +Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een +Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, +en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met +eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en +als hij 's avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te +repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne +kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, +dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde +hij van "la grande nation," en "le grand empereur," en kommandeerde +het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand +inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter 't bed wegkropen. Hij was +echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag "la +grande nation" in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste +en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil +en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet. + +Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en +zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te +zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en +de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: "A vous!" en dan nam +de molenaar zijn glas op en zeide: "Praat maar toe!"--en dan klonk de +molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: +"Serviteur!" en dan dronk de molenaar ook en zeide: "Zet hem voor de +deur!" En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken. + +Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de +Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang, +of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn +stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in 't aangezicht, van +stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop +opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden. + +Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, +en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede, +wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op +en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, +zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: "Vriend +Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn." En +de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort. + +De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin +terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde, +zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was +nu weder "la grande nation," en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort +binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en +postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, +keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe +en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend +over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in 't Fransch, +dat hij de kwartiermeester was van 't drie en zeventigste regiment, +en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst +met "Monsieur le bailli" spreken. Toen begon de jager bang te worden, +en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen +en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood +schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon +een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van +wege hun' kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot +wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, +en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes +Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want +het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche +landwegen, zoo in 't voorjaar, als 't alles pas ontdooid is. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, + en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek + wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te + bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet + genomen heeft. + + +Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en +sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen +droogde hare oogen af, en sprak: "Mijnheer Droi, gij zijt een reddende +engel!"--Zij noemt hem namelijk altijd Droi in plaats van Droz, +daar zij meent, dat Droi zuiverder Fransch is en dat de menschen +het juiste accent niet aan den naam geven.--De reddende engel zet nu +zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, +legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de +aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, +vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel +zachtmoedig onder zijn' krommen neus; daarop brengt hij zijne groote +ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, +terwijl hij vraagt: "Plait-il?"--"Ja wel," zeide mamsel Westphalen, +"zeer gaarne, want, mijnheer Droi, ik heb zeer slechte oogen, en +zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de +zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar +mijnheer Droi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was, +en daar blijf ik bij." Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie, +gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van +mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die +in 't water onderduikt, en zeide ook: "Plait-il?" Nu, den horlogemaker +"plait-il-de" dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke +engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking +tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen +hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van "vin dit +en vin dat" en van "de skoone Suisse."--Middelerwijl was het donker +geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: "Nu, +'t is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in +'t stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik, +van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en +schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en +de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt +waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de +Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert +of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd."--"Frits +Sahlmann," vraagt mamsel Westphalen "verroert hij zich niet?"--"Neen +mammesel."--"Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar +bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op +je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?" "Neen, mammesel, +volstrekt niet, in 't geheel niet."--"Nu, mijnheer Droi, ga dan mede, +dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, +neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als +gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits +Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de +paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één +mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk." + +Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt +zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat +nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop, +dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen +heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede. + +Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft +twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen +'t andere, en met het andere tegen 't ééne, en drinkt beurtelings +voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht +verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm +geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman +met den langen paardestaart, en over zijn' dikken buik had hij, zoo +goed als 't gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De +laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft +de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens +chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar +heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand +gegeven, waarmede hij stilzwijgend in 't rond zwaait, want spreken +kan hij geen woord. + +Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, +zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, +oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: "Molenaar Voss, +wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?" De molenaar wil +antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts +met moeite er uit: "Komedie!"--"Wat?" vraagt mamsel Westphalen,--"is +dat een antwoord van een' man, met vrouw en kinderen? Is dat het +respect voor uw opperhoofd, om zoo'n uilenspiegelstreek in zijne; +studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!" Dit zeggende, +gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd +en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal +de twee woorden uitspreekt: "Jou varken!" Vervolgens keert zij +zich om en roept: "En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij +om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En +gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, +neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp +die sabel los."--Nadat dit alles geschied was, zeide zij: "En jij, +Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!--Jij zult het +hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er +met zijne commoditeiten hier gepasseerd is, want hij laat ze anders +verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, +dat de menschen zich als kwajongens aanstellen."--Daarbij ziet zij den +ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, +zet hare armen weder in de zijden en vraagt: "Wat nu?"-- + +"Ik weet het," zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, +doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los +en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen. + +"Heer in den hemel, Frederik!" roept mamsel Westphalen uit, en +springt er tusschen in; "zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen +moord begaan?"--"Diable," zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van +Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt +het venster open en schreeuwt: "Mijnheer de baljuw, mijnheer de +baljuw! Nu gaat het er op los!"--Klets! krijgt hij een klap op zijn +mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort +van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, +zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet. + +Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: "Hoe zóó dan? Wat +meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; +dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen +hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; +en tegen den gauwdief "Dumouriez", onder den hertog van Brunswijk, +na anno 90." En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: +"Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de +broek op hun knieën." + +"Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de +broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo'n aanblik +wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de +studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien +is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel +zullen blijven." + +Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, +maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: "Blijven? Wat +blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap +gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte +Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!" En +hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop +antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende; +"Broeder, ik neem je meê."--"Dat is ook het beste," zegt mamsel +Westphalen, "dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!"--En +de één van de "grande nation" pakte den ander van de "grande nation" +aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;--Frits +Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, +en de molenaar kwam, een' kleinen boog beschrijvende, achteraan. + +"Zie zoo," zegt Frederik, "nu maar achterin, in den wagen!--Zoo, +lig daar nu maar stil!--Frits Sahlmann, span jij de paarden eens +in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; +maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, +dan tuimelt hij omver." + +Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: "Wel, is alles aan +boord?"--"Alles aan boord!" zegt mamsel Westphalen.--"Nu, dan +maar ju!" zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden +voortgereden, of de horlogemaker roept: "Alt! alt, Frederik!--Gij +hebt vergisteren dat kameraad zijn cheval; dat staan in de logis +voor de kleine poules!"--"Ja," zegt Frits Sahlmann, "'t staat in +'t kippenhok." "Nu, haal het dan," antwoordt Frederik, "en bind het +van achteren maar aan den wagen." + +Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt +de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat +hier te doen is. "Niemendal," zegt mamsel Westphalen. "De molenaar +Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, om meê te rijden en van +nacht op den molen te Gielow te blijven."--"Dat is eene andere zaak," +zegt de oude heer.--"Adjuus, vrind Voss! Ik zal 't niet vergeten." De +molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, +en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit +moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de +kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in 't oog kreeg: +"Breng alles maar naar mijne kamer," zeide zij, "en leg 't achter +mijn bed." + +Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg +van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven: +"Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard +rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen +van den wagen af." Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, +lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in, +en Frederik zeide: "Zonder hulp komt die niet weêr beneden." En hij +haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over 't lijf, +opdat hij geen kou zou vatten. + +Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen +weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij +Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger +eens gezegd had, toen de molenaar alleen zóó was aangekomen, en wat +ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam; +en wat molenaar's Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met +het hoofd en zeide: "Goed loopt het zeker niet af."--En ten tweede +viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in +zoo'n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen +uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in +'t Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel +had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.--En, ten derde, +viel hem in,--en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,--hoe +hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan +het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen +hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den +landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan +Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. "En de beide mooie +bruinen," sprak hij bij zich zelven, "hebben ze mij ook afgenomen, +en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die +moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo'n karnalje vogel +van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair +is?--Vervloekte patriotten!--Gauwdief.--Dumouriez!"--Dat waren zijne +eenige vloeken als hij boos was.--"Ho! ho!" riep hij en sprong van +den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van 't +achterdeel van den wagen;--daarop pakte hij den Franschman bij de +beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder +onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij +hem onder een beuk nederlegde.--"Ja" zegt hij, toen de Franschman zich +daar een weinig begon te bewegen, "dat is je zeker een beetje vochtig, +maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?" En +hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: "Voor in 't laatst van +Februari is 't een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist +niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren +zingen, en,--zoo God wil, zingt hij hier van 't jaar weder."--En toen +de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij: +"Niet waar, broertje! 't is een beetje koel en 'k zou je hier nu mooi +kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar +kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb." Dit +zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en +werpt dat over hem heen, met de woorden: "Nu, adjuus! Meênemen doe +'k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je +ergeren?" Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis. + +Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem +moed in en zegt: "Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er +u straks af." De molenaar richt zich op en zegt: "Ik bedank u wel, +mijnheer de baljuw!" En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en +vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen +hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, +achter in den wagen en vroeg: "Frederik, waar is de Fransoos?"--"Ja, +waar is die!" zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en +sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen +met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de +molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: "Wel, vader, hoe is 't +afgeloopen?"--De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de +kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een +paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in +'t oog houdt, en zegt: "Dat is een zware gang!"--"Dat zie ik," zegt +de molenaarsvrouw.--Fieken zat aan de tafel en naaide linnengoed.--En +de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: "Ziet gij niets +aan mij?"--"Genoeg," antwoordde zijne vrouw. "Ge hebt weêr bij den +bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en +je vrouw en kinderen, en zijt aan 't drinken geweest."--"Zoo? Denkt +ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan +vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester +en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, +en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, +want dit was voor 't vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet +weg! Dat heb je niet noodig!--De koopman van Malchin had je voor mijn +part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!" + +Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: "Vader laat dat +toch rusten, ten minste van avond!"--"Best, lief dochtertje! Je hebt +gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is +Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!--Maar, dat zeg ik je: gooi +je niet weg! en verder zeg ik niets.--En onze geldzaak, moeder?--Wat +zegt de oude baljuw?--Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan +gedenken.--En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!--Waar, duivel, is +de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch +weten." Hij rukt het venster open en roept: "Frederik! Frederik! hoort +ge dan niet?" + +Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog +en zeide: "Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de +molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet +branden." Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en +nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: +"Verduiveld was is die zwaar!" en legde hem in zijne haverkist, schudde +het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep, +alsof er niets bijzonders was voorgevallen. + +Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik +niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, "Vader, laat hem maar blijven; +ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en +zwaar gewerkt;--ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, +dat de nachtlucht je geen kwaad doet."--"Moedertje," antwoordde hij, +"ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken +grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde, +zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, +ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar +Stemhagen." Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder, +en dadelijk sliep hij in. + +De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten +verdiept en naaide onophoudelijk door.--"Ja," zegt de moeder eindelijk: +"Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den +schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij +kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder, +en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en +de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig +betalen, en wij hebben geen schelling." "Vader doet toch net alsof +alles in orde is."--"Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat +en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij +van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar +genomen."--"Moedertje," zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens +op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: "Moedertje, +dat was de rechte niet."--"Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle +keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al +licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, +en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou +ons een pak van 't hart wezen." + +"Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij +en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke +wijze?"--"Oneerlijk, Fieken?"--"Ja, oneerlijk, moederlief!" zeide +Fieken en 't was haar aan te zien, dat het haar hinderde, "want toen +de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen +was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want +al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe 't met ons +gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch +al lang gemerkt. Nu weten de menschen 't al zoo tamelijk, en als er nu +een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld, +en dan is 't immers mogelijk, dat hij de rechte is." Dit zeggende stond +zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. "Goeden +nacht moederlief!" sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.--De +molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: +"Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!" + +Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen +draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken +grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten +nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit +het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde +het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,--en diep onder in +den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden +zang: "het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang +ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij +geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal +mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, +dan staat alles stil, en dan is 't zondag." + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + Waarom Frits Sahlmann een' oorveeg krijgt, en de horlogemaker + den ganschen nacht met mamsel Westphalen's ledekant in de + kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een + roode deken bij den horlogemaker te visite komt. + + +Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de +baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer +Droz toe en vroeg: "Wat ben ik u schuldig, mijn lieve Droz?"--Nu, die +zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan +had, want de "Allemange was nu zijne patrie, en hij was tout pour la +patrie."--"Dat meen ik niet," zeide de oude heer, "ik meen voor mijn +horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?"--De heer Droz antwoordde, dat +dit alles betaald was; "de kleine garçon, Frits Sahlmann had alles +bezorgd."--"Ja, dat weet ik wel," sprak de oude heer, "maar, mijn +lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, +dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat +hij er niets aan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is, +daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan." En hij drukte hem +twee daalders in de hand en ging het huis in. + +"Welnu," zeide mamsel Westphalen, "laat hem begaan! Hij is een +wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer +Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want +bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf +bevriezen." Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks +gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart +van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had +zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar +kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit +te deelen, om de ooren. "Jou uilenspiegel!" riep zij en zij rukte hem +den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter +haar bed. "Uilenspiegel! Op zoo'n avond, als wij allen in angst en +nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?--Ga liever eens +naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe 't komplement van mij, +dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in +mijne kamer is, en dat hier in 't geheel geen gevaar is." + +Frits Sahlmann gaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van +den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi +vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat +mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder +weinig van. "Hij zijn bon!" zegt Droi en rammelt met de beide +daalders in zijne hand. "Ja wel," zegt mamsel Westphalen, "zeker +zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou +geven?"--"Ah! 't niks valsch geld! Ik meenen hem lui-même," zegt +mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.--"O, zoo! gij +meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hij bon, maar, hoe ouder +hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht +tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet +bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst +'s nachts, klokke elf, en 't wordt soms wel twaalf ook, en als 't +lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan +'t knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij +te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen +wij 't helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen: +wij hebben een goed geweten! Maar, mijnheer Droi, 't is een zwaar +stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te +hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de +vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang +huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is +'t weer boos weder!--Mijnheer Droi, gij zijt zeker in 't geheel niet +bang!" "Eh, non!" zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert +naar het weder en zegt eindelijk: "Attendez, du tonnerre!" "Wat meent +gij?"--vraagt mamsel Westphalen.--"Ik meenen," antwoordde hij,--en hij +zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, "ik meenen de +lichte zig-zag met rompel, pompel, retteteta,"--"Dan hebt gij gelijk, +mijnheer Droi," zegt mamsel Westphalen, "want daar buiten gaat het +werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!"--"Ah!" zegt mijnheer Droi, +"dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers."--Hij +sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd, +want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil +en riep: "Luister! Zij marcheer op de marché, op de markt!" en: +"Luister!" Dat zijn de "grand canons, de zware geschut!" En mamsel +Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan +en schudt het hoofd, zeggende: "Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is +anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild +aan? 't Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, +klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!" + +En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur +in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij +kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol +nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten +er uit.--Zij had haren rok over 't hoofd geslagen en droop als een +dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: "Br.... wat +is 't een weêr!" "Dat is 't wel, juffrouw Stahl," zeide de mamsel,--zij +noemt haar altijd juffrouw Stahl,"--"niet om harentwil," zeide zij, +"neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, +als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?--neen! ik heb ook +mijn trots!" "Mamselletje," zeide de weversvrouw, "ik kwam hier heen; +op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop +kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd; +die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en +de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag, +en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering."--"Dat weet de +goede hemel!" zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept +Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, +naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig +zoo'n pochhans van een Franschen overste en zoo'n misselijken krates +van een adjudant den berg naar het slot opkarren."--Daarna keert zij +zich om naar het gezelschap, en zegt: "Dáár kunnen zij liggen, en als +het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij +juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, +mijnheer Droi," gaat zij voort, "hiernaast in de kamer spookt het; +gelooft gij ook aan spoken?"--Mijnheer Droi zegt: "Neen!" en inmiddels +komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam +werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een +paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamer gebracht, +waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, +naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren. + +De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den +anderen: "Diable!" en "Diantre!" En toen hem naar de reden gevraagd +werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid +was, en 't kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering +en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door +de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche +wachtposten, of zoo'n strooper van een Fransoos, en ze konden hem +vragen: "Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij +zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis +van dezen middag kon uitkomen, en wat dan?"--"Mijnheer Droi," zegt +mamsel Westphalen, "dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel, +van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook +uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?--Dan de +kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk +eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik +met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen +hebben we, Goddank, hier niet.--Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van +middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe +vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van +nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en +dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!"--Dit zeggende +gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen +en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: "Mijnheer Droi, +zijt gij ook bang?"--Mijnheer Droi zegt weder: "neen!" en zij zegt: +"Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan +hoort men: "trap! trap! trap! maar 't komt hier niet binnen; ik heb +een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.--Hoor nu toch eens! Hoor +nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu +toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi," vraagt zij zachtjes, "kunt +gij dat alles verstaan?"--"Oui," zegt mijnheer Droi.--"Ik geloof het," +zegt zij, "want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, +maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, +juffrouw Stahl!"--Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in 't +Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat +hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide +zachtjes tot de weversvrouw: "Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde +vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht." En zij gaat +heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit. + +Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de +nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; 't is de +goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder +den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op +de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen +en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich +zelven zegt: "Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, +die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen." En +daarop sluipt hij de deur weder uit. + +Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt "la grande +nation" vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich +neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: +"Ah! c'est bon!"--Nu luistert hij naar den storm daar buiten en +naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar 't redeneeren van +de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het +gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken, +toen begint het: trap--trap--trap. "Ha, ha!" denkt mijnheer Droi +in 't Fransch, "dat is het spook, hier naast!" En hij luistert nu +wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel +stil; maar trap--trap--trap gaat het bedaard voort, en nu komt het +mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is +'t en als 't in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen; +hoe zou 't anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne +schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen +tegen de deur aan, en 't is een geraas op de gang, alsof het onweder +was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te +bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; +maar trap--trap--trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer +Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om +beter te kunnen hooren,--klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal +hoofd--en, klets!--nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór +zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te +doorweeken. "Diable!" zegt hij, "het dak is niet dicht en dat lekt +door den zolder. Wat nu?" Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten +inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil +met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, +zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt +niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek +staan, en,--al zijn leven!--dat glijdt langs den muur naar beneden, +en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet +weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!--de +beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden +en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, +en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid, +en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water +dringt overal door, en hij denkt--natuurlijk in 't Fransch:--"Nu +slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou +'k misschien van het lek bevrijd wezen."--Hij staat op, en rukt het +voeteneinde los--paf!--daar valt zijn geweer langs den muur op den +vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu. + +Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en +hield met geweld zijn' adem in, alsof door dat inhouden van zijne +ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al +luidkeels raasden en scholden en "silence!" riepen, en tegen den muur +sloegen. "Que faire?" zegt hij tot zichzelven. "De eerste nood moet +afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog +stuk en stookte daarvan vuur onder 't water." Toen kroop hij weêr in +'t bed en zeide: "Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd."--Hij +was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal +liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in +'t bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch +in 't voorjaar.--'t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en +weder verhuizen; maar hij zou 't zachtjes doen, dat hij niets omver +stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te +voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het +toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen +nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; +maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook. + +Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde +en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich +eindelijk met de hand voor 't hoofd, en zeide: "Ik domkop!" Want er +was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de +kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus +zachtjes naar buiten op de gang en,--ja, waarlijk!--daar brandde ook +de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht +in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: +"Ah, canaille!" Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch +niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde +naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet +vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne +krachten in,--krak!--zegt de hemel,--en hemel, en ijsklomp, en Droi, +'t valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt +mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met +zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, +wat hun heer was weêrvaren. + +Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt--de Fransche +overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken +over 't beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen +loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, +en met bloote beenen, zijn adjudant.--Mijnheer Droi haspelt onder +de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd, +gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: "Bonsoir, +mon colonel!" De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste +aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien +de zwarte slobkousen en de geheele "grande nation" vóór het bed liggen, +zij zien geweer en sabel; en--wat erger is dan erg,--zij zien de sabel +en den paardestaart van den chasseur. Wat beteekent dat en wat moet +dat?--Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer +Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; +jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven. + +In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De +overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant +roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van +de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in 't water +gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te +maken;--van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje +en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand, +maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare +oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over +haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: +"Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!..." "Schaam je toch!" zegt +mamsel Westphalen, "wat heeft zij te kijken? Wat hebt gij te kijken? En +wat is hier te kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, +dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de +angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je +nu om!" De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, +en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: "Mijnheer de +Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom +laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? 't Is hier +een christelijk huis en een stil huis, en zoo'n beweging zijn we hier +niet gewend." En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: "Eén +van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan."--De Fransche overste +beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en +mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn' spillebeenigen +adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen, +met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, +dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, +dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij +was een Duitscher, hij was een Westphaler.--"Zoo heet ik ook!" zegt +mamsel Westphalen.--De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen +heet, maar uit Westphalen is; hij heette "Von Toll."--Mamsel Westphalen +maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: "Neem 't mij niet +kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en +kastelein Toll, hier in de stad?" "Dat niet!" antwoordde de overste, +doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen +bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, +en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, +wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te +liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij +keerde zich in drift om en zeide: "Foei, mijnheer Droi; die zich op +zijn' ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, +die krijgt een hard kussen onder 't geweten. En, schaam u, mijnheer +Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt +dan pas zijne beenen!"--Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, +dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen +stomp in de korte ribben en sprak: "domme deern!"--Daarop maakt zij +nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: "Uwe dienaresse, +mijnheer de overste von Toll!" En zij gaat heen, met de beide +dienstmeisjes.--De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles +stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn +huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen. + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom + Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs + voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van + Jochem Voss door den hemel wordt gezonden. + + +Den volgenden morgen was 't den molenaar Voss alsof hij een half dozijn +musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En +zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den +vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. "Moeder," +zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in +zijne laars: "roode wijn is 's avonds een kostelijk ding, maar 's +morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin +bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; +'t gekste is maar, met den Fransoos!--achter in den wagen heeft hij +gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is."--"Welnu vader," +zegt zijne vrouw, "Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor +'t ontbijt." De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich +achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met +zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, +en 't laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, +en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend. + +De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: "Waar +blijft Frederik toch?" Hij eet weder, en gaat naar 't venster en roept +den hof over: "Frederik!"--Frederik komt niet.--De schotel is eindelijk +ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: "Als +'k een knecht gehuurd heb, wil 'k geen heer in mijn huis hebben!" En +hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, +toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. "Waar +blijft ge, schelm?" vraagt de molenaar.--"Baas," zegt Frederik, +terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink +inklemt, "wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en +niet voor mij.--Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is 't slecht +erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is +'t slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, +totdat de deerns er uit waren. En hier," zegt hij, en hij gooit wat +op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, "en hier, +molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne +huid, maar zijn valies!" "Wat moet dat?" vraagt de molenaar, en hij +valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.--"Wat +dat moet?" zegt Frederik, "dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak +niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen." + +De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen +zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en +er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die +opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden +daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. "Heere! bewaar +ons!" schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen. + +Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare +handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en +zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden +en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende: +"Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat +is het onze niet!"--Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij +zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en +de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: "Vader, vader!"--En +de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen +en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke +geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had +omgestooten en riep uit: "Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik +weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet +ik!" En heel flauw liet hij er op volgen: "Frederik moet het overige +weten."--Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, +en schreeuwde hem toe: "Waar is de Franschman gebleven?"--Frederik +bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht +aan en zeide: "Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte +gerechtsdag!--Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en +moordenaar?--Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in 't Stemhager +bosch, onder een' beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel +geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur +dronken." "Dat was hij," zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik +aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik's woorden geluisterd +heeft, en zegt: "Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt +altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!" En +zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de +kachel neêr en begon bitter te schreien.--"Dumouriez!" zegt Frederik, +"dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne +hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,--maar, een mensch, die +zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!" Hij bromde +nog zoo wat in zijn' baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes +onder de klink uit, en sprak: "Baas, de lucht is nu zuiver, want de +beide deerns gaan aan 't mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; +overleg de zaak goed. Wilt gij 't behouden,--goed! Wat mij betreft, +ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het +recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, +en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan +zwijgen. Maar, wilt ge 't eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge +'t bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, +dat ik er mijn deel afgenomen heb."--"Frederik, Frederik," zegt de +molenaarsvrouw, "breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons +ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit +het paradijs." "Vrouw," zegt Frederik, "iedereen moet weten, wat hij +te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te +Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne +vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, +sprong zoo'n infame gauwdief, zoo'n chasseur, er op toe en pakte +'t weg; en toen ik mij daartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun +drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan +'t behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die acht groschen heb +ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft +deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het +gedaan, of zijn kameraad, en 't blijft dan toch in de familie. De +acht groschen behoud ik." En daarop ging hij de deur uit. + +De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan, +en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef +hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik +weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak +van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd +maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide: +"Ja, morgen is het de dag."--Zijne vrouw stond met den rug tegen de +huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde +zich in stilte.--"Ja," zegt de molenaar, "als we 't houden, dan +zij wij gered." "Ach God, vader!" zegt de vrouw, en zij ziet zoo +angstig tot hem op.--"En gestolen heeft de kerel," zegt hij verder; +"op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou 't ook wel +uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van +verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten +zak terugkomen."--"Vader!" zegt zijne vrouw, "gij waagt er uw hals aan, +als de kerel het aanklaagt, dat gij 't hem afgenomen hebt."--"Die zal +zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld +gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen +en amandelen vetmesten.--En hebben wij 't hem dan ook afgenomen?--Het +paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het +paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht; +wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb." En dit zeggende begon +hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.--"Ja, +maar 't hoort ons toch niet toe," zegt zijne vrouw.--"Wien hoort +het dan?" vraagt de molenaar. "Den Fransoos hoort het ook niet, +en als wij 't hem weder geven willen waar is hij?"--"Frederik zegt +immers, in 't bosch." "Zoo?" vraagt de oude man. "Denkt ge, dat die +bij dit weêr, van 's avonds klokke acht, tot 's morgens klokke negen, +daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en +wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld +terugtebrengen?" Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en +legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende +zegt: "Gij moet het weten."--En Fieken zit nog op de bank te schreien. + +De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig +naar Fieken, en dan is 't altijd alsof hij zich vertellen +moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op +de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: "Als ik de halve +florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het +meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood."--Toen +staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is +bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: "Neen! nu begint onze nood +eerst." "Fieken, spreek zóó niet," zegt haar vader. "Van nu af," zegt +ze, "eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en +gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken +naam."--"Van begraven is geen sprake," zegt de molenaar. "Neen, ik +betaal daarmeê eerlijk mijne schulden."--"Eerlijk, vader? En al was 't +ook alles zoo, als 't niet is, zal de oude baljuw niet vragen, met welk +geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, +hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik +zwijgen zal?" De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half +verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een +ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de +inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de +duisternis zingen en fluiten om zich het spook van 't lijf te houden. + +Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan +de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast +in de oogen en riep: "Vader, vader! breng dat geld op het slot, +geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank +aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.--Hoe dikwijls +hebt gij mij verteld van uw' ouden vader, hoe dikwijls hebt gij +mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk +doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij +verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen +handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden +hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te +moede was."--"Ja, maar dat was heel wat anders," zegt de molenaar, +"'k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik 't niet, en +'k heb het ook niet gestolen. 'k Heb een goed geweten." + +Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: +"De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en +komt naar de deur toe!"--"Houdt de deur dicht!" roept de molenaar en +loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige +stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.--"Is dat uw goed +geweten?" vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan +en zegt: "Moeder, laat de deur open! Dien mensch zendt ons onze lieve +Heer; die brengt ons zegen in huis."--De molenaarsvrouw laat de deur +open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door +rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster. + +Er wordt aangeklopt. "Binnen!" roept Fieken. En binnen komt een +jonge, slanke kerel, van zoo'n jaar of twintig en nog een paar; hij +kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, +die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en +gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt: +"Goeden morgen!"--"Ik dank je wel!" zegt Fieken;--de molenaar verroert +zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer +gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, +en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: "Neem 't +mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen."--"O, +ja wel," zegt Fieken, een' stoel bij de kachel zettende; "ga zitten; +vader is dadelijk met zijn zaken klaar." "Ja, dadelijk!" zegt nu de +molenaar, en hij rukt het venster open en roept: "Frederik span de +paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman +achteraan; wij rijden naar het slot." Hij maakt het venster dicht, +keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: "Zoo! met die zaak is 't +in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan +kan Frederik hem op den wagen gooien." Hij gaat nu naar den vreemdeling +toe, reikt hem de hand en zegt: "'k Heet u welkom!"--"Molenaar +Voss," zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: +"laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, +en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben, +zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne +familie eens woû komen opzoeken."--"Familie?" vraagt de molenaar, +en ziet hem twijfelend aan.--"Ja," zegt de ander, "want ik ben de +zoon van Jochem Voss, en uw achterneef." En daar nu de oude man +niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, +"en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en +toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, +en ook geene familie hier in den omtrek; 'k wil eens naar 't Stemhager +gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon +van Jochem Voss willen weten." En met die woorden gaat hij naar de +molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de +molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de +muizen hem de boter van 't brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: +"Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen +daarom toch goede vrienden wezen." "Zóó?" zegt de molenaar, "en ge +hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van 't Borchertsche +goed af zoudt gooien?"--"Wat voor menschen?" vraagt Hendrik Voss. "De +menschen praten. Wat kan ik 't helpen? Mijn vader heeft den strijd +begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder +gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, +een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene +schikking kunnen komen, zal 't aan mij niet liggen."--"Gij wilt +het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden."--"Ik +raad mij zelven, neef," antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, +"want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou +'t water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is +dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog +lang braden, eer hij aanbrandt." En hij wees op den mantelzak, dien +moeder en Fieken juist ingepakt hadden.--"Daar heb je niet over te +schimpen!" roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk +om, geheel bruin in 't aangezicht. "Dat geld... dat geld, dat hoort mij +niet toe!" Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: +"Vader, het was immers niet boos gemeend." "Neen," zegt Hendrik, "ik +ben uit vriendschap gekomen, en 'k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn +wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en 'k heb maar een +paar stappen te doen, om daar te komen." "Houd op!" zegt Fieken, +"neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd +vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., 't Zou hem erg +spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan."--"Fieken," zegt de +molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op 't voorhoofd, +"je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; +ge zijt mijn lief kind." En hij reikt den jongen man de hand toe. "En, +Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss +met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.--Zoudt ge hier willen +heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij +mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene +dringende zaak.--Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, +en als ge 't met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat +van komen.--Adjuus moeder, adjuus Fieken!" Daarop gaat hij de deur +uit en klimt op den wagen. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk + "suum cuique" vertaalt, en achter den "chasseur" op de + ganzenjacht gaat; en waarin 't den molenaar duidelijk wordt, + dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet. + + +"Baas!" zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen +weg kwamen, "hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een' +pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en +zegt: Zóó heeft het gezeten?"--"Waarom vraagt ge dat?" zegt de oude +Voss.--"Och, dat zeg ik zoo maar," antwoordt Frederik; en hij speelt +zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof 't in den vliegentijd +was. De molenaar zit in gedachten.--Na eene poos vraagt Frederik +weder: "Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch +uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt: +"O!"--"Wat meent ge daarmeê?" vraagt de molenaar, en Frederik zegt: +"Och, dat zeg ik zoo maar!" De molenaar zit weder stil. Er ging hem van +alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel +van drieën in zijn hoofd op: "wat hem tegen paschen het schepel rogge +zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf," en daarbij +kwam hij erg in de breuken.--Zij reden steeds voort. Eindelijk keert +Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: "Baas! kent gij het +spreekwoord wel: "Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water +hebt?"--Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen +tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden +moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: "Hoe is 't? Moeten +dit steken onder water zijn?"--"Steken onder water?" vroeg Frederik, +"bewaar ons!--Dat zeg ik zoo maar,--Maar, ik weet nog een ander +spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij +Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch +vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn' +staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een +weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: +"houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt." Die spreuk is +op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.--Zie, molenaar +Voss, vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van +mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, +de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd; +maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de +rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand, +en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk +op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den +vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.--Baas +Voss,"--en hij wees hem op den mantelzak,--"dit zou nu wel zoo'n +afbreuk wezen."--"Laat dat!" zegt de molenaar kortaf,--"die zaak is +afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het +geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon; +Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden." "'k Heb er niets +tegen," zegt Frederik.--"Ju!" en hij klapt met de zweep;--"sommigen +luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg +voor den raad van vrouwluî."--"Ik anders ook niet," zegt de molenaar. + +Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: +"Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen +inging?" Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik 't prinses +heb.--Bevalt hij je?"--Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar +hij is goed voor grenadier."--"Hij zegt, dat hij eene schikking met +mij wil maken."--"Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager +vergelijk is beter dan een vet proces."--"Hij wil op mij wachten, tot +ik terugkom."--"Zóó?" vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om +en zegt: "Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze +Fieken maken: dat zou 't beste wezen."--"Hoe meent ge dat?" vraagt de +molenaar. "Dat zeg ik zoo maar," zegt Frederik. En toen hij zich weder +omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs; +hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, +maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los; +en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij +met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en +bindt dat kreatuur aan een' doornstruik, die op den slootrand staat, +vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.--"Wat heb je?" vraagt +de molenaar, toen hij wederkomt.--"Wat ik heb?--Ik heb niets goeds +gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; +en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het +paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen, +zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben."--"Gij hebt gelijk," +zegt de molenaar. + +Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep +naar een' beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: "Dáár heb 'k hem +neergelegd."--"Och of hij er nog maar lag," zegt de molenaar Voss.--"Is +niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend +en in dit jaargetijde houdt zoo'n beuk niet veel tegen."--En terwijl +zij nog daarover aan 't redeneeren zijn, komen er twee Franschen +aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want +hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees +Frederik hen rechts af, naar 't Cummrosische bosch toe, en toen zij +vroegen: "Hoe ver nog?" zeide hij: "Eene kleine lieu," en de Franschen +reden verder. + +"Hoe? Plaagt je de booze?" vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; +als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen +molen met den staart aankijken.--Maar, waartoe dat?"--"Baas," zegt +Frederik, "die soort brengt een' mensch niets in 't huis, en ik heb +geen lust om alle morgens bij 't eerste ontbijt gehakte opgewarmde +kool te eten."--"Hoe meen je dat?" "Och, dat zeg ik zoo maar.--Zie, +baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, +niet verliefd waren geworden op onze Stina. En 't kon dan immers ook +mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat +het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze +beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan +buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich +uitgedreven hebben, en dan was 't met de melkpap 's morgens gedaan +geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust +geen' kool."--"Mogelijk zou 't wezen," zeide de molenaar.--"'t Is ook +mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. "Dit +zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, +en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij +den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op--zij zoeken den +Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen +is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen +gelijk heeft gehad. Nu woû 'k zelf dat wij den Fransoos hadden."--"Dat +zeg ik!" roept de molenaar. "Dat zeg ik!"--"Hm," zegt Frederik; +"gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar +beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk +eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow +is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het +slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, +of ik hem nog kan krijgen." + +Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik +ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven: +"Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, +en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de +Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den +dag komen zal hij!" + +De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij +krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die +'t hem benauwd maakten. "Heer in den hemel," zeide hij, "als mijn +kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en +banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu +eerst recht meê, en 't regent nu ook al, en dat geen klein beetje." + +Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem +ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne +schuur en zegt: "Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan +een Fransozenpaard?"--"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordt de +molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.--"Dat is een erg geval," +zegt de bakker Witt; "want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat +paard kunt ge niet binnenbrengen, zonder dat ze 't merken; ik raad u, +zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur." + +Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn' krommen, koperen +haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het +hoofd en zegt: "Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, +waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles +ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van +morgen zijn fijn brood voor 't ontbijt al klokke acht laten halen, +in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, +dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch +weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in +de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen +praten al van standrecht en van doodschieten." + +"God zal me bewaren!" roept de oude molenaar uit. "'t Is een +bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den +mantelzak moet ik den ouden heer op 't slot brengen. En, vader! ik zal +om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, +en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng +den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, +rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en +Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult +aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen +en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten."--Bakker +Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den +wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt +de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door +de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit +schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: "Beter +mij wat in 't gezicht, dan jelui striemen op het vel!"--Daar achter +komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt: +"Nu dat mankeerde er nog aan!--Rooversgespuis!" En hij jaagt in +galop over het slotplein. "Ja," zegt de oude landbouwer Adler uit +Stavenhagen;--hij heeft een' zak over zijne schouders gehangen, want +dat waren de toenmalige regenjassen,--en hij stoot zijn oud zwart +rijpaard in de ribben.--"Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou +een werkje voor ons wezen?--Neen, 'k breng je in 't Stemhager bosch, +en bind je in den zandkuil vast. 't Is alles egaal; te vreten heb +je t'huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg."--En toen +de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met +de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil +de zijnen in veiligheid brengen.--"Molenaar Voss," zegt de zoon van +den schout Besserdich uit Gulzow, "breng uwe paarden uit den weg! Wie +maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, +want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen." + +De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak +op het slot. + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en + waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet + geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, + en de Fransche overste bijna den degen had getrokken. + + +Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij +'t juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een +akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets +overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en +daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om +er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet +eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van +mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen. + +Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne +laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan, +want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen +die haar niet meer in 't rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer +zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen, +maar zij klopte eerst aan, en vroeg: "Mijnheer Droi, zijt gij reeds +in uw volstandig kostuum?"--"Oui!" zeide de horlogemaker.--Zij maakt +de kamerdeur open. Groote hemel!--wat zag het er dáár uit! zóó iets +had zij van haar leven nog niet gezien; want 's nachts was zij maar +tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het +geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur +lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte +uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw +onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen +beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi +zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek +een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en +ellende.--Wat zag het er in haar lief kamertje uit!--'t Was altijd +haar trots geweest; haar porseleinkastje;--hier had zij steeds op +hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en +zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd +en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of 't +onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.--"Neen," zeide +zij; "de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne +barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd +vertrouw ik haar niet."--En nu!--Alles was omvergehaald en van zijne +plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van +den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en +den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, +stond midden in de kamer.--Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, +de schrijnwerker Reuss,--de oude Reuss, niet de jonge,--had haar +ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist +voor haar had moeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve +besponnen; meester Stohl had het geweven, "tamelijk goed," zei ze, +"maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid, +want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest +hij weten." De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke +willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald, +want zeide ze, "juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust +wil ik zelve verdiend hebben, want daar ben ik trotsch op." En toen +nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte +gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; +daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide: +"Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!"--Nu lagen de stukken +van het bed in wanorde in 't rond en de kroon lag op den vloer. + +In 't eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij +kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw; +daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, +haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen +waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd +van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: "Wat is dit?"--Mijnheer +Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem +scherp in 't aangezicht en zegt: "Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van +nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid +mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!"--Dit +zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit +de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien; +nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, +half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan 't harte, en +zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte +plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar +'t hoofd, zeggende: "Foei! Ook dat nog!" En zij zeilde de deur uit en +zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, +als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt. + +De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar +niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met +zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene +beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet +voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij +toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch +ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging +naar beneden en zegt: "Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll," +en wil voorbijgaan.--De overste houdt haar echter tegen en zegt; +"Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik +moet hem spreken?"--Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte +getroffen zal worden. "Wat wilt gij?" vraagt zij, geheel onthutst.--De +Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.--"Hoe zou dat +mogelijk zijn!" zegt mamsel Westphalen. "Onzen mijnheer den baljuw +wilt gij 's morgens om half acht spreken?" En daar de Franschman er bij +blijft, zegt zij: "Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van +nacht alles 't onderste boven gekeerd,--ik moet mij dat helaas! laten +welgevallen,--maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend +heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is 't ook +geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij toch heer +en kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en +geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er +mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik +in te laten."--De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; +hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar +boven. "De hemel zal mij bewaren!" zeide de goede dame, en liet hare +handen langs het lichaam zakken: "ik geloof waarlijk dat die kerel +het doet!" En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer +hoorde binnengaan, riep zij uit: "Hij doet het!" En toen de adjudant +naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: "Scheefbeenige, +misselijke kerel, gij mankeert er nog aan." Nu gaat zij naar de keuken +en zegt tot de beide dienstmeisjes: "Fieken en Carolien, de dag begint +van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel +weten, waarmeê het zal eindigen.--Morgen moeten we aan 't wasschen; +daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn +werk, en doet alsof er niets gebeurd was." En met die woorden nam zij +den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde +en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, +was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan. + +Boven bij den ouden heer begon 't nu zeer levendig te worden en er +werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, +die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, +wilde nu toch vertellen, hoe 't boven toeging, en stoof, met het +gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken +juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een +beetje van te profiteeren, en--bons!--vliegt hij tegen Fieken aan, +en--klets!--liggen al de pijpen op den grond, en 't rammelt door de +keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen +liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: "'t Is geheel in +de orde!--Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo'n pijp wel +het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.--'t +Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, +die al ons porcelein door de vensterruiten gooide." + +De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het +portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen +af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat +de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch +de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die +macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe 't met de zaak +gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats +gehad, die naar 't scheen, verduisterd zouden worden.--Hij had niets te +verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, +dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo'n +schurk, als de "chasseur" geweest was, bij hen in eer en achting +staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel als +een roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, +en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de +Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had +hij hem niet.--De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in +Fransche uniform kwam.--Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de +oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had +slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform +aantrok.--"Dat zijn uitvluchten," zeide de overste. Maar toen vloog +de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte +overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide: +"Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en +mijnen stand!"--De overste wordt nog driftiger en zegt: "Kort en goed, +die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor." "Zóó?" vraagt de oude heer, +en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, +gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over +een bekoorlijk landschap heenschiet. "Komt dat u onwaarschijnlijk +voor?" En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den +schouder aan. "Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene +Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor +hun genoegen rond loopen?" + +De overste werd bloedrood in het aangezicht,--één oogenblik +slechts,--en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden +achteruit, greep naar zijn degen, en 't was alsof eene vreeselijke +daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde +besturen,--ook maar één oogenblik;--haastig keert hij zich om en gaat +met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door +eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, +dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; "hij was immers een +knap man en had een vriendelijk gezicht," voegde zij er bij; "maar, +toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe 't mij op eens +zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den +zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, +eer 'k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den +pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; +en zóó vloog 't ook over zijn gezicht." + +De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en +zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel +eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig +te onderzoeken.--"Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot +geslapen?" vroeg hij verder.--"Hij heeft hier niet geslapen!" hernam +de oude heer. "Ja wel," zeide de overste, "hij heeft hier geslapen, +in die kamer heeft hij geslapen,"--en hij wijst op de kamer van mamsel +Westphalen.--"Onmogelijk!" riep de oude heer, zijne stem verheffende, +als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld +optreden;--"dat is mamsel Westphalen's kamer. Dat goede meisje is meer +dan twintig jaar in mijn huis en zij zou 's nachts manspersonen bij +zich herbergen?"--"Carolien," zeide mamsel Westphalen in de keuken, +"sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, +en alles draait met me in 't rond!" + +Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer +de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant +juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het +mogelijke verteld had,--slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem +als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,--en die ook +bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager +meêgenomen had.--De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den +horlogemaker daar ziet. "Dat is mij onverklaarbaar!" roept hij uit. De +overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt, +niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar +woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de +slot-gevangenis.--"Dien geef ik niet af voor den gevangene," zegt +mijnheer de baljuw,--"want voor dien man is de slot-gevangenis niet, +hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis."--De overste +zeide, dat zulks best was, en zóó had hij 't zelfs nog liever, want hij +wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben. + +Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het +wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het +slotplein,--en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging +ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide: +zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw +ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, +omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had +gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak +niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat +woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne +tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek +noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de +baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit +beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste +vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den +Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag. + +De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg +van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; +doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven +zeggende: "Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op +zich te laden?--Wat zoo'n Fransche overste slechts zeggen kan, dat +kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij +laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden." En +hij ging naar zijne kamer. + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom + Frits Sahlmann fluiten moest. + + +Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits +Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den +arrestant de zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop +ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar +beneden, naar 't raadhuis, want men had moeite zich door allerlei +paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage +en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden +gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar +het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat +zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu +al drommelsch goed slag gekregen.--De horlogemaker ging, zoo geduldig +als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in +'t eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien +nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende +het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene +stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: "Praat +jij maar! Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!" En +zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist +niet zoo'n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, +zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls +in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor. Hij liet +de zaak haren gang gaan. "Hoe zou dat hier wel afloopen?" zeide hij +tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd. + +"Frits Sahlmann," zegt de raadsheer Herse;--toen de jongen den weg +naar het slot weder wilde opgaan; "wat beteekent dat?"--Frits vertelt +nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe +mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles +kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer +de baljuw stuk had gesmeten,--maar, dat kon hij niet helpen, daar +had Fieken schuld aan,--en hoe de overste mijnheer den baljuw had +willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een +toonbeeld van ellende en smart;--doch van den ijsklomp zeide hij niets. + +Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, +ofschoon in 't geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij +mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, +hij behoorde in dien tijd tot het deugdverbond. En 'k geloof dat +wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een +langen horlogeketting van zeer licht haar,--en tante Herse's haar +was zwart,--en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren +vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht +Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal +zeer onbehoorlijk gedragen had.--"Frits," zeide hij later tot mij, +"dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno +dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor 't vaderland, en +de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er +niet van, ik heb dat liever niet." Hij was dus met recht, ten tijde +toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het +is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, +van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke +verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de +nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat +de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles +in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren +en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;--die +verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn, +hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, +en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er +zoo juist de man naar, om van eene vloo een' olifant te maken, in +elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen +dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij +een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog +van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was. + +"Hou je snater, jongen!" fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, +"wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?--Voor +'t leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is +zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen +hebben...."--"De molenaar niet," valt Frits hem in de rede, "de +molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid." + +"Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis +is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme +jongen, wat kijk je me aan?--Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden +aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,--den ouden +baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den +schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd +hebben; en mamsel Westphalen,--zooveel ik van de Fransche krijgswetten +weet,--zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor +de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag +krijgen."--Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en +zette er ook een gezicht naar.--"Mijnheer Herse, toch niet openlijk op +de markt?" vroeg hij.--"Waar je maar gaat en staat, daarom heet het +immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, +kan alles nog best terecht komen.--Kunt ge zwijgen?"--Frits Sahlmann +zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.--"Nu, kom dan eens hier, +steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.--Zoo! dat gaat +al goed!--En zet nu eens zoo'n onnoozel gezicht, alsof je alles niets +aanging,--zooals je 's zomers wel eens doet als je in den slottuin +appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.--Mooi +zóó!--En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met +dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, +tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken, +en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan +maar deze beide woorden: "Redding nadert!" Mocht zij daarmede niet +tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat +ik van 't ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje +verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; +want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar +zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de +achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het +een of ander ding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en +jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal +echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,--'k wil +maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,--en mijn +parool zal wezen: "Wel, wel!" en mijn veldgeschreeuw: "York!" Neen; +dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.--Nu, wat dan? 't Is alles +egaal,--'t is alles egaal.--Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... "Zuur +varkensvleesch!" Dat begrijpt zij.--Als er nu iemand komt, die dit +woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.--Hebt ge alles +onthouden?" "Ja, mijnheer Herse."--"Nu, ga dan maar heen. En geen +mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,--mag er een woord van +vernemen!" Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook. + +Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer +was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud +belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man +was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding +toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, +of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of +als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje +achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, +ging de raadsheer Herse vóór de gerechtstafel op en neêr en zorgde voor +de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, +wanneer zoo'n Franschman hem als "monsieur le maire" aansprak. Mijn +vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, +ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan +den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden +zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne +zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk +vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat +verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij +werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op +een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren +van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van +den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de +erwtenvelden joeg,--dan zou 'k wel eens willen zien, wáár eene stad +en een rechtsgebied te vinden was, waar 't zoo in orde en geregeld +toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar +vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg. + +Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,--want het regende steeds, +dat het goot,--zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen +mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: +"Zie! vandaag is 't er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze +mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn."--Hij trekt ze dus aan, +en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand +steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten +drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de +raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn +mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er +op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer +hij de vijandelijke posten observeert. "Zoo!" sprak hij, "nu kent mij +ook geen mensch!" Hij ging de markt over en maakte een' kleinen omweg +over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne +paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. "Goeden +morgen, mijnheer Herse!" zeide de pachter; "lieve Hemel, wat is 't een +nare tijd!"--"Stil!" zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de +schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. "Goeden morgen, +mijnheer de raadsheer!"--"Houd uw mond!" zegt mijn oom knorrig en hij +gaat achter den slottuin om.--"Goeden morgen, mijnheer Herse!" zegt de +jongen van den ouden muzikant Hartlaff.--Klets! daar krijgt hij er een, +met de platte hand, om zijn ooren. "Domme jongen! zie je niet, dat ik +niet bekend wil wezen?"--Met die woorden gaat hij den slottuin in, +en hij is knorrig en zegt: "De drommel mag het weten! Eene openbare +betrekking drukt waarachtig als een vloek op een' mensch!" + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, + waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; + en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar + en ook weder er afkomt. + + +Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met +de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, +toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een +gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam's +gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel +Westphalen toe: "Redding nadert!" "Jongen! Frits Sahlmann!" zegt mamsel +Westphalen, "wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?" Frits +zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot +op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten, +en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en +het kommando op zich nemen zou. "Goede hemel!" zegt mamsel Westphalen, +"wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet +onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil +mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn +raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders +raadsheer wezen?--Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; +Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui +het veldgeschreeuw niet vergeet."--De deuren werden gesloten, Fieken +nam een' bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een' potlepel +en mamsel Westphalen grijpt al naar een' stamper, maar zij laat hem +liggen, terwijl zij zegt: "De hemel beware mij, dat ik door moord en +doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel," +en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, +van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: +"Zóó! Laat ze nu maar komen!--Maar, wie van mijne soort van zalf wat in +'t gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!" + +Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur: +"Wel, wel!" En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid +door het sleutelgat: "Zuur varkensvleesch!"--"Dat is de rechte," zegt +mamsel Westphalen,--"Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als +hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht." Carolien doet dus nu de +deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; +toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed +en de roode uniformkraag komt te voorschijn. "Hu!" gilt Carolien uit, +en klemt den raadsheer half in de deur vast; "een Fransozenkerel, een +Fransozenkerel!"--"Zuur varkensvleesch!" roept de raadsheer Herse, +"hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!" Maar 't kwam te laat; Fieken +had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn +vel van 't gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee +handen vol asch in de oogen gestrooid. + +Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde +met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: 't was +nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen +was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit +een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten, +als 't met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, +wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem? + +De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit +alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de +achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: +"Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!" Frits +Sahlmann riep: "Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse." Mamsel +Westphalen stond daar als Loth's huisvrouw, en zij zag den raadsheer +aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem +uit: "Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!"--"Gij +kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.--Water, +hier!" Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en +verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, +en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen +worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke +samenzwering in te laten.--Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor +hare oogen en begon te schreien en zeide: "Mijnheer de raadsheer, +geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den +baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; +gij zijt mijn eenige troost." + +Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig +gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel +Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had +ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, +waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: +"Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet +vluchten."--"Vluchten!" riep zij en keek heel verbaasd hare figuur +van boven tot onderen aan. "Mijnheer Herse; ik vluchten!" En zij +dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, +en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, +zou zij bijna gelachen hebben.--"Ja," zegt mijn oom, "kunt gij bij +dezen weg en in dit weder, wel zoo'n mijl of drie vier, in ééns door +marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en 't is ook niet +heimelijk genoeg." "Mijnheer Herse," zegt Mamsel Westphalen, en het +lachen verging haar geheel en al; "zie mijne persoonlijkheid aan; +ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al +heel moeilijk."--"Kunt gij dan rijden?"--"Wat zegt gij?"--"Ik meen, +of gij kunt paardrijden?" Mamsel Westphalen stond nu op en zette de +handen in de zijden, zeggende: "Met schande wil ik niet leven. Welk +vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn +leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar."--Nu stond +de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de +keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: "Acht gij u zelve in staat, +om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in +het riet te verstoppen?"--"Mijnheer Herse," zegt mamsel Westphalen +en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af, +"zie, 'k ben nu al in de vijftig en 'k heb verleden najaar die +zware ziekte gehad..." "Dan gaat dat ook niet," valt de raadsheer +Herse haar in de rede, "dan zijn er nog maar twee wegen; een naar +boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, 't zij op den zolder, +of in den kelder."--"Mijnheer de raadsheer!" roept Frits Sahlmann +uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, "ik weet +het."--"Jongen," zegt mijn oom, "zijt gij hier?"--"Ja;" zegt Frits, +heel benauwd.--"Dan is 't met de heele heimelijkheid niets waard: want +wat drie weten, weet de heele wereld."--"Mijnheer Herse," zegt Frits, +"ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje +voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan +worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar +tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje, +daar vindt u geen duivel." "Entfaamte lummel!" zegt mamsel Westphalen, +en zij vergeet al haren angst en nood; "dan ben jij 't geweest, die +altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, +ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht." Mijn oom houdt nu Frits +Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd +was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was. + +Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, +en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter +had aangewezen, sprak mijn oom Herse: "Zóó, mamselletje! ga hier nu +op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u +toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, +dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas +vooral op, dat gij niet hoest of niest." "Dat is gemakkelijk zeggen, +mijnheer de raadsheer; maar in zoo'n rook!" antwoordt zij.--"Dat zullen +wij verhelpen!" zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, +maar zij roept: "Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng +mij bericht, hoe 't met de zaak staat."--"Hij mag, wat er ook gebeurt, +niet naar den zolder gaan," zegt de raadsheer Herse, "dat zou de een +of ander kunnen zien, en dan is alles verraden."--"Wees maar gerust, +mamselletje," zegt Frits, "ik zal 't wel gedaan krijgen," en hij +knipoogt haar listig toe.--Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit +vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: +"Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren +moet vluchten." + +Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging +hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter +deeg, met een' kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In +de keuken trok hij den kraag van zijn' grijzen mantel weder over den +geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, +gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit. + +Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er +werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, +dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven +uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar +invliegt.--"Houdt uw' mond!" riep oom Herse, "ik zal u geen kwaad +doen!"--Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden +in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij +achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk +mijn oom Herse was,--toen gingen zij op den loop, allen op de groene +poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk +van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, +tusschen het struikgewas, en toen hij zoo'n klein, half verborgen +pad langs ging, wie kwam daar aan?--De oude molenaar Voss met zijn' +mantelzak onder den arm. "Goeden morgen, raadsheer!"--"Daar speelt +de drommel meê!" zegt de raadsheer Herse.--"Molenaar Voss, ziet gij +'t niet? Ik wil immers niet bekend wezen."--"Wel, dat begeer ik ook +niet," zegt de molenaar. "Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een +genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: +breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een +genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u +weten."--"'k Zal er voor zorgen," zegt de raadsheer, en hij gaat naar +de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, +maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen +hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, +op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, +dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had. + +Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen +gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, +dat hij conseiller d'état was,--want hij wist in dat oogenblik geen +beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de +Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem +voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op +de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou +statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd +mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, +om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel +in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden. + +Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij, +achter een' grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen +van den molenaar in veiligheid te brengen. "Kwaad kan 't den raadsheer +niet," zeide hij bij zich zelven; "hij koopt zijn wittebrood bij Guhl, +waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij +ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan +'t niet, daarvoor moeten wij zorgen." En dit zeggende, klom hij op +den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, +en trok de paarden er in. + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en + zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van + den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam. + + +De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want +al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud +man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en +nu moest hij zich laten kommandeeren, en had 's morgens klokke acht +moeten opstaan,--wat tegen zijne natuur was,--en koffie had hij ook +niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde +aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits +Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij +haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk +een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle +mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te +voorschijn en kijkt naar 't weder. Het regende buiten dat het goot, +en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil +en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij +dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan +den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. "Die hebben ook +al geen pleizier!" zeide de oude heer. "Maar, waar is tegenwoordig +pleizier in de Duitsche landen? 't Is toch eene wonderlijke zaak +met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één +zoo'n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een +christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke +kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen +ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch +ook maar zoo'n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge +eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat +weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder +eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan +een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, +dat is--dat is!"--en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim +of drie boven zijn hoofd, "God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen +geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook +niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, +maar nu heb ik een' haat!" en hij smeet zijne slaapmuts op den vloer +en zette er zijne voeten op; "nu heb ik er een! en ik wil hem ook +behouden!" + +Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw +kwam geheel ontsteld de deur in.--"Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft +Frits Sahlmann of Fieken...?"--"Neen, Netje," viel hij haar in de rede +en raapte de slaapmuts op, "die niet, Bonaparte maar." "Goede hemel," +riep zij uit, "al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?" En +zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een +boek uit, zeggende: "Daar, Weber, lees in je boek!" Dat was nu het +boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij +zich boos gemaakt had, en zoo 't heel erg geweest was, twee. Hij nam +dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten +purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide +het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het +stuivende poeder over 't hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, +en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen +de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het +poeder van 't aangezicht afschrapte.--"Want dat moet zij er altijd +afschrappen," zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, +"en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de +oogen dichtplakken." + +"Netje," sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde +gemaakt was, "kijk toch, als ge kunt, eens beneden in 't huishouden +rond. 't Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits +Sahlmann niet: die verd... 'k wou zeggen--dat goddelooze Fransozentuig +heeft alles hier in huis in de war gemaakt.--Wat moet dat?" + +De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, +een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds +bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden +heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang +buiten 's lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot +alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en +leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, +dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder +ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam +dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het +gaat met de liefde als met een' boom: hoe meer de wind in de kruin +en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels. + +Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw +verlangde, dat zij namelijk eens in 't huishouden zou omzien, was nu +juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, +ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede +vrouw wel gedaan zou hebben.--Zij was juist heengegaan, toen de +oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. "Goeden morgen, +mijnheer de baljuw!" zeide de molenaar en maakte een buiging, "met uw +verlof!" En hij legde het valies op de tafel, "hier is 't!" "Wat is +'t?" vroeg de oude heer.--"Mijnheer, wat weet ik 't? Ik weet wat, +ik weet veel, ik weet in 't geheel niks, maar, zooveel weet ik, +een gauwdievenkraam is 't." "Molenaar Voss, hoe komt gij aan een +gauwdievenkraam?"--"Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de +baljuw? Hoe kwam het meisje aan 't kind?--Ik weet maar, dat dit de +mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos +gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er +weêr afgesmeten heeft." En nu vertelde de molenaar het geheele geval. + +De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo +wat in zijn baard, van "leelijke zaak!" en dan weder stond hij voor +den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal +van den molenaar uit was, zeide hij: "Wel, vriend Voss, 't is immers +toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?"--"Mijnheer de baljuw, +wat weet ik 't?--Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was +'t van nacht voor den tijd van 't jaar juist niet; maar geregend +heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, +gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk +verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is 't liggen in de lucht +beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, +dan zal 't hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is +hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat +overkomen is, kunnen wij dat niet helpen."--"Vrind Voss, vrind Voss," +sprak de oude heer, het hoofd schuddende, "dat is een erg ding! Als +jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan 't je den hals +kosten."--"God beware mij!" riep de molenaar, "met welke dwaasheden +heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, 'k ben +immers onschuldig, en 'k heb immers het valies ook niet gehouden, +en het paard staat in de schuur van den bakker Witt." "Dat is ook je +geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik +getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?" "Ja, +louter goud en zilver," antwoordde de molenaar. En dit zeggende, +gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien. + +Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. "Heere! bewaar ons!" riep +hij uit, "dit is waarlijk een schat."--"Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer +de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag, +sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord."--"Gestolen is +'t alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; +dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt +gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter." + +De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de +baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij +naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide: +"Molenaar Voss, 'k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; +maar zoo'n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van +den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging +zoo'n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het +t'huis hoort!"--De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar +de punten van zijne laarzen. "Ja, Voss," sprak de oude baljuw verder, +"'t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen +weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want +het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt." + +Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende +lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een +leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op +nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze +gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, +en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar +vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen +en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg +hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen +geraakte, en riep: "De drommel hale de heele Fransozenhistorie en +mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor +recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet +met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En +als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte +Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg." En nu +vertelde hij de zaak. + +"Vrind Voss," zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld +waren, "ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn +me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere +zaak.--Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo'n +kind hebt.--Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken +eens meê; ik....--dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over +verheugen. En neem nu het valies en breng het naar 't raadhuis en +meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo'n soort van +gerechtsdag houden,--'t zal er ook naar wezen!--en vraag eerst naar den +burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, +en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is, +zal ik voor je doen."--"Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel +lichter om 't hart.--En met de andere zaak; met het bankroet meent +gij...?"--"Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog +met zulke dingen in te laten!"--"Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus +dan!" Daarop ging de molenaar heen. + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een + appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn + vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij + eene erge zondares is. + + +Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en +zeide: "Weber, wat beteekent dit?" Frits Sahlmann is er niet, mamsel +Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen +en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij +van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur +is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen +bezem over 't gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een +paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, +en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, +en ze weten niet waar ze zijn."--"Dat is eene wonderlijke zaak, +zegt de oude heer.--"Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? 'k +Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, +maar hij steekt zijn' neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs +is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.--Zeg eens, +Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?" "Weber, +wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake +wezen."--"Nu, dan de slimste, die 't meest bij de hand is."--"O, +dan is 't Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond, +en haar mondwerk nog veel beter."--"Roep haar dan eens binnen." + +Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, +zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar +zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.--Nu stond zij +echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte +aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een +soort van verhoor zou worden.--"Alzoo," begon de oude heer, "tot de +waarheid vermaand, en zoo voorts,--Fiek Besserdichs, wat weet je van +mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!"--Fieken vertelde nu, +wat zij wist, en wat wij weten.--"Dus," sprak de oude heer, "heeft ze +bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?"--"Weber, +wat praat je toch?" viel zijne vrouw hem in de rede.--"Netje lief, +elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet +komen.--En geloof je niet," zoo vroeg hij aan Fieken, "dat zij met +den raadsheer Herse weggeloopen is?"--"Neen, mijnheer; op de vlucht +is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb +ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr +terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met +onze paarden, tot voorspan, maar--" en hier sloeg zij hare oogen op, en +het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, "maar mijnheer +de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst." "Zoo," +vroeg de oude heer, "heeft hij de plaat gepoetst?" "Ja, mijnheer," +zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, "en hij heeft al de anderen +ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort +aangewezen." "Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen +hem krijgen, zullen ze 't hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig +geslacht, jelui, Besserdichs.--Netje, help me eens aan dien bengel, +dien Frits Besserdichs, denken.--En waar is Frits Sahlmann?"--Nu was +Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar +heel langzaam aan. "Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij +al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik 't gedaan had. En, +mijnheer de baljuw, ik kon 't niet helpen, want ik woû maar eventjes +om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen +liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de +keuken."--"En heb je hem van morgen verder gezien?"--"Ja, mijnheer, +toen de horlogemaker getranspireerd werd; toen liep hij meê, en toen +hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, +en naderhand fluisterden zij te zamen." "Hoogduitsch? Frits Sahlmann +hoogduitsch? Wat heeft die lummel in 't hoogduitsch te praten? Wat zei +hij dan?"--"Hij zei: "Redding nadert.""--"Zoo! en kwam naderhand de +raadsheer?" "Ja, mijnheer de baljuw, en ik streek hem met den bezem +in 't gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen."--"'t Is toch eene +wonderlijke zaak!" riep de oude heer uit en hij liep op en neêr, +wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den +zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: "Netje, de zaak wordt +mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst +gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een +of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt +heeft."--"Laat haar dan begaan, Weber." "Dat gaat niet, Netje; zij +moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den +horlogemaker en voor den molenaar; 't kan die beiden anders den hals +kosten.--Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, +die weet van de heele zaak af.--En jij weet niet, waar hij is, Fiek?"-- +"Neen mijnheer."--"Nu, dan kunt gij heengaan." + +Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch, +daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door +het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich +haastig weder om en zeide: "Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij +is."--"Wel, waar dan?"--"Kijk, daar zit hij." "Waar?" vroeg de oude +heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, +slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.--"Dáár, mijnheer de +baljuw,--dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van +de keuken staat."--"Waarachtig! ja!--Dat is toch eene wonderlijke +zaak!--Netje, in den winter!--Als 't in den herfst was, als er +appelen aan den boom zijn;--maar Netje, in den winter!"--"Och, Weber," +zeide zijne lieve vrouw, "hij oefent zich zeker daar maar op."--"Fiek +Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?" vroeg de oude +heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.--"Wel, mijnheer, +hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, +dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen +meê tegen 't luik van den rookzolder."--"Netje, tegen onzen zolder! Wat +zou hij daar uitvoeren, Netje?"--"'k Weet het niet, Weber; maar 't zal +mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn."--"Kijk +eens, kijk eens.--Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een +prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. 's Zomers appelen, en 's +winters worst!"--Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: +"Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in +den regen verkouden kunnen worden." + +Men zegt, dat het bekende dier, 't welk luiaard genoemd wordt, zeven +dagen noodig heeft, om in een' boom te klimmen en zeven dagen, om +er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann +juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde +toch lang genoeg, en van wege zijn' broek klauterde hij zeker niet +zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, +dat hij ernstig aan 't overleggen was, of hij zou komen, of op den +loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich +menigmaal slechts een beetje op.--"Fiek, wat doet hij daar achter het +kruisbessenboschje?" vroeg de oude heer.--"Wel, mijnheer, hij heeft +daar zeker wat achter gegooid."--"Zoo?--Dat is dan iets anders.--Nu, +Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en +pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt."--Fieken +ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij +kwam.--"Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je +al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, +om als 't regent, buiten te zitten; neem, als 't weêr gebeurt, een +parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook +wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een' regenbui in +een boom te klimmen; zoek in 't vervolg een drogen tijd van 't jaar +daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?"--"Och, +mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens."--"Hm," hernam de oude +heer, "die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû: +heb je niets van mamsel Westphalen gezien?" + +Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde +zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: "Neen, mijnheer de +baljuw."--"Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat +weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu 't pleizier eens, +en kijk me nu eens flink in de oogen."--Frits Sahlmann deed hem dit +pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer +scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: +"Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens +uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,--zoo'n klein stokje, +zooals een--als een--nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan +heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep +Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr +te krijgen.--Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan." + +Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in +eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de +menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de +eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden +heer bij zijn voornemen een' steen in den weg zou leggen, en ten +tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had +daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen +niets weten, namelijk zoo'n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke +gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan +ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den +tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den +juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, +de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met +inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging +en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene +worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier +zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den +hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, +en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen, +Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede +verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook +bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die +haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar +in 't bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met den stok, +en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw. + +"Fieken," zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, "gij +kunt nu heengaan, mijn kind!--Netje!" zeide hij tot zijne lieve +vrouw, en hield de worst voor hare oogen, "dat noemen wij een corpus +delicti."--"'t Is mogelijk, Weber, dat ze in 't Latijn zóó heet; wij +zeggen er metworst tegen."--"Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig +verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?"--"Ja, Weber, ik ken +ze aan den band."--"Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?" + +Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam +blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den +steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de +worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van +zijn' rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, +en dat was ook maar zóó--zóó; de baljuw had het al eens aan 't klappen +gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: +"Ze is mij gegeven."--"Dat jokt ge!" was het driftig antwoord van de +vrouw van den baljuw; "je hebt ze met een stok van den rookzolder +gehaald."--"Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!--Frits, +wie heeft je die worst gegeven?"--"Mamsel Westphalen."--"Frits, +wáár?" "Toen ik in den boom zat."--"Zat zij daar dan bij jou?" "Neen, +zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan +den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen."--"Maar je +hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen +was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen." "Mijnheer de baljuw, och, +sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben +samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, +ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was."--"Krijg je +bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits, +en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt." En +met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den +stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was 't nu +hoog tijd daartoe, en--de hemel deed het. + +Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam +binnen met: "'t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak +stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer +de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, om zoodra mogelijk ginder +te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar +getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht."--"Ik kom dadelijk, +mijn lieve Luth,--Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, +haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel +op den rookzolder, en breng haar beneden."--Hoe vlug bracht Frits +Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te +komen! "Mevrouw," zeide hij, "ik moet meêgaan; alleen voor u maakt +zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze +zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet." Zoo liep hij dus +vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes. + +Frits klopte aan de deur: "Mamselletje, doe open, ik ben 't!"--Geen +antwoord.--"Mamselletje, wel, wel! Zuur varkensvleesch!"--Geen +antwoord.--"Mamselletje, de Fransozen zijn weg!"--Toen liet zich wat +hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: "Frits Sahlmann, ge zijt +een befaamde leugenaar.--Leid mij niet in verzoeking!"--Middelerwijl +riep nu ook de vrouw van den baljuw: "Westphalen, doe open! Ik ben het, +uwe meesteres."--"Ik kan mij niet voor u vertoonen," riep de stem, +"'k ben eene zondares, eene erge zondares!"--"Doe maar open; dan komt +alles weder te recht." + +Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk +open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen +liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog +niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe +het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene +corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast +zeggen, daar stond zij als "een geknakt riet."--"Mevrouw Weber," zeide +zij, "ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer +dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik +u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders +gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.--"Och, Westphalen, +laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!"--"Geen stap doe ik, +mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!--Zie! gij weet het, ik ben +op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze +bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer +en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk +dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe +'t met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, +en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip +en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, +verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen +en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai +over den afgrond. "Jongen," zeg ik, "Frits Sahlmann, wilt ge wel uit +den boom komen!"--Toen grijnst die jongen mij aan. "Jongen," roep ik, +"ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo'n gevaar te +zien." Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: +"Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den +raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, +en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken." Mevrouw +Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; +maar ik kan 't naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen +was nog grooter. "Jongen," riep ik, "klim den boom uit!" Zie toen +grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: "Ja, als +gij mij eene worst geeft." En daarop begon hij allerhande grappen te +maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, +zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, +dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde +van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom +vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor +hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den +boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, +dat van alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, +mevrouw, en daar blijf ik bij."--"Laat dat maar rusten, Westphalen; +hij heeft bij mijn' man ook nog wat in 't zout, hij zal zijn' rechter +niet ontkomen." + +Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder +af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, +in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. 't Kostte nu veel moeite, +mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis +te gaan--"in den geopenden leeuwenmuil," zeide zij. Zij wilde lijden, +wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, +en in eere was geschied;--maar, om voor al dat vreemde manvolk te +staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven +hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de +baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê, +want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar +in de kamer geslapen had. + +Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen +naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een' doek en eene +warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, +in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena'schen +"Ziegenhainer" [5] in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van +zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: "Netje, zij heeft gelijk; +dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje," en hij snoof zoo'n +beetje in de lucht rond; "'t ruikt hier zoo naar gerookte paling; +is de oude Neils uit Gulzow met zijn' paling hier geweest?"--"Wat +praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het +uur op den rookzolder gezeten."--"Dan is 't iets anders!" zeide de +oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra +mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van +mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand +sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog +mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: "Fieken, als wij op de +markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem, +dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, +want ik kon in flauwte vallen." + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + Waarom de bakker Witt, door zijn' meerschuimen pijpekop, + meê in 't komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als + eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, + en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft. + + +Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad +nog veel bonter uit. 't Is waar, wanneer zoo'n troep inkwartiering +eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en +de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr +getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, +en dáár de overmoed snoeft,--dan kan 't niet stil toegaan, gelijk in +de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden +Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden +liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: +"rust is de eerste burgerplicht," toen ging het toch rustiger toe, +dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen +sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust +geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één +schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte +laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen, +en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: +"Ik moet mij redden; aan jelui is niets gelegen; jelui blijft hier, +als de Fransozen komen;"--en hij liep naar 't elzenmoeras en kroop in +'t riet.--Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven +tot beneden. + +De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich +verweren. Schill rukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel +Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar 't +kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou. Schill trok dwars door +Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de +Mekklenburgers hem den pas bij Bamgarten en Tribsees afsnijden; +zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een +huzaar van Schill nam een geheel rot lange Mekklenburgsche +grenadiers gevangen. "Kinderen," riep hij hun toe, "zijt gij allen +gevangen?"--"Neen," zeide de brave korporaal, "niemand heeft ons +wat gezegd."--"Nu, gaat dan maar meê!" En zij gingen meê. Was dat +lafhartigheid? Was dat vrees?--Wie onze landslieden in 1813 en 1814 +gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft +gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, +om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.--Neen! dat +was geene lafhartigheid, dat was onwil, om te strijden tegen datgeen, +wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het +spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was +Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is 't +geweest, en zóó moet het ook blijven. + +En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den +Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid +afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam +als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche +mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den +woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die +van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan +had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld +in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en +de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland +was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en +kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: +"Opstand tegen den menschenmoorder!"--Dat was het veldgeschreeuw. Maar +het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep +onervarene jongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede; +neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene +samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met +weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de +jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg +de eerste vlam omhoog;--wij Nederduitschers houden niet van vuur op de +straat;--neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman +kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een +vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch +overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn +een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in +den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, +die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand +waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen +wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de +haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp; +en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het +zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, +het hem zóó in te prenten, dat hij 't in zijn leven niet vergeet. + +Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen +roken 't in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond, +waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet +moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige +ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij +zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne +hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den +tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds +weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met +opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene +verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van +allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur +hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, +want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten. + +Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens +geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij 't echter verstaan +in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den +ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur +teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, +en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij +zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste +de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen +pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn +overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de +voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in +de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo'n kleinen +steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min +of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in +de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet +vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen, +en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, +totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude +bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar 't raadhuis gesleept, +want hij had zich aan de grande nation vergrepen, en of hij al zeggen +mocht, dat de grande nation zich aan zijn pijpekop vergrepen had, +'t hielp geen zier, hij moest meê. + +Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in +'t verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met +het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als +burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, +zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat +de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken, +had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?--De horlogemaker zal +het zelf wel zeggen, of indien hij 't niet zegt, moet hij toch, door +mamsel Westphalen's getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er +daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken +waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem +willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat +in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en +dat hij geheel uit eigen' beweging het geld had geleverd, en ook het +paard van den "chasseur" door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, +als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit +een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, +dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene +vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, +dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar +als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten. + +Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den +bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat +er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd, +waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en +voor zijn "gauwdieven en roovers," een paar "bougres" en "sacres" +terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het +daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en +mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.--"Mijn' +pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien +zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik +een Stemhager burger, of niet?" De Franschen tierden en raasden +daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de +auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en +meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman +aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en +zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten +en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche +bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of +begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als +krijgscontributiën aan te zien?--Hierdoor had hij den Franschman erg +op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, +dat ook hijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een +prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, +was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn +kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in +zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor +zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; +en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land, +dat men er de varkens wel meê voeren kon.--De Franschman schuimbekte +van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer +uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt +voor mijn vader op en liet een paar maal "schooiers en schurken" +hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne +vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von +Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden +had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; +hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, +de bakker was dezelfde man, die het chasseur's-paard in zijne schuur +had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot +complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp +aan,--en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; +en, zoo 't er hier niet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, +waar het er wel uitkomen zou, en die plek heette Stettin. + +Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, +de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring +gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam +in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een +eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn "Ziegenhainer" +in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter +hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich +stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar +breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als +zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke +Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, +toen zij er doordrong: "Mosjeu Fransoos, pardoen! Waar mijnheer de +baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun." + +Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het +venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den +tolk, wie hij was en hoe hij heette.--"Ik ben eerste ambtenaar hier +in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber." En +dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam +"Jochem Weber" was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe +te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, +en 't scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het +blijven en keek weder het venster uit. + +Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. "Ik +dank u," zeide hij, "tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, +verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende +te kunnen afdoen."--Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, +alles wat hem van den chasseur bekend was. "En," zeide hij aan 't +slot zijner rede, "indien iemand het den molenaar tot eene misdaad +zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken +maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel +heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te +zeggen."--Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide +dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn +bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk +wilde zijn.--"En daar lacht gij om?" vroeg de oude heer, zoo bedaard, +alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. "Is dat in Frankrijk niet +zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de +menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene +rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als +men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar +flesschen wijn van den hals schuift?"--Nu had de Franschman weêr eene +gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Fransche chasseur, +dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, +niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging +met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur +grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, +ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman +een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: +"Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die +het voeren. Die soort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels +niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders +te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels."--Hiertegen +viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een' geschikten +zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, +hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht +op het slot te doen had gehad?--"Daar vraagt gij mij te veel," zeide +mijnheer de baljuw; "ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel 's +avonds, toen de molenaar met den chasseur wegreed, vluchtig gezien, +en dat hij 's nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen +of weten geschied." De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met +den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf +mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich +niet uit het raadhuis zou verwijderen. "Best!" zeide de oude heer, +en keerde zich om. "Dus, totdat de zaak beslist is." + +Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche +overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens +zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer +het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te +lezen: hij was namelijk uit den Jena'schen studententijd van den +ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer +de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo'n +halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: "Met uw +verlof, mijnheer de overste, mijn stok."--De overste zag een weinig +verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, +ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en +Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar "Alt, alt!" schreeuwde +de auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen. + +Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van +dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd +begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den +Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, +haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar +weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat +van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven +of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar +aan haren rokrand vast gehouden. "En," liet zij er op volgen, "Juffrouw +Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw +al te zamen geleerd heeft, en 't waren allen luchtige vogels; maar +zóó'n bonten vogel en zóó'n galgevogel, als deze Fransche auditeur, +was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een +bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op 't gezicht." + +'t Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben +grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze +er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; +den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen +zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak +ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en +stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan +had. "Want," zeide zij later, "ik had gezien, hoe trotsch hij daar +gestaan had, en zijn geest kwam over mij." + +De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?--"Ik weet +van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat +hij voor brood "du pain", en voor wijn "du vin", zegt; en dat is +alles."--Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?--"'k Weet niet, +hoe hij daarin komt, en 'k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat +zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen."--Waarom hij dien +avond op het slot was geweest?--"Op het slot komen vele menschen, en +louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; +en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te +doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de +baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen."--Waarom de horlogemaker +dien avond niet naar huis was gegaan? "Omdat het een weêr was, +waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een +christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen, +hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat +hij 's nachts op de hazenjacht,--waarom niet bij dag, zooals andere +menschen?--en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, +dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch +zit op een bankje met drie pooten;--en hij heeft onze Carolien willen +bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar +heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon +hij met zoo'n paal achteruit rondloopen, zij wou bij 't melken niet +voor uilenspiegel spelen."--Maar, waarom zij toch den horlogemaker +heimelijk in hare kamer had ontvangen?--Hier zweeg mamsel Westphalen +stil; het bloed vloog haar in 't aangezicht over de onbeschaamdheid +van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht +gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den +angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek +Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op +los. "Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!" En zij wilden +er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden +'t aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, +dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen."--'t Werd een vreeselijk +spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, +dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, +totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd. + +"Juffrouw Stahl," sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van +den wever: "gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen +mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer +hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de +mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: +men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een +goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd +aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft." + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander + bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn + jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn' vader en mijn + oom Herse wegsleepte. + + +Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich +regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar +hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner +moeder;--want wij woonden in het raadhuis. + +Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar +heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig +en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet +eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de +onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne +gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede +vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk +van waar de wind waait,--zoo weet eene goede vrouw al lang te voren, +dat er iets aan de lucht broeit. + +De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: "Goeden +morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche +volk!" Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van +den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en, +met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar +uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat +er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van +zijn' studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf +Diederik--"de professor juris utriusque in Rostock, kindlief!"--in +een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem +hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte +verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in +hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, +alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade +dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken +las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren +'t niet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden +baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen. + +Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in +plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon +hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte +beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,--want +die was toen nog niet bestraat,--toen de deur geopend werd en de +Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne +moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.--Wij, kinderen, +hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een' +hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, +en wij dachten zeker ook wel: "Wat moet dat worden?" Hetzelfde dacht +mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig +aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en +deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De +Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag +eene vriendelijke beleefdheid in zijn' toon van spreken, toen hij +den ouden heer vroeg: "Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in +de gerechtszaal den naam "Weber;" heet gij Weber?"--"Jochem Hendrik +Weber," zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.--"Hebt +gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?"--"Adolf Diederik, +professor in Rostock?" antwoordde de oude heer, en verroerde geen +lid.--"Mijnheer de baljuw," zeide de Franschman, en hij strekte +zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen +morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, +dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een' naam gelezen die mij +diep in 't harte geschreven is. Zie eens, hier: "Renatus Von Toll," +"Nu, kent gij dien man?" vroeg de oude heer, en 't was alsof in zijn +gelaat een schoon morgenrood opdaagde. "Zou ik hem niet kennen!" riep +de overste uit;--"hij is mijn vader."--"Man!" zeide de oude heer: +"man!--wat zegt gij?" En hij schoof den overste een eind van zich af en +keek hem in de oogen; "zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?"--"Ja! en +hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van +de beide Weber's, van de beide lange Mekklenburgers."--"Kindlief," +riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, "van wien heb ik u +verteld?--het meeste verteld?--Niet waar? Van den braven Westphaler, +van Renatus?" Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in +de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed +komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, +en werden vrijmoediger, en 't was ons, alsof iemand van de naaste +familieleden t'huis gekomen was.--"Jongske, jongske!" riep de +baljuw, "'k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche +uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen," voegde hij +er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar +'t aangezicht vloog, "zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine +oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?--Een kostelijk mensch, +kindlief!" sprak hij tot mijne moeder, "een mensch, wien onze goede God +den naam man op 't voorhoofd geschreven heeft!"--De overste zeide nu, +dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine +haar al verbleekt was.--"Ja wel," sprak de baljuw, "dat moet wel zóó +wezen; Adolf Diederik's haar is ook al grijs.--Maar nu, manlief, ga +nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, +'t is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij +mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; +gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan +niet anders dan een braaf Duitscher zijn." Mijne moeder, die zag, +hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan +bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen +hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; +dat hij zwijgen zou.--Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg +haar: "Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?" Thans was de beurt +om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in +dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en +zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: "Mijnheer +de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een +half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, +ook niet bevallen kan,--dat wil ik toegeven,--ik wil haar toch niet +onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt, +dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen +moet,--gij hebt gelijk;--doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt +aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij +hiermede geen beroep op mijn geweten doen, maar op dat van mijn' +landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen +in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, +naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al +zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind +Duitschland anders dan het geweest is;--wat mij door 't hoofd en door +'t hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig +mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn' vader geschieden; +voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: +'t is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over +deze aangelegenheid gesproken heb." + +Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij +zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen +hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, +trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, +en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: "Dat is dan +eene andere zaak!" Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en +sprak: "Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll +heeft gelijk. 't Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!" Daarop nam +hij de hand van den overste en vroeg: "Mijn lieve jonge vriend, kunt +gij waarlijk hier niet blijven?" En toen de officier hem verzekerde, +dat dit onmogelijk was, riep hij mij. "Frits," zeide hij, "jongen, +je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw +van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier +een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! een +verblijdend voorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief," +zeide hij tot mijne moeder. + +Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook +niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, +zoo als 't hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, +om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens +te hoeden. + +Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich +voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er +voor, in orde, en het bataljon stond in 't gelid, en men kon zien, dat +het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis, +doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel +Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve +wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers, +bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde +haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de +kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl +hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde +zich aan, alsof die goede ziel in 't water wou springen, en zij haar +voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog +eens een "gauwdief" los, maar 't halve vuur was toch maar in hem, +en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar +werd, viel hem zijn eigen' huishouding in en hij riep mij. "Fritsje," +zeî hij, "loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een +suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de +vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen, +want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen +meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij 't vroeger al met mijn +vijfjarig bruintje gedaan hebben." + +Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het +suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, +met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met +zijn' wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den +rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele +nest uitgehaald. + +Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die +bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: "Hebt +gij het geld afgegeven?"--De oude molenaar wees naar de gerechtszaal +en zeide: "Dáár ligt het."--"Vader, wees dan maar getroost: onze +goede God zal u niet verlaten." + +Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr +gegaan; 't moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens +stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van +de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat +hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag. + +Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: "bon!" Hij werd een' +heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette +welgemoed zijn arm in de zijde. + +Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den +overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn +voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar +de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide +dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen +dook driemaal met eene nijging onder en zeide: "Ik bedank u wel, +overste Von Toll."--Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den +hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste +voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de +adjudant: "Marsch!" En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer +Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had +den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij +met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide: +"Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u."--Met +den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich +uit, schoot nog een paar "gauwdieven," luk of raak, in de lucht af; gaf +nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de +deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne +kleine kinderen klemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch +en in 't Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn +vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom +de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een +gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; +dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene +misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers +ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk, +dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan +aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want +de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd +dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.--Hij had de uniform +misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.--Mijn vader riep, +dat zulks niet waar was;--het was geen misbruik, zoo iemand zich +door eene onschuldige list roovers en schurken van 't lijf hield, +en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den +mantelzak van den Franschman te vinden. + +De adjudant zag mijn' vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij +hem gaarne zijn degen' wilde doen voelen, de overste trad nader met +een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de +hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die +zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: +"Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan ben +ik het, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: +indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het."--"Dat +kan geschieden!" sprak de overste kortaf. "Laat dien man los en +neemt dezen hier!"--"Kindlief," riep mijnheer de baljuw hem toe, +"wat doet gij?"--"Mijn plicht, mijnheer de baljuw," zeide de overste, +hem de hand gevende. "Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is +verstreken." Met die woorden ging hij het huis uit. + +De geheele zaak ging zoo schielijk in 't werk, dat de meesten volstrekt +niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog +maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader +een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus +te schreien en toen de kleine Droi's hunne tranen droogden, liepen de +mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen +hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. "Mijnheer de +baljuw," zeide mijn vader, "troost gij mijne arme vrouw! en, Frits," +riep hij mij toe, "haal jij mijn hoed eens."--Ik liep naar binnen om +zijn' hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mij op, +gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: "Zeg aan moeder, dat ik gauw +weêr hier kom." + +Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in +het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen +zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en +wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de +artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het +wegloopen van de boeren. + +"Goede God!" zeide mijn vader, "raadsheer Herse, wat beteekent dat +met u?" "Voor 't vaderland, burgemeester!" riep mijn oom Herse;--"ik +heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu +heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk +is 't wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme +boeren."--Zij deelden nu elkander in 't kort hun wedervaren mede, +en mijn oom Herse ging met zijn' driekanten hoed en zijn geborduurden +kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn +oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit +als zijn grootsten eeredag, en alsof hij 's nachts, na den regen, +nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de +Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en +christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen +toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger +op zijn' mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken +dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of +de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer +hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken; +maar de anderen zouden wel opgehangen worden. + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank + een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al + de molens in 't geheele land in brand wil steken, en waarom + de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert + gereed houdt. + + +Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen, +marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden +Brandenburgschen weg op,--straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog +niet;--en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg +leidde, en dien de Stavenhager burgers den "paardendood" of ook wel, +"halsbrekerseinde" noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht: +"halt!" want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche +kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken, +en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied, +die nu niet daar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij +zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar +zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners +uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche +paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen +gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een' drogen draad +aan het lijf hield. "Vader Voss," zegt de bakker Witt, "wat is dat +een regen!"--"Mooi weêr voor de late gerst;" zegt de oude Voss, +"als iemand ze al gezaaid heeft." "Ik kan mijn hemd wel uitwringen," +zegt de bakker.--"En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol," zegt +de molenaar.--"Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn' mantel +staan, om te schuilen," zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog +een beetje breeder, dan hij van nature was;--ik verheug mij maar, dat +deze tirannenknechten ook door en door nat worden."--Mijn vader ging +achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in +'t oog gekregen. + +Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden, +daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van +regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den +stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop Frits Sahlmann +heen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die 't nog niet wist, +de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd, +stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te +paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne +paarden niet voor goed zouden medenemen.--De oude inspektor Bräsig +was een zeer goed vriend van mijn' vader en toen Frits Sahlmann een +poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig +hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu +zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot +totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij +weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote +behendigheid achter een' wortel van een' ouden wilgeboom hangen en +struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht +bij mijn vader was, viel hij, alsof 't volstrekt niet anders wezen kon, +in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. "Let goed op +dat paard!" zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen +uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op. + +Was mijn vader te voren al half oplettend op den inspektor en den +jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude +Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die Frits +Sahlmann in de hand gaf; hij zag, hoe de jongen nu het paard begon te +leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat +hij eindelijk achter een' hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar +tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij +mijn' vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug +van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed +wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe. + +Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker +weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets +aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den +Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den +hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was +blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten +voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit +gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter +des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen +den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep +en teugel uit de hand, sprong op het paard en,--heb ik van mijn leven +zoo iets gezien!--holde den berg af. + +"Feu, Feu!" schreeuwden de Franschen; "knak! knak!" zeiden de hanen; +en "misgeschoten!" antwoordde het oude geweerslot, want het kruit +was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw. + +Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester +zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een +vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al: +"Leve onze burgem...," toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de +schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te +volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen +gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering +van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel +bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij +te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat +hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard +af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen +kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het +vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger +was, onder den ouden windmolen [6] naar welken de berg zijn naam heeft. + +Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. "Voor +den burgemeester is 't goed," sprak de oude Witt, en hij kamde zijne +natte haren met den koperen kam naar achteren; "dat hij op die manier +vrij is gekomen, maar voor ons is 't erg, want nu zijn wij, als de +bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog +wel vrij gekregen hebben."--"Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen," +zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe, +die zich ook onder den molen had geplaatst.--"Hm!" bracht oom Herse +daartegen in.--"Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij +recht t'huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken, +wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar +weet hij even zooveel van als.... als...."--"Als gij en ik, mijnheer +Herse," zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te +denken.--"Molenaar Voss," hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende; +"ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Wat gij +daarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude +baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en als +ik er mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen +hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal +ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?" "Meent gij den ouden Jahn van +de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?"--"Och, +loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den +zwager van Kolloff in Luwkow."--"Neen, die man is mij onbekend." "Nu, +luister dan. Deze Jahn gaat eens met een' student in Berlijn de straat +over en komt aan de Brandenburger poort,--want ze hebben in Berlijn +even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,--en hij +wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft, +die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat +hij daarbij wel denkt.--"Niets," antwoordt deze. Klets! krijgt hij een +draai om de ooren."--"Dat was brutaal," zegt de oude molenaar.--"Ja, +mijnheer Herse," zegt de bakker, "ik heb ook eene verduivelde losse +hand, maar...."--"Laat mij toch uitvertellen!" zegt mijn oom Herse; +"Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg +zeer verbaasd stond, "dit is een aandenken voor 't niets denken. Gij +hadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit +Parijs moeten terug gaan halen."--"Ja, maar...." zegt Witt.--"Maar, +dat is dan toch...." zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter +niet aan 't woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: "Nu +vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt +gij daarbij?"--"Mijnheer Herse," zegt Voss, terwijl hij opstaat en +een beetje op een' afstand blijft. "Mijnheer Herse, gij zult mij toch +niet zóó trakteeren?"--"Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij +daarbij denkt?"--"Wel," zegt de molenaar en kijkt den molen van boven +tot beneden aan;--"wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een +oude kavalje is, en dat er in 't voorjaar nieuwe wieken aan moeten, +en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier +beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel +zullen moeten verteren."--"En daarin hebt ge gelijk, oude!" zegt +de bakker.--"En daarin heeft hij ongelijk!" roept mijn oom Herse: +"als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen +moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden, +al de molens in 't heele land moeten in brand gestoken worden." Dit +zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen +rond.--"De hemel moge ons bewaren!" zegt de molenaar Voss, "wie zal +die schanddaad uitoefenen?" + +"Ik!" zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij +de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken +moesten, en fluisterde hun toe: "Wanneer de landstorm uitrukt, dan +steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal, +en 't beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat +jelui niet eens weet, wat een fanaal is."--"Mijnheer de raadsheer," +zegt Voss, "'t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal, +of eene andere aal is; maar, wie mijn' watermolen in brand steekt, +die zal er niet gemakkelijk afkomen."--"Windmolens, windmolens, +meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens +liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft +de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te +handelen, als ik?"--"Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij +niet gezegd," zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins +twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts +moest beteekenen.--"Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de +koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat +wil zoo'n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn +lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een' baktrog, ik +kneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indien ik geplaatst was, +waar ik t'huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en +'k sprak met dien man. "Majesteit," zou 'k zeggen, "gij zijt, geloof +ik, een beetje in verlegenheid."--"Hoe kan het anders, raadsheer," +zegt hij--"ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas."--"Is 't +anders niet?" zeg ik. "Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts +eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,--licentia poetica heet +dat in 't latijn, molenaar Voss,--en een regiment grenadiers van de +garde." "Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer," zegt de koning, +en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein +in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en +plaats mij aan 't hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein +op marcheer. "Zijt gij nu allen hier?" vraag ik aan de joden.--"Ja," +zeggen zij.--"Wilt gij nu vrijwillig," vraag ik hun, "de helft van +uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?"--"Dat +kunnen wij niet," zegt de een, "dan zijn we geruweneerd."--"Wilt gij, +of wilt gij niet?" vraag ik. "Geef acht!" kommandeer ik.--"Mijnheer +de raadsheer," zegt een ander, "neem een vierde part."--"Geen' +groschen minder dan de helft," zeg ik. "Maakt u gereed!"--"Wij +willen immers!" schreeuwden de joden.--"Mooi zoo!" zeg ik. "Gaat +dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne +Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld +voor de trappen van den troon neder."--Als zij allen boven geweest +zijn, ga ik ook naar boven. "Wel!" zeg ik, "Uwe Majesteit, hoe is +'t nu?"--"Opperbest, mijn lieve raadsheer!" zegt hij. "Als 't andere +ook maar zóó was!" "Dat zullen wij krijgen!" zeg ik. "Geef mij maar +een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie +en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen." "Die zult +gij hebben," zegt de koning.--"Kostelijk!" zeg ik, en 'k marcheer +met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge +dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en +prins Eckmühl overval ik; hij wordt vóór mij gebracht. "Richt eens +eene zeer hooge galg op!" zeg ik.--"Genade!" zegt hij.--"Niets komt +er in van genade!" zeg ik. "Dat is daarvoor, omdat jij hertog van +Mekklenburg hebt willen worden!"---"Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer +Herse," zegt Voss, "praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals +zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan +konden." "Dat zou verduiveld gek wezen!" hernam mijn oom Herse, +en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij +geen acht op hem sloegen, zeide hij: "gij zijt een oude bloodaard, +baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.--Alzoo: ik hang +hem op, en ruk links op, naar 't Hannoversche en val hem zelf, den +Korsikaan... nu! jelui weet het, wien 'k meen,... in den rug. Al het +andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.--Een +groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter +naar mij toe: "Wapenstilstand!"--"Daar kan niets van komen," zeg ik; +"voor de aardigheid zijn wij niet hier."--"Vrede!" laat hij mij +zeggen.--"Best!" zeg ik "Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas +en Lotharingen."--"Dat kan ik niet!" zegt hij, "mijn broeder moet +daarvan leven."--Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel +de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. "Dat mag de +drommel weten!" zegt hij; "daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen +raadsheer weder in mijne achterhoede!"--"'t Eerste regiment grenadiers, +velt 't geweer!" kommandeer ik, de batterij wordt genomen. "'t Tweede +regiment huzaren, voorwaarts!"--Hij waagt zich met zijn generalen staf +te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. "Hier is mijn +degen!" zegt hij. "Kostelijk!" zeg ik. "Ga gij nu maar meê. En gij, +kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan."--Nu +breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: "Uwe Majesteit van +Pruisen, hier is hij!"--"Mijnheer de raadsheer;" zegt de koning, +"verzoek een gunstbewijs voor u."--"Uwe Majesteit," zeg ik, "kinderen +heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein +pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor 't overige +wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug +te keeren."--"Zooals gij wilt," zegt de koning. "Maar onthoudt dit, +wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert +voor u gereed." Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar +Stavenhagen."--"Dat 's braaf van u!" zegt bakker Witt. "Maar, wat helpt +ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal 't achterstevoor +in de wereld gekomen; gij hebt hem niet; hij heeft u, en ons daarbij, +en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden, +dan zijn wij 't. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste +van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en +ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten +geschud wordt."--"Och, loop!" zeide oom Herse; "dat 's geen kunst, +zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;--neen, mijn raad is, +dat wij 't fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van +ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand +de beste uitzoeken." + +De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken; +hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de +landstraat heen. "Wat?" riep hij eindelijk uit, "dat is immers wel +haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fieken en Hendrik van +Jochem Voss daar komen aanrijden?" + +En... zoo was het. + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene + ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom + Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam. + + +De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren, +was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit! + +Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat +niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een' opgewekten +geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk +deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch +reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping +te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder +is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te +verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang +hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige +bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat +zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen +mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar +hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon, +dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen +vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamer inkwam, +was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel. + +De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op +de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd, +dacht hij er in 't geheel niet meer aan en riep herhaalde malen: +"Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?" De oude baljuw, die anders +niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel +in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden, +dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote +tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom, +waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: "Dit is toch eene +zeer zonderlinge zaak!"--Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw +van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne +moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: "Moeder, lieve moeder, +hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal +wezen!"--Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en, +was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed. + +Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige +redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een' treurende +het bewijs zijner beleefdheid wil geven;--maar 't is de moeilijkste +taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart, +dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij +gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend +is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware +taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene +troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier +het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte +den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in +haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor +troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had +één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw, +en hij was er heden niet karig mede. + +Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik +nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel +Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de +oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de +mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig +getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt +een grashalm al verfrischt door een dauwdrop. + +Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen +en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten +stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. "Kindlief," +zeide de oude heer, "dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en +zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier +hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? "Est solamen +miseris socios habuisse malorum." 'k Zal dat later wel eens voor u +vertalen.--Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen." + +Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid +lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik +ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op +andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar +geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich +niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was +het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht +en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den +regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en +groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar +zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: "Wel, hoe vindt gij 't, +Netje?"--Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van +den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,--maakte ook voor +haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden, +eenvoudigen tijd het gebruik. + +"Mijnheer de baljuw," zeide Fieken, "mijn vader en onze boeren hebben +altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig, +van in mijn leed eens bij u te komen."--"Wat hebt gij dan wel op uw +hart, mijn dochtertje!" vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne +hand op het hoofd leggende.--"Mijnheer, mijn vader is onschuldig," +ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de +oogen.--"Dat hij dat is, weet ik, mijn kind," zeide de oude heer en +knikte met het hoofd. "En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet +spoedig vrijkomt," sprak Fieken.--"Hm? Ja! Dat is te zeggen, 't zou +niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat +geweld voor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden +reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te +onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en +'t is nog erger, als de goede wil ontbreekt."--"Daarvoor ben ik niet +bang," viel Fieken hier schielijk op in; "vrijkomen moet hij, en dat +spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en +dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen."--"Lief +kind," hernam de oude heer en schudde het hoofd; "gij zijt jong, en +soldaten zijn ruwe gasten; 't zou geen troost voor uwen vader zijn, +zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt."--"Mijnheer! 'k wou +ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem +Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven, +zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan +kon ons niets kwaads overkomen."--"Een brief van vrijgeleide?" vroeg +de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. "Mijn lieve kind, +dat volk zal zich niet veel aan zoo'n brief van een Stemhager baljuw +storen. En toch, kindlief?" en hij wendde zich om, naar mijne moeder, +"als ik haar eens zoo'n brief meêgaf, aan den overste Von Toll; +wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten +zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.--En gij +zegt," zoo sprak hij weder tot Fieken, "dat uw neef Hendrik met u +wil gaan?"--"Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang."--"Roep hem +eens binnen!" + +Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de +schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, van +die soort, die men bij ons in den oogsttijd van 's morgens, klokke +zes, tot 's avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof 't +eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon," vroeg de oude heer, "wilt +gij met Fieken gaan?" "Ja, mijnheer." "En wilt gij haar beschermen, +en bij haar blijven?" "Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn +wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had, +dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast +gaan."--"Mijnheer de baljuw!" riep mijne moeder, "help hem bij zijn +voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het +noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond, +op de straat gerukt, en dan in dat weder!"--"'t Is waar, kindlief, +'t is waar! Ja, ik wil een' brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje, +de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.--Mijn +mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet, +dat hij die gebruikt. En, kindlief," zeide hij tot mijne moeder, +"wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is 't lastig, ze +te moeten missen."--"Frits," zei de vrouw van den baljuw tot mij, +"loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw +Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven." + +Nu ging men aan 't pakken; het was spoedig in orde, en toen alles +op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol +boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen; +de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven +had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: "Gij zijt dus de zoon van +Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?" "Ja, +mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook +wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben +daarom hier gekomen en 'k heb ook al met den molenaar gesproken en +naderhand ook met Fieken, en als 't naar mijn zin gaat, dan komt die +zaak in orde." "Mijn zoon," zeide de oude heer en gaf hem de hand en +drukte de zijne: "vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij; +maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den +molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt +wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!"--Dit zeggende, keerde +hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: "'t Is een +prachtig meisje, kindlief!"-- + +"Wat heeft de baljuw je gezegd?" vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare +zijde zat, en de wagen afreed. "Och, hij zeî maar zoo wat," sprak +Hendrik. "Maar, je zult koû vatten!" voegde hij er bij en wikkelde +haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af. + +Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden +hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen +medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die +jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de +klei had gewerkt. "De burgemeester heeft de plaat gepoetst!" riep +hij langs de straat. "De burgemeester is op den bruine van den +ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een' wenk gegeven, en, +roef! was hij weg."--"Jongen, wat praat je?" zeide de vrouw van den +schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.--"Ja, +buurvrouw," zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam; +"de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een +aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en +leg hem dat tusschen de schouders, op het plekje, waar de Fransoos +hem met zijn' geweerkolf gekitteld heeft." + +Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: "de +burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!" en +de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een +gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij +er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche +Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. "Mevrouw +Reuter!" riep hij. "Schrik niet!--Mijnheer de baljuw! 't Is wat +goeds!--'t Is wat goeds, mevrouw Weber!--Mamsel Westphalen, hoe is +'t mogelijk!--Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!"--Och, +goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan +handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne +betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde +hem uit alle macht: "Luth," riep hij, "man, bedenk u toch! Wij zijn +hier niet gestemd voor grappen."--De vrouw van den baljuw ging vol +bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat +stijf en strak en zeide: "Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is +een hansworst!"--"Mijnheer de baljuw," riep Luth en liet zich schudden, +"geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien, +en heeft het mij gezegd." + +"Frits Sahlmann? Mijn Frits Sahlmann?" vroeg de oude heer, den +politiedienaar loslatende.--"Mijnheer de baljuw," zeide mamsel +Westphalen heel bedaard: "zooals de een heet, ziet de ander er +uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als +zijn neus en de maan." "Waar is de jongen?" vroeg de baljuw.--"Hij +staat hier buiten, op de gang," antwoordde Luth. + +Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten: +"Frits! Frits Sahlmann, kom hier eens binnen!"--Frits Sahlmann +kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om +zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een' onweêrsbui, +omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de +andere hield hem terug, en 't scheen wel, alsof de ééne links, en de +andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den +goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening +gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk +zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus +dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in 't oog +vallen moest.--"Frits Sahlmann," vroeg de oude heer, "wat is dat +alles?"--Frits Sahlmann, die in 't geheel genomen, met eene soort +van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn +onderdeel. "O, 't is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje +droge klei."--"De hemel beware ons!" riep de vrouw van den baljuw, +"wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?"--"Daar +moeten Fiek en Carolien, ieder met een' stompen bezem over heen," +zeide mamsel Westphalen heel bedaard.--"Jongen," sprak de baljuw; +"zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester +gevlucht of niet?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zeide Frits en keek +weder op, "hij is hun ontsnapt!"--"Leugens!" riep mamsel Westphalen +er tegen in. "Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid +komen?"--"Vertel het, Frits!" zeide de oude man, en Frits vertelt. + +'t Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten +en dat hij daardoor ook die verloren ziet gaan, die hem met recht +toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de +geschiedenis gekomen was, vertelde hij 't zoo omstandig; hij beschreef +zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om +zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet +met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester +Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag: +"Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?" Baas Tröpner, +gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als +een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een +beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen: +"Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles +heb aangezien." Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan, +liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg, +en besloot zijne vertelling met deze woorden: "En aldus sprong de +burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om de +ekklipage rond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter +den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de +handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van +den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd +maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon."--"En de +Franschen?" vroeg de oude heer.--"O, mijnheer de baljuw, die waren +half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal +af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid +op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den +schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen +de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden, +doordien wij den berg afliepen." "Kindlief," riep de oude baljuw, "die +kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel, +flink als een geweerslot, kindlief!"--Maar zij, voor wie deze woorden +bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en +schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den +arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene +duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat +mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen; +zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte. + +Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en +leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart +dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het +beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren, +heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag +van vrees. De doorgestane angst om mijn' vader en de vrees voor zijne +toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en +de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt +er in 't geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan? + +'t Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven, +een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;--ik +weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine +klok aan, en luisterde naar den slinger,--een korten tijd! Ik zag +op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel; +mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook; +zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij 't laatste ruischen +der engelenvleugels, zeide zij: "Frits, mijn jongen, ga naar het +slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren +geven."--"En ik, mijnheer de baljuw," sprak Luth, "wil naar Gulzow +gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester +niet misloopen."--De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar +mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: "Gij, en hier, +uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken." + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarom de overste zich bij Fieken's woorden moest afwenden, en + waarom Fieken zich bij Hendrik's woorden afwenden moest. Waarom + de raadsheer op de kleine menschen schold, en de molenaar + wenschte, dat hij een kraai was. + + +Zoodra Fieken met Hendrik bij den molenberg kwam, vlogen hare oogen +naar alle zijden rond, en het duurde ook niet lang, of zij had haren +vader en zijn gezelschap herkend, zooals zij daar onder den molen +zaten.--"Daar is mijn vader," zeide zij tot Hendrik. "Wel," zeide +Hendrik, "dan willen we hier rechts van den hollen weg, naar den +geploegden akker, den kant naar den molen inslaan. 't Zal wel slecht +gaan; maar door den hollen weg is niet door te komen, en ge kunt dan +toch ook met uw' vader spreken."--"Halt," riep Fieken, "niet rechts, +naar den molen toe; neen, links, van den molen af; ik wil niet met +hem spreken.--Goede hemel, nu heeft hij ons al gezien en hij wenkt +ons."--"Fieken," zeide Hendrik, toen hij volgens hare aanwijzing reed, +"wat beteekent dit? Waarom zoekt gij uwen vader te ontwijken?" "Omdat +ik niets voor hem doen kan, eer ik den brief bezorgd heb. Wie weet, +hoe de Franschen 't zouden opnemen, als ik met hem sprak? Daar kon +beweging en twist uit ontstaan; en als wij op die manier voor den +overste gebracht werden, zou hij ons juist niet vriendelijk aanzien. En +dan, waartoe zal ik mijn' ouden vader met uitzichten vleien, die nog +onzeker zijn? Voor 't oogenblik is het hem genoeg te weten, dat wij +dicht bij hem zijn." + +Middelerwijl waren nu ook de kanonnen uit den hollen weg opgetild en +uitgegraven, en de stoet zette zich weder in beweging. De gevangenen +werden langs de ééne zijde van den hollen weg gekommandeerd en Hendrik +reed aan den anderen kant, zoo schielijk hij door het bouwland van +den ouden Nahmaker kon voortkomen. Fieken keek naar den overste +uit. "Wanneer ik hem maar zie, zal ik hem wel herkennen," zeî ze tot +Hendrik. "Hij heeft een goed gezicht, al zag het er ook streng uit, +toen hij den burgemeester liet wegbrengen."--Zoo kwamen zij voorbij +de kanonnen en langs menigen troep Franschen, die in den diepen +weg zachtjes voortsukkelden. Eindelijk, dicht bij de kroeg "In de +bromvlieg," zagen zij den overste, terwijl hij met eenigen zijner +officieren stapvoets voortreed.--"Hendrik," zeide Fieken, "draaf hier +zoo hard ge kunt en houd op de hoogte stil; dan wil ik er afklimmen." + +Dit geschiedde. Toen de overste nader kwam, stond Fieken op het +voetpad in den weg, zij ging hem een paar schreden te gemoet, reikte +hem den brief toe en zeide: "Mijnheer, ik heb een brief voor u."--De +overste hield stil, nam den brief, zag Fieken een weinig verwonderd +aan en vroeg: "Van wien, mijn kind?"--"Van onzen baljuw, mijnheer +Weber."--De overste brak den brief open en las; zijn aangezicht begon +er deelnemend uit te zien, en toen hij ten einde toe gelezen had, +schudde hij zacht met het hoofd. Fieken had hem met den grootsten +angst aangezien; zij las het antwoord op den brief in de trekken van +den overste, en toen hij zoo droevig het hoofd schudde, liepen haar +de tranen uit de oogen. "Mijnheer, 't is mijn oude vader, en ik ben +zijn eenig kind!" riep zij uit. + +Zij had alles in de wereld kunnen zeggen, de schoonste aanspraak en de +krachtigste bijbelspreuk,--niets zou zulk een indruk op dien sterken +man gemaakt hebben, als deze weinige woorden, in de platduitsche +spraak.--Hij had ook een' ouden vader en was diens eenig kind; +zijn vader zat op een aanzienlijk kasteel in het Westphaalsche land, +maar in eenzaamheid, ontevreden met zijn volk en zijn vaderland; de +tijdsomstandigheden hadden vele steenen tusschen hem en den eenigen +zoon opgestapeld, totdat het een breede muur was geworden, over +welken zij zich slechts moeielijk konden doen verstaan. Misverstand +en oneenigheid waren daaruit ontsproten, en waar die zijn, daar doet +zich ook, in stille uren, het geweten gelden. Hoe vaak had zijn hart +tot hem gesproken: "'t Is uw oude vader, en gij zijt zijn eenig +kind!" Blijdschap en lijden, kanongebulder en veldslag hadden die +stem wel van tijd tot tijd doen zwijgen; maar altijd kwam de gewonde +plek van zijn hart weder te voorschijn, gelijk een bloedige plek op +den vloer. Voor de eerste maal hoorde hij dit woord uitspreken van +vreemde lippen, voor de eerste maal in de spraak zijner kindsheid; +'t was hem, alsof er geen verwijt meer in dat woord lag, zóó zacht +werd het uitgesproken, 't klonk hem zacht in de ooren, als een woord +van vergeving, en toen hij het arme kind voor zich zag staan, met +haar angstig, bekommerd gelaat, toen werd het hem te benauwd; hij +moest zich afwenden, en het duurde eenigen tijd, eer hij weder met +haar spreken kon. Eindelijk had hij zich hersteld en zeide tot haar, +met al de hartelijkheid, die uit zulk een oogenblik geboren wordt: +"Mijn lief kind, vrij laten kan ik uw vader nu niet; maar dat zal wel +komen; gij, en uwe liefde voor uwen vader, zult niet te vergeefs bij +mij aangeklopt hebben, gij zult in zijne nabijheid blijven, en hij +zal op uwen wagen met u rijden.--En als wij in Brandenburg komen, +meld u dan bij mij aan." Hij gaf daarop de noodige bevelen en reed +met zijne officieren verder. + +Hendrik kwam nu met zijn wagen naderbij, sprong er af en vroeg: +"Fieken, hoe is 't?--Maar, wat vraag ik nog lang? Je ziet er immers +uit, alsof het hart je op de tong ligt; niet waar, hij heeft je +vader vrij gegeven?" En hij sloeg zijn arm om haar heen; "kom Fieken, +klim op den wagen: daar komt weêr zoo'n hoop volk, we willen op zij +gaan." "Die doen ons niets," sprak Fieken, en zij klom hooger naar den +slootrand op en zag den weg langs. "Vrijgelaten heeft hij hem niet; +maar hij heeft het mij beloofd. Ik mag bij hem blijven, en zij mogen +met mij rijden, en, Hendrik, nu zoudt gij wel naar huis kunnen gaan +en op den molen acht geven en moeder bijstaan." + +Hendrik bond den teugel om een' wilgeboom vast en bukte, gespte aan +het tuig en streek toen zijn paard met de hand langs den gladden, +natten rug. "Ge hebt gelijk, Hendrik," zeide Fieken, "ge zijt +bezorgd, om paard en wagen te verlaten, maar dat kan immers de oude +inspektor Bräsig uit Bramborg meê terug nemen, die doet ons gaarne +dezen dienst."--"Fieken," hernam Hendrik, "aan 't voertuig heb ik +niet gedacht; ik dacht aan jou en aan 't geen de oude baljuw tot +mij gezegd heeft."--"Wat was dat?" vroeg zij.--"Als ik er niet voor +zorgde, dat je geen haar werd gekrenkt, mocht ik hem niet meer onder +de oogen komen. En, Fieken, ik heb hem beloofd, je ten allen tijde +bij te staan, en toen ik hem dat beloofde,"--en nu ging hij naar haar +toe, nam hare hand en zag haar zoo recht eerlijk in de oogen,--toen +waren er nog twee bij tegenwoordig, die dat meê aangehoord hebben, +en daar wist niemand wat van, dan ik alleen; dat was de goede God, +Fieken, en mijn eigen hart."--Fieken werd zoo rood als eene roos, +en toen hij zijn arm om haar heensloeg, wond zij zich los en riep: +"Daarover hier verder niets, Hendrik! Van daag niet, Hendrik! Heer +in den hemel! Daar komt mijn goede vader aan!" En dit zeggende, +ging zij van hem weg, haren vader te gemoet, en Hendrik stond stil +gelijk een boom in den wintertijd, als de groene bladeren afgevallen +zijn en de vogels niet meer van liefde en vroolijkheid in de takken +zingen. Doch toen zij zich omkeerde, en weder tot hem terugkwam, +zeggende: "Hendrik! Hendrik!" en de tranen uit hare oogen stroomden, en +zij daarna weder schielijk naar haren vader toeging,--toen schoot blad +op blad uit dien stillen boom, en liederen van lust en liefde klonken +in zijne takken, en de lente ontlook in hem, de eenige lente, die door +'t gansche leven, in zomerhitte, in herfststormen, en in winterkoude +moet voortduren, als het de rechte lente en het rechte leven is. + +"Fieken!" riep de oude molenaar Voss, "waar komt gij vandaan?" En +toen Fieken hem om den hals viel, en hem met tranen in de oogen, +de omstandigheden had medegedeeld, knorde de oude man en zeide, dat +Hendrik alleen had kunnen komen; en dat dit aangelegenheden waren, +waar vrouwen zich niet mede inlaten moeten. De raadsheer Herse +verklaarde echter, dat de molenaar van zulke zaken volstrekt geen +verstand had, en Fieken's inval met den wagen was zoo mooi, dat hij +zelf het niet beter had kunnen bedenken; want, wat zijne postpapieren +laarzen betrof, die waren door den schoenmaker Bank, opzettelijk voor +de raadsvergaderingen vervaardigd, en niet, om in dit jaargetijde, +vier mijlen op den Mekklenburgschen landweg meê te loopen. En de +bakker Witt, van de mand met metworst en boterbroodjes hoorende, +klopte zich op de maag en zeide, dat Fieken zijn beste peetekindje +was, en al behoorde hij ook tot dezulken, die hun voederkist altijd +bij zich hebben, zoo veranderden de omstandigheden de zaak, en bij +zulk weder moest zelfs de beste bakkersoven van tijd tot tijd nog +wat opgestookt worden. + +De Fransche sergeant had nu aan de mannen van de wacht het bevel +van den overste medegedeeld, en het gezelschap klom op den wagen, +en maakte het zich zoo gemakkelijk en warm als eenigszins kon. Mijn +oom Herse eigende zich de kleedingstukken toe, die voor mijn vader +bestemd waren, daar hij er als collega de naaste toe was, en hij +schold op de kleine, magere menschen in 't algemeen, en op mijn' +vader in 't bijzonder. Van de lengte, zeî hij, wilde hij niet +spreken, want die kon niemand zich zelven geven of ontnemen; maar, +voor de behoorlijke breedte kon ieder verstandig mensch met den tijd +zorgen. "Kijk eens hier, baas Witt, dit moet een jas voor een volwassen +en doorvoed mensch verbeelden!" Dit zeggende, hield hij mijns vaders +jasje tot spektakel omhoog. "Mijnheer Herse," zeide de bakker; "steek +van voren uwe beide armen in de mouwen, zoodat het ruggestuk van den +burgemeester op uw borststuk komt te zitten, hier is nog eene jas, +die hang ik u van achteren om, zoo maken wij uit twee kleine ééne +groote; een mensch moet zich weten te helpen."--Nu, dit gebeurde, en +mijn oom Herse zag er uit als eene mooie vette oester, die al eenigen +tijd op reis geweest is: achter en vóór had hij eene stevige schulp, +maar op zijde gaapte hij van tijd tot tijd uit elkander. Bakker Witt +had een zijden wintermantel van zijne overledene vrouw gevonden, en +hij had dien om, met de konijnevellen naar buiten; want, zeide hij, +'t was in zulk slecht weêr jammer van de zijden stof; maar de vellen +konden er wel tegen, want zooveel hij wist, liepen de konijnen ook +met de haren naar buiten rond. + +Met deze twee ging het inpakken, over het geheel, tamelijk vlug, doch +met den molenaar kwam het zeer in de war, want, toen hij hoorde, dat de +mantel met de zeven kragen, die voor hem bestemd was, van rechtswege +den baljuw toebehoorde, werd hij eerst door het verschuldigde respekt +overvallen en maakte de eene buiging na de andere alsof de oude heer +voor hem stond en hem 't eerst de deur wilde doen ingaan; en daarna +kwam de aandoenlijkheid, omdat de baljuw aan hem gedacht had, en hij +zeide, dat hij dit niet waardig was; en toen Fieken hem de eene mouw +had aangetrokken, begon hij het bezwaar te maken, dat de menschen +hem voor een voornaam man zouden houden.--"En, vader," zoo sprak hij +tot Witt, "als ik nu begin te praten, en als dan de ezelsooren uit de +zeven kragen komen uitkijken, wat dan?"--"Ja, oude," zegt de bakker, +"daarin hebt ge gelijk; uit een varkensoor kan men nooit van zijn leven +een zijden geldbeurs maken; maar je kunt immers den mond houden, of +praat anders hoogduitsch; dat kunt ge toch." "Ik kan 't wel, maar 't is +er ook naar," zegt de molenaar en hij gaat op den voorsten zak zitten. + +Zij zaten nu allen, slechts Hendrik niet. "Hendrik," zeide de molenaar, +"hoe is 't? Je zult toch wel op je eigen wagen komen zitten. Fieken, +schuif wat op, en maak plaats voor je neef."--Maar Hendrik liet dat +niet toe, hij sloeg Fieken de paardedeken om de voeten en zeide, +dat hij zou loopen. Hij liep dus en terwijl hij nu zoo liep, en hier +over een' sloot sprong, en dan weêr terug, altijd vóórop, dat hij +Fieken in de oogen kon kijken, zeide de molenaar Voss: "Mijnheer +Herse, dat is mijn neef, de zoon van Jochem Voss; is 't niet een +flinke kerel?"--En de raadsheer Herse antwoordde: "Dat is hij, +vriend Voss; een knappe kerel is hij."--En de bakker Witt zeide: +"Hij is een stevige kerel."--Fieken zeide niets; maar zij dacht: +"Hij is een goede kerel en een trouwe kerel." En zij zou mogelijk +nog meer van hem gedacht hebben, maar Hendrik stond op eens bij haar +en zag haar zoo vriendelijk aan en vroeg, of zij 't ook koud had; +toen was het met het denken gedaan, en zij gaf hem de hand, zeggende: +"Neen! voel maar, ik ben heel warm." + +Bakker Witt tastte nu in de mand met worst en broodjes en gaf ieder +zijn deel, en toen de raadsheer de broodjes zeer roemde, zeide de oude +bakker bij zich zelven: "Kijk zoo'n rakker; anders koopt hij bij Guhl; +maar als men niets beters heeft, dan is een uil ook een vogel."--De +raadsheer Herse buigt zich naar den bakker toe en fluistert hem half +overluid in: "Baas Witt, daar vóór ons ligt de kroeg "In de bromvlieg," +en als de dienaars van den korsikaanschen tiran nog een zweem van +menschelijk gevoel in zich hebben, dan zullen zij er niets tegen +inbrengen, zoo wij ons daar, door den ouden Haker bij onze broodjes +een borrel laten geven."--Hij had onder 't spreken echter geen acht +geslagen op zijn brood en had het met de worst een beetje over den +rand van den wagen heen gehouden. Op eens voelt hij, dat hem daar iets +tusschen zijne vingers grabbelt, en toen hij omzag, bespeurde hij, dat +een der korsikaansche wachters juist in zijne worst en zijn brood boet, +en toen hij nu met harde woorden tegen zulk openlijk maraudeeren wilde +uitvaren, reikte een andere sakkermentsche kerel van achteren over den +wagen en trok de geheele mand naar zich toe.--"Heere, bewaar ons!" riep +mijn oom Herse uit; "zóó slecht heb ik mij de toestanden van ons +vaderland toch niet voorgesteld!"--"Entfaamte gauwdieven!"--bulderde +de oude Witt weder los, en de molenaar, die reed, had in den warmen +mantel van den baljuw, zijn' toestand zoo geheel en al vergeten, dat +hij de zweep al oplichtte, om er de Franschen een meê toe te dienen, +toen Fieken zijn arm tegenhield: "Om Gods wil, vader," zeide zij; +"wat doet gij?"--"Hm!--Ja!"--zeide de molenaar, en bedacht zich; +"Fieken, je hebt al weêr gelijk." En zich tot de Franschen keerende, +zeide hij: "Neemt mij niet kwalijk, ik deed dat zoo maar!" + +Nu, die namen 't blijkbaar ook niet kwalijk en aten recht vergenoegd +van de worst en de broodjes, zoodat den raadsheer van kwaadheid en +afgunst de gal in de ledige maag kwam, en hun allen hun treurige +toestand weder duidelijk werd, dien zij bij het gemakkelijk en warm +zitten in den wagen, voor een poos hadden vergeten. Zij reden dus +in den donkeren avond op Brandenburg aan, en waar eerst de broodmand +gestaan had, in het achterdeel van den wagen, waren nu de bezwaren en +zorgen en de treurigheid ingekomen, en die fluisterden hun allerlei +angstwekkende verhalen in de ooren, en toen er een zwerm kraaien +over hen heenvloog, zeide mijn oom Herse: "Ja, wat weet jelui van +nood? jelui kunt lachen!" En de bakker zeî: "Dat volkje betaalt huur, +noch belasting!" En de oude molenaar zuchtte en zeî: "'k Woû, dat ik +een kraai was!" + +Maar in twee harten vond de zorg geene plaats; daar had de liefde +haren intrek genomen, met haren ganschen hofstoet van geheime wenschen, +en van hoop en vertrouwen; en die geheime wenschen liepen als flinke +bruidsjuffers door 't gansche huis en al zijn' kamers, ruimden op, +wat in den weg stond, en wischten het stof van de tafel en van de +banken af, en maakten de vensterruiten schoon, zoodat men ver uitzien +kon in 't schoonste landschap; en zij dekten de tafel in de helder +verlichte zaal en spreidden het bed in de stille kamer en hingen +frissche kransen van loof en bloemen over deuren en vensters en om de +lijsten van de keurigste schilderijen. En de hoop stak hare duizend +lichten aan en ging toen, heimelijk, stil in een' hoek zitten, alsof +zij 't volstrekt niet geweest was; alsof hare zuster het gedaan had, +de werkelijkheid;--en het vertrouwen stond aan de deur en liet niemand +binnen, die geen bruiloftskleed aanhad, en zeide tot de zorg, toen die +naar Fieken vroeg: "Ga uwen weg; de oude molenaar danst nog op onze +bruiloft." En ze zeide tot het bezwaar, toen dat naar Hendrik vroeg: +"Ga uwen weg; 't is alles in orde." + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarom ik Frederik van den molenaar en geene prinses door + het Gulzowsche bosch zend; waarom Frederik tot den schout + Besserdich "schoonvader" zegt; waarom hij den hond uit den + oven lokt en waarom de politiedienaar Luth om zijn' eigen + burgemeester lacht. + + +Indien eene der jonge dames, die dit boek lezen, zich wellicht ergert, +omdat dit hoofdstuk met een' molenaarsknecht begint en niet met eene +prinses, zoo gelieve zij te bedenken, dat er in 't geheel geene +prinsessen voorhanden konden zijn, zoo er geen molenaarsknechts +waren, en dat op sommige plaatsen een molenaarsknecht meer waard is +dan eene prinses, bij voorbeeld op dit oogenblik voor mij. Want, als +ik den Franschen "chasseur" weêr wil vangen, kan ik hem toch geene +prinses met eene crinoline en satijnen schoentjes bij dezen weg en +door dit weder door het Gulzowsche bosch nazenden;--daartoe is een +molenaarsknecht beter geschikt, en bovenal Frederik van den ouden Voss. + +"Dumouriez!" zeide Frederik, terwijl hij het voetspoor van den +Franschman volgde; "als de Fransoos tusschen hier en Greifswald zich +ophoudt, voor den dag komen zal hij!" + +Frederik gaat dus den Franschen jager door het Stavenhager bosch +en door het Gulzowsche bosch na en komt zóó op den Gulzowschen weg; +maar daar was 't uit; 't was misgeschoten: er was daar geen spoor meer +te vinden. Was de kerel links of rechts gegaan? Een tijd lang stond +hij daar, alsof hij zijn zondagsoortje versnoept had, doch weldra +werden zijne denkbeelden weder helder, en hij zeide bij zichzelven: +"Zoo die kerel naar Stemhagen gegaan was, moest ik hem dat toch voor +puur onverstand toerekenen. Neen, de rakker is naar Gulzow gegaan." En +hij ging hem na. + +In Gulzow stond de boer Freier bij zijne heg en wierp steenen, zoo +groot als de bol van een hoed, in een gat op den weg,--iets, wat ze op +enkele plaatsen in Mekklenburg noemen: den weg verbeteren. "Goeden +morgen, Freier! Hebt ge hier van morgen ook een Fransoos zien +loopen?" vraagt Frederik.--"Een Fransoos?" vraagt Freier.--"Ja," +zegt Frederik, "een Fransche chasseur."--"Een chasseur?" vraagt +Freier.--"Ja, in eene groene monteering," zegt Frederik.--"Te +paard?" vraagt Freier.--"Neen, te voet," zegt Frederik.--"Wat moet +die?" vraagt Freier. "Wat hij moet?" vraagt Frederik. "Niks moet hij; +ik wil maar eens met hem praten."--"Wat heb jij met een Fransoos te +praten?"--"Dumouriez!" zegt Frederik. "Wat heb jij, domkop, daarnaar te +vragen? Ik vraag immers maar of je den kerel gezien hebt?"--"In eene +groene monteering?" vraagt Freier.--"Ja," zegt Frederik.--"Met eene +schako?" vraagt Freier.--"Neen, blootshoofds."--"Blootshoofds? En dan +van morgen in zoo'n regen?"--"Ja, dat hoor je immers!" roept Frederik +knorrig uit. "Antwoord dan toch, of je dien kerel gezien hebt?"--"Wacht +eens! Hebben we van daag geen donderdag?"--"Ja," zegt Frederik.--"Neen, +van daag niet, maar Maandag," zegt Freier, "toen zijn er hier een +stuk of wat geweest, maar met blauwe monteering, en dan te paard; +en van daag is mijn Samuel met voorspan naar Stemhagen." "Freier," +zegt Frederik, "dat voorspan had je niet naar Stemhagen moeten +sturen, dat kan je zelf beter gebruiken, vooral als je de menschen +antwoord moet geven."--"Hoe zóó?" vraagt Freier.--"En dan, Freier," +zegt Frederik, "dan weet ik nog een mooi baantje voor je; je zoudt +kreeften naar Berlijn kunnen drijven; zoo'n kerel als jij, die komt +daarmeê vooruit." "Hoe meen je dat?" vraagt Freier verwonderd.--"Och, +dat zeg ik zóó maar," zegt Frederik.--"Nu, goeden morgen, Freier.--En +als de Fransoos komt, dien ik zoek, zeg hem dan dat ik gezegd heb, +dat jij gezegd hebt, dat jou grootmoeder je verteld had: als hij zei, +wat hij zei, moest gij hem zeggen, had ik gezegd, dat hij tegen jou +niet moest zeggen schaapskop.--En nu adjuus, Freier."--"Wat?" zegt +Freier en kijkt hem na, terwijl hij het dorp doorgaat, en hij draait +een steen van een pond of dertig in zijn' handen rond: "Wat? hij +had gezegd, ik had gezegd?--Wat?--jij hadt gezegd, moest ik zeggen, +hij moest tegen mij geen schaapskop zeggen? Wat?" En hij neemt den +steen en gooit hem met alle geweld tusschen de anderen. "Entfaamte +pruisische gauwdief! Zoo doet hij altijd." + +Frederik gaat verder. De oude schout Besserdich kijkt over de +onderdeur. "Schout, hebt gij hier van morgen geen Fransoos zien +loopen?--"Een Fransoos?" vraagt de schout. "Wel, dat volk is hier +tegenwoordig juist zoo vreemd niet; maar, van morgen, zeg je?"--Nu, +begint gij nu ook al te vragen?" zegt Frederik. "'k Wil u liever de +historie vertellen, dat zal beter wezen."--Hij vertelde nu zóó--en +zóó. "En,"--zoo besloot hij zijn verhaal, "voor den dag komen moet +hij!"--"Dat moet hij, Frederik," zegt de schout. "En ik wil met je +gaan, want ik ben er toch immers eenmaal voor aangesteld, en onze +baljuw zeî laatst nog tegen mij: "Schout," zei hij, "op u rust +het alles in Gulzow;" en toen gaf hij me een vel pampier en zeî: +"deze zaak is pressant." Nu, ik liet mij dat door den veldwachter +voorlezen, en toen hij dat klaar gekregen had, zei hij: "Schout, bij +die zaak is haast."--"Neen, zeg ik, dat weet ik beter, mijnheer de +baljuw heeft mij gezegd, die zaak is pressant, en als hij dat te voren +gezegd heeft, dan heb ik nog altijd goed vier weken gedacht en 'k ben +altijd nog bij tijds gekomen." En zoo kwam 't ook ditmaal uit. Maar, +Frederik! jou zaak is niet pressant, maar die heeft haast; 'k zal +nog maar eventjes mijn hoed halen, en dan kunnen we er op losgaan." + +Dit gebeurde, en zij gingen. Toen zij het dorp uitkwamen, sprak de +schout: "Frederik, mijn Hannes,--je kent dien jongen toch wel; hij +is nu in zijn zestiende, en ik dacht zoo, dat ik hem nog zoo'n jaar +zonder vast werk woû laten rondloopen; hij hoedt hier de schapen op +'t roggeveld; want, zie je! ik dacht ook zóó, 't voêr is toch krap, +en in dit jaargetij vertrappen ze wel een' maaltijd op 't veld en +dus joeg ik ze er uit,--zie je? die jongen kan mogelijk den kerel +wel gezien hebben." Zij vragen 't nu aan Hannes, en de jongen heeft +den kerel werkelijk gezien; hij is den weg naar Pinnow opgegaan. In +Pinnow gaan zij bij den schoolmeester aan en vragen hem of hij geen +Franschman gezien heeft. + +De schoolmeester heet Mosch, maar ze noemen hem altijd Vink; sommigen +zeiden, omdat hij zoo mooi kon zingen, anderen, omdat hij zoo vlug en +wakker was en met iedereen allerlei grappen maakte. De oude schout +liet zich ook nu inderdaad door den vink bij den neus nemen; maar +Frederik zag spoedig, hoe de vork in den steel zat; en, toen hij +bemerkte, dat de vink zijne vrouw een knipoogje gaf, dat zij met hem +uit één vaatje tappen zou, dacht hij: "Wacht, nu zal ik je wel beet +hebben!"--Hij stond op en zeide, dat hij in de keuken een kooltje +voor zijn pijp wou gaan halen. + +De vink praatte nu den ouden schout allerlei dwaze verhalen voor +en toen de schout aan 't woord kwam en vroeg of hij den Franschman +niet gezien had, zeide de vink: "Neen," en zijne vrouw zeide ook +"neen!"--Terwijl zij nu den ouden schout zoo fopten, kwam Frederik +weêr binnen en sprak: "Juffrouw! er is in uw' keuken zeker wat +voorgevallen, want de ééne lat met worsten ligt op den grond."--De +schoolmeestersvrouw loopt nu de kamer uit en komt met de lat weêr +binnen, uitroepende: "Zie zóó! Dat hebben we daarvan; die vervloekte +kerel heeft ons een worst gestolen."--"Wat voor een kerel?" vraagt +Frederik.--"De Fransoos, daar jelui naar gevraagd hebt."--"Zoo! dus +hij is toch hier geweest," zegt Frederik. "Wel zeker is hij dat! En +Mosch heeft hem nog een borrel en een boterham gegeven, en heeft hem +den weg gewezen naar Demzin." "Nu, adjuus dan!" zegt Frederik. "Kom +schout! Verder willen we immers niks weten." + +"Schout," zegt Frederik, toen zij een eind weegs van Pinnow en van +den vink af zijn; "gij zijt toch een soort van een gerechtspersoon +en moet het weten; welke straf staat eigenlijk op 't stelen van +eene worst?"--"Wel, Frederik," zegt de schout, "met worst ben ik in +dat opzicht niet bekend; wat er op eene zijde spek staat, dat weet +ik wel; want toen de oude manke schoenmaker er mij laatst een uit +het rookhok had gehaald, liet de baljuw hem veertien dagen zitten, +en dan kreeg hij er nog een stuk of twaalf op zijn baaitje."--"Dan +zou 't juist niet zoo gevaarlijk wezen," zegt Frederik, "want als +ik het daar naar bereken, hoeveel er op eene worst komt, dan is +'t weêrgaasch weinig."--"Hoe zoo?"--"Wel, schout, zeg eens, als gij +zeven varkens slacht, hoeveel zijden spek krijgt ge dan?"--"Veertien," +zegt de schout.--"Dat's niet waar," zegt Frederik. "Gij krijgt er +maar dertien; ééne komt in de worst."--"Daar heb je gelijk aan!" zegt +de schout.--"En hoeveel worsten maakt uwe vrouw dan wel van zeven +varkens? Toch zeker wel een stuk of dertig; dus komen er dertig +worsten op ééne zijde spek, en op ééne worst zou dus, als men 't mooi +uitrekent, op zijn hoogst een halve dag en een halve slag komen, en +dat estemeer ik voor een rechtvaardig en genadig recht;--nu kunt gij +mij hier dadelijk op heeterdaad den halven slag in mijn nek geven, +en den halven dag wil ik toekomenden zondagmiddag, in uw huis achter +de kachel komen zitten,--want, kijk eens hier! Ik heb de worst van den +vink weggenomen."--"Wat! Plaagt jou de duivel?" vraagt de schout.--"Die +niet, maar de honger," zegt Frederik; en hij haalt de worst uit zijn' +zak en snijdt er een stuk af. "Hier, schout! Die worst is goed, die +kan men zonder brood eten."--"Neen," zegt de schout, "met gestolen +goed wil ik niets te doen hebben."--"Hoe zoo, gestolen?" vraagt +Frederik. "Dit is eene fourageering, zooals wij bij den hertog van +Brunswijk zeiden, of een mondroof, zooals jelui 't noemt. En schout, +ge zijt toch zeker ook dikwijls in den appelboom van den domeneer +geklommen?"--"De drommel weet, wat jou van daag bezielt;--ja, dat ben +ik, toen ik nog een kwâjongen was, maar nu heb ik groote kinderen, die +ik met een goed voorbeeld moet voorgaan."--"'t Is waar," zegt Frederik, +"en wat voor den een past, dat past niet voor den ander."--"Schout," +zegt hij, na eene poos, "hoe oud is je Fieken?"--"Wel," zegt de schout, +en zijne oogen begonnen te schitteren, "Frederik, die deern, ik zeg +je, die deern,--oud is ze niet, zij wordt pas achttien; maar, ik zeg +je, wakker is ze als een honigbij." "Dat weet ik," zegt Frederik, +"ik heb gisterenavond nog op 't Stemhager slot bij haar gezeten, en +ik kan wel zeggen, ze is me zoo goed bevallen, dat ik in staat zou +wezen, om ten haren gevalle te gaan trouwen."--"Nou! hoor eens aan, +die is niet kwaad!" zegt de schout, en kijkt Frederik van boven tot +onder aan.--"Ja," zegt Frederik, "en ik dacht, voor uw Frits is er +wel wat anders te vinden, en gij wordt al oud, en als gij dan uwe +rust woudt gaan nemen, dan zoudt ge ons de hofsteê kunnen geven, +dan hadden Fieken en ik een mooi bestaan, en gij zoudt veel pleizier +aan ons kunnen beleven."--"De hemel zal me bewaren!" roept de schout +uit. "Dat meen je toch niet in ernst?"--"Waarom niet?" zegt Frederik, +en richt zich in zijne geheele lengte op. "Zie ik er uit of ik gekheid +maak?"--"Wat!" roept de oude schout, en gaat op hem af, "zoo'n oude +bedelaar als gij zijt, die wou naar eene schoutsdochter vrijen? Mijne +dochter, een jonge deern van achttien jaar?"--"Schout!" zegt Frederik, +"pas op uwe woorden!--Oud, zegt gij? Kijk mij eens aan; ik ben in mijn +beste jaren, tusschen de twintig en vijftig.--Bedelaar, zegt gij? Ik +heb u nog om geen pijp tabak gevraagd. Maar, 't is waar, uw Fieken +is heel wat jonger dan ik, doch daar geef ik niets om; ik neem haar +toch, want zij is verstandig en weet dat zoo'n kerel als ik, die de +wereld gezien heeft, meer waard is dan zoo'n boerenjongen met een' +dikken rooden kop en vlashaar, die een dienaar maakt als een knipmes, +en bij de menschen in den kamer spuwt."--"Hebt ge mijne dochter al +gekheden in 't hoofd gepraat?" schreeuwt de oude schout hem toe en +licht zijn stok tegen hem op.--"Halt, schout!" zegt Frederik. "Dien +stok weg! Wat zouden de menschen zeggen als er verteld werd dat ik +met mijn schoonvader al vóór de bruiloft, op den landweg gevochten +had."--De schout liet den stok vallen.--"Schout," sprak Frederik, +"'k ben wel in staat om van zoo'n Vink eene worst weg te kapen, +maar, nooit van mijn leven daartoe, om zoo'n jong, lief schepsel +tot haar ongeluk te bedriegen; ik heb uw Fieken geen gekheden in 't +hoofd gezet."--De oude schout zag hem zoo van ter zijde aan, alsof +hij zeggen wilde: de drommel mag jou vertrouwen!--maar hij zeide +niets. Zij gingen nu verder, maar zij waren 't niet meer recht ééns. + +Toen zij dicht bij Demzin kwamen, stond daar een jonge klerk van den +rentmeester en Frederik ging naar hem toe en vroeg: "Neem mij niet +kwalijk, hebt gij hier geen Franschman gezien? en zóó--en zóó." De +jonge man zegt: "ja; een klein uur geleden, is hier zoo'n kerel +voorbijgekomen." Zij gaan het dorp door, en aan het andere einde heeft +ook eene oude vrouw den "chasseur" gezien. "Nu hebben we hem gauw," +zegt Frederik. Doch, toen zij een weinig verder op het veld een ouden +man aantroffen, die bezig was, om op den weg de toppen der wilgeboomen +af te slaan, wilde die niets van den Franschman weten en zei dat die +kerel hier sedert klokke zes 's morgens niet voorbijgekomen was. + +Wat nu? In die richting voortgaan? Dat zou eene ware ganzenjacht +geworden zijn. Uit het dorp was de kerel toch gegaan; waar was hij +gebleven? De schout krabde zijn hoofd; Frederik keek overal rond, bezag +de gelegenheid en zeide eindelijk: "Schout, verder kunnen wij niet +gaan, hier houdt het spoor op; wij willen dus de zaak overleggen; maar +'t blaast hier drommelsch koud over 't open veld; laten we daarachter +den bakoven [7] gaan zitten."--Nu, zij doen dat. "Wat ben ik toch +een dwaas," zegt de schout, "om hier in zoo'n weêr en over zoo'n weg +een Fransoos achterna te loopen!"--"Schoonvader, laat den Fransoos +maar rusten," zegt Frederik, "hem krijgen we toch nog."--"Begint ge +alweêr met je "schoonvader", jij, pruisische gauwdief?"--"Schout, +wat ge niet zijt, kunt ge nog worden. Ik heb menschen genoeg gekend, +die hebben voor dien naam hunne dochters en daarbij nog veel geld +gegeven."--"Dan hebben ze daarvoor ook andere schoonzoons gekregen, +dan gij zijt."--"Kijk me eens goed aan, schout," zegt Frederik, en +hij gaat voor den schout recht overeind staan; "een avekaat ben ik +niet en een dokter ook niet; maar ik heb gezonde kneukels, en kijk +mijne handen eens, die kunnen van werken meêpraten. En zoo gij uwe +eigene oogen niet vertrouwt, dan kunt ge 't immers aan mijn baas, +den molenaar, vragen."--"Ei, weet je, wat die zegt? Die zegt, dat +je wel een flinke kerel bent en dat je wel wat durft aan te pakken; +maar dat je uitdrukkingen over je hebt, dwaze uitdrukkingen, waar geen +hond om achter den oven vandaan zou komen." "'k Zal u straks bewijzen, +dat dit onjuist gezien is. Maar nu, zeg eens schout, wilt ge mij uw +Fieken geven?"--"Wat drommel!" zegt de schout, "ik dacht eerst dat het +eene grap moest verbeelden, en nu geloof ik, jou rakker, dat je hier +ernst van wilt maken."--"Schout," zegt Frederik, "met de hofsteê en +dat gij uwe rust moest nemen, dat was gekheid; want uw Frits moet de +hofsteê hebben, en gij zijt ook zoo oud nog niet; maar, met uw Fieken, +dat is ernst, en eene hofsteê zal 'k gemakkelijk krijgen."--"Jou +snoever," zegt de schout. "Kijk, dat is weêr zoo'n spreekmanier, +zooals ik gezegd heb, waarmeê je geen hond achter den oven vandaan +krijgt." "Dat wil ik u toonen!" roept Frederik.--"Pocher!" zegt +de schout, terwijl hij opstaat. "Ik ga naar huis, en ga jij aan +'t honden lokken, of vang jij den Fransoos." "Dien heb ik," zegt +Frederik.--"Praalhans!" roept de schout.--"Schout," zegt Frederik, +"wanneer in drie minuten de Fransoos voor u staat, en ik met mijn +spreekwijzen een hond uit den oven lok, wilt gij mij dan uw Fieken +geven?" En hij hield hem zijne hand tegen, "sla dan toe!"--"Jou, +leugenaar!" roept de schout, "alleen, om 't je met een' langen neus +te bewijzen, dat je een praalhans bent.--Ja!" en hij slaat toe. + +Frederik lacht zoo'n beetje in zich zelven; hij bukt naar de opening +van den oven en roept: "Monsieur, allons, ici!--Allons, ici!"--En +wat kroop er te voorschijn? De fransche chasseur. "Hemelsche +goedheid!..." roept de schout.--"Pardon, monsieur!" roept de +Franschman.--"Schout, wie heeft de weddingschap gewonnen?" vraagt +Frederik. "Hier is de Fransoos en hier is ook de hond! Wie krijgt +nu uw Fieken?"--"Pruisische schurk!" roept de schout, en licht den +stok weder op. "Je wilt mij hier voor den gek houden, niet waar? Jij, +mijn Fieken! Dan wil ik toch liever...."--"Schout," zegt Frederik, +"laat uw stok rusten; de Fransoos wordt bang; kom liever hier, +en help mij bij 't arresteeren; over de weddingschap spreken wij +nader." "Pardon!" roept de Franschman er tusschen in. "Wat, hier +en ginder! Pardon!" roept Frederik. "Waarom loop je onder den beuk +vandaan, waar ik je had neêrgelegd? Dezen keer zal ik je op mijn' +manier trakteeren; mamsel Westphalen is hier niet bij," en dit zeggende +sneed hij hem de knoopen van zijne kleêren af; "en nu, allons, en +avant!" En zoo gaat het dan nu voorwaarts door Demzin naar Pinnow heen. + +De oude schout loopt er, in den zwaren regen, stil naast, en is +knorrig, 't meeste op zich zelven; en als hij de schuld op Frederik +schuiven wil, dan moet hij telkens weêr zeggen: "Een schelm is hij, +maar een drommelsche wakkere kerel is hij toch! Hoe hij dat toch wist, +dat de Fransoos in den oven zat? En dan dat knoopen afsnijden! Nu, +dat zal 'k dan toch onthouden!" + +Toen zij Gulzow naderden, zei Frederik: "Schout, wie drommel komt daar, +dwars over uw bouwland, aandraven? Wat heeft die daar te jagen? Den +regen kan hij toch niet ontkomen."--"Wel, sakkerloot!" zegt de schout, +"dat is immers de bruine van den inspektor Bräsig, en die er op zit +is zoo waar, de Stemhager burgemeester." + +En zoo was 't. + +Mijn vader kwam nader, en toen hij den Franschman zag en Frederik, +zeide hij, dat de zaak nu wel zou schikken. "Maar," voegde hij erbij, +"schout, nu naar uw huis, want ik ril in mijn binnenste van de koû +en ben doornat."--"Dat zeg ik ook, mijnheer, wij zijn ook al mooi +doorgeweekt." + +Toen zij bij den schout in huis gekomen waren, haalde zijne vrouw +allerlei afgelegde kleêren voor den dag, doch het was ter nauwernood +genoeg, want de slechte tijden hadden ook de kleêrkast van den +schout erg uitgeplunderd, en ieder van hen dankte den hemel zoo +hij maar iets vond, wat hem half en half paste! De oude schout kon +geene andere huisvesting vinden dan in zijne eigene broek, Frederik +zat heel deftig in den kerkjas van Frits, en mijn vader, die de +kleinste was, moest zich met het korte buis van Hannes vergenoegen, +'t geen de schout natuurlijk eerst niet toestond, en waar hij veel +komplimenten over maakte. Maar, wanneer iemand uit een benarden +toestand in veiligheid, en uit den regen op het droge gekomen is, dan +laat de vroolijkheid zich lichtelijk vinden, en mijn vader lachte over +zijne kleedij, dat de tranen hem over 't aangezicht liepen.--"Goede +hemel!" zeide hij op eens en werd heel ernstig, "wij lachen hier, +en onder ons zit een menschenkind, dat rilt niet alleen van koû, dat +rilt ook van angst: wij zullen hem ten minste zooveel goed doen, als +wij kunnen. Vrouw Besserdich, gij moet ook den Fransoos aan het een +of ander helpen."--Dat ging nu slecht, en toen alles aangewend was, +wat slechts eenigszins er voor paste, moest toch de dikke wollen rok +van de oude schoutsvrouw nog het meeste te hulp komen. + +"Broêrtje, eet maar ferm!" zeide Frederik, toen zij bij het ruim +voorziene avondeten zaten, en schoof den Franschman zoo'n stuk +pekelvleesch toe van een pond of drie. "Eet, broer! Zoolang de +mensch eet, zoo lang leeft hij nog."--En mijn vader kreeg medelijden +met den kerel, hij sprak een paar woorden in 't Fransch tot hem: op +deelnemenden toon, om hem te troosten, en de arme zondaar antwoordde +zoo onderworpen, zoo weemoedig en bedrukt, dat het den ouden schout, +ofschoon hij er niets van verstond, toch ter harte ging. Hij boog +zich naar mijn vader toe en vroeg: "Mijnheer de burgemeester, willen +we den kerel maar weêr laten loopen?"--"Neen," was het antwoord van +mijn vader; "zoo gaat dat niet. De molenaar en de bakker zitten in +bitter leed en zij hebben eene rechtvaardige zaak; en de Franschman +zit ook in nood, maar hij heeft eene onrechtvaardige zaak, en het +recht moet zijn loop hebben." + +Later komt Frits, de zoon van den schout, met de paarden den hof +oprijden. Hij treedt binnen en zegt: "Goê'n avond, vader! Ik ben van +de Fransozen weggeloopen."--Hij geeft zijn' vader de hand, gaat naar +mijn' vader toe, die met den rug naar hem toegekeerd zit, en geeft +hem een recht aardigen stomp in den nek, zeggende: "Goê'n avond, +Hannes! Kan je ook je broêr niet eerst goê'n avond zeggen?"--Mijn +vader springt overeind en keert zich om, en Frits staat daar als Loth's +huisvrouw.--"Heere, bewaar me," roept de schout. "Dat komt hier binnen +en slaat me den Stemhager burgemeester in mijn eigen huis! En zoo'n +lummel wil eenmaal schout worden!"--"Laat hem met rust!" zegt mijn +vader. "Doch, daarvoor zal hij van avond nog geene rust hebben; hij zal +ons voor zijn straf van avond nog allen naar Stemhagen rijden."--"Door +de heele wereld, burgemeester!" zegt Frits.--"Maar, hoe komt ge zoo +laat t'huis?" vraagt de schout.--"Wel, vader, ik dacht zóó: als ze +je krijgen, zal 't er slecht uitzien, en daarom trok ik de paarden +in het bosch en ging op de loer staan, en woû wachten tot het avond +werd, en toen ik zoo stond, kwam de politiedienaar Luth aanloopen; +hij zei dat de Fransozen al lang weg waren, en dat de burgemeester +ook aan den haal gegaan was, en hij hem nu zocht."--"Waar is hij dan +gebleven?" vraagt mijn vader.--"Hij zal dadelijk komen," zegt Frits, +"hij ging nog maar eens bij den schoolmeester aan." + +Luth kwam dan ook weldra, en toen hij naar mijn' vader vroeg en hij +dien in 't korte buis van Hannes in 't oog kreeg, was 't uit met zijne +boodschap; hij vergat alles, wat hij moest en wilde zeggen, en begon +te schateren van lachen; mijn vader werd boos, want hij dacht niet +meer aan zijne kleeding, maar aan mijne moeder en aan t'huis; hij +pakt den politiedienaar bij den kraag en roept: "Luth, zijt gij gek +geworden? Hoe maakt het mijne vrouw en mijne kinderen?"--"Kostelijk +in orde, burgemeester! Ha, ha, ha!--En mijnheer de baljuw leest uwe +vrouw wat uit de boeken voor, en mamsel Westphalen stopt Frits op +met appelen en lekkers, maar,--ha, ha, ha!--neem 't mij niet kwalijk, +ik moet lachen."--En Frederik begon ook te lachen, en de oude schout +ook, en Frits, en de vrouw van den schout zeiden dat mijnheer de +burgemeester er toch ook heel kluchtig uitzag.--Mijn vader was nu +lichter om 't hart geworden en lachte dapper mede. "Luth, lach maar +goed uit," zeide hij, "maar lach wat vlug ook! want 'k heb wat voor je +te doen, daar haast bij is.--De Fransozen hebben immers den mantelzak +met het geld en het zilverwerk meêgenomen, niet waar?"--"Ja, mijnheer, +'k heb gezien, dat zij 't wegdroegen."--"Haast je dan wat. In den stal +staat de bruine van den inspektor Bräsig, neem dien en draaf, wat ge +kunt, naar Kittendorp, naar mijnheer den landraad von Urtzen,--want, +van dáár zijn gisteren de Fransche jagers gekomen, en daar zullen +de lepels ook wel van afkomstig zijn;--en vertel gij dan aan den +landraad, hoe 't ons in Stemhagen gegaan is, en verzoek hem u een +vertrouwd persoon mede te geven, die omtrent de lepels een eed doen +kan. Op die wijze kon hij mogelijk zijn eigendom nog terugkrijgen.--En +maak nu dat ge weg komt. En, Frits, span gij nu dadelijk in!" + +Het duurde ook heel kort, of zij zaten allen op den wagen; slechts +den schout wilde moederlief niet laten meêgaan.--"Je hebt daar niks te +maken, je kunt t'huis blijven," zeide zij.--"Moeder," zeide de schout, +en hij zette zijn' éénen voet in het rad en den anderen op de as, +en keek van boven af om; "dit is tegen onze afspraak. Jij bent baas +in huis en ik ben baas in mijne schoutszaken, en een' gevangene te +transpireeren is eene schoutszaak." En, met die woorden klemt hij +zich met Frederik en den Franschman op éénen zak. "Zoo, Frits, nu +maar voort, ju, ju!" + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarom Frederik eigenlijk geen gauwdief was; waarom keizer + Napoleon niets met den raadsheer te doen wil hebben, en waarom + de overste met den raadsheer geheimen heeft. + + +Voor het raadhuis te Stavenhagen hield de wagen stil, en met één +sprong was mijn vader van zijn' zak af, en zeide tot de anderen, +dat zij nog eene poos stil zouden blijven zitten, totdat hij hen +roepen zou.--Toen hij op de gang kwam, ontmoette hem Marieken Wienk, +met een licht, want het was inmiddels donker geworden. Marieken, ons +dienstmeisje, had bijna het licht laten vallen en wilde juist gaan +schreeuwen, toen zij mijn' vader in de kleêren van Hannes herkende; +hij trok haar echter schielijk in zijne kamer en zeide: "Hou je +stil, Marieken, ge zijt immers een verstandig meisje!"--Marieken +was vrij droomerig, maar niets helpt de domheid beter voort dan dat +zij wijsheid wordt genoemd; 't werd in Marieken's hoofd ook heel wat +helderder.--"Is mijnheer de baljuw nog hier?" vroeg mijn vader.--"Ja, +mijnheer."--"Zet dan dat licht neêr en ga naar binnen, in de kamer, +en laat mijne vrouw niets merken, maar zeg aan den baljuw dat er +iemand is, die hem verlangt te spreken, en breng hem dan bij mij." + +Nu, dat gebeurde, en de oude heer kwam binnen en zeide: "Goeden +avond, mijn jongen; wat wilt gij, en wat doet ge hier in de kamer +van den burgemeester?"--"Mijnheer de baljuw, hoe maken het mijne +vrouw en mijne kinderen?"--"Wel jongske, wat weet ik van jou vrouw en +kinderen? Hoe kom jij aan vrouw en kinderen?"--"Wel, heere, bewaar +me!" roept mijn vader uit, "kent gij mij dan niet? Ik ben immers +de burgemeester!"--"O, zoo, dan is 't eene andere zaak!" roept de +oude heer. "Dat is toch eene geheel buitengewone zaak! De consul +Stavenhageniënsis in een kort buisje!--Maar, wat zegt Horatius? Nil +mirari, zegt hij. Vooral in deze tijden, kindlief."--"Mijnheer de +baljuw, mijne vrouw!"--"Zij weet dat gij ontkomen zijt, kindlief, +en zal zich zeer verheugen."--"Maar....?"--"Neen, 't zal haar geen +kwaad doen, ook niet als ze u in dat korte buis ziet. Kom maar mede!" + +Alle verrassingen deugen geen zier, zelfs niet de goede. Wanneer +de blijdschap ons plotseling in de ooren dreunt, alsof twee dozijn +muziekanten tegelijk, dicht bij ons, achter de struiken, zoo luid +mogelijk beginnen te spelen, dan schokt het ons door hart en hoofd, +en het schoonste lied wekt niets dan smart. Neen, ik houd meer van de +blijdschap, die tot mij komt als een zangvogel in een boschje, altijd +nader en nader, van tak tot tak, totdat hij ten laatste van den dichtst +bij zijnden boom zijn liedje mij heel duidelijk in de ooren zingt. + +De blijdschap kwam bij mijne moeder in 't eerst wel een weinig haastig, +maar dat was doorgestaan; nu kwam zij van tak tot tak, en toen mijn +vader de kamer inkwam, zong zij haar lied haar heel duidelijk in +de ooren; en toen de vogel eindelijk zelf in een kort buisje kwam, +toen was 't haar alsof hij haar allerlei zwaaien en sprongen in +'t boschje voordeed, zoodat zij er hartelijk om lachen moest.--De +herinnering aan dezen dag is in ons huis levendig gebleven tot in +veel lateren tijd; wanneer mijn vader, onder werk en zorgen, eens +recht vroolijk t'huis kwam, dan zeiden wij onder ons: "Vader heeft +van daag 't korte buisje aan!" + +Toen de blijdschap ten halve bedaard was, begon de oude heer: "En de +Franschman hebt gij dus ook medegebracht, jongenlief!"--"Ik niet," +zeide mijn vader; "Frederik van den molenaar heeft wel het meest +daaraan gedaan, en de Gulowsche schout heeft hem geholpen."--"Zoo? Die +Frederik moet een drommelsche wakkere vent wezen, een uitgeslapen +kerel; wij zullen hem eens binnen laten komen." + +Frederik kwam en de schout ook. "Zeg eens, mijn zoon, zijt gij het, +die den Franschman van den wagen gesmeten hebt?" Frederik dacht bij +zich zelven: Wat? Dit schijnt wel weêr een gerechtsdag te worden, +en daar hij die vraag met "ja" beantwoorden moest, zette hij +zich dadelijk in postuur en wachtte af wat er van komen zou. "Ja, +mijnheer," zeide hij.--"Weet ge dan ook wel, dat gij den molenaar +in groote verlegenheid gebracht hebt?"--"Verlegenheid? Hij is aan +verlegenheden gewend, en ééne verlegenheid meer zal hem geen kwaad +doen."--"Zijt gij het, die den mantelzak van het paard van den +Franschman hebt genomen?"--"Ja, mijnheer."--"Hebt ge u daarbij +niet, door het nemen van een achtgroschen, aan het eigendom van +den Franschman vergrepen?"--"Ik heb mijn' eigen achtgroschen maar +weêrom genomen," zeide Frederik en vertelde het geval.--"Gij hebt die +tegen wet en recht genomen: en hoe wordt zoo iemand genoemd, die dat +doet?"--Frederik zag den ouden heer vrijmoedig aan, maar sprak geen +woord. "Schout Besserdich, hoe wordt zoo'n mensch genoemd?"--"Met uw +permissie, mijnheer de baljuw, een gauwdief," zei de oude schout. "En +dat is hij, mijnheer; hij heeft vandaag nog van den ouden Vink eene +worst uit het rookhok gestolen, en zoo'n kerel wil met mijn Fieken +trouwen?"--"Wat wil hij?"--"Mijn Fieken, mijnheer, die bij u dient, +mijnheer, daar wil hij meê trouwen, mijnheer."--"Zóó, zóó?" zeide de +baljuw en keek Frederik van boven tot beneden aan, "dat is dan eene +andere zaak!--Mijn zoon, dan kunt gij heengaan, maar ik zal er aan +denken, wat gij gisteren en heden gedaan hebt." + +Frederik ging en was in zijn hart boos op den schout en op den +baljuw. "Waar wil hij aan denken?" vroeg hij zich zelven af, toen +hij op de gang stond. Had hij echter geweten wat die woorden bij den +ouden heer beteekenden, dan zou hij er wel niet zóó naar gevraagd +hebben, want ten kwade dacht de baljuw nooit ergens meer aan; het +kwade ging bij hem spoedig voorbij, dat liet geen indruk bij hem na, +en hij schrapte het door; maar ontmoette hij het goede op zijn weg, +dan was hij bang, dat het hem soms door 't hoofd mocht gaan, dan zeide +hij: "Netje, Frits Sahlmann, Westphalen, kinderen! helpt er mij toch +aan denken." + +Toen Frederik de deur uit was, keerde de oude heer zich om en +lachte van ganscher harte. "Netje," zeide hij, "de worst van Frits +Sahlmann, van dezen morgen, krijg je niet weêrom, die moet de Vink +in Pinnow hebben, want als deze bengel, die Frederik, met Fieken +van den schout wil trouwen, dan moeten we toch eerst weêr een +eerlijk man van hem maken."--"Ja," riep mijn vader, terwijl hij +een achtgroschenstuk op de tafel legde, "en hier is het geld, dat +hij den Franschman ontnomen heeft."--"Wel nu, schout, zeg, wanneer +wordt nu de bruiloft gehouden?" vroeg lachende de oude heer.--De +oude schout stond daar en trok een gezicht, alsof iemand hem van +achteren een bril van voetzolen had opgezet; hij wist niet wat +om hem heen gebeurde. "Mijnheer de baljuw," zeide hij ten laatste, +"die kerel is toch maar een bedelaar." "Schout," hernam de oude heer; +"die zaak kan veranderen. Er zijn in deze tijden in ons rechtsgebied +boerenhofsteden open gekomen, en wie weet, hoe de hooge hertogelijke +kamer daarover denkt."--"Ja, maar hij is toch ook een gauwdief, +mijnheer."--"Schout, dat wou 'k toch nog wel eens van je hooren. Toen +de kerel van morgen die acht groschen uit het valies genomen heeft, +had hij toen het geheele ding niet kunnen houden? Wie zou daar iets van +geweten hebben? En, als hij het op zijn nek had genomen, en daarmede +over de pruisische grenzen gegaan was, zou daar dan een haan naar +gekraaid hebben? Derhalve."--"Ja, mijnheer, maar toch die acht groschen +en die worst?"--"Het eene heeft hij in zijn onverstand voor zijn +recht aangezien, en het andere voor een grap." "Ja, mijnheer," zegt +de schout, zijn hoofd krabbende, "al is dat alles ook zoo, mijn Fiek +is toch te jong voor dien ouden knaap."--"Met uw verlof, mijnheer de +baljuw," viel mamsel Westphalen hierop in, "dat ik in gerechtszaken en +boerenaangelegenheden meêspreek.--Schout Besserdich! dat 's een flauwe +bedenking van je; want als je Fiek nog eene jonge, onervarene deern is, +dan is 't goed, dat zij een ervaren man krijgt, want dat is altijd +goed uitgekomen. En, mijnheer de baljuw, neem het mij niet kwalijk, +hij is een geresolveerde kerel en goed in dezen tijd te gebruiken en +gisterenavond,--ik wil niks niemendal tegen mijnheer Droi zeggen, +want hij moet weten wanneer het tijd is met geweer en sabel op een +mensch af te gaan,--maar gisteren ging Frederik geheel alleen op den +Fransoos aan, en al waren ook zijne redeneeringen voor uwe kamer en +voor mijne ooren niet fatsoenlijk genoeg, zoo zeî ik toch in mij zelve: +dat is een kerel, die durft. En, schout Besserdich, die twee passen +voor malkaâr, want, wat hij met daden heeft, heeft zij met woorden; +en, mijnheer de baljuw, zij kan zich een kerel van 't lijf houden, +want zij heeft een gezegend mondwerk, dat zeg ik." + +De oude schout keek mamsel Westphalen aan en dan weêr mijnheer +den baljuw; hij was geheel ontsteld; al de tegenwerpingen, die hij +gemaakt had, waren wederlegd; hij zocht naar nieuwe en vond die niet, +totdat hem ten laatste datgene inviel, wat hem op 't laatst altijd +inviel; hij krabde zich dus achter de ooren en zeide: "Ja, mijnheer +de baljuw, ik moest eerst hooren wat moeder ervan zegt."--"Best, mijn +lieve schout! Maar in de allereerste plaats moest gij hooren wat uw +Fieken ervan zegt. Wat mij betreft, 'k heb u maar willen aantoonen, +dat deze Frederik geen gauwdief is." + +Hiermede was dan deze zaak voorloopig tot op Sint Nimmermeer +uitgesteld. De vrouw van den baljuw was met mamsel Westphalen reeds +weder naar het slot gegaan, en bij het overige gezelschap liet zich +de vermoeidheid gevoelen, toen de politiedienaar Luth van zijn rit +naar Kittendorp terugkwam en mededeelde dat mijnheer de landraad +vele groeten liet doen en zijn eigen kamerdienaar had meêgegeven, +ter zake van het zilverwerk. + +Daardoor was alles dan nu mooi in orde gekomen; de baljuw schreef +nu nog een brief aan den Franschen overste; mijn vader gaf Luth +nauwkeurige inlichting, wat hij te doen en te zeggen had; Frederik +en Luth namen den "chasseur" tusschen zich in, op den wagen; de +kamerdienaar en Frits Besserdich gingen voorop zitten, en zoo ging het +voort, in den donkeren nacht en door den zwaren weg, naar Brandenburg. + +"Ja," zeide de oude schout, toen hij alleen, in de duisternis naar +Gulzow terugging, "jelui hebt goed praten! Zoo'n baljuw en zoo'n +burgemeester, en mamsel Westphalen op het slot, dat zijn voorname lui, +die hebben niemand boven zich; maar zoo'n schout wordt van iedereen +gekommandeerd. Ja, als moeder er niet was! En als die kerel geen +gauwdief was, en hij was een jaar of tien jonger, en hij had een +boerenplaats, en mijn Fieken woû hem hebben, ja, dan--dan--kreeg hij +haar toch niet, want moeder zou 't niet toestaan." + +Geen mensch kan het mij nu ten kwade duiden, dat ik bij het vertellen +van eene vroolijke historie, geen lust heb vreeselijke verhalen +er tusschen te voegen, en daarom spreek ik niet meer dan noodig is +van den Franschen "chasseur;" ik zeg er niets van, hoe hij te moede +was, toen hij in Brandenburg kwam, en toen hij voor den krijgsraad +stond; niets daarvan, hoe de angst, de doodsangst steeds nader kwam, +toen hij het loon voor zijne booze daad zou ontvangen. En indien +ik het ook wilde, zoo zou ik het niet kunnen doen, want ik schrijf +maar van zaken die ik ken, en deze zaak ken ik niet; ik heb 't van +mijn leven niet over mijn hart kunnen krijgen, om een armen zondaar +nieuwsgierig te gaan bekijken op zijn' laatsten gang en toe te zien, +hoe de eene zondaar den ander door een menschelijk oordeel, voorbarig +voor den rechterstoel van den Heer onzen God brengt.--Maar, dat was nu +eenmaal zoo, en dat geschiedde ook zoo; en toen zijn bloedig lichaam +op het zand lag, heeft wel niemand er aan gedacht, dat de kogels, +ver weg in Frankrijk, veel dieper in een ander hart gedrongen waren, +dan in het zijne,--ik meen in het hart zijner oude moeder. + +Ik wil dan alleen vertellen, dat door de uitlevering van den levenden +Franschman de molenaar en de bakker van de verdenking dat zij een moord +zouden gepleegd hebben, vrij kwamen; en dat door zijne bekentenis +en door de getuigenis van den inspektor Bräsig en den kamerdienaar, +de landraad Von Urtzen zijn eigendom wederkreeg, en dat de overste Von +Toll, toen de auditeur het geld wilde terughouden, als onbeheerd goed, +op strengen toon zeide dat zijn regiment niet met roof en diefstal +zou bezoedeld worden. Hij stond op, nam het valies, en sprak tot Luth: +"Mijn goede vriend, gij schijnt mij toe, een verstandig man te wezen; +neem dezen verzegelden mantelzak en geef dien aan den baljuw, den heer +Weber, opdat hij daarmede handele, zoo als 't hier te lande als recht +geacht wordt." Luth ontving een geschrift daarbij, en aldus was die +zaak afgedaan. + +Maar nu ontstond er eene zwarigheid, waaraan niemand gedacht had; +wat moest er van mijn oom Herse worden? Toen de molenaar en de bakker +en al de anderen de gerechtszaal uit, en van hem weggegaan waren, +stond daar mijn oom Herse nog, als een statige, eenzame eikeboom +in eene houtvelling, dien de houtvester alleen om zijne statigheid +verschoond had.--De overste zag hem verwonderd aan en vroeg hem: +"Waarom staat gij hier nog?"--Oom Herse bewoog zijne takken en aan +zijn donkerrood gelaat was het te zien, dat in zijn' top de stormwind +begon te ruischen. "Dat wilde ik u vragen," was zijn antwoord. Zoo in +dit oogenblik een vreemdeling de deur was binnengekomen, zou hij 't +wel gelaten hebben, te beslissen wie de overste en wie de raadsheer +was. Zij hadden beiden een deftigen uniform aan; en beiden hadden +een voornaam, trotsch voorkomen, doordien zij beiden gewoon waren te +bevelen;--was de overste een paar duim langer, zoo was mijn oom een +halven voet dikker; kon men bij den overste den krijgsman onder zijn +neus zien, zoo had mijn oom dien over 't gansche gezicht, want hij +had zich in een paar dagen niet kunnen scheren; de oude dokter Metz +had eergisteren overgeslagen, en wat den dag te voren en gisteren +en vandaag gegroeid was woog rijkelijk op tegen den knevel van den +Franschman. + +"Wie zijt gij?" vroeg de Franschman.--"Ik ben een raadsheer, een +Stavenhager raadsheer," zeide mijn oom. Dat scheen den Franschman nu +toch eenigszins te treffen; hij liep op en neder en bleef eindelijk +voor mijn oom staan, zeggende: "Ik zie er geen voordeel voor keizer +Napoleon in, om nog langer met u in het land rond te trekken. Gij kunt +henengaan."--Zoo iets was mijn oom nu toch niet gewoon. "Mijnheer," +riep hij uit, "deze behandeling..."--"Het doet mij oprecht leed," viel +de overste hem in de rede, "dat men u in 't geheel geïncommodeerd +heeft. Gij moet wezenlijk bij vergissing medegenomen zijn."--Dat +was dan nu toch voor mijn oom al te erg! Hij had zich den geheelen +weg langs, in den barren winternacht, daarmede getroost, dat hij een +uitverkoren slachtoffer was van den korsikaanschen draak, en nu zou +dat alles eene eenvoudige vergissing wezen? Hij had in zijne onschuld +ten minste op eene openlijke verklaring tot herstel zijner eer, voor +het front van een geheel Fransch regiment, gerekend, en thans schopte +hem,--met permissie gesproken,--de Fransche overste met den voet voor +het allerdierbaarste en zeide, dat hij kon vertrekken.--"Een man, +gelijk ik ben," riep hij uit, "uit vergissing medegenomen!" "Gij moogt +nog van geluk spreken," zeide de overste en klopte hem, vriendelijk +lachende, op den schouder; "in den oorlog komt menigmaal wat ergers +voor; daar wordt menigeen uit vergissing doodgeschoten. Zie de zaak als +eene beproeving van den hemel aan."--"Als dit eene beproeving wezen +moet," zegt mijn oom, "dan is 't wel een zeer domme."--De overste +lacht en neemt mijn oom onder den arm.--"Kom, mijnheer de raadsheer" +zegt hij, "ik ben recht vergenoegd gestemd, dat die zaak zóó afgeloopen +is en dat ik den baljuw heb kunnen tevreden stellen. En ik zou gaarne +nog een paar woorden in 't geheim en onder vier oogen met u willen +spreken." In 't geheim en onder vier oogen, dat waren woorden, waaraan +mijn oom Herse geen weêrstand kon bieden; hij volgde dus den overste. + +"Mijnheer Herse," sprak de overste, toen zij buiten, op de markt, voor +het logement "In den gouden knoop," stonden, waar het hoofdkwartier +was;--"mijnheer Herse, wees zoo goed den ouden, braven baljuw te +zeggen, dat ik hem nog hartelijk laat groeten, en nu ik gelukkig aan +zijn verzoek heb kunnen voldoen, moge hij ook trachten het mijne +te vervullen; mijn verzoek is dat hij, indien zulks met recht kan +geschieden, het onbeheerde geld aan het lieve meisje doe toekomen, +dat mij gisteren onderweg den brief van hem heeft gebracht. En, +mijnheer Herse, gij zult wel inzien dat dit geheim gehouden moet +worden, want anders kon de baljuw daardoor in verdenking komen."--Nu +was mijn oom Herse weder recht in zijn element. "Gij meent immers +Fieken?" vroeg hij schielijk. "Fieken, de dochter van den molenaar +Voss, die daar staat?" En hij wees op Fieken, die, een weinig ter +zijde, bij haren vader stond en haren arm om zijn hals geslagen had +en van blijdschap schreide.--"Ja, die meen ik," antwoordde de overste, +naar het paar toegaande. + +Fieken liet haren arm van haars vaders hals los, maar hare tranen kon +zij niet terughouden, en toen de overste naderbij kwam, was 't haar, +alsof ze nog meer moest schreien, en toen hij haar de hand gaf, maakte +zij stilzwijgend eene dienaresse; zij kon geen woord uitbrengen. Zoo +lang de nood, gelijk een sombere nacht, haar had bezwaard, zoolang +was zij kalm en stil, zonder rechts of links om te zien, haren weg +gegaan, en het vertrouwen op God alleen had haar, als eene heldere +ster, licht geschonken; thans, nu de zon was opgegaan, stond zij stil, +haar hart bloeide als eene schoone roos opwaarts naar het licht, de +frissche morgenwind speelde in hare bladeren, zoodat zij kon uitzien +naar alle zijden, en de morgendauw viel op de aarde neder. + +De oude molenaar stond ook zwijgend voor den overste; toen die +hem echter vroeg of hij de vader van dat meisje was, kon hij geene +woorden genoeg vinden. "Ja, mijnheer," zeide hij: "en hoewel het +waar is misschien, wat mijnheer onze baljuw zegt, dat jongens beter, +en meisjes te week zijn, want, dat zijn ze, mijnheer, zooals gij aan +Fieken zien kunt,"--en daarbij wischte hij zelf de tranen uit zijne +oogen,--"zoo weet ik u toch voor uwe goedheid niets beters te wenschen, +dan dat onze goede God u eenmaal zoo'n lief deerntje moge schenken, +als mijn kleine Fieken is." De overste dacht er misschien ook wel zoo +over, doch hij zeide het niet; hij keerde zich schielijk naar Fieken +toe en vroeg haar: "Zeg eens, lief meisje, kunt ge schrijven?"--"Ja, +mijnheer," zeide Fieken, nijgende. "Zij kan alles," zeide de molenaar; +"zij kan geschreven schrift lezen en zij kan schrijven als een +schoolmeester; want zij moet voor al mijn schrijfwerk zorgen." "Welnu, +lief kind," sprak de overste, "schrijf mij dan hier je naam eens in, +en de plaats, waar ge t'huis behoort; maar in 't platduitsch." + +En Fieken schreef in het zakboekje van den overste: "Fieken Voss, +op den Gielowschen molen, onder Stemhagen."--De overste las het, +maakte zijn zakboekje dicht, gaf haar en haren vader de hand en ging +weg, met de woorden: "Vaartwel; wij zullen elkaâr misschien nog wel +eens ontmoeten!" + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad + Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader + Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van + Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet. + + +Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg +twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude +heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook +mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth +op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl +Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen. + +Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te +spreken. "Zie zoo!" zeide hij: "uit die val zijn wij gelukkig +ontkomen." "Ja wel, raadsheer," antwoordde de oude bakker Witt, +"en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester, +maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. "Al naar +dat men het aanziet, baas Witt," hernam oom. "Ik, voor mijn persoon, +heb niets tegen die drie, en dat de "chasseur" terecht gekomen is, +heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt +gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor +de deur heeft gesproken?" "Ja, mijnheer." "Nu, laat mij u dan zeggen, +indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig +gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze +weggebracht hebben." "Dat mag de drommel weten!" riep de oude bakker, +en keek den raadsheer zoo'n beetje van ter zijde aan.--Mijn oom zeide +niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit +naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker +behoorlijk wilde laten werken.--Dit mislukte echter; het hoofd van +den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken +gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand +toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde +op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe +vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers +woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.--"Baas +Witt," hernam de raadsheer, na een poosje, "'k wou dat ik in Stemhagen +was."--Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide +dus: "Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden." "Zoo +meen ik het niet," sprak mijnheer de raadsheer, "ik meen wegens onze +ontvangst." Nu liep de pint bij den bakker weêr over. "Hoe zoo?" vroeg +hij. "Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort." Nu druipt +het uit de maat tappelings op den grond. "Ontvangst?--Eerepoort?--Hoe +zoo?--Komt onze hertog dan?"--"Baas Witt, die komt niet; maar wij +komen."--Doch nu was 't bij den ouden Witt juist alsof iemand hem, +terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft +uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles +door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging +van den raadsheer eene plaats krijgen. "Baas Witt, ik zeg: wij +komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijk onze stad is, niet +even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor +het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een +hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die +denken er niet aan!--Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij +eens zoo'n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook +naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden, +baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van +den toren blazen kan hij; verder niets.--Ja, als ik er was!"--"Maar, +mijnheer Herse," zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens +bedaard werd, "in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen +vandaan halen?"--"Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de +oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe +heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen +zetten?"--"'t Is waar," sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel +en al vol. "Wat zegt gij, molenaar Voss?" vroeg de raadsheer.--"Ik zeg +volstrekt niets, mijnheer de raadsheer," zeide de molenaar, terwijl +hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er +een toegetrokken tabakszak over zijn' schouder keek; "ik zeg volstrekt +niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik +niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd, +heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd."--"Hoe dat zoo?" vroeg mijn +oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.--"Hm," +zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af, +zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet, +daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte +naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf +in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar +'t was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen. + +Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht +gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd +open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den +grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske +van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart; +hij moest een goed werk tot stand brengen. "Baas Witt," sprak hij, +"ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier +komen; ik heb wat met hem te praten." + +Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid +met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak +zeer zacht met den molenaar. "Molenaar Voss," zeide mijn oom, "ik +help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar +eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een +geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is +'t niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor +u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na +en neem de zaak in handen, want, ziet gij"--en, dit zeggende haalde +hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,--"ik ben er toe +gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche +letters verkeerd lezen?"--De oude molenaar antwoordde, dat hij ze +noch recht, noch verkeerd lezen kon.--"Nu, het komt er ook niet op +aan. Hier staat: Not. Pub. Im. Caes. dat beteekent, ik ben Notarius +publicus, en Im. Caes. beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad +kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene +voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan +niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden +baljuw. De zaak blijft geheim."--Dat beloofde de molenaar dan ook. + +Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op +den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den +achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef +niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag +immers achter in 't afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord +voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen. + +Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann, +die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep: +"Zij komen, zij komen!" Hij had op den molenberg al twee uren op post +gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem +gescheld en was op 't laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan. + +"Zij komen!" riep de bengel.--"Is 't waar, jongen?" vroeg de oude +Rickert, die klokluider was.--"Ja, vader Rickert, ze zijn al op de +weide."--En de oude Rickert zeide bij zich zelven: "Dan is 't niet +anders, dan moet ik er het mijne aan doen!"--Hij ging naar den toren +en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon, +trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren +uitloopen. "Zij komen!--Zij komen!"--"Wie komt?"--"De raadsheer Herse, +en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!"--"Hoera!" riep +Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn' arm in de lucht, maar hij had +vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.--"Hoera!" riep +Tröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. "Maar, +kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!" en hij stiet de vrouw +van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist +bij mamsel Westphalen gehaald had.--"Oera!" riep mijnheer Droi, +die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders "in negligé," en +achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden: +"Vive l'empereur!" toen juist de raadsheer, op den eersten wagen, +door den volkshoop kwam aanrijden. + +Hij zat echter op zijn' zak, en hield de geheele straat langs, +de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de +rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de +aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: "Voss, dit doet +mij de eerepoort vergeten."--En de oude molenaar keek den raadsheer +aan, om te zien, hoe die het deed, en toen deed hij 't ook zoo, en +hij antwoordde mijn' oom: "Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan +Itzig."--De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen, +waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze; +en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den +wagen af: "Goeden dag, oude!--Goeden dag, Bank; hoe maakt het je +bochel?--Goeden dag, Johan!--Goeden dag, Strüwing!--Wel?--Alles +wel?--Hoe is 't met de varkens?" + +Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine +witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in 't hart van +oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven +overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. "Tante," zeide +hij, half overluid;--"tante!"--want hij noemt zijne eigene vrouw altijd +"tante," en zij noemt hem daarom "oom,"--"tante, ik kan uwen wenk niet +opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en +niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te +doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.--Bakker +Witt," riep hij, en daarbij drukte hij zijn' driekanten hoed dieper +in de oogen; "naar 't raadhuis!" De raadsheer had over den huisvader +en oom de zege behaald. + +Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in +keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor +den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van het slot. Marieken Wienk +dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken, +om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet +voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam +hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.--Mamsel Westphalen +stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit +allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van +de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de +baljuw stond daarbij en was altijd aan 't proeven, en schudde het hoofd +en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide: +"Mamsel Westphalen, zóó is 't goed!" En hij keert zich om en zegt tot +mijne moeder: "Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens +laten: de punch geef ik." Mijn vader was met den kurketrekker aan 't +werk, en Luth zorgde voor 't schenken, en de kamerdienaar stond bij +de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd +en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het +zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren +schoot.--Ja, 't was een schoone avond. Frederik stond aan de deur, +paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog +zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem +en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk, +of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn' neus snoot. En +Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de +handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij +haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: "Zult ge ook zooveel van mij +houden?"--Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak +met hem in 't geheim.--Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss +in 't geheim te spreken?--De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte +zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over 't proces was, +zeide hij tot Witt: "Zoo! met het princes heb ik het nu in orde; +nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal 'k van avond in de +punch soppen." "Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss," zegt de +bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne +hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. "Met uwe +permissie, mijnheer de burgemeester, 'k woû graag mijn deel aan het +traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier, +mevrouw, is mijne dochter; neem 't mij niet kwalijk, zij had zoo'n +grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen." + +Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn' oom +Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in +volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn +vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn' mantel beveiligd had; +mijne moeder, omdat hij daardoor mijn' vader had helpen ontvluchten; +mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij 't nooit zou +vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat +zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren; +en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem +in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch, +rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen; +hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: "Ik weet waarlijk niet, +waar mijne goede tante blijft."--Bij de woorden van den molenaar kwam +hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt +zich tot den baljuw en zegt: "Mijnheer de baljuw, ik heb met u een +paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime +aangelegenheid." En daarop trok hij den baljuw in een' hoek.--Wij, +mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die +hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde, +dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn +vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven +aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo +recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want +nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam +binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden +de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en +de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen +was. En tante Herse had een' krans van groene laurierbladen in de +hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders +alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte; +en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had +Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar +oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd, +zoodat de roode linten langs zijn' rug hingen, en zij sprak eenige +zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel +te vroeg met zijn: "hoerah!" in, en de molenaar met zijn: "vivat, de +raadsheer leve!" En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen. + +Ja, 't was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik +eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in +de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn +oom heel wat vriendelijker en voller in 't aangezicht was, dan die +stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als +ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van +bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten +en kreeg er nooit maagpijn van. + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene + maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, + waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop + worden. + + +Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen +uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en +keek mijmerend in zijne laars. "Moeder," vroeg hij eindelijk, "heb ik +gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?" "Och, +kom, vader!" antwoordde zijne vrouw: "ge hebt hem immers gedurig +omhelsd en hem "je lieve zoon" genoemd, en Frederik hebt ge veel +geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudt wezen, en dat zou +niet heel lang meer duren." "Moeder, dan heb ik al heel gekke praat +gepraat."--"Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou +je dat niet bekennen." "De hemel zal me bewaren!" riep de molenaar, +"ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!" + +Frederik kwam binnen. "Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik +kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak +nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt +beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het +noodig zal hebben."--"Hm!" roept de oude molenaar, op zijn' stoel +heen en weêr schuivende. "Ja," zeide Frederik; "maar ik had nog een +ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken, +ofschoon het buitenstijds is?" "Waarom? Wat ben je van plan?" "Ik wou +gaan trouwen!" "Wat, jij, trouwen?" "Ja, baas; ik wou gaan trouwen met +Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient; +en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide +schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht, +konden wij wel op éénen dag bruiloft houden."--Dit was den ouden +molenaar dan toch al te kras. "Jou, bedelaar..." riep hij opspringende +en greep naar de ééne laars. "Bedaar, baas!" zeide Frederik, zich hoog +oprichtende; "die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor +u. Hoe 't met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe 't +met Hendrik en ons Fieken gesteld is, weet ik sedert gisteren middag; +ik lag achter hen in den wagen en 'k heb alles aangehoord."--"Vader," +riep de molenaarsvrouw, "dat zou nog zoo kwaad niet wezen!" "Daar heb +jij geen verstand van!" riep de oude man en liep vreeselijk driftig +door de kamer. "Nu, baas," zeide Frederik, de deur uitgaande, "overleg +de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond +rond, om te overleggen." "Je kunt je getuigschrift krijgen," riep de +molenaar hem achterna, "maar eerst tegen St. Jan." + +Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne +lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht, +dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij +zelf had hem gisteren "zijn lieven zoon" genoemd,--maar, dat was 't +juist! Gisterenavond had de punch hem tot een' rijk man gemaakt, en +vandaag keek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig +zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig +uitstel van executie. "Vader," sprak de molenaarsvrouw, "'t is het +beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen." "Moeder," +hernam de oude man, en 't was een geluk, dat hij nog geene laarzen +aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; "ik zeg je, +dat jij daar geen verstand van hebt!--Wat?--'k Zou den zoon van Jochem +Voss, die met mij in princes ligt, en die met een' grooten zak geld in +'t land rondreist, mijn kind geven,--mijn beste, liefste kind!--en +'k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar +niets, want ik ben een bedelaar!--Neen, moeder, neen! 'k Zou de vodden +moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken, +voor 't altaar zou staan!--Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden +doen wezen!" + +Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor +iemand, zoodat hij 't maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan +zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met +ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed, +zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter +hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den +molenaar was zijn proces, en ook wel zijn slechte beheer in vroegere +tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die +keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij +had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn +leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een +weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet. + +'t Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek +iedereen, en was geheel alleen aan 't werk, in den molen en in den +stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele +jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam +aan, doch heden in burgerkleeding. "Goeden dag, Voss!" riep hij hem +toe. "Nu, onze zaak is in orde!"--Maar de oude molenaar was heden niet +lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: "Ja, als 't maar waar was, +mijnheer Herse."--"Als ik het zeg, vriend Voss," hernam de raadsheer en +haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar +in de kamer, "dan moet gij 't gelooven, want ik ben van daag hier als +notarius publicus."--"Moeder," zeide de molenaar, laat ons alleen, +en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan." Dat was nu juist niet +noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien, +dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had +branden, en hij wilde 't ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne +kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was, +daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar 't kwam hem toch +zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had; +en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen +er bij. + +Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de +raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de +jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse, +tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het +papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op +het gelaat, alsof hij zeggen wilde: "Wat zegt ge nu, kameraad?"--De +molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van "hm" en "nu ja!" en "maar" +en krabt zijn hoofd.--"Vrind Voss," zeide mijn oom, die knorrig werd, +"wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,--kijk +maar, hier!--een gierststengel, omdat ik "Herse" heet; 'k had er +ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in 't Fransch +"herse" beteekent; maar 'k ben niet voor de Fransozen,--en hier, +er om heen, staat mijne authorisatie: not: pub: im: caes: en hier +staat de onderteekening van den jood: Itzig; en wat geschreven is, +is geschreven." "Dat zegt mijnheer de baljuw ook," zeide de molenaar +en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: "wat geschreven is, +is geschreven." "Wat die zegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss, ik +ben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften met +mijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen +uit alle verlegenheid." "Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar +wat dan?"--Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. "Hm! Wat +dan?--Ja!--Nu!--Nu, vriend Voss,"--en zijn goedhartig aangezicht +zette zijne geheele ambtsdeftigheid van notarius publicus ter zijde +en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den +ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,--"nu, vriend +Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder +raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde +brengen. Maar, daartoe is 't noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden +vertelt en al uwe papieren toont." Dat zag de molenaar dan ook in en +hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom +Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele +papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden; +mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht +gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las +alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. "Vriend +Voss!" vroeg hij eindelijk, "is dat alles?" "Ja, mijnheer," sprak +de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland, +als de nachtvorst er over heengegaan is, "en dit is nog mijn kontrakt +met het Stemhager rechtsgebied."--Mijn oom nam het kontrakt, las het +zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel; +maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: "Wat is dat? Daar zijn +we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een +millionnair! 't Gansche Stemhager gebied moet de rechten op 't gemaal +betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf +vier, en wat zegt paragraaf vijf: "voor elk schepel, dat de molenaar +maalt, kan gij wettelijk een schepel als maalloon eischen."--"Een maat, +mijnheer Herse!" riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong, +"van elk schepel eene maat!"--"Neen! Een schepel!--Hier staat: +voor ieder schepel een schepel als maalloon; en wat geschreven is, +is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel +onder gezet." "Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait: +dat is toch maar eene vergissing." "Vergist is ook verspeeld, en wat +geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf +gezegd. "Dat heeft hij, mijnheer," zeide de molenaar, "ja, dat heeft +hij; daar kan ik op zweren." + +Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit +de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en +op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de +rechten op 't gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. "Mijnheer," +riep hij, "dat zal helpen!--Maar... maar..." "Voss," zeide mijn oom +knorrig, "wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en +duidelijk."--"Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan +met de zakken gaan?" "Met de zakken? Met wat voor zakken?" "Met +de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg +ik, maar wie krijgt de zakken?" "Hm," zeide mijn oom, "dat is eene +moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in +'t kontrakt staat niets daarvan; als ik u echter raden moet, behoud ze +dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel: beati possidentes; +dat beteekent: hebben is hebben!--Vriend Voss, nu heb ik u uit alles +geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over +die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!--met niemand +hoegenaamd!--Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van +geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan, +Voss...." "En dan, mijnheer Herse?"--"Dan komt het surplus. Maar, +Voss, de zaak blijft geheim!" + +De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en +Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man +toeknikte en de vinger op den mond legde. + +"Fieken," zeide Hendrik, "mij is 't niet gegeven, om geheimen te +hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe +'t alles is." "Doe dat," zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe 't +met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben, +dat hij nog wat moest wachten. + +Met den ouden molenaar was 't al heel wonderlijk gesteld. Heden +morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder +bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig +kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame +worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang +te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was; +daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was, +als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden +zou, niet recht en billijk was. "Maar" zeide hij dan weder bij zich +zelven: "de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven; +en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik." + +Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te +krijgen, zoo was 't in dit oogenblik in 't geheel niet mogelijk. Toen +Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te +spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij een +geruïneerd man was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem +hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde +nu, dat hij 't goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide +schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen +zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn +pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat +wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest +"hei!" roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door +iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo'n jongen knaap, +als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou +ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!--Zulk eene taal +was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was; +ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen +toon, dat de molenaar "ja!" of "neen!" zeggen moest, of hij hem zijne +dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om, +keek uit het venster en zeide: "neen!" Hendrik keerde zich ook om +en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het +rijtuig van Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij +Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel +bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: "Hendrik, het woord, dat ik +je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!" Hij knikte +met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw, +die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op +den wagen en reed zachtjes weg. + +Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen, +en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en +vroeg: "Hendrik, waar rijdt gij heen?" "Naar Stemhagen." "Blijft gij +daar van nacht?" "Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal +blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken." "Dat +moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook +nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook +nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen +ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is." Hendrik beloofde, +op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan. + +Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een' vracht koren naar +den molen reed en zeide: "Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met +den avond ben ik weêr t'huis, dan praten we een beetje samen." + +Wel ja! wel ja! 't Was al lang avond, en de bakker was al lang t'huis; +maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik +was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot +zijne dochter: "Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat +de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen, +want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al +het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang +gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man +heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs +worden! Toen ik hem vroeg: "Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen +halen?" zeide hij: "Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien." En +toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij, +dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik +wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding +mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan, +die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij 't goedvond. "Wel, dat +'s toch gek," zeide vrouw Strüwing. + +Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken +uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij +daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in +de rede en vroeg: "Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen +doen?" "Waarom niet?" hernam de bakker. "Bij u komen veel menschen, +en gij hebt ook plaats in uw' stal; ik wou mijn paard en mijn' wagen +verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?" "Waarom +niet?" vroeg Witt. "Maar Hendrik," liet hij er na een poos op volgen, +en 't was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne +gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan +hij het gesprek wilde voortzetten, "maar, Hendrik, dat heeft immers +tijd.--De paarden--de paarden--zijn nu zoo goedkoop; waarom?--Wel, +wat weet ik 't! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is, +dat de Fransoos ze hem 's nachts niet uit den stal haalt; maar, de +paarden,--ge zult zien,--zij worden duur,--want--ge zult zien:--in den +tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos." "Dat heb +ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden, +baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. "Ja," viel Frederik +hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was; +"ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden +zal veel gevraag zijn, als 't aan den gang gaat, en naar de vrouwlui +weinig en als 't voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten +zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam +iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken; +die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al +gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.--Ik zei, +dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag +behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd: +maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest +wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik +eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik +mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik +heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort, +dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn +goed. En nu, adjuus! 'k moet van avond weer op den molen zijn." + +Daarop vertrok hij.--Hendrik ging hem na. "Frederik, wat beteekent +dit?" vroeg hij. "Wat dit beteekent?" hernam Frederik. "Dat zal ik +u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is +hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken +lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, 't komt er ook niet op +aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een +uil is, is voor den ander een nachtegaal." "Frederik," gaf Hendrik hem +zacht ten antwoord, "spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden, +en ik ook." "Wat, gij?" "Stil!--Ja, ik ook. Ik heb geene familie en +ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken +en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn +molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en +mijn paard en wagen verkoop ik." "Hoera!" riep Frederik. "Geef mij +de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je 't al dadelijk den eersten +morgen aan, dat er een soldaat in je stak."--"Ja?" zeî Hendrik, +"dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het +volbrengen?" "Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft, +dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de +Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de +rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor 't vaderland. Zie, ik +kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk +naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar +een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de +rechterwang,--ge zult hem wel vinden--en meld u en mij bij hem aan: +"Frederik Schult," en 'k had al gediend, maar ge behoeft niet te +zeggen, dat ik eens van 't kinderwiegen gedeserteerd ben. En als +ge 't in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik." "Dat zal +gebeuren!" riep Hendrik. "En Frederik, groet jelui Fieken nog van +mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik +haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden." "Dat zal ik waarnemen, +en nu goeden nacht!" "Goeden nacht!"--En toen Hendrik zoo bleef staan +en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek, +bij de apotheek, nog: "Dumouriez! Vervloekte patriotten!" + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in 't molenaarshuis + bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen + rijden en waarom Fieken hen volgt. + + +De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het +er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het +opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen +hadden slechts pieken,--alleen de rektor Schäfer had door den smid +Tröpner een hellebaard laten maken,--mijn oom Herse richtte een korps +scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge +landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te +lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien, +dat zóó'n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó'n +tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren +hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen +troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: 't Is mogelijk, +zeg ik; maar den geest zouden ze niet verjaagd hebben; over enkele +kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd +niemand, zelfs Bonaparte niet. + +Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van den +Weichsel tot aan de Elbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: "de +Franschen komen!"--Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan, +om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is, +dan hebben zij 't te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef +door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp +bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat +ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo 't overal +te gelijk den storm had willen stillen. + +De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz +zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen; +in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, 't was een verward +huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën +ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak +besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers +wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en +de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de +schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in 't eerste +stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem, +bij 't vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van 't +geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn +oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan 't exerceeren in +'t volle vuur, met de één-en-twintig jachtgeweren, altijd allen te +gelijk. Zijn hoofdkommando was: "roef! roef!"--dan moesten zij allen +op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen; +toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd +doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow, +de snijder, het gedaan had, maar 't is niet bewezen geworden. Eindelijk +waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow +kommandeerde: "links zwenken!" kwamen zij ook werkelijk allen de +Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit; +en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij +marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst. + +Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen +kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen, +en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij +zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen +hij aankwam, werd hij met "Vivat!" door zijne troepen ontvangen; hij +hield daarop eene aanspraak en zeide: "Kinderen! Soldaten zijn wij +niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op +aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen +plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien, +dat wij op onzen post zijn. Doch 't is erg, dat ik niets van de +krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien, +die daarin ervaren is.--Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en +wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan +moet worden.--Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts, +voor 't vaderland!" "Hoera!" riep zijn volk, en voorwaarts ging het, +den vijand te gemoet. + +De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp +kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich +aan. "Johan Heinz," zeide mijn oom Herse tot zijn' adjudant, "dit +zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed +te gebruiken, zooals wij 't bij de kozakken gezien hebben, maar zij +brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom +goed op een hoop, en, als 't er op losgaat, dan maar altijd "roef!"" + +De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude +inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden +pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang +te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen +geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij: +"Kinderen! mij dunkt, 't is voor vandaag genoeg, en als wij nu +omkeeren, komen wij nog met den dag thuis."--De inval was goed; +kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis, +uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die +in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden. + +Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg: +"Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel een +beetje in uw' wagen leggen?" "Zeer gaarne, mijn vriend." En nu kwamen +de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen, +allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te +Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit +als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen. + +De raadsheer Herse liet nog driemaal "roef, roef!" op de markt +schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen +was verdrietig. "Johan Heinz!" sprak hij tot zijn adjudant: "daar +kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den +windmolen in brand steken?" + +Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging 't op +den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en +kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den +zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en +telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: "Gode +zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!" al naar +dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer +moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en +hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan +en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien, +en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij +weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de +vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem +bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk, +met tranen in de oogen, hem vroeg: "Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat +heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?" dan was 't verschillend, +wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan +van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar +moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had +hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei +hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij +moest weten, wat hij te doen had. + +'t Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle +kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de +bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij +had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist, +en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met +aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest +naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren, +om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen, +maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam +op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde +allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór +paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar +zeide bij 't middageten tot zijne vrouw en Fieken: "Zie zoo! van hem +zijn wij af; hij heeft zijn geld."--Zijne vrouw en Fieken zwegen +stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart, +want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in +hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder +en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en +hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem, +dat hij ook bij den baljuw moest komen. "Als 'k wil," antwoordde +Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den +baljuw kwam hem in de gedachte: "dat zal ik niet vergeten, wat ge +gedaan hebt."--"Als gij niet komt," zeide de veldwachter, "dan is dat +voor uwe eigene verantwoording."--"Die heeren denken altijd," hernam +Frederik, lachende, "dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten +plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want +mijn tijd bij den molenaar is om."--"Je zult je wel bedenken!" bromde +de molenaar; "tot Sint-Jan heb ik je gehuurd." + +Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen +van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde +Frederik naar bakker Witt heendraaien.--"Halt," riep de molenaar, +"daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan."--"Wel, baas," zeide +Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp, +"rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt." En dit zeggende, +ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet +geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet +hebben, zelfs, hoewel 't Frederik was; heden zeide hij niets: hij +was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor +de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van +den raadsheer aan den overkant. + +Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken, +in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de +kachel zat te schreien. "Moeder," sprak zij, "ik kan 't niet helpen, +ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal, +ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of +niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is...."--"Hij heeft +het in zijn onverstand gedaan!" riep de molenaarsvrouw haar toe. "En +daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden, +of zijne vrouw, of iemand anders,--ik weet het ook nog niet,--de goede +God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven." "Ga, +mijn Fieken," sprak hare moeder. + +Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij +kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij +vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de +kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood +buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op: +"Dumouriez! Fieken, waar komt gij vandaan?"--De soldaat sprong +ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar +Hendrik?--Ja, hij was 't, hij legde zijn arm om haar heen en zeide: +"Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?"--O, +zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: "Hendrik, Hendrik; +jij onder de soldaten?" "Nu," riep Frederik haar toe; "Fieken, gij +houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan +onder de soldaten?" Fieken luisterde niet naar 't geen hij sprak, zij +had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij +de woorden: "Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat +is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?" + +"Fieken," zeide Hendrik, "om mijnent wille behoeft hij zich geene +verwijtingen te doen, en indien ik in 't eerst ook maar weg wilde,--'t +was mij 't zelfde waarheen of waartoe;--nu is dat anders, nu weet ik +eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek; +nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat een kamerraad>kameraad zijn +kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor +'t vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar, +als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet +nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij." "Zoo spreekt een +kerel!" riep Frederik uit. "Goed, Hendrik!" zeide Fieken, "je hebt +gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer +zoeken; het ongeluk hangt ons boven 't hoofd, en wie weet, hoe kort +de molen ons nog huisvesting geven zal." "Och, kom Fieken!" zeide +Frederik; "je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend; +hij is, tot aan den hals toe, in 't water gegaan, maar daarom is +'t nog niet noodig, dat de golven hem over 't hoofd klotsen; hij +heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken." "Wie kan +hem helpen?" zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in +haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet +heeft." "O," hernam Frederik, "Hendrik weet er wat van, hij heeft +er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens +vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw." + + + + +EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Waarom de molenaar er bij blijft, dat geschreven is, wat + geschreven is. Waarom mijnheer de baljuw Frits Sahlmann aan + zijn oorlapje trekt, en mijn oom Herse steeds van zijn stuk + geraakt. En hoe de geschiedenis heel mooi ten einde komt. + + +Hij ging, en Hendrik en Fieken bleven alleen.--Op het slot zat +de oude baljuw met den poedermantel op den poederstoel; hij was +verdrietig. "Netje," zeide hij, "de mantel zit mij te stijf om de +keel." "Wel Weber, hoe kan die te stijf zitten?" "Netje, hij trekt +me, en ik ben geen turksche pacha, die vooraf probeert, of 't pijn +doet, als iemand zich met een' zijden koord verworgt."--"Nu, is +'t zoo goed?"--"Hm, ja; maar dat is een verdrietige zaak." "Wat dan +toch, Weber?" "Met den Gielowschen molenaar; de oude man is zeker +gek geworden, wil ik maar zeggen, ofschoon zijne zaak zeer veel +van misdrijf heeft." "Wat heeft hij gedaan?" "Wel, wat hij gedaan +heeft? Al het koren heeft hij gehouden, wat de menschen hem gebracht +hebben, om te malen, en naderhand moet hij 't aan Itzig verkocht +hebben. Waar kijk je naar, Netje?" "Och, ik zie hem daar juist met +den raadsheer Herse aankomen." "Met den raadsheer Herse?" riep de +oude heer; hij stond op, en keek ook uit het venster. "Wat wil de +raadsheer Herse, Netje?" "Hij praat immers met den molenaar." "En heel +druk praat hij met hem, Netje!" sprak de oude heer, en zijn gelaat +helderde geheel op, en een vroolijke glimlach speelde om zijn mond; +"Goddank! nu zal ik den molenaar van slechtheid kunnen vrijspreken; +het zal op eene dwaasheid neêrkomen, want de raadsheer is meê in 't +spel." "De raadsheer is toch zoo'n goede, eerlijke man." "Dat is hij, +Netje, maar, hij doet ook soms dwaze dingen; dwaze dingen doet hij +soms!" Dit zeggende ging mijnheer de baljuw naar de gerechtszaal. + +Vóór de gerechtszaal stonden de pachter Roggeboom, de bakker Witt, +de schout Besserdich, en nog wel een dozijn anderen, die allen +den molenaar aangeklaagd hadden. Toen deze nu, met den raadsheer, +tusschen hen door ging en zijne beste vrienden tegen zich zag optreden, +zakte hem het hart in de schoenen; en toen zij hem allen ontweken +en hij zijne beschimping in hunne oogen kon lezen, werd hij angstig +te moede; hij moest zich aan den arm van den raadsheer vasthouden en +zeide zacht: "Mijn lieve mijnheer Herse, mijn lieve mijnheer Herse, +ik ben zoo akelig." Zoo iets is aanstekelijk; mijn oom Herse werd ook +akelig. Voor de eerste maal, gedurende al den tijd, dat die zaak aan +den gang was, begon er een duister voorgevoel in hem op te rijzen, dat +hij zich waarschijnlijk in ongelegenheid brengen zou. Alles, wat hij, +ten voordeele van den molenaar spreken wilde, draaide verward door zijn +hoofd, en toen de oude Voss in de gerechtszaal werd binnengeroepen en +hij medeging was hij geheel en al den tekst kwijt en zelfs zijn deftig +voorkomen begon hem bijna te begeven, toen de oude baljuw zeer ernstig +de vraag tot hem richtte: "Wat verschaft mij de eer u hier te zien, +mijnheer de raadsheer?" + +Mijn oom Herse was bijzonder ver in juiste antwoorden; doch, men moest +hem tijd laten; hij moest altijd eerst een grooten omweg maken, eer +hij tot de zaak zelve kwam; deze vraag was hem al te veel op den man +af, en de oude heer zag er hem te strak uit; hij mompelde dus zoo wat +tusschen de tanden van notarius publicus en gerechtelijken bijstand +voor den molenaar. "Bijstand?" vroeg de oude heer, en eene kluchtige +uitdrukking kwam op zijn gelaat. "'t Is goed mijnheer Herse, ga zitten, +als ik u verzoeken mag, en hoor toe."--Mijn oom Herse ging dus zitten, +en dat was een geluk voor hem, want hij kon, onder 't zitten, beter +nadenken en ook beter tot zich zelven komen. En zoo dacht hij dan +na, en kwam tot zich zelven. "Molenaar Voss," vroeg de oude heer, +"hebt ge van dien--en dien--en dien--koren om te malen gekregen?" "Ja +mijnheer de baljuw." "Waar is dat koren gebleven?" "Dat heb ik aan +Itzig verkocht; maar de zakken liggen bij mij in huis, die zal ik aan +'t gerecht afleveren." "Zoo? Wel, dat is alleraardigst. Maar, weet ge +wel, dat ge u met groote ongerechtigheden hebt afgegeven, en dat het +zeer veel van bedriegerij heeft?" "Mijnheer de baljuw," antwoordde de +molenaar; "ik ben in mijn recht," en hij wischte zich met de vlakke +hand het klamme zweet van 't voorhoofd. "Ja," zeide mijn oom Herse, +opstaande, "wij zijn....."--"Mijnheer Herse," zeide de baljuw, "ik +heb in mijne gerechtszaal mijne eigene manieren; ik verzoek u te gaan +zitten en toe te hooren." Waarom was mijn oom Herse ook opgestaan? Nu +was hij weêr van zijn stuk geraakt en moest weêr gaan zitten, om +opnieuw tot zich zelven te komen. "Molenaar Voss, wat praat ge van +uw recht?" "Wel, mijnheer, gij hebt mij zelf gezegd: wat geschreven +is, dat is geschreven; en in mijn nieuw kontrakt van verleden jaar +staat het geschreven dat ik van elk schepel een schepel maalloon zal +hebben." "Waar is je kontrakt?" "Hier," antwoordde de molenaar en gaf +het hem.--De oude heer las het kontrakt, schudde het hoofd en zeide: +"Hm, hm! Dat is toch eene wonderlijke zaak!" Hij nam de schel en +schelde: "Frits Sahlmann moet eens binnenkomen!" Frits kwam. "Frits, +kom eens hier, wat dichter bij!" Frits kwam dichter bij; mijnheer de +baljuw trok hem aan zijn oorlapje en bracht hem bij de tafel, waar het +kontrakt op opengeslagen lag. "Frits, wat heb ik je altijd gezegd? je +zult nog eens in je onbedachtzaamheid allerlei onheil aanrichten, +en nu is 't waarlijk zóó uitgekomen, je hebt nu een paar oude lieden +tot dwaasheden verleid, die hun duur te staan konden komen, wanneer +ik niet wist, dat het enkel dwaasheden waren. Neem de pen en schrap +hier: "schepel" uit; en schrijf: "maat" er boven." Frits deed zulks; +mijnheer de baljuw nam het kontrakt en gaf het aan den molenaar, +zeggende: "Zie zóó, molenaar Voss, nu is alles in orde!"--"Maar, +mijnheer de baljuw...." riep de molenaar uit.--"Voss," viel de oude +heer hem in de rede, "ik zal met de beschuldigers spreken, dat zij +je acht dagen uitstel geven, maar dan moet je hun het koren of het +geld er voor verschaffen, anders loopt het niet goed af."--"Maar, +mijnheer de baljuw...." riep oom Herse, en hij stond op. De baljuw +zag hem aan: oom Herse was blijkbaar van zijn stuk. "Mijnheer Herse, +ik verzoek u te gaan zitten en toe te hooren," sprak de oude heer op +hoogst ernstigen toon. "Mijnheer Herse, gij hebt kind noch kraai, en +gij hebt zooveel, dat gij toch goed kunt leven; laat dan den notarius +publicus varen, en kunt gij daar niet toe besluiten, blijf er dan +mede uit ons rechtsgebied. Iets goeds komt er voor ons nooit uit +voort." Daarop keert hij den raadsheer zijn rug toe, schelt en zegt: +"Frederik Schult, de knecht van den molenaar, moet binnenkomen." + +De oude molenaar was geheel verslagen en ternedergedrukt naar de +deur gegaan; mijn oom was hem gevolgd; maar men kon 't hem aanzien, +dat het in zijn hoofd bruiste en kookte. In de deur bleef hij staan; +hij strekte beide armen vóór zich uit; nog sprak hij geen woord; +maar nu--nu kwam Frederik binnen en schoof hem een goed eind op zeide +en de deur uit;--hij wierp een knorrigen blik op Frederik,--de oude +gerechtsdienaar Ferge deed de deur dicht, en dat was de laatste blik, +dien hij in rechtszaken gedaan heeft, want sedert dien tijd liet hij +den notaris geheel en al varen. + +"Mijn zoon," zeide mijnheer de baljuw tot Frederik, "kom een beetje +dichter bij! Gij zijt het immers, die met mijne Fieken Besserdich +wilt gaan trouwen?" "Neen mijnheer," sprak Frederik. "Ei," zeide +de oude heer, en keek hem nauwkeuriger aan, "dient ge dan niet +bij den molenaar?" "Neen," zeide Frederik weder en verroerde zich +niet. "Wat?" vroeg de oude heer, "zijt ge dan niet de molenaarsknecht, +Frederik Schult, tot wien ik eens gezegd heb, dat ik aan hem denken +zou?" "Die Frederik Schult ben ik, mijnheer, maar ik dien niet meer +bij den molenaar; daar ben ik vandaan gegaan; en de deern wil ik niet +meer hebben, want zij liet mij loopen, en de molenaarsknecht ben +ik ook niet meer, want sinds een half uur ben ik onder de soldaten +gegaan." "Wel, ga daar maar onder! Ik geloof, dat je daar op de rechte +plaats zult wezen. Maar, mijn zoon, er ligt bij mij nog wat voor je in +'t zout. Zijt gij 't niet geweest, die 't eerst den mantelzak van het +paard des "chasseurs" afgenomen hebt?" "Ja," "En ge hebt den mantelzak +open gemaakt, en er geld uitgenomen en dus geweten, dat er geld in +was?" "Dat heb ik," antwoordde Frederik, en hij zag er onverschrokken +uit, "en ik spreek het ook niet tegen." "Welnu, luister dan eens heel +goed naar 't geen ik je zeggen zal. Dat geld is onbeheerd goed, want +de Franschen hebben het laten varen; gij hebt het gevonden en hebt het +je ook al toegeëigend, want ge hebt er van genomen; nu is er evenwel +nog een kerel, dien noemen ze "fiscus;" dat is een brutale kerel, +die alles inslokt, wat hij krijgen kan, en bovenal is hij verzot op +onbeheerd goed, en dit heeft hij, om zóó te spreken, ook al in zijne +kaken. Maar somtijds krijgt hij ook aanvallen van zachtmoedigheid, +wanneer hij eene oprechte, ware eerlijkheid aantreft, en iemand hem +die recht duidelijk voor de oogen stelt. Dat laatste heb ik nu naar +mijn vermogen beproefd en mijnheer de "fiscus" heeft ten uwen gevalle +afstand van het geld gedaan. En, zie hier, mijn zoon, dit is 't, wat +er bij mij voor je in 't zout ligt!" Dit zeggende, nam hij een doek +weg, en de mantelzak van den Franschman kwam te voorschijn. "Frederik +Schult, de mantelzak en het geld behooren u toe!" + +Daar stond Frederik en zag mijnheer den baljuw en den mantelzak aan, en +dan weêr den mantelzak en mijnheer den baljuw, en begon zich eindelijk +heel hard achter de ooren te krabben. "Wel," vroeg de oude heer en +legde hem de hand op den schouder. "Nu, wat dan, Frederik?"--"Hm" +zeide Frederik, "ja, mijnheer de baljuw, en ik bedank u ook zeer, maar +'t komt me niet recht gelegen." "Komt het geld je niet gelegen?" "Nu +ja, het geld komt me wel gelegen, maar 'k heb er op dit oogenblik +maar niet veel aan. De deern wil me niet hebben, en ik ben onder de +soldaten, en daar kan ik het toch niet meênemen." "Hm," zeide de +oude heer, terwijl hij met groote stappen in de kamer op en neder +ging; "dat is toch eene wonderlijke zaak." Eindelijk bleef hij voor +Frederik staan en zag hem met een beteekenisvollen blik in de oogen, +zeggende: "Frederik Schult, kontant geld is tegenwoordig schaarsch, +en ik weet plaatsen, waar de huisvader zich daarom de handen aan stuk +wringt, en vrouw en kind in tranen nederzitten."--De molenaarsknecht +Frederik Schult keek op; hij zag in de oogen van den ouden baljuw, en +'t was hem, alsof hem vandáár een straal tegenblonk, die zijn hart +verwarmde. "Dumouriez!" riep hij uit, greep naar den mantelzak, nam +dien onder den arm, en zeide: "Ik weet waar ik wezen moet, mijnheer de +baljuw. Adjuus, mijnheer!"--Hij wilde weggaan; de oude heer ging hem +na tot aan de deur. "Frederik Schult," zeide hij en nam zijne hand, +"mijn zoon, als ge uit den oorlog terugkomt, moet ge eens bij mij +aankomen, en mij vertellen hoe 't je gegaan is." + +De gerechtszaal was ledig; mijnheer de baljuw zat bij zijne vrouw in +hare kamer en zeide: "Netje, die molenaarsknecht, die Frederik, als +die eens bij mij terugkomt, dan zal ik mij, geloof ik, meer verblijden, +dan wanneer eene prinses mij kwam bezoeken." + +Toen de molenaar en mijn oom Herse den slotberg afgingen, spraken +zij geen woord, maar uit geheel verschillende oorzaken; de molenaar +zweeg, omdat hij geheel in zich zelven gekeerd was,--mijn oom, omdat +hij geheel buiten zich zelven was; hij kon de woorden niet vinden. Ten +laatste barstte hij uit: "Dat moet een gerechtsdag verbeelden? Dat moet +een vonnis verbeelden! Die oude baljuw, die oude lompe kerel, laat +die een mensch aan het woord komen? Molenaar Voss, wij gaan verder, +wij gaan ter tweeder instantie." "Mijnheer Herse," zeide de oude +molenaar, geheel verslagen; "ik ga niet verder, ik ben ver genoeg, +ik ben al tot den grond gegaan." "Vader," sprak de oude bakker Witt, +die achter hen aan was gekomen, en de woorden van den molenaar gehoord +had, "trek u dat niet te zeer aan, 't kan alles beter worden. En gaat +nu meê naar mijn huis; uw Fieken is er ook." "Mijn Fieken?" Maar de +bakker liet hem niet verder aan 't woord komen, en de oude molenaar +volgde hem in 't huis als een lam. 't Was niet de armoede, maar de +schande, die hem nederdrukte. + +Mijn oom Herse ging niet mede het huis in; hij liep vóór de deur op en +neder, en allerlei gedachten kwamen bij hem op. Mijn oom had altijd +veel gedachten, en gewoonlijk gingen die in zijne hersenkast rond, +als kleine, aardige, nette kinderen met heldere, blauwe oogen, en al +verjoegen ze elkaâr ook menigmaal, of al duikelden ze over elkander, +of al speelden ze dikwijls blindemannetje en al richtten ze allerlei +dwaasheden uit, zoo waren ze toch altijd in zondagskleêren, en in +zijn oog, netjes en sierlijk om aan te zien;--doch, de gedachten, die +voor de deur van Witt bij hem opkwamen, waren als eene bende havelooze +bedelkinderen, die zich niet lieten afwijzen maar de handen uitstrekten +en uit éénen mond riepen: "Raadsheer, raadsheer Herse, help gij den +molenaar! Gij hebt hem in de knoei gebracht, help er hem nu ook weêr +uit!"--"Goede hemel," zeide mijn oom, "laat mij toch met rust! Ik +wil immers; ik wil eene hypotheek op mijn huis nemen, maar waar zal +'t geld vandaan komen?" En de kleine bedeljongens brachten hem zóó in +'t nauw, dat hij bij bakker Witt, in de oprijpoort moest gaan staan, +om van hen bevrijd te worden. + +Hier stond Hendrik, bezig om zijne beide bruintjes, die nog niet +verkocht waren, te zadelen en op te toomen; en toen mijn oom hem in +het roode buis, en met den krijgsman onder den neus, ter nauwernood +herkende, kwam Frederik juist de poort in en gooide zijn' mantelzak +in de kribbe, zoodat het rammelde en klonk. "Hendrik," riep hij hem +toe, in den beginne is alles moeilijk, zeî de duivel en hij droeg +molensteenen, maar..."--hier werd hij den raadsheer gewaar en bleef +in zijne rede steken;--"goeden morgen, mijnheer Herse, en neem 't +mij niet kwalijk, maar, gij kunt mij een groot genoegen doen. Zie, +de molenaar heeft mij nog tot Sint-Jan gehuurd, en blijven moest +ik eigenlijk zoo lang; maar, 'k heb toch zoo'n grooten lust om te +trekken; en zeg gij hem nu, als hij mij laat gaan, dan woû 'k hem +het Fransozengeld leenen, totdat ik terugkom, want dat hebben ze mij +vandaag op het slot toegewezen, en 't ligt hier in de kribbe." + +Weg waren uit de verstandskast van mijn' oom de kleine +bedeljongens,--de aardige, zondagsch-aangekleede kinderen sprongen +er in rond en duikelden, en hij zelf begon bijna te duikelen, over +een' halsterketting, toen hij naar Frederik toesprong en uitriep: +"Frederik, Frederik! Je bent een--je bent een--een engel!"--"Ja, +een oude, mooie engel!" zeide Frederik.--"Frederik," riep mijn oom, +"dat willen we dadelijk op schrift brengen."--"Neen, mijnheer Herse," +zeide Frederik, "dat willen we niet doen; daar zou weêr een schrijffout +kunnen insluipen, en dan kon daar weêr ellende door ontstaan. Wat van +mond tot mond gesproken is, dat zal gelden."--"Hendrik," zoo wendde hij +zich nu tot dezen; "hebt ge alles, ook met Fieken, in orde?" Hendrik +stond achter zijn paard, hij had beide zijne armen op den zadel +gelegd, zag daarover heen en knikte met het hoofd, want spreken kon +hij niet.--"Nu dan!" riep Frederik en reikte naar den teugel van +het spattige rijpaard; maar Hendrik trok hem den teugel uit de hand, +sprong in den zadel, en, hem den toom van den fraaien, bruinen ruin +toewerpende, riep hij uit: "Broeder! het beste is voor jou nog te +slecht!"--"Maar," riep mijn oom, "wilt gij dan den molenaar en Fieken +niet...?"--"'t Is alles al in orde!" riep Frederik. "Adjuus, mijnheer +de raadsheer!" En weg draafden zij, de Brandenburgsche poort uit. + +Wij, kinderen, stonden bij de poort en keken hen na. "Dat zijn geen' +Fransozen!" zeî Johan Bank.--"Dat zijn een paar van de onzen!" zei +Frits Risch. En 't was alsof een eigenaardige trots over ons gekomen +was. + +"God geve, dat zij wederkomen!" sprak de oude vader Rickert. + + + +En zij kwamen weder. Na jaar en dag en nogmaals na jaar en dag was +een voorjaar voor Duitschland aangebroken. Veldslagen hadden plaats +gehad, bloed had gestroomd op de bergen en in de dalen, maar de regen +had het weggespoeld en de zon had het opgedroogd, en de aarde liet +gras daarover groeien en de wonden van 't menschenhart waren door +de hoop verbonden met een' balsem, dien zij vrijheid heeten. Vele +zijn naderhand weder opengegaan, want het scheen wel, dat het niet +de echte, van den hemel afkomstige, balsem was. + +Doch daaraan dacht in dit schoone voorjaar niemand, en in mijne kleine +vaderstad groeide en bloeide het in tuinen en velden, en de bezwaarde +menschenborst haalde ruim adem; want vrede met God en menschen lag +over de wereld verspreid. Het scherpschutterskorps van oom Herse had +zijne een-en-twintig jachtgeweren in de kast gezet; en mijn oom had +er een muziekkorps uit bijeengebracht, wat hij eene kapel noemde; +'t kwam hem daarbij zeer te stade, dat hij hun in den oorlogstijd +geleerd had, om allen tegelijk af te vuren, want nu vielen zij van +zelf met violen en fluiten en klarinetten gelijktijdig in. Des avonds +brachten zij serenades, en ik kan nog heden de melodie zingen, daar +zij altijd hetzelfde stuk speelden; mijn oom heeft mij later gezegd, +dat het variaties waren op het mooie thema: "Gisteren was neef Michel +hier."--Toen de slag bij Leipzig gewonnen was, brandden er vreugdevuren +op den Uilenberg en op den Molenberg en de stad was geïllumineerd; +geschoten werd er wel is waar niet, want wij hadden geene kanonnen; +maar kanongebulder hadden wij toch; de adjudant van den raadsheer, +Johann Heinz, en de oude dokter Metz waren namelijk op den gelukkigen +inval gekomen, om eenige zeer zware steenen op eene mestkar te leggen, +en gooiden die met alle geweld tegen de groote poort van den ouden +podagreusen Kasper aan, zoodat er een echt kanongebulder ontstond en +de poort in stukken viel. + +En wat was 't een gejuich, en wat was 't eene heerlijkheid, wanneer +de eene moeder aan de andere vertelde: "Zeg eens, nicht! mijn Jochem +is er ook bij geweest, en hij heeft geschreven, dat hij er gelukkig +afgekomen is." En Hendrik had ook geschreven, en Frederik had zijne +groeten laten doen. En toen dat in Stavenhagen bekend werd, ging het +van mond tot mond: "Wel, die goede Frederik! Laat hem maar loopen! Dat +is een oud gediende!" En iedereen sprak van den ouden Frederik en +zóó heeft zich, van lieverlede, in mijne vaderstad Stavenhagen, +de overlevering verbreid, dat de oude onderofficier Frederik Schult +eigenlijk den slag bij Leipzig gewonnen had; hij had aan zijn' overste, +Warburg, gezegd, hoe 't gedaan moest worden, en die had het aan den +adjudant van den ouden Blücher gezegd, en de oude Blücher had gezegd: +"Frederik Schult heeft gelijk!" Dat had hij gezegd! + +Maar ook deze tijd vol gejubel en vol twijfel, vol vrees en vol hoop, +was voorbij, en het schoone voorjaar was gekomen, van 't welk ik +hierboven gesproken heb. En op zekeren dag was eene mooie koets den +weg naar het slot opgereden en de menschen zeiden, dat het op het slot +feestelijk toeging. Frits Sahlmann kwam den eenen dag in de stad en +vertelde, dat het met mamsel Westphalen wel spoedig gedaan zou wezen; +want als dat acht dagen zoo voortging, dan zou zij zeker nog maar +in de graten hangen, en de gasten zouden, naar hij zeide, acht dagen +blijven. Den anderen dag kwam hij weder en vertelde, dat mijnheer de +baljuw al klokke negen was opgestaan en het venster had opengemaakt +en gezongen had, met zijne natuurlijke stem gezongen!--en de vrouw van +den baljuw had achter hem gestaan en had hare handen ineengeslagen; en +hij,--Frits Sahlmann,--moest vele komplimenten doen aan mijn' vader en +mijne moeder, en, zoo het mogelijk was, moesten zij van middag komen +eten. Op den derden dag werd ik netjes aangekleed en naar het slot +gezonden: vele komplimenten aan mijnheer den baljuw en aan mevrouw, en +aan de logeergasten en zij werden verzocht op thee en een avondbroodje, +mamsel Westphalen ook, en mijne moeder stampte het mij behoorlijk in, +dat ik tot de jonge dame altijd "genadige vrouw" moest zeggen. + +Toen ik binnenkwam en mijne boodschap overbracht, zat mijnheer de +baljuw op de kanapé en naast hem zat een oud heer, die er zeer ernstig +uitzag, en de baljuw zeide tot hem: "Dat is mijn peetekind, dat is +burgemeesters Frits." En de vreemde heer werd vriendelijker en ik +moest hem de hand geven en hij vroeg mij naar 't een en ander. Terwijl +ik nog bij hem stond, werd de deur geopend en binnenkwam--de Fransche +overste Von Toll, en hij had zijn arm om eene jonge, beeldschoone vrouw +geslagen; dat was zijne "genadige vrouw." Ik keek den overste aan en +'t was mij, alsof ik hem al meer gezien had, en daar de mensch, als +hij in 't onzekere is, juist niet het verstandigste gezicht vertoont, +is mij dit toen zeker ook wel zoo gegaan, want zij lachten beiden +en toen ik de komplimenten van vader en moeder had uitgestameld, +zeiden zij, dat zij komen zouden; de vreemde dame streek met hare +hand over mijn hoofd en zeide, dat ik stug haar had, en misschien ook +wel een stuggen aard, en de baljuw zeide: "Daar kunt gij wel gelijk +in hebben, kindlief, maar wat hij met zijn onbuigzaam hoofd misdoet, +daar zal hij dan maar met een' weeken rug voor moeten boeten." + +Dien avond ging het weêr heel feestelijk toe bij ons, maar 't was niet +zoo vroolijk, als toen mijn oom Herse Julius Caesar voorstelde; en +punch werd er ook niet geschonken, maar Marieken Wienk moest langkurk +brengen; dat was toen de beste wijn, want geen mensch wist toen wat +van grand vin château of champagne. De mannen spraken over den oorlog, +en de vrouwen van de bruiloft, die morgen op den Gielowschen molen zou +plaats hebben, en toen de gasten weggingen, keerde de overste zich naar +mijn' vader toe en sprak: "Maar, mijnheer de burgemeester, niemand mag +ontbreken van al degenen, die in dit stuk hebben medegespeeld!" Mijn +vader beloofde hem, dat niemand ontbreken zou. + +Den anderen middag gebeurde het weder eens, dat de oorlogs- en +bagagewagen van den baljuw gesmeerd werd, en hij en zijn vriend +Renatus Von Toll zaten er naderhand in en reden de Malchinsche poort +uit. "Juffrouw Stahl," zeide mamsel Westphalen later: daar zaten zij +beiden te zamen in het rijtuig en keken zoo vriendelijk en onschuldig +in de wereld rond als een paar pasgeboren tweelingen. En, juffrouw +Stahl, in de mooie koets der logeergasten had de genadige vrouw Von +Toll, en de vrouw van den baljuw en de vrouw van den burgemeester +en ik de eer te rijden; en de vrouw van den burgemeester had haar +jongen, haar Frits, medegenomen en die bengel hing mij den heelen +weg over, op 't lijf, zoodat mijne voeten begonnen te slapen, en +als de huzaar-onderofficier Frederik Schult er niet geweest was, +dan zou ik, bij 't uitklimmen, van de treê gevallen zijn. Dat komt +van die kinderen, dat zeg ik."--En op een' grooten korenwagen zaten +de bakker Witt en zijne dochter, en Luth en Fiek Besserdich en Frits +Sahlmann, en mijnheer Droi, en van achteren in den wagen lag een hoop +armen en beenen: dat waren de kleine Fransche kindertjes van mijnheer +Droi. Mijn vader en de overste reden te paard. "Maar, waar blijft +de raadsheer?" vroeg de overste. "Hij komt," antwoordde mijn vader, +"maar wanneer en waar, dat mag de hemel weten, want toen hij 't mij +verzekerde dat hij komen zou, knipte hij met één oog en trok een +gezicht, wat ik van hem ken, en dat ik zijn "heimelijk gezicht" noem." + +Toen mijnheer de baljuw aankwam, stond de molenaar Voss met eene +zwarte manchestersche muts op het hoofd voor de deur, en zijne vrouw +stond bij hem in een zwart kalaminken rok, en hij boog, en zij neeg, +en de baljuw vroeg: "Wel, vriend Voss, hoe gaat het?" "Opperbest;" +zeide de oude molenaar, terwijl hij de treê neêrsloeg.--Mijnheer de +baljuw boog zich naar zijn vriend Renatus toe, en zeide: "Kindlief, +de oude molenaar is tegenwoordig weder in goeden doen; hij is wijs +geworden, en heeft er van afgezien, om zelf het bestuur te hebben en +laat nu zijne Fieken huishouden." + +Thans kwam de staatsiekoets. De dames klommen er uit; en Frederik +droeg mijne moeder de kamer in; hij heeft haar naderhand nog dikwijls +gedragen. De korenwagen hield stil; alles sprong eraf, alles ging in +huis, ik meê, slechts de kleine Droi's liepen eerst naar den tuin en +vielen op de onrijpe kruisbessen aan. + +In de kamer stond de dominé; hij had al gewacht, en bij hem stond +Hendrik met zijne Fieken. Wat was Fieken schoon! Wat is eene bruid toch +schoon!--De dominé hield zijne trouwrede, zijne beste; hij kende er +drie, en de eene was steeds mooier dan de andere, en daarnaar was ook +de prijs ingericht. Die van "de kroon" was de mooiste en de duurste; +ze kostte "een daalder en zestien groschen,"--dan kwam die van "het +hert," tegen "een daalder," en eindelijk kwam die van "jammerlijk, +ellendig ding,"--die kostte maar "acht groschen" en was voor den +gemeenen man. Heden trok hij het groote register van "de kroon," uit; +dat wilde de molenaar zoo hebben. "Domeneer," had de molenaar gezegd, +"mijn Fieken wil absoluut dat het eene stille bruiloft wezen zal, +en haar zin mag ze ook hebben, maar alles wat toch bij eene bruiloft +behoort, dat moet van 't beste soort zijn." + +En zóó geschiedde het ook. Toen de toespraak geëindigd was, ging de +schoone genadige vrouw naar Fieken toe en gaf haar een kus, en deed +haar een gouden ketting om den hals, waaraan een net plaatje hing en +daarop stond de datum van den dag, waarop Fieken aan den overste verlof +gevraagd had, bij haren vader te mogen gaan. De overste was bij Hendrik +gaan staan, en toen hij hem de hand drukte, toen waren de oogen van +den ouden vreemden heer zoo vriendelijk op hem gericht, dat de baljuw +zijne hand vatte en tot hem sprak: "Kindlief, nu, wat dan?"--Hij wist +misschien wel meer van de zaak dan iemand anders onder ons. + +Nu ging men aan tafel. De bakkersdochter zorgde voor 't opscheppen +der soep, en Luth diende het gebraad voor, terwijl Fiek Besserdich +met de beide molenaars-deerntjes bedienden. Nauwelijks had de +molenaar het eerste bord vol kippesoep gebruikt, of hij stond op, +en hield eene indrukwekkende aanspraak tot zijne gasten, doch hij +keek daarbij altijd slechts den baljuw aan. Hij had, zeide hij, het +geheele gezelschap maar op eene bruiloft zonder muziek, zoo maar, dood +eenvoudig, zonder komplimenten, uitgenoodigd; zijn Fieken had het zoo +gewild, en de heeren en dames moesten 't niet kwalijk nemen, maar, al +hadden zij ook geen muziek...--hier was 't gedaan met zijne aanspraak, +want buiten barstte het eensklaps los: "Gisteren was neef Michel hier; +neef Michel, die was gisteren hier," en toen de deur opengerukt werd, +stond daar mijn oom Herse met zijne gansche kapel; hij had den dikken +stok van den molenaar in de hand en sloeg de maat op een meelzak, +zoodat de fluiters en trompetters hunne tonen als door eene mooie, +witte zomerwolk heenbliezen. + +Dat was een pret, dat was een leven! De overste sprong op, +begroette mijn' oom vriendelijk en trok hem aan zijne zijde aan +tafel, en mijnheer de baljuw fluisterde zijn' vriend Renatus toe, +zoodat het geheele gezelschap het hooren kon: "Dat is de raadsheer, +lief kind, van wien ik van morgen die zotte historie vertelde, van +het kontrakt;--'t is anders een goede pleizierige man." En de oude +molenaar trok de geheele kapel de kamer binnen, en de heilige Cecilia +werd in den hoek gezet, en de kippesoep loste haar af, en vervolgens +kwam "neef Michel" weêr, en die werd door 't gebraad afgelost, en zóó +ging het steeds beurt om beurt. En toen het avond werd, was oom Herse +weder met geheimen aan den gang; hij en zijn adjudant, Johan Heinz, +waren in den donker, achter in den tuin, aan 't werk; eindelijk echter +werden wij allen verzocht naar buiten te komen en er werd een vuurwerk +afgestoken en 't had heel mooi kunnen worden; maar--'t was jammer, och, +zoo jammer!--'t was wat te zwak, er moest bij geblazen worden, en dat +was wat te sterk; 't vloog in de lucht, en 't was nog een zegen van +den hemel, dat Frederik juist bij den mesthoop stond, toen die begon +te branden, want anders had het slecht kunnen afloopen. Mijn oom Herse +wilde echter zijne kunststukken doorzetten en had al weder een nieuw +rolletje kruit genomen, doch de baljuw ging naar hem toe en zeide, +dat het nu genoeg was; 't was heel mooi geweest, en hij bedankte hem +zeer. Maar den volgenden dag zond hij den veldwachter door 't geheele +Stavenhager rechtsgebied, en liet bekend maken, dat een iegelijk, +die het zou durven wagen een vuurwerk in 't hertogelijke gebied af +te steken, het zwaar te verantwoorden zou hebben. + + + +Zoo eindigde de dag, en zoo eindigt ook mijn verhaal. De dag was +vroolijk en iedereen was daarmede tevreden,--ik wenschte dat mijn +verhaal ook vroolijk was en dat iedereen ook daarmede tevreden +mocht wezen. + +Maar, waar zijn zij gebleven, al de vroolijke en trouwe lieden, die +in dit verhaal voorkomen? Allen dood. Allen dood! Allen slapen zij +den langen slaap. Bakker Witt was de eerste, en de politiedienaar +Luth is de laatste geweest; en wie is overgebleven? Wel, wij +beide jongens, Frits Sahlmann en ik; en Fieken Besserdich.--Fieken +Besserdich is werkelijk met den vlaskoppigen jongen van den ouden +boer Freier getrouwd, en zit nu in goeden doen in Gulzow, op de eerste +boerenhofstede aan de linkerhand. Frits Sahlmann is een flinke kerel +geworden, en wij zijn altijd goede vrienden gebleven en indien hij +'t mij kwalijk mocht nemen, dat ik guitenstreken van hem verteld heb, +dan zal ik hem de hand toereiken en zeggen: "Kindlief, wat geschreven +is, is geschreven; dat is niet meer te veranderen; maar, daarom moet +ge toch niet boos blijven, hoor!" + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Hier is moeilijk het eigenaardige van het origineel terug te +geven. Brüjam beteekent bruidegom en Brüdjam een geplaagde. + +[2] Een scheldnaam voor landlieden. + +[3] "Swartsur." Een in Pommeren en Mekklenbürg geliefkoosd gevecht +van varkensvleesch, varkensbloed, gestoofde peren of pruimen, en +zoogenaamde Klösse, eene meelspijs.--Vert. + +[4] Stavenhager. + +[5] Eene bepaalde soort van studentenstok. + +[6] Buckmahl is het oorspronkelijke woord.--'t Is een windmolen op +schragen,--waaronder men dus schuilen kan.--Vert. + +[7] In die streken staat niet zelden een bakoven van het dorp op het +open veld.--Vert. + + + + + +End of Project Gutenberg's Twee vroolijke geschiedenissen, by Fritz Reuter + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VROOLIJKE GESCHIEDENISSEN *** + +***** This file should be named 27783-8.txt or 27783-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/7/7/8/27783/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
