diff options
Diffstat (limited to '27803.txt')
| -rw-r--r-- | 27803.txt | 6637 |
1 files changed, 6637 insertions, 0 deletions
diff --git a/27803.txt b/27803.txt new file mode 100644 index 0000000..fc1c0e4 --- /dev/null +++ b/27803.txt @@ -0,0 +1,6637 @@ +The Project Gutenberg EBook of Kerkhofblommen, by Guido Gezelle + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Kerkhofblommen + +Author: Guido Gezelle + +Commentator: Caesar Gezelle + +Release Date: January 13, 2009 [EBook #27803] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KERKHOFBLOMMEN *** + + + + +Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe + + + + +KERKHOFBLOMMEN + + +_In De Nederlandsche Boekhandel zijn nog verschenen:_ + +Guido Gezelle's Volledige Dichtwerken + +10 deelen ingenaaid fr. 16.--; 8 deelen gebonden fr. 25.50 + +daarvan zijn afzonderlijk verkrijgbaar + + ingenaaid gebonden + I. Dichtoefeningen fr. 2.-- fr. 3.25 + II. Kerkhofblommen " 2.-- " 3.25 + III. Gedichten, Gezangen en Gebeden. + Kleengedichtjes " 2.-- " 3.25 + IV. Liederen, Eerdichten et Reliqua " 2.-- " 3.25 + V-VI. Tijdkrans " 4.-- " 5.50 +VII-VIII. Rijmsnoer " 4.-- " 5.50 + IX. Hiawadha's Lied " 2.-- " 3.25 + X. Laatste Verzen " 2.-- " 3.25 + +Kleengedichtjes 2 deeltjes met rood kader versierd, klein formaat fr. 1.-- +In 2 deeltjes gebonden " 2.-- + + + + +GUIDO GEZELLE + +KERKHOFBLOMMEN + +ACHTSTE DRUK + +Met voorwoord van CAESAR GEZELLE + +SCHOOLUITGAVE + +DE NEDERLANDSCHE BOEKHANDEL +Bestuurder L. H. SMEDING +ANTWERPEN -- 50 St. Jacobsmarkt +1906 + + + + +TER INLEIDING. + + +1. Guido Gezelle. -- _Zijn leven en zijne werken_.[1] + +Guido Gezelle werd geboren te Brugge den 1en Mei 1830. Tot October 1846 was +hij student aan het College te Brugge en van 1846 tot '50 aan 't Klein +Seminarie te Rousselaere. Van October 1850 tot het einde van '53 deed hij +zijne priesterstudien aan het Seminarie te Brugge en keerde toen als +leeraar naar Rousselaere terug; hier had hij, achttien jaar oud, zijn +eerste gedrukt vers, De Mandelbeke, gedicht. + +In 1858 verscheen van hem een eerste bundel: _Vlaemsche Dichtoefeningen_, +eene keuze uit zijne verzen sedert tien jaren; en datzelfde jaar 1858 +dichtte en schreef hij, op twee dagen tijds, zijne _Kerkhofblommen_. In +1862 verscheen, verzameld door twee van zijne leerlingen, een bundel met +naam: _Gedichten, Gezangen en Gebeden, een Schetsboek voor Vlaemsche +Studenten_. + +In 1860 keerde hij naar Brugge terug en bleef er, tot 1865, onderrector en +leeraar in de wijsbegeerte aan het Engelsch Seminarie, en werd toen +onderpastor in Sint-Walburgis-parochie, tot in 1871. + +Den 17en Juli 1864 stichtte hij een politiek weekblad, _'t Jaer '30_, dat +in 1870 werd gestaakt, en den 2en December verscheen het eerste nummer van +een ander weekblad door hem gesticht: _Rond den Heerd_, een volksblad over +letterkunde, wetenschap, geschiedenis, folklore, waarvan hij tot in 1871 +den last heeft gedragen. + +Den 20en September 1871 werd hij onderpastor der O.-L.-V. kerk te Kortrijk. +_Liederen, Eeredichten en Reliqua_, een derde bundel, verscheen eerst in +1880, doch behoort om zijnen inhoud voor het grootste deel tot de jaren +1860-70. + +In den eersten tijd dien hij te Kortrijk doorbracht, hield hij zich alleen +met taalstudie bezig; in 1860 was zijn _Noordsch en Vlaemsch Messeboekje_ +verschenen; hij droeg veel bij tot De Bo's Idioticon; in 1881 stichtte hij +als voortzetting van dit werk zijn eigen tijdschrift tot woordzanting en +woordverklaring _Loquela_ en in 1890 stichtte hij nog _Biekorf_, een +twee-wekelijksch blad voor West-Vlaamsche letteren en Wetenschap. + +In 1886 gaf hij in het Davidsfonds de Vlaamsche vertaling uit van +Longfellow's _Song of Hiawatha_, de omwerking van eene eerste vertaling +door Dr. E. Lauwers. + +In 1893 laat hij het eerste van zijne twee meesterwerken _Tijdkrans_ +verschijnen, een bundel natuurschilderingen, met al te talrijke +gelegenheidsgedichten, en in 1896 het tweede: _Rijmsnoer om en om het +jaar_, waaraan in 1900 de vijfjaarlijksche staatsprijs werd toegekend. + +Hij was in 1886, bij de stichting der Koninklijke Vlaamsche Taalkamer, lid +geworden van dit genootschap, op welks last hij de uitgave bezorgde van +_Hennen van Merchtenen's Cronicke van Brabant_ (1896). Op 't laatste van +zijn leven ondernam hij de vertaling van Z.D.H. Mgr. Waffelaert's +_Meditationes Theologicae_ en werd op 30en April 1899 naar Brugge geroepen +als Bestuurder der Engelsche Augustijner Kanonikessen; zes maanden later, +den 17en November 1899 overleed hij. + +Het volgende jaar verschenen zijne nagelaten gedichten in een bundel +_Laatste Verzen_. + +[1: Z. _Gesch. d. Vlaamsche Letterkunde van het jaar 1830 tot heden_. Th. +Coopman en L. Scharpe. Antwerpen 1899. 10e aflev.] + + +II. _Zijne Taal_. + +Schrijft Guido Gezelle West-Vlaamsch? + +Er is West-Vlaamsch en West-Vlaamsch. + +Het eene, dat men de West-Vlaamsche spreektaal kan noemen, is de taal +zooals ze door het volk in West-Vlaanderen gesproken wordt en die +verschilt van stad tot stad, van dorp tot dorp. Deze taal, of talen +liever, zijn niet _het_ West-Vlaamsch, maar de West-Vlaamsche +gewestspraken, die bestaan nevens de Oost-Vlaamsche, de Antwerpsche, +Limburgsche en Brabantsche. + +Op de grenzen dier gouwen loopen de dialekten in malkaar, en, langs eene +gamme van kleine verschillen, worden ze op den duur zoo verschillend, +dat de Vlamingen van eene gouw voor die van eene andere somtijds +moeilijk te verstaan zijn; zoo zal bijvb. een bewoner van de +West-Vlaamsche polders meestal niet eenen Kempenaar verstaan.[1] + +Daarnevens werd in West-Vlaanderen door Deken De Bo en Guido Gezelle en +door hunne volgelingen, eene West-Vlaamsche schrijftaal gebruikt, die in +eene gansch andere verhouding staat met de taal der overige Vlaamsche +gouwen, immers ze staat alleen, en die ook merkelijk van de gesproken +taal in West-Vlaanderen verschilt. En hoe? + +"Natuurlijk," zegt Gezelle zelf, "zal een Vlaming geen ruw en +ongezuiverd Vlaamsch gaan schrijven, zooals hij het op de straat hoort, +-- evenzoomin zou hij met ongemeulend koorn naar de markt gaan; zoo +schrijft hij niet: "'t en e chee waa," maar: "'t en is geen waar." Niet: +"Mettak weg was kwampi," maar: "met dat ik weg was kwam hij." + +Gezelle's taal is dus de gezuiverde spreektaal uit West-Vlaanderen. Maar +hoe gezuiverd? + +Zooveel mogelijk heeft hij voor regel genomen, onze verfranschte en +verhoogduitschte taal naar het voorouderlijke Vlaamsch te verbeteren: + +"Ik heb liefst naar oude Vlaamsche dichters opgezien en zooveel mogelijk +die tale gebruikt, die bij Maerlant en andere te boeke staat en die, +Godlof, alhier nog levende gehoord en gesproken wordt." + +Het West-Vlaamsch gaf daar aanleiding toe, immers: + +"De taal dier oude gewrochten is in West-Vlaanderen met de _zuivere_ +volkstaal eene en dezelfde gebleven.[2] + +Het West-Vlaamsch moet, volgens Dr. Snellaert, in de middeneeuwen +grootendeels voor regel in het schrijven gediend hebben; ingezien den +bloei van Brugge, Damme en Sluis, zal de taal er met de betere +beschaving wel gelijken voet gehouden hebben.[3] + +Tot dat, men mag dus zeggen, Oud-West-Vlaamsch, is Gezelle wedergekeerd, +om de spreektaal uit West-Vlaanderen te verheffen, te louteren en te +verrijken tot schrijftaal. + +[1: Men raadplege daarover: _Van de Schelde tot de Weichsel_, J.A. +Leopold en L. Leopold. 2 deelen, Groningen 1882.] + +[2: _Dichtoefeningen_, Verantwoordinge.] + +[3: ibid. ibid. en _Belgisch Museum_, 8e d., bl. 159.] + + +III. _Kerkhofblommen._ + +1o. _Hun ontstaan_. + +[Illustratie: + +EXIMII ET DILECTI CONDISCIPULI + +POESEOS ALUMNI IN MINORE SEM. ROLLAR. + +ATQUE IN CHRISTO FRATRIS IN MEMORIAM. + +TER DIERBAER' EN ZALIGER GEDACHTENISSE +_van onzen_ +BEMINDEN BROEDER IN CHRISTO +MYNHEER EDUARD VAN DEN BUSSCHE, +STUDENT IN POESIS +EN LID DER CONGREGATIE VAN O.L.V. ONBEV. ONTV., +IN 'T KLEEN SEMINARIE TE ROUSSELAERE; +_die geboren te Staden op den 10 Januarii 1840, +aldaer in den Heere verscheiden is op den +derden dag van Meije, wezende heilig-Bloeddag, +van 't jaer 1858._ + +R.I.P. + +Zoo der ooit een bloemke groeide + Over 't graf waerin gy ligt, +Of het nog zoo schoone bloeide -- + Zuiver als het Zonnelicht, +Blank gelyk een Lelie blank is, + Vonklende als een Roozen hert, +Nedrig als de need're ranke is + Van de Winde daer me op terdt, +Riekend, vol van honing ende + Geren van de bie bezocht -- +Nog en waer't, voor die U kende, + Geen dat U gelijken mogt! + G.G. + + Eja dulcis anima, eja dulcis rosa, +Lilium convallium, gemma pretiosa, +Cui carnis foeditas extitit exosa +Felix tuus exitus morsque pretiosa! + St. BONAVENTURA. + +_Rousselaere, ged. by Stock-Werbrouck._] + +Dit is de rouwgedachtenis of het doodsanctje door den Meester opgesteld +bij 't afsterven van eenen zijner leerlingen; met zijne studenten trok +hij op om de begrafenis bij te wonen. Alles wat hij er zag en hoorde en +wat in zijn geest groeide tot beeld, alles wat in zijn hert werd gewekt +van gevoelens, schreef hij neer bij het t'huiskomen. Op twee dagen was +het af, en korte weken nadien kwam zijn eerste werk uit: +_Kerkhofblommen, geplukt en bewaerd ter nagedachtenesse van zaliger +Mijnheer Edewaerd Van den Bussche, geboren te Staden..._ + +Een meesterwerk.[1] + +2o. _Ontleding_. + +De dichter heeft den gang der gebeurtenissen gevolgd en ze opgeteekend +naarmate ze voorkwamen; de beste ontleding zal hierin dus bestaan, dat +wij hem volgen, stap voor stap op den weg dien hij voorging, verwijlend +een oogenblik bij iederen tred, om de christenheid en de diepte van zijn +_gevoelen_, de kracht van zijne _opvatting_, de schoonheid van zijne +_beelden_ en de macht van zijne _voorstelling_ te beschouwen, om zijne +_taal_ te doorgronden, om, met een woord gansch zijne eigene +persoonlijkheid te leeren kennen. + +En wil men, zoo kan men er dan eene verdeeling in vinden als volgt: + +A. _Voor_ den Lijkdienst. + + 1o. Omstandigheden: + a. _Wie_ was E.v.d. Bussche? + Verzen: Zoo daar ooit... + Proza. + b. _Wanneer?_ Welke ure was't? + Verzen: 't Was de ure dat... + Proza tot aan: Zoo gebeurde 't. + c. _Waar_ was de begrafenis? + Proza: Wij wierden ondertusschen... + Verzen: Traagzaam trekt... + + 2o. Verhaal. + a. Het strooien kruis. Lyrische ontboezeming over + 't geloof der Vlamingen, en hun gebruik van + een kruis van uitgedorschen stroo te leggen + waar een lijk voorbij moet. Het uitgedorschen + stroo verzinnebeeldt het lichaam zonder de ziel. + b. De moeder van den afgestorvene. + c. Bezoek bij de kist -- en het _De Profundis_. + d. De vader. -- Beschrijving door vergelijking, + Zijne ziekte, + Zedeles en troost. + e. De lijkstoet: + Het kruis -- lyrische strophe. + Landelijke natuurbeschrijving: langs den weg, + en tegenstelling met de stad. + De broeder en de zuster van den overledene. + +B. De Lijkdienst. + + 1o. Voor de kerk: Uitlegging van zinnebeelden uit + de kerkelijke lijkplechtigheden: + Klokken. + Wijwater. + + 2o. In de kerk: + a. De rouwgetijden. } + b. Het _Dies irae_. } + c. Wierook. } Het aangrijpend _mysterie_ + d. Lichten. } van de grootsche + e. Offerande. } troostende ceremonien + f. Bel. } uit onze heiligen + g. Consecratie. } Godsdienst. + h. Klokken. } + i. Het: _In Paradisum_. } + +C. De Begraving. + + 1. Laatste plechtigheden. + + 2. Lijkrede: In deze innig roerende aanspraak is + evenmin als in al 't voorafgaande eene klassieke + verdeeling te vinden. Dwingt men er den stalen + gietvorm op van: Exordium, Confirmatio en + Epilogus of Peroratio, zoo dooft men eenvoudig + de verhevene zielegloed die door het stuk leeft, + en men maakt het belachelijk. Wederom kan men + niets beters doen dan de gedachten van den spreker + eenvoudig te volgen en aan te teekenen. + Na een eerste woord waarin hij: + 1. de leeraar, zich tot spreken onbekwaam gevoelt, + om hier zijn dagelijksche les te geven, + 2. en aan den engel des doods zijne taal leent, + richt hij zich + 1o. tot den afgestorvene en roemt _zijne deugden_: + a. zijne zuiverheid; + b. zijnen ootmoed; + c. zijne liefde en eerbied voor ouders en + meesters; + d. zijn verlangen naar het heilig priesterdom. + 2o. tot de ouders van den afgestorvene: + a. zijnen vader wiens troost, + b. zijne moeder wier hoop hij is in den + hemel. + 3o. tot den grond van zijn dierbaar Vlaanderen. + +En hij eindigt met een roerend: tot wederziens! + +C. GEZELLE.[2] + +[1: Dietsche Warande en Belfort, Febr. 1900, bladz. 110-111.] + +[2: Die korte inleiding werd geschreven op verzoek van den Uitgever en +ten gerieve van de studeerende jeugd onzer bisschoppelijke colleges.] + + + + +KERKHOFBLOMMEN[1] + + + Eia dulcis anima, eia dulcis rosa, + Lilium convallium, gemma pretiosa, + Cui carnis foeditas exstitit exosa, + Felix tuus exitus morsque pretiosa! + S. BONAVENTURA. + + Ei, gij zoete zielken toch; ei, gij zoete rooze; + Lelie van de dellingen, kostelijk gesteente; + 't Vleesch en zijn bederfenis hadt gij altijd noode, + Zalig was uw uitgang en kostelijk uw sterven! + + Zoo daar ooit een blomke groeide + over 't graf waarin gij ligt, + of het nog zoo schoone bloeide; + zuiver als het zonnelicht, + blank gelijk een Lelie blank is, + vonklende als een roozenhert, + needrig als de needre ranke is + van de winde daar m'op terdt, + riekend, vol van honing, ende + geren van de bie bezocht, + nog en waar 't, voor die U kende, + geen dat U gelijken mocht! + +In der daad, Eduard van den Bussche was, van afkomste en geboorte, van +zeden en manieren, van Geloove en Godvruchtigheid, van voorkomen en van +aanzien, oprecht een kind en een blomme van te lande; een kind was hij, +dat hedendaags misschien de eervolle bespottinge weerd zou zijn van +menig een, die hem verre beneen staat in de oogen van Hem bij wien de +nederigen alleen verheven zijn, en 't Goddelijk welbehagen verdienen; +zulk een kind was hij, dat, of ik nog zoo veel deugd van hem zei, mij +geen een van al die hem Ouder of Meester, Pastor of Biechtvader, Makker +of Vriend waren en zoude kunnen tegenspreken. Het hadde ons ook, zijne +medeleerlingen in Poesis, hertelijk gespeten, hadden wij, om den afstand +of anderszins, moeten laten van naar zijn uitvaart te gaan; wij gingen +en + + 't was de ure dat de Leeuwerk zoet + heur hooge zeevaart laten moet + en, zoekende op der aard' + om heur behoef, geen stonde en let, + maar zingend weer de zeilen zet + en stiert ten Hemelwaard. + + 't Was de ure dat uw stemme luidt, + en klinkt en klapt en lacht en fluit, + o blijde Nachtegaal; + o orgel, die m' in 't veldaccoord, + en liev- en lang- en luider hoort + als alle vogeltaal! + + 't Was de ure dat de wind ontwekt, + en 't wentelend kooren laaft en lekt, + en zoetjes ruischen doet; + dat uit de malsche velden jaagt + die lucht, die 't lieve leven draagt + in 't drijvend, dravend bloed. + + 't Was de ure dat de landman gaat, + en op zijn herte een kruise slaat + en op zijn land een kruis; + en gaande bidt, en weent, en zaait + hetgeen misschien een ander maait + en lachend voert naar huis. + + Het zaad! het zaad! het wonder werk, + dat nooit, of waar' hij nog zoo sterk, + een mensch gemaakt en heeft: + dat sterft eer dat het leven mag, + dat leeft alwaar 't gestorven lag, + en, altijd stervend, leeft! + + Wij gingen ook een edel zaad, + het lijk van onzen medemaat, + al blijde, weenende al, + het land besteen, 't gebenedijd, + dat vruchtbaar, op gestelden tijd, + hem wedergeven zal. + +Wij naderden allengskens het sterfhuis. De zonne lag in strijd met den +nachtelijken smoor, en 't en bleek ons niet of ze er ging door breken; +doch de wijze landslieden, die van op hun werk ons keken voorbijgaan, en +"elk ne' goen dag" met ons wisselden, verzekerden ons, op goed en +deugdelijk bewijs, uit hun dagelijksch verkeer met Gods winden en +weder, dat ons Heere den werkenden man 'nen schoonen dag ging verleenen. +Zoo gebeurde 't. Wij wierden ondertusschen, in 't half duister van den +smoor, al lenger hand de hofstee geware en zagen reeds het blanke gewaad +van den wagen, die gereed stond om, naar oud vlaamsch gebruik, den +afgestorvene, met zijne weenende en biddende familie, kerkewaard te +voeren. + + Traagzaam trekt de witte wagen + door de stille strate toen, + en 't is weenen, en 't is klagen + dat ze bin' de wijte doen! + Stap voor stap, zoo gaan de peerden, + traagzaam, treurig, stille en stom, + en zij kijken, of 't hun deerde, + dikwijls naar hun' Meester om; + naar hun' Meester, die te morgen + zijn beminde peerdenpaar, + onder 't kammen en 't bezorgen, + zei de droeve nieuwemaar. + "Baai," zoo sprak hij, "Baai en Blesse, + heden moeten... stille! fraai! + moeten wij naar de uitvaartmesse, + met den wagen, Blesse en Baai!" + En toen, na zijn hand te doppen + in 't gewijde water klaar, + zegent hij de hooge koppen + van 't onachtzaam peerdenpaar. + En hij kust en kruist ze beiden, + en "gij," zegt hij, "Blesse en Baai, + moet een lijk naar 't kerkhof leiden, + Baai en Blesse, stille! fraai! + Schuimen zoudt ge en lastig zweeten, + zoo 'k u zonder wete liet + van de mare, en zoudt verheeten, + gave ik u den zegen niet!" + En hij zelve kruist en wijdt hem, + eer hij ze in den breidel vangt, + met het water, dat bezijd hem + aan de ruwe bedspond hangt. + Want hij slaapt bij zijne beminde + peerden en bezorgt ze trouw, + trouwer als voor eigen kinde + eigen Moeder zorgen zou. + Hij besproeit, en met gewijden + pallem speerst hij peerd en stal, + om de lijkvaart te bevrijden + van gevaar en ongeval. + Ha! wie weet hoe veel gevaren + die niet hebben uit te staan, + die met peerden, -- God bewaar' hen! -- + die met hunne meesters gaan? + Traagzaam rijdt en rolt de wagen, + treurig door de strate voort, + en 't is krijschen en 't is klagen, + dat men onder 't dekzeil hoort. + Stap voor stap zoo gaan de peerden, + ziende naar hun' meester om; + stap voor stap, als of 't hun deerde, + traagzaam, treurig, stille... en stom! + +'t Was met eenigen tegenzin dat de goede landslieden hun oud gebruik +voor dezen keer wilden afstaan, om ons de eere en den troost te laten +van onzen vriend, hand en hand, om zoo te zeggen, naar 't kerkhof +uitgeleed te doen en zelve te dragen. + +Toen wij dan, na weinige stonden reizens, op de hofstee kwamen, wierden, +al met een keer, de hoofden van de eerste aankomers ontdekt, dan de +volgende, tot dat wij, buiten ons verwachten, al te maal sprakeloos en +stille stonden voor de balie, over de wijd uitstrekkende armen van een +overgroot neerliggend kruis. + +O dierbaar Geloove van Vlanderen, kostelijke perel van het Vaderland! +Gij alleen hebt die werkzuchtige landslieden kunnen ingeven daar een +kruis te leggen, en een kruis van uitgedorschen strooi! Christelijk +bezielde Vlaming, gij spreekt toch, zonder woorden, uwe gevoelens en uw +herte zoo wonderlijk klaar! "Bidt," zegt gij, "al die op mijn hof komt, +bidt en ontdekt uwe hoofden voor het kruise des Heeren, want heden is +van onder mijn dak eene ziele verscheiden, die, buiten hare verdiensten, +op niets meer te steunen en heeft 't en zij op het kruis. Bidt en peist, +gij die op mijn hof komt: hier is de Heere zijn graan komen halen en +daar ligt nu 't ijdele strooi! Gelukkig, is het graan niet te licht +bevonden; gelukkig, en heeft de vlegel des lijdens het niet gekwetst, en +mag het nu de uitgekozene terwe des Heeren zijn! Bidt en peist, gij die +op mijn hof komt; bidt en peist, gij die ervan af gaat, bidt en 'n terdt +niet op het alverzoenende, op het alverblijdende kruis!" + +Wij traden binnen, een voor een, om niet te stooren; want de goede +lieden en waren ons niet verwachtende. De eenvoudige Moeder, uit +ingeboren Vlaamsche herbergzaamheid, vergat in 't eerste bijkants dat in +heur huis het lijk van heur kind over eerde lag, en maakte alle slach +van verschooningen: 't stond al over ende, dit en dat was er te kort, +zij klaagde en gebood alhier en aldaar, zonder te weten van wat of aan +wie; haalde zelve stoelen bij, en eindelijk, onder den last van veel +strijdige gevoelens gepraamd, brak heur herte, en ze borst uit in eenen +alderbittersten stroom van tranen, die ze ging zitten weenen in de +asschen van den uitgestorven heerd. + +Op de voute lag het lijk, alree in de kiste gedaan. Wij klommen binnen, +met zoo velen als wij kosten, en de anderen knielden in eene verstrooide +reke door den vloer. + + _De profundis!_ klonk de bede, + _De profundis!_ zuchtte 't huis, + 't huis, en al die knielden mede, + in godvruchtig stemgedruisch. + + Uit de diepten roepe ik, Heere, + hoort, ik bidde U, naar mijn' stem! + wilt uwe oor te mijwaard keeren, + die om bijstand biddend bem! + + Sloegt gij al mijn zonden gade, + Heer, wie 'n zou niet ondergaan? + Neen, bij U daar is genade, + Heere, uw spreken houdt mij staan! + + Staande blijve ik op uw spreken + en ik hope in U, o Heer! + van het vroegste morgenbreken, + tot des avonds wederkeer. + + Want bij U is medelijden, + is verzachten des gekwels, + grooter als het wederstrijden, + als de boosheid Israels. + + Heere, dat hij ruste in vrede, + zei de Priester, ende wij: + Dat hem, in alle eeuwigheden, + 't hemelsch licht geschonken zij! + + _De profundis!_ zong de bede, + _De profundis!_ zuchtte 't huis, + zuchtten al die knielden mede, + met verstervend stem... geruisch. + +Na dat wij, met gewijden palm, wijwater over de kiste en over ons zelven +gesprinkeld hadden, zagen wij, voor de letste maal op deze wereld, het +aanzichte van onzen beminnelijken vriend. Wij verkenden hem nog, in het +witte gewaad der onnoozelheid; ja wij verkenden u, Eduard, aan dit edel +blanke voorhoofd, aan die ingezonkene oogen, die zoo diepe en zoo vaste +lagen en schouwden in den Hemel! "In den Hemel" stond op uw wezen, klom +in onze herten, en klonk, als een triomphelied, bij 't weerom toeleggen +van uwe schrijne. + +Ondertusschen hadden wij reeds verscheidene malen in de nevenkamer den +klaren treurzang hooren weerhelmen en de bitterste toonen des lijdens. +"Eduard! mijn Eduardtje toch!" was al dat wij vatten konden, was iederen +keer het slot van een lange reke zuchten, snikken en klagen; "Eduard +Eduard, ha! mijn Eduardtje toch!..." Weenende vrouwen leidden ons +binnen, schoven eene gordine weg, en... daar lag de eerbiedweerdige +Vader des huisgezins, het hoofd en de koning van de omliggende velden, +de kloeke, de taaie landsman, met zijne zwemmende oogen in de onze om +hulpe te zien; hulpe, die wij hem niet geven en kosten, want de hand des +Heeren had hem geraakt. + +Zoo staat een eekenboom, verre en wijd beromd als de koning van het +woud; stille en rustig steunt hij de wolken op zijnen stam en op zijne +wijd omschaduwende kruine. Al met eenen keer straalt de bliksem des +Alderhoogsten, hij valt omverregedonderd en ligt, met rookenden top, op +de gebrokene takken van 't hout dat rondom hem groeit. Zoo lag die man +daar, geveld en ontworteld, in al de kracht en de vroomheid zijner +vijftig doorgewrochte jaren, rustende op de teere doch nuttelooze zorgen +van zijne vrouwe en van zijne weenende kinderen. + +Menigen oest hebt gij zien bloeien, brave man; menigen meitak moest gij +nog op uw volle schure steken, maar de Heere heeft de maneschijnen +verkort, die gij nog tellen zult, terwijl gij ligt en zucht op het bedde +des lijdens, onder eene zoo smertelijke plage! En, waarom zou ik hier, +uit nieuwerwetsche kieschheid, mijne tale geweld aandoen en u bij uwen +naam niet noemen, schrikkelijke kanker, bliksemstrale des Alderhoogsten, +gruwbare doch heilige smerte, sedert dat het bloed van den lijdenden God +alle menschelijke smerte geheiligd en gezalfd heeft? Waaromme en zou ik +u niet noemen, Dienstengel des Heeren, uitvoerder van Zijnen altijd +aanbiddelijken wille, u, door wiens handen God zoo menigen zucht van +liefde, zoo menig woord van verduldigheid, zoo menigen wensch naar den +Hemel, zoo menige offrande van zijn eigen zelven ontvangen heeft, gelijk +al zoo menige blommen, geplukt in het herte van den lijdenden Christene? + +Ja, hij draagt liefde tot God, hij die Hem kan gebenediden, wiens geesel +hij herden moet; hij die kan de hand zoenen die hem heeft geslegen! + +Dat kon hij, die goede smertlijdende vader, en daar kon hij meer als gij +kunt, hedendaagsche nieuwopgebrachte jeugd, die, noch in de overdaad +uwer schuldige vermaken, noch in de overmacht van de straffende pijnen +die op u loskomen, uw zelven meester en zijt; maar die, oftewel het +leven, de gave Gods, onder de voeten stampt, of waar 't een ondier, +oftewel lastig uwe vroeg versletene dagen sleept, gij en weet noch en +roekt niet waar naar toe! + +Wij troostten den armen man, of beter hij troostte zijn eigen zelven in +den Heere. "Heere," zeide hij, "'k had hem van U ontvangen, ik zag hem +zoo geerne, en Gij hebt hem van mij weer aanveerd; het was toch zulk een +braaf kind!... Eduard, Vader gaat allichte achterkomen; bidt voor mij in +den Hemel!... Ha!... 't zijn toch al Gods werken, wij moetender Hem +vooren dank wijten, en ons aan Zijnen wille gedragen. Ah... wat dingen +moet het zijn voor die geenen God en hebben!..." + +De bare stond voor de deure, en alles was allengskens in gereedheid +gekomen, om te vertrekken: met ontdekten hoofde ontvongen wij de kiste, +en schudden er godvruchtig de plooien rondom van den maagdenpelder. + +Even als men eenen strijder uit het slagveld draagt, gewonden in 't +vaandel, waaronder en waarvooren hij gevallen is, zoo droegen wij onzen +vriend, uit het strijdperk dezer wereld, onder "_'t blauwe kruis in het +blanke veld_" des vaandels van Maria, en onder de zilveren zegekroone +des Maagdendoms. Drie kleene jongens, bleuzende van gezondheid, en die +al lange te wachten stonden, kwamen toegeloopen als ze zagen dat het +schoon gepintte kruis uit den huize te voorschijn kwam! Ach, zij keken +zoo drukkelijk in de roodgeweende oogen der zwijgende zuster, die hunne +handtjes verborg onder den witten doek, waarin zij 't kruiske dragen +moesten; en, weenden hun oogskes omdat ze zagen weenen en treurig zijn, +zeker danste hun hertje van blijdschap, om het schoon schoon kruis! +Lange nog zullen ze 't, met hunne kleene makkers, bewonderen, al spelen +en al blomkes trekken op het kerkhof; zij zullen 't malkaar toogen en +wijzen met den vinger, zonder het te durven genaken of de aarde stooren +waarover 't zal geplant staan. + +Elk ende een had nu zijne plaatse gevonden in de eenvoudige +landsprocessie, die ging aanvang nemen. Noch en waren die kruisen van +gevlochten strooi vergeten gebleven, die, aan de hoeken van de straten +geleid, als eenzame bedelaars den voorbijgaanden Christene eenen +"Weest-gegroet" voor aalmoese vragen. Het lijk wierd opgeheven en met de +voeten kerkwaards gekeerd. Moeder kwam te voorschijn, met de overige +familie, om ons te volgen; en Vader zelve, den oogenblik dat het op +scheiden aankwam, stond op, vestte zijne oogen staal op de kiste, +wenschte zijn kind, en ons te zamen, den alderdroevigsten "God beware +u!" en traagzaam gingen wij van 't hof, onder de geleide van 't +bloeiende, blinkende Kruis. + + Dood was de stam van dat Kruise, en de winden + voerden -- waar wete ik? -- het speelzieke loof! + Nooit en zou 't blommen noch blaren meer vinden, + nooit,... als in d'handen van 't Christen Geloof. + Dood was het hout, maar het hout moest herleven: + dood was zijn blad, maar de Christene Maagd + had het een blad en een blomme gegeven, + schoonder en beter als 't levende draagt: + blom van Geloof, dat de ziel niet kan sterven, + blomme van Hope op een zalig Hierna; + blomme van Liefde, die alles kan derven, + laat g'haar het Kruis, want het Kruis is gena! + Kruis, waar een God heeft zijn bloed op vergoten; + kruis, dat den Satan hebt nedergeveld; + kruis, dat de poorten der helle gesloten, + kruis, dat den Hemel hebt opengesteld; + kruis, te vergeefs door de wereld bevochten, + treedt, als banniere, de lijkvaart in top: + kruis met de Christene blommen bevlochten, + treedt als banniere, wij volgen U op! + Is 't door de Helle, -- de Helle zal zwichten; + is 't door het sterven, -- het sterven is _niet_, + niet als het uitgaan der slapende lichten, + als weer de zonne in de renbane schiet; + is 't door die zee van kleenhertige slaven, + die maar het Kruis aan 't gewicht ervan kent; + is 't door de zee van de wereld, de haven + staat en verwacht ons, met 't Kruise eromtrent: + is 't door de blijdschap of is 't door het lijden, + valt er te worstelen, valt er te strijden, + hem zal de borstweer, het Kruise, bevrijden + tegen 't geweld en het storremgebons: + hem, die voor 't Kruise, en met 't Kruise, kan sterven, + hem die, om 't Kruis noch den zege te derven, + terdt op de dood en, bij duizende werven, + gallemt: Hosannah! de zege is aan ons! + +Zoo gingen wij al peizen langs den weg, en geen een van ons die een +woord sprak. + +Onze oogen en ons herte baadden ondertusschen zoo diepe en zoo verre in +de oneindige zee van blauwe lucht, rustende op een andere zee van +groene, wentelende, wijd rondom ons strekkende koorenvelden. De zonne +regende heure stralen over onze hoofden, in 't herte van 't schietende +loof, in 't geweefsel van de uitkomende bladeren, in den schoot van den +dankbaren grond. De blommekes langs de bane schoten uit hunnen slaap en +wendden naar den Hemelkoning; het ronkende vliegske schreef zijne +aangename krinkels in de lucht, de lachende beke liep lustig voorbij, al +blinken onder 't striemende vlotgers; hagen en kanten schetterden van 't +gevogelte; de kruidekes langs den weg zongen van de plunterende +moschbien; de leeuwerke schudde zijn vlerken uit, ging zitten preken op +de locht; en de koekoet riep ons van verre zijn zoeten "goeden dag" toe. +Vogelkes zagen wij langzaam omhoogeklimmen, al draaien rond malkaar; +dan schoten zij weer pijlrecht omleege, slingerden snel achtereen, door +struiken en tronken voorbij, en zaten en scholden elkander, in twist om +'t gevangene vliegske; terwijl verre van ons, de voorzanger in het +hooglied aller vogelen, klagend het laatste gebed, den _Amen_ zong en +het slot van zijne heerlijke morgengetijden. Kruiden, grachten, weiden +en 't vochtige land, alles doomde en ging op, lijk wierook, in 't vier +van de bakelende zonne. De landslieden, die ons zagen voorbij gaan, +prentten hunnen knie in den zachten vloer van den wijden tempel des +Heelals, en, "in den naam des Vaders ende des Zoons ende des Heiligen +Geest," wenschten zij den voorbijganger goe reize naar den Hemel, +zeggende: "God gelieve zijne ziele in de eeuwige ruste! Amen." + +Ha! verre van ons, en gelukkiglijk uit onze oogen, lag er misschien toen +zoo menige stede op haren uitgestrekten steenhoop te zuchten en te +zweeten, in 't gebroel van de onverkoelde zonne; menige hooveerdige +schouwe spoog zwarten rook in 't aangezichte des Hemels; menig werkhuis +daverde onder 't ontzaggelijk krampen en zuchten van den in 't vier +gebonden liggenden dampreus, en joelde jammerlijk van de schijverende +raders, van de ronkende riemen, van 't gezwets, 't geklaag, 't gelach, +'t gefluit en, -- God vergeve 't hun! -- 't gevloek van eenen +samenroerenden menschenzwerm; menig krielende strate liep vol lieden, +wier oogen, wier tale, wier asem, wier haastige stap, niet anders uit en +gaf als zucht, brandende zucht, naar een ontbrekende dingen, nooit +achterhaald of seffens weer ontvlogen; en wij, -- lof zij den Heere! +--wij wandelden sprakeloos in 't midden van ons dierbaar Vlanderland; +wij, van niemand gezien of 't en is van God en zijne eigene landslieden, +--ja, lof zij den Heere! -- wij waren en wij voelden ons gelukkig, en we +droegen een lijk! + +De strate ging al winkelen voort en wij gingen al wenden erachter, +schouwende al te mets naar eene sterre, die, daar voor ons, boven op den +Kerktorre zat te blinken, gedoken nu en dan in de kruine der boomen. + +Zoo pinkelt de avondsterre, als de koeien naar huis komen, traagzaam en +dragende aan de melk die zij, gewonnen in de weiden, goedaardig en +vreedzaam naar huis brengen. + +Wij gingen en volgden den hane op den kloktorre, die nu op onze rechtere +hand, dan op onze slinkere hand uitkeek, langs den keerenden Kerkwegel. + +Eindelijk, na dikwijls verpalmd te hebben aan het stoffelijk +overblijfsel, dat, hoe licht het ook was, toch hoe langer hoe lastiger +wierd om dragen, gerochten wij op de bree strate, en daar, na een kleene +stonde rustens, rees hij tot boven onze hoofden, hij, die de nederigste +van ons allen was, en wij droegen hem op onze schouders. Zijn blanke en +blauwe lijkgewaad sloeg in den wind, en waaide rondom ons, gelijk weleer +zijne goede voorbeelden; of godvruchtig hielden wij 't in onze handen, +ten teeken van getrouwigheid, en verborgen er onze tranen in, gebogen +als wij gingen onder den heiligen last. + +Stap... stap... stap... klonk het over de steenen, als een droevige +maatslag, bij 't snikken en 't weenen van de Moeder, het helder geklaag +van de Zuster en het pijnlijk gesteen van den Broeder des overledenen, +den Broeder, die meer gedwongen en in grooteren nood als wij, weenen +moest en niet weenen en kon. + + Ha! beklaagt hem, die, gevangen + onder 't wegen van de pijn, + niet en kan een trane ontvangen, + weenen, en gelukkig zijn! + Arme schaap! hoe moeste het lijden + door end door zijn herte snijden, + daar het bleef in barensnood + van de bittere vrucht ontbloot! + + Tranen, bittere vrucht des lijdens, + drank die 't smachtend herte laaft, + zaad der vreugde en des verblijdens, + die God zelf verlichting gaaft, + toen, nog wandlende op de wereld, + menige uur Zijne oog, bepereld + en met droefheid overlaan, + stortte aanbiddelijk getraan! + + Tranen, als bij noenenstonde + 't blusschend reegnen op het kruid, + als de perel die de wonde + des gekwetsten pijnbooms sluit, + als de frissche navondkoelte + na de heete zomerzoelte, + zoeter, ja, veel zoeter nog, + zijt gij, bittere tranen, toch! + + Dank! o Heere, die me ontsloten + hebt de bronne van 't getraan, + die 'k zoo dikwijls heb genoten, + dikwijls er naar toe gegaan: + moet het krimpend alsemdrinken + vriend of vijand mij nog schinken, + geeft mij, anders niet, o neen, + geeft mij dat ik tranen ween'! + + Stroom van droefheid, eedle tranen; + bittere beken des geweens, + hoe kunt gij den wegel banen + ter vertroosting! Wat gemeens + hebt gij, druppelen van de smerte, + met den honingdauw des herten; + waarom, als ik lijden moet, + zijt gij, tranen, mij zoo zoet? + + God zijn wegen zijn verholen, + als Hij zalfkruid wassen doet + waar de slange zit verscholen + die den wandlaar bijten moet: + dank aan Hem, aan Wien 't bekend is + of er mate in onze ellende is, + dank aan die 't geween daarvan + met het weenen troosten kan! + +Aldus kwamen wij, onder groeienden toeloop van ingetogen nieuwsgierige +christenen, tot nabij de Kerke. + +Welkom! Welkom! riepen de klokken, in ruischenden zang. Welkom! Welkom! +zong onze heilige Moeder, toen zij haar kranke kind, op onze schouders +gesteund, voor den laatsten keer zag aankomen. Geknield nevens het lijk, +en met blooten hoofde, ontvongen wij Heuren zegen, gesproken en bevat in +de perelende druppels van het wijwater; de lijkdeure sloeg open, en +zingende trokken wij binnen, tot waar wij stil hielden, en bleven staan +voor het heilig tabernakel des Heeren. + +Mysterie!... Mysterie en diepe verholentheid was al dat er nu verder nog +ommeging. + +Mysterie... voor eerst, als, uit hunne graven en weer levende geworden, +daar te voorschijn kwam heel de schrikbare aloudheid des Christendoms: +Job, vol wonden en zeeren; het gezalfde hoofd Davids, met de asschen +bestrooid der boetveerdigheid; de oude koning Ezechias; Zacharias met +het wierookvat, en Paulus met het zweerd, traden langzaam vooruit, +stonden stille en staal over de tombe te schouwen, tot dat elk, op eenen +toon die hem eigen was, en die nochtans klonk gelijk de stemme des +Alderhoogsten, de droeve wisselklachten aanging ende kloeg + + Van het slijk daar we in geboren zijn, van het stof onzer +eindelijke rustplaatse. + Van het blad daar de wind mee speelt, van de blomme +die uitkomt en vertorden ligt. + Van den draad, dien de wever afsnijdt, van de wegvliegende +schaduwe des levens. + Van de menigvuldige zonden der jonkheid, van de genezinge +des vleeschs. + Van den half afgebroken levenswandel,... + +en van de opene deure des grafs, waaruit Job eindelijk alleene bleef +klagen: _Miseremini!_ hebt medelijden met mij, gij die mijne vrienden +zijt, want de hand des Heeren heeft mij geraakt! + +Ja, maar de slotsomme van de groote klachte bleef nog ongeklaagd en het +schrikbare woord verviel nu op de heilige Kerke zelve. Een driemaal +gekroonde, driemaal gescepterde Priester verscheen, en, staande in het +midden der Vaderen, die van voor Hem wegschoven, zoo verkondigde Paus +Innocentius, op de trompetten der Cherubim die uit den orgel daverden, +die trompette die eens alle vleesch verschrikken moet. _Dies irae_ klonk +het, + + Kwade dagen, die al de dagen + eens lijk asschen weg zult vagen, + zoo 't Sibille en David zagen! + + Welk een gruwel 'n zal 't niet wezen, + als de Rechter, opgerezen, + 't goe zal uit het kwade lezen! + + Wondere trompetrumoeren + zullen al de graven roeren, + al die dood zijn throonwaards voeren. + + Stom zal staan de Dood en 't Leven, + als de dooden antwoord geven, + staan, en voor den Rechter beven. + + 't Zal een boek te voorschijn komen + waarin 't al staat opgenomen + dat het oordeel Gods moet schromen, + + als de Rechter, neergezeten, + al 't verdoken kwaad zal weten, + straffen ende niets vergeten. + + Wie zal dan toch mijn verweer zijn, + wat mijn voorsprake of begeer zijn, + als de goeden zelf verveerd zijn? + + Koning, schrikbaar en grootmachtig, + bron van goedheid, nederslachtig + bid ik U, weest mij indachtig! + + Jesu, wilt toch wel gedenken: + als gij mij kwaamt 't leven schenken, + was 't om me op dien dag te krenken? + + Jesu, moe van zoeken naar mij + hebt Ge 't Kruis geleen, en daar mij + eens zoo dier gekocht: ach spaart mij! + + schoon 't Uw recht zij van te wreken, + wilt mij vrij van zonden spreken + eer die dag komt aan te breken! + + 'k Zuchtte als een ter dood verwezen, + maar mijn schaamrood schuldig wezen + hoopt op Uw bermhertig wezen; + + Wierd Maria 't eeuwig leven, + wierd den moordnaar hoop gegeven, + hopen durve ik ook, en beven. + + Heere, onweerdig is mijn bede; + doch, laat me, uit goedjonstigheden, + vrij van 't vier der eeuwigheden! + + Laat mij bij uw schaapkes weiden, + wilt mij van de bokken scheiden + en ter rechter hand geleiden. + + Moet gij dan vermalediden + en het eeuwig vier doen lijden + roept tot mij: "Gebenediden!" + + Want ik kome al jammerklagen, + 't herte als asschen rouw geslagen, + hulpe in mijnen doodstrijd vragen. + + Dag van weedom en van boeten, + als gij zult verrijzen moeten + en gerecht zijn om uw' zonden, + + mensch, God spare u in die stonden! + Zoet Heere Jesu mijn, + laat ze in ruste en vrede zijn, + in alle eeuwen! + Amen. + +Mysterie!... de wolkende wierook, die langzaam uit het gloeiend herte +des zilvers omhooge steeg, en van daar onzichtbaar nederviel in eenen +regen van smeltende balsemgeuren, die de Kerke doorwasemde en die +bleef hangen aan onze kleederen, even als het klimmende en 't wederom +neerdalende gebed des aanhoorden rechtveerdigen! + +Mysterie!... van schitterend Geloove, Hemelwaards ziende Hope en +brandende _Charitas_, die fakkels die rond de tombe flikkerden, in een +aangenaam vertoog. + +Mysterie!... die mindere lichten, die ons den priester te gemoet +leidden, toen hij van den hoogen autaar kwam en met de godvruchtige +menigte gemeenschap hield, in 't offeren van het onbloedige slachtoffer! + +Mysterie!... 't omhelzen van de goudene patene, den slachtbank en den +offerschotel van het heilige Lam des Heeren! Wel zijt gij weerd omhelsd +te worden, koninklijk metaal, dat, gewend van overal elders te gebieden +en meester te zijn, hier dienstbaar ligt onder de voeten des Heeren +Jesu, en op den autaar des Alderhoogweerdigsten, onschuldig zelve, de +ontelbare schulden helpt uitboeten, die, om u, met u en door u, gepleegd +zijn! + +Mysterie!... het driemaal hellemende gerinkel, dat het licht verstrooide +volk indachtig maakt hoe diepe de bevende Priester alree getreden is in +het Heiligste der Heiligdommen! + +Mysterie!... als, bij 't nederkomen des Heeren, alles zweeg en roerloos +bleef; onze hoofden in onze handen vielen, lekende van tranen, en +driemaal in de hoogte, het koper door de vervaarlijke stilte daverde, +zidderde, en bleef beven, tot in de steenen van den tempel, tot in de +graven beneen den marbelen vloer! + +Mysterie!... gezegende en troostelijke stemme der klokke, die, willekom +en onder wege half weggesmolten, als een Engel van vertroostinge, +zachtjes de lucht liept stooren in de kamer en rondom de sponde van den +lijdenden Vader, hem verkondigende dat Jesus andermaal, onbloedig, voor +Eduard zijn kind, geleden had en gestorven was! Ja, de peerlen van leed +en smerte ontschoten misschien wel den braven man zijne oogen, op het +afgeluisterde kloppen der Elevatieklokke, maar even zoo dapper slierden +en vielen de versletene Paternosterbeiers door zijne biddende vingers, +onder het denken aan Hem die aan 't kruis stierf, aan Haar die eronder +stond en leven kon: aan Hem en aan Haar die nu, boven alle smerte, in +den hoogen Hemel heerschen. + +Och! hoe troostelijk is het, na die heilige Mysterien godvruchtig +bewonderd te hebben, en zijn herte gelaafd in 't gebed, omhangen nog met +de zoete wierookreuken, hand en hand te staan en reisveerdig ten +gravewaard, met eenen afgestorven Broeder! Hoe troostelijk de stemme te +hooren onzer eerbiedweerdige Moeder, die heur kind den letsten zegen +geeft! Hoe troostelijk, als de orgelklanken dreunen, de klokken +tribbelen, de kerkdeuren opengaan, het Kruis voorenop treedt, de wind in +de vane slaat, het lijk ommekeert, omhooge rijst en voortgaat, onder het +luidruchtige vaarwel der heilige Kerke, dat gelijkt aan het reisteeken +van eenen triomphetocht! + +_In Paradisum!_ De herten beven in de boezems, de wangen slaan bleek en +krimpen weg, tranen verduisteren 't gezichte, de knien wankelen onder +den last des lichaams. _In Paradisum!_ Men weent, men weet niet waarover +noch waarvan; men weent, men is blijde, men is getroost, men is trotsch +van te weenen; men spreekt noch men hoort geen spreken meer, men peist +noch men weet wat er omgaat, 't lichaam ziddert in de stemme des orgels, +en de ziele vloeit weg ten Hemelwaard, in de stemme van dat wonderbare +_in Paradisum!_ + + Ten Paradijze geleiden u de Engelen, + gaat met de heilige Martelaars mede, + en uit Jerusalems zalige muren + komen de zingende Chooren u tegen! + Gaat, eens met Lazarus arm en ellendig! + rust... in alle eeuwen der eeuwen onendig! + +Met zulkdanige gevoelens stonden wij op den 5den dag van Meie, 't jaar +1858, in 't herte van West-Vlanderen, binst den brandenden noenenstond, +te Staden op het kerkhof. Het Kruis was voor eene laatste maal in het +graf tot op de kiste gedaald en had daar driemaal een teeken van +zaligheid geteekend. + +Zoo teekende Moeder uw voorhoofd weleer en streelde met het Kruis uw +oogskes toe, wanneer zij u, -- hopende Moeder! -- al bidden en zingen in +slape had gezongen, in uwe aldereerste kindsheid, gij die nu ligt en +slaapt in den schoot der aarde. + +De holde klank van het stof dat de Priester, onder heilige woorden, op +de kiste liet vallen, het schraven van de koorden die men er van onder +haalde, verdween welhaast met den laatsten _requiescat_, met den +laatsten kronkel wierooks, die stillekes uit de stervende kolen en +tusschen de zilveren ketentjes wegkroop in de ijdele lucht... en +verdween: alles viel stille als de dood zelve, alles scheen te wachten +naar iemand om het woord van scheiden uit te spreken, 't geen eindelijk +gedaan wierd in dezer voegen: + + Mijne beminde en dierbare Leerlingen! + + "Het is mijne plicht, alle dagen, onder Ulieden het woord te voeren; + heden, dat wij niet meer in het stille schoolverblijf maar te zamen op + de boorden staan van een graf, heden en zal ik nochtans aan deze mijne + plicht niet te kort blijven, maar u hier mijne dagelijksche lessen + voorenhouden. Doch! wat behoort het mij te spreken, toen alles rondom + ons zoo eene klare tale voert, ja toen de doode stilte van dit Kerkhof + zelfs tot in onze gebeenderen ziddert!... Spreekt gij liever in mijne + plaatse, o Engel des doods, op wiens erfgebied wij hier staande zijn; + spreekt gij, en leert ons uwe zoo dikwijls herhaalde, dikwijls + verstane en even zoo dikwijls vergetene lessen. Spreekt gij in + zonderheid, afgestorven Broeder, spreekt gij, alderdeugdzaamste + Jongeling, waarvan uwe oversten zeggen en getuigen "dat gij maar + opgehouden en hebt kind te zijn om Engel te worden!" Spreekt, mijn + dierbare Vriend, mijn leerling en mijn kind: spreekt en verhaalt ons + hoe de Engel des doods aan u toch geenen zegepraal gewonnen en heeft, + maar hoe gij, integendeel, op zijne vlerken gesteund, het Hemelrijk + zijt binnengeklommen. Spreekt, vereeuwigde ziele, en verhaalt ons met + welke vreugd de Gever van alle goed uwe minzame deugden beloond heeft; + met welk een kleed van Hemelschen glans uw onaangeraakte zuiverheid, + met welke kroone van eere uwen wonderbaar grooten ootmoed, met welke + liefde uwe liefde en uwen eerbied voor uwe Ouders en Meesters, en + eindelijk, welke prijs u betaald is geworden voor dien zucht, die + wondere en zeldzame gifte des Heeren, die u van kindsbeen af + verlangen deed naar het kleed en de kroone, naar de zoetheid en de + bitterheden van het heilig Priesterdom. Spreekt, o onze dierbare + Vriend, spreekt en vertroost uwe Ouders, aangezien geen een van ons ze + troosten kan! Troost dien Vader, die zijn eigen lijden verborg, om het + uwe niet te vermeerderen; die God zijn leven ten besten gaf, wilde Hij + het uwe daarom sparen; spreekt en zegt dat gij welhaast misschien, als + Engel des Heeren, bij zijn bedde zult staan, hem in zijnen doodstrijd + hulpe bien en zijne ziele ten Hemel voeren. Spreekt en troost de + vrouwe die u gewonnen, geboren, gezogen en gekweekt heeft voor den + Heere; troost uwe Moeder, die er bij dage altijd zoo blij uitzag, uit + vreeze van u te bedroeven; die, vlijtig, met een hand de drinkschale + ontving van haar lijdende Kind en met de andere eenen stoel bijschoof + voor den bezoekenden Priester, maar die bij nachte, alleene en + verborgen, voor haar Kruisbeeld, daar den lang weerhouden stroom van + tranen liet gaan, en heur gebroken herte ontlastte. "Moeder," zoo zegt + haar, "gij vroegt aan God eenen Priester, de Heere heeft u verhoord, + Hij heeft u geenen Priester gegeven, maar eenen heilige, eenen Engel + in den Hemel, die, zonder den last des Priesterdoms te moeten dragen, + al de genuchten daarvan geniet, en daar, in die oneindige Kerke des + Alderhoogsten, aan den autaar van het Lam zelve, voor u staat te + bidden. + + Spreekt gij nu ook, mijn brekend herte, als 't is dat gij nog spreken + kunt... + + Maar neen, 't wordt tijd dat wij scheiden. + + Afscheid nemen wij dan van u, onzen lieven broeder, met de laatste + trane der vriendschap, met de laatste bede des Christenen, met den + laatsten zegen des Priesters... + + En gij, dierbare grond van Vlanderen, ons eigen Vaderland, gewijde + aarde van het kerkhof des Heeren, aarde waarin de muren staan van + Gods tempel en de voet van zijn Kruis, aarde waar het gebeente in rust + van zoo vele onzer Voorvaderen, wier heilig stof misschien in deze + handsvolle begrepen is, aarde die 'k omhelze als den grond waaruit ik + gesproten ben en waarin ik zal terug keeren, gewijde aarde, valt, + duizendmaal gezegend en besproeid met onze tranen, op dat heilig lijk, + dat wij u toevertrouwen! Bewaart die reliquie, bewaart ze tot op den + dag dat de Engel der verrijzenis hier zal komen kloppen, roepende: + "Staat op gij allen die gestorven zijt!" + + Weer op zult gij dan staan, Eduard, onze vriend, in de glorierijke + verrijzenis, met die strale in uwe ooge, die blonk vol simpele + eenvoudigheid, met dien eigensten lach, spelende om uwen mond, die + altijd loech van zielsgenoegen, loech van onnoozelheid, + + loech van liefde, loech van vreugde, + loech van louter zuiverheid, + loech in 't leven, loech in 't sterven, + lachen zal in de eeuwigheid!" + +Zoo scheidden wij van zijn lichaam, terwijl zijn ziele alree 't geluk +genoot dat ons misschien nog menige vijanden, talrijke strijden en +gevaren zullen komen betwisten; hetwelke wij nochtans ook, onder Gods +hulpe, zullen veroveren, is 't dat wij getrouw blijven aan het voorbeeld +van onzen Vriend, en bestand doen aan 't gene wij, bij zijn graf, ons +zelven en den Heere beloofd hebben; eindelijk, en om te sluiten met een +vers van den overledene zelven, indien + +"_elk slaapt op zijnen schild en houdt het zweerd in d'hand_." + +[1: Geplukt en bewaard ter nagedachtenis van zaliger Mijnheer Eduard van +den Bussche, geboren te Staden, in West-Vlanderen, op den 10 Januarij +1840; student in poesis en lid der Congregatie van O.-L.-V. Onbevlekt +Ontvangen in 't kleen Seminarie te Rousselaere, overleden op zijne +geboorteparochie, den 3den van Mariamaand, in 't jaar O.H.J.-C. 1858.] + + + + + BEZOEK BIJ 'T GRAF. + + + Ik wandelde, ik wandelde alleen, + ik wandelde en sprak tot den Heer: + Hij sprak en ik hoorde, en hij hoorde en ik sprak, + en 'k wandelde en 'k sprak tot den Heer. + + Wie leedde, wie leedde er mijn schreen? + Waar leedden mijn schreden naartoe? + 'k En wete, maar 't leedde me entwie en ik ging, + en ik stond op het kerkhof alleen. + + Daar staat hij, de torre, 't is hij; + de hane op den torre, 't is hij; + daar staat hij die torre en die Kerke en dat Kruis; + hier hebbe ik nog eenmaal geweest. + + Hier legde ik een vriend in het graf, + ik legde -- en hij slaapt in het graf; + en Jesus, die waakt in zijn heilige tent, + waakt neffens hem, neffens het graf. + + Waar, zegt mij, o zwijgende veld, + waar ligt hij begraven?... Alhier? + Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg + en zeide: "Vaarwel, o vaarwel?" + + Het water gaat open en toe, + Het water gaat op en gaat neer, + het water, als 't kind er een steentjen in smijt, + het water gaat op en gaat neer. + + Het water gaat op en gaat neer, + het water gaat open en toe, + en haast is het water weer heel en gansch stil; + waar viel en waar ligt nu de steen? + + En de aarde gaat open en toe, + ook de aarde gaat op en gaat neer, + wanneer er de putmakers geldwinnend hand + een kist in legt, open... en... toe! + + En de aarde gaat op en gaat neer, + ook de aarde gaat open en toe: + en, hooger als de andere graven, een tijd, + daar toogt men een graf en zegt: "Daar!" + + En de aarde zinkt langzamig neer, + en de aarde zinkt wederom toe, + en wederom strekt er zijn armen naar uit + 't vergetende gers, en 't groeit toe. + + En de aarde gaat open en toe, + en de aarde gaat op en gaat neer, + en haast is het alles zoo effen en groen, + zoo effen als al dat er leeft. + + Wat zegt gij, o zwijgende veld? + Waar lag hij, waar ligt hij nu, hij? + Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg + en zeide: "Vaarwel gij, vaarwel?" + + Een stemme, geen andere 'n sprak, + een stemme, geen andere, geen een: + "Komt hier," zei een stemme, aan het Kruis, "hij ligt hier: + komt hier," zei een stemme, "aan het Kruis." + + o Stemme van 't houtene Kruis, + o Kruis van den Heere, gegroet; + gij blozende vrucht aan den edelen boom, + gekruiste Verlosser, gegroet! + + Waar staat gij, hooge over mijn hoofd, + waar staat gij, gedoken in 't gers, + waar staat gij, waar staat... dat ik groete u, o Kruis, + ik groete u, o edele Kruis? + + o Stemme van 't houtene Kruis, + o stem van het houtene Kruis, + ik vraagde zoo dikwijls, ik vraagde en ik bad, + en... de antwoord is altijd: het Kruis. + + o Kruis op den torre en in 't gers, + o Kruis aan 't gedokene graf, + o Kruis, waar gij staat ofte gaat, zijt gegroet, + gegroet zij mij 't heilige Kruis! + + o Stam van het heilige Kruis, + triomphwinnend houtene Kruis, + gij toogdet.., ik vond mijnen vriend, vind' Hij mij, + die stierf aan het heilige Kruis! + + + + + NOG EENS + + + Nog eens, o christene studenten, + bij 't graf gestaan! In tranen? Neen! + Laat vreugde op ons den zegel prenten, + want wij zijn christenen! 't Geween + betaamt die hoop noch troost en kennen + in Christi kruis en dierbaar bloed, + betaamt die kerke en kerkhof schennen, + betaamt een' andren jongelingsstoet! + Voor ons is doodgaan levend worden, + door Hem die lijf en leven gaf; + 't en zijn geen beendren die verdorden + of zullen opstaan uit het graf. + Zoo zult gij ook, beminden; 't sterven + heeft Jezus zelve ons voorgedaan: + de doodbrief staaft uw recht om 't erven + het rijk waar Hij is ingegaan! + Gelukkige Arnoud, rust in vrede, + God hebbe uw' ziele in zijn gena; + gij droegt, 't is waar, uw deugden mede, + maar uwe exempels liet ge ons na: + die volgen wij, tot op den rande + van 't graf, onwankelbaar vereend; + brengt deez' belofte ooit een in schande + van die hier staan? Zoo God helpt, neen 't! + + + + + JAARGETIJDE + + + o Gij die wij beminden eens, + wij groeten u, vol droef geweens, + en staan rondom uw graf te gaar, + op 't ende van uw stervensjaar. + + Waar zijt gij? Sterke en kloeke, en al, + waar zijt gij, ach, te groot getal + van vrienden, gij, die dacht misschien: + 'k Zal menig uwer sterven zien! + + Aleer gij iemand sterven zaagt, + was 't gij die eerst gestorven laagt: + en droevig staan we, uit vriendenplicht, + bij 't graf, waar ge in begraven licht. + + Zoo vaart de dood, o! doof en blind, + ze'n spaart geen ouder, spaart geen kind; + smijt al in 't graf, maar d'hope niet, + die me in dit kruis hier staande ziet. + + o Zalig teeken op het graf, + o nooit ontvallen wandelstaf, + staat bij, staat bij, in dezen nood, + en zijt remedie na de dood! + + o Kruis, daar Christi bloed aan was, + de mensch is licht en broos als glas: + hij valt, hij breekt; gij staat en houdt + omhoog, die op uw stam betrouwt. + + Daar liggen ze aan uw voet, o Kruis, + onz' liefste neer, in stof en gruis: + herleve 't stof en worde 't wat + Gods hand het eens geschapen had. + + Herworde 't jong en stervensvrij, + herworde 't in Gods vreugden blij, + herworde 't in God zelf geleerd, + herworde al 't duistre in licht gekeerd! + + o Dierbaar is het vriendengraf, + ik schee daar met getraan van af, + ik laat mijn hert daar aan en bij, + en,... vrienden, dat u vrede zij! + + + + + HET KRUIS + + + Het kruis ontliet den mensch + uit 's vijands helsche banden; + met 't kruise wijgen hem, + in 't doopsel, 's priesters handen; + gebiecht, gevormd, berecht, + getrouwd, gezalfd in 't kruis, + nog wijst hem 't kruis den weg + naar hier, zijn laatsten thuis. + o Kruise, dat daar staat, + och, of zij 't allen wisten, + gij zijt het teeken en + de hoop van elken christen: + zoo Christus leefde en stierf, + in kruisen en verdriet, + zoo zult gij, of ge en volgt + in zijn triomph hem niet! + + + + + UIT HET ITALIAANSCH + + + Ik hoor ze zingen in de roozenhagen, + de nachtegaalkes, hunnen liefdezang; + en de eekentronken, oud en bruin, doordragen + de gulden najaarszonnestralen lang. + + 't Gaan duizend stemmen achter 't land en roeren, + 't gelooverte en het gers en 't beekske roert; + in 't diepend blauw zie 'k de Apenninen loeren, + den hemel wordt zijn' roozenverwe ontvoerd. + + Bij zulk een zalig, eenzaam vredezegenen, + och Moeder, mochte ik uwe stemme ontvaan! + Och mochte ik, Moeder mijn, u nog bejegenen, + een enk'len keer nog, en toen sterven gaan! + + Neen, koud zoo ligt gij daar, in 't graf gedragen, + het hooren van mijn stemme is u geroofd!... + wijl boomen, bergen en de roozenhagen + de nacht bedekt, die dit mijn herte dooft! + + + + + R.I.P. + + + Rust in vrede, rust in vrede, + gij die, wandlend, zijt van hier + voorwaards- en voorbijgetreden, + onder Christi kruisbanier; + die naar 't land zijt, het verdoken, + waar de koninklijke staf + ligt bij 't naamloos stof gebroken, + van 't onedel werkmansgraf; + waar geleerdheid niets kan baten, + weet men Christi lessen niet, + waar men geld en goed moet laten, + waar geen schoonheid overschiet. + Rust gij, leeraar en geleerde, + rust scholier en schoolregent; + rust, dien elke ende een vereerde, + rust, dien niemand heeft gekend. + Rust, die 't zelfste bloed in de aderen + droegt misschien als ik; en gij, + vrome ziele onzer vaderen, + rust, en dat u vrede zij! + Moge God u ruste geven, + die begonnen, die volend, + of die, midden in het leven, + wakend hebt de dood gekend! + Rust in vrede, rust in vrede, + jonge en oude, groot en smal, + rust en, in Gods zaligheden, + rust, gij afgestorv'nen al. + Rust in vrede, rust in vrede, + u nog eens vaarwel gezeid, + eer ik weg en thuiswaards trede, + rust... tot in der eeuwigheid! + Amen. + + + + + HET KINDEKE VAN DE DOOD + + + Filius mortis est. + I Reg., XX, 31. + + Daar zijnder die de levensbaan, + met schaars eenen brijzel brood, + tot aan hun oude dagen gaan + en leven, spijts de Dood. + + Daar zijnder die dit leven van + zijn blijde bane stoot, + van waar hun eerste reize began: + 't zijn kinderen van de Dood. + + Een wist ik, en zijn moeder, als + zij 't hutste op haren schoot, + zij zong en zij zeide: "Mijn kind!" 't Was valsch! + 't was 't kindeke van de Dood. + + Zij leefde en leefde tweemaal toen + zij 't tegen heur herte sloot, + en driemaal, toen ze 't daar mocht voen, + heur kindeke... van de Dood. + + 't Kind at en drank, uit klaar bedwang, + en 't pramen van den nood, + maar al dat het nutte, van spijze en van drank: + het at en het drank de Dood. + + Het groeide alzoo de plante wast, + die nimmer zunne 'n ziet: + een rijzig, een reilde kindeke was 't, + en derelijk als een riet. + + En de andere blommekes, blank en blij + ze loegen altemaal; + en, over van vreugde, zoo loegen zij + met zijnen bedrukten staal. + + Het loeg... en het hief in het blauwe meer + des hemels zijne oogen, maar + ze vielen zoo licht op de aarde weer neer, + en ze stonden daar, immer -- daar. + + Aanschouwt hem, aan zijn huis geleund, + hij rust en, overhand + op d'een en op d'andren voet gesteund, + daar staat hij nu, aan den wand. + + Hij staat daar, van als de morgen breekt, + en spreekt geen enkel woord, + 't en zij dat hij in zijn herte spreekt, + en dat God daar alleene aanhoort. + + Aldus verwacht hij 't noengetij, + hij buigt zijn hoofd, hij hijgt + om asem, en pijnelijk asemt hij... + maar klagen, nooit: hij zwijgt. + + Zoo zinkt het sappig looverkruid + in 't branden van den noen, + en asemt al de krachten uit + die zijn blaren voen. + + Hij staat daar, als de zonne zinkt, -- + een roode hemelbal, + die loerende al onder de boomen blinkt + en wegvaart, -- liefst van al. + + Toen heft hij zijn grooten oogbal op + en laat hem, overlaan, + ontlasten den blinkenden pereldrop, + dien niemand en kan verstaan. + + Toen sukkelt hij weg, en hij kijkt, wanneer + hij staat om in te gaan, + nog eenen laatsten en ach zulk een langen keer, + al zuchten... achter de baan! + + En als de wind de deure wrijft, + toen keert hij treurig om, + wendt weder, en schudt met zijn hoofd, en schrijft, + in de asschen daar schrijft hij: "Kom!" + + Gelijk het kind des avonds, blij + en op zijn speelgenoot + al peizen, wenscht: Dat het morgen zij! + zoo wenscht hij naar de Dood. + + De dood is maag en vriend van hem, + hij kent heur witte hand, + hij kent heuren lijzigen stap, en heur stem, + en heur delfspa, en heur land. + + Zij is vriend van hem en speelgenoot, + zijn herte langt erom; + ja, zij nestelt alree in dat herte, de dood, + en zoo, schrijvende, zucht hij: "Kom!" + + Zij beidde, en hij beidde zoo lange ernaar, + en ze kwam toch 'nen keer, daar hij stond + alwaar hij placht te staan, en alwaar + zij kwam, en alwaar hij ze vond. + + Zij kwam, en zij ging in huis, en hij zag, + en hij stapted' heur achternaar: + zij klom en hij klom, en zij lag en hij lag, + en zij loeg... en hij loeg op haar. + + En zeider daar eene: "Ei, hij lacht! hij lacht! + Wat heeft er med' hem geweest! + Wat doet hij nu, dat hij nog nooit en placht: + ons broeder, ai Heere, hij geneest?" + + "Ah," zeider daar toen nog eene andere vrouw, + "dat was mij een aardige lach! + Zoo loeg hij, wanneer dat hij sterven zou, + mijn areme man en hij... ach!" + + De schrik kwam in huis, en elk beefde en elk sprong + en elk vloog, alhier, aldaar: + en 't klopte op den torre, en de belle klonk, + en 't brandede een keerse klaar. + + En stille... zoo viel het toen, stille,... niet + en roerde of en leefder meer, + om 't schrikken en om den eerebied, + en de komste van -- den Heer! + + En zeider een lijzige stemme, toen + zij weerom spreken dorst: + "Wat gaat hij daar, kijkt, wat gaat hij doen: + wat maakt hij daar op zijne borst?" + + "Ai!" zeider eene andere vrouwe, en sprak, + terwijl zij naar Christus wees: + "Het Crucifix! want hij maakt zijnen pak... + hij gaat sterven!" En zij kreesch... + + En 't water viel gewijd op hem, + het kruis ging aan zijnen mond, + en snikkende snokte er nog menige stem, + die anders geen woorden en vond. + + Toen sprak hij, terwijl hij staal voor hem zag, + en -- iets? -- in zijne armen sloot: + "Och! moeder toch, geeft mij een kruisken!" En ach, + de vrouw was al lange dood! + + En spannende toen, med' eenen langen zucht, + de ziele heuren band... intween, + ze vluchtte... en, in moeder heuren schoot gevlucht, + zoo liet zij heur lijk alleen. + + Med' oogen half open en mond half toe, + zoo lag het, en loeg het, en keek; + en velen die 't zagen, ze zeiden: "Hoe!" + en dat het hem zoo geleek. + + De landman stond, op den droeven klop, + die zijne endeklokke lood, + en peisde, en hij rechtte zijn hoofd 'nen keer op: + 't Is voor 't kindeke van de Dood. + + Hoe snel nu van dien rechtveerdigen man + 't gebed ten Hemel schoot, + 't en was er niet eer als het zielke van + het kindeke van de Dood. + + En zij, die eens op dat eigenste kind + heur stervende oogen sloot, + ze zoende in den hemel heur teerbemind... + heur... kindeke... van de Dood. + + En zong er toen een, dien dit leven van + zijn blijde bane sloot: + "Ik hope in een beter leven dan + dit leven van de Dood. + + En 'k wilde wel gaan door 's levens baan, + met schaars eenen brijzel brood, + zoo 'k mochte zoo recht naar den Hemel gaan + als -- 't kindeke van de Dood!" + + + + + GOUDEN ROOZEN + + + _Gedachten by het graf_ + van zaliger mijn weledelen, zeer eerweerden Heere + Mijnheer Joseph Antonius Maria Ghislenus + Anastasius Johannes-Nepomucenus + Baron de Pelichy + filius M'her Johannes, wijleneer Burgemeester der stad Brugge, + bij Mevrouw Maria Josepha van Heurne; + _die, geboren te BRUGGE, op den 15 April 1809, Priester + en Bestierder der Zusters van Maria te ISEGHEM, + aldaar godvruchtiglijk in den Heere overleed, + op den 28 Julij 1882_. + + Gouden roozen, zelden bloeiend, + in dit arem tranendal, + of zoo spoedig weer ontwelkerd, + wie is 't die u vinden zal? + + Jesus volgende en Maria, + gouden rooze na den geest, + was hij Edeling, was hij Christen, + was hij Priester, aldermeest. + + Hij was levend 't geen hij stervend + wilde zijn: de gouden roos + uit zijn wapenschild, oud, eerlijk, + ongeschonden, vlekkeloos. + + Beeld van liefde, beeld van goedheid, + beeld van al dat edel is, + bloeit hij zoo in aller herten + en in elks geheugenis. + + Beeld van priesterlijke deugden, + van geleerdheid, hooge en klaar; + in de kunst die alle kunsten + overtreft, kunstoefenaar. + + Kunst der kunsten, zielen leiden, + zielen leeren vroeg en laat, + God betrachten, God beminnen, + met den woorde en met der daad. + + Kinderzielen, opgegaderd + langs den weg en in het dal, + schoon u niet altijd even prachtig, + even kostlijk immers al. + + Hoogbestemde zielen Christi, + maagdenblommen, leliepracht, + van de wereld afgestorven, + God beschouwend dag en nacht. + + Zegt, wie zal elks lesse wezen, + elks goe voorbeeld? Zegt, wie zal, + onder zoo veel edele perelen, + de eelste perele zijn van al? + + Zegt, wie zal den vijand keeren, + wie zal wakend voorengaan, + wie den weg, de weiden vinden, + wie de bronnen gadeslaan? + + Hij zal werken, hij zal waken, + hij zal sterven, doet het nood, + en, lijk Jesus, zijnder kinderen + hulpe en heil zijn, tot der dood. + + Gouden rooze, vol van kracht en + milde reuken, deur end deur, + alles met de lucht verfrisschend + van uw zoeten liefdegeur. + + o, Wie pegelt al de schatten + die gij, bloeiend roozenblad, + God alleen bekend, de menschen + onverstaanbaar, hebt bevat! + + Dat is 't woord, o gouden rooze, + dat ik in uwe tale vond; + dat's de wijsheid van dat wapen: + Gouden roozen, groenen grond. + + Groene grond was 't, en goede eerde, + waar gij 't leven hebt ontvaan, + en waar eerst de gratielonken + van Gods zonne u vonden staan. + + Goede grond zijn onze herten, + en de vruchten, ongeteld, + zijn wij schuldig uwer goedheid, + die nu rust in 't heilig veld. + + Vruchten, weerd het milde zaaien + van uw hand en al het werk + van uw priesterlijk bezorgd zijn + voor Gods volk en voor Gods Kerk. + + Groene grond zal op het kerkhof + haast verbergen 't heilig oord, + waar gij rust en wacht de stemme + van des Engels wekkend woord. + + Maar geen groenen, geen verdroogen + van het jaar of van het veld, + dat de erkentelijke droefheid + onzer herten palen stelt. + + Neen, geen tijdstip, geen verjaren + van uw sterfdag mindert ooit + het geheugen van al 't weldoen, + dat gij hebt rond u gestrooid. + + Want wij hopen, schoon wij weenen, + dat alwaar gij God geniet, + gij het werk nog uwer liefde en + al uw' kleene kinders ziet. + + Ha, betrouwt ons dat wij zullen + uwen name en uw blasoen, + kleen- en grooten, rijk- en armen, + naast onze ouders, eere doen. + + Dank- en dierbaar zal hier blijven + uw gedacht, en, waar gij zijt + zal de weerklank u verheugen + van uw naam gebenedijd. + + Wij beloven 't en wij meenen 't, + dat wij, ver van u voortaan, + zullen werken, leeren, bidden, + en met u standvastig staan. + + Ja, standvastig als de boomen + van dat vruchtbaar wapenveld, + dat, vol gouden eekels, uwe en + onze vrienden voorenstelt. + + Vrienden, die aan ons u binden, + schoon gij reisdet hemelwaards, + en die, in uw' plaatse, ons zullen + troosten, of gij zelv' het waart, + + tot dat eens een' dag van vrede, een' + dag van blijdschap God verleent, + die hetgeen hij kwam te scheiden, + in zijn goedheid, weer vereent. + + Dit vereend zijn, -- _in aeternum!_ -- + dat het eeuw- en ervig duur', + na 't bedied van Gods onroerbaar + woord: _Non commovebitur!_ + + [NOTA. -- Het wapenteeken, dat het edele geslachte _de Pelichy_ + vertegenwoordigt, is: Op een groenen grond of veld eene zilveren of + witte bare, onder welke eene, boven welke twee, te zamen drie gouden + roozen staan, met deze kenspreuke: _Vulnerat et sanat -- : 't Kwetst en + 't geneest_. + + Het edel geslachte _Gilles_ vertegenwoordigen, op eenen blauwen grond of + veld, een gouden keper, met, in elken overschietenden hoek van 't + schild, een te zamen drie gouden eekels. Kenspreuke: _In aeternum non + commovebitur: In der eeuwigheid en zal 't beroeren_. + + Het wapenteeken van de twee verhuwlijkte geslachten te zamen, _Gilles_ + en _de Pelichy_, is, gevierendeeld, aldus: 1 en 4 _Gilles_, 2 en 3 _de + Pelichy_.] + + + + + ZIELGEDICHTJES + + + I + + L.J.D.W. + + 1852 + + Het aardsche vat was al te teer + voor 't machtige verstand, + de band des lichaams kon niet meer + weerstaan der zielen brand; + hij brak... ze ontlook heur vleugelen + en koos de hemelbaan: + daar mag zij, zonder teugelen, + God minnen, God verstaan. + + + II + + H.L.B.G. + + 1852 + + Uw stemme, o Heer, hebbe ik vernomen: + "Gaat in mijn wijngaard," sprak ze mij. + Ik ben, gehoorzaam, er gekomen, + al is 't dat ik onweerdig zij; + en nauwlijks daar nog ingetreden + of, met den wille alleen te vreden, + zoo roept gij mij bij uwen throon, + en geeft, voor onverdienden, loon, + zoo veel aan mij als aan die 't ploegen + en 't daaglijks strijden voor uw kerk, + en d'hitte van den dag verdroegen, + gegrijsd op 't heilig wijngaardwerk! + + + III + + GULIHELMUS, Koster van 't Kl. Sem. + + 1855 + + Welzalig is de sterveling, + die nooit in kwade wegen ging, + maar die zijn leven, dag en nacht, + Gods wet bewaard heeft en betracht. + + + IV + + J.F.C. + + 1855 + + Gelukkig die, in 't dorre zand + van 's werelds vreemd Egyptenland, + op weg ten hemelwaard, + geen oogbedriegend weeldrig oord + vergeefs vervolgend, op en spoort, + maar zijnen weg bewaart. + + Gelukkig die de wreede beet + der wereldbraam zoo haast vergeet + als hij ten Hemel schouwt, + of die, in zijnen lentedag, + een enkle blomme plukken mag, + en... dat 't hem niet en rouwt. + + Maar geen die ik zoo gelukkig nom + als hem die 's werelds doorne en blom + en 't jonge leven laat, + om vroeg naar 't eigen land te gaan, + waarheen de pelgrim, op de baan, + nog reekende oogen slaat. + + Gelukkig, jongst ontslapen vriend: + nooit heeft uw ziel het stof gediend, + op ijdelheid verzot; + een enkele blomme pluktet gij: + de zuivre blom der Poesij, + en droegt die mee naar God! + + + V + + D.J.V.K. + + 1858 + + Daar lacht een nieuwe zon de nieuwe velden tegen, + de voorjaarmorgen breekt, na winternacht, weer aan; + ik zie het groeiend licht ten oosten opgestegen, + maar nauwelijks op, het licht is weer aan 't ondergaan! + + Aan 't ondergaan? Toch niet! 't Is ik die ben gerezen, + 't is ik die Hemelwaards gerukt, uit rampe en wee + en uit alle aardsche vreugd, -- mag vreugd heur name wezen? + de zonne duistren zie in eene gloriezee. + + De zee, waarin gij baadt, onwetend en omhangen + met sluierend geloove, in 't zalig God-ontvangen, + gebroeders, in 't geheem van Jesus' liefdebron; + de zee der Godlijkheid, die ben ik ingeschoten, + en, had ik maar een teug van 't lavend licht genoten, + die waar mij 't sterven weerd, zoo ik nog sterven kon. + + + VI + + P.F.J.S. + + 1755 * 1858 + + 't Geen waarvan de droeve menschen + altijd klagen hier beneen, + 't geen waarnaar zij 't meeste wenschen + hebt gij honderd jaar geleen. + + Maar, weer m'oud wordt en grijsharig, + weer onmondig kind verscheidt, + -- gij wierdt honderd-en-driejarig, -- + schilt het iets in de eeuwigheid? + + Zegt, wat hebt gij meer verworven, + mocht gij in den Hemel gaan, + als het kind met u gestorven, + en naast u in 't graf gedaan? + + Jaren, maanden, dagen, uren, + ware 't honderd, duizend jaar, + zijn, bij Gods oneindig duren, + of het niet een stonde en waar! + + + VII + + K.J.D.C. + + 1859 + + Gelukkig die, van kindsbeen af, + Maria gansch zijn herte gaf, + en, tot zijn laatste stonden, + bij haar en haren Zoon alleen + den troost in 's werelds droef geween + gezocht heeft en gevonden! + + + VIII + + A.D.K. + + 1859 + + Een kind ontsliep: + wie anders weet + als moeders herte ervan, + en Jesus', die 't + gewonnen heeft + en nooit meer kwijt en kan? + + + IX + + E.J.B. + + 1859 + + Naar sterren, als de zonne uitschiet, + en vraagt men noch en zoekt men niet. + De nacht,... hij brak, de zonne klom, + uw zonne... Gij zeidt: willekom! + en vloogt, o vriend, en leeft nu, waar + geen nacht meer is en sterreklaar + lijk hier, maar dag, bij God den Heer, + en nacht, dat en wordt het u nimmermeer! + + + X + + ADVOCAAT S. + + 1859 + + Die, rijk gekanst, is arm gebleven; + die 't zweerd droeg van het Recht, en die + bemind was en beminnend; wie + in zulk een deugd hem grauw kon leven, + dien loont geen lof dien mensch kan geven, + dien loont, -- het is van God gezeid, -- + God zelf maar, en Gods eeuwigheid. + + + XI + + A.V.D. + + 1860 + + God gaf het ons, + God nam het ons, + Gods name zij geprezen; + 't was wel bij ons, + 't ging weg van ons, + 't was beter in den Hemel; + daar blijft het ons, + daar wacht het ons, + daar zien wij 't eenmaal weder! + + + XII + + J.V.D. + + 1860 + + Ah! gij hadt zoo geren 't leven + aan uw kindtje weergegeven, + liefste moeder: uw verdriet + kent het dan Gods woorden niet? + Alle liefde en alle zoetheid, + leven zonder levensmoedheid, + leven zonder stervensdag + erft... die zalig sterven mag. + + + XIII + + L.L.D. + + 1860 + + Leeft gij lange of korte dagen, + moet gij leed of leute dragen, + God, die 't eene en 't ander geeft, + zal u 't een en 't ander laten + in dit vluchtig leven baten, + zoo gij 't voor en met Hem leeft. + + + XIV + + N.V.N. + + 1860 + + Hetgene een' moeder troosten kan, + die weent, + noch vriend noch vreemd en weet daarvan, + o neen; + 't is God die slaat, 't is God die troost, + 't is God die alles doet: + 't is vele dat men goedheid heet, + maar God alleene is goed. + + + XV + + N.N. + + 1861 + + 't Zij vroeg of laat + daar niets en baat, + daar moet elk tol betalen; + 't zij munk of non, + gij, nu, ik ton: + de dood komt alles halen! + + + XVI + + CORDULA + + 1862 + + De trage ziekte brak intween + den band van lijf en lenden, + maar kon de ziel, 't geloof, de hoop + noch de edele liefde schenden; + ze vlamde los, en vluchtte omhoog, + onstuimig om te vinden + den Meester, Vriend en Bruidegom, + in Jesu, den beminden: + in Hem bij wien geen tijd meer is, + geen toekomst, geen verleden, + maar de eeuwige onvergankelijkheid + van 't altijd altijd heden. + + + XVII + + ALFONS DANNEELS + + 3 Aug. 1847 * 9 Nov. 1864 + + o, Kon het ooit voor regel gelden + dat kunst of dappre moed verschoont + van 't sterven, o, men vond meer helden, + meer kunst'naars met het loof gekroond! + Maar neen, 't en baat niet; al die leven + ze zullen sterven, jong of oud: + die schatting moet eenieder geven, + al weigerde hij tienduizendvoud. + God wilde 't zoo en al ons klagen + bewijst maar hoe eilaas de mensch + geschikt was om een lot te dragen + dat hem nog voorzweeft in den wensch. + Onsterflijkheid, daar elk naar hankert, + onsterflijkheid, die ze al trotseert... + daar 'n is geen andre als zij, die in de kruisrotse ankert + en in 't graf Christi triompheert! + + + XVIII + + F.I.D.R. + + 1865 + + Gelukkig kind, dat van zijn spel, + zijn engelken voor reisgezel, + zijn hertje vrij van zonde en schand, + is weggegaan naar 't hemelsch land! + + Gelukkig kind, gij liet ons al + bedroefd om u, in 't aardsche dal: + gij, blijde, daar omhooge, bidt + voor ons, waar ge op den throon nu zit! + + + XIX + + A.V.S. + + 1871 + + Gelijk het paaschenblommeken, + als 't winterweer gesust is, + zoo smeet het zijnen lijkdoek af, + en 't rees al uit zijn donker graf, + en 't leeft nu waarder ruste is. + + + XX + + L.S.P. + + 1872 + + Onwetend en onschuldig nog + van al dat menschen weten, + wat hebt gij, kind, uw leven toch + onlang voorbijgesleten! + + Bemind van al, bemind van elk, + vol vreugde, waarheid, goedheid: + 't en was in uwen levenskelk + geen dreupel of 't was zoetheid. + + En eer hij uit was nam u God: + gij waart van hooger weerden + als dat gij zoudet dienen tot + versier van dezer eerden. + + Naar hooger streken zijt gij, kind!... + Gebenedijd van heden + zoo moet Gods naam zijn, en bemind, + tot in alle eeuwigheden. + + + XXI + + VADER EN MOEDER G... + + 1872 + + God liet hen, als twee boomgewassen, + gesteund d'een op den andre staan, + en lief en leed zoo zeldzaam passen + dat geen verschil ooit kan bestaan. + + Zij leefden, stierven, oud van dagen, + aanschouwde ik 't eeuwig leven niet; + zij zijn bij God: 't was zijn behagen, + al dat Hij wilde 'et zij geschied! + + + XXII + + E.F.V.T. + + 1872 + + Verloren moeite, onnuttig streven, + om langer als den tijd te leven + dien God, in zijn beschik, ons stelt: + zijt keizer, koning, oorlogsheld, + zijt jong of oud, zijt rijk aan gaven + of arm, gij sterft, gij wordt begraven... + 't Is al voorbij, verleen, gedaan! + Toch neen, daar blijft iets voortbestaan, + dat meest veracht wordt en misprezen, + dat is, en dat zal eeuwig wezen... + Past op uw ziele, o mensch, en doet + hetgeen God wil, hetgeen gij moet. + Laat lachen al die lachen konnen: + de ziel gered is 't al gewonnen; + en die dit een verliezen zal + verliest, eilaas, verliest het al! + + + XXIII + + A.K.E. + + 1873 + + Een stap is 't maar + van wieg tot graf, + voor ouden en voor jongen. + Gelukkig die, + dit leven af, + hoe kort of lang + het God hun gaf, + den beteren weg ingongen! + + + XXIV + + H.D.M. + + 1873 + + Verkieslijk is het, duizendmaal, + te rusten in Gods hemelzaal, + als, op der aarde, al wierd men rijk, + te slaven om wat ijdel slijk. + 'k Beminde uw huis, o Heer, en zag + den luister geren van uw' dag: + _uw dag_, hij is mij opgestaan; + _uw huis_, ik ben erin gegaan. + Vaartwel, en die dit leest onthoudt + dat ge ook in tijds de dood beschouwt. + + + XXV + + C.D.B. + + 1874 + + Het vier, 't gesmolten lood, het kruis, het zweerd, de tangen + deen menige eedle ziel de martelkroone ontvangen; + elk wist het. Maar, bedekt en 't menschdom ongeacht, + wordt menig martlares gemarteld dag en nacht. + + 't Geen Agatha stond uit eene ure, heb ik geleden + drie maanden en nog meer, drie schrikkelijke eeuwigheden. + De kroone kwam op 't laatst: verheugt, die mij bemint, + 't en is geen sterven, neen, 't is 't leven dat begint! + + + XXVI + + B... + + 1874 + + Ons leven houdt maar aan een draad: + wie weet er, waar hij gaat of staat, + wanneer de dood zal komen; + of hoe dat hem, bij nacht of dag, + bij hoorenstoot of wapenslag, + zijn zielken wordt ontnomen? + De felste valt aleer hij 't weet; + de mate die hem 't leven meet + weet niemand van te vooren. + Zoo, zijt bereid, en leert hiervan: + 't geen mij behoort vandage kan + u morgen ook behooren. + + + XXVII + + N.N. + + 1874 + + 'k Groet u, zoete zielke lief, + roosken rijk in geuren, + lelie uit de dellingen, + prachtsteen vol coleuren; + hatende al dat vleeschlijk is + en van kwad' humeuren: + zalig was uw sterven en + eeuwig goed te keuren. + + + XXVIII + + J.V.D.P. + + 1870 + + 't Getemmer van des menschen leest + is licht in stof en asch verstoven, + maar mensch zijn dat is aldermeest + onsterflijk leven, ver hierboven; + dit schendt geen dood, geen lichaamsdood, + dit kan noch vier noch staal bederven: + het kwaad alleen doet, -- jammer groot -- + de onsterfelijkheid voor eeuwig sterven! + + + XXIX + + O.L.A. + + 1876 + + In 't kloosterkleed gedekt en opgevat, + draagt, Englen, Hemelwaard een weerden schat! + En, weet gij wat gij draagt? Ons kind is het, + uit vader en uit moeder voortgezet, + ons eigen... Neen, 't was Gods, en God gebood + dat 't, nauwlijks levend, welkeren zou ter dood! + o Bittere stonden die een moeder leeft, + wanneer zij 't nieuwgeboorne 't leven geeft; + o bittere stonden, als 't geboren kind + al sterven in de dood weer 't leven vindt! + Want graf en wieg zijn een en 't zelf; voorwaar, + de pelder, 't is als of 't een wiegkleed waar', + waaronder Gods almachtigheid bewijst + dat uit het graf de onsterflijkheid verrijst, + en dat de dood, die elk ende een bedriegt, + met eigen hand God blijde kinderen wiegt. + + + XXX + + J.M.D.R. + + 1876 + + Ach, 't bitter leven is zoo kort: + van als het kind geboren wordt + tot dat het sterft, een stonde maar, + al duurde 't leven honderd jaar! + Ik stierf; na lang geleden pijn + en mochte ik niet genezen zijn, + ofschoon ik, Moeder, welbemind, + ofschoon ik, Vrouwe, man en kind + zoo geren, ach, zoo geren zag: + hij kwam, de bittere stervensdag! + Ik leef nochtans en derf niet meer + dat leven, dat in God den Heer + de doop mij gaf, de dood mij bracht, + en dat u, man en kind, verwacht! + Vaartwel, vaartwel, wij scheiden maar + voor korten tijd: vaartwel tot daar. + + + XXXI + + A.K.V.C. + + 1876 + + Rechtzinnig, God getrouw, + geloofbaar en geloovend, + zoo wierd ze eene oude vrouw, + en stierf, den Hemel roovend. + + Gelijk een kind, voorwaar, + dat, uit den doop geheven, + geen kwaad en kent, zoo klaar + was heur eenvoudig leven. + + Zij hield aan 't waar gewin, + en met heur' laatste krachten + zoo bleef z'heur huisgezin + in eere en deugd betrachten. + + Een waar exempel van + voorvaderlijke deugden: + God hebb' heur ziele dan + in 's Hemels ruste en vreugden! + + + XXXII + + K.R.S. + + 1877 + + Van kindsbeen af getrouw + aan recht en plicht en zeden + in weinig goeds voldaan, + met kleen gewin te vreden; + van 's morgens, voor den dag, + tot in de nachtsche stonden, + in werk en kerk gelijk, + vol neerstigheid bevonden; + heur' man een ware schat + van bijstand en genoegen; + heur kindren zoo dat nooit + zij moeder nutloos vroegen; + de kindsheid heiliglijk + bewakend; veler kleenen + een tweede moeder; elk + een voorbeeld; van geen eenen + gehaat ofte onvereerd; + vol dagen en vol deugden; + ja, van heur jonkheid af + verdienend eeuwge vreugden; + heur name eene eer, door haar + met vlek noch schand bedorven, + alzoo heeft zij geleefd, + alzoo is zij gestorven! + + + XXXIII + + BLANCHE + + 1877, 22 Maarte + + Nog nauwlijks heft een blomke of twee + zijn kopken uit de groene wee + en zoekt de zonnestralen, + of blanker blomkes gansch een stoet + de blijde wegen schittren doet + omtrent de kerkportalen. + + Ik zie daar een, zijn name is _blank_, + gelijk zijn' kleeren, wit en lang: + zijn' kinderlijke leden + bewegen of 't een Engel waar, + die, in een witten wolksamaar, + de kerk kwame ingetreden. + + Dat is ons kind! God riep, het kwam, + en 't broodgelijkend Offerlam + mocht in zijn herte dalen; + zijn hert, dat kloppend d'eersten keer, + uit onz' twee herten kwam weleer + zijn' levensloop te halen. + + Leeft lustig voort dan, kindtje, en laat + zoolang u 't leven openstaat, + niet af vooruit te schrijden; + vooruit, waar God u wilt en waar + gij moogt, met ons, uw oudrenpaar + eens eeuwiglijk verblijden. + + + XXXIV + + BLANCHE + + 1877, 8 Junij. + + + Nog nauwlijks is een maand of twee + den schoonen dag voorbij, of wee + verblindt onze oogenstralen; + wij zoeken weer den blijden stoet, + maar alles treurt en treuren doet + omtrent de kerkportalen. + + Ik zie daar een... zijn lijkje blank + ligt roerloos, en een sluier lang + ombundselt zijne leden; + zijn zielken, of 't een Engel waar, + is door den witten wolksamaar + des Hemels ingetreden. + + Dit was ons kind! God riep, het kwam, + gelijk een schuldloos offerlam, + blij uit deze aardsche dalen; + ons kind, dat, levend d'eersten keer, + uit onz' twee herten kwam weleer + zijn' levensloop te halen. + + Vaartwel, vaartwel dan, _Blanche_, en laat + ons allen in dien droeven staat + niet hulploos verder schrijden, + maar bidt, alwaar gij zijt, voorwaar + nog dikwijls voor uw oudrenpaar, + zoo zal ons hert verblijden! + + + XXXV + + J.D.S. + + 1877. + + + Nog nauwlijks t' halvenweeg + mijn oudrendervend leven, + o Heer, wat ben ik blij, + U alles weer te geven + dat gij mij gaaft, geheel + en door geen scha belet! + + Benijdt mij, gij vooral, + die, uit uw' kinderjaren, + onschuldig, ach, niet meer, + gescheept zijt en moet varen + de wreede wereld in, + met zoo veel kwaad besmet! + + Indachtig blijft toch, ja, + dat elk van u zal sterven; + indachtig, opdat elk + eens ook de kroon moge erven + die "Onze Vader" zelf + mij, weez', heeft opgezet. + + + XXXVI + + O.R.D.C. + + 1878 + + Goevrijdag was 't dat ik mijn kind zag henendragen + naar 't kerkhof! En bij 't kruis aldaar begroeven zij't! + Maria, laat mij U mijn bitter lijden klagen, + Maria, Moeder Gods, die ook toch moeder zijt! + Mijn kind!... 't Was God getrouw en U, naast God, genegen, + met bovenaardsche liefde! Eenvoudig, onbedacht, + zoo kende 't God en U en ons! En, met Gods zegen, + geen hooger jonste en had noch hij noch ik verwacht! + Die schat is weg! Die gunst heeft God mij zelf ontnomen! + Waarom? o Moedermaagd, waarom en vrage ik niet: + uw Jesus weet het best, Hij is om haar gekomen, + Hij, die mij, moeder, met U, Moeder, weenen ziet. + + + XXXVII + + C.M.N. + + 1878 + + De wereld had, met scherp geweld, + zoo geren hare ziel geveld + en hare deugd doen falen; + de Dood heeft ook de kans geproefd, + met pijn en smert haar lijf gegroefd, + en rustloos afgemalen; + dan viel op 't laatst de booze aan 't werk, + maar Jesus wees, almachtig sterk, + hem de onderaardsche dalen: + en, rustende op zijn vaderhand, + Caelina ging naar 't Vaderland, + voor eeuwig zegepralen! + + + XXXVIII + + P.P.D.M. + + 1878 + + Ik heb mijn Heer en God gebeden, + in 't midden van mijn hert; + 'k en kende 's werelds ijdelheden + noch 's werelds smert. + + Ik langde om hooger staat te leven, + en God, daarmee voldaan, + heeft 't hoogste mij van al gegeven + en toegestaan. + + Vaartwel, die mij gekend hebt, allen, + rondom Maria's voet; + en die door 's werelds ongevallen + nog reizen moet. + + God geve aan die mijne ouders waren, + en die ik heb bemind, + de rust, na lange of korte jaren, + bij mij, hun kind! + + Dan zal de dood geen scheiden wezen, + geen eeuwig scheiden, neen, + maar ouders doen en kind, nadezen, + weerom bijeen! + + + XXXIX + + W.R.A.K. + + 1878 + + o Schoone dagen, ongeweten, + of die, te laat gekend, o Heer, + zoo gauw geleen zijn en versleten, + en komen her noch immer meer! + + Ik was een kind te weinig jaren, + ik bleef onschuldig al te onlang; + den zeeweg roekte ik in te varen, + voor schipbreuke onbevreesd, onbang! + + Eilaas, daar faalt mij mast en steven, + daar vliegt mij bank en boord intween; + daar is van al mij niets gebleven, + niets, niets als ik en God alleen! + + Ter hulpe, o Jesu, moet ik zinken + in dezen nood, zoo laat mij vrij + naast u de bittre teugen drinken + uit dezen kelk! Staat bij! Staat bij! + + + XL + + K.J.A.J.D.M. + + 1878 + + Het lag gebundseld en gebonden in de dood, + toen Jesus kwam, als schijnbaar brood. + Hij sprak: "Staat op!" En alle schijn verdween; + 't wierd levend, het zag Jesus-God med' een, + en 't mocht den blijden choor ingaan, + in 't wit gewaad der onschuld, die voortaan + zal eeuwig blinken. Treurt niet, maar, + die hem bemindet, volgt zijn stappen naar! + + + XLI + + OP DE DOOD VAN GELUKZALIGER GEDACHTENIS. + + PIUS IX + + 13 Mei 1792 -- 7 Februarij 1878 + + De Koning van de Priesters is niet meer + der levenden. De mare vliegt. Elk weet het. En, gestorven, + heeft Pius hooger naam dan levend ooit verworven. + 't Was hij! Daar was zulk geen! Men weeklaagt niet, veeleer + verheugt men in zijn dood, die, triomphant gebleven, + elk staaft in zijn geloove, elk steunt van die nog leven + en biddend overal. Elk zag hem niet, elk toch, + elk kent en elk bemint, elk eert en weet hem nog. + Elk zal hem kennen, weten, elk beminnen, eeren, + schoon duizend jaren nog na duizend wederkeeren. + Geen tijd meer haalt hem in, hij is de tijden voor, + en de eeuw die nog niet is ontvangt alree zijn spoor. + Verkrachting, list, verraad, zij poogden, maar zij vonden + des Pausen ziele sterk, gerust en ongeschonden. + 't Was hij! Hij zag en: "Neen, de Pausen falen niet!" + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + Poogt wederom, nu dat gij hem gestorven ziet, + spant al te zamen, helle en helsche strijdgenoten! + Staat op! Hij ligt in lijke!... Uwe ure is 't! Saamgeschoten! + Geweld gedaan! Gepoogd!... En, eeuwig neergeveld, + zoo zult gij machtloos zijn in al uw strijdgeweld; + en vallend over 't spoor van zijn bezweken voeten, + daar zult gij, spijts uw hert, lijk Pius, zeggen moeten: + "_Non possumus!_" + + + XLII + + F.L.V. + + 1879 + + Ik ben Maria's kind, voortaan + en moet ik niet meer duchten + van uit den rechten weg te gaan + om eeuwiglijk te zuchten. + Ik stierf, maar God verleende mij, + 't geen God alleen kan geven, + van in den Hemel, eeuwig blij + en eeuwig lang, te leven! + + XLIII + + E.M.P. + + 1879 + + Te vroeg gesmaakt, te vroeg ontvlogen, + te vroeg, eilaas, hebt gij mijne arme ziel bedrogen, + bedrog van 's werelds ijdelheid: + gij duurdet eenen dag, eene ure, een' stonde, + ha... tijds genoeg om arrebeid en zonde, + en om nog erger kwaal na die, mij toegezeid, + te kennen! 'k Wierd u moe! De kwade wegen, + door distels en door doornen diep gelegen, + zijn, op het end, veel beter nog + als al de valsche vroolijkheden + der korte dagen die 'k heb doorgeleden! + Vaartwel! Alwaar ik ga 'n is geen bedrog, + maar waarheid, leven, vreugde: in 's Hemels vreden! + + + XLIV + + F.M. + + 1879 + + Hoe menig kind, den zelfsten dag + en 't zelfste jaar verschenen, + dat met mij eens het leven zag + en voor mij is verdwenen! + Zoo leerde ik lang en leerde ik goed + de kunst van wel te sterven, + ach, Onbevlekte, ik bidde U, doet + mij 't eeuwig leven erven! + + + XLV + + R.D. + + 1880 + + o Vrienden, jeunt me een goed gebed + en peist, eer ge uw betrouwen zet + op al dat ijdle menschen raan, + hoe dat het is met mij vergaan! + + Ach! jong zijn, dat en heeft, eilaas, + den duur niet van een enklen blaas; + gezond zijn is schier nog zoo broos + als 't ijs waar 't eenen nacht op vroos! + + Het leven is een stap, gesteld, + het wiegsken uit, in 't gravenveld! + En dan! o Dan, 'k en weet het niet! + Hij weet 't alleen, die alles ziet! + + Hij weet 't alleen, 't zij heil of ramp, + voor eeuwig, na den wereldkamp, + wat dat er ons te wachten staat, + wanneer de tijd van sterven slaat. + + o Dan, mijn God, bermhertigheid, + gij hebt het aan uw Kruis gezeid: + vergeeft mij wat gij weet en ziet. + want, wat ik deed en wist ik niet! + + + XLVI + + Ridder ADOLF LOOSVELDT + + 13 October 1845 -- 20 Junij 1879. + + Thielt -- Zanzibar. + + Held des vreden, + overleden + op het slagveld, vrij van bloed; + g' hebt uw leven + God gegeven, + gansch en geerne en onvergoed! + + Andren lijden, + andren strijden, + andren liegen, valsch en schoon; + die de wereld + 't hoofd omperelt + met een ijdele gloriekroon. + + Gij zaagt lijden + gij zaagt strijden, + gij zeidt: "Op!" en gij waart voort; + vriend noch mage en + kon u tragen, + want gij man waart van een woord. + + Overleden + vriend, in vreden + bleeft gij voor de Kerke dood: + ha, Gods kerke + hebbe uw sterke + ziele, in haren moederschoot! + + Thielt verloos u, + God verkoos u, + blijft aan God gejeund voortaan, + eeuwig, eeuwig; + en wij, leeuwig, + zullen we op uw voetspoor gaan! + + + XLVII + + E.P.C. + + 1880 + + Voorbij is 't lijk een zonnestraal, + die, uit den hemelwagen, + een korten tijd + elkeen verblijdt, + omtrent de winterdagen. + + 't Was al zoo zuiver, noch 't en heeft, + van als het wierd geboren + tot op den dag + dat 't weg ging, ach, + zijne onschuld nooit verloren. + + Het was verstandig, wijs en vroed, + en menig mensch met reden, + 't zij man of vrouw, + niet durven zou + naast hem in 't oordeel treden. + + Zoo schikte't God. Een korten tijd + verscheen het voor onze oogen, + en, op de baan + ons voorgegaan, + zal 't ons den Hemel toogen. + + + XLVIII + + TH. S., UURWERKMAKER. + + 1880 + + God geeft den tijd bij dag en jaar, + ach neen, bij kleene tikskes maar, + en 't laatste tikske komt aleer + men 't peist of weet, eilaas, te zeer! + De wijzer wijst elke uur en tijd, + maar de uur niet dat gij schuldig zijt + te sterven! Zijt dus voorbereid, + de wijzer wijst naar de eeuwigheid. + + + XLIX + + FELIX A. J. Baron BETHUNE + + 12 Junij 1789--28 Sept. 1880 + + Ik heb gekend dien ouden grijsgedaagden, + dien fellen, goeden, welgezinden man; + dien blijden ouderling, dien sterken, onversaagden, + dien edelen mensch, dien christenen! 'k En kan + geen dag mij brengen dien ik leefde weer te binnen + dat hij niet oud en sterk, en jong en was van geest: + hij scheen onsterflijk. Ja, onsterflijk is 't beminnen + dat hij verwekte en dat hem volgen zal, nu meest + dat hij is weggegaan en ijdel heeft gelaten + die groote en edele plaats, die eens zijn naam besloeg: + nu dat hij, goedgekeurd van God, en t'zijnder baten, + ter onzer niet, ontging eilaci, veel te vroeg! + Hij leefde eene eeuw bijkans, lijk Pius, dien hij eerde, + en die den grijzen zoon, gekend en hoog geschat, + zijn koninklijke blasoen vertreflijkte en vermeerde, + met 't graaflijk edelzijn der Roomsche wereldstad. + Hij 'n stierf niet, hij verdween; hij 'n krankte niet, maar zwijgend, + zoo scheen hij, al met eens verrukt, als naar een stem + te luistren, die hem sprak onhoorbaar... tot dat, hijgend, + hij eindlijk henentoog, hij, 't beste deel van hem, + zijne edele en vranke ziel! -- Vaartwel dan, oude vader, + gaat, gaat, wij jeunen 't u bij duizenden, beweend + van droefheid, blij nochtans; treedt God voor altijd nader, + en blijft met ons, in Hem, onsterfelijk vereend! + + + L + + E.D.V. + + 1881 + + Die altijd, eere en plicht getrouw, + goe man, goe vader, kind en vrouw + beminde en was bemind ervan, + zou zulk een kwalijk sterven dan? + + Al stortt' hij onder 't vier en 't lood, + al sloeg de donder zelv' hem dood, + of was 't een moordnaars schuld, nog dan + geen ware Christen schrikte ervan. + + Neen, niemand weet hoe wonder dat + God alles wel te zamen vat + dat is en zal zijn; geen en kan + doorgronden 't diep geheem daarvan. + + Bij hem die waakt ten allen tijen, + daar zult ge uw vader wederzien, + o kind; en, vrouw, den braven man + zult ge eeuwig blijven hebben dan! + + + LI + + M.V.J.M.V. + + 1881 + + 't Was 't uwe en 't onze, eilaas, + en, hadde 't mogen leven, + 't waar' 't onze en 't uwe, o God, + zoo hope ik wel gebleven! + + Waarom dan? Neen, waarom + en vrage, en rade ik niet: + ik berg mijn tranen, en... + dat Gij wilt is geschied! + + 'k Ben blijde, intusschentijd, + dat 't zielken onzer ziel, + na eenen lach met ons + gewisseld, U beviel; + + en, U bevallend, dat + ons aldereerste kleentjen + voor eeuwig worden mocht + ons zalig Madeleentjen! + + + LII + + J.B.B. + + 1881 + + Welaan, mijn weerde dienaar, lang + genoeg hebt gij den rechten gang + gevolgd, dien 'k uwe ootmoedigheid + met loonbelofte had voorgeleid. + + Gij hebt voor mij veel meer gedaan + als Vorsten die daar slagen slaan, + die winsten doen en, jammer dies, + die stervend doen meest al verlies. + + Uw sterven wel was 't voorbedacht, + want veerdig waart gij, dag en nacht, + om, altijd en met neerstigheid, + te doen dat u was opgeleid. + + 't Zij wie, met recht, u gaf bevel, + gij hoordet en gij deedt het wel, + en altijd hebt ge uw Meesters woord, + of waar 't mijn eigen, wel aanhoord. + + Verblijdt u, goede knecht, voortaan; + gij hebt mij grooten dienst gedaan, + in de alderminste kleenigheid: + verblijdt u in der eeuwigheid! + + + LIII + + S.V.C. + + 1881 + + 'k En trok mij al 't geweld niet aan + der wereldlijke zaken, + maar 'k wilde, langs de nauwe baan + met d' hulpe Gods, geraken + tot in dat land, waar ze altemaal + gerechtigd zijn te wenschen + hun erflijk deel, 't zij rijke of kaal, + 't zij groote of kleene menschen. + Hoe kleender hier, hoe grooter daar, + dat heeft God zelf gesproken, + en God en heeft zijn woord, voorwaar, + noch nu noch nooit gebroken. + 'k Verwachte u, man, en kind, en al, + 'k verwachte u, naastbestaanden: + de nauwste weg u leiden zal, + verzaakt den breed gebaanden, + dien velen volgen, rijke en groot, + benauwd van iets te derven + dat goed is, maar, dat, na de dood, + eilaas, doet eeuwig sterven! + + + LIV + + E.H. DHOOP + + Thielt 1840--Dixmude 1881 + + Die steen weersta den tijd, zoo lang + er menschenherten leven; + Hij teekne 't graf met eere en dank + door vrienden hier verheven; + 't bedekt het stof van een die, 't leed + van iedereen indachtig, + te snel zijn eigen leven sleet: + hem loone God almachtig! + + + LV + + M.V.V. + + 1881 + + Bermhertig weest mij, God, + met 't aldermeeste erbarmen, + en houdt mij, schuldenvrij, + in uw' almachtige armen! + + Besproeit mij met hyssoop + en wascht mij witter dan + ooit versch gevallen sneeuw, + ooit lijnwaad wezen kan! + + Verleent dat mijn gehoor + uw' hulp vernemend zij, + en maak 't gevelde stof + van mijn gebeenten blij! + + Ge aanveerdt den geest die rouw + en leed heeft in zijn schuld, + en 't nederig boetend hert + Gij nooit versmaen en zult! + + Dan, luistert, o mijn God, + vol goedheid, naar mijn stem, + en zet mij zetelvast + in 't hoog Jeruzalem! + + + LVI + + F.J.P. + + 1881 + + Moe en tendenuit versleten + zat en zuchtte ik, jaren lang, + om weer los, en van de keten + vrij, te gaan den vrijen gang. + + Los en vrij dat wierd ik heden, + En al 't gene ik meest ontzag, + 't gaf mij, oud en stram van leden, + weer den jong- en vrijen dag. + + Al die sterven zult, onthoudt het: + 't leven is een blijde baan + maar voor hem, die altijd houdt het + sterven in zijn oogwit staan. + + Leeft en leert dus allen sterven, + gij die groot zijt en die kleen; + gij die 't waar geluk wilt erven, + 'k wete 't, daar en is maar een! + + Dat zult gij ook zelve eerst weten + en genieten, zoo 'k betrouw, + als gij vrij zult van de keten + zijn daar ik ben, vriend en vrouw! + + + LVII + + M.L.V.D.B. + + 1881 + + Voor velen is de weg naar Lourdes hooge steden + een hoopverwekkend gaan, vol lof- en dankgebeden, + en 't wederkeeren wordt door velen, in hun land, + als of 't een bruiloft waar', gevierd ten allen kant. + + Eilaas, zoo ging ik ook, vol hopende gepeinzen, + om troost in mijn verdriet, van hier naar Lourdes reizen, + en 'k wenschte al 't gene God, met Onze Lieve Vrouw, + had best voor mijne ziel beschikt, dat 't wezen zou. + + Triomph, het is geschied! Geloofd zij God! Genezen + en mocht ik van de kwaal des lichaams wel niet wezen, + maar hooger giften gaf mij, op Maria's woord, + die God, die altijd elk na zijn beliefte aanhoort: + + 'k Genas van al 't verdriet, van al de droeve plagen, + die velen nog na mij, die mensch zijn, zullen dragen; + 'k genas, om nimmer meer te kranken, en om, blij, + voor eeuwig God te zien, van zucht en tranen vrij! + + + LVIII + + H.N. + + 1881 + + Eilaas, eilaas, + ze zijn zoo dwaas + die, van hun jongste dagen + voor de eeuwigheid, + die elk verbeidt, + in tijds geen zorge en dragen! + + Ik stierf, al was + ik wel te pas + en op geen dood aan 't peizen, + en, onverwacht, + het minst gedacht + en hadde om weg te reizen! + + Niet el en kan + 't gevolg daarvan + voor mijne ziel nu baten, + 't en zij dat ik + geen oogenblik + en hebbe ooit God verlaten. + + God weet dat, Hij + die stierf voor mij, + en, stervend, heeft verworven + dat ik met al + niet vreezen zal, + hoe haastig ook gestorven. + + + LIX + + G.J.G.M. + + 1881 + + Welkom, kindtje, in d'Hemelzalen, + 'k liet u van mijn' Englen halen + uit des werelds doolwoestijn; + Vader, Moeder, wilt niet weenen, + omdat 't oudste der twee kleenen + al zoo vroeg mocht zalig zijn. + + Zorgt voor 't andre, en laat geen listen + 't dierbaar schaapke mij betwisten, + dat ik u te weiden liet: + weidt het zoo dat, Vader, Moeder, + gij uw kind, -- en dat zijn broeder, + 't Zusterken -- eens wederziet! + + + LX + + L.P.D. + + 1881 + + o Kwaad om gaan is 't achter 't leven: + men valt zoo lichte, aleer men 't weet! + Wel hem dien vrienden hulpe geven, + die handen trouw zijn hert besteedt, + wanneer hem eens de felle winden + onvoetvaste en schier vallend vinden! + + 'k En wist het niet, en, blij geboren, + voorspelde ik mij geen zielsgevaar: + eilaas, ik heb den weg verloren + en hulploos ging ik vallen, maar + een laatste vriend heeft me ondervangen, + een vriend dien 'k aan een kruis zag hangen. + + Gekruiste God, zijt honderd malen, + mij welkom, want Gij, liefgetal, + mij achtervolgd hebt, op mijn dwalen; + zijt welkom, ach, met kruis en al: + ik wil 't U lijdzaam helpen dragen + en u, mijn God, vergifnis vragen! + + Vergifnis, die mij hebt geschapen, + die mij verlost hebt, en gered: + vergifnis, eer ik valle in slapen + met U, op 't eendlijk folterbed: + o Jesu, wilt me, in 't ander leven, + vergifnis en verrijsnis geven! + + + XLI + + J.M.E.H.B. + + 1881 + + 'k En heb niet lang geleefd, maar lang geleden; + 'k heb weinig blijdschap, droefheid veel gezien; + hoe vaart het mij, in de eeuwigheden, + geen droefheid en geen lijden meer te lijen! + + Zoo is het in dit ballingschap der aarde: + 't geluk is kort, eilaas, en 't lijden lang; + 't Is nacht aleer de middag klaarde, + en ruste en is het nimmer, zonder dwang! + + Niet zoo en is 't bij ons; die hooger steden + bewonen, en, onsterfelijk voortaan, + al 't lijden hebben uitgeleden, + en in de blijdschap eeuwig blijven staan. + + Geliefden, niet terug-, niet omgekeken: + alhierwaards is de weg, de zaligheid; + de waarheid Gods is mij gebleken, + u zal zij blijken: volgt me, en weest bereid. + + Want 't komt een dag weleens, van al de dagen + de schoonste, vol onsterfelijk genot, + dat wij, die hier ons scheiden zagen, + en weenden, weer te zamen zijn bij God! + + + LXII + + A.B. + + 1881 + + Ik ben bij U, Maria zoet, + getrouwig blijven staan, + tot dat de jubelkroone mij + wierd om het hoofd gedaan. + + Ik was bij U te Bethlehem, + in 't moederlijk genot, + naast U volgde ik Calvariewaard + uw' Zone en mijnen God. + + Gij hiet zijn Kruis mij dragen en + Hij deed mij vroolijk zijn, + U volgende in de blijdschap en + U volgende in de pijn, + + tot op dien alderlaatsten van + de dagen, als Gij, teer, + bij mij kwaamt, mij versterken met + het Kruis van mijnen Heer. + + In 't Kruise, in U, o Moeder, dan + zoo hope ik, onvervaard, + dat Gij mij zult voltoogen nu + den Kruisweg Hemelwaard! + + + LXIII + + V.J. + + 1881 + + 'k Geloove dat Hij leeft, die 't leven schiep + en elk verwekken zal die ooit ontsliep + of scheen in 't graf te dalen. + + 'k Geloove dat de loon de werken dekt + en overmild vergeldt, ja, verder strekt + als 's levens wijdste palen. + + 'k Geloove dat gij, Moeder, moe gewrocht + en moe geleden, eindelijk los gerocht + van 's werelds dienstbaarheden, + + in Hem nu rust, in wien gij Christen wierdt + en, met Geloove en Liefde en Hoop versierd, + zijt in Gods rijk getreden. + + 'k Geloove dat, op de oude rots gestaan, + gij weerdig hebt dit leven doorgegaan + en zijt alsnu gerezen + + waar, Moeder, gij uw kindren, trouw en goed, + naartoe wenkt, en voortaan verlangen doet + om weer bij u te wezen! + + + LXIV + + C.V. + + 1881 + + Zij heeft de waarheid Gods, zijn goedheid ondervonden, + die mocht den laatsten stap van hare levensbaan, + gelijk den eersten, schuldloos gaan + en vrij van alle zonden! + + Maria ging haar voor en zij kwam nagetreden, + getrouw, van kindsbeen af, en, kinderlijk gezind, + zoo heeft zij hare plicht bemind + en haren last geleden. + + Geen sterven was 't voor haar, veel eerder zegepralen, + op 's werelds erg bedrog: het was ontlaten zijn, + van Adams ballingstraffe en pijn, + en de oude schuld betalen. + + Zij stierf den dag dien God voor haar had uitverkoren + 't was op de blijde feest wanneer Hij nederkwam: + als van Maria 't Godlijk Lam + wierd in een stal geboren. + + Lam Gods, zij hare ziel dan licht en rust gegeven! + Maria, toogt dat Gij haar Moeder waart, en dat + nooit kind dat zulk een Moeder had + en miste 't eeuwig leven! + + + LXV + + G.J.N. + + 1881 + + Een Engel te meer heeft het leven verhandeld, + het tijdlijk gewisseld om 't eeuwig genot! + "Wat is het?" Zoo komt men van 't kerkhof gewandeld, + en zegt: "'t Is hem beter, veel beter bij God!" + + Veel beter is 't hem, maar eilaas, zij die blijven, + zij, Vader en Moeder, hun leven, hun bloed, + hun hoop, hunnen troost, al in de eerde zien drijven... + die wonde, die diepe is 't, die 't meelijen verzoet! + + Dan, troost u, zijt Christnen: die 't kind heeft gegeven + is Meester van alles, en 't kind u vergoen, + dat wil en dat zal Hij: is Hij u gebleven, + wat kan u, die God nog hebt, wanhopen doen? + + Staat op, en ziet hemelwaards, pelgrims der aarde, + die werken en slaven moet, loon is nabij: + God leeft nog, God waakt nog; die niemand en spaarde, + de Dood zal eens dood zijn, en leven zult gij! + + + LXVI + + G.K.D. + + 1882 + + Te jong en niet te jong, eilaas, is hij geleden + naar 't eeuwig land, daar elk naartoe ziet, die nog leeft! + Te jong, zoo spreekt allicht de menschelijke reden, + die, diep getroffen, haast geloove en hope ontgeeft. + + Te jong en is het niet, om pijne en smert te laten; + om, vrij van al 't gevaar dat deze wereld brouwt, + te rijzen boven 't stof der menschelijke staten, + en eeuwig vrij te zijn, zegt hij die hooger bouwt. + + Vaartwel, En laat ons niet beroofd van uw gebeden, + o broeder: balling zijn wij, ver van u, voortaan. + Vergeet ons immer niet, die lastig achtertreden, + en die, nog ongetroost, den weg des werelds gaan! + + + LXVII + + R.F.D. + + 1882 + + 't Geweld des waters kwam tot in + mijn huis, en al de banden + des lichaams voelde ik, neergeveld, + hoe ze, een voor een, ontspanden! + Geen hope op medicinen meer, + geen hulpe in 's menschen krachten! + van U alleen bleef hulpe, o God, + bleef alles af te wachten. + + Gij riept: ik kwam. Geen tegenzeg + en lag in mijne woorden, + omdat ik zelf, mijn hert, mijn al, + van jongs U toebehoorden, + die eerst mij dedet hopen, en + die, op den dag van heden, + getrouwig liet uw huis en erf + mij zalig binnentreden. + + Een ander water vloeit alhier, + en blijdt het huis des Heeren: + Gij zelve zijt die Levensbron, + en, mocht ik wederkeeren, + 'k en kwam maar om de liefste, die 'k + op de aarde liet, te manen: + Vergeet uw vrouw, uw Moeder niet, + noch 's Hemels rechte banen! + + + LXVIII + + F.M.V. + + 1882 + + Ik was hetgeen gij zijt, en meer als u misschien + heeft mij de hand van God verleend en toegegeven + al 't geen men in een kind zoo geren pleegt te zien, + van jonkheid, levenslust en kracht om lang te leven. + + Wat blijft mij nu daarvan? Dat zelve en is mij niet, + dat onverliesbaar scheen, standvastig aangebleven! + Ik ligge in 't duister graf, geen mensch meer die mij ziet, + en met een enkel woord is heel mijn lot beschreven! + + Toch neen! Mijn Schepper leeft, mijn hoop, mijn toeverlaat, + die waakte op mij wanneer, de wereld ingedreven, + ik vallen zou; Hij die mij heeft, in de overmaat + van zijn bermhertigheid, een helpend hand gegeven! + + o Jesu, blijft mij toch indachtig, en gedenkt + dat niemand op U steunt, of had hij 't al bedreven, + die zonder hope zal voor altijd zijn gekrenkt, + en 't zalig deel beroofd van 't eeuwigdurend leven! + + + LXIX + + H.L.V. + + 1882 + + o Schoone onnoozelheid + waar zijt gij nog te vinden, + of tref ik nievers meer + uw aanschijn? Inderdaad, + zijt gij voor goed verhuisd, + of door de felle winden + des werelds afgeroofd + uw deugdelijk sieraad? + + Daar dook nog eene, eilaas, + zorgvuldig weggescholen; + daar wist ik en daar ging + ze ik wondren, nu en dan; + en ziet, daar is ze voort, + door de Engelen gestolen + en in den Hemel, eer + ooit wereld wist ervan! + + Vaarwel, en laat ons al + voortaan in d'hoogten schouwen, + om troost, bij al het kwaad + dat deze wereld krenkt; + een vasten voet daarheen + en vaste blikken hou'en, + waar gij uwe oud'ren, kind, + en uwe vrienden wenkt! + + + LXX + + E.I.V.D.B. + + 1882 + + Al dat geboren is moet sterven en 't bekoopen + dat Adam, stervensvrij, de onsterflijkheid verloos, + terwijl hij, zijn gedacht laatdunkend nageloopen, + het willen Gods verzaakte en satans willen koos. + + Eilaas geen hope meer, de dood, eens ingelaten, + zit wakende in de lucht, in 't leven, in het bloed; + men kent geen artsenij die heur vergif kan baten, + men maakt geen wet die ooit heur wet ontwijken doet! + + Men leeft al sterven, en elk pulsslaan brengt ons nader + den afgepaalden tijd, die onzen loop gezet, + ons wedergeven zal in d'handen van den Vader, + dien wij aanbidden in ons dagelijksch gebed. + + Hij wacht ons altemaal, Hij roept ons, en de dreven + naar hem toe, wijst Hij, vol bermhertigheid, ons aan, + opdat geen een van al zijn' kinderen, die daar leven + en sterven zullen, ooit voor goed zou sterven gaan! + + + LXXI + + K.C.S. + + 1882 + + Soldaten, die, nog jong, terwijl 't kardatsen dondert, + hun leven wagen, met 't moorddadig staal in d'hand, + die heet men helden, die vereert men, en bewondert: + voor eeuwig strekt hun naam tot eer van 't vaderland. + + Waarom? En is 't verdiend, wie zal dan die vergeten, + die brave vaders, die, voor vrouwe en kind, bereid + te sterven dag en nacht, hun arme brokken eten, + niet wetend waar de dood hen onvoorziens verwacht? + + 't Zijn helden dat: hun Vrouw, hun kinders mogen toogen + hun aanzicht onbeschaamd; en die ze bedelen liet, + of weigerde, als hij kon, hun tranen af te droogen, + verdiende, neen, den naam van mensch noch christen niet! + + + LXXII + + M.T.D. + + 1883 + + Vergeet ze niet + die, al heur leven, + is God en plicht + getrouw gebleven: + die man en kind, + die maag en vriend + tot voorbeeld heeft + en troost gediend; + die moe gevrocht, + die moe geleden, + een beter land + is ingetreden, + alwaar zij u, + vergeet ze niet + en bidt voor haar, + eens wederziet! + + + LXXIII + + J.M. + + 1883 + + Het water heeft mijn ziel gered, + wanneer ik, kind geboren, + door Vader Adams schuld belet, + het leven had verloren. + + Het water heeft mijn lijf ontsteld + en lang heb ik geleden, + tot dat het, bij een laatst geweld, + is in mijn hert getreden. + + Ik ga verzinken! Laat, o God, + uw helpend woord verschijnen: + de hand mij vat: op uw gebod + zal al 't gevaar verdwijnen! + + God hielp mij, in den nood, en ziet, + zijn hand gebood de baren + met mij en mijn betrouwen niet + den afgrond in te varen. + + De have blinkt, het kruis komt mij + van verre al tegenstralen: + ach, vrienden, bidt, en helpt mij vrij + voor eeuwig zegepralen! + + + LXXIV + + O.B. + + 1883 + + Te vroeg eilaas, voor ons, is zij gestorven, + voor haren man, voor iedereen + die weet hoe goed zij was, hoe onbedorven + van zeden, al van kindsgebeen! + + Zij wist den weg te Kerkewaard te vinden, + des morgens vroeg, en 't zonopstaan + voorkwam zij, biddend, bij den welbeminden, + naar wien zij is te gast gegaan. + + Te vroeg eilaas, voor ons! Na heur gedachten + en was 't te vroeg, en was 't te laat: + dat God wilt, dat alleen was heur verwachten; + dat God wilt wilde zij. Zoo staat 't + + in 't groot gebed, dat duizendmaal gebeden, + zij stervend zei: "Uw wil geschied' + als in den hemel op de aarden!" Heden, + is 't uw behaag, o Heere, 'n spaart mij niet! + + Zij stierf gerust, getroost, en vast geloovend + dat sterven erven is, voorwaar, + en vrijgevochten zijn van 't alberoovend, + van 't albedervend zielgevaar. + + Zij stierf gerust, en wacht alree de stonden + dat zij en man, en vriend, en al, + die zij gesticht heeft hier, eens weergevonden, + daar, en voor goed, herkennen zal. + + Vaartwel, dan, edele ziel, gekend van geenen, + 't en zij van God, en van misschien + een vriend of twee, onvalsch, die weenen + omtrent uw graf. -- Tot wederzien! + + + LXXV + + A.L.W. + + 1883 + + De dood klopt altijd voort op rijk en arme deuren; + 't zij jong of oud, 't moet al de bittre dood betreuren + en sterven onverwacht, ha dikwijls onbereid, + dat leeft! Er ware niets, en ware de eeuwigheid! + + o Dood, gij scheent zoo verre, en, volgend mijne voeten, + daar waart gij, eer ik wist dat ik ging sterven moeten: + maar sterker hand als de uw' had mijne hand geraakt, + en stervend heeft God zelf mij van u vrij gemaakt! + + o Dood, waar is uw straal? o Zonde, waar uw keten? + Gods heilig sacrament heeft beide intween gesmeten, + en, rijzende uit het graf en uit de ziekte fel, + vare ik naar de eeuwigheid, met God voor reisgezel! + + + LXXVI + + E.D. + + 1883 + + Elodietje, moe geleden, + moe gepijnd en moe gestreden, + is te ruste, 't slaapt voortaan. + 't Maagdenblomke, 't fijn van blaren, + heeft gebloeid hier, twintig jaren, + en 't is weer tot God gegaan! + + Ach, zijn lijk, hoe eerbiedwekkend, + zijn twee oogskes nederig dekkend, + wit als was, en, om te zien, + lachend, zoo het loech, nog heden, + als 't, in al zijn' lieflijkheden, + stierf! Of leeft het nog misschien? + + Neen 't, 't en leeft niet meer; ontslapen, + heeft het God, geheel herschapen, + en zijn eigen beeld, vol eer', + ongeschonden, weergenomen, + zoo 't in hem was neergekomen, + toen Hij 't schiep, den eersten keer! + + Ach, onsterflijk beeld, staat binnen + ons gemoed en onze zinnen; + dat, aan iedereen bekend, + 't maagdenblomkens uitverkoren, + edel voorbeeld, onverloren + blijve, in onze ziel geprent! + + + LXXVII + + F.D.C. + + 1883 + + Een brave man was hij, oprecht, en in geen doeken + en lag zijn hert, maar op zijn bloote hand te zoeken, + en op zijn tonge, die de rechte waarheid sprak, + 't zij wien zijn ruwe deugd ooit mee- of tegenstak. + + Hij diende. Diende God in al die hem geboden, + maar anders geen van al de valsche wereldgoden + en was hij slavelijk verbonden. Vrouwe en Kind, + zijn Meester en zijn Werk, naast God van hem bemind, + + getuigen 't openbaar, beschamend onze tijden. + Die een uit honderd was, hij komt dan te overlijden! + God ruste zijne ziel! En, als voor hem en al + die leefden de ure slaat dat elk herleven zal, + + dat zijne vrienden toen, hem kennend, zeggen mogen: + Gods woord is waar, hij sprak, nu zien wij 't, onbedrogen, + dat wel doen op der aard wel hebben doet nadien, + en 't eeuwig Licht, voor loon, en 't eeuwig leven zien. + + + LXXVIII + + J.F.R. + + 1883 + + 't Zij kort of lang, waarom is 't dat wij leven, + 't en zij om God, met winste weer te geven + hetgeen Hij ons verleende, en onzen keer + van sterven af te wachten van den Heer? + + Ik was bereid om, op het eerste manen, + met licht in d'hand, kloekmoedig mee te gaan, en, + zoo Jesus deed, na lijden fel en groot, + de hemelvaart te winnen, door de Dood. + + Ik was bereid; ik stierf, en, van die stonden, + hebbe ik het licht des levens weergevonden; + en, nu dat ik gestorven ben, o Heer, + en U aanschouwe, en sterve ik nimmermeer! + + + LXXIX + + HENDRIK CONSCIENCE + + 3 Dec. 1812 * 10 Sept. 1883. + + Hij was begaafd van God, den Gever en den Nemer; + God gaf, God nam hem ons; maar, wijl hij onzer was, + omstraalde Vlanderland -- hoe prachtig! -- het geschemer + van eenen Geest, die, als een helder spiegelglas, + het schoone, en 't reine, in hoog- en wijder wereld woonend, + ons ongeduisterd en verrukkend wedergaf! + + Men zegt: "Hij is niet meer," en, zijne werken kroonend, + aanschouwt men hopeloos des werkmans duister graf. + Neen, hier en is hij niet; neen, weg is hij, gerezen + weer in 't geboorteland zijns zelfs; nu vrij en vrank, + zoo hopen wij, van al dat ooit in hem mocht wezen, + van aardsche krankheid of geleden menschendwang! + + Conscience ontvong van God, Conscienc' heeft weergegeven, + aan God en aan zijn Volk, tot op den laatsten dag; + en, is hij andren dood, ons zal hij eeuwig leven, + die bidden, zoo als Hij met ons te bidden plag! + + + LXXX + + C.D.S. + + 1883 + + De mensch en weet vandage niet + wat morgen hem kan bringen, + noch hoe, noch waar de felle dood + hem in den weg zal springen. + + Gevreesde dood, hoe onbereid + moet gij er velen treffen, + die sterven, en wat sterven is + ach, nauwlijks en beseffen! + + Zij wist en zij besief het wel, + die trachtte alzoo te leven + dat zij 't vermaan niet vreezen moest + dat haar de dood zou geven. + + Zij stierf gerust, lijk iemand die, + bescheed in korte stonden, + heeft, vragend, naar het Vaderland + den rechten weg gevonden! + + + LXXXI + + M.K.D. + + 1883 + + Getuige van voorleden dagen, + voorleden deugden dank en trouw, + heeft ze altijd hoog den moed gedragen + en God gezocht, de eerweerde vrouw. + Zij zag heur kindren eerlijk groeien, + en 't kind van kinde aanzijds heur bloeien; + en zocht geen rijkdoms wankelend goed: + zij zocht alleen dat 't vinden weerd is, + dat minst gezocht, dat minst begeerd is, + dat eeuwig wel en rijk zijn doet. + Dat zocht zij lange: Op 't laatst, gevonden, + weerklonk het woord, en, losgebonden, + zoo sprong de ziele, kiste en graf + ontvlucht, heur oude ketens af. + + + LXXXII + + C.M.D.H. + + 1883 + + Hoe hooge en schoon + zij blad en kroon, + hoe vol van levenskrachten; + hoe fel gegroeid, + hoe blij gebloeid, + en wilt het al niet achten! + + het keeren van + den zomer kan + doen sterven en doen vallen + het jongste schoon, + de blijdste kroon, + de vroegste jeugd van allen! + + Gij hebt, o Heer, + nog vooraleer + zij vallen zou, gevangen + heur schoone ziel, + en, eer ze viel, + bleef ze in uw handen hangen! + + + LXXXIII + + P.J.S. + + 1883 + + Hoe menig boom heeft zijne hand + gekort, gezaagd, in Vlanderland, + en nu ligt hij, een roerloos lijk, + in berd gekleed, op 't aarderijk! + + Hoe menig wiel, hoe menig rad + van hem zijne rechte rondheid had, + die 't hebben moest, om voort te gaan: + het wielt rolt nog, de man bleef staan. + + Hoe menig stoot, hoe menig slag + en gaf hij niet, bij nacht en dag, + die neerstige, onvermoeide man, + die nu geen hand meer roeren 'n kan! + + Hij wist het wel, en wakker zocht + hij God alleen, in 't geen hij wrocht: + zoo werkend heeft hij lang gestaan, + zoo stervend heeft hij loon ontvaan. + + + LXXXIV + + L.C. + + 1884 + + + Zoo wordt het goud, in 't scherp geweld + des viers, geproefd en vrijgekweld + van alles dat bederfenis + omtrent hem, en geen goud en is. + + Zoo wordt de mensch, -- gelukkig hij + die 't wel verstaat! -- ten allen tij, + nu meer, nu min, in 't vier bedroefd + der kwellinge, en van God geproefd. + + Hoe klaar en moet de ziel niet zijn, + die, losgemergeld door de pijn, + die uitgeleden, uitgeteerd, + wordt eindlijk Gods aanschouwen weerd! + + Zoo waart gij, Leo, lijdend hier + zachtmoediglijk uw vagevier, + waardoor gij, uwe maat gevuld, + nu blinkt en eeuwig blinken zult! + + + LXXXV + + C.T. + + 1884 + + "Uwe ooge, is 't dat ze eenvoudig zij + van inzicht, al uw leven + zal klaar zijn als uwe ooge, en vrij + van zonden": 't staat geschreven. + Geen duisternis, geen doling dan, + al waart gij blind van oogen, + geen valschheid die den weg u kan + verzeggen of mistoogen. + + Eenvoudig was zij, herte en al, + van in heur jongste jaren; + en, kwam heur leven 't ongeval + des blinden dags bezwaren, + ze 'n doolde noch ze 'n faalde niet, + in 't zoeken van de waarheid; + zij vond hetgeen zij eeuwig ziet + nu, hopen wij: Gods klaarheid! + + + LXXXVI + + R.A.H. + + 1884 + + Dat haar brave ziele in vreden + ruste, en in alle eeuwigheden + God geniete, los en vrij + van des lichaams heerschappij. + + Vreedzaam en eenvoudig leven, + elk ende een het zijne geven, + God vooral, tot tenden toe, + dat en wierd zij nimmer moe. + + Moe geleden was ze, en zeker + dat de dood, de bandenbreker, + komen zou, en traagskens kwam + om heur laatste levensvlam! + + Rust en vrede vroeg zij, vragend, + maar den uitstel niet beklagend; + ja, met liefde leed zij hier, + een langdurig vagevier! + + + LXXXVII + + L.E. VANDERGHINSTE + + 1884 + + O stil en zwijgend graf, + wien hebt gij ons gestolen? + Hoe! stemloos hem in uwen schoot geleid, + en aan de rust bevolen, + wiens ziele rusteloos, + placht onze ziel te dragen, + met klank en stem, + tot voor den troon van Gods aanbidlijkheid! + Geeft weer, o graf, geeft weer, + hetgeen wij biddend vragen: + geeft weer ons zijne kunst, + + zijn hert: o, al dat hij + verhoopte, geeft het ons + en hem; en dat het zij, + door God, bevrijd voortaan, o dood, van uwe slagen! + + + LXXXVIII + + M.J.J.R. + + 1884 + + Waarom en toefde 't niet, + 't zoo rijk begaafde, + 't zoo liefdeweerd, 't zoo liefdewinnend hert, + dat ons en aller herten laafde + met blijdschap eens, en nu eilaas, met bittre smert? + + Waarom en toefde 't niet, + om groot te groeien, + om blij te zijn, om elk te maken blij? + Wat baat het, nog zoo snel te bloeien, + zoo niet de rijpe kroon de vrucht des bloeiens zij! + + Het kind was rijpe alree + voor klaardere oogen + als die des menschdoms, stedevast op de aard: + wilt, ouders, wilt uw tranen droogen, + en kijkt, daar wacht het u, en kijkt ten hemelwaard! + + + LXXXIX + + M.L.D.S. + + 1884 + + 'n Betrouwt de jongde niet van uw gezonde dagen, + die mij nu ziet gekist en dood naar 't kerkhof dragen; + 'n betrouwt ze niet, die, licht dit leven ingegaan, + de dood, de zek're dood uit hun gedachten slaan, + en leven of zij ook niet eenmaal sterven zouden! + De schuld behoort elk eerst in zijn gedacht te houden + die onbetaalbaar is, die niemand delgen kan + dan met zijn eigne dood, en al 't gevolg daarvan! + + 'k Geloofde, ik hoopte in Hem, en ik beminde Dezen, + die nu alleen mij troost kan, hulpe en bijstand wezen; + Hem die gezeid heeft, en, verrijzend met der daad + bewezen, dat de dood in zijn geboden staat. + o Helpt mij allen Hem nu zijn genade ontwerven; + en leert, die leeft, ook eens, zoo ik deed, wel te sterven: + de kunste is 't leeren weerd van 't gene elk eenmaal doet, + en, wel- of misgedaan, 't gene eeuwig blijven moet! + + + XC + + A.A.T. + + 1884 + + Braaf kind van twee brave ouders, + God nam van uwe schouders + den last des lijdens af; + de korte baan des levens + schaars in, en gij daarnevens + gevallen ligt in 't graf! + + Wie zalder om u klagen, + die in zoo korte dagen + gewonnen hebt de poort, + terwijl wijlieden moeten + nog buigen lange en boeten, + en strijden immer voort? + + De poort, ach, zijt gij heden + des tempels ingetreden; + daar bidt voor ons en beidt, + tot dat wij winnen mogen, + den tempel ingetogen, + de kroon ons toebereid! + + + XCI + + O.S.D.V. + + 1884 + + Zij gingen hand in hand, gevolgd van hunne kinderen, + te kerk, te werk, voor God en mensch malkaar gelijk; + en 't scheen dien blijden tronk geen storm en kon behinderen, + geen ramp hem dere doen, als onvoorziens een lijk, + een lijk ter aarde daalt, en man- en kindertranen + den lof van Moeder doen weerspiegelen in hun wee, + die, onvermoeibaar eens, den voorweg plag te banen, + en 't schip te helpen door de booze wereldzee! + Zij stierf! Zij laat ons na geen schat dien menschen rooven, + geen goud, dat kostlijk is, maar veel meer weerden oest, + maar veel meer weerden schat van goedewerkenschooven, + dien God, in de eeuwigheid, beveiligt voor den roest. + + + XCII + + A.C.B. + + 1884 + + De wereld wist van hem noch goed noch kwaad te melden; + zijne ouders, die alleen zijn' jonge jaren telden, + bewaarden zijne ziel, niet zonder vrees voorwaar, + voor 't menigvuldig wee van 's werelds zielgevaar. + + Zou hij, was hun gedacht, den schoonen hemel binnen, + de plaats hem voorbereid eens na dit leven winnen? + Zou hij, na onze dood, godsdienstig tot den end, + de kroone hebben, aan geen ander toegekend? + + Zou hij... Maar schielijk is de draad kort afgebroken, + die hem aan 't leven bond; zijne oogen zijn geloken, + eer ze ooit het valsch gelaat des werelds schouwden aan, + en nauwlijks uitgezet is hij zoo ver gegaan + + ter reis, dat hem geen macht des vijands achterhalen, + geen list des werelds meer kan uit de baan doen dwalen, + geen scha meer deren noch geen tijd begrenzen. Dan, + God hebbe u, kind, al breekt ons ouderherte ervan! + + + XCIII + + M.L.C. + + 1885 + + o Kind van Maria, ten Hemel gevlogen, + genoeg hebt gij hier om uw kroone geleen, + en andren genoeg heeft de wereld bedrogen: + gij, gij hebt de wereld met voeten getreen! + + o Kind van Maria, 't geluk van uwe ouders, + ons voorbeeld, onze eere, in uw schuldlooze deugd, + die nooit hebt gedoogd op uw maagdlijke schouders + het jok dat zoo velen aanveerden met vreugd! + + o Kind van Maria, gelukkig hierboven, + vergeet niet, zoo bidden wij, dragende uw lijk, + dat wij, hier vereend om Maria te loven, + u volgen, van verre, naar 't hemelsche rijk. + + Ach, helpt ons, bij Haar, die gij reeds mocht aanschouwen + om, vrij van de wereldsche boosheid, de baan + van 't ware geluk, zoo wij hopend betrouwen, + lijk gij, onbesmet, tot den einde te gaan. + + + XCIV + + DE MOEDER VAN PIETER BENOIT. + + 1885 + + Als 't eeuw'ge voor den mensch begint, + wat is er lest en best bezind, + o gij, die 's werelds eeren + gemaaid hebt; gij, wiens naam, vermeld, + heel 't menschdom liep rondom gesneld, + zoo menig blijde keeren? + + Ik stierf in vrede, hopende en + betrouwende, of 'k uw herte ken, + dat gij bestand waart tegen + des werelds dwang en dwingelandije, + des werelds gouden ketens, die + zoo lastig neerwaarts wegen! + + Staat op, en volgt uw Moeder na, + van God begaafde zanger, ja + onsterflijke, en laat hooren + uw stemme eens, en vergeet dat niet + aan haar die zong uw wiegelied + in 's hemels blijde chooren! + + + XCV + + A.A. + + 1885 + + Wie weet er Gods beschik, + Gods oordeel, Gods gedachten, + Gods Herte, oneindig goed, + al zijn bermhertigheid + te meten met de maat + en 't peil der menschenkrachten, + ten oordeele onbekwaam + en krank van onderscheid? + + Aan wien heeft God, aan wien + die kwam naar hem te trachten, + 't zij vroeg of late, aan wien + ooit zijn genade ontzeid? + + Zoo bidt voor allen dan, + die, eens de dood gesmakend, + verschenen zijn voor Hem + die gaf zijn dierbaar Bloed + ten besten, opdat elk, + dit strijdperk uitgerakend, + eens kome in vrede, en erve + 't alderhoogste goed! + + Ja, bidt, en blijft, ook gij + die bidt, uwe ure wakend, + want niemand weet wanneer + of hoe hij sterven moet! + + + XCVI + + C.E.D.D. + + 1885 + + Gelijk een kranke blom, die op den autaar staat, + daar leeft een korten tijd en dan te nieten gaat, + zoo blomde' en bloeidet gij, + eilaas, en 't is voorbij! + + Gelijk een wassen keers, van leden blank en broos, + verrookend nederbrandt en lichtend leeft een poos, + zoo stondt en lichtet gij, + eilaas, en 't is voorbij! + + Gelijk een wierookgraan, in 't blakend vier geschroeid, + een zoeten reuk verspreidt, en dan ten hemel spoeit, + zoo leedt en leefdet gij, + eilaas, en 't is voorbij! + + o Zuivre maagdenblom, o licht vol deugdzaamheid, + o zoete wierookreuk, in 't brandend vier bereid, + alzoo verdiendet gij + dat ruste en vrede u zij! + + + XCVII + + DEKEN L.-L. DE BO + + 27 Sept. 1826 * 25 Aug. 1885 + + Waarom het graf bedicht met vlaamsche of andere woorden, + waarom niet liever stil gezwegen en geweend, + als hij gestorven is en weg naar betere boorden, + dien God, te onlange eilaas aan Vlanderen heeft verleend. + + De sprake is ons geroofd, de tonge is ons bezweken, + en zwijgen past nu best, als hem de taal begeeft, + die, leerende ons weleens, die woorden leerde spreken, + die hij zijn leven lang zoo wel verdedigd heeft. + + Hij was alleen bekwaam te spreken en te leeren; + te horken was ons recht, onze eere en onze plicht, + naar hem, die zwijgend nu, de hand behoort des Heeren, + en, veel te vroeg eilaas, voor onze voeten ligt. + + Waar zouden wij, 't is waar, 't zij einden 't zij beginnen + te loven aan het werk, dat zijne kunste ontviel? + Veel beter zullen wij den kunstenaar beminnen, + en leven in den glans van zijne groote ziel. + + Hij leve dan, ofschoon de pijl hem kwam te kerven + den levensdraad intween, die uwe hand ontvlood; + hij leve, om in ons hert voortaan niet meer te sterven, + van uwe schichten vrij, o overwonnen Dood! + + + XCVIII + + L.L. + + 1885 + + De brave vrouw, de goede moeder + beklage niemand, want zij is, + vol deugden, naar den Deugdvergoeder + verhuisd, uit 's werelds wildernis. + + Beklaagt den man, beklaagt de kinderen, + die, van heur hert, heur hand beroofd, + het licht huns levens zagen minderen, + en 't nu eilaas zien uitgedoofd. + + Wie zal der weezen moeder wezen, + wie zal ze toeven, wie castien; + wie, onder duizende uitgelezen, + wie als een moeder geren zien? + + o Vader, gij, die _Onzen Vader_ + godvruchtig _in den Hemel_ dient, + staat vast en vreest niet: God is nader + als de aldernaaste boezemvriend! + + + XCIX + + M.E.D. + + 1885 + + o Zuivre ziel, gelost uit 's werelds oude ellende, + wat liet gij ons bedroefd, niet in uw groot geluk; + maar, omdat nauwlijks een ooit nog zulk eene kende + als gij waart, daarom weent ons herte, en is 't in druk! + + Gij waart een zoete troost voor ons, die weinig weten + wat troost is, in dit dal van tranen! God weet hoe + wij mochten 's zondags, soms een uur rond u gezeten, + den hemel smaken op deze aarde, slavens moe! + + Gij zijt ons afgepakt, met ure en al! Te zamen + bezien wij nu malkaar, en vragen: Is dan ook + de troost der armen met geen beter' naam te namen + als ander tijdlijk goed: een schaduw en een rook? + + Doch neen! Gij zijt daarheen daar schaduw is noch logen; + de kroone omspant uw hoofd; ge zijt ons voorgegaan: + wij volgen, volgen vast, en trachten, onbedrogen, + de baan te houden die ge ons wijst: de hemelbaan. + + U daar, in ons gedacht, nog biddende aan te spreken, + te hooren en te zien, alsof gij bij ons waart, + zal troost zijn, is 't dat iets het scherpe zweerd kan breken, + dat in ons herte steekt, sinds uwe hemelvaart! + + + C + + M.T.E.D.P. + + 1886 + + o Engelken, dat, weggevlogen, + hebt ons, eilaas, en al bedrogen + dat op uw' schoonheid hopen dierf: + in ons verlies hebt gij gewonnen, + maar wie zal ons nu troosten konnen? + Ons jongste, ons liefste meisken... 't stierf! + + Komt dan gij zelve, o hemeldiefken, + komt weer bij ons, o zalig liefken, + en, schoon geen menschenooge u ziet, + laat op het kerkhof 't zielloos wezen, + dat gij ontgaan zijt en ontrezen, + en blijft bij ons, in ons verdriet! + + + CI + + J.H. + + 1886 + + Zij was oprecht als edelsteen, + zoo zuiver, dat het wonder scheen + hoe 's levens lang vertoeven + bekwaam was om, met pijne en dwang, + den vrij gewenschten hemelgang + nog langer te bedroeven! + + Zij zou, zij moeste henengaan + en ons eilaas, met rouw belaan, + voor goed indachtig maken + hoe groote schat van kostbaarheid + ons is en blijft in 't graf geleid, + en niet meer aan te raken! + + Zij weg, 't is alles mee met haar, + dat troost was en geluk, voorwaar, + in 't leven. o Komt weder, + als liefde, als hope, als hulpe, als raad; + en daalt, zoo God u dalen laat, + gezuster, nogmaals neder! + + Komt, helpt ons en bewaart dien band + onbreekbaar, dien uw zoete hand + wist om ons hert te binden; + opdat wij, maar van lijve alleen + en voor nen korten tijd, geschee'n, + ons namaals wedervinden! + + + CII + + G. E. J. D. J. + + 1886 + + Zoo men soms bij zomernachten + hooge omhooge een sterre ziet, + die op snelle vederschachten + schielijk door den Hemel schiet, + + zoo zijt gij ons, die het leven + ons verblijddet meest van al, + schaars een stonde of twee gebleven + Gustafke, in dit tranendal! + + Zegt, waar zijt gij, die zoo lieflijk, + alle leedzijn ons ontloecht; + gij die biddend, hemeldieflijk + hieldt uw handtjes zaamgevoegd + als gij zeidet: "Nader, nader, + kome uw rijk?... "En wij voortaan + zuchten, met u zeggend: "Vader, + Vader, zij uw wil voldaan!" + + + CIII + + F.B. + + 1886 + + Om Jesu name en schaamde ik mij, + in al mijn levensjaren: + ik hoop dat, onbeschaamd, ook Hij, + me in 't oordeel nu zal sparen! + + + CIV + + A.B.D. + + 1887 + + Maar half en nog niet half gegaan + was 't bijstre van de wereldbaan, + toen al met eens een stemme sprak, + en 't onvoltooide leven brak! + + Zijn vrouwe eilaas, zijn dochter zoet, + zijn vrienden vielen God te voet + en baden: Laat een stonde nog, + den vriend ons en den Vader toch! + + Maar, weet een mensch, die sterflijk is, + het woord van Gods geheimenis? + 't Is beter elk in tijds bereid + dat duren zal in de eeuwigheid! + + Zoo deed hij, en, gesterkt, getroost, + verliet hij vriend en vrouwe en kroost, + en ging, met Christi Kruis gekust, + naar de eeuwigheid, in God gerust! + + + CV + + G.L.S. + + 1887 + + De jubelkroon, + zoo frisch en schoon + ons om de kruin gewonden, + heeft korts de dood, + met felheid groot, + gebroken en geschonden! + + Doch neen, ze'n kan + de kroone van + de onsterflijkheid niet schenden, + die ons te gaer + zal kroonen, waar + geen blijdschap meer zal enden! + + + CVI + + I.P. + + 1887 + + o Mensch, uw vriend is God alleen, + al 't ander moet gij schromen; + de dood, al mijdt ge u, groot en kleen, + de dood is licht gekomen! + + Leeft deugdzaam dan, en leeft bevrijd + van angstigheid en zorgen, + die nooit eene ure in state en zijt + te zeggen: 'k Leve morgen! + + o Vrouwe en Kind, uw steun was ik, + naast God; maar, blijft gelooven + dat, zonder God, een enkle tik + u lijf en ziel kan rooven. + + Uw ware vriend is God voortaan, + o Vrouwe en Kind, bemint Hem; + en wilt gij Vader volgend gaan + zoo 't God beveelt, gij vindt hem! + + + CVII + + R.H. + + 1887 + + Zij was de brave vrouwe, erkend van alle lieden; + zij sprak: De wille Gods in alles moet geschieden + oprechtelijk, en geen die in heur werken vond + het minste dat het woord heurs herten tegenstond. + + De lieden mochten boos en valsch zijn, en de tijden + den eenen klagen doen, den anderen verblijden, + 't en ging heur af noch aan: ze'n zocht de wereld niet, + maar God alleen in al: in voorspoed, in verdriet. + + Het is eene eere 't kind van zulk een vrouw te wezen, + en, volgt ge uw moeder na, o kinderen, geprezen + verdient ge en preusch te zijn, om die u 't leven gaf: + zij leeft met eere nog, al ligt ze diepe in 't graf. + + Zij ruste in vreden ja, in 't graf niet, maar hierboven, + zij hebbe al 't gene God kwam winnen en beloven; + die stierf en, op het kruis gestorven, wees de baan + om, door het kruis, met hem ter blijdschap in te gaan! + + + CVIII + + A.G.M.D. + + 1887 + + o Zielke, schaars gekomen, + en seffens afgenomen, + Gods Englen willekom, + blijft, blijft, den Hemel binnen, + God kennen, God beminnen, + en keert niet wederom! + + Verlost van rampe en lijden, + blijft eeuwiglijk verblijden, + en wordt nooit biddens moe, + ont wij ook, vrij geleden, + geworsteld en gestreden, + bij u eens komen toe! + + Daar zal ons hert genezen, + daar zal het blijdschap wezen, + o zielken, onzen tween; + daar zal u, kind, herwonnen, + ons niemand rooven konnen, + noch van uwe ouders schee'n! + + + CIX + + J.H. + + 1887 + + Een jaar geleen, schier dag op dag, + is 't dat ze een lieve zuster zag, + die, in de rust getreden, + heur scheen te zeggen: "Volgt mij na + die korten tijd u vorenga: + komt, rust met mij in vreden!" + + o Jaar van lijden, dag en nacht, + in pijne en smerten doorgebracht, + in zuchten en in wachten; + hoe brandet gij heur deugden schier + tot louter goud, in 't smertenvier, + eer zij mocht ruste smaken! + + "o Heere," sprak ze, "Uw herte kent + alleene al mijne ellenden: zendt + mij kracht, en leert mij vragen + niet anders als, nog dezen dag, + zoo 't uwen wil believen mag, + met U mijn kruis te dragen!" + + "Nog dezen dag!" En moegekweld, + in 's werelds dorre doorenveld, + gekweld, doch niet geschonden; + heeft ze eindlijk, langs de blijde baan, + heur zuster in 't gemoet gegaan, + voor eeuwig rust gevonden! + + + CX + + E.J.V.E. + + 1887 + + Hij placht den scherpen tand van 't staal + te temperen en te wetten, + en door zijn kunst tot maalbaarheid + den meulensteen te zetten. + Hij won daaraan zijn daaglijksch brood; + en 't brood daar wij af leven, + het wierd ons door de neerstigheid, + van zijnen arm gegeven. + Eilaas, een scherper staal heeft hem + een scherper steen, gemalen: + de felle dood, die schielijk wist + den fellen man te stralen. + + Hij viel! Niet onbereid en was + die steen en staal bereidde, + en daaglijks, over 't vier gestaan, + Gods oordeelvier ontbeidde. + Gezuiverd op der aarden, lang + genoeg heeft hij geleden. + opdat hem God een betere als + een aardsche kroon zou smeden; + opdat hem Gods bermhertigheid + in liefde zou onthalen, + en vrij doen zijn voor altijd van + 's viers onbermhertig stralen! + + + CXI + + L.V.R. + + 1887 + + Aan u voorwaar had menig man + zijn laatste kleed te danken, + het bruiloftskleed der dooden, van + eilaas vier arme planken! + + Dat wist ge, en uw' voorzichtigheid + sprak, wakend lang voordezen: + "o Hout, misschien, door mij bereid, + zult gij mijn grafhout wezen!" + + Gelukkig die, met 't scherpe in d'hand, + geslaafd hebt zooveel jaren + aan 't vaartuig, dat in 't Vaderland + u vrij zou helpen varen! + + Gelukkig dien de vriend van al + die waakt en bidt, zal geven, + na 't werkend, in dit tranendal, + daar, 't eeuwig rustend leven! + + + CXII + + H. J. B. J. + + 1887 + + Kerstnacht, of 't koud en donker was, + hebbe ik, in 't huis des Heeren, + als autaarkind, drie Messen lang + gediend, zoo menig keeren! + + Kerstnacht is mijn geboortenacht, + na dertig jaar, geworden; + Kerstnacht ben ik, de wereld moe, + den Hemel ingetorden! + + Kerstnacht, o Moeder, Vrouwe en Kind, + Kerstnacht kwam mij verblijden + en liet mij weten hoe God loont + die met en om God lijden! + + Geen dagen vol ellende meer, + geen lange en bange nachten: + ach, volgt Mij, Moeder, Vrouwe en Kind: + hier blijve ik u verwachten! + + + CXIII + + M. C. + + 1888 + + Voor niet en droeg hij 't zweerd + van Gods geweld in d'handen, + noch was de zware plicht + van 't straffen hem betrouwd; + hij wist aleventwel + ook in de knevelbanden + met eerbied aan te zien + het beeld na God gebouwd. + + Ei, wapenknecht, hij wierd, + de dieven eens betrapend, + hij, van den grooten dief + die al wat leeft bespringt, + besprongen, vastgepakt, + geknevelband, ontwapend, + en eeuwig pal gezet + waar Vrede en Vrijheid blinkt. + + + CXIV + + M. L. R. + + 1888 + + Mijn kinderkens, ik heb u al + dat geeflijk was gegeven: + mijn' werkzaamheid, bij dag en nacht, + mijn' liefde, en ook mijn leven! + + God spare u nu! Ik ben verlost, + terwijl 'k uw broerken baarde, + van 't leven dat maar lijen en was + voor mij, en wee op de aarde! + + God spare u, spare u, Man, die mij + beminnen hielpt en dragen + den lieven last, nu meer als ooit: + God spare u, lange dagen! + + Hebt hope en troost, en... Wilt o God, + aan vrienden 't hert verleenen + te helpen hem, ook zonder mij, + nog zorgen voor die kleenen! + + + CXV + + E.J.C. + + 1888 + + Het moorddallaam, + de donkre nacht, + mijn' donkerder gedachten + bekoorden mij + om, roekeloos, + dat God verbiedt + niet te achten! + + Een plof... en dood, + zoo waande ik mij, + ellendiglijk aan 't dolen! + o Goede God, + Ge 'n wildet niet: + G' hebt me aan de dood + ontstolen! + + Gij zocht mij, daar 'k + U vluchtend was, + U vloekend, in mijn' zonden; + en toch hebt Gij + mij, armen dwaas, + o Goede God, + gevonden! + + + CXVI + + G.D.W. + + 1888 + + Wij hoopten beiden dat gij zoudt, + o kind, de lasten menigvoud + verzoeten, die uwe oudren twee + gedoogen, op dees wereldzee. + + Wij hoopten...! Maar we 'n wisten niet + 't is God alleen die alles ziet, + dat ge ons zoo vroeg gingt afgeplukt, + geroofd zijn en schier weggerukt! + + Eilaas, hoe scheurt ons herte en doet + het zeer, omdat het missen moet + 't geen 't niet missen wil noch zal, + 't en zij om U, o God van al! + + Hebt Gij het dan, o goede God, + en ziet ons kindtje geerne, tot + dat Gij ons ook, die altijd leeft, + den hemel... en ons kindtje geeft! + + + CXVII + + A.V.D.V. + + 1888 + + Gelukkig paar + die met malkaar + in 't huwelijk verbonden, + de jubelkroon, + die eeuwig schoon + zal blinken, hebt gevonden! + + Op de aarde was, + als ijdel glas, + uw blijdschap licht om schenden; + maar nu en kan + de vreugde van + de bruiloft niet meer enden! + + + CXVIII + + E.A.M.T. + + 1888 + + Elisa, blijft ons nog, schoon door de dood gescheiden, + met uwe zoete hand beschermen en geleiden; + ons toogen, zoo weleer gij als een Engel placht, + den weg des Hemels, door dees booze wereldnacht! + Hoe lang nog zullen wij, eilaas, nu driemaal weezen, + verlangen naar uw lot en om het onze vreezen? + Elisa, blijft, o blijft, en, 't geen gij immer waart, + een Engel blijft, die ons in eere en deugd bewaart! + + + CXIX + + C.J.A.D.L.C.D. + + 1888 + + o Zoete ziel, die 's lichaams leven + te vroeg eilaas, te laat misschien + voor u, aan God hebt weergegeven, + wij hopen u weerom te zien! + + Gij waart alree, hoe jong van dagen, + zoo schrander dat wij hooger iet + als menschlijks in uwe oogen zagen, + en gij alleen en wist het niet! + + Vaartwel, o ziel, die 's Hemels streken + behoordet en, verhuisd voortaan, + uws vaders hof zijt ingeweken: + vaartwel, vaartwel, o Christiaan! + + + CXX + + G.V.D.W. + + 1888 + + O Jesu, 't zielken dat + Gij ons geschonken hadt, + als echtelijken zegen; + hoe is 't uit onzen schoot + zoo schielijk, door de dood, + gerukt en weggedregen? + + Het dunkt ons menigmaal + zijn lieve kindertaal + te hooren... maar, 't is dolen + dat 't minnend herte doet: + ons kindtjen is voor goed, + ons kind is ons gestolen! + + Het licht is ons geroofd, + het leven uitgedoofd, + en 't huisgezin, geschonden, + en schettert nimmermeer + vol vreugde, lijk weleer: + het zwijgt ten allen stonden! + + De dood en kent geen leed, + zij zeisent, immer wreed + en zonder mededoogen; + geen troost en wete ik, geen: + Gij, Jesu, zult alleen, + Gij kunt onz' tranen droogen! + + + CXXI + + E.J.P. + + 1888 + + Het leven is, vol ongevals + vol ramp- en rooi, te aanschouwen als + een kruisweg op de wereld, + die slinks en rechts vol kruisen staat, + en dien men meest met tranen gaat, + en bloedig zweet, bepereld. + + Ach, 'k wist het wel, en 'k droeg getroost + mijn kruis naast U, die 't lijden koost, + onschuldig, om het leven, + van schulden vrij- en losgeboet, + o Jesu, door uw dierbaar Bloed, + ons wederom te geven! + + o Man, gij stondt mij neerstig bij: + dat God uw hulpe en troost nu zij; + en, dapper doorgetreden, + vergeet mij niet, die haastig viel, + noch dat ik, arme kranke ziel, + verlange om uw gebeden! + + + CXXII + + J.N.H. + + 1888 + + Moet ik, ouders, teerbeminde, + moet ik, zusters, broederen al, + u verlaten, ik en vinde + nooit hetgeen mij troosten zal. + + Nooit! o God, maar gij zijt vader, + gij zijt moeder, zuster; gij + zijt mijn broer, en duistmaal nader + vriend als welke vriend het zij. + + Op dan, ouders, moed genomen, + zusters, broeders, al te gaar; + eens daar ik ben, ook gekomen + vrienden, vrede, en... God is daar! + + + CXXIII + + J.N.A. + + 1888 + + Och arme, ofschoon het leven + zij boos om door te streven, + o Kind, wij hoopten dat 't + den Heere u, lange jaren, + believen zou te sparen! + Doch neen! Onze oogen, zat + van weenen, moeten derven + hetgeen gij, met te sterven + ons hebt geroofd: een' schat! + Ach, laat het zoo: daarboven + zult gij den Heere loven, + in 's hemels blijde stad: + terwijl we, in God te vreden, + wij, weenend, hier beneden, + och arme, zullen... Wat? + + + CXXIV + + G.J.T. + + Wij minden 't zoo, + wij zagen 't noo, + te noo misschien, ontdragen; + maar, Jesu zoet, + ons herte bloedt + en 't breekt van niet te klagen! + Geeft weer! -- o Neen, + ons kindtje kleen, + we 'n durven 't U niet vragen! + + + CXXV + + E.H. VICTOR VAN COILLIE + + 1888 + + Hij, dichterlijk begaafd, + en heeft, in al zijn wegen, + maar op het waarlijk schoon + een wondrende oog geslegen; + en 't, in zijn eigen taal, + beschreven onbeschaamd. + Gods volk lag hem aan 't hert, + hij minde 't, en bekwaamd + als Priester en als Mensch, + om met het Volk te leven, + heeft hij getrouwiglijk, + hem zelven 't Volk gegeven. + God loone 't hem, die weet + en weerdiglijk vergoedt + hetgeen -- Hij zegt het zelf -- + men aan de kleenen doet. + Hij stierf! Onsterfelijk + blijft op deze aarde in eeren + zijn vreugdevolle ziel; + en, in het Huis des Heeren, + de loon die zulken loont + die, niet hen zelven, maar + den armen evenmensch, + met liefde nemen waar! + + + CXXVI + + Eerwaarde Pater AMEET VYNCKE + van Zedelghem, + + als geloofzendeling gestorven te Kibanga in Opper- + Congoland, op den 17 van Bamesse 1888. + + Gij zijt de vriend van God, die ouders, vrienden, magen, + die land en lieden, om Gods arme Zwarten liet, + in 't Africaansche veld. Wie zouder u beklagen, + die u, voor zulk een zaak, zoo vroeg gestorven ziet? + + Gij zijt de vriend van God, nu meest nog, nu de vrede, + de rustdag u alree verschenen is. Voortaan + geen lijden meer, geen angst, geen ongewissighede + van hangen tusschen lijf en dood meer uit te staan. + + Gij zijt de vriend van God, gekozen tusschen honderd- + en duizenden, om Hem een boodschap hooge en groot + te dragen, verre weg naar 't erflijk afgezonderd, + naar 't weggeworpen kind, in 't zwarte land der dood. + + Gij zijt de vriend van God; Hij sprak, en gij, gij hoordet, + gij greept het vendel aan, als minnebode, en gingt + tot waar gij 't zwart geweld, met levend licht doorboordet, + eilaas, dat op uw graf, uw heerlijk graf nu blinkt! + + Vaart wel, o vriend van God; o onze vriend: genegen + waart gij ons Vlaamsche Volk, maar God was u veel meer, + veel meerder als uw land, uw tale en al: Gods zegen + zij ons door u, Ameet, verworven, voor den Heer! + + + CXXVII + + R.C.V. + + 1889 + + 't Heeft mij de dood gekost, + als, na de wet des Heeren, + ik neerstig werken ging + en reizend wederkeeren. + + 't Heeft mij de dood gekost; + o vrouwe, vrienden, magen, + en al die 'k geren zag: + 't en helpt geen bitter klagen. + + 't Heeft mij de dood gekost: + na korte of lange stonden + zal 't kosten u de dood, + die leeft! -- Leeft vrij van zonden! + + 't Heeft mij de dood gekost! + o Jesu, door uw sterven + en door uw dierbaar Bloed, + helpt mij den hemel erven! + + + CXXVIII + + E.M.M. + + 1889 + + Wij waren 's eens, van herte en zin, + in lief en leed verbonden; + de dood, eilaas, de dwinglandin, + en ziet geen lief-, geen leedzijn in: + de dood heeft ons geschonden! + + De dood alleen, niet els en kon + dat God vereende krenken; + maar Hij die, als de morgenzon, + de macht der wreede dood verwon, + Hij zal ons 't leven schenken. + + Het leven, dat geen ziekte en kan, + geen droefheid meer bederven: + o Vrouwe daar verwacht mij dan, + mijn kind, ons kind, en mij, uw man, + om nimmermeer te sterven! + + + CXXIX + + B.S. + + 1888 + + o Blankske bij uw stervensbed + zoo menig versche blom gezet, + verwelkt, gedord en weggedaan, + komt nu in ons geheugen staan! + + Geplukten uit het blomgebied, + ze stierven, maar ze 'n leden niet; + en, onbeklaagd hun teer gewas + haast weg en haast vergeten was. + + Maar gij, o blank en bleek gewaad + eens maagdenblomkens, gij en gaat + niet smerteloos, niet onbeschreid, + vergeten niet, naar de eeuwigheid! + + Wij zagen 't, hoe gij bitter kreescht, + in ons meer als in u bevreesd; + en lijende, omdat gij, kranke maagd, + die u beminden lijden zaagt! + + Vaartwel... en blijft in ons gemoed, + o Blankske, teeder blomke zoet, + gebloeid staan, en, bij God den Heer, + o kindtje lief... en sterft niet meer! + + + CXXX + + S.A.L. + + 1889 + + Zij was van jongs aan God, als Moeder en als Vrouw, + spijts alles, zediglijk en stediglijk getrouw; + de tijd en mochte nooit, noch met den tijd het keeren + en 't wenden des gebruiks, haar andere zeden leeren; + zij stond tot tenden toe, heur kinderen voorgegaan, + en bleef navolgensweerd, schier onnavolgbaar staan! + God kent die vastigheid in 't goed, en zal ze loonen + met iets dat langer duurt als 's werelds ijdle kroonen: + met onveranderlijk en stervensvrij genot + in Hem, die zelve en loon en loonder is, in God! + Daar, moeder, mochte ik, U indachtig al mijn leven, + mij dankbaar, U en God voor altijd wedergeven, + dien gij bemindet en bewaardet, en voortaan + dien gij alleen liet op den weg des levens gaan! + + + CXXXI + + V.S. + + 1889 + + Het werken was heur lot, + heur blijdschap en heur leven; + het werk is zij getrouw + tot aan den dood gebleven; + en, als zij lijdend lag + en stervend neergeveld, + dan heeft zij nog in 't werk + heur hoop en troost gesteld. + Om God heeft zij gewrocht, + met God heeft zij geleden, + op God heeft zij gehoopt, + tot God heeft zij gebeden; + en vast gesteund op Hem, + die loonder is van 't goed, + en heeft zij niet gevreesd + dat leeggang vreezen doet. + Welaan, de rust zij u, + Victoria, gegeven: + ge'n hebt z'hier nooit gekend, + geniet ze in 't ander leven! + + + CXXXII + + J.F.M. + + 1889 + + Hij wist wat werken was + en waakzaam gadeslagen + al 't gene, hem vertrouwd, + bij nachten en bij dagen + bekommerde zijn hert, + vol eed'le vromigheid. + + Hij wist wat lijden was, + en heeft, herhaalde malen, + wanneer de dood hem kwam + zijn liefste panden halen, + als christen mensch tot God + "uw wil geschie" gezeid. + + Hij steunde, vast en vrij, + op God al zijn betrouwen, + 't zij vroeg, 't zij laat bereid + om ook de dood te aanschouwen, + en 't kruis te aanveerden dat + hem ook was opgeleid. + + Dat kruis, met kloeken moed + zoo langen tijd gedregen, + het zij een kroone nu + voor hem, voor ons een zegen, + 't zij een vermaan ter deugd + en ter standvastigheid! + + + CXXXIII + + P.J.D.B. + + 1889 + + De dood is doof en blend, + 't en helpt geen schoone spreken! + Zoo zegt men, maar de Dood + is Gods bevel getrouw: + Hij wist wanneer, waarom + en hoe de band zou breken, + dien Hij gebonden had, + o zwaar beproefde Vrouw! + + Hij weet al 't geen Hij wilt, + of doet of laat geschieden, + te schikken dat er goed + en weldaad uit verschijn': + geeft Hem uw herte dan + en doet niet zoo de lieden + die, klagend van de Dood, + God zelv' betichtend zijn! + + Hij die de Vader is + van al dat leeft, hoe zal Hij + verlaten die Hem dient + met eerbied, en betrouwt? + Schept moed, o Moeder, God + is Vader meest van al, Hij; + en beter is 't op Hem + als op een' rots gebouwd! + + + CXXXIV + + H.B. + + 1889 + + Het voer voorbij als lichaamloos: + een schaduwe, een geschemel; + een Engel van verduldigheid, + een zielke voor den Hemel. + + Het wist dat 't hier geen stede en was + voor hem om lange jaren + te leven, maar een tranendal, + om spoedig door te varen. + + En als het, 't elevatieklokske + in d'hand, den Priester diende, + zoo zuchtte 't: "Ons toekome uw rijk!" + godvruchtig opwaarts ziende. + + En 't rijk des Heeren kwam in hem + zijn hert vol deugden bouwen, + en 't, vroeg geheiligd, laten vroeg + Gods Heiligheid aanschouwen! + + + CXXXV + + A.G. + + 1889 + + De lucht weergalme nu + en klage 't aan de steenen + dat wij ten grave gaan + en onzen vriend beweenen, + die, als een vader, als + een broeder, ons zoo lang + geleidde en leeren deed + de kunst van spel en zang! + + De lucht weergalme nu + en klage 't aan de stede + wat hij voor 't weezenhuis + en voor de weezen dede, + spijts ziekte en ongemak, + spijts alle ondankbaarheid, + voor 't ouderlooze kind + tot elken dienst bereid! + + De lucht weergalme nu... + Eilaas, nog korte stonden + waar zult gij, vriend Goddaert, + waar zult gij zijn geblonden? + In 't duister graf? o Neen, + ver boven 't duister graf: + gij zijt, waar God alreede + u rust en vrede gaf. + + + CXXXVI + + A.J.M.D. + + 1889 + + Hij stierde vrij en blij, zijn vaartuig op de baren; + nam water, wind en streek, nam 's hemels licht te baat, + en zou, voorspoediglijk door 's werelds nood gevaren, + bereiken 't lustig land waar gij te bloeien staat, + o Wetenschap, o Kunst! Maar neen, de winden sprongen + geweldig op hem neer, en slingerden 't gebouw + dat al zijn' hope droeg tot dat het, moegedwongen, + begaf en nederzakte in 's afgronds diepste grauw! + Is niets gebleven, is hij hopeloos verloren? + Kan niets u troosten, die, zijn schipbreuk ziende, staat + en weent nu op de kust? Of zal hij, eens herboren, + genieten eeuwiglijk des levens dageraad? + Gewis, de Schepper zal zijn schepsel zijn indachtig; + de Heiland zal zijn Bloed indachtig zijn, en dan + zal die vernederd was, verwekt door God almachtig, + eens leven waar geen dood hem ooit meer naken kan. + + + CXXXVII + + TH. TH. + + 1889 + + Ik heb den Heer gediend, + ootmoedig weggeborgen, + o kloosterzusters, door + uw moederlijk bezorgen; + in 't huis des Heeren, in + Maria's waakzaamheid, + ben ik, met raad en daad, + tot sterven voorbereid! + + Vaartwel dan, goed en trouw + gebleven brave zielen, + die mij als eigen kind, + om Gods wille onderhielen: + die alles loont, hij zal 't + u loonen, onverbeid, + 't zij nu, 't zij naderhand, + -- vaartwel! -- in de eeuwigheid! + + + CXXXVIII + + Eerw. H. EMILE DE MONIE + + vereerd met het kruis _Pro Ecclesia et Pontifice_. + + 1890 + + Wij bouwden op uw leven een getemmer + van eere en deugd, voor God en 't vaderland; + maar schielijk grijpt de felle menschentemmer + en keert u, onzen grondsteen, overkant! + + Wat nu gedaan? Geklaagd, geweend, gedropen + in diepe droefheid, zonder ende of maat; + de ellendigen gelijk, die niet en hopen + dat ooit een weerzien hun te wachten staat? + + Neen! Hooger zult gij nu en beter wezen + een leidend licht ons en een bake in zee, + totdat wij allen zijn voor goed genezen + van Adams schuld en onvermijdbaar wee. + + Tot daar zij 't: Hoog den moed en 't hert gedragen! + Geen veege droefheid! Immer moed voortaan, + en, spijts de dood, spijts al heur nederlagen, + op God betrouwd en neerstig voortgedaan! + + + CXXXIX + + J.B.V.L. + + 1890 + + Mijn huis- en echtgenoot, + getrouw tot in de dood, + ben ik bijgebleven; + gij hebt door lief en leed, + in arebeid en zweet, + mij hulpe en troost gegeven. + + Nu zijn wij ver vaneen + van herte en ziele, neen, + van lijve eilaas gescheiden; + en ik, den korten tijd + dat gij mij voorenzijt, + moet mijnen dag bereiden. + + Och keer' de dag weerom, + als ik u, bruidegom, + in God teruggevonden, + zal mogen immermeer + beminnen, bij den Heer, + en zijnen lof verkonden! + + + CXL + + G.A.A. + + 1890 + + Uw hand heeft mij geschapen, + getrokken uit den niet, + en nu ben ik ontslapen, + na 's werelds lang verdriet: + gedenkt, o goede Vader, + uw schepsel nu; + ik kom u biddend nader: + 'k geloove in u! + + Door 's vijands macht gebonden, + met Adams schuld belaan, + hebt gij uw schaap gevonden + en weer naar huis gedaan: + gedenkt, o Heilig Herte, + mijn zielke nu; + door alle uwe pijne en smerte: + ik hope op U! + + Gij zijt mij komen laven, + op mijnen laatsten tijd, + met al uw' beste gaven, + gij die bermhertig zijt: + gedenkt niet... ik beweene + mijn zonden nu, + en, stervend, Heer, alleene + beminne ik U! + + + CXLI + + A.M. + + 1890 + + Amandine, uw deugdzaam leven + heeft ons langen tijd gesticht: + moge God u vrede geven, + nu dat ge overleden ligt! + + Och, of wij ook, al te zamen, + 't geen gij neerstig hebt gedaan + nadoende, op uw' stappen, kwamen + waar gij ons zijt voorgegaan! + + Die de menschen weet te paaien, + wereld, ons en zult gij niet + in uw' valsche netten draaien + en in 't eeuwig helsch verdriet! + + Amandine, rust in vrede, + tot een zalig wederzien; + rust, en al de zielkes mede! + Amen! Moge 't zoo geschien! + + + CXLII + + P.H.M.L. + + 1890 + + De dood en heeft niet onverwacht + u, man en vrouw, gescheiden: + God hielp, eer 't vallen van den nacht, + hare arme ziel bereiden. + + De tijd is snel, het leven kort: + bereidt toch alle dagen + uw werk, eer ge ook geroepen wordt + om 't schielijk in te dragen. + + Verleent het licht des Hemels haar, + o Heere, en wilt ons geven + 't geluk van haar te ontmoeten daar + zij rust, in 't eeuwig leven! + + + CXLIII + + R.S.L. + + 1890 + + De dood heeft mij bereid + en heel doorpijnd gevonden: + 't is beter hier als in + het vagevier geboet! + + Hebt dank, o Heere, en, door + uw' vijf bebloede wonden, + verleent, bermhertig, mij + het onverganklijk goed! + + Verleent aan die ik laat + in droefheid en in tranen, + mijn Kind'ren, mijnen Man, + te leven naar uw' wet. + + En, als 't te sterven komt, + wilt hun de wegen banen + ten Hemel en tot mij... + Dit is mijn sterfgebed. + + + CXLIV + + E.P.E.W. + + 1890 + + Ge'n weet niet, gij die leeft, + noch gij en kunt niet weten, + aleer gij sterven zult, + hoe waarlijk ongemeten + de goedheid is van God + en zijne bermhertigheid. + + Geen einde en is eraan, + noch geen bekende palen: + die schuld kent helpt Hij zelf + zijn schulden doodbetalen, + en houdt den schuldenaar + den hemel toebereid. + + o Bidt voor mij, gij al, + die, langs des werelds paden, + hebt moeite, en nauwlijks weet + uw rechten weg te raden; + maar, met betrouwen bidt + tot Hem die 't al vergeeft. + + Hem, wiens bermhertigheid, + zoo menigmaal gebleken, + eilaas vergeten wordt + of dikwijls weggesteken, + terwijl men jong is nog + en zonder zorge leeft! + + + CXLV + + E.J.L.H.V.D.M. + + 1890 + + Hoe zijt gij ons ontvlucht, + gij kleene troostverschaffer; + de blijdschap van ons huis, + het licht van onze baan? + Hoe zijt gij ons geroofd; + wie, onbermhertig, gaf er + uw ijdel wiegsken ons + te vinden ledig staan? + + o God, gij zijt te goed + opdat men 't U zou wijten; + o Vader, duizendmaal + gezegend zij uw naam; + maar, zendt ons sterkte toe, + en, om de plicht te kwijten + der christ'ne droefheid, maakt + ons lijdend hert bekwaam! + + + CXLVI + + F.V. + + 1890 + + De dood is onmeedoogend, + en God alleene laat + den mensch, het Kruis hem toogend, + nog hope en goeden raad. + + Dat stierf dat zal herleven, + zoo zegt hij, en daar is, + voor al dat wierd misdreven, + bij mij vergiffenis. + + Ik steek de hand, als Vader, + u, kranke kinderen, toe; + aanveerdt ze, en komt mij nader, + die de eerste stappen doe! + + Gelukkig zijn zij allen, + die, hemelwaards genood, + in 's Vaders handen vallen, + en leven, spijts de dood! + + + CXLVII + + Hoogeerw. Heer D.P.A. DE HAERNE + + Blijve in 't Vlaamsch uw' naam niet ongemeld, + die, uw' taal niet looch'nend, ed'le held, + God en Kerke en Burger trouw gediend, + groot en kleen bleeft vaste en goede vriend! + Die, ja, stomme en doove spreken liet, + zwijg' dit steen uw weldoen immer niet, + maer, De Haerne, ontluike't, te uwer eer: + geldloos stierf hij, schatrijk bij den Heer! + + + CXLVIII + + S.A. + + 1891 + + Vermaak en wist zij grooter geen, + als kinders Godwaarts op te lee'n; + en, elk tot raad en daad bereid, + te helpen met ootmoedigheid. + + De ware liefde Gods geleerd, + die 't altijd al in 't beste keert, + en kende zij noch nijd noch haat; + en goed, ja, raapte ze uit het kwaad. + + Zoo minde en leefde en leed zij wel, + gesteund op haren Kruisgezel; + tot dat zij, 't lijden uitgeleefd, + den laatsten strijd gestreden heeft. + + Aan wien was heel heur hert bekend? + Aan u die weent heur lijk omtrent; + aan U, o God, die 't groot geduld + van al heur liefde kroonen zult! + + + CXLIX + + Z.H.B. + + 1891 + + Onschuldig kind, na korte dagen + hebt gij den Heer reeds opgedragen + uw' schoone ziel; + maar bitter maalt, door 't leed gedreven, + uw Moeders en uw Vaders leven + het smertenwiel! + + Het zij zoo 't moet: 't en helpt geen klagen; + op dezen moge, en alle dagen, + Gods wil geschien! + Ach bidt voor ons, en blijft daarboven + den God van al dat goed is loven... + Tot wederzien! + + + CL + + Eerweerde Zuster MARIE-STANISLAS + + Moeder-Overste van Sint-Jansput te Kortrijk + + 1891 + + Zoo zedig, zoo zorgvuldig en + zoo zelfvergetend wezen + en hadde ik nooit te huldigen, + en kende ik nooit voordezen. + + Bekommerd in al 't minste dat + den evenmensch kon baten, + zoo had zij 't leven opgevat, + in al heur doen en laten. + + Heure overheid was neder zijn, + en dienen te allen stonden + den Gene, die nu weder zijn + goe dienstmaagd heeft gevonden. + + + CLI + + L.D.K. + + 1891 + + Vergeet hem niet, dien braven man, + dien man van de oude Gulde, + die dertig jaar de vesten van + de stee met eerde vulde. + + Vergeet hem niet, die 's Konings kruis + aanveerden mocht met eeren; + en, moegewerkt, trok weer naar huis, + vol hope in 't Kruis des Heeren. + + Vergeet niet, al die werkers zijt, + 't goed voorbeeld na te leven; + dat hij, bij goed- en kwaden tijd, + ulieden kwam te geven. + + Vergeet hem niet, voor wien hij, dag + en nacht, zijn werk besteedde; + en zorgt zoo hij te zorgen plag, + gij vrouwe, en kinderen mede. + + Vergeet, o Volk van Kortrijk, niet, + maar spreekt voor hem ten besten + bij God, als gij zijn werk beziet, + en wandelt langs de vesten. + + + CLII + + M.D.V.H. + + 1891 + + Eilaas, mijn licht is uitgedoofd, + nu dat mijn uitverkoren, + mijn eerste kind is weggeroofd, + en uit mijne oog verloren. + + Mijn' huwlijkshope is heel vergaan, + Gods banden zijn ontloken; + en, felle dood, uw bitter slaan + heeft gansch mijn hert gebroken. + + Gij liet eene enk'le blomme mij, + een teeder blomke blijven; + och spaart het, Heere, of komme mij + de dood met hem ontlijven! + + Neen... vaster vele als alle smert + wille ik mijn' hope bouwen; + en, Jesu, op uw lijdend Hert + mijn kind en mij betrouwen! + + + CLIII + + M.L. + + 1891 + + Geboren voor des werelds oogen + vol vreedzaamheid, vol mededoogen, + onschuldig als een kind, zoo koos + zij 't rechte pad en 't beste altoos. + + Maria als een Moeder minnend, + heur Mans geluk en troost bezinnend, + zoo was zij lief en leed bereid + te dragen met zachtmoedigheid. + + Een voorbeeld, onverwist, elk zijnde, + terwijl zij naar den Hemel pijnde, + zoo is 't dat zij, bij God bekend, + heeft 's levens korten loop volend. + + Gelukkige! Uit de hooge zalen + en wou zij niet meer nederdalen, + maar wenkt van daar, en spoort ons aan + om waar zij ging heur na te gaan. + + + CLIV + + B.L.H. + + 1891 + + Zoo 't eens was uit Gods hand gekomen, + zoo heeft Hij 't weer tot Hem genomen + en losgedaan + uit 's lichaams leed en lastigheden, + die 't onverbidlijk lijden deden + en pijne uitstaan. + + 't En kon niet meer... 't Was moegelegen, + zijn stemme sprak zijn herte tegen, + en 't doolde rond, + onwetend waar, tot dat, zijn wezen, + zijn handen bei tot God gerezen, + het ruste vond. + + Ach, ruste en vrede u zij geschonken: + den bitt'ren kelk hebt ge uitgedronken + en God bemind; + ons Heere weet zijn vrienden weunen, + gij meugt op zijn beloften steunen, + onschuldig kind! + + + CLV + + L.L. + + 1891 + + Al liefde, en anders niet, + hebt ge in uw lijkvat mede, + o Engelken, dat ons + zoo hoog verheugen dede; + maar dat, onvaste alhier, + verblijvende, eenen stond, + een' hooger', ver van ons, + een' hooger' woonstee vond! + Vaartwel, ons beider beeld, + en, bij den Heer verscholen, + blijft eene leidsterre ons, + die nog op de aarde dolen! + + + CLVI + + Eerw. Pastor P. BUSSCHAERT + + 1891 + + Zijn herte zong, van binnen hem, + een lied dat de Engelen hoorden; + dat somtijds uit zijne oogen sprak, + en tintelde in zijn' woorden; + maar dat eilaas, dit tranendal + onweerd, bij hooger zangen + behoorde als bij al 't weegedreun + der duistere levensgangen. + + De vriend is weg, te lijve, ja; + maar ongenaakbaar, boven + dit lijdensperk, den wolkendoek + voor altijd weggeschoven + van 't eeuwig schoone, aanbidt hij nu, + en zingt, in 't driemaal heilig, + zijn erflijk deel, voor al dat hij + hier uitstond, ginder veilig. + + + CLVII + + L.P. + + 1891 + + Zij was den Heere, in 't dagelijksch werk + en in zijn huis, verbonden; + daar heeft ze God beproefd en, als + het goud, hem weerd gevonden. + o Kinders, volgt uw' moeder na, + zoo zij was, tracht te wezen + godvruchtig, neerstig, eerbaar, kloek + in 't hopen; en, na dezen, + zoo zult gij haar aanschouwen in + Gods huis, niet meer in 't lijden, + maar eeuwiglijk, met al die haar + beminden, in 't verblijden. + + + CLVIII + + B.S. + + 1891 + + Te midwege op de levensbaan + zoo vroeg reeds mogen binnengaan + in 't eeuwig, 't ander leven; + wie 'n zou niet, om zoo schoon een kans, + een honderdjarig leven gansch + en geheel ten besten geven! + + + CLIX + + N. + + 1891 + + Een jong man kan, + een oud man zal, + als alles moet begeven, + dat rechte staat, + dat vaste staat, + dat leeft of schijnt te leven. + + + CLX + + V.H. + + 1892 + + Vaartwel, Vincent! In 't ander leven + zal God u loon naar werken geven, + terwijl wij hier nog lange jaren + 't geheugen van uw' deugd bewaren. + Zoo gij waart zijnder weinig, heden; + zoo vol van eere en dienstbaarheden; + getrouwe uw' meesters, en uw leven + bereid voor hen in pand te geven! + Zoo diendet gij, en, vriend van allen, + zoo zijt gij ons en elk ontvallen! + Vaarwel, nog eens! En, moge 't wezen + dat wij u zien verblijd nadezen, + waar God eens zal aan groot- en kleenen + hem zelve als hoogsten loon verleenen. + + + CLXI + + C. PH. S. + + 1892 + + Ach, vier onnoozele schaapkens, 'k laat + u moederloos in 't leven; + wie zalder nu, zoo moeder deed, + u hulpe en bijstand geven? + + g'Hebt vader nog, die mij bemint, + die u bemint te gader; + weest Gij, o God, weest hem en hun + een toevlucht en een vader! + + o Kinderkens, o vader lief, + vaartwel nu; eens na dezen + zal 't eeuwig, eeuwig blijdschap zijn, + zal 't altijd samen wezen! + + + CLXII + + O.V.M. + + 1892 + + Geliefden, die ik achterlate + in eere en deugd getogen, + zoo veel 't een' Moeder machtig was + met God en al heur pogen; + + gedenkt hoe ik geleden heb; + hoe, dag en nacht gedwongen + en eindelinge eens ben losgerocht + en 's werelds leed ontsprongen! + + 't Verheugt mij nu, veel meer als ooit + het leed mij kon doen lijden, + 't oneindig onverstaanbaar zijn + van 's hemels hoog verblijden. + + Vaartwel dan. 't Gene ik trachtte in u + te stichten, blijve 't wezen + en wassen, tot zijn' volheid, in + elk een van u, nadezen! + + En, leedt gij, waar' 't zoo vele als ik, + blijft, vaste en onbewogen, + uw' Vader en uw' Moeder weerd, + naar 't eeuwig welzijn pogen! + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +De bovenstaande _zielgedichtjes_, op twee of drie naar, wierden gedrukt +op doodbeeldekens, en uitgedeeld in de kerke, ter nagedachtenisse van +gekende overledenen. + +Het gebruik van lijkbeeldekens, -- doodsantjes (dood-_Sanctjes_), +doodsentjes, doodsintjes, rouwzantjes, rouwzentjes, rouwzintjes, +zarkskes, zerkskes, bidprentjes, gedachtenissen, suffragetjes, +briefkens, texten heet men ze ook, -- wierd ingevoerd onder het "heilig +ende zalig gedacht" dat de _diptycha_, de _obituaria_, de doodboeken, de +grafzerken, en andere gedenkteekens van overledenen, ten gronde ligt. + +Gelijk de _diptycha_ vindt men de doodprentjes bij streken op den autaar +liggen, bijvoorbeeld tot Neuss, in Westfalenland; tot Iper, tot Gent en +elders heet men ze, als of 't afgedrukte zerksteenen waren, _zerkskes_, +_zarkskes_. + +Gelijk de boeken, de boekversierselen en de heiligenbeeldekens, zoo +wierden eertijds de doodsantjes met der hand _gescreven_, zoo men zei, +dat is _geschilderd_. De achtbare Vrouwe E. Van Steenkiste-Van der +Meersch, tot Brugge, bezit, onder menige andere, een doodprentje dat op +pergament geschilderd wierd, ter nagedachtenisse van zaliger Mijn +Hoogweerdigsten Heer _Humbert-Wilhelm a Precipiano_, Aartsbisschop van +Mechelen, overleden op den 10 Junij 1711. + +De naaste doodprentjes, van ouderdoms wegen, zijn van geetste, +gestekene of gesnedene platen gedrukt; de twee oudste die men kent zijn, +'t eene, van den 9 Mei 1755, 't andere van den 5 Januarij 1759. Z. _Rond +den Heerd_, 1876, bl. 68 en 72. + +De gedrukte doodprentjes van meer als honderd jaar oud zijn meest al +Hollandsche en, onder andere, van den volgenden inhoud: + + 1. "Bid voor de ziel van zaliger de Heer _Louis Michel_, overleden den + 16den December, 1758, in Amsterdam." + + 2. "Bid voor de ziel van zaliger den Heer _Willem van Brienen_. + Overleden den 26sten Januarij MDCCLXX, in Amsterdam. _Requiescat in + pace_." + + 3. "Bidt voor de ziel van zaliger _Barent Woortman_, overleden den 26 + May 1775, in Amsterdam. Heere, geeft hem de eeuwige Rust. Amen." + + 4. "Bidt voor de ziel van zaliger _Jacques Joseph de Pret_. Overleden + den 28 July 1784, in Antwerpen." + + 5. "Bidt voor de ziel van zaliger vrouwe Cornelia Carolina Josepha _De + Bosschaert_, geboore De Pret, overlede den 20 February 1789, in + Antwerpen. R.I.P." + + 6. "Bid voor de ziel van zaliger vrouwe _Joanna Josepha Vermoelen_, + geboore De Pret. Overlede den 22 Mey 1789, in Antwerpen. R.I.P." + + 7. "Bid voor de ziele van zaliger den Heere _Arnoldus Franciscus + Josephus Bruno De Pret_. Overleden den 1 Augusti 1797, R.I.P." + + 8. "Bid voor de ziel van vrouwe _Maria Theresia Josepha Moretus_, + geboren Borrekens. Overleden 5 Mey 1797. R.I.P." + + 9. "Bid voor de ziel van zaliger vrouwe _Maria Agnes Michel_, + Douariere van zaliger den Heer Jean Philip Gilles. Overleden 31 + January 1800, in Amsterdam. R.I.P." + +Het zij bemerkt dat M'Her _Louis Michel_ (no 1) de vader was van _Maria +Agnes Michel_ (no 9), vrouwe van M'Her _Jan Philip Gilles_, overleden t' +Amsterdam 31 Jan. 1800. M'Her _Louis Gilles-de Pret_, zoon van M'Her +_Jan Philips Gilles_, (Amsterdam 22 Nov. 1761 * Hove bij Antwerpen 22 +Nov. 1811), was de vader van M'Her _Louis Baron Gilles de Pelichy-de +Pelichy_, (Antwerpen 25 Junij 1798 * 29 April 1876), begraven tot +Iseghem 3 Mei 1876; wiens zoon M'Her _Alexander Baron Gilles Pelichy +van Caloen_, geboren tot Antwerpen 17 Dec. 1845, heden ten dage het +adellijk slot _het Blauwhuis_ bewoont, tot Iseghem. Zie bl. 42, het stuk +_Gouden Roozen_. + +Mevrouwe Gilles de Pret, van Antwerpen, liet, in de jaren 1790 twee +prentjes drukken ter zaliger gedachtenisse van Louis XVI en van +Marie-Antoinette; ze worden bewaard in de huiscapelle van Alexander +Baron Gilles de Pelichy-Van Caloen. + +Over Antwerpen kwamen de doodprentjes uit Holland naar Vlanderen; +Joufvrouw Marie Therese van Veldriel, van Antwerpen, liet prentjes +drukken voor haren echtgenoot, Heer Dominicus Vercruysse, overleden te +Kortrijk op den 28 Mei 1805; daar wierden er gedrukt voor haren +schoonzoon, Heer Saveris Vercruysse, overleden tot Kortrijk op den 13 +December 1805; en eindelijk ook voor haar, wanneer zij kwam te +overlijden, tot Kortrijk, op den 7 Feb. 1807. + +Tot Brugge wierden er doodprentjes gedrukt ter zaliger gedachtenisse van +pastor _Jacop Wielmaecker_, van de Potterye, schielijk overleden 12 +Maarte 1814; "van den overleden Eerweerden en Edelen Heer _Charles De +Schietere Caprycke_, die zijn levensloop heeft besteed tot zaligheyd der +zielen en de onderwyzinge der jeugd der stad Brugge. Geboren den 22 +September 1762. Priester gewyd ten jare 1787. Ende gestigt heeft eene +algemeyne Zondagschoole tot onderwys, zoo voor het geestelyk als tydelyk +van boven de 1400 arme en behoeftige kinderen van beyde geslagten... +Gestorven den 18 July 1815, in den ouderdom van 52 jaren." + +Op een ander prentje van dien tijd staat er: "Naer alles verlaeten te +hebben, heeft hij Hem (Jesum) gevolgd. Matth. _P. Desiderius Van Huerne_ +van edele ouders gebooren den 11n February 1780, te Brugge in +Vlaenderen. Naer zyne studien zoo tot Douay als tot Loven voltrokken te +hebben, is nae Pollockx in wit Rusland vertrokken, en aldaer in de +Societeyt Jesu aengenomen en tot Oswalda den 25 April 1816, nog geen +priester zijnde, overleden. R.I.P." + +'t Oudste doodsantje dat op een landsche parochie spreekt, in de beide +Vlanderen, is dat "van den hoog edelen Heer +Philippus-Josephus-Maria-Ludovicus-Gislenus _graeve de Croix en van +Moen_, Baron van Wynghene, heer van Dadizeele en Moorslede, etc. etc. +Overleden te Dadizeele, den 4 Januarius 1820, in den ouderdom van 46 +jaren en 6 maanden. R.I.P. God en de menschen aengenaem, wiens +gedagtenis is in zegening. Eccli, C. 45, VI." + +Tot in 't jaar 1830 en was 't maar voor de priesters en voor de leden +van de aanzienlijkste geslachten dat men doodprentjes uitdeelde: dertig, +veertig, vijftig ten hoogsten, en ter gelegentheid van groote +uitveerden. Later is 't gebruik algemeender geworden, zoo nochtans dat +het uitdeelen van doodprentjes nog altijd blijft gelden als een teeken +van welhebbende treffelijkheid. + +De vroegste doodprentjes zijn op pergament gedrukt. Tot in 't j. 1830 +gaf men nog pergamenten beeldekens aan de naaste en beste vrienden, +papierene aan iedereen. Die op geglansd papier gedrukt zijn komen +doorgaans uit Oostende, uit Luik of uit Antwerpen. + +Op den eenen kant van het doodbeeldeken pleegt een _Sanct_, een +_Sanctje_, een Heilige, of wel eenen schets uit het heilig Schrift +verbeeld te staan; de kwade smaak van Parijs heerschte over die +verbeeldingen, van t' halven de jaren 1830 tot 1860, wanneer de zucht +naar eigen schoon opkwam en wederom begon de overhand te krijgen. + +In stee van Santen en Santinnen, enz., vindt men ook verbeeldingen van +de kerke waar de overledene geuit wierd, ofwel 't beeld van den +overledene zelve, 't zij in druk, 't zij in lichtprente nagetrokken. + +Op den anderen, op den _aarkant_ van 't beeldeken staat soms een +zerksteen uitgeprent, met de vier Evangelistenteekens op de hoeken; soms +eene kruisgedaantige lijste, soms eene andere. Binnen in die lijste, of +ook ongelijst, staat de zoo gezeide _text_. + +De oudste texten vragen eenvoudiglijk, zonder eenige aanhalinge uit de +Schrifture, een gebed voor zaliger zulk of zoo eenen, die overleed... +enz. Later wordt daar eene schriftuurplaatse, in 't latijn en in de +volkstale, bijgevoegd, b.v.: _Timenti Dominum bene erit in extremis._ +Die den Heere vreest zal wel vaeren in zijn uytersten." + +Naast het vermeerderd, dikwijls kraafsch en ongepast aanhalen der +Schrifture, enz. is, sedert 1870, het bijvoegen van eenen gedeeltelijken +stam- of geslachtsboom in zwang gekomen, dat eene verbeteringe is. + +In Brabant zet men den begraafdag, de zielmissen, en meer andere +inlichtingen, op de doodsantjes. Wat de prenten betreft, ze zijn +onderworpen aan de goedkeuringe van kanonik Reusens, en Zijne +Hoogweerdigheid de Aartsbisschop heeft daarover eenen herderlijken brief +doen lezen in al de kerken van 't Mechelsche. + +Voor Heere ende Meester Jan Frans De Broyer, S.T.L., geboortig van +Buysinghen, bij Halle, en overleden, Pastor zijnde van Moorsel bij +Aelst, op den 25 April 1830, wierd een doodprentje gedicht op rijm, en +'t is het eerste van dien aard dat in eene kostelijke en wel vertierde +verzamelinge van meer als 100.000 stuks te vinden is. + +Dit _zielgedichtje_ luidt als volgt: + + Stae leezer!... onder deezen zerk + Ligt 't puyk der Priest'ren van Gods kerk, + Die godsgeleerdheyd gantsch had ingeswolgen: + Wiens slissing, in het zeden-vak, + Hoe zeer het ook vol spitsen stak, + Den bleeken angsteling gerust mogt volgen + Maer ah!... die zuyl, die hemel-spoor, + Die _weldaed_ noyt uyt 't oog verloor, + Is 't haestig nog van d'aerd geweeken, + Gy, die hem altyd hebt bemind, + Wil voor de ziel van uwen vriend + Een woord by God ten besten spreeken. + +Later maakte de eerweerde Heer D. Cracco, leeraar in 't kleen seminarie +tot Rousselaere (en dichter van 't voorgaande?) dit volgend berijmd +doodsantje: + +Wees gedachtig de ziel van _Amandus Bral_, geboren te Thielt den 17 +April 1814, overleeden in het kleyn Seminarie te Rousselaere den 20 +Junius 1833. + + O ydelheyd der ydelheden! + Hoe broos is alles hier beneden! + O jongeling, wat is uw roem? + Uw jeugd gelykt de teere bloem. + Een killen mist komt opgevaeren, + En drukt de purperroode blaeren + Der bloem, die frisch ontlooken staet: + En zy verslenst, valt neer, vergaet. + Zoo viel voor Bral den bloey van 't leeven! + Doch 't dierbaerste is hem bygebleeven, + De Deugd, zyn liefste hertsvriendin. + Met haer trad hy den hemel in. + +Twee jaar daarna wierden de zelfste rijmreken, op weinige woorden na, +toegepast op een ander, aldus: + +"Bid voor de ziel van d'Heer _Petrus Raymondus Lefevere_, gebooren te +Rousselaere den 6 Mey, en aldaer overleden den 25 Maerte 1835. + + O ydelheyd der ydelheden! + Hoe broos is alles hier beneden! + O jongeling, wat is uw roem? + Uw jeugd gelykt de teere bloem. + Een killen mist koomt opgevaeren, + En drukt de purperroode blaeren + Der bloem, die frisch ontloken staet; + En zy verslenst, valt neer, vergaet. + Zoo viel Lefevers bloey van 't leeven! + Maer 't dierbaerste is hem bygebleeven, + De Deugd, zyn liefste hertsvriendin, + Met haer treed hy den hemel in." + +Het volgende is waarschijnelijk van de zelfste hand: + +Gedagtenis van den deugdzaemen jongeling _Henricus Josephus Van Hecke_, +leerling der grammatica in het Kleyn Seminarie te Rousselaere, +overleeden te Beveren, zyne geboorte-plaets, in den ouderdom van 21 +jaeren. + +O jongheyd, die dit leest, denk toch een wyl op hem, +Die t' saem met ons de vrugt der schoone lett'ren plukte, +De wysheyd leerde door de zelve vaderstem, +Maer wien de dood te vroeg aen onze school ontrukte. +Van iedereen geliefd, in 't midden zyner jeugd, +Viel hij als eene bloem gescheurd van haeren stengel. +Doch neen! hy was reeds rijp; en zagtjens trok Gods engel +Hem van deeze aerde, en bragt hem in des hemels vreugd. + +Nog een leerling van 't kleen Seminarie te Rousselaere maakte, twee jaar +later, liggende op zijn sterfbedde, zijn eigen zielgedichtje. 't Was +Desire de broeder van zaliger den eerweerden Heer De Corte; hij stierf +tot Sint-Lievens Hautem, zijn geboortedorp, op den 21 Januarij 1837, oud +21 jaar. Zijn doodprentje luidt aldus: + + "'t Ellendig vleesch alleen kan sterven: + De ziel schiep God voor de eeuwigheyd; + Voor haer heeft hy dit goed bereyd, + Dit hemelsch goed, dat haer de dood doet erven. + Zeg dan, o dood, waer is uw strael? + Waer is, o dood, uw zegeprael, + Daer gy my doet een eeuwig goed verwerven?" + +Het gebruik van doodsantjes te laten drukken, van ze uit te deelen binst +het ten offeren gaan, van ze in de kerke rond te geven, van ze ten huize +te doen bestellen, voor of na de begravinge, enz. is uit de Nederlanden +overgegaan naar Engeland, Duitschland, Vrankrijk, America, Italien, +Polen, en misschien nog andere landen. + +Buiten het nut dat het uitdeelen van doodprentjes heeft, wanneer men 't +beschouwt als een werk van liefdadige en stichtelijke godvruchtigheid, +kan eene goede verzamelinge zulker gedrukte oorkondschepen alleszins te +passe komen bij de lieden die taalgeleerdheid, namenkunde, +geslachtkunde, gouwspraakkunde betrachtende zijn. + +Tot bewijs van dit zeggen dient het gebeurde op den koopdag van zaliger +K. Kanonik De Ridder, overleden tot Mechelen in 't jaar 1876. Op dien +koopdag immers zijn 2500 doodsantjes van overledene Priesters uit het +Mechelsche 65 fr. toegeslegen; 2500 van Priesters buiten 't Mechelsche +60 fr.; 2150 van Edellien 55 fr. Onder de gadinghebbenden was de zeer +eerweerde Heer K. Kanonik Reusens, die hoogde voor de boekenkamer van de +hoogschole tot Leuven. + +Voor de bovenstaande inlichtingen blijve ik allen dank schuldig aan de +dienstveerdige bereidwilligheid van den eerweerden Heer Leopold Slosse, +Pastor van Coyghem, den eigenaar en den kundigen zanter van de meer als +100,000 zerkskes of doodbeeldekens, waarvan hooger sprake was. + + + + +INHOUD. + + +Kerkhofblommen +Zoo daar ooit +'t Was de ure dat +Traagzaam trekt +_De profundis!_ +Dood was de stam +Ha! beklaagt hem +Kwade dag +Ten paradijze +Lijkrede +Bezoek bij 't graf +Nog eens +Jaargetijde +Het Kruis +Uit het Italiaansch +_R.I.P._ +Het kindeke van de dood +Gouden Roozen +Zielgedichtjes +Alfons Danneels +Pius IX +Ridder Alfons Loosveldt +F.A.J. Baron Bethune +Eerw. H. Dhoop +Hendrik Conscience +L.E. Vanderghinste +De Moeder van P. Benoit +Deken L.-L. De Bo +Eerw. H. Victor Van Coillie +Eerw. P. Ameet Vyncke +Eerw. H. Emile De Monie +Hoogw. H. D.P.A. De Haerne +Eerw. zuster overste M. Stanislas +Eerw. H. Pastor Busschaert +Aanteekeningen + + + + +_Bij L. J VEEN te Amsterdam verscheen:_ + +GUIDO GEZELLE'S + +DICHTWERKEN + +10 deelen ingenaaid _fl_ 10. -- 8 deelen gebonden _fl_ 14.-- + +De uitgave bevat: Dichtoefeningen. -- Kerkhofblommen. -- Gedichten, +Gezangen en Gebeden, Kleengedichtjes. -- Liederen, Eerdichten et +Reliqua. -- Tijdkrans, (2 deelen). -- Rijmsnoer, (2 deelen). +--Hiawadha's Lied. -- Laatste Verzen. -- De Bandteekening is van ALFRED +VAN NESTE. + +Afzonderlijk kost deze uitgave deel 1, 2, 3, 4, 9 en 10 a _fl_ 1.90 +ing., _fl_ 2.50 gebonden, 5, 6, 7 en 8 a _fl_ 2.90 ingen., _fl_ 3.50 +geb. + +In de Belg. Ed. zijn nog verkrijgbaar: Dichtoefeningen, +--Kerkhofblommen, -- Gedichten, Gezangen en Gebeden, Kleengedichtjes, +--Liederen, Eerdichten et Reliqua + +a _fl_ 1.50 per deel ingenaaid, _fl_ 1.90 gebonden. + +Tijdkrans, -- Rijmsnoer a _fl_ 2.50 per deel ing., _fl_ 2.90 geb. + + * * * * * + +Guido Gezelle, Verzen, Pracht-Editie (bijna uitverkocht) _fl_ 25.-- + +Guido Gezelle, Bloemlezing, samengesteld door Dr. J. Aleida Nijland, 3e +verbeterde druk, ingen. _fl_ 0.90, gebonden _fl_ 1.25 + +Guido Gezelle, Motto-Album, met versieringen van Julius de Praetere. +Prijs geb. in linnen _fl_ 1.50, geb. in leer, _fl_ 1.90 + +Guido Gezelle, Scheurkalender voor 1906, Prijs _fl_ 0.90 + +Guido Gezelle, Kleengedichtjes, Eerste en Tweede bundel. Prijs per +bundel ingenaaid _fl_ 0.25, gebonden _fl_ 0.50 + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Kerkhofblommen, by Guido Gezelle + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KERKHOFBLOMMEN *** + +***** This file should be named 27803.txt or 27803.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/7/8/0/27803/ + +Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
