summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/27803.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '27803.txt')
-rw-r--r--27803.txt6637
1 files changed, 6637 insertions, 0 deletions
diff --git a/27803.txt b/27803.txt
new file mode 100644
index 0000000..fc1c0e4
--- /dev/null
+++ b/27803.txt
@@ -0,0 +1,6637 @@
+The Project Gutenberg EBook of Kerkhofblommen, by Guido Gezelle
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Kerkhofblommen
+
+Author: Guido Gezelle
+
+Commentator: Caesar Gezelle
+
+Release Date: January 13, 2009 [EBook #27803]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KERKHOFBLOMMEN ***
+
+
+
+
+Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe
+
+
+
+
+KERKHOFBLOMMEN
+
+
+_In De Nederlandsche Boekhandel zijn nog verschenen:_
+
+Guido Gezelle's Volledige Dichtwerken
+
+10 deelen ingenaaid fr. 16.--; 8 deelen gebonden fr. 25.50
+
+daarvan zijn afzonderlijk verkrijgbaar
+
+ ingenaaid gebonden
+ I. Dichtoefeningen fr. 2.-- fr. 3.25
+ II. Kerkhofblommen " 2.-- " 3.25
+ III. Gedichten, Gezangen en Gebeden.
+ Kleengedichtjes " 2.-- " 3.25
+ IV. Liederen, Eerdichten et Reliqua " 2.-- " 3.25
+ V-VI. Tijdkrans " 4.-- " 5.50
+VII-VIII. Rijmsnoer " 4.-- " 5.50
+ IX. Hiawadha's Lied " 2.-- " 3.25
+ X. Laatste Verzen " 2.-- " 3.25
+
+Kleengedichtjes 2 deeltjes met rood kader versierd, klein formaat fr. 1.--
+In 2 deeltjes gebonden " 2.--
+
+
+
+
+GUIDO GEZELLE
+
+KERKHOFBLOMMEN
+
+ACHTSTE DRUK
+
+Met voorwoord van CAESAR GEZELLE
+
+SCHOOLUITGAVE
+
+DE NEDERLANDSCHE BOEKHANDEL
+Bestuurder L. H. SMEDING
+ANTWERPEN -- 50 St. Jacobsmarkt
+1906
+
+
+
+
+TER INLEIDING.
+
+
+1. Guido Gezelle. -- _Zijn leven en zijne werken_.[1]
+
+Guido Gezelle werd geboren te Brugge den 1en Mei 1830. Tot October 1846 was
+hij student aan het College te Brugge en van 1846 tot '50 aan 't Klein
+Seminarie te Rousselaere. Van October 1850 tot het einde van '53 deed hij
+zijne priesterstudien aan het Seminarie te Brugge en keerde toen als
+leeraar naar Rousselaere terug; hier had hij, achttien jaar oud, zijn
+eerste gedrukt vers, De Mandelbeke, gedicht.
+
+In 1858 verscheen van hem een eerste bundel: _Vlaemsche Dichtoefeningen_,
+eene keuze uit zijne verzen sedert tien jaren; en datzelfde jaar 1858
+dichtte en schreef hij, op twee dagen tijds, zijne _Kerkhofblommen_. In
+1862 verscheen, verzameld door twee van zijne leerlingen, een bundel met
+naam: _Gedichten, Gezangen en Gebeden, een Schetsboek voor Vlaemsche
+Studenten_.
+
+In 1860 keerde hij naar Brugge terug en bleef er, tot 1865, onderrector en
+leeraar in de wijsbegeerte aan het Engelsch Seminarie, en werd toen
+onderpastor in Sint-Walburgis-parochie, tot in 1871.
+
+Den 17en Juli 1864 stichtte hij een politiek weekblad, _'t Jaer '30_, dat
+in 1870 werd gestaakt, en den 2en December verscheen het eerste nummer van
+een ander weekblad door hem gesticht: _Rond den Heerd_, een volksblad over
+letterkunde, wetenschap, geschiedenis, folklore, waarvan hij tot in 1871
+den last heeft gedragen.
+
+Den 20en September 1871 werd hij onderpastor der O.-L.-V. kerk te Kortrijk.
+_Liederen, Eeredichten en Reliqua_, een derde bundel, verscheen eerst in
+1880, doch behoort om zijnen inhoud voor het grootste deel tot de jaren
+1860-70.
+
+In den eersten tijd dien hij te Kortrijk doorbracht, hield hij zich alleen
+met taalstudie bezig; in 1860 was zijn _Noordsch en Vlaemsch Messeboekje_
+verschenen; hij droeg veel bij tot De Bo's Idioticon; in 1881 stichtte hij
+als voortzetting van dit werk zijn eigen tijdschrift tot woordzanting en
+woordverklaring _Loquela_ en in 1890 stichtte hij nog _Biekorf_, een
+twee-wekelijksch blad voor West-Vlaamsche letteren en Wetenschap.
+
+In 1886 gaf hij in het Davidsfonds de Vlaamsche vertaling uit van
+Longfellow's _Song of Hiawatha_, de omwerking van eene eerste vertaling
+door Dr. E. Lauwers.
+
+In 1893 laat hij het eerste van zijne twee meesterwerken _Tijdkrans_
+verschijnen, een bundel natuurschilderingen, met al te talrijke
+gelegenheidsgedichten, en in 1896 het tweede: _Rijmsnoer om en om het
+jaar_, waaraan in 1900 de vijfjaarlijksche staatsprijs werd toegekend.
+
+Hij was in 1886, bij de stichting der Koninklijke Vlaamsche Taalkamer, lid
+geworden van dit genootschap, op welks last hij de uitgave bezorgde van
+_Hennen van Merchtenen's Cronicke van Brabant_ (1896). Op 't laatste van
+zijn leven ondernam hij de vertaling van Z.D.H. Mgr. Waffelaert's
+_Meditationes Theologicae_ en werd op 30en April 1899 naar Brugge geroepen
+als Bestuurder der Engelsche Augustijner Kanonikessen; zes maanden later,
+den 17en November 1899 overleed hij.
+
+Het volgende jaar verschenen zijne nagelaten gedichten in een bundel
+_Laatste Verzen_.
+
+[1: Z. _Gesch. d. Vlaamsche Letterkunde van het jaar 1830 tot heden_. Th.
+Coopman en L. Scharpe. Antwerpen 1899. 10e aflev.]
+
+
+II. _Zijne Taal_.
+
+Schrijft Guido Gezelle West-Vlaamsch?
+
+Er is West-Vlaamsch en West-Vlaamsch.
+
+Het eene, dat men de West-Vlaamsche spreektaal kan noemen, is de taal
+zooals ze door het volk in West-Vlaanderen gesproken wordt en die
+verschilt van stad tot stad, van dorp tot dorp. Deze taal, of talen
+liever, zijn niet _het_ West-Vlaamsch, maar de West-Vlaamsche
+gewestspraken, die bestaan nevens de Oost-Vlaamsche, de Antwerpsche,
+Limburgsche en Brabantsche.
+
+Op de grenzen dier gouwen loopen de dialekten in malkaar, en, langs eene
+gamme van kleine verschillen, worden ze op den duur zoo verschillend,
+dat de Vlamingen van eene gouw voor die van eene andere somtijds
+moeilijk te verstaan zijn; zoo zal bijvb. een bewoner van de
+West-Vlaamsche polders meestal niet eenen Kempenaar verstaan.[1]
+
+Daarnevens werd in West-Vlaanderen door Deken De Bo en Guido Gezelle en
+door hunne volgelingen, eene West-Vlaamsche schrijftaal gebruikt, die in
+eene gansch andere verhouding staat met de taal der overige Vlaamsche
+gouwen, immers ze staat alleen, en die ook merkelijk van de gesproken
+taal in West-Vlaanderen verschilt. En hoe?
+
+"Natuurlijk," zegt Gezelle zelf, "zal een Vlaming geen ruw en
+ongezuiverd Vlaamsch gaan schrijven, zooals hij het op de straat hoort,
+-- evenzoomin zou hij met ongemeulend koorn naar de markt gaan; zoo
+schrijft hij niet: "'t en e chee waa," maar: "'t en is geen waar." Niet:
+"Mettak weg was kwampi," maar: "met dat ik weg was kwam hij."
+
+Gezelle's taal is dus de gezuiverde spreektaal uit West-Vlaanderen. Maar
+hoe gezuiverd?
+
+Zooveel mogelijk heeft hij voor regel genomen, onze verfranschte en
+verhoogduitschte taal naar het voorouderlijke Vlaamsch te verbeteren:
+
+"Ik heb liefst naar oude Vlaamsche dichters opgezien en zooveel mogelijk
+die tale gebruikt, die bij Maerlant en andere te boeke staat en die,
+Godlof, alhier nog levende gehoord en gesproken wordt."
+
+Het West-Vlaamsch gaf daar aanleiding toe, immers:
+
+"De taal dier oude gewrochten is in West-Vlaanderen met de _zuivere_
+volkstaal eene en dezelfde gebleven.[2]
+
+Het West-Vlaamsch moet, volgens Dr. Snellaert, in de middeneeuwen
+grootendeels voor regel in het schrijven gediend hebben; ingezien den
+bloei van Brugge, Damme en Sluis, zal de taal er met de betere
+beschaving wel gelijken voet gehouden hebben.[3]
+
+Tot dat, men mag dus zeggen, Oud-West-Vlaamsch, is Gezelle wedergekeerd,
+om de spreektaal uit West-Vlaanderen te verheffen, te louteren en te
+verrijken tot schrijftaal.
+
+[1: Men raadplege daarover: _Van de Schelde tot de Weichsel_, J.A.
+Leopold en L. Leopold. 2 deelen, Groningen 1882.]
+
+[2: _Dichtoefeningen_, Verantwoordinge.]
+
+[3: ibid. ibid. en _Belgisch Museum_, 8e d., bl. 159.]
+
+
+III. _Kerkhofblommen._
+
+1o. _Hun ontstaan_.
+
+[Illustratie:
+
+EXIMII ET DILECTI CONDISCIPULI
+
+POESEOS ALUMNI IN MINORE SEM. ROLLAR.
+
+ATQUE IN CHRISTO FRATRIS IN MEMORIAM.
+
+TER DIERBAER' EN ZALIGER GEDACHTENISSE
+_van onzen_
+BEMINDEN BROEDER IN CHRISTO
+MYNHEER EDUARD VAN DEN BUSSCHE,
+STUDENT IN POESIS
+EN LID DER CONGREGATIE VAN O.L.V. ONBEV. ONTV.,
+IN 'T KLEEN SEMINARIE TE ROUSSELAERE;
+_die geboren te Staden op den 10 Januarii 1840,
+aldaer in den Heere verscheiden is op den
+derden dag van Meije, wezende heilig-Bloeddag,
+van 't jaer 1858._
+
+R.I.P.
+
+Zoo der ooit een bloemke groeide
+ Over 't graf waerin gy ligt,
+Of het nog zoo schoone bloeide --
+ Zuiver als het Zonnelicht,
+Blank gelyk een Lelie blank is,
+ Vonklende als een Roozen hert,
+Nedrig als de need're ranke is
+ Van de Winde daer me op terdt,
+Riekend, vol van honing ende
+ Geren van de bie bezocht --
+Nog en waer't, voor die U kende,
+ Geen dat U gelijken mogt!
+ G.G.
+
+ Eja dulcis anima, eja dulcis rosa,
+Lilium convallium, gemma pretiosa,
+Cui carnis foeditas extitit exosa
+Felix tuus exitus morsque pretiosa!
+ St. BONAVENTURA.
+
+_Rousselaere, ged. by Stock-Werbrouck._]
+
+Dit is de rouwgedachtenis of het doodsanctje door den Meester opgesteld
+bij 't afsterven van eenen zijner leerlingen; met zijne studenten trok
+hij op om de begrafenis bij te wonen. Alles wat hij er zag en hoorde en
+wat in zijn geest groeide tot beeld, alles wat in zijn hert werd gewekt
+van gevoelens, schreef hij neer bij het t'huiskomen. Op twee dagen was
+het af, en korte weken nadien kwam zijn eerste werk uit:
+_Kerkhofblommen, geplukt en bewaerd ter nagedachtenesse van zaliger
+Mijnheer Edewaerd Van den Bussche, geboren te Staden..._
+
+Een meesterwerk.[1]
+
+2o. _Ontleding_.
+
+De dichter heeft den gang der gebeurtenissen gevolgd en ze opgeteekend
+naarmate ze voorkwamen; de beste ontleding zal hierin dus bestaan, dat
+wij hem volgen, stap voor stap op den weg dien hij voorging, verwijlend
+een oogenblik bij iederen tred, om de christenheid en de diepte van zijn
+_gevoelen_, de kracht van zijne _opvatting_, de schoonheid van zijne
+_beelden_ en de macht van zijne _voorstelling_ te beschouwen, om zijne
+_taal_ te doorgronden, om, met een woord gansch zijne eigene
+persoonlijkheid te leeren kennen.
+
+En wil men, zoo kan men er dan eene verdeeling in vinden als volgt:
+
+A. _Voor_ den Lijkdienst.
+
+ 1o. Omstandigheden:
+ a. _Wie_ was E.v.d. Bussche?
+ Verzen: Zoo daar ooit...
+ Proza.
+ b. _Wanneer?_ Welke ure was't?
+ Verzen: 't Was de ure dat...
+ Proza tot aan: Zoo gebeurde 't.
+ c. _Waar_ was de begrafenis?
+ Proza: Wij wierden ondertusschen...
+ Verzen: Traagzaam trekt...
+
+ 2o. Verhaal.
+ a. Het strooien kruis. Lyrische ontboezeming over
+ 't geloof der Vlamingen, en hun gebruik van
+ een kruis van uitgedorschen stroo te leggen
+ waar een lijk voorbij moet. Het uitgedorschen
+ stroo verzinnebeeldt het lichaam zonder de ziel.
+ b. De moeder van den afgestorvene.
+ c. Bezoek bij de kist -- en het _De Profundis_.
+ d. De vader. -- Beschrijving door vergelijking,
+ Zijne ziekte,
+ Zedeles en troost.
+ e. De lijkstoet:
+ Het kruis -- lyrische strophe.
+ Landelijke natuurbeschrijving: langs den weg,
+ en tegenstelling met de stad.
+ De broeder en de zuster van den overledene.
+
+B. De Lijkdienst.
+
+ 1o. Voor de kerk: Uitlegging van zinnebeelden uit
+ de kerkelijke lijkplechtigheden:
+ Klokken.
+ Wijwater.
+
+ 2o. In de kerk:
+ a. De rouwgetijden. }
+ b. Het _Dies irae_. }
+ c. Wierook. } Het aangrijpend _mysterie_
+ d. Lichten. } van de grootsche
+ e. Offerande. } troostende ceremonien
+ f. Bel. } uit onze heiligen
+ g. Consecratie. } Godsdienst.
+ h. Klokken. }
+ i. Het: _In Paradisum_. }
+
+C. De Begraving.
+
+ 1. Laatste plechtigheden.
+
+ 2. Lijkrede: In deze innig roerende aanspraak is
+ evenmin als in al 't voorafgaande eene klassieke
+ verdeeling te vinden. Dwingt men er den stalen
+ gietvorm op van: Exordium, Confirmatio en
+ Epilogus of Peroratio, zoo dooft men eenvoudig
+ de verhevene zielegloed die door het stuk leeft,
+ en men maakt het belachelijk. Wederom kan men
+ niets beters doen dan de gedachten van den spreker
+ eenvoudig te volgen en aan te teekenen.
+ Na een eerste woord waarin hij:
+ 1. de leeraar, zich tot spreken onbekwaam gevoelt,
+ om hier zijn dagelijksche les te geven,
+ 2. en aan den engel des doods zijne taal leent,
+ richt hij zich
+ 1o. tot den afgestorvene en roemt _zijne deugden_:
+ a. zijne zuiverheid;
+ b. zijnen ootmoed;
+ c. zijne liefde en eerbied voor ouders en
+ meesters;
+ d. zijn verlangen naar het heilig priesterdom.
+ 2o. tot de ouders van den afgestorvene:
+ a. zijnen vader wiens troost,
+ b. zijne moeder wier hoop hij is in den
+ hemel.
+ 3o. tot den grond van zijn dierbaar Vlaanderen.
+
+En hij eindigt met een roerend: tot wederziens!
+
+C. GEZELLE.[2]
+
+[1: Dietsche Warande en Belfort, Febr. 1900, bladz. 110-111.]
+
+[2: Die korte inleiding werd geschreven op verzoek van den Uitgever en
+ten gerieve van de studeerende jeugd onzer bisschoppelijke colleges.]
+
+
+
+
+KERKHOFBLOMMEN[1]
+
+
+ Eia dulcis anima, eia dulcis rosa,
+ Lilium convallium, gemma pretiosa,
+ Cui carnis foeditas exstitit exosa,
+ Felix tuus exitus morsque pretiosa!
+ S. BONAVENTURA.
+
+ Ei, gij zoete zielken toch; ei, gij zoete rooze;
+ Lelie van de dellingen, kostelijk gesteente;
+ 't Vleesch en zijn bederfenis hadt gij altijd noode,
+ Zalig was uw uitgang en kostelijk uw sterven!
+
+ Zoo daar ooit een blomke groeide
+ over 't graf waarin gij ligt,
+ of het nog zoo schoone bloeide;
+ zuiver als het zonnelicht,
+ blank gelijk een Lelie blank is,
+ vonklende als een roozenhert,
+ needrig als de needre ranke is
+ van de winde daar m'op terdt,
+ riekend, vol van honing, ende
+ geren van de bie bezocht,
+ nog en waar 't, voor die U kende,
+ geen dat U gelijken mocht!
+
+In der daad, Eduard van den Bussche was, van afkomste en geboorte, van
+zeden en manieren, van Geloove en Godvruchtigheid, van voorkomen en van
+aanzien, oprecht een kind en een blomme van te lande; een kind was hij,
+dat hedendaags misschien de eervolle bespottinge weerd zou zijn van
+menig een, die hem verre beneen staat in de oogen van Hem bij wien de
+nederigen alleen verheven zijn, en 't Goddelijk welbehagen verdienen;
+zulk een kind was hij, dat, of ik nog zoo veel deugd van hem zei, mij
+geen een van al die hem Ouder of Meester, Pastor of Biechtvader, Makker
+of Vriend waren en zoude kunnen tegenspreken. Het hadde ons ook, zijne
+medeleerlingen in Poesis, hertelijk gespeten, hadden wij, om den afstand
+of anderszins, moeten laten van naar zijn uitvaart te gaan; wij gingen
+en
+
+ 't was de ure dat de Leeuwerk zoet
+ heur hooge zeevaart laten moet
+ en, zoekende op der aard'
+ om heur behoef, geen stonde en let,
+ maar zingend weer de zeilen zet
+ en stiert ten Hemelwaard.
+
+ 't Was de ure dat uw stemme luidt,
+ en klinkt en klapt en lacht en fluit,
+ o blijde Nachtegaal;
+ o orgel, die m' in 't veldaccoord,
+ en liev- en lang- en luider hoort
+ als alle vogeltaal!
+
+ 't Was de ure dat de wind ontwekt,
+ en 't wentelend kooren laaft en lekt,
+ en zoetjes ruischen doet;
+ dat uit de malsche velden jaagt
+ die lucht, die 't lieve leven draagt
+ in 't drijvend, dravend bloed.
+
+ 't Was de ure dat de landman gaat,
+ en op zijn herte een kruise slaat
+ en op zijn land een kruis;
+ en gaande bidt, en weent, en zaait
+ hetgeen misschien een ander maait
+ en lachend voert naar huis.
+
+ Het zaad! het zaad! het wonder werk,
+ dat nooit, of waar' hij nog zoo sterk,
+ een mensch gemaakt en heeft:
+ dat sterft eer dat het leven mag,
+ dat leeft alwaar 't gestorven lag,
+ en, altijd stervend, leeft!
+
+ Wij gingen ook een edel zaad,
+ het lijk van onzen medemaat,
+ al blijde, weenende al,
+ het land besteen, 't gebenedijd,
+ dat vruchtbaar, op gestelden tijd,
+ hem wedergeven zal.
+
+Wij naderden allengskens het sterfhuis. De zonne lag in strijd met den
+nachtelijken smoor, en 't en bleek ons niet of ze er ging door breken;
+doch de wijze landslieden, die van op hun werk ons keken voorbijgaan, en
+"elk ne' goen dag" met ons wisselden, verzekerden ons, op goed en
+deugdelijk bewijs, uit hun dagelijksch verkeer met Gods winden en
+weder, dat ons Heere den werkenden man 'nen schoonen dag ging verleenen.
+Zoo gebeurde 't. Wij wierden ondertusschen, in 't half duister van den
+smoor, al lenger hand de hofstee geware en zagen reeds het blanke gewaad
+van den wagen, die gereed stond om, naar oud vlaamsch gebruik, den
+afgestorvene, met zijne weenende en biddende familie, kerkewaard te
+voeren.
+
+ Traagzaam trekt de witte wagen
+ door de stille strate toen,
+ en 't is weenen, en 't is klagen
+ dat ze bin' de wijte doen!
+ Stap voor stap, zoo gaan de peerden,
+ traagzaam, treurig, stille en stom,
+ en zij kijken, of 't hun deerde,
+ dikwijls naar hun' Meester om;
+ naar hun' Meester, die te morgen
+ zijn beminde peerdenpaar,
+ onder 't kammen en 't bezorgen,
+ zei de droeve nieuwemaar.
+ "Baai," zoo sprak hij, "Baai en Blesse,
+ heden moeten... stille! fraai!
+ moeten wij naar de uitvaartmesse,
+ met den wagen, Blesse en Baai!"
+ En toen, na zijn hand te doppen
+ in 't gewijde water klaar,
+ zegent hij de hooge koppen
+ van 't onachtzaam peerdenpaar.
+ En hij kust en kruist ze beiden,
+ en "gij," zegt hij, "Blesse en Baai,
+ moet een lijk naar 't kerkhof leiden,
+ Baai en Blesse, stille! fraai!
+ Schuimen zoudt ge en lastig zweeten,
+ zoo 'k u zonder wete liet
+ van de mare, en zoudt verheeten,
+ gave ik u den zegen niet!"
+ En hij zelve kruist en wijdt hem,
+ eer hij ze in den breidel vangt,
+ met het water, dat bezijd hem
+ aan de ruwe bedspond hangt.
+ Want hij slaapt bij zijne beminde
+ peerden en bezorgt ze trouw,
+ trouwer als voor eigen kinde
+ eigen Moeder zorgen zou.
+ Hij besproeit, en met gewijden
+ pallem speerst hij peerd en stal,
+ om de lijkvaart te bevrijden
+ van gevaar en ongeval.
+ Ha! wie weet hoe veel gevaren
+ die niet hebben uit te staan,
+ die met peerden, -- God bewaar' hen! --
+ die met hunne meesters gaan?
+ Traagzaam rijdt en rolt de wagen,
+ treurig door de strate voort,
+ en 't is krijschen en 't is klagen,
+ dat men onder 't dekzeil hoort.
+ Stap voor stap zoo gaan de peerden,
+ ziende naar hun' meester om;
+ stap voor stap, als of 't hun deerde,
+ traagzaam, treurig, stille... en stom!
+
+'t Was met eenigen tegenzin dat de goede landslieden hun oud gebruik
+voor dezen keer wilden afstaan, om ons de eere en den troost te laten
+van onzen vriend, hand en hand, om zoo te zeggen, naar 't kerkhof
+uitgeleed te doen en zelve te dragen.
+
+Toen wij dan, na weinige stonden reizens, op de hofstee kwamen, wierden,
+al met een keer, de hoofden van de eerste aankomers ontdekt, dan de
+volgende, tot dat wij, buiten ons verwachten, al te maal sprakeloos en
+stille stonden voor de balie, over de wijd uitstrekkende armen van een
+overgroot neerliggend kruis.
+
+O dierbaar Geloove van Vlanderen, kostelijke perel van het Vaderland!
+Gij alleen hebt die werkzuchtige landslieden kunnen ingeven daar een
+kruis te leggen, en een kruis van uitgedorschen strooi! Christelijk
+bezielde Vlaming, gij spreekt toch, zonder woorden, uwe gevoelens en uw
+herte zoo wonderlijk klaar! "Bidt," zegt gij, "al die op mijn hof komt,
+bidt en ontdekt uwe hoofden voor het kruise des Heeren, want heden is
+van onder mijn dak eene ziele verscheiden, die, buiten hare verdiensten,
+op niets meer te steunen en heeft 't en zij op het kruis. Bidt en peist,
+gij die op mijn hof komt: hier is de Heere zijn graan komen halen en
+daar ligt nu 't ijdele strooi! Gelukkig, is het graan niet te licht
+bevonden; gelukkig, en heeft de vlegel des lijdens het niet gekwetst, en
+mag het nu de uitgekozene terwe des Heeren zijn! Bidt en peist, gij die
+op mijn hof komt; bidt en peist, gij die ervan af gaat, bidt en 'n terdt
+niet op het alverzoenende, op het alverblijdende kruis!"
+
+Wij traden binnen, een voor een, om niet te stooren; want de goede
+lieden en waren ons niet verwachtende. De eenvoudige Moeder, uit
+ingeboren Vlaamsche herbergzaamheid, vergat in 't eerste bijkants dat in
+heur huis het lijk van heur kind over eerde lag, en maakte alle slach
+van verschooningen: 't stond al over ende, dit en dat was er te kort,
+zij klaagde en gebood alhier en aldaar, zonder te weten van wat of aan
+wie; haalde zelve stoelen bij, en eindelijk, onder den last van veel
+strijdige gevoelens gepraamd, brak heur herte, en ze borst uit in eenen
+alderbittersten stroom van tranen, die ze ging zitten weenen in de
+asschen van den uitgestorven heerd.
+
+Op de voute lag het lijk, alree in de kiste gedaan. Wij klommen binnen,
+met zoo velen als wij kosten, en de anderen knielden in eene verstrooide
+reke door den vloer.
+
+ _De profundis!_ klonk de bede,
+ _De profundis!_ zuchtte 't huis,
+ 't huis, en al die knielden mede,
+ in godvruchtig stemgedruisch.
+
+ Uit de diepten roepe ik, Heere,
+ hoort, ik bidde U, naar mijn' stem!
+ wilt uwe oor te mijwaard keeren,
+ die om bijstand biddend bem!
+
+ Sloegt gij al mijn zonden gade,
+ Heer, wie 'n zou niet ondergaan?
+ Neen, bij U daar is genade,
+ Heere, uw spreken houdt mij staan!
+
+ Staande blijve ik op uw spreken
+ en ik hope in U, o Heer!
+ van het vroegste morgenbreken,
+ tot des avonds wederkeer.
+
+ Want bij U is medelijden,
+ is verzachten des gekwels,
+ grooter als het wederstrijden,
+ als de boosheid Israels.
+
+ Heere, dat hij ruste in vrede,
+ zei de Priester, ende wij:
+ Dat hem, in alle eeuwigheden,
+ 't hemelsch licht geschonken zij!
+
+ _De profundis!_ zong de bede,
+ _De profundis!_ zuchtte 't huis,
+ zuchtten al die knielden mede,
+ met verstervend stem... geruisch.
+
+Na dat wij, met gewijden palm, wijwater over de kiste en over ons zelven
+gesprinkeld hadden, zagen wij, voor de letste maal op deze wereld, het
+aanzichte van onzen beminnelijken vriend. Wij verkenden hem nog, in het
+witte gewaad der onnoozelheid; ja wij verkenden u, Eduard, aan dit edel
+blanke voorhoofd, aan die ingezonkene oogen, die zoo diepe en zoo vaste
+lagen en schouwden in den Hemel! "In den Hemel" stond op uw wezen, klom
+in onze herten, en klonk, als een triomphelied, bij 't weerom toeleggen
+van uwe schrijne.
+
+Ondertusschen hadden wij reeds verscheidene malen in de nevenkamer den
+klaren treurzang hooren weerhelmen en de bitterste toonen des lijdens.
+"Eduard! mijn Eduardtje toch!" was al dat wij vatten konden, was iederen
+keer het slot van een lange reke zuchten, snikken en klagen; "Eduard
+Eduard, ha! mijn Eduardtje toch!..." Weenende vrouwen leidden ons
+binnen, schoven eene gordine weg, en... daar lag de eerbiedweerdige
+Vader des huisgezins, het hoofd en de koning van de omliggende velden,
+de kloeke, de taaie landsman, met zijne zwemmende oogen in de onze om
+hulpe te zien; hulpe, die wij hem niet geven en kosten, want de hand des
+Heeren had hem geraakt.
+
+Zoo staat een eekenboom, verre en wijd beromd als de koning van het
+woud; stille en rustig steunt hij de wolken op zijnen stam en op zijne
+wijd omschaduwende kruine. Al met eenen keer straalt de bliksem des
+Alderhoogsten, hij valt omverregedonderd en ligt, met rookenden top, op
+de gebrokene takken van 't hout dat rondom hem groeit. Zoo lag die man
+daar, geveld en ontworteld, in al de kracht en de vroomheid zijner
+vijftig doorgewrochte jaren, rustende op de teere doch nuttelooze zorgen
+van zijne vrouwe en van zijne weenende kinderen.
+
+Menigen oest hebt gij zien bloeien, brave man; menigen meitak moest gij
+nog op uw volle schure steken, maar de Heere heeft de maneschijnen
+verkort, die gij nog tellen zult, terwijl gij ligt en zucht op het bedde
+des lijdens, onder eene zoo smertelijke plage! En, waarom zou ik hier,
+uit nieuwerwetsche kieschheid, mijne tale geweld aandoen en u bij uwen
+naam niet noemen, schrikkelijke kanker, bliksemstrale des Alderhoogsten,
+gruwbare doch heilige smerte, sedert dat het bloed van den lijdenden God
+alle menschelijke smerte geheiligd en gezalfd heeft? Waaromme en zou ik
+u niet noemen, Dienstengel des Heeren, uitvoerder van Zijnen altijd
+aanbiddelijken wille, u, door wiens handen God zoo menigen zucht van
+liefde, zoo menig woord van verduldigheid, zoo menigen wensch naar den
+Hemel, zoo menige offrande van zijn eigen zelven ontvangen heeft, gelijk
+al zoo menige blommen, geplukt in het herte van den lijdenden Christene?
+
+Ja, hij draagt liefde tot God, hij die Hem kan gebenediden, wiens geesel
+hij herden moet; hij die kan de hand zoenen die hem heeft geslegen!
+
+Dat kon hij, die goede smertlijdende vader, en daar kon hij meer als gij
+kunt, hedendaagsche nieuwopgebrachte jeugd, die, noch in de overdaad
+uwer schuldige vermaken, noch in de overmacht van de straffende pijnen
+die op u loskomen, uw zelven meester en zijt; maar die, oftewel het
+leven, de gave Gods, onder de voeten stampt, of waar 't een ondier,
+oftewel lastig uwe vroeg versletene dagen sleept, gij en weet noch en
+roekt niet waar naar toe!
+
+Wij troostten den armen man, of beter hij troostte zijn eigen zelven in
+den Heere. "Heere," zeide hij, "'k had hem van U ontvangen, ik zag hem
+zoo geerne, en Gij hebt hem van mij weer aanveerd; het was toch zulk een
+braaf kind!... Eduard, Vader gaat allichte achterkomen; bidt voor mij in
+den Hemel!... Ha!... 't zijn toch al Gods werken, wij moetender Hem
+vooren dank wijten, en ons aan Zijnen wille gedragen. Ah... wat dingen
+moet het zijn voor die geenen God en hebben!..."
+
+De bare stond voor de deure, en alles was allengskens in gereedheid
+gekomen, om te vertrekken: met ontdekten hoofde ontvongen wij de kiste,
+en schudden er godvruchtig de plooien rondom van den maagdenpelder.
+
+Even als men eenen strijder uit het slagveld draagt, gewonden in 't
+vaandel, waaronder en waarvooren hij gevallen is, zoo droegen wij onzen
+vriend, uit het strijdperk dezer wereld, onder "_'t blauwe kruis in het
+blanke veld_" des vaandels van Maria, en onder de zilveren zegekroone
+des Maagdendoms. Drie kleene jongens, bleuzende van gezondheid, en die
+al lange te wachten stonden, kwamen toegeloopen als ze zagen dat het
+schoon gepintte kruis uit den huize te voorschijn kwam! Ach, zij keken
+zoo drukkelijk in de roodgeweende oogen der zwijgende zuster, die hunne
+handtjes verborg onder den witten doek, waarin zij 't kruiske dragen
+moesten; en, weenden hun oogskes omdat ze zagen weenen en treurig zijn,
+zeker danste hun hertje van blijdschap, om het schoon schoon kruis!
+Lange nog zullen ze 't, met hunne kleene makkers, bewonderen, al spelen
+en al blomkes trekken op het kerkhof; zij zullen 't malkaar toogen en
+wijzen met den vinger, zonder het te durven genaken of de aarde stooren
+waarover 't zal geplant staan.
+
+Elk ende een had nu zijne plaatse gevonden in de eenvoudige
+landsprocessie, die ging aanvang nemen. Noch en waren die kruisen van
+gevlochten strooi vergeten gebleven, die, aan de hoeken van de straten
+geleid, als eenzame bedelaars den voorbijgaanden Christene eenen
+"Weest-gegroet" voor aalmoese vragen. Het lijk wierd opgeheven en met de
+voeten kerkwaards gekeerd. Moeder kwam te voorschijn, met de overige
+familie, om ons te volgen; en Vader zelve, den oogenblik dat het op
+scheiden aankwam, stond op, vestte zijne oogen staal op de kiste,
+wenschte zijn kind, en ons te zamen, den alderdroevigsten "God beware
+u!" en traagzaam gingen wij van 't hof, onder de geleide van 't
+bloeiende, blinkende Kruis.
+
+ Dood was de stam van dat Kruise, en de winden
+ voerden -- waar wete ik? -- het speelzieke loof!
+ Nooit en zou 't blommen noch blaren meer vinden,
+ nooit,... als in d'handen van 't Christen Geloof.
+ Dood was het hout, maar het hout moest herleven:
+ dood was zijn blad, maar de Christene Maagd
+ had het een blad en een blomme gegeven,
+ schoonder en beter als 't levende draagt:
+ blom van Geloof, dat de ziel niet kan sterven,
+ blomme van Hope op een zalig Hierna;
+ blomme van Liefde, die alles kan derven,
+ laat g'haar het Kruis, want het Kruis is gena!
+ Kruis, waar een God heeft zijn bloed op vergoten;
+ kruis, dat den Satan hebt nedergeveld;
+ kruis, dat de poorten der helle gesloten,
+ kruis, dat den Hemel hebt opengesteld;
+ kruis, te vergeefs door de wereld bevochten,
+ treedt, als banniere, de lijkvaart in top:
+ kruis met de Christene blommen bevlochten,
+ treedt als banniere, wij volgen U op!
+ Is 't door de Helle, -- de Helle zal zwichten;
+ is 't door het sterven, -- het sterven is _niet_,
+ niet als het uitgaan der slapende lichten,
+ als weer de zonne in de renbane schiet;
+ is 't door die zee van kleenhertige slaven,
+ die maar het Kruis aan 't gewicht ervan kent;
+ is 't door de zee van de wereld, de haven
+ staat en verwacht ons, met 't Kruise eromtrent:
+ is 't door de blijdschap of is 't door het lijden,
+ valt er te worstelen, valt er te strijden,
+ hem zal de borstweer, het Kruise, bevrijden
+ tegen 't geweld en het storremgebons:
+ hem, die voor 't Kruise, en met 't Kruise, kan sterven,
+ hem die, om 't Kruis noch den zege te derven,
+ terdt op de dood en, bij duizende werven,
+ gallemt: Hosannah! de zege is aan ons!
+
+Zoo gingen wij al peizen langs den weg, en geen een van ons die een
+woord sprak.
+
+Onze oogen en ons herte baadden ondertusschen zoo diepe en zoo verre in
+de oneindige zee van blauwe lucht, rustende op een andere zee van
+groene, wentelende, wijd rondom ons strekkende koorenvelden. De zonne
+regende heure stralen over onze hoofden, in 't herte van 't schietende
+loof, in 't geweefsel van de uitkomende bladeren, in den schoot van den
+dankbaren grond. De blommekes langs de bane schoten uit hunnen slaap en
+wendden naar den Hemelkoning; het ronkende vliegske schreef zijne
+aangename krinkels in de lucht, de lachende beke liep lustig voorbij, al
+blinken onder 't striemende vlotgers; hagen en kanten schetterden van 't
+gevogelte; de kruidekes langs den weg zongen van de plunterende
+moschbien; de leeuwerke schudde zijn vlerken uit, ging zitten preken op
+de locht; en de koekoet riep ons van verre zijn zoeten "goeden dag" toe.
+Vogelkes zagen wij langzaam omhoogeklimmen, al draaien rond malkaar;
+dan schoten zij weer pijlrecht omleege, slingerden snel achtereen, door
+struiken en tronken voorbij, en zaten en scholden elkander, in twist om
+'t gevangene vliegske; terwijl verre van ons, de voorzanger in het
+hooglied aller vogelen, klagend het laatste gebed, den _Amen_ zong en
+het slot van zijne heerlijke morgengetijden. Kruiden, grachten, weiden
+en 't vochtige land, alles doomde en ging op, lijk wierook, in 't vier
+van de bakelende zonne. De landslieden, die ons zagen voorbij gaan,
+prentten hunnen knie in den zachten vloer van den wijden tempel des
+Heelals, en, "in den naam des Vaders ende des Zoons ende des Heiligen
+Geest," wenschten zij den voorbijganger goe reize naar den Hemel,
+zeggende: "God gelieve zijne ziele in de eeuwige ruste! Amen."
+
+Ha! verre van ons, en gelukkiglijk uit onze oogen, lag er misschien toen
+zoo menige stede op haren uitgestrekten steenhoop te zuchten en te
+zweeten, in 't gebroel van de onverkoelde zonne; menige hooveerdige
+schouwe spoog zwarten rook in 't aangezichte des Hemels; menig werkhuis
+daverde onder 't ontzaggelijk krampen en zuchten van den in 't vier
+gebonden liggenden dampreus, en joelde jammerlijk van de schijverende
+raders, van de ronkende riemen, van 't gezwets, 't geklaag, 't gelach,
+'t gefluit en, -- God vergeve 't hun! -- 't gevloek van eenen
+samenroerenden menschenzwerm; menig krielende strate liep vol lieden,
+wier oogen, wier tale, wier asem, wier haastige stap, niet anders uit en
+gaf als zucht, brandende zucht, naar een ontbrekende dingen, nooit
+achterhaald of seffens weer ontvlogen; en wij, -- lof zij den Heere!
+--wij wandelden sprakeloos in 't midden van ons dierbaar Vlanderland;
+wij, van niemand gezien of 't en is van God en zijne eigene landslieden,
+--ja, lof zij den Heere! -- wij waren en wij voelden ons gelukkig, en we
+droegen een lijk!
+
+De strate ging al winkelen voort en wij gingen al wenden erachter,
+schouwende al te mets naar eene sterre, die, daar voor ons, boven op den
+Kerktorre zat te blinken, gedoken nu en dan in de kruine der boomen.
+
+Zoo pinkelt de avondsterre, als de koeien naar huis komen, traagzaam en
+dragende aan de melk die zij, gewonnen in de weiden, goedaardig en
+vreedzaam naar huis brengen.
+
+Wij gingen en volgden den hane op den kloktorre, die nu op onze rechtere
+hand, dan op onze slinkere hand uitkeek, langs den keerenden Kerkwegel.
+
+Eindelijk, na dikwijls verpalmd te hebben aan het stoffelijk
+overblijfsel, dat, hoe licht het ook was, toch hoe langer hoe lastiger
+wierd om dragen, gerochten wij op de bree strate, en daar, na een kleene
+stonde rustens, rees hij tot boven onze hoofden, hij, die de nederigste
+van ons allen was, en wij droegen hem op onze schouders. Zijn blanke en
+blauwe lijkgewaad sloeg in den wind, en waaide rondom ons, gelijk weleer
+zijne goede voorbeelden; of godvruchtig hielden wij 't in onze handen,
+ten teeken van getrouwigheid, en verborgen er onze tranen in, gebogen
+als wij gingen onder den heiligen last.
+
+Stap... stap... stap... klonk het over de steenen, als een droevige
+maatslag, bij 't snikken en 't weenen van de Moeder, het helder geklaag
+van de Zuster en het pijnlijk gesteen van den Broeder des overledenen,
+den Broeder, die meer gedwongen en in grooteren nood als wij, weenen
+moest en niet weenen en kon.
+
+ Ha! beklaagt hem, die, gevangen
+ onder 't wegen van de pijn,
+ niet en kan een trane ontvangen,
+ weenen, en gelukkig zijn!
+ Arme schaap! hoe moeste het lijden
+ door end door zijn herte snijden,
+ daar het bleef in barensnood
+ van de bittere vrucht ontbloot!
+
+ Tranen, bittere vrucht des lijdens,
+ drank die 't smachtend herte laaft,
+ zaad der vreugde en des verblijdens,
+ die God zelf verlichting gaaft,
+ toen, nog wandlende op de wereld,
+ menige uur Zijne oog, bepereld
+ en met droefheid overlaan,
+ stortte aanbiddelijk getraan!
+
+ Tranen, als bij noenenstonde
+ 't blusschend reegnen op het kruid,
+ als de perel die de wonde
+ des gekwetsten pijnbooms sluit,
+ als de frissche navondkoelte
+ na de heete zomerzoelte,
+ zoeter, ja, veel zoeter nog,
+ zijt gij, bittere tranen, toch!
+
+ Dank! o Heere, die me ontsloten
+ hebt de bronne van 't getraan,
+ die 'k zoo dikwijls heb genoten,
+ dikwijls er naar toe gegaan:
+ moet het krimpend alsemdrinken
+ vriend of vijand mij nog schinken,
+ geeft mij, anders niet, o neen,
+ geeft mij dat ik tranen ween'!
+
+ Stroom van droefheid, eedle tranen;
+ bittere beken des geweens,
+ hoe kunt gij den wegel banen
+ ter vertroosting! Wat gemeens
+ hebt gij, druppelen van de smerte,
+ met den honingdauw des herten;
+ waarom, als ik lijden moet,
+ zijt gij, tranen, mij zoo zoet?
+
+ God zijn wegen zijn verholen,
+ als Hij zalfkruid wassen doet
+ waar de slange zit verscholen
+ die den wandlaar bijten moet:
+ dank aan Hem, aan Wien 't bekend is
+ of er mate in onze ellende is,
+ dank aan die 't geween daarvan
+ met het weenen troosten kan!
+
+Aldus kwamen wij, onder groeienden toeloop van ingetogen nieuwsgierige
+christenen, tot nabij de Kerke.
+
+Welkom! Welkom! riepen de klokken, in ruischenden zang. Welkom! Welkom!
+zong onze heilige Moeder, toen zij haar kranke kind, op onze schouders
+gesteund, voor den laatsten keer zag aankomen. Geknield nevens het lijk,
+en met blooten hoofde, ontvongen wij Heuren zegen, gesproken en bevat in
+de perelende druppels van het wijwater; de lijkdeure sloeg open, en
+zingende trokken wij binnen, tot waar wij stil hielden, en bleven staan
+voor het heilig tabernakel des Heeren.
+
+Mysterie!... Mysterie en diepe verholentheid was al dat er nu verder nog
+ommeging.
+
+Mysterie... voor eerst, als, uit hunne graven en weer levende geworden,
+daar te voorschijn kwam heel de schrikbare aloudheid des Christendoms:
+Job, vol wonden en zeeren; het gezalfde hoofd Davids, met de asschen
+bestrooid der boetveerdigheid; de oude koning Ezechias; Zacharias met
+het wierookvat, en Paulus met het zweerd, traden langzaam vooruit,
+stonden stille en staal over de tombe te schouwen, tot dat elk, op eenen
+toon die hem eigen was, en die nochtans klonk gelijk de stemme des
+Alderhoogsten, de droeve wisselklachten aanging ende kloeg
+
+ Van het slijk daar we in geboren zijn, van het stof onzer
+eindelijke rustplaatse.
+ Van het blad daar de wind mee speelt, van de blomme
+die uitkomt en vertorden ligt.
+ Van den draad, dien de wever afsnijdt, van de wegvliegende
+schaduwe des levens.
+ Van de menigvuldige zonden der jonkheid, van de genezinge
+des vleeschs.
+ Van den half afgebroken levenswandel,...
+
+en van de opene deure des grafs, waaruit Job eindelijk alleene bleef
+klagen: _Miseremini!_ hebt medelijden met mij, gij die mijne vrienden
+zijt, want de hand des Heeren heeft mij geraakt!
+
+Ja, maar de slotsomme van de groote klachte bleef nog ongeklaagd en het
+schrikbare woord verviel nu op de heilige Kerke zelve. Een driemaal
+gekroonde, driemaal gescepterde Priester verscheen, en, staande in het
+midden der Vaderen, die van voor Hem wegschoven, zoo verkondigde Paus
+Innocentius, op de trompetten der Cherubim die uit den orgel daverden,
+die trompette die eens alle vleesch verschrikken moet. _Dies irae_ klonk
+het,
+
+ Kwade dagen, die al de dagen
+ eens lijk asschen weg zult vagen,
+ zoo 't Sibille en David zagen!
+
+ Welk een gruwel 'n zal 't niet wezen,
+ als de Rechter, opgerezen,
+ 't goe zal uit het kwade lezen!
+
+ Wondere trompetrumoeren
+ zullen al de graven roeren,
+ al die dood zijn throonwaards voeren.
+
+ Stom zal staan de Dood en 't Leven,
+ als de dooden antwoord geven,
+ staan, en voor den Rechter beven.
+
+ 't Zal een boek te voorschijn komen
+ waarin 't al staat opgenomen
+ dat het oordeel Gods moet schromen,
+
+ als de Rechter, neergezeten,
+ al 't verdoken kwaad zal weten,
+ straffen ende niets vergeten.
+
+ Wie zal dan toch mijn verweer zijn,
+ wat mijn voorsprake of begeer zijn,
+ als de goeden zelf verveerd zijn?
+
+ Koning, schrikbaar en grootmachtig,
+ bron van goedheid, nederslachtig
+ bid ik U, weest mij indachtig!
+
+ Jesu, wilt toch wel gedenken:
+ als gij mij kwaamt 't leven schenken,
+ was 't om me op dien dag te krenken?
+
+ Jesu, moe van zoeken naar mij
+ hebt Ge 't Kruis geleen, en daar mij
+ eens zoo dier gekocht: ach spaart mij!
+
+ schoon 't Uw recht zij van te wreken,
+ wilt mij vrij van zonden spreken
+ eer die dag komt aan te breken!
+
+ 'k Zuchtte als een ter dood verwezen,
+ maar mijn schaamrood schuldig wezen
+ hoopt op Uw bermhertig wezen;
+
+ Wierd Maria 't eeuwig leven,
+ wierd den moordnaar hoop gegeven,
+ hopen durve ik ook, en beven.
+
+ Heere, onweerdig is mijn bede;
+ doch, laat me, uit goedjonstigheden,
+ vrij van 't vier der eeuwigheden!
+
+ Laat mij bij uw schaapkes weiden,
+ wilt mij van de bokken scheiden
+ en ter rechter hand geleiden.
+
+ Moet gij dan vermalediden
+ en het eeuwig vier doen lijden
+ roept tot mij: "Gebenediden!"
+
+ Want ik kome al jammerklagen,
+ 't herte als asschen rouw geslagen,
+ hulpe in mijnen doodstrijd vragen.
+
+ Dag van weedom en van boeten,
+ als gij zult verrijzen moeten
+ en gerecht zijn om uw' zonden,
+
+ mensch, God spare u in die stonden!
+ Zoet Heere Jesu mijn,
+ laat ze in ruste en vrede zijn,
+ in alle eeuwen!
+ Amen.
+
+Mysterie!... de wolkende wierook, die langzaam uit het gloeiend herte
+des zilvers omhooge steeg, en van daar onzichtbaar nederviel in eenen
+regen van smeltende balsemgeuren, die de Kerke doorwasemde en die
+bleef hangen aan onze kleederen, even als het klimmende en 't wederom
+neerdalende gebed des aanhoorden rechtveerdigen!
+
+Mysterie!... van schitterend Geloove, Hemelwaards ziende Hope en
+brandende _Charitas_, die fakkels die rond de tombe flikkerden, in een
+aangenaam vertoog.
+
+Mysterie!... die mindere lichten, die ons den priester te gemoet
+leidden, toen hij van den hoogen autaar kwam en met de godvruchtige
+menigte gemeenschap hield, in 't offeren van het onbloedige slachtoffer!
+
+Mysterie!... 't omhelzen van de goudene patene, den slachtbank en den
+offerschotel van het heilige Lam des Heeren! Wel zijt gij weerd omhelsd
+te worden, koninklijk metaal, dat, gewend van overal elders te gebieden
+en meester te zijn, hier dienstbaar ligt onder de voeten des Heeren
+Jesu, en op den autaar des Alderhoogweerdigsten, onschuldig zelve, de
+ontelbare schulden helpt uitboeten, die, om u, met u en door u, gepleegd
+zijn!
+
+Mysterie!... het driemaal hellemende gerinkel, dat het licht verstrooide
+volk indachtig maakt hoe diepe de bevende Priester alree getreden is in
+het Heiligste der Heiligdommen!
+
+Mysterie!... als, bij 't nederkomen des Heeren, alles zweeg en roerloos
+bleef; onze hoofden in onze handen vielen, lekende van tranen, en
+driemaal in de hoogte, het koper door de vervaarlijke stilte daverde,
+zidderde, en bleef beven, tot in de steenen van den tempel, tot in de
+graven beneen den marbelen vloer!
+
+Mysterie!... gezegende en troostelijke stemme der klokke, die, willekom
+en onder wege half weggesmolten, als een Engel van vertroostinge,
+zachtjes de lucht liept stooren in de kamer en rondom de sponde van den
+lijdenden Vader, hem verkondigende dat Jesus andermaal, onbloedig, voor
+Eduard zijn kind, geleden had en gestorven was! Ja, de peerlen van leed
+en smerte ontschoten misschien wel den braven man zijne oogen, op het
+afgeluisterde kloppen der Elevatieklokke, maar even zoo dapper slierden
+en vielen de versletene Paternosterbeiers door zijne biddende vingers,
+onder het denken aan Hem die aan 't kruis stierf, aan Haar die eronder
+stond en leven kon: aan Hem en aan Haar die nu, boven alle smerte, in
+den hoogen Hemel heerschen.
+
+Och! hoe troostelijk is het, na die heilige Mysterien godvruchtig
+bewonderd te hebben, en zijn herte gelaafd in 't gebed, omhangen nog met
+de zoete wierookreuken, hand en hand te staan en reisveerdig ten
+gravewaard, met eenen afgestorven Broeder! Hoe troostelijk de stemme te
+hooren onzer eerbiedweerdige Moeder, die heur kind den letsten zegen
+geeft! Hoe troostelijk, als de orgelklanken dreunen, de klokken
+tribbelen, de kerkdeuren opengaan, het Kruis voorenop treedt, de wind in
+de vane slaat, het lijk ommekeert, omhooge rijst en voortgaat, onder het
+luidruchtige vaarwel der heilige Kerke, dat gelijkt aan het reisteeken
+van eenen triomphetocht!
+
+_In Paradisum!_ De herten beven in de boezems, de wangen slaan bleek en
+krimpen weg, tranen verduisteren 't gezichte, de knien wankelen onder
+den last des lichaams. _In Paradisum!_ Men weent, men weet niet waarover
+noch waarvan; men weent, men is blijde, men is getroost, men is trotsch
+van te weenen; men spreekt noch men hoort geen spreken meer, men peist
+noch men weet wat er omgaat, 't lichaam ziddert in de stemme des orgels,
+en de ziele vloeit weg ten Hemelwaard, in de stemme van dat wonderbare
+_in Paradisum!_
+
+ Ten Paradijze geleiden u de Engelen,
+ gaat met de heilige Martelaars mede,
+ en uit Jerusalems zalige muren
+ komen de zingende Chooren u tegen!
+ Gaat, eens met Lazarus arm en ellendig!
+ rust... in alle eeuwen der eeuwen onendig!
+
+Met zulkdanige gevoelens stonden wij op den 5den dag van Meie, 't jaar
+1858, in 't herte van West-Vlanderen, binst den brandenden noenenstond,
+te Staden op het kerkhof. Het Kruis was voor eene laatste maal in het
+graf tot op de kiste gedaald en had daar driemaal een teeken van
+zaligheid geteekend.
+
+Zoo teekende Moeder uw voorhoofd weleer en streelde met het Kruis uw
+oogskes toe, wanneer zij u, -- hopende Moeder! -- al bidden en zingen in
+slape had gezongen, in uwe aldereerste kindsheid, gij die nu ligt en
+slaapt in den schoot der aarde.
+
+De holde klank van het stof dat de Priester, onder heilige woorden, op
+de kiste liet vallen, het schraven van de koorden die men er van onder
+haalde, verdween welhaast met den laatsten _requiescat_, met den
+laatsten kronkel wierooks, die stillekes uit de stervende kolen en
+tusschen de zilveren ketentjes wegkroop in de ijdele lucht... en
+verdween: alles viel stille als de dood zelve, alles scheen te wachten
+naar iemand om het woord van scheiden uit te spreken, 't geen eindelijk
+gedaan wierd in dezer voegen:
+
+ Mijne beminde en dierbare Leerlingen!
+
+ "Het is mijne plicht, alle dagen, onder Ulieden het woord te voeren;
+ heden, dat wij niet meer in het stille schoolverblijf maar te zamen op
+ de boorden staan van een graf, heden en zal ik nochtans aan deze mijne
+ plicht niet te kort blijven, maar u hier mijne dagelijksche lessen
+ voorenhouden. Doch! wat behoort het mij te spreken, toen alles rondom
+ ons zoo eene klare tale voert, ja toen de doode stilte van dit Kerkhof
+ zelfs tot in onze gebeenderen ziddert!... Spreekt gij liever in mijne
+ plaatse, o Engel des doods, op wiens erfgebied wij hier staande zijn;
+ spreekt gij, en leert ons uwe zoo dikwijls herhaalde, dikwijls
+ verstane en even zoo dikwijls vergetene lessen. Spreekt gij in
+ zonderheid, afgestorven Broeder, spreekt gij, alderdeugdzaamste
+ Jongeling, waarvan uwe oversten zeggen en getuigen "dat gij maar
+ opgehouden en hebt kind te zijn om Engel te worden!" Spreekt, mijn
+ dierbare Vriend, mijn leerling en mijn kind: spreekt en verhaalt ons
+ hoe de Engel des doods aan u toch geenen zegepraal gewonnen en heeft,
+ maar hoe gij, integendeel, op zijne vlerken gesteund, het Hemelrijk
+ zijt binnengeklommen. Spreekt, vereeuwigde ziele, en verhaalt ons met
+ welke vreugd de Gever van alle goed uwe minzame deugden beloond heeft;
+ met welk een kleed van Hemelschen glans uw onaangeraakte zuiverheid,
+ met welke kroone van eere uwen wonderbaar grooten ootmoed, met welke
+ liefde uwe liefde en uwen eerbied voor uwe Ouders en Meesters, en
+ eindelijk, welke prijs u betaald is geworden voor dien zucht, die
+ wondere en zeldzame gifte des Heeren, die u van kindsbeen af
+ verlangen deed naar het kleed en de kroone, naar de zoetheid en de
+ bitterheden van het heilig Priesterdom. Spreekt, o onze dierbare
+ Vriend, spreekt en vertroost uwe Ouders, aangezien geen een van ons ze
+ troosten kan! Troost dien Vader, die zijn eigen lijden verborg, om het
+ uwe niet te vermeerderen; die God zijn leven ten besten gaf, wilde Hij
+ het uwe daarom sparen; spreekt en zegt dat gij welhaast misschien, als
+ Engel des Heeren, bij zijn bedde zult staan, hem in zijnen doodstrijd
+ hulpe bien en zijne ziele ten Hemel voeren. Spreekt en troost de
+ vrouwe die u gewonnen, geboren, gezogen en gekweekt heeft voor den
+ Heere; troost uwe Moeder, die er bij dage altijd zoo blij uitzag, uit
+ vreeze van u te bedroeven; die, vlijtig, met een hand de drinkschale
+ ontving van haar lijdende Kind en met de andere eenen stoel bijschoof
+ voor den bezoekenden Priester, maar die bij nachte, alleene en
+ verborgen, voor haar Kruisbeeld, daar den lang weerhouden stroom van
+ tranen liet gaan, en heur gebroken herte ontlastte. "Moeder," zoo zegt
+ haar, "gij vroegt aan God eenen Priester, de Heere heeft u verhoord,
+ Hij heeft u geenen Priester gegeven, maar eenen heilige, eenen Engel
+ in den Hemel, die, zonder den last des Priesterdoms te moeten dragen,
+ al de genuchten daarvan geniet, en daar, in die oneindige Kerke des
+ Alderhoogsten, aan den autaar van het Lam zelve, voor u staat te
+ bidden.
+
+ Spreekt gij nu ook, mijn brekend herte, als 't is dat gij nog spreken
+ kunt...
+
+ Maar neen, 't wordt tijd dat wij scheiden.
+
+ Afscheid nemen wij dan van u, onzen lieven broeder, met de laatste
+ trane der vriendschap, met de laatste bede des Christenen, met den
+ laatsten zegen des Priesters...
+
+ En gij, dierbare grond van Vlanderen, ons eigen Vaderland, gewijde
+ aarde van het kerkhof des Heeren, aarde waarin de muren staan van
+ Gods tempel en de voet van zijn Kruis, aarde waar het gebeente in rust
+ van zoo vele onzer Voorvaderen, wier heilig stof misschien in deze
+ handsvolle begrepen is, aarde die 'k omhelze als den grond waaruit ik
+ gesproten ben en waarin ik zal terug keeren, gewijde aarde, valt,
+ duizendmaal gezegend en besproeid met onze tranen, op dat heilig lijk,
+ dat wij u toevertrouwen! Bewaart die reliquie, bewaart ze tot op den
+ dag dat de Engel der verrijzenis hier zal komen kloppen, roepende:
+ "Staat op gij allen die gestorven zijt!"
+
+ Weer op zult gij dan staan, Eduard, onze vriend, in de glorierijke
+ verrijzenis, met die strale in uwe ooge, die blonk vol simpele
+ eenvoudigheid, met dien eigensten lach, spelende om uwen mond, die
+ altijd loech van zielsgenoegen, loech van onnoozelheid,
+
+ loech van liefde, loech van vreugde,
+ loech van louter zuiverheid,
+ loech in 't leven, loech in 't sterven,
+ lachen zal in de eeuwigheid!"
+
+Zoo scheidden wij van zijn lichaam, terwijl zijn ziele alree 't geluk
+genoot dat ons misschien nog menige vijanden, talrijke strijden en
+gevaren zullen komen betwisten; hetwelke wij nochtans ook, onder Gods
+hulpe, zullen veroveren, is 't dat wij getrouw blijven aan het voorbeeld
+van onzen Vriend, en bestand doen aan 't gene wij, bij zijn graf, ons
+zelven en den Heere beloofd hebben; eindelijk, en om te sluiten met een
+vers van den overledene zelven, indien
+
+"_elk slaapt op zijnen schild en houdt het zweerd in d'hand_."
+
+[1: Geplukt en bewaard ter nagedachtenis van zaliger Mijnheer Eduard van
+den Bussche, geboren te Staden, in West-Vlanderen, op den 10 Januarij
+1840; student in poesis en lid der Congregatie van O.-L.-V. Onbevlekt
+Ontvangen in 't kleen Seminarie te Rousselaere, overleden op zijne
+geboorteparochie, den 3den van Mariamaand, in 't jaar O.H.J.-C. 1858.]
+
+
+
+
+ BEZOEK BIJ 'T GRAF.
+
+
+ Ik wandelde, ik wandelde alleen,
+ ik wandelde en sprak tot den Heer:
+ Hij sprak en ik hoorde, en hij hoorde en ik sprak,
+ en 'k wandelde en 'k sprak tot den Heer.
+
+ Wie leedde, wie leedde er mijn schreen?
+ Waar leedden mijn schreden naartoe?
+ 'k En wete, maar 't leedde me entwie en ik ging,
+ en ik stond op het kerkhof alleen.
+
+ Daar staat hij, de torre, 't is hij;
+ de hane op den torre, 't is hij;
+ daar staat hij die torre en die Kerke en dat Kruis;
+ hier hebbe ik nog eenmaal geweest.
+
+ Hier legde ik een vriend in het graf,
+ ik legde -- en hij slaapt in het graf;
+ en Jesus, die waakt in zijn heilige tent,
+ waakt neffens hem, neffens het graf.
+
+ Waar, zegt mij, o zwijgende veld,
+ waar ligt hij begraven?... Alhier?
+ Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg
+ en zeide: "Vaarwel, o vaarwel?"
+
+ Het water gaat open en toe,
+ Het water gaat op en gaat neer,
+ het water, als 't kind er een steentjen in smijt,
+ het water gaat op en gaat neer.
+
+ Het water gaat op en gaat neer,
+ het water gaat open en toe,
+ en haast is het water weer heel en gansch stil;
+ waar viel en waar ligt nu de steen?
+
+ En de aarde gaat open en toe,
+ ook de aarde gaat op en gaat neer,
+ wanneer er de putmakers geldwinnend hand
+ een kist in legt, open... en... toe!
+
+ En de aarde gaat op en gaat neer,
+ ook de aarde gaat open en toe:
+ en, hooger als de andere graven, een tijd,
+ daar toogt men een graf en zegt: "Daar!"
+
+ En de aarde zinkt langzamig neer,
+ en de aarde zinkt wederom toe,
+ en wederom strekt er zijn armen naar uit
+ 't vergetende gers, en 't groeit toe.
+
+ En de aarde gaat open en toe,
+ en de aarde gaat op en gaat neer,
+ en haast is het alles zoo effen en groen,
+ zoo effen als al dat er leeft.
+
+ Wat zegt gij, o zwijgende veld?
+ Waar lag hij, waar ligt hij nu, hij?
+ Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg
+ en zeide: "Vaarwel gij, vaarwel?"
+
+ Een stemme, geen andere 'n sprak,
+ een stemme, geen andere, geen een:
+ "Komt hier," zei een stemme, aan het Kruis, "hij ligt hier:
+ komt hier," zei een stemme, "aan het Kruis."
+
+ o Stemme van 't houtene Kruis,
+ o Kruis van den Heere, gegroet;
+ gij blozende vrucht aan den edelen boom,
+ gekruiste Verlosser, gegroet!
+
+ Waar staat gij, hooge over mijn hoofd,
+ waar staat gij, gedoken in 't gers,
+ waar staat gij, waar staat... dat ik groete u, o Kruis,
+ ik groete u, o edele Kruis?
+
+ o Stemme van 't houtene Kruis,
+ o stem van het houtene Kruis,
+ ik vraagde zoo dikwijls, ik vraagde en ik bad,
+ en... de antwoord is altijd: het Kruis.
+
+ o Kruis op den torre en in 't gers,
+ o Kruis aan 't gedokene graf,
+ o Kruis, waar gij staat ofte gaat, zijt gegroet,
+ gegroet zij mij 't heilige Kruis!
+
+ o Stam van het heilige Kruis,
+ triomphwinnend houtene Kruis,
+ gij toogdet.., ik vond mijnen vriend, vind' Hij mij,
+ die stierf aan het heilige Kruis!
+
+
+
+
+ NOG EENS
+
+
+ Nog eens, o christene studenten,
+ bij 't graf gestaan! In tranen? Neen!
+ Laat vreugde op ons den zegel prenten,
+ want wij zijn christenen! 't Geween
+ betaamt die hoop noch troost en kennen
+ in Christi kruis en dierbaar bloed,
+ betaamt die kerke en kerkhof schennen,
+ betaamt een' andren jongelingsstoet!
+ Voor ons is doodgaan levend worden,
+ door Hem die lijf en leven gaf;
+ 't en zijn geen beendren die verdorden
+ of zullen opstaan uit het graf.
+ Zoo zult gij ook, beminden; 't sterven
+ heeft Jezus zelve ons voorgedaan:
+ de doodbrief staaft uw recht om 't erven
+ het rijk waar Hij is ingegaan!
+ Gelukkige Arnoud, rust in vrede,
+ God hebbe uw' ziele in zijn gena;
+ gij droegt, 't is waar, uw deugden mede,
+ maar uwe exempels liet ge ons na:
+ die volgen wij, tot op den rande
+ van 't graf, onwankelbaar vereend;
+ brengt deez' belofte ooit een in schande
+ van die hier staan? Zoo God helpt, neen 't!
+
+
+
+
+ JAARGETIJDE
+
+
+ o Gij die wij beminden eens,
+ wij groeten u, vol droef geweens,
+ en staan rondom uw graf te gaar,
+ op 't ende van uw stervensjaar.
+
+ Waar zijt gij? Sterke en kloeke, en al,
+ waar zijt gij, ach, te groot getal
+ van vrienden, gij, die dacht misschien:
+ 'k Zal menig uwer sterven zien!
+
+ Aleer gij iemand sterven zaagt,
+ was 't gij die eerst gestorven laagt:
+ en droevig staan we, uit vriendenplicht,
+ bij 't graf, waar ge in begraven licht.
+
+ Zoo vaart de dood, o! doof en blind,
+ ze'n spaart geen ouder, spaart geen kind;
+ smijt al in 't graf, maar d'hope niet,
+ die me in dit kruis hier staande ziet.
+
+ o Zalig teeken op het graf,
+ o nooit ontvallen wandelstaf,
+ staat bij, staat bij, in dezen nood,
+ en zijt remedie na de dood!
+
+ o Kruis, daar Christi bloed aan was,
+ de mensch is licht en broos als glas:
+ hij valt, hij breekt; gij staat en houdt
+ omhoog, die op uw stam betrouwt.
+
+ Daar liggen ze aan uw voet, o Kruis,
+ onz' liefste neer, in stof en gruis:
+ herleve 't stof en worde 't wat
+ Gods hand het eens geschapen had.
+
+ Herworde 't jong en stervensvrij,
+ herworde 't in Gods vreugden blij,
+ herworde 't in God zelf geleerd,
+ herworde al 't duistre in licht gekeerd!
+
+ o Dierbaar is het vriendengraf,
+ ik schee daar met getraan van af,
+ ik laat mijn hert daar aan en bij,
+ en,... vrienden, dat u vrede zij!
+
+
+
+
+ HET KRUIS
+
+
+ Het kruis ontliet den mensch
+ uit 's vijands helsche banden;
+ met 't kruise wijgen hem,
+ in 't doopsel, 's priesters handen;
+ gebiecht, gevormd, berecht,
+ getrouwd, gezalfd in 't kruis,
+ nog wijst hem 't kruis den weg
+ naar hier, zijn laatsten thuis.
+ o Kruise, dat daar staat,
+ och, of zij 't allen wisten,
+ gij zijt het teeken en
+ de hoop van elken christen:
+ zoo Christus leefde en stierf,
+ in kruisen en verdriet,
+ zoo zult gij, of ge en volgt
+ in zijn triomph hem niet!
+
+
+
+
+ UIT HET ITALIAANSCH
+
+
+ Ik hoor ze zingen in de roozenhagen,
+ de nachtegaalkes, hunnen liefdezang;
+ en de eekentronken, oud en bruin, doordragen
+ de gulden najaarszonnestralen lang.
+
+ 't Gaan duizend stemmen achter 't land en roeren,
+ 't gelooverte en het gers en 't beekske roert;
+ in 't diepend blauw zie 'k de Apenninen loeren,
+ den hemel wordt zijn' roozenverwe ontvoerd.
+
+ Bij zulk een zalig, eenzaam vredezegenen,
+ och Moeder, mochte ik uwe stemme ontvaan!
+ Och mochte ik, Moeder mijn, u nog bejegenen,
+ een enk'len keer nog, en toen sterven gaan!
+
+ Neen, koud zoo ligt gij daar, in 't graf gedragen,
+ het hooren van mijn stemme is u geroofd!...
+ wijl boomen, bergen en de roozenhagen
+ de nacht bedekt, die dit mijn herte dooft!
+
+
+
+
+ R.I.P.
+
+
+ Rust in vrede, rust in vrede,
+ gij die, wandlend, zijt van hier
+ voorwaards- en voorbijgetreden,
+ onder Christi kruisbanier;
+ die naar 't land zijt, het verdoken,
+ waar de koninklijke staf
+ ligt bij 't naamloos stof gebroken,
+ van 't onedel werkmansgraf;
+ waar geleerdheid niets kan baten,
+ weet men Christi lessen niet,
+ waar men geld en goed moet laten,
+ waar geen schoonheid overschiet.
+ Rust gij, leeraar en geleerde,
+ rust scholier en schoolregent;
+ rust, dien elke ende een vereerde,
+ rust, dien niemand heeft gekend.
+ Rust, die 't zelfste bloed in de aderen
+ droegt misschien als ik; en gij,
+ vrome ziele onzer vaderen,
+ rust, en dat u vrede zij!
+ Moge God u ruste geven,
+ die begonnen, die volend,
+ of die, midden in het leven,
+ wakend hebt de dood gekend!
+ Rust in vrede, rust in vrede,
+ jonge en oude, groot en smal,
+ rust en, in Gods zaligheden,
+ rust, gij afgestorv'nen al.
+ Rust in vrede, rust in vrede,
+ u nog eens vaarwel gezeid,
+ eer ik weg en thuiswaards trede,
+ rust... tot in der eeuwigheid!
+ Amen.
+
+
+
+
+ HET KINDEKE VAN DE DOOD
+
+
+ Filius mortis est.
+ I Reg., XX, 31.
+
+ Daar zijnder die de levensbaan,
+ met schaars eenen brijzel brood,
+ tot aan hun oude dagen gaan
+ en leven, spijts de Dood.
+
+ Daar zijnder die dit leven van
+ zijn blijde bane stoot,
+ van waar hun eerste reize began:
+ 't zijn kinderen van de Dood.
+
+ Een wist ik, en zijn moeder, als
+ zij 't hutste op haren schoot,
+ zij zong en zij zeide: "Mijn kind!" 't Was valsch!
+ 't was 't kindeke van de Dood.
+
+ Zij leefde en leefde tweemaal toen
+ zij 't tegen heur herte sloot,
+ en driemaal, toen ze 't daar mocht voen,
+ heur kindeke... van de Dood.
+
+ 't Kind at en drank, uit klaar bedwang,
+ en 't pramen van den nood,
+ maar al dat het nutte, van spijze en van drank:
+ het at en het drank de Dood.
+
+ Het groeide alzoo de plante wast,
+ die nimmer zunne 'n ziet:
+ een rijzig, een reilde kindeke was 't,
+ en derelijk als een riet.
+
+ En de andere blommekes, blank en blij
+ ze loegen altemaal;
+ en, over van vreugde, zoo loegen zij
+ met zijnen bedrukten staal.
+
+ Het loeg... en het hief in het blauwe meer
+ des hemels zijne oogen, maar
+ ze vielen zoo licht op de aarde weer neer,
+ en ze stonden daar, immer -- daar.
+
+ Aanschouwt hem, aan zijn huis geleund,
+ hij rust en, overhand
+ op d'een en op d'andren voet gesteund,
+ daar staat hij nu, aan den wand.
+
+ Hij staat daar, van als de morgen breekt,
+ en spreekt geen enkel woord,
+ 't en zij dat hij in zijn herte spreekt,
+ en dat God daar alleene aanhoort.
+
+ Aldus verwacht hij 't noengetij,
+ hij buigt zijn hoofd, hij hijgt
+ om asem, en pijnelijk asemt hij...
+ maar klagen, nooit: hij zwijgt.
+
+ Zoo zinkt het sappig looverkruid
+ in 't branden van den noen,
+ en asemt al de krachten uit
+ die zijn blaren voen.
+
+ Hij staat daar, als de zonne zinkt, --
+ een roode hemelbal,
+ die loerende al onder de boomen blinkt
+ en wegvaart, -- liefst van al.
+
+ Toen heft hij zijn grooten oogbal op
+ en laat hem, overlaan,
+ ontlasten den blinkenden pereldrop,
+ dien niemand en kan verstaan.
+
+ Toen sukkelt hij weg, en hij kijkt, wanneer
+ hij staat om in te gaan,
+ nog eenen laatsten en ach zulk een langen keer,
+ al zuchten... achter de baan!
+
+ En als de wind de deure wrijft,
+ toen keert hij treurig om,
+ wendt weder, en schudt met zijn hoofd, en schrijft,
+ in de asschen daar schrijft hij: "Kom!"
+
+ Gelijk het kind des avonds, blij
+ en op zijn speelgenoot
+ al peizen, wenscht: Dat het morgen zij!
+ zoo wenscht hij naar de Dood.
+
+ De dood is maag en vriend van hem,
+ hij kent heur witte hand,
+ hij kent heuren lijzigen stap, en heur stem,
+ en heur delfspa, en heur land.
+
+ Zij is vriend van hem en speelgenoot,
+ zijn herte langt erom;
+ ja, zij nestelt alree in dat herte, de dood,
+ en zoo, schrijvende, zucht hij: "Kom!"
+
+ Zij beidde, en hij beidde zoo lange ernaar,
+ en ze kwam toch 'nen keer, daar hij stond
+ alwaar hij placht te staan, en alwaar
+ zij kwam, en alwaar hij ze vond.
+
+ Zij kwam, en zij ging in huis, en hij zag,
+ en hij stapted' heur achternaar:
+ zij klom en hij klom, en zij lag en hij lag,
+ en zij loeg... en hij loeg op haar.
+
+ En zeider daar eene: "Ei, hij lacht! hij lacht!
+ Wat heeft er med' hem geweest!
+ Wat doet hij nu, dat hij nog nooit en placht:
+ ons broeder, ai Heere, hij geneest?"
+
+ "Ah," zeider daar toen nog eene andere vrouw,
+ "dat was mij een aardige lach!
+ Zoo loeg hij, wanneer dat hij sterven zou,
+ mijn areme man en hij... ach!"
+
+ De schrik kwam in huis, en elk beefde en elk sprong
+ en elk vloog, alhier, aldaar:
+ en 't klopte op den torre, en de belle klonk,
+ en 't brandede een keerse klaar.
+
+ En stille... zoo viel het toen, stille,... niet
+ en roerde of en leefder meer,
+ om 't schrikken en om den eerebied,
+ en de komste van -- den Heer!
+
+ En zeider een lijzige stemme, toen
+ zij weerom spreken dorst:
+ "Wat gaat hij daar, kijkt, wat gaat hij doen:
+ wat maakt hij daar op zijne borst?"
+
+ "Ai!" zeider eene andere vrouwe, en sprak,
+ terwijl zij naar Christus wees:
+ "Het Crucifix! want hij maakt zijnen pak...
+ hij gaat sterven!" En zij kreesch...
+
+ En 't water viel gewijd op hem,
+ het kruis ging aan zijnen mond,
+ en snikkende snokte er nog menige stem,
+ die anders geen woorden en vond.
+
+ Toen sprak hij, terwijl hij staal voor hem zag,
+ en -- iets? -- in zijne armen sloot:
+ "Och! moeder toch, geeft mij een kruisken!" En ach,
+ de vrouw was al lange dood!
+
+ En spannende toen, med' eenen langen zucht,
+ de ziele heuren band... intween,
+ ze vluchtte... en, in moeder heuren schoot gevlucht,
+ zoo liet zij heur lijk alleen.
+
+ Med' oogen half open en mond half toe,
+ zoo lag het, en loeg het, en keek;
+ en velen die 't zagen, ze zeiden: "Hoe!"
+ en dat het hem zoo geleek.
+
+ De landman stond, op den droeven klop,
+ die zijne endeklokke lood,
+ en peisde, en hij rechtte zijn hoofd 'nen keer op:
+ 't Is voor 't kindeke van de Dood.
+
+ Hoe snel nu van dien rechtveerdigen man
+ 't gebed ten Hemel schoot,
+ 't en was er niet eer als het zielke van
+ het kindeke van de Dood.
+
+ En zij, die eens op dat eigenste kind
+ heur stervende oogen sloot,
+ ze zoende in den hemel heur teerbemind...
+ heur... kindeke... van de Dood.
+
+ En zong er toen een, dien dit leven van
+ zijn blijde bane sloot:
+ "Ik hope in een beter leven dan
+ dit leven van de Dood.
+
+ En 'k wilde wel gaan door 's levens baan,
+ met schaars eenen brijzel brood,
+ zoo 'k mochte zoo recht naar den Hemel gaan
+ als -- 't kindeke van de Dood!"
+
+
+
+
+ GOUDEN ROOZEN
+
+
+ _Gedachten by het graf_
+ van zaliger mijn weledelen, zeer eerweerden Heere
+ Mijnheer Joseph Antonius Maria Ghislenus
+ Anastasius Johannes-Nepomucenus
+ Baron de Pelichy
+ filius M'her Johannes, wijleneer Burgemeester der stad Brugge,
+ bij Mevrouw Maria Josepha van Heurne;
+ _die, geboren te BRUGGE, op den 15 April 1809, Priester
+ en Bestierder der Zusters van Maria te ISEGHEM,
+ aldaar godvruchtiglijk in den Heere overleed,
+ op den 28 Julij 1882_.
+
+ Gouden roozen, zelden bloeiend,
+ in dit arem tranendal,
+ of zoo spoedig weer ontwelkerd,
+ wie is 't die u vinden zal?
+
+ Jesus volgende en Maria,
+ gouden rooze na den geest,
+ was hij Edeling, was hij Christen,
+ was hij Priester, aldermeest.
+
+ Hij was levend 't geen hij stervend
+ wilde zijn: de gouden roos
+ uit zijn wapenschild, oud, eerlijk,
+ ongeschonden, vlekkeloos.
+
+ Beeld van liefde, beeld van goedheid,
+ beeld van al dat edel is,
+ bloeit hij zoo in aller herten
+ en in elks geheugenis.
+
+ Beeld van priesterlijke deugden,
+ van geleerdheid, hooge en klaar;
+ in de kunst die alle kunsten
+ overtreft, kunstoefenaar.
+
+ Kunst der kunsten, zielen leiden,
+ zielen leeren vroeg en laat,
+ God betrachten, God beminnen,
+ met den woorde en met der daad.
+
+ Kinderzielen, opgegaderd
+ langs den weg en in het dal,
+ schoon u niet altijd even prachtig,
+ even kostlijk immers al.
+
+ Hoogbestemde zielen Christi,
+ maagdenblommen, leliepracht,
+ van de wereld afgestorven,
+ God beschouwend dag en nacht.
+
+ Zegt, wie zal elks lesse wezen,
+ elks goe voorbeeld? Zegt, wie zal,
+ onder zoo veel edele perelen,
+ de eelste perele zijn van al?
+
+ Zegt, wie zal den vijand keeren,
+ wie zal wakend voorengaan,
+ wie den weg, de weiden vinden,
+ wie de bronnen gadeslaan?
+
+ Hij zal werken, hij zal waken,
+ hij zal sterven, doet het nood,
+ en, lijk Jesus, zijnder kinderen
+ hulpe en heil zijn, tot der dood.
+
+ Gouden rooze, vol van kracht en
+ milde reuken, deur end deur,
+ alles met de lucht verfrisschend
+ van uw zoeten liefdegeur.
+
+ o, Wie pegelt al de schatten
+ die gij, bloeiend roozenblad,
+ God alleen bekend, de menschen
+ onverstaanbaar, hebt bevat!
+
+ Dat is 't woord, o gouden rooze,
+ dat ik in uwe tale vond;
+ dat's de wijsheid van dat wapen:
+ Gouden roozen, groenen grond.
+
+ Groene grond was 't, en goede eerde,
+ waar gij 't leven hebt ontvaan,
+ en waar eerst de gratielonken
+ van Gods zonne u vonden staan.
+
+ Goede grond zijn onze herten,
+ en de vruchten, ongeteld,
+ zijn wij schuldig uwer goedheid,
+ die nu rust in 't heilig veld.
+
+ Vruchten, weerd het milde zaaien
+ van uw hand en al het werk
+ van uw priesterlijk bezorgd zijn
+ voor Gods volk en voor Gods Kerk.
+
+ Groene grond zal op het kerkhof
+ haast verbergen 't heilig oord,
+ waar gij rust en wacht de stemme
+ van des Engels wekkend woord.
+
+ Maar geen groenen, geen verdroogen
+ van het jaar of van het veld,
+ dat de erkentelijke droefheid
+ onzer herten palen stelt.
+
+ Neen, geen tijdstip, geen verjaren
+ van uw sterfdag mindert ooit
+ het geheugen van al 't weldoen,
+ dat gij hebt rond u gestrooid.
+
+ Want wij hopen, schoon wij weenen,
+ dat alwaar gij God geniet,
+ gij het werk nog uwer liefde en
+ al uw' kleene kinders ziet.
+
+ Ha, betrouwt ons dat wij zullen
+ uwen name en uw blasoen,
+ kleen- en grooten, rijk- en armen,
+ naast onze ouders, eere doen.
+
+ Dank- en dierbaar zal hier blijven
+ uw gedacht, en, waar gij zijt
+ zal de weerklank u verheugen
+ van uw naam gebenedijd.
+
+ Wij beloven 't en wij meenen 't,
+ dat wij, ver van u voortaan,
+ zullen werken, leeren, bidden,
+ en met u standvastig staan.
+
+ Ja, standvastig als de boomen
+ van dat vruchtbaar wapenveld,
+ dat, vol gouden eekels, uwe en
+ onze vrienden voorenstelt.
+
+ Vrienden, die aan ons u binden,
+ schoon gij reisdet hemelwaards,
+ en die, in uw' plaatse, ons zullen
+ troosten, of gij zelv' het waart,
+
+ tot dat eens een' dag van vrede, een'
+ dag van blijdschap God verleent,
+ die hetgeen hij kwam te scheiden,
+ in zijn goedheid, weer vereent.
+
+ Dit vereend zijn, -- _in aeternum!_ --
+ dat het eeuw- en ervig duur',
+ na 't bedied van Gods onroerbaar
+ woord: _Non commovebitur!_
+
+ [NOTA. -- Het wapenteeken, dat het edele geslachte _de Pelichy_
+ vertegenwoordigt, is: Op een groenen grond of veld eene zilveren of
+ witte bare, onder welke eene, boven welke twee, te zamen drie gouden
+ roozen staan, met deze kenspreuke: _Vulnerat et sanat -- : 't Kwetst en
+ 't geneest_.
+
+ Het edel geslachte _Gilles_ vertegenwoordigen, op eenen blauwen grond of
+ veld, een gouden keper, met, in elken overschietenden hoek van 't
+ schild, een te zamen drie gouden eekels. Kenspreuke: _In aeternum non
+ commovebitur: In der eeuwigheid en zal 't beroeren_.
+
+ Het wapenteeken van de twee verhuwlijkte geslachten te zamen, _Gilles_
+ en _de Pelichy_, is, gevierendeeld, aldus: 1 en 4 _Gilles_, 2 en 3 _de
+ Pelichy_.]
+
+
+
+
+ ZIELGEDICHTJES
+
+
+ I
+
+ L.J.D.W.
+
+ 1852
+
+ Het aardsche vat was al te teer
+ voor 't machtige verstand,
+ de band des lichaams kon niet meer
+ weerstaan der zielen brand;
+ hij brak... ze ontlook heur vleugelen
+ en koos de hemelbaan:
+ daar mag zij, zonder teugelen,
+ God minnen, God verstaan.
+
+
+ II
+
+ H.L.B.G.
+
+ 1852
+
+ Uw stemme, o Heer, hebbe ik vernomen:
+ "Gaat in mijn wijngaard," sprak ze mij.
+ Ik ben, gehoorzaam, er gekomen,
+ al is 't dat ik onweerdig zij;
+ en nauwlijks daar nog ingetreden
+ of, met den wille alleen te vreden,
+ zoo roept gij mij bij uwen throon,
+ en geeft, voor onverdienden, loon,
+ zoo veel aan mij als aan die 't ploegen
+ en 't daaglijks strijden voor uw kerk,
+ en d'hitte van den dag verdroegen,
+ gegrijsd op 't heilig wijngaardwerk!
+
+
+ III
+
+ GULIHELMUS, Koster van 't Kl. Sem.
+
+ 1855
+
+ Welzalig is de sterveling,
+ die nooit in kwade wegen ging,
+ maar die zijn leven, dag en nacht,
+ Gods wet bewaard heeft en betracht.
+
+
+ IV
+
+ J.F.C.
+
+ 1855
+
+ Gelukkig die, in 't dorre zand
+ van 's werelds vreemd Egyptenland,
+ op weg ten hemelwaard,
+ geen oogbedriegend weeldrig oord
+ vergeefs vervolgend, op en spoort,
+ maar zijnen weg bewaart.
+
+ Gelukkig die de wreede beet
+ der wereldbraam zoo haast vergeet
+ als hij ten Hemel schouwt,
+ of die, in zijnen lentedag,
+ een enkle blomme plukken mag,
+ en... dat 't hem niet en rouwt.
+
+ Maar geen die ik zoo gelukkig nom
+ als hem die 's werelds doorne en blom
+ en 't jonge leven laat,
+ om vroeg naar 't eigen land te gaan,
+ waarheen de pelgrim, op de baan,
+ nog reekende oogen slaat.
+
+ Gelukkig, jongst ontslapen vriend:
+ nooit heeft uw ziel het stof gediend,
+ op ijdelheid verzot;
+ een enkele blomme pluktet gij:
+ de zuivre blom der Poesij,
+ en droegt die mee naar God!
+
+
+ V
+
+ D.J.V.K.
+
+ 1858
+
+ Daar lacht een nieuwe zon de nieuwe velden tegen,
+ de voorjaarmorgen breekt, na winternacht, weer aan;
+ ik zie het groeiend licht ten oosten opgestegen,
+ maar nauwelijks op, het licht is weer aan 't ondergaan!
+
+ Aan 't ondergaan? Toch niet! 't Is ik die ben gerezen,
+ 't is ik die Hemelwaards gerukt, uit rampe en wee
+ en uit alle aardsche vreugd, -- mag vreugd heur name wezen?
+ de zonne duistren zie in eene gloriezee.
+
+ De zee, waarin gij baadt, onwetend en omhangen
+ met sluierend geloove, in 't zalig God-ontvangen,
+ gebroeders, in 't geheem van Jesus' liefdebron;
+ de zee der Godlijkheid, die ben ik ingeschoten,
+ en, had ik maar een teug van 't lavend licht genoten,
+ die waar mij 't sterven weerd, zoo ik nog sterven kon.
+
+
+ VI
+
+ P.F.J.S.
+
+ 1755 * 1858
+
+ 't Geen waarvan de droeve menschen
+ altijd klagen hier beneen,
+ 't geen waarnaar zij 't meeste wenschen
+ hebt gij honderd jaar geleen.
+
+ Maar, weer m'oud wordt en grijsharig,
+ weer onmondig kind verscheidt,
+ -- gij wierdt honderd-en-driejarig, --
+ schilt het iets in de eeuwigheid?
+
+ Zegt, wat hebt gij meer verworven,
+ mocht gij in den Hemel gaan,
+ als het kind met u gestorven,
+ en naast u in 't graf gedaan?
+
+ Jaren, maanden, dagen, uren,
+ ware 't honderd, duizend jaar,
+ zijn, bij Gods oneindig duren,
+ of het niet een stonde en waar!
+
+
+ VII
+
+ K.J.D.C.
+
+ 1859
+
+ Gelukkig die, van kindsbeen af,
+ Maria gansch zijn herte gaf,
+ en, tot zijn laatste stonden,
+ bij haar en haren Zoon alleen
+ den troost in 's werelds droef geween
+ gezocht heeft en gevonden!
+
+
+ VIII
+
+ A.D.K.
+
+ 1859
+
+ Een kind ontsliep:
+ wie anders weet
+ als moeders herte ervan,
+ en Jesus', die 't
+ gewonnen heeft
+ en nooit meer kwijt en kan?
+
+
+ IX
+
+ E.J.B.
+
+ 1859
+
+ Naar sterren, als de zonne uitschiet,
+ en vraagt men noch en zoekt men niet.
+ De nacht,... hij brak, de zonne klom,
+ uw zonne... Gij zeidt: willekom!
+ en vloogt, o vriend, en leeft nu, waar
+ geen nacht meer is en sterreklaar
+ lijk hier, maar dag, bij God den Heer,
+ en nacht, dat en wordt het u nimmermeer!
+
+
+ X
+
+ ADVOCAAT S.
+
+ 1859
+
+ Die, rijk gekanst, is arm gebleven;
+ die 't zweerd droeg van het Recht, en die
+ bemind was en beminnend; wie
+ in zulk een deugd hem grauw kon leven,
+ dien loont geen lof dien mensch kan geven,
+ dien loont, -- het is van God gezeid, --
+ God zelf maar, en Gods eeuwigheid.
+
+
+ XI
+
+ A.V.D.
+
+ 1860
+
+ God gaf het ons,
+ God nam het ons,
+ Gods name zij geprezen;
+ 't was wel bij ons,
+ 't ging weg van ons,
+ 't was beter in den Hemel;
+ daar blijft het ons,
+ daar wacht het ons,
+ daar zien wij 't eenmaal weder!
+
+
+ XII
+
+ J.V.D.
+
+ 1860
+
+ Ah! gij hadt zoo geren 't leven
+ aan uw kindtje weergegeven,
+ liefste moeder: uw verdriet
+ kent het dan Gods woorden niet?
+ Alle liefde en alle zoetheid,
+ leven zonder levensmoedheid,
+ leven zonder stervensdag
+ erft... die zalig sterven mag.
+
+
+ XIII
+
+ L.L.D.
+
+ 1860
+
+ Leeft gij lange of korte dagen,
+ moet gij leed of leute dragen,
+ God, die 't eene en 't ander geeft,
+ zal u 't een en 't ander laten
+ in dit vluchtig leven baten,
+ zoo gij 't voor en met Hem leeft.
+
+
+ XIV
+
+ N.V.N.
+
+ 1860
+
+ Hetgene een' moeder troosten kan,
+ die weent,
+ noch vriend noch vreemd en weet daarvan,
+ o neen;
+ 't is God die slaat, 't is God die troost,
+ 't is God die alles doet:
+ 't is vele dat men goedheid heet,
+ maar God alleene is goed.
+
+
+ XV
+
+ N.N.
+
+ 1861
+
+ 't Zij vroeg of laat
+ daar niets en baat,
+ daar moet elk tol betalen;
+ 't zij munk of non,
+ gij, nu, ik ton:
+ de dood komt alles halen!
+
+
+ XVI
+
+ CORDULA
+
+ 1862
+
+ De trage ziekte brak intween
+ den band van lijf en lenden,
+ maar kon de ziel, 't geloof, de hoop
+ noch de edele liefde schenden;
+ ze vlamde los, en vluchtte omhoog,
+ onstuimig om te vinden
+ den Meester, Vriend en Bruidegom,
+ in Jesu, den beminden:
+ in Hem bij wien geen tijd meer is,
+ geen toekomst, geen verleden,
+ maar de eeuwige onvergankelijkheid
+ van 't altijd altijd heden.
+
+
+ XVII
+
+ ALFONS DANNEELS
+
+ 3 Aug. 1847 * 9 Nov. 1864
+
+ o, Kon het ooit voor regel gelden
+ dat kunst of dappre moed verschoont
+ van 't sterven, o, men vond meer helden,
+ meer kunst'naars met het loof gekroond!
+ Maar neen, 't en baat niet; al die leven
+ ze zullen sterven, jong of oud:
+ die schatting moet eenieder geven,
+ al weigerde hij tienduizendvoud.
+ God wilde 't zoo en al ons klagen
+ bewijst maar hoe eilaas de mensch
+ geschikt was om een lot te dragen
+ dat hem nog voorzweeft in den wensch.
+ Onsterflijkheid, daar elk naar hankert,
+ onsterflijkheid, die ze al trotseert...
+ daar 'n is geen andre als zij, die in de kruisrotse ankert
+ en in 't graf Christi triompheert!
+
+
+ XVIII
+
+ F.I.D.R.
+
+ 1865
+
+ Gelukkig kind, dat van zijn spel,
+ zijn engelken voor reisgezel,
+ zijn hertje vrij van zonde en schand,
+ is weggegaan naar 't hemelsch land!
+
+ Gelukkig kind, gij liet ons al
+ bedroefd om u, in 't aardsche dal:
+ gij, blijde, daar omhooge, bidt
+ voor ons, waar ge op den throon nu zit!
+
+
+ XIX
+
+ A.V.S.
+
+ 1871
+
+ Gelijk het paaschenblommeken,
+ als 't winterweer gesust is,
+ zoo smeet het zijnen lijkdoek af,
+ en 't rees al uit zijn donker graf,
+ en 't leeft nu waarder ruste is.
+
+
+ XX
+
+ L.S.P.
+
+ 1872
+
+ Onwetend en onschuldig nog
+ van al dat menschen weten,
+ wat hebt gij, kind, uw leven toch
+ onlang voorbijgesleten!
+
+ Bemind van al, bemind van elk,
+ vol vreugde, waarheid, goedheid:
+ 't en was in uwen levenskelk
+ geen dreupel of 't was zoetheid.
+
+ En eer hij uit was nam u God:
+ gij waart van hooger weerden
+ als dat gij zoudet dienen tot
+ versier van dezer eerden.
+
+ Naar hooger streken zijt gij, kind!...
+ Gebenedijd van heden
+ zoo moet Gods naam zijn, en bemind,
+ tot in alle eeuwigheden.
+
+
+ XXI
+
+ VADER EN MOEDER G...
+
+ 1872
+
+ God liet hen, als twee boomgewassen,
+ gesteund d'een op den andre staan,
+ en lief en leed zoo zeldzaam passen
+ dat geen verschil ooit kan bestaan.
+
+ Zij leefden, stierven, oud van dagen,
+ aanschouwde ik 't eeuwig leven niet;
+ zij zijn bij God: 't was zijn behagen,
+ al dat Hij wilde 'et zij geschied!
+
+
+ XXII
+
+ E.F.V.T.
+
+ 1872
+
+ Verloren moeite, onnuttig streven,
+ om langer als den tijd te leven
+ dien God, in zijn beschik, ons stelt:
+ zijt keizer, koning, oorlogsheld,
+ zijt jong of oud, zijt rijk aan gaven
+ of arm, gij sterft, gij wordt begraven...
+ 't Is al voorbij, verleen, gedaan!
+ Toch neen, daar blijft iets voortbestaan,
+ dat meest veracht wordt en misprezen,
+ dat is, en dat zal eeuwig wezen...
+ Past op uw ziele, o mensch, en doet
+ hetgeen God wil, hetgeen gij moet.
+ Laat lachen al die lachen konnen:
+ de ziel gered is 't al gewonnen;
+ en die dit een verliezen zal
+ verliest, eilaas, verliest het al!
+
+
+ XXIII
+
+ A.K.E.
+
+ 1873
+
+ Een stap is 't maar
+ van wieg tot graf,
+ voor ouden en voor jongen.
+ Gelukkig die,
+ dit leven af,
+ hoe kort of lang
+ het God hun gaf,
+ den beteren weg ingongen!
+
+
+ XXIV
+
+ H.D.M.
+
+ 1873
+
+ Verkieslijk is het, duizendmaal,
+ te rusten in Gods hemelzaal,
+ als, op der aarde, al wierd men rijk,
+ te slaven om wat ijdel slijk.
+ 'k Beminde uw huis, o Heer, en zag
+ den luister geren van uw' dag:
+ _uw dag_, hij is mij opgestaan;
+ _uw huis_, ik ben erin gegaan.
+ Vaartwel, en die dit leest onthoudt
+ dat ge ook in tijds de dood beschouwt.
+
+
+ XXV
+
+ C.D.B.
+
+ 1874
+
+ Het vier, 't gesmolten lood, het kruis, het zweerd, de tangen
+ deen menige eedle ziel de martelkroone ontvangen;
+ elk wist het. Maar, bedekt en 't menschdom ongeacht,
+ wordt menig martlares gemarteld dag en nacht.
+
+ 't Geen Agatha stond uit eene ure, heb ik geleden
+ drie maanden en nog meer, drie schrikkelijke eeuwigheden.
+ De kroone kwam op 't laatst: verheugt, die mij bemint,
+ 't en is geen sterven, neen, 't is 't leven dat begint!
+
+
+ XXVI
+
+ B...
+
+ 1874
+
+ Ons leven houdt maar aan een draad:
+ wie weet er, waar hij gaat of staat,
+ wanneer de dood zal komen;
+ of hoe dat hem, bij nacht of dag,
+ bij hoorenstoot of wapenslag,
+ zijn zielken wordt ontnomen?
+ De felste valt aleer hij 't weet;
+ de mate die hem 't leven meet
+ weet niemand van te vooren.
+ Zoo, zijt bereid, en leert hiervan:
+ 't geen mij behoort vandage kan
+ u morgen ook behooren.
+
+
+ XXVII
+
+ N.N.
+
+ 1874
+
+ 'k Groet u, zoete zielke lief,
+ roosken rijk in geuren,
+ lelie uit de dellingen,
+ prachtsteen vol coleuren;
+ hatende al dat vleeschlijk is
+ en van kwad' humeuren:
+ zalig was uw sterven en
+ eeuwig goed te keuren.
+
+
+ XXVIII
+
+ J.V.D.P.
+
+ 1870
+
+ 't Getemmer van des menschen leest
+ is licht in stof en asch verstoven,
+ maar mensch zijn dat is aldermeest
+ onsterflijk leven, ver hierboven;
+ dit schendt geen dood, geen lichaamsdood,
+ dit kan noch vier noch staal bederven:
+ het kwaad alleen doet, -- jammer groot --
+ de onsterfelijkheid voor eeuwig sterven!
+
+
+ XXIX
+
+ O.L.A.
+
+ 1876
+
+ In 't kloosterkleed gedekt en opgevat,
+ draagt, Englen, Hemelwaard een weerden schat!
+ En, weet gij wat gij draagt? Ons kind is het,
+ uit vader en uit moeder voortgezet,
+ ons eigen... Neen, 't was Gods, en God gebood
+ dat 't, nauwlijks levend, welkeren zou ter dood!
+ o Bittere stonden die een moeder leeft,
+ wanneer zij 't nieuwgeboorne 't leven geeft;
+ o bittere stonden, als 't geboren kind
+ al sterven in de dood weer 't leven vindt!
+ Want graf en wieg zijn een en 't zelf; voorwaar,
+ de pelder, 't is als of 't een wiegkleed waar',
+ waaronder Gods almachtigheid bewijst
+ dat uit het graf de onsterflijkheid verrijst,
+ en dat de dood, die elk ende een bedriegt,
+ met eigen hand God blijde kinderen wiegt.
+
+
+ XXX
+
+ J.M.D.R.
+
+ 1876
+
+ Ach, 't bitter leven is zoo kort:
+ van als het kind geboren wordt
+ tot dat het sterft, een stonde maar,
+ al duurde 't leven honderd jaar!
+ Ik stierf; na lang geleden pijn
+ en mochte ik niet genezen zijn,
+ ofschoon ik, Moeder, welbemind,
+ ofschoon ik, Vrouwe, man en kind
+ zoo geren, ach, zoo geren zag:
+ hij kwam, de bittere stervensdag!
+ Ik leef nochtans en derf niet meer
+ dat leven, dat in God den Heer
+ de doop mij gaf, de dood mij bracht,
+ en dat u, man en kind, verwacht!
+ Vaartwel, vaartwel, wij scheiden maar
+ voor korten tijd: vaartwel tot daar.
+
+
+ XXXI
+
+ A.K.V.C.
+
+ 1876
+
+ Rechtzinnig, God getrouw,
+ geloofbaar en geloovend,
+ zoo wierd ze eene oude vrouw,
+ en stierf, den Hemel roovend.
+
+ Gelijk een kind, voorwaar,
+ dat, uit den doop geheven,
+ geen kwaad en kent, zoo klaar
+ was heur eenvoudig leven.
+
+ Zij hield aan 't waar gewin,
+ en met heur' laatste krachten
+ zoo bleef z'heur huisgezin
+ in eere en deugd betrachten.
+
+ Een waar exempel van
+ voorvaderlijke deugden:
+ God hebb' heur ziele dan
+ in 's Hemels ruste en vreugden!
+
+
+ XXXII
+
+ K.R.S.
+
+ 1877
+
+ Van kindsbeen af getrouw
+ aan recht en plicht en zeden
+ in weinig goeds voldaan,
+ met kleen gewin te vreden;
+ van 's morgens, voor den dag,
+ tot in de nachtsche stonden,
+ in werk en kerk gelijk,
+ vol neerstigheid bevonden;
+ heur' man een ware schat
+ van bijstand en genoegen;
+ heur kindren zoo dat nooit
+ zij moeder nutloos vroegen;
+ de kindsheid heiliglijk
+ bewakend; veler kleenen
+ een tweede moeder; elk
+ een voorbeeld; van geen eenen
+ gehaat ofte onvereerd;
+ vol dagen en vol deugden;
+ ja, van heur jonkheid af
+ verdienend eeuwge vreugden;
+ heur name eene eer, door haar
+ met vlek noch schand bedorven,
+ alzoo heeft zij geleefd,
+ alzoo is zij gestorven!
+
+
+ XXXIII
+
+ BLANCHE
+
+ 1877, 22 Maarte
+
+ Nog nauwlijks heft een blomke of twee
+ zijn kopken uit de groene wee
+ en zoekt de zonnestralen,
+ of blanker blomkes gansch een stoet
+ de blijde wegen schittren doet
+ omtrent de kerkportalen.
+
+ Ik zie daar een, zijn name is _blank_,
+ gelijk zijn' kleeren, wit en lang:
+ zijn' kinderlijke leden
+ bewegen of 't een Engel waar,
+ die, in een witten wolksamaar,
+ de kerk kwame ingetreden.
+
+ Dat is ons kind! God riep, het kwam,
+ en 't broodgelijkend Offerlam
+ mocht in zijn herte dalen;
+ zijn hert, dat kloppend d'eersten keer,
+ uit onz' twee herten kwam weleer
+ zijn' levensloop te halen.
+
+ Leeft lustig voort dan, kindtje, en laat
+ zoolang u 't leven openstaat,
+ niet af vooruit te schrijden;
+ vooruit, waar God u wilt en waar
+ gij moogt, met ons, uw oudrenpaar
+ eens eeuwiglijk verblijden.
+
+
+ XXXIV
+
+ BLANCHE
+
+ 1877, 8 Junij.
+
+
+ Nog nauwlijks is een maand of twee
+ den schoonen dag voorbij, of wee
+ verblindt onze oogenstralen;
+ wij zoeken weer den blijden stoet,
+ maar alles treurt en treuren doet
+ omtrent de kerkportalen.
+
+ Ik zie daar een... zijn lijkje blank
+ ligt roerloos, en een sluier lang
+ ombundselt zijne leden;
+ zijn zielken, of 't een Engel waar,
+ is door den witten wolksamaar
+ des Hemels ingetreden.
+
+ Dit was ons kind! God riep, het kwam,
+ gelijk een schuldloos offerlam,
+ blij uit deze aardsche dalen;
+ ons kind, dat, levend d'eersten keer,
+ uit onz' twee herten kwam weleer
+ zijn' levensloop te halen.
+
+ Vaartwel, vaartwel dan, _Blanche_, en laat
+ ons allen in dien droeven staat
+ niet hulploos verder schrijden,
+ maar bidt, alwaar gij zijt, voorwaar
+ nog dikwijls voor uw oudrenpaar,
+ zoo zal ons hert verblijden!
+
+
+ XXXV
+
+ J.D.S.
+
+ 1877.
+
+
+ Nog nauwlijks t' halvenweeg
+ mijn oudrendervend leven,
+ o Heer, wat ben ik blij,
+ U alles weer te geven
+ dat gij mij gaaft, geheel
+ en door geen scha belet!
+
+ Benijdt mij, gij vooral,
+ die, uit uw' kinderjaren,
+ onschuldig, ach, niet meer,
+ gescheept zijt en moet varen
+ de wreede wereld in,
+ met zoo veel kwaad besmet!
+
+ Indachtig blijft toch, ja,
+ dat elk van u zal sterven;
+ indachtig, opdat elk
+ eens ook de kroon moge erven
+ die "Onze Vader" zelf
+ mij, weez', heeft opgezet.
+
+
+ XXXVI
+
+ O.R.D.C.
+
+ 1878
+
+ Goevrijdag was 't dat ik mijn kind zag henendragen
+ naar 't kerkhof! En bij 't kruis aldaar begroeven zij't!
+ Maria, laat mij U mijn bitter lijden klagen,
+ Maria, Moeder Gods, die ook toch moeder zijt!
+ Mijn kind!... 't Was God getrouw en U, naast God, genegen,
+ met bovenaardsche liefde! Eenvoudig, onbedacht,
+ zoo kende 't God en U en ons! En, met Gods zegen,
+ geen hooger jonste en had noch hij noch ik verwacht!
+ Die schat is weg! Die gunst heeft God mij zelf ontnomen!
+ Waarom? o Moedermaagd, waarom en vrage ik niet:
+ uw Jesus weet het best, Hij is om haar gekomen,
+ Hij, die mij, moeder, met U, Moeder, weenen ziet.
+
+
+ XXXVII
+
+ C.M.N.
+
+ 1878
+
+ De wereld had, met scherp geweld,
+ zoo geren hare ziel geveld
+ en hare deugd doen falen;
+ de Dood heeft ook de kans geproefd,
+ met pijn en smert haar lijf gegroefd,
+ en rustloos afgemalen;
+ dan viel op 't laatst de booze aan 't werk,
+ maar Jesus wees, almachtig sterk,
+ hem de onderaardsche dalen:
+ en, rustende op zijn vaderhand,
+ Caelina ging naar 't Vaderland,
+ voor eeuwig zegepralen!
+
+
+ XXXVIII
+
+ P.P.D.M.
+
+ 1878
+
+ Ik heb mijn Heer en God gebeden,
+ in 't midden van mijn hert;
+ 'k en kende 's werelds ijdelheden
+ noch 's werelds smert.
+
+ Ik langde om hooger staat te leven,
+ en God, daarmee voldaan,
+ heeft 't hoogste mij van al gegeven
+ en toegestaan.
+
+ Vaartwel, die mij gekend hebt, allen,
+ rondom Maria's voet;
+ en die door 's werelds ongevallen
+ nog reizen moet.
+
+ God geve aan die mijne ouders waren,
+ en die ik heb bemind,
+ de rust, na lange of korte jaren,
+ bij mij, hun kind!
+
+ Dan zal de dood geen scheiden wezen,
+ geen eeuwig scheiden, neen,
+ maar ouders doen en kind, nadezen,
+ weerom bijeen!
+
+
+ XXXIX
+
+ W.R.A.K.
+
+ 1878
+
+ o Schoone dagen, ongeweten,
+ of die, te laat gekend, o Heer,
+ zoo gauw geleen zijn en versleten,
+ en komen her noch immer meer!
+
+ Ik was een kind te weinig jaren,
+ ik bleef onschuldig al te onlang;
+ den zeeweg roekte ik in te varen,
+ voor schipbreuke onbevreesd, onbang!
+
+ Eilaas, daar faalt mij mast en steven,
+ daar vliegt mij bank en boord intween;
+ daar is van al mij niets gebleven,
+ niets, niets als ik en God alleen!
+
+ Ter hulpe, o Jesu, moet ik zinken
+ in dezen nood, zoo laat mij vrij
+ naast u de bittre teugen drinken
+ uit dezen kelk! Staat bij! Staat bij!
+
+
+ XL
+
+ K.J.A.J.D.M.
+
+ 1878
+
+ Het lag gebundseld en gebonden in de dood,
+ toen Jesus kwam, als schijnbaar brood.
+ Hij sprak: "Staat op!" En alle schijn verdween;
+ 't wierd levend, het zag Jesus-God med' een,
+ en 't mocht den blijden choor ingaan,
+ in 't wit gewaad der onschuld, die voortaan
+ zal eeuwig blinken. Treurt niet, maar,
+ die hem bemindet, volgt zijn stappen naar!
+
+
+ XLI
+
+ OP DE DOOD VAN GELUKZALIGER GEDACHTENIS.
+
+ PIUS IX
+
+ 13 Mei 1792 -- 7 Februarij 1878
+
+ De Koning van de Priesters is niet meer
+ der levenden. De mare vliegt. Elk weet het. En, gestorven,
+ heeft Pius hooger naam dan levend ooit verworven.
+ 't Was hij! Daar was zulk geen! Men weeklaagt niet, veeleer
+ verheugt men in zijn dood, die, triomphant gebleven,
+ elk staaft in zijn geloove, elk steunt van die nog leven
+ en biddend overal. Elk zag hem niet, elk toch,
+ elk kent en elk bemint, elk eert en weet hem nog.
+ Elk zal hem kennen, weten, elk beminnen, eeren,
+ schoon duizend jaren nog na duizend wederkeeren.
+ Geen tijd meer haalt hem in, hij is de tijden voor,
+ en de eeuw die nog niet is ontvangt alree zijn spoor.
+ Verkrachting, list, verraad, zij poogden, maar zij vonden
+ des Pausen ziele sterk, gerust en ongeschonden.
+ 't Was hij! Hij zag en: "Neen, de Pausen falen niet!"
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ Poogt wederom, nu dat gij hem gestorven ziet,
+ spant al te zamen, helle en helsche strijdgenoten!
+ Staat op! Hij ligt in lijke!... Uwe ure is 't! Saamgeschoten!
+ Geweld gedaan! Gepoogd!... En, eeuwig neergeveld,
+ zoo zult gij machtloos zijn in al uw strijdgeweld;
+ en vallend over 't spoor van zijn bezweken voeten,
+ daar zult gij, spijts uw hert, lijk Pius, zeggen moeten:
+ "_Non possumus!_"
+
+
+ XLII
+
+ F.L.V.
+
+ 1879
+
+ Ik ben Maria's kind, voortaan
+ en moet ik niet meer duchten
+ van uit den rechten weg te gaan
+ om eeuwiglijk te zuchten.
+ Ik stierf, maar God verleende mij,
+ 't geen God alleen kan geven,
+ van in den Hemel, eeuwig blij
+ en eeuwig lang, te leven!
+
+ XLIII
+
+ E.M.P.
+
+ 1879
+
+ Te vroeg gesmaakt, te vroeg ontvlogen,
+ te vroeg, eilaas, hebt gij mijne arme ziel bedrogen,
+ bedrog van 's werelds ijdelheid:
+ gij duurdet eenen dag, eene ure, een' stonde,
+ ha... tijds genoeg om arrebeid en zonde,
+ en om nog erger kwaal na die, mij toegezeid,
+ te kennen! 'k Wierd u moe! De kwade wegen,
+ door distels en door doornen diep gelegen,
+ zijn, op het end, veel beter nog
+ als al de valsche vroolijkheden
+ der korte dagen die 'k heb doorgeleden!
+ Vaartwel! Alwaar ik ga 'n is geen bedrog,
+ maar waarheid, leven, vreugde: in 's Hemels vreden!
+
+
+ XLIV
+
+ F.M.
+
+ 1879
+
+ Hoe menig kind, den zelfsten dag
+ en 't zelfste jaar verschenen,
+ dat met mij eens het leven zag
+ en voor mij is verdwenen!
+ Zoo leerde ik lang en leerde ik goed
+ de kunst van wel te sterven,
+ ach, Onbevlekte, ik bidde U, doet
+ mij 't eeuwig leven erven!
+
+
+ XLV
+
+ R.D.
+
+ 1880
+
+ o Vrienden, jeunt me een goed gebed
+ en peist, eer ge uw betrouwen zet
+ op al dat ijdle menschen raan,
+ hoe dat het is met mij vergaan!
+
+ Ach! jong zijn, dat en heeft, eilaas,
+ den duur niet van een enklen blaas;
+ gezond zijn is schier nog zoo broos
+ als 't ijs waar 't eenen nacht op vroos!
+
+ Het leven is een stap, gesteld,
+ het wiegsken uit, in 't gravenveld!
+ En dan! o Dan, 'k en weet het niet!
+ Hij weet 't alleen, die alles ziet!
+
+ Hij weet 't alleen, 't zij heil of ramp,
+ voor eeuwig, na den wereldkamp,
+ wat dat er ons te wachten staat,
+ wanneer de tijd van sterven slaat.
+
+ o Dan, mijn God, bermhertigheid,
+ gij hebt het aan uw Kruis gezeid:
+ vergeeft mij wat gij weet en ziet.
+ want, wat ik deed en wist ik niet!
+
+
+ XLVI
+
+ Ridder ADOLF LOOSVELDT
+
+ 13 October 1845 -- 20 Junij 1879.
+
+ Thielt -- Zanzibar.
+
+ Held des vreden,
+ overleden
+ op het slagveld, vrij van bloed;
+ g' hebt uw leven
+ God gegeven,
+ gansch en geerne en onvergoed!
+
+ Andren lijden,
+ andren strijden,
+ andren liegen, valsch en schoon;
+ die de wereld
+ 't hoofd omperelt
+ met een ijdele gloriekroon.
+
+ Gij zaagt lijden
+ gij zaagt strijden,
+ gij zeidt: "Op!" en gij waart voort;
+ vriend noch mage en
+ kon u tragen,
+ want gij man waart van een woord.
+
+ Overleden
+ vriend, in vreden
+ bleeft gij voor de Kerke dood:
+ ha, Gods kerke
+ hebbe uw sterke
+ ziele, in haren moederschoot!
+
+ Thielt verloos u,
+ God verkoos u,
+ blijft aan God gejeund voortaan,
+ eeuwig, eeuwig;
+ en wij, leeuwig,
+ zullen we op uw voetspoor gaan!
+
+
+ XLVII
+
+ E.P.C.
+
+ 1880
+
+ Voorbij is 't lijk een zonnestraal,
+ die, uit den hemelwagen,
+ een korten tijd
+ elkeen verblijdt,
+ omtrent de winterdagen.
+
+ 't Was al zoo zuiver, noch 't en heeft,
+ van als het wierd geboren
+ tot op den dag
+ dat 't weg ging, ach,
+ zijne onschuld nooit verloren.
+
+ Het was verstandig, wijs en vroed,
+ en menig mensch met reden,
+ 't zij man of vrouw,
+ niet durven zou
+ naast hem in 't oordeel treden.
+
+ Zoo schikte't God. Een korten tijd
+ verscheen het voor onze oogen,
+ en, op de baan
+ ons voorgegaan,
+ zal 't ons den Hemel toogen.
+
+
+ XLVIII
+
+ TH. S., UURWERKMAKER.
+
+ 1880
+
+ God geeft den tijd bij dag en jaar,
+ ach neen, bij kleene tikskes maar,
+ en 't laatste tikske komt aleer
+ men 't peist of weet, eilaas, te zeer!
+ De wijzer wijst elke uur en tijd,
+ maar de uur niet dat gij schuldig zijt
+ te sterven! Zijt dus voorbereid,
+ de wijzer wijst naar de eeuwigheid.
+
+
+ XLIX
+
+ FELIX A. J. Baron BETHUNE
+
+ 12 Junij 1789--28 Sept. 1880
+
+ Ik heb gekend dien ouden grijsgedaagden,
+ dien fellen, goeden, welgezinden man;
+ dien blijden ouderling, dien sterken, onversaagden,
+ dien edelen mensch, dien christenen! 'k En kan
+ geen dag mij brengen dien ik leefde weer te binnen
+ dat hij niet oud en sterk, en jong en was van geest:
+ hij scheen onsterflijk. Ja, onsterflijk is 't beminnen
+ dat hij verwekte en dat hem volgen zal, nu meest
+ dat hij is weggegaan en ijdel heeft gelaten
+ die groote en edele plaats, die eens zijn naam besloeg:
+ nu dat hij, goedgekeurd van God, en t'zijnder baten,
+ ter onzer niet, ontging eilaci, veel te vroeg!
+ Hij leefde eene eeuw bijkans, lijk Pius, dien hij eerde,
+ en die den grijzen zoon, gekend en hoog geschat,
+ zijn koninklijke blasoen vertreflijkte en vermeerde,
+ met 't graaflijk edelzijn der Roomsche wereldstad.
+ Hij 'n stierf niet, hij verdween; hij 'n krankte niet, maar zwijgend,
+ zoo scheen hij, al met eens verrukt, als naar een stem
+ te luistren, die hem sprak onhoorbaar... tot dat, hijgend,
+ hij eindlijk henentoog, hij, 't beste deel van hem,
+ zijne edele en vranke ziel! -- Vaartwel dan, oude vader,
+ gaat, gaat, wij jeunen 't u bij duizenden, beweend
+ van droefheid, blij nochtans; treedt God voor altijd nader,
+ en blijft met ons, in Hem, onsterfelijk vereend!
+
+
+ L
+
+ E.D.V.
+
+ 1881
+
+ Die altijd, eere en plicht getrouw,
+ goe man, goe vader, kind en vrouw
+ beminde en was bemind ervan,
+ zou zulk een kwalijk sterven dan?
+
+ Al stortt' hij onder 't vier en 't lood,
+ al sloeg de donder zelv' hem dood,
+ of was 't een moordnaars schuld, nog dan
+ geen ware Christen schrikte ervan.
+
+ Neen, niemand weet hoe wonder dat
+ God alles wel te zamen vat
+ dat is en zal zijn; geen en kan
+ doorgronden 't diep geheem daarvan.
+
+ Bij hem die waakt ten allen tijen,
+ daar zult ge uw vader wederzien,
+ o kind; en, vrouw, den braven man
+ zult ge eeuwig blijven hebben dan!
+
+
+ LI
+
+ M.V.J.M.V.
+
+ 1881
+
+ 't Was 't uwe en 't onze, eilaas,
+ en, hadde 't mogen leven,
+ 't waar' 't onze en 't uwe, o God,
+ zoo hope ik wel gebleven!
+
+ Waarom dan? Neen, waarom
+ en vrage, en rade ik niet:
+ ik berg mijn tranen, en...
+ dat Gij wilt is geschied!
+
+ 'k Ben blijde, intusschentijd,
+ dat 't zielken onzer ziel,
+ na eenen lach met ons
+ gewisseld, U beviel;
+
+ en, U bevallend, dat
+ ons aldereerste kleentjen
+ voor eeuwig worden mocht
+ ons zalig Madeleentjen!
+
+
+ LII
+
+ J.B.B.
+
+ 1881
+
+ Welaan, mijn weerde dienaar, lang
+ genoeg hebt gij den rechten gang
+ gevolgd, dien 'k uwe ootmoedigheid
+ met loonbelofte had voorgeleid.
+
+ Gij hebt voor mij veel meer gedaan
+ als Vorsten die daar slagen slaan,
+ die winsten doen en, jammer dies,
+ die stervend doen meest al verlies.
+
+ Uw sterven wel was 't voorbedacht,
+ want veerdig waart gij, dag en nacht,
+ om, altijd en met neerstigheid,
+ te doen dat u was opgeleid.
+
+ 't Zij wie, met recht, u gaf bevel,
+ gij hoordet en gij deedt het wel,
+ en altijd hebt ge uw Meesters woord,
+ of waar 't mijn eigen, wel aanhoord.
+
+ Verblijdt u, goede knecht, voortaan;
+ gij hebt mij grooten dienst gedaan,
+ in de alderminste kleenigheid:
+ verblijdt u in der eeuwigheid!
+
+
+ LIII
+
+ S.V.C.
+
+ 1881
+
+ 'k En trok mij al 't geweld niet aan
+ der wereldlijke zaken,
+ maar 'k wilde, langs de nauwe baan
+ met d' hulpe Gods, geraken
+ tot in dat land, waar ze altemaal
+ gerechtigd zijn te wenschen
+ hun erflijk deel, 't zij rijke of kaal,
+ 't zij groote of kleene menschen.
+ Hoe kleender hier, hoe grooter daar,
+ dat heeft God zelf gesproken,
+ en God en heeft zijn woord, voorwaar,
+ noch nu noch nooit gebroken.
+ 'k Verwachte u, man, en kind, en al,
+ 'k verwachte u, naastbestaanden:
+ de nauwste weg u leiden zal,
+ verzaakt den breed gebaanden,
+ dien velen volgen, rijke en groot,
+ benauwd van iets te derven
+ dat goed is, maar, dat, na de dood,
+ eilaas, doet eeuwig sterven!
+
+
+ LIV
+
+ E.H. DHOOP
+
+ Thielt 1840--Dixmude 1881
+
+ Die steen weersta den tijd, zoo lang
+ er menschenherten leven;
+ Hij teekne 't graf met eere en dank
+ door vrienden hier verheven;
+ 't bedekt het stof van een die, 't leed
+ van iedereen indachtig,
+ te snel zijn eigen leven sleet:
+ hem loone God almachtig!
+
+
+ LV
+
+ M.V.V.
+
+ 1881
+
+ Bermhertig weest mij, God,
+ met 't aldermeeste erbarmen,
+ en houdt mij, schuldenvrij,
+ in uw' almachtige armen!
+
+ Besproeit mij met hyssoop
+ en wascht mij witter dan
+ ooit versch gevallen sneeuw,
+ ooit lijnwaad wezen kan!
+
+ Verleent dat mijn gehoor
+ uw' hulp vernemend zij,
+ en maak 't gevelde stof
+ van mijn gebeenten blij!
+
+ Ge aanveerdt den geest die rouw
+ en leed heeft in zijn schuld,
+ en 't nederig boetend hert
+ Gij nooit versmaen en zult!
+
+ Dan, luistert, o mijn God,
+ vol goedheid, naar mijn stem,
+ en zet mij zetelvast
+ in 't hoog Jeruzalem!
+
+
+ LVI
+
+ F.J.P.
+
+ 1881
+
+ Moe en tendenuit versleten
+ zat en zuchtte ik, jaren lang,
+ om weer los, en van de keten
+ vrij, te gaan den vrijen gang.
+
+ Los en vrij dat wierd ik heden,
+ En al 't gene ik meest ontzag,
+ 't gaf mij, oud en stram van leden,
+ weer den jong- en vrijen dag.
+
+ Al die sterven zult, onthoudt het:
+ 't leven is een blijde baan
+ maar voor hem, die altijd houdt het
+ sterven in zijn oogwit staan.
+
+ Leeft en leert dus allen sterven,
+ gij die groot zijt en die kleen;
+ gij die 't waar geluk wilt erven,
+ 'k wete 't, daar en is maar een!
+
+ Dat zult gij ook zelve eerst weten
+ en genieten, zoo 'k betrouw,
+ als gij vrij zult van de keten
+ zijn daar ik ben, vriend en vrouw!
+
+
+ LVII
+
+ M.L.V.D.B.
+
+ 1881
+
+ Voor velen is de weg naar Lourdes hooge steden
+ een hoopverwekkend gaan, vol lof- en dankgebeden,
+ en 't wederkeeren wordt door velen, in hun land,
+ als of 't een bruiloft waar', gevierd ten allen kant.
+
+ Eilaas, zoo ging ik ook, vol hopende gepeinzen,
+ om troost in mijn verdriet, van hier naar Lourdes reizen,
+ en 'k wenschte al 't gene God, met Onze Lieve Vrouw,
+ had best voor mijne ziel beschikt, dat 't wezen zou.
+
+ Triomph, het is geschied! Geloofd zij God! Genezen
+ en mocht ik van de kwaal des lichaams wel niet wezen,
+ maar hooger giften gaf mij, op Maria's woord,
+ die God, die altijd elk na zijn beliefte aanhoort:
+
+ 'k Genas van al 't verdriet, van al de droeve plagen,
+ die velen nog na mij, die mensch zijn, zullen dragen;
+ 'k genas, om nimmer meer te kranken, en om, blij,
+ voor eeuwig God te zien, van zucht en tranen vrij!
+
+
+ LVIII
+
+ H.N.
+
+ 1881
+
+ Eilaas, eilaas,
+ ze zijn zoo dwaas
+ die, van hun jongste dagen
+ voor de eeuwigheid,
+ die elk verbeidt,
+ in tijds geen zorge en dragen!
+
+ Ik stierf, al was
+ ik wel te pas
+ en op geen dood aan 't peizen,
+ en, onverwacht,
+ het minst gedacht
+ en hadde om weg te reizen!
+
+ Niet el en kan
+ 't gevolg daarvan
+ voor mijne ziel nu baten,
+ 't en zij dat ik
+ geen oogenblik
+ en hebbe ooit God verlaten.
+
+ God weet dat, Hij
+ die stierf voor mij,
+ en, stervend, heeft verworven
+ dat ik met al
+ niet vreezen zal,
+ hoe haastig ook gestorven.
+
+
+ LIX
+
+ G.J.G.M.
+
+ 1881
+
+ Welkom, kindtje, in d'Hemelzalen,
+ 'k liet u van mijn' Englen halen
+ uit des werelds doolwoestijn;
+ Vader, Moeder, wilt niet weenen,
+ omdat 't oudste der twee kleenen
+ al zoo vroeg mocht zalig zijn.
+
+ Zorgt voor 't andre, en laat geen listen
+ 't dierbaar schaapke mij betwisten,
+ dat ik u te weiden liet:
+ weidt het zoo dat, Vader, Moeder,
+ gij uw kind, -- en dat zijn broeder,
+ 't Zusterken -- eens wederziet!
+
+
+ LX
+
+ L.P.D.
+
+ 1881
+
+ o Kwaad om gaan is 't achter 't leven:
+ men valt zoo lichte, aleer men 't weet!
+ Wel hem dien vrienden hulpe geven,
+ die handen trouw zijn hert besteedt,
+ wanneer hem eens de felle winden
+ onvoetvaste en schier vallend vinden!
+
+ 'k En wist het niet, en, blij geboren,
+ voorspelde ik mij geen zielsgevaar:
+ eilaas, ik heb den weg verloren
+ en hulploos ging ik vallen, maar
+ een laatste vriend heeft me ondervangen,
+ een vriend dien 'k aan een kruis zag hangen.
+
+ Gekruiste God, zijt honderd malen,
+ mij welkom, want Gij, liefgetal,
+ mij achtervolgd hebt, op mijn dwalen;
+ zijt welkom, ach, met kruis en al:
+ ik wil 't U lijdzaam helpen dragen
+ en u, mijn God, vergifnis vragen!
+
+ Vergifnis, die mij hebt geschapen,
+ die mij verlost hebt, en gered:
+ vergifnis, eer ik valle in slapen
+ met U, op 't eendlijk folterbed:
+ o Jesu, wilt me, in 't ander leven,
+ vergifnis en verrijsnis geven!
+
+
+ XLI
+
+ J.M.E.H.B.
+
+ 1881
+
+ 'k En heb niet lang geleefd, maar lang geleden;
+ 'k heb weinig blijdschap, droefheid veel gezien;
+ hoe vaart het mij, in de eeuwigheden,
+ geen droefheid en geen lijden meer te lijen!
+
+ Zoo is het in dit ballingschap der aarde:
+ 't geluk is kort, eilaas, en 't lijden lang;
+ 't Is nacht aleer de middag klaarde,
+ en ruste en is het nimmer, zonder dwang!
+
+ Niet zoo en is 't bij ons; die hooger steden
+ bewonen, en, onsterfelijk voortaan,
+ al 't lijden hebben uitgeleden,
+ en in de blijdschap eeuwig blijven staan.
+
+ Geliefden, niet terug-, niet omgekeken:
+ alhierwaards is de weg, de zaligheid;
+ de waarheid Gods is mij gebleken,
+ u zal zij blijken: volgt me, en weest bereid.
+
+ Want 't komt een dag weleens, van al de dagen
+ de schoonste, vol onsterfelijk genot,
+ dat wij, die hier ons scheiden zagen,
+ en weenden, weer te zamen zijn bij God!
+
+
+ LXII
+
+ A.B.
+
+ 1881
+
+ Ik ben bij U, Maria zoet,
+ getrouwig blijven staan,
+ tot dat de jubelkroone mij
+ wierd om het hoofd gedaan.
+
+ Ik was bij U te Bethlehem,
+ in 't moederlijk genot,
+ naast U volgde ik Calvariewaard
+ uw' Zone en mijnen God.
+
+ Gij hiet zijn Kruis mij dragen en
+ Hij deed mij vroolijk zijn,
+ U volgende in de blijdschap en
+ U volgende in de pijn,
+
+ tot op dien alderlaatsten van
+ de dagen, als Gij, teer,
+ bij mij kwaamt, mij versterken met
+ het Kruis van mijnen Heer.
+
+ In 't Kruise, in U, o Moeder, dan
+ zoo hope ik, onvervaard,
+ dat Gij mij zult voltoogen nu
+ den Kruisweg Hemelwaard!
+
+
+ LXIII
+
+ V.J.
+
+ 1881
+
+ 'k Geloove dat Hij leeft, die 't leven schiep
+ en elk verwekken zal die ooit ontsliep
+ of scheen in 't graf te dalen.
+
+ 'k Geloove dat de loon de werken dekt
+ en overmild vergeldt, ja, verder strekt
+ als 's levens wijdste palen.
+
+ 'k Geloove dat gij, Moeder, moe gewrocht
+ en moe geleden, eindelijk los gerocht
+ van 's werelds dienstbaarheden,
+
+ in Hem nu rust, in wien gij Christen wierdt
+ en, met Geloove en Liefde en Hoop versierd,
+ zijt in Gods rijk getreden.
+
+ 'k Geloove dat, op de oude rots gestaan,
+ gij weerdig hebt dit leven doorgegaan
+ en zijt alsnu gerezen
+
+ waar, Moeder, gij uw kindren, trouw en goed,
+ naartoe wenkt, en voortaan verlangen doet
+ om weer bij u te wezen!
+
+
+ LXIV
+
+ C.V.
+
+ 1881
+
+ Zij heeft de waarheid Gods, zijn goedheid ondervonden,
+ die mocht den laatsten stap van hare levensbaan,
+ gelijk den eersten, schuldloos gaan
+ en vrij van alle zonden!
+
+ Maria ging haar voor en zij kwam nagetreden,
+ getrouw, van kindsbeen af, en, kinderlijk gezind,
+ zoo heeft zij hare plicht bemind
+ en haren last geleden.
+
+ Geen sterven was 't voor haar, veel eerder zegepralen,
+ op 's werelds erg bedrog: het was ontlaten zijn,
+ van Adams ballingstraffe en pijn,
+ en de oude schuld betalen.
+
+ Zij stierf den dag dien God voor haar had uitverkoren
+ 't was op de blijde feest wanneer Hij nederkwam:
+ als van Maria 't Godlijk Lam
+ wierd in een stal geboren.
+
+ Lam Gods, zij hare ziel dan licht en rust gegeven!
+ Maria, toogt dat Gij haar Moeder waart, en dat
+ nooit kind dat zulk een Moeder had
+ en miste 't eeuwig leven!
+
+
+ LXV
+
+ G.J.N.
+
+ 1881
+
+ Een Engel te meer heeft het leven verhandeld,
+ het tijdlijk gewisseld om 't eeuwig genot!
+ "Wat is het?" Zoo komt men van 't kerkhof gewandeld,
+ en zegt: "'t Is hem beter, veel beter bij God!"
+
+ Veel beter is 't hem, maar eilaas, zij die blijven,
+ zij, Vader en Moeder, hun leven, hun bloed,
+ hun hoop, hunnen troost, al in de eerde zien drijven...
+ die wonde, die diepe is 't, die 't meelijen verzoet!
+
+ Dan, troost u, zijt Christnen: die 't kind heeft gegeven
+ is Meester van alles, en 't kind u vergoen,
+ dat wil en dat zal Hij: is Hij u gebleven,
+ wat kan u, die God nog hebt, wanhopen doen?
+
+ Staat op, en ziet hemelwaards, pelgrims der aarde,
+ die werken en slaven moet, loon is nabij:
+ God leeft nog, God waakt nog; die niemand en spaarde,
+ de Dood zal eens dood zijn, en leven zult gij!
+
+
+ LXVI
+
+ G.K.D.
+
+ 1882
+
+ Te jong en niet te jong, eilaas, is hij geleden
+ naar 't eeuwig land, daar elk naartoe ziet, die nog leeft!
+ Te jong, zoo spreekt allicht de menschelijke reden,
+ die, diep getroffen, haast geloove en hope ontgeeft.
+
+ Te jong en is het niet, om pijne en smert te laten;
+ om, vrij van al 't gevaar dat deze wereld brouwt,
+ te rijzen boven 't stof der menschelijke staten,
+ en eeuwig vrij te zijn, zegt hij die hooger bouwt.
+
+ Vaartwel, En laat ons niet beroofd van uw gebeden,
+ o broeder: balling zijn wij, ver van u, voortaan.
+ Vergeet ons immer niet, die lastig achtertreden,
+ en die, nog ongetroost, den weg des werelds gaan!
+
+
+ LXVII
+
+ R.F.D.
+
+ 1882
+
+ 't Geweld des waters kwam tot in
+ mijn huis, en al de banden
+ des lichaams voelde ik, neergeveld,
+ hoe ze, een voor een, ontspanden!
+ Geen hope op medicinen meer,
+ geen hulpe in 's menschen krachten!
+ van U alleen bleef hulpe, o God,
+ bleef alles af te wachten.
+
+ Gij riept: ik kwam. Geen tegenzeg
+ en lag in mijne woorden,
+ omdat ik zelf, mijn hert, mijn al,
+ van jongs U toebehoorden,
+ die eerst mij dedet hopen, en
+ die, op den dag van heden,
+ getrouwig liet uw huis en erf
+ mij zalig binnentreden.
+
+ Een ander water vloeit alhier,
+ en blijdt het huis des Heeren:
+ Gij zelve zijt die Levensbron,
+ en, mocht ik wederkeeren,
+ 'k en kwam maar om de liefste, die 'k
+ op de aarde liet, te manen:
+ Vergeet uw vrouw, uw Moeder niet,
+ noch 's Hemels rechte banen!
+
+
+ LXVIII
+
+ F.M.V.
+
+ 1882
+
+ Ik was hetgeen gij zijt, en meer als u misschien
+ heeft mij de hand van God verleend en toegegeven
+ al 't geen men in een kind zoo geren pleegt te zien,
+ van jonkheid, levenslust en kracht om lang te leven.
+
+ Wat blijft mij nu daarvan? Dat zelve en is mij niet,
+ dat onverliesbaar scheen, standvastig aangebleven!
+ Ik ligge in 't duister graf, geen mensch meer die mij ziet,
+ en met een enkel woord is heel mijn lot beschreven!
+
+ Toch neen! Mijn Schepper leeft, mijn hoop, mijn toeverlaat,
+ die waakte op mij wanneer, de wereld ingedreven,
+ ik vallen zou; Hij die mij heeft, in de overmaat
+ van zijn bermhertigheid, een helpend hand gegeven!
+
+ o Jesu, blijft mij toch indachtig, en gedenkt
+ dat niemand op U steunt, of had hij 't al bedreven,
+ die zonder hope zal voor altijd zijn gekrenkt,
+ en 't zalig deel beroofd van 't eeuwigdurend leven!
+
+
+ LXIX
+
+ H.L.V.
+
+ 1882
+
+ o Schoone onnoozelheid
+ waar zijt gij nog te vinden,
+ of tref ik nievers meer
+ uw aanschijn? Inderdaad,
+ zijt gij voor goed verhuisd,
+ of door de felle winden
+ des werelds afgeroofd
+ uw deugdelijk sieraad?
+
+ Daar dook nog eene, eilaas,
+ zorgvuldig weggescholen;
+ daar wist ik en daar ging
+ ze ik wondren, nu en dan;
+ en ziet, daar is ze voort,
+ door de Engelen gestolen
+ en in den Hemel, eer
+ ooit wereld wist ervan!
+
+ Vaarwel, en laat ons al
+ voortaan in d'hoogten schouwen,
+ om troost, bij al het kwaad
+ dat deze wereld krenkt;
+ een vasten voet daarheen
+ en vaste blikken hou'en,
+ waar gij uwe oud'ren, kind,
+ en uwe vrienden wenkt!
+
+
+ LXX
+
+ E.I.V.D.B.
+
+ 1882
+
+ Al dat geboren is moet sterven en 't bekoopen
+ dat Adam, stervensvrij, de onsterflijkheid verloos,
+ terwijl hij, zijn gedacht laatdunkend nageloopen,
+ het willen Gods verzaakte en satans willen koos.
+
+ Eilaas geen hope meer, de dood, eens ingelaten,
+ zit wakende in de lucht, in 't leven, in het bloed;
+ men kent geen artsenij die heur vergif kan baten,
+ men maakt geen wet die ooit heur wet ontwijken doet!
+
+ Men leeft al sterven, en elk pulsslaan brengt ons nader
+ den afgepaalden tijd, die onzen loop gezet,
+ ons wedergeven zal in d'handen van den Vader,
+ dien wij aanbidden in ons dagelijksch gebed.
+
+ Hij wacht ons altemaal, Hij roept ons, en de dreven
+ naar hem toe, wijst Hij, vol bermhertigheid, ons aan,
+ opdat geen een van al zijn' kinderen, die daar leven
+ en sterven zullen, ooit voor goed zou sterven gaan!
+
+
+ LXXI
+
+ K.C.S.
+
+ 1882
+
+ Soldaten, die, nog jong, terwijl 't kardatsen dondert,
+ hun leven wagen, met 't moorddadig staal in d'hand,
+ die heet men helden, die vereert men, en bewondert:
+ voor eeuwig strekt hun naam tot eer van 't vaderland.
+
+ Waarom? En is 't verdiend, wie zal dan die vergeten,
+ die brave vaders, die, voor vrouwe en kind, bereid
+ te sterven dag en nacht, hun arme brokken eten,
+ niet wetend waar de dood hen onvoorziens verwacht?
+
+ 't Zijn helden dat: hun Vrouw, hun kinders mogen toogen
+ hun aanzicht onbeschaamd; en die ze bedelen liet,
+ of weigerde, als hij kon, hun tranen af te droogen,
+ verdiende, neen, den naam van mensch noch christen niet!
+
+
+ LXXII
+
+ M.T.D.
+
+ 1883
+
+ Vergeet ze niet
+ die, al heur leven,
+ is God en plicht
+ getrouw gebleven:
+ die man en kind,
+ die maag en vriend
+ tot voorbeeld heeft
+ en troost gediend;
+ die moe gevrocht,
+ die moe geleden,
+ een beter land
+ is ingetreden,
+ alwaar zij u,
+ vergeet ze niet
+ en bidt voor haar,
+ eens wederziet!
+
+
+ LXXIII
+
+ J.M.
+
+ 1883
+
+ Het water heeft mijn ziel gered,
+ wanneer ik, kind geboren,
+ door Vader Adams schuld belet,
+ het leven had verloren.
+
+ Het water heeft mijn lijf ontsteld
+ en lang heb ik geleden,
+ tot dat het, bij een laatst geweld,
+ is in mijn hert getreden.
+
+ Ik ga verzinken! Laat, o God,
+ uw helpend woord verschijnen:
+ de hand mij vat: op uw gebod
+ zal al 't gevaar verdwijnen!
+
+ God hielp mij, in den nood, en ziet,
+ zijn hand gebood de baren
+ met mij en mijn betrouwen niet
+ den afgrond in te varen.
+
+ De have blinkt, het kruis komt mij
+ van verre al tegenstralen:
+ ach, vrienden, bidt, en helpt mij vrij
+ voor eeuwig zegepralen!
+
+
+ LXXIV
+
+ O.B.
+
+ 1883
+
+ Te vroeg eilaas, voor ons, is zij gestorven,
+ voor haren man, voor iedereen
+ die weet hoe goed zij was, hoe onbedorven
+ van zeden, al van kindsgebeen!
+
+ Zij wist den weg te Kerkewaard te vinden,
+ des morgens vroeg, en 't zonopstaan
+ voorkwam zij, biddend, bij den welbeminden,
+ naar wien zij is te gast gegaan.
+
+ Te vroeg eilaas, voor ons! Na heur gedachten
+ en was 't te vroeg, en was 't te laat:
+ dat God wilt, dat alleen was heur verwachten;
+ dat God wilt wilde zij. Zoo staat 't
+
+ in 't groot gebed, dat duizendmaal gebeden,
+ zij stervend zei: "Uw wil geschied'
+ als in den hemel op de aarden!" Heden,
+ is 't uw behaag, o Heere, 'n spaart mij niet!
+
+ Zij stierf gerust, getroost, en vast geloovend
+ dat sterven erven is, voorwaar,
+ en vrijgevochten zijn van 't alberoovend,
+ van 't albedervend zielgevaar.
+
+ Zij stierf gerust, en wacht alree de stonden
+ dat zij en man, en vriend, en al,
+ die zij gesticht heeft hier, eens weergevonden,
+ daar, en voor goed, herkennen zal.
+
+ Vaartwel, dan, edele ziel, gekend van geenen,
+ 't en zij van God, en van misschien
+ een vriend of twee, onvalsch, die weenen
+ omtrent uw graf. -- Tot wederzien!
+
+
+ LXXV
+
+ A.L.W.
+
+ 1883
+
+ De dood klopt altijd voort op rijk en arme deuren;
+ 't zij jong of oud, 't moet al de bittre dood betreuren
+ en sterven onverwacht, ha dikwijls onbereid,
+ dat leeft! Er ware niets, en ware de eeuwigheid!
+
+ o Dood, gij scheent zoo verre, en, volgend mijne voeten,
+ daar waart gij, eer ik wist dat ik ging sterven moeten:
+ maar sterker hand als de uw' had mijne hand geraakt,
+ en stervend heeft God zelf mij van u vrij gemaakt!
+
+ o Dood, waar is uw straal? o Zonde, waar uw keten?
+ Gods heilig sacrament heeft beide intween gesmeten,
+ en, rijzende uit het graf en uit de ziekte fel,
+ vare ik naar de eeuwigheid, met God voor reisgezel!
+
+
+ LXXVI
+
+ E.D.
+
+ 1883
+
+ Elodietje, moe geleden,
+ moe gepijnd en moe gestreden,
+ is te ruste, 't slaapt voortaan.
+ 't Maagdenblomke, 't fijn van blaren,
+ heeft gebloeid hier, twintig jaren,
+ en 't is weer tot God gegaan!
+
+ Ach, zijn lijk, hoe eerbiedwekkend,
+ zijn twee oogskes nederig dekkend,
+ wit als was, en, om te zien,
+ lachend, zoo het loech, nog heden,
+ als 't, in al zijn' lieflijkheden,
+ stierf! Of leeft het nog misschien?
+
+ Neen 't, 't en leeft niet meer; ontslapen,
+ heeft het God, geheel herschapen,
+ en zijn eigen beeld, vol eer',
+ ongeschonden, weergenomen,
+ zoo 't in hem was neergekomen,
+ toen Hij 't schiep, den eersten keer!
+
+ Ach, onsterflijk beeld, staat binnen
+ ons gemoed en onze zinnen;
+ dat, aan iedereen bekend,
+ 't maagdenblomkens uitverkoren,
+ edel voorbeeld, onverloren
+ blijve, in onze ziel geprent!
+
+
+ LXXVII
+
+ F.D.C.
+
+ 1883
+
+ Een brave man was hij, oprecht, en in geen doeken
+ en lag zijn hert, maar op zijn bloote hand te zoeken,
+ en op zijn tonge, die de rechte waarheid sprak,
+ 't zij wien zijn ruwe deugd ooit mee- of tegenstak.
+
+ Hij diende. Diende God in al die hem geboden,
+ maar anders geen van al de valsche wereldgoden
+ en was hij slavelijk verbonden. Vrouwe en Kind,
+ zijn Meester en zijn Werk, naast God van hem bemind,
+
+ getuigen 't openbaar, beschamend onze tijden.
+ Die een uit honderd was, hij komt dan te overlijden!
+ God ruste zijne ziel! En, als voor hem en al
+ die leefden de ure slaat dat elk herleven zal,
+
+ dat zijne vrienden toen, hem kennend, zeggen mogen:
+ Gods woord is waar, hij sprak, nu zien wij 't, onbedrogen,
+ dat wel doen op der aard wel hebben doet nadien,
+ en 't eeuwig Licht, voor loon, en 't eeuwig leven zien.
+
+
+ LXXVIII
+
+ J.F.R.
+
+ 1883
+
+ 't Zij kort of lang, waarom is 't dat wij leven,
+ 't en zij om God, met winste weer te geven
+ hetgeen Hij ons verleende, en onzen keer
+ van sterven af te wachten van den Heer?
+
+ Ik was bereid om, op het eerste manen,
+ met licht in d'hand, kloekmoedig mee te gaan, en,
+ zoo Jesus deed, na lijden fel en groot,
+ de hemelvaart te winnen, door de Dood.
+
+ Ik was bereid; ik stierf, en, van die stonden,
+ hebbe ik het licht des levens weergevonden;
+ en, nu dat ik gestorven ben, o Heer,
+ en U aanschouwe, en sterve ik nimmermeer!
+
+
+ LXXIX
+
+ HENDRIK CONSCIENCE
+
+ 3 Dec. 1812 * 10 Sept. 1883.
+
+ Hij was begaafd van God, den Gever en den Nemer;
+ God gaf, God nam hem ons; maar, wijl hij onzer was,
+ omstraalde Vlanderland -- hoe prachtig! -- het geschemer
+ van eenen Geest, die, als een helder spiegelglas,
+ het schoone, en 't reine, in hoog- en wijder wereld woonend,
+ ons ongeduisterd en verrukkend wedergaf!
+
+ Men zegt: "Hij is niet meer," en, zijne werken kroonend,
+ aanschouwt men hopeloos des werkmans duister graf.
+ Neen, hier en is hij niet; neen, weg is hij, gerezen
+ weer in 't geboorteland zijns zelfs; nu vrij en vrank,
+ zoo hopen wij, van al dat ooit in hem mocht wezen,
+ van aardsche krankheid of geleden menschendwang!
+
+ Conscience ontvong van God, Conscienc' heeft weergegeven,
+ aan God en aan zijn Volk, tot op den laatsten dag;
+ en, is hij andren dood, ons zal hij eeuwig leven,
+ die bidden, zoo als Hij met ons te bidden plag!
+
+
+ LXXX
+
+ C.D.S.
+
+ 1883
+
+ De mensch en weet vandage niet
+ wat morgen hem kan bringen,
+ noch hoe, noch waar de felle dood
+ hem in den weg zal springen.
+
+ Gevreesde dood, hoe onbereid
+ moet gij er velen treffen,
+ die sterven, en wat sterven is
+ ach, nauwlijks en beseffen!
+
+ Zij wist en zij besief het wel,
+ die trachtte alzoo te leven
+ dat zij 't vermaan niet vreezen moest
+ dat haar de dood zou geven.
+
+ Zij stierf gerust, lijk iemand die,
+ bescheed in korte stonden,
+ heeft, vragend, naar het Vaderland
+ den rechten weg gevonden!
+
+
+ LXXXI
+
+ M.K.D.
+
+ 1883
+
+ Getuige van voorleden dagen,
+ voorleden deugden dank en trouw,
+ heeft ze altijd hoog den moed gedragen
+ en God gezocht, de eerweerde vrouw.
+ Zij zag heur kindren eerlijk groeien,
+ en 't kind van kinde aanzijds heur bloeien;
+ en zocht geen rijkdoms wankelend goed:
+ zij zocht alleen dat 't vinden weerd is,
+ dat minst gezocht, dat minst begeerd is,
+ dat eeuwig wel en rijk zijn doet.
+ Dat zocht zij lange: Op 't laatst, gevonden,
+ weerklonk het woord, en, losgebonden,
+ zoo sprong de ziele, kiste en graf
+ ontvlucht, heur oude ketens af.
+
+
+ LXXXII
+
+ C.M.D.H.
+
+ 1883
+
+ Hoe hooge en schoon
+ zij blad en kroon,
+ hoe vol van levenskrachten;
+ hoe fel gegroeid,
+ hoe blij gebloeid,
+ en wilt het al niet achten!
+
+ het keeren van
+ den zomer kan
+ doen sterven en doen vallen
+ het jongste schoon,
+ de blijdste kroon,
+ de vroegste jeugd van allen!
+
+ Gij hebt, o Heer,
+ nog vooraleer
+ zij vallen zou, gevangen
+ heur schoone ziel,
+ en, eer ze viel,
+ bleef ze in uw handen hangen!
+
+
+ LXXXIII
+
+ P.J.S.
+
+ 1883
+
+ Hoe menig boom heeft zijne hand
+ gekort, gezaagd, in Vlanderland,
+ en nu ligt hij, een roerloos lijk,
+ in berd gekleed, op 't aarderijk!
+
+ Hoe menig wiel, hoe menig rad
+ van hem zijne rechte rondheid had,
+ die 't hebben moest, om voort te gaan:
+ het wielt rolt nog, de man bleef staan.
+
+ Hoe menig stoot, hoe menig slag
+ en gaf hij niet, bij nacht en dag,
+ die neerstige, onvermoeide man,
+ die nu geen hand meer roeren 'n kan!
+
+ Hij wist het wel, en wakker zocht
+ hij God alleen, in 't geen hij wrocht:
+ zoo werkend heeft hij lang gestaan,
+ zoo stervend heeft hij loon ontvaan.
+
+
+ LXXXIV
+
+ L.C.
+
+ 1884
+
+
+ Zoo wordt het goud, in 't scherp geweld
+ des viers, geproefd en vrijgekweld
+ van alles dat bederfenis
+ omtrent hem, en geen goud en is.
+
+ Zoo wordt de mensch, -- gelukkig hij
+ die 't wel verstaat! -- ten allen tij,
+ nu meer, nu min, in 't vier bedroefd
+ der kwellinge, en van God geproefd.
+
+ Hoe klaar en moet de ziel niet zijn,
+ die, losgemergeld door de pijn,
+ die uitgeleden, uitgeteerd,
+ wordt eindlijk Gods aanschouwen weerd!
+
+ Zoo waart gij, Leo, lijdend hier
+ zachtmoediglijk uw vagevier,
+ waardoor gij, uwe maat gevuld,
+ nu blinkt en eeuwig blinken zult!
+
+
+ LXXXV
+
+ C.T.
+
+ 1884
+
+ "Uwe ooge, is 't dat ze eenvoudig zij
+ van inzicht, al uw leven
+ zal klaar zijn als uwe ooge, en vrij
+ van zonden": 't staat geschreven.
+ Geen duisternis, geen doling dan,
+ al waart gij blind van oogen,
+ geen valschheid die den weg u kan
+ verzeggen of mistoogen.
+
+ Eenvoudig was zij, herte en al,
+ van in heur jongste jaren;
+ en, kwam heur leven 't ongeval
+ des blinden dags bezwaren,
+ ze 'n doolde noch ze 'n faalde niet,
+ in 't zoeken van de waarheid;
+ zij vond hetgeen zij eeuwig ziet
+ nu, hopen wij: Gods klaarheid!
+
+
+ LXXXVI
+
+ R.A.H.
+
+ 1884
+
+ Dat haar brave ziele in vreden
+ ruste, en in alle eeuwigheden
+ God geniete, los en vrij
+ van des lichaams heerschappij.
+
+ Vreedzaam en eenvoudig leven,
+ elk ende een het zijne geven,
+ God vooral, tot tenden toe,
+ dat en wierd zij nimmer moe.
+
+ Moe geleden was ze, en zeker
+ dat de dood, de bandenbreker,
+ komen zou, en traagskens kwam
+ om heur laatste levensvlam!
+
+ Rust en vrede vroeg zij, vragend,
+ maar den uitstel niet beklagend;
+ ja, met liefde leed zij hier,
+ een langdurig vagevier!
+
+
+ LXXXVII
+
+ L.E. VANDERGHINSTE
+
+ 1884
+
+ O stil en zwijgend graf,
+ wien hebt gij ons gestolen?
+ Hoe! stemloos hem in uwen schoot geleid,
+ en aan de rust bevolen,
+ wiens ziele rusteloos,
+ placht onze ziel te dragen,
+ met klank en stem,
+ tot voor den troon van Gods aanbidlijkheid!
+ Geeft weer, o graf, geeft weer,
+ hetgeen wij biddend vragen:
+ geeft weer ons zijne kunst,
+
+ zijn hert: o, al dat hij
+ verhoopte, geeft het ons
+ en hem; en dat het zij,
+ door God, bevrijd voortaan, o dood, van uwe slagen!
+
+
+ LXXXVIII
+
+ M.J.J.R.
+
+ 1884
+
+ Waarom en toefde 't niet,
+ 't zoo rijk begaafde,
+ 't zoo liefdeweerd, 't zoo liefdewinnend hert,
+ dat ons en aller herten laafde
+ met blijdschap eens, en nu eilaas, met bittre smert?
+
+ Waarom en toefde 't niet,
+ om groot te groeien,
+ om blij te zijn, om elk te maken blij?
+ Wat baat het, nog zoo snel te bloeien,
+ zoo niet de rijpe kroon de vrucht des bloeiens zij!
+
+ Het kind was rijpe alree
+ voor klaardere oogen
+ als die des menschdoms, stedevast op de aard:
+ wilt, ouders, wilt uw tranen droogen,
+ en kijkt, daar wacht het u, en kijkt ten hemelwaard!
+
+
+ LXXXIX
+
+ M.L.D.S.
+
+ 1884
+
+ 'n Betrouwt de jongde niet van uw gezonde dagen,
+ die mij nu ziet gekist en dood naar 't kerkhof dragen;
+ 'n betrouwt ze niet, die, licht dit leven ingegaan,
+ de dood, de zek're dood uit hun gedachten slaan,
+ en leven of zij ook niet eenmaal sterven zouden!
+ De schuld behoort elk eerst in zijn gedacht te houden
+ die onbetaalbaar is, die niemand delgen kan
+ dan met zijn eigne dood, en al 't gevolg daarvan!
+
+ 'k Geloofde, ik hoopte in Hem, en ik beminde Dezen,
+ die nu alleen mij troost kan, hulpe en bijstand wezen;
+ Hem die gezeid heeft, en, verrijzend met der daad
+ bewezen, dat de dood in zijn geboden staat.
+ o Helpt mij allen Hem nu zijn genade ontwerven;
+ en leert, die leeft, ook eens, zoo ik deed, wel te sterven:
+ de kunste is 't leeren weerd van 't gene elk eenmaal doet,
+ en, wel- of misgedaan, 't gene eeuwig blijven moet!
+
+
+ XC
+
+ A.A.T.
+
+ 1884
+
+ Braaf kind van twee brave ouders,
+ God nam van uwe schouders
+ den last des lijdens af;
+ de korte baan des levens
+ schaars in, en gij daarnevens
+ gevallen ligt in 't graf!
+
+ Wie zalder om u klagen,
+ die in zoo korte dagen
+ gewonnen hebt de poort,
+ terwijl wijlieden moeten
+ nog buigen lange en boeten,
+ en strijden immer voort?
+
+ De poort, ach, zijt gij heden
+ des tempels ingetreden;
+ daar bidt voor ons en beidt,
+ tot dat wij winnen mogen,
+ den tempel ingetogen,
+ de kroon ons toebereid!
+
+
+ XCI
+
+ O.S.D.V.
+
+ 1884
+
+ Zij gingen hand in hand, gevolgd van hunne kinderen,
+ te kerk, te werk, voor God en mensch malkaar gelijk;
+ en 't scheen dien blijden tronk geen storm en kon behinderen,
+ geen ramp hem dere doen, als onvoorziens een lijk,
+ een lijk ter aarde daalt, en man- en kindertranen
+ den lof van Moeder doen weerspiegelen in hun wee,
+ die, onvermoeibaar eens, den voorweg plag te banen,
+ en 't schip te helpen door de booze wereldzee!
+ Zij stierf! Zij laat ons na geen schat dien menschen rooven,
+ geen goud, dat kostlijk is, maar veel meer weerden oest,
+ maar veel meer weerden schat van goedewerkenschooven,
+ dien God, in de eeuwigheid, beveiligt voor den roest.
+
+
+ XCII
+
+ A.C.B.
+
+ 1884
+
+ De wereld wist van hem noch goed noch kwaad te melden;
+ zijne ouders, die alleen zijn' jonge jaren telden,
+ bewaarden zijne ziel, niet zonder vrees voorwaar,
+ voor 't menigvuldig wee van 's werelds zielgevaar.
+
+ Zou hij, was hun gedacht, den schoonen hemel binnen,
+ de plaats hem voorbereid eens na dit leven winnen?
+ Zou hij, na onze dood, godsdienstig tot den end,
+ de kroone hebben, aan geen ander toegekend?
+
+ Zou hij... Maar schielijk is de draad kort afgebroken,
+ die hem aan 't leven bond; zijne oogen zijn geloken,
+ eer ze ooit het valsch gelaat des werelds schouwden aan,
+ en nauwlijks uitgezet is hij zoo ver gegaan
+
+ ter reis, dat hem geen macht des vijands achterhalen,
+ geen list des werelds meer kan uit de baan doen dwalen,
+ geen scha meer deren noch geen tijd begrenzen. Dan,
+ God hebbe u, kind, al breekt ons ouderherte ervan!
+
+
+ XCIII
+
+ M.L.C.
+
+ 1885
+
+ o Kind van Maria, ten Hemel gevlogen,
+ genoeg hebt gij hier om uw kroone geleen,
+ en andren genoeg heeft de wereld bedrogen:
+ gij, gij hebt de wereld met voeten getreen!
+
+ o Kind van Maria, 't geluk van uwe ouders,
+ ons voorbeeld, onze eere, in uw schuldlooze deugd,
+ die nooit hebt gedoogd op uw maagdlijke schouders
+ het jok dat zoo velen aanveerden met vreugd!
+
+ o Kind van Maria, gelukkig hierboven,
+ vergeet niet, zoo bidden wij, dragende uw lijk,
+ dat wij, hier vereend om Maria te loven,
+ u volgen, van verre, naar 't hemelsche rijk.
+
+ Ach, helpt ons, bij Haar, die gij reeds mocht aanschouwen
+ om, vrij van de wereldsche boosheid, de baan
+ van 't ware geluk, zoo wij hopend betrouwen,
+ lijk gij, onbesmet, tot den einde te gaan.
+
+
+ XCIV
+
+ DE MOEDER VAN PIETER BENOIT.
+
+ 1885
+
+ Als 't eeuw'ge voor den mensch begint,
+ wat is er lest en best bezind,
+ o gij, die 's werelds eeren
+ gemaaid hebt; gij, wiens naam, vermeld,
+ heel 't menschdom liep rondom gesneld,
+ zoo menig blijde keeren?
+
+ Ik stierf in vrede, hopende en
+ betrouwende, of 'k uw herte ken,
+ dat gij bestand waart tegen
+ des werelds dwang en dwingelandije,
+ des werelds gouden ketens, die
+ zoo lastig neerwaarts wegen!
+
+ Staat op, en volgt uw Moeder na,
+ van God begaafde zanger, ja
+ onsterflijke, en laat hooren
+ uw stemme eens, en vergeet dat niet
+ aan haar die zong uw wiegelied
+ in 's hemels blijde chooren!
+
+
+ XCV
+
+ A.A.
+
+ 1885
+
+ Wie weet er Gods beschik,
+ Gods oordeel, Gods gedachten,
+ Gods Herte, oneindig goed,
+ al zijn bermhertigheid
+ te meten met de maat
+ en 't peil der menschenkrachten,
+ ten oordeele onbekwaam
+ en krank van onderscheid?
+
+ Aan wien heeft God, aan wien
+ die kwam naar hem te trachten,
+ 't zij vroeg of late, aan wien
+ ooit zijn genade ontzeid?
+
+ Zoo bidt voor allen dan,
+ die, eens de dood gesmakend,
+ verschenen zijn voor Hem
+ die gaf zijn dierbaar Bloed
+ ten besten, opdat elk,
+ dit strijdperk uitgerakend,
+ eens kome in vrede, en erve
+ 't alderhoogste goed!
+
+ Ja, bidt, en blijft, ook gij
+ die bidt, uwe ure wakend,
+ want niemand weet wanneer
+ of hoe hij sterven moet!
+
+
+ XCVI
+
+ C.E.D.D.
+
+ 1885
+
+ Gelijk een kranke blom, die op den autaar staat,
+ daar leeft een korten tijd en dan te nieten gaat,
+ zoo blomde' en bloeidet gij,
+ eilaas, en 't is voorbij!
+
+ Gelijk een wassen keers, van leden blank en broos,
+ verrookend nederbrandt en lichtend leeft een poos,
+ zoo stondt en lichtet gij,
+ eilaas, en 't is voorbij!
+
+ Gelijk een wierookgraan, in 't blakend vier geschroeid,
+ een zoeten reuk verspreidt, en dan ten hemel spoeit,
+ zoo leedt en leefdet gij,
+ eilaas, en 't is voorbij!
+
+ o Zuivre maagdenblom, o licht vol deugdzaamheid,
+ o zoete wierookreuk, in 't brandend vier bereid,
+ alzoo verdiendet gij
+ dat ruste en vrede u zij!
+
+
+ XCVII
+
+ DEKEN L.-L. DE BO
+
+ 27 Sept. 1826 * 25 Aug. 1885
+
+ Waarom het graf bedicht met vlaamsche of andere woorden,
+ waarom niet liever stil gezwegen en geweend,
+ als hij gestorven is en weg naar betere boorden,
+ dien God, te onlange eilaas aan Vlanderen heeft verleend.
+
+ De sprake is ons geroofd, de tonge is ons bezweken,
+ en zwijgen past nu best, als hem de taal begeeft,
+ die, leerende ons weleens, die woorden leerde spreken,
+ die hij zijn leven lang zoo wel verdedigd heeft.
+
+ Hij was alleen bekwaam te spreken en te leeren;
+ te horken was ons recht, onze eere en onze plicht,
+ naar hem, die zwijgend nu, de hand behoort des Heeren,
+ en, veel te vroeg eilaas, voor onze voeten ligt.
+
+ Waar zouden wij, 't is waar, 't zij einden 't zij beginnen
+ te loven aan het werk, dat zijne kunste ontviel?
+ Veel beter zullen wij den kunstenaar beminnen,
+ en leven in den glans van zijne groote ziel.
+
+ Hij leve dan, ofschoon de pijl hem kwam te kerven
+ den levensdraad intween, die uwe hand ontvlood;
+ hij leve, om in ons hert voortaan niet meer te sterven,
+ van uwe schichten vrij, o overwonnen Dood!
+
+
+ XCVIII
+
+ L.L.
+
+ 1885
+
+ De brave vrouw, de goede moeder
+ beklage niemand, want zij is,
+ vol deugden, naar den Deugdvergoeder
+ verhuisd, uit 's werelds wildernis.
+
+ Beklaagt den man, beklaagt de kinderen,
+ die, van heur hert, heur hand beroofd,
+ het licht huns levens zagen minderen,
+ en 't nu eilaas zien uitgedoofd.
+
+ Wie zal der weezen moeder wezen,
+ wie zal ze toeven, wie castien;
+ wie, onder duizende uitgelezen,
+ wie als een moeder geren zien?
+
+ o Vader, gij, die _Onzen Vader_
+ godvruchtig _in den Hemel_ dient,
+ staat vast en vreest niet: God is nader
+ als de aldernaaste boezemvriend!
+
+
+ XCIX
+
+ M.E.D.
+
+ 1885
+
+ o Zuivre ziel, gelost uit 's werelds oude ellende,
+ wat liet gij ons bedroefd, niet in uw groot geluk;
+ maar, omdat nauwlijks een ooit nog zulk eene kende
+ als gij waart, daarom weent ons herte, en is 't in druk!
+
+ Gij waart een zoete troost voor ons, die weinig weten
+ wat troost is, in dit dal van tranen! God weet hoe
+ wij mochten 's zondags, soms een uur rond u gezeten,
+ den hemel smaken op deze aarde, slavens moe!
+
+ Gij zijt ons afgepakt, met ure en al! Te zamen
+ bezien wij nu malkaar, en vragen: Is dan ook
+ de troost der armen met geen beter' naam te namen
+ als ander tijdlijk goed: een schaduw en een rook?
+
+ Doch neen! Gij zijt daarheen daar schaduw is noch logen;
+ de kroone omspant uw hoofd; ge zijt ons voorgegaan:
+ wij volgen, volgen vast, en trachten, onbedrogen,
+ de baan te houden die ge ons wijst: de hemelbaan.
+
+ U daar, in ons gedacht, nog biddende aan te spreken,
+ te hooren en te zien, alsof gij bij ons waart,
+ zal troost zijn, is 't dat iets het scherpe zweerd kan breken,
+ dat in ons herte steekt, sinds uwe hemelvaart!
+
+
+ C
+
+ M.T.E.D.P.
+
+ 1886
+
+ o Engelken, dat, weggevlogen,
+ hebt ons, eilaas, en al bedrogen
+ dat op uw' schoonheid hopen dierf:
+ in ons verlies hebt gij gewonnen,
+ maar wie zal ons nu troosten konnen?
+ Ons jongste, ons liefste meisken... 't stierf!
+
+ Komt dan gij zelve, o hemeldiefken,
+ komt weer bij ons, o zalig liefken,
+ en, schoon geen menschenooge u ziet,
+ laat op het kerkhof 't zielloos wezen,
+ dat gij ontgaan zijt en ontrezen,
+ en blijft bij ons, in ons verdriet!
+
+
+ CI
+
+ J.H.
+
+ 1886
+
+ Zij was oprecht als edelsteen,
+ zoo zuiver, dat het wonder scheen
+ hoe 's levens lang vertoeven
+ bekwaam was om, met pijne en dwang,
+ den vrij gewenschten hemelgang
+ nog langer te bedroeven!
+
+ Zij zou, zij moeste henengaan
+ en ons eilaas, met rouw belaan,
+ voor goed indachtig maken
+ hoe groote schat van kostbaarheid
+ ons is en blijft in 't graf geleid,
+ en niet meer aan te raken!
+
+ Zij weg, 't is alles mee met haar,
+ dat troost was en geluk, voorwaar,
+ in 't leven. o Komt weder,
+ als liefde, als hope, als hulpe, als raad;
+ en daalt, zoo God u dalen laat,
+ gezuster, nogmaals neder!
+
+ Komt, helpt ons en bewaart dien band
+ onbreekbaar, dien uw zoete hand
+ wist om ons hert te binden;
+ opdat wij, maar van lijve alleen
+ en voor nen korten tijd, geschee'n,
+ ons namaals wedervinden!
+
+
+ CII
+
+ G. E. J. D. J.
+
+ 1886
+
+ Zoo men soms bij zomernachten
+ hooge omhooge een sterre ziet,
+ die op snelle vederschachten
+ schielijk door den Hemel schiet,
+
+ zoo zijt gij ons, die het leven
+ ons verblijddet meest van al,
+ schaars een stonde of twee gebleven
+ Gustafke, in dit tranendal!
+
+ Zegt, waar zijt gij, die zoo lieflijk,
+ alle leedzijn ons ontloecht;
+ gij die biddend, hemeldieflijk
+ hieldt uw handtjes zaamgevoegd
+ als gij zeidet: "Nader, nader,
+ kome uw rijk?... "En wij voortaan
+ zuchten, met u zeggend: "Vader,
+ Vader, zij uw wil voldaan!"
+
+
+ CIII
+
+ F.B.
+
+ 1886
+
+ Om Jesu name en schaamde ik mij,
+ in al mijn levensjaren:
+ ik hoop dat, onbeschaamd, ook Hij,
+ me in 't oordeel nu zal sparen!
+
+
+ CIV
+
+ A.B.D.
+
+ 1887
+
+ Maar half en nog niet half gegaan
+ was 't bijstre van de wereldbaan,
+ toen al met eens een stemme sprak,
+ en 't onvoltooide leven brak!
+
+ Zijn vrouwe eilaas, zijn dochter zoet,
+ zijn vrienden vielen God te voet
+ en baden: Laat een stonde nog,
+ den vriend ons en den Vader toch!
+
+ Maar, weet een mensch, die sterflijk is,
+ het woord van Gods geheimenis?
+ 't Is beter elk in tijds bereid
+ dat duren zal in de eeuwigheid!
+
+ Zoo deed hij, en, gesterkt, getroost,
+ verliet hij vriend en vrouwe en kroost,
+ en ging, met Christi Kruis gekust,
+ naar de eeuwigheid, in God gerust!
+
+
+ CV
+
+ G.L.S.
+
+ 1887
+
+ De jubelkroon,
+ zoo frisch en schoon
+ ons om de kruin gewonden,
+ heeft korts de dood,
+ met felheid groot,
+ gebroken en geschonden!
+
+ Doch neen, ze'n kan
+ de kroone van
+ de onsterflijkheid niet schenden,
+ die ons te gaer
+ zal kroonen, waar
+ geen blijdschap meer zal enden!
+
+
+ CVI
+
+ I.P.
+
+ 1887
+
+ o Mensch, uw vriend is God alleen,
+ al 't ander moet gij schromen;
+ de dood, al mijdt ge u, groot en kleen,
+ de dood is licht gekomen!
+
+ Leeft deugdzaam dan, en leeft bevrijd
+ van angstigheid en zorgen,
+ die nooit eene ure in state en zijt
+ te zeggen: 'k Leve morgen!
+
+ o Vrouwe en Kind, uw steun was ik,
+ naast God; maar, blijft gelooven
+ dat, zonder God, een enkle tik
+ u lijf en ziel kan rooven.
+
+ Uw ware vriend is God voortaan,
+ o Vrouwe en Kind, bemint Hem;
+ en wilt gij Vader volgend gaan
+ zoo 't God beveelt, gij vindt hem!
+
+
+ CVII
+
+ R.H.
+
+ 1887
+
+ Zij was de brave vrouwe, erkend van alle lieden;
+ zij sprak: De wille Gods in alles moet geschieden
+ oprechtelijk, en geen die in heur werken vond
+ het minste dat het woord heurs herten tegenstond.
+
+ De lieden mochten boos en valsch zijn, en de tijden
+ den eenen klagen doen, den anderen verblijden,
+ 't en ging heur af noch aan: ze'n zocht de wereld niet,
+ maar God alleen in al: in voorspoed, in verdriet.
+
+ Het is eene eere 't kind van zulk een vrouw te wezen,
+ en, volgt ge uw moeder na, o kinderen, geprezen
+ verdient ge en preusch te zijn, om die u 't leven gaf:
+ zij leeft met eere nog, al ligt ze diepe in 't graf.
+
+ Zij ruste in vreden ja, in 't graf niet, maar hierboven,
+ zij hebbe al 't gene God kwam winnen en beloven;
+ die stierf en, op het kruis gestorven, wees de baan
+ om, door het kruis, met hem ter blijdschap in te gaan!
+
+
+ CVIII
+
+ A.G.M.D.
+
+ 1887
+
+ o Zielke, schaars gekomen,
+ en seffens afgenomen,
+ Gods Englen willekom,
+ blijft, blijft, den Hemel binnen,
+ God kennen, God beminnen,
+ en keert niet wederom!
+
+ Verlost van rampe en lijden,
+ blijft eeuwiglijk verblijden,
+ en wordt nooit biddens moe,
+ ont wij ook, vrij geleden,
+ geworsteld en gestreden,
+ bij u eens komen toe!
+
+ Daar zal ons hert genezen,
+ daar zal het blijdschap wezen,
+ o zielken, onzen tween;
+ daar zal u, kind, herwonnen,
+ ons niemand rooven konnen,
+ noch van uwe ouders schee'n!
+
+
+ CIX
+
+ J.H.
+
+ 1887
+
+ Een jaar geleen, schier dag op dag,
+ is 't dat ze een lieve zuster zag,
+ die, in de rust getreden,
+ heur scheen te zeggen: "Volgt mij na
+ die korten tijd u vorenga:
+ komt, rust met mij in vreden!"
+
+ o Jaar van lijden, dag en nacht,
+ in pijne en smerten doorgebracht,
+ in zuchten en in wachten;
+ hoe brandet gij heur deugden schier
+ tot louter goud, in 't smertenvier,
+ eer zij mocht ruste smaken!
+
+ "o Heere," sprak ze, "Uw herte kent
+ alleene al mijne ellenden: zendt
+ mij kracht, en leert mij vragen
+ niet anders als, nog dezen dag,
+ zoo 't uwen wil believen mag,
+ met U mijn kruis te dragen!"
+
+ "Nog dezen dag!" En moegekweld,
+ in 's werelds dorre doorenveld,
+ gekweld, doch niet geschonden;
+ heeft ze eindlijk, langs de blijde baan,
+ heur zuster in 't gemoet gegaan,
+ voor eeuwig rust gevonden!
+
+
+ CX
+
+ E.J.V.E.
+
+ 1887
+
+ Hij placht den scherpen tand van 't staal
+ te temperen en te wetten,
+ en door zijn kunst tot maalbaarheid
+ den meulensteen te zetten.
+ Hij won daaraan zijn daaglijksch brood;
+ en 't brood daar wij af leven,
+ het wierd ons door de neerstigheid,
+ van zijnen arm gegeven.
+ Eilaas, een scherper staal heeft hem
+ een scherper steen, gemalen:
+ de felle dood, die schielijk wist
+ den fellen man te stralen.
+
+ Hij viel! Niet onbereid en was
+ die steen en staal bereidde,
+ en daaglijks, over 't vier gestaan,
+ Gods oordeelvier ontbeidde.
+ Gezuiverd op der aarden, lang
+ genoeg heeft hij geleden.
+ opdat hem God een betere als
+ een aardsche kroon zou smeden;
+ opdat hem Gods bermhertigheid
+ in liefde zou onthalen,
+ en vrij doen zijn voor altijd van
+ 's viers onbermhertig stralen!
+
+
+ CXI
+
+ L.V.R.
+
+ 1887
+
+ Aan u voorwaar had menig man
+ zijn laatste kleed te danken,
+ het bruiloftskleed der dooden, van
+ eilaas vier arme planken!
+
+ Dat wist ge, en uw' voorzichtigheid
+ sprak, wakend lang voordezen:
+ "o Hout, misschien, door mij bereid,
+ zult gij mijn grafhout wezen!"
+
+ Gelukkig die, met 't scherpe in d'hand,
+ geslaafd hebt zooveel jaren
+ aan 't vaartuig, dat in 't Vaderland
+ u vrij zou helpen varen!
+
+ Gelukkig dien de vriend van al
+ die waakt en bidt, zal geven,
+ na 't werkend, in dit tranendal,
+ daar, 't eeuwig rustend leven!
+
+
+ CXII
+
+ H. J. B. J.
+
+ 1887
+
+ Kerstnacht, of 't koud en donker was,
+ hebbe ik, in 't huis des Heeren,
+ als autaarkind, drie Messen lang
+ gediend, zoo menig keeren!
+
+ Kerstnacht is mijn geboortenacht,
+ na dertig jaar, geworden;
+ Kerstnacht ben ik, de wereld moe,
+ den Hemel ingetorden!
+
+ Kerstnacht, o Moeder, Vrouwe en Kind,
+ Kerstnacht kwam mij verblijden
+ en liet mij weten hoe God loont
+ die met en om God lijden!
+
+ Geen dagen vol ellende meer,
+ geen lange en bange nachten:
+ ach, volgt Mij, Moeder, Vrouwe en Kind:
+ hier blijve ik u verwachten!
+
+
+ CXIII
+
+ M. C.
+
+ 1888
+
+ Voor niet en droeg hij 't zweerd
+ van Gods geweld in d'handen,
+ noch was de zware plicht
+ van 't straffen hem betrouwd;
+ hij wist aleventwel
+ ook in de knevelbanden
+ met eerbied aan te zien
+ het beeld na God gebouwd.
+
+ Ei, wapenknecht, hij wierd,
+ de dieven eens betrapend,
+ hij, van den grooten dief
+ die al wat leeft bespringt,
+ besprongen, vastgepakt,
+ geknevelband, ontwapend,
+ en eeuwig pal gezet
+ waar Vrede en Vrijheid blinkt.
+
+
+ CXIV
+
+ M. L. R.
+
+ 1888
+
+ Mijn kinderkens, ik heb u al
+ dat geeflijk was gegeven:
+ mijn' werkzaamheid, bij dag en nacht,
+ mijn' liefde, en ook mijn leven!
+
+ God spare u nu! Ik ben verlost,
+ terwijl 'k uw broerken baarde,
+ van 't leven dat maar lijen en was
+ voor mij, en wee op de aarde!
+
+ God spare u, spare u, Man, die mij
+ beminnen hielpt en dragen
+ den lieven last, nu meer als ooit:
+ God spare u, lange dagen!
+
+ Hebt hope en troost, en... Wilt o God,
+ aan vrienden 't hert verleenen
+ te helpen hem, ook zonder mij,
+ nog zorgen voor die kleenen!
+
+
+ CXV
+
+ E.J.C.
+
+ 1888
+
+ Het moorddallaam,
+ de donkre nacht,
+ mijn' donkerder gedachten
+ bekoorden mij
+ om, roekeloos,
+ dat God verbiedt
+ niet te achten!
+
+ Een plof... en dood,
+ zoo waande ik mij,
+ ellendiglijk aan 't dolen!
+ o Goede God,
+ Ge 'n wildet niet:
+ G' hebt me aan de dood
+ ontstolen!
+
+ Gij zocht mij, daar 'k
+ U vluchtend was,
+ U vloekend, in mijn' zonden;
+ en toch hebt Gij
+ mij, armen dwaas,
+ o Goede God,
+ gevonden!
+
+
+ CXVI
+
+ G.D.W.
+
+ 1888
+
+ Wij hoopten beiden dat gij zoudt,
+ o kind, de lasten menigvoud
+ verzoeten, die uwe oudren twee
+ gedoogen, op dees wereldzee.
+
+ Wij hoopten...! Maar we 'n wisten niet
+ 't is God alleen die alles ziet,
+ dat ge ons zoo vroeg gingt afgeplukt,
+ geroofd zijn en schier weggerukt!
+
+ Eilaas, hoe scheurt ons herte en doet
+ het zeer, omdat het missen moet
+ 't geen 't niet missen wil noch zal,
+ 't en zij om U, o God van al!
+
+ Hebt Gij het dan, o goede God,
+ en ziet ons kindtje geerne, tot
+ dat Gij ons ook, die altijd leeft,
+ den hemel... en ons kindtje geeft!
+
+
+ CXVII
+
+ A.V.D.V.
+
+ 1888
+
+ Gelukkig paar
+ die met malkaar
+ in 't huwelijk verbonden,
+ de jubelkroon,
+ die eeuwig schoon
+ zal blinken, hebt gevonden!
+
+ Op de aarde was,
+ als ijdel glas,
+ uw blijdschap licht om schenden;
+ maar nu en kan
+ de vreugde van
+ de bruiloft niet meer enden!
+
+
+ CXVIII
+
+ E.A.M.T.
+
+ 1888
+
+ Elisa, blijft ons nog, schoon door de dood gescheiden,
+ met uwe zoete hand beschermen en geleiden;
+ ons toogen, zoo weleer gij als een Engel placht,
+ den weg des Hemels, door dees booze wereldnacht!
+ Hoe lang nog zullen wij, eilaas, nu driemaal weezen,
+ verlangen naar uw lot en om het onze vreezen?
+ Elisa, blijft, o blijft, en, 't geen gij immer waart,
+ een Engel blijft, die ons in eere en deugd bewaart!
+
+
+ CXIX
+
+ C.J.A.D.L.C.D.
+
+ 1888
+
+ o Zoete ziel, die 's lichaams leven
+ te vroeg eilaas, te laat misschien
+ voor u, aan God hebt weergegeven,
+ wij hopen u weerom te zien!
+
+ Gij waart alree, hoe jong van dagen,
+ zoo schrander dat wij hooger iet
+ als menschlijks in uwe oogen zagen,
+ en gij alleen en wist het niet!
+
+ Vaartwel, o ziel, die 's Hemels streken
+ behoordet en, verhuisd voortaan,
+ uws vaders hof zijt ingeweken:
+ vaartwel, vaartwel, o Christiaan!
+
+
+ CXX
+
+ G.V.D.W.
+
+ 1888
+
+ O Jesu, 't zielken dat
+ Gij ons geschonken hadt,
+ als echtelijken zegen;
+ hoe is 't uit onzen schoot
+ zoo schielijk, door de dood,
+ gerukt en weggedregen?
+
+ Het dunkt ons menigmaal
+ zijn lieve kindertaal
+ te hooren... maar, 't is dolen
+ dat 't minnend herte doet:
+ ons kindtjen is voor goed,
+ ons kind is ons gestolen!
+
+ Het licht is ons geroofd,
+ het leven uitgedoofd,
+ en 't huisgezin, geschonden,
+ en schettert nimmermeer
+ vol vreugde, lijk weleer:
+ het zwijgt ten allen stonden!
+
+ De dood en kent geen leed,
+ zij zeisent, immer wreed
+ en zonder mededoogen;
+ geen troost en wete ik, geen:
+ Gij, Jesu, zult alleen,
+ Gij kunt onz' tranen droogen!
+
+
+ CXXI
+
+ E.J.P.
+
+ 1888
+
+ Het leven is, vol ongevals
+ vol ramp- en rooi, te aanschouwen als
+ een kruisweg op de wereld,
+ die slinks en rechts vol kruisen staat,
+ en dien men meest met tranen gaat,
+ en bloedig zweet, bepereld.
+
+ Ach, 'k wist het wel, en 'k droeg getroost
+ mijn kruis naast U, die 't lijden koost,
+ onschuldig, om het leven,
+ van schulden vrij- en losgeboet,
+ o Jesu, door uw dierbaar Bloed,
+ ons wederom te geven!
+
+ o Man, gij stondt mij neerstig bij:
+ dat God uw hulpe en troost nu zij;
+ en, dapper doorgetreden,
+ vergeet mij niet, die haastig viel,
+ noch dat ik, arme kranke ziel,
+ verlange om uw gebeden!
+
+
+ CXXII
+
+ J.N.H.
+
+ 1888
+
+ Moet ik, ouders, teerbeminde,
+ moet ik, zusters, broederen al,
+ u verlaten, ik en vinde
+ nooit hetgeen mij troosten zal.
+
+ Nooit! o God, maar gij zijt vader,
+ gij zijt moeder, zuster; gij
+ zijt mijn broer, en duistmaal nader
+ vriend als welke vriend het zij.
+
+ Op dan, ouders, moed genomen,
+ zusters, broeders, al te gaar;
+ eens daar ik ben, ook gekomen
+ vrienden, vrede, en... God is daar!
+
+
+ CXXIII
+
+ J.N.A.
+
+ 1888
+
+ Och arme, ofschoon het leven
+ zij boos om door te streven,
+ o Kind, wij hoopten dat 't
+ den Heere u, lange jaren,
+ believen zou te sparen!
+ Doch neen! Onze oogen, zat
+ van weenen, moeten derven
+ hetgeen gij, met te sterven
+ ons hebt geroofd: een' schat!
+ Ach, laat het zoo: daarboven
+ zult gij den Heere loven,
+ in 's hemels blijde stad:
+ terwijl we, in God te vreden,
+ wij, weenend, hier beneden,
+ och arme, zullen... Wat?
+
+
+ CXXIV
+
+ G.J.T.
+
+ Wij minden 't zoo,
+ wij zagen 't noo,
+ te noo misschien, ontdragen;
+ maar, Jesu zoet,
+ ons herte bloedt
+ en 't breekt van niet te klagen!
+ Geeft weer! -- o Neen,
+ ons kindtje kleen,
+ we 'n durven 't U niet vragen!
+
+
+ CXXV
+
+ E.H. VICTOR VAN COILLIE
+
+ 1888
+
+ Hij, dichterlijk begaafd,
+ en heeft, in al zijn wegen,
+ maar op het waarlijk schoon
+ een wondrende oog geslegen;
+ en 't, in zijn eigen taal,
+ beschreven onbeschaamd.
+ Gods volk lag hem aan 't hert,
+ hij minde 't, en bekwaamd
+ als Priester en als Mensch,
+ om met het Volk te leven,
+ heeft hij getrouwiglijk,
+ hem zelven 't Volk gegeven.
+ God loone 't hem, die weet
+ en weerdiglijk vergoedt
+ hetgeen -- Hij zegt het zelf --
+ men aan de kleenen doet.
+ Hij stierf! Onsterfelijk
+ blijft op deze aarde in eeren
+ zijn vreugdevolle ziel;
+ en, in het Huis des Heeren,
+ de loon die zulken loont
+ die, niet hen zelven, maar
+ den armen evenmensch,
+ met liefde nemen waar!
+
+
+ CXXVI
+
+ Eerwaarde Pater AMEET VYNCKE
+ van Zedelghem,
+
+ als geloofzendeling gestorven te Kibanga in Opper-
+ Congoland, op den 17 van Bamesse 1888.
+
+ Gij zijt de vriend van God, die ouders, vrienden, magen,
+ die land en lieden, om Gods arme Zwarten liet,
+ in 't Africaansche veld. Wie zouder u beklagen,
+ die u, voor zulk een zaak, zoo vroeg gestorven ziet?
+
+ Gij zijt de vriend van God, nu meest nog, nu de vrede,
+ de rustdag u alree verschenen is. Voortaan
+ geen lijden meer, geen angst, geen ongewissighede
+ van hangen tusschen lijf en dood meer uit te staan.
+
+ Gij zijt de vriend van God, gekozen tusschen honderd-
+ en duizenden, om Hem een boodschap hooge en groot
+ te dragen, verre weg naar 't erflijk afgezonderd,
+ naar 't weggeworpen kind, in 't zwarte land der dood.
+
+ Gij zijt de vriend van God; Hij sprak, en gij, gij hoordet,
+ gij greept het vendel aan, als minnebode, en gingt
+ tot waar gij 't zwart geweld, met levend licht doorboordet,
+ eilaas, dat op uw graf, uw heerlijk graf nu blinkt!
+
+ Vaart wel, o vriend van God; o onze vriend: genegen
+ waart gij ons Vlaamsche Volk, maar God was u veel meer,
+ veel meerder als uw land, uw tale en al: Gods zegen
+ zij ons door u, Ameet, verworven, voor den Heer!
+
+
+ CXXVII
+
+ R.C.V.
+
+ 1889
+
+ 't Heeft mij de dood gekost,
+ als, na de wet des Heeren,
+ ik neerstig werken ging
+ en reizend wederkeeren.
+
+ 't Heeft mij de dood gekost;
+ o vrouwe, vrienden, magen,
+ en al die 'k geren zag:
+ 't en helpt geen bitter klagen.
+
+ 't Heeft mij de dood gekost:
+ na korte of lange stonden
+ zal 't kosten u de dood,
+ die leeft! -- Leeft vrij van zonden!
+
+ 't Heeft mij de dood gekost!
+ o Jesu, door uw sterven
+ en door uw dierbaar Bloed,
+ helpt mij den hemel erven!
+
+
+ CXXVIII
+
+ E.M.M.
+
+ 1889
+
+ Wij waren 's eens, van herte en zin,
+ in lief en leed verbonden;
+ de dood, eilaas, de dwinglandin,
+ en ziet geen lief-, geen leedzijn in:
+ de dood heeft ons geschonden!
+
+ De dood alleen, niet els en kon
+ dat God vereende krenken;
+ maar Hij die, als de morgenzon,
+ de macht der wreede dood verwon,
+ Hij zal ons 't leven schenken.
+
+ Het leven, dat geen ziekte en kan,
+ geen droefheid meer bederven:
+ o Vrouwe daar verwacht mij dan,
+ mijn kind, ons kind, en mij, uw man,
+ om nimmermeer te sterven!
+
+
+ CXXIX
+
+ B.S.
+
+ 1888
+
+ o Blankske bij uw stervensbed
+ zoo menig versche blom gezet,
+ verwelkt, gedord en weggedaan,
+ komt nu in ons geheugen staan!
+
+ Geplukten uit het blomgebied,
+ ze stierven, maar ze 'n leden niet;
+ en, onbeklaagd hun teer gewas
+ haast weg en haast vergeten was.
+
+ Maar gij, o blank en bleek gewaad
+ eens maagdenblomkens, gij en gaat
+ niet smerteloos, niet onbeschreid,
+ vergeten niet, naar de eeuwigheid!
+
+ Wij zagen 't, hoe gij bitter kreescht,
+ in ons meer als in u bevreesd;
+ en lijende, omdat gij, kranke maagd,
+ die u beminden lijden zaagt!
+
+ Vaartwel... en blijft in ons gemoed,
+ o Blankske, teeder blomke zoet,
+ gebloeid staan, en, bij God den Heer,
+ o kindtje lief... en sterft niet meer!
+
+
+ CXXX
+
+ S.A.L.
+
+ 1889
+
+ Zij was van jongs aan God, als Moeder en als Vrouw,
+ spijts alles, zediglijk en stediglijk getrouw;
+ de tijd en mochte nooit, noch met den tijd het keeren
+ en 't wenden des gebruiks, haar andere zeden leeren;
+ zij stond tot tenden toe, heur kinderen voorgegaan,
+ en bleef navolgensweerd, schier onnavolgbaar staan!
+ God kent die vastigheid in 't goed, en zal ze loonen
+ met iets dat langer duurt als 's werelds ijdle kroonen:
+ met onveranderlijk en stervensvrij genot
+ in Hem, die zelve en loon en loonder is, in God!
+ Daar, moeder, mochte ik, U indachtig al mijn leven,
+ mij dankbaar, U en God voor altijd wedergeven,
+ dien gij bemindet en bewaardet, en voortaan
+ dien gij alleen liet op den weg des levens gaan!
+
+
+ CXXXI
+
+ V.S.
+
+ 1889
+
+ Het werken was heur lot,
+ heur blijdschap en heur leven;
+ het werk is zij getrouw
+ tot aan den dood gebleven;
+ en, als zij lijdend lag
+ en stervend neergeveld,
+ dan heeft zij nog in 't werk
+ heur hoop en troost gesteld.
+ Om God heeft zij gewrocht,
+ met God heeft zij geleden,
+ op God heeft zij gehoopt,
+ tot God heeft zij gebeden;
+ en vast gesteund op Hem,
+ die loonder is van 't goed,
+ en heeft zij niet gevreesd
+ dat leeggang vreezen doet.
+ Welaan, de rust zij u,
+ Victoria, gegeven:
+ ge'n hebt z'hier nooit gekend,
+ geniet ze in 't ander leven!
+
+
+ CXXXII
+
+ J.F.M.
+
+ 1889
+
+ Hij wist wat werken was
+ en waakzaam gadeslagen
+ al 't gene, hem vertrouwd,
+ bij nachten en bij dagen
+ bekommerde zijn hert,
+ vol eed'le vromigheid.
+
+ Hij wist wat lijden was,
+ en heeft, herhaalde malen,
+ wanneer de dood hem kwam
+ zijn liefste panden halen,
+ als christen mensch tot God
+ "uw wil geschie" gezeid.
+
+ Hij steunde, vast en vrij,
+ op God al zijn betrouwen,
+ 't zij vroeg, 't zij laat bereid
+ om ook de dood te aanschouwen,
+ en 't kruis te aanveerden dat
+ hem ook was opgeleid.
+
+ Dat kruis, met kloeken moed
+ zoo langen tijd gedregen,
+ het zij een kroone nu
+ voor hem, voor ons een zegen,
+ 't zij een vermaan ter deugd
+ en ter standvastigheid!
+
+
+ CXXXIII
+
+ P.J.D.B.
+
+ 1889
+
+ De dood is doof en blend,
+ 't en helpt geen schoone spreken!
+ Zoo zegt men, maar de Dood
+ is Gods bevel getrouw:
+ Hij wist wanneer, waarom
+ en hoe de band zou breken,
+ dien Hij gebonden had,
+ o zwaar beproefde Vrouw!
+
+ Hij weet al 't geen Hij wilt,
+ of doet of laat geschieden,
+ te schikken dat er goed
+ en weldaad uit verschijn':
+ geeft Hem uw herte dan
+ en doet niet zoo de lieden
+ die, klagend van de Dood,
+ God zelv' betichtend zijn!
+
+ Hij die de Vader is
+ van al dat leeft, hoe zal Hij
+ verlaten die Hem dient
+ met eerbied, en betrouwt?
+ Schept moed, o Moeder, God
+ is Vader meest van al, Hij;
+ en beter is 't op Hem
+ als op een' rots gebouwd!
+
+
+ CXXXIV
+
+ H.B.
+
+ 1889
+
+ Het voer voorbij als lichaamloos:
+ een schaduwe, een geschemel;
+ een Engel van verduldigheid,
+ een zielke voor den Hemel.
+
+ Het wist dat 't hier geen stede en was
+ voor hem om lange jaren
+ te leven, maar een tranendal,
+ om spoedig door te varen.
+
+ En als het, 't elevatieklokske
+ in d'hand, den Priester diende,
+ zoo zuchtte 't: "Ons toekome uw rijk!"
+ godvruchtig opwaarts ziende.
+
+ En 't rijk des Heeren kwam in hem
+ zijn hert vol deugden bouwen,
+ en 't, vroeg geheiligd, laten vroeg
+ Gods Heiligheid aanschouwen!
+
+
+ CXXXV
+
+ A.G.
+
+ 1889
+
+ De lucht weergalme nu
+ en klage 't aan de steenen
+ dat wij ten grave gaan
+ en onzen vriend beweenen,
+ die, als een vader, als
+ een broeder, ons zoo lang
+ geleidde en leeren deed
+ de kunst van spel en zang!
+
+ De lucht weergalme nu
+ en klage 't aan de stede
+ wat hij voor 't weezenhuis
+ en voor de weezen dede,
+ spijts ziekte en ongemak,
+ spijts alle ondankbaarheid,
+ voor 't ouderlooze kind
+ tot elken dienst bereid!
+
+ De lucht weergalme nu...
+ Eilaas, nog korte stonden
+ waar zult gij, vriend Goddaert,
+ waar zult gij zijn geblonden?
+ In 't duister graf? o Neen,
+ ver boven 't duister graf:
+ gij zijt, waar God alreede
+ u rust en vrede gaf.
+
+
+ CXXXVI
+
+ A.J.M.D.
+
+ 1889
+
+ Hij stierde vrij en blij, zijn vaartuig op de baren;
+ nam water, wind en streek, nam 's hemels licht te baat,
+ en zou, voorspoediglijk door 's werelds nood gevaren,
+ bereiken 't lustig land waar gij te bloeien staat,
+ o Wetenschap, o Kunst! Maar neen, de winden sprongen
+ geweldig op hem neer, en slingerden 't gebouw
+ dat al zijn' hope droeg tot dat het, moegedwongen,
+ begaf en nederzakte in 's afgronds diepste grauw!
+ Is niets gebleven, is hij hopeloos verloren?
+ Kan niets u troosten, die, zijn schipbreuk ziende, staat
+ en weent nu op de kust? Of zal hij, eens herboren,
+ genieten eeuwiglijk des levens dageraad?
+ Gewis, de Schepper zal zijn schepsel zijn indachtig;
+ de Heiland zal zijn Bloed indachtig zijn, en dan
+ zal die vernederd was, verwekt door God almachtig,
+ eens leven waar geen dood hem ooit meer naken kan.
+
+
+ CXXXVII
+
+ TH. TH.
+
+ 1889
+
+ Ik heb den Heer gediend,
+ ootmoedig weggeborgen,
+ o kloosterzusters, door
+ uw moederlijk bezorgen;
+ in 't huis des Heeren, in
+ Maria's waakzaamheid,
+ ben ik, met raad en daad,
+ tot sterven voorbereid!
+
+ Vaartwel dan, goed en trouw
+ gebleven brave zielen,
+ die mij als eigen kind,
+ om Gods wille onderhielen:
+ die alles loont, hij zal 't
+ u loonen, onverbeid,
+ 't zij nu, 't zij naderhand,
+ -- vaartwel! -- in de eeuwigheid!
+
+
+ CXXXVIII
+
+ Eerw. H. EMILE DE MONIE
+
+ vereerd met het kruis _Pro Ecclesia et Pontifice_.
+
+ 1890
+
+ Wij bouwden op uw leven een getemmer
+ van eere en deugd, voor God en 't vaderland;
+ maar schielijk grijpt de felle menschentemmer
+ en keert u, onzen grondsteen, overkant!
+
+ Wat nu gedaan? Geklaagd, geweend, gedropen
+ in diepe droefheid, zonder ende of maat;
+ de ellendigen gelijk, die niet en hopen
+ dat ooit een weerzien hun te wachten staat?
+
+ Neen! Hooger zult gij nu en beter wezen
+ een leidend licht ons en een bake in zee,
+ totdat wij allen zijn voor goed genezen
+ van Adams schuld en onvermijdbaar wee.
+
+ Tot daar zij 't: Hoog den moed en 't hert gedragen!
+ Geen veege droefheid! Immer moed voortaan,
+ en, spijts de dood, spijts al heur nederlagen,
+ op God betrouwd en neerstig voortgedaan!
+
+
+ CXXXIX
+
+ J.B.V.L.
+
+ 1890
+
+ Mijn huis- en echtgenoot,
+ getrouw tot in de dood,
+ ben ik bijgebleven;
+ gij hebt door lief en leed,
+ in arebeid en zweet,
+ mij hulpe en troost gegeven.
+
+ Nu zijn wij ver vaneen
+ van herte en ziele, neen,
+ van lijve eilaas gescheiden;
+ en ik, den korten tijd
+ dat gij mij voorenzijt,
+ moet mijnen dag bereiden.
+
+ Och keer' de dag weerom,
+ als ik u, bruidegom,
+ in God teruggevonden,
+ zal mogen immermeer
+ beminnen, bij den Heer,
+ en zijnen lof verkonden!
+
+
+ CXL
+
+ G.A.A.
+
+ 1890
+
+ Uw hand heeft mij geschapen,
+ getrokken uit den niet,
+ en nu ben ik ontslapen,
+ na 's werelds lang verdriet:
+ gedenkt, o goede Vader,
+ uw schepsel nu;
+ ik kom u biddend nader:
+ 'k geloove in u!
+
+ Door 's vijands macht gebonden,
+ met Adams schuld belaan,
+ hebt gij uw schaap gevonden
+ en weer naar huis gedaan:
+ gedenkt, o Heilig Herte,
+ mijn zielke nu;
+ door alle uwe pijne en smerte:
+ ik hope op U!
+
+ Gij zijt mij komen laven,
+ op mijnen laatsten tijd,
+ met al uw' beste gaven,
+ gij die bermhertig zijt:
+ gedenkt niet... ik beweene
+ mijn zonden nu,
+ en, stervend, Heer, alleene
+ beminne ik U!
+
+
+ CXLI
+
+ A.M.
+
+ 1890
+
+ Amandine, uw deugdzaam leven
+ heeft ons langen tijd gesticht:
+ moge God u vrede geven,
+ nu dat ge overleden ligt!
+
+ Och, of wij ook, al te zamen,
+ 't geen gij neerstig hebt gedaan
+ nadoende, op uw' stappen, kwamen
+ waar gij ons zijt voorgegaan!
+
+ Die de menschen weet te paaien,
+ wereld, ons en zult gij niet
+ in uw' valsche netten draaien
+ en in 't eeuwig helsch verdriet!
+
+ Amandine, rust in vrede,
+ tot een zalig wederzien;
+ rust, en al de zielkes mede!
+ Amen! Moge 't zoo geschien!
+
+
+ CXLII
+
+ P.H.M.L.
+
+ 1890
+
+ De dood en heeft niet onverwacht
+ u, man en vrouw, gescheiden:
+ God hielp, eer 't vallen van den nacht,
+ hare arme ziel bereiden.
+
+ De tijd is snel, het leven kort:
+ bereidt toch alle dagen
+ uw werk, eer ge ook geroepen wordt
+ om 't schielijk in te dragen.
+
+ Verleent het licht des Hemels haar,
+ o Heere, en wilt ons geven
+ 't geluk van haar te ontmoeten daar
+ zij rust, in 't eeuwig leven!
+
+
+ CXLIII
+
+ R.S.L.
+
+ 1890
+
+ De dood heeft mij bereid
+ en heel doorpijnd gevonden:
+ 't is beter hier als in
+ het vagevier geboet!
+
+ Hebt dank, o Heere, en, door
+ uw' vijf bebloede wonden,
+ verleent, bermhertig, mij
+ het onverganklijk goed!
+
+ Verleent aan die ik laat
+ in droefheid en in tranen,
+ mijn Kind'ren, mijnen Man,
+ te leven naar uw' wet.
+
+ En, als 't te sterven komt,
+ wilt hun de wegen banen
+ ten Hemel en tot mij...
+ Dit is mijn sterfgebed.
+
+
+ CXLIV
+
+ E.P.E.W.
+
+ 1890
+
+ Ge'n weet niet, gij die leeft,
+ noch gij en kunt niet weten,
+ aleer gij sterven zult,
+ hoe waarlijk ongemeten
+ de goedheid is van God
+ en zijne bermhertigheid.
+
+ Geen einde en is eraan,
+ noch geen bekende palen:
+ die schuld kent helpt Hij zelf
+ zijn schulden doodbetalen,
+ en houdt den schuldenaar
+ den hemel toebereid.
+
+ o Bidt voor mij, gij al,
+ die, langs des werelds paden,
+ hebt moeite, en nauwlijks weet
+ uw rechten weg te raden;
+ maar, met betrouwen bidt
+ tot Hem die 't al vergeeft.
+
+ Hem, wiens bermhertigheid,
+ zoo menigmaal gebleken,
+ eilaas vergeten wordt
+ of dikwijls weggesteken,
+ terwijl men jong is nog
+ en zonder zorge leeft!
+
+
+ CXLV
+
+ E.J.L.H.V.D.M.
+
+ 1890
+
+ Hoe zijt gij ons ontvlucht,
+ gij kleene troostverschaffer;
+ de blijdschap van ons huis,
+ het licht van onze baan?
+ Hoe zijt gij ons geroofd;
+ wie, onbermhertig, gaf er
+ uw ijdel wiegsken ons
+ te vinden ledig staan?
+
+ o God, gij zijt te goed
+ opdat men 't U zou wijten;
+ o Vader, duizendmaal
+ gezegend zij uw naam;
+ maar, zendt ons sterkte toe,
+ en, om de plicht te kwijten
+ der christ'ne droefheid, maakt
+ ons lijdend hert bekwaam!
+
+
+ CXLVI
+
+ F.V.
+
+ 1890
+
+ De dood is onmeedoogend,
+ en God alleene laat
+ den mensch, het Kruis hem toogend,
+ nog hope en goeden raad.
+
+ Dat stierf dat zal herleven,
+ zoo zegt hij, en daar is,
+ voor al dat wierd misdreven,
+ bij mij vergiffenis.
+
+ Ik steek de hand, als Vader,
+ u, kranke kinderen, toe;
+ aanveerdt ze, en komt mij nader,
+ die de eerste stappen doe!
+
+ Gelukkig zijn zij allen,
+ die, hemelwaards genood,
+ in 's Vaders handen vallen,
+ en leven, spijts de dood!
+
+
+ CXLVII
+
+ Hoogeerw. Heer D.P.A. DE HAERNE
+
+ Blijve in 't Vlaamsch uw' naam niet ongemeld,
+ die, uw' taal niet looch'nend, ed'le held,
+ God en Kerke en Burger trouw gediend,
+ groot en kleen bleeft vaste en goede vriend!
+ Die, ja, stomme en doove spreken liet,
+ zwijg' dit steen uw weldoen immer niet,
+ maer, De Haerne, ontluike't, te uwer eer:
+ geldloos stierf hij, schatrijk bij den Heer!
+
+
+ CXLVIII
+
+ S.A.
+
+ 1891
+
+ Vermaak en wist zij grooter geen,
+ als kinders Godwaarts op te lee'n;
+ en, elk tot raad en daad bereid,
+ te helpen met ootmoedigheid.
+
+ De ware liefde Gods geleerd,
+ die 't altijd al in 't beste keert,
+ en kende zij noch nijd noch haat;
+ en goed, ja, raapte ze uit het kwaad.
+
+ Zoo minde en leefde en leed zij wel,
+ gesteund op haren Kruisgezel;
+ tot dat zij, 't lijden uitgeleefd,
+ den laatsten strijd gestreden heeft.
+
+ Aan wien was heel heur hert bekend?
+ Aan u die weent heur lijk omtrent;
+ aan U, o God, die 't groot geduld
+ van al heur liefde kroonen zult!
+
+
+ CXLIX
+
+ Z.H.B.
+
+ 1891
+
+ Onschuldig kind, na korte dagen
+ hebt gij den Heer reeds opgedragen
+ uw' schoone ziel;
+ maar bitter maalt, door 't leed gedreven,
+ uw Moeders en uw Vaders leven
+ het smertenwiel!
+
+ Het zij zoo 't moet: 't en helpt geen klagen;
+ op dezen moge, en alle dagen,
+ Gods wil geschien!
+ Ach bidt voor ons, en blijft daarboven
+ den God van al dat goed is loven...
+ Tot wederzien!
+
+
+ CL
+
+ Eerweerde Zuster MARIE-STANISLAS
+
+ Moeder-Overste van Sint-Jansput te Kortrijk
+
+ 1891
+
+ Zoo zedig, zoo zorgvuldig en
+ zoo zelfvergetend wezen
+ en hadde ik nooit te huldigen,
+ en kende ik nooit voordezen.
+
+ Bekommerd in al 't minste dat
+ den evenmensch kon baten,
+ zoo had zij 't leven opgevat,
+ in al heur doen en laten.
+
+ Heure overheid was neder zijn,
+ en dienen te allen stonden
+ den Gene, die nu weder zijn
+ goe dienstmaagd heeft gevonden.
+
+
+ CLI
+
+ L.D.K.
+
+ 1891
+
+ Vergeet hem niet, dien braven man,
+ dien man van de oude Gulde,
+ die dertig jaar de vesten van
+ de stee met eerde vulde.
+
+ Vergeet hem niet, die 's Konings kruis
+ aanveerden mocht met eeren;
+ en, moegewerkt, trok weer naar huis,
+ vol hope in 't Kruis des Heeren.
+
+ Vergeet niet, al die werkers zijt,
+ 't goed voorbeeld na te leven;
+ dat hij, bij goed- en kwaden tijd,
+ ulieden kwam te geven.
+
+ Vergeet hem niet, voor wien hij, dag
+ en nacht, zijn werk besteedde;
+ en zorgt zoo hij te zorgen plag,
+ gij vrouwe, en kinderen mede.
+
+ Vergeet, o Volk van Kortrijk, niet,
+ maar spreekt voor hem ten besten
+ bij God, als gij zijn werk beziet,
+ en wandelt langs de vesten.
+
+
+ CLII
+
+ M.D.V.H.
+
+ 1891
+
+ Eilaas, mijn licht is uitgedoofd,
+ nu dat mijn uitverkoren,
+ mijn eerste kind is weggeroofd,
+ en uit mijne oog verloren.
+
+ Mijn' huwlijkshope is heel vergaan,
+ Gods banden zijn ontloken;
+ en, felle dood, uw bitter slaan
+ heeft gansch mijn hert gebroken.
+
+ Gij liet eene enk'le blomme mij,
+ een teeder blomke blijven;
+ och spaart het, Heere, of komme mij
+ de dood met hem ontlijven!
+
+ Neen... vaster vele als alle smert
+ wille ik mijn' hope bouwen;
+ en, Jesu, op uw lijdend Hert
+ mijn kind en mij betrouwen!
+
+
+ CLIII
+
+ M.L.
+
+ 1891
+
+ Geboren voor des werelds oogen
+ vol vreedzaamheid, vol mededoogen,
+ onschuldig als een kind, zoo koos
+ zij 't rechte pad en 't beste altoos.
+
+ Maria als een Moeder minnend,
+ heur Mans geluk en troost bezinnend,
+ zoo was zij lief en leed bereid
+ te dragen met zachtmoedigheid.
+
+ Een voorbeeld, onverwist, elk zijnde,
+ terwijl zij naar den Hemel pijnde,
+ zoo is 't dat zij, bij God bekend,
+ heeft 's levens korten loop volend.
+
+ Gelukkige! Uit de hooge zalen
+ en wou zij niet meer nederdalen,
+ maar wenkt van daar, en spoort ons aan
+ om waar zij ging heur na te gaan.
+
+
+ CLIV
+
+ B.L.H.
+
+ 1891
+
+ Zoo 't eens was uit Gods hand gekomen,
+ zoo heeft Hij 't weer tot Hem genomen
+ en losgedaan
+ uit 's lichaams leed en lastigheden,
+ die 't onverbidlijk lijden deden
+ en pijne uitstaan.
+
+ 't En kon niet meer... 't Was moegelegen,
+ zijn stemme sprak zijn herte tegen,
+ en 't doolde rond,
+ onwetend waar, tot dat, zijn wezen,
+ zijn handen bei tot God gerezen,
+ het ruste vond.
+
+ Ach, ruste en vrede u zij geschonken:
+ den bitt'ren kelk hebt ge uitgedronken
+ en God bemind;
+ ons Heere weet zijn vrienden weunen,
+ gij meugt op zijn beloften steunen,
+ onschuldig kind!
+
+
+ CLV
+
+ L.L.
+
+ 1891
+
+ Al liefde, en anders niet,
+ hebt ge in uw lijkvat mede,
+ o Engelken, dat ons
+ zoo hoog verheugen dede;
+ maar dat, onvaste alhier,
+ verblijvende, eenen stond,
+ een' hooger', ver van ons,
+ een' hooger' woonstee vond!
+ Vaartwel, ons beider beeld,
+ en, bij den Heer verscholen,
+ blijft eene leidsterre ons,
+ die nog op de aarde dolen!
+
+
+ CLVI
+
+ Eerw. Pastor P. BUSSCHAERT
+
+ 1891
+
+ Zijn herte zong, van binnen hem,
+ een lied dat de Engelen hoorden;
+ dat somtijds uit zijne oogen sprak,
+ en tintelde in zijn' woorden;
+ maar dat eilaas, dit tranendal
+ onweerd, bij hooger zangen
+ behoorde als bij al 't weegedreun
+ der duistere levensgangen.
+
+ De vriend is weg, te lijve, ja;
+ maar ongenaakbaar, boven
+ dit lijdensperk, den wolkendoek
+ voor altijd weggeschoven
+ van 't eeuwig schoone, aanbidt hij nu,
+ en zingt, in 't driemaal heilig,
+ zijn erflijk deel, voor al dat hij
+ hier uitstond, ginder veilig.
+
+
+ CLVII
+
+ L.P.
+
+ 1891
+
+ Zij was den Heere, in 't dagelijksch werk
+ en in zijn huis, verbonden;
+ daar heeft ze God beproefd en, als
+ het goud, hem weerd gevonden.
+ o Kinders, volgt uw' moeder na,
+ zoo zij was, tracht te wezen
+ godvruchtig, neerstig, eerbaar, kloek
+ in 't hopen; en, na dezen,
+ zoo zult gij haar aanschouwen in
+ Gods huis, niet meer in 't lijden,
+ maar eeuwiglijk, met al die haar
+ beminden, in 't verblijden.
+
+
+ CLVIII
+
+ B.S.
+
+ 1891
+
+ Te midwege op de levensbaan
+ zoo vroeg reeds mogen binnengaan
+ in 't eeuwig, 't ander leven;
+ wie 'n zou niet, om zoo schoon een kans,
+ een honderdjarig leven gansch
+ en geheel ten besten geven!
+
+
+ CLIX
+
+ N.
+
+ 1891
+
+ Een jong man kan,
+ een oud man zal,
+ als alles moet begeven,
+ dat rechte staat,
+ dat vaste staat,
+ dat leeft of schijnt te leven.
+
+
+ CLX
+
+ V.H.
+
+ 1892
+
+ Vaartwel, Vincent! In 't ander leven
+ zal God u loon naar werken geven,
+ terwijl wij hier nog lange jaren
+ 't geheugen van uw' deugd bewaren.
+ Zoo gij waart zijnder weinig, heden;
+ zoo vol van eere en dienstbaarheden;
+ getrouwe uw' meesters, en uw leven
+ bereid voor hen in pand te geven!
+ Zoo diendet gij, en, vriend van allen,
+ zoo zijt gij ons en elk ontvallen!
+ Vaarwel, nog eens! En, moge 't wezen
+ dat wij u zien verblijd nadezen,
+ waar God eens zal aan groot- en kleenen
+ hem zelve als hoogsten loon verleenen.
+
+
+ CLXI
+
+ C. PH. S.
+
+ 1892
+
+ Ach, vier onnoozele schaapkens, 'k laat
+ u moederloos in 't leven;
+ wie zalder nu, zoo moeder deed,
+ u hulpe en bijstand geven?
+
+ g'Hebt vader nog, die mij bemint,
+ die u bemint te gader;
+ weest Gij, o God, weest hem en hun
+ een toevlucht en een vader!
+
+ o Kinderkens, o vader lief,
+ vaartwel nu; eens na dezen
+ zal 't eeuwig, eeuwig blijdschap zijn,
+ zal 't altijd samen wezen!
+
+
+ CLXII
+
+ O.V.M.
+
+ 1892
+
+ Geliefden, die ik achterlate
+ in eere en deugd getogen,
+ zoo veel 't een' Moeder machtig was
+ met God en al heur pogen;
+
+ gedenkt hoe ik geleden heb;
+ hoe, dag en nacht gedwongen
+ en eindelinge eens ben losgerocht
+ en 's werelds leed ontsprongen!
+
+ 't Verheugt mij nu, veel meer als ooit
+ het leed mij kon doen lijden,
+ 't oneindig onverstaanbaar zijn
+ van 's hemels hoog verblijden.
+
+ Vaartwel dan. 't Gene ik trachtte in u
+ te stichten, blijve 't wezen
+ en wassen, tot zijn' volheid, in
+ elk een van u, nadezen!
+
+ En, leedt gij, waar' 't zoo vele als ik,
+ blijft, vaste en onbewogen,
+ uw' Vader en uw' Moeder weerd,
+ naar 't eeuwig welzijn pogen!
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+
+De bovenstaande _zielgedichtjes_, op twee of drie naar, wierden gedrukt
+op doodbeeldekens, en uitgedeeld in de kerke, ter nagedachtenisse van
+gekende overledenen.
+
+Het gebruik van lijkbeeldekens, -- doodsantjes (dood-_Sanctjes_),
+doodsentjes, doodsintjes, rouwzantjes, rouwzentjes, rouwzintjes,
+zarkskes, zerkskes, bidprentjes, gedachtenissen, suffragetjes,
+briefkens, texten heet men ze ook, -- wierd ingevoerd onder het "heilig
+ende zalig gedacht" dat de _diptycha_, de _obituaria_, de doodboeken, de
+grafzerken, en andere gedenkteekens van overledenen, ten gronde ligt.
+
+Gelijk de _diptycha_ vindt men de doodprentjes bij streken op den autaar
+liggen, bijvoorbeeld tot Neuss, in Westfalenland; tot Iper, tot Gent en
+elders heet men ze, als of 't afgedrukte zerksteenen waren, _zerkskes_,
+_zarkskes_.
+
+Gelijk de boeken, de boekversierselen en de heiligenbeeldekens, zoo
+wierden eertijds de doodsantjes met der hand _gescreven_, zoo men zei,
+dat is _geschilderd_. De achtbare Vrouwe E. Van Steenkiste-Van der
+Meersch, tot Brugge, bezit, onder menige andere, een doodprentje dat op
+pergament geschilderd wierd, ter nagedachtenisse van zaliger Mijn
+Hoogweerdigsten Heer _Humbert-Wilhelm a Precipiano_, Aartsbisschop van
+Mechelen, overleden op den 10 Junij 1711.
+
+De naaste doodprentjes, van ouderdoms wegen, zijn van geetste,
+gestekene of gesnedene platen gedrukt; de twee oudste die men kent zijn,
+'t eene, van den 9 Mei 1755, 't andere van den 5 Januarij 1759. Z. _Rond
+den Heerd_, 1876, bl. 68 en 72.
+
+De gedrukte doodprentjes van meer als honderd jaar oud zijn meest al
+Hollandsche en, onder andere, van den volgenden inhoud:
+
+ 1. "Bid voor de ziel van zaliger de Heer _Louis Michel_, overleden den
+ 16den December, 1758, in Amsterdam."
+
+ 2. "Bid voor de ziel van zaliger den Heer _Willem van Brienen_.
+ Overleden den 26sten Januarij MDCCLXX, in Amsterdam. _Requiescat in
+ pace_."
+
+ 3. "Bidt voor de ziel van zaliger _Barent Woortman_, overleden den 26
+ May 1775, in Amsterdam. Heere, geeft hem de eeuwige Rust. Amen."
+
+ 4. "Bidt voor de ziel van zaliger _Jacques Joseph de Pret_. Overleden
+ den 28 July 1784, in Antwerpen."
+
+ 5. "Bidt voor de ziel van zaliger vrouwe Cornelia Carolina Josepha _De
+ Bosschaert_, geboore De Pret, overlede den 20 February 1789, in
+ Antwerpen. R.I.P."
+
+ 6. "Bid voor de ziel van zaliger vrouwe _Joanna Josepha Vermoelen_,
+ geboore De Pret. Overlede den 22 Mey 1789, in Antwerpen. R.I.P."
+
+ 7. "Bid voor de ziele van zaliger den Heere _Arnoldus Franciscus
+ Josephus Bruno De Pret_. Overleden den 1 Augusti 1797, R.I.P."
+
+ 8. "Bid voor de ziel van vrouwe _Maria Theresia Josepha Moretus_,
+ geboren Borrekens. Overleden 5 Mey 1797. R.I.P."
+
+ 9. "Bid voor de ziel van zaliger vrouwe _Maria Agnes Michel_,
+ Douariere van zaliger den Heer Jean Philip Gilles. Overleden 31
+ January 1800, in Amsterdam. R.I.P."
+
+Het zij bemerkt dat M'Her _Louis Michel_ (no 1) de vader was van _Maria
+Agnes Michel_ (no 9), vrouwe van M'Her _Jan Philip Gilles_, overleden t'
+Amsterdam 31 Jan. 1800. M'Her _Louis Gilles-de Pret_, zoon van M'Her
+_Jan Philips Gilles_, (Amsterdam 22 Nov. 1761 * Hove bij Antwerpen 22
+Nov. 1811), was de vader van M'Her _Louis Baron Gilles de Pelichy-de
+Pelichy_, (Antwerpen 25 Junij 1798 * 29 April 1876), begraven tot
+Iseghem 3 Mei 1876; wiens zoon M'Her _Alexander Baron Gilles Pelichy
+van Caloen_, geboren tot Antwerpen 17 Dec. 1845, heden ten dage het
+adellijk slot _het Blauwhuis_ bewoont, tot Iseghem. Zie bl. 42, het stuk
+_Gouden Roozen_.
+
+Mevrouwe Gilles de Pret, van Antwerpen, liet, in de jaren 1790 twee
+prentjes drukken ter zaliger gedachtenisse van Louis XVI en van
+Marie-Antoinette; ze worden bewaard in de huiscapelle van Alexander
+Baron Gilles de Pelichy-Van Caloen.
+
+Over Antwerpen kwamen de doodprentjes uit Holland naar Vlanderen;
+Joufvrouw Marie Therese van Veldriel, van Antwerpen, liet prentjes
+drukken voor haren echtgenoot, Heer Dominicus Vercruysse, overleden te
+Kortrijk op den 28 Mei 1805; daar wierden er gedrukt voor haren
+schoonzoon, Heer Saveris Vercruysse, overleden tot Kortrijk op den 13
+December 1805; en eindelijk ook voor haar, wanneer zij kwam te
+overlijden, tot Kortrijk, op den 7 Feb. 1807.
+
+Tot Brugge wierden er doodprentjes gedrukt ter zaliger gedachtenisse van
+pastor _Jacop Wielmaecker_, van de Potterye, schielijk overleden 12
+Maarte 1814; "van den overleden Eerweerden en Edelen Heer _Charles De
+Schietere Caprycke_, die zijn levensloop heeft besteed tot zaligheyd der
+zielen en de onderwyzinge der jeugd der stad Brugge. Geboren den 22
+September 1762. Priester gewyd ten jare 1787. Ende gestigt heeft eene
+algemeyne Zondagschoole tot onderwys, zoo voor het geestelyk als tydelyk
+van boven de 1400 arme en behoeftige kinderen van beyde geslagten...
+Gestorven den 18 July 1815, in den ouderdom van 52 jaren."
+
+Op een ander prentje van dien tijd staat er: "Naer alles verlaeten te
+hebben, heeft hij Hem (Jesum) gevolgd. Matth. _P. Desiderius Van Huerne_
+van edele ouders gebooren den 11n February 1780, te Brugge in
+Vlaenderen. Naer zyne studien zoo tot Douay als tot Loven voltrokken te
+hebben, is nae Pollockx in wit Rusland vertrokken, en aldaer in de
+Societeyt Jesu aengenomen en tot Oswalda den 25 April 1816, nog geen
+priester zijnde, overleden. R.I.P."
+
+'t Oudste doodsantje dat op een landsche parochie spreekt, in de beide
+Vlanderen, is dat "van den hoog edelen Heer
+Philippus-Josephus-Maria-Ludovicus-Gislenus _graeve de Croix en van
+Moen_, Baron van Wynghene, heer van Dadizeele en Moorslede, etc. etc.
+Overleden te Dadizeele, den 4 Januarius 1820, in den ouderdom van 46
+jaren en 6 maanden. R.I.P. God en de menschen aengenaem, wiens
+gedagtenis is in zegening. Eccli, C. 45, VI."
+
+Tot in 't jaar 1830 en was 't maar voor de priesters en voor de leden
+van de aanzienlijkste geslachten dat men doodprentjes uitdeelde: dertig,
+veertig, vijftig ten hoogsten, en ter gelegentheid van groote
+uitveerden. Later is 't gebruik algemeender geworden, zoo nochtans dat
+het uitdeelen van doodprentjes nog altijd blijft gelden als een teeken
+van welhebbende treffelijkheid.
+
+De vroegste doodprentjes zijn op pergament gedrukt. Tot in 't j. 1830
+gaf men nog pergamenten beeldekens aan de naaste en beste vrienden,
+papierene aan iedereen. Die op geglansd papier gedrukt zijn komen
+doorgaans uit Oostende, uit Luik of uit Antwerpen.
+
+Op den eenen kant van het doodbeeldeken pleegt een _Sanct_, een
+_Sanctje_, een Heilige, of wel eenen schets uit het heilig Schrift
+verbeeld te staan; de kwade smaak van Parijs heerschte over die
+verbeeldingen, van t' halven de jaren 1830 tot 1860, wanneer de zucht
+naar eigen schoon opkwam en wederom begon de overhand te krijgen.
+
+In stee van Santen en Santinnen, enz., vindt men ook verbeeldingen van
+de kerke waar de overledene geuit wierd, ofwel 't beeld van den
+overledene zelve, 't zij in druk, 't zij in lichtprente nagetrokken.
+
+Op den anderen, op den _aarkant_ van 't beeldeken staat soms een
+zerksteen uitgeprent, met de vier Evangelistenteekens op de hoeken; soms
+eene kruisgedaantige lijste, soms eene andere. Binnen in die lijste, of
+ook ongelijst, staat de zoo gezeide _text_.
+
+De oudste texten vragen eenvoudiglijk, zonder eenige aanhalinge uit de
+Schrifture, een gebed voor zaliger zulk of zoo eenen, die overleed...
+enz. Later wordt daar eene schriftuurplaatse, in 't latijn en in de
+volkstale, bijgevoegd, b.v.: _Timenti Dominum bene erit in extremis._
+Die den Heere vreest zal wel vaeren in zijn uytersten."
+
+Naast het vermeerderd, dikwijls kraafsch en ongepast aanhalen der
+Schrifture, enz. is, sedert 1870, het bijvoegen van eenen gedeeltelijken
+stam- of geslachtsboom in zwang gekomen, dat eene verbeteringe is.
+
+In Brabant zet men den begraafdag, de zielmissen, en meer andere
+inlichtingen, op de doodsantjes. Wat de prenten betreft, ze zijn
+onderworpen aan de goedkeuringe van kanonik Reusens, en Zijne
+Hoogweerdigheid de Aartsbisschop heeft daarover eenen herderlijken brief
+doen lezen in al de kerken van 't Mechelsche.
+
+Voor Heere ende Meester Jan Frans De Broyer, S.T.L., geboortig van
+Buysinghen, bij Halle, en overleden, Pastor zijnde van Moorsel bij
+Aelst, op den 25 April 1830, wierd een doodprentje gedicht op rijm, en
+'t is het eerste van dien aard dat in eene kostelijke en wel vertierde
+verzamelinge van meer als 100.000 stuks te vinden is.
+
+Dit _zielgedichtje_ luidt als volgt:
+
+ Stae leezer!... onder deezen zerk
+ Ligt 't puyk der Priest'ren van Gods kerk,
+ Die godsgeleerdheyd gantsch had ingeswolgen:
+ Wiens slissing, in het zeden-vak,
+ Hoe zeer het ook vol spitsen stak,
+ Den bleeken angsteling gerust mogt volgen
+ Maer ah!... die zuyl, die hemel-spoor,
+ Die _weldaed_ noyt uyt 't oog verloor,
+ Is 't haestig nog van d'aerd geweeken,
+ Gy, die hem altyd hebt bemind,
+ Wil voor de ziel van uwen vriend
+ Een woord by God ten besten spreeken.
+
+Later maakte de eerweerde Heer D. Cracco, leeraar in 't kleen seminarie
+tot Rousselaere (en dichter van 't voorgaande?) dit volgend berijmd
+doodsantje:
+
+Wees gedachtig de ziel van _Amandus Bral_, geboren te Thielt den 17
+April 1814, overleeden in het kleyn Seminarie te Rousselaere den 20
+Junius 1833.
+
+ O ydelheyd der ydelheden!
+ Hoe broos is alles hier beneden!
+ O jongeling, wat is uw roem?
+ Uw jeugd gelykt de teere bloem.
+ Een killen mist komt opgevaeren,
+ En drukt de purperroode blaeren
+ Der bloem, die frisch ontlooken staet:
+ En zy verslenst, valt neer, vergaet.
+ Zoo viel voor Bral den bloey van 't leeven!
+ Doch 't dierbaerste is hem bygebleeven,
+ De Deugd, zyn liefste hertsvriendin.
+ Met haer trad hy den hemel in.
+
+Twee jaar daarna wierden de zelfste rijmreken, op weinige woorden na,
+toegepast op een ander, aldus:
+
+"Bid voor de ziel van d'Heer _Petrus Raymondus Lefevere_, gebooren te
+Rousselaere den 6 Mey, en aldaer overleden den 25 Maerte 1835.
+
+ O ydelheyd der ydelheden!
+ Hoe broos is alles hier beneden!
+ O jongeling, wat is uw roem?
+ Uw jeugd gelykt de teere bloem.
+ Een killen mist koomt opgevaeren,
+ En drukt de purperroode blaeren
+ Der bloem, die frisch ontloken staet;
+ En zy verslenst, valt neer, vergaet.
+ Zoo viel Lefevers bloey van 't leeven!
+ Maer 't dierbaerste is hem bygebleeven,
+ De Deugd, zyn liefste hertsvriendin,
+ Met haer treed hy den hemel in."
+
+Het volgende is waarschijnelijk van de zelfste hand:
+
+Gedagtenis van den deugdzaemen jongeling _Henricus Josephus Van Hecke_,
+leerling der grammatica in het Kleyn Seminarie te Rousselaere,
+overleeden te Beveren, zyne geboorte-plaets, in den ouderdom van 21
+jaeren.
+
+O jongheyd, die dit leest, denk toch een wyl op hem,
+Die t' saem met ons de vrugt der schoone lett'ren plukte,
+De wysheyd leerde door de zelve vaderstem,
+Maer wien de dood te vroeg aen onze school ontrukte.
+Van iedereen geliefd, in 't midden zyner jeugd,
+Viel hij als eene bloem gescheurd van haeren stengel.
+Doch neen! hy was reeds rijp; en zagtjens trok Gods engel
+Hem van deeze aerde, en bragt hem in des hemels vreugd.
+
+Nog een leerling van 't kleen Seminarie te Rousselaere maakte, twee jaar
+later, liggende op zijn sterfbedde, zijn eigen zielgedichtje. 't Was
+Desire de broeder van zaliger den eerweerden Heer De Corte; hij stierf
+tot Sint-Lievens Hautem, zijn geboortedorp, op den 21 Januarij 1837, oud
+21 jaar. Zijn doodprentje luidt aldus:
+
+ "'t Ellendig vleesch alleen kan sterven:
+ De ziel schiep God voor de eeuwigheyd;
+ Voor haer heeft hy dit goed bereyd,
+ Dit hemelsch goed, dat haer de dood doet erven.
+ Zeg dan, o dood, waer is uw strael?
+ Waer is, o dood, uw zegeprael,
+ Daer gy my doet een eeuwig goed verwerven?"
+
+Het gebruik van doodsantjes te laten drukken, van ze uit te deelen binst
+het ten offeren gaan, van ze in de kerke rond te geven, van ze ten huize
+te doen bestellen, voor of na de begravinge, enz. is uit de Nederlanden
+overgegaan naar Engeland, Duitschland, Vrankrijk, America, Italien,
+Polen, en misschien nog andere landen.
+
+Buiten het nut dat het uitdeelen van doodprentjes heeft, wanneer men 't
+beschouwt als een werk van liefdadige en stichtelijke godvruchtigheid,
+kan eene goede verzamelinge zulker gedrukte oorkondschepen alleszins te
+passe komen bij de lieden die taalgeleerdheid, namenkunde,
+geslachtkunde, gouwspraakkunde betrachtende zijn.
+
+Tot bewijs van dit zeggen dient het gebeurde op den koopdag van zaliger
+K. Kanonik De Ridder, overleden tot Mechelen in 't jaar 1876. Op dien
+koopdag immers zijn 2500 doodsantjes van overledene Priesters uit het
+Mechelsche 65 fr. toegeslegen; 2500 van Priesters buiten 't Mechelsche
+60 fr.; 2150 van Edellien 55 fr. Onder de gadinghebbenden was de zeer
+eerweerde Heer K. Kanonik Reusens, die hoogde voor de boekenkamer van de
+hoogschole tot Leuven.
+
+Voor de bovenstaande inlichtingen blijve ik allen dank schuldig aan de
+dienstveerdige bereidwilligheid van den eerweerden Heer Leopold Slosse,
+Pastor van Coyghem, den eigenaar en den kundigen zanter van de meer als
+100,000 zerkskes of doodbeeldekens, waarvan hooger sprake was.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Kerkhofblommen
+Zoo daar ooit
+'t Was de ure dat
+Traagzaam trekt
+_De profundis!_
+Dood was de stam
+Ha! beklaagt hem
+Kwade dag
+Ten paradijze
+Lijkrede
+Bezoek bij 't graf
+Nog eens
+Jaargetijde
+Het Kruis
+Uit het Italiaansch
+_R.I.P._
+Het kindeke van de dood
+Gouden Roozen
+Zielgedichtjes
+Alfons Danneels
+Pius IX
+Ridder Alfons Loosveldt
+F.A.J. Baron Bethune
+Eerw. H. Dhoop
+Hendrik Conscience
+L.E. Vanderghinste
+De Moeder van P. Benoit
+Deken L.-L. De Bo
+Eerw. H. Victor Van Coillie
+Eerw. P. Ameet Vyncke
+Eerw. H. Emile De Monie
+Hoogw. H. D.P.A. De Haerne
+Eerw. zuster overste M. Stanislas
+Eerw. H. Pastor Busschaert
+Aanteekeningen
+
+
+
+
+_Bij L. J VEEN te Amsterdam verscheen:_
+
+GUIDO GEZELLE'S
+
+DICHTWERKEN
+
+10 deelen ingenaaid _fl_ 10. -- 8 deelen gebonden _fl_ 14.--
+
+De uitgave bevat: Dichtoefeningen. -- Kerkhofblommen. -- Gedichten,
+Gezangen en Gebeden, Kleengedichtjes. -- Liederen, Eerdichten et
+Reliqua. -- Tijdkrans, (2 deelen). -- Rijmsnoer, (2 deelen).
+--Hiawadha's Lied. -- Laatste Verzen. -- De Bandteekening is van ALFRED
+VAN NESTE.
+
+Afzonderlijk kost deze uitgave deel 1, 2, 3, 4, 9 en 10 a _fl_ 1.90
+ing., _fl_ 2.50 gebonden, 5, 6, 7 en 8 a _fl_ 2.90 ingen., _fl_ 3.50
+geb.
+
+In de Belg. Ed. zijn nog verkrijgbaar: Dichtoefeningen,
+--Kerkhofblommen, -- Gedichten, Gezangen en Gebeden, Kleengedichtjes,
+--Liederen, Eerdichten et Reliqua
+
+a _fl_ 1.50 per deel ingenaaid, _fl_ 1.90 gebonden.
+
+Tijdkrans, -- Rijmsnoer a _fl_ 2.50 per deel ing., _fl_ 2.90 geb.
+
+ * * * * *
+
+Guido Gezelle, Verzen, Pracht-Editie (bijna uitverkocht) _fl_ 25.--
+
+Guido Gezelle, Bloemlezing, samengesteld door Dr. J. Aleida Nijland, 3e
+verbeterde druk, ingen. _fl_ 0.90, gebonden _fl_ 1.25
+
+Guido Gezelle, Motto-Album, met versieringen van Julius de Praetere.
+Prijs geb. in linnen _fl_ 1.50, geb. in leer, _fl_ 1.90
+
+Guido Gezelle, Scheurkalender voor 1906, Prijs _fl_ 0.90
+
+Guido Gezelle, Kleengedichtjes, Eerste en Tweede bundel. Prijs per
+bundel ingenaaid _fl_ 0.25, gebonden _fl_ 0.50
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Kerkhofblommen, by Guido Gezelle
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KERKHOFBLOMMEN ***
+
+***** This file should be named 27803.txt or 27803.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/7/8/0/27803/
+
+Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.