summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/28560-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:38:46 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:38:46 -0700
commit5db0cc249b46529d156302beb5520aa406b1e4a2 (patch)
treea2972624b3e2a5579d887d66e371cd35bd6ca3af /28560-8.txt
initial commit of ebook 28560HEADmain
Diffstat (limited to '28560-8.txt')
-rw-r--r--28560-8.txt4194
1 files changed, 4194 insertions, 0 deletions
diff --git a/28560-8.txt b/28560-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..200dc91
--- /dev/null
+++ b/28560-8.txt
@@ -0,0 +1,4194 @@
+The Project Gutenberg EBook of Een Kerstlied in Proza, by Charles Dickens
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een Kerstlied in Proza
+
+Author: Charles Dickens
+
+Translator: J. Kuylman
+
+Release Date: April 11, 2009 [EBook #28560]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN KERSTLIED IN PROZA ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Wereld Bibliotheek
+ Onder leiding van L. Simons
+
+ Charles Dickens
+
+
+ Een Kerstlied in Proza
+
+ Vertaald door J. Kuylman
+ Met inleiding door L. S.
+
+
+ Uitgegeven voor De Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur door
+ G. Schreuders Amsterdam
+
+
+
+
+
+
+
+
+De vertaler wenscht openlijk te erkennen, dat hij hier en daar een
+dankbaar gebruik heeft gemaakt van de aanteekeningen van den heer
+Ten Bruggencate in diens bekende uitgaaf van het origineel.
+
+J. K.
+
+
+
+
+
+
+IETS OVER CHARLES DICKENS
+
+(1812-1870).
+
+
+Er is geen werk en er zijn geen schrijvers, waarover het zoo moeilijk
+valt in later leven te oordeelen als die, waarmee men geleefd heeft
+in zijn jonge jaren, waarvan men genoten heeft toen lezen nog een
+wonderbaarlijk opgaan was in vreemde werelden van volkomen echtheid,
+zonder andere toets dan "boeiend" of "vervelend".--Dickens is er
+zoo éen voor mij geweest. En ik zou niet graag geroepen worden een
+oordeel te schrijven over Pickwick, Barnaby Rudge, Olivier Twist en
+de Kerstvertellingen, want ik kom er niet los genoeg van mijn jonge
+ervaringen.
+
+Doch oordeelen over deze Kerstvertelling moet de lezer maar zelf. Een
+kort woord is alleen noodig over den schrijver.
+
+Toen hij deze Kerstvertelling schreef was hij dertig jaar en al een der
+populairste vertellers van zijn tijd door zijn Samuel Pickwick. Hij had
+achter den rug een nogal moeilijk leven van den kleinen burgerjongen,
+die van buiten naar Londen was gekomen om er zijn weg te zoeken. Zijn
+eerste rustpunt dáár was een advocaten-kantoor; zijn tweede was het
+verslaggeversambt van terechtzittingen. Zoo leerde hij veel kennen
+van den ondergrond van het groote stadsleven; van de praktijken der
+rechtsgeleerden; de kronkelpaden van het gerecht; de hardheid van het
+armelijke leven in de groote stad. En hij oefende zich in schrijven;
+werd novellistisch reporter; schetsenmaker; later: romancier, die in
+wekelijksche afleveringen lange verhalen pende vol avontuur, realisme,
+humor, satire, pathos en zedeles,--alles door elkander.
+
+Door zijn eigen tijdgenooten is Dickens nogal eens geschuwd om
+zijn realisme; en tegelijkertijd is hem de kritiek niet gespaard
+om zijn tot in de karikatuur-vervallende òver-typeering en zijn
+effectbejag. Wat tegenstrijdig klinkt, doch het in zijn geval niet
+is. Want zijn realisme was zuiver zedekundig-maatschappelijk en
+humanitair, stond geheel onder den invloed van zijn behoefte tot
+aanwijzen van misbruiken en opwekken tot verbeteren. Niet om de koel-
+en verstandelijk waargenomen werkelijkheid weer te geven, was het
+hem te doen. Maar om zijn lezers te doordringen van de vele ellende,
+die om hen heen groeide, en waar zij onverschillig voorbijgingen;
+en ze de misbruiken te doen kennen, die om verbetering riepen. Zelf
+zoo sterk gevoelsmensch, dat hij onder het neerschrijven zijner eigen
+verbeeldingen soms half ziek werd, liet hij zich al schrijvend door
+dat gevoel beheerschen tot overdrijvingen en sentimentaliteiten,
+welke in dien éersten tijd der 19e eeuw nog uit de 18e eeuw in
+heel de romantische letterkunde voortleefden. En zijn humor was
+onder den invloed van de echt Engelsche clowneries en de gezochte
+aardigheden, die nog tot vandaag den dag het tooneel er beheerschen,
+in éen rechte lijn van Shakespeare tot Bernard Shaw. Het is de humor
+van een volk van lijn-kunst, dat gauw overslaat tot de charge en
+de caricatuur der overdreven vormen en òver-typeering. En Dickens,
+geboren acteur en voordrager, is wel in alle opzichten de sterke
+openbaring van al zijn volks-eigenaardigheden gebleken. Maar hij
+bezat daarnaast de onontbeerlijke eigenschappen om zijn fouten te
+doen vergeten in de sterke wegsleependheid van zijn aard; de kracht
+van zijn verbeelding; de fleur van zijn grappigheid; de uitbundigheid
+van zijn vinders-vernuft, en de meegevoeligheid van zijn hart.
+
+Tijdens de jaren van zijn leven (1812-1870) heeft Engeland een
+geleidelijke evolutie doorgemaakt, waarin versteend industrialisme
+en verrotte politiekerij door de zelf-ontwaking van de onderdrukten
+en het edelmoedig verzet van idealisten uit de andere klassen,
+werden omgewerkt tot bescherming van de arbeiders en zuiverder
+democratie. Tot die edelmoedige idealisten heeft ook Dickens behoord
+en zijn strijd tegen misbruiken in de rechtspraak, misbruik in de
+kostscholen, tyrannie van den gehuwden man, kinderverwaarloozing,
+heeft de hervormingsbeweging niet weinig geholpen. Hij had een macht
+over duizenden van lezers, in wier gemoed hij soms wel wat òverforsch
+kwam roeren, maar die zóo in hem en zijn scheppingen geloofden,
+dat zij, naarmate zijn werk in wekelijksche afleveringen vorderde,
+hem overstelpten met smeekbrieven om een kleine heldin toch niet te
+laten sterven; of dìè toch met dìèn te laten trouwen--.
+
+Aan een populariteit als deze zit altijd gevaar. Men wordt geen
+schrijver voor de menigte, als men niet in sterke mate eigenaardigheden
+heeft die tot velen spreken en velen gemeenzaam zijn, en wat vele
+menschen met elkaar gemeen hebben, kan alleen het àlgemeene zijn. Het
+fijnere, bizondere, in zich zelf verlorene is uit den aard der zaak
+maar voor weinigen. Doch dit algemeene behoeft niet noodzakelijk
+het grove, alledaagsche, oppervlakkige, sentimenteele te wezen. Er
+zijn kunstenaars door wie de sterke en groote levensstroom beweegt;
+menschen met breed gebaar, gansche levensruimten vullend, en die
+aldus op dien breeden, gullen en warmen levensstroom velen met zich
+nemen. Victor Hugo is zulk een mensch geweest, Peter Benoit was er
+een. Ook Björnson en Zola. En Dickens, hoewel zijn gebaar niet zóo
+breed, en zijn verbeeldingsleven niet zoo gul-echt was, behoorde
+toch wel tot hen, die hun populariteit dankten aan het sterke dat
+in hen was, en niet aan hun levensvervalschingen en niets-ontziende
+doordravende oppervlakkigheden, als nu Marie Corelli haar voorbijgaande
+populariteit bezorgen.--
+
+Zijn Kerstvertelling, in 1842 geschreven, is een heel karakteristiek
+staal van zijn eigenaardige kunst. Er is de echt-Engelsche,
+op het ijzingwekkende gerichte, verbeelding; de bizarre humor;
+de sterke gevoeligheid en de humanitaire strekking in, die de vier
+grond-elementen van zijn werk vormen. In zijn soort is het compleet en
+ook door hem zelf niet overtroffen. Werk van langer adem van hem--en
+dat is wel het meeste--was zoo spoedig niet te vertalen. Maar het
+staat op onze lijst voor de toekomst. Want het behoort gemeengoed
+van allen te blijven of te worden.
+
+
+L. S.
+
+
+
+
+
+
+EEN KERSTLIED IN PROZA
+ZIJNDE EEN SPOOK-KERSTVERTELLING DOOR CHARLES DICKENS
+
+
+EERSTE ZANG.
+
+MARLEY'S GEEST.
+
+
+Om 't dadelijk te zeggen: Marley was dood. Twijfel daarover
+is onmogelijk. Zijn begrafeniscedel werd geteekend door den
+geestelijke, den burgerlijken ambtenaar, den begrafenisondernemer
+en den voornaamsten rouwdrager. Scrooge teekende haar; en Scrooge's
+naam was op de Beurs goed voor alles waarop hij zijne handteekening
+verkoos te zetten. De oude Marley was zoo dood als een deurpen. [1]
+Let wel! ik wil niet zeggen, dat ik uit eigen ervaring weet, wat er
+bijzonder doods is aan een deurpen. Ik voor mij zou geneigd zijn
+een nagel in een doodkist te beschouwen als het doodste ding in
+den ijzerhandel. Doch in deze vergelijking steekt de wijsheid onzer
+voorouders; en mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, of
+'t is gedaan met het land. Ge zult mij daarom veroorloven nog eens
+met nadruk te herhalen, dat Marley zoo dood was als een deurpen.
+
+Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het
+anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons
+geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur,
+zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige
+rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó
+volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich
+nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf,
+en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van
+Marley's begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.--Er
+bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley's dood.--Dit moet goed
+verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis
+die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat
+Hamlet's vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets
+méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht,
+bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan
+er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van
+middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den
+avond gaat wandelen op een winderige plaats--bijvoorbeeld St. Pauls
+Churchyard--met geen ander opzet, dan om den zwakken geest van zijn
+zoon in verbazing te zetten.
+
+Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond
+er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en
+Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu
+eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan
+weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles
+hetzelfde.
+
+Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een
+uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige
+oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit
+een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf
+gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken
+verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte
+zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw,
+en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op
+zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen
+lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de
+hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis.
+
+Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op
+Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud
+maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende
+sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was
+minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan
+te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden
+slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen
+nog wel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield
+hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: "m'n
+waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?" Geen
+bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen
+vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den
+weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der
+blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten
+zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken,
+en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: "géén oog
+is beter dan een boos oog, blinde meester!"
+
+Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich
+een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte,
+en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden,
+dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge's hand noemden.
+
+Op een keer--en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den
+avond vóór Kerstmis--was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het
+was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon
+de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen,
+hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op
+de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken
+van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel
+donker--het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest--en
+kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als
+rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar
+binnen door iedere reet en elk sleutelgat, en was buiten zóó dicht,
+dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde
+niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer
+zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de
+Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was.
+
+De deur van Scrooge's kantoor stond open, opdat hij een oogje kon
+houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort
+hok, brieven copiëerde. Scróóge had al een klein vuurtje, doch het vuur
+van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon
+er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer;
+en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn
+meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn
+witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat
+hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte.
+
+"Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!" riep een vroolijke
+stem. Het was de stem van Scrooge's neef, die hem zoo plotseling
+overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was.
+
+"Bah!" zei Scrooge, "nonsens!"
+
+Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle
+loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was
+rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte.
+
+"Kerstmis nónsens, oom!" zei Scrooge's neef, "dat meent u niet."
+
+"Waarachtig wel," zei Scrooge. "Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb
+jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen."
+
+"Kom nu," antwoordde de neef vroolijk, "welk recht hebt ù om knorrig
+te zijn? ù is rijk genoeg."
+
+Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij
+nogmaals "bah" en liet er op volgen: "Nonsens."
+
+"Wees nu niet knorrig, oom," zei de neef.
+
+"Wat kan ik anders zijn," antwoordde de oom, "als ik in zoo'n wereld
+vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat
+beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen
+moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf
+een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te
+maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te
+zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou," zeide Scrooge verontwaardigd,
+"zou iedere idioot die rondloopt met "vroolijke Kerstmis" op zijn
+lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met
+een hulsttak door zijn hart.--Dàt zou ie!"
+
+"Oom!" pleitte de neef.
+
+"Neef!" antwoordde de oom streng, "vier Kerstmis zooals je verkiest
+en laat mij het doen zooals ik het wil."
+
+"Vieren!" hernam Scrooge's neef. "Maar u viert het heelemaal niet."
+
+"Laat me het dan laten voor wat het is," zeide Scrooge. "Veel goed
+moge het je doen! 't Heeft je altijd veel geluk gebracht!"
+
+"Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen
+nut getrokken heb waarschijnlijk," antwoordde de neef, "en van deze
+dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd
+als hij weder dáár was--nog afgezien van den eerbied, verschuldigd aan
+zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past
+er van afgescheiden kan worden)--gedacht heb als aan een goeden tijd:
+een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen
+tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen
+als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen,
+en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar
+het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een
+ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een
+greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het
+mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem."
+
+De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk
+daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het
+vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit.
+
+"Laat ik joù nog es hooren," zeide Scrooge, "en jij zult je Kerstmis
+vieren met het verlies van je betrekking.--Ge zijt bepaald een groot
+redenaar, meneer," voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. "'t
+Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit."
+
+"Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten."
+
+Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han--, ja, waarachtig,
+dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij
+hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien.
+
+"Maar waarom?" riep Scrooge's neef uit. "Waarom?"
+
+"Waarom trouwde je?" zeide Scrooge.
+
+"Omdat ik verliefd werd."
+
+"Omdat je verliefd werd!" gromde Scrooge, alsof dit het eenige
+ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke
+Kerstmis. "Goeien middag!"
+
+"Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit
+gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen."
+
+"Goeien middag," zei Scrooge.
+
+"Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen
+wij geen goede vrienden zijn?"
+
+"Goeien middag!" zei Scrooge.
+
+"Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben
+wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb
+geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch
+mijn Kerststemming bewaren tot 't laatste. En daarom, een gelukkig
+Kerstfeest, oom!"
+
+"Goeien middag!" zei Scrooge.
+
+"En een gelukkig Nieuw Jaar!"
+
+"Goeien middag!" zei Scrooge.
+
+En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te
+uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den
+dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer
+was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.
+
+"Daar heb je nòg zoo'n idioot," mompelde Scrooge, die hem hoorde:
+"mijn klerk met negen gulden in de week en een vrouw en kinderen,
+en dat praat over 'n vroolijke Kerstmis. Ik geloof dat ik maar naar
+Bedlam [2] zal verhuizen."
+
+Deze idioot had, toen hij Scrooge's neef uitliet, twee andere menschen
+binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te
+zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge's kantoor stonden. Zij
+hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge.
+
+"De firma Scrooge en Marley, geloof ik," zei een der heeren, zijn
+lijst inziend. "Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer
+Marley te zien?"
+
+"Mijnheer Marley is al zeven jaren dood," antwoordde Scrooge. "Vanavond
+voor zeven jaren is hij gestorven."
+
+"Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij
+zijn overlevenden compagnon," zeide de heer, zijne geloofsbrieven
+overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante
+zielen geweest. Bij het onheilspellende woord "mildheid," fronste
+Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven
+terug.
+
+"In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge," zei de heer,
+een pen opnemend, "is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij
+iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd
+veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen;
+honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!"
+
+"Zijn er geen gevangenissen?" vroeg Scrooge.
+
+"O ja, gevangenissen in overvloed," zei de heer, zijn pen weder
+neêrleggend.
+
+"En de werkhuizen?" vroeg Scrooge. "Zijn die nog in werking?"
+
+"Zeker. En toch," antwoordde de heer, "wenschte ik dat ik zeggen kon
+dat ze 't niet meer waren."
+
+"De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?" zeide
+Scrooge.
+
+"Beide nog op volle kracht, meneer."
+
+"Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er
+iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had,"
+zeide Scrooge. "'t Doet me genoegen dàt te hooren."
+
+"In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist
+christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen," antwoordde
+de heer, "trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den
+armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen
+dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld
+wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?"
+
+"Voor niets!" antwoordde Scrooge.
+
+"Wenscht u anoniem te blijven?"
+
+"Ik wensch met rust gelaten te worden," zeide Scrooge. "Daar u mij
+vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen
+feest op Kerstmis en 't kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden
+vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven
+noemde--en die kosten genoeg--en zij die 't arm hebben kunnen
+dáárheen gaan."
+
+"Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven."
+
+"Als zij liever willen sterven," zeide Scrooge, "dan moeten ze dat
+maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien--neem
+me niet kwalijk--maar daar weet ik niet van."
+
+"Maar u kòn het toch weten," merkte de heer op.
+
+"'t Zijn mijn zaken niet," antwoordde Scrooge. "Het is voldoende als
+een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van
+anderen. De mijne houden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!"
+
+Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden,
+gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden
+dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk.
+
+Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen
+buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen
+uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk,
+wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag
+vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg
+de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna,
+alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De
+kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje,
+waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een
+flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze
+mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking
+met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf
+overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling
+gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels,
+waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages,
+kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers-
+en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke
+praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe
+dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden.
+
+De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtige Stadhuis, gaf zijnen
+vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze,
+zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs
+de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete
+opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest,
+roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn
+magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch
+te koopen.
+
+Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend
+koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen
+had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen
+(smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst
+lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus,
+afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door
+honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge's sleutelgat om
+hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van:
+
+
+ "Heil en zegen op deez' dag,
+ Dat geen leed u treffen mag!"
+
+
+greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk
+verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist
+en de nog meer met Scrooge's aard overeenkomende vorst.
+
+Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn
+kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok,
+die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette.
+
+"Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?" zeide Scrooge.
+
+"Als 't gelegen komt, meneer."
+
+"'t Komt nièt gelegen," zeide Scrooge, "en 't is bovendien niet
+billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker
+dat je je al heel verongelijkt zou achten."
+
+De klerk glimlachte flauwtjes.
+
+"En toch," zeide Scrooge, "vind je niet dat ìk benadeeld word, als
+ik jou een dag salaris betaal voor geen werk."
+
+De klerk merkte op, dat 't maar eens in 't jaar was.
+
+"Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten
+December te rollen!" zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin
+toeknoopend. "Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten
+vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te
+vroeger bent."
+
+De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend
+heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de
+lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend,
+(want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken
+op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig
+maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde
+toen huiswaarts naar Camden Town, [3] zoo hard zijne beenen slechts
+draven wilden, om blindemannetje te spelen.
+
+Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige
+restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen,
+en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek,
+ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamers die voortijds
+behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber
+stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar
+het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld
+hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was,
+om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten
+had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders
+in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als
+kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die
+iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De
+mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat
+het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op
+den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den
+klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een
+feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde,
+en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht
+noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder
+begrijpend--wat een stout woord is--den raad, de schepenen en de
+gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik
+meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds
+hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan
+eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij
+den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder
+dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper,
+doch Marley's gezicht.
+
+Marley's gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen, in
+ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig
+licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren
+kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts
+aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril,
+die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde
+vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel
+de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de
+lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen
+onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een
+deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit
+verschijnsel keek was het weder een klopper.
+
+Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan
+was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke
+sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch
+hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had,
+draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.
+
+Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur
+sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half
+en half verwachtte verschrikt te worden door Marley's staartpruikje,
+uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de
+schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij:
+poe, poe! en sloot de deur met een slag.
+
+Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven,
+en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een
+eigen naklank van echo's te hebben. Doch Scrooge was er de man niet
+naar zich door echo's uit het veld te laten slaan. Hij grendelde
+de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam,
+onder het gaan zijn kaars snuitend.
+
+Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen
+een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet;
+maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen
+oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur
+en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed;
+wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich
+voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een
+half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te
+goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk
+donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch
+vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te
+zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist
+genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.
+
+Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals 't behoorde. Niemand
+onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard;
+lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge
+had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand
+in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding
+tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm,
+oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.
+
+Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en sloot zichzelf in; draaide
+den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd
+tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak
+en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur
+zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje,
+van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er
+zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het
+geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De
+schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen
+Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels,
+die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en
+Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden
+die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams,
+Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden
+figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit
+gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al
+het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere
+gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het
+vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de
+losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley's
+gezicht te zien zijn geweest.
+
+"Malligheid!" zei Scrooge en liep de kamer op en neer.
+
+Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen
+hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn
+blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel,
+die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergeten
+doeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste
+verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden
+onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze
+bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het
+begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op,
+en al de schellen in het huis deden eveneens.
+
+Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden,
+doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen
+waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend
+gerommel laag beneden in 't huis, alsof iemand een zwaren ketting
+sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge
+herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en
+dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open
+met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker,
+op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht
+op zijn deur aan.
+
+"'k Hou toch vol dat het malligheid is!" zei Scrooge. "Ik wil er niet
+in gelooven."
+
+Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil
+te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne
+oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur
+helder op, alsof het zeggen wilde: "die ken ik! Marley's Geest!" en
+toen doofde het weder.
+
+Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn
+pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten
+aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje,
+en zijn jaspanden en het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij
+voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang,
+slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want
+Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten,
+grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam
+was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn
+vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.
+
+Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar
+dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.
+
+Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.
+
+Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan;
+hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde
+en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en
+kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had,
+was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. "Wat heeft
+dat nu te beteekenen!" zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. "Wat
+wilt ge van mij?"
+
+"Heel veel!"--Marley's stem, daar viel niet aan te twijfelen.
+
+"Wie zijt ge?"
+
+"Vraag me wie ik geweest ben."
+
+"Wie ben je dan geweest?" zeide Scrooge, zijn stem verheffend. "Je
+bent nog al kieskeurig--voor een schim." Hij had willen zeggen
+"kieskeurig tot op een haar," maar stelde het eerste ervoor in de
+plaats, als meer passend.
+
+"Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley."
+
+"Kunt ge--kunt ge gaan zitten?" vroeg Scrooge, hem twijfelachtig
+aanziend.
+
+"Jawel."
+
+"Doe dat dan."
+
+Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende
+geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat
+ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het
+noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den
+anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.
+
+"Ge gelooft niet aan mij," merkte de Geest op.
+
+"Nee, dat doe ik ook niet," zeide Scrooge.
+
+"Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat
+uwer zintuigen?"
+
+"Dat weet ik niet," zeide Scrooge.
+
+"Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?"
+
+"Omdat," zeide Scrooge, "er maar heel weinig noodig is om ze in
+de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze
+bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn,
+een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge
+komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan
+ook zijn moogt!" Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en
+ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig
+gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn
+eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want
+de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde,
+dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde
+oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen.
+
+Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen
+atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch
+het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt
+stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en
+weer als door de heete lucht uit een oven.
+
+"Ziet ge dezen tandestoker?" zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend,
+om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het
+visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.
+
+"Zeker," antwoordde het spook.
+
+"En je kijkt er niet eens naar," zei Scrooge.
+
+"Maar ik zie hem tòch," zei het spook.
+
+"Nu," antwoordde Scrooge, "ik heb dezen maar door te slikken, om voor
+de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters,
+allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je--allemaal nonsens."
+
+Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde
+zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn
+stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch
+hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook den binddoek van
+zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te
+dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.
+
+Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.
+
+"Genade!" zeide hij. "Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij
+lastig?"
+
+"Wereldschgezinde man," antwoordde het spook, "gelooft ge in mij
+of niet?"
+
+"Ja," zeide Scrooge, "ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over
+de aarde, en waarom komen zij tot mij?"
+
+"Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder
+zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest
+dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den
+dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen--oh, wee mij--en
+getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen
+deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen."
+
+Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong
+zijne doorschijnende handen.
+
+"Ge zijt geboeid," zeide Scrooge bevend. "Zeg mij waarom."
+
+"Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde," antwoordde de
+Geest. "Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen
+vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is
+het model ervan ù vreemd?"
+
+Scrooge beefde al meer en meer.
+
+"Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge
+zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar
+en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan
+gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!"
+
+Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf
+omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch
+hij zag niets.
+
+"Jacob," zeide hij smeekend. "Oude Jacob Marley, vertel mij nòg
+meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob."
+
+"Die heb ik niet voor u," antwoordde de Geest. "Die komen van andere
+regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere
+menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou
+willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens
+toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren
+van ons kantoor--luister--gedurende mijn leven dwaalde mijn geest
+nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle
+lange reizen liggen vóór mij!"
+
+Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in
+zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld
+had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of
+zijne knielende houding te verlaten.
+
+"Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob," merkte Scrooge op,
+op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.
+
+"Langzaam!" herhaalde de Geest.
+
+"Zeven jaren dood!" zeide Scrooge peinzend. "En al dien tijd op reis?"
+
+"Al dien tijd," zei het spook. "Geen rust, geen vrede en voortdurende
+knaging van berouw."
+
+"Reist ge snel?" zei Scrooge.
+
+"Op de vleugelen van den wind," antwoordde de Geest.
+
+"Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn," zei Scrooge.
+
+Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde
+zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de
+nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal
+van op te maken wegens burengerucht.
+
+"O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende," riep het spook
+uit, "gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door
+onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te
+niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich
+ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest,
+in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit
+sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht
+en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de
+ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit
+alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!"
+
+"Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob," stamelde
+Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.
+
+"Zaken!" riep de Geest uit, zijne handen wringend. "De menschheid
+was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde,
+mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne
+zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts
+een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!"
+
+Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak
+was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag
+weder op den grond.
+
+"In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd 'k het meest," zei
+het spook. "Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de
+menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar
+die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren
+er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?"
+
+Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde
+voortgaan, en begon erg te beven.
+
+"Hoor mij aan," riep de Geest. "Mijn tijd is bijna om."
+
+"Dat wil ik," zeide Scrooge. "Maar wees niet hard tegen me en wees
+niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!"
+
+"Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt,
+mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten."
+
+Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte
+zich het zweet van het voorhoofd.
+
+"Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening," ging de Geest
+voort. "Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om
+mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb,
+Ebenezer."
+
+"Je waart altijd een goed vriend voor mij," zeide Scrooge. "Dank
+je wel."
+
+"Je zult bezocht worden," hernam het spook, "door Drie Geesten."
+
+Scrooge's gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.
+
+"Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?"
+
+"Ja."
+
+"Dan geloof ik, dat--dat ik 't toch maar liever niet wou," zeide
+Scrooge.
+
+"Zonder hun bezoek," zeide de Geest, "kunt ge niet hopen het pad
+te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten,
+als de klok één slaat."
+
+"Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan
+hebben, Jacob?" stelde Scrooge voor.
+
+"Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag
+van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet
+andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden
+wat er tusschen ons is voorgevallen."
+
+Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de
+tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij
+dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley's tanden maakten,
+toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij
+waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen
+bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den
+arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem
+en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open,
+zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest
+wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog
+slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley's
+geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef
+staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees;
+want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden
+in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw,
+onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het
+spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen
+lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.
+
+Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne
+nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol
+spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts
+zweefden. Elk van hen torste ketenen zooals die van Marley's geest;
+een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar
+geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij
+hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden
+geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast
+aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze
+vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon
+helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten
+ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor
+altijd de macht verloren hadden.
+
+Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij
+niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen
+en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.
+
+Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest
+binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn
+eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij
+probeerde om weder "nonsens!" te zeggen, doch bleef bij de eerste
+lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad
+had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in
+de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met
+den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust
+had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel
+onmiddellijk in slaap.
+
+
+
+
+
+TWEEDE ZANG.
+
+DE EERSTE DER DRIE GEESTEN.
+
+
+Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed
+keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden
+zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis
+met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige
+kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij
+tot zij het volle uur zouden slaan.
+
+Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en
+zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en
+het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk
+zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf!
+
+Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche
+klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg
+twaalf; en zweeg.
+
+"Wel heb ik van m'n leven, 't is toch niet mogelijk dat ik een
+heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben,"
+zei Scrooge. "Er zal toch niets met de zon wezen, zoodat dit twaalf
+uur 's middags kan zijn?"
+
+Daar dit denkbeeld hem verontrustte, krabbelde hij uit bed en ging
+tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met
+den mouw van zijn chambercloak af te wrijven voor hij iets kon zien,
+en zag toen nòg maar heel weinig. 't Eenige dat hij zien kon was, dat
+het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van
+heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker
+zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had
+doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote
+verlichting, omdat "na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den
+heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief"
+enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier
+der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren.
+
+Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet
+uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen,
+en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht.
+
+Marley's Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog
+eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een
+droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten
+wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde
+vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: "Was
+het een droom of niet?"
+
+Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder
+drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat
+de Geest hem een bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij
+besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij
+wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan,
+was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon.
+
+Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd
+was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt
+zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn
+luisterend oor:
+
+"Bim-bam!"
+
+"Kwartier over!" telde Scrooge.
+
+"Bim-bam!"
+
+"Half slag!" zei Scrooge.
+
+"Bim-bam!"
+
+"Kwartier vóór," zei Scrooge.
+
+"Bim-bam!"
+
+"Volslag," zeide Scrooge, triomfantelijk, "en er komt niks."
+
+Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een
+zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot
+een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden
+terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde,
+evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend
+was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge,
+die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte,
+zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof,
+zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan
+uwe elboog.
+
+Het was een vreemde gedaante--gelijkend op een kind; en toch weer
+niet zoozeer op een kind, als wel op een oud man, gezien door de
+een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen
+alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de
+proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was
+wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat,
+en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en
+gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht
+stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals
+de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte
+tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans
+prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de
+hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter,
+was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de
+verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal
+ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel
+in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu
+onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven.
+
+En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook
+dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in
+dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat
+het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de
+gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één
+arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een
+paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van
+al deze verdwijnende ledematen was geen omlijning zichtbaar door de
+dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich
+hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk
+en helder als altijd.
+
+"Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?" vroeg
+Scrooge.
+
+"Die ben ik!"
+
+De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre
+kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn.
+
+"Wie, en wat ben je?" vroeg Scrooge.
+
+"Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden."
+
+"Van làng verledene?" vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw
+opmerkte.
+
+"Neen, van ùw verleden."
+
+Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op
+hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest
+met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken.
+
+"Wat!" riep de Geest uit, "wilt gij met wereldsche handen reeds zoo
+gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg
+dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en
+mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?"
+
+Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den
+Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper
+op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat
+hij hem vroeg wat hem hierheen voerde.
+
+"Uw welzijn!" zeide de Geest.
+
+Scrooge betuigde zijn' dank, doch kon niet nalaten te denken dat
+een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijk voor dit doel geweest
+zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij
+zeide onmiddellijk:
+
+"Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!"
+
+Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm.
+
+"Sta op! en ga met mij mee!"
+
+Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich
+niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat
+het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt
+stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en
+chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik
+verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand,
+was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar
+het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad.
+
+"Ik ben maar een sterveling," zeide Scrooge, "en zou licht kunnen
+vallen."
+
+"Laat mijne hand u slechts dáár raken," zeide de Geest, zijn hand op
+Scrooge's hart leggend, "en gij zult gesteund worden in meer dan dit!"
+
+Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur
+heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De
+stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De
+duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was
+een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond.
+
+"Goeie hemel!" zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij
+om zich heen keek. "Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik
+jong was."
+
+De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en
+kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven
+te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden,
+elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en
+zorgen die lang, lang vergeten waren.
+
+"Uw lip beeft," zeide de Geest. "En wat is dat daar op uw wang?"
+
+Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het
+een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij
+maar wilde.
+
+"Herinnert gij u den weg nog?" vroeg de Geest.
+
+"Of ik!" riep Scrooge met vuur.--"Ik zou hem blindelings kunnen
+loopen."--
+
+"Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!" merkte
+de Geest op. "Laten we voortgaan."
+
+Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal
+en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde,
+met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar
+ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die
+andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren
+gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd
+en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde
+klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte.
+
+"Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn," zeide de
+Geest. "Zij beseffen niet dat wij hier staan."
+
+De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onder het aankomen herkende
+Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch
+buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en
+sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was
+hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis
+hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen,
+naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om "een vroolijke Kerstmis?" Weg
+met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht?
+
+"De school is nog niet geheel verlaten," zei de Geest. "Een eenzaam
+kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven."
+
+Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij
+verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en
+kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het
+dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een
+bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had;
+want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren
+vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren
+vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen;
+en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras.
+
+Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te
+herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door
+de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe
+schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht,
+een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan
+te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen.
+
+De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het
+huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige
+kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren
+schoolbanken en lessenaars.
+
+Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend
+vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn
+eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger.
+
+Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen
+achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp
+op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken
+van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg
+pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn
+verteederenden invloed op Scrooge's hart en gaf vrijer loop aan
+zijne tranen.
+
+De Geest raakte zijn' arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals
+hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in
+vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar
+te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel
+gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel.
+
+"Wel heb ik van m'n leven, dat's Ali Baba!" riep Scrooge verrukt
+uit. "'t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog
+wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan
+zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als
+nu. Arme jongen! En Valentijn," zeide Scrooge, "en zijn wilde broeder
+Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in
+zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet, ziet ge hem
+niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd
+werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik
+ben er tòch blij om, wat moest hij ook met de Prinses trouwen?"
+
+Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge's zakenkennissen uit de
+City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen,
+te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige
+stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde
+kleur en opgewonden gezicht te zien.
+
+"Daar heb je de Papegaai ook!" riep Scrooge. "Groen lijf en gele
+staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. "Arme
+Robinson Crusoë," noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart
+om zijn eiland heen. "Arme Robinson Crusoë," waar zijt ge geweest,
+Robinson Crusoë?" De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch
+niet zoo: Het was de papegaai die 't zei, weet je. Daar gaat Vrijdag,
+loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te
+redden. "Hallo, hoep, hallo!"
+
+En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd
+was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, "arme jongen!" en weende
+weder.
+
+"Ik wou," mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich
+heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord:
+"maar 't is nu te laat."
+
+"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest.
+
+"Niets," zeide Scrooge. "Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje
+aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat's al!"--
+
+De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaide met de hand, zeggend
+terwijl hij dit deed: "Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien."
+
+Bij deze woorden werd Scrooge's vroeger eigen ik grooter, en de
+kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in,
+de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten
+de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde,
+wist Scrooge evenmin als gij of ik.--Hij wist alleen dat het precies
+zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij
+daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens
+naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd.
+
+Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en
+neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend
+angstig naar de deur.
+
+Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam
+binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk
+kussend, noemde zij hem haar "lieve, lieve broertje."
+
+"Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!" zei het kind, in
+hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen,
+"om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!"
+
+"Naar huis, kleine Fan?" antwoordde de jongen.
+
+"Ja!" zeide het kind, dol van vreugde. "Naar huis, en voor goed. Vader
+is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een
+hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op 'n heerlijken avond toen
+ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen
+of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met
+een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!" zei het kind,
+haar oogen openend, "en hier kom je nooit meer terug; maar eerst
+moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd
+hebben dien je je denken kunt."
+
+"Je bent al 'n heele meid, kleine Fan!" riep de jongen uit. Zij klapte
+in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij
+te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem
+te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de
+deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken,
+ging met haar mede.
+
+Een barsche stem in den gang riep: "Hei daar, breng de koffer van
+jongenheer Scrooge es naar beneden!" en in den gang verscheen
+de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met
+tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door
+hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het
+alleroudste gat van een kille "mooie kamer" dat ge ooit gezien hebt,
+waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de
+kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok
+bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze
+lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht
+naar buiten sturend om den postrijder een glas van "'t een of ander"
+aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer's aanbod dankbaar
+aannam, maar dat als het 't zelfde was wat hij al meer gehad had,
+dan had hij 't liever niet. Daar de koffer van jongenheer Scrooge
+nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid
+van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden
+in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; de sneldraaiende
+raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen
+der coniferen.
+
+"Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen
+blazen," zei de Geest. "Maar ze had een ruim hart."
+
+"Dàt had ze," riep Scrooge uit. "Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik
+niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!"
+
+"Ze stierf toen ze 'n vrouw was," zei de Geest, "en had, geloof ik,
+kinderen."
+
+"Eén kind," antwoordde Scrooge.
+
+"'t Is waar ook," zeide de Geest, "uw neef."
+
+Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: "Ja."
+
+Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden,
+bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar
+schimmige passagiers heen en weder liepen; waar schimmige karren en
+koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en
+het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te
+zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd
+werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef
+stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij
+het kende.
+
+"Of ik!" zeide Scrooge. "Ik was hier immers leerling!"
+
+Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen
+kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij
+twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen
+de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit:
+
+"Wel heb ik van m'n leven, 't is de ouwe Fezziwig! God zegen hem;
+het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is."
+
+De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur
+van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde
+vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette,
+joviale stem:
+
+"Hallo daar! Ebenezer! Dick!"
+
+Scrooge's vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel
+binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling.
+
+"Dick Wilkins, waarachtig!" zei Scrooge tegen den Geest. "Waarachtig
+'t is 'em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!"
+
+"Yo ho, jongens!" zeide Fezziwig. "Voor vandaag genoeg gewerkt,
+hoor. Avond vóór Kerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er
+vóór, hoor," riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen,
+"vóór je tot tien kunt tellen!"
+
+Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens
+aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken--een,
+twee, drie--en ze zaten al op hun plaats--vier, vijf, zes--de boomen
+en pennen erop--zeven, acht, negen--en daar waren ze al weer terug
+voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden.
+
+"Hilli-ho!" riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met
+merkwaardige vlugheid. "Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten
+we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant
+zetten!" Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen,
+als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was
+alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor
+goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werd geveegd
+en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur
+gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge
+en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt
+kunnen wenschen.
+
+Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge
+kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde
+om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één
+aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend
+en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij
+gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die
+in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den
+bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend,
+den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht
+van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte
+zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist
+dat haar meesteres haar aan 'r ooren getrokken had. Binnen kwamen
+ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder
+schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur,
+sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen,
+hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los,
+twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén
+de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van
+het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal
+en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond
+in verschillende houdingen van verliefdheid, het oude eerste paar
+dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur
+uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze
+bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen
+laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend
+resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten
+teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: "Goed
+zoo!" en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier,
+die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er
+weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een
+beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers
+waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput
+op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht,
+die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven.
+
+Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst,
+en er was tulband en "negus," en er was een groot stuk koud vleesch en
+een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch,
+rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch
+het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt,
+toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die
+zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen)
+Sir Roger de Coverley [4] begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig
+aan om te dansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met
+een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners;
+allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden
+te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten.
+
+Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel,
+dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig
+evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn
+in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is,
+doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de
+plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In
+elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit
+vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En
+toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den
+dans gegaan waren, "avancez en retirez," "geef uw partner de hand,"
+"buig en curtsey," "kurketrekker," "doe een draad in de naald," en
+"weer terug naar uw plaats," sprong Fezziwig in de hoogte--sprong met
+de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen
+knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht.
+
+Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk
+bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan
+weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er
+een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke
+Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na,
+wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen
+weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne bedden die zich
+onder een toonbank achter in den winkel bevonden.
+
+Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een
+uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn
+vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles,
+en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik,
+dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog
+onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den
+Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het
+licht op zijn hoofd zeer helder brandde.
+
+"Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze
+luidjes!" zeide de Geest.
+
+"Gering iets!" echoëde Scrooge.
+
+De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen,
+die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden,
+en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: "Nu, is het niet zooals
+ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven,
+drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar
+al dien lof voor verdient?"
+
+"Dàt is het niet," zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en
+zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet
+zijn later Ik het zou gedaan hebben. "Dat is het niet, Geest. Hij
+heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst
+licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij
+dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en
+onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er
+alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidt is precies even
+groot als wanneer het een vermogen kostte."
+
+Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg.
+
+"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest.
+
+"O, niks bijzonders," zeide Scrooge.
+
+"Toch wel ìets, geloof ik?" hield de Geest aan.
+
+"Neen," zeide Scrooge, "neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar
+woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!" Zijn vroeger Ik
+draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest
+stonden weder naast elkaar in de open lucht.
+
+"Mijn tijd spoedt ten einde," merkte de Geest op. "Vlug!"
+
+Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien
+kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want
+weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht
+des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van
+later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er
+was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet
+zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van
+den groeienden boom zou vallen.
+
+Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad,
+in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk
+uit den Geest van Verleden Kersttijden.
+
+"Het komt er niet erg op aan," zeide ze zacht. "Voor jou al heel
+weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan
+opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht
+hebben, dan heb ik geen reden om te treuren."
+
+"Welke afgod heeft je verdrongen?" vroeg hij.
+
+"Een gouden afgod, de mammon."
+
+"En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld," zeide
+hij. "Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is
+niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen
+van rijkdommen."
+
+"Je bent te bang voor de wereld," antwoordde zij zacht. "Al je hoop
+is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb
+je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de
+overheerschende hartstocht "winstbejag," je geheel in beslag genomen
+heeft. Is het niet zoo?"
+
+"Nu, wat zou dat?" antwoordde hij. "Wat zou het dan nog, al bèn ik
+veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?"
+
+Zij schudde het hoofd.
+
+"Ben ik wèl?"
+
+"Onze overeenkomst is al 'n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden
+arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze
+wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je
+bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je
+een heel ander man."
+
+"Toen was ik 'n jongen," zeide hij ongeduldig.
+
+"Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent,"
+antwoordde zij. "Ik ben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde
+toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende,
+nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan
+gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en
+dat ik je nu je woord kan teruggeven."
+
+"Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?"
+
+"Met woorden? neen, nooit."
+
+"Waarmede dan?"
+
+"Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een
+anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel
+van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in
+jouw oog. Zeg eens eerlijk," zeide het meisje, hem vriendelijk,
+doch vast aanziend, "of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was,
+mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet
+zeker van niet"--
+
+Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en
+dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: "Jìj denkt van niet."
+
+"Ik zou er graag anders over denken als ik kón," antwoordde zij. "God
+weet 't! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe
+sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of
+gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje
+zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste
+gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere
+winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo
+je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat
+je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw
+van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart,
+terwille van hem die je eens was."
+
+Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort:
+
+"Misschien dat dit je pijn zal doen,--en de gedachtenis aan wat voorbij
+is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten
+tijd zal dit zoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat
+je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende
+droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig
+moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt."
+
+Zij ging heen, en aldus scheidden zij.
+
+"Geest," zeide Scrooge. "Laat me niet méér zien! Breng mij naar
+huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?"
+
+"Nog één schim!" riep de Geest uit.
+
+"Neen, neen, niet meer!" riep Scrooge. "Niet meer. Ik wil het niet
+zien. Laat dit genoeg zijn!"
+
+Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem
+te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere
+omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of
+mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi
+jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had
+gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag,
+nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat.
+
+Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer
+kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon;
+en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit
+het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne
+koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één
+kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen
+alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen;
+integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot
+vermaak in, en de laatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te
+doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd.
+
+Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al
+had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen! ik had dat gevlochten
+haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en
+het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje
+had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn
+leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat
+overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen;
+ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware
+gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare
+lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij
+ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen
+oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar
+te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir
+zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al
+het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben,
+en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten.
+
+Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een
+stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde
+kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden
+en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen,
+die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en
+speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul en het
+gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe
+ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken
+te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze
+zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen,
+en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet
+te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking
+waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke
+mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van
+een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht
+werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was,
+doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat
+het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid
+en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg,
+dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen,
+en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze
+naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen.
+
+En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes,
+terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met
+haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge
+er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend,
+hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot
+een lente maken, werd zijn oog vochtig.
+
+"Bella," zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach,
+"ik zag een oud vriend van je van-middag."
+
+"En wie was dat?"
+
+"Raad 'es?"
+
+"Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet 't," voegde zij er in denzelfden
+adem bij, evenals hij lachend, "meneer Scrooge."
+
+"Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor;
+en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde,
+moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt,
+en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik."
+
+"Geest!" zeide Scrooge met bevende stem, "voer mij weg van deze
+plaats."
+
+"Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden
+behooren," zeide de Geest. "Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt
+zij zijn."
+
+"Breng mij hier vandaan!" riep Scrooge uit. "Ik kan het niet dragen!"
+
+Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met
+een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar
+waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem.
+
+"Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!"
+
+In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest
+zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots
+alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn
+licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven
+rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed
+van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die
+onverwacht op zijn hoofd.
+
+De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte
+bedekte; doch hoewel Scrooge uit alle macht er op drukte, kon hij
+het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en
+over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij
+overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat
+hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten
+druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den
+tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap.
+
+
+
+
+
+DERDE ZANG.
+
+DE TWEEDE DER DRIE GEESTEN.
+
+
+Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande
+zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd
+te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij
+voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver
+en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem
+door Jacob Marley's tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend
+dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke
+van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij
+ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed
+rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen
+zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig
+gemaakt worden.
+
+Heeren die tot het genus "gladde, gewikste lui" behooren, die er zich
+op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken
+hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen
+dat ze voor alles te vinden zijn, van "kruis of munt," tot manslag toe;
+tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen
+ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou
+ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was
+voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat
+niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben.
+
+Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins
+voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven,
+toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten,
+tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al
+dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die
+op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts
+licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn
+geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde
+of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang
+dat hij een interessant geval van "spontane verbranding" voorstelde,
+zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten
+laatste begon hij te bedenken--zooals gij of ik dit dadelijk zouden
+gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat,
+die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben
+ook--ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het
+geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou
+kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te
+komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had,
+stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur.
+
+Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge's hand den knop aanvatte, riep een
+vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit
+deed hij.
+
+Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een
+wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het
+plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer
+er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen
+glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en
+klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine
+spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den
+schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in
+Scrooge's tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt
+op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild
+gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange
+kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters,
+heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen,
+lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende
+bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken
+damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus,
+grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante
+niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om
+haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig
+om de deur stak.
+
+"Kom binnen," riep de Geest uit. "Kom binnen! en leer me wat beter
+kennen, menschenkind!"
+
+Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen
+Geest hangen.
+
+Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel
+de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun
+blik toch liever niet ontmoeten.
+
+"Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden," zei de Geest. "Bekijk
+me maar es goed!"
+
+Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel
+eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit
+kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst
+bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig
+kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien
+van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen
+ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes
+schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af;
+open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open
+hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was
+een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij
+was geheel doorvreten van den roest.
+
+"Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!" riep de Geest uit.
+
+"Nooit," antwoordde Scrooge.
+
+"Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel
+(want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de
+laatste jaren geboren werden?" vervolgde het spook.
+
+"Ik geloof het niet," zei Scrooge. "Ik vrees van niet. Hebt ge veel
+broeders, Geest?"
+
+"Meer dan achttienhonderd," zei de Geest.
+
+"Een geweldig gezin om te onderhouden!" mompelde Scrooge.
+
+De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op.
+
+"Geest," zeide Scrooge onderworpen, "leid mij waarheen ge
+wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les
+waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn
+voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt."
+
+"Raak mijn kleed aan!"
+
+Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast.
+
+Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild,
+gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes,
+oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde
+oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk
+uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen,
+waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch
+levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der
+sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner
+huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen
+vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De
+gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder,
+afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken,
+en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd
+was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen
+van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten
+en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en
+ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke
+gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste
+straten stonden vol dikke vuile mist, half ontdooid, half bevroren,
+welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes,
+alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk
+in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets
+opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op
+straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht
+en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem
+te overschaduwen.
+
+Want de lieden die er op los schoffelden op de daken waren joviaal
+en vol vroolijkheid, en riepen elkaar over en weer toe van het eene
+dak naar het andere en wierpen elkaar nu en dan uit den grap met een
+sneeuwbal--een goediger projectiel dan menige met woorden geuite
+grap--hartelijk lachend als hij raak en niet minder hartelijk als
+hij mis was. De poelierswinkels waren nog half open en de winkels
+der fruitverkoopers straalden in glorie. Daar lagen groote, ronde,
+dikbuikige manden kastanjes, gevormd als de vesten van joviale
+welgedane oude heeren, manden die lui tegen de deuren hingen en
+zóó dik waren dat er gevaar bestond voor eene beroerte. Dan waren
+er roode, omvangrijke Spaansche uien, die in hunnen vetten groei
+blonken als Spaansche ordebroeders, en die van hunne planken in schuwe
+speelschheid den meisjes die voorbijgingen knipoogjes toewierpen,
+terwijl dezen, schalks doch stemmig, keken naar het opgehangen takje
+mistletoe. Er waren appels en peren, die de winkeliers zoo welwillend
+waren geweest op te hangen op in het oog vallende plaatsen, opdat
+de lieden gratis zouden kunnen watertanden onder het voorbijgaan; er
+lagen stapels hazelnoten, ruig en bruin, die, in hunne welriekendheid,
+deden denken aan oude boschpaadjes, en prettig tot aan de enkels
+schuifelen door dorre bladeren; daar waren gebraden appels uit Norfolk,
+plomp en bruin, die het geel van sinaasappelen en citroenen nog meer
+deden uitkomen, en die in de groote stevigheid van hunne sappige
+persoontjes dringend verzochten, ja smeekten, om in papieren zakjes
+mede naar huis genomen en na het diner opgegeten te worden. Zelfs
+de goud- en zilvervisschen die in een vischkom tusschen dezen keur
+van vruchten waren geplaatst, en voor 't overige leden van een dom,
+koudbloedig ras zijn, schenen te begrijpen dat er iets gaande was,
+en zwommen allen, zonder uitzondering, gapend en naar lucht happend,
+hun kleine wereldje rond in langzame en hartstochtlooze opgewondenheid.
+
+Maar de kruidenierswinkels! O, die kruidenierswinkels! bijna geheel
+gesloten, met misschien maar een of twee luiken ervoor weggenomen;
+doch door deze openingen had men verrukkelijke kijkjes! Niet alleen
+dat de weegschalen als ze op den toonbank neerkwamen een vroolijk
+geluid deden hooren, of dat het bindgaren en de klos zoo plotseling
+van elkaar scheidden, of dat de bussen, als ze vlug van de planken
+genomen en er weer opgezet werden een ratelend geluid deden hooren,
+als in goocheltoeren, of dat de zich mengende geuren van koffie en
+thee den reuk streelden of zelfs dat de rozijnen zoo overvloedig
+en zeldzaam mooi waren, de amandelen zoo buitengewoon blank, de
+kaneelbrokken zoo lang en recht, de andere specerijen zoo heerlijk,
+de geconfijte vruchten bedekt en beplekt waren met gesmolten suiker,
+zoodat ze de onverschilligste toeschouwers zich flauw in den maag
+deden voelen. Het was ook niet dat de vijgen vochtig en week waren,
+of dat de pruimedanten zedig bloosden in hunnen zacht-zuren smaak,
+vanuit hunne versierde doozen, of dat alles goed was om te eten en in
+Kersttooi, doch de klanten hadden allen zulk een haast en waren zoo
+ongeduldig door de hoopvolle belofte van dien dag, dat ze bij de deur
+tegen elkaar aanliepen, en hunne teenen boodschappenmandjes wild tegen
+elkaar aanbonsden, en hunne inkoopen op den toonbank lieten liggen,
+en weer terug kwamen hollen om ze te halen, en honderden dergelijke
+vergissingen begingen in de beste stemming; terwijl de kruidenier
+en zijn helpers er zoo frank en frisch uitzagen, dat de glimmende
+harten waarmede zij hunne voorschoten vanachteren vastmaakten hunne
+eigene hadden kunnen zijn, binnenstbuiten gedragen, opdat iedereen
+ze zou kunnen zien en opdat de Kerst-kraaien er aan konden pikken
+als ze wilden.
+
+Doch weldra riepen de torenklokken de goede lieden altemaal naar
+kerk en godshuis, en daar kwamen ze aan, in drommen door de straten,
+in hunne beste kleêren en met hunne vroolijkste gezichten.
+
+En terzelfdertijd kwam uit tientallen van zijstraatjes, gangetjes
+en stegen zonder naam een talrijke menigte, die hun middagmaal naar
+bakkerswinkels bracht. Het zien van deze arme feestvierenden scheen
+den Geest veel belang in te boezemen, want hij bleef met Scrooge naast
+zich in den ingang van een bakkerswinkel staan en de deksels van de
+schalen afnemend als de dragers voorbijgingen, sprenkelde hij wierook
+op hunne maaltjes van zijnen toorts. En daar het een buitengewoon
+soort toorts was, sprenkelde hij er, als er een paar maal harde woorden
+vielen tusschen eenige dragenden, die tegen elkaar waren aangeloopen,
+een paar druppels water op, en hun goed humeur was onmiddellijk weder
+hersteld. Want, zeiden zij, het was schande op Kerstdag met elkaar
+te twisten. En dat was het ook! Goddank dat het dat ook was!
+
+Na eenigen tijd hielden de klokken op, en werden de bakkerswinkels
+gesloten; en toch was het eene aangename aankondiging, van al deze
+diners en het klaarmaken ervan in de ontdooide plek boven elken
+bakkersoven, waar het plaveisel dampte en de steenen eveneens schenen
+te koken.
+
+"Is er een bijzondere smaak in wat ge van uw' toorts sprenkelt?" vroeg
+Scrooge.
+
+"Zeker, mijn eigene."
+
+"Is het van denzelfden invloed op àlle middagmalen vandaag?"
+
+"Op alle die uit een goed hart gegeven worden. Het meest op dat van
+een' arme."
+
+"Waarom op dat van een arme het meest?" vroeg Scrooge.
+
+"Omdat die het 't meest noodig heeft."
+
+"Geest," zei Scrooge na eenig nadenken, "wat me verwondert is, dat
+juist gij, van al de wezens in de vele werelden die ons omringen,
+de gelegenheid tot onschuldige vreugde van deze lieden wilt beperken."
+
+"Ik!" riep de Geest uit.
+
+"Gij wilt ze toch de middelen ontzeggen om iederen zevenden dag
+middageten te eten, dikwijls de eenige dag waarop ze wezenlijk gezegd
+kunnen worden te eten," zeide Scrooge. "Is dit niet zoo?"
+
+"Ik!" riep de Geest uit.
+
+"Gij tracht toch deze plaatsen te sluiten op den zevenden dag?" zeide
+Scrooge. "En dat komt op 't zelfde neer."
+
+"Ik zou trachten...!" riep de Geest uit.
+
+"Vergeef me als ik 't mis heb. Het is toch in uw' naam geschied of
+tenminste in dien van uw geslacht," zeide Scrooge.
+
+"Er leven op deze onze aarde," antwoordde de Geest, "enkelen die
+beweren ons te kennen, en die hunne daden van hartstocht, trots,
+haat en nijd, afgunst, godsdienstige bekrompenheid bedrijven in onzen
+naam; voor wien wij en al onzen magen en verwanten zoo vreemd zijn,
+alsof wij nooit bestonden. Onthoud dit en leg hùn die daden ten laste,
+en niet ons, geesten van het Kerstfeest."
+
+Scrooge beloofde dat hij dit doen zou, en zij gingen door, onzichtbaar,
+zooals zij dit te voren ook waren, de voorsteden der stad in. Het was
+een merkwaardige eigenschap van den Geest (welke Scrooge ook reeds
+in den bakkers winkel had opgemerkt) dat hij, niettegenstaande zijn
+reusachtige grootte, zich met gemak aan iedere plaats kon aanpassen,
+en dat hij onder een laag dak even gratievol en als een bovennatuurlijk
+wezen stond, als hij met mogelijkheid had kunnen doen in de eerste
+de beste hooge ruime hal.
+
+En misschien was het het vermaak dat de Geest er in schepte om deze
+eigenschap te toonen, of anders was het zijn eigen goede, edelmoedige,
+hartelijke natuur, en zijn sympathie met alle armen, die hem recht naar
+het huis van Scrooge's klerk leidde; want daar ging hij heen, en nam
+Scrooge mede, die zich aan zijn kleed vasthield; en op den drempel der
+deur glimlachte de Geest en hield even stil om Bob Cratchits woning te
+zegenen met de sprenkeling van zijn toorts. Denk hièr toch es aan! Bob
+had maar vijftien "bob" (shilling) per week; hij stak Zaterdagsavonds
+slechts vijftien exemplaren van zijn doopnaam in z'n zak; en tòch
+zegende de Geest zijn huis dat uit slechts vier vertrekjes bestond!
+
+Toen stond juffrouw Cratchit op, Cratchit's vrouw, die slechts armelijk
+gekleed was in een tweemaal-gekeerde japon, doch prachtig met linten
+versierd, want deze zijn goedkoop en lijken heel wat voor dertig cent;
+en zij dekte de tafel, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede
+harer dochters, eveneens prachtig met linten versierd; terwijl de
+jongeheer Pieter Cratchit een vork in de sauskom met aardappels stak,
+en niettegenstaande hij de punten van zijn enormen vadermoorder (Bobs
+privaat eigendom, dat hij ter gelegenheid van dezen dag aan zijn'
+zoon en erfgenaam had afgestaan) in zijn mond kreeg, verheugde hij
+zich toch uitermate zoo chic gekleed te zijn en verlangde ernaar om
+met zijn mooi overhemd te pronken in de parken waar de groote wereld
+komt. En nu kwamen de twee kleinere Cratchits, 'n jongen en een meisje,
+binnenstormen, schreeuwend dat zij buiten den bakkerswinkel den gans
+al geroken hadden en hem aan den reuk herkenden als de hunne; en
+zich overgevend aan weelderige gedachten aan salie en uien, dansten
+deze jonge Cratchits om de tafel heen, en prezen jongeheer Cratchit
+hemelhoog terwijl hij het vuur aanblies, totdat de langzaam-pruttelende
+aardappelen opborrelden en luid tegen het deksel der sauskom tikten
+om er uit gelaten en van hun schil ontdaan te worden.
+
+"Waar drommel kan vaderlief toch zoolang blijven," zeide juffrouw
+Cratchit. "En je broertje, kleine Tim; en je zuster Martha was op
+geen half uur na zoo laat verleden jaar Kerstmis."
+
+"Daar is Martha al, moeder!" riepen de twee jonge Cratchits. "O,
+d'r is zoo'n groote gans, Martha!"
+
+"Wel hemelsche goedheid, kind, wat ben je laat!" zeide juffrouw
+Cratchit, haar tal van keeren kussend en haar shawl en hoed voor haar
+aannemend met behulpzamen ijver.
+
+"Gisterenavond moesten we nog een heele massa werk afmaken," antwoordde
+het meisje, "en we moesten van morgen opruimen, moe!"
+
+"Nou, 't is niks, nu je er maar bent!" zeide juffrouw Cratchit. "Ga
+voor 't vuur zitten, lieve, en warm je es."
+
+"Nee, nee! Daar komt vader," riepen de twee jonge Cratchits, die
+overal tegelijk waren. "Verstop je, Martha, verstop je!"
+
+En zoo verstopte Martha zich, en binnen kwam kleine Bob, de vader
+met minstens drie voet bouffante behalve nog de franje, voor zich uit
+bengelend en zijn kale kleêren gestopt en geborsteld, om er feestelijk
+uit te zien, met kleine Tim op zijn schouder. Die arme kleine Tim,
+hij droeg een krukje en zijne ledematen werden rechtgehouden door
+een ijzeren beugel!
+
+"Wel, waar is Martha?" riep Bob Cratchit, overal rondkijkend.
+
+"Die komt niet," zeide juffrouw Cratchit.
+
+"Kòmt die niet?" zeide Bob met een plotselingen neerslag in zijn
+vroolijke stemming; want hij was Tim's raspaard geweest heelemaal
+van de kerk af, en was steigerend naar huis gekomen. "Komt ze nièt
+op Kèrstdag?"
+
+Martha kon hem niet goed zoo teleurgesteld zien, al was het dan ook
+maar uit de grap, daarom kwam ze te vroeg van achter de kastdeur
+vandaan en snelde in zijne armen, terwijl de twee jonge Cratchits
+kleine Tim stilletjes aanstootten en hem meetroonden naar het waschhok,
+om de pudding te hooren zingen in den aker.
+
+"En hoe heeft kleine Tim zich gehouden?" vroeg juffrouw Cratchit,
+toen ze Bob geplaagd had met zijne lichtgeloovigheid en Bob zijne
+dochter naar hartelust gepakt had.
+
+"Als goud en nog beter," zeide Bob. "Ik weet niet hoe het komt,
+maar hij wordt zoo nadenkend, omdat hij zooveel alleen zit, en dan
+bedenkt-ie de vreemdste dingen die je maar verzinnen kunt. Onder
+het naar huis gaan vertelde ie me dat hij hoopte dat de menschen in
+de kerk hem gezien hadden, omdat hij kreupel was, en het misschien
+prettig voor hen was, als ze er op Kerstdag aan dachten, wie de lammen
+gezond en de blinden ziende maakte."
+
+Bob's stem beefde toen hij hun dit vertelde en beefde nog meer toen
+hij zeide dat kleine Tim sterk en gezond begon te worden.
+
+Zijn steeds in beweging zijnde kleine kruk hoorde men aankomen, en
+daar was kleine Tim al weer vóor zij er een woord verder over konden
+spreken, door zijn broeder geëscorteerd naar zijn kruk bij het vuur
+gekomen, terwijl Bob, zijn mouwen opslaand,--alsof ze nog kaler konden
+worden, arme duivel--in een kan een heet mengsel maakte van jenever en
+citroenen, en het flink rondroerde en het op de plaat zette om zacht te
+koken; jongenheer Pieter en de twee alomtegenwoordige Cratchits gingen
+den gans halen, waarmede zij weldra in statige processie terugkwamen.
+
+En nu ontstond er zulk een gedrang, dat ge een gans als de zeldzaamste
+aller vogels had kunnen beschouwen, een gevederd natuurwonder, waarbij
+een zwarte zwaan nog een doodgewoon iets was, en inderdaad was het in
+dat huis een zeer zeldzame vogel. Juffrouw Cratchit warmde de saus
+(die reeds tevoren was klaar gezet in den sauskom) zoodat ze siste;
+jongenheer Pieter stampte de aardappelen met ongeloofelijke energie;
+jongejuffrouw Belinda zoette de appelmoes; Martha veegde het stof
+van de borden; Bob nam kleine Tim naast zich aan een klein hoekje
+van de tafel; de twee jonge Cratchits zetten stoelen voor iedereen
+en vergaten vooral zichzelven niet, en op hunne stoelen postvattend,
+stopten zij hunne lepels in den mond opdat zij niet om gans zouden
+schreeuwen vóor het hunne beurt was. Eindelijk werden de schalen
+opgedragen en werd er gebeden. Het gebed werd gevolgd door een
+ademlooze stilte, toen juffrouw Cratchit, langzaam langs de geheele
+lengte van het voorsnijmes-lemmet kijkend, zich gereed maakte het in
+de borst van den gans te stooten; doch toen zij dat deed, en toen de
+lang verbeide stroom vulsel er uit te voorschijn kwam, ging er één
+gemompel van verrukking op, de geheele tafel langs, en zelfs kleine
+Tim, opgewonden door de twee jonge Cratchits, klopte op de tafel met
+het heft van zijn mes en riep zwakjes: "hoerah!"
+
+Nooit had je zoo'n gans gezien. Bob zeide dat hij niet geloofde dat
+er ooit zoo'n tweede gans gebraden was. Zijn malschheid en smaak,
+zijn grootte en goedkoopte waren dingen die de algemeene bewondering
+wekten. Aangevuld met appelmoes en gestampte aardappelen was het een
+voldoend diner voor de geheele familie, ja, zooals juffrouw Cratchit
+glimmend van pleizier zeide (kijkend naar een klein beentje op den
+schotel), ze hadden het bij slot van rekening niet eens allemaal
+opgekund! En toch was iedereen verzadigd en de jongste Cratchits in
+het bijzonder waren tot aan hunne wenkbrauwen besmeerd met salie en
+uien! Doch nu werden er schoone borden rondgedeeld door jongejuffrouw
+Belinda, juffrouw Cratchit verliet alleen de kamer--te zenuwachtig om
+getuigen mede te nemen--om de pudding op te doen en binnen te brengen.
+
+Stel je voor dat hij nu eens niet gaar was! of dat hij brak als
+hij uit den vorm gedaan werd! of dat iemand over den muur van het
+plaatsje geklommen was en hem gestolen had, terwijl zij bezig waren
+zich te goed te doen aan den gans, een veronderstelling waarbij de
+twee jonge Cratchits lijkkleurig werden! Allerlei vreeselijke dingen
+werden er geopperd.
+
+Hallo! Een massa stoom! De pudding was uit den vorm. Een lucht als
+op waschdag! Dat was de doek waarin hij gekookt was. Ik zeg een
+lucht alsof er een gaarkeuken en pasteibakker naast elkaar woonden,
+met een waschvrouw daar weer naast! Dàt was de pudding. Na een halve
+minuut kwam juffrouw Cratchit binnen, met een opgezette kleur doch
+trotsch glimlachend, met de pudding als een gespikkelde kanonskogel,
+hard en stevig, brandend in de helft van een half vierde pintje cognac
+en versierd met Kersthulst die er bovenop gestoken was.
+
+Och, och, wat een prachtige pudding! Bob Cratchit zei en dat
+nog wel bedaard, dat hij die pudding beschouwde als het grootste
+succes dat juffrouw Cratchit ooit bereikt had sedert den dag van hun
+huwelijk. Juffrouw Cratchit zei, dat zij, nu het pak van haar hart
+was, wel wilde bekennen dat zij een oogenblik bang was geweest dat er
+geen bloem genoeg was. Iedereen had het zijne er over aan te merken,
+doch niemand zeide of dacht ook maar dat het een heele kleine pudding
+was voor zulk een groot gezin. Het zou platweg ketterij geweest zijn
+zoo iets te zeggen. Een Cratchit zou gebloosd hebben zelfs op zoo
+iets te zinspelen.
+
+Eindelijk was het diner afgeloopen, de tafel werd afgeruimd, de haard
+aangeveegd en het vuur wat opgerakeld. Nadat het mengsel in de kan
+geproefd en uitstekend bevonden was, werden er appels en sinaasappelen
+op tafel gezet en een kolenschop vol kastanjes in de asch gelegd. Toen
+zette de geheele familie zich om den haard, in wat Bob Cratchit een
+kring noemde (hij bedoelde een halven kring); en aan Bob Cratchit's
+elboog stond de geheele glasrijkdom der familie, die bestond uit:
+twee tumblers en een vlade-glaasje zonder oor.
+
+Doch hierin liet zich het heete vocht uit de kan even goed schenken
+alsof het gouden bekers geweest waren en Bob deelde het uit met
+stralend gezicht, terwijl de kastanjes op het vuur knapperden en
+luidruchtig sputterden. Toen stelde Bob een dronk in:
+
+"Een vroolijke Kerstmis allemaal, kinderen; God zegene ons!"
+
+Wat de geheele familie hem na-zei.
+
+"God zegene ons allemaal!" zei kleine Tim het laatst van allen.
+
+Hij zat heel dicht naast zijn' vader op zijn kleine kruk. Bob hield
+het bleeke magere handje in de zijne, alsof hij het kind liefhad,
+en het aan zijn zijde wenschte te houden, en bang was dat het hem
+ontnomen zou worden.
+
+"Geest," zei Scrooge, met eene belangstelling zooals hij nooit te
+voren gevoeld had, "zeg of kleine Tim zal blijven leven."
+
+"Ik zie een ledige plaats," hernam de Geest, "in het hoekje van den
+haard en een krukje zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als er in
+deze schaduwen geen verandering gebracht wordt door de Toekomst,
+zal het kind sterven."
+
+"O, neen, neen," zei Scrooge. "O neen, goede Geest! zeg dat hij
+gespaard zal blijven!"
+
+"Als de Toekomst deze schimmen niet verandert," ging de Geest voort,
+"zal geen ander van mijn geslacht hem hier vinden. Maar wat zou
+dat? Als hij toch dood moet, dan hoe eer hoe beter, dan vermindert
+hij meteen de overbevolking."
+
+Toen Scrooge zijn eigen woorden aldus door den Geest hoorde herhalen,
+liet hij het hoofd hangen, overstelpt van smart en berouw.
+
+"Mensch"--vervolgde de Geest--"als je werkelijk in je hart een mensch
+en niet een blok steen bent, laat dan die booze praat, tot je ontdekt
+zult hebben wat werkelijk overtollig is en wàar. Wil jij beslissen
+welke menschen zullen leven en welke sterven? Misschien dat gijzelf in
+het oog des Hemels meer waardeloos zijt en minder geschikt om voort te
+leven dan millioenen die zijn als dit kind van dezen arme. O God!--te
+moeten aanhooren dat het insect op het blad veroordeelt dat er te veel
+"leven" is onder zijn hongerige broeders in het stof!"--
+
+Scrooge boog zich voor de terechtwijzing van den Geest en sloeg
+bevend zijne blikken neer. Doch hij sloeg ze snel weder op toen hij
+zijn naam hoorde noemen.
+
+"Meneer Scrooge!" zeide Bob. "Ik ga een toast uitbrengen op meneer
+Scrooge, den stichter van het feest."
+
+"De stichter van het feest! 't mocht wat!" riep juffrouw Cratchit uit,
+rood wordend van ergernis. "Ik wou dat ik 'em hier had. Dan zou ik
+hem es flink de waarheid zeggen, daar kon hij dan van smullen en ik
+hoop dat hij er goeden trek in zou hebben."
+
+"Lieve," zeide Bob, "denk om de kinderen; Kerstdag."
+
+"Het mag dan ook wel Kerstdag zijn, waarop je de gezondheid drinkt van
+zoo'n afgrijselijken, vrekkigen, verharden, ongevoeligen man als die
+meneer Scrooge. En je weet heel goed dat hij dat is, Robert! Niemand
+weet dat beter dan jijzelf, arme jongen!"
+
+"Lieve," was Bob's zachte antwoord, "Kerstdag."
+
+"Ik zal zijn gezondheid drinken om jouwentwil en om den dag," zeide
+juffrouw Cratchit, "maar niet om 'mzelf. Nou, lang zal ie leven! Een
+vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar!--hij zal beslist wel
+erg vroolijk en erg gelukkig zijn!"
+
+De kinderen dronken haar den toast na. Het was de eerste dien dag
+waarin geen hartelijkheid lag. Kleine Tim dronk den toast het laatst
+van allen, doch het kon hem geen zier schelen. Scrooge was de boeman
+van de familie. Toen zijn naam genoemd werd daalde een schaduw op
+het huisgezin, die wel volle vijf minuten bleef hangen.
+
+Toen de schaduw opgetrokken was, waren zij nog tien maal zoo vroolijk
+als te voren, uit pure verlichting dat ze met den boeman Scrooge klaar
+waren. Bob Cratchit vertelde dat hij een betrekking op 't oog had voor
+jongenheer Pieter, die, als hij hem kreeg, minstens drie gulden vijftig
+per week zou inbrengen. De twee jonge Cratchits lachten uitbundig bij
+het idée dat Pieter een man van zaken zou worden, en Pieter zelf keek
+in gedachten verzonken in het vuur tusschen zijn twee boordpunten door,
+alsof hij met zichzelf te rade ging aan welke geldbelegging hij de
+voorkeur zou geven als hij dat enorme inkomen zou genieten. Martha,
+die een arm leerlingetje was bij een modiste, vertelde hun toen wat
+soort van werk zij te doen had en hoeveel uren zij achtereen werkte,
+en dat ze van plan was morgen eens flink lang uit te slapen; want daar
+het morgen een vrije dag was, zou ze thuisblijven. En ook vertelde ze
+dat ze een graaf en een gravin gezien had een paar dagen te voren,
+en dat de graaf vrijwel even groot was als Pieter; waarop Pieter
+zijn boord zóó hoog optrok, dat gij, zoo ge dáár geweest waart, zijn
+hoofd niet meer hadt kunnen zien. En telkens werd er rondgegaan met
+de kan en de kastanjes; en kleine Tim zong, van een kind dat op reis
+verloren was geraakt in de sneeuw. Kleine Tim had een fijn stemmetje
+en zong zijn liedje heel goed.
+
+In dit alles was niets fijns of elegants. Zij waren geen deftige
+familie en zij waren niet goed gekleed; hunne schoenen waren alles
+behalve waterdicht; hunne kleederen waren kaal en het zou niet
+zoo heel vreemd geweest zijn als Pieter tamelijk vertrouwd was met
+het inwendige van een pandjeshuis; ik voor mij ben zelfs overtuigd
+dat hij zéér goed wìst hoe dit er uitzag. Doch zij waren gelukkig,
+dankbaar, mochten elkander gaarne en waren tevreden met het geluk van
+het oogenblik; en toen vervaagden ook hunne schimmen, en zagen er nog
+gelukkiger uit in de sprenkeling van de toorts van den Geest. Scrooge
+keek naar hen en vooral naar kleine Tim tot zij verdwenen.
+
+Het werd nu donker en het sneeuwde tamelijk erg, en terwijl de Geest
+en Scrooge door de straten gingen, was het heerlijk om den gloed van
+de helder brandende vuren in keukens en salons te zien. Hier wees het
+flikkeren van den gloed op toebereidselen tot een gezellig dinertje,
+met warme borden die door en door verhit werden voor het vuur, en
+zware roode gordijnen, die klaar hingen om dichtgetrokken te worden en
+de koude en duisternis buiten te sluiten. Hier liepen al de kinderen
+des huizes om 't hardst naar buiten hun getrouwde zusters tegemoet,
+en om de eerste te zijn met hunne begroetingen. Daar zag men weder
+schaduwen op de gordijnen, van gasten, die zich verzamelden om aan
+tafel te gaan en daar trippelde een troepje knappe jonge meisjes allen
+met kappen over 't hoofd en met bont afgezette schoenen aan, licht
+naar het huis van een gebuur. En wee den ongetrouwde die hen daar--dat
+wisten die schalken wel,--met hoogroode kleur zag binnengaan. Als ge
+hadt willen oordeelen naar de massa's menschen die allen op weg waren
+naar vriendschappelijke partijtjes, zoudt ge hebben kunnen denken dat
+er niemand thuis was om ze te verwelkomen als ze daar aankwamen. Goeie
+genade, wat was de Geest in zijn element! Hoe ontblootte hij zijn
+breede borst en opende zijn groote handpalm, en zweefde verder, met
+milde hand zijn onschuldige vroolijkheid stortend over alles wat binnen
+zijn bereik kwam! Zelfs de lantaarnopsteker, die vooruit liep, en de
+duistere straten met lichtstippen bespikkelde, en die er op gekleed
+was om dien avond ergens op visite te gaan, lachte vroolijk toen de
+Geest voorbijging. Maar--dat de Kerstgeest hem nabij, ja in hem was,
+wist hij; al kon hij ook niet weten, dat hij behalve den Geest ook
+Scrooge was voorbij geloopen!
+
+En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een
+sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa's ongehouwen steen
+in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een
+reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde--of
+liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had
+gehouden--en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het
+westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten,
+die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager
+zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis.
+
+"Wat is dit voor een plaats?" vroeg Scrooge.
+
+"Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde
+werken," antwoordde de Geest. "Doch zij kennen mij. Kijk maar!"
+
+Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij
+snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een
+vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw,
+met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na,
+allen in feestdos.
+
+Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van
+den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied,
+van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen
+in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude
+man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne
+plotselinge energie weder.
+
+De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijn kleed vast
+te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich
+voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar
+zéé. Tot Scrooge's ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land
+verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren
+werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en
+woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen
+aanwendde om de aarde te ondermijnen.
+
+Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen
+de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame
+vuurtoren. Groote massa's zeewier hadden zich aan zijn voet
+vastgehecht, en stormvogels--door den wind gebaard, kon men denken,
+zooals het zeewier door het water--rezen en daalden er rondom, als
+de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten.
+
+Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur
+aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een
+heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte
+hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij
+elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de
+oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht,
+zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met
+krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was.
+
+En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee,
+voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd
+waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast
+den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naast de officieren die
+de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende
+posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of
+had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn
+makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop
+huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen,
+goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over
+dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere
+hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen,
+en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis.
+
+Het was tot Scrooge's groote verbazing dat hij, terwijl hij nog
+luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een
+ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond
+welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het
+was tot Scrooge's groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een
+hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach
+zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog,
+prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende
+vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek.
+
+"Ha, ha!" lachte Scrooge's neef. "Ha, ha, ha!"
+
+Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een
+vroolijker lach dan Scrooge's neef, dan is het eenige wat ik zeggen
+kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor,
+en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden.
+
+Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er
+aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo
+aanstekelijk is als lachen en goedgehumeurdheid. Als Scrooge's neef
+aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en
+zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge's aangetrouwde
+nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets
+bij hen achter en brulden lustig mede.
+
+"Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!"
+
+"Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef,
+dat zei hij!" riep Scrooge's neef. "En hij geloofde 't zelf!"
+
+"Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!" zeide Scrooge's nicht
+verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die
+zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een
+gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd
+keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt
+scheen gekust te worden--wat het zonder twijfel dan ook werd; en het
+zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo'n klein
+schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend
+door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk,
+en sympathiek!"
+
+"Een grappige oude man," zeide Scrooge's neef, "dat is een feit;
+en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar
+zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van
+hem spreken, hoor!"
+
+"Hij zit er erg warmpjes in, Fred," zeide Scrooge's nicht. "Tenminste
+dat zeg jij altijd."
+
+"Nu, en wat zou dat, lieve!" zeide Scrooge's neef. "Hij kan toch
+geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed
+mede. En ook zichzelf maakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha,
+ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens
+goed mee zal doen."
+
+"Ik kan hem niet uitstaan," merkte Scrooge's nicht op.
+
+De zusters van Scrooge's nicht en al de andere dames waren van
+dezelfde meening.
+
+"Och, ik wel!" zeide Scrooge's neef. "Ik heb medelijden met hem;
+ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt
+onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft
+zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij
+ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet,
+is toch niet veel zaaks."
+
+"Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet," viel
+Scrooge's nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en
+zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd
+hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp
+om den haard zaten.
+
+"Nou, 't doet me pleizier dat te hooren," zeide Scrooge's neef, "omdat
+ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat
+zeg jij er van, Topper?"
+
+Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van
+Scrooge's nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar
+een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over
+een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge's nicht,
+de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde.
+
+"Ga nu door Fred," zeide Scrooge's nicht in hare handen klappend,
+"Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo'n
+rare jongen!"
+
+Scrooge's neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was
+onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe
+deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging.
+
+"Ik wou maar zeggen," zei Scrooge's neef, "dat het gevolg van zijn
+hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar
+prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker
+van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen
+gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude
+vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid
+geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag
+tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch
+wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder
+jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: "Oom Scrooge, hoe
+gaat het?" Al bracht 't hem alleen maar in de stemming van zijn armen
+klerk vijftig pond na te laten, dan zou 't toch wàt gegeven hebben,
+en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb."
+
+Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te
+hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen
+waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde
+hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de
+flesch door.
+
+Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale
+familie en ze wisten wel wat ze deden, toen ze een lied met een
+canon [5] zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper,
+die met z'n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit
+opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van
+werd. Scrooge's nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een
+simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in
+twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind,
+dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de
+Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje
+gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had,
+hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd,
+en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren
+geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen
+aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de
+spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen
+blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken.
+
+Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd
+speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen
+te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter
+er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst
+speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde
+er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was,
+dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is,
+dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge's neef,
+en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier
+waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat,
+zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn
+blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen
+de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen,
+ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster
+was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem
+aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben
+alsof hij trachtte u te grijpen--wat een beleediging zou zijn geweest
+van uw inzicht--en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen
+zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het
+niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij
+haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van
+de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar
+in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was
+zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn
+voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van
+hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger
+te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag
+en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht,
+toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk
+achter de overgordijnen zaten. Scrooge's nicht deed niet mee aan 't
+blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet,
+met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de
+Geest en Scrooge vlak achter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan
+het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was,
+met al de letters van het alphabet. [6] En zeer bedreven, en versloeg
+hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge's neef; en toch
+waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het
+spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een
+twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge
+deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er
+gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne
+ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer
+dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de
+draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.
+
+Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien,
+en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij
+den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten
+heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk.
+
+"Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen," zeide Scrooge. "Nog
+één klein half uurtje, Geest, nog maar één!"
+
+Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge's neef aan
+iets denken moest, en de overigen moesten zien te vinden waaraan hij
+dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde,
+naar het geval vereischte.
+
+Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan
+het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een
+onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en
+knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door
+de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan
+een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en
+nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel,
+of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken,
+of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd,
+barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren
+werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den
+grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken
+staat als hij geraakt was, uit:
+
+"Ik heb 't! Ik weet wat 't is, Fred! Ik weet wat 't is!"
+
+"Nou wat is 't dan?" riep Fred.
+
+"'t Is je oom Scro-o-o-o-ge!"
+
+En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen,
+hoewel sommigen opperden dat het antwoord op "is het een beer?" "ja"
+behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende
+was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige
+neiging dien kant uit gehad hadden.
+
+"Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft," zei Fred, "en het zou
+ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink
+hier op hem met een glas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat
+hij: Oom Scrooge!"
+
+"Nu goed dan, oom Scrooge!" riepen allen.
+
+"Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man
+toegewenscht, wat hij ook zijn moge!" zeide Scrooge's neef. "Hij wilde
+mijn wensch niet aannemen, maar 't is hem tòch gegund. Oom Scrooge;
+daar ga je!"
+
+Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden,
+dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt
+hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd
+gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord
+dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds
+weder op reis.
+
+Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij,
+doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden,
+en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en
+de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen,
+en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd
+rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der
+ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur
+niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn
+zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften.
+
+Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch
+Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten
+te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd,
+dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd,
+klaarblijkelijk ouder. Scrooge was deze verandering niet ontgaan,
+doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een
+kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest
+keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het
+haar van den Geest grijs was.
+
+"Is het leven van Geesten zóó kort?" vroeg Scrooge.
+
+"Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort," antwoordde de
+Geest. "Vanavond loopt het af."
+
+"Vanavond!" riep Scrooge.
+
+"Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert."
+
+De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik.
+
+"Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag," zeide Scrooge,
+aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, "maar ik zie iets
+vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed
+uitsteken. Is het een voet of een klauw?"
+
+"Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch
+dat er opzit," antwoordde de Geest pijnlijk. "Zie hier."
+
+Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige,
+vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan
+zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast.
+
+"O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!" riep de Geest uit. Het waren
+een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend
+en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie
+jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche
+tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des
+ouderdoms, hen geknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar
+engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen
+verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke
+natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters
+voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje
+en meisje.
+
+Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond
+werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren,
+doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken
+in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen.
+
+"Geest, zijn dit uwe kinderen?" was alles wat Scrooge kon uitbrengen.
+
+"Zij zijn Menschen-kinderen," zeide de Geest op hen neerziend. "En
+zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op
+mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas
+op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor
+dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis,
+tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen
+onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg," riep de
+Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. "Beschimp hen die
+'t u verzekeren. Geef 't toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak
+zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!"
+
+"Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?" riep Scrooge uit.
+
+"Zijn er geen gevangenissen?" zei de Geest, zich voor de laatste maal
+tot hem wendend met Scrooge's eigen woorden. "Zijn er geen werkhuizen?"
+
+De klok sloeg twaalf.
+
+Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos
+verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde
+hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen
+opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den
+kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend,
+op zich toe komen.
+
+
+
+
+
+VIERDE ZANG.
+
+DE LAATSTE DER GEESTEN.
+
+
+Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij
+kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de
+lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid
+te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en
+gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte
+hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen
+zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het
+omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast
+hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde
+met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want
+het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet.
+
+"Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?" zeide
+Scrooge.
+
+De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit.
+
+"Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die
+nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd
+die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?"
+
+De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik
+samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het
+eenige antwoord dat hij ontving.
+
+Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap,
+was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen
+onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen
+hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik
+staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven
+zich te herstellen.
+
+Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter
+dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij,
+hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien
+dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage
+onbestemde angst.
+
+"Geest der Toekomst!" riep hij uit. "Ik vrees u meer dan eenig ander
+Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij
+goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan
+ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge
+niet tegen mij spreken?"
+
+Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit.
+
+"Ga mij voor!" zeide Scrooge. "Ga voor! De nacht gaat snel voorbij
+en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!"
+
+Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was
+gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende
+hij, hem staande hield en hem voortdroeg.
+
+Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad
+hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er
+van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen,
+en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden
+te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met
+hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo
+dikwerf gezien had.
+
+De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend
+dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar
+wat zij zeiden.
+
+"Neen," zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. "Ik
+kan je d'er niet veel van vertellen, hoe dan ook. 't Eenige wat ik
+wéét, is, dat hij dood is.
+
+"En wanneer heeft hij 't afgelegd?" vroeg een ander.
+
+"Gisterenavond, geloof ik."
+
+"En wat heeft 'em gemankeerd?" vroeg een derde, een kolossale
+hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. "Ik moet je
+zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan."
+
+"God weet 't," zeide de eerste geeuwend.
+
+"En wat heeft ie met zijn geld gedaan?" vroeg een heer met een erg
+rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus
+had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan.
+
+"Dat heb ik niet gehoord," zei de man met de groote onderkin, weder
+geeuwend. "Wellicht aan zijn Gilde vermaakt. 't Eenige wat ik weet,
+is, dat hij 't niet aan mij heeft nagelaten."
+
+Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen.
+
+"'t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn," zei dezelfde
+spreker; "want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat
+zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden
+om mee te gaan?"
+
+"O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen," merkte de heer
+met den uitwas aan zijn neus op. "Maar ik moet goed te eten hebben,
+als ik meedoe."
+
+Weder gelach.
+
+"Nou, ik ben bij slot van rekening de minst geïnteresseerde van jelui,"
+zeide de eerste spreker, "want ik draag nooit zwarte handschoenen
+[7] en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog
+meer voor te vinden zijn. Als ik 't wel beschouw, ben ik heelemaal
+zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij
+elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een
+praatje te maken. Saluut heeren!"
+
+Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere
+groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om
+een uitlegging.
+
+Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee
+personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend
+dat de uitleg hier zou liggen.
+
+Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het waren mannen van zaken; heel
+rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij
+hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken.
+
+"Hoe gaat 't je?" zeide de een.
+
+"Hoe gaat 't jou?" antwoordde de ander.
+
+"Dus," zeide de eerste, "de oude Schraap heeft dan toch eindelijk
+gekregen wat hem toekomt, he?"
+
+"Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?"
+
+"Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!"
+
+Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele
+gesprek.
+
+Scrooge's eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een
+Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale
+gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben,
+begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet
+slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde
+tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook
+wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond,
+en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend
+dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden,
+nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag,
+zorgvuldig te vergâren; en in 't bijzonder zijn eigen schim, zoo
+hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte
+dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou
+geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk
+zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim,
+doch een ander man stond nu op de plaats waar hij vroeger placht te
+staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar
+verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte
+die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich
+hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel
+andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede
+de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had.
+
+Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen
+hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te
+maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp
+aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud.
+
+Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend,
+onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was
+doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van
+herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen
+bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken
+en leelijk.
+
+Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen
+stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het
+geheele kwartier stonk naar vuil en ellende.
+
+Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig
+winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen,
+beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren
+hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen,
+weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen,
+waarin slechts weinigen den moed zouden hebben door te dringen,
+werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen,
+hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren
+waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude
+baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die
+zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van
+allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte
+met al de weelde van een rustig rentenierschap.
+
+Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw
+met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij
+binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens
+binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed
+in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag,
+dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik
+van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten
+zij alle drie in lachen uit.
+
+"Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer
+één is!" riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. "Laat de
+waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de
+doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje,
+ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder 't te
+wille!"
+
+"Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen," zeide Oude Jan,
+zijn pijp uit den mond nemend. "Kom maar in de voorkamer. 't Is al
+'n heele tijd geleje dat je daar voor 't éérst binnenkwam, en de twee
+andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van
+de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D'r is geen roestiger stuk
+ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik
+weet zeker dat d'r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha,
+ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij
+mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen."
+
+De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude
+man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe,
+en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner
+pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed,
+wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en
+ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over
+elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. "Wat
+zou 't! Wat zou 't, juffrouw Dilber?" zei het mensch. "Iedereen heeft
+het recht voor z'n eige te zorge... Dat dee hìj ook!"
+
+"Dat zeg uwes wel!" zei de waschvrouw. "Geen loer draaie, zou
+'k denke?"
+
+"Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet
+er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou 'k denken?"
+
+"Nee, dat geloof 'k ook niet!" zei juffrouw Dilber en de man
+tegelijk. "Dat denke we ook niet!"
+
+"Nou, goed dan!" riep de vrouw. "Wie mist een paar dinge als die wij
+hier brenge? Zoo'n dooje man zéker niet."
+
+"Nee, daar kun je van op an!" lachte juffrouw Dilber.
+
+"Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom
+was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z'n lijf? Als
+ie dat gehad had, dan zou d'r wel iemand geweest zijn om voor 'em te
+zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te
+ligge sterve heelemaal alleen."
+
+"Dat is 't waarste woord dat je ooit gesproke hebt," zeide juffrouw
+Dilber. "Nou heeft ie net wat ie verdiend heit."
+
+"Ik wou dat 't wat zwaarder was," antwoordde de vrouw, "en dat zou
+'t, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen
+krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d'r
+voor geeft. Zeg 't maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te
+zijn, en ook niet dat zij 't zien. Voor we mekaar hier ontmoetten,
+wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En
+dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!"
+
+Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het
+kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst
+zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder,
+een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was
+alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door
+den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met
+krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam.
+
+"Dat is jouw rekening," zei Jan, "en al werd ik levend gekookt,
+geen schelling doe 'k er bovenop. Wie volgt?"
+
+Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een
+beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een
+paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op
+den muur geschreven.
+
+"Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is 'n zwak van me en ik weet dat
+'k me zelf d'r mee ruweneer," zei ouwe Jan. "Dat is jouw bedrag. Als
+je me d'r een stuiver meer voor vroeg, zou 't me spijte zoo vrijgevig
+geweest te zijn en zou 'k er een daalder afdoen."
+
+"En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan," zei de eerste vrouw.
+
+Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa
+knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere
+stof uit.
+
+"Hoe noem je dit?" zei Jan. "Bed-gordijnen!"
+
+"Ha, ha!" antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen
+vooroverbuigend, "bed-gordijnen!"
+
+"Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb
+genome, terwijl hij d'r nog leit?" zei Jan.
+
+"Jawel zeker," antwoordde de vrouw. "Waarom zou 'k niet?"
+
+"Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken," zeide Jan, "en dat
+zul je zonder mankeere."
+
+"Ik zal vást m'n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan
+winne met ze uit te steke, naar 't goed van 'n man als hij, dat kan
+'k je wel vertelle, ouwe Jan," antwoordde de vrouw bedaard. "Toe nou,
+laat die olie niet op de dekens valle."
+
+"Zijn dekens?" vroeg Jan.
+
+"Van wie anders, denk je?" vroeg het wijf. "Hìj zal geen kou vatten,
+al heeft ie ze nou niet meer."
+
+"Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke
+ziekte, he?" zeide de oude Jan, even opkijkend.
+
+"Daar hoef je niet bang voor te zijn," antwoordde het wijf. "Ik
+ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt
+zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je
+probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d'r pijn
+van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale
+steê. 't Is het beste hemd dat ie had en 't is fijn, hoor. Ze zouen
+'t eenvoudig weggegooid hebbe als ik d'r niet tussche gekomme was."
+
+"Wat bedoel je met "weggooien?"" vroeg de oude Jan.
+
+"Nou, dat ze 't hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde,
+natuurlijk," antwoordde de vrouw lachend. "D'r was 't er een gek genoeg
+om 't te doen, maar ik heb 't hem weer uitgetrokke. Als katoen niet
+goed genoeg is voor zoo iets, dan is 't nergens goed genoeg voor. 't
+Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan
+ie toch al deed."
+
+Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar
+zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den
+ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin,
+die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende
+demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen.
+
+"Ha, ha!" lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje
+met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen
+op den grond aftelde. "Zie je, zoo loopt 't nou met hem af. Bij z'n
+leven schrikte hij iedereen af, om ons d'r van te late profiteeren
+nou dat ie dood is! ha ha!"
+
+"Geest!" zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. "Ik
+begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou
+het mijne kunnen worden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant
+uit. Genadige Hemel, wat is dit!"
+
+Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd,
+en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen,
+waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was,
+zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal.
+
+Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate
+nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een
+geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een
+kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het
+bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend,
+lag het lichaam van een man.
+
+Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het
+hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge
+het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd
+hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen,
+en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht
+het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden.
+
+"O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed
+het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw
+rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één
+haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één
+trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en
+slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de
+polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk
+was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslag die van
+een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde
+ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien."
+
+Geen stem zei deze woorden aan Scrooge's oor, en toch hoorde hij ze
+toen hij naar het bed keek.
+
+Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne
+eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid,
+geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde
+gebracht!
+
+Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind
+bij zich, om van hem te getuigen: "hij was vriendelijk en goed jegens
+mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal
+ìk nù goed voor hem zijn." Er krabde een kat aan de deur en Scrooge
+hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge
+durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en
+waarom zij zoo rusteloos waren.
+
+"Geest!" zeide hij, "dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat
+zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal
+achterlaten."
+
+Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd.
+
+"Ik begrijp u," antwoordde Scrooge, "en zoo ik kon, zou ik het
+doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet."
+
+Wederom scheen de Geest hem aan te kijken.
+
+"Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van
+dezen man, smeek ik u mij hem te toonen," zeide Scrooge zeer ontroerd.
+
+Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een
+vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht
+zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten.
+
+Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar
+de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel
+nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige
+uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde,
+en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om
+zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij
+het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht
+(wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te
+weten hoe hij haar antwoorden zou.
+
+"Is het goed of slecht nieuws?" vroeg zij, om hem op gang te helpen.
+
+"Slecht!" antwoordde hij.
+
+"Zijn we dan heelemaal geruïneerd?"
+
+"Neen, er is nog hoop, Caroline."
+
+"Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt,
+dan is er nièts hopeloos."
+
+"Hij kàn niet meer vermurwd worden," zeide haar echtgenoot. "Hij
+is dood."
+
+Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht,
+geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren
+en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had
+zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was
+dat wat haar hart haar ingaf.
+
+"Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij
+zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen
+en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar
+al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel
+ziek, maar al stervende."
+
+"Aan wien zal je schuld overgaan?"
+
+"Dat weet ik niet. Maar vóór 't zoover is, zullen we 't geld al hebben;
+en zelfs al hadden we 't niet, dan zou 't toch al heel erg zijn als
+wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen
+als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan
+slapen, Caroline."
+
+Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten
+waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om
+hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren
+opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger
+tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer
+gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde.
+
+"Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval," zeide
+Scrooge; "of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten
+hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen."
+
+De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en
+onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet
+zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen
+Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had,
+en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten.
+
+Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten
+stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek
+voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook
+zij hielden zich wel heel stil!
+
+"En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen."
+
+Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet
+gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben,
+toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door?
+
+De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht.
+
+"Die kleur doet mijn oogen pijn," zei zij.
+
+De kleur? Och, arme kleine Tim!
+
+"Nu is 't al weer over," zei Cratchits vrouw. "Bij kaarslicht zijn ze
+een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld
+zwakke oogen willen laten zien. 't Zal zoowat tijd zijn dat hij komt."
+
+"'t Is er al over," antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. "Maar
+ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de
+laatste paar avonden, moeder!"
+
+Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke
+stem, die slechts éénmaal haperde:
+
+"Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog
+goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog
+wel hard ook."
+
+"Ik ook," riep Peter. "Zoo vaak!"
+
+"En ik," riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal.
+
+"Maar hij was ook erg licht om te dragen," ging zij voort, ijverig
+doorwerkend, "en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte
+heelemaal niet voelde--heelemaal niet. En daar is je vader net aan
+de deur!"
+
+Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante
+om--en hij had hem wèl noodig, arme drommel--kwam binnen. Zijn thee
+stond klaar voor hem op de plaat en allen vochten om 't hardst wie
+hem 't eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits
+op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof
+zij zeggen wilden: "Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees
+maar niet bedroefd."
+
+Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij
+bekeek het werk op tafel en prees den ijver en 't vlugge werken van
+juffrouw Cratchit en de meisjes.
+
+"De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn," meende hij.
+
+"Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?" vroeg zijne
+vrouw.
+
+"Ja, beste," antwoordde Bob. "Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het
+zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar
+je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou
+heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!" zeide Bob. "Mijn kleine
+jongen!"
+
+Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als
+hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder
+van elkaar geweest zijn dan zij nu waren.
+
+Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht
+was en met hulst behangen.
+
+Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog
+kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten,
+en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij
+het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging
+weder gelukkig naar beneden.
+
+Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten, terwijl de meisjes
+en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone
+vriendelijkheid van meneer Scrooge's neef, dien hij slechts eenmaal
+gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat
+tegenkomend en ziend dat hij er een beetje--"een heel klein beetje
+neerslachtig uitzag," zei Bob,--hem gevraagd had wat er gebeurd was
+dat hem zoo hinderde. "Waarop," zei Bob, "want hij is de minzaamste
+meneer die je ooit gezien hebt,--ik 't hem vertelde. "Dat spijt me
+van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit," zeide hij, "en ook
+voor uw goede vrouw." Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet
+ik nog niet."
+
+"Wàt wist, lieve?"
+
+"Wel, dat jij een goede vrouw was," antwoordde Bob.
+
+"Maar dat weet iedereen!" zeide Pieter.
+
+"Heel goed gezegd, m'n jongen!" riep Bob. "Ik hoop dat ze 't allemaal
+weten. "'t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw," zeide
+hij. "Als ik u met iets van dienst kan zijn," zeide hij, mij zijn
+kaartje overhandigend, "dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even
+aan te komen." Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen,
+dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen
+Tim gekend had en hij met ons meevoelde."
+
+"Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!" zei juffrouw Cratchit.
+
+"Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. 't
+Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter
+een betere betrekking bezorgde."
+
+"Hoor nu eens aan, Pieter," zei juffrouw Cratchit.
+
+"En dan," riep een van de meisjes, "gaat Pieter verkeering houden
+met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen."
+
+"Och loop heen!" antwoordde Pieter grijnzend.
+
+"O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren," zei Bob, "hoewel dáár nog
+tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar
+mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine
+Tim zullen vergeten--wel?--of deze eerste scheiding die er onder ons
+plaats vond?"
+
+"Nooit, vader," riepen allen.
+
+"En ik weet ook zeker," zei Bob, "ik weet ook zeker, dat als we er
+aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een
+heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en
+terwijl we het doen kleine Tim vergeten."
+
+"Nee, nooit, vader!" riepen allen weder uit.
+
+"Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig," zei kleine Bob.
+
+Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee
+jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand.
+
+Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God!
+
+"Spook!" zei Scrooge, "iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden
+voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de
+man was, dien ik dood zag liggen?"
+
+De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te
+voren--hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem
+voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest
+hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen--naar
+plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken, doch toonde hem
+niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan,
+doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge
+zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te
+blijven staan.
+
+"Deze plaats," zeide Scrooge, "waarover wij nu zoo snel loopen, is
+mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat
+mij zien wat ik in komende dagen zijn zal."
+
+De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen.
+
+"Het huis is ginds," riep Scrooge uit. "Waarom wijst gij een anderen
+kant uit?"
+
+De onverbiddelijke vinger verwrikte niet.
+
+Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek
+naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het
+meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was
+hij ook niet.
+
+Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren.
+
+Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom
+hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een
+ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken
+vóór hij binnentrad.
+
+Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou
+te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door
+muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood
+van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel
+te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een
+waardige plaats.
+
+De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan.
+
+Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het
+geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige
+gestalte te zullen zien.
+
+"Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader," zeide Scrooge, "verzoek
+ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen
+van dingen die kùnnen worden?"
+
+Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond.
+
+"De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde
+waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet,"
+zei Scrooge. "Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het
+einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!"
+
+De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan.
+
+Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger
+volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen
+naam, "Ebenezer Scrooge."
+
+"Ben ik dan die man, die op dat bed lag?" riep hij op de knieën
+vallend uit.
+
+De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug.
+
+"Neen, Geest, o, neen, dàt niet!"
+
+Doch de vinger bleef wijzen.
+
+"Geest," riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen
+geleider, "hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik
+wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles
+mij niet getoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn
+geval hopeloos was?"
+
+Voor de eerste maal leek het of de hand beefde.
+
+"Goede Geest," vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den
+grond wierp. "Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft
+medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan
+brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven."
+
+De vriendelijke hand beefde.
+
+"Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het 't geheele jaar door
+trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en
+de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij
+oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O,
+zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan
+uitwisschen."
+
+In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te
+maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch
+de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af.
+
+Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot
+toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den
+kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar,
+en werd... een beddepost.
+
+
+
+
+
+VIJFDE ZANG.
+
+HET EINDE.
+
+
+Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen
+kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd
+die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien
+tijd tekort geschoten was!
+
+"Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!" herhaalde
+Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. "En de Geesten, al deze drie,
+zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn
+geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!" Hij
+was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens,
+dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig
+gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.
+
+"Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!" riep Scrooge uit, een zijner
+bedgordijnen in zijn arm nemend, "ze zijn dus toch nog niet neergehaald
+met ringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen
+der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!"
+
+Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen
+gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend,
+ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.
+
+"Ik weet niet wat ik beginnen moet!" zei Scrooge tegelijkertijd lachend
+en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij
+volkomen op Laokoön geleek. "Ik voel me zoo licht als een veêr en ben
+zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik
+ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige
+Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep,
+hallo!"
+
+Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten
+adem.
+
+"Daar staat de sauskom, waar de pap in was!" riep Scrooge, opnieuw
+beginnend en om den haard dansend. "Daar is de deur waardoor de
+Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest
+van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de
+dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en 't is allemaal zoo
+gebeurd. Ha, ha, ha!"
+
+Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had,
+was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de
+vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!
+
+"Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!" zeide
+Scrooge. "Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik
+voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik
+wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!"
+
+Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die
+er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim,
+bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.
+
+Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar
+buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende
+koude; 'n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden
+zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke
+klokken. O, heerlijk, heerlijk!
+
+"Wat voor 'n dag is 't vandaag?" riep Scrooge een jongen, die op zijn
+Zondags gekleed was, toe.
+
+"Hè?" antwoordde de jongen, "wel Kerstdag natuurlijk!"
+
+"Kerstdag zegt ie!" zeide Scrooge bij zichzelven. "Dan heb ik 't tòch
+niet gemist. De Geesten hebben 't alles in één nacht gedaan. Zij kunnen
+alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen."
+
+"Hallo!" antwoordde de jongen.
+
+"Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den
+hoek?" vroeg Scrooge.
+
+"Dat zou 'k gelooven," antwoordde de jongen.
+
+"Knappe jongen!" zei Scrooge. "'n Merkwaardig gladde jongen! Weet
+je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine,
+maar de groote die bekroond is?"
+
+"Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?" antwoordde de jongen.
+
+"Wat een engel van een jongen!" zei Scrooge. "'t Is een genot op
+zichzelf met dièn jongen te praten.--Jawel, kerel, die bedoel ik."
+
+"Nee, die hangt d'r nog," antwoordde de jongen.
+
+"Is 't waar?" zei Scrooge. "Ga hem dan dadelijk halen."
+
+"Mot je mèìn hebbe?" antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem
+voor den gek hield.
+
+"Nee, nee," zei Scrooge. "Ik meen 't. Ga 'em dadelijk voor me koopen,
+en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem
+moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes
+van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent,
+krijg je een daalder."
+
+De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. 't Moest al een flinke
+schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had
+kunnen krijgen.
+
+"Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!" fluisterde Scrooge, zich in
+de handen wrijvend en innerlijk lachend. "Hij zal niet weten wie hem
+stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!"
+
+De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij
+kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open
+te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl
+hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.
+
+"Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!" riep Scrooge uit,
+den klopper met zijn hand aaiend. "Vóór vandaag keek ik er nauwelijks
+naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een
+wonderbare klopper!--Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe
+gaat het? 'n Goeie Kerstmis, hoor!"
+
+Wat een kalkoen was dat! 't Was niet mogelijk dat die vogel ooit
+fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt
+zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak.
+
+"Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen," zeide
+Scrooge. "Daarvoor moet je een bakje hebben."
+
+De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede
+hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij
+den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den
+inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en
+lachte tot hij begon te huilen.
+
+Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor
+en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge
+er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden,
+dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en
+volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z'n Zondagsch en
+eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten
+door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien
+had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen
+aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar
+opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden "Goeie morgen,
+meneer, een prettige Kerstmis!" tegen hem zeiden. En Scrooge placht
+nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende
+klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn
+ooren klonken.
+
+Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de
+heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: "Het
+kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?" Het gaf hem een steek in
+'t hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als
+zij elkaar ontmoetten, doch hij wist nu welken weg voor hem lag en
+dien volgde hij.
+
+"M'n waarde heer," zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den
+ouden heer bij beide handen vattend. "Hoe gaat het? Ik hoop dat u
+gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een
+blijde Kerstmis, mijnheer!"
+
+"Meneer Scrooge?"
+
+"Juist," zeide Scrooge. "Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen
+aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus
+vraag. En als u zoo goed wilt zijn"--hier fluisterde Scrooge iets
+aan zijn oor.
+
+"God beware me!" riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. "M'n
+waarde heer Scrooge, meent u dat?"
+
+"Zeker," zeide Scrooge. "Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een
+groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u
+mij het genoegen doen?"
+
+"M'n waarde heer," zeide de ander, hem de hand schuddend, "ik kan u
+niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......"
+
+"Kom, het is de moeite niet waard," hernam Scrooge. "Kom mij eens
+opzoeken. Wilt u?"
+
+"Zeker, dat zal ik beslist doen," riep de oude heer uit. En het was
+duidelijk dat hij dit meende te doen ook.
+
+"Heel graag," zei Scrooge. "Zeer verplicht. Duizendmaal dank."
+
+Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de
+menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en
+ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op
+naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte. Nooit
+had hij gedacht, dat een wandeling--of iets anders,--hem zoo gelukkig
+kon maken.
+
+Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn' neef.
+
+Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde
+gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.
+
+"Is meneer thuis, kind?" zeide Scrooge tot het dienstmeisje, 'n
+knap meisje.
+
+"Jawel meneer."
+
+"Waar is hij, kind?" zeide Scrooge.
+
+"Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan
+naar boven."
+
+"Goed hoor, hij kent me wel," zei Scrooge, met zijn hand reeds op
+het slot der eetkamer. "Ik zal hier maar binnengaan, meisje."
+
+Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door
+de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want
+jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke
+punten, en zien graag dat alles in orde is.
+
+"Fred!" zeide Scrooge.
+
+Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had
+een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den
+gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben
+doen ontstellen.
+
+"Wel, heere m'n tijd!" riep Fred. "Wie hebben we hier?"
+
+"Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is 't goed, Fred?"
+
+Of 't goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn
+arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets
+kon hartelijker zijn.
+
+Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was
+óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En
+iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere
+eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.
+
+Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij
+was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop
+kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.
+
+En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen
+Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een
+halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open,
+om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.
+
+Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn
+bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op
+los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:
+
+"Hallo!" gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij
+kon. "Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft
+aankomen?"
+
+"'t Spijt me erg, mijnheer," zei Bob. "Ik bèn werkelijk over mijn
+tijd."
+
+"Zoo?" herhaalde Scrooge. "Ja, dat zou 'k ook gelooven. Kom es even
+hierheen, alsjeblieft."
+
+"Het is maar eens in 't jaar, meneer," pleitte Bob, uit het hokje
+komend. "Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te
+veel pret gemaakt, meneer."
+
+"Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje," zei Scrooge. "Ik wil
+iets dergelijks niet langer dulden. En daarom," ging hij voort, van
+zijn kruk springend en Bob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij
+in het hokje terugwankelde, "en daarom ben ik van plan je salaris
+te verhoogen."
+
+Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het
+schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn
+Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en
+een dwangbuis te roepen.
+
+"Vroolijke Kerstmis, Bob!" zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem
+niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. "Een
+vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht
+heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en
+nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl
+dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop
+vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit."
+
+Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en
+nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede
+vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als
+de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo
+veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan;
+want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit
+iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om
+lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan
+ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels
+trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke
+vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.
+
+Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten, en men zei altijd
+van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand
+tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd
+worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: "God zegene
+ons allen!"
+
+
+
+
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te
+vinden, neerkomt.
+
+[2] Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.
+
+[3] Kleinburgerlijke voorstad van Londen.
+
+[4] Een oude danswijs. Over "Sir Roger de Coverley" vindt men een en
+ander in Prof. Knappert's aanteekeningen bij Sara Burgerhart--1e deel,
+pag. 287.--
+
+[5] Meerstemmig koraal.
+
+[6] Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een
+goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.:
+Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem
+(haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het
+ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden,
+geeft een pand.
+
+[7] Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte
+handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan
+het hof nog het geval.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Een Kerstlied in Proza, by Charles Dickens
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN KERSTLIED IN PROZA ***
+
+***** This file should be named 28560-8.txt or 28560-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/8/5/6/28560/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.