diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:38:46 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:38:46 -0700 |
| commit | 5db0cc249b46529d156302beb5520aa406b1e4a2 (patch) | |
| tree | a2972624b3e2a5579d887d66e371cd35bd6ca3af /28560-8.txt | |
Diffstat (limited to '28560-8.txt')
| -rw-r--r-- | 28560-8.txt | 4194 |
1 files changed, 4194 insertions, 0 deletions
diff --git a/28560-8.txt b/28560-8.txt new file mode 100644 index 0000000..200dc91 --- /dev/null +++ b/28560-8.txt @@ -0,0 +1,4194 @@ +The Project Gutenberg EBook of Een Kerstlied in Proza, by Charles Dickens + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een Kerstlied in Proza + +Author: Charles Dickens + +Translator: J. Kuylman + +Release Date: April 11, 2009 [EBook #28560] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN KERSTLIED IN PROZA *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + Wereld Bibliotheek + Onder leiding van L. Simons + + Charles Dickens + + + Een Kerstlied in Proza + + Vertaald door J. Kuylman + Met inleiding door L. S. + + + Uitgegeven voor De Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur door + G. Schreuders Amsterdam + + + + + + + + +De vertaler wenscht openlijk te erkennen, dat hij hier en daar een +dankbaar gebruik heeft gemaakt van de aanteekeningen van den heer +Ten Bruggencate in diens bekende uitgaaf van het origineel. + +J. K. + + + + + + +IETS OVER CHARLES DICKENS + +(1812-1870). + + +Er is geen werk en er zijn geen schrijvers, waarover het zoo moeilijk +valt in later leven te oordeelen als die, waarmee men geleefd heeft +in zijn jonge jaren, waarvan men genoten heeft toen lezen nog een +wonderbaarlijk opgaan was in vreemde werelden van volkomen echtheid, +zonder andere toets dan "boeiend" of "vervelend".--Dickens is er +zoo éen voor mij geweest. En ik zou niet graag geroepen worden een +oordeel te schrijven over Pickwick, Barnaby Rudge, Olivier Twist en +de Kerstvertellingen, want ik kom er niet los genoeg van mijn jonge +ervaringen. + +Doch oordeelen over deze Kerstvertelling moet de lezer maar zelf. Een +kort woord is alleen noodig over den schrijver. + +Toen hij deze Kerstvertelling schreef was hij dertig jaar en al een der +populairste vertellers van zijn tijd door zijn Samuel Pickwick. Hij had +achter den rug een nogal moeilijk leven van den kleinen burgerjongen, +die van buiten naar Londen was gekomen om er zijn weg te zoeken. Zijn +eerste rustpunt dáár was een advocaten-kantoor; zijn tweede was het +verslaggeversambt van terechtzittingen. Zoo leerde hij veel kennen +van den ondergrond van het groote stadsleven; van de praktijken der +rechtsgeleerden; de kronkelpaden van het gerecht; de hardheid van het +armelijke leven in de groote stad. En hij oefende zich in schrijven; +werd novellistisch reporter; schetsenmaker; later: romancier, die in +wekelijksche afleveringen lange verhalen pende vol avontuur, realisme, +humor, satire, pathos en zedeles,--alles door elkander. + +Door zijn eigen tijdgenooten is Dickens nogal eens geschuwd om +zijn realisme; en tegelijkertijd is hem de kritiek niet gespaard +om zijn tot in de karikatuur-vervallende òver-typeering en zijn +effectbejag. Wat tegenstrijdig klinkt, doch het in zijn geval niet +is. Want zijn realisme was zuiver zedekundig-maatschappelijk en +humanitair, stond geheel onder den invloed van zijn behoefte tot +aanwijzen van misbruiken en opwekken tot verbeteren. Niet om de koel- +en verstandelijk waargenomen werkelijkheid weer te geven, was het +hem te doen. Maar om zijn lezers te doordringen van de vele ellende, +die om hen heen groeide, en waar zij onverschillig voorbijgingen; +en ze de misbruiken te doen kennen, die om verbetering riepen. Zelf +zoo sterk gevoelsmensch, dat hij onder het neerschrijven zijner eigen +verbeeldingen soms half ziek werd, liet hij zich al schrijvend door +dat gevoel beheerschen tot overdrijvingen en sentimentaliteiten, +welke in dien éersten tijd der 19e eeuw nog uit de 18e eeuw in +heel de romantische letterkunde voortleefden. En zijn humor was +onder den invloed van de echt Engelsche clowneries en de gezochte +aardigheden, die nog tot vandaag den dag het tooneel er beheerschen, +in éen rechte lijn van Shakespeare tot Bernard Shaw. Het is de humor +van een volk van lijn-kunst, dat gauw overslaat tot de charge en +de caricatuur der overdreven vormen en òver-typeering. En Dickens, +geboren acteur en voordrager, is wel in alle opzichten de sterke +openbaring van al zijn volks-eigenaardigheden gebleken. Maar hij +bezat daarnaast de onontbeerlijke eigenschappen om zijn fouten te +doen vergeten in de sterke wegsleependheid van zijn aard; de kracht +van zijn verbeelding; de fleur van zijn grappigheid; de uitbundigheid +van zijn vinders-vernuft, en de meegevoeligheid van zijn hart. + +Tijdens de jaren van zijn leven (1812-1870) heeft Engeland een +geleidelijke evolutie doorgemaakt, waarin versteend industrialisme +en verrotte politiekerij door de zelf-ontwaking van de onderdrukten +en het edelmoedig verzet van idealisten uit de andere klassen, +werden omgewerkt tot bescherming van de arbeiders en zuiverder +democratie. Tot die edelmoedige idealisten heeft ook Dickens behoord +en zijn strijd tegen misbruiken in de rechtspraak, misbruik in de +kostscholen, tyrannie van den gehuwden man, kinderverwaarloozing, +heeft de hervormingsbeweging niet weinig geholpen. Hij had een macht +over duizenden van lezers, in wier gemoed hij soms wel wat òverforsch +kwam roeren, maar die zóo in hem en zijn scheppingen geloofden, +dat zij, naarmate zijn werk in wekelijksche afleveringen vorderde, +hem overstelpten met smeekbrieven om een kleine heldin toch niet te +laten sterven; of dìè toch met dìèn te laten trouwen--. + +Aan een populariteit als deze zit altijd gevaar. Men wordt geen +schrijver voor de menigte, als men niet in sterke mate eigenaardigheden +heeft die tot velen spreken en velen gemeenzaam zijn, en wat vele +menschen met elkaar gemeen hebben, kan alleen het àlgemeene zijn. Het +fijnere, bizondere, in zich zelf verlorene is uit den aard der zaak +maar voor weinigen. Doch dit algemeene behoeft niet noodzakelijk +het grove, alledaagsche, oppervlakkige, sentimenteele te wezen. Er +zijn kunstenaars door wie de sterke en groote levensstroom beweegt; +menschen met breed gebaar, gansche levensruimten vullend, en die +aldus op dien breeden, gullen en warmen levensstroom velen met zich +nemen. Victor Hugo is zulk een mensch geweest, Peter Benoit was er +een. Ook Björnson en Zola. En Dickens, hoewel zijn gebaar niet zóo +breed, en zijn verbeeldingsleven niet zoo gul-echt was, behoorde +toch wel tot hen, die hun populariteit dankten aan het sterke dat +in hen was, en niet aan hun levensvervalschingen en niets-ontziende +doordravende oppervlakkigheden, als nu Marie Corelli haar voorbijgaande +populariteit bezorgen.-- + +Zijn Kerstvertelling, in 1842 geschreven, is een heel karakteristiek +staal van zijn eigenaardige kunst. Er is de echt-Engelsche, +op het ijzingwekkende gerichte, verbeelding; de bizarre humor; +de sterke gevoeligheid en de humanitaire strekking in, die de vier +grond-elementen van zijn werk vormen. In zijn soort is het compleet en +ook door hem zelf niet overtroffen. Werk van langer adem van hem--en +dat is wel het meeste--was zoo spoedig niet te vertalen. Maar het +staat op onze lijst voor de toekomst. Want het behoort gemeengoed +van allen te blijven of te worden. + + +L. S. + + + + + + +EEN KERSTLIED IN PROZA +ZIJNDE EEN SPOOK-KERSTVERTELLING DOOR CHARLES DICKENS + + +EERSTE ZANG. + +MARLEY'S GEEST. + + +Om 't dadelijk te zeggen: Marley was dood. Twijfel daarover +is onmogelijk. Zijn begrafeniscedel werd geteekend door den +geestelijke, den burgerlijken ambtenaar, den begrafenisondernemer +en den voornaamsten rouwdrager. Scrooge teekende haar; en Scrooge's +naam was op de Beurs goed voor alles waarop hij zijne handteekening +verkoos te zetten. De oude Marley was zoo dood als een deurpen. [1] +Let wel! ik wil niet zeggen, dat ik uit eigen ervaring weet, wat er +bijzonder doods is aan een deurpen. Ik voor mij zou geneigd zijn +een nagel in een doodkist te beschouwen als het doodste ding in +den ijzerhandel. Doch in deze vergelijking steekt de wijsheid onzer +voorouders; en mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, of +'t is gedaan met het land. Ge zult mij daarom veroorloven nog eens +met nadruk te herhalen, dat Marley zoo dood was als een deurpen. + +Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het +anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons +geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur, +zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige +rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó +volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich +nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf, +en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van +Marley's begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.--Er +bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley's dood.--Dit moet goed +verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis +die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat +Hamlet's vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets +méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht, +bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan +er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van +middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den +avond gaat wandelen op een winderige plaats--bijvoorbeeld St. Pauls +Churchyard--met geen ander opzet, dan om den zwakken geest van zijn +zoon in verbazing te zetten. + +Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond +er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en +Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu +eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan +weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles +hetzelfde. + +Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een +uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige +oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit +een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf +gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken +verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte +zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw, +en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op +zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen +lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de +hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis. + +Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op +Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud +maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende +sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was +minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan +te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden +slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen +nog wel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield +hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: "m'n +waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?" Geen +bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen +vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den +weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der +blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten +zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken, +en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: "géén oog +is beter dan een boos oog, blinde meester!" + +Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich +een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte, +en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden, +dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge's hand noemden. + +Op een keer--en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den +avond vóór Kerstmis--was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het +was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon +de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen, +hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op +de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken +van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel +donker--het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest--en +kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als +rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar +binnen door iedere reet en elk sleutelgat, en was buiten zóó dicht, +dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde +niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer +zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de +Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was. + +De deur van Scrooge's kantoor stond open, opdat hij een oogje kon +houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort +hok, brieven copiëerde. Scróóge had al een klein vuurtje, doch het vuur +van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon +er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer; +en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn +meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn +witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat +hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte. + +"Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!" riep een vroolijke +stem. Het was de stem van Scrooge's neef, die hem zoo plotseling +overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was. + +"Bah!" zei Scrooge, "nonsens!" + +Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle +loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was +rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte. + +"Kerstmis nónsens, oom!" zei Scrooge's neef, "dat meent u niet." + +"Waarachtig wel," zei Scrooge. "Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb +jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen." + +"Kom nu," antwoordde de neef vroolijk, "welk recht hebt ù om knorrig +te zijn? ù is rijk genoeg." + +Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij +nogmaals "bah" en liet er op volgen: "Nonsens." + +"Wees nu niet knorrig, oom," zei de neef. + +"Wat kan ik anders zijn," antwoordde de oom, "als ik in zoo'n wereld +vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat +beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen +moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf +een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te +maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te +zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou," zeide Scrooge verontwaardigd, +"zou iedere idioot die rondloopt met "vroolijke Kerstmis" op zijn +lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met +een hulsttak door zijn hart.--Dàt zou ie!" + +"Oom!" pleitte de neef. + +"Neef!" antwoordde de oom streng, "vier Kerstmis zooals je verkiest +en laat mij het doen zooals ik het wil." + +"Vieren!" hernam Scrooge's neef. "Maar u viert het heelemaal niet." + +"Laat me het dan laten voor wat het is," zeide Scrooge. "Veel goed +moge het je doen! 't Heeft je altijd veel geluk gebracht!" + +"Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen +nut getrokken heb waarschijnlijk," antwoordde de neef, "en van deze +dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd +als hij weder dáár was--nog afgezien van den eerbied, verschuldigd aan +zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past +er van afgescheiden kan worden)--gedacht heb als aan een goeden tijd: +een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen +tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen +als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen, +en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar +het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een +ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een +greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het +mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem." + +De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk +daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het +vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit. + +"Laat ik joù nog es hooren," zeide Scrooge, "en jij zult je Kerstmis +vieren met het verlies van je betrekking.--Ge zijt bepaald een groot +redenaar, meneer," voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. "'t +Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit." + +"Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten." + +Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han--, ja, waarachtig, +dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij +hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien. + +"Maar waarom?" riep Scrooge's neef uit. "Waarom?" + +"Waarom trouwde je?" zeide Scrooge. + +"Omdat ik verliefd werd." + +"Omdat je verliefd werd!" gromde Scrooge, alsof dit het eenige +ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke +Kerstmis. "Goeien middag!" + +"Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit +gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen." + +"Goeien middag," zei Scrooge. + +"Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen +wij geen goede vrienden zijn?" + +"Goeien middag!" zei Scrooge. + +"Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben +wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb +geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch +mijn Kerststemming bewaren tot 't laatste. En daarom, een gelukkig +Kerstfeest, oom!" + +"Goeien middag!" zei Scrooge. + +"En een gelukkig Nieuw Jaar!" + +"Goeien middag!" zei Scrooge. + +En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te +uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den +dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer +was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk. + +"Daar heb je nòg zoo'n idioot," mompelde Scrooge, die hem hoorde: +"mijn klerk met negen gulden in de week en een vrouw en kinderen, +en dat praat over 'n vroolijke Kerstmis. Ik geloof dat ik maar naar +Bedlam [2] zal verhuizen." + +Deze idioot had, toen hij Scrooge's neef uitliet, twee andere menschen +binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te +zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge's kantoor stonden. Zij +hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge. + +"De firma Scrooge en Marley, geloof ik," zei een der heeren, zijn +lijst inziend. "Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer +Marley te zien?" + +"Mijnheer Marley is al zeven jaren dood," antwoordde Scrooge. "Vanavond +voor zeven jaren is hij gestorven." + +"Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij +zijn overlevenden compagnon," zeide de heer, zijne geloofsbrieven +overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante +zielen geweest. Bij het onheilspellende woord "mildheid," fronste +Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven +terug. + +"In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge," zei de heer, +een pen opnemend, "is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij +iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd +veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen; +honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!" + +"Zijn er geen gevangenissen?" vroeg Scrooge. + +"O ja, gevangenissen in overvloed," zei de heer, zijn pen weder +neêrleggend. + +"En de werkhuizen?" vroeg Scrooge. "Zijn die nog in werking?" + +"Zeker. En toch," antwoordde de heer, "wenschte ik dat ik zeggen kon +dat ze 't niet meer waren." + +"De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?" zeide +Scrooge. + +"Beide nog op volle kracht, meneer." + +"Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er +iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had," +zeide Scrooge. "'t Doet me genoegen dàt te hooren." + +"In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist +christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen," antwoordde +de heer, "trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den +armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen +dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld +wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?" + +"Voor niets!" antwoordde Scrooge. + +"Wenscht u anoniem te blijven?" + +"Ik wensch met rust gelaten te worden," zeide Scrooge. "Daar u mij +vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen +feest op Kerstmis en 't kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden +vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven +noemde--en die kosten genoeg--en zij die 't arm hebben kunnen +dáárheen gaan." + +"Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven." + +"Als zij liever willen sterven," zeide Scrooge, "dan moeten ze dat +maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien--neem +me niet kwalijk--maar daar weet ik niet van." + +"Maar u kòn het toch weten," merkte de heer op. + +"'t Zijn mijn zaken niet," antwoordde Scrooge. "Het is voldoende als +een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van +anderen. De mijne houden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!" + +Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden, +gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden +dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk. + +Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen +buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen +uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk, +wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag +vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg +de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna, +alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De +kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje, +waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een +flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze +mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking +met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf +overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling +gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels, +waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages, +kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers- +en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke +praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe +dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden. + +De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtige Stadhuis, gaf zijnen +vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze, +zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs +de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete +opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest, +roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn +magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch +te koopen. + +Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend +koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen +had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen +(smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst +lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus, +afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door +honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge's sleutelgat om +hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van: + + + "Heil en zegen op deez' dag, + Dat geen leed u treffen mag!" + + +greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk +verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist +en de nog meer met Scrooge's aard overeenkomende vorst. + +Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn +kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok, +die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette. + +"Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?" zeide Scrooge. + +"Als 't gelegen komt, meneer." + +"'t Komt nièt gelegen," zeide Scrooge, "en 't is bovendien niet +billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker +dat je je al heel verongelijkt zou achten." + +De klerk glimlachte flauwtjes. + +"En toch," zeide Scrooge, "vind je niet dat ìk benadeeld word, als +ik jou een dag salaris betaal voor geen werk." + +De klerk merkte op, dat 't maar eens in 't jaar was. + +"Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten +December te rollen!" zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin +toeknoopend. "Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten +vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te +vroeger bent." + +De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend +heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de +lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend, +(want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken +op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig +maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde +toen huiswaarts naar Camden Town, [3] zoo hard zijne beenen slechts +draven wilden, om blindemannetje te spelen. + +Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige +restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen, +en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek, +ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamers die voortijds +behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber +stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar +het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld +hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was, +om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten +had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders +in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als +kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die +iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De +mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat +het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op +den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den +klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een +feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde, +en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht +noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder +begrijpend--wat een stout woord is--den raad, de schepenen en de +gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik +meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds +hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan +eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij +den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder +dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper, +doch Marley's gezicht. + +Marley's gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen, in +ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig +licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren +kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts +aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril, +die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde +vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel +de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de +lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen +onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een +deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit +verschijnsel keek was het weder een klopper. + +Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan +was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke +sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch +hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had, +draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan. + +Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur +sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half +en half verwachtte verschrikt te worden door Marley's staartpruikje, +uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de +schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij: +poe, poe! en sloot de deur met een slag. + +Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven, +en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een +eigen naklank van echo's te hebben. Doch Scrooge was er de man niet +naar zich door echo's uit het veld te laten slaan. Hij grendelde +de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam, +onder het gaan zijn kaars snuitend. + +Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen +een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet; +maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen +oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur +en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed; +wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich +voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een +half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te +goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk +donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch +vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te +zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist +genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben. + +Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals 't behoorde. Niemand +onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard; +lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge +had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand +in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding +tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm, +oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook. + +Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en sloot zichzelf in; draaide +den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd +tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak +en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur +zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje, +van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er +zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het +geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De +schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen +Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels, +die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en +Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden +die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams, +Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden +figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit +gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al +het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere +gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het +vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de +losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley's +gezicht te zien zijn geweest. + +"Malligheid!" zei Scrooge en liep de kamer op en neer. + +Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen +hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn +blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel, +die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergeten +doeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste +verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden +onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze +bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het +begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op, +en al de schellen in het huis deden eveneens. + +Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden, +doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen +waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend +gerommel laag beneden in 't huis, alsof iemand een zwaren ketting +sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge +herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en +dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open +met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker, +op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht +op zijn deur aan. + +"'k Hou toch vol dat het malligheid is!" zei Scrooge. "Ik wil er niet +in gelooven." + +Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil +te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne +oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur +helder op, alsof het zeggen wilde: "die ken ik! Marley's Geest!" en +toen doofde het weder. + +Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn +pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten +aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje, +en zijn jaspanden en het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij +voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang, +slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want +Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten, +grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam +was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn +vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien. + +Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar +dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag. + +Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet. + +Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan; +hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde +en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en +kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had, +was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. "Wat heeft +dat nu te beteekenen!" zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. "Wat +wilt ge van mij?" + +"Heel veel!"--Marley's stem, daar viel niet aan te twijfelen. + +"Wie zijt ge?" + +"Vraag me wie ik geweest ben." + +"Wie ben je dan geweest?" zeide Scrooge, zijn stem verheffend. "Je +bent nog al kieskeurig--voor een schim." Hij had willen zeggen +"kieskeurig tot op een haar," maar stelde het eerste ervoor in de +plaats, als meer passend. + +"Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley." + +"Kunt ge--kunt ge gaan zitten?" vroeg Scrooge, hem twijfelachtig +aanziend. + +"Jawel." + +"Doe dat dan." + +Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende +geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat +ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het +noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den +anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was. + +"Ge gelooft niet aan mij," merkte de Geest op. + +"Nee, dat doe ik ook niet," zeide Scrooge. + +"Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat +uwer zintuigen?" + +"Dat weet ik niet," zeide Scrooge. + +"Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?" + +"Omdat," zeide Scrooge, "er maar heel weinig noodig is om ze in +de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze +bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn, +een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge +komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan +ook zijn moogt!" Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en +ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig +gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn +eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want +de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde, +dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde +oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen. + +Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen +atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch +het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt +stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en +weer als door de heete lucht uit een oven. + +"Ziet ge dezen tandestoker?" zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend, +om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het +visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde. + +"Zeker," antwoordde het spook. + +"En je kijkt er niet eens naar," zei Scrooge. + +"Maar ik zie hem tòch," zei het spook. + +"Nu," antwoordde Scrooge, "ik heb dezen maar door te slikken, om voor +de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters, +allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je--allemaal nonsens." + +Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde +zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn +stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch +hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook den binddoek van +zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te +dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel. + +Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht. + +"Genade!" zeide hij. "Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij +lastig?" + +"Wereldschgezinde man," antwoordde het spook, "gelooft ge in mij +of niet?" + +"Ja," zeide Scrooge, "ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over +de aarde, en waarom komen zij tot mij?" + +"Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder +zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest +dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den +dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen--oh, wee mij--en +getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen +deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen." + +Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong +zijne doorschijnende handen. + +"Ge zijt geboeid," zeide Scrooge bevend. "Zeg mij waarom." + +"Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde," antwoordde de +Geest. "Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen +vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is +het model ervan ù vreemd?" + +Scrooge beefde al meer en meer. + +"Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge +zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar +en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan +gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!" + +Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf +omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch +hij zag niets. + +"Jacob," zeide hij smeekend. "Oude Jacob Marley, vertel mij nòg +meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob." + +"Die heb ik niet voor u," antwoordde de Geest. "Die komen van andere +regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere +menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou +willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens +toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren +van ons kantoor--luister--gedurende mijn leven dwaalde mijn geest +nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle +lange reizen liggen vóór mij!" + +Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in +zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld +had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of +zijne knielende houding te verlaten. + +"Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob," merkte Scrooge op, +op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag. + +"Langzaam!" herhaalde de Geest. + +"Zeven jaren dood!" zeide Scrooge peinzend. "En al dien tijd op reis?" + +"Al dien tijd," zei het spook. "Geen rust, geen vrede en voortdurende +knaging van berouw." + +"Reist ge snel?" zei Scrooge. + +"Op de vleugelen van den wind," antwoordde de Geest. + +"Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn," zei Scrooge. + +Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde +zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de +nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal +van op te maken wegens burengerucht. + +"O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende," riep het spook +uit, "gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door +onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te +niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich +ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest, +in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit +sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht +en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de +ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit +alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!" + +"Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob," stamelde +Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen. + +"Zaken!" riep de Geest uit, zijne handen wringend. "De menschheid +was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde, +mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne +zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts +een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!" + +Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak +was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag +weder op den grond. + +"In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd 'k het meest," zei +het spook. "Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de +menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar +die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren +er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?" + +Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde +voortgaan, en begon erg te beven. + +"Hoor mij aan," riep de Geest. "Mijn tijd is bijna om." + +"Dat wil ik," zeide Scrooge. "Maar wees niet hard tegen me en wees +niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!" + +"Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt, +mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten." + +Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte +zich het zweet van het voorhoofd. + +"Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening," ging de Geest +voort. "Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om +mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb, +Ebenezer." + +"Je waart altijd een goed vriend voor mij," zeide Scrooge. "Dank +je wel." + +"Je zult bezocht worden," hernam het spook, "door Drie Geesten." + +Scrooge's gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest. + +"Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?" + +"Ja." + +"Dan geloof ik, dat--dat ik 't toch maar liever niet wou," zeide +Scrooge. + +"Zonder hun bezoek," zeide de Geest, "kunt ge niet hopen het pad +te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten, +als de klok één slaat." + +"Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan +hebben, Jacob?" stelde Scrooge voor. + +"Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag +van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet +andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden +wat er tusschen ons is voorgevallen." + +Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de +tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij +dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley's tanden maakten, +toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij +waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen +bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den +arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem +en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open, +zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest +wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog +slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley's +geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef +staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees; +want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden +in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw, +onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het +spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen +lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in. + +Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne +nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol +spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts +zweefden. Elk van hen torste ketenen zooals die van Marley's geest; +een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar +geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij +hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden +geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast +aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze +vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon +helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten +ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor +altijd de macht verloren hadden. + +Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij +niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen +en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep. + +Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest +binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn +eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij +probeerde om weder "nonsens!" te zeggen, doch bleef bij de eerste +lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad +had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in +de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met +den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust +had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel +onmiddellijk in slaap. + + + + + +TWEEDE ZANG. + +DE EERSTE DER DRIE GEESTEN. + + +Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed +keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden +zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis +met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige +kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij +tot zij het volle uur zouden slaan. + +Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en +zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en +het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk +zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf! + +Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche +klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg +twaalf; en zweeg. + +"Wel heb ik van m'n leven, 't is toch niet mogelijk dat ik een +heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben," +zei Scrooge. "Er zal toch niets met de zon wezen, zoodat dit twaalf +uur 's middags kan zijn?" + +Daar dit denkbeeld hem verontrustte, krabbelde hij uit bed en ging +tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met +den mouw van zijn chambercloak af te wrijven voor hij iets kon zien, +en zag toen nòg maar heel weinig. 't Eenige dat hij zien kon was, dat +het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van +heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker +zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had +doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote +verlichting, omdat "na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den +heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief" +enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier +der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren. + +Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet +uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen, +en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht. + +Marley's Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog +eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een +droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten +wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde +vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: "Was +het een droom of niet?" + +Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder +drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat +de Geest hem een bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij +besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij +wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan, +was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon. + +Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd +was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt +zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn +luisterend oor: + +"Bim-bam!" + +"Kwartier over!" telde Scrooge. + +"Bim-bam!" + +"Half slag!" zei Scrooge. + +"Bim-bam!" + +"Kwartier vóór," zei Scrooge. + +"Bim-bam!" + +"Volslag," zeide Scrooge, triomfantelijk, "en er komt niks." + +Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een +zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot +een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden +terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde, +evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend +was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge, +die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte, +zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof, +zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan +uwe elboog. + +Het was een vreemde gedaante--gelijkend op een kind; en toch weer +niet zoozeer op een kind, als wel op een oud man, gezien door de +een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen +alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de +proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was +wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat, +en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en +gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht +stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals +de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte +tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans +prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de +hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter, +was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de +verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal +ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel +in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu +onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven. + +En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook +dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in +dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat +het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de +gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één +arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een +paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van +al deze verdwijnende ledematen was geen omlijning zichtbaar door de +dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich +hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk +en helder als altijd. + +"Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?" vroeg +Scrooge. + +"Die ben ik!" + +De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre +kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn. + +"Wie, en wat ben je?" vroeg Scrooge. + +"Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden." + +"Van làng verledene?" vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw +opmerkte. + +"Neen, van ùw verleden." + +Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op +hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest +met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken. + +"Wat!" riep de Geest uit, "wilt gij met wereldsche handen reeds zoo +gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg +dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en +mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?" + +Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den +Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper +op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat +hij hem vroeg wat hem hierheen voerde. + +"Uw welzijn!" zeide de Geest. + +Scrooge betuigde zijn' dank, doch kon niet nalaten te denken dat +een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijk voor dit doel geweest +zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij +zeide onmiddellijk: + +"Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!" + +Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm. + +"Sta op! en ga met mij mee!" + +Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich +niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat +het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt +stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en +chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik +verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand, +was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar +het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad. + +"Ik ben maar een sterveling," zeide Scrooge, "en zou licht kunnen +vallen." + +"Laat mijne hand u slechts dáár raken," zeide de Geest, zijn hand op +Scrooge's hart leggend, "en gij zult gesteund worden in meer dan dit!" + +Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur +heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De +stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De +duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was +een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond. + +"Goeie hemel!" zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij +om zich heen keek. "Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik +jong was." + +De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en +kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven +te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden, +elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en +zorgen die lang, lang vergeten waren. + +"Uw lip beeft," zeide de Geest. "En wat is dat daar op uw wang?" + +Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het +een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij +maar wilde. + +"Herinnert gij u den weg nog?" vroeg de Geest. + +"Of ik!" riep Scrooge met vuur.--"Ik zou hem blindelings kunnen +loopen."-- + +"Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!" merkte +de Geest op. "Laten we voortgaan." + +Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal +en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde, +met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar +ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die +andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren +gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd +en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde +klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte. + +"Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn," zeide de +Geest. "Zij beseffen niet dat wij hier staan." + +De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onder het aankomen herkende +Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch +buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en +sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was +hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis +hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen, +naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om "een vroolijke Kerstmis?" Weg +met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht? + +"De school is nog niet geheel verlaten," zei de Geest. "Een eenzaam +kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven." + +Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij +verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en +kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het +dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een +bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had; +want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren +vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren +vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen; +en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras. + +Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te +herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door +de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe +schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht, +een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan +te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen. + +De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het +huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige +kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren +schoolbanken en lessenaars. + +Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend +vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn +eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger. + +Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen +achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp +op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken +van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg +pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn +verteederenden invloed op Scrooge's hart en gaf vrijer loop aan +zijne tranen. + +De Geest raakte zijn' arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals +hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in +vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar +te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel +gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel. + +"Wel heb ik van m'n leven, dat's Ali Baba!" riep Scrooge verrukt +uit. "'t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog +wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan +zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als +nu. Arme jongen! En Valentijn," zeide Scrooge, "en zijn wilde broeder +Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in +zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet, ziet ge hem +niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd +werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik +ben er tòch blij om, wat moest hij ook met de Prinses trouwen?" + +Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge's zakenkennissen uit de +City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen, +te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige +stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde +kleur en opgewonden gezicht te zien. + +"Daar heb je de Papegaai ook!" riep Scrooge. "Groen lijf en gele +staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. "Arme +Robinson Crusoë," noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart +om zijn eiland heen. "Arme Robinson Crusoë," waar zijt ge geweest, +Robinson Crusoë?" De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch +niet zoo: Het was de papegaai die 't zei, weet je. Daar gaat Vrijdag, +loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te +redden. "Hallo, hoep, hallo!" + +En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd +was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, "arme jongen!" en weende +weder. + +"Ik wou," mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich +heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord: +"maar 't is nu te laat." + +"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest. + +"Niets," zeide Scrooge. "Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje +aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat's al!"-- + +De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaide met de hand, zeggend +terwijl hij dit deed: "Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien." + +Bij deze woorden werd Scrooge's vroeger eigen ik grooter, en de +kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in, +de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten +de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde, +wist Scrooge evenmin als gij of ik.--Hij wist alleen dat het precies +zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij +daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens +naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd. + +Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en +neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend +angstig naar de deur. + +Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam +binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk +kussend, noemde zij hem haar "lieve, lieve broertje." + +"Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!" zei het kind, in +hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen, +"om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!" + +"Naar huis, kleine Fan?" antwoordde de jongen. + +"Ja!" zeide het kind, dol van vreugde. "Naar huis, en voor goed. Vader +is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een +hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op 'n heerlijken avond toen +ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen +of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met +een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!" zei het kind, +haar oogen openend, "en hier kom je nooit meer terug; maar eerst +moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd +hebben dien je je denken kunt." + +"Je bent al 'n heele meid, kleine Fan!" riep de jongen uit. Zij klapte +in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij +te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem +te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de +deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken, +ging met haar mede. + +Een barsche stem in den gang riep: "Hei daar, breng de koffer van +jongenheer Scrooge es naar beneden!" en in den gang verscheen +de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met +tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door +hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het +alleroudste gat van een kille "mooie kamer" dat ge ooit gezien hebt, +waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de +kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok +bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze +lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht +naar buiten sturend om den postrijder een glas van "'t een of ander" +aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer's aanbod dankbaar +aannam, maar dat als het 't zelfde was wat hij al meer gehad had, +dan had hij 't liever niet. Daar de koffer van jongenheer Scrooge +nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid +van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden +in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; de sneldraaiende +raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen +der coniferen. + +"Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen +blazen," zei de Geest. "Maar ze had een ruim hart." + +"Dàt had ze," riep Scrooge uit. "Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik +niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!" + +"Ze stierf toen ze 'n vrouw was," zei de Geest, "en had, geloof ik, +kinderen." + +"Eén kind," antwoordde Scrooge. + +"'t Is waar ook," zeide de Geest, "uw neef." + +Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: "Ja." + +Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden, +bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar +schimmige passagiers heen en weder liepen; waar schimmige karren en +koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en +het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te +zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd +werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef +stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij +het kende. + +"Of ik!" zeide Scrooge. "Ik was hier immers leerling!" + +Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen +kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij +twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen +de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit: + +"Wel heb ik van m'n leven, 't is de ouwe Fezziwig! God zegen hem; +het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is." + +De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur +van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde +vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette, +joviale stem: + +"Hallo daar! Ebenezer! Dick!" + +Scrooge's vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel +binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling. + +"Dick Wilkins, waarachtig!" zei Scrooge tegen den Geest. "Waarachtig +'t is 'em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!" + +"Yo ho, jongens!" zeide Fezziwig. "Voor vandaag genoeg gewerkt, +hoor. Avond vóór Kerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er +vóór, hoor," riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen, +"vóór je tot tien kunt tellen!" + +Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens +aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken--een, +twee, drie--en ze zaten al op hun plaats--vier, vijf, zes--de boomen +en pennen erop--zeven, acht, negen--en daar waren ze al weer terug +voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden. + +"Hilli-ho!" riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met +merkwaardige vlugheid. "Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten +we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant +zetten!" Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen, +als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was +alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor +goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werd geveegd +en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur +gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge +en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt +kunnen wenschen. + +Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge +kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde +om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één +aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend +en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij +gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die +in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den +bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend, +den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht +van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte +zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist +dat haar meesteres haar aan 'r ooren getrokken had. Binnen kwamen +ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder +schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur, +sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen, +hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los, +twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén +de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van +het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal +en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond +in verschillende houdingen van verliefdheid, het oude eerste paar +dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur +uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze +bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen +laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend +resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten +teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: "Goed +zoo!" en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier, +die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er +weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een +beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers +waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput +op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht, +die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven. + +Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst, +en er was tulband en "negus," en er was een groot stuk koud vleesch en +een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch, +rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch +het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt, +toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die +zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen) +Sir Roger de Coverley [4] begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig +aan om te dansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met +een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners; +allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden +te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten. + +Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel, +dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig +evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn +in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is, +doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de +plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In +elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit +vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En +toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den +dans gegaan waren, "avancez en retirez," "geef uw partner de hand," +"buig en curtsey," "kurketrekker," "doe een draad in de naald," en +"weer terug naar uw plaats," sprong Fezziwig in de hoogte--sprong met +de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen +knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht. + +Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk +bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan +weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er +een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke +Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na, +wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen +weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne bedden die zich +onder een toonbank achter in den winkel bevonden. + +Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een +uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn +vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles, +en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik, +dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog +onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den +Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het +licht op zijn hoofd zeer helder brandde. + +"Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze +luidjes!" zeide de Geest. + +"Gering iets!" echoëde Scrooge. + +De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen, +die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden, +en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: "Nu, is het niet zooals +ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven, +drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar +al dien lof voor verdient?" + +"Dàt is het niet," zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en +zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet +zijn later Ik het zou gedaan hebben. "Dat is het niet, Geest. Hij +heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst +licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij +dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en +onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er +alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidt is precies even +groot als wanneer het een vermogen kostte." + +Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg. + +"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest. + +"O, niks bijzonders," zeide Scrooge. + +"Toch wel ìets, geloof ik?" hield de Geest aan. + +"Neen," zeide Scrooge, "neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar +woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!" Zijn vroeger Ik +draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest +stonden weder naast elkaar in de open lucht. + +"Mijn tijd spoedt ten einde," merkte de Geest op. "Vlug!" + +Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien +kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want +weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht +des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van +later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er +was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet +zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van +den groeienden boom zou vallen. + +Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad, +in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk +uit den Geest van Verleden Kersttijden. + +"Het komt er niet erg op aan," zeide ze zacht. "Voor jou al heel +weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan +opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht +hebben, dan heb ik geen reden om te treuren." + +"Welke afgod heeft je verdrongen?" vroeg hij. + +"Een gouden afgod, de mammon." + +"En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld," zeide +hij. "Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is +niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen +van rijkdommen." + +"Je bent te bang voor de wereld," antwoordde zij zacht. "Al je hoop +is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb +je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de +overheerschende hartstocht "winstbejag," je geheel in beslag genomen +heeft. Is het niet zoo?" + +"Nu, wat zou dat?" antwoordde hij. "Wat zou het dan nog, al bèn ik +veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?" + +Zij schudde het hoofd. + +"Ben ik wèl?" + +"Onze overeenkomst is al 'n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden +arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze +wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je +bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je +een heel ander man." + +"Toen was ik 'n jongen," zeide hij ongeduldig. + +"Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent," +antwoordde zij. "Ik ben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde +toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende, +nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan +gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en +dat ik je nu je woord kan teruggeven." + +"Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?" + +"Met woorden? neen, nooit." + +"Waarmede dan?" + +"Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een +anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel +van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in +jouw oog. Zeg eens eerlijk," zeide het meisje, hem vriendelijk, +doch vast aanziend, "of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was, +mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet +zeker van niet"-- + +Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en +dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: "Jìj denkt van niet." + +"Ik zou er graag anders over denken als ik kón," antwoordde zij. "God +weet 't! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe +sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of +gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje +zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste +gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere +winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo +je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat +je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw +van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart, +terwille van hem die je eens was." + +Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort: + +"Misschien dat dit je pijn zal doen,--en de gedachtenis aan wat voorbij +is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten +tijd zal dit zoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat +je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende +droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig +moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt." + +Zij ging heen, en aldus scheidden zij. + +"Geest," zeide Scrooge. "Laat me niet méér zien! Breng mij naar +huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?" + +"Nog één schim!" riep de Geest uit. + +"Neen, neen, niet meer!" riep Scrooge. "Niet meer. Ik wil het niet +zien. Laat dit genoeg zijn!" + +Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem +te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere +omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of +mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi +jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had +gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag, +nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat. + +Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer +kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon; +en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit +het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne +koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één +kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen +alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen; +integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot +vermaak in, en de laatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te +doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd. + +Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al +had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen! ik had dat gevlochten +haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en +het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje +had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn +leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat +overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen; +ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware +gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare +lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij +ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen +oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar +te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir +zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al +het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben, +en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten. + +Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een +stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde +kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden +en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen, +die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en +speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul en het +gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe +ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken +te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze +zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen, +en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet +te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking +waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke +mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van +een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht +werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was, +doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat +het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid +en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg, +dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen, +en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze +naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen. + +En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes, +terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met +haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge +er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend, +hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot +een lente maken, werd zijn oog vochtig. + +"Bella," zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach, +"ik zag een oud vriend van je van-middag." + +"En wie was dat?" + +"Raad 'es?" + +"Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet 't," voegde zij er in denzelfden +adem bij, evenals hij lachend, "meneer Scrooge." + +"Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor; +en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde, +moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt, +en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik." + +"Geest!" zeide Scrooge met bevende stem, "voer mij weg van deze +plaats." + +"Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden +behooren," zeide de Geest. "Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt +zij zijn." + +"Breng mij hier vandaan!" riep Scrooge uit. "Ik kan het niet dragen!" + +Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met +een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar +waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem. + +"Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!" + +In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest +zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots +alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn +licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven +rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed +van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die +onverwacht op zijn hoofd. + +De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte +bedekte; doch hoewel Scrooge uit alle macht er op drukte, kon hij +het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en +over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij +overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat +hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten +druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den +tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap. + + + + + +DERDE ZANG. + +DE TWEEDE DER DRIE GEESTEN. + + +Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande +zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd +te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij +voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver +en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem +door Jacob Marley's tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend +dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke +van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij +ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed +rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen +zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig +gemaakt worden. + +Heeren die tot het genus "gladde, gewikste lui" behooren, die er zich +op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken +hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen +dat ze voor alles te vinden zijn, van "kruis of munt," tot manslag toe; +tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen +ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou +ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was +voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat +niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben. + +Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins +voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven, +toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten, +tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al +dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die +op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts +licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn +geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde +of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang +dat hij een interessant geval van "spontane verbranding" voorstelde, +zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten +laatste begon hij te bedenken--zooals gij of ik dit dadelijk zouden +gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat, +die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben +ook--ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het +geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou +kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te +komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had, +stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur. + +Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge's hand den knop aanvatte, riep een +vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit +deed hij. + +Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een +wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het +plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer +er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen +glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en +klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine +spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den +schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in +Scrooge's tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt +op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild +gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange +kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters, +heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen, +lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende +bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken +damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus, +grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante +niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om +haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig +om de deur stak. + +"Kom binnen," riep de Geest uit. "Kom binnen! en leer me wat beter +kennen, menschenkind!" + +Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen +Geest hangen. + +Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel +de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun +blik toch liever niet ontmoeten. + +"Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden," zei de Geest. "Bekijk +me maar es goed!" + +Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel +eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit +kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst +bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig +kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien +van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen +ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes +schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af; +open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open +hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was +een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij +was geheel doorvreten van den roest. + +"Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!" riep de Geest uit. + +"Nooit," antwoordde Scrooge. + +"Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel +(want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de +laatste jaren geboren werden?" vervolgde het spook. + +"Ik geloof het niet," zei Scrooge. "Ik vrees van niet. Hebt ge veel +broeders, Geest?" + +"Meer dan achttienhonderd," zei de Geest. + +"Een geweldig gezin om te onderhouden!" mompelde Scrooge. + +De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op. + +"Geest," zeide Scrooge onderworpen, "leid mij waarheen ge +wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les +waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn +voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt." + +"Raak mijn kleed aan!" + +Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast. + +Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild, +gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes, +oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde +oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk +uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen, +waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch +levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der +sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner +huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen +vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De +gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder, +afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken, +en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd +was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen +van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten +en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en +ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke +gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste +straten stonden vol dikke vuile mist, half ontdooid, half bevroren, +welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes, +alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk +in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets +opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op +straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht +en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem +te overschaduwen. + +Want de lieden die er op los schoffelden op de daken waren joviaal +en vol vroolijkheid, en riepen elkaar over en weer toe van het eene +dak naar het andere en wierpen elkaar nu en dan uit den grap met een +sneeuwbal--een goediger projectiel dan menige met woorden geuite +grap--hartelijk lachend als hij raak en niet minder hartelijk als +hij mis was. De poelierswinkels waren nog half open en de winkels +der fruitverkoopers straalden in glorie. Daar lagen groote, ronde, +dikbuikige manden kastanjes, gevormd als de vesten van joviale +welgedane oude heeren, manden die lui tegen de deuren hingen en +zóó dik waren dat er gevaar bestond voor eene beroerte. Dan waren +er roode, omvangrijke Spaansche uien, die in hunnen vetten groei +blonken als Spaansche ordebroeders, en die van hunne planken in schuwe +speelschheid den meisjes die voorbijgingen knipoogjes toewierpen, +terwijl dezen, schalks doch stemmig, keken naar het opgehangen takje +mistletoe. Er waren appels en peren, die de winkeliers zoo welwillend +waren geweest op te hangen op in het oog vallende plaatsen, opdat +de lieden gratis zouden kunnen watertanden onder het voorbijgaan; er +lagen stapels hazelnoten, ruig en bruin, die, in hunne welriekendheid, +deden denken aan oude boschpaadjes, en prettig tot aan de enkels +schuifelen door dorre bladeren; daar waren gebraden appels uit Norfolk, +plomp en bruin, die het geel van sinaasappelen en citroenen nog meer +deden uitkomen, en die in de groote stevigheid van hunne sappige +persoontjes dringend verzochten, ja smeekten, om in papieren zakjes +mede naar huis genomen en na het diner opgegeten te worden. Zelfs +de goud- en zilvervisschen die in een vischkom tusschen dezen keur +van vruchten waren geplaatst, en voor 't overige leden van een dom, +koudbloedig ras zijn, schenen te begrijpen dat er iets gaande was, +en zwommen allen, zonder uitzondering, gapend en naar lucht happend, +hun kleine wereldje rond in langzame en hartstochtlooze opgewondenheid. + +Maar de kruidenierswinkels! O, die kruidenierswinkels! bijna geheel +gesloten, met misschien maar een of twee luiken ervoor weggenomen; +doch door deze openingen had men verrukkelijke kijkjes! Niet alleen +dat de weegschalen als ze op den toonbank neerkwamen een vroolijk +geluid deden hooren, of dat het bindgaren en de klos zoo plotseling +van elkaar scheidden, of dat de bussen, als ze vlug van de planken +genomen en er weer opgezet werden een ratelend geluid deden hooren, +als in goocheltoeren, of dat de zich mengende geuren van koffie en +thee den reuk streelden of zelfs dat de rozijnen zoo overvloedig +en zeldzaam mooi waren, de amandelen zoo buitengewoon blank, de +kaneelbrokken zoo lang en recht, de andere specerijen zoo heerlijk, +de geconfijte vruchten bedekt en beplekt waren met gesmolten suiker, +zoodat ze de onverschilligste toeschouwers zich flauw in den maag +deden voelen. Het was ook niet dat de vijgen vochtig en week waren, +of dat de pruimedanten zedig bloosden in hunnen zacht-zuren smaak, +vanuit hunne versierde doozen, of dat alles goed was om te eten en in +Kersttooi, doch de klanten hadden allen zulk een haast en waren zoo +ongeduldig door de hoopvolle belofte van dien dag, dat ze bij de deur +tegen elkaar aanliepen, en hunne teenen boodschappenmandjes wild tegen +elkaar aanbonsden, en hunne inkoopen op den toonbank lieten liggen, +en weer terug kwamen hollen om ze te halen, en honderden dergelijke +vergissingen begingen in de beste stemming; terwijl de kruidenier +en zijn helpers er zoo frank en frisch uitzagen, dat de glimmende +harten waarmede zij hunne voorschoten vanachteren vastmaakten hunne +eigene hadden kunnen zijn, binnenstbuiten gedragen, opdat iedereen +ze zou kunnen zien en opdat de Kerst-kraaien er aan konden pikken +als ze wilden. + +Doch weldra riepen de torenklokken de goede lieden altemaal naar +kerk en godshuis, en daar kwamen ze aan, in drommen door de straten, +in hunne beste kleêren en met hunne vroolijkste gezichten. + +En terzelfdertijd kwam uit tientallen van zijstraatjes, gangetjes +en stegen zonder naam een talrijke menigte, die hun middagmaal naar +bakkerswinkels bracht. Het zien van deze arme feestvierenden scheen +den Geest veel belang in te boezemen, want hij bleef met Scrooge naast +zich in den ingang van een bakkerswinkel staan en de deksels van de +schalen afnemend als de dragers voorbijgingen, sprenkelde hij wierook +op hunne maaltjes van zijnen toorts. En daar het een buitengewoon +soort toorts was, sprenkelde hij er, als er een paar maal harde woorden +vielen tusschen eenige dragenden, die tegen elkaar waren aangeloopen, +een paar druppels water op, en hun goed humeur was onmiddellijk weder +hersteld. Want, zeiden zij, het was schande op Kerstdag met elkaar +te twisten. En dat was het ook! Goddank dat het dat ook was! + +Na eenigen tijd hielden de klokken op, en werden de bakkerswinkels +gesloten; en toch was het eene aangename aankondiging, van al deze +diners en het klaarmaken ervan in de ontdooide plek boven elken +bakkersoven, waar het plaveisel dampte en de steenen eveneens schenen +te koken. + +"Is er een bijzondere smaak in wat ge van uw' toorts sprenkelt?" vroeg +Scrooge. + +"Zeker, mijn eigene." + +"Is het van denzelfden invloed op àlle middagmalen vandaag?" + +"Op alle die uit een goed hart gegeven worden. Het meest op dat van +een' arme." + +"Waarom op dat van een arme het meest?" vroeg Scrooge. + +"Omdat die het 't meest noodig heeft." + +"Geest," zei Scrooge na eenig nadenken, "wat me verwondert is, dat +juist gij, van al de wezens in de vele werelden die ons omringen, +de gelegenheid tot onschuldige vreugde van deze lieden wilt beperken." + +"Ik!" riep de Geest uit. + +"Gij wilt ze toch de middelen ontzeggen om iederen zevenden dag +middageten te eten, dikwijls de eenige dag waarop ze wezenlijk gezegd +kunnen worden te eten," zeide Scrooge. "Is dit niet zoo?" + +"Ik!" riep de Geest uit. + +"Gij tracht toch deze plaatsen te sluiten op den zevenden dag?" zeide +Scrooge. "En dat komt op 't zelfde neer." + +"Ik zou trachten...!" riep de Geest uit. + +"Vergeef me als ik 't mis heb. Het is toch in uw' naam geschied of +tenminste in dien van uw geslacht," zeide Scrooge. + +"Er leven op deze onze aarde," antwoordde de Geest, "enkelen die +beweren ons te kennen, en die hunne daden van hartstocht, trots, +haat en nijd, afgunst, godsdienstige bekrompenheid bedrijven in onzen +naam; voor wien wij en al onzen magen en verwanten zoo vreemd zijn, +alsof wij nooit bestonden. Onthoud dit en leg hùn die daden ten laste, +en niet ons, geesten van het Kerstfeest." + +Scrooge beloofde dat hij dit doen zou, en zij gingen door, onzichtbaar, +zooals zij dit te voren ook waren, de voorsteden der stad in. Het was +een merkwaardige eigenschap van den Geest (welke Scrooge ook reeds +in den bakkers winkel had opgemerkt) dat hij, niettegenstaande zijn +reusachtige grootte, zich met gemak aan iedere plaats kon aanpassen, +en dat hij onder een laag dak even gratievol en als een bovennatuurlijk +wezen stond, als hij met mogelijkheid had kunnen doen in de eerste +de beste hooge ruime hal. + +En misschien was het het vermaak dat de Geest er in schepte om deze +eigenschap te toonen, of anders was het zijn eigen goede, edelmoedige, +hartelijke natuur, en zijn sympathie met alle armen, die hem recht naar +het huis van Scrooge's klerk leidde; want daar ging hij heen, en nam +Scrooge mede, die zich aan zijn kleed vasthield; en op den drempel der +deur glimlachte de Geest en hield even stil om Bob Cratchits woning te +zegenen met de sprenkeling van zijn toorts. Denk hièr toch es aan! Bob +had maar vijftien "bob" (shilling) per week; hij stak Zaterdagsavonds +slechts vijftien exemplaren van zijn doopnaam in z'n zak; en tòch +zegende de Geest zijn huis dat uit slechts vier vertrekjes bestond! + +Toen stond juffrouw Cratchit op, Cratchit's vrouw, die slechts armelijk +gekleed was in een tweemaal-gekeerde japon, doch prachtig met linten +versierd, want deze zijn goedkoop en lijken heel wat voor dertig cent; +en zij dekte de tafel, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede +harer dochters, eveneens prachtig met linten versierd; terwijl de +jongeheer Pieter Cratchit een vork in de sauskom met aardappels stak, +en niettegenstaande hij de punten van zijn enormen vadermoorder (Bobs +privaat eigendom, dat hij ter gelegenheid van dezen dag aan zijn' +zoon en erfgenaam had afgestaan) in zijn mond kreeg, verheugde hij +zich toch uitermate zoo chic gekleed te zijn en verlangde ernaar om +met zijn mooi overhemd te pronken in de parken waar de groote wereld +komt. En nu kwamen de twee kleinere Cratchits, 'n jongen en een meisje, +binnenstormen, schreeuwend dat zij buiten den bakkerswinkel den gans +al geroken hadden en hem aan den reuk herkenden als de hunne; en +zich overgevend aan weelderige gedachten aan salie en uien, dansten +deze jonge Cratchits om de tafel heen, en prezen jongeheer Cratchit +hemelhoog terwijl hij het vuur aanblies, totdat de langzaam-pruttelende +aardappelen opborrelden en luid tegen het deksel der sauskom tikten +om er uit gelaten en van hun schil ontdaan te worden. + +"Waar drommel kan vaderlief toch zoolang blijven," zeide juffrouw +Cratchit. "En je broertje, kleine Tim; en je zuster Martha was op +geen half uur na zoo laat verleden jaar Kerstmis." + +"Daar is Martha al, moeder!" riepen de twee jonge Cratchits. "O, +d'r is zoo'n groote gans, Martha!" + +"Wel hemelsche goedheid, kind, wat ben je laat!" zeide juffrouw +Cratchit, haar tal van keeren kussend en haar shawl en hoed voor haar +aannemend met behulpzamen ijver. + +"Gisterenavond moesten we nog een heele massa werk afmaken," antwoordde +het meisje, "en we moesten van morgen opruimen, moe!" + +"Nou, 't is niks, nu je er maar bent!" zeide juffrouw Cratchit. "Ga +voor 't vuur zitten, lieve, en warm je es." + +"Nee, nee! Daar komt vader," riepen de twee jonge Cratchits, die +overal tegelijk waren. "Verstop je, Martha, verstop je!" + +En zoo verstopte Martha zich, en binnen kwam kleine Bob, de vader +met minstens drie voet bouffante behalve nog de franje, voor zich uit +bengelend en zijn kale kleêren gestopt en geborsteld, om er feestelijk +uit te zien, met kleine Tim op zijn schouder. Die arme kleine Tim, +hij droeg een krukje en zijne ledematen werden rechtgehouden door +een ijzeren beugel! + +"Wel, waar is Martha?" riep Bob Cratchit, overal rondkijkend. + +"Die komt niet," zeide juffrouw Cratchit. + +"Kòmt die niet?" zeide Bob met een plotselingen neerslag in zijn +vroolijke stemming; want hij was Tim's raspaard geweest heelemaal +van de kerk af, en was steigerend naar huis gekomen. "Komt ze nièt +op Kèrstdag?" + +Martha kon hem niet goed zoo teleurgesteld zien, al was het dan ook +maar uit de grap, daarom kwam ze te vroeg van achter de kastdeur +vandaan en snelde in zijne armen, terwijl de twee jonge Cratchits +kleine Tim stilletjes aanstootten en hem meetroonden naar het waschhok, +om de pudding te hooren zingen in den aker. + +"En hoe heeft kleine Tim zich gehouden?" vroeg juffrouw Cratchit, +toen ze Bob geplaagd had met zijne lichtgeloovigheid en Bob zijne +dochter naar hartelust gepakt had. + +"Als goud en nog beter," zeide Bob. "Ik weet niet hoe het komt, +maar hij wordt zoo nadenkend, omdat hij zooveel alleen zit, en dan +bedenkt-ie de vreemdste dingen die je maar verzinnen kunt. Onder +het naar huis gaan vertelde ie me dat hij hoopte dat de menschen in +de kerk hem gezien hadden, omdat hij kreupel was, en het misschien +prettig voor hen was, als ze er op Kerstdag aan dachten, wie de lammen +gezond en de blinden ziende maakte." + +Bob's stem beefde toen hij hun dit vertelde en beefde nog meer toen +hij zeide dat kleine Tim sterk en gezond begon te worden. + +Zijn steeds in beweging zijnde kleine kruk hoorde men aankomen, en +daar was kleine Tim al weer vóor zij er een woord verder over konden +spreken, door zijn broeder geëscorteerd naar zijn kruk bij het vuur +gekomen, terwijl Bob, zijn mouwen opslaand,--alsof ze nog kaler konden +worden, arme duivel--in een kan een heet mengsel maakte van jenever en +citroenen, en het flink rondroerde en het op de plaat zette om zacht te +koken; jongenheer Pieter en de twee alomtegenwoordige Cratchits gingen +den gans halen, waarmede zij weldra in statige processie terugkwamen. + +En nu ontstond er zulk een gedrang, dat ge een gans als de zeldzaamste +aller vogels had kunnen beschouwen, een gevederd natuurwonder, waarbij +een zwarte zwaan nog een doodgewoon iets was, en inderdaad was het in +dat huis een zeer zeldzame vogel. Juffrouw Cratchit warmde de saus +(die reeds tevoren was klaar gezet in den sauskom) zoodat ze siste; +jongenheer Pieter stampte de aardappelen met ongeloofelijke energie; +jongejuffrouw Belinda zoette de appelmoes; Martha veegde het stof +van de borden; Bob nam kleine Tim naast zich aan een klein hoekje +van de tafel; de twee jonge Cratchits zetten stoelen voor iedereen +en vergaten vooral zichzelven niet, en op hunne stoelen postvattend, +stopten zij hunne lepels in den mond opdat zij niet om gans zouden +schreeuwen vóor het hunne beurt was. Eindelijk werden de schalen +opgedragen en werd er gebeden. Het gebed werd gevolgd door een +ademlooze stilte, toen juffrouw Cratchit, langzaam langs de geheele +lengte van het voorsnijmes-lemmet kijkend, zich gereed maakte het in +de borst van den gans te stooten; doch toen zij dat deed, en toen de +lang verbeide stroom vulsel er uit te voorschijn kwam, ging er één +gemompel van verrukking op, de geheele tafel langs, en zelfs kleine +Tim, opgewonden door de twee jonge Cratchits, klopte op de tafel met +het heft van zijn mes en riep zwakjes: "hoerah!" + +Nooit had je zoo'n gans gezien. Bob zeide dat hij niet geloofde dat +er ooit zoo'n tweede gans gebraden was. Zijn malschheid en smaak, +zijn grootte en goedkoopte waren dingen die de algemeene bewondering +wekten. Aangevuld met appelmoes en gestampte aardappelen was het een +voldoend diner voor de geheele familie, ja, zooals juffrouw Cratchit +glimmend van pleizier zeide (kijkend naar een klein beentje op den +schotel), ze hadden het bij slot van rekening niet eens allemaal +opgekund! En toch was iedereen verzadigd en de jongste Cratchits in +het bijzonder waren tot aan hunne wenkbrauwen besmeerd met salie en +uien! Doch nu werden er schoone borden rondgedeeld door jongejuffrouw +Belinda, juffrouw Cratchit verliet alleen de kamer--te zenuwachtig om +getuigen mede te nemen--om de pudding op te doen en binnen te brengen. + +Stel je voor dat hij nu eens niet gaar was! of dat hij brak als +hij uit den vorm gedaan werd! of dat iemand over den muur van het +plaatsje geklommen was en hem gestolen had, terwijl zij bezig waren +zich te goed te doen aan den gans, een veronderstelling waarbij de +twee jonge Cratchits lijkkleurig werden! Allerlei vreeselijke dingen +werden er geopperd. + +Hallo! Een massa stoom! De pudding was uit den vorm. Een lucht als +op waschdag! Dat was de doek waarin hij gekookt was. Ik zeg een +lucht alsof er een gaarkeuken en pasteibakker naast elkaar woonden, +met een waschvrouw daar weer naast! Dàt was de pudding. Na een halve +minuut kwam juffrouw Cratchit binnen, met een opgezette kleur doch +trotsch glimlachend, met de pudding als een gespikkelde kanonskogel, +hard en stevig, brandend in de helft van een half vierde pintje cognac +en versierd met Kersthulst die er bovenop gestoken was. + +Och, och, wat een prachtige pudding! Bob Cratchit zei en dat +nog wel bedaard, dat hij die pudding beschouwde als het grootste +succes dat juffrouw Cratchit ooit bereikt had sedert den dag van hun +huwelijk. Juffrouw Cratchit zei, dat zij, nu het pak van haar hart +was, wel wilde bekennen dat zij een oogenblik bang was geweest dat er +geen bloem genoeg was. Iedereen had het zijne er over aan te merken, +doch niemand zeide of dacht ook maar dat het een heele kleine pudding +was voor zulk een groot gezin. Het zou platweg ketterij geweest zijn +zoo iets te zeggen. Een Cratchit zou gebloosd hebben zelfs op zoo +iets te zinspelen. + +Eindelijk was het diner afgeloopen, de tafel werd afgeruimd, de haard +aangeveegd en het vuur wat opgerakeld. Nadat het mengsel in de kan +geproefd en uitstekend bevonden was, werden er appels en sinaasappelen +op tafel gezet en een kolenschop vol kastanjes in de asch gelegd. Toen +zette de geheele familie zich om den haard, in wat Bob Cratchit een +kring noemde (hij bedoelde een halven kring); en aan Bob Cratchit's +elboog stond de geheele glasrijkdom der familie, die bestond uit: +twee tumblers en een vlade-glaasje zonder oor. + +Doch hierin liet zich het heete vocht uit de kan even goed schenken +alsof het gouden bekers geweest waren en Bob deelde het uit met +stralend gezicht, terwijl de kastanjes op het vuur knapperden en +luidruchtig sputterden. Toen stelde Bob een dronk in: + +"Een vroolijke Kerstmis allemaal, kinderen; God zegene ons!" + +Wat de geheele familie hem na-zei. + +"God zegene ons allemaal!" zei kleine Tim het laatst van allen. + +Hij zat heel dicht naast zijn' vader op zijn kleine kruk. Bob hield +het bleeke magere handje in de zijne, alsof hij het kind liefhad, +en het aan zijn zijde wenschte te houden, en bang was dat het hem +ontnomen zou worden. + +"Geest," zei Scrooge, met eene belangstelling zooals hij nooit te +voren gevoeld had, "zeg of kleine Tim zal blijven leven." + +"Ik zie een ledige plaats," hernam de Geest, "in het hoekje van den +haard en een krukje zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als er in +deze schaduwen geen verandering gebracht wordt door de Toekomst, +zal het kind sterven." + +"O, neen, neen," zei Scrooge. "O neen, goede Geest! zeg dat hij +gespaard zal blijven!" + +"Als de Toekomst deze schimmen niet verandert," ging de Geest voort, +"zal geen ander van mijn geslacht hem hier vinden. Maar wat zou +dat? Als hij toch dood moet, dan hoe eer hoe beter, dan vermindert +hij meteen de overbevolking." + +Toen Scrooge zijn eigen woorden aldus door den Geest hoorde herhalen, +liet hij het hoofd hangen, overstelpt van smart en berouw. + +"Mensch"--vervolgde de Geest--"als je werkelijk in je hart een mensch +en niet een blok steen bent, laat dan die booze praat, tot je ontdekt +zult hebben wat werkelijk overtollig is en wàar. Wil jij beslissen +welke menschen zullen leven en welke sterven? Misschien dat gijzelf in +het oog des Hemels meer waardeloos zijt en minder geschikt om voort te +leven dan millioenen die zijn als dit kind van dezen arme. O God!--te +moeten aanhooren dat het insect op het blad veroordeelt dat er te veel +"leven" is onder zijn hongerige broeders in het stof!"-- + +Scrooge boog zich voor de terechtwijzing van den Geest en sloeg +bevend zijne blikken neer. Doch hij sloeg ze snel weder op toen hij +zijn naam hoorde noemen. + +"Meneer Scrooge!" zeide Bob. "Ik ga een toast uitbrengen op meneer +Scrooge, den stichter van het feest." + +"De stichter van het feest! 't mocht wat!" riep juffrouw Cratchit uit, +rood wordend van ergernis. "Ik wou dat ik 'em hier had. Dan zou ik +hem es flink de waarheid zeggen, daar kon hij dan van smullen en ik +hoop dat hij er goeden trek in zou hebben." + +"Lieve," zeide Bob, "denk om de kinderen; Kerstdag." + +"Het mag dan ook wel Kerstdag zijn, waarop je de gezondheid drinkt van +zoo'n afgrijselijken, vrekkigen, verharden, ongevoeligen man als die +meneer Scrooge. En je weet heel goed dat hij dat is, Robert! Niemand +weet dat beter dan jijzelf, arme jongen!" + +"Lieve," was Bob's zachte antwoord, "Kerstdag." + +"Ik zal zijn gezondheid drinken om jouwentwil en om den dag," zeide +juffrouw Cratchit, "maar niet om 'mzelf. Nou, lang zal ie leven! Een +vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar!--hij zal beslist wel +erg vroolijk en erg gelukkig zijn!" + +De kinderen dronken haar den toast na. Het was de eerste dien dag +waarin geen hartelijkheid lag. Kleine Tim dronk den toast het laatst +van allen, doch het kon hem geen zier schelen. Scrooge was de boeman +van de familie. Toen zijn naam genoemd werd daalde een schaduw op +het huisgezin, die wel volle vijf minuten bleef hangen. + +Toen de schaduw opgetrokken was, waren zij nog tien maal zoo vroolijk +als te voren, uit pure verlichting dat ze met den boeman Scrooge klaar +waren. Bob Cratchit vertelde dat hij een betrekking op 't oog had voor +jongenheer Pieter, die, als hij hem kreeg, minstens drie gulden vijftig +per week zou inbrengen. De twee jonge Cratchits lachten uitbundig bij +het idée dat Pieter een man van zaken zou worden, en Pieter zelf keek +in gedachten verzonken in het vuur tusschen zijn twee boordpunten door, +alsof hij met zichzelf te rade ging aan welke geldbelegging hij de +voorkeur zou geven als hij dat enorme inkomen zou genieten. Martha, +die een arm leerlingetje was bij een modiste, vertelde hun toen wat +soort van werk zij te doen had en hoeveel uren zij achtereen werkte, +en dat ze van plan was morgen eens flink lang uit te slapen; want daar +het morgen een vrije dag was, zou ze thuisblijven. En ook vertelde ze +dat ze een graaf en een gravin gezien had een paar dagen te voren, +en dat de graaf vrijwel even groot was als Pieter; waarop Pieter +zijn boord zóó hoog optrok, dat gij, zoo ge dáár geweest waart, zijn +hoofd niet meer hadt kunnen zien. En telkens werd er rondgegaan met +de kan en de kastanjes; en kleine Tim zong, van een kind dat op reis +verloren was geraakt in de sneeuw. Kleine Tim had een fijn stemmetje +en zong zijn liedje heel goed. + +In dit alles was niets fijns of elegants. Zij waren geen deftige +familie en zij waren niet goed gekleed; hunne schoenen waren alles +behalve waterdicht; hunne kleederen waren kaal en het zou niet +zoo heel vreemd geweest zijn als Pieter tamelijk vertrouwd was met +het inwendige van een pandjeshuis; ik voor mij ben zelfs overtuigd +dat hij zéér goed wìst hoe dit er uitzag. Doch zij waren gelukkig, +dankbaar, mochten elkander gaarne en waren tevreden met het geluk van +het oogenblik; en toen vervaagden ook hunne schimmen, en zagen er nog +gelukkiger uit in de sprenkeling van de toorts van den Geest. Scrooge +keek naar hen en vooral naar kleine Tim tot zij verdwenen. + +Het werd nu donker en het sneeuwde tamelijk erg, en terwijl de Geest +en Scrooge door de straten gingen, was het heerlijk om den gloed van +de helder brandende vuren in keukens en salons te zien. Hier wees het +flikkeren van den gloed op toebereidselen tot een gezellig dinertje, +met warme borden die door en door verhit werden voor het vuur, en +zware roode gordijnen, die klaar hingen om dichtgetrokken te worden en +de koude en duisternis buiten te sluiten. Hier liepen al de kinderen +des huizes om 't hardst naar buiten hun getrouwde zusters tegemoet, +en om de eerste te zijn met hunne begroetingen. Daar zag men weder +schaduwen op de gordijnen, van gasten, die zich verzamelden om aan +tafel te gaan en daar trippelde een troepje knappe jonge meisjes allen +met kappen over 't hoofd en met bont afgezette schoenen aan, licht +naar het huis van een gebuur. En wee den ongetrouwde die hen daar--dat +wisten die schalken wel,--met hoogroode kleur zag binnengaan. Als ge +hadt willen oordeelen naar de massa's menschen die allen op weg waren +naar vriendschappelijke partijtjes, zoudt ge hebben kunnen denken dat +er niemand thuis was om ze te verwelkomen als ze daar aankwamen. Goeie +genade, wat was de Geest in zijn element! Hoe ontblootte hij zijn +breede borst en opende zijn groote handpalm, en zweefde verder, met +milde hand zijn onschuldige vroolijkheid stortend over alles wat binnen +zijn bereik kwam! Zelfs de lantaarnopsteker, die vooruit liep, en de +duistere straten met lichtstippen bespikkelde, en die er op gekleed +was om dien avond ergens op visite te gaan, lachte vroolijk toen de +Geest voorbijging. Maar--dat de Kerstgeest hem nabij, ja in hem was, +wist hij; al kon hij ook niet weten, dat hij behalve den Geest ook +Scrooge was voorbij geloopen! + +En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een +sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa's ongehouwen steen +in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een +reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde--of +liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had +gehouden--en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het +westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten, +die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager +zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis. + +"Wat is dit voor een plaats?" vroeg Scrooge. + +"Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde +werken," antwoordde de Geest. "Doch zij kennen mij. Kijk maar!" + +Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij +snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een +vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw, +met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na, +allen in feestdos. + +Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van +den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied, +van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen +in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude +man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne +plotselinge energie weder. + +De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijn kleed vast +te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich +voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar +zéé. Tot Scrooge's ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land +verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren +werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en +woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen +aanwendde om de aarde te ondermijnen. + +Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen +de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame +vuurtoren. Groote massa's zeewier hadden zich aan zijn voet +vastgehecht, en stormvogels--door den wind gebaard, kon men denken, +zooals het zeewier door het water--rezen en daalden er rondom, als +de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten. + +Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur +aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een +heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte +hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij +elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de +oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht, +zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met +krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was. + +En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee, +voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd +waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast +den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naast de officieren die +de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende +posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of +had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn +makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop +huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen, +goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over +dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere +hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen, +en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis. + +Het was tot Scrooge's groote verbazing dat hij, terwijl hij nog +luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een +ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond +welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het +was tot Scrooge's groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een +hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach +zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog, +prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende +vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek. + +"Ha, ha!" lachte Scrooge's neef. "Ha, ha, ha!" + +Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een +vroolijker lach dan Scrooge's neef, dan is het eenige wat ik zeggen +kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor, +en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden. + +Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er +aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo +aanstekelijk is als lachen en goedgehumeurdheid. Als Scrooge's neef +aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en +zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge's aangetrouwde +nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets +bij hen achter en brulden lustig mede. + +"Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!" + +"Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef, +dat zei hij!" riep Scrooge's neef. "En hij geloofde 't zelf!" + +"Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!" zeide Scrooge's nicht +verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die +zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een +gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd +keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt +scheen gekust te worden--wat het zonder twijfel dan ook werd; en het +zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo'n klein +schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend +door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk, +en sympathiek!" + +"Een grappige oude man," zeide Scrooge's neef, "dat is een feit; +en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar +zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van +hem spreken, hoor!" + +"Hij zit er erg warmpjes in, Fred," zeide Scrooge's nicht. "Tenminste +dat zeg jij altijd." + +"Nu, en wat zou dat, lieve!" zeide Scrooge's neef. "Hij kan toch +geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed +mede. En ook zichzelf maakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha, +ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens +goed mee zal doen." + +"Ik kan hem niet uitstaan," merkte Scrooge's nicht op. + +De zusters van Scrooge's nicht en al de andere dames waren van +dezelfde meening. + +"Och, ik wel!" zeide Scrooge's neef. "Ik heb medelijden met hem; +ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt +onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft +zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij +ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet, +is toch niet veel zaaks." + +"Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet," viel +Scrooge's nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en +zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd +hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp +om den haard zaten. + +"Nou, 't doet me pleizier dat te hooren," zeide Scrooge's neef, "omdat +ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat +zeg jij er van, Topper?" + +Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van +Scrooge's nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar +een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over +een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge's nicht, +de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde. + +"Ga nu door Fred," zeide Scrooge's nicht in hare handen klappend, +"Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo'n +rare jongen!" + +Scrooge's neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was +onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe +deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging. + +"Ik wou maar zeggen," zei Scrooge's neef, "dat het gevolg van zijn +hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar +prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker +van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen +gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude +vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid +geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag +tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch +wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder +jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: "Oom Scrooge, hoe +gaat het?" Al bracht 't hem alleen maar in de stemming van zijn armen +klerk vijftig pond na te laten, dan zou 't toch wàt gegeven hebben, +en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb." + +Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te +hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen +waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde +hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de +flesch door. + +Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale +familie en ze wisten wel wat ze deden, toen ze een lied met een +canon [5] zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper, +die met z'n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit +opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van +werd. Scrooge's nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een +simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in +twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind, +dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de +Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje +gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had, +hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd, +en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren +geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen +aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de +spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen +blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken. + +Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd +speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen +te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter +er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst +speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde +er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was, +dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is, +dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge's neef, +en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier +waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat, +zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn +blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen +de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen, +ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster +was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem +aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben +alsof hij trachtte u te grijpen--wat een beleediging zou zijn geweest +van uw inzicht--en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen +zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het +niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij +haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van +de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar +in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was +zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn +voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van +hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger +te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag +en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht, +toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk +achter de overgordijnen zaten. Scrooge's nicht deed niet mee aan 't +blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet, +met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de +Geest en Scrooge vlak achter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan +het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was, +met al de letters van het alphabet. [6] En zeer bedreven, en versloeg +hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge's neef; en toch +waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het +spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een +twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge +deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er +gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne +ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer +dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de +draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge. + +Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien, +en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij +den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten +heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk. + +"Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen," zeide Scrooge. "Nog +één klein half uurtje, Geest, nog maar één!" + +Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge's neef aan +iets denken moest, en de overigen moesten zien te vinden waaraan hij +dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde, +naar het geval vereischte. + +Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan +het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een +onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en +knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door +de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan +een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en +nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel, +of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken, +of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd, +barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren +werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den +grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken +staat als hij geraakt was, uit: + +"Ik heb 't! Ik weet wat 't is, Fred! Ik weet wat 't is!" + +"Nou wat is 't dan?" riep Fred. + +"'t Is je oom Scro-o-o-o-ge!" + +En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen, +hoewel sommigen opperden dat het antwoord op "is het een beer?" "ja" +behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende +was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige +neiging dien kant uit gehad hadden. + +"Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft," zei Fred, "en het zou +ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink +hier op hem met een glas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat +hij: Oom Scrooge!" + +"Nu goed dan, oom Scrooge!" riepen allen. + +"Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man +toegewenscht, wat hij ook zijn moge!" zeide Scrooge's neef. "Hij wilde +mijn wensch niet aannemen, maar 't is hem tòch gegund. Oom Scrooge; +daar ga je!" + +Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden, +dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt +hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd +gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord +dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds +weder op reis. + +Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij, +doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden, +en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en +de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen, +en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd +rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der +ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur +niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn +zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften. + +Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch +Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten +te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd, +dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd, +klaarblijkelijk ouder. Scrooge was deze verandering niet ontgaan, +doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een +kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest +keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het +haar van den Geest grijs was. + +"Is het leven van Geesten zóó kort?" vroeg Scrooge. + +"Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort," antwoordde de +Geest. "Vanavond loopt het af." + +"Vanavond!" riep Scrooge. + +"Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert." + +De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik. + +"Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag," zeide Scrooge, +aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, "maar ik zie iets +vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed +uitsteken. Is het een voet of een klauw?" + +"Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch +dat er opzit," antwoordde de Geest pijnlijk. "Zie hier." + +Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige, +vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan +zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast. + +"O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!" riep de Geest uit. Het waren +een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend +en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie +jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche +tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des +ouderdoms, hen geknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar +engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen +verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke +natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters +voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje +en meisje. + +Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond +werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren, +doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken +in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen. + +"Geest, zijn dit uwe kinderen?" was alles wat Scrooge kon uitbrengen. + +"Zij zijn Menschen-kinderen," zeide de Geest op hen neerziend. "En +zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op +mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas +op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor +dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis, +tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen +onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg," riep de +Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. "Beschimp hen die +'t u verzekeren. Geef 't toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak +zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!" + +"Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?" riep Scrooge uit. + +"Zijn er geen gevangenissen?" zei de Geest, zich voor de laatste maal +tot hem wendend met Scrooge's eigen woorden. "Zijn er geen werkhuizen?" + +De klok sloeg twaalf. + +Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos +verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde +hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen +opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den +kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend, +op zich toe komen. + + + + + +VIERDE ZANG. + +DE LAATSTE DER GEESTEN. + + +Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij +kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de +lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid +te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en +gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte +hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen +zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het +omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast +hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde +met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want +het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet. + +"Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?" zeide +Scrooge. + +De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit. + +"Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die +nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd +die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?" + +De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik +samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het +eenige antwoord dat hij ontving. + +Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap, +was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen +onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen +hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik +staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven +zich te herstellen. + +Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter +dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij, +hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien +dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage +onbestemde angst. + +"Geest der Toekomst!" riep hij uit. "Ik vrees u meer dan eenig ander +Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij +goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan +ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge +niet tegen mij spreken?" + +Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit. + +"Ga mij voor!" zeide Scrooge. "Ga voor! De nacht gaat snel voorbij +en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!" + +Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was +gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende +hij, hem staande hield en hem voortdroeg. + +Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad +hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er +van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen, +en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden +te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met +hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo +dikwerf gezien had. + +De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend +dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar +wat zij zeiden. + +"Neen," zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. "Ik +kan je d'er niet veel van vertellen, hoe dan ook. 't Eenige wat ik +wéét, is, dat hij dood is. + +"En wanneer heeft hij 't afgelegd?" vroeg een ander. + +"Gisterenavond, geloof ik." + +"En wat heeft 'em gemankeerd?" vroeg een derde, een kolossale +hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. "Ik moet je +zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan." + +"God weet 't," zeide de eerste geeuwend. + +"En wat heeft ie met zijn geld gedaan?" vroeg een heer met een erg +rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus +had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan. + +"Dat heb ik niet gehoord," zei de man met de groote onderkin, weder +geeuwend. "Wellicht aan zijn Gilde vermaakt. 't Eenige wat ik weet, +is, dat hij 't niet aan mij heeft nagelaten." + +Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen. + +"'t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn," zei dezelfde +spreker; "want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat +zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden +om mee te gaan?" + +"O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen," merkte de heer +met den uitwas aan zijn neus op. "Maar ik moet goed te eten hebben, +als ik meedoe." + +Weder gelach. + +"Nou, ik ben bij slot van rekening de minst geïnteresseerde van jelui," +zeide de eerste spreker, "want ik draag nooit zwarte handschoenen +[7] en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog +meer voor te vinden zijn. Als ik 't wel beschouw, ben ik heelemaal +zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij +elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een +praatje te maken. Saluut heeren!" + +Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere +groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om +een uitlegging. + +Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee +personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend +dat de uitleg hier zou liggen. + +Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het waren mannen van zaken; heel +rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij +hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken. + +"Hoe gaat 't je?" zeide de een. + +"Hoe gaat 't jou?" antwoordde de ander. + +"Dus," zeide de eerste, "de oude Schraap heeft dan toch eindelijk +gekregen wat hem toekomt, he?" + +"Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?" + +"Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!" + +Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele +gesprek. + +Scrooge's eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een +Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale +gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben, +begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet +slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde +tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook +wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond, +en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend +dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden, +nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag, +zorgvuldig te vergâren; en in 't bijzonder zijn eigen schim, zoo +hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte +dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou +geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk +zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim, +doch een ander man stond nu op de plaats waar hij vroeger placht te +staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar +verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte +die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich +hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel +andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede +de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had. + +Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen +hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te +maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp +aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud. + +Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend, +onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was +doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van +herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen +bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken +en leelijk. + +Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen +stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het +geheele kwartier stonk naar vuil en ellende. + +Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig +winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen, +beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren +hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen, +weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen, +waarin slechts weinigen den moed zouden hebben door te dringen, +werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen, +hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren +waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude +baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die +zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van +allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte +met al de weelde van een rustig rentenierschap. + +Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw +met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij +binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens +binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed +in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag, +dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik +van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten +zij alle drie in lachen uit. + +"Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer +één is!" riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. "Laat de +waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de +doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje, +ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder 't te +wille!" + +"Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen," zeide Oude Jan, +zijn pijp uit den mond nemend. "Kom maar in de voorkamer. 't Is al +'n heele tijd geleje dat je daar voor 't éérst binnenkwam, en de twee +andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van +de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D'r is geen roestiger stuk +ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik +weet zeker dat d'r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha, +ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij +mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen." + +De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude +man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe, +en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner +pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed, +wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en +ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over +elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. "Wat +zou 't! Wat zou 't, juffrouw Dilber?" zei het mensch. "Iedereen heeft +het recht voor z'n eige te zorge... Dat dee hìj ook!" + +"Dat zeg uwes wel!" zei de waschvrouw. "Geen loer draaie, zou +'k denke?" + +"Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet +er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou 'k denken?" + +"Nee, dat geloof 'k ook niet!" zei juffrouw Dilber en de man +tegelijk. "Dat denke we ook niet!" + +"Nou, goed dan!" riep de vrouw. "Wie mist een paar dinge als die wij +hier brenge? Zoo'n dooje man zéker niet." + +"Nee, daar kun je van op an!" lachte juffrouw Dilber. + +"Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom +was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z'n lijf? Als +ie dat gehad had, dan zou d'r wel iemand geweest zijn om voor 'em te +zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te +ligge sterve heelemaal alleen." + +"Dat is 't waarste woord dat je ooit gesproke hebt," zeide juffrouw +Dilber. "Nou heeft ie net wat ie verdiend heit." + +"Ik wou dat 't wat zwaarder was," antwoordde de vrouw, "en dat zou +'t, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen +krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d'r +voor geeft. Zeg 't maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te +zijn, en ook niet dat zij 't zien. Voor we mekaar hier ontmoetten, +wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En +dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!" + +Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het +kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst +zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder, +een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was +alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door +den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met +krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam. + +"Dat is jouw rekening," zei Jan, "en al werd ik levend gekookt, +geen schelling doe 'k er bovenop. Wie volgt?" + +Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een +beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een +paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op +den muur geschreven. + +"Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is 'n zwak van me en ik weet dat +'k me zelf d'r mee ruweneer," zei ouwe Jan. "Dat is jouw bedrag. Als +je me d'r een stuiver meer voor vroeg, zou 't me spijte zoo vrijgevig +geweest te zijn en zou 'k er een daalder afdoen." + +"En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan," zei de eerste vrouw. + +Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa +knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere +stof uit. + +"Hoe noem je dit?" zei Jan. "Bed-gordijnen!" + +"Ha, ha!" antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen +vooroverbuigend, "bed-gordijnen!" + +"Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb +genome, terwijl hij d'r nog leit?" zei Jan. + +"Jawel zeker," antwoordde de vrouw. "Waarom zou 'k niet?" + +"Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken," zeide Jan, "en dat +zul je zonder mankeere." + +"Ik zal vást m'n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan +winne met ze uit te steke, naar 't goed van 'n man als hij, dat kan +'k je wel vertelle, ouwe Jan," antwoordde de vrouw bedaard. "Toe nou, +laat die olie niet op de dekens valle." + +"Zijn dekens?" vroeg Jan. + +"Van wie anders, denk je?" vroeg het wijf. "Hìj zal geen kou vatten, +al heeft ie ze nou niet meer." + +"Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke +ziekte, he?" zeide de oude Jan, even opkijkend. + +"Daar hoef je niet bang voor te zijn," antwoordde het wijf. "Ik +ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt +zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je +probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d'r pijn +van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale +steê. 't Is het beste hemd dat ie had en 't is fijn, hoor. Ze zouen +'t eenvoudig weggegooid hebbe als ik d'r niet tussche gekomme was." + +"Wat bedoel je met "weggooien?"" vroeg de oude Jan. + +"Nou, dat ze 't hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde, +natuurlijk," antwoordde de vrouw lachend. "D'r was 't er een gek genoeg +om 't te doen, maar ik heb 't hem weer uitgetrokke. Als katoen niet +goed genoeg is voor zoo iets, dan is 't nergens goed genoeg voor. 't +Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan +ie toch al deed." + +Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar +zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den +ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin, +die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende +demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen. + +"Ha, ha!" lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje +met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen +op den grond aftelde. "Zie je, zoo loopt 't nou met hem af. Bij z'n +leven schrikte hij iedereen af, om ons d'r van te late profiteeren +nou dat ie dood is! ha ha!" + +"Geest!" zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. "Ik +begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou +het mijne kunnen worden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant +uit. Genadige Hemel, wat is dit!" + +Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd, +en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen, +waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was, +zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal. + +Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate +nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een +geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een +kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het +bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend, +lag het lichaam van een man. + +Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het +hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge +het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd +hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen, +en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht +het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden. + +"O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed +het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw +rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één +haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één +trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en +slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de +polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk +was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslag die van +een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde +ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien." + +Geen stem zei deze woorden aan Scrooge's oor, en toch hoorde hij ze +toen hij naar het bed keek. + +Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne +eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid, +geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde +gebracht! + +Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind +bij zich, om van hem te getuigen: "hij was vriendelijk en goed jegens +mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal +ìk nù goed voor hem zijn." Er krabde een kat aan de deur en Scrooge +hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge +durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en +waarom zij zoo rusteloos waren. + +"Geest!" zeide hij, "dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat +zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal +achterlaten." + +Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd. + +"Ik begrijp u," antwoordde Scrooge, "en zoo ik kon, zou ik het +doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet." + +Wederom scheen de Geest hem aan te kijken. + +"Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van +dezen man, smeek ik u mij hem te toonen," zeide Scrooge zeer ontroerd. + +Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een +vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht +zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten. + +Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar +de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel +nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige +uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde, +en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om +zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij +het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht +(wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te +weten hoe hij haar antwoorden zou. + +"Is het goed of slecht nieuws?" vroeg zij, om hem op gang te helpen. + +"Slecht!" antwoordde hij. + +"Zijn we dan heelemaal geruïneerd?" + +"Neen, er is nog hoop, Caroline." + +"Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt, +dan is er nièts hopeloos." + +"Hij kàn niet meer vermurwd worden," zeide haar echtgenoot. "Hij +is dood." + +Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht, +geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren +en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had +zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was +dat wat haar hart haar ingaf. + +"Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij +zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen +en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar +al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel +ziek, maar al stervende." + +"Aan wien zal je schuld overgaan?" + +"Dat weet ik niet. Maar vóór 't zoover is, zullen we 't geld al hebben; +en zelfs al hadden we 't niet, dan zou 't toch al heel erg zijn als +wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen +als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan +slapen, Caroline." + +Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten +waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om +hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren +opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger +tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer +gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde. + +"Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval," zeide +Scrooge; "of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten +hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen." + +De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en +onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet +zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen +Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had, +en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten. + +Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten +stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek +voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook +zij hielden zich wel heel stil! + +"En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen." + +Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet +gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben, +toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door? + +De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht. + +"Die kleur doet mijn oogen pijn," zei zij. + +De kleur? Och, arme kleine Tim! + +"Nu is 't al weer over," zei Cratchits vrouw. "Bij kaarslicht zijn ze +een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld +zwakke oogen willen laten zien. 't Zal zoowat tijd zijn dat hij komt." + +"'t Is er al over," antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. "Maar +ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de +laatste paar avonden, moeder!" + +Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke +stem, die slechts éénmaal haperde: + +"Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog +goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog +wel hard ook." + +"Ik ook," riep Peter. "Zoo vaak!" + +"En ik," riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal. + +"Maar hij was ook erg licht om te dragen," ging zij voort, ijverig +doorwerkend, "en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte +heelemaal niet voelde--heelemaal niet. En daar is je vader net aan +de deur!" + +Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante +om--en hij had hem wèl noodig, arme drommel--kwam binnen. Zijn thee +stond klaar voor hem op de plaat en allen vochten om 't hardst wie +hem 't eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits +op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof +zij zeggen wilden: "Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees +maar niet bedroefd." + +Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij +bekeek het werk op tafel en prees den ijver en 't vlugge werken van +juffrouw Cratchit en de meisjes. + +"De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn," meende hij. + +"Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?" vroeg zijne +vrouw. + +"Ja, beste," antwoordde Bob. "Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het +zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar +je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou +heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!" zeide Bob. "Mijn kleine +jongen!" + +Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als +hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder +van elkaar geweest zijn dan zij nu waren. + +Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht +was en met hulst behangen. + +Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog +kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten, +en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij +het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging +weder gelukkig naar beneden. + +Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten, terwijl de meisjes +en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone +vriendelijkheid van meneer Scrooge's neef, dien hij slechts eenmaal +gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat +tegenkomend en ziend dat hij er een beetje--"een heel klein beetje +neerslachtig uitzag," zei Bob,--hem gevraagd had wat er gebeurd was +dat hem zoo hinderde. "Waarop," zei Bob, "want hij is de minzaamste +meneer die je ooit gezien hebt,--ik 't hem vertelde. "Dat spijt me +van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit," zeide hij, "en ook +voor uw goede vrouw." Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet +ik nog niet." + +"Wàt wist, lieve?" + +"Wel, dat jij een goede vrouw was," antwoordde Bob. + +"Maar dat weet iedereen!" zeide Pieter. + +"Heel goed gezegd, m'n jongen!" riep Bob. "Ik hoop dat ze 't allemaal +weten. "'t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw," zeide +hij. "Als ik u met iets van dienst kan zijn," zeide hij, mij zijn +kaartje overhandigend, "dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even +aan te komen." Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen, +dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen +Tim gekend had en hij met ons meevoelde." + +"Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!" zei juffrouw Cratchit. + +"Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. 't +Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter +een betere betrekking bezorgde." + +"Hoor nu eens aan, Pieter," zei juffrouw Cratchit. + +"En dan," riep een van de meisjes, "gaat Pieter verkeering houden +met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen." + +"Och loop heen!" antwoordde Pieter grijnzend. + +"O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren," zei Bob, "hoewel dáár nog +tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar +mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine +Tim zullen vergeten--wel?--of deze eerste scheiding die er onder ons +plaats vond?" + +"Nooit, vader," riepen allen. + +"En ik weet ook zeker," zei Bob, "ik weet ook zeker, dat als we er +aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een +heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en +terwijl we het doen kleine Tim vergeten." + +"Nee, nooit, vader!" riepen allen weder uit. + +"Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig," zei kleine Bob. + +Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee +jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand. + +Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God! + +"Spook!" zei Scrooge, "iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden +voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de +man was, dien ik dood zag liggen?" + +De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te +voren--hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem +voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest +hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen--naar +plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken, doch toonde hem +niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan, +doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge +zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te +blijven staan. + +"Deze plaats," zeide Scrooge, "waarover wij nu zoo snel loopen, is +mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat +mij zien wat ik in komende dagen zijn zal." + +De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen. + +"Het huis is ginds," riep Scrooge uit. "Waarom wijst gij een anderen +kant uit?" + +De onverbiddelijke vinger verwrikte niet. + +Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek +naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het +meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was +hij ook niet. + +Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren. + +Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom +hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een +ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken +vóór hij binnentrad. + +Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou +te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door +muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood +van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel +te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een +waardige plaats. + +De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan. + +Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het +geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige +gestalte te zullen zien. + +"Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader," zeide Scrooge, "verzoek +ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen +van dingen die kùnnen worden?" + +Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond. + +"De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde +waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet," +zei Scrooge. "Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het +einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!" + +De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan. + +Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger +volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen +naam, "Ebenezer Scrooge." + +"Ben ik dan die man, die op dat bed lag?" riep hij op de knieën +vallend uit. + +De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug. + +"Neen, Geest, o, neen, dàt niet!" + +Doch de vinger bleef wijzen. + +"Geest," riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen +geleider, "hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik +wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles +mij niet getoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn +geval hopeloos was?" + +Voor de eerste maal leek het of de hand beefde. + +"Goede Geest," vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den +grond wierp. "Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft +medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan +brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven." + +De vriendelijke hand beefde. + +"Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het 't geheele jaar door +trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en +de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij +oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O, +zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan +uitwisschen." + +In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te +maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch +de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af. + +Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot +toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den +kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar, +en werd... een beddepost. + + + + + +VIJFDE ZANG. + +HET EINDE. + + +Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen +kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd +die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien +tijd tekort geschoten was! + +"Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!" herhaalde +Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. "En de Geesten, al deze drie, +zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn +geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!" Hij +was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens, +dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig +gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen. + +"Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!" riep Scrooge uit, een zijner +bedgordijnen in zijn arm nemend, "ze zijn dus toch nog niet neergehaald +met ringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen +der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!" + +Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen +gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend, +ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend. + +"Ik weet niet wat ik beginnen moet!" zei Scrooge tegelijkertijd lachend +en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij +volkomen op Laokoön geleek. "Ik voel me zoo licht als een veêr en ben +zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik +ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige +Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep, +hallo!" + +Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten +adem. + +"Daar staat de sauskom, waar de pap in was!" riep Scrooge, opnieuw +beginnend en om den haard dansend. "Daar is de deur waardoor de +Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest +van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de +dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en 't is allemaal zoo +gebeurd. Ha, ha, ha!" + +Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had, +was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de +vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen! + +"Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!" zeide +Scrooge. "Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik +voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik +wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!" + +Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die +er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim, +bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk. + +Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar +buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende +koude; 'n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden +zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke +klokken. O, heerlijk, heerlijk! + +"Wat voor 'n dag is 't vandaag?" riep Scrooge een jongen, die op zijn +Zondags gekleed was, toe. + +"Hè?" antwoordde de jongen, "wel Kerstdag natuurlijk!" + +"Kerstdag zegt ie!" zeide Scrooge bij zichzelven. "Dan heb ik 't tòch +niet gemist. De Geesten hebben 't alles in één nacht gedaan. Zij kunnen +alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen." + +"Hallo!" antwoordde de jongen. + +"Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den +hoek?" vroeg Scrooge. + +"Dat zou 'k gelooven," antwoordde de jongen. + +"Knappe jongen!" zei Scrooge. "'n Merkwaardig gladde jongen! Weet +je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine, +maar de groote die bekroond is?" + +"Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?" antwoordde de jongen. + +"Wat een engel van een jongen!" zei Scrooge. "'t Is een genot op +zichzelf met dièn jongen te praten.--Jawel, kerel, die bedoel ik." + +"Nee, die hangt d'r nog," antwoordde de jongen. + +"Is 't waar?" zei Scrooge. "Ga hem dan dadelijk halen." + +"Mot je mèìn hebbe?" antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem +voor den gek hield. + +"Nee, nee," zei Scrooge. "Ik meen 't. Ga 'em dadelijk voor me koopen, +en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem +moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes +van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent, +krijg je een daalder." + +De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. 't Moest al een flinke +schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had +kunnen krijgen. + +"Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!" fluisterde Scrooge, zich in +de handen wrijvend en innerlijk lachend. "Hij zal niet weten wie hem +stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!" + +De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij +kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open +te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl +hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper. + +"Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!" riep Scrooge uit, +den klopper met zijn hand aaiend. "Vóór vandaag keek ik er nauwelijks +naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een +wonderbare klopper!--Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe +gaat het? 'n Goeie Kerstmis, hoor!" + +Wat een kalkoen was dat! 't Was niet mogelijk dat die vogel ooit +fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt +zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak. + +"Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen," zeide +Scrooge. "Daarvoor moet je een bakje hebben." + +De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede +hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij +den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den +inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en +lachte tot hij begon te huilen. + +Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor +en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge +er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden, +dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en +volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z'n Zondagsch en +eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten +door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien +had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen +aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar +opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden "Goeie morgen, +meneer, een prettige Kerstmis!" tegen hem zeiden. En Scrooge placht +nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende +klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn +ooren klonken. + +Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de +heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: "Het +kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?" Het gaf hem een steek in +'t hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als +zij elkaar ontmoetten, doch hij wist nu welken weg voor hem lag en +dien volgde hij. + +"M'n waarde heer," zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den +ouden heer bij beide handen vattend. "Hoe gaat het? Ik hoop dat u +gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een +blijde Kerstmis, mijnheer!" + +"Meneer Scrooge?" + +"Juist," zeide Scrooge. "Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen +aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus +vraag. En als u zoo goed wilt zijn"--hier fluisterde Scrooge iets +aan zijn oor. + +"God beware me!" riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. "M'n +waarde heer Scrooge, meent u dat?" + +"Zeker," zeide Scrooge. "Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een +groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u +mij het genoegen doen?" + +"M'n waarde heer," zeide de ander, hem de hand schuddend, "ik kan u +niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......" + +"Kom, het is de moeite niet waard," hernam Scrooge. "Kom mij eens +opzoeken. Wilt u?" + +"Zeker, dat zal ik beslist doen," riep de oude heer uit. En het was +duidelijk dat hij dit meende te doen ook. + +"Heel graag," zei Scrooge. "Zeer verplicht. Duizendmaal dank." + +Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de +menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en +ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op +naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte. Nooit +had hij gedacht, dat een wandeling--of iets anders,--hem zoo gelukkig +kon maken. + +Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn' neef. + +Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde +gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan. + +"Is meneer thuis, kind?" zeide Scrooge tot het dienstmeisje, 'n +knap meisje. + +"Jawel meneer." + +"Waar is hij, kind?" zeide Scrooge. + +"Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan +naar boven." + +"Goed hoor, hij kent me wel," zei Scrooge, met zijn hand reeds op +het slot der eetkamer. "Ik zal hier maar binnengaan, meisje." + +Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door +de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want +jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke +punten, en zien graag dat alles in orde is. + +"Fred!" zeide Scrooge. + +Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had +een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den +gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben +doen ontstellen. + +"Wel, heere m'n tijd!" riep Fred. "Wie hebben we hier?" + +"Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is 't goed, Fred?" + +Of 't goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn +arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets +kon hartelijker zijn. + +Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was +óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En +iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere +eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid. + +Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij +was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop +kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet. + +En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen +Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een +halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open, +om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen. + +Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn +bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op +los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen: + +"Hallo!" gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij +kon. "Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft +aankomen?" + +"'t Spijt me erg, mijnheer," zei Bob. "Ik bèn werkelijk over mijn +tijd." + +"Zoo?" herhaalde Scrooge. "Ja, dat zou 'k ook gelooven. Kom es even +hierheen, alsjeblieft." + +"Het is maar eens in 't jaar, meneer," pleitte Bob, uit het hokje +komend. "Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te +veel pret gemaakt, meneer." + +"Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje," zei Scrooge. "Ik wil +iets dergelijks niet langer dulden. En daarom," ging hij voort, van +zijn kruk springend en Bob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij +in het hokje terugwankelde, "en daarom ben ik van plan je salaris +te verhoogen." + +Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het +schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn +Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en +een dwangbuis te roepen. + +"Vroolijke Kerstmis, Bob!" zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem +niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. "Een +vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht +heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en +nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl +dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop +vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit." + +Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en +nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede +vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als +de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo +veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan; +want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit +iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om +lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan +ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels +trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke +vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg. + +Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten, en men zei altijd +van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand +tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd +worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: "God zegene +ons allen!" + + + + + +EINDE + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te +vinden, neerkomt. + +[2] Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg. + +[3] Kleinburgerlijke voorstad van Londen. + +[4] Een oude danswijs. Over "Sir Roger de Coverley" vindt men een en +ander in Prof. Knappert's aanteekeningen bij Sara Burgerhart--1e deel, +pag. 287.-- + +[5] Meerstemmig koraal. + +[6] Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een +goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.: +Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem +(haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het +ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden, +geeft een pand. + +[7] Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte +handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan +het hof nog het geval. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Een Kerstlied in Proza, by Charles Dickens + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN KERSTLIED IN PROZA *** + +***** This file should be named 28560-8.txt or 28560-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/8/5/6/28560/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
