diff options
Diffstat (limited to '29208-8.txt')
| -rw-r--r-- | 29208-8.txt | 2855 |
1 files changed, 2855 insertions, 0 deletions
diff --git a/29208-8.txt b/29208-8.txt new file mode 100644 index 0000000..6f2ec81 --- /dev/null +++ b/29208-8.txt @@ -0,0 +1,2855 @@ +Project Gutenberg's Salome en Een Florentijnsch Treurspel, by Oscar Wilde + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Salome en Een Florentijnsch Treurspel + +Author: Oscar Wilde + +Translator: P. C. Boutens + +Release Date: June 23, 2009 [EBook #29208] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SALOME EN EEN FLORENTIJNSCH *** + + + + +Produced by André Engels and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | + | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens". | + | | + | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is | + | in dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. | + | Cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | + | | + | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het | + | origineel zijn gecorrigeerd. In de advertenties is alleen | + | dubbele of ontbrekende interpunctie gecorrigeerd. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. | + | | + +--------------------------------------------------------------+ + + + + +SALOME + + + + + WERELD + BIBLIOTHEEK + + ONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS + + OSCAR WILDE + + SALOME + + EN + + EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL + + GEAUTORISEERDE VERTALING + DOOR + + DR. P. C. BOUTENS + + HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN + VOLGENS DE WET OP HET AUTEURSRECHT + + UITGEGEVEN·DOOR·DE + MAATSCHAPPIJ·VOOR + GOEDE·EN·GOEDKOOPE + LECTUUR--AMSTERDAM + + + + +=PERSONEN:= + + + HERODES ANTIPAS, Tetrarch van Judaia; + JOKANAÄN, een profeet; + DE JONGE SYRIËR, hoofdman der lijfwacht; + TIGELLINUS, een jong Romein; + EEN KAPPADOKIËR; + EEN NUBIËR; + EERSTE SOLDAAT; + TWEEDE SOLDAAT; + DE PAGE VAN HERODIAS; + JODEN, NAZAREËRS, ENZ.; + EEN SLAAF; + NAÄMAN, de beul; + HERODIAS, vrouw van Herodes; + SALOME, dochter van Herodias; + DE SLAVINNEN VAN SALOME. + + + + +SALOME + + +_Tooneel: een ruim terras voor de groote feesthal in het paleis van +Herodes. Soldaten staan geleund aan de balustrade. Rechts een +reusachtige trap. Links, op den achtergrond, een oude waterput met een +groen bronzen kraag. De maan schijnt helder._ + +DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer schoon is de Prinses Salome vanavond! + +DE PAGE VAN HERODIAS: Let op de maan. De maan lijkt wonder vreemd. Zij +doet aan als een vrouw die opkomt uit een graf. Zij gelijkt op een +doode vrouw. Het is alsof zij speurt naar andere dooden. + +DE JONGE SYRIËR: Ja, zij lijkt wonder vreemd. Zij gelijkt op een +kleine prinses die een gelen sluier draagt en wier voetjes van zilver +zijn. Zij gelijkt op een prinses wier voetjes zijn als kleine witte +duiven... Het is alsof zij danst. + +DE PAGE VAN HERODIAS: Zij is als een doode vrouw. Zij beweegt zich +heel langzaam. (_Gedruisch in de feesthal._) + +EERSTE SOLDAAT: Wat een getier! Wie zijn die huilende wilde-beesten? + +TWEEDE SOLDAAT: De Joden. Die zijn altijd zoo. Zij twisten over hun +godsdienst. + +EERSTE SOLDAAT: Waarom twisten zij over hun godsdienst? + +TWEEDE SOLDAAT: Ik weet niet. Ze doen niet anders... Zoo verzekeren de +Farizeërs dat er engelen zijn, en de Sadduceërs zeggen dat de engelen +niet bestaan. + +EERSTE SOLDAAT: Ik vind het belachelijk over zulke dingen te twisten. + +DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer schoon is de Prinses Salome vanavond! + +DE PAGE VAN HERODIAS: Gij ziet voortdurend naar haar. Gij ziet te veel +naar haar. Het is gevaarlijk menschen op zulk een wijze aan te zien... +Daar komt licht een ongeluk uit voort. + +DE JONGE SYRIËR: Zij is zeer schoon vanavond. + +EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch ziet somber. + +TWEEDE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber. + +EERSTE SOLDAAT: Hij ziet naar iets. + +TWEEDE SOLDAAT: Hij ziet naar iemand. + +EERSTE SOLDAAT: Naar wien ziet hij? + +TWEEDE SOLDAAT: Ik weet niet. + +DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer bleek is de Prinses! Ik heb haar nooit zoo +bleek gezien. Zij is als de weêrschijn van een witte roos in een +zilveren spiegel. + +DE PAGE VAN HERODIAS: Gij doet beter niet naar haar te zien. Gij ziet +te veel naar haar. + +EERSTE SOLDAAT: Herodias heeft den beker van den Tetrarch gevuld. + +DE KAPPADOKIËR: Is dat de Koningin Herodias, zij die de zwarte mitra +draagt bestikt met parelen, en wier haren blauw gepoederd zijn? + +EERSTE SOLDAAT: Ja, dat is Herodias, de vrouw van den Tetrarch. + +TWEEDE SOLDAAT: De Tetrarch houdt veel van wijn. Hij bezit drie +soorten wijn. Een, die komt uit het eiland Samothrake. Die is zoo +purper als de mantel van Caesar. + +DE KAPPADOKIËR: Ik heb Caesar nooit gezien. + +TWEEDE SOLDAAT: Een anderen, die komt uit de stad Kypros. Die is geel +als goud. + +DE KAPPADOKIËR: Ik houd veel van goud. + +TWEEDE SOLDAAT: En de derde is een wijn uit Sicilia. Die wijn is rood +als bloed. + +DE NUBIËR: De goden van mijn land houden veel van bloed. Tweemaal in +'t jaar offeren wij hun jongemannen en maagden: vijftig jongemannen en +honderd maagden. Maar het schijnt dat wij hun nooit genoeg geven; want +zij zijn zeer hard voor ons. + +DE KAPPADOKIËR: In mijn land zijn nu geen goden meer: de Romeinen +hebben hen verjaagd. Er zijn er die zeggen dat zij gevlucht zijn in de +bergen, maar ik geloof het niet. Ik ben drie nachten lang op de bergen +geweest en heb hen overal gezocht. Ik heb hen niet gevonden. In het +eind heb ik hen bij hunne namen geroepen, en zij zijn niet verschenen. +Ik denk dat zij dood zijn. + +EERSTE SOLDAAT: De Joden aanbidden een god dien men niet kan zien. + +DE KAPPADOKIËR: Dat kan ik niet begrijpen. + +EERSTE SOLDAAT: Eigenlijk gelooven zij enkel in dingen die men niet +kan zien. + +DE KAPPADOKIËR: Dat lijkt mij volslagen belachelijk. + +DE STEM VAN JOKANAÄN: Na mij komt een ander die sterker is dan ik, +wien ik niet waardig ben den riem zijner schoenen te ontbinden. Als +hij komt, zullen de dorstige plaatsen zich verheugen. Zij zullen +bloeien als de lelie. De oogen der blinden zullen het daglicht zien, +en de ooren van de dooven zullen geopend worden. Het jonggeboren kind +zal zijn hand steken in het hol van den draak, en zal de leeuwen +leiden bij hunne manen. + +TWEEDE SOLDAAT: Beveel hem te zwijgen. Hij zegt altijd onzinnige +dingen. + +EERSTE SOLDAAT: Toch niet. Het is een heilig man. Ook is hij zeer +zachtmoedig. Elken dag breng ik hem zijn eten: hij bedankt mij altijd. + +DE KAPPADOKIËR: Wie is het? + +EERSTE SOLDAAT: Het is een profeet. + +DE KAPPADOKIËR: Hoe is zijn naam? + +EERSTE SOLDAAT: Jokanaän. + +DE KAPPADOKIËR: Waar komt hij vandaan? + +EERSTE SOLDAAT: Uit de woestijn, waar hij zich voedde met sprinkhanen +en wilden honing. Hij was bekleed met kemelshaar en rondom zijn +lendenen droeg hij een lederen gordel. Hij was zeer woest om te zien. +Een groote schare volgde hem. Hij had zelfs discipelen. + +DE KAPPADOKIËR: Waar spreekt hij over? + +EERSTE SOLDAAT: Dat kunnen wij nooit uitmaken. Soms zegt hij +schrikwekkende dingen, maar het is onmogelijk te begrijpen wat hij +zegt. + +DE KAPPADOKIËR: Mag men hem zien? + +EERSTE SOLDAAT: Neen. De Tetrarch heeft het streng verboden. + +DE JONGE SYRIËR: De Prinses heeft haar gelaat verborgen achter haar +waaier! Haar kleine blanke handjes bewegen zich als duiven die vliegen +naar den duiventil. Zij gelijken op witte vlinders. Zij zijn volkomen +als witte vlinders. + +DE PAGE VAN HERODIAS: Wat hebt gij daarmede van-doen? Waarom ziet gij +naar haar? Gij doet beter niet naar haar te zien... Daar komt nog een +ongeluk uit voort. + +DE KAPPADOKIËR (_wijzend naar den waterput_): Wat een zonderlinge +gevangenis! + +TWEEDE SOLDAAT: Het is een oude waterput. + +DE KAPPADOKIËR: Een oude waterput! Dat moet erg ongezond zijn. + +TWEEDE SOLDAAT: Toch niet. De broeder van den Tetrarch bij-voorbeeld, +zijn oudere broeder, de eerste man van de Koningin Herodias, is twaalf +jaren lang daarin opgesloten geweest. Hij is er niet van gestorven. In +het eind is hij nog moeten geworgd worden. + +DE KAPPADOKIËR: Geworgd? Wie heeft dat durven doen? + +TWEEDE SOLDAAT (_wijzend naar den beul, een reusachtigen neger_): Hij +daar. Naäman. + +DE KAPPADOKIËR: Was hij niet bevreesd? + +TWEEDE SOLDAAT: Wel neen. De Tetrarch heeft hem den ring gezonden. + +DE KAPPADOKIËR: Welken ring? + +TWEEDE SOLDAAT: Den ring des doods. Dus was hij niet bevreesd. + +DE KAPPADOKIËR: Toch is het een verschrikkelijk ding een koning te +worgen. + +EERSTE SOLDAAT: Waarom? Koningen hebben maar éen hals, net als +iedereen. + +DE KAPPADOKIËR: Het lijkt mij een verschrikkelijk ding. + +DE JONGE SYRIËR: De Prinses staat op! Zij gaat weg van tafel! Zij ziet +zeer ontstemd. Ah, zij komt dezen kant uit. Ja, zij komt hier naar +ons. Wat is zij bleek! Nooit heb ik haar zoo bleek gezien... + +DE PAGE VAN HERODIAS: Zie niet naar haar. Ik bid u, zie niet naar +haar. + +DE JONGE SYRIËR: Zij is als een duif die verdoold is... Zij is als een +narcis die siddert op den wind... Zij gelijkt op een zilveren bloem. + +SALOME (_komt op_): Ik blijf niet. Ik kan niet blijven. Waarom kijkt +de Tetrarch mij voortdurend aan met zijn molsoogen onder zijn bevende +oogleden?... Het is zonderling dat de man van mijne moeder mij op die +wijze aanziet. Ik weet niet wat dat beduidt... Eigenlijk weet ik het +wel. + +DE JONGE SYRIËR: Gij hebt zooeven het feest verlaten, Prinses? + +SALOME: Hoe zuiver is de lucht hier! Hier kan ik adem halen! +Daarbinnen zijn Joden uit Jerusalem, die elkander verscheuren om hun +belachelijke ceremoniën, en barbaren die niets doen dan drinken en hun +wijn spillen op den vloer, en Grieken uit Smyrna met hun geverfde +oogen en geblankette wangen, en hun haren gebrand in gewonden krullen, +en stilzwijgende sluwe Aigyptenaren met hun graveelen nagels en hun +rosse mantels, en lompe zwaarwichtige Romeinen met hun onbeschaafde +spraak. O, ik verfoei de Romeinen! Het zijn gemeene lieden die zich +willen voordoen als groote heeren. + +DE JONGE SYRIËR: Zult gij u niet nederzetten, Prinses? + +DE PAGE VAN HERODIAS: Waarom spreekt gij haar aan? Waarom ziet gij +naar haar?... O, daar staat een ongeluk te gebeuren. + +SALOME: Welk een genot de maan te zien! Zij gelijkt een klein +geldstuk. Of wel, een heel kleine zilveren bloem. De maan is koud en +kuisch... Ik weet zeker dat zij maagd is. Zij heeft de schoonheid van +een maagd. Zij heeft zich nooit verontreinigd. Zij heeft zich nooit +aan mannen overgegeven zooals de andere godinnen. + +DE STEM VAN JOKANAÄN: De Heere is gekomen! De zoon des menschen is +gekomen. De kentauren hebben zich verscholen in de rivieren, en de +sirenen hebben de rivieren verlaten en legeren onder de bladeren in de +wouden. + +SALOME: Wie was het, die daar riep? + +TWEEDE SOLDAAT: De profeet, Prinses. + +SALOME: O de profeet! Voor wien de Tetrarch bevreesd is? + +TWEEDE SOLDAAT: Daar weten wij niets van, Prinses. Het was de profeet +Jokanaän. + +DE JONGE SYRIËR: Vergunt gij mij uw draagstoel te gebieden, Prinses? +Het is overschoon in den tuin. + +SALOME: Hij zegt afschuwelijke dingen over mijn moeder, niet-waar? + +TWEEDE SOLDAAT: Wij begrijpen nooit wat hij zegt, Prinses. + +SALOME: Ja, hij zegt afschuwelijke dingen van haar. + +SLAAF: Prinses, de Tetrarch verzoekt u terug te keeren naar het feest. + +SALOME: Ik ga daar niet terug. + +DE JONGE SYRIËR: Vergeef mij, Prinses, indien gij niet terugkeerde, +zoû er mogelijk een ongeluk gebeuren. + +SALOME: Is hij een oud man, deze profeet? + +DE JONGE SYRIËR: Prinses, het ware beter terug te keeren. Vergun mij +dat ik u naar binnen leide. + +SALOME: Is deze profeet een oud man? + +EERSTE SOLDAAT: Neen, Prinses, hij is een zeer jong man. + +TWEEDE SOLDAAT: Men is er niet zeker van. Er zijn er die zeggen dat +het Elias is. + +SALOME: Wie is Elias? + +TWEEDE SOLDAAT: Een overoud profeet uit dit land, Prinses. + +SLAAF: Welk antwoord mag ik brengen aan den Tetrarch van de Prinses? + +DE STEM VAN JOKANAÄN: Verblijd u niet, gij land van Palaistina, omdat +de roede van hem die u sloeg, gebroken is. Want uit het zaad der +slang zal een basilisk voortkomen, en wat daaruit geboren zal worden, +zal de vogelen verslinden. + +SALOME: Welk een zonderlinge stem! Ik heb lust met hem te spreken. + +EERSTE SOLDAAT: Ik vrees dat het onmogelijk is, Prinses. De Tetrarch +wil niet dat iemand met hem spreekt. Hij heeft zelfs den Hoogepriester +verboden met hem te spreken. + +SALOME: Ik wil met hem spreken. + +EERSTE SOLDAAT: Het is onmogelijk, Prinses. + +SALOME: Ik wil het. + +DE JONGE SYRIËR: Ware het niet beter, Prinses, terug te keeren naar +het feest? + +SALOME: Haalt den profeet te voorschijn. + +EERSTE SOLDAAT: Wij durven niet, Prinses. + +SALOME (_nadert den waterput en kijkt er in af_): Hoe donker is het +daar beneden! Het moet vreeselijk zijn in een zoo zwarten put! Het +gelijkt op een graf... (_tot de soldaten:_) Hebt gij mij niet +verstaan? Brengt hem te voorschijn. Ik wil hem zien. + +TWEEDE SOLDAAT: Prinses, ik bid u, vraag zoo iets niet van ons. + +SALOME: Gij laat mij wachten? + +EERSTE SOLDAAT: Prinses, ons leven behoort u, maar wat gij ons vraagt, +kunnen wij niet doen... En dan, behoort gij dit niet aan ons te +vragen. + +SALOME (_ziet den jongen Syriër aan_): Ah! + +DE PAGE VAN HERODIAS: O, wat gaat er gebeuren? Ik weet zeker dat er +een ongeluk gaat gebeuren. + +SALOME (_nadert den jongen Syriër_): Gij zult dit doen voor mij, +niet-waar, Narraboth? Gij zult dit doen voor mij. Ik ben altijd +vriendelijk voor u geweest. Niet-waar, gij zult dit doen voor mij? Ik +wil hem maar even zien, dezen zonderlingen profeet. Men heeft zooveel +over hem gesproken. Ik heb den Tetrarch zoo vaak over hem hooren +spreken. Ik denk dat de Tetrarch bevreesd voor hem is. Ik weet zeker +dat hij bevreesd voor hem is ... Zijt ook gij, Narraboth, bevreesd +voor hem? + +DE JONGE SYRIËR: Ik ben niet bevreesd voor hem, Prinses. Ik ben niet +bevreesd voor eenig mensch. Maar de Tetrarch heeft uitdrukkelijk +verboden het deksel van dezen put op te lichten. + +SALOME: Gij zult dit doen voor mij, Narraboth, en morgen als ik +voorbijkom in mijn draagstoel onder de poort van de verkoopers van +afgodsbeelden, zal ik voor u een kleine bloem laten vallen, een kleine +groene bloem. + +DE JONGE SYRIËR: Prinses, ik kan het niet doen, ik kan niet. + +SALOME (_zij glimlacht_): Gij zult dit doen voor mij, Narraboth. Gij +weet wel dat gij dit voor mij doen zult. En morgen als ik in mijn +draagstoel voorbijkom over de brug van de koopers van afgodsbeelden, +zal ik u aanzien door de moeselinen sluiers, ik zal u aanzien, +Narraboth, misschien zal ik naar u glimlachen. Zie mij aan, Narraboth. +Zie mij aan. O gij weet wel dat gij doen zult wat ik u vraag. Gij weet +het wel, niet-waar? ... _Ik_ weet dat gij het doen zult. + +DE JONGE SYRIËR (_hij wenkt den derden soldaat_): Haal den profeet te +voorschijn. De Prinses Salome wenscht hem te zien. + +SALOME: Ah! + +DE PAGE VAN HERODIAS: O, hoe vreemd ziet de maan! Zij is als de hand +eener doode die zich zoekt te dekken met een lijkkleed. + +DE JONGE SYRIËR: Ja, zij ziet zeer vreemd. Zij is als een kleine +prinses wier oogen van amber zijn. Door de moeselinen wolken +glimlacht zij als een kleine prinses. + +(_De profeet komt op uit den waterput. Salome ziet hem aan en treedt +achteruit._) + +JOKANAÄN: Waar is hij wiens beker met verfoeiselen vol is? Waar is hij +die bestemd is te sterven in een zilveren kleed voor de oogen van het +gansche volk? Zegt hem dat hij hier komt om te hooren de stem van hem +die geroepen heeft in de woestijn en in de paleizen der koningen. + +SALOME: Van wien spreekt hij? + +DE JONGE SYRIËR: Dat kan men nooit uitmaken, Prinses. + +JOKANAÄN: Waar is zij die de afbeeldselen van mannen gezien heeft +geschilderd op den wand, Chaldeeuwsche mannen geteekend met bonte +omtrekken, en zich overgegeven heeft aan den lust harer oogen en +gezanten gezonden heeft naar Chaldaia? + +SALOME: Nu spreekt hij van mijn moeder. + +DE JONGE SYRIËR: O neen, Prinses. + +SALOME: Ja, hij spreekt van mijn moeder. + +JOKANAÄN: Waar is zij die zich gegeven heeft aan de hoofdmannen der +Assyriërs, die zwaardriemen dragen om hun lendenen, en op hun hoofden +tiara's van onderscheiden verven? Waar is zij die zich gegeven heeft +aan de jonge mannen uit Aigypte, die bekleed zijn met fijn linnen en +paars purper, die schilden dragen van goud en helmen van zilver, en +wier lichamen geweldig zijn? Zegt haar dat zij oprijze van het leger +harer onkuischheid, van haar overspelig leger, opdat zij hoore de +woorden van hem die den weg des Heeren bereidt; opdat zij zich bekeere +van hare zonden. Hoewel zij zich nimmer bekeeren zal, maar blijven zal +in hare verfoeiselen, zegt haar te komen; want de roede des Heeren is +in zijne hand. + +SALOME: Deze mensch is verschrikkelijk. Hij is verschrikkelijk. + +DE JONGE SYRIËR: Ik bid u, Prinses, blijf niet hier. + +SALOME: Vooral zijn oogen zijn verschrikkelijk. Ze zijn als zwarte +gaten door fakkels gebrand in een Tyrisch wandtapijt. Zij zijn als +zwarte holen waar draken wonen, als de zwarte spelonken van Aigypte, +waar de draken hun toevlucht vinden. Zij zijn als zwarte meren +verontrust door fantastische manen ... Denkt gij dat hij nog meer +spreken zal? + +DE JONGE SYRIËR: Blijf niet hier, Prinses, ik bid u, blijf niet hier. + +SALOME: Hoe zeer mager is hij ook! Hij gelijkt op een dun ivoren +standbeeld. Hij is als een zilveren standbeeld. Ik weet zeker dat hij +even kuisch is als de maan. Hij gelijkt op een zilveren lichtstraal. +Zijn lichaam moet heel koel aanvoelen, als ivoor... Ik wil hem +dichterbij zien. + +DE JONGE SYRIËR: Neen, neen, Prinses! + +SALOME: Ik moet hem dichterbij zien. + +DE JONGE SYRIËR: Prinses! Prinses! + +JOKANAÄN: Wie is deze vrouw die mij aanziet? Ik wil niet dat zij mij +aanziet. Waarom ziet zij mij aan met haar gouden oogen onder haar +vergulde oogleden? Ik weet niet wie zij is. Ik wil het niet weten. +Zegt haar dat zij heenga. Tot haar gaan mijn woorden niet. + +SALOME: Ik ben Salome, de dochter van Herodias, de Prinses van Judaia. + +JOKANAÄN: Terug! Dochter van Babel! Nader niet den uitverkorene des +Heeren. Uwe moeder heeft de aarde vervuld met den wijn harer +ongerechtigheden, en de roep harer zonden is opgeklommen tot de ooren +van God. + +SALOME: Spreek voort, Jokanaän. Uw stem maakt mij dronken als wijn. + +DE JONGE SYRIËR: Prinses! Prinses! Prinses! + +SALOME: Spreek voort. Spreek voort, Jokanaän, en zeg mij wat ik moet +doen. + +JOKANAÄN: Nader mij niet, dochter van Sodom, maar bedek uw gelaat met +een sluier, en strooi asch op uw hoofd, en ga naar de woestijn en zoek +den zoon des menschen. + +SALOME: Wie is hij, de zoon des menschen? Is hij even schoon als gij, +Jokanaän? + +JOKANAÄN: Terug, terug! Ik hoor in het paleis het slaan der vleugelen +van den engel des doods. + +DE JONGE SYRIËR: Prinses, ik smeek u, ga terug naar binnen. + +JOKANAÄN: Engel des Heeren, wat doet gij hier met uw zwaard? Wien +zoekt gij in dit onrein paleis? ... De dag van hem die sterven zal in +een kleed van zilver, is nog niet gekomen. + +SALOME: Jokanaän! + +JOKANAÄN: Wie noemt mijn naam? + +SALOME: Jokanaän! Ik ben verliefd op uw lichaam. Uw lichaam is blank +als de leliën op de weide die de maaier nimmer heeft gemaaid. Uw +lichaam is blank als de sneeuw die ligt op de bergen, als de sneeuw +die ligt op de bergen van Judaia, en die nederdaalt in de valleien. De +rozen in den tuin van de koningin van Arabia zijn niet zoo blank als +uw lichaam. Noch de rozen in den tuin van de koningin van Arabia noch +de voeten van den dageraad, die trippen over de hoogste boombladeren, +noch de borsten van de maan als zij rust tegen de borsten van de zee +... daar is niets in de wereld zoo blank als uw lichaam.--Laat mij toe +uw lichaam aan te raken. + +JOKANAÄN: Terug, dochter van Babel! Door de vrouw is het kwaad in de +wereld gekomen. Spreek niet tot mij. Ik wil niet naar u hooren. Ik +hoor alleen naar de woorden van den Heere God. + +SALOME: Uw lichaam is afzichtelijk. Het is als het lichaam van een +melaatsche. Het is als een gepleisterde wand waar adders hebben +gekropen, als een gepleisterde wand waar schorpioenen hun nest hebben +gemaakt. Het is als een gewit graf dat vol is van walgelijke dingen. +Uw lichaam is afschuwelijk, het is afschuwelijk!... Op uwe haren ben +ik verliefd, Jokanaän. Uw haren zijn als trossen druiven, als de +trossen donkere druiven die afhangen van de wijnstokken van Edom in +het land der Edomieten. Uwe haren zijn als de cederen van den Libanon, +als de groote cederen van den Libanon, die schaduw geven aan de +leeuwen en aan de roovers die zich willen verschuilen voor het +daglicht. De lange donkere nachten, de nachten waarin de maan zich +niet vertoont, waarin de sterren bevreesd zijn, zijn niet zoo zwart. +De stilte die woont in de wouden, is niet zoo zwart. Er is niets in de +wereld zoo zwart als uwe haren ... Laat mij toe uwe haren aan te +raken. + +JOKANAÄN: Terug, dochter van Sodom! Raak mij niet aan. Ontwijd niet +den tempel van den Heere God. + +SALOME: Uw haren zijn afschuwelijk. Zij zijn bedekt met slijk en stof. +Zij zijn als een kroon van doornen, die zij geplaatst hebben op uw +voorhoofd. Zij zijn als een wrong zwarte slangen die kronkelen om uwen +hals. Ik bemin uwe haren niet ... Op uw mond ben ik verliefd, +Jokanaän. Uw mond is als een scharlaken band om een toren van ivoor. +Hij is als een granaatappel opengesneden met een ivoren mes. De +granaatappelbloemen die bloesemen in de tuinen van Tyros en die rooder +zijn dan de rozen, zijn niet zoo rood. De roode schetteringen der +trompetten, die de komst der koningen verkondigen en den vijand vrees +aanjagen, zijn niet zoo rood. Uw mond is rooder dan de voeten van hen +die den wijn treden in de wijnpersbakken. Hij is rooder dan de voeten +der duiven die verblijven in de tempels en gevoed worden door de +priesters. Hij is rooder dan de voeten van hem die terugkeert uit het +woud waar hij een leeuw heeft verslagen en vergulde tijgers heeft +gezien. Uw mond is als een koraaltak dien visschers gevonden hebben in +de schemering der zee en dien zij bewaren voor de koningen. Hij is als +het vermiljoen dat de Moabieten vinden in de mijnen van Moab en dat de +koningen hun afkoopen. Hij is als de boog van den koning der Perzen, +die geverfd is met vermiljoen en die hoornen heeft van koraal. Daar is +niets in de wereld zoo rood als uw mond ... Laat mij toe uw mond te +kussen. + +JOKANAÄN: Nimmer, dochter van Babel! Dochter van Sodom, nimmer! + +SALOME: Ik zal uw mond kussen, Jokanaän. Ik zal uw mond kussen. + +DE JONGE SYRIËR: Prinses, Prinses, gij die zijt als een bundel myrrhe, +gij die zijt de duif der duiven, zie dien mensch niet aan, zie hem +niet aan! Spreek niet zulke woorden tot hem. Ik kan ze niet verduren +.... Prinses, Prinses, zeg zulke dingen niet. + +SALOME: Ik zal uw mond kussen, Jokanaän. + +DE JONGE SYRIËR: O! (_Hij doodt zich en valt neêr tusschen Salome en +Jokanaän._) + +DE PAGE VAN HERODIAS: De jonge Syriër heeft zich gedood! De jonge +hoofdman heeft zich gedood! Ik had hem een doosje met reukwerk gegeven +en oorringen gewerkt in zilver, en nu heeft hij zich gedood! Heeft hij +niet voorspeld dat er een ongeluk ging gebeuren? Ik heb het zelf +voorspeld, en nu is het gebeurd. Ik wist wel dat de maan speurde naar +een doode, maar ik wist niet dat hij het was, dien zij zocht. O, +waarom heb ik hem niet verborgen voor de maan? Als ik hem verborgen +had in een spelonk, zoû zij hem niet gezien hebben. + +EERSTE SOLDAAT: Prinses, de jonge hoofdman heeft zich zooeven gedood. + +SALOME: Laat toe dat ik uw mond kus, Jokanaän. + +JOKANAÄN: Zijt gij niet bevreesd, dochter van Herodias? Heb ik u niet +gezegd dat ik in het paleis gehoord had het slaan der vleugelen van +den engel des doods, en is niet de engel gekomen? + +SALOME: Laat mij uwen mond kussen. + +JOKANAÄN: Dochter van echtbreuk, er is slechts éen mensch die u redden +kan: hij van wien ik u gesproken heb. Ga hem zoeken. Hij bevindt zich +in een schip op de zee van Galilaia en spreekt tot zijne discipelen. +Kniel neder aan den zoom der zee en roep hem bij zijn naam. Als hij +tot u komt, en hij komt tot allen die hem roepen, buig u ter aarde aan +zijne voeten en vraag hem vergeving uwer zonden. + +SALOME: Laat mij uwen mond kussen. + +JOKANAÄN: Wees vervloekt, dochter eener overspelige moeder, wees +vervloekt. + +SALOME: Ik zal uwen mond kussen, Jokanaän. + +JOKANAÄN: Ik wil u niet aanzien. Ik zal u niet aanzien. Gij zijt +vervloekt, Salome, gij zijt vervloekt. (_Hij daalt af in den +waterput._) + +SALOME: Ik zal uwen mond kussen, Jokanaän, ik zal uwen mond kussen. + +EERSTE SOLDAAT: Wij moeten het doode lichaam laten wegbrengen. De +Tetrarch ziet niet gaarne lijken behalve de lijken van hen die hij +zelf gedood heeft. + +DE PAGE VAN HERODIAS: Hij was mijn broeder, hij was mij nader dan een +broeder. Ik heb hem een doosje gegeven, dat reukwerk bevatte, en een +agaten ring dien hij altijd aan zijn vinger droeg. Des avonds +plachten wij te wandelen aan den oever der rivier en tusschen de +amandelboomen. Dan verhaalde hij mij van zijn land. Hij sprak altijd +zeer zacht. De klank van zijn stem was als de klank van de fluit eens +fluitspelers. Ook hield hij er veel van naar zich-zelf te zien in de +rivier. Ik heb hem daar nog verwijt van gemaakt. + +TWEEDE SOLDAAT: Gij hebt gelijk. Wij moeten het lijk verbergen. Het is +beter dat de Tetrarch het niet ziet. + +EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch zal hier niet komen. Hij komt nooit op het +terras. Hij is te bevreesd voor den profeet. + +(_Herodes en Herodias komen op met hun gevolg._) + +HERODES: Waar is Salome? Waar is de Prinses? Waarom is zij niet +teruggekeerd aan het feestmaal zooals ik haar bevolen had?--O, daar is +zij. + +HERODIAS: Gij moet haar niet aanzien. Gij ziet haar voortdurend aan! + +HERODES: De maan ziet zeer vreemd vanavond. Ziet de maan niet zeer +vreemd? Zij is als een liefdeskranke vrouw, een liefdeskranke vrouw +die overal naar minnaars omzoekt. Ook is zij naakt. Zij is geheel +naakt. De wolken trachten haar te bekleeden, maar zij wil niet. Zij +waggelt door de wolken als een beschonken vrouw. Ik weet zeker dat zij +naar minnaars zoekt. Waggelt zij niet als een beschonken vrouw? Zij +gelijkt op een liefdeskranke vrouw, niet-waar? + +HERODIAS: Wel neen. De maan lijkt op de maan en op niets anders. Laten +wij weêr naar binnen gaan... Gij hebt hier niets te maken. + +HERODES: Ik blijf hier! Manasse, spreid tapijten daar. Steekt fakkels +aan. Brengt de tafelen van jaspis. De lucht is hier kostelijk. Brengt +anderen wijn. Ik wil nog drinken met mijne gasten. Aan de gezanten van +Caesar moeten wij alle eer bewijzen. + +HERODIAS: Niet ter wille van hen blijft gij hier. + +HERODES: Ja, de lucht is kostelijk. Kom, Herodias, onze gasten wachten +ons. Wee, mijn voet is uitgegleden! Mijn voet is uitgegleden in bloed! +Een slecht voorteeken. Een zeer slecht voorteeken. Hoe komt hier +bloed?... En dit lijk? Wat doet dit lijk hier? Denkt gij dat ik ben +als de koning van Aigypte, die nooit een feest geeft zonder een lijk +te vertoonen aan zijne gasten? Wiens lijk is dit? Ik wil er niet naar +zien. + +EERSTE SOLDAAT: Het is onze hoofdman, Heer. Het is de jonge Syriër, +dien gij pas vóor drie dagen hoofdman gemaakt hebt. + +HERODES: Ik heb geen bevel gegeven om hem te dooden. + +TWEEDE SOLDAAT: Hij heeft zich-zelf gedood, Heer. + +HERODES: Om wat reden? Ik had hem hoofdman gemaakt. + +TWEEDE SOLDAAT: Wij weten niet, Heer. Maar hij heeft zich-zelf gedood. + +HERODES: Dat lijkt mij zonderling. Ik dacht dat alleen Romeinsche +wijsgeeren zich-zelf doodden. Niet-waar, Tigellinus, de wijsgeeren te +Rome dooden zich-zelf? + +TIGELLINUS: Er zijn er die zich dooden, Heer. Dat zijn de Stoïcijnen. +Het zijn erg onbeschaafde menschen. Het zijn zeer belachelijke +menschen. Ik voor mij vind hen zeer belachelijk. + +HERODES: Ik ook. Het is belachelijk zich te dooden. + +TIGELLINUS: Iedereen te Rome spot met hen. De Keizer heeft een satire +tegen hen geschreven, die overal wordt gedeclameerd. + +HERODES: Heeft de Keizer een satire tegen hen geschreven? Caesar is +wonderbaarlijk. Daar is niets wat hij niet kan... Het is zonderling +dat de jonge Syriër zich heeft gedood. Ik betreur dat dit geschied +is. Ik betreur het zeer. Want hij was schoon om te zien. Hij was zelfs +zeer schoon. Hij had zeer smachtende oogen. Ik herinner mij hoe ik hem +smachtend heb zien kijken naar Salome. In waarheid, ik vond toen dat +hij een weinig te veel naar haar zag. + +HERODIAS: Daar zijn anderen die te veel naar haar zien. + +HERODES: Zijn vader was een koning. Ik heb hem uit zijn koninkrijk +verdreven. En van zijn moeder, die een koningin was, hebt gij eene +slavin gemaakt, Herodias. Dus was hij hier als het ware mijn gast. +Daarom had ik hem hoofdman gemaakt. Ik betreur het dat hij dood is... +Maar waarom hebt gij het lijk hier gelaten? Brengt het weg van hier. +Ik wil het niet zien.... Brengt het weg.... (_Men draagt het lijk +weg._) Het is koud hier. Er is wind hier. Niet-waar, er is wind? + +HERODIAS: Neen. Er is geen wind. + +HERODES: Zeker, er is wind... En ik hoor in de lucht als het slaan van +vleugelen, als het slaan van reusachtige vleugelen. Hoort gij niet? + +HERODIAS: Ik hoor niets. + +HERODES: Nu hoor ik het zelf ook niet meer. Maar ik heb het gehoord. +Het was ongetwijfeld de wind. Nu is het voorbij. Maar neen, ik hoor +het weêr. Hoort gij niet? Het is volkomen als het slaan van vleugelen. + +HERODIAS: Ik zeg u dat er niets is. Gij zijt onwel. Laten wij naar +binnen gaan. + +HERODES: Ik ben heel wel. Uw dochter is veeleer onwel. Nooit heb ik +haar zoo bleek gezien. + +HERODIAS: Gij moet haar niet aanzien, zeg ik u. + +HERODES: Geeft mij wijn. (_Men brengt wijn._) Salome, kom en drink een +weinig wijn met mij. Ik heb hier een uitgelezen wijn. Caesar zelf +heeft hem mij gezonden. Doop er uw roode lipjes in, en dan zal ik den +beker ledigen. + +SALOME: Ik ben niet dorstig, Tetrarch. + +HERODES: Hoort gij hoe uw dochter mij antwoordt? + +HERODIAS: Ik vind dat zij groot gelijk heeft. Waarom ziet gij haar +voortdurend aan? + +HERODES: Brengt mij vruchten. (_Men brengt vruchten._) Salome, kom en +eet een vrucht met mij. Ik zie gaarne den beet uwer tandjes in een +vrucht. Bijt een klein stukje uit deze vrucht, en dan zal ik eten wat +overschiet. + +SALOME: Ik ben niet hongerig, Tetrarch. + +HERODES: Gij ziet hoe gij uw dochter hebt opgevoed. + +HERODIAS: Mijn dochter en ik stammen uit een koninklijk geslacht. Maar +uw grootvader hoedde kameelen! Ook was hij een roover! + +HERODES: Gij liegt! + +HERODIAS: Gij weet zeer wel dat ik de waarheid spreek. + +HERODES: Salome, kom hier naast mij zitten. Ik zal u den troon uwer +moeder geven. + +SALOME: Ik ben niet vermoeid, Tetrarch. + +HERODIAS: Gij ziet hoe zij over u denkt. + +HERODES: Brengt mij... Wat wil ik ook weêr? Ik weet het niet... O, ik +herinner mij... + +DE STEM VAN JOKANAÄN: De tijd is gekomen! Wat ik voorzegd heb, is +geschied, zegt de Heere God. De dag waarvan ik gesproken heb, is +gekomen. + +HERODIAS: Beveel hem te zwijgen. Ik wil zijn stem niet hooren. Deze +mensch braakt altijd smaadredenen tegen mij uit. + +HERODES: Hij heeft niets tegen u gezegd. Bovendien is hij een zeer +groot profeet. + +HERODIAS: Ik geloof niet aan profeten. Kan een mensch zeggen, wat in +de toekomst zal gebeuren? Niemand weet dat. Bovendien hoont hij mij +altijd. Maar ik geloof dat gij bevreesd voor hem zijt. Ik weet zeer +wel dat gij bevreesd voor hem zijt. + +HERODES: Ik ben niet bevreesd voor hem. Daar is niemand voor wien ik +bevreesd ben. + +HERODIAS: Het is zoo, gij zijt bevreesd voor hem. Indien gij niet +bevreesd voor hem waart, waarom levert gij hem niet over aan de Joden +die al zes maanden lang hem opeischen? + +EEN JOOD: Inderdaad, Heer, het zoû beter zijn hem aan ons over te +leveren. + +HERODES: Genoeg hierover. Ik heb u reeds mijn antwoord gegeven. Ik wil +hem niet aan u overleveren. Hij is een man die God heeft gezien. + +EERSTE JOOD: Dat is onmogelijk. Niemand heeft God gezien sinds den +profeet Elias. Hij is de laatste die God gezien heeft. In dezen tijd +verschijnt God niet meer. God verbergt zich. Dientengevolge komen +groote rampen over ons land. + +ANDERE JOOD: Eigenlijk weet men niet of de profeet Elias werkelijk God +gezien heeft. Het was veeleer maar de schaduw van God, die hij gezien +heeft. + +DERDE JOOD: God verbergt zich nooit. Hij verschijnt voortdurend en in +alle dingen. God is in het booze als in het goede. + +VIERDE JOOD: Zeg dat niet. Het is een zeer gevaarlijke leer. Het is +een leer die komt uit de scholen van Alexandria, waar men Grieksche +wijsbegeerte onderwijst. En de Grieken zijn heidenen. Zij zijn zelfs +niet besneden. + +VIJFDE JOOD: Men kan niet zeggen hoe God werkt; zijn wegen zijn zeer +geheimzinnig. Mogelijk is wat wij het booze noemen, het goede, en wat +wij het goede noemen, het booze. Daar is niets dat men zeker weet. +Wij moeten ons noodzakelijk aan alles onderwerpen. God is zeer +geweldig. Hij breekt de sterken tezamen met de zwakken. Hij kent geen +aanzien des persoons. + +EERSTE JOOD: Dat is waar. God is schrikkelijk. Hij breekt de zwakken +en de sterken zooals een man koren breekt in een mortier. Maar deze +mensch heeft God nooit gezien. Niemand heeft God gezien sinds den +profeet Elias. + +HERODIAS: Gebied hun te zwijgen. Zij vervelen mij. + +HERODES: Maar ik heb hooren zeggen dat Jokanaän niemand anders is dan +uw profeet Elias. + +EERSTE JOOD: Dat is niet mogelijk. Sinds de dagen van den profeet +Elias zijn drie honderd jaren. + +HERODES: Er zijn er die zeggen dat hij de profeet Elias is. + +EEN NAZAREËR: Ik weet zeker dat hij de profeet Elias is. + +EERSTE JOOD: Neen, hij is de profeet Elias niet. + +DE STEM VAN JOKANAÄN: De dag is gekomen, de dag des Heeren, en ik hoor +op de bergen de voeten van hem die de Heiland der wereld wezen zal. + +HERODES: Wat beteekent dat? De Heiland der wereld? + +TIGELLINUS: Het is een titel dien Caesar zich geeft. + +HERODES: Maar Caesar komt niet naar Judaia. Ik heb gisteren brieven +uit Rome ontvangen. Er stond niets daarvan in. En gij, Tigellinus, die +gedurende den winter te Rome zijt geweest, gij hebt daarvan niets +hooren verluiden, niet-waar? + +TIGELLINUS: Inderdaad, Heer, ik heb er niet van hooren spreken. Ik +verklaarde u enkel den titel. Het is een van Caesars titels. + +HERODES: Caesar zoû niet kunnen komen. Hij is jichtig. Hij heeft, zegt +men, voeten als die van een elephant. Ook zijn er staatsbelangen die +het beletten. Hij die Rome verlaat, verliest Rome. Hij zal niet komen. +Toch, Caesar is meester. Hij zal komen als hij wil. Maar ik denk niet +dat hij komen zal. + +EERSTE NAZAREËR: Niet van Caesar heeft de profeet gesproken, Heer. + +HERODES: Niet van Caesar? + +EERSTE NAZAREËR: Neen, Heer. + +HERODES: Van wien heeft hij dan gesproken? + +EERSTE NAZAREËR: Van den Messias die gekomen is. + +EERSTE JOOD: De Messias is niet gekomen. + +EERSTE NAZAREËR: Hij is gekomen, en hij doet overal wonderen. + +HERODIAS: Ha! ha! Wonderen! Ik geloof niet aan wonderen. Ik heb er te +veel gezien. (_Tot den page:_) Mijn waaier. + +EERSTE NAZAREËR: Deze mensch doet waarachtige wonderen. Zoo bij +gelegenheid van een huwelijk dat plaats vond in een vlek van Galilaia, +een vrij groot vlek, heeft hij water in wijn veranderd. Menschen die +er bij waren, hebben het mij verteld. Ook heeft hij twee melaatschen +die zaten voor de poort van Capernaüm, genezen enkel door hen aan te +raken.. + +TWEEDE NAZAREËR: Neen, het waren twee blinden die hij genezen heeft te +Capernaüm. + +EERSTE NAZAREËR: Neen, het waren melaatschen. Maar hij heeft ook +blinden genezen, en men heeft hem op een berg zien spreken met +engelen. + +EEN SADDUCEËR: Engelen bestaan niet. + +EEN FARIZEËR: Er bestaan wel engelen, maar ik geloof niet dat deze +mensch met hen gesproken heeft. + +EERSTE NAZAREËR: Een groote schare heeft hem met engelen zien spreken. + +EEN SADDUCEËR: Niet met engelen. + +HERODIAS: Hoe deze menschen mij ergeren! Zij zijn stompzinnig. Zij +zijn volslagen stompzinnig. (_Tot den page:_) Hier, mijn waaier. (_De +page geeft haar den waaier._) Gij staat te droomen. Gij doet beter +niet te droomen. Het is ziekelijk om te staan droomen. (_Zij slaat den +page met haar waaier._) + +TWEEDE NAZAREËR: Ook is er nog het wonder met het dochtertje van +Jaïrus. + +EERSTE NAZAREËR: Zeker. Dat staat vast. Men kan het niet ontkennen. + +HERODIAS: Die menschen zijn krankzinnig. Zij hebben zich aan de maan +vergaapt. Zeg hun dat zij zwijgen. + +HERODES: Wat is dat, het wonder met het dochtertje van Jaïrus? + +EERSTE NAZAREËR: Het dochtertje van Jaïrus was dood. Hij heeft haar +opgewekt. + +HERODES: Hij wekt de dooden op? + +EERSTE NAZAREËR: Ja, Heer, hij wekt de dooden op. + +HERODES: Ik wil niet dat hij dat doet. Ik verbied hem dat te doen. Ik +sta niemand toe de dooden op te wekken. Zoekt dezen mensch op en zegt +hem dat ik hem niet toesta de dooden op te wekken. Waar is deze mensch +op het oogenblik? + +TWEEDE NAZAREËR: Hij is overal, Heer, maar het is zeer moeilijk hem te +vinden. + +EERSTE NAZAREËR: Men zegt dat hij op het oogenblik in Samaria is. + +EERSTE JOOD: Men ziet licht dat deze de Messias niet is, wanneer hij +in Samaria is. Tot de Samaritanen zal de Messias niet komen. De +Samaritanen zijn vervloekt. Zij offeren niet in den tempel. + +TWEEDE NAZAREËR: Hij heeft vóor enkele dagen Samaria verlaten. Ik +geloof dat hij op dit oogenblik in de omstreken van Jerusalem is. + +EERSTE NAZAREËR: Neen, daar is hij niet. Ik kom juist terug van +Jerusalem. Men heeft daar in twee maanden niets van hem gehoord. + +HERODES: Het komt er niet op aan! Maar zorgt dat gij hem uitvindt, en +zegt hem uit mijn naam dat ik hem niet toesta de dooden op te wekken. +Water in wijn veranderen, de melaatschen en de blinden genezen,--dat +alles mag hij doen als hij wil. Ik heb daar niets tegen. In waarheid +vind ik dat de melaatschen genezen een goed werk is. Maar ik sta hem +niet toe de dooden op te wekken... Het zoû schrikkelijk zijn als de +dooden terugkwamen. + +DE STEM VAN JOKANAÄN: Wee de onkuische, de overspelige vrouw! Wee de +dochter van Babel met haar gouden oogen en haar vergulde oogleden. +Hoort wat de Heere God zegt. Laat tegen haar opkomen een menigte +mannen. Laat het volk steenen opnemen en haar steenigen... + +HERODIAS: Gebied hem te zwijgen. + +DE STEM VAN JOKANAÄN: Dat de hoofdlieden der krijgsbenden haar +doorsteken met hunne zwaarden, dat zij haar verpletteren onder hunne +schilden. + +HERODIAS: Neen maar het is schandelijk! + +DE STEM VAN JOKANAÄN: Zoo zal ik de boosheid wegdoen van het +aangezicht der aarde, en alle vrouwen zullen leeren hare verfoeiselen +niet na te volgen. + +HERODIAS: Hoort gij wat hij tegen mij zegt? Laat gij uwe gemalin +honen? + +HERODES: Hij heeft uw naam niet genoemd. + +HERODIAS: Wat doet dat? Gij weet wel dat hij mij zoekt te honen. En ik +ben uw gemalin, niet-waar? + +HERODES: Voorzeker, waarde en edele Herodias, gij zijt mijn gemalin, +en voordien waart gij de gemalin van mijn broeder. + +HERODIAS: Gij hebt mij uit zijn armen weggerukt. + +HERODES: Het is waar, ik was de sterkste... maar laten wij daarover +niet spreken. Ik wil daarover niet spreken. Om oorzaak daarvan heeft +de profeet woorden van verschrikking gesproken. Om oorzaak daarvan zal +er nog een ongeluk gebeuren. Laten wij er niet over spreken... Edele +Herodias, wij vergeten onze gasten. Vul mijn beker, mijn beminde. Vult +met wijn de groote zilveren bekers en de groote glazen bekers. Ik wil +drinken op Caesar. Er zijn Romeinen hier, en wij moeten drinken op +Caesar. + +ALLEN: Caesar! Caesar! + +HERODES: Merkt gij niet op hoe bleek uw dochter is? + +HERODIAS: Wat hebt gij daarmeê van-doen of zij bleek is of niet? + +HERODES: Ik heb haar nooit zoo bleek gezien. + +HERODIAS: Gij doet beter haar niet aan te zien. + +DE STEM VAN JOKANAÄN: In dien dag zal de zon zwart worden als een +haren zak, en de maan zal worden als bloed, en de sterren zullen van +den hemel neêrvallen op de aarde als onrijpe vijgen afvallen van een +vijgeboom, en de koningen der aarde zullen bevreesd zijn. + +HERODIAS: Ha! Ha! Dien dag zoû ik wel eens willen zien, waarvan hij +spreekt, wanneer de maan zal worden als bloed en de sterren op de +aarde zullen vallen als onrijpe vijgen. Deze profeet spreekt als een +beschonken man... Maar ik kan den klank van zijn stem niet uitstaan. +Ik verfoei zijn stem. Gebied dat hij zwijge. + +HERODES: Neen, neen. Ik begrijp niet wat hij gezegd heeft, maar het is +mogelijk een voorspelling. + +HERODIAS: Ik geloof niet in voorspellingen. Hij spreekt als een +dronken man. + +HERODES: Misschien is hij dronken van den wijn van God. + +HERODIAS: Wat wijn is dat, de wijn van God? Uit welken wijngaard komt +hij? In welken wijnpersbak kan men hem vinden? + +HERODES: (_Hij laat geen oog meer af van Salome._) Tigellinus, toen +gij laatstelijk te Rome waart, heeft de Keizer u toen gesproken +over...? + +TIGELLINUS: Waarover, Heer? + +HERODES: Waarover? Ah, ik heb een vraag tot u gericht, niet-waar? Ik +ben vergeten wat ik wilde vragen. + +HERODIAS: Gij ziet weêr mijn dochter aan. Gij moet haar niet aanzien. +Dat heb ik u reeds gezegd. + +HERODES: Gij zegt niets anders. + +HERODIAS: Ik zeg het nog eens. + +HERODES: En de herstelling van den tempel, waarvan men zooveel +gesproken heeft? Zal daar nu iets voor gedaan worden? Men zegt, +niet-waar, dat het voorhangsel van het heilige der heiligen verdwenen +is? + +HERODIAS: Gij zelf hebt het weggenomen. Gij weet niet meer wat gij +zegt. Ik wil hier niet langer blijven. Laten wij naar binnen gaan. + +HERODES: Salome, dans voor mij. + +HERODIAS: Ik wil niet dat zij danst. + +SALOME: Ik heb geen lust tot dansen, Tetrarch. + +HERODES: Salome, dochter van Herodias, dans voor mij. + +HERODIAS: Laat haar met rust. + +HERODES: Ik gelast u te dansen, Salome. + +SALOME: Ik zal niet dansen, Tetrarch. + +HERODIAS (_lachend_): Gij ziet hoe gehoorzaam zij u is. + +HERODES: Het is mij om 't even of zij danst of niet. Het is mij om 't +even. Ik voel mij gelukkig vanavond. Ik voel mij zeer gelukkig. Ik heb +mij nooit zoo gelukkig gevoeld. + +EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch ziet somber. Niet-waar, hij ziet somber? + +TWEEDE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber. + +HERODES: Hoe zoû ik mij niet gelukkig voelen? Caesar die de meester +der wereld is, die meester van alles is, is mij zeer genegen. Hij +heeft mij pas geschenken van groote waarde gezonden. Ook heeft hij mij +beloofd naar Rome te dagen den koning van Kappadokia, die mijn vijand +is. Mogelijk zal hij hem te Rome kruisigen. Caesar kan alles doen wat +hij wil. Hij is heer en meester. Dus, gij ziet, ik heb het recht mij +gelukkig te voelen. Er is niets ter wereld dat mijn vreugde bederven +kan. + +DE STEM VAN JOKANAÄN: Hij zal gezeten zijn op zijn troon. Hij zal +bekleed zijn met purper en scharlaken. In zijne hand zal hij een +gouden beker dragen vol van zijne godslasteringen. En de engel des +Heeren zal hem slaan. Hij zal door de wormen gegeten worden. + +HERODIAS: Gij hoort wat hij van u zegt. Hij zegt dat gij door de +wormen zult gegeten worden. + +HERODES: Hij spreekt niet van mij. Hij zegt nooit iets tegen mij. Van +den koning van Kappadokia spreekt hij, van den koning van Kappadokia, +die mijn vijand is. Die zal door de wormen gegeten worden. Niet ik. +Nooit heeft de profeet iets tegen mij gezegd behalve dat ik verkeerd +deed de gemalin van mijn broeder tot gemalin te nemen. Mogelijk heeft +hij gelijk. Inderdaad zijt gij onvruchtbaar. + +HERODIAS: Ik ben onvruchtbaar, ik? En gij zegt dat, gij die +voortdurend mijn dochter aanziet, gij die haar zooeven hebt willen +doen dansen voor uw genoegen? Het is belachelijk zoo iets te zeggen. +Ik heb een kind gebaard. Gij hebt nooit een kind verwekt, zelfs niet +bij een uwer slavinnen. Niet ik ben onvruchtbaar, maar gij. + +HERODES: Houd u stil. Ik zeg u dat gij onvruchtbaar zijt. Gij hebt mij +geen kind geschonken, en de profeet zegt dat ons huwelijk geen +waarachtig huwelijk is. Hij zegt dat het een overspelig huwelijk is, +dat ongeluk zal aanbrengen ... Ik vrees dat hij gelijk heeft. Ik voel +dat hij gelijk heeft. Maar het is nu het oogenblik niet om daarover te +spreken. Op het oogenblik wil ik uitsluitend gelukkig zijn. In +waarheid ben ik het. Ik ben zeer gelukkig. Er is niets dat mij +ontbreekt. + +HERODIAS: Ik ben blijde dat gij in zoo goede stemming zijt vanavond. +Het is uw gewoonte niet. Maar het wordt laat. Laten wij naar binnen +gaan. Bedenk dat wij morgen bij zonsopgang allen op jacht gaan. Aan de +gezanten van Caesar moeten wij alle eer bewijzen, niet-waar? + +TWEEDE SOLDAAT: Hoe somber ziet de Tetrarch. + +EERSTE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber. + +HERODES: Salome, Salome, dans voor mij. Ik smeek u, dans voor mij. Ik +ben droefgestemd vanavond. Ja, ik ben buitengewoon droefgestemd +vanavond. Toen ik hier kwam, ben ik uitgegleden in bloed, wat een +slecht voorteeken is, en ik heb gehoord, ik weet zeker dat ik gehoord +heb het slaan van vleugelen in de lucht, het slaan van reusachtige +vleugelen. Ik weet niet wat dat beteekenen moet. Ik ben droefgestemd +vanavond. Daarom dans voor mij. Dans voor mij, Salome, ik smeek er u +om. Als gij voor mij danst, kunt gij mij vragen wat gij wilt en ik zal +het u geven. O dans voor mij, Salome, en ik zal u geven alles wat gij +mij vraagt, zelfs tot de helft van mijn koninkrijk. + +SALOME (_staat op_): Gij zult mij geven al wat ik vraag, Tetrarch? + +HERODIAS: Dans niet, mijne dochter. + +HERODES: Alles, tot de helft van mijn koninkrijk. + +SALOME: Gij zweert het, Tetrarch? + +HERODES: Ik zweer het, Salome. + +HERODIAS: Mijn dochter, dans niet. + +SALOME: Waarbij zweert gij, Tetrarch? + +HERODES: Bij mijn leven, bij mijn kroon, bij mijne goden. Al wat gij +wilt zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk, als gij voor +mij danst. O, Salome, dans voor mij. + +SALOME: Gij hebt gezworen, Tetrarch. + +HERODES: Ik heb gezworen, Salome. + +SALOME: Alles wat ik vraag, tot de helft van uw koninkrijk? + +HERODIAS: Dans niet, mijne dochter. + +HERODES: Tot de helft van mijn koninkrijk. Gij zoudt bovenmate schoon +zijn als koningin, Salome, indien het u behaagde de helft van mijn +koninkrijk te vragen. Zoû zij niet bovenmate schoon zijn als +koningin?... O, het is koud hier, daar is een ijskoude wind, en ik +hoor... Waarom hoor ik in de lucht dat slaan van vleugelen? Het is +alsof er een vogel, een groote zwarte vogel is, die omvliegt boven het +terras. Waarom kan ik dien vogel niet zien? Het slaan zijner vleugelen +is verschrikkelijk. De wind dien zijn vleugelen maken, is +verschrikkelijk. Het is een kille wind ... Neen, het is volstrekt niet +koud. Integendeel, het is zeer warm. Het is te warm. Ik ben benauwd. +Schenkt water op mijn handen. Geeft mij sneeuw te eten. Maakt mijn +mantel los. Snel, snel, maakt mijn mantel los ... Neen. Laat wezen. +Het is mijn krans die mij hindert, mijn krans van rozen. De bloemen +zijn als vuur. Zij nebben mijn voorhoofd verschroeid. (_Hij rukt zich +den krans van het hoofd en werpt hem neêr op de tafel._) Ah, ik kom +weêr op adem. Hoe rood zijn die bloembladen! Zij zijn als vlekken +bloed op het tafellaken. Het is van geen belang. Men moet geen +zinnebeelden vinden in al wat men ziet. Dat maakt het leven +onmogelijk. Men doet beter te zeggen dat bloedvlekken even schoon zijn +als rozebladen. Dat zoû veel beter zijn... Maar laten wij daarvan niet +spreken. Nu voel ik mij gelukkig. Ik voel mij zeer gelukkig. Ik heb +het recht mij gelukkig te voelen, niet-waar? Uw dochter gaat voor mij +dansen. Niet-waar, gij gaat voor mij dansen, Salome? Gij hebt beloofd +voor mij te dansen. + +HERODIAS: Ik wil niet dat zij danst. + +SALOME: Ik zal dansen voor u, Tetrarch. + +HERODES: Gij hoort wat uw dochter zegt. Zij zal voor mij dansen. Gij +hebt groot gelijk, Salome, dat gij voor mij danst. En wanneer gij hebt +gedanst, vergeet niet te vragen al wat gij wilt. Al wat gij wilt zal +ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk. Ik heb het gezworen, +niet-waar? + +SALOME: Gij hebt gezworen, Tetrarch. + +HERODES: En ik heb nooit mijn woord gebroken. Ik behoor niet tot hen +die hun woord breken. Ik weet niet wat liegen is. Ik ben de slaaf van +mijn woord, en mijn woord is het woord eens konings. De koning van +Kappadokia liegt altijd, maar hij is geen waarachtig koning. Hij is +een lafaard. Ook is hij mij geld schuldig, dat hij mij niet wil +terugbetalen. Hij heeft zelfs mijn afgezanten gehoond. Hij heeft +beleedigende woorden gezegd. Maar Caesar zal hem kruisigen wanneer hij +te Rome komt. Ik weet zeker dat Caesar hem zal kruisigen. Of anders +zal hij sterven gegeten door de wormen. De profeet heeft het voorspeld +... Nu, Salome, waarop wacht gij? + +SALOME: Ik wacht dat mijn slavinnen mij reukwateren brengen en de +zeven sluiers, en mijne sandalen ontbinden. (_Slavinnen brengen +reukwateren en de zeven sluiers en ontbinden de sandalen van Salome._) + +HERODES: Ha, gij gaat dansen op bloote voeten! Dat is goed! Dat is +goed! Uw voetjes zullen als witte duiven zijn. Zij zullen gelijken op +kleine witte bloemen die wiegen op den boom ... Maar neen. Zij gaat +dansen in bloed. Daar ligt bloed op den grond. Ik wil niet dat zij +danst in bloed. Het zoû een zeer slecht voorteeken zijn. + +HERODIAS: Wat gaat dat u aan of zij danst in bloed? Gij hebt wel in +bloed gewaad ... + +HERODES: Wat doet dat er toe voor mij? O zie de maan! Zij is +plotseling rood geworden. Zij is zoo rood geworden als bloed. O de +profeet heeft het wel voorspeld. Hij heeft voorspeld dat de maan rood +zoû worden als bloed. Niet-waar, hij heeft het voorspeld? Gij allen +hebt het gehoord. De maan is rood geworden als bloed. Ziet gij niet? + +HERODIAS: O ja, ik zie het zeer wel, en de sterren vallen als onrijpe +vijgen, niet-waar? En de zon wordt zwart als een haren zak, en de +koningen der aarde zijn bevreesd. Dat tenminste kan men zien. Voor +eenmaal in zijn leven heeft de profeet de waarheid gezegd. De koningen +der aarde zijn bevreesd ... Laten wij nu naar binnen gaan. Gij zijt +ziek. Men zal te Rome vertellen dat gij waanzinnig zijt. Laten wij +naar binnen gaan, zeg ik. + +DE STEM VAN JOKANAÄN: Wie is deze die komt van Edom, die komt van +Bozra met zijn kleed geverfd in purper; die straalt in de schoonheid +van zijn gewaad, die voorttrekt in zijn groote kracht? Waarom is uw +gewaad geverfd in scharlaken? + +HERODIAS: Laten wij naar binnen gaan. De stem van dezen mensch is mij +ondragelijk. Ik wil niet dat mijn dochter danst terwijl hij telkens +zoo roept. Ik wil niet dat zij danst terwijl gij haar op deze wijze +aanziet. In éen woord, ik wil niet dat zij danst. + +HERODES: Rijs niet op, mijn gemalin, mijn koningin, het zoû niet +baten. Ik zal niet naar binnen gaan vóor zij gedanst heeft. Dans, +Salome, dans voor mij. + +HERODIAS: Dans niet, mijne dochter. + +SALOME: Ik ben gereed, Tetrarch. (_Salome danst den dans der zeven +sluiers._) + +HERODES: Wonder, wonderschoon! Gij ziet, uw dochter heeft gedanst voor +mij. Kom nader, Salome, kom nader en ik zal u uw loon geven. O, ik +betaal mijne danseressen goed. U zal ik goed betalen. Ik zal u geven +al wat gij wilt. Wat wilt gij, zeg het mij? + +SALOME (_knielt neder_): Ik wil dat men mij terstond hier brengt op +een zilveren schotel ... + +HERODES (_lachend_): Op een zilveren schotel? Zeker, zeker, op een +zilveren schotel. Zij is allerbekoorlijkst, niet-waar? Wat wilt gij +dat men u brengt op een zilveren schotel, lieve en schoone Salome, gij +die de schoonste zijt van al de dochteren van Judaia? Wat wilt gij dat +men u brengen zal op een zilveren schotel? Zeg het mij. Wat het ook +moge zijn, men zal het u geven. Mijn schatten behooren u. Wat wilt +gij, Salome? + +SALOME (_rijst op_): Het hoofd van Jokanaän. + +HERODIAS: Ah! dat is wel gezegd, mijne dochter. + +HERODES: Neen, neen! + +HERODIAS: Wel gezegd, mijne dochter. + +HERODES: Neen, neen, Salome. Dat vraagt gij mij niet. Luister niet +naar uwe moeder. Zij geeft u altijd verkeerden raad. Gij moet niet +naar haar luisteren. + +SALOME: Ik luister niet naar mijn moeder. Voor mijn eigen genoegen +vraag ik het hoofd van Jokanaän op een zilveren schotel. Gij hebt +gezworen, Herodes. Vergeet niet dat gij gezworen hebt. + +HERODES: Ik weet wel. Ik heb gezworen bij mijne goden. Ik weet het +zeer wel. Maar ik smeek u, Salome, mij een ander ding te vragen. Vraag +mij mijn halve koninkrijk, en ik zal het u geven. Maar vraag mij niet +wat gij hebt gevraagd. + +SALOME: Ik vraag u het hoofd van Jokanaän. + +HERODES: Neen, neen. Ik wil niet. + +SALOME: Gij hebt gezworen, Herodes. + +HERODIAS: Ja, gij hebt gezworen. Iedereen heeft u hooren zweren. Gij +hebt gezworen in 't openbaar. + +HERODES: Houd u stil. Tot u spreek ik niet. + +HERODIAS: Mijn dochter heeft wel gedaan u het hoofd van dezen mensch +te vragen. Hij heeft niet opgehouden mij te smaden. Hij zegt +afgrijselijke dingen tegen mij. Men ziet dat zij veel houdt van hare +moeder. Geef niet toe, mijne dochter. Hij heeft gezworen, hij heeft +gezworen. + +HERODES: Houd u stil. Spreek niet tot mij ... Kom, Salome, luister +naar rede. Niet-waar, men moet altijd naar rede luisteren? Ik ben +nooit hard voor u geweest. Ik heb altijd veel van u gehouden. Mogelijk +heb ik te veel van u gehouden. Daarom vraag mij dat niet. Het is +afgrijselijk, het is afschuwelijk mij dat te vragen. Ook geloof ik +eigenlijk niet dat gij in ernst zijt. Het hoofd van een onthalsden man +is weêrzinwekkend om te zien, niet-waar? Het is geen ding dat een +maagd behoort aan te zien. Welk genoegen kan dat u geven? Geen enkel. +Neen, neen, gij kunt dat niet willen ... Luister een oogenblik naar +mij. Ik heb een smaragd, een grooten ronden smaragd, dien de +gunsteling van Caesar mij gezonden heeft. Als gij door dezen smaragd +kijkt, kunt gij dingen zien, die op grooten afstand gebeuren. Caesar +heeft een volmaakt gelijken smaragd bij zich wanneer hij naar den +circus gaat. Maar de mijne is grooter. Het is de grootste smaragd ter +wereld. Dien wilt gij hebben, niet-waar? Vraag mij dien, en ik zal hem +u geven. + +SALOME: Ik vraag het hoofd van Jokanaän. + +HERODES: Gij luistert niet naar mij, gij luistert niet. Laat mij dan +toch spreken, Salome. + +SALOME: Het hoofd van Jokanaän. + +HERODES: Neen, neen, dat wilt gij niet. Gij zegt dat enkel om mij een +oogenblik leed te doen, omdat ik u den geheelen avond heb aangezien. +Dat is zoo, ik beken het. Ik heb u den geheelen avond aangezien. Uw +schoonheid heeft mij ontroerd. Uw schoonheid heeft mij schrikkelijk +ontroerd en ik heb u te veel aangezien. Maar ik zal het niet meer +doen. Men moet noch de menschen noch de dingen aanzien. Men moet enkel +zien in spiegels. Want spiegels toonen ons slechts maskers... Geeft +mij wijn! ik heb dorst... Salome, Salome, laten wij goede vrienden +zijn. Zie eens hier ... Wat wilde ik zeggen? Wat was het ook weêr? Ah, +ik herinner mij! ... Salome! Neen, kom dichter bij. Ik ben bevreesd +dat gij mij weêr niet verstaan zult ... Salome, gij kent mijn witte +pauwen, mijn mooie witte pauwen die wandelen in den tuin tusschen de +myrten en de hooge cypressen. Hun bekken zijn verguld, en de korrels +die zij eten, zijn ook verguld, en hun voeten zijn geverfd met purper. +Als zij roepen, komt de regen, en als zij pronken, vertoont de maan +zich aan den hemel. Zij gaan twee aan twee tusschen de cypressen en de +donkere myrten en elk van hen heeft zijn slaaf om hem te verzorgen. +Soms vliegen zij door de boomen, en soms liggen zij op het grasveld en +rond den vijver. Daar zijn ter wereld geen andere zoo wonderschoone +vogels. Geen koning ter wereld bezit vogels even wonderschoon. Ik weet +zeker dat zelfs Caesar zulke mooie vogels niet bezit. Welnu, ik zal u +vijftig mijner pauwen geven. Zij zullen u overal volgen, en in hun +midden zult gij zijn als de maan in het midden van een groote witte +wolk ... Ik zal ze u alle geven. Ik heb er slechts honderd, en daar +is geen koning ter wereld, die pauwen als de mijne bezit, maar ik zal +ze u alle geven. Gij moet mij enkel ontslaan van mijn woord, en mij +niet vragen wat gij mij gevraagd hebt. (_Hij ledigt in éen teug zijn +beker._) + +SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän. + +HERODIAS: Dat is welgezegd, mijne dochter! Gij, gij zijt belachelijk +met uwe pauwen. + +HERODES: Houd u stil. Gij doet niet anders dan krijschen. Gij krijscht +als een roofvogel. Het gaat niet aan voortdurend zoo te krijschen. Uw +stem ergert mij. Houd u stil, zeg ik u ... Salome, bedenk wat gij +doet. Deze mensch is wellicht een afgezant van God. Ik weet zeker dat +hij een afgezant van God is. Hij is een heilig man. Gods vinger heeft +hem beroerd. God heeft schrikkelijke woorden gelegd in zijn mond. In +het paleis zoowel als in de woestijn is God altijd met hem ... +Tenminste, het is mogelijk. Men kan het niet zeker weten, maar het is +mogelijk dat God voor hem en met hem is. Ook zoû mij misschien, als +hij stierf, een ongeluk overkomen. In elk geval heeft hij gezegd dat +den dag waarop hij stierf, er iemand een ongeluk zoû overkomen. Dat +kan niemand anders bedoelen dan mij. Herinner u, ik ben uitgegleden in +bloed toen ik hier kwam. Ook heb ik het slaan van vleugelen gehoord in +de lucht. Dat zijn zeer slechte voorteekenen. Er waren er nog andere. +Ik weet zeker dat er nog andere waren, al heb ik ze niet gezien. +Welnu, Salome, gij wilt toch niet dat mij een ongeluk overkomen zal? +Dat wilt gij niet. Luister dan toch naar mij. + +SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän. + +HERODES: Ziet gij wel? Gij luistert niet naar mij. Maar wees een +oogenblik kalm. Ik ben heel kalm. Ik ben volmaakt kalm. Luister. Ik +heb kleinoodiën hier verborgen, die zelfs uw moeder nooit gezien +heeft, kleinoodiën geheel en al onvergelijkelijk. Ik heb een +halssnoer van vier rijen parelen. Zij zijn als manen geketend aan +zilveren stralen. Zij zijn als vijftig manen gevangen in een net van +goud. Een koningin heeft het gedragen op het ivoor harer borsten. +Wanneer gij het draagt, zult gij even schoon zijn als een koningin. Ik +heb amethysten van twee soorten. De éene soort zijn zwart als wijn. De +andere zijn rood als wijn dien men getint heeft met water. Ik heb +topazen geel als de oogen der tijgers, en topazen rozerood als de +oogen der woudduiven, en topazen groen als de oogen der katten. Ik heb +opalen die altijd branden met een ijskoude vlam, en opalen die de +geesten der menschen bedroeven en bevreesd zijn voor het donker. Ik +heb onyxen die gelijken op de oogappelen eener doode vrouw. Ik heb +maansteenen die veranderen naarmate de maan verandert, en bleek worden +wanneer zij de zon zien. Ik heb saphieren groot als vogeleieren en +blauw als blauwe bloemen. De zee vloeit er doorheen, en geen maan komt +ooit het blauw harer golven verstoren. Ik heb chrysoliethen en +beryllen, ik heb chrysoprasen en robijnen, ik heb sardonyxen en +hyacinthen, en chalcedonen, en ik zal ze u alle geven, ja alle, en ik +zal er nog andere dingen aan toevoegen. De koning van India heeft mij +pas vier waaiers gezonden gemaakt van papegaaieveêren, en de koning +van Numidia een kleed vervaardigd van struisvederen. Ik bezit een +kristal dat vrouwen niet veroorloofd is te zien, en dat zelfs jonge +mannen niet mogen aanzien dan na met roeden te zijn gegeeseld. In een +paarlmoeren kistje heb ik drie wonderbaarlijke turkooizen. Wanneer men +hen op zijn voorhoofd draagt, kan men dingen zich verbeelden, die niet +bestaan, en wanneer men ze in de hand draagt, kan men vrouwen +onvruchtbaar maken. Het zijn schatten van groote waarde. Het zijn +schatten die met geen prijs zijn te betalen. En dat is niet alles. In +een kistje van ebbenhout heb ik twee bekers van amber, die gelijken op +gouden appelen. Als een vijand vergif schenkt in die bekers, worden +zij gelijk appelen van zilver. In een kistje ingelegd met amber heb ik +sandalen ingelegd met glas. Ik heb mantels die komen uit het land der +Seren en armbanden bezet met karbonkels en met graveelsteen, die komen +uit de stad Euphrates ... Wat wilt gij nog meer, Salome? Zeg mij wat +gij verlangt, en ik zal het u geven. Ik zal u geven al wat gij vraagt, +op éen ding na. Ik zal u alles geven wat ik bezit, op éen leven na. Ik +zal u den mantel van den Hoogepriester geven. Ik zal u het voorhangsel +geven van het heilige der heiligen. + +DE JODEN: Wee! Wee! + +SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän. + +HERODES (_hij zinkt neêr op zijn zetel_): Laat men haar geven wat zij +vraagt! Wel is zij de dochter harer moeder! (_De eerste soldaat +nadert. Herodias haalt van den vinger van den Tetrarch den ring des +doods en geeft hem aan den soldaat die hem onmiddellijk aan den beul +brengt. De beul ziet ontsteld._) Wie heeft mijn ring genomen? Daar was +een ring aan mijn rechterhand. Wie heeft mijn wijn gedronken? Er was +wijn in mijn beker. Hij was vol wijn. Iemand heeft er van gedronken. +O, ik ben zeker dat er iemand een ongeluk gaat overkomen. (_De beult +daalt af in den waterput._) Wee, waarom heb ik mijn woord gegeven? +Koningen moeten nimmer hun woord geven. Als zij het niet houden, is +het vreeselijk. Als zij het houden, is het ook vreeselijk. + +HERODIAS: In mijn oogen heeft mijn dochter wel gedaan. + +SALOME (_buigt zich over den waterput en luistert_): Er is geen +gerucht. Ik hoor niets. Waarom schreeuwt deze mensch het niet uit? O, +als iemand mij zocht te dooden, zoû ik schreeuwen, ik zoû het niet +dulden ... Sla toe, sla toe, Naäman. Sla toe, zeg ik u ... Neen, ik +hoor niets. Het is afgrijselijk stil. Ah, daar is iets op den grond +gevallen. Ik heb iets hooren vallen. Het was het zwaard van den beul. +Hij is bevreesd, de slaaf! Hij heeft zijn zwaard laten vallen. Hij +durft hem niet dooden. Hij is een lafaard, de slaaf! Ik zal soldaten +sturen. (_Zij ziet den page van Herodias en wendt zich tot hem._) Kom +hier. Gij waart de vriend van hem die gestorven is, niet-waar? Welnu, +daar zijn nog geen dooden genoeg. Zeg den soldaten dat zij afdalen en +mij brengen wat ik vraag, wat de Tetrarch mij beloofd heeft, wat mij +toebehoort. (_De page deinst terug. Zij richt zich tot de soldaten._) +Komt hier, soldaten. Daalt af in den put en brengt mij het hoofd van +dezen mensch. (_De soldaten deinzen terug._) Tetrarch, Tetrarch, geef +bevel aan uwe soldaten mij het hoofd van Jokanaän te brengen. (_Een +geweldige zwarte arm, de arm van den beul, steekt op uit den put, op +zilveren schotel, het hoofd van Jokanaän. Salome vat het aan. Herodes +verbergt zijn gelaat achter zijn mantel. Herodias glimlacht en wuift +zich koelte toe. De Nazareërs knielen neder en beginnen te bidden._) +Ah, gij hebt mij niet willen toestaan uwen mond te kussen, Jokanaän. +Zie, ik zal hem nu kussen. Ik zal er in bijten met mijne tanden zooals +men bijt in een rijpe vrucht. Ja, ik zal uwen mond kussen, Jokanaän. +Ik heb het u gezegd, niet-waar? Ik heb het u gezegd. Zie, ik zal hem +nu kussen ... Maar waarom ziet gij mij niet aan, Jokanaän? Uw oogen +die zoo schrikkelijk waren, die zoo vol waren van toorn en minachting, +zijn gesloten. Open uw oogen! Hef uw oogleden op, Jokanaän. Waarom +ziet gij mij niet aan? Zijt gij bevreesd voor mij, Jokanaän, dat gij +mij niet wilt aanzien? .... En uw tong die was als een roode slang +die gift slingert, beweegt zich niet meer, zij zegt nu niets, +Jokanaän, de roode adder die zijn venijn over mij spuwde. Het is +wonderlijk, niet-waar? Hoe komt het dat de roode adder niet meer +beweegt?... Gij hebt mij niet gewild, Jokanaän. Gij hebt mij +verworpen. Gij hebt schandelijke dingen tot mij gezegd. Gij hebt mij +behandeld als een boel, als een lichtekooi, mij Salome, de dochter van +Herodias, de Prinses van Judaia. Zie nu, Jokanaän, ik leef nog, maar +gij zijt dood, en uw hoofd behoort mij toe. Ik kan ermeê doen wat ik +wil. Ik kan het aan de honden voorwerpen en aan de vogelen des hemels. +Wat de honden overlaten, zullen de vogelen des hemels eten ... O, +Jokanaän, Jokanaän, gij zijt de eenige man dien ik heb bemind. Al de +overige mannen vervullen mij met afkeer. Maar gij waart schoon. Uw +lichaam was als een ivoren zuil op een voetstuk van zilver. Het was +een tuin vol duiven en zilveren leliën. Het was een zilveren toren +behangen met schilden van ivoor. Niets ter wereld was zoo blank als uw +lichaam. Niets ter wereld was zoo zwart als uwe haren. In de gansche +wereld was er niets zoo rood als uw mond. Uw stem was een wierookvat +dat vreemde geuren verspreidde, en als ik u aanzag, hoorde ik +wonderbare muziek! O, waarom hebt gij mij niet aangezien, Jokanaän? +Achter uwe handen en uwe vervloekingen hebt gij uw gelaat verborgen. +Gij hebt op uw oogen den blinddoek gelegd van hem die zijnen God wil +zien. Welnu, gij hebt uwen God gezien, Jokanaän, maar mij, mij ... +hebt gij nimmer gezien. Als gij mij gezien hadt, zoudt gij mij bemind +hebben. Ik heb u gezien, Jokanaän, en ik heb u bemind. O, hoezeer heb +ik u bemind! Ik bemin u nog, Jokanaän. Ik bemin slechts u ... Ik dorst +naar uwe schoonheid. Ik honger naar uw lichaam. En geen wijn en geen +vruchten kunnen mijn begeerte bevredigen. Wat zal ik nu doen, +Jokanaän? Noch de stroomen noch de groote wateren kunnen mijn +hartstocht blusschen. Ik was een prinses, en gij hebt mij versmaad. Ik +was een maagd, en gij hebt mijn maagdom van mij genomen. Ik was +kuisch, en gij hebt mijne aderen gevuld met vuur ... O, o, waarom hebt +gij mij niet aangezien, Jokanaän? Als gij mij hadt aangezien, zoudt +gij mij bemind hebben. Ik weet dat gij mij zoudt bemind hebben, en de +geheimenis der liefde is grooter dan de geheimenis van den dood. +Liefde alleen is waard dat men haar aanzie. + +HERODES: Zij is verfoeielijk, uw dochter, zij is allerverfoeielijkst. +Wat zij gedaan heeft, is bepaald een zwaar misdrijf. Ik weet zeker dat +het een misdrijf is tegen een onbekenden God. + +HERODIAS: Ik keur goed wat mijn dochter gedaan heeft. En nu wil ik +hier blijven. + +HERODES (_staat op_): Ha, hoor de vrouw die gehuwd is in bloedschande! +Kom meê! Ik wil niet hier blijven. Kom meê, zeg ik u. Ik ben zeker dat +er een ongeluk gaat gebeuren. Manasse, Issaschar, Ozias, dooft de +fakkels uit. Ik wil de dingen niet aanzien. Ik wil niet dat de dingen +mij aanzien. Bluscht de fakkels uit! Verbergt de maan! Verbergt de +sterren! Laten wij ons in ons paleis verschuilen, Herodias. Ik begin +bevreesd te worden. + +(_De slaven blusschen de fakkels uit. De sterren verdwijnen. Een +groote zwarte wolk glijdt voor de maan en bedekt haar volkomen. Het +tooneel wordt zeer donker. De Tetrarch begint de trap te bestijgen._) + +DE STEM VAN SALOME: Ah, ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen +mond gekust. Daar was een wrange smaak op uwe lippen. Was het de smaak +van bloed? ... Maar misschien was het de smaak der liefde. Men zegt +dat liefde een wrangen smaak heeft ... Maar wat zoû dat? Wat zoû dat? +Ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen mond gekust. + +(_Een maanstraal valt op Salome en belicht haar fel._) + +HERODES (_wendt zich om en ziet Salome_): Doodt die vrouw! (_De +soldaten snellen toe en verpletteren onder hunne schilden Salome, +dochter van Herodias, prinses van Judaia._) + +EINDE + + + + +EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL + + + + +=PERSONEN:= + + + SIMONE; + BIANCA, Simone's vrouw; + GUIDO BARDI. + + + + +EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL + + + SIMONE (_komt op_): + Zoo traag, vrouw-lief? Verdient bij zijn tehuiskomst + Uw heer geen rapper welkom? Neem mijn mantel. + Dit pak eerst. Ja, 't is zwaar. 'k Heb niets verkocht, + Dan aan den kardinaal z'n zoon een pels + Dien hij wil dragen, en hij hoopt eerlang, + Wanneer zijn vader sterft... Maar wie is dit? + Ik zie, ge hebt bezoek. Vast een verwant + Die, uit den vreemde pas weêrom, ons huis + Verraste en vond geen gastheer op den dorpel. + 'k Vraag u vergiffnis, mijn verwant. Een huis + Zonder den gastheer is maar een leêg ding + En loos van eer; een beker zonder wijn, + Een scheê die door geen lemmet wordt gestijfd, + Een zonverweeûwde tuin en zonder bloemen. + Nog eens, wil verontschuldgen, lieve neef. + + BIANCA: + Hij is geen neef van ons en geen verwant. + + SIMONE: + Geen neef, en geen verwant? Gij laat mij schrikken. + Wie is het dan die met zoo hoofsche gunst + Zich wel verwaardt ons gastvrijheid te aanvaarden? + + GUIDO: + Mijn naam is Guido Bardi. + + SIMONE: + Hoe! De zoon van + Firenze's hoogen heer wiens duistre torens, + Als schaadwen door de zilvren maan omdwaald, + Ik elken avond uit mijn venstren zie? + Heer Guido Bardi, gij zijt welkom hier, + En nog eens welkom. 'k Hoop, mijn brave vrouw, + Die wel niet mooi voor 't oog is, maar heel braaf, + Heeft u niet met haar dom gesnap verveeld, + Als vrouwen anders zijn gewoon. + + GUIDO: Mevrouwe, + Wier schoonheid als een lamp de sterren bluscht + En al de stralen rooft uit Luna's koker, + Heeft mij verwelkomd met zoo zoete hoofschheid + Dat ik, als 't haar en uw behagen is, + Nog vaak uw needrig huis bezoeken zal. + En als uw zaken u naar buiten roepen, + Zal 'k bij haar zitten en haar droefheid troosten, + Dat zij niet al te zeer u missen mag. + Dat's afgesproken, vriend Simone? + + SIMONE: Heer, + Gij doet mij zoo hooge eer aan dat mijn tong + Als die eens slaafs gebonden niet kan uiten + 't Woord dat zij wilde. Toch, u niet te danken + Ware al te lomp van mij. En dus ik dank u + Uit mijn harts diepten... Zulke dingen zijn het, + Die een staat samenvoegen, als een prins + Zoo hoog geboren en wel opgebracht + De scheiding van 't partijdig lot vergeet + En naar een eerzaam burgers eerzaam huis + Komt als een eerzaam vriend ... En toch, mijn Heer, + 'k Ben te vrijpostig, vrees 'k. Een andren avond, + Hopen wij, zult gij als een vriend hier komen-- + Vanavond komt gij om mijn waar te koopen. + Niet-waar? Wat gij begeert, fluweel of zijde, + Ik twijfel niet of 'k heb iets keurigs veil, + Dat uw keus winnen kan. 't Is waar, 't is laat. + Maar arme koopluî zwoegen dag en nacht + Voor schaamle winst. De tollen zijn zoo hoog, + En iedre stad heft weêr haar eigen tol, + Leerjongens zijn niets waard, zelfs vrouwen missen + Verstand en takt, al heeft Bianca hier + Me een rijken klant gebracht vanavond. 't Is zoo, + Niet-waar, Bianca? Maar 'k verdoe mijn tijd. + Waar is mijn pak? Hoort gij? Waar is mijn pak? + Maak 't open, vrouw-lief. Maak de koorden los. + Kniel liever op den grond. Zóo gaat het beter. + Neen, dat is 't niet, het andre. Gauw wat, gauw wat! + Wij mogen onze koopers niet doen wachten: + Dat maakt hen ongeduldig. Ja, dat is het. + Geef het eens hier. Voorzichtig. 't Is héel kostbaar. + Vat het voorzichtig aan... Nu, edel Heer, + Met uw verlof, 'k heb hier Luccaansch damast, + Een weefsel van puur zilver, en de rozen + Zoo knap gewerkt dat ze enkel geur behoeven + Om 't prat zintuig te paaien. Voel eens, Heer. + Is het niet dun als water, sterk als staal? + De rozen dan? Zijn zij niet mooi geweven? + De heuvelen die meest de roos verwennen, + Te Bellosguardo en te Fiesole, + Strooien in lentes schoot niet zulke kelken; + Of doen zij 't al, hun bloem verwelkt en sterft. + Dat 's 't lot van alle teêr en mooi dat danst + In wind en regen. De Natuur voert zelf + Krijg met haar eigen lieflijkheid en moordt + Haar kindren als Medea. Neen maar, Heer, + Kijk nog eens nader. Hier in dit damast + Is 't altijd zomer, en geen winters tand + Zal ooit dees bloemen knauwen. Iedere el + Betaalde ik met een goudstuk. Goed rood goud, + De vrucht van zuinge zorg. + + GUIDO: Brave Simone, + Vermoei u niet. Ik ben meer dan voldaan. + 'k Zend morgen u mijn dienaar die u uittelt + Den dubblen prijs. + + SIMONE: Mijn edelmoedge Prins! + Ik kus uw handen. Nu bedenk ik mij: + Een andren schat nog houdt mijn huis verborgen, + Dien gij zien moet. Het is een gala-kleed: + De stof geschoren Venetiaansch fluweel, + Granaatappels 't patroon, iedere pit + Is uit één paarl, de kraag is louter parels + Dicht als in zomeravondstraat de muggen, + En blanker dan de manen die des morgens + Gekken door traliën zien. Een keur-robijn + Gloedt op den haak gelijk een vuren kool. + Zijn Heiligheid bezit niet zulk een steen, + En Indië kan zijn tweelingbroêr niet toonen. + De gesp zelf is een allerzeldzaamst kunststuk, + Met schooner werk bekoorde nooit Cellini + Grooten Lorenzo. Nu moet gij hem dragen. + Niemand in stad hier is hem waardiger. + Hij zal u goed staan. Aan den éenen kant + Jaagt slank, in gouden sprongen, een gehoornde + Satyr een nymf van zilver. Aan den andren + Staat Stilte, en in haar hand beurt ze een kristal: + Zij is zoo klein en smal als nietige aar + Die siddert als een vogel overstrijkt, + Toch met zoo'n kunst gesneden dat men denkt, + Zij poost in 't aadmen, ze aêmt.--Waardge Bianca, + Zoû niet dit edel en meest kostbaar kleed + Heer Guido's jeugd goed staan? ... Zeg ook een woord: + U kan hij vast niets weigren, of de prijs al + Eens prinsen losgeld zij. En in de winst + Deelt gij gelijk met mij. + + BIANCA: Ben 'k uw leerjongen? + Dat ik om uw fluweelen kleed zoû kwanslen? + + GUIDO: + Schoone Bianca, wees gerust: ik koop + Zijn kleed en alles wat de eerzame koopman + Nog meer kwijt wil. Een prins betaalt zijn losgeld, + En een geluk is 't als een hoog heer valt + In zulk een eedlen vijands blanke handen. + + SIMONE: + Ik sta beschaamd. Maar, dus de koop gaat door? + De koop gaat door, niet? Vijftig duizend kronen + Is nauwlijks eigen geld. Maar gij, Heer, geeft + Slechts veertig duizend. Is die som te hoog? + Noem dan uw prijs. Het is eenmaal mijn gril + Om u te zien in dit geweven wonder, + Omkranst door de edelvrouwen van het hof, + Als een bloem tusschen bloemen... 'k Hoor, Heer, dat + Die hooge dames zoo op u vermald zijn + Dat zij zich om uw Hoogheids gunst verdringen + Als vliegen waar gij gaat. Ook praat men van + Heeren met horens die zij kranig dragen, + Een zonderlinge modegril ... + + GUIDO: Simone, + Uw roekelooze tong roept om den breidel. + En dan vergeet gij 't bijzijn van Mevrouw hier + Wier teedere ooren zeker niet gestemd zijn + Op zoo platte muziek. + + SIMONE: 't Is waar, 'k vergat het. + Het zal niet meer gebeuren. Maar gij koopt dus, + Mijn goede Heer, het gala-kleed. Niet-waar? + Maar veertig duizend kronen. 'n Bagatel + Voor iemand die Giovanni Bardi's erf is. + + GUIDO: + Regel dat morgen met mijn rentmeester + Antonio Costi. 'k Zal hem bij u sturen. + En honderd duizend kronen zult gij hebben + Als dat u dienen kan. + + SIMONE: Wat! Honderd duizend! + Versta 'k goed? Honderd duizend? Op mijn woord, + Dat maakt voor eeuwig en in ieder opzicht + Me uw schuldenaar. Voorwaar, van nu af is + Mijn huis en alles wat mijn huis bevat, + Van u en niemand anders. Honderd duizend? + Mijn hoofd loopt om. Ik zal veel rijker zijn + Dan de andre koopluî samen. Ik zal koopen + Landrijen, gaarden, tuinen. Elk getouw + Zal mijn zijn van Milaan tot in Sicilië + En mijn de paarlen die Arabiës zeeën + Bergen in stille grotten ... Eedle Prins, + Deze avond luidt voorgoed mijn liefde in, die + Zoo groot zal blijken dat wat gij me ook vraagt, + U niet geweigerd wordt. + + GUIDO: En als 'k eens vroeg + Om blanke Bianca hier? + + SIMONE: Gij spreekt in scherts, Heer. + Zij is zoo groot een prins als u niet waardig. + Ze is enkel goed voor huishoudwerk en spinnen. + Niet-waar, vrouw-lief? Het is zoo. Zie maar hier. + Uw rokken wacht u. Zet u neêr en spin. + Een vrouw moet altijd bezig zijn in huis, + Want leedge handen maken 't hart lichtzinnig. + Ga zitten, zeg ik. + + BIANCA: Wat moet 'k spinnen? + + SIMONE: Spin + Een kleed en verf het purper, dat Verdriet + Mag dragen tot haar troost--een sprei met franjen + Waaronder een onwelkom zuigeling + Onbemerkt kreunen kan--een keurig laken + Kostlijk doorgeurd met reukig kruid, waarin men + Een dood man wikklen kan ... Spin wat gij wilt: + Mij goed. + + BIANCA: De brosse draad is afgeknapt, + Het loome wiel is 't eindloos draaien moede, + Het loomer rokken is zijn kluwen zat; + Vanavond spin ik niet. + + SIMONE: Zooals gij wilt, + Maar morgen zult gij spinnen: elke dag + Vindt u voortaan aan 't wiel. Zoo vond Tarquinius + Lucretia. Mooglijk wachtte zoo Lucretia + Tarquinius. Wie zal 't zeggen? Vreemde dingen + Verneem 'k van meenge huisvrouw ... Doch, mijn Heer, + Wat nieuws van buiten? 'k Hoor vandaag in Pisa + Dat enkle koopluî daar uit Engeland + Hun wollewaar goedkooper wilden slijten + Dan wet en recht toestaat, en om gehoor + De Signoria drongen. Is dit reedlijk? + Hoort de éene koopman d'ander te verslinden? + De vreemdling die in ons land hier zijn brood vindt, + Door afgedwongen voorrecht of door list ons + Te brengen om ons winst? + + GUIDO: Moet ik me afgeven + Met koopluî en hun winst? Gij wilt dat ik + Ga twisten voor u met de Signoria? + En 't kleed draag, waarin gij van dwazen koopt + Voor nog onnoozler klanten? Vriend Simone, + Wol inslaan en verkoopen is uw ambt. + Mijn geest speurt ander wild. + + BIANCA: Mijn eedle Heer, + Vergeef mijn goeden man hier, bid ik u. + Zijn ziel staat altijd op de markt, zijn hart + Klopt enkel voor den beursprijs van de wol. + Toch is hij braaf voor zijn gewone doen. + +(_tot Simone:_) + + En gij, hebt gij geen schaamte? Een hooge prins + Komt hier aan huis, en met misplaatste boudheid + Verveelt ge en ergert hem. Vraag hem vergeving. + + SIMONE: + Dat doe 'k ootmoedig. Praten wij vanavond + Van andre dingen! 'k Hoor, Zijn Heiligheid + Schreef aan den Franschen koning met verzoek + Om over 't sneeuwen schild der Alpen hier + Een vreê te komen stichten, die zal wezen + Erger dan broederkrijg en bloediger + Dan burgerroof en binnenlandsche veeten. + + GUIDO: + Bah! wie maalt om dien Franschen koning nog, + Die nimmer komt en altijd praat van komen? + Wat gaat dat mij aan? Ik weet andre dingen + Belangrijker en dichter bij, Simone. + + BIANCA: + Gij put 't geduld van onzen hoogen gast uit. + Wat raakt ons Frankrijks koning? Evenveel + Als uw koopluî uit England met hun wol. + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + + SIMONE: + O staat het zóo? Is heel dees machtge wereld + Verengd binnen de grenzen dezer kamer + Met maar drie poovre zielen voor bewoners? + Ja, daar zijn oogenblikken dat 't heelal, + Als 't doek in kuip van onbedreven verver, + Tot een handbreed ineenkrimpt, mooglijk is 't + Nu zulk een uur! Goed, laat het zoo'n uur zijn! + Laat dit gering vertrek het hoog tooneel zijn, + Waar koon'ngen sterven en ons schamel leven + De inzet wordt waarom God speelt... Ik weet zelf niet + Waarom 'k zoo spreek. De rit heeft me uitgeput. + En driemaal struikelde mijn paard, een teeken + Dat niemand goeds voorspelt.... Eilacy, Heer, + Welk een armzaalge koop is 's menschen leven, + En op wat rommelmarkt verkoopt men ons! + Als wij geboren worden, weent ons moeder, + Maar om ons dood weent niemand. Neen, niet een. + + (_Hij gaat naar den achtergrond._) + + BIANCA: + Hoe praat de man als een gemeene kramer! + Ik haat hem, ziel en lijf. Haar bloedloos zegel + Drukte hem lafheid op 't gelaat. Zijn handen + Beven verlamd en bleeker dan het blad van + Peppels in voorjaarswind; een leedge woordstroom + Gudst uit zijn dwazen stotterenden mond + Als water uit een leibuis. + + GUIDO: Lieve Bianca, + Hij is uw aandacht noch de mijne waard. + De man is niets dan een heel brave schurk + Vol mooie frasen over levens koopwaar, + Die duurst verkoopt wat hij goedkoopst moet achten, + Een windrig schreeuwer in een weerld van woorden, + Nooit heb 'k zoo'n welbespraakten zot gezien. + + BIANCA: + 'k Wou dat de dood hem haalde waar hij staat! + + SIMONE (_keert zich om_): + Wie noemt daar »Dood"? Dood heeft hier niets te maken. + Wat zaken heeft Dood in zoo'n vroolijk huis + Als dit waar hij alleen een vrouw, een man, + Een vriend tezaam vindt? Laat Dood gaan naar huizen + Waar echtbreuk en gemeenheid toegaan, waar + De vrouw, haar kuischheid en haar man en heer + Moede, 't gordijn wegschuift voor 't huwlijksbed + En in bezoedelde en onteerde lakens + Verboden lusten pleegt. Ja, wel klinkt 't vreemd, + Toch gaat het zoo. Gij kent de wereld niet. + Daarvoor leeft gij te eerbaar en te afgezonderd. + Ik ken haar goed. Ik wou dat 't niet zoo was. + Maar wijsheid komt met winters. Mijn haar grijst, + Geen jeugd warmt meer mijn koude lijf ... Maar basta. + Vanavond is het woord aan Vreugd, en waarlijk, + 'k Zoû willen vroolijk zijn als past een gastheer + Die zulk een hoogen ongedachten gast + Op hem vindt wachten... Doch wat 's dit, mijn Heer? + Gij bracht uw luit meê om voor ons te spelen? + Ja, speel wat, lieve Prins. Ben ik vrijpostig,-- + Vergeef, maar speel. + + GUIDO: Vanavond speel ik niet. + Een andren keer, Simone. (_tot Bianca:_) Gij en ik + Tezamen, en geen luistraars dan de sterren + Of de jaloerscher maan. + + SIMONE: Toch toch, mijn Heer! + Ik smeek u, speel iets. Want ik hoor vertellen + Dat door het enkel tokklen eener snaar, + Door ademtocht die zucht langs holle rieten + Of blaast door koelen mond van vaardig brons + Zij die die kunst verstaan, onze arme zielen + Verlossen uit haar kerker. Ook verneem ik: + Zoo vreemde toover schuilt in dit hol speeltuig + Dat onschuld wijnloof vlecht in hare haren + En wulpsch wordt als bacchante. Maar 'k dwaal af. + Ik weet, uw luit is kuisch. En daarom speel: + Verruk met zoete melodie mijne ooren; + Mijn ziel is in een kerker, en haar waanzin + Vraagt medicijn. Help mij verzoeken, Bianca. + + BIANCA: + Wees niet bevreesd: ons welbeminde gast + Zal zelf zijn plaats en uur weten te kiezen; + Nu is 't dat uur niet. Gij ontstemt hem slechts + Met uw lomp dringen. + + GUIDO: Eerzame Simone, + Een andren keer. Vanavond ben 'k tevreden + Met de zachte muziek van Bianca's stem, + Die, als zij spreekt, de te verliefde lucht + Bekoort en aardes wanklen kring rondom + Haar schoonheid vastlegt. + + SIMONE: Vlei haar niet. Zij heeft + Haar deugden als de meeste vrouwen, maar + Schoonheid is een kleinood dat zij niet draagt. + Misschien is het ook beter. Waarde Heer, + Als gij geen wijzen uit uw luit wilt lokken + Om mijn ziels sombere onrust te bezweren, + Dan drinken we toch saam? Daar staat uw glas nog. + Krijg mij een stoel, Bianca. Sluit de luiken. + Zet er den grooten bout voor. 'k Wil niet hebben + Dat de nieuwsgierge wereld ons genoegen + Beloenschen zoû. En nu, mijn Heer, drink ons + Een toost uit boordevollen beker toe.... + Wat is hier deze vlek op 't laken? 't Ziet + Zoo purper als een wond in Christus' zijde. + 't Is niets dan wijn? 'k Heb wel eens hooren zeggen: + Waar wijn vergoten wordt, wordt bloed vergoten,-- + Maar dat's een dwaas verhaal. Mijn Heer, ik hoop, + Mijn wijn is naar uw smaak. De druif van Napels + Is vurig als zijn bergen. Ons Toscane + Kweekt een onschuldger sap. + + GUIDO: Mij mondt het goed, + Brave Simone, en 'k wil met uw verlof + Op schoone Bianca drinken wen haar lippen + Eerst langs den kelk als roode rozeblâren + Glijdend den dronk verzoeten. Proef, Bianca. + + (_Bianca drinkt._) + + O al de honing saam van Hybla's bijen + Waar' bitter bij dees teug!--Waarde Simone, + Gij neemt geen deel aan 't feest. + + SIMONE: 't Is vreemd, Heer, 'k kan + Vanavond met u eten niet of drinken. + Een booze luim, een koortsigheid van 't bloed, + Dat anders toch bedaard is, een gedachte + Die als een adder rustloos ommekruipt, + Als een krankzinnge sluipt van cel naar cel, + Vergalt mijn smaak en zet mijn lust tot spijs + En drank in walging om. (_Hij gaat terzijde._) + + GUIDO: Lieve Bianca, + Dees kramer maakt mij met zijn praatjes wreevlig. + Ik moet vanhier. Maar morgen kom ik weêr. + Zeg mij hoe laat. + + BIANCA: Kom met den vroegsten daagraad + Tot ik u weêrzie, is mijn leven ijdel. + + GUIDO: + Laat neêr den middernacht van uwe haren, + In uwer oogen sterren laat mij zien + Mijn beeltnis als in spiegels. Lieve Bianca, + Zij 't slechts een schaduw, o bewaar mij daar, + En kijk naar niets dat niet verzinnebeeldt + Eenge gelijkenis van me. Ik ben naijvrig + Op al wat uw gezicht verlust. + + BIANCA: Uw beeld-- + O wees gerust--blijft altijd bij mij. Lieve, + Liefde verkeert de meest gewone dingen + In teekenen van zoete erinnering. + Maar kom vóor met zijn schellen zang de leeuwrik + Een wereld wekt van droomers. 'k Zal u wachten + Op het balkon,... + + GUIDO: En langs scharlaken ladder + Wier zijden sporten zijn bestikt met paarlen, + Daal, blanken voet na blanken voet, als sneeuw + Op rozenboom, tot me af. + + BIANCA: Zooals gij wenscht. + Uw eigen ben 'k in liefde of dood, gij weet het. + + GUIDO: + Simone, 't wordt mijn tijd. Ik ga naar huis. + + SIMONE: + Zoo gauw? Waarom? Nog luidde van de Domkerk + Niet middernacht. Slaapdronken in hun torens + Liggen de wachten, die de bleeke maan + Plagen met holle horens. Blijf nog wat. + 'k Vrees dat we u hier niet zullen wederzien. + En die vrees maakt mijn simpel hart bedroefd. + + GUIDO: + Wees niet bezorgd, Simone. Meest standvastig + Zal 'k blijken in mijn vriendschap. Maar vanavond + Ga 'k naar mijn eigen huis, en dat terstond. + Tot morgen, Bianca. + + SIMONE: Goed. Uw wensch is wet. + 'k Had nog wat langer met u willen praten, + Mijn nieuwe vriend, mijn eerbiedwaarde gast, + Maar dat gaat niet naar 't schijnt. Daar komt nog bij, + 'k Twijfel niet of uw vader wacht op u, + Hunkrend naar stem of voetstap. Als 'k het goed heb, + Zijt gij zijn eenig kind? Hij heeft geen ander. + Gij zijt de sier en pijler van zijn huis, + Zijn éene bloem in tuin van louter onkruid. + Uw vaders neven zijn zijn minnaars niet. + Zoo gaat het praatje in stad hier. 'k Wou maar zeggen: + Zij zijn afgunstig op uw erfenis, + Hun gretige oogen schelen naar uw wijngaard + Als Achab keek naar Naboths vetten akker. + Maar dat is enkel 't praatje van een stad + Waar 't vrouwvolk te veel klapt. Goênacht, mijn Heer. + Haal een pijnfakkel, Bianca. De oude trap + Is vol met gaten, en de inhaalge maan + Wordt, als een giergaard, karig met haar stralen, + En bindt voor haar gezicht een tulen masker + Als lichtekooi die uitgaat om een arme + Ziel te verstrikken. Wacht, ik zal u krijgen + Uw zwaard en mantel. Laat mij, goede Heer, + Het is niet meer dan plicht dat'k u bedien, + Die mij den armen burger zooveel eer deedt, + Mijn wijn dronkt en mijn brood braakt en voor ons + Een lieve huisvriend werdt. Mijn vrouw en ik + Zullen nog vaak dees schoonen nacht bepraten + En zijn groote uitkomst. Kijk, wat kostlijk zwaard! + Ferrarisch staal, zoo lenig als een slang, + En zeker doodlijker. Met zoo'n zwaard hoeft + Men in 't gedrang des levens niets te vreezen. + Nooit heb ik zoo'n fijn lemmet aangeraakt. + Ook ik bezit een zwaard. 't Is nu wat roestig. + Ons, vredemannen, leert men needrigheid + En vele lasten op ons schouders dragen + En niet te morren tegen werelds onrecht + En onrechtmaatge krenkingen verduren. + Dat leeren we en wij vinden bij ons lijden + Voordeel als de geduldge Jood... Toch, 'k weet nog + Hoe eens een roover op den weg naar Padua + Mijn pakpaard nemen wilde, ik liet hem achter + Met afgesneden keel. Ik kan verdragen + Blaam, smaad in 't openbaar, velerlei schande, + Vlijmenden hoon en open schimp, maar hij + Die van mij iets wil dieven wat het mijne is, + Zij 't nog zoo waardeloos, het aarden bord + Waarvan 'k mijn honger stil--wee hem, hij waagt + Bij 't stelen ziel en lijf, en sterven doet hij + Voor 't klein vergrijp. Uit wat vreemd leem zijn wij + Menschen gemaakt! + + GUIDO: + Hoe komt gij zoo te spreken? + + SIMONE: + Ik ben benieuwd, Heer Guido, of mijn zwaard + Beter gehard is dan dit staal van u. + Lijkt u de proef? Of is mijn stand te laag + Voor u om uw rapier met 't mijn te kruisen, + In scherts of ernst? + + GUIDO: Niets zoû mij beter lijken + Dan met naakt lemmet over u te staan + In scherts of ernst. Geef mij mijn eigen zwaard. + Haal 't uwe. Dees nacht zal het pleit beslechten + Of van den prins of van den koopman 't zwaard + Beter gehard is. Was dat niet uw zeggen? + Haal slechts uw eigen zwaard. Wat draalt gij, man? + + SIMONE: + Mijn Heer, van al de hofflijke genaden + Die gij geregend hebt op mijn dor huis, + Is dit de hoogste... Bianca, haal mijn zwaard. + Schuif bank en tafel weg. Wij moeten hebben + Een open kring voor onzen wapenkamp. + Bianca zal wel den fakkel willen houden + Opdat niet wat als scherts bedoeld is, ernst wordt. + + BIANCA (_tot Guido_): O dood hem, dood hem! + + SIMONE: Houd den fakkel, Bianca. + + (_Zij beginnen te vechten._) + + In stand! Let op! Aha! Gij dacht zoo-waar--? + + (_Hij wordt gewond door Guido._) + + Een schram, niets meer. Het licht scheen in mijn oogen. + Kijk niet bedrukt, Bianca. Het is niets. + Uw man bloedt. Het is niets. Krijg een stuk linnen + En bind het rond mijn arm. Neen, niet zoo stijf. + Een beetje losser, vrouw-lief. En ik bid u, + Wees niet ontdaan. Neen, haal het er weêr af. + Wat let het of ik bloed? (_Hij rukt het verband af._) + Van voor af aan! + +(_Simone ontwapent Guido._) + + Mijn eedle Heer, gij ziet dat ik gelijk had. + Mijn zwaard is fijner staal, beter gehard. + En nu dolk tegen dolk. + + BIANCA (_tot Guido_): O dood hem, dood hem! + + SIMONE: + Blusch uit den fakkel, Bianca. + + (_Bianca bluscht den fakkel uit._) + + Nu, mijn Heer, + Nu tot den dood van éen van ons, of beiden, + Of misschien alle drie. (_Zij vechten._) Ziedaar en daar! + Ha! duivel, heb ik je eindlijk in mijn greep? + +(_Simone overweldigt Guido en drukt hem neêr op de tafel._) + + GUIDO: + Dwaas, doe uw wurgersvingers van mijn keel. + Ik ben mijn vaders eenge zoon. De staat + Heeft maar éen erfgenaam. En 't valsche Frankrijk + Wacht op 't uitsterven van mijn vaders lijn + Om de stad te overvallen. + + SIMONE: Zwijg! Uw vader + Kan kinderloos alleen gelukkger zijn. + Wat den staat aangaat, 'k denk, Firenze kan + Als loods aan 't stuur geen echtbreker gebruiken. + Gij zoudt haar leliën smetten. + + GUIDO: Weg uw handen! + Weg uw verdoemde handen. Laat los, zeg ik. + + SIMONE: + Neen, in zoo'n handge schroef zijt gij gevangen + Dat niets meer u kan redden, en uw leven + Tezaamgedrongen in éen stip van schande, + Eindt met die schande, en allerschandelijkst. + + GUIDO: + O laat me een priester hebben vóor ik sterf! + + SIMONE: + Waarvoor wil jij een priester? Biecht je zonden + Aan God dien je vanavond nog zult zien + En dan nooit meer. Biecht Hem je zonden, die + Is meest rechtvaardig in meêdoogenloosheid + En meest meêdoogend in rechtvaardigheid. + + GUIDO: + O help mij, lieve Bianca, help mij, Bianca, + Gij weet dat ik geen kwaad bedreven heb. + + SIMONE: + Is daar nog leven in die leugenlippen? + Sterf als een hond met slappe tong! Sterf! Sterf! + De stomme Arno zal straks uw lijk ontvangen + En spoelt onopgemerkt het weg naar zee. + + GUIDO: + Heer Jezus, neem mijn arme ziel tot u! + + SIMONE: + Amen. En nu komt de andere aan de beurt. + +(_Guido sterft. Simone rijst op en ziet om naar Bianca. Zij komt op +hem toe met wijdopen armen als verdwaasd._) + + BIANCA: + Gij waart zoo sterk, en 'k heb het nooit geweten! + + SIMONE: + Gij waart zoo schoon, en 'k heb het nooit vermoed! + + (_Hij kust haar op den mond._) + +EINDE + + + + +Tot heden verschenen Tooneelspelen. + + +_a. in de Nederlandsche Bibliotheek:_ + + N. B. XXXV + INA BOUDIER-BAKKER, ='t Hoogste Recht=, tooneelspel in 4 bedrijven. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + N. B. LXXI + J. F. E. CELLIERS, =Liefde en Plig=, Zuid-Afrikaans Tooneelspel in 4 + bedrijven. Inleiding Dr. Engelenburg. + Ingen. f 0.20; geb. 0.40 + + N. B. XVIII + MULTATULI, =Vorstenschool=. Met een Inleiding van Mevr. Douwes + Dekker-Schepel en twee portretten. 4e druk, 8e-13e duizend. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + N. B. XLVI + MULTATULI, =Aleid=. Fragment van een onvoltooid gebleven blijspel. + Met Inleiding van Mevr. Douwes Dekker-Schepel. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + N. B. LXXXIII* + H. ROLAND HOLST-V. D. SCHALK, =De Opstandelingen=. Lyrisch treurspel + in 3 bedrijven. + f 0.30; 0.40; 0.50 + + N. B. I + J. A. SIMONS-MEES, =De Veroveraar=, Een spel van stemmingen in vijf + bedrijven, met afbeelding. (Tweede druk; 7e-9e duizend). + f 0.20; 0.30; 0.40 + + N. B. XXIII + J. A. SIMONS-MEES, =Atie's Huwelijk=, Toneelspel in 4 bedrijven. + (Tweede druk) + f 0.20; 0.30; 0.40 + Beide stukken samen in keurband f 1.-- + + N. B. LXXXI + J. A. SIMONS-MEES, =Een Paladijn=. Fantastische comedie in 4 + bedrijven. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + N. B. LI. + JOOST VAN DEN VONDEL, =Adam in Ballingschap=, of aller treurspelen + Treurspel. Inleiding en aanteekeningen van L. S. (Derde druk, + 8e-11e duizend). + f 0.20; 0.30; 0.40 + + + _b. in de Wereld-Bibliotheek:_ + + W. B. 70 + ARISTOPHANES, =De Ridders=. Metrische vertaling van Dr. H. C. + Muller. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 36/37 + Bj. BJÖRNSON, =Boven Menschelijke Kracht=. Tooneelspel in twee + deelen uit het Noorsch door Marg. Meyboom, met portret en + Inleiding door L. S. + f 0.40; 0.55; 0.70 + + W. B. 96 + WOLFG. v. GOETHE, =Iphigeneia in Tauris=. In Nederlandsche verzen + overgebracht door dr. P. C. Boutens. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 43 + GERHART HAUPTMANN, =De Verdronken Klok=. Sprookjesdrama, vertaald + door en met inleiding van Mr. Isidore Hen. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 19 + FRIEDRICH HEBBEL, =Maria Magdalena=. Vertaling van Louis Landry. Met + portret. + (Ingenaaid en gecart. uitverk.); f 0.40 + + W. B. 4 + HENRIC IBSEN, Steunpilaren der Maatschappij. Vert. F. Kapteyn, Inl. + van L. S. (derde druk; 8e-10e duizend.) + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 40 + HENRIC IBSEN, =Een Poppenhuis (Nora)=. Tooneelspel in drie + bedrijven, vert. Marg. Meyboom. Met portretten en inl. door + L. S. (2e druk) (6e-8e duizend) + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 73 + HENRIC IBSEN, =Een Vijand van 't Volk=. Vertaling van Marg. Meyboom. + Inleiding van L. S. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 119* + HENRIC IBSEN, =Mededingers naar de Kroon=. Vertaald door Marg. + Meyboom, inleiding van L. Simons. + f 0.30; 0.40; 0.50 + + W. B. 16 + MOLIERE, =De Schelmenstreken van Scapin=. Een klucht in drie + bedrijven. Vertaling S. J. Bouberg + (Ingenaaid uitverkocht); f 0.30; 0.40 + + W. B. 67 + MOLIERE, =Geleerde Dames=, metrische vertaling W. J. Wendel. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 112 + MOLIERE, =Tartuffe=, metrische vertaling W. J. Wendel. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 88 + PLAUTUS, =De Tweelingbroeders=. Metrische vertaling der »Menaechmi" + door Prof. Dr. H. van Herwerden. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. + WILLIAM SHAKESPEARE, Vertaling Dr. Edw. B. Koster. + 21 a) =Coriolanus= } + 77 b) =Macbeth= } per stuk f 0.20; 0.30; 0.40; + 90 c) =Othello= } + keuruitgaaf { d) =Antonius en Cleopatra= + { e) =De koopman van Venetië= + per stuk f 0.35; 0.60; 1.-- + + W. B. 81 + BERNARD SHAW, =Je kunt 't nooit weten=. Komedie in 4 bedrijven. + Vertaling van Ph. G. Gunning. Inl. v. L. S. en portret van Shaw. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 91 + BERNARD SHAW, =Mevrouw Warrens Bedrijf=, vert. door J. A. + Simons-Mees. Inleiding van L. S. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 128* + BERNARD SHAW, =Mensch en Oppermensch= met aanhangsel =Het Handboek + van den Revolutionnair=. Vert. J. A. Simons-Mees. Inleiding + L. S. + f 0.30; 0.40; 0.50 + + W. B. 44 + SOPHOCLES, =Antigone=, Nieuwe vertaling van Dr. H. C. Muller. Met + afbeelding. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + W. B. 127 + PERCY BYSSHE SHELLEY, =Prometheus ontboeid=. Van inleiding voorzien + en vertaald door A. Gutteling. + f 0.20; 0.30; 0.40 + + +_c. in de Russische Bibliotheek:_ + + R. B. 11/12 + N. W. GOGOLJ, =De Revisor=, uit het Russisch door Jos. C. Termaat + Ingen. f 0.70; geb. f 1.-- + + R. B. 6/7 + MAXIM GORKIEJ, =Zonnekinderen=. Uit het Russisch door Jos. C. + Termaat. + Ingen. f 0.70; geb. f 1.-- + + R. B. 17/18 + D. S. MEREZJKOWSKJOE, =Paul I=, drama in 5 bedrijven, vert. door + Annie de Graaff. + Ing. f 0.70; geb. f 1.-- + + +_d. In de Oorspronkelijke Uitgaven:_ + + J. A. SIMONS-MEES. =Tooneelspelen=--twee bundels, per bundel, ingen. + f 1.25; geb. f 1.90. + + _Eerste Bundel:_ =Twee Levenskringen=; =Van Hoogten en Vlakten=; + =Zijn Evenbeeld=. Inleiding van L. S. + + _Tweede Bundel:_ =Een Moeder=; =Sint Elisabeth=; =Kasbloem=. + + + + + +------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Plaats Bron Correctie | + | | + | Regel 317 ; : | + | Regel 1400 Tenmiste Tenminste | + | Regel 1423 al als | + | Regel 1471 HORODIAS HERODIAS | + | Regel 1662 nietswaard niets waard | + | Regel 1797 En Een | + | Regel 2254 [Niet in bron] LXXI | + | Regel 2301 [Niet in bron] . | + | Regel 2323 [Niet in bron] f | + | Regel 2327 -- - | + | Regel 2331 [Niet in bron] . | + | Regel 2409 [Niet in bron] . | + | Regel 2414 [Niet in bron] . | + | Regel 2425 , [Verwijderd] | + | Regel 2425 , [Verwijderd] | + | | + +------------------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Salome en Een Florentijnsch Treurspel, by +Oscar Wilde + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SALOME EN EEN FLORENTIJNSCH *** + +***** This file should be named 29208-8.txt or 29208-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/2/0/29208/ + +Produced by André Engels and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
