summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29208-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '29208-8.txt')
-rw-r--r--29208-8.txt2855
1 files changed, 2855 insertions, 0 deletions
diff --git a/29208-8.txt b/29208-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..6f2ec81
--- /dev/null
+++ b/29208-8.txt
@@ -0,0 +1,2855 @@
+Project Gutenberg's Salome en Een Florentijnsch Treurspel, by Oscar Wilde
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Salome en Een Florentijnsch Treurspel
+
+Author: Oscar Wilde
+
+Translator: P. C. Boutens
+
+Release Date: June 23, 2009 [EBook #29208]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SALOME EN EEN FLORENTIJNSCH ***
+
+
+
+
+Produced by André Engels and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. |
+ | |
+ | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
+ | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens". |
+ | |
+ | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is |
+ | in dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. |
+ | Cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
+ | |
+ | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het |
+ | origineel zijn gecorrigeerd. In de advertenties is alleen |
+ | dubbele of ontbrekende interpunctie gecorrigeerd. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+SALOME
+
+
+
+
+ WERELD
+ BIBLIOTHEEK
+
+ ONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS
+
+ OSCAR WILDE
+
+ SALOME
+
+ EN
+
+ EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
+
+ GEAUTORISEERDE VERTALING
+ DOOR
+
+ DR. P. C. BOUTENS
+
+ HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN
+ VOLGENS DE WET OP HET AUTEURSRECHT
+
+ UITGEGEVEN·DOOR·DE
+ MAATSCHAPPIJ·VOOR
+ GOEDE·EN·GOEDKOOPE
+ LECTUUR--AMSTERDAM
+
+
+
+
+=PERSONEN:=
+
+
+ HERODES ANTIPAS, Tetrarch van Judaia;
+ JOKANAÄN, een profeet;
+ DE JONGE SYRIËR, hoofdman der lijfwacht;
+ TIGELLINUS, een jong Romein;
+ EEN KAPPADOKIËR;
+ EEN NUBIËR;
+ EERSTE SOLDAAT;
+ TWEEDE SOLDAAT;
+ DE PAGE VAN HERODIAS;
+ JODEN, NAZAREËRS, ENZ.;
+ EEN SLAAF;
+ NAÄMAN, de beul;
+ HERODIAS, vrouw van Herodes;
+ SALOME, dochter van Herodias;
+ DE SLAVINNEN VAN SALOME.
+
+
+
+
+SALOME
+
+
+_Tooneel: een ruim terras voor de groote feesthal in het paleis van
+Herodes. Soldaten staan geleund aan de balustrade. Rechts een
+reusachtige trap. Links, op den achtergrond, een oude waterput met een
+groen bronzen kraag. De maan schijnt helder._
+
+DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer schoon is de Prinses Salome vanavond!
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: Let op de maan. De maan lijkt wonder vreemd. Zij
+doet aan als een vrouw die opkomt uit een graf. Zij gelijkt op een
+doode vrouw. Het is alsof zij speurt naar andere dooden.
+
+DE JONGE SYRIËR: Ja, zij lijkt wonder vreemd. Zij gelijkt op een
+kleine prinses die een gelen sluier draagt en wier voetjes van zilver
+zijn. Zij gelijkt op een prinses wier voetjes zijn als kleine witte
+duiven... Het is alsof zij danst.
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: Zij is als een doode vrouw. Zij beweegt zich
+heel langzaam. (_Gedruisch in de feesthal._)
+
+EERSTE SOLDAAT: Wat een getier! Wie zijn die huilende wilde-beesten?
+
+TWEEDE SOLDAAT: De Joden. Die zijn altijd zoo. Zij twisten over hun
+godsdienst.
+
+EERSTE SOLDAAT: Waarom twisten zij over hun godsdienst?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Ik weet niet. Ze doen niet anders... Zoo verzekeren de
+Farizeërs dat er engelen zijn, en de Sadduceërs zeggen dat de engelen
+niet bestaan.
+
+EERSTE SOLDAAT: Ik vind het belachelijk over zulke dingen te twisten.
+
+DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer schoon is de Prinses Salome vanavond!
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: Gij ziet voortdurend naar haar. Gij ziet te veel
+naar haar. Het is gevaarlijk menschen op zulk een wijze aan te zien...
+Daar komt licht een ongeluk uit voort.
+
+DE JONGE SYRIËR: Zij is zeer schoon vanavond.
+
+EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch ziet somber.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber.
+
+EERSTE SOLDAAT: Hij ziet naar iets.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Hij ziet naar iemand.
+
+EERSTE SOLDAAT: Naar wien ziet hij?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Ik weet niet.
+
+DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer bleek is de Prinses! Ik heb haar nooit zoo
+bleek gezien. Zij is als de weêrschijn van een witte roos in een
+zilveren spiegel.
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: Gij doet beter niet naar haar te zien. Gij ziet
+te veel naar haar.
+
+EERSTE SOLDAAT: Herodias heeft den beker van den Tetrarch gevuld.
+
+DE KAPPADOKIËR: Is dat de Koningin Herodias, zij die de zwarte mitra
+draagt bestikt met parelen, en wier haren blauw gepoederd zijn?
+
+EERSTE SOLDAAT: Ja, dat is Herodias, de vrouw van den Tetrarch.
+
+TWEEDE SOLDAAT: De Tetrarch houdt veel van wijn. Hij bezit drie
+soorten wijn. Een, die komt uit het eiland Samothrake. Die is zoo
+purper als de mantel van Caesar.
+
+DE KAPPADOKIËR: Ik heb Caesar nooit gezien.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Een anderen, die komt uit de stad Kypros. Die is geel
+als goud.
+
+DE KAPPADOKIËR: Ik houd veel van goud.
+
+TWEEDE SOLDAAT: En de derde is een wijn uit Sicilia. Die wijn is rood
+als bloed.
+
+DE NUBIËR: De goden van mijn land houden veel van bloed. Tweemaal in
+'t jaar offeren wij hun jongemannen en maagden: vijftig jongemannen en
+honderd maagden. Maar het schijnt dat wij hun nooit genoeg geven; want
+zij zijn zeer hard voor ons.
+
+DE KAPPADOKIËR: In mijn land zijn nu geen goden meer: de Romeinen
+hebben hen verjaagd. Er zijn er die zeggen dat zij gevlucht zijn in de
+bergen, maar ik geloof het niet. Ik ben drie nachten lang op de bergen
+geweest en heb hen overal gezocht. Ik heb hen niet gevonden. In het
+eind heb ik hen bij hunne namen geroepen, en zij zijn niet verschenen.
+Ik denk dat zij dood zijn.
+
+EERSTE SOLDAAT: De Joden aanbidden een god dien men niet kan zien.
+
+DE KAPPADOKIËR: Dat kan ik niet begrijpen.
+
+EERSTE SOLDAAT: Eigenlijk gelooven zij enkel in dingen die men niet
+kan zien.
+
+DE KAPPADOKIËR: Dat lijkt mij volslagen belachelijk.
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: Na mij komt een ander die sterker is dan ik,
+wien ik niet waardig ben den riem zijner schoenen te ontbinden. Als
+hij komt, zullen de dorstige plaatsen zich verheugen. Zij zullen
+bloeien als de lelie. De oogen der blinden zullen het daglicht zien,
+en de ooren van de dooven zullen geopend worden. Het jonggeboren kind
+zal zijn hand steken in het hol van den draak, en zal de leeuwen
+leiden bij hunne manen.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Beveel hem te zwijgen. Hij zegt altijd onzinnige
+dingen.
+
+EERSTE SOLDAAT: Toch niet. Het is een heilig man. Ook is hij zeer
+zachtmoedig. Elken dag breng ik hem zijn eten: hij bedankt mij altijd.
+
+DE KAPPADOKIËR: Wie is het?
+
+EERSTE SOLDAAT: Het is een profeet.
+
+DE KAPPADOKIËR: Hoe is zijn naam?
+
+EERSTE SOLDAAT: Jokanaän.
+
+DE KAPPADOKIËR: Waar komt hij vandaan?
+
+EERSTE SOLDAAT: Uit de woestijn, waar hij zich voedde met sprinkhanen
+en wilden honing. Hij was bekleed met kemelshaar en rondom zijn
+lendenen droeg hij een lederen gordel. Hij was zeer woest om te zien.
+Een groote schare volgde hem. Hij had zelfs discipelen.
+
+DE KAPPADOKIËR: Waar spreekt hij over?
+
+EERSTE SOLDAAT: Dat kunnen wij nooit uitmaken. Soms zegt hij
+schrikwekkende dingen, maar het is onmogelijk te begrijpen wat hij
+zegt.
+
+DE KAPPADOKIËR: Mag men hem zien?
+
+EERSTE SOLDAAT: Neen. De Tetrarch heeft het streng verboden.
+
+DE JONGE SYRIËR: De Prinses heeft haar gelaat verborgen achter haar
+waaier! Haar kleine blanke handjes bewegen zich als duiven die vliegen
+naar den duiventil. Zij gelijken op witte vlinders. Zij zijn volkomen
+als witte vlinders.
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: Wat hebt gij daarmede van-doen? Waarom ziet gij
+naar haar? Gij doet beter niet naar haar te zien... Daar komt nog een
+ongeluk uit voort.
+
+DE KAPPADOKIËR (_wijzend naar den waterput_): Wat een zonderlinge
+gevangenis!
+
+TWEEDE SOLDAAT: Het is een oude waterput.
+
+DE KAPPADOKIËR: Een oude waterput! Dat moet erg ongezond zijn.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Toch niet. De broeder van den Tetrarch bij-voorbeeld,
+zijn oudere broeder, de eerste man van de Koningin Herodias, is twaalf
+jaren lang daarin opgesloten geweest. Hij is er niet van gestorven. In
+het eind is hij nog moeten geworgd worden.
+
+DE KAPPADOKIËR: Geworgd? Wie heeft dat durven doen?
+
+TWEEDE SOLDAAT (_wijzend naar den beul, een reusachtigen neger_): Hij
+daar. Naäman.
+
+DE KAPPADOKIËR: Was hij niet bevreesd?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Wel neen. De Tetrarch heeft hem den ring gezonden.
+
+DE KAPPADOKIËR: Welken ring?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Den ring des doods. Dus was hij niet bevreesd.
+
+DE KAPPADOKIËR: Toch is het een verschrikkelijk ding een koning te
+worgen.
+
+EERSTE SOLDAAT: Waarom? Koningen hebben maar éen hals, net als
+iedereen.
+
+DE KAPPADOKIËR: Het lijkt mij een verschrikkelijk ding.
+
+DE JONGE SYRIËR: De Prinses staat op! Zij gaat weg van tafel! Zij ziet
+zeer ontstemd. Ah, zij komt dezen kant uit. Ja, zij komt hier naar
+ons. Wat is zij bleek! Nooit heb ik haar zoo bleek gezien...
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: Zie niet naar haar. Ik bid u, zie niet naar
+haar.
+
+DE JONGE SYRIËR: Zij is als een duif die verdoold is... Zij is als een
+narcis die siddert op den wind... Zij gelijkt op een zilveren bloem.
+
+SALOME (_komt op_): Ik blijf niet. Ik kan niet blijven. Waarom kijkt
+de Tetrarch mij voortdurend aan met zijn molsoogen onder zijn bevende
+oogleden?... Het is zonderling dat de man van mijne moeder mij op die
+wijze aanziet. Ik weet niet wat dat beduidt... Eigenlijk weet ik het
+wel.
+
+DE JONGE SYRIËR: Gij hebt zooeven het feest verlaten, Prinses?
+
+SALOME: Hoe zuiver is de lucht hier! Hier kan ik adem halen!
+Daarbinnen zijn Joden uit Jerusalem, die elkander verscheuren om hun
+belachelijke ceremoniën, en barbaren die niets doen dan drinken en hun
+wijn spillen op den vloer, en Grieken uit Smyrna met hun geverfde
+oogen en geblankette wangen, en hun haren gebrand in gewonden krullen,
+en stilzwijgende sluwe Aigyptenaren met hun graveelen nagels en hun
+rosse mantels, en lompe zwaarwichtige Romeinen met hun onbeschaafde
+spraak. O, ik verfoei de Romeinen! Het zijn gemeene lieden die zich
+willen voordoen als groote heeren.
+
+DE JONGE SYRIËR: Zult gij u niet nederzetten, Prinses?
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: Waarom spreekt gij haar aan? Waarom ziet gij
+naar haar?... O, daar staat een ongeluk te gebeuren.
+
+SALOME: Welk een genot de maan te zien! Zij gelijkt een klein
+geldstuk. Of wel, een heel kleine zilveren bloem. De maan is koud en
+kuisch... Ik weet zeker dat zij maagd is. Zij heeft de schoonheid van
+een maagd. Zij heeft zich nooit verontreinigd. Zij heeft zich nooit
+aan mannen overgegeven zooals de andere godinnen.
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: De Heere is gekomen! De zoon des menschen is
+gekomen. De kentauren hebben zich verscholen in de rivieren, en de
+sirenen hebben de rivieren verlaten en legeren onder de bladeren in de
+wouden.
+
+SALOME: Wie was het, die daar riep?
+
+TWEEDE SOLDAAT: De profeet, Prinses.
+
+SALOME: O de profeet! Voor wien de Tetrarch bevreesd is?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Daar weten wij niets van, Prinses. Het was de profeet
+Jokanaän.
+
+DE JONGE SYRIËR: Vergunt gij mij uw draagstoel te gebieden, Prinses?
+Het is overschoon in den tuin.
+
+SALOME: Hij zegt afschuwelijke dingen over mijn moeder, niet-waar?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Wij begrijpen nooit wat hij zegt, Prinses.
+
+SALOME: Ja, hij zegt afschuwelijke dingen van haar.
+
+SLAAF: Prinses, de Tetrarch verzoekt u terug te keeren naar het feest.
+
+SALOME: Ik ga daar niet terug.
+
+DE JONGE SYRIËR: Vergeef mij, Prinses, indien gij niet terugkeerde,
+zoû er mogelijk een ongeluk gebeuren.
+
+SALOME: Is hij een oud man, deze profeet?
+
+DE JONGE SYRIËR: Prinses, het ware beter terug te keeren. Vergun mij
+dat ik u naar binnen leide.
+
+SALOME: Is deze profeet een oud man?
+
+EERSTE SOLDAAT: Neen, Prinses, hij is een zeer jong man.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Men is er niet zeker van. Er zijn er die zeggen dat
+het Elias is.
+
+SALOME: Wie is Elias?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Een overoud profeet uit dit land, Prinses.
+
+SLAAF: Welk antwoord mag ik brengen aan den Tetrarch van de Prinses?
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: Verblijd u niet, gij land van Palaistina, omdat
+de roede van hem die u sloeg, gebroken is. Want uit het zaad der
+slang zal een basilisk voortkomen, en wat daaruit geboren zal worden,
+zal de vogelen verslinden.
+
+SALOME: Welk een zonderlinge stem! Ik heb lust met hem te spreken.
+
+EERSTE SOLDAAT: Ik vrees dat het onmogelijk is, Prinses. De Tetrarch
+wil niet dat iemand met hem spreekt. Hij heeft zelfs den Hoogepriester
+verboden met hem te spreken.
+
+SALOME: Ik wil met hem spreken.
+
+EERSTE SOLDAAT: Het is onmogelijk, Prinses.
+
+SALOME: Ik wil het.
+
+DE JONGE SYRIËR: Ware het niet beter, Prinses, terug te keeren naar
+het feest?
+
+SALOME: Haalt den profeet te voorschijn.
+
+EERSTE SOLDAAT: Wij durven niet, Prinses.
+
+SALOME (_nadert den waterput en kijkt er in af_): Hoe donker is het
+daar beneden! Het moet vreeselijk zijn in een zoo zwarten put! Het
+gelijkt op een graf... (_tot de soldaten:_) Hebt gij mij niet
+verstaan? Brengt hem te voorschijn. Ik wil hem zien.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Prinses, ik bid u, vraag zoo iets niet van ons.
+
+SALOME: Gij laat mij wachten?
+
+EERSTE SOLDAAT: Prinses, ons leven behoort u, maar wat gij ons vraagt,
+kunnen wij niet doen... En dan, behoort gij dit niet aan ons te
+vragen.
+
+SALOME (_ziet den jongen Syriër aan_): Ah!
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: O, wat gaat er gebeuren? Ik weet zeker dat er
+een ongeluk gaat gebeuren.
+
+SALOME (_nadert den jongen Syriër_): Gij zult dit doen voor mij,
+niet-waar, Narraboth? Gij zult dit doen voor mij. Ik ben altijd
+vriendelijk voor u geweest. Niet-waar, gij zult dit doen voor mij? Ik
+wil hem maar even zien, dezen zonderlingen profeet. Men heeft zooveel
+over hem gesproken. Ik heb den Tetrarch zoo vaak over hem hooren
+spreken. Ik denk dat de Tetrarch bevreesd voor hem is. Ik weet zeker
+dat hij bevreesd voor hem is ... Zijt ook gij, Narraboth, bevreesd
+voor hem?
+
+DE JONGE SYRIËR: Ik ben niet bevreesd voor hem, Prinses. Ik ben niet
+bevreesd voor eenig mensch. Maar de Tetrarch heeft uitdrukkelijk
+verboden het deksel van dezen put op te lichten.
+
+SALOME: Gij zult dit doen voor mij, Narraboth, en morgen als ik
+voorbijkom in mijn draagstoel onder de poort van de verkoopers van
+afgodsbeelden, zal ik voor u een kleine bloem laten vallen, een kleine
+groene bloem.
+
+DE JONGE SYRIËR: Prinses, ik kan het niet doen, ik kan niet.
+
+SALOME (_zij glimlacht_): Gij zult dit doen voor mij, Narraboth. Gij
+weet wel dat gij dit voor mij doen zult. En morgen als ik in mijn
+draagstoel voorbijkom over de brug van de koopers van afgodsbeelden,
+zal ik u aanzien door de moeselinen sluiers, ik zal u aanzien,
+Narraboth, misschien zal ik naar u glimlachen. Zie mij aan, Narraboth.
+Zie mij aan. O gij weet wel dat gij doen zult wat ik u vraag. Gij weet
+het wel, niet-waar? ... _Ik_ weet dat gij het doen zult.
+
+DE JONGE SYRIËR (_hij wenkt den derden soldaat_): Haal den profeet te
+voorschijn. De Prinses Salome wenscht hem te zien.
+
+SALOME: Ah!
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: O, hoe vreemd ziet de maan! Zij is als de hand
+eener doode die zich zoekt te dekken met een lijkkleed.
+
+DE JONGE SYRIËR: Ja, zij ziet zeer vreemd. Zij is als een kleine
+prinses wier oogen van amber zijn. Door de moeselinen wolken
+glimlacht zij als een kleine prinses.
+
+(_De profeet komt op uit den waterput. Salome ziet hem aan en treedt
+achteruit._)
+
+JOKANAÄN: Waar is hij wiens beker met verfoeiselen vol is? Waar is hij
+die bestemd is te sterven in een zilveren kleed voor de oogen van het
+gansche volk? Zegt hem dat hij hier komt om te hooren de stem van hem
+die geroepen heeft in de woestijn en in de paleizen der koningen.
+
+SALOME: Van wien spreekt hij?
+
+DE JONGE SYRIËR: Dat kan men nooit uitmaken, Prinses.
+
+JOKANAÄN: Waar is zij die de afbeeldselen van mannen gezien heeft
+geschilderd op den wand, Chaldeeuwsche mannen geteekend met bonte
+omtrekken, en zich overgegeven heeft aan den lust harer oogen en
+gezanten gezonden heeft naar Chaldaia?
+
+SALOME: Nu spreekt hij van mijn moeder.
+
+DE JONGE SYRIËR: O neen, Prinses.
+
+SALOME: Ja, hij spreekt van mijn moeder.
+
+JOKANAÄN: Waar is zij die zich gegeven heeft aan de hoofdmannen der
+Assyriërs, die zwaardriemen dragen om hun lendenen, en op hun hoofden
+tiara's van onderscheiden verven? Waar is zij die zich gegeven heeft
+aan de jonge mannen uit Aigypte, die bekleed zijn met fijn linnen en
+paars purper, die schilden dragen van goud en helmen van zilver, en
+wier lichamen geweldig zijn? Zegt haar dat zij oprijze van het leger
+harer onkuischheid, van haar overspelig leger, opdat zij hoore de
+woorden van hem die den weg des Heeren bereidt; opdat zij zich bekeere
+van hare zonden. Hoewel zij zich nimmer bekeeren zal, maar blijven zal
+in hare verfoeiselen, zegt haar te komen; want de roede des Heeren is
+in zijne hand.
+
+SALOME: Deze mensch is verschrikkelijk. Hij is verschrikkelijk.
+
+DE JONGE SYRIËR: Ik bid u, Prinses, blijf niet hier.
+
+SALOME: Vooral zijn oogen zijn verschrikkelijk. Ze zijn als zwarte
+gaten door fakkels gebrand in een Tyrisch wandtapijt. Zij zijn als
+zwarte holen waar draken wonen, als de zwarte spelonken van Aigypte,
+waar de draken hun toevlucht vinden. Zij zijn als zwarte meren
+verontrust door fantastische manen ... Denkt gij dat hij nog meer
+spreken zal?
+
+DE JONGE SYRIËR: Blijf niet hier, Prinses, ik bid u, blijf niet hier.
+
+SALOME: Hoe zeer mager is hij ook! Hij gelijkt op een dun ivoren
+standbeeld. Hij is als een zilveren standbeeld. Ik weet zeker dat hij
+even kuisch is als de maan. Hij gelijkt op een zilveren lichtstraal.
+Zijn lichaam moet heel koel aanvoelen, als ivoor... Ik wil hem
+dichterbij zien.
+
+DE JONGE SYRIËR: Neen, neen, Prinses!
+
+SALOME: Ik moet hem dichterbij zien.
+
+DE JONGE SYRIËR: Prinses! Prinses!
+
+JOKANAÄN: Wie is deze vrouw die mij aanziet? Ik wil niet dat zij mij
+aanziet. Waarom ziet zij mij aan met haar gouden oogen onder haar
+vergulde oogleden? Ik weet niet wie zij is. Ik wil het niet weten.
+Zegt haar dat zij heenga. Tot haar gaan mijn woorden niet.
+
+SALOME: Ik ben Salome, de dochter van Herodias, de Prinses van Judaia.
+
+JOKANAÄN: Terug! Dochter van Babel! Nader niet den uitverkorene des
+Heeren. Uwe moeder heeft de aarde vervuld met den wijn harer
+ongerechtigheden, en de roep harer zonden is opgeklommen tot de ooren
+van God.
+
+SALOME: Spreek voort, Jokanaän. Uw stem maakt mij dronken als wijn.
+
+DE JONGE SYRIËR: Prinses! Prinses! Prinses!
+
+SALOME: Spreek voort. Spreek voort, Jokanaän, en zeg mij wat ik moet
+doen.
+
+JOKANAÄN: Nader mij niet, dochter van Sodom, maar bedek uw gelaat met
+een sluier, en strooi asch op uw hoofd, en ga naar de woestijn en zoek
+den zoon des menschen.
+
+SALOME: Wie is hij, de zoon des menschen? Is hij even schoon als gij,
+Jokanaän?
+
+JOKANAÄN: Terug, terug! Ik hoor in het paleis het slaan der vleugelen
+van den engel des doods.
+
+DE JONGE SYRIËR: Prinses, ik smeek u, ga terug naar binnen.
+
+JOKANAÄN: Engel des Heeren, wat doet gij hier met uw zwaard? Wien
+zoekt gij in dit onrein paleis? ... De dag van hem die sterven zal in
+een kleed van zilver, is nog niet gekomen.
+
+SALOME: Jokanaän!
+
+JOKANAÄN: Wie noemt mijn naam?
+
+SALOME: Jokanaän! Ik ben verliefd op uw lichaam. Uw lichaam is blank
+als de leliën op de weide die de maaier nimmer heeft gemaaid. Uw
+lichaam is blank als de sneeuw die ligt op de bergen, als de sneeuw
+die ligt op de bergen van Judaia, en die nederdaalt in de valleien. De
+rozen in den tuin van de koningin van Arabia zijn niet zoo blank als
+uw lichaam. Noch de rozen in den tuin van de koningin van Arabia noch
+de voeten van den dageraad, die trippen over de hoogste boombladeren,
+noch de borsten van de maan als zij rust tegen de borsten van de zee
+... daar is niets in de wereld zoo blank als uw lichaam.--Laat mij toe
+uw lichaam aan te raken.
+
+JOKANAÄN: Terug, dochter van Babel! Door de vrouw is het kwaad in de
+wereld gekomen. Spreek niet tot mij. Ik wil niet naar u hooren. Ik
+hoor alleen naar de woorden van den Heere God.
+
+SALOME: Uw lichaam is afzichtelijk. Het is als het lichaam van een
+melaatsche. Het is als een gepleisterde wand waar adders hebben
+gekropen, als een gepleisterde wand waar schorpioenen hun nest hebben
+gemaakt. Het is als een gewit graf dat vol is van walgelijke dingen.
+Uw lichaam is afschuwelijk, het is afschuwelijk!... Op uwe haren ben
+ik verliefd, Jokanaän. Uw haren zijn als trossen druiven, als de
+trossen donkere druiven die afhangen van de wijnstokken van Edom in
+het land der Edomieten. Uwe haren zijn als de cederen van den Libanon,
+als de groote cederen van den Libanon, die schaduw geven aan de
+leeuwen en aan de roovers die zich willen verschuilen voor het
+daglicht. De lange donkere nachten, de nachten waarin de maan zich
+niet vertoont, waarin de sterren bevreesd zijn, zijn niet zoo zwart.
+De stilte die woont in de wouden, is niet zoo zwart. Er is niets in de
+wereld zoo zwart als uwe haren ... Laat mij toe uwe haren aan te
+raken.
+
+JOKANAÄN: Terug, dochter van Sodom! Raak mij niet aan. Ontwijd niet
+den tempel van den Heere God.
+
+SALOME: Uw haren zijn afschuwelijk. Zij zijn bedekt met slijk en stof.
+Zij zijn als een kroon van doornen, die zij geplaatst hebben op uw
+voorhoofd. Zij zijn als een wrong zwarte slangen die kronkelen om uwen
+hals. Ik bemin uwe haren niet ... Op uw mond ben ik verliefd,
+Jokanaän. Uw mond is als een scharlaken band om een toren van ivoor.
+Hij is als een granaatappel opengesneden met een ivoren mes. De
+granaatappelbloemen die bloesemen in de tuinen van Tyros en die rooder
+zijn dan de rozen, zijn niet zoo rood. De roode schetteringen der
+trompetten, die de komst der koningen verkondigen en den vijand vrees
+aanjagen, zijn niet zoo rood. Uw mond is rooder dan de voeten van hen
+die den wijn treden in de wijnpersbakken. Hij is rooder dan de voeten
+der duiven die verblijven in de tempels en gevoed worden door de
+priesters. Hij is rooder dan de voeten van hem die terugkeert uit het
+woud waar hij een leeuw heeft verslagen en vergulde tijgers heeft
+gezien. Uw mond is als een koraaltak dien visschers gevonden hebben in
+de schemering der zee en dien zij bewaren voor de koningen. Hij is als
+het vermiljoen dat de Moabieten vinden in de mijnen van Moab en dat de
+koningen hun afkoopen. Hij is als de boog van den koning der Perzen,
+die geverfd is met vermiljoen en die hoornen heeft van koraal. Daar is
+niets in de wereld zoo rood als uw mond ... Laat mij toe uw mond te
+kussen.
+
+JOKANAÄN: Nimmer, dochter van Babel! Dochter van Sodom, nimmer!
+
+SALOME: Ik zal uw mond kussen, Jokanaän. Ik zal uw mond kussen.
+
+DE JONGE SYRIËR: Prinses, Prinses, gij die zijt als een bundel myrrhe,
+gij die zijt de duif der duiven, zie dien mensch niet aan, zie hem
+niet aan! Spreek niet zulke woorden tot hem. Ik kan ze niet verduren
+.... Prinses, Prinses, zeg zulke dingen niet.
+
+SALOME: Ik zal uw mond kussen, Jokanaän.
+
+DE JONGE SYRIËR: O! (_Hij doodt zich en valt neêr tusschen Salome en
+Jokanaän._)
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: De jonge Syriër heeft zich gedood! De jonge
+hoofdman heeft zich gedood! Ik had hem een doosje met reukwerk gegeven
+en oorringen gewerkt in zilver, en nu heeft hij zich gedood! Heeft hij
+niet voorspeld dat er een ongeluk ging gebeuren? Ik heb het zelf
+voorspeld, en nu is het gebeurd. Ik wist wel dat de maan speurde naar
+een doode, maar ik wist niet dat hij het was, dien zij zocht. O,
+waarom heb ik hem niet verborgen voor de maan? Als ik hem verborgen
+had in een spelonk, zoû zij hem niet gezien hebben.
+
+EERSTE SOLDAAT: Prinses, de jonge hoofdman heeft zich zooeven gedood.
+
+SALOME: Laat toe dat ik uw mond kus, Jokanaän.
+
+JOKANAÄN: Zijt gij niet bevreesd, dochter van Herodias? Heb ik u niet
+gezegd dat ik in het paleis gehoord had het slaan der vleugelen van
+den engel des doods, en is niet de engel gekomen?
+
+SALOME: Laat mij uwen mond kussen.
+
+JOKANAÄN: Dochter van echtbreuk, er is slechts éen mensch die u redden
+kan: hij van wien ik u gesproken heb. Ga hem zoeken. Hij bevindt zich
+in een schip op de zee van Galilaia en spreekt tot zijne discipelen.
+Kniel neder aan den zoom der zee en roep hem bij zijn naam. Als hij
+tot u komt, en hij komt tot allen die hem roepen, buig u ter aarde aan
+zijne voeten en vraag hem vergeving uwer zonden.
+
+SALOME: Laat mij uwen mond kussen.
+
+JOKANAÄN: Wees vervloekt, dochter eener overspelige moeder, wees
+vervloekt.
+
+SALOME: Ik zal uwen mond kussen, Jokanaän.
+
+JOKANAÄN: Ik wil u niet aanzien. Ik zal u niet aanzien. Gij zijt
+vervloekt, Salome, gij zijt vervloekt. (_Hij daalt af in den
+waterput._)
+
+SALOME: Ik zal uwen mond kussen, Jokanaän, ik zal uwen mond kussen.
+
+EERSTE SOLDAAT: Wij moeten het doode lichaam laten wegbrengen. De
+Tetrarch ziet niet gaarne lijken behalve de lijken van hen die hij
+zelf gedood heeft.
+
+DE PAGE VAN HERODIAS: Hij was mijn broeder, hij was mij nader dan een
+broeder. Ik heb hem een doosje gegeven, dat reukwerk bevatte, en een
+agaten ring dien hij altijd aan zijn vinger droeg. Des avonds
+plachten wij te wandelen aan den oever der rivier en tusschen de
+amandelboomen. Dan verhaalde hij mij van zijn land. Hij sprak altijd
+zeer zacht. De klank van zijn stem was als de klank van de fluit eens
+fluitspelers. Ook hield hij er veel van naar zich-zelf te zien in de
+rivier. Ik heb hem daar nog verwijt van gemaakt.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Gij hebt gelijk. Wij moeten het lijk verbergen. Het is
+beter dat de Tetrarch het niet ziet.
+
+EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch zal hier niet komen. Hij komt nooit op het
+terras. Hij is te bevreesd voor den profeet.
+
+(_Herodes en Herodias komen op met hun gevolg._)
+
+HERODES: Waar is Salome? Waar is de Prinses? Waarom is zij niet
+teruggekeerd aan het feestmaal zooals ik haar bevolen had?--O, daar is
+zij.
+
+HERODIAS: Gij moet haar niet aanzien. Gij ziet haar voortdurend aan!
+
+HERODES: De maan ziet zeer vreemd vanavond. Ziet de maan niet zeer
+vreemd? Zij is als een liefdeskranke vrouw, een liefdeskranke vrouw
+die overal naar minnaars omzoekt. Ook is zij naakt. Zij is geheel
+naakt. De wolken trachten haar te bekleeden, maar zij wil niet. Zij
+waggelt door de wolken als een beschonken vrouw. Ik weet zeker dat zij
+naar minnaars zoekt. Waggelt zij niet als een beschonken vrouw? Zij
+gelijkt op een liefdeskranke vrouw, niet-waar?
+
+HERODIAS: Wel neen. De maan lijkt op de maan en op niets anders. Laten
+wij weêr naar binnen gaan... Gij hebt hier niets te maken.
+
+HERODES: Ik blijf hier! Manasse, spreid tapijten daar. Steekt fakkels
+aan. Brengt de tafelen van jaspis. De lucht is hier kostelijk. Brengt
+anderen wijn. Ik wil nog drinken met mijne gasten. Aan de gezanten van
+Caesar moeten wij alle eer bewijzen.
+
+HERODIAS: Niet ter wille van hen blijft gij hier.
+
+HERODES: Ja, de lucht is kostelijk. Kom, Herodias, onze gasten wachten
+ons. Wee, mijn voet is uitgegleden! Mijn voet is uitgegleden in bloed!
+Een slecht voorteeken. Een zeer slecht voorteeken. Hoe komt hier
+bloed?... En dit lijk? Wat doet dit lijk hier? Denkt gij dat ik ben
+als de koning van Aigypte, die nooit een feest geeft zonder een lijk
+te vertoonen aan zijne gasten? Wiens lijk is dit? Ik wil er niet naar
+zien.
+
+EERSTE SOLDAAT: Het is onze hoofdman, Heer. Het is de jonge Syriër,
+dien gij pas vóor drie dagen hoofdman gemaakt hebt.
+
+HERODES: Ik heb geen bevel gegeven om hem te dooden.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Hij heeft zich-zelf gedood, Heer.
+
+HERODES: Om wat reden? Ik had hem hoofdman gemaakt.
+
+TWEEDE SOLDAAT: Wij weten niet, Heer. Maar hij heeft zich-zelf gedood.
+
+HERODES: Dat lijkt mij zonderling. Ik dacht dat alleen Romeinsche
+wijsgeeren zich-zelf doodden. Niet-waar, Tigellinus, de wijsgeeren te
+Rome dooden zich-zelf?
+
+TIGELLINUS: Er zijn er die zich dooden, Heer. Dat zijn de Stoïcijnen.
+Het zijn erg onbeschaafde menschen. Het zijn zeer belachelijke
+menschen. Ik voor mij vind hen zeer belachelijk.
+
+HERODES: Ik ook. Het is belachelijk zich te dooden.
+
+TIGELLINUS: Iedereen te Rome spot met hen. De Keizer heeft een satire
+tegen hen geschreven, die overal wordt gedeclameerd.
+
+HERODES: Heeft de Keizer een satire tegen hen geschreven? Caesar is
+wonderbaarlijk. Daar is niets wat hij niet kan... Het is zonderling
+dat de jonge Syriër zich heeft gedood. Ik betreur dat dit geschied
+is. Ik betreur het zeer. Want hij was schoon om te zien. Hij was zelfs
+zeer schoon. Hij had zeer smachtende oogen. Ik herinner mij hoe ik hem
+smachtend heb zien kijken naar Salome. In waarheid, ik vond toen dat
+hij een weinig te veel naar haar zag.
+
+HERODIAS: Daar zijn anderen die te veel naar haar zien.
+
+HERODES: Zijn vader was een koning. Ik heb hem uit zijn koninkrijk
+verdreven. En van zijn moeder, die een koningin was, hebt gij eene
+slavin gemaakt, Herodias. Dus was hij hier als het ware mijn gast.
+Daarom had ik hem hoofdman gemaakt. Ik betreur het dat hij dood is...
+Maar waarom hebt gij het lijk hier gelaten? Brengt het weg van hier.
+Ik wil het niet zien.... Brengt het weg.... (_Men draagt het lijk
+weg._) Het is koud hier. Er is wind hier. Niet-waar, er is wind?
+
+HERODIAS: Neen. Er is geen wind.
+
+HERODES: Zeker, er is wind... En ik hoor in de lucht als het slaan van
+vleugelen, als het slaan van reusachtige vleugelen. Hoort gij niet?
+
+HERODIAS: Ik hoor niets.
+
+HERODES: Nu hoor ik het zelf ook niet meer. Maar ik heb het gehoord.
+Het was ongetwijfeld de wind. Nu is het voorbij. Maar neen, ik hoor
+het weêr. Hoort gij niet? Het is volkomen als het slaan van vleugelen.
+
+HERODIAS: Ik zeg u dat er niets is. Gij zijt onwel. Laten wij naar
+binnen gaan.
+
+HERODES: Ik ben heel wel. Uw dochter is veeleer onwel. Nooit heb ik
+haar zoo bleek gezien.
+
+HERODIAS: Gij moet haar niet aanzien, zeg ik u.
+
+HERODES: Geeft mij wijn. (_Men brengt wijn._) Salome, kom en drink een
+weinig wijn met mij. Ik heb hier een uitgelezen wijn. Caesar zelf
+heeft hem mij gezonden. Doop er uw roode lipjes in, en dan zal ik den
+beker ledigen.
+
+SALOME: Ik ben niet dorstig, Tetrarch.
+
+HERODES: Hoort gij hoe uw dochter mij antwoordt?
+
+HERODIAS: Ik vind dat zij groot gelijk heeft. Waarom ziet gij haar
+voortdurend aan?
+
+HERODES: Brengt mij vruchten. (_Men brengt vruchten._) Salome, kom en
+eet een vrucht met mij. Ik zie gaarne den beet uwer tandjes in een
+vrucht. Bijt een klein stukje uit deze vrucht, en dan zal ik eten wat
+overschiet.
+
+SALOME: Ik ben niet hongerig, Tetrarch.
+
+HERODES: Gij ziet hoe gij uw dochter hebt opgevoed.
+
+HERODIAS: Mijn dochter en ik stammen uit een koninklijk geslacht. Maar
+uw grootvader hoedde kameelen! Ook was hij een roover!
+
+HERODES: Gij liegt!
+
+HERODIAS: Gij weet zeer wel dat ik de waarheid spreek.
+
+HERODES: Salome, kom hier naast mij zitten. Ik zal u den troon uwer
+moeder geven.
+
+SALOME: Ik ben niet vermoeid, Tetrarch.
+
+HERODIAS: Gij ziet hoe zij over u denkt.
+
+HERODES: Brengt mij... Wat wil ik ook weêr? Ik weet het niet... O, ik
+herinner mij...
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: De tijd is gekomen! Wat ik voorzegd heb, is
+geschied, zegt de Heere God. De dag waarvan ik gesproken heb, is
+gekomen.
+
+HERODIAS: Beveel hem te zwijgen. Ik wil zijn stem niet hooren. Deze
+mensch braakt altijd smaadredenen tegen mij uit.
+
+HERODES: Hij heeft niets tegen u gezegd. Bovendien is hij een zeer
+groot profeet.
+
+HERODIAS: Ik geloof niet aan profeten. Kan een mensch zeggen, wat in
+de toekomst zal gebeuren? Niemand weet dat. Bovendien hoont hij mij
+altijd. Maar ik geloof dat gij bevreesd voor hem zijt. Ik weet zeer
+wel dat gij bevreesd voor hem zijt.
+
+HERODES: Ik ben niet bevreesd voor hem. Daar is niemand voor wien ik
+bevreesd ben.
+
+HERODIAS: Het is zoo, gij zijt bevreesd voor hem. Indien gij niet
+bevreesd voor hem waart, waarom levert gij hem niet over aan de Joden
+die al zes maanden lang hem opeischen?
+
+EEN JOOD: Inderdaad, Heer, het zoû beter zijn hem aan ons over te
+leveren.
+
+HERODES: Genoeg hierover. Ik heb u reeds mijn antwoord gegeven. Ik wil
+hem niet aan u overleveren. Hij is een man die God heeft gezien.
+
+EERSTE JOOD: Dat is onmogelijk. Niemand heeft God gezien sinds den
+profeet Elias. Hij is de laatste die God gezien heeft. In dezen tijd
+verschijnt God niet meer. God verbergt zich. Dientengevolge komen
+groote rampen over ons land.
+
+ANDERE JOOD: Eigenlijk weet men niet of de profeet Elias werkelijk God
+gezien heeft. Het was veeleer maar de schaduw van God, die hij gezien
+heeft.
+
+DERDE JOOD: God verbergt zich nooit. Hij verschijnt voortdurend en in
+alle dingen. God is in het booze als in het goede.
+
+VIERDE JOOD: Zeg dat niet. Het is een zeer gevaarlijke leer. Het is
+een leer die komt uit de scholen van Alexandria, waar men Grieksche
+wijsbegeerte onderwijst. En de Grieken zijn heidenen. Zij zijn zelfs
+niet besneden.
+
+VIJFDE JOOD: Men kan niet zeggen hoe God werkt; zijn wegen zijn zeer
+geheimzinnig. Mogelijk is wat wij het booze noemen, het goede, en wat
+wij het goede noemen, het booze. Daar is niets dat men zeker weet.
+Wij moeten ons noodzakelijk aan alles onderwerpen. God is zeer
+geweldig. Hij breekt de sterken tezamen met de zwakken. Hij kent geen
+aanzien des persoons.
+
+EERSTE JOOD: Dat is waar. God is schrikkelijk. Hij breekt de zwakken
+en de sterken zooals een man koren breekt in een mortier. Maar deze
+mensch heeft God nooit gezien. Niemand heeft God gezien sinds den
+profeet Elias.
+
+HERODIAS: Gebied hun te zwijgen. Zij vervelen mij.
+
+HERODES: Maar ik heb hooren zeggen dat Jokanaän niemand anders is dan
+uw profeet Elias.
+
+EERSTE JOOD: Dat is niet mogelijk. Sinds de dagen van den profeet
+Elias zijn drie honderd jaren.
+
+HERODES: Er zijn er die zeggen dat hij de profeet Elias is.
+
+EEN NAZAREËR: Ik weet zeker dat hij de profeet Elias is.
+
+EERSTE JOOD: Neen, hij is de profeet Elias niet.
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: De dag is gekomen, de dag des Heeren, en ik hoor
+op de bergen de voeten van hem die de Heiland der wereld wezen zal.
+
+HERODES: Wat beteekent dat? De Heiland der wereld?
+
+TIGELLINUS: Het is een titel dien Caesar zich geeft.
+
+HERODES: Maar Caesar komt niet naar Judaia. Ik heb gisteren brieven
+uit Rome ontvangen. Er stond niets daarvan in. En gij, Tigellinus, die
+gedurende den winter te Rome zijt geweest, gij hebt daarvan niets
+hooren verluiden, niet-waar?
+
+TIGELLINUS: Inderdaad, Heer, ik heb er niet van hooren spreken. Ik
+verklaarde u enkel den titel. Het is een van Caesars titels.
+
+HERODES: Caesar zoû niet kunnen komen. Hij is jichtig. Hij heeft, zegt
+men, voeten als die van een elephant. Ook zijn er staatsbelangen die
+het beletten. Hij die Rome verlaat, verliest Rome. Hij zal niet komen.
+Toch, Caesar is meester. Hij zal komen als hij wil. Maar ik denk niet
+dat hij komen zal.
+
+EERSTE NAZAREËR: Niet van Caesar heeft de profeet gesproken, Heer.
+
+HERODES: Niet van Caesar?
+
+EERSTE NAZAREËR: Neen, Heer.
+
+HERODES: Van wien heeft hij dan gesproken?
+
+EERSTE NAZAREËR: Van den Messias die gekomen is.
+
+EERSTE JOOD: De Messias is niet gekomen.
+
+EERSTE NAZAREËR: Hij is gekomen, en hij doet overal wonderen.
+
+HERODIAS: Ha! ha! Wonderen! Ik geloof niet aan wonderen. Ik heb er te
+veel gezien. (_Tot den page:_) Mijn waaier.
+
+EERSTE NAZAREËR: Deze mensch doet waarachtige wonderen. Zoo bij
+gelegenheid van een huwelijk dat plaats vond in een vlek van Galilaia,
+een vrij groot vlek, heeft hij water in wijn veranderd. Menschen die
+er bij waren, hebben het mij verteld. Ook heeft hij twee melaatschen
+die zaten voor de poort van Capernaüm, genezen enkel door hen aan te
+raken..
+
+TWEEDE NAZAREËR: Neen, het waren twee blinden die hij genezen heeft te
+Capernaüm.
+
+EERSTE NAZAREËR: Neen, het waren melaatschen. Maar hij heeft ook
+blinden genezen, en men heeft hem op een berg zien spreken met
+engelen.
+
+EEN SADDUCEËR: Engelen bestaan niet.
+
+EEN FARIZEËR: Er bestaan wel engelen, maar ik geloof niet dat deze
+mensch met hen gesproken heeft.
+
+EERSTE NAZAREËR: Een groote schare heeft hem met engelen zien spreken.
+
+EEN SADDUCEËR: Niet met engelen.
+
+HERODIAS: Hoe deze menschen mij ergeren! Zij zijn stompzinnig. Zij
+zijn volslagen stompzinnig. (_Tot den page:_) Hier, mijn waaier. (_De
+page geeft haar den waaier._) Gij staat te droomen. Gij doet beter
+niet te droomen. Het is ziekelijk om te staan droomen. (_Zij slaat den
+page met haar waaier._)
+
+TWEEDE NAZAREËR: Ook is er nog het wonder met het dochtertje van
+Jaïrus.
+
+EERSTE NAZAREËR: Zeker. Dat staat vast. Men kan het niet ontkennen.
+
+HERODIAS: Die menschen zijn krankzinnig. Zij hebben zich aan de maan
+vergaapt. Zeg hun dat zij zwijgen.
+
+HERODES: Wat is dat, het wonder met het dochtertje van Jaïrus?
+
+EERSTE NAZAREËR: Het dochtertje van Jaïrus was dood. Hij heeft haar
+opgewekt.
+
+HERODES: Hij wekt de dooden op?
+
+EERSTE NAZAREËR: Ja, Heer, hij wekt de dooden op.
+
+HERODES: Ik wil niet dat hij dat doet. Ik verbied hem dat te doen. Ik
+sta niemand toe de dooden op te wekken. Zoekt dezen mensch op en zegt
+hem dat ik hem niet toesta de dooden op te wekken. Waar is deze mensch
+op het oogenblik?
+
+TWEEDE NAZAREËR: Hij is overal, Heer, maar het is zeer moeilijk hem te
+vinden.
+
+EERSTE NAZAREËR: Men zegt dat hij op het oogenblik in Samaria is.
+
+EERSTE JOOD: Men ziet licht dat deze de Messias niet is, wanneer hij
+in Samaria is. Tot de Samaritanen zal de Messias niet komen. De
+Samaritanen zijn vervloekt. Zij offeren niet in den tempel.
+
+TWEEDE NAZAREËR: Hij heeft vóor enkele dagen Samaria verlaten. Ik
+geloof dat hij op dit oogenblik in de omstreken van Jerusalem is.
+
+EERSTE NAZAREËR: Neen, daar is hij niet. Ik kom juist terug van
+Jerusalem. Men heeft daar in twee maanden niets van hem gehoord.
+
+HERODES: Het komt er niet op aan! Maar zorgt dat gij hem uitvindt, en
+zegt hem uit mijn naam dat ik hem niet toesta de dooden op te wekken.
+Water in wijn veranderen, de melaatschen en de blinden genezen,--dat
+alles mag hij doen als hij wil. Ik heb daar niets tegen. In waarheid
+vind ik dat de melaatschen genezen een goed werk is. Maar ik sta hem
+niet toe de dooden op te wekken... Het zoû schrikkelijk zijn als de
+dooden terugkwamen.
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: Wee de onkuische, de overspelige vrouw! Wee de
+dochter van Babel met haar gouden oogen en haar vergulde oogleden.
+Hoort wat de Heere God zegt. Laat tegen haar opkomen een menigte
+mannen. Laat het volk steenen opnemen en haar steenigen...
+
+HERODIAS: Gebied hem te zwijgen.
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: Dat de hoofdlieden der krijgsbenden haar
+doorsteken met hunne zwaarden, dat zij haar verpletteren onder hunne
+schilden.
+
+HERODIAS: Neen maar het is schandelijk!
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: Zoo zal ik de boosheid wegdoen van het
+aangezicht der aarde, en alle vrouwen zullen leeren hare verfoeiselen
+niet na te volgen.
+
+HERODIAS: Hoort gij wat hij tegen mij zegt? Laat gij uwe gemalin
+honen?
+
+HERODES: Hij heeft uw naam niet genoemd.
+
+HERODIAS: Wat doet dat? Gij weet wel dat hij mij zoekt te honen. En ik
+ben uw gemalin, niet-waar?
+
+HERODES: Voorzeker, waarde en edele Herodias, gij zijt mijn gemalin,
+en voordien waart gij de gemalin van mijn broeder.
+
+HERODIAS: Gij hebt mij uit zijn armen weggerukt.
+
+HERODES: Het is waar, ik was de sterkste... maar laten wij daarover
+niet spreken. Ik wil daarover niet spreken. Om oorzaak daarvan heeft
+de profeet woorden van verschrikking gesproken. Om oorzaak daarvan zal
+er nog een ongeluk gebeuren. Laten wij er niet over spreken... Edele
+Herodias, wij vergeten onze gasten. Vul mijn beker, mijn beminde. Vult
+met wijn de groote zilveren bekers en de groote glazen bekers. Ik wil
+drinken op Caesar. Er zijn Romeinen hier, en wij moeten drinken op
+Caesar.
+
+ALLEN: Caesar! Caesar!
+
+HERODES: Merkt gij niet op hoe bleek uw dochter is?
+
+HERODIAS: Wat hebt gij daarmeê van-doen of zij bleek is of niet?
+
+HERODES: Ik heb haar nooit zoo bleek gezien.
+
+HERODIAS: Gij doet beter haar niet aan te zien.
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: In dien dag zal de zon zwart worden als een
+haren zak, en de maan zal worden als bloed, en de sterren zullen van
+den hemel neêrvallen op de aarde als onrijpe vijgen afvallen van een
+vijgeboom, en de koningen der aarde zullen bevreesd zijn.
+
+HERODIAS: Ha! Ha! Dien dag zoû ik wel eens willen zien, waarvan hij
+spreekt, wanneer de maan zal worden als bloed en de sterren op de
+aarde zullen vallen als onrijpe vijgen. Deze profeet spreekt als een
+beschonken man... Maar ik kan den klank van zijn stem niet uitstaan.
+Ik verfoei zijn stem. Gebied dat hij zwijge.
+
+HERODES: Neen, neen. Ik begrijp niet wat hij gezegd heeft, maar het is
+mogelijk een voorspelling.
+
+HERODIAS: Ik geloof niet in voorspellingen. Hij spreekt als een
+dronken man.
+
+HERODES: Misschien is hij dronken van den wijn van God.
+
+HERODIAS: Wat wijn is dat, de wijn van God? Uit welken wijngaard komt
+hij? In welken wijnpersbak kan men hem vinden?
+
+HERODES: (_Hij laat geen oog meer af van Salome._) Tigellinus, toen
+gij laatstelijk te Rome waart, heeft de Keizer u toen gesproken
+over...?
+
+TIGELLINUS: Waarover, Heer?
+
+HERODES: Waarover? Ah, ik heb een vraag tot u gericht, niet-waar? Ik
+ben vergeten wat ik wilde vragen.
+
+HERODIAS: Gij ziet weêr mijn dochter aan. Gij moet haar niet aanzien.
+Dat heb ik u reeds gezegd.
+
+HERODES: Gij zegt niets anders.
+
+HERODIAS: Ik zeg het nog eens.
+
+HERODES: En de herstelling van den tempel, waarvan men zooveel
+gesproken heeft? Zal daar nu iets voor gedaan worden? Men zegt,
+niet-waar, dat het voorhangsel van het heilige der heiligen verdwenen
+is?
+
+HERODIAS: Gij zelf hebt het weggenomen. Gij weet niet meer wat gij
+zegt. Ik wil hier niet langer blijven. Laten wij naar binnen gaan.
+
+HERODES: Salome, dans voor mij.
+
+HERODIAS: Ik wil niet dat zij danst.
+
+SALOME: Ik heb geen lust tot dansen, Tetrarch.
+
+HERODES: Salome, dochter van Herodias, dans voor mij.
+
+HERODIAS: Laat haar met rust.
+
+HERODES: Ik gelast u te dansen, Salome.
+
+SALOME: Ik zal niet dansen, Tetrarch.
+
+HERODIAS (_lachend_): Gij ziet hoe gehoorzaam zij u is.
+
+HERODES: Het is mij om 't even of zij danst of niet. Het is mij om 't
+even. Ik voel mij gelukkig vanavond. Ik voel mij zeer gelukkig. Ik heb
+mij nooit zoo gelukkig gevoeld.
+
+EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch ziet somber. Niet-waar, hij ziet somber?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber.
+
+HERODES: Hoe zoû ik mij niet gelukkig voelen? Caesar die de meester
+der wereld is, die meester van alles is, is mij zeer genegen. Hij
+heeft mij pas geschenken van groote waarde gezonden. Ook heeft hij mij
+beloofd naar Rome te dagen den koning van Kappadokia, die mijn vijand
+is. Mogelijk zal hij hem te Rome kruisigen. Caesar kan alles doen wat
+hij wil. Hij is heer en meester. Dus, gij ziet, ik heb het recht mij
+gelukkig te voelen. Er is niets ter wereld dat mijn vreugde bederven
+kan.
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: Hij zal gezeten zijn op zijn troon. Hij zal
+bekleed zijn met purper en scharlaken. In zijne hand zal hij een
+gouden beker dragen vol van zijne godslasteringen. En de engel des
+Heeren zal hem slaan. Hij zal door de wormen gegeten worden.
+
+HERODIAS: Gij hoort wat hij van u zegt. Hij zegt dat gij door de
+wormen zult gegeten worden.
+
+HERODES: Hij spreekt niet van mij. Hij zegt nooit iets tegen mij. Van
+den koning van Kappadokia spreekt hij, van den koning van Kappadokia,
+die mijn vijand is. Die zal door de wormen gegeten worden. Niet ik.
+Nooit heeft de profeet iets tegen mij gezegd behalve dat ik verkeerd
+deed de gemalin van mijn broeder tot gemalin te nemen. Mogelijk heeft
+hij gelijk. Inderdaad zijt gij onvruchtbaar.
+
+HERODIAS: Ik ben onvruchtbaar, ik? En gij zegt dat, gij die
+voortdurend mijn dochter aanziet, gij die haar zooeven hebt willen
+doen dansen voor uw genoegen? Het is belachelijk zoo iets te zeggen.
+Ik heb een kind gebaard. Gij hebt nooit een kind verwekt, zelfs niet
+bij een uwer slavinnen. Niet ik ben onvruchtbaar, maar gij.
+
+HERODES: Houd u stil. Ik zeg u dat gij onvruchtbaar zijt. Gij hebt mij
+geen kind geschonken, en de profeet zegt dat ons huwelijk geen
+waarachtig huwelijk is. Hij zegt dat het een overspelig huwelijk is,
+dat ongeluk zal aanbrengen ... Ik vrees dat hij gelijk heeft. Ik voel
+dat hij gelijk heeft. Maar het is nu het oogenblik niet om daarover te
+spreken. Op het oogenblik wil ik uitsluitend gelukkig zijn. In
+waarheid ben ik het. Ik ben zeer gelukkig. Er is niets dat mij
+ontbreekt.
+
+HERODIAS: Ik ben blijde dat gij in zoo goede stemming zijt vanavond.
+Het is uw gewoonte niet. Maar het wordt laat. Laten wij naar binnen
+gaan. Bedenk dat wij morgen bij zonsopgang allen op jacht gaan. Aan de
+gezanten van Caesar moeten wij alle eer bewijzen, niet-waar?
+
+TWEEDE SOLDAAT: Hoe somber ziet de Tetrarch.
+
+EERSTE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber.
+
+HERODES: Salome, Salome, dans voor mij. Ik smeek u, dans voor mij. Ik
+ben droefgestemd vanavond. Ja, ik ben buitengewoon droefgestemd
+vanavond. Toen ik hier kwam, ben ik uitgegleden in bloed, wat een
+slecht voorteeken is, en ik heb gehoord, ik weet zeker dat ik gehoord
+heb het slaan van vleugelen in de lucht, het slaan van reusachtige
+vleugelen. Ik weet niet wat dat beteekenen moet. Ik ben droefgestemd
+vanavond. Daarom dans voor mij. Dans voor mij, Salome, ik smeek er u
+om. Als gij voor mij danst, kunt gij mij vragen wat gij wilt en ik zal
+het u geven. O dans voor mij, Salome, en ik zal u geven alles wat gij
+mij vraagt, zelfs tot de helft van mijn koninkrijk.
+
+SALOME (_staat op_): Gij zult mij geven al wat ik vraag, Tetrarch?
+
+HERODIAS: Dans niet, mijne dochter.
+
+HERODES: Alles, tot de helft van mijn koninkrijk.
+
+SALOME: Gij zweert het, Tetrarch?
+
+HERODES: Ik zweer het, Salome.
+
+HERODIAS: Mijn dochter, dans niet.
+
+SALOME: Waarbij zweert gij, Tetrarch?
+
+HERODES: Bij mijn leven, bij mijn kroon, bij mijne goden. Al wat gij
+wilt zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk, als gij voor
+mij danst. O, Salome, dans voor mij.
+
+SALOME: Gij hebt gezworen, Tetrarch.
+
+HERODES: Ik heb gezworen, Salome.
+
+SALOME: Alles wat ik vraag, tot de helft van uw koninkrijk?
+
+HERODIAS: Dans niet, mijne dochter.
+
+HERODES: Tot de helft van mijn koninkrijk. Gij zoudt bovenmate schoon
+zijn als koningin, Salome, indien het u behaagde de helft van mijn
+koninkrijk te vragen. Zoû zij niet bovenmate schoon zijn als
+koningin?... O, het is koud hier, daar is een ijskoude wind, en ik
+hoor... Waarom hoor ik in de lucht dat slaan van vleugelen? Het is
+alsof er een vogel, een groote zwarte vogel is, die omvliegt boven het
+terras. Waarom kan ik dien vogel niet zien? Het slaan zijner vleugelen
+is verschrikkelijk. De wind dien zijn vleugelen maken, is
+verschrikkelijk. Het is een kille wind ... Neen, het is volstrekt niet
+koud. Integendeel, het is zeer warm. Het is te warm. Ik ben benauwd.
+Schenkt water op mijn handen. Geeft mij sneeuw te eten. Maakt mijn
+mantel los. Snel, snel, maakt mijn mantel los ... Neen. Laat wezen.
+Het is mijn krans die mij hindert, mijn krans van rozen. De bloemen
+zijn als vuur. Zij nebben mijn voorhoofd verschroeid. (_Hij rukt zich
+den krans van het hoofd en werpt hem neêr op de tafel._) Ah, ik kom
+weêr op adem. Hoe rood zijn die bloembladen! Zij zijn als vlekken
+bloed op het tafellaken. Het is van geen belang. Men moet geen
+zinnebeelden vinden in al wat men ziet. Dat maakt het leven
+onmogelijk. Men doet beter te zeggen dat bloedvlekken even schoon zijn
+als rozebladen. Dat zoû veel beter zijn... Maar laten wij daarvan niet
+spreken. Nu voel ik mij gelukkig. Ik voel mij zeer gelukkig. Ik heb
+het recht mij gelukkig te voelen, niet-waar? Uw dochter gaat voor mij
+dansen. Niet-waar, gij gaat voor mij dansen, Salome? Gij hebt beloofd
+voor mij te dansen.
+
+HERODIAS: Ik wil niet dat zij danst.
+
+SALOME: Ik zal dansen voor u, Tetrarch.
+
+HERODES: Gij hoort wat uw dochter zegt. Zij zal voor mij dansen. Gij
+hebt groot gelijk, Salome, dat gij voor mij danst. En wanneer gij hebt
+gedanst, vergeet niet te vragen al wat gij wilt. Al wat gij wilt zal
+ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk. Ik heb het gezworen,
+niet-waar?
+
+SALOME: Gij hebt gezworen, Tetrarch.
+
+HERODES: En ik heb nooit mijn woord gebroken. Ik behoor niet tot hen
+die hun woord breken. Ik weet niet wat liegen is. Ik ben de slaaf van
+mijn woord, en mijn woord is het woord eens konings. De koning van
+Kappadokia liegt altijd, maar hij is geen waarachtig koning. Hij is
+een lafaard. Ook is hij mij geld schuldig, dat hij mij niet wil
+terugbetalen. Hij heeft zelfs mijn afgezanten gehoond. Hij heeft
+beleedigende woorden gezegd. Maar Caesar zal hem kruisigen wanneer hij
+te Rome komt. Ik weet zeker dat Caesar hem zal kruisigen. Of anders
+zal hij sterven gegeten door de wormen. De profeet heeft het voorspeld
+... Nu, Salome, waarop wacht gij?
+
+SALOME: Ik wacht dat mijn slavinnen mij reukwateren brengen en de
+zeven sluiers, en mijne sandalen ontbinden. (_Slavinnen brengen
+reukwateren en de zeven sluiers en ontbinden de sandalen van Salome._)
+
+HERODES: Ha, gij gaat dansen op bloote voeten! Dat is goed! Dat is
+goed! Uw voetjes zullen als witte duiven zijn. Zij zullen gelijken op
+kleine witte bloemen die wiegen op den boom ... Maar neen. Zij gaat
+dansen in bloed. Daar ligt bloed op den grond. Ik wil niet dat zij
+danst in bloed. Het zoû een zeer slecht voorteeken zijn.
+
+HERODIAS: Wat gaat dat u aan of zij danst in bloed? Gij hebt wel in
+bloed gewaad ...
+
+HERODES: Wat doet dat er toe voor mij? O zie de maan! Zij is
+plotseling rood geworden. Zij is zoo rood geworden als bloed. O de
+profeet heeft het wel voorspeld. Hij heeft voorspeld dat de maan rood
+zoû worden als bloed. Niet-waar, hij heeft het voorspeld? Gij allen
+hebt het gehoord. De maan is rood geworden als bloed. Ziet gij niet?
+
+HERODIAS: O ja, ik zie het zeer wel, en de sterren vallen als onrijpe
+vijgen, niet-waar? En de zon wordt zwart als een haren zak, en de
+koningen der aarde zijn bevreesd. Dat tenminste kan men zien. Voor
+eenmaal in zijn leven heeft de profeet de waarheid gezegd. De koningen
+der aarde zijn bevreesd ... Laten wij nu naar binnen gaan. Gij zijt
+ziek. Men zal te Rome vertellen dat gij waanzinnig zijt. Laten wij
+naar binnen gaan, zeg ik.
+
+DE STEM VAN JOKANAÄN: Wie is deze die komt van Edom, die komt van
+Bozra met zijn kleed geverfd in purper; die straalt in de schoonheid
+van zijn gewaad, die voorttrekt in zijn groote kracht? Waarom is uw
+gewaad geverfd in scharlaken?
+
+HERODIAS: Laten wij naar binnen gaan. De stem van dezen mensch is mij
+ondragelijk. Ik wil niet dat mijn dochter danst terwijl hij telkens
+zoo roept. Ik wil niet dat zij danst terwijl gij haar op deze wijze
+aanziet. In éen woord, ik wil niet dat zij danst.
+
+HERODES: Rijs niet op, mijn gemalin, mijn koningin, het zoû niet
+baten. Ik zal niet naar binnen gaan vóor zij gedanst heeft. Dans,
+Salome, dans voor mij.
+
+HERODIAS: Dans niet, mijne dochter.
+
+SALOME: Ik ben gereed, Tetrarch. (_Salome danst den dans der zeven
+sluiers._)
+
+HERODES: Wonder, wonderschoon! Gij ziet, uw dochter heeft gedanst voor
+mij. Kom nader, Salome, kom nader en ik zal u uw loon geven. O, ik
+betaal mijne danseressen goed. U zal ik goed betalen. Ik zal u geven
+al wat gij wilt. Wat wilt gij, zeg het mij?
+
+SALOME (_knielt neder_): Ik wil dat men mij terstond hier brengt op
+een zilveren schotel ...
+
+HERODES (_lachend_): Op een zilveren schotel? Zeker, zeker, op een
+zilveren schotel. Zij is allerbekoorlijkst, niet-waar? Wat wilt gij
+dat men u brengt op een zilveren schotel, lieve en schoone Salome, gij
+die de schoonste zijt van al de dochteren van Judaia? Wat wilt gij dat
+men u brengen zal op een zilveren schotel? Zeg het mij. Wat het ook
+moge zijn, men zal het u geven. Mijn schatten behooren u. Wat wilt
+gij, Salome?
+
+SALOME (_rijst op_): Het hoofd van Jokanaän.
+
+HERODIAS: Ah! dat is wel gezegd, mijne dochter.
+
+HERODES: Neen, neen!
+
+HERODIAS: Wel gezegd, mijne dochter.
+
+HERODES: Neen, neen, Salome. Dat vraagt gij mij niet. Luister niet
+naar uwe moeder. Zij geeft u altijd verkeerden raad. Gij moet niet
+naar haar luisteren.
+
+SALOME: Ik luister niet naar mijn moeder. Voor mijn eigen genoegen
+vraag ik het hoofd van Jokanaän op een zilveren schotel. Gij hebt
+gezworen, Herodes. Vergeet niet dat gij gezworen hebt.
+
+HERODES: Ik weet wel. Ik heb gezworen bij mijne goden. Ik weet het
+zeer wel. Maar ik smeek u, Salome, mij een ander ding te vragen. Vraag
+mij mijn halve koninkrijk, en ik zal het u geven. Maar vraag mij niet
+wat gij hebt gevraagd.
+
+SALOME: Ik vraag u het hoofd van Jokanaän.
+
+HERODES: Neen, neen. Ik wil niet.
+
+SALOME: Gij hebt gezworen, Herodes.
+
+HERODIAS: Ja, gij hebt gezworen. Iedereen heeft u hooren zweren. Gij
+hebt gezworen in 't openbaar.
+
+HERODES: Houd u stil. Tot u spreek ik niet.
+
+HERODIAS: Mijn dochter heeft wel gedaan u het hoofd van dezen mensch
+te vragen. Hij heeft niet opgehouden mij te smaden. Hij zegt
+afgrijselijke dingen tegen mij. Men ziet dat zij veel houdt van hare
+moeder. Geef niet toe, mijne dochter. Hij heeft gezworen, hij heeft
+gezworen.
+
+HERODES: Houd u stil. Spreek niet tot mij ... Kom, Salome, luister
+naar rede. Niet-waar, men moet altijd naar rede luisteren? Ik ben
+nooit hard voor u geweest. Ik heb altijd veel van u gehouden. Mogelijk
+heb ik te veel van u gehouden. Daarom vraag mij dat niet. Het is
+afgrijselijk, het is afschuwelijk mij dat te vragen. Ook geloof ik
+eigenlijk niet dat gij in ernst zijt. Het hoofd van een onthalsden man
+is weêrzinwekkend om te zien, niet-waar? Het is geen ding dat een
+maagd behoort aan te zien. Welk genoegen kan dat u geven? Geen enkel.
+Neen, neen, gij kunt dat niet willen ... Luister een oogenblik naar
+mij. Ik heb een smaragd, een grooten ronden smaragd, dien de
+gunsteling van Caesar mij gezonden heeft. Als gij door dezen smaragd
+kijkt, kunt gij dingen zien, die op grooten afstand gebeuren. Caesar
+heeft een volmaakt gelijken smaragd bij zich wanneer hij naar den
+circus gaat. Maar de mijne is grooter. Het is de grootste smaragd ter
+wereld. Dien wilt gij hebben, niet-waar? Vraag mij dien, en ik zal hem
+u geven.
+
+SALOME: Ik vraag het hoofd van Jokanaän.
+
+HERODES: Gij luistert niet naar mij, gij luistert niet. Laat mij dan
+toch spreken, Salome.
+
+SALOME: Het hoofd van Jokanaän.
+
+HERODES: Neen, neen, dat wilt gij niet. Gij zegt dat enkel om mij een
+oogenblik leed te doen, omdat ik u den geheelen avond heb aangezien.
+Dat is zoo, ik beken het. Ik heb u den geheelen avond aangezien. Uw
+schoonheid heeft mij ontroerd. Uw schoonheid heeft mij schrikkelijk
+ontroerd en ik heb u te veel aangezien. Maar ik zal het niet meer
+doen. Men moet noch de menschen noch de dingen aanzien. Men moet enkel
+zien in spiegels. Want spiegels toonen ons slechts maskers... Geeft
+mij wijn! ik heb dorst... Salome, Salome, laten wij goede vrienden
+zijn. Zie eens hier ... Wat wilde ik zeggen? Wat was het ook weêr? Ah,
+ik herinner mij! ... Salome! Neen, kom dichter bij. Ik ben bevreesd
+dat gij mij weêr niet verstaan zult ... Salome, gij kent mijn witte
+pauwen, mijn mooie witte pauwen die wandelen in den tuin tusschen de
+myrten en de hooge cypressen. Hun bekken zijn verguld, en de korrels
+die zij eten, zijn ook verguld, en hun voeten zijn geverfd met purper.
+Als zij roepen, komt de regen, en als zij pronken, vertoont de maan
+zich aan den hemel. Zij gaan twee aan twee tusschen de cypressen en de
+donkere myrten en elk van hen heeft zijn slaaf om hem te verzorgen.
+Soms vliegen zij door de boomen, en soms liggen zij op het grasveld en
+rond den vijver. Daar zijn ter wereld geen andere zoo wonderschoone
+vogels. Geen koning ter wereld bezit vogels even wonderschoon. Ik weet
+zeker dat zelfs Caesar zulke mooie vogels niet bezit. Welnu, ik zal u
+vijftig mijner pauwen geven. Zij zullen u overal volgen, en in hun
+midden zult gij zijn als de maan in het midden van een groote witte
+wolk ... Ik zal ze u alle geven. Ik heb er slechts honderd, en daar
+is geen koning ter wereld, die pauwen als de mijne bezit, maar ik zal
+ze u alle geven. Gij moet mij enkel ontslaan van mijn woord, en mij
+niet vragen wat gij mij gevraagd hebt. (_Hij ledigt in éen teug zijn
+beker._)
+
+SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.
+
+HERODIAS: Dat is welgezegd, mijne dochter! Gij, gij zijt belachelijk
+met uwe pauwen.
+
+HERODES: Houd u stil. Gij doet niet anders dan krijschen. Gij krijscht
+als een roofvogel. Het gaat niet aan voortdurend zoo te krijschen. Uw
+stem ergert mij. Houd u stil, zeg ik u ... Salome, bedenk wat gij
+doet. Deze mensch is wellicht een afgezant van God. Ik weet zeker dat
+hij een afgezant van God is. Hij is een heilig man. Gods vinger heeft
+hem beroerd. God heeft schrikkelijke woorden gelegd in zijn mond. In
+het paleis zoowel als in de woestijn is God altijd met hem ...
+Tenminste, het is mogelijk. Men kan het niet zeker weten, maar het is
+mogelijk dat God voor hem en met hem is. Ook zoû mij misschien, als
+hij stierf, een ongeluk overkomen. In elk geval heeft hij gezegd dat
+den dag waarop hij stierf, er iemand een ongeluk zoû overkomen. Dat
+kan niemand anders bedoelen dan mij. Herinner u, ik ben uitgegleden in
+bloed toen ik hier kwam. Ook heb ik het slaan van vleugelen gehoord in
+de lucht. Dat zijn zeer slechte voorteekenen. Er waren er nog andere.
+Ik weet zeker dat er nog andere waren, al heb ik ze niet gezien.
+Welnu, Salome, gij wilt toch niet dat mij een ongeluk overkomen zal?
+Dat wilt gij niet. Luister dan toch naar mij.
+
+SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.
+
+HERODES: Ziet gij wel? Gij luistert niet naar mij. Maar wees een
+oogenblik kalm. Ik ben heel kalm. Ik ben volmaakt kalm. Luister. Ik
+heb kleinoodiën hier verborgen, die zelfs uw moeder nooit gezien
+heeft, kleinoodiën geheel en al onvergelijkelijk. Ik heb een
+halssnoer van vier rijen parelen. Zij zijn als manen geketend aan
+zilveren stralen. Zij zijn als vijftig manen gevangen in een net van
+goud. Een koningin heeft het gedragen op het ivoor harer borsten.
+Wanneer gij het draagt, zult gij even schoon zijn als een koningin. Ik
+heb amethysten van twee soorten. De éene soort zijn zwart als wijn. De
+andere zijn rood als wijn dien men getint heeft met water. Ik heb
+topazen geel als de oogen der tijgers, en topazen rozerood als de
+oogen der woudduiven, en topazen groen als de oogen der katten. Ik heb
+opalen die altijd branden met een ijskoude vlam, en opalen die de
+geesten der menschen bedroeven en bevreesd zijn voor het donker. Ik
+heb onyxen die gelijken op de oogappelen eener doode vrouw. Ik heb
+maansteenen die veranderen naarmate de maan verandert, en bleek worden
+wanneer zij de zon zien. Ik heb saphieren groot als vogeleieren en
+blauw als blauwe bloemen. De zee vloeit er doorheen, en geen maan komt
+ooit het blauw harer golven verstoren. Ik heb chrysoliethen en
+beryllen, ik heb chrysoprasen en robijnen, ik heb sardonyxen en
+hyacinthen, en chalcedonen, en ik zal ze u alle geven, ja alle, en ik
+zal er nog andere dingen aan toevoegen. De koning van India heeft mij
+pas vier waaiers gezonden gemaakt van papegaaieveêren, en de koning
+van Numidia een kleed vervaardigd van struisvederen. Ik bezit een
+kristal dat vrouwen niet veroorloofd is te zien, en dat zelfs jonge
+mannen niet mogen aanzien dan na met roeden te zijn gegeeseld. In een
+paarlmoeren kistje heb ik drie wonderbaarlijke turkooizen. Wanneer men
+hen op zijn voorhoofd draagt, kan men dingen zich verbeelden, die niet
+bestaan, en wanneer men ze in de hand draagt, kan men vrouwen
+onvruchtbaar maken. Het zijn schatten van groote waarde. Het zijn
+schatten die met geen prijs zijn te betalen. En dat is niet alles. In
+een kistje van ebbenhout heb ik twee bekers van amber, die gelijken op
+gouden appelen. Als een vijand vergif schenkt in die bekers, worden
+zij gelijk appelen van zilver. In een kistje ingelegd met amber heb ik
+sandalen ingelegd met glas. Ik heb mantels die komen uit het land der
+Seren en armbanden bezet met karbonkels en met graveelsteen, die komen
+uit de stad Euphrates ... Wat wilt gij nog meer, Salome? Zeg mij wat
+gij verlangt, en ik zal het u geven. Ik zal u geven al wat gij vraagt,
+op éen ding na. Ik zal u alles geven wat ik bezit, op éen leven na. Ik
+zal u den mantel van den Hoogepriester geven. Ik zal u het voorhangsel
+geven van het heilige der heiligen.
+
+DE JODEN: Wee! Wee!
+
+SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.
+
+HERODES (_hij zinkt neêr op zijn zetel_): Laat men haar geven wat zij
+vraagt! Wel is zij de dochter harer moeder! (_De eerste soldaat
+nadert. Herodias haalt van den vinger van den Tetrarch den ring des
+doods en geeft hem aan den soldaat die hem onmiddellijk aan den beul
+brengt. De beul ziet ontsteld._) Wie heeft mijn ring genomen? Daar was
+een ring aan mijn rechterhand. Wie heeft mijn wijn gedronken? Er was
+wijn in mijn beker. Hij was vol wijn. Iemand heeft er van gedronken.
+O, ik ben zeker dat er iemand een ongeluk gaat overkomen. (_De beult
+daalt af in den waterput._) Wee, waarom heb ik mijn woord gegeven?
+Koningen moeten nimmer hun woord geven. Als zij het niet houden, is
+het vreeselijk. Als zij het houden, is het ook vreeselijk.
+
+HERODIAS: In mijn oogen heeft mijn dochter wel gedaan.
+
+SALOME (_buigt zich over den waterput en luistert_): Er is geen
+gerucht. Ik hoor niets. Waarom schreeuwt deze mensch het niet uit? O,
+als iemand mij zocht te dooden, zoû ik schreeuwen, ik zoû het niet
+dulden ... Sla toe, sla toe, Naäman. Sla toe, zeg ik u ... Neen, ik
+hoor niets. Het is afgrijselijk stil. Ah, daar is iets op den grond
+gevallen. Ik heb iets hooren vallen. Het was het zwaard van den beul.
+Hij is bevreesd, de slaaf! Hij heeft zijn zwaard laten vallen. Hij
+durft hem niet dooden. Hij is een lafaard, de slaaf! Ik zal soldaten
+sturen. (_Zij ziet den page van Herodias en wendt zich tot hem._) Kom
+hier. Gij waart de vriend van hem die gestorven is, niet-waar? Welnu,
+daar zijn nog geen dooden genoeg. Zeg den soldaten dat zij afdalen en
+mij brengen wat ik vraag, wat de Tetrarch mij beloofd heeft, wat mij
+toebehoort. (_De page deinst terug. Zij richt zich tot de soldaten._)
+Komt hier, soldaten. Daalt af in den put en brengt mij het hoofd van
+dezen mensch. (_De soldaten deinzen terug._) Tetrarch, Tetrarch, geef
+bevel aan uwe soldaten mij het hoofd van Jokanaän te brengen. (_Een
+geweldige zwarte arm, de arm van den beul, steekt op uit den put, op
+zilveren schotel, het hoofd van Jokanaän. Salome vat het aan. Herodes
+verbergt zijn gelaat achter zijn mantel. Herodias glimlacht en wuift
+zich koelte toe. De Nazareërs knielen neder en beginnen te bidden._)
+Ah, gij hebt mij niet willen toestaan uwen mond te kussen, Jokanaän.
+Zie, ik zal hem nu kussen. Ik zal er in bijten met mijne tanden zooals
+men bijt in een rijpe vrucht. Ja, ik zal uwen mond kussen, Jokanaän.
+Ik heb het u gezegd, niet-waar? Ik heb het u gezegd. Zie, ik zal hem
+nu kussen ... Maar waarom ziet gij mij niet aan, Jokanaän? Uw oogen
+die zoo schrikkelijk waren, die zoo vol waren van toorn en minachting,
+zijn gesloten. Open uw oogen! Hef uw oogleden op, Jokanaän. Waarom
+ziet gij mij niet aan? Zijt gij bevreesd voor mij, Jokanaän, dat gij
+mij niet wilt aanzien? .... En uw tong die was als een roode slang
+die gift slingert, beweegt zich niet meer, zij zegt nu niets,
+Jokanaän, de roode adder die zijn venijn over mij spuwde. Het is
+wonderlijk, niet-waar? Hoe komt het dat de roode adder niet meer
+beweegt?... Gij hebt mij niet gewild, Jokanaän. Gij hebt mij
+verworpen. Gij hebt schandelijke dingen tot mij gezegd. Gij hebt mij
+behandeld als een boel, als een lichtekooi, mij Salome, de dochter van
+Herodias, de Prinses van Judaia. Zie nu, Jokanaän, ik leef nog, maar
+gij zijt dood, en uw hoofd behoort mij toe. Ik kan ermeê doen wat ik
+wil. Ik kan het aan de honden voorwerpen en aan de vogelen des hemels.
+Wat de honden overlaten, zullen de vogelen des hemels eten ... O,
+Jokanaän, Jokanaän, gij zijt de eenige man dien ik heb bemind. Al de
+overige mannen vervullen mij met afkeer. Maar gij waart schoon. Uw
+lichaam was als een ivoren zuil op een voetstuk van zilver. Het was
+een tuin vol duiven en zilveren leliën. Het was een zilveren toren
+behangen met schilden van ivoor. Niets ter wereld was zoo blank als uw
+lichaam. Niets ter wereld was zoo zwart als uwe haren. In de gansche
+wereld was er niets zoo rood als uw mond. Uw stem was een wierookvat
+dat vreemde geuren verspreidde, en als ik u aanzag, hoorde ik
+wonderbare muziek! O, waarom hebt gij mij niet aangezien, Jokanaän?
+Achter uwe handen en uwe vervloekingen hebt gij uw gelaat verborgen.
+Gij hebt op uw oogen den blinddoek gelegd van hem die zijnen God wil
+zien. Welnu, gij hebt uwen God gezien, Jokanaän, maar mij, mij ...
+hebt gij nimmer gezien. Als gij mij gezien hadt, zoudt gij mij bemind
+hebben. Ik heb u gezien, Jokanaän, en ik heb u bemind. O, hoezeer heb
+ik u bemind! Ik bemin u nog, Jokanaän. Ik bemin slechts u ... Ik dorst
+naar uwe schoonheid. Ik honger naar uw lichaam. En geen wijn en geen
+vruchten kunnen mijn begeerte bevredigen. Wat zal ik nu doen,
+Jokanaän? Noch de stroomen noch de groote wateren kunnen mijn
+hartstocht blusschen. Ik was een prinses, en gij hebt mij versmaad. Ik
+was een maagd, en gij hebt mijn maagdom van mij genomen. Ik was
+kuisch, en gij hebt mijne aderen gevuld met vuur ... O, o, waarom hebt
+gij mij niet aangezien, Jokanaän? Als gij mij hadt aangezien, zoudt
+gij mij bemind hebben. Ik weet dat gij mij zoudt bemind hebben, en de
+geheimenis der liefde is grooter dan de geheimenis van den dood.
+Liefde alleen is waard dat men haar aanzie.
+
+HERODES: Zij is verfoeielijk, uw dochter, zij is allerverfoeielijkst.
+Wat zij gedaan heeft, is bepaald een zwaar misdrijf. Ik weet zeker dat
+het een misdrijf is tegen een onbekenden God.
+
+HERODIAS: Ik keur goed wat mijn dochter gedaan heeft. En nu wil ik
+hier blijven.
+
+HERODES (_staat op_): Ha, hoor de vrouw die gehuwd is in bloedschande!
+Kom meê! Ik wil niet hier blijven. Kom meê, zeg ik u. Ik ben zeker dat
+er een ongeluk gaat gebeuren. Manasse, Issaschar, Ozias, dooft de
+fakkels uit. Ik wil de dingen niet aanzien. Ik wil niet dat de dingen
+mij aanzien. Bluscht de fakkels uit! Verbergt de maan! Verbergt de
+sterren! Laten wij ons in ons paleis verschuilen, Herodias. Ik begin
+bevreesd te worden.
+
+(_De slaven blusschen de fakkels uit. De sterren verdwijnen. Een
+groote zwarte wolk glijdt voor de maan en bedekt haar volkomen. Het
+tooneel wordt zeer donker. De Tetrarch begint de trap te bestijgen._)
+
+DE STEM VAN SALOME: Ah, ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen
+mond gekust. Daar was een wrange smaak op uwe lippen. Was het de smaak
+van bloed? ... Maar misschien was het de smaak der liefde. Men zegt
+dat liefde een wrangen smaak heeft ... Maar wat zoû dat? Wat zoû dat?
+Ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen mond gekust.
+
+(_Een maanstraal valt op Salome en belicht haar fel._)
+
+HERODES (_wendt zich om en ziet Salome_): Doodt die vrouw! (_De
+soldaten snellen toe en verpletteren onder hunne schilden Salome,
+dochter van Herodias, prinses van Judaia._)
+
+EINDE
+
+
+
+
+EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
+
+
+
+
+=PERSONEN:=
+
+
+ SIMONE;
+ BIANCA, Simone's vrouw;
+ GUIDO BARDI.
+
+
+
+
+EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
+
+
+ SIMONE (_komt op_):
+ Zoo traag, vrouw-lief? Verdient bij zijn tehuiskomst
+ Uw heer geen rapper welkom? Neem mijn mantel.
+ Dit pak eerst. Ja, 't is zwaar. 'k Heb niets verkocht,
+ Dan aan den kardinaal z'n zoon een pels
+ Dien hij wil dragen, en hij hoopt eerlang,
+ Wanneer zijn vader sterft... Maar wie is dit?
+ Ik zie, ge hebt bezoek. Vast een verwant
+ Die, uit den vreemde pas weêrom, ons huis
+ Verraste en vond geen gastheer op den dorpel.
+ 'k Vraag u vergiffnis, mijn verwant. Een huis
+ Zonder den gastheer is maar een leêg ding
+ En loos van eer; een beker zonder wijn,
+ Een scheê die door geen lemmet wordt gestijfd,
+ Een zonverweeûwde tuin en zonder bloemen.
+ Nog eens, wil verontschuldgen, lieve neef.
+
+ BIANCA:
+ Hij is geen neef van ons en geen verwant.
+
+ SIMONE:
+ Geen neef, en geen verwant? Gij laat mij schrikken.
+ Wie is het dan die met zoo hoofsche gunst
+ Zich wel verwaardt ons gastvrijheid te aanvaarden?
+
+ GUIDO:
+ Mijn naam is Guido Bardi.
+
+ SIMONE:
+ Hoe! De zoon van
+ Firenze's hoogen heer wiens duistre torens,
+ Als schaadwen door de zilvren maan omdwaald,
+ Ik elken avond uit mijn venstren zie?
+ Heer Guido Bardi, gij zijt welkom hier,
+ En nog eens welkom. 'k Hoop, mijn brave vrouw,
+ Die wel niet mooi voor 't oog is, maar heel braaf,
+ Heeft u niet met haar dom gesnap verveeld,
+ Als vrouwen anders zijn gewoon.
+
+ GUIDO: Mevrouwe,
+ Wier schoonheid als een lamp de sterren bluscht
+ En al de stralen rooft uit Luna's koker,
+ Heeft mij verwelkomd met zoo zoete hoofschheid
+ Dat ik, als 't haar en uw behagen is,
+ Nog vaak uw needrig huis bezoeken zal.
+ En als uw zaken u naar buiten roepen,
+ Zal 'k bij haar zitten en haar droefheid troosten,
+ Dat zij niet al te zeer u missen mag.
+ Dat's afgesproken, vriend Simone?
+
+ SIMONE: Heer,
+ Gij doet mij zoo hooge eer aan dat mijn tong
+ Als die eens slaafs gebonden niet kan uiten
+ 't Woord dat zij wilde. Toch, u niet te danken
+ Ware al te lomp van mij. En dus ik dank u
+ Uit mijn harts diepten... Zulke dingen zijn het,
+ Die een staat samenvoegen, als een prins
+ Zoo hoog geboren en wel opgebracht
+ De scheiding van 't partijdig lot vergeet
+ En naar een eerzaam burgers eerzaam huis
+ Komt als een eerzaam vriend ... En toch, mijn Heer,
+ 'k Ben te vrijpostig, vrees 'k. Een andren avond,
+ Hopen wij, zult gij als een vriend hier komen--
+ Vanavond komt gij om mijn waar te koopen.
+ Niet-waar? Wat gij begeert, fluweel of zijde,
+ Ik twijfel niet of 'k heb iets keurigs veil,
+ Dat uw keus winnen kan. 't Is waar, 't is laat.
+ Maar arme koopluî zwoegen dag en nacht
+ Voor schaamle winst. De tollen zijn zoo hoog,
+ En iedre stad heft weêr haar eigen tol,
+ Leerjongens zijn niets waard, zelfs vrouwen missen
+ Verstand en takt, al heeft Bianca hier
+ Me een rijken klant gebracht vanavond. 't Is zoo,
+ Niet-waar, Bianca? Maar 'k verdoe mijn tijd.
+ Waar is mijn pak? Hoort gij? Waar is mijn pak?
+ Maak 't open, vrouw-lief. Maak de koorden los.
+ Kniel liever op den grond. Zóo gaat het beter.
+ Neen, dat is 't niet, het andre. Gauw wat, gauw wat!
+ Wij mogen onze koopers niet doen wachten:
+ Dat maakt hen ongeduldig. Ja, dat is het.
+ Geef het eens hier. Voorzichtig. 't Is héel kostbaar.
+ Vat het voorzichtig aan... Nu, edel Heer,
+ Met uw verlof, 'k heb hier Luccaansch damast,
+ Een weefsel van puur zilver, en de rozen
+ Zoo knap gewerkt dat ze enkel geur behoeven
+ Om 't prat zintuig te paaien. Voel eens, Heer.
+ Is het niet dun als water, sterk als staal?
+ De rozen dan? Zijn zij niet mooi geweven?
+ De heuvelen die meest de roos verwennen,
+ Te Bellosguardo en te Fiesole,
+ Strooien in lentes schoot niet zulke kelken;
+ Of doen zij 't al, hun bloem verwelkt en sterft.
+ Dat 's 't lot van alle teêr en mooi dat danst
+ In wind en regen. De Natuur voert zelf
+ Krijg met haar eigen lieflijkheid en moordt
+ Haar kindren als Medea. Neen maar, Heer,
+ Kijk nog eens nader. Hier in dit damast
+ Is 't altijd zomer, en geen winters tand
+ Zal ooit dees bloemen knauwen. Iedere el
+ Betaalde ik met een goudstuk. Goed rood goud,
+ De vrucht van zuinge zorg.
+
+ GUIDO: Brave Simone,
+ Vermoei u niet. Ik ben meer dan voldaan.
+ 'k Zend morgen u mijn dienaar die u uittelt
+ Den dubblen prijs.
+
+ SIMONE: Mijn edelmoedge Prins!
+ Ik kus uw handen. Nu bedenk ik mij:
+ Een andren schat nog houdt mijn huis verborgen,
+ Dien gij zien moet. Het is een gala-kleed:
+ De stof geschoren Venetiaansch fluweel,
+ Granaatappels 't patroon, iedere pit
+ Is uit één paarl, de kraag is louter parels
+ Dicht als in zomeravondstraat de muggen,
+ En blanker dan de manen die des morgens
+ Gekken door traliën zien. Een keur-robijn
+ Gloedt op den haak gelijk een vuren kool.
+ Zijn Heiligheid bezit niet zulk een steen,
+ En Indië kan zijn tweelingbroêr niet toonen.
+ De gesp zelf is een allerzeldzaamst kunststuk,
+ Met schooner werk bekoorde nooit Cellini
+ Grooten Lorenzo. Nu moet gij hem dragen.
+ Niemand in stad hier is hem waardiger.
+ Hij zal u goed staan. Aan den éenen kant
+ Jaagt slank, in gouden sprongen, een gehoornde
+ Satyr een nymf van zilver. Aan den andren
+ Staat Stilte, en in haar hand beurt ze een kristal:
+ Zij is zoo klein en smal als nietige aar
+ Die siddert als een vogel overstrijkt,
+ Toch met zoo'n kunst gesneden dat men denkt,
+ Zij poost in 't aadmen, ze aêmt.--Waardge Bianca,
+ Zoû niet dit edel en meest kostbaar kleed
+ Heer Guido's jeugd goed staan? ... Zeg ook een woord:
+ U kan hij vast niets weigren, of de prijs al
+ Eens prinsen losgeld zij. En in de winst
+ Deelt gij gelijk met mij.
+
+ BIANCA: Ben 'k uw leerjongen?
+ Dat ik om uw fluweelen kleed zoû kwanslen?
+
+ GUIDO:
+ Schoone Bianca, wees gerust: ik koop
+ Zijn kleed en alles wat de eerzame koopman
+ Nog meer kwijt wil. Een prins betaalt zijn losgeld,
+ En een geluk is 't als een hoog heer valt
+ In zulk een eedlen vijands blanke handen.
+
+ SIMONE:
+ Ik sta beschaamd. Maar, dus de koop gaat door?
+ De koop gaat door, niet? Vijftig duizend kronen
+ Is nauwlijks eigen geld. Maar gij, Heer, geeft
+ Slechts veertig duizend. Is die som te hoog?
+ Noem dan uw prijs. Het is eenmaal mijn gril
+ Om u te zien in dit geweven wonder,
+ Omkranst door de edelvrouwen van het hof,
+ Als een bloem tusschen bloemen... 'k Hoor, Heer, dat
+ Die hooge dames zoo op u vermald zijn
+ Dat zij zich om uw Hoogheids gunst verdringen
+ Als vliegen waar gij gaat. Ook praat men van
+ Heeren met horens die zij kranig dragen,
+ Een zonderlinge modegril ...
+
+ GUIDO: Simone,
+ Uw roekelooze tong roept om den breidel.
+ En dan vergeet gij 't bijzijn van Mevrouw hier
+ Wier teedere ooren zeker niet gestemd zijn
+ Op zoo platte muziek.
+
+ SIMONE: 't Is waar, 'k vergat het.
+ Het zal niet meer gebeuren. Maar gij koopt dus,
+ Mijn goede Heer, het gala-kleed. Niet-waar?
+ Maar veertig duizend kronen. 'n Bagatel
+ Voor iemand die Giovanni Bardi's erf is.
+
+ GUIDO:
+ Regel dat morgen met mijn rentmeester
+ Antonio Costi. 'k Zal hem bij u sturen.
+ En honderd duizend kronen zult gij hebben
+ Als dat u dienen kan.
+
+ SIMONE: Wat! Honderd duizend!
+ Versta 'k goed? Honderd duizend? Op mijn woord,
+ Dat maakt voor eeuwig en in ieder opzicht
+ Me uw schuldenaar. Voorwaar, van nu af is
+ Mijn huis en alles wat mijn huis bevat,
+ Van u en niemand anders. Honderd duizend?
+ Mijn hoofd loopt om. Ik zal veel rijker zijn
+ Dan de andre koopluî samen. Ik zal koopen
+ Landrijen, gaarden, tuinen. Elk getouw
+ Zal mijn zijn van Milaan tot in Sicilië
+ En mijn de paarlen die Arabiës zeeën
+ Bergen in stille grotten ... Eedle Prins,
+ Deze avond luidt voorgoed mijn liefde in, die
+ Zoo groot zal blijken dat wat gij me ook vraagt,
+ U niet geweigerd wordt.
+
+ GUIDO: En als 'k eens vroeg
+ Om blanke Bianca hier?
+
+ SIMONE: Gij spreekt in scherts, Heer.
+ Zij is zoo groot een prins als u niet waardig.
+ Ze is enkel goed voor huishoudwerk en spinnen.
+ Niet-waar, vrouw-lief? Het is zoo. Zie maar hier.
+ Uw rokken wacht u. Zet u neêr en spin.
+ Een vrouw moet altijd bezig zijn in huis,
+ Want leedge handen maken 't hart lichtzinnig.
+ Ga zitten, zeg ik.
+
+ BIANCA: Wat moet 'k spinnen?
+
+ SIMONE: Spin
+ Een kleed en verf het purper, dat Verdriet
+ Mag dragen tot haar troost--een sprei met franjen
+ Waaronder een onwelkom zuigeling
+ Onbemerkt kreunen kan--een keurig laken
+ Kostlijk doorgeurd met reukig kruid, waarin men
+ Een dood man wikklen kan ... Spin wat gij wilt:
+ Mij goed.
+
+ BIANCA: De brosse draad is afgeknapt,
+ Het loome wiel is 't eindloos draaien moede,
+ Het loomer rokken is zijn kluwen zat;
+ Vanavond spin ik niet.
+
+ SIMONE: Zooals gij wilt,
+ Maar morgen zult gij spinnen: elke dag
+ Vindt u voortaan aan 't wiel. Zoo vond Tarquinius
+ Lucretia. Mooglijk wachtte zoo Lucretia
+ Tarquinius. Wie zal 't zeggen? Vreemde dingen
+ Verneem 'k van meenge huisvrouw ... Doch, mijn Heer,
+ Wat nieuws van buiten? 'k Hoor vandaag in Pisa
+ Dat enkle koopluî daar uit Engeland
+ Hun wollewaar goedkooper wilden slijten
+ Dan wet en recht toestaat, en om gehoor
+ De Signoria drongen. Is dit reedlijk?
+ Hoort de éene koopman d'ander te verslinden?
+ De vreemdling die in ons land hier zijn brood vindt,
+ Door afgedwongen voorrecht of door list ons
+ Te brengen om ons winst?
+
+ GUIDO: Moet ik me afgeven
+ Met koopluî en hun winst? Gij wilt dat ik
+ Ga twisten voor u met de Signoria?
+ En 't kleed draag, waarin gij van dwazen koopt
+ Voor nog onnoozler klanten? Vriend Simone,
+ Wol inslaan en verkoopen is uw ambt.
+ Mijn geest speurt ander wild.
+
+ BIANCA: Mijn eedle Heer,
+ Vergeef mijn goeden man hier, bid ik u.
+ Zijn ziel staat altijd op de markt, zijn hart
+ Klopt enkel voor den beursprijs van de wol.
+ Toch is hij braaf voor zijn gewone doen.
+
+(_tot Simone:_)
+
+ En gij, hebt gij geen schaamte? Een hooge prins
+ Komt hier aan huis, en met misplaatste boudheid
+ Verveelt ge en ergert hem. Vraag hem vergeving.
+
+ SIMONE:
+ Dat doe 'k ootmoedig. Praten wij vanavond
+ Van andre dingen! 'k Hoor, Zijn Heiligheid
+ Schreef aan den Franschen koning met verzoek
+ Om over 't sneeuwen schild der Alpen hier
+ Een vreê te komen stichten, die zal wezen
+ Erger dan broederkrijg en bloediger
+ Dan burgerroof en binnenlandsche veeten.
+
+ GUIDO:
+ Bah! wie maalt om dien Franschen koning nog,
+ Die nimmer komt en altijd praat van komen?
+ Wat gaat dat mij aan? Ik weet andre dingen
+ Belangrijker en dichter bij, Simone.
+
+ BIANCA:
+ Gij put 't geduld van onzen hoogen gast uit.
+ Wat raakt ons Frankrijks koning? Evenveel
+ Als uw koopluî uit England met hun wol.
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+
+ SIMONE:
+ O staat het zóo? Is heel dees machtge wereld
+ Verengd binnen de grenzen dezer kamer
+ Met maar drie poovre zielen voor bewoners?
+ Ja, daar zijn oogenblikken dat 't heelal,
+ Als 't doek in kuip van onbedreven verver,
+ Tot een handbreed ineenkrimpt, mooglijk is 't
+ Nu zulk een uur! Goed, laat het zoo'n uur zijn!
+ Laat dit gering vertrek het hoog tooneel zijn,
+ Waar koon'ngen sterven en ons schamel leven
+ De inzet wordt waarom God speelt... Ik weet zelf niet
+ Waarom 'k zoo spreek. De rit heeft me uitgeput.
+ En driemaal struikelde mijn paard, een teeken
+ Dat niemand goeds voorspelt.... Eilacy, Heer,
+ Welk een armzaalge koop is 's menschen leven,
+ En op wat rommelmarkt verkoopt men ons!
+ Als wij geboren worden, weent ons moeder,
+ Maar om ons dood weent niemand. Neen, niet een.
+
+ (_Hij gaat naar den achtergrond._)
+
+ BIANCA:
+ Hoe praat de man als een gemeene kramer!
+ Ik haat hem, ziel en lijf. Haar bloedloos zegel
+ Drukte hem lafheid op 't gelaat. Zijn handen
+ Beven verlamd en bleeker dan het blad van
+ Peppels in voorjaarswind; een leedge woordstroom
+ Gudst uit zijn dwazen stotterenden mond
+ Als water uit een leibuis.
+
+ GUIDO: Lieve Bianca,
+ Hij is uw aandacht noch de mijne waard.
+ De man is niets dan een heel brave schurk
+ Vol mooie frasen over levens koopwaar,
+ Die duurst verkoopt wat hij goedkoopst moet achten,
+ Een windrig schreeuwer in een weerld van woorden,
+ Nooit heb 'k zoo'n welbespraakten zot gezien.
+
+ BIANCA:
+ 'k Wou dat de dood hem haalde waar hij staat!
+
+ SIMONE (_keert zich om_):
+ Wie noemt daar »Dood"? Dood heeft hier niets te maken.
+ Wat zaken heeft Dood in zoo'n vroolijk huis
+ Als dit waar hij alleen een vrouw, een man,
+ Een vriend tezaam vindt? Laat Dood gaan naar huizen
+ Waar echtbreuk en gemeenheid toegaan, waar
+ De vrouw, haar kuischheid en haar man en heer
+ Moede, 't gordijn wegschuift voor 't huwlijksbed
+ En in bezoedelde en onteerde lakens
+ Verboden lusten pleegt. Ja, wel klinkt 't vreemd,
+ Toch gaat het zoo. Gij kent de wereld niet.
+ Daarvoor leeft gij te eerbaar en te afgezonderd.
+ Ik ken haar goed. Ik wou dat 't niet zoo was.
+ Maar wijsheid komt met winters. Mijn haar grijst,
+ Geen jeugd warmt meer mijn koude lijf ... Maar basta.
+ Vanavond is het woord aan Vreugd, en waarlijk,
+ 'k Zoû willen vroolijk zijn als past een gastheer
+ Die zulk een hoogen ongedachten gast
+ Op hem vindt wachten... Doch wat 's dit, mijn Heer?
+ Gij bracht uw luit meê om voor ons te spelen?
+ Ja, speel wat, lieve Prins. Ben ik vrijpostig,--
+ Vergeef, maar speel.
+
+ GUIDO: Vanavond speel ik niet.
+ Een andren keer, Simone. (_tot Bianca:_) Gij en ik
+ Tezamen, en geen luistraars dan de sterren
+ Of de jaloerscher maan.
+
+ SIMONE: Toch toch, mijn Heer!
+ Ik smeek u, speel iets. Want ik hoor vertellen
+ Dat door het enkel tokklen eener snaar,
+ Door ademtocht die zucht langs holle rieten
+ Of blaast door koelen mond van vaardig brons
+ Zij die die kunst verstaan, onze arme zielen
+ Verlossen uit haar kerker. Ook verneem ik:
+ Zoo vreemde toover schuilt in dit hol speeltuig
+ Dat onschuld wijnloof vlecht in hare haren
+ En wulpsch wordt als bacchante. Maar 'k dwaal af.
+ Ik weet, uw luit is kuisch. En daarom speel:
+ Verruk met zoete melodie mijne ooren;
+ Mijn ziel is in een kerker, en haar waanzin
+ Vraagt medicijn. Help mij verzoeken, Bianca.
+
+ BIANCA:
+ Wees niet bevreesd: ons welbeminde gast
+ Zal zelf zijn plaats en uur weten te kiezen;
+ Nu is 't dat uur niet. Gij ontstemt hem slechts
+ Met uw lomp dringen.
+
+ GUIDO: Eerzame Simone,
+ Een andren keer. Vanavond ben 'k tevreden
+ Met de zachte muziek van Bianca's stem,
+ Die, als zij spreekt, de te verliefde lucht
+ Bekoort en aardes wanklen kring rondom
+ Haar schoonheid vastlegt.
+
+ SIMONE: Vlei haar niet. Zij heeft
+ Haar deugden als de meeste vrouwen, maar
+ Schoonheid is een kleinood dat zij niet draagt.
+ Misschien is het ook beter. Waarde Heer,
+ Als gij geen wijzen uit uw luit wilt lokken
+ Om mijn ziels sombere onrust te bezweren,
+ Dan drinken we toch saam? Daar staat uw glas nog.
+ Krijg mij een stoel, Bianca. Sluit de luiken.
+ Zet er den grooten bout voor. 'k Wil niet hebben
+ Dat de nieuwsgierge wereld ons genoegen
+ Beloenschen zoû. En nu, mijn Heer, drink ons
+ Een toost uit boordevollen beker toe....
+ Wat is hier deze vlek op 't laken? 't Ziet
+ Zoo purper als een wond in Christus' zijde.
+ 't Is niets dan wijn? 'k Heb wel eens hooren zeggen:
+ Waar wijn vergoten wordt, wordt bloed vergoten,--
+ Maar dat's een dwaas verhaal. Mijn Heer, ik hoop,
+ Mijn wijn is naar uw smaak. De druif van Napels
+ Is vurig als zijn bergen. Ons Toscane
+ Kweekt een onschuldger sap.
+
+ GUIDO: Mij mondt het goed,
+ Brave Simone, en 'k wil met uw verlof
+ Op schoone Bianca drinken wen haar lippen
+ Eerst langs den kelk als roode rozeblâren
+ Glijdend den dronk verzoeten. Proef, Bianca.
+
+ (_Bianca drinkt._)
+
+ O al de honing saam van Hybla's bijen
+ Waar' bitter bij dees teug!--Waarde Simone,
+ Gij neemt geen deel aan 't feest.
+
+ SIMONE: 't Is vreemd, Heer, 'k kan
+ Vanavond met u eten niet of drinken.
+ Een booze luim, een koortsigheid van 't bloed,
+ Dat anders toch bedaard is, een gedachte
+ Die als een adder rustloos ommekruipt,
+ Als een krankzinnge sluipt van cel naar cel,
+ Vergalt mijn smaak en zet mijn lust tot spijs
+ En drank in walging om. (_Hij gaat terzijde._)
+
+ GUIDO: Lieve Bianca,
+ Dees kramer maakt mij met zijn praatjes wreevlig.
+ Ik moet vanhier. Maar morgen kom ik weêr.
+ Zeg mij hoe laat.
+
+ BIANCA: Kom met den vroegsten daagraad
+ Tot ik u weêrzie, is mijn leven ijdel.
+
+ GUIDO:
+ Laat neêr den middernacht van uwe haren,
+ In uwer oogen sterren laat mij zien
+ Mijn beeltnis als in spiegels. Lieve Bianca,
+ Zij 't slechts een schaduw, o bewaar mij daar,
+ En kijk naar niets dat niet verzinnebeeldt
+ Eenge gelijkenis van me. Ik ben naijvrig
+ Op al wat uw gezicht verlust.
+
+ BIANCA: Uw beeld--
+ O wees gerust--blijft altijd bij mij. Lieve,
+ Liefde verkeert de meest gewone dingen
+ In teekenen van zoete erinnering.
+ Maar kom vóor met zijn schellen zang de leeuwrik
+ Een wereld wekt van droomers. 'k Zal u wachten
+ Op het balkon,...
+
+ GUIDO: En langs scharlaken ladder
+ Wier zijden sporten zijn bestikt met paarlen,
+ Daal, blanken voet na blanken voet, als sneeuw
+ Op rozenboom, tot me af.
+
+ BIANCA: Zooals gij wenscht.
+ Uw eigen ben 'k in liefde of dood, gij weet het.
+
+ GUIDO:
+ Simone, 't wordt mijn tijd. Ik ga naar huis.
+
+ SIMONE:
+ Zoo gauw? Waarom? Nog luidde van de Domkerk
+ Niet middernacht. Slaapdronken in hun torens
+ Liggen de wachten, die de bleeke maan
+ Plagen met holle horens. Blijf nog wat.
+ 'k Vrees dat we u hier niet zullen wederzien.
+ En die vrees maakt mijn simpel hart bedroefd.
+
+ GUIDO:
+ Wees niet bezorgd, Simone. Meest standvastig
+ Zal 'k blijken in mijn vriendschap. Maar vanavond
+ Ga 'k naar mijn eigen huis, en dat terstond.
+ Tot morgen, Bianca.
+
+ SIMONE: Goed. Uw wensch is wet.
+ 'k Had nog wat langer met u willen praten,
+ Mijn nieuwe vriend, mijn eerbiedwaarde gast,
+ Maar dat gaat niet naar 't schijnt. Daar komt nog bij,
+ 'k Twijfel niet of uw vader wacht op u,
+ Hunkrend naar stem of voetstap. Als 'k het goed heb,
+ Zijt gij zijn eenig kind? Hij heeft geen ander.
+ Gij zijt de sier en pijler van zijn huis,
+ Zijn éene bloem in tuin van louter onkruid.
+ Uw vaders neven zijn zijn minnaars niet.
+ Zoo gaat het praatje in stad hier. 'k Wou maar zeggen:
+ Zij zijn afgunstig op uw erfenis,
+ Hun gretige oogen schelen naar uw wijngaard
+ Als Achab keek naar Naboths vetten akker.
+ Maar dat is enkel 't praatje van een stad
+ Waar 't vrouwvolk te veel klapt. Goênacht, mijn Heer.
+ Haal een pijnfakkel, Bianca. De oude trap
+ Is vol met gaten, en de inhaalge maan
+ Wordt, als een giergaard, karig met haar stralen,
+ En bindt voor haar gezicht een tulen masker
+ Als lichtekooi die uitgaat om een arme
+ Ziel te verstrikken. Wacht, ik zal u krijgen
+ Uw zwaard en mantel. Laat mij, goede Heer,
+ Het is niet meer dan plicht dat'k u bedien,
+ Die mij den armen burger zooveel eer deedt,
+ Mijn wijn dronkt en mijn brood braakt en voor ons
+ Een lieve huisvriend werdt. Mijn vrouw en ik
+ Zullen nog vaak dees schoonen nacht bepraten
+ En zijn groote uitkomst. Kijk, wat kostlijk zwaard!
+ Ferrarisch staal, zoo lenig als een slang,
+ En zeker doodlijker. Met zoo'n zwaard hoeft
+ Men in 't gedrang des levens niets te vreezen.
+ Nooit heb ik zoo'n fijn lemmet aangeraakt.
+ Ook ik bezit een zwaard. 't Is nu wat roestig.
+ Ons, vredemannen, leert men needrigheid
+ En vele lasten op ons schouders dragen
+ En niet te morren tegen werelds onrecht
+ En onrechtmaatge krenkingen verduren.
+ Dat leeren we en wij vinden bij ons lijden
+ Voordeel als de geduldge Jood... Toch, 'k weet nog
+ Hoe eens een roover op den weg naar Padua
+ Mijn pakpaard nemen wilde, ik liet hem achter
+ Met afgesneden keel. Ik kan verdragen
+ Blaam, smaad in 't openbaar, velerlei schande,
+ Vlijmenden hoon en open schimp, maar hij
+ Die van mij iets wil dieven wat het mijne is,
+ Zij 't nog zoo waardeloos, het aarden bord
+ Waarvan 'k mijn honger stil--wee hem, hij waagt
+ Bij 't stelen ziel en lijf, en sterven doet hij
+ Voor 't klein vergrijp. Uit wat vreemd leem zijn wij
+ Menschen gemaakt!
+
+ GUIDO:
+ Hoe komt gij zoo te spreken?
+
+ SIMONE:
+ Ik ben benieuwd, Heer Guido, of mijn zwaard
+ Beter gehard is dan dit staal van u.
+ Lijkt u de proef? Of is mijn stand te laag
+ Voor u om uw rapier met 't mijn te kruisen,
+ In scherts of ernst?
+
+ GUIDO: Niets zoû mij beter lijken
+ Dan met naakt lemmet over u te staan
+ In scherts of ernst. Geef mij mijn eigen zwaard.
+ Haal 't uwe. Dees nacht zal het pleit beslechten
+ Of van den prins of van den koopman 't zwaard
+ Beter gehard is. Was dat niet uw zeggen?
+ Haal slechts uw eigen zwaard. Wat draalt gij, man?
+
+ SIMONE:
+ Mijn Heer, van al de hofflijke genaden
+ Die gij geregend hebt op mijn dor huis,
+ Is dit de hoogste... Bianca, haal mijn zwaard.
+ Schuif bank en tafel weg. Wij moeten hebben
+ Een open kring voor onzen wapenkamp.
+ Bianca zal wel den fakkel willen houden
+ Opdat niet wat als scherts bedoeld is, ernst wordt.
+
+ BIANCA (_tot Guido_): O dood hem, dood hem!
+
+ SIMONE: Houd den fakkel, Bianca.
+
+ (_Zij beginnen te vechten._)
+
+ In stand! Let op! Aha! Gij dacht zoo-waar--?
+
+ (_Hij wordt gewond door Guido._)
+
+ Een schram, niets meer. Het licht scheen in mijn oogen.
+ Kijk niet bedrukt, Bianca. Het is niets.
+ Uw man bloedt. Het is niets. Krijg een stuk linnen
+ En bind het rond mijn arm. Neen, niet zoo stijf.
+ Een beetje losser, vrouw-lief. En ik bid u,
+ Wees niet ontdaan. Neen, haal het er weêr af.
+ Wat let het of ik bloed? (_Hij rukt het verband af._)
+ Van voor af aan!
+
+(_Simone ontwapent Guido._)
+
+ Mijn eedle Heer, gij ziet dat ik gelijk had.
+ Mijn zwaard is fijner staal, beter gehard.
+ En nu dolk tegen dolk.
+
+ BIANCA (_tot Guido_): O dood hem, dood hem!
+
+ SIMONE:
+ Blusch uit den fakkel, Bianca.
+
+ (_Bianca bluscht den fakkel uit._)
+
+ Nu, mijn Heer,
+ Nu tot den dood van éen van ons, of beiden,
+ Of misschien alle drie. (_Zij vechten._) Ziedaar en daar!
+ Ha! duivel, heb ik je eindlijk in mijn greep?
+
+(_Simone overweldigt Guido en drukt hem neêr op de tafel._)
+
+ GUIDO:
+ Dwaas, doe uw wurgersvingers van mijn keel.
+ Ik ben mijn vaders eenge zoon. De staat
+ Heeft maar éen erfgenaam. En 't valsche Frankrijk
+ Wacht op 't uitsterven van mijn vaders lijn
+ Om de stad te overvallen.
+
+ SIMONE: Zwijg! Uw vader
+ Kan kinderloos alleen gelukkger zijn.
+ Wat den staat aangaat, 'k denk, Firenze kan
+ Als loods aan 't stuur geen echtbreker gebruiken.
+ Gij zoudt haar leliën smetten.
+
+ GUIDO: Weg uw handen!
+ Weg uw verdoemde handen. Laat los, zeg ik.
+
+ SIMONE:
+ Neen, in zoo'n handge schroef zijt gij gevangen
+ Dat niets meer u kan redden, en uw leven
+ Tezaamgedrongen in éen stip van schande,
+ Eindt met die schande, en allerschandelijkst.
+
+ GUIDO:
+ O laat me een priester hebben vóor ik sterf!
+
+ SIMONE:
+ Waarvoor wil jij een priester? Biecht je zonden
+ Aan God dien je vanavond nog zult zien
+ En dan nooit meer. Biecht Hem je zonden, die
+ Is meest rechtvaardig in meêdoogenloosheid
+ En meest meêdoogend in rechtvaardigheid.
+
+ GUIDO:
+ O help mij, lieve Bianca, help mij, Bianca,
+ Gij weet dat ik geen kwaad bedreven heb.
+
+ SIMONE:
+ Is daar nog leven in die leugenlippen?
+ Sterf als een hond met slappe tong! Sterf! Sterf!
+ De stomme Arno zal straks uw lijk ontvangen
+ En spoelt onopgemerkt het weg naar zee.
+
+ GUIDO:
+ Heer Jezus, neem mijn arme ziel tot u!
+
+ SIMONE:
+ Amen. En nu komt de andere aan de beurt.
+
+(_Guido sterft. Simone rijst op en ziet om naar Bianca. Zij komt op
+hem toe met wijdopen armen als verdwaasd._)
+
+ BIANCA:
+ Gij waart zoo sterk, en 'k heb het nooit geweten!
+
+ SIMONE:
+ Gij waart zoo schoon, en 'k heb het nooit vermoed!
+
+ (_Hij kust haar op den mond._)
+
+EINDE
+
+
+
+
+Tot heden verschenen Tooneelspelen.
+
+
+_a. in de Nederlandsche Bibliotheek:_
+
+ N. B. XXXV
+ INA BOUDIER-BAKKER, ='t Hoogste Recht=, tooneelspel in 4 bedrijven.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ N. B. LXXI
+ J. F. E. CELLIERS, =Liefde en Plig=, Zuid-Afrikaans Tooneelspel in 4
+ bedrijven. Inleiding Dr. Engelenburg.
+ Ingen. f 0.20; geb. 0.40
+
+ N. B. XVIII
+ MULTATULI, =Vorstenschool=. Met een Inleiding van Mevr. Douwes
+ Dekker-Schepel en twee portretten. 4e druk, 8e-13e duizend.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ N. B. XLVI
+ MULTATULI, =Aleid=. Fragment van een onvoltooid gebleven blijspel.
+ Met Inleiding van Mevr. Douwes Dekker-Schepel.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ N. B. LXXXIII*
+ H. ROLAND HOLST-V. D. SCHALK, =De Opstandelingen=. Lyrisch treurspel
+ in 3 bedrijven.
+ f 0.30; 0.40; 0.50
+
+ N. B. I
+ J. A. SIMONS-MEES, =De Veroveraar=, Een spel van stemmingen in vijf
+ bedrijven, met afbeelding. (Tweede druk; 7e-9e duizend).
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ N. B. XXIII
+ J. A. SIMONS-MEES, =Atie's Huwelijk=, Toneelspel in 4 bedrijven.
+ (Tweede druk)
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+ Beide stukken samen in keurband f 1.--
+
+ N. B. LXXXI
+ J. A. SIMONS-MEES, =Een Paladijn=. Fantastische comedie in 4
+ bedrijven.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ N. B. LI.
+ JOOST VAN DEN VONDEL, =Adam in Ballingschap=, of aller treurspelen
+ Treurspel. Inleiding en aanteekeningen van L. S. (Derde druk,
+ 8e-11e duizend).
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+
+ _b. in de Wereld-Bibliotheek:_
+
+ W. B. 70
+ ARISTOPHANES, =De Ridders=. Metrische vertaling van Dr. H. C.
+ Muller.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 36/37
+ Bj. BJÖRNSON, =Boven Menschelijke Kracht=. Tooneelspel in twee
+ deelen uit het Noorsch door Marg. Meyboom, met portret en
+ Inleiding door L. S.
+ f 0.40; 0.55; 0.70
+
+ W. B. 96
+ WOLFG. v. GOETHE, =Iphigeneia in Tauris=. In Nederlandsche verzen
+ overgebracht door dr. P. C. Boutens.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 43
+ GERHART HAUPTMANN, =De Verdronken Klok=. Sprookjesdrama, vertaald
+ door en met inleiding van Mr. Isidore Hen.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 19
+ FRIEDRICH HEBBEL, =Maria Magdalena=. Vertaling van Louis Landry. Met
+ portret.
+ (Ingenaaid en gecart. uitverk.); f 0.40
+
+ W. B. 4
+ HENRIC IBSEN, Steunpilaren der Maatschappij. Vert. F. Kapteyn, Inl.
+ van L. S. (derde druk; 8e-10e duizend.)
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 40
+ HENRIC IBSEN, =Een Poppenhuis (Nora)=. Tooneelspel in drie
+ bedrijven, vert. Marg. Meyboom. Met portretten en inl. door
+ L. S. (2e druk) (6e-8e duizend)
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 73
+ HENRIC IBSEN, =Een Vijand van 't Volk=. Vertaling van Marg. Meyboom.
+ Inleiding van L. S.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 119*
+ HENRIC IBSEN, =Mededingers naar de Kroon=. Vertaald door Marg.
+ Meyboom, inleiding van L. Simons.
+ f 0.30; 0.40; 0.50
+
+ W. B. 16
+ MOLIERE, =De Schelmenstreken van Scapin=. Een klucht in drie
+ bedrijven. Vertaling S. J. Bouberg
+ (Ingenaaid uitverkocht); f 0.30; 0.40
+
+ W. B. 67
+ MOLIERE, =Geleerde Dames=, metrische vertaling W. J. Wendel.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 112
+ MOLIERE, =Tartuffe=, metrische vertaling W. J. Wendel.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 88
+ PLAUTUS, =De Tweelingbroeders=. Metrische vertaling der »Menaechmi"
+ door Prof. Dr. H. van Herwerden.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B.
+ WILLIAM SHAKESPEARE, Vertaling Dr. Edw. B. Koster.
+ 21 a) =Coriolanus= }
+ 77 b) =Macbeth= } per stuk f 0.20; 0.30; 0.40;
+ 90 c) =Othello= }
+ keuruitgaaf { d) =Antonius en Cleopatra=
+ { e) =De koopman van Venetië=
+ per stuk f 0.35; 0.60; 1.--
+
+ W. B. 81
+ BERNARD SHAW, =Je kunt 't nooit weten=. Komedie in 4 bedrijven.
+ Vertaling van Ph. G. Gunning. Inl. v. L. S. en portret van Shaw.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 91
+ BERNARD SHAW, =Mevrouw Warrens Bedrijf=, vert. door J. A.
+ Simons-Mees. Inleiding van L. S.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 128*
+ BERNARD SHAW, =Mensch en Oppermensch= met aanhangsel =Het Handboek
+ van den Revolutionnair=. Vert. J. A. Simons-Mees. Inleiding
+ L. S.
+ f 0.30; 0.40; 0.50
+
+ W. B. 44
+ SOPHOCLES, =Antigone=, Nieuwe vertaling van Dr. H. C. Muller. Met
+ afbeelding.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+ W. B. 127
+ PERCY BYSSHE SHELLEY, =Prometheus ontboeid=. Van inleiding voorzien
+ en vertaald door A. Gutteling.
+ f 0.20; 0.30; 0.40
+
+
+_c. in de Russische Bibliotheek:_
+
+ R. B. 11/12
+ N. W. GOGOLJ, =De Revisor=, uit het Russisch door Jos. C. Termaat
+ Ingen. f 0.70; geb. f 1.--
+
+ R. B. 6/7
+ MAXIM GORKIEJ, =Zonnekinderen=. Uit het Russisch door Jos. C.
+ Termaat.
+ Ingen. f 0.70; geb. f 1.--
+
+ R. B. 17/18
+ D. S. MEREZJKOWSKJOE, =Paul I=, drama in 5 bedrijven, vert. door
+ Annie de Graaff.
+ Ing. f 0.70; geb. f 1.--
+
+
+_d. In de Oorspronkelijke Uitgaven:_
+
+ J. A. SIMONS-MEES. =Tooneelspelen=--twee bundels, per bundel, ingen.
+ f 1.25; geb. f 1.90.
+
+ _Eerste Bundel:_ =Twee Levenskringen=; =Van Hoogten en Vlakten=;
+ =Zijn Evenbeeld=. Inleiding van L. S.
+
+ _Tweede Bundel:_ =Een Moeder=; =Sint Elisabeth=; =Kasbloem=.
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Plaats Bron Correctie |
+ | |
+ | Regel 317 ; : |
+ | Regel 1400 Tenmiste Tenminste |
+ | Regel 1423 al als |
+ | Regel 1471 HORODIAS HERODIAS |
+ | Regel 1662 nietswaard niets waard |
+ | Regel 1797 En Een |
+ | Regel 2254 [Niet in bron] LXXI |
+ | Regel 2301 [Niet in bron] . |
+ | Regel 2323 [Niet in bron] f |
+ | Regel 2327 -- - |
+ | Regel 2331 [Niet in bron] . |
+ | Regel 2409 [Niet in bron] . |
+ | Regel 2414 [Niet in bron] . |
+ | Regel 2425 , [Verwijderd] |
+ | Regel 2425 , [Verwijderd] |
+ | |
+ +------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Salome en Een Florentijnsch Treurspel, by
+Oscar Wilde
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SALOME EN EEN FLORENTIJNSCH ***
+
+***** This file should be named 29208-8.txt or 29208-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/9/2/0/29208/
+
+Produced by André Engels and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.