diff options
Diffstat (limited to '29289-0.txt')
| -rw-r--r-- | 29289-0.txt | 5304 |
1 files changed, 5304 insertions, 0 deletions
diff --git a/29289-0.txt b/29289-0.txt new file mode 100644 index 0000000..6321d2b --- /dev/null +++ b/29289-0.txt @@ -0,0 +1,5304 @@ +The Project Gutenberg EBook of Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten, by +Guido Gezelle + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten + +Author: Guido Gezelle + +Editor: Dr. J. Aleida Nijland + +Release Date: July 1, 2009 [EBook #29289] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GUIDO GEZELLE'S GEDICHTEN *** + + + + +Produced by Jeroen van Luin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +-------------------deze regel heeft nummer 1----------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht. | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. | + | | + | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is in | + | dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. | + | Het cursief is weergegeven als _cursief_. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en | + | spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. | + | | + +------------------------------------------------------------------+ + + + + + BLOEMLEZING UIT + GUIDO GEZELLE'S + GEDICHTEN + + + + + BLOEMLEZING UIT + GUIDO GEZELLE'S + GEDICHTEN + + ZESDE DRUK + + [Illustratie: L.J.V. + LABOR INTEGER VINCIT + MDCCCXXCVII] + + L. J. VEEN–AMSTERDAM + + Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen. + + + + +Deze Bloemlezing heb ik samengesteld om GEZELLE'S poëzie te brengen in +ruimer kring dan tot heden is bereikt. Op 'n paar uitzonderingen na in +'t begin liet ik de volgorde der gedichten naar de verschillende +dichtbundels onveranderd. Hier en daar heb ik 'n enkel ons minder bekend +woord verklaard. + +Maart 1904. + + +In volgende drukken is in de keuze der gedichten weinig veranderd; over +het algemeen zijn meer woorden verklaard. + + DR. J. ALEIDA NIJLAND. + +AMSTERDAM, April 1915. + + + + +=INHOUD=. + + + Bladz. + De vlaamsche tale is wonder zoet 1 + Oneigene 2 + Als de Ziele luistert 3 + Het schrijverke 4 + o 't Ruischen van het ranke riet 6 + Het meezennestje 8 + Dien avond en die rooze 9 + Kom e' keer hier 11 + Gewijde klok 13 + o Gulden hoofd 15 + o Vechter 16 + Met kloeken arme 17 + Slaapt gij nog 19 + Hoe schittert mij die spa toch 22 + o Leye lief 24 + Hemellawerke heet gij 26 + De boomen zien zwart 29 + Geluwgroene legerscharen 31 + Gekamde koning Canteclaar 34 + o Wilde en onvervalschte pracht 36 + Waar zit die heldere zanger 38 + De navond komt zoo stil 41 + De vliege 43 + Wat hangt gij daar te praten 45 + Als ge naar het kooren luistert 46 + De wolkenweg bedijgt 48 + Andleie 50 + 't Is stille 55 + De rave 56 + De tijd 59 + Mijn hert is als een blomgewas 61 + 't Eerste 63 + Wintermuggen 64 + Winternacht 66 + Arm huisgezin 68 + Irrequietum 69 + Velut umbra 70 + Abeelen 72 + Lentegroen 74 + Vogelzang 76 + Zonnewende 79 + Bonte abeelen 80 + De bleekersgast 81 + Rijmram 83 + Twee horsen 84 + Het klokgebed 85 + Schoonheid 87 + De dakpannen 88 + Terug 89 + Het getouwe 91 + Wierook 93 + o Heemelijke diepten 94 + 't Groeit 96 + Najaarsverwen 99 + Niemandsvriend 101 + Casselkoeien 105 + Tranen 107 + Schoone nacht 108 + Avondrood 110 + Fiat Lux 112 + De winden 114 + Dat wilde ik weten 115 + Spaman 117 + Het hazegrauwt 118 + Hoe zeere vallen ze af 120 + Van den ouden boom 123 + Blootakker 126 + Moederken 129 + Perels 130 + Spreeuwen 131 + Wederwijven 133 + Excelsior 134 + Zegepraal 136 + De doornenboom 139 + Mietje 141 + Cytisus Laburnum 142 + Buigen of bersten 144 + De sperretakken 147 + Het gulden vlies 149 + Hebt meêlijen 151 + De dageraad 154 + Nevelduisternis 156 + Windtocht 158 + Aksternesten 160 + Lentegroen 161 + Cinxen 162 + Och ware ik 164 + Aan den Lindeboom 165 + Ego Flos 167 + + + + + De vlaamsche tale is wonder zoet + voor die heur geen geweld en doet, + maar rusten laat in 't herte, alwaar, + ze onmondig leefde en sliep te gaar, + tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank, + te monde uit, gaat heur vrijen gang! + Wat verruwprachtig hoortooneel, + wat zielverrukkend zingestreel, + o vlaamsche tale, uw' kunste ontplooit, + wanneer zij 't al vol leven strooit + en vol 't onzegbaar schoon zijn, dat, + lijk wolken wierooks, welt + uit uw zoet wierookvat! + + + + +=ONEIGENE=. + + + Hetgeen ik niet uitgeve en + hebbe ik niet in, + wie zal mij dat wijten te schanden? + Mijn herte en mijn tale, mijn + zede en mijn zin, + 't is al zoo van buiten, 't is + al zoo van bin': + 't ligt alles daar bloot op mijn' handen! + + Dan, weg met de oneigene + tale en den schijn + van elders geborgde gepeizen; + mijn zijt gij niet, uw dat en + wille ik niet zijn, + dat in mij en aan mij is + dat heete ik mijn: + oneigene, ik late u,... gaat reizen! + + + + + Als de Ziele luistert + spreek 'et al een taal dat leeft, + 't lijzigste gefluister + ook en taal en teeken heeft: + blâren van de boomen + kouten met malkaar gezwind, + baren in de stroomen + klappen luide en welgezind, + wind en wee en wolken, + wegelen[1] van Gods heiligen voet, + talen en vertolken + 't diep gedoken Woord zoo zoet... + als de Ziele luistert! + +VOETNOOT: + +1 _Wegel_ is een Z. Ned. verkleinwoord van _weg_. + + + + +HET SCHRIJVERKE. + +(GYRINUS NATANS). + + + O krinklende winklende waterding, + met 't zwarte kabotseken aan, + wat zien ik toch geren uw kopke flink + al schrijven op 't waterke gaan! + Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel, + al zie 'k u noch arrem noch been; + gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel, + al zie 'k u geen ooge, geen één. + Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn? + Verklaar het en zeg het mij, toe! + Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn, + dat nimmer van schrijven zijt moe? + Gij loopt over 't spegelend water klaar, + en 't water niet méér en verroert + dan of het een gladdige windje waar, + dat stille over 't waterke voert. + o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,– + met twintigen zijt gij en meer, + en is er geen een die 't mij zeggen kan:– + Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer? + Gij schrijft, en 't en staat in het water niet, + gij schrijft, en 't is uit en 't is weg; + geen Christen en weet er wat dat bediedt: + och, schrijverke, zeg het mij, zeg! + Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet? + Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft? + Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet, + of 't water, waarop dat ge drijft? + Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep, + of is 'et het blauwe gewelf, + dat onder en boven u blinkt, zoo diep, + of is het u, schrijverken, zelf? + En 't krinklende winklende waterding, + met 't zwarte kapoteken aan, + het stelde en het rechtte zijne oorkes flink, + en 't bleef daar een stondeke staan: + „Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen af + het gene onze Meester, weleer, + ons makend en leerend, te schrijven gaf: + één lesse, niet min nochte meer; + wij schrijven, en kunt gij die lesse toch + niet lezen, en zijt gij zoo bot? + Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg, + den heiligen Name van God!” + + + + +O 'T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET. + + + Παρὰ ῥοδανὸν δονακῆα + Hom. Il. XVIII, 576. + + O! 't ruischen van het ranke riet! + o wist ik toch uw droevig lied! + wanneer de wind voorbij u voert + en buigend uwe halmen roert, + gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr, + staat op en buigt ootmoedig weêr, + en zingt al buigend 't droevig lied, + dat ik beminne, o ranke riet! + + O! 't ruischen van het ranke riet! + hoe dikwijls dikwijls zat ik niet + nabij den stillen waterboord + alleen en van geen mensch gestoord, + en lonkte 't rimplend water na, + en sloeg uw zwakke stafjes ga, + en luisterde op het lieve lied, + dat gij mij zongt, o ruischend riet! + + O! 't ruischen van het ranke riet! + hoe menig mensch aanschouwt u niet + en hoort uw' zingend' harmonij, + doch luistert niet en gaat voorbij! + voorbij alwaar hem 't herte jaagt, + voorbij waar klinkend goud hem plaagt; + maar uw geluid verstaat hij niet, + o mijn beminde ruischend riet! + + Nochtans, o ruischend ranke riet, + uw stem is zoo verachtlijk niet! + God schiep den stroom, God schiep uw stam, + God zeide: „Waait!...” en 't windje kwam, + en 't windje woei, en wabberde om + uw stam, die op en neder klom! + God luisterde... en uw droevig lied + behaagde God, o ruischend riet! + + O neen toch, ranke ruischend riet, + mijn ziel misacht uw tale niet: + mijn ziel, die van den zelven God + 't gevoel ontving, op zijn gebod, + 't gevoel dat uw geruisch verstaat, + wanneer gij op en neder gaat: + o neen, o neen toch, ranke riet, + mijn ziel misacht uw tale niet! + + O! 't ruischen van het ranke riet + weêrgalleme in mijn droevig lied, + en klagend kome 't voor uw voet, + Gij, die ons beiden leven doet! + o Gij, die zelf de kranke taal + bemint van eenen rieten staal, + verwerp toch ook mijn klachte niet: + ik! arme, kranke, klagend riet! + + + + +HET MEEZENNESTJE. + + + Een meezennestje is uitgebroken, + dat, in den wulgentronk + gedoken, + met vijftien eikes blonk; + ze zitten in den boom te spelen, + tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om, + met velen, + en 'k lach mij, 'k lach mij, 'k lach mij bijkans krom. + + Het meezenmoêrtje komt getrouwig, + komt op den lauwen noen, + al blauwig + en geluwachtig groen; + het brengt hun dit en dat, om te azen, + tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, + ze razen, + en kruipen, vlug, het meezennestjen in. + + Het meezenvaârtje zit–de looveren + verduiken 't voor 't gestraal– + te tooveren, + al in de meezentaal; + daar vliegen ze, al med' een, te zamen, + tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit, + en, amen, + het meezennestje is weêrom ijele en uit. + + + + +DIEN AVOND EN DIE ROOZE. + +AAN EUGENE VAN OYE. + + + 'k Heb menig menig uur bij u + gesleten en genoten, + en nooit en heeft een uur met u + me een enklen stond verdroten. + 'k Heb menig menig blom voor u + gelezen en geschonken, + en, lijk een bie, met u, met u, + er honing uit gedronken; + maar nooit een uur zoo lief met u, + zoo lang zij duren koste, + maar nooit een uur zoo droef om u, + wanneer ik scheiden moste, + als de uur wanneer ik dicht bij u, + _dien avond_, neêrgezeten, + u spreken hoorde en sprak tot u + wat onze zielen weten. + Noch nooit een blom zoo schoon, van u + gezocht, geplukt, gelezen, + als die _dien avond_ blonk op u, + en mocht de mijne wezen! + Ofschoon, zoo wel voor mij als u, + –wie zal dit kwaad genezen?– + een uur bij mij, een uur bij u + niet lang een uur mag wezen; + ofschoon voor mij, ofschoon voor u, + zoo lief en uitgelezen, + _die rooze_, al was 't een roos van u, + niet lang een roos mocht wezen; + toch lang bewaart, dit zeg ik u, + 't en ware ik 't al verloze, + mijn hert drie dierbre beelden: _u_, + _dien avond_,–en–_die rooze_! + + + + +KOM E' KEER HIER. + +AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME. + + + „Kom e' keer hier, fliefflodderke[1], + 'k hebbe u, 'k hebbe u zoo lief!” + Maar 't wipte, 't wupte, 't en wachtte niet, + en 't liet mij alleene zijn. + 't Was wel van dat lief fliefflodderke, + want, hadde ik het eens genaakt, + ik hadde 't, het lief fliefflodderke, + 'k en wete niet wat gemaakt: + geen hand van 'nen mensche 'n mocht 'et ooit + genaken zijn lieve kleed, + of 't was en het wierd 't fliefflodderke, + het was en het wierd hem leed; + de hand van die 't miek alleene mag + 't genaken en niet beschaân, + de wind van die 't miek alleene mag + er, wandelend, over gaan. + Dus, wakker en weg! fliefflodderken, + op planten en bloeiend gers[2], + alwaar dat u God geschapen heeft, + alwaar dat 't uw woning es!– + En zoekt gij nu, kind, een zin hierin, + 't fliefflodderke, wie dat zij, + uw herte is het, alderliefste mijn, + ai, wat zou het anders zijn! + God miek het u, maakt dat God alleen + kan zeggen: Dit herte is mijn, + zoo zal het, en anders en zal 't, o neen, + het uw' noch gelukkig zijn! + Zoo zong hij, die lang en lusteloos + gezeten had, eenen dag, + wanneer hij, op de eerste lenteroos, + het eerste fliefflodderken zag. + +VOETNOTEN: + +1 Vlinder. + +2 Gras. + + + + +GEWIJDE KLOK. + + + o Avond- noen- en morgenmate, + ik vrij mij op uw' klank verlate, + gewijde klok! + + Uw hert is van metaal gegoten, + toch blijft het voor geen mensch gesloten, + gewijde klok! + + Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege, + och helpt de menschen, kranke en veege, + gewijde klok! + + En dat uw klank in 't ronde vliege, + zij lief of leed aan sponde en wiege, + gewijde klok! + + Den akker end' het veld verwekke, + en al dat hoort tot welzijn strekke, + gewijde klok! + + Gij zegt aan elk het lang verleden + de mede- en wederspoedigheden, + gewijde klok! + + Gij troost mij op den dag van huiden, + en zult wel eens mijn uitvaart luiden, + gewijde klok! + + Nog zult ge waken lang na dezen, + en ongeboornen beeklank wezen, + gewijde klok! + + Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren; + maar God zal ze eeuwig toebehooren, + gewijde klok! + + o 'k Wou dat, om mijn ziel te laven, + zij ook dan een gebed mij gaven, + gewijde klok, gewijde klok! + + + + +O GULDEN HOOFD. + + + o Gulden hoofd der blijde zonne, + volheerlijke, altijd nieuwe bronne + van levenskracht; + wie heeft u in die blauwe streken + het brandend voetspoor uitgesteken + en voorgedacht? + + Gij staat des morgens op, beneden + 't bereik van sterflijke oogenleden; + en, rijzend, dan + verblijdt gij mensch en dier en boomen; + en 's avonds laat gij los de toomen + van uw gespan. + + o Edel' zonne, o machtig wezen, + o zienlijke afgezant van dezen + die 't al beveelt; + wat ben ik, of wat zijt gij, schoone, + als, in des Heeren schild en kroone, + een wapenbeeld? + + Zoo kent men aan des Ridders wapen + zijn hofgezin, zijn huis, zijn' knapen, + zijn heerlijk slot; + zoo kan men, aan uw pronksieraden, + o zonne, uw edelen Ridder raden: + zijn name is–God! + + + + +=O VECHTER=. + + + o Vechter, die in 't vaderland, + met scherpgeschuurden tee en tand, + door vodde[1] en vilte[2] en voren vecht, + en 't taaie terwland ommelegt! + + Ik zie u geerne, ontembaar aan, + uw' diepe en duistere wegen gaan, + van al dat vreeze is vrank en vrij! + –Mijn doen is dat, zoo dunk 'et mij! + + Wanneer gij rust in 't wagenkot, + en roestend daar uw tanden bot, + dan zal wellicht een edel graan + alwaar gij vocht te golven staan. + + Mij geve God dat, moegewrocht, + en 't zalig rusten weerd gerocht[3], + ik zie eens 't edel terruwveld, + dat stijve zakken koorn geldt[4]! + +VOETNOTEN: + +1 Zode. + +2 Wortelvezelnet. + +3 Geraakt. + +4 Betalen, opbrengen. + + + + +MET KLOEKEN ARME. + + + Exiit qui seminat. + + Met kloeken arme, en hand vol zaad, + aanschouwt, hoe hij zijn' stappen gaat + en zaait, vol zorgen + de man, wiens hope en troost en al, + met 't stervend zaad, nu zitten zal + in 't land geborgen. + + Staat op, o zaad, 't is God die 't zegt, + den winter en de dood bevecht: + de zonnestralen + verwachten al, met menigvoud + geverwde pracht en levend goud, + uw zegepralen. + + o Winden, waait om 't groene kind + des lands, uw zacht-, uw zoetsten wind; + o dauwrijk dagen + des morgenstonds, o wolkenvloed, + verleent het koorn, dat kenen[1] doet, + uw welbehagen. + + Het wasse en 't worde een geluw graan, + het bloeie en 't blijve buigend staan, + vol zaad geladen; + vol zegen, die geen' nijd en baart, + geen' zucht, geen' zoek omleegewaard, + geen' euveldaden! + + Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld, + die de akkerzaaite omverrevelt, + en bleeke ellenden + verspreidt alom: houdt af uw' hand; + wilt verre weg van 't dragend land + uw' geesels wenden! + + Dan zal de landman, 't herte groot + van dankbaarheid, om 't daaglijksch brood + dat hij mocht winnen, + den ouden arbeid, zwart en zwaar, + zoo dit, zoo 't naaste en 't naaste jaar + weêr herbeginnen. + +VOETNOOT: + +1 Kiemen. + + + + +SLAAPT GIJ NOG. + + + Slaapt gij nog, gedaagde[1] kruinen + van de onzochte[2] doorentuinen? + slaapt gij nog, en weet gij niet + dat de ontwekte zonne u ziet? + + Dat alree de dagen langen + zichtbaar, en de stralen strangen[3] + van de lente? Ontwekt, welaan, + doornen, en wilt wakker staan! + + Onlangs nog, met sneeuw doorschoten, + hebt gij, naast uw' stamgenoten, + weken lang den tijd verbeid, + vaste in uwe onroerbaarheid. + + Tijd is 't om den dag te groeten: + 't Oosten blinkt, en wakker moeten + al die zonne- en zomerglans + schuldig zijn hun' liefde, thans. + + Doorentuin dan, botten open; + los, uw dichte looverknopen; + los, uw zilveren reukallaam[4]; + los, uw sneeuwwit blommenkraam! + + Ei, 't en baat niet, dat robijnen + naalden deur de toppen schijnen + heen te bersten, hier en daar, + van uw doornig streuvelhaar[5]! + + Ei, 't en baat niet dat uw' leden, + zwellende uit van vruchtbaarheden, + drinken 't zog der aarde, en bloot + laten heuren moederschoot! + + Blâren moet ge en blommen schieten, + vol de vaten ommegieten + uwer zalven, en voortaan, + hagedoornen, bloeien gaan! + + Slaapt gij nog? De bien ontwekken, + langende om uw zeem te lekken; + 't vogelken zoekt, nestgezind, + waar 't uw vrije daken vindt! + + Slaapt gij nog? De zangermonden, + zullende uwen lof verkonden + zoo gij wakker wordt, ze slaan + reeds hun liefste leisen[6] aan! + + Slaapt gij nog? De dichters dragen + droevig, dorre doorenhagen, + het geheugen, lang verbeid, + van uw' zomerschoonigheid! + + 't Water zucht, de blauwe lochten, + de aarde deunt[7], vol minnetochten: + alles, alles wenscht om... och, + doorenhagen, slaapt gij nog? + +VOETNOTEN: + +1 Bedaagd, oud. + +2 Onzacht. + +3 Strang = streng. + +4 Alm, allaam = handwerktuig. + +5 Verwarreld opstaand haar. + +6 Liederen. + +7 Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een +hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen, +weerklinken van geluid. + + + + +HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH. + + + Hoe schittert mij die spa toch, als + gij, landman, uwen taaien hals + gebogen, langzaam eerselt[1], end' + nu hier nu daar Gods akker wendt! + + De zonne komt u volgzaam na + en velt op uw geglimde spa, + terwijl gij zucht en arrebeidt, + den blik van heur' hoogmogendheid. + + En, spittende in dat hel gestraal, + zoo keert uw werkzaam akkerstaal + med een den grond, en zendt den schicht + terug naar mij, van 't zonnelicht. + + Daar speiten[2], uit den zwarten grond + der aarde, zoo veel stralen rond + uw' delfspa, dat 't een beeltenis + van Gods gevreesden bliksem is. + + Doch neen: de duiven weten 't wel, + dat 't spawerk is en zonnenspel, + dit bliksemen, en hun vrije vlerk + vervolgt u, op uw akkerwerk. + + De kwiksteert, zoo de duiven doen, + u nagaande, in zijn' stouteschoen, + en vreest, alwaar hij wormen ziet, + uw' spa noch heur geflikker niet. + + Zoo volge ik ook, en geren ga + 'k, van 's morgens vroeg, den delver na, + hem dichtende, als hij lam en moe + van werken is, mijn deuntjen toe. + + God vordere u, mijn brave man, + en, zoo 't gebed u helpen kan + van een, die geerne uw' weêrga ziet, + de spa en delve uw graf nog niet! + + Maar mocht gij eens, uw werk voldaan, + den blijden oest[3] zien binnengaan, + en zuchten: Die den arrebeid + mij zoet maakt, U zij dank gezeid! + +VOETNOTEN: + +1 Aarzelen = achteruitgaan. + +2 Spatten. + +3 Oogst. + + + + +O LEYE LIEF. + + + O Leye lief, wat mocht u boozen; + wat 's hemels kom, den vlekkeloozen, + weêrspiegeld in uw' schoot, dat blauw + verliezen doen? Dat blauw, och armen, + dat donkert in de ontstelde barmen[1] + van uw geweldig watergrauw? + + 'k En hoorde u niet, op vroeger dagen, + en 't was als of ze in slape lagen, + één glimmend glas, uw' baren; daar 't + nu brieschen is en woedend grimmen, + van breedgerugde waterkimmen, + die beurtlings berschen[2] boordewaard. + + Nog nooit en zag ik witgekoofde[3] + gelederen rijen, den helm ten hoofde, + met zulk een daverend rukgeweld, + o Leye, als de ongetelde toppen + der witgekamde barenkoppen, + die rennen in uw waterveld! + + Het klotst, het kleunt[4], de golven stooten + het hooge schip, de smalle booten: + het danst, het deunt[5], het roert, het maalt + alom, van 't vlugge schuim, dat vedert; + van 't zwalpend zop, dat weg- end- wedert; + en van den wind, die zegepraalt. + + o Noorden, sluit uw dolle perken, + besnijdt dien boozen zoon zijn' vlerken: + laat af, genoeg, genade! Hij + is koning, heere en baas gebleken: + laat licht en zonne u schoone spreken, + dat 't windloos weêr en vrede zij! + + Dan zal ik liefst, o Leysche boorden, + als 't zomer is, en zwijgt in 't Noorden + de felle reus, u volgend gaan; + dan zal ik weêr mijn hert vermeiden, + langs uw' gegroende en stille weiden, + en in uw' grond hun beeld zien staan. + +VOETNOTEN: + +1 Golven, watersprongen. + +2 Met kracht en spoed gaan. + +3 Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe). + +4 Slaan, kloppen. + +5 Daverend schokken, schudden, trillen. + + + + +HEMELLAWERKE HEET GIJ. + + + Hemellawerke heet gij, wakkere en + snelgewiekte strale, die + 'k, uit het zaailand opgestegen, + lijk nen vierpijl rijzen zie. + + Striemen lichts ontlaat, en vonken, + 't vluchtend vierwerk; en zoo hoort + me u ook vluchtend henentieren, + als gij deur de wolken boort. + + Hemellawerke, schoon van name en + sprake zijt gij, maar uw kleed, + 't valt te grauw toch: is 't de reden + dat men grijslawerke u heet? + + Ben ik grauw, het is van zeilen, + en van, altijd reisgezind, + zoo de grauwgedoekte schepen, + heen te varen, vóór den wind. + + Hemellawerke, grijslawerke, + luchtleeuwerke, hemelwaard, + weg met u, ja, leeuwerkt helder, + op uw' hooge hemelvaart! + + Zingt en zeilt maar, al te zelden + hoore en zie 'k u, lieve; 't gaat + beter hem, die, vroeg en spade + hoort u, ende gadeslaat. + + Midden in Gods werken levend, + 't gaat hem beter, achter 't land, + die u naziet, te elker stonde, + daar hij zaait en zeeuwt[1] en plant. + + Ach, om niet is 't, al te dikwijls, + dat gij dankend opwaarts stijgt, + daar geen mensch en is dien 't aangaat, + of gij, schamele, zingt of zwijgt. + + Horkt er niemand, ik zal horken, + wilt ge, in 't droevig tranendal, + mij vertroosten, hemellawerke; en + ziet ons niemand, God ziet 't al! + + Hij zal zien en hij zal hooren, + hij, die vlerke en tale u gaf, + en die mij, in stad begraven, + wekken eens zal uit dit graf. + + Dan verrijze ik, luchtleeuwerke; + zette ik zeil en vaar getroost + naar de hoogten, daar gij schouwend + eert den dagraad en den oost. + + Naar de streken die mij wijzende + is uw' vlerke en uw geschal, + en van waar ik, vrij en veilig, + niet meer, niet meer neêr en zal. + +VOETNOOT: + +1 Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde. + + + + +DE BOOMEN ZIEN ZWART. + + + De boomen zien zwart, van de zwellende botten; + o zonne, wanneer zal uw' macht, onbevaên[1], + weêr 't springende blad, en de banden ontknotten, + waarin 't twee drie maanden heeft houtvast gestaan? + + Staat achter, o nijdig geweld van den winter; + houdt af uwen vuist, in de botten begint er + weer vreugdiger pulsslag en leven te slaan. + + De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven; + zij striemen, dóór 't blauwe geluchte, onbekleed; + doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven, + lijk machtige reuzen, ten strijde bereed. + + Staat achter, o nijdig geweld van den winter; + uw rijk heeft een einde, in de boomen begint er + weêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed. + + De boomen zien zwart, en hun' dreigende schachten + staan veerdig en vrij, als de spere in de vuist + eens ridders, het teeken ten storme te wachten: + het klinke, en daar loopen zij henengedruischt! + + Staat achter, o nijdig geweld van den winter; + de boomen slaan uit, en zoo zaan[2] herbegint er + weêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist! + +VOETNOTEN: + +1 Onbevangen, ongehinderd, vrij. + +2 Weldra, spoedig. + + + + +GELUWGROENE LEGERSCHAREN. + + + Geluwgroene legerscharen, + honderdduizend, waar vandaan + zijt gij, vastgevoette blâren, + komen op de boomen staan? + + Nauwlijks heeft twee lentezonnen + 's werelds blijde onthaal begroet, + of... wie zal 't getellen konnen, + 't leger dat gij porren doet? + + Werkzaam, onder 't machtig streelen + van des morgens windgeweld, + op de berken, op de abeelen + zie 'k u, in 't gelid gesteld. + + 't Ruischt alom vol zware talen, + 't ruischt alom; en 't krijgsgebaar, + stortende in de diepe dalen, + dooft alle andere stemmen daar. + + Waar vandaan zijt, al in 't blijde + doek gekleed, gij krijgeren dan? + Wie, die zulk een wereldwijde + legervastheid voeden kan? + + Zijt ge uit louter locht gesteven, + zijt gij zonnestralen teer, + schielijk en van licht geweven, + duizendwendig bladerenheer? + + Zijt gij 't bloed en 't merg der boomen, + 't boomzijn zelve, of anders iet + onbekend, dat uit wil stroomen, + al zoo zaan[1] 't de zonne ziet? + + Zijt gij... Uwe ontelbaarheden + staan het stormend volk gelijk, + strijdbaar in 't bezit getreden + van des Winters koninkrijk! + + Nutloos, in zijn' zware ellenden, + heeft het land om hulp gewacht: + komt en stoort des vijands benden, + velt hem voor uw' legermacht. + + Breekt zijn' bergsteê, slaat zijn' ridderen, + scheurt zijn' vanen: roept en tiert, + dat de verste velden zidderen + van 't geruchte: zegeviert! + + Vluchten moet hij weg; verwonnen, + wapenloos en wepel[2], gaan + zitten waar, in 't ijs geronnen, + onbewoond, zijn' steden staan. + + Ruischt dan maar, gij legerscharen; + zingt en trommelt overluid, + zegevolle zomerblâren: + morgen is de winter uit! + +VOETNOTEN: + +1 Dra. + +2 Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend. + + + + +GEKAMDE KONING CANTECLAAR. + + + Gekamde koning Canteclaar, + hoe geren zie 'k u komen daar; + gestapt zoo edeldrachtig + als Alexander, Atilla, + of Karloman zijn' wederga: + heel keizerlijk almachtig! + + Gij kraait, terwijl ge uw' vlerken slaat, + en 't stemgeluid dat henengaat, + uit uwen hals gedreven, + herwekt het slapend menschendom, + het boodschapt hem den dag weêrom, + den dag, het licht, en 't leven. + + Uw' vonkelende ooge, uw' rooden kam, + een laaiend beeld van vier en vlam, + uw' zwakken steert, uw' spooren, + uwe om end om geglimde borst, + uw' strijdbaarheid, uw' zegedorst, + uw' stem, zoo schoon om hooren... + + Wie is er die dat al beschrijft, + die, heel in woord en taal gelijfd, + doet leven u en waken? + Wie is er? Anders geen als gij, + heer Canteclaar, die machtig zij + uw evenbeeld te maken. + + Vaart wel dan: ik ontgeef 't mij, en + 'k wil weten dat ik verre ben + bij u voortaan ten onderen; + gij hebt, o haan, den prijs behaald, + kraait koning nu, en zegepraalt, + en laat mij zwijgend wonderen! + + + + +O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT. + + + Alre creature sake ende yersticheit. + RUUSBROUCK. + + o Wilde en onvervalschte pracht + der blommen, langs den watergracht! + + Hoe geren zie 'k u, aangedaan + zoo 't God geliefde, in 't water staan! + + Geboren, arg- en schuldeloos, + daar God u eens te willen koos, + + daar staat ge: en, in den zonneschijn, + al dat gij doet is blomme zijn! + + 't Is wezen, 't geen mijne ooge aanziet, + 't is waarheid, en ge'n dobbelt niet; + + en die door u mijn hert verblijdt + is enkel, zoo gij enkel zijt! + + Hoe stille is 't! 't En verwaait med al + geen bladtje, dat ons stooren zal; + + geen rimpelken in 't lief gelaat + des waters, dat vol blommen staat; + + geen wind, geen woord: rondom gespreid, + al schaduwe, al stilzwijgendheid! + + Dan, diepe, diepe in 't water, blauwt, + half groen geblest[1], de hemelvaut; + + en, priemend' hier en daar vergaat + een langgesponnen zonnedraad. + + Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn + kan toch eene enkele blomme zijn, + + die, al med eens, en zorgloos, uit + de hand van heuren Schepper spruit! + + Door Hem, en door geen menschenhand, + lag hier een nederig zaad geplant; + + door Hem, op dezen oogenblik, + ontlook het, en dien troost heb ik, + + dat, blomme, gij mij bidden doet, + en wezen zoo ik wezen moet: + + aanschouwende en bevroedende in + elk uiterste einde 't oorbegin, + + den grond van alles; meer gezeid, + maar nog niet al: Gods eerstigheid. + +VOETNOOT: + +1 Gevlekt. + + + + +WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER. + + + Waar zit die heldere zanger, dien + ik hooren kan en zelden zien, + in 't loof geborgen, + dees blijden Meidagmorgen? + + Hij klinkt alom de vogels dood, + bij zijnder kelen wondergroot' + en felle slagen, + in bosschen en in hagen. + + Waar zit hij? Neen, 'k en vind hem niet, + maar 'k hoore, 'k hoore, 'k hoore een lied + hem lustig weven: + het kettert in de dreven. + + Zoo zit en zingt er menig man, + vroegmorgens op 't getouwe, om, van + goên drom[1], te maken + langlijdend[2] lijwaadlaken. + + De wever zingt, zijn' webbe deunt[3]; + de la klabakt, 't getouwe dreunt; + en lijzig varen + de spoelen heen, in 't garen. + + Zoo zit er, in den zomer zoel, + een, werpende, op den weverstoel + van groene blâren, + zijn duizendverwig garen. + + Wat is hij: mensche of dier of wat? + Vol zoetheid, is 't een wierookvat, + daar Engelenhanden, + onzichtbaar, reuke in branden? + + Wat is hij? 't Is een wekkerspel, + vol tanden fijn, vol snaren fel, + vol wakkere monden + van sprekend goud, gebonden. + + Hij is... daar ik niet aan en kan, + een' sparke viers, een' boodschap van + veel hooger' daken + als waarder menschen waken. + + Horkt! Langzaam, luide en lief getaald, + hoe diep' hij lust en leven haalt, + als uit de gronden + van duizend orgelmonden! + + Nu piept hij fijn, nu roept hij luid'; + en 't zijpzapt hem ter kelen uit, + lijk waterbellen, + die van de daken rellen. + + Geteld, nu tokt zijn taalgetik, + als ware 't op een marbelstik[4], + dat perelkransen, + van 't snoer gevallen, dansen. + + Geen vogel of hij weet zijn lied, + zijn' leise[5] en al zijn stemgebied, + bij zijnder talen, + nauwkeurig af te malen. + + 't En deert mij niet, hoe oud gedaagd, + dat hij den zangprijs henendraagt, + en, vogel schoone, + mij rooft de dichterkroone! + + Want mensche en heeft u nooit verstaan, + noch al uw' rijkdom recht gedaan, + o wondere tale + van koning Nachtegale! + +VOETNOTEN: + +1 Schering. + +2 Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan. + +3 Schudt, trilt. + +4 Stik = stuk. + +5 Lied. + + + + +DE NAVOND KOMT ZOO STIL. + + + De navond komt zoo stil, zoo stil, + zoo traagzaam aangetreden, + dat geen en weet, wanneer de dag + of waar hij is geleden[1]. + 't Is avond, stille... en, mij omtrent, + is iets, of iemand, onbekend, + die, zachtjes mij beroerend, zegt: + „'t Is avond en 't is rustens recht.” + + De boomen dragen gansch de locht + vol groen, nog onbestoven; + en 'k zie, zoo dicht hun' blaren staan, + nog nauwlijks door de hoven; + 'k en hoore niets, al om end om, + van 't zoetgekeelde vogelendom, + 't en zij, het donker loof beneên, + den nachtegaal zijne avondbeên. + + Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon + hij zingt! Het is onwetend, + dat zingend hij mijne ooren boeit, + en aan zijn' kele ketent. + Ach, wist hij 't gene ik wetend ben: + dat dankbaar ik toch wete en ken + wie hem zijn' tale, en mij daaraf + 't genoegen en 't genieten, gaf! + + Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor + eensgangs ik ginder gekken? + Wat is 't, dat her en weder her + verergerend gerrebekken? + Och, vorschenvolk, in 't waterwied, + houdt op! En stoort de stilte niet: + laat hooren mij dat leutig slaan... + en, kwelgediert, houdt op voortaan! + + Hebt daar!... Het speit, den steen rondom, + en, uitgestrekter schenen, + zijn al de vorschen, diepe in 't goor, + in 't zwijgend goor verdwenen!... + Eilaas, de nacht en 't donker zijn + bezitten nu den zanger mijn: + noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2], + en hoore ik meer... 't is uit, 't is uit! + +VOETNOTEN: + +1 Voorbijgegaan. + +2 Niet het minste stemgerucht. + + + + +=DE VLIEGE=. + + + o Gij dikke, welgekleede, welgevoede + vliege, die + 'k daar zoo dikkens, om end weder om mij, + hoore en zie + vliegen, varen, vederen, ruischen, in den + zonnestraal, + met uw' ronkend-, hoog- en leeggevooisde + vedertaal! + + Ha, 'k en kenne niemand die u ooit ééne arme + reke[1] of twee + heeft geschonken, schoon gij zingt en immer + zongt, alreê + ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of + nachtegaal, + ruim zoo schoone allichte als honigbie- en + krekeltaal. + + o Gij dikke, weltevreden, welgezinde + snaartrompet, + nooit en zag ik of en hoorde ik uwe + vlerken, net + lijk twee glazen ruitjes, daverende' 't zij + late of vroeg, + of 't was helder zomerweder, en de + zonne loech! + + o Gij aardig dierken, 'k wou dat ik, zoo wel als + alle mensch, + zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte en + wille en wensch, + en dat ge ons, al ronken in den mooien + zonneschijn, + wist den weg te wijzen naar 't gestadig + blijde zijn! + +VOETNOOT: + +1 Regel, schrift of zang. + + + + +WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN. + + + Wat hangt gij daar te praten + aan die blomme, o bruine bie; + waarop, waaruit, waarover + ik u ronken hoore en zie? + Gij zijt er met uw' neuze en + met uw tonge al ingegaan; + gij hebt eraan geroken + en van alles aan gedaan, + daarom, daarin, daarover, + op uw' vlerken alle twee: + ik wonder hoe die blomme u + laat geworden, zoo ter lee[1]! + Och, ware ik in heur' plaatse, ik + hiet u varen, en ik sloot + zoo seffens al dat werk, al + dat geruchte uit mijnen schoot, + en 'k...: „Rap, uit mijnen weg en + uit mijn zunne, dat ik zie: + houdt op, en laat mij werken, + of ik strale[2] u!” zei de bie. + +VOETNOTEN: + +1 Gewillig. + +2 Straal = pijl, angel. + + + + +ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT. + + + Als ge naar het kooren luistert, + dat nu op- nu nedergaat; + daar een' zwepe wind in snuistert, + dat de lieve zonne baadt; + + neen, 't en kan geen' snare talen, + die zoo zoete om hooren is + als 't gerep der roggestalen, + als 't geroer van 't kooren is. + + 't Vaart een fijn gelispeld leven + deur de toppen, altemaal; + daar de diepere stammen beven, + deunende als een' dondertaal. + + Hel en duister, lijze en luide, + mingelmangelt in de lucht, + 't ruischen van de groengekruide, + grauwgetopte koorenvrucht. + + Drijft dan maar, gij dunne staven, + die den landman 't leven wint; + laat de zonne uw' lenden laven + zoetjes, en den zomerwind! + + Hei, daar valt er volk te peerde, + losgetoomd, in 't veie[1] groen; + donker diept het neêr naar de eerde, + zoo in zee de schepen doen. + + Volgende elk den andere, varen + ze, elk gevolgd, in 't volle veld; + 't zonnelicht beglanst de baren + van dit rennend rosgeweld. + + Schielijk, in de lucht ontkomen, + zijn de ridderen weg: 't en speelt + niets meer in de vrije vromen, + dat de zware zee verbeeldt. + + Stille is 't nu: de zonne vonkelt + deur de wolken, blij en blank; + milde lacht het al en monkelt[2], + in en om mij, lief en lang. + + Ach! 'k En gave om al het schoone, + dat de heldere zonne ziet, + –Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,– + neen-ik, nog mijn Vlanderen niet! + +VOETNOTEN: + +1 Welig. + +2 Glimlacht. + + + + +DE WOLKENWEG BEDIJGT. + + + De wolkenweg bedijgt[1] + vol eendlijke[2] oorlogschepen, + wier witgezeilde macht + de koele westerzwepen + des windloops drijven doen, + en, in 't gelid zoo zaan[3], + den hemel vol, tot in + zijn verste diepten, staan. + + De zonne speelt daarin, + met honderd duizend monden + geschuts; die, scherp gelaên, + 't gebuikte lijndoek wonden + van 't scheepgevaarte: 't licht + en 't duistert, keer om keer; + en, schielijk overwolkt, + en zie 'k geen zonne meer. + + Gaat 't regenen eindelijk, + en, zoo 't de boeren vragen, + een' ongetelden oest[4] + van goud en zelver vlagen[5]? + Gaat 't regenen? Donker is 't, + nog donkerder. Med een, + daar bliksem' het, en 't buischt + een zware dondersteen! + + Het windrad is gekeerd, + de hemelwanden breken, + en neerstig–vlucht in huis!– + zie 'k al de daken leken: + God zegent het geweld + des hemels, de eerde doomt[6] + en davert, van 't geluk + dat in heure aderen stroomt. + +VOETNOTEN: + +1 Bedijgen, bedijen, groeien, worden. + +2 Angstig, groot. + +3 Dra. + +4 Oogst. + +5 Het vlaagt = het buit, het is buiig weer. + +6 Dampt. + + + + +ANDLEIE.[1] + + + Jordane van mijn hert + en aderslag mijns levens, + o Leye, o vlaamsche vloed, + lijk Vlanderen, onbekend; + hoe overmachtigt mij + de mate uws vreugdegevens, + wanneer ik sta en schouwe, + uw' vrijen boord omtrent! + + Hoe vaart gij welgemoed, + de malsche meerschen lavend + met blijder vruchtbaarheid, + te Scheldewaard, en voort + ten Oceaan, u, zelf, + een' diepe vore gravend, + die 't oude en vrije land + van Vlanderen toebehoort. + + Wat zijt ge schoone, o Leye, + als 't helderblauwe laken + der hemeltente wijd + en breed is uitgespreid, + en dat, uit heuren throon, + de felle zunne, aan 't blaken, + vertweelingt heur gezichte + in uwe blauwigheid! + + Dan leeft het rondom al[2] + uw' groengezoomde kanten, + aanzijds en heraanzijds, + zoo verre ik henenschouw, + van lieden, die weêrom, + en nu in 't water, planten + den overjaarschen bloei + van hunnen akkerbouw, + + den bast, die, onlangs, toen + hij jong was, jong en schoone, + 't gezicht verblijdde, maar + één levend legtapijt; + die, veel te lichte, eilaas! + de blauwe maagdenkroone + verloos, en bleef het lieve + en jeugdig leven kwijt! + + Het vlas! Nu staat 't gedoopt, + Jordane, in uwe lanken, + gegord in haveren stroo, + dat banden gouds gelijkt; + bij duizend duizenden + van bonden, die vier planken + bewaren, ketenvast + en aan den wal gefijkt[3]. + + Hoe zucht gij, om weêr uit + dit stovend bad te komen; + hoe zucht gij, zoo de ziel, + de vrome kerstene, doet, + die, na gedulde pijn, + vol hopen en vol schromen, + verlangt het licht te zien + dat haar verlossen moet! + + Verdraagt den harden steen[4] + nog wat, die, korts nadezen, + gelicht, u helpen zal + ter vrijheid; en de dood, + die u gedwongen hield, + zal zelf gedwongen wezen, + u latende uit het graf + en uit den Leyeschoot. + + Die steen heeft u gedempt, + g'ootmoedigd en gedoken, + tot dat uw taaie rug, + gemurruwd en verzaad, + geen' weerstand biên en zou + aan hem die u, gebroken, + tot lijn[5] hermaken zal + en edel vlasgewaad. + + Hoe krielt het wederom, + langs al de Leyeboorden, + van lieden, half gekleed, + die half in 't water staan, + en halen, lekende uit, + lijk lijken van versmoorden, + 't gebonden, zappig vlas, + en 't spreidende openslaan! + + 't Verrijst! Het wordt alhier, + het wordt aldaar bewogen, + gestuikt[6], gekeuveld[7] en + gehut. De zonne lacht + en speelt in 't droogend schif[8], + dat, 't water uitgezogen, + heur fijne stralen drinkt + en fijndere verruwpracht! + + Wat zie 'k! o Israël, + lijk in de bibelprenten, + gekleend, den overtocht + van 't Abrahamsche diet[9]; + gesmaldeeld en geschaard, + in lijnwaadgrauwe tenten, + ontelbaar, zoo 't den dwang + van Pharao verliet! + + Beloofde land van God, + Jordane, in 't hooge Noorden, + hoe schoon 't gelegerd volk, + dat, God gehoorzaam, voet + en hand te zamen, zwoegt + naar uwaard, en de boorden + van 't stroomend waterkleed + strijdmachtig leven doet! + + Ik hef, lijk Bala'am, + mijn woord op, en 'k bezegen + den arbeidweerden troost + dien 't neerstig Vlanderen vand...! + Zij 't immer God getrouw, + God dankbaar, God genegen, + en weerd de diere kroon + die hem de vrijheid spant, + + zoo lang de Leye loopt, + zoo lang de velden dragen + den taaien lijnwaadoost[10], + die op heur boorden groeit; + zoo lang 't gestorven vlas + herleeft in kant en kragen, + en, sneeuwwit op de borst + van jonk- en schoonheid bloeit! + +VOETNOTEN: + +1 Aan de Leie. + +2 Aan, langs. + +3 Fijke is een stok of ijzeren staaf op den oever, waar de in 't water +neergelaten vlasbakken aan vastgebonden worden. + +4 Die op de volle vlasbakken ligt om het vlas ter roting onder water +te houden. + +5 Gesponnen draad om te weven. + +6 Stuiken = korenschoven recht overeind zetten om te drogen. + +7 Keuvel = gevelpunt op een dak. + +8 Houtbast van 't vlas. + +9 Volk. + +[10] Oogst. + + + + +='T IS STILLE=. + + + 't Is stille. Rustig ligt + en slaapt het altemaal, + dat leute en leven was, + dat locht- en vogeltaal. + Geen windeken en waakt: + november houdt den staf, + en stelpt dat wekken mocht + het eindloos duister graf + des aardrijks. Ongebaand + en dood zijn weg en straat; + de voet alleen verwekt, + en 't stappen van die gaat, + een doof gerucht in 't loof, + dat, afgevallen, plekt + den grond, dien 't in een' spree + van doodsche varwen dekt. + 't Is stille. Gij alleen, + o vlugge en vlijtig ding, + dat, langs den natten tak + geklaverd, uw gepink + laat hooren, fijn en snel, + ge ontsnapt en snetst alom: + „Ik leef nog: piep! Ik leef, + spijts 's winters winterdom!” + + + + +=DE RAVE=. + + + Met zwart- en zwaren zwaai aan 't werken door de grauwe, + de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe; + die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind, + gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt. + + Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in 't zwarte; als kolen, + zoo staan heure oogen zwart, in hun' twee zwarte holen + te blinken; rouwgewaad en duister doek omvangt + het duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt. + + Ze is stom! Z'en uit geen woord en 't waaien van heur' slagers + en hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragers + stilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht, + en wendt alhier aldaar heur' zwarte ravenvlucht. + + Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat steden + zijt gij, met damp en doom[1] en 's winters duisterheden, + alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Van + wat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]? + + Is ziek- of zuchtigheid, uit 's noordens grauwe landen; + is sterfte wederom, is hongersnood op handen? + Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan; + of gaat de muil misschien des afgronds opengaan? + + Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varen + alwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme baren + staan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooit + noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit! + + Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldieren + te zomertijde doen, die in de bosschen zwieren: + ja, 's winters, als de snee' heur laken heeft gespreid, + nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid. + + En gij! De rave trekt, met trage vederslagen, + voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen, + en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart, + al in één enkel woord, heur' winterboodschap: „Spaart!” + +VOETNOTEN: + +1 Damp. + +2 Bode. + + + + +=DE TIJD=. + + + _Tempus non erit amplius._ Apoc. X, 6. + + Verloren is 't gepijnd om aan + den tijd, die immer voort moet gaan, + een paal te zetten; + ja, stelt u maar en schoort u stijf, + ge 'n zult, met al uw leên en lijf, + zijn' baan beletten. + + Hij lacht met u, en, moegesold, + gij vechtend in de vore rolt, + daar 't eeuwig varen + zijns wilden strooms voorbij u voert, + en zegepralend henenroert, + zijn' ruwe baren. + + Hij stampt de hooge boomen om, + hij buigt den berg zijn' lenden krom, + hij springt de banden + van staal intween, die vastgedaan, + bij stede en stad, hem wederstaan, + in alle landen. + + Geen wet en weet hij, noch 't en zal + hem dwingen eenig ongeval: + geen' legerbenden, + geen' wapens, geen geweld van iet + dat donderbusse of boge schiet, + en kan hem schenden. + + Onraakbaar is hij, vluchtende ooit + en vechtende; verderfnis strooit + hij op die wilden + weêrzetten hem 't zij burgten van + orduin[1] gebouwd, 't zij duizend man, + 't zij duizend schilden. + + 't En breekt den boozen beul, van al 't + geween dat hem te voeten valt, + geene enkele smerte, + geen Bethlehemsche kinderdood, + geen leêggeroofde moederschoot, + zijn steenen herte! + + Zoo moet hij varend henengaan, + en al dat is aan stukken slaan, + tot ander stonden, + dat hij ook eens, het licht ontzeid, + voor eeuwig hebbe in de eeuwigheid + zijn' dood gevonden. + +VOETNOOT: + +1 Arduin. + + + + +MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS. + + + Mijn hert is als een blomgewas, + dat, opengaande of toegeloken, + de stralen van de zonne vangt, + of kwijnt en pijnt en hangt gebroken. + + Mijn hert gelijkt het jeugdig groen, + dat asemt in den dauw des morgens; + maar zwakt, des avonds, moe geleefd, + vol stof, vol weemoeds en vol zorgens! + + Mijn hert is als een vrucht, die wast + en rijp wordt, in de schauw verholen, + aleer de hand des najaars heeft, + te vroeg eilaas, den boom bestolen! + + Mijn hert gelijkt de sterre, die + verschiet, en aan de hooge wanden + des hemels eene sparke strijkt, + die, eer 'k heraêm, houdt op van branden! + + Mijn herte slacht den regenboog, + die, hoog gebouwd dóór al de hemelen, + welhaast gedaan heeft rood en blauw + en groen en geluwe en peersch te schemelen! + + Mijn hert... mijn herte is krank, en broos, + en onstandvastig in 't verblijden; + maar, als 't hem wel gaat éénen stond, + 't kan dagen lang weêr honger lijden! + + + + + 't Eerste dat mij moeder vragen + leerde, in lang verleden dagen, + als ik hakkelde, ongeriefd + nog van woorden, 't was, te gader + bei mijn' handtjes doende: „Vader, + geeft me 'en kruisken, als 't u belieft!” + + 'k Heb een kruiske dan gekregen, + menig keer, en wierd geslegen + op mijn' kake, zacht en zoet... + Ach, ge zijt mij, bei te gader, + afgestorven, moeder, vader, + 't geen mij nu nog leedschap doet! + + Maar, dat kruiske, 't is geschreven + diep mij in den kop gebleven, + teeken van mijn erfgebied: + die den schedel mij aan scherven + sloege, en hiete 't kruisken derven, + nog en hadd' hij 't kruisken niet! + + + + +WINTERMUGGEN. + + + De wintermuggen zijn + aan 't dansen, ommentomme, + zoo wit als muldersmeel, + zoo wit als molkenblomme[1]. + + Ze varen hooge, in 't vloe; + ze dalen diepe, in de ebbe; + ze weven, heen en weêr, + hun' witte winterwebbe. + + Hun' winterwebbe zal, + dat lijnwaad zonder vlekken, + den zuiverlijken schoot + van moeder Aarde dekken. + + Ze ligt in heuren slaap, + ze droomt den schuldeloozen, + den maagdelijken droom + van nieuwe lenteroozen. + + Ze ligt in heuren slaap, + ze droomt den wonderbaren, + den liefelijken droom + van 's zomers harpenaren. + + Ze ligt in heuren droom, + ze droomt van overvloed en + van voorspoed overal, + om vee en volk te voeden. + + 'n Wekt ze niet, 'n laat + heur geen geruchte dwingen, + om, al te schier ontwekt, + uit heuren slaap te springen! + + Daar ligt ze nu en rust: + heur zwijgend beddelaken, + de wintermuggen spree'n 't, + die geen geruchte en maken. + + Ze draaien op en af + en af en op en omme, + zoo wit als melk, als meel, + als molke en runselblomme[2]. + +VOETNOTEN: + +1 Wrongel. + +2 Wrongel. + + + + +=WINTERNACHT=. + + + Hoe zwart staan al de boomen in + de witheid, onverwacht, + van 't overdadig sneeuwen, dat 't + gedaan heeft, van den nacht! + + Ze staan daar, als gekoolzwart en + met teekenen geprent, + al zwarte en zware staven, op + een eindloos pergament. + + Ze 'n roeren noch ze 'n poeren[1] en, + bij 't nachtelijk gestraal, + men zweren zou dat 't spoken zijn, + of reuzen altemaal. + + De sterren staan en bliksemen, + als oogen, ongeteld, + van boven, uit de koppen van + die reuzen vol geweld. + + Ze groeien immer grooter, en + de witheid van de snee + verzwaart de zwarte stammen. Zich[2]! + van een' zoo wordt er twee! + + 'k Versta nu hoe van drollen[3], gij, + en droezen[3] hebt gedroomd, + wanneer ge, Noordsche heidenen, + verkeerdet in 't geboomt. + + Bij 't razen van den winter en + bij 't nijpen van den nacht, + is de oude, grimme reuzenzegge[4] + ontstaan in uw gedacht. + +VOETNOTEN: + +1 Bewegen. + +2 Zie. + +3 Nikkers, spoken. + +4 Sage. + + + + +=ARM HUISGEZIN=. + + + Onder 't duister dak gedoken, + stroo en vodden[1] altegaar, + heel onttodderd[2], half gebroken, + staat des werkmans woonsteê daar. + + 't Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken, + vallen gaat; en daar, deureen, + liggen afgerolde brokken + bruingebrand al, gruis en steen. + + 't Dak beneden, deur de wanden, + glazenloos, van latte en leem + zie 'k getelde turven branden, + doodsch, in 't deerlijk huisgeheem[4]. + + Open ligt het, aller oogen; + 't waait erdeure en 't sneeuwt erin; + 's zomers zal me' er hitte in doogen, + 's winters koude.–Arm huisgezin! + +VOETNOTEN: + +1 Zoden. + +2 Uit de voegen. + +3 Kave = schouw. + +4 Binnenhuis; heem, heim = huis. + + + + +IRREQUIETUM[1].... + + + Als één verdriet is uitgezucht, + er ruimte is, zult ge zeggen, + en reden daar, om ééns, toch ééns, + het rouwkleed af te leggen! + 't En doet! Daar zitten zuchten al + volveerdig, neêrgedwongen, + en beidende, in de bange borst, + die geren henensprongen! + + Ze kwellen en ze pramen u, + en baren zult ge, baren, + ach! de altijdonvolborentheid + des weedoms! De oude jaren + en letten 't herontvangen, noch + het grootgaan, immer: sterven + van droefheid, zult ge, in barensnood, + en 't eeuwig–leven–erven! + +VOETNOOT: + +1 Zonder rust. + + + + +=VELUT UMBRA=[1]. + + + Hoe lange al, eer 'k aanschouwen mocht + mijn schaduwbeeld! en zonnestralen, + door 't scheuren van de ontstelde locht, + 't daar schielijk, vóór mij, henenmalen! + 'k Verschiete ervan, zoo lange al is 't, + dat, zonneken, mijne ooge u mist. + + 'k Gevoel 't zoo veerdig–: ommentom, + dien eersten blik van liefde, 't wezen + en 't uitzien van heel 't scheps'lendom, + gedeluwd[2] en ontziend[3] voordezen, + doet werkzaam, in den zonneschijn, + heropgestaan en wakker zijn. + + De witte muur, het roode dak, + de grauwe baan, de zwarte moude[4], + het groene gers[5], de bruine tak, + 't is al alsof 't herleven zoude + in 't licht, dat 't moede en 't doove, van + dat verruwloos is, verwen kan. + + Een enkel scheurke in 't wolkgewand, + en 'k sta daar, vóór mij, heengeschreven, + van boven tot beneên, in 't zand + vertweelingd, in 't geweld te leven + des zonnelichts!... Och arme, 't sluit, + weêr toe: mijn beeld is,–al is uit! + + Zoo gaat het, Heer des levens: al + zoo lange ik, in den hoogen throone, + U zelven eerst niet zien en zal, + den nu nog onaanschouwbaar schoone, + zoo lang zal licht en zonneschijn + me, en 't leven ook, een schaduw zijn! + +VOETNOTEN: + +1 Als een schaduw. + +2 Loodverwig. + +3 Onschoon. + +4 Aarde. + +5 Gras. + + + + +=ABEELEN=. + + + Verschgevelde abeelenboomen + liggen langs de grachten heen, + die den ouden zandweg zoomen, + hoofd en armen afgesneên. + + Sterke stammen, kon dat wezen, + gij, die, op en in den grond, + met uw' voeten vastgevezen[1], + vamen diepe, ondelgbaar, stondt? + + Gij, die 't zwaar geweld der winden, + kreunende, op uw kruinen droegt; + die zoo lang den boosgezinden + wintervijand wedersloegt? + + 't Edel hoofd intweengespleten, + knoken in den grond geboord, + wie heeft 't al u afgebeten, + dat uw' schoonheid toebehoort? + + Spillen zie 'k, en spanen, dragen; + splenters, uit uw hoofdgewaai; + takken uit uw' toppen zagen, + kerven af uw' teenen taai! + + Elk komt uit en wondt en snijdt u: + raapt en rooft, met volle hand; + nu dat, omme en verre en wijd, uw + hooge kroone ligt in 't zand. + + Vijandschap, aan alle zijden, + woedt om uwe ellendigheid: + heeft u ooit, in vroeger tijden, + vrede en vriendschap één ontzeid? + + Edel volk, wanneer gij wachttet, + langs den weg, en schaduw smeet + op die, moegegaan, versmachtte 't + zonnevier, was 't iemand leed? + + Iemand leed! Ach, laat mij weten + wie dat 't is, die, afgemat, + heeft ondankbaar neêrgezeten, + in de schaduw! Leert mij dat! + + Meermaals mocht ik asem halen, + vluchten onder 't groene dak, + als het zweerd der zonnestralen + scherp mij in de lenden stak. + + Boomen, in uw' looverlane, + tellende, een voor een, u al, + 's zomers, zoete abeelenbane, + zelden ik nog komen zal! + + 't Deert mij zoo!–De abeelenboomen + liggen langs de grachten heen, + die den ouden zandweg zoomen, + hals en handen afgesneên! + +VOETNOOT: + +1 Vijzen = schroeven. + + + + +=LENTEGROEN=. + + + 't Is lentegroen genoeg, + voor honderdduizend oogen; + eilaas, 'k en hebbe er ik, + o grondig groene zee, + maar twee: + wie kander moedeloos, + den dwang mij doen gedoogen + van 't geen mij tegenhoudt + nen tocht in al dat groen + te doen? + + Gij vlerkendragend volk, + gij allerhand gezwinde + doorvliegers van de lucht, + de lieve lente lacht + zoo zacht; + en gij, gij vliegt haar in + 't gemoet, bij lork en linde, + in 't nieuwgeboren gers[1], + in 't onkruid en in 't riet: + ik niet! + + Gij bietjes ongeteld, + gij tienmaalhonderdduizend + in 't rood, in 't geel, in 't blauw + gepinte[2] pepels[3], haait + en draait + en drentelt, op en neêr, + eer 't zonnelicht, verhuizend + van hier, u, 't lieve groen, + en mij, de moede nacht + ontkracht! + + o Grondig, groene zee, + 'k ben visschende op de baren + van uwe oneindigheid + van groen, en mijn gewin + daarin + verheugt mijn arem herte: + om 't gene ik late varen, + om 't gene ik vangen kan, + en.... God gebenedijd + mij zijt! + +VOETNOTEN: + +1 Gras. + +2 Getooid. + +3 Vlinder. + + + + +=VOGELZANG=. + + + Ik hoore 't, gij vogelkens, + luide genoeg + herhaalt en herhaalt gij + uw' spraken; + maar, hoe ik mijn beste doe, + spade ende vroeg, + 'k en wete er geen zin van + te maken. + + Verstaat gij malkanderen, + elk in zijn' taal? + Verstaat, gij die meest en + die merelt, + die lijstert, die leeuwerkt, die + muscht, altemaal + uw maagschap, tot tenden + de wereld? + + Geen slagers en kenne ik, zoo + dapper als... ei! + die, slaande uwen klank uit + der kelen, + komt vinken en klinken hier, + vroeg in de mei, + en zitten en zingen + en spelen. + + Ge 'n hebt me noch dit, in uw' + zangen, gedwaald; + noch dat, in uw zingen, + vergeten; + gelijk is het altijd, al + 't gene gij taalt, + gewikt en gemikt en + gemeten. + + Zoo zongen uwe ouders, zoo + gij ook, nadien; + en, na u, zoo zingen + uw' jongen; + hebbe ievers ik nachtegaals- + zonen gezien, + 't was nachtegaalszang, dat + zij zongen. + + Dan–alles van buiten weet ge: + al dat gij zingt + en zurkelt en zabbert; + 't zit even + zoo net in zijn' haken en + oogen, mij dinkt, + of ware 't met inte[1] + geschreven. + + Daar leerde toch iemand u 't + liedergeluid + naar maten en wetten + bedwingen; + nu heffen, nu leggen: dan + in en dan uit, + van 't hoogere in 't leege + verspringen! + + Geen scholen en wete ik, daar, + lastig en lang, + gij zaat, om uw' lessen + te leeren, + zoo menschen dat moeten, die + spel en gezang + betalende menschen + vereeren! + + Gods werken, zijt wonder: ik + wille u verstaan, + doch, helder en wordt het...! + Geraden + en kan ik het raadsel, hoe + Hij heeft gedaan, + de Godlijke Dader, + zijn' daden! + +VOETNOOT: + +1 Inkt. + + + + +=ZONNEWENDE=. + + + Een blomken heb ik staan, nabij + me, in de oude boekenzale, + dat altijd, naar den dag toe, keert + zijn' blaârkes, altemale; + het wenden mag ik zus of zoo, + dat ik begere volgt het noo, + en 't zoekt, weerom naar mij gericht, + nog altijd liever 't zonnelicht! + + Och, ware ik als dat blomken is, + in al mijn doen en laten, + mijn zorgen, mijn bekommernis, + in huis en achter straten: + 't zij wat men doet of niet en doet, + 't zij wat ik immer lijden moet, + naar u, met herte en ziel, gericht, + o alverzettend zonnelicht! + + 't Is duister nu en zwaar, te mets[1], + omtrent mij: oude kwalen + en nieuwe, doen, van zielgekwets, + mij moe zijn, menigmalen, + tot dat, o God, naar U gewend, + mijn' duisterheid den dag erkent, + en ziende U, met mijne oogen dicht, + ik asem hale, in 't zonnelicht. + +VOETNOOT: + +1 Somwijlen. + + + + +BONTE ABEELEN. + + + Wit als watte, en teenegader + groen, is 't bonte abeelgeblader. + + Wakker, als een wekkerspel, + wikkelwakkelwaait het snel. + + Groen vanboven is 't en, zonder + minke[1], wit als melk, vanonder. + + Onstandvastig volgt het, gansch, + 't onstandvastig windgedans. + + Wisselbeurtig, op en neder, + slaat het, als een' vogelveder: + + Wit en grauw, zoo, dóór de lucht, + „bonte-abeelt” de duivenvlucht. + +VOETNOOT: + +1 Iets dat ontbreekt, vlek. + + + + +DE BLEEKERSGAST. + + + 't Ververscht mij, in 't geweld gestaan + der hooge zonnekrachten, + te zien van verre, aan 't water slaan, + vuls arems, uit de grachten, + den bleekersgast: de regenvloed + 't geleschte lijnwaad ronken doet. + + Den lepel zwaait hij, zwak van leên, + ter beken uit, omhooge; + en waken doet, hoe verre heen + hij werpen kan, zijne ooge: + de laatste lage en mist hij niet, + en al dat drooge is nat hij giet. + + De groote zonne lacht daarop + heure alderliefste lonken; + die, vallende in den dreupeldrop, + den dreupeldrop ontvonken: + ik regenbogen, smal van bouw, + nu hier nu daar, in 't gers[1], aanschouw. + + Het lijnwaad is, en 't gers, nu nat + genoeg; de lanen leken; + en wederom zijn spegelglad + van aanschijn al de beken; + de bleeker zit en droogt entwaar[2] + de peerlen uit zijn kroezelhaar. + + Verzachten doet dat regenbeeld + 't geweld der heete stralen, + en lichter in de longer[3] speelt + voortaan mij 't asemhalen: + zij vrede aan al die 't schoone van + Gods wonderheên beseffen kan! + +VOETNOTEN: + +1 Gras. + +2 Ergens. + +3 Long. + + + + +=RIJMRAM=. + + + Daar viel mij in 't gedacht entwat, + dat, al te onveerdig opgevat, + verloren liep; en, mondgemeens, + en zal 't noch ik, noch iemand eens + genieten. + + Het deert mij danig! Ei! 't en doet; + en heel en is en al, voor goed, + dat ongedicht gedachtje, dat + was al te onveerdig opgevat, + te nieten. + + Het leeft entwaar[1] entwat dervan, + dat visschende ik nog vangen kan, + wellicht; en, eens in 't net, wie is 't, + genaan[2]! die mij den visch ontvischt, + en 't garen? + + Mij rijmvast en, van stonden aan, + zal 't stijf en sterk in staven staan, + nu, mondgemeen, het onverwacht + gedacht gedicht, gedicht gedacht, + nog jaren. + +VOETNOTEN: + +1 Ergens. + +2 Wat weerga! + + + + +=TWEE HORSEN=. + + + Ze stappen, hun' bellen al klinken, + de vrome twee horsen te gaar; + ze zwoegen, ze zweeten; en blinken + doet 't blonde gelijm[1] van hun haar. + + Ze stappen, ze stenen, ze stijven + de stringen; en 't ronde gareel, + het spant op hun' spannende lijven: + de voerman beweegt ze aan een zeel. + + De wagen komt achter. De rossen, + gelaten in 't lastig geluid + der schokkende, bokkende[2] bossen[3], + gaan, stille en gestadig, vooruit. + + Geen zwepe en behoort er te zinken, + geen snoer en genaakt er één haar: + zoo stappen, hun' bellen al klinken, + de vrome twee horsen, te gaâr. + +VOETNOTEN: + +1 Geblink. + +2 Stooten. + +3 Naaf. + + + + +=HET KLOKGEBED=. + + + Hoe helder klinkt + de klokkentaal + ten torren uit: + tot negenmaal + herhaalt, herhaalt + de klepel, op + den rooden boord, + zijn beêgeklop! + + De landman laat + zijn' rossen staan: + naar huis zal hij, + en rusten, gaan! + maar, eer hij stap + van stede zet, + zoo bidt hij nog + zijn klokgebed. + + Een engel naar + Maria kwam: + de boodschap hij + van 't Boetelam + had medebracht: + en negenmaal + begroet haar nu + de klokkentaal. + + Gods eeuwig Woord + het licht verliet + des hemels, en + Maria hiet + het moeder zijn + van Hem die, aan + den boom, voor ons + heeft boete ontvaân[1]. + + De landman, na + den laatsten klop, + van bidden houdt, + van werken, op; + zijn' rossen staan + op stal weerom, + en moeder wenscht + hem willekom. + +VOETNOOT: + +1 Ontvangen. + + + + +=SCHOONHEID=. + + + Hoe schoon zijn de ongekunstenaarde + boomen, die + 'k, erkenbaar uit elkander, in den + hemel zie + geschoten staan, en dragende elk een + beeltenis, + daar 't werken van Gods hand nog aan te + vinden is! + + Hoe schoon is, ongeschonden, in de + zonnenkracht, + 't wijduitgespreide bouwsel van de + boomenpracht, + ten toppen uit gedreven, en, van + dracht, alzoo 't + de Schepper eerst, beminnende, uit zijn + handen goot! + + Het was alzoo geschapen en, van + God gemaakt: + waarom en laat ge 't, mensch, door u niet + aangeraakt, + geworden, 't onverbeterbare en + 't schoonste van + de schoonheid, daar geen menschenhand ooit + aan en kan? + + + + +=DE DAKPANNEN=. + + + De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon, + schuren bedekkende en boeien[1], + laat er de zonne, van uit heuren throon, + vierige vonken op gloeien. + + Duister, zoo waren ze, een wijle geleên, + vunzig, oneffen bedegen[2]: + deerlijk ontodderd[3] en schamel, beneên + 't vochtig gezijp van den regen. + + Blijde nu blinken ze, in 't zadgroene veld; + schuren bedekkende en boeien: + 'k zie mij zoo geren, in 't zonnengeweld, + de oude roo dakpannen bloeien. + +VOETNOTEN: + +1 Schuurtje. + +2 Geworden. + +3 Uit de voegen. + + + + +=TERUG=. + + + Scheef is de poorte van + oudheid, geweken: + zaâlrugde[1] 't dak van + de schure; overal + stroo op de zwepingen[2] + zit er gesteken; + vodden beveursten[3] het + huis en den stal. + + Boven die vodden zijn + blommen gesprongen; + onder die vodden zit + volk en gezin; + blommen van vrede, zoo + ouden, zoo jongen, + blommen van buiten en + blommen van bin. + + Daar is 't, dat moeder zat; + daar is 't, dat vader + vond die hem arbeid en + herte bracht; daar + knielden wij, kinderen, + handen te gader, + baden wij, kleenen en + grooten, te gaâr. + + Daar is de schippe nog, + daar is de tange; + 't ovenbuur[4] staat daar, zoo + 't vroeger daar stond; + 't hondekot staat daar, en... + –'t is al zoo lange!– + Hoe is de naam van dien + anderen hond? + + Ach, hoe verheugen mij, + ach, hoe verheffen + de oudere dagen mijn + diepste gemoed! + Is er wel iemand, die 't + ooit kon beseffen + wat gij, oud hof, mij nu + zegt, mij nu doet? + + Zalige lieden, al + te arglooze menschen, + weinig begeerdet gij, + groot was uw hert! + –Kon het maar helpen, met + weenen en wenschen, + weêr ate ik roggenbrood, + naast u aan 't berd[5]! + +VOETNOTEN: + +1 Met een rug als een zadel. + +2 Dwarshout tot koppeling van de kapgebinten. + +3 Zoden vormen de dakvorst. + +4 Ovenhuis. + +5 Tafel. + + + + +HET GETOUWE. + + + En mocht ik maar + twee zielen hebben, + 'n mocht ik maar + twee menschen zijn, + 'k zou weven mij + tweêrhande webben: + een' webbe groef, + een webbe fijn. + + Een webbe zou 'k, + van zonne en zijde, + mij weven, en + van goudgespin; + met boomen en + met blaren, blijde, + met meer als een + schoon blomken in. + + Mijn ander' webbe, + en tweede leven, + 'n liet ik maar, + onaangemoeid, + geschoren zijn, + getouwd, geweven, + zoo 't in en deur + 't getouwe vloeit! + + Doch neen: ik zal, + van ziele en lijve, + de wever van + één webbe zijn, + zoo lange 'k in + dit leven blijve, + van zuur en zoet, + van groef en fijn. + + Den inslag en + den drom[1] van 't leven, + van goed, heeft God, + en kwaad gespin, + van zijde en wolle + en werk gegeven, + met hier en daar + een blomken in. + + En, zittende op + mijn krank getrouwe, + zoo weve en werke + ik, dag en nacht, + aanziende, vol + goe hope en rouwe, + den Heere, die + mijn werk verwacht. + +VOETNOOT: + +1 Schering. + + + + +=WIEROOK=. + + + Thus ardens in igne. + + o Wierookgraan, + geronnen traan + van ceder- en van lorkenstammen, + gebedenbeeld, + daar 't vier in speelt, + en 't vonkelen van 's herten vlammen. + + Geen gave van + fijn goud en kan + mijn hand den Heer, geen myrrha bieden, + maar wierook zal, + en overal + en allen dag, Hem dank bedieden. + + o Wierookgraan, + in 't vier gedaan, + en rookende uit mijns herten midden, + van aardsch en grauw + wordt hemelsch blauw: + gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden. + + + + +O HEEMELIJKE DIEPTEN... + + + o Heemelijke diepten van + 't vol schaduw hangend boschgebied: + vol schaduwe en vol duisterheid, + vol nacht en dauw, dooreengespreid! + + 't Is morgen, en de zonne berst + alhier, aldaar, ontembaar, uit + den nachtelijken moederschoot: + „Hier ben ik!” roept de zonne groot. + + „Hier ben ik!” En, ze doet den dauw, + in 't veld, en al dat vochtig is, + verdampen. Deur de glazen valt + ze in 't huisgezin:–ontwekken zal 't! + + 't Is licht alom: 't is leven al, + dat 't zonnebeeld aanschouwde: alleen, + daar diepe, in 't eenzaam boschgebied, + en zie 'k, o schoone zonne, u niet. + + 't Is duister, en 't is nacht daar nog; + met hier en daar een' gulpe of twee, + daar 't groen wordt, uit der grouwbaarheid... + 'k en weet niet hoe 't nen naam gezeid! + + De zonne grijpt al vaster nu + de trappen aan des luchtgebouws: + ter zege vaart ze, hooge en blij; + geen boom die heur weêrbarstig zij! + + Zij giet, dat elk het merken mag, + bij geuten, vier en werkzaamheid + den bossche in: dweersche balken gaan, + vol speitend licht, den bodem slaan. + + Het mosch, het loof, het blinkend hout, + de takken zware of lijze, loopt + zij lustig laven:–heerlijk is + verwonnen weêr de duisternis. + + Verwonnen zij de dood, en al + dat duisternisse of boosheid heet, + door 't Licht van U, die, tallertijd + verwinnende, onverwonnen zijt! + + + + +='T GROEIT=. + + + 't Groeit overal entwat: + tot op de blauwe schorren[1], + maalt, onbemerkt, het mos, + bij kleene kleene porren[2], + zijn platte penningen, + die, groene en grauw gedaan, + of geluw, op 't gelent[3] + van de oude bruggen staan. + + De zonne valt daarop, + de regen valt daaroppe; + ze groeien zijwaards uit, + ze zetten, doppe, doppe, + een dopken hier en daar, + dat, zoo en zus geleid, + aan elke schorre geeft + heur' schoone uitwendigheid. + + Gaat, kijkt ernaar entwie[4], + die oogen heeft, en staat er + een stonde wijlend bij, + daar zunne valt en water; + en toogt mij dan tapijt, + of legwerk, of 't zij wat, + dat kunstiger gewrocht, + en schoonder, is als dat! + + Laat mieren nu daarbij, + daarin, daaroverhenen, + of muggen reppen hun' + 't zij hooge of leege schenen; + laat vlerken, hel als glas, + vol regenboogsch gepraal, + daarbij zijn, ach, hoe schoon, + hoe lief is 't altemaal! + + 't Leeft overal entwat: + 't zij op, 't zij onder 't vloeien + der waters; op de veurst[5] + gezaaide blommen bloeien; + de pannen, levenloos + 'n zijn zij; noch in 't stroo + van 't schamel dak en weunt + het schamel blomke noo. + + 't Zijn spalten in den wand, + 't zijn gerren[6] in de pelen[7] + der boomen, daar hun spel + de varentjes in spelen, + die, boom- en wortelvast, + nog tieren in den schoot, + die, jaren leên, is hout- + en stam- en worteldood. + + Geen moes[8] en gaat te kwist, + geen veite[9], entwaar, bedorven, + of 't leven kruipt erin + terug, al is 't gestorven; + geen hout en is zoo voos, + geen mesch[10], of, stap aan stee, + zit wulvenkaas[11] erop, + met paddenstoelen meê. + + Waar is, van Leye tot + aan Schelde, aan zee, in zande, + op huis, op stake, entwaar + een plekke, in onzen lande, + daar niemendalle en leeft, + van blommen of van blad, + dat lief is? Overal, + 't groeit overal entwat. + +VOETNOTEN: + +1 Arduinen vloersteen. + +2 Wrat. + +3 Borstwering. + +4 Iemand. + +5 Dakvorst. + +6 Spleet. + +7 Pel, schors. + +8 Van overrijpe, rottende vruchten. + +9 Het een of ander dat verrot is of vergaan, waaruit nieuw welig leven +kan opschieten; vei = vet, sappig, groeizaam, vruchtbaar. + +10 Mest. + +11 Slijmzwam. + + + + +NAJAARSVERWEN. + + + Schilderschoon, zoo zijn de verven + van de blâren, die, aan 't sterven, + 's najaars, op de boomen staan, + schouwt de lieve zonne ze aan. + + Groen, wat moet gij heldere vlagen + lichts in uwer lenden dragen, + dat gij, tanende ende ontaard, + toch zoo schoone verwen baart! + + Groen, gij zijt me een eêl aanschouwen, + als ge, op de aarde wijd ontvouwen, + leven biedt aan volk en vee, + zegen giet op wald en wee! + + Groen, gij sterkt mij dan, en vinden + doen mij locht, de groene linden; + maar, uw bloeloos bont gerief + is mij, 's najaars, nóg zoo lief. + + 's Voorjaars zingt het al te prachtig, + al te menig, al te machtig + groen, te oneindig luide een lied: + maar het groen dat weggaat niet. + + Ei, hoe orgelt dan, hoe kwedelt, + harpt en zingezangt en vedelt + mij dat henenstervend... neen, + henenlevend–loofgeween! + + + + +NIEMANDSVRIEND. + + + Ge 'n weet niet, die, in stad gewend + te wonen, maar Gods koorne en kent, + wanneer het, brood bedegen[1], + en voedzaam, u wordt voorgeleid, + hoe heerlijk is de uitwendigheid + van 't groene, langs de wegen. + + Van 't groen, dat hooge en leege groeit; + van 't groen, dat in de weiden bloeit; + van vogelvitse[2] en krokke; + van wegbree, murke en roozewied; + van onderhave en retse[2] en riet, + van distel en van dokke[3]. + + Ach distel, ik en kende maar + van zeggenswege uw streuvelhaar[4]; + ik liet mij, van die 't zeiden, + verwittigd zijn, in 't akkerland, + dat ge overal de kroone spant, + om onraad uit te breiden. + + 'k En kende u niet en, bovendien, + 'k en zocht u van nabij te zien, + voorwaar, noch aan te roeren, + zoodanig is de rake[5] omtrent + uw kwaadheid, overal bekend + en ruchtbaar, bij de boeren. + + Men scheldt dat ge, iedereen ontvriend, + tot voedsel van den ezel dient; + men schuwt uw' scherpe bladen; + doch, hij en scheldt onnut u niet, + die 't schoone in al Gods werken ziet, + en 't goede zoekt te raden. + + Men scheldt... of, erger nog, men hoort, + van wetswege, en bij koningswoord, + gebannen en geboden, + dat 't distelvolk men, een en al, + te zeisene en te spade, zal + verdoen, en de eerde uit roden. + + Bermhertigheid voor 't schamel wied, + eilaas, dat ge al te ongeren ziet: + aanschouwt hoe 't, ja, de steenen, + de vuile brokken, daar 't geweld + der steêlie'n meê den buiten kwelt, + komt zedig groen verleenen. + + Aanschouwt, op elken staf, hoe lief + elk distel hoofd zijn' blommen hief, + geheel of half maar open; + hoe net, van niemand aangeraakt, + een' krage om elke blomme blaakt, + vol verschen dauw gedropen. + + Aanschouwt hoe 't schubbig distelhaar + omspannen hangt, vol Godssamaar[6], + vol kobbenetsche[7] kanten; + die roeren in den zonnenlaai, + die blinken in elk windgewaai, + vol stof van diamanten. + + Hoe 't wikkelachtig witje wipt, + alhier, aldaar, verlekkerlipt + om 't zijne, uit al de bloeien, + te ontsnoepen aan de krabben[8] bie'n, + die 't, nijdig, elken distel zien + bezoekend henenspoeien. + + 'k En rieke, alwaar men lieflijkheid + van zalvende olie toebereidt, + geen' aangenamer' roken + als die, des zomers, vroeg en laat, + daar 't distelt en vol blommen staat, + de distelblommen stoken. + + Aanschouwt, op de oude toppen, hoe 't + gevlugde zaad omhooge woedt, + en waait voor alle winden, + om ievers, daar 't geen ziele en zag, + den vrijen hergeboortedag, + onsterflijk, weêr te vinden. + + Zoo leeft gij, distels immer voort, + van wetswege en bij koningswoord + verboden en gebannen; + en, schoon zij, om uw schamel zaad + te worgen daar 't gewonnen staat, + zoo lange al samenspannen. + + 't En zal, verdiend of onverdiend, + 't en zal u, distel, niemandsvriend, + minachtend ooit versmaden, + dit Vlamingshert, dat, 't baten niet, + maar 't schoone in al Gods werken ziet, + en 't goede zoekt te raden. + +VOETNOTEN: + +1 Geworden. + +2 Vogelwikke, ruige wikke, weegbree, gewone muur, klaproos, hondsdraf, +perzikkruid. + +3 Wilde zuring. + +4 Verwarreld opstaand haar. + +5 Roep. + +6 Zomerdraad. + +7 Kobbe = spin. + +8 Zwerm. + + + + +=CASSELKOEIEN=. + + + Aanschouwt mij, hier en daar, + die bende Casselkoeien; + die, louter bruin van haar, + als zooveel blommen bloeien, + in 't gers[1] en in de zon, die, zinkend henentiet[2]: + die, rood, het roode veld vol roode vonken giet. + + 't Is prachtig overal, + 't is prachtig, hoe de huiden + dier koeien liefgetal[3] + van vouwe en verwen luiden; + 't is prachtig hoe ze staan, gebeiteld en gesneên, + lijk beelden, over heel die wijde weide heen. + + Daar zijnder, roode als vier; + castanjebruin geboende[4]; + naar donkerbaaide[5] bier, + naar bijkans zwart bier doende: + beglinsterd en beglansd; van vel en verwigheid, + gelijk en ongelijk,–terwijl de zonne beidt. + + Al langzaam langer speelt, + dwersdeur de weidegronden, + 't zij welker koe een beeld + van schaduw bijgebonden; + en, wangedrochtig groot, in 't donker gers, voortaan, + zie 'k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan. + + Goên nacht! De zonne beet[6] + ten neste neêr: tot morgen + is al dat verwe heet, + en oogen aast, verborgen: + de koeien zijn voorbij, gedelgd en uitgedoofd, + en... morgen weêr, ontwekt ze 't blinkend zonnehoofd. + +VOETNOTEN: + +1 Gras. + +2 Henentijgt. + +3 Lieftallig. + +4 Gevlekt. + +5 Roodbruin. + +6 Daalt. + + + + +=TRANEN=. + + + 't Is nevelkoud, + en, 's halfvoornoens, nog + duister in de lanen; + de boomen, die 'k + nog nauwlijks zien kan, + weenen dikke tranen. + + 't En regent niet, + maar 't zeevert[1]... van die + fijngezichte[2], natte + schiervatbaarheid, + die stof gelijkt, en + wolke en wulle en watte. + + 't Is aschgrauw al, + beneên, omhooge, in + 't veld en langs de lanen: + de boomen, die 'k + nog nauwlijks zien kan, + weenen dikke tranen. + +VOETNOTEN: + +1 Zeeveren = kwijlen, motregenen. + +2 Fijngezift. + + + + +SCHOONE NACHT. + + + Wolken, 't zijn... lijk sperreboomen, + uitgespreid, alhier aldaar, + staan, ten oosten heen, de zoomen + vol, van 's menschen woonsteê. 't Jaar + wendt te zomerwaard zijn schreden, + nacht aan 't worden is 't, en heden + helder was 't een dag, voorwaar. + + Tusschen 't sperreboomsch geveder, + 't donkerzwarte, zie 'k het zwerk + duisterblauw nog, hier end weder, + ieder stonde minder sterk: + ieder stonde, en, dóór den donker, + scherper wordt het scherp geflonker + van één sterre, in 't wolkgevlerk. + + 'k Zieder twee, drie, vier, vijf, zesse, + die, elkander nagespoed, + tusschen hier en daar een stresse[1], + gaandeweg, mijne ooge ontmoet + in de wolken; die maar droomen + meer en zijn van sperreboomen: + nacht en donker is 't voor goed. + + o Alleen nu zichtbaar schoone + woonsteê, van geen' menschen, neen + maar van God, die in den throone + zijner hoogheid heerscht alleen: + schoone nacht, die 't menschdom duistert, + die van God en sterren fluistert... + zoeter zicht en zag ik–geen! + +VOETNOOT: + +1 IJle wolkstreep. Stresse = 'n bosje draden, halmen of haren. + + + + +=AVONDROOD=. + + + Nog nauwlijks is het groen + der boomen groene, en even + zijn, toppewaards, alleen + de takken groen gebleven; + al 't ander zwarter wordt + en zwarter: boomen net, + van zwarte zijde zijn 't, + op blauw satijn gezet. + + 't Leeft alles langzaam uit, + dat verwe is: henen dalen + de laatste en langste van + de lieve zonnestralen; + 't wordt watergroene, omhooge; + omleege, brandt en broeit + de groote zonne nog, + die zinkt en grooter groeit. + + Ze duikt heur aangezicht + beneên des werelds neggen[1], + die, eindloos, slinks en rechts, + hun lange lijsten leggen; + die 'k opwaardstriemen, die 'k + een' wolke twee of drie + den zonnezienden kant + geheel vergulden zie. + + In 't heerlijk zonnenveld, + dat donker wordt omhooge, + en langzaam donkerder + en dieper, staan ten tooge[2], + geschreven, zwart op goud, + een bende reuzen groot: + het eindloos boomenvolk, + in 't eindloos avondrood. + + Beziet mij haastig nu + die schoonheid! Neder nijgen + de duisternissen: 't veld, + het vee, de vogels zwijgen; + het nauwt, in 't westen; nog + een tijdtje, en, doodgedaan, + zal al die heerlijkheid + gedekt en donker staan. + +VOETNOTEN: + +1 Boord, kim. + +2 Ten toon. + + + + +=FIAT LUX=[1]. + + + 't Smoort, het smuikt, het smokkelwedert[2] + allentheen! Waar zijn ze thans, + waar de boomen, waar de huizen, + waar de wereld, heel en gansch? + + Handen uit! Wat is 't? Wat hapert + er, genoot, dien 'k niet en zie; + die „goendag!” mij, uit den nevel, + roept, van hier nen stap of drie? + + Van den hoogen torre en blijft er + speur! Wat uur, hoe late is 't wel, + aan den tijd? De zonne en zie 'k niet: + slaapt of waakt het wekkerspel? + + Hier en daar een' plekke boenend, + zit de zonne in 't duister veld; + rood, gelijk een oud versleten + stuk ongangbaar kopergeld. + + Wind, waar zijt gij heengeloopen? + Ligt ge, of ievers doodgekeid, + neêrgevallen, plat ter aarde? + Wind, waar is uw' roerbaarheid? + + Op! Hervat uw' vluggen bezem, + vaagt des werelds wegen vrij + van die vale en vuile dompen: + dat het dage en daglicht zij! + + Zonne, krachtig krauwt vaneen die + hoopen: ruimt uw ridderspeur: + slaat er dwers en nogmaals dwers uw' + scherpe, sterke hoeven deur! + + Werpt uiteen de onvaste vlagen; + vluchten doet ze, en verre voort + zij de smoor van hier gedreven: + nevel, 's Heeren stemme aanhoort! + + _Fiat lux!_–De zonne, ontembaar, + zegepraalt; de nevel zwicht: + onverwinlijk is de Waarheid, + onverheerbaar is het Licht! + +VOETNOTEN: + +1 Het worde licht! + +2 Het mist. + + + + +=DE WINDEN=. + + + De zee, de zee, ze 'n zoeft bijkans + zoo zeer niet als de boomen, + daar, wild, de winden deure rijen, + te peerde, en zonder toomen. + + Aan 't roepen gaan tienduizenden + tienduizenden van blâren, + alsof 't zooveel tienduizenden + van dolle menschen waren. + + De regen ronkt, en geuten gaan, + gegeeseld, allenthenen, + de natte boomen buigen doen, + en bulderen en stenen. + + Hoort! Nog nen keer, en nog nen keer, + hertuiten en hertieren + de wilde winden: wederom + is 't zeegeruchte aan 't gieren. + + Geen einde ervan! De vogels zijn + gevlucht, de takken breken; + verloren is de stemme mij + gegaan!–De winden spreken. + + + + +DAT WILDE IK WETEN. + + + Wanneer ben ik U naast, o God, + of verst, dat wilde ik weten: + wanneer ik mij, in 't donker kot, + vernibbele[1], aan de keten; + of dan, wanneer ik henentie[2] + en vliege, schier vermeten, + naar 't licht, dat ik zoo geren zie? + o God, dat wilde ik weten. + + 'k Heb overal mij zelven meê, + omhooge en aan de keten! + Die los mij van mij zelven deê, + diens woonsteê wilde ik weten; + diens hulpe hiete ik duizendvoud + mij wilkom, onvermeten! + Wat is 't nu, dat mij tegenhoudt? + o God, dat wilde ik weten! + + Bedwingen zulk een vrage zal + uw menschelijk vermeten, + die levende, altijd, overal, + gevangen in de keten, + zult zoeken, om 't geheeme van + Gods wetenschap te weten... + Wie, buiten U, die 't wijzen kan? + o God, dat wilde ik weten. + +VOETNOTEN: + +1 Hevig verlangend begeer. + +2 Tiën = tijgen. + + + + +=SPAMAN=. + + + Voorover, naar den grond gegroeid, + die haast hem hebben zal, + traag-traagskens met zijn' spade spoeit + en delft, in 't diepe dal, + de moegemoeide, ontmergde man, + die schaars zijn hoofd nog heffen kan. + + Hij werkt nochtans, en delft en doet + zijn beste, tot der dood, + die wacht naar hem en elders spoedt, + totdat in heuren schoot + hij vallen zal, en willekom + bij God zijn, recht en sterk weerom. + + o Sterkheid, die, veel sterker als + de dood, op God betrouwt; + die stadig ook dien slavenhals + zijne eigen woonsteê bouwt, + daar, vrij en blij hij wezen zal + bij U, o hope en troost van al! + + + + +HET HAZEGRAUWT. + + + Vroeg avondt het: geleden + een stonde of twee, + is 't zonnevier beneden + de kimme alree. + + Niet heel en al verloren + het licht en is; + noch teenemaal geboren + de duisternis. + + Het hazegrauwt: de lanen, + vol licht weleer, + de wegels[1] en de banen + en ziet men meer. + + Zoo stille staan als beelden, + de boomen nu: + die roerden en die speelden, + ze droomen nu. + + Die ruischten en die riepen + de boomen, nu, + ze doen alsof ze sliepen: + ze droomen nu. + + De takken en de blâren, + de stammen zijn, + die menigwendig waren, + nu eens, in schijn. + + Van verwen en van voeren[2] + al eensgedaan, + en reppen noch en roeren + ze 'n lid, voortaan. + + 't Is vochtig en, gekropen + uit de eerde, vaart + de wadem, op en open, + omhoogewaard. + + De nevel valt, van boven + beneên gespreid; + gesponnen en geweven, + vol duisterheid. + + Gepelderd[3] en gewonden, + elk hout nu staat; + gebunseld en gebonden, + in lijkgewaad. + + Gestorven zijn de boomen: + één grafsteê, al + van dampen en van doomen[4], + ze bergen zal. + + God geve aan oud- en jongen + nu roe' en rust: + de lijkdienst is gezongen, + en 't licht gebluscht. + +VOETNOTEN: + +1 _Wegel_ = Z. Ned. verkleinwoord van _weg_. + +2 Gestalte. + +3 Pelder = lijkkleed. + +4 Damp, nevel. + + + + +HOE ZEERE[1] VALLEN ZE AF. + + + Hoe zeere vallen ze af, + de zieke zomerblâren; + hoe zinken ze, altemaal, + die eer zoo groene waren, + te grondewaard! + Hoe deerlijk zijt gij ook + nu, boomen al, bedegen[2]; + hoe schamel, die weleer + des aardrijks, allerwegen, + de schoonste waart! + + Daar valt er nog een blad; + het wentelt, onder 't vallen, + den alderlaatsten keer, + en 't gaat de duizendtallen + vervoegen[3] thans: + zoo zullen ze, een voor een, + daarin de winden bliezen + vol luider blijdzaamheid, + nu tonge en taal verliezen, + en zwijgen gansch. + + Hoe zeere vallen ze af, + onhoorbaar in de lochten, + en schier onzichtbaar, in + de natte nevelvochten + der droeve maand, + die, 't ijzervaste speur, + ontembaar ingetreden, + die al de onvruchtbaarheid, + die al de onvriendlijkheden + des Winters baant! + + Daar valt er nog een blad, + daar nog een, uit de bogen + der hooge boomenhalle, + en 't dwerscht den onbewogen + octobermist: + 't en roert geen wind, geen een, + maar 't leken, 't leken tranen, + die men gevallen zou + uit weenende oogen wanen: + één kerkhof is 't! + + Gij, blâren, rust in vreê, + 't en zal geen een verloren, + geen een te kwiste gaan + voor altijd: hergeboren, + die dood nu zijt, + zal elk van u, dat viel, + de zonne weêr ontwekken, + zal met uw' groenen dracht + de groene boomen dekken, + te zomertijd. + + o Zomer!... Ik zal eens + ook Adams zonde boeten, + gevallen en verdord + in 's winters grafsteê, moeten; + maar, 's levens geest, + dien Gij gesteken hebt + in mijn gestorven longen, + dien zult gij mij voor goed + niet laten afgedwongen, + die 't graf ontreest! + +VOETNOTEN: + +1 Spoedig, snel. + +2 Geworden. + +3 Zich voegen bij. + + + + +VAN DEN OUDEN BOOM. + + + Met uitgestroopten arm, + ten halven afgeknuist, + wie staat er daar, en steekt + eene onbestaande vuist + ten hemel? Is 't een reus + in beelde? Neen 't, 't en is + geen menschenbouw, 't is eer + een' wangedaantenis; + een steenen berggedrocht, + dat, staande fel en fier, + de scherpe houwen torst + van 't vonkend hemelvier. + + Doch neen, 't en is geen berg, + geen wangedrocht voorwaar; + 't zijn takken stijf en stomp, + 't is schorse, die 'k ontwaar; + die, dikke en diepgegroefd, + geborsten en gescheurd, + van uit den ouden grond + heure oude bonken beurt; + 't zijn spanders overal, + 't zijn spillen, die 'k aanschouw, + een loof, dat kroont alom + een steenoud boomgebouw. + + De Winter heeft erop + zijn boos gebijt vermoord; + het Water heeft het merg + en 't herte eruit geboord; + de Bliksem spookte erom, + en kraakte, met geweld, + er halve boomen uit, + en takken ongeteld; + de Tijd onteerde laf + en langzaam al zijn lijf, + en nog en roert hij niet: + hij staat daar, rotsestijf. + + En ieder jaar dat loopt + hergroent hij nog, en laat, + wanneer de lente lacht, + zijn spaarzaam loofgewaad + omschaduwen het stuk + hooge uitgepuilden grond, + daar, als hij jonger was, + zijn' geile wortel stond. + Eilaas, niet langer meer + en kan hij, moegeleefd, + de wonden duiken[1], die + men hem geslagen heeft! + + Hij staat daar, oud en strem, + in 't wilde windgegons, + gelijk te Roomen, van + groenuitgeslegen brons, + men beelden ziet: geen een + en weet hoe lang gestaan + zij hebben; geen hoe lang + de Tijd voorbij zal gaan + en groeten ze, ongedeerd. + –Ik groete u! God beware + u, Vlaamschen ouden „tjok”, + nog honderd, duizend jaar! + +VOETNOOT: + +1 Verbergen. + + + + +=BLOOTAKKER=. + + + Geen één blad op de boomen! Af + is alles; voor de vlagen + gevallen onder voet en van + de winden weggevaagd, + het schilderschoone aanschouwen, dat + het bonte najaar draagt: + noch wit en zijn, noch groene meer, + de scherpe doorenhagen. + + 'k Zie heinde en verre, deur end deur + de velden nu, de kerken, + de huizen en de hoven staan, + zoo bloot als op mijn' hand; + van verre zie 'k de peerden en + de menschen, op het land, + zoo neerstig en zoo kleene, alzoo + de mieren zijn, aan 't werken. + + 't Is wijd en breed al, ommentom, + 'k gevoel 't nu, aan de baren + des wilden Winds, die henentuimt + en, tierende onder 't hout, + zijn' stemme schijnt te missen en + zijn' tale, die zoo boud, + zoo bulderende, aan 't roepen zat, + hier voortijds in de blâren. + + 't En wonen meer geen' vogels in + de boomen! Zoo gij, wepel[1], + nen overjaarschen aksternest + entwaar nog hangen vindt, + van boven in de abeelen, 't is + een' wiege zonder kind, + die waagt[2], en geen geluid en geeft: + een' klokke zonder klepel. + + 'k Zie geren nu de takken, dikke + en dunne, uit eenen stamme + gesprongen, rechte omhooge staan, + hun' handen uitgestrekt; + zoo schoone, als of zij baden, dat + de Winter hunne ontdekte + en teere, jonge leden toch + niet teenemaal en stramme. + + Vervarelijke Winter, laat + u murwen, u verzoeten: + dekt alles, eer gij vriezen komt, + voorzichtig, in de snee; + 'n ijzelt op de boomen niet, + die breken zouden! Wee + der takken, als ze 't wegen van + den ijzel tillen moeten! + + In stukken slaat ge, Winter dan + de boomen. Hoort ze kermen: + ze sleuren elk den anderen + zijn telgen, zwaar als steen, + te grondewaard; ze stubbelen[3] + ze storten, al deureen...! + Vervarelijke Winter, laat 't + der schoonen u ontfermen! + +VOETNOTEN: + +1 Eenzaam, verlaten. + +2 Wagen = bewegen. + +3 Vechten. + + + + +=MOEDERKEN=. + + + 't En is van u + hiernederwaard + geschilderd of + geschreven, + mij, moederken, + geen beeltenis, + geen beeld van u + gebleven. + + Geen teekening, + geen lichtdrukmaal, + geen beitelwerk + van steene, + 't en zij dat beeld + in mij, dat gij + gelaten hebt, + alleene. + + o Moge ik, u + onweerdig, nooit + die beeltenis + bederven, + maar eerzaam laat + ze leven in + mij, eerzaam in + mij sterven. + + + + +=PERELS=. + + + Nog eer de blâren schieten, + in 't hofbeluik[1], + hoe geren zie 'k uw' sprieten, + o perenstruik; + hoe geren zie 'k uw takken + vol blommen staan, + vol perels, al in pakken + eer ze opengaan! + + En mochte ik maar, zoo even, + door Gods beschik, + u, peretakken geven + nen toovertik; + 't en zou geen pere krommen + uw hout, voortaan: + veel liever zie 'k de blommen, + eer ze opengaan. + + 'k Zie geren, in de hoven, + uw' peren groot, + de zonne zitten stoven, + al rijp en rood; + maar 'k zie wel nog zoo geren + uw blommen staan, + de perels van de peren, + eer ze opengaan. + +VOETNOOT: + +1 Beluik = besloten ruimte. + + + + +=SPREEUWEN=. + + + „'k Zie-'t!” zoo vliggert, vlug te vlerke, + recht den torre in van de kerke, + daar ze is nest aan 't bouwen!... „'k zie-'t!” + piept de spreeuwe, en anders niet. + + Maar wat is mij, scherpgebekte, + zwart-halfgroen gevliggervlerkte, + vage vogel, dan 't bedied + van uw eeuwig zeggen: „'k zie-'t?” + + Ziet gij, daar omhoog aan 't broeden, + ziet ge, aan 't blijde jongskes voeden, + in uw pierende oogskes, iet + dat elk mensche niet en ziet? + + Zegt, of is 't de zonne rijzen, + dat gij ziet, is 't buien bijzen[1]; + kwade wichten of kwa died[2] + zitten ievers, diepe in 't riet? + + „'k Zie-'t!” zoo piept gij; ziet gij, binnen + deze borst, mij iet beminnen, + haten, willen, wenschen iet, + blijdschap hebben en verdriet? + + „'k Zie-'t!” uw roepwoord doet mij delven + diepe in 't diepste diep mijns zelven + en ontdekken daar 't bedied + van uw eeuwig zeggen, „'k zie-'t!” + + Een daar is, die aan de leeuwen + 't leven gaf, en aan de spreeuwen, + Een die, vrij van al 't verdriet, + hooge zit en verre ziet. + + Een... Hij zit in zijnen torre, + zonder schaalje[3] en zonder schorre[4]; + en, van 't gene in mij geschiedt, + Hij mag eeuwig zeggen: „'k zie-'t!” + +VOETNOTEN: + +1 Stormen, snel vliegen. + +2 Volk. + +3 Schalie = lei. + +4 Arduinen vloersteen. + + + + +=WEDERWIJVEN=. + + + Hoe wijsterwaster[1] vliegt de lucht + vol witte en lange stressen + van wolken, die ontvlochten zijn + lijk haar van tooveressen. + + 't Zijn wederwijven, boos en fel, + die, kwaad van hande en vinger, + malkanderen te keere gaan + en vechten slag om slinger. + + De wind zit in 'k weet niet welk + geweste, 't buischt en 't bommelt + alhier, aldaar een zwepe los, + die deur de wolken schommelt. + + Zij stuiven heinde en verre, en van + malkaar gescheurd, in stressen + van wijsterwaster vechtende, en + verwaaide tooveressen. + +VOETNOOT: + +1 Door elkander. + + + + +=EXCELSIOR=. + + + 'k Zie liever die te bergewaard + zijn roekloos opgeklommen, + als die, om loon, zoo zaan[1] de vaart + gedaan is, nederkommen. + + Die stijgt noch af- noch om en ziet + naar die in de eerde wroeten; + noch, dwee van halze, en kust hij niet + of waren 't keizersvoeten. + + 'k Zie liever die de zegevaan + mij deur de wolken steken, + _excelsior_, en, vóórgegaan, + mij moed in 't herte spreken. + + Dan zegge ik: „Op! Dat ander kan, + dat kan, dat wil, dat zal ik: + geen oneere en geen schande en kan + mijn durven deren, valle ik.” + + Hooveerdigheid is valsch van doen, + van zeggen en van zeden: + ootmoedig wil ik, ridder koen, + tot stijgen mij besteden. + + Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist, + op Libans hoogste kragen[2], + of vielender omtrent mij duist[3], + nog wil, nog zal 'k het wagen. + +VOETNOTEN: + +1 Dra. + +2 Punttoppen, kamlijn. + +3 Duizend. + + + + +=ZEGEPRAAL=. + + + De zonne vecht! Het noordervolk + komt woedend opgestoven, + de diepten uit, afgrijzelijk + verbolgen. Bergen boven + malkanderen zij werpen gaan, + in 's hemels aangezicht: + den al te schoonen dag uitdoen, + en dooden 't zonnelicht! + + Het spettert, uit de wolken, vier + en vlamme; kwade steenen, + van rammelenden hagelslag, + en bliksem, al met eenen, + vergâren mij de reuzen in + hun vuisten vol geweld, + en ruien ze, onbermhertiglijk + daarheen, in 't zonneveld. + + 't Is donker nu, 't is donkerder, + nog donkerder! Gevaren, + als machtig, overmachtig groote, + en mammothsche adelaren, + omslaan de wolken alles, en, + voor 't nachtelijk bedwang, + onthemelt al dat hemel is, + in 's hemels zwart gevang. + + 't Is donker! Zal 't verwonnen zijn, + dat overheerlijk blaken, + dat altijd even schoone van + de schoone zonnekaken? + 't Is nacht! En zijt voor goed nu gij + gedompt en doodgedaan? + Gij, beeld des Alderhoogsten, zult + gij, stervend, ondergaan? + + Staat op! Het worde dag weerom! + Staat op, en slaat die booze, + die duistere onbedachten, gij, + des hemels schoone rooze; + gij, onverkrachte lichtvorstin, + staat op, uit uwen schans, + en plettert, onbermhertiglijk, + die domme reuzen gansch! + + De zonne vecht! Zij duwt den spiet, + den onverwonnen gaffel + des zonnelichts, de reuzen in + den zwartgezwollen naffel; + ze bersten, en ze bulderen + malkander slaande, intween; + en, hersens in de kele, valt + het reuzenrot ineen. + + Ze pletteren te grondewaard, + ze pletsen en ze plassen, + dat 't bommelt in de lucht alom: + lijk honden zijn 't die bassen. + De wereld stroomt, afgrijzelijk, + van 't bloed alsof het waar', + van de eindelijk verwonnen, en + verwenschte reuzenschaar. + + Ze 'n zijn niet meer,... ze 'n zijn niet meer. + Ze waren!... In hun stede + komt helderheid, komt hemelsblauw, + komt goud, dat schittert, mede. + De zonne vocht, de zonne won, + en, tierende overluid: + „Hier ben ik!” roept ons zonneken, + „des vijands vonke is uit!” + + + + +DE DOORNENBOOM. + + + De schamele, oude boom, + die midden in de vaten, + veracht en ongetroost, + des olieboeters[1] staat; + hij weet dat 't zomer is + en zou hij, zou hij 't laten, + te bloeien, nu dat al + dat blomme is opengaat? + + Gestapeld, rondom hem, + zijn tonnen, tonnen, tonnen, + die olie zweeten al, + en stinken. Schouwen ook, + verheven boven 't dak + des oliebouws, en jonnen[2] + maar bitterheid den boom + en afgerolden rook. + + Hij bloeien zal nochtans, + en, blij, de zonne bieden + de vreugde van zijn hert: + maar éénen keer in 't jaar + en wilt het zomer zijn, + en mag't den boom geschieden + te bloeien in den dwang + van al die tonnen daar. + + Hij bloeit en staat in 't wit + getooid, langs alle kanten + één vlage blommen duikt + zijn' takken, scheef en krom; + de bietjes zie'k er zog + van zuiver zeem in zanten[3], + de blommen in en uit + en uit en in, weêrom. + + Bloeit helder, helder op, + o boom, en luide pralen + laat al uw lief gewaai, + deur dikke en dunne. Neen't, + 't en is maar éénen keer, + dat 't meie is; hillen, dalen + zijn blijde; blijde zijt, + genoeg, genoeg geweend. + + De tonnen staan alom + gestapeld: zwarte zware + gedaanten, ongehier[4] + van leelijkheid. Welaan, + o taaie doornenboom, + daar midden in, verjare + nog menigmaal uw hoofd, + vol bloeiend wit gelaân! + +VOETNOTEN: + +1 Olieslager. + +2 Gunnen. + +3 Samenlezen. + +4 Onguur. + + + + +=MIETJE=. + + + 't Meiske, met zijn' teele melk, + op zijn bloote voetjes, + lang, gelijk nen terruwstelk[1], + zoetjes, zoetjes, zoetjes + terdt[2] het voort, en anders niet + als zijn teele melk en ziet't. + + 't Meisken hoorde: „Goedendag!” + zeggen, zoetjes, zoetjes: + „Mietje!” 't Meisken ommezag... + op zijn bloote voetjes + viel de melk en, vol verdriet, + wie dat 't was en wist het niet. + + Meiske, meiske, meiske snel, + op uw bloote voetjes, + melk aan 't dragen, wacht u wel: + zoetjes, zoetjes, zoetjes, + mijdt u, meiske, en hoort gij iet, + vóór u, maar niet omme en ziet! + +VOETNOTEN: + +1 Tarwestengel. + +2 Treedt. + + + + +CYTISUS LABURNUM[1]. + + + Gevlerikt, na der vliegen aard; + gereesemd[2], al omleegewaard; + eenvervig, en van goude fijn, + des goudenregens blommen zijn. + + Zij staan in krabben[3], lang en smal + van lijve, en recht een regenval + gelijken zij, van goude.... neen, + van zijde en licht en edelsteen. + + 't En is van al dat bloeit entwat + zoo geluw, in geen blommenstad; + 't is geluw, naast aan 't groen.... 't en doet, + 't is groen, ten geel'wen uitgezoet. + + Als, ievers in den hof gestaan, + de goudenregens opengaan, + de duisterheid van 't groen verdwijnt, + „het regent en de zunne schijnt.” + + Hoe jammer dat zoo gauw voorbij, + uw vlagen gaan van goude, en gij, + o gulden regen, al te broos + van leven zijt ge, en tijdeloos[4]! + + Gij strooit den weg, nen dag nadien, + of twee, dat wij u open zien: + zoo derf[5] is dan uw dood gelaat, + als kaf, daarop de vlegel slaat! + + En, eens dat eene aan 't vallen is, + de stervenstijd van allen is + gekommen: geen een blomme en kan't + meer houden: 't goud is uitgebrand. + + O goudenregen, heel en al + het jaar, zoo heet gij regenval; + doch regenval van goude, aleer + het meien zal, en zijt gij meer. + + 'k Verlange al, eer de maand daar is + weêromme, en tend[6] de hoven, frisch; + vol goudeware[7] en zonneschijn + geregend door uw' blommen, zijn. + +VOETNOTEN: + +1 Goudenregen. + +2 Gerist. + +3 Tros. + +4 Zonder tijd, kort van duur. + +5 Bleek. + +6 Tend, tenden, t'enden = aan het einde. + +7 Goudwaar. + + + + +BUIGEN OF BERSTEN. + + + Het jong hout staat, den rugge krom, + ootmoedig neêrgestopen[1] + terwijl de wind, den afgrond van + zijn diepe longen open, + gevaren komt, door bilk[2] en bosch; + en, bruischende in de boomen, + losbandig, al den gruwel van + zijn' gramschap heen laat stroomen. + + De boomen staan geworteld in + den bodem diepe, en, weren + en zal de wind hun sterkheid noch + hunne oude stammen deren; + ze zuchten en ze stenen wel, + ze roepen en ze razen, + maar wederstaan, zoo willen ze, en... + dat durven ze, die dwazen! + + Ze 'n buigen niet. Hun' wortels staan + in de eerde neêrgegrepen + als ankers, die gebonden staan + doen ijzervast de schepen; + ze 'n buigen niet. Hun hoofdgewaai + scheurt af en weg: om 't even, + en zullen noch en willen ze, en + voor wie dat 't zij, begeven. + + Het jong hout ligt den grond nabij, + voorover, neêrgedwongen; + verpletterd en vernietigd haast.– + De wind komt losgesprongen + en, stampende op dat ligt... „Zoo wel + den naasten als den versten,... + die boomen daar zal 'k buigen doen, + of willens nillens bersten!” + + 't Is donker, van al 't zand, dat vliegt. + Geen hersendolle koeien + en kunnen, zoo de wind nu doet, + zoo ongedoevig[3] loeien. + Ei! poffen nu, en paffen gaan + de pezen af, en kraken + de wortels: als geweren zijn 't, + die dood en donder braken. + + De doelen staan, bij vijftigen, + bij honderden, te perre[4], + ter aarden uitgeheven, en... + de boomen zijn omverre, + de teenen in de lucht; tot in + den vasten grond gezonken, + verdwijnt, al even slaggelings[5], + hun' kroone, in de elzentronken. + + Het jong hout heft den hals weer op; + allengskens stilt het weder, + en legt het, op de rompen van + geroeide boshout, neder + zijn grimmigheid. Een slagveld is 't + vol lijken. Ongeschonden, + zoo staan de jonge stammen daar + nog, al die buigen konden. + +VOETNOTEN: + +1 Neêrgebogen. + +2 Omsloten weide. + +3 Wild, woest. + +4 Op hun kop. + +5 Met één slag. + + + + +DE SPERRETAKKEN. + + + De sperretakken staan, nabij + den boom, alsof hun blâren + gestorven, over langen tijd + aan jeugd en jonkheid waren; + maar, als zoo zaan[1] de zomer komt + herzie 'k hun verste vingeren + met jeugdig groen en zappigheid + den ouden boom omslingeren. + + Nog winter is 't, men zeggen zou, + omtrent het bol[2]; en neven + het bol, zijn zwart de takken, die + maar tendenwaards en leven: + het oude draagt het nieuwe, dat + nog jong is; maar van dagen + ook oud geworden, beurtelings + zal 't oude 'et nieuwe dragen. + + Op de ouden blijft gesteund, en zijt + voorzichtig, jonge spranken; + 'n laat u nooit verleiden, om + te vroeg u vrij te danken + van 't oude: uit de oude grauwte van + de schiergestorven boomen + zal nieuwgeboren schoonheid eens, + en sterkte, henenstroomen. + +VOETNOTEN: + +1 Dra. + +2 Stam. + + + + +HET GULDEN VLIES. + + + 't Is scherenstijd in 't houtgewas. + De blaren vallen: grond en gras + zijn effen, van den wind die waait, + vol zilver en vol goud gezaaid. + + Zoo groene en is de grond nu meer + als wijlen, toen de lente teer, + en 't jonge jaar zijn herte ontlook, + de weiden en de bosschen ook. + + 't Is scherenstijd. De schapen niet + maar 't houtgewas men scheren ziet; + en 't scherpe van de windenschaar + aan 't knippen is in 't houtgeblaar. + + Daar vallen en vergaderen + nu honderdduizend bladeren, + die reuzen[1] af de rijzekens, + zoo lustig en zoo lijzekens. + + 't Is 't boomenvlies dat nederstort, + dat altemaal gesneden wordt; + dat af en dóór de schare moet, + zoo 't al, en te elken jare doet. + + Het gulden vlies, dat Jason zocht, + en reeuwroofde[2] op het wangedrocht, + aanschouwe ik al mijn leven lang, + als wangeloove en kwenenzang[3]. + + Maar 't geen alhier, aldaar gestrooid, + den weg dien ik nu ga vermooit, + dat menigvuldig boomverlies, + voorwaar dat is mij 't gulden vlies. + + Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt + doorschoten van den zonneschicht, + onmeetbaar, verre, één schapendracht + van ooienwolle en lammervacht. + + Een kleed is 't, als van engelkens, + van louter liefdebengelkens, + die zijde en wolle en gouden blaân + doen liggen, daar ze spelen gaan. + + Het rilt, bij elker schree, die 'k doe; + het roert en 't ruischt, 'k en weet niet hoe; + en 't riekt, alsof er reuke fijn + van amber uit zou dampend zijn. + + 't Is scherenstijd, in 't houtgewas; + geen stap mij ooit zoo zoet en was + als dien ik eens, in Ipersteê, + deur de afgevallen blâren deê! + +VOETNOTEN: + +1 Vallen. + +2 Reeuwroof = lijkroof. + +3 Kwene = oud wijf. + + + + +HEBT MEÊLIJEN. + + + Hebt meêlijen met de boomen, laat + den bast hun ongeschonden; + bewaart ze voor de nijdigheid + der kwade nagelwonden; + geen onbermhertig menschenkind + ze dood en kwelle: geeft + de vrijheid aan des scheppers hand, + die in hun lenden leeft. + + Hoe schandelijk ontmaakselt en + ontmooit gij mij de vrome, + de vrije en blije boomen, die 'k + zoo geren tegenkome + omtrent uw huis en hof, o gij, + dien God met herte en oog + heeft toegerust, om hem te zien + in 't heerlijk boomvertoog. + + 'k Zie opgeroeste pikken, moe + van kappen en van kerven, + gehamerd om den esschenboom, + den esschenboom bederven, + daaraan het hekken vastgehaakt + de bilken[1] sluit, en 't vee + belemmert, dat zijn vulte zoekt + en voedsel, in de wee. + + 'k Zie boomen, die gebonden staan, + in 's dwingers booze handen, + die nooit geen duimbreed af en laat + zijn ijzervaste banden, + maar spannende en onroerbaar, al + dat leeft en roert in 't lijf + der boomen doet misdragen tot + een eerloos wanbeklijf[2]. + + Gebulte boomen zie'k, en die, + doorhakkeld en dooreten, + vol krammen en vol haken staan + gespijkerd en gesmeten[3]; + die werken zoo Gods wet hun wijst, + die tranen en die bloên, + o mensche, om eenmaal vrij te zijn + van al uw dertel doen. + + Of staan ze meer niet vast genoeg, + de wortelvaste boomen? + En vreest gij dat zij henengaan + en meê met 't water stroomen; + of vliegen in de lucht, omdat + gij scherpe draden spint, + en lange reken[4] boomen al + in snijdend garen windt? + + Och arme, en is 't genoeg u niet + dat, schier nog ongeboren, + het hout alreê geknipt moet zijn, + geschonden en geschoren; + dat 't, galoos[5] en tot alles dat + het niet en is gepraamd, + wordt „gloriette” en „pyramide”, + en „espalier” genaamd! + + Hebt meêlijen met de boomen, laat + hun schoonheid ongeschonden, + die schoonder is, onaangeroerd, + onvast en ongebonden, + zoo God ze liet gewassen zijn, + gewonnen en gebaard, + als al hetgene gij, o mensch, + verzint en hebt vergaard. + +VOETNOTEN: + +1 Omsloten weide. + +2 Wangewas. + +3 Geslagen. + +4 Rij. + +5 Weergaloos. + + + + +DE DAGERAAD. + + + In 't blauwe van den hemel doekt + een kleene, witte wolke + de zonne mij; + en 't witte van die wolke en komt + geen vlekkelooze molke[1], + geen wolle bij; + + geen witgewasschen wolle, noch + geen snee die, versch gevallen, + te gronde ligt; + zoo wit is, op de boorden van + die witte wolke, 't brallen + van 't zonnelicht. + + 'k En kan 't niet meer bezien bijkans, + mijne oogen willen dolen; + 't is vermiljoen, + dat, zwart in mijnen boek gedrukt, + zoo zwart is als de kolen, + en 't rood is groen. + + De Leye, die daar stille ligt, + het water in de beken, + is rood voortaan; + terwijl, van top tot tee'n mij als + van 't morgenrood ontsteken + de boomen staan. + + Het schemert hooge en leege nu, + en diepe in 's hemels gronden, + vandage staat, + beneên dien witten zonnedoek, + in 's middags hooge stonden, + de dageraad! + +VOETNOOT: + +1 Zuivel. + + + + +NEVELDUISTERNIS. + + + Gegrauwdoekt is de grond + der kimme en allenthenen + vol damp en duisternis; + de boomen, half verdwenen, + half zichtbaar, hebben, daar + ze stille staan en stom, + van wolkenweefsel elk + een grauwen tabbaard om. + + 't Hoogmorgent en, zoo 't schijnt, + 't en wilt geen dag meer dagen: + daar moet iets ongesteld + of los zijn aan den wagen + der zonnehingsten, dat + ze in toom gehouden staan + en, immer nippend, nooit + een schreê vooruit en gaan. + + De wereld mist den troost + dier zoete zonnestralen, + die alles leven doen, + daar ooit zij nederdalen; + die 't schoone schoon doen en + die 't goede goed doen zijn: + die God verbeelden in + Gods beeld, den zonneschijn. + + De wereld mist dat nu: + ze treurt en, langs de lanen, + daar 't eenmaal blommen droop + en druipen nu maar tranen; + daar 'k eenmaal stemmen hoorde + en vogelzang, en ziet + mijne ooge onschoonheid maar + en sprakeloos verdriet. + + Dat 't schaduw nu nog ware + en wolken, daar de winden, + zoo in een schapentrop + de honden, weg in vinden, + en bleve een plekske vrij, + dat blauw is, hier of daar! + Och, neen, 't is nevel, al + omtrent me, en nevel maar. + + O nevelduisternis, + bij nachte zien mijne oogen + de duizend teekens nog, + die 't ommegaan vertoogen + des sterrenhemels! Gij, + o nevelduisternis, + en toogt mij niets van al + daar hope of troost in is. + + 't Is meer als leed genoeg, + en droefheid in mij, zonder + uw droef afwezig zijn, + o 't weergalooste wonder + van al dat wonder is + in 's werelds heerlijkheid! + o Zonne, en zij mij nooit + te lange uw licht ontzeid. + + + + +=WINDTOCHT=. + + + 't Is helderblauw, vandage, + en warmer als twee dagen + of drie geleên, de locht + die 'k aseme is voortaan[1] + zoo licht en onbelaân, + dat door mijn longen ik + hem lustig late jagen. + + Hij loopt omtrent me heen, + hij speelt me vóór de voeten; + mijn haar omwentelt, en + mijn kaken kust hij koel; + in lijf en leên gevoel + ik weer den jongen dag + den ouden dag verzoeten. + + Hoe raast die wilde wind + mijne ooren vol! Ze tuiten, + ze tieren allerhand + geruchten in mij, recht + een stamerend gevecht + van stemmen is't, die 'k slaan + en bermen[2] hoore, buiten. + + Dan buige ik mij vooruit + en wil de borst hem bieden; + 'k ga stevig, stap voor stap, + en 'k leune, lijf sta bij; + wie zalder, ik of gij + nu zege halen, wind, + of 't zegeveld ontvlieden? + + Zoo wierd er vroeger, 't is + mij eeuwen lang geleden, + door hem die „_Israël_” + nadien voor name droeg, + bij nachte en 's morgens vroeg, + op een die, na den strijd, + hem zegen gaf, gestreden. + + Dan, laat mij zegen ook, + uit uwen mond, verwachten, + o sterke vechter, Wind, + die, loopende achter 't veld, + mij schier omverrevelt + en worstelt tegen mij, + en wijgt[3] uit al uw krachten. + + Ik bidde u, zegent mij: + niet eer en wille ik wapen + omleege leggen, u + ontwijkende, eer gij doet + ontwaken mij dat bloed, + dat al te langen tijd, + gerust heeft en geslapen. + +VOETNOTEN: + +1 Nu. + +2 Golven. + +3 Strijdt. + + + + +AKSTERNESTEN. + + + Nog ijdel staan de boomen, in + de blauwe lucht, en blaren + en zie 'k ze hebben, meer als of + ze dood en duister waren + voor goed nu. Lang is alles zwart + en zonder zap gebleven, + dat wijleneer zoo groene stond + in 't zoete zomerleven. + 't Is zwart nu al, tot boven in + de hooge abeelensprangen, + daar zwarte en zware bonken in + van aksternesten hangen. + 't Zijn teekens in de lucht, en wel + bekende hemelbaken, + dat wederom de zonne zit + aan 't lieve zomermaken. + Toch bladerloos is al 't geboomte + en, verre heen, in 't westen, + in 't noorden, 't zuiden, 't oosten zie 'k + alom vol aksternesten + de abeelen staan.–Verdappert uw + bezoek en wilt de bronne + des aksterslevens duiken al + in 't groen, o lieve zonne! + + + + +=LENTEGROEN=. + + + Hoe lief is, op het donkerblauw + der zwangergaande wolken, + die donderpijlen dreigen dra, + het lieve lentegroen, + daar schielijk, uit de zuiderlucht, + de middendaagsche dolken + der zonne, 'et lustig meievier + een deuntje op dansen doen. + + 't Is groen, dat diepe in 't blauwe bijt, + zoo hel en zoo doorschijnend, + of eerst het uit den regenboog + geboren ware; en blauw, + dat dieper nog als hemelsch blauw + des avonds is, verdwijnend + in 't zwangergaande duister van + de wolken, gram en grauw. + + De zonne loopt daar smijtende in + heur middendaagsche dolken, + die speiten[1] zoo geweldig op + het lieve lentegroen, + dat 't pinkelt en dat 't pierelt op + de blauwheid van de wolken, + die, zwangergaande, dreigen dra + nen donderdeun te doen. + +VOETNOOT: + +1 Spatten. + + + + +=CINXEN=. + + + 't Is stille, Cinxendag en, over 't plekske vloers, + van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven, + de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal, + 't en zij, voorbij geschoven, + een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog + zegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!” + + 't Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht, + vervoere ik heel en al mijn innewaardste wezen, + tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf + zijt heerlijk opgerezen; + die in uw kerke rust en dáár, in 't hoogste blauw, + terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen. + + O groote kerke Gods, o hemelwelven, daar + het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen, + U in de sterren kan aanschouwen, groote God, + zoo ver zijne oogen dragen, + en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods, + gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen? + + + + +OCH WARE IK... + + + Och, ware ik ongevoelig en + mijn herte een steen bedegen[1], + wanneer de boosheid bijten komt + van die mij toegenegen + en dankbaar wezen moesten! ach! + 't en is geen een verschenen, + of, was er een, hij verre weg + van hier is en verdwenen. + + 'n Ware ik maar gevoelig als + ik tranen zie en lijden, + bereid om al dat doenlijk is + te doen en hen te blijden + die troostloos zijnde, zeggen: „Helpt: + u wille ik al mijn leven, + bedanken!” Neen: beloven is + een ander ding als geven! + + Ach, weze dan mijn herte zoo't + voor u, moet zijn, o Vader, + die meer mij als ik immer mocht + verdienen, altegader + ontvangen liet; die vroolijk zijn + mij doet, mijn herte pramend; + en al te menig keeren mijne + ondankbaarheid beschamend! + +VOETNOOT: + +1 Geworden. + + + + +AAN DEN LINDEBOOM. + + + O! wat schoon, wat bolgekruinden + lindeboom, + van verre ik staan zie, blinkende in den + morgendoom[1]! + + Heel is hij gewelkerd al en + duizendvoud + van verwen, langzaam afgesleten + guldengoud. + + Dag en schijnt erop noch noensche + zonneglans: + 't is vochtig en de hemelkomme is + duister gansch. + + Doch, ik zie mij, zonnewijs in + 't nedergaan, + die najaarsche, ei, die bolgekruinde + linde staan. + + Ringsom rijzen hooge en groote + zwart en zwaar + getakte boomen, naast die lieve + linde daar. + + Diepe schaduw schieten ze en een + donker groen + gewelf zij om het wezen van die + linde doen. + + Wees gegroet mij, nauwlijks uit den + morgendoom + erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den + lindeboom! + +VOETNOOT: + +1 Doom = damp, nevel. + + + + +=EGO FLOS=... + +(CANT. II: 1). + + + Ik ben een blomme + en bloeie vóór uwe oogen, + geweldig zonnelicht, + dat, eeuwig onontaard, + mij, nietig schepselken, + in 't leven wilt gedoogen + en, na dit leven, mij + het eeuwig leven spaart. + + Ik ben een blomme + en doe des morgens open, + des avonds toe mijn blad, + om beurtelings, nadien, + wanneer gij, zonne, zult, + heropgestaan, mij nopen, + te ontwaken nog eens of + mijn hoofd den slaap te biên. + + Mijn leven is + uw licht: mijn doen, mijn derven, + mijn' hope, mijn geluk, + mijn eenigste en mijn al, + wat kan ik, zonder u, + als eeuwig, eeuwig sterven; + wat heb ik, zonder u, + dat ik beminnen zal? + + 'k Ben ver van u, + ofschoon gij, zoete bronne + van al dat leven is + of immer leven doet, + mij naast van al genaakt + en zendt, o lieve zonne, + tot in mijn diepste diep + uw aldoorgaanden gloed. + + Haalt op, haalt af!... + ontbindt mijn aardsche boeien; + ontwortelt mij, ontdelft + mij!... Henen laat mij,... laat + daar 't altijd zomer is + en zonnelicht mij spoeien + en daar gij, eeuwige, ééne, + alschoone blomme, staat. + + Laat alles zijn + voorbij, gedaan, verleden, + dat afscheid tusschen ons + en diepe kloven spant; + laat morgen, avond, al + dat heenmoet, henentreden, + laat uw oneindig licht + mij zien, in 't Vaderland! + + Dan zal ik vóór... + o neen, niet vóór uwe oogen, + maar naast u, nevens u, + maar in u bloeien zaan[1]; + zoo gij mij, schepselken, + in 't leven wilt gedoogen, + zoo in uw eeuwig licht + me gij laat binnengaan. + +VOETNOOT: + +1 Dra. + + + + + +------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Plaats Bron Correctie | + | | + | Regel 76 ziele Ziele | + | Regel 131 nachten nacht | + | Regel 285 Παρα Παρὰ | + | Regel 1024 Hoe hoe | + | Regel 1210 , . | + | Regel 1319 [Niet in bron] , | + | Regel 1615 , . | + | Regel 2243 , . | + | Regel 4168 neergestopen neêrgestopen | + | Regel 4189 Ze ze | + | Regel 4195 neergedwongen neêrgedwongen | + | Regel 4232 Neergebogen Neêrgebogen | + | Regel 4353 MEELIJEN MEÊLIJEN | + | | + +------------------------------------------------------+ + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Bloemlezing uit Guido Gezelle's +Gedichten, by Guido Gezelle + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GUIDO GEZELLE'S GEDICHTEN *** + +***** This file should be named 29289-0.txt or 29289-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/2/8/29289/ + +Produced by Jeroen van Luin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
