summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29289-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '29289-0.txt')
-rw-r--r--29289-0.txt5304
1 files changed, 5304 insertions, 0 deletions
diff --git a/29289-0.txt b/29289-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..6321d2b
--- /dev/null
+++ b/29289-0.txt
@@ -0,0 +1,5304 @@
+The Project Gutenberg EBook of Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten, by
+Guido Gezelle
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten
+
+Author: Guido Gezelle
+
+Editor: Dr. J. Aleida Nijland
+
+Release Date: July 1, 2009 [EBook #29289]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GUIDO GEZELLE'S GEDICHTEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen van Luin and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +-------------------deze regel heeft nummer 1----------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht. |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. |
+ | |
+ | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is in |
+ | dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. |
+ | Het cursief is weergegeven als _cursief_. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en |
+ | spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ BLOEMLEZING UIT
+ GUIDO GEZELLE'S
+ GEDICHTEN
+
+
+
+
+ BLOEMLEZING UIT
+ GUIDO GEZELLE'S
+ GEDICHTEN
+
+ ZESDE DRUK
+
+ [Illustratie: L.J.V.
+ LABOR INTEGER VINCIT
+ MDCCCXXCVII]
+
+ L. J. VEEN–AMSTERDAM
+
+ Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
+
+
+
+
+Deze Bloemlezing heb ik samengesteld om GEZELLE'S poëzie te brengen in
+ruimer kring dan tot heden is bereikt. Op 'n paar uitzonderingen na in
+'t begin liet ik de volgorde der gedichten naar de verschillende
+dichtbundels onveranderd. Hier en daar heb ik 'n enkel ons minder bekend
+woord verklaard.
+
+Maart 1904.
+
+
+In volgende drukken is in de keuze der gedichten weinig veranderd; over
+het algemeen zijn meer woorden verklaard.
+
+ DR. J. ALEIDA NIJLAND.
+
+AMSTERDAM, April 1915.
+
+
+
+
+=INHOUD=.
+
+
+ Bladz.
+ De vlaamsche tale is wonder zoet 1
+ Oneigene 2
+ Als de Ziele luistert 3
+ Het schrijverke 4
+ o 't Ruischen van het ranke riet 6
+ Het meezennestje 8
+ Dien avond en die rooze 9
+ Kom e' keer hier 11
+ Gewijde klok 13
+ o Gulden hoofd 15
+ o Vechter 16
+ Met kloeken arme 17
+ Slaapt gij nog 19
+ Hoe schittert mij die spa toch 22
+ o Leye lief 24
+ Hemellawerke heet gij 26
+ De boomen zien zwart 29
+ Geluwgroene legerscharen 31
+ Gekamde koning Canteclaar 34
+ o Wilde en onvervalschte pracht 36
+ Waar zit die heldere zanger 38
+ De navond komt zoo stil 41
+ De vliege 43
+ Wat hangt gij daar te praten 45
+ Als ge naar het kooren luistert 46
+ De wolkenweg bedijgt 48
+ Andleie 50
+ 't Is stille 55
+ De rave 56
+ De tijd 59
+ Mijn hert is als een blomgewas 61
+ 't Eerste 63
+ Wintermuggen 64
+ Winternacht 66
+ Arm huisgezin 68
+ Irrequietum 69
+ Velut umbra 70
+ Abeelen 72
+ Lentegroen 74
+ Vogelzang 76
+ Zonnewende 79
+ Bonte abeelen 80
+ De bleekersgast 81
+ Rijmram 83
+ Twee horsen 84
+ Het klokgebed 85
+ Schoonheid 87
+ De dakpannen 88
+ Terug 89
+ Het getouwe 91
+ Wierook 93
+ o Heemelijke diepten 94
+ 't Groeit 96
+ Najaarsverwen 99
+ Niemandsvriend 101
+ Casselkoeien 105
+ Tranen 107
+ Schoone nacht 108
+ Avondrood 110
+ Fiat Lux 112
+ De winden 114
+ Dat wilde ik weten 115
+ Spaman 117
+ Het hazegrauwt 118
+ Hoe zeere vallen ze af 120
+ Van den ouden boom 123
+ Blootakker 126
+ Moederken 129
+ Perels 130
+ Spreeuwen 131
+ Wederwijven 133
+ Excelsior 134
+ Zegepraal 136
+ De doornenboom 139
+ Mietje 141
+ Cytisus Laburnum 142
+ Buigen of bersten 144
+ De sperretakken 147
+ Het gulden vlies 149
+ Hebt meêlijen 151
+ De dageraad 154
+ Nevelduisternis 156
+ Windtocht 158
+ Aksternesten 160
+ Lentegroen 161
+ Cinxen 162
+ Och ware ik 164
+ Aan den Lindeboom 165
+ Ego Flos 167
+
+
+
+
+ De vlaamsche tale is wonder zoet
+ voor die heur geen geweld en doet,
+ maar rusten laat in 't herte, alwaar,
+ ze onmondig leefde en sliep te gaar,
+ tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
+ te monde uit, gaat heur vrijen gang!
+ Wat verruwprachtig hoortooneel,
+ wat zielverrukkend zingestreel,
+ o vlaamsche tale, uw' kunste ontplooit,
+ wanneer zij 't al vol leven strooit
+ en vol 't onzegbaar schoon zijn, dat,
+ lijk wolken wierooks, welt
+ uit uw zoet wierookvat!
+
+
+
+
+=ONEIGENE=.
+
+
+ Hetgeen ik niet uitgeve en
+ hebbe ik niet in,
+ wie zal mij dat wijten te schanden?
+ Mijn herte en mijn tale, mijn
+ zede en mijn zin,
+ 't is al zoo van buiten, 't is
+ al zoo van bin':
+ 't ligt alles daar bloot op mijn' handen!
+
+ Dan, weg met de oneigene
+ tale en den schijn
+ van elders geborgde gepeizen;
+ mijn zijt gij niet, uw dat en
+ wille ik niet zijn,
+ dat in mij en aan mij is
+ dat heete ik mijn:
+ oneigene, ik late u,... gaat reizen!
+
+
+
+
+ Als de Ziele luistert
+ spreek 'et al een taal dat leeft,
+ 't lijzigste gefluister
+ ook en taal en teeken heeft:
+ blâren van de boomen
+ kouten met malkaar gezwind,
+ baren in de stroomen
+ klappen luide en welgezind,
+ wind en wee en wolken,
+ wegelen[1] van Gods heiligen voet,
+ talen en vertolken
+ 't diep gedoken Woord zoo zoet...
+ als de Ziele luistert!
+
+VOETNOOT:
+
+1 _Wegel_ is een Z. Ned. verkleinwoord van _weg_.
+
+
+
+
+HET SCHRIJVERKE.
+
+(GYRINUS NATANS).
+
+
+ O krinklende winklende waterding,
+ met 't zwarte kabotseken aan,
+ wat zien ik toch geren uw kopke flink
+ al schrijven op 't waterke gaan!
+ Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
+ al zie 'k u noch arrem noch been;
+ gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
+ al zie 'k u geen ooge, geen één.
+ Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
+ Verklaar het en zeg het mij, toe!
+ Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
+ dat nimmer van schrijven zijt moe?
+ Gij loopt over 't spegelend water klaar,
+ en 't water niet méér en verroert
+ dan of het een gladdige windje waar,
+ dat stille over 't waterke voert.
+ o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,–
+ met twintigen zijt gij en meer,
+ en is er geen een die 't mij zeggen kan:–
+ Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?
+ Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
+ gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
+ geen Christen en weet er wat dat bediedt:
+ och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
+ Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
+ Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
+ Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet,
+ of 't water, waarop dat ge drijft?
+ Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
+ of is 'et het blauwe gewelf,
+ dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
+ of is het u, schrijverken, zelf?
+ En 't krinklende winklende waterding,
+ met 't zwarte kapoteken aan,
+ het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
+ en 't bleef daar een stondeke staan:
+ „Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen af
+ het gene onze Meester, weleer,
+ ons makend en leerend, te schrijven gaf:
+ één lesse, niet min nochte meer;
+ wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
+ niet lezen, en zijt gij zoo bot?
+ Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
+ den heiligen Name van God!”
+
+
+
+
+O 'T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET.
+
+
+ Παρὰ ῥοδανὸν δονακῆα
+ Hom. Il. XVIII, 576.
+
+ O! 't ruischen van het ranke riet!
+ o wist ik toch uw droevig lied!
+ wanneer de wind voorbij u voert
+ en buigend uwe halmen roert,
+ gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,
+ staat op en buigt ootmoedig weêr,
+ en zingt al buigend 't droevig lied,
+ dat ik beminne, o ranke riet!
+
+ O! 't ruischen van het ranke riet!
+ hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
+ nabij den stillen waterboord
+ alleen en van geen mensch gestoord,
+ en lonkte 't rimplend water na,
+ en sloeg uw zwakke stafjes ga,
+ en luisterde op het lieve lied,
+ dat gij mij zongt, o ruischend riet!
+
+ O! 't ruischen van het ranke riet!
+ hoe menig mensch aanschouwt u niet
+ en hoort uw' zingend' harmonij,
+ doch luistert niet en gaat voorbij!
+ voorbij alwaar hem 't herte jaagt,
+ voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
+ maar uw geluid verstaat hij niet,
+ o mijn beminde ruischend riet!
+
+ Nochtans, o ruischend ranke riet,
+ uw stem is zoo verachtlijk niet!
+ God schiep den stroom, God schiep uw stam,
+ God zeide: „Waait!...” en 't windje kwam,
+ en 't windje woei, en wabberde om
+ uw stam, die op en neder klom!
+ God luisterde... en uw droevig lied
+ behaagde God, o ruischend riet!
+
+ O neen toch, ranke ruischend riet,
+ mijn ziel misacht uw tale niet:
+ mijn ziel, die van den zelven God
+ 't gevoel ontving, op zijn gebod,
+ 't gevoel dat uw geruisch verstaat,
+ wanneer gij op en neder gaat:
+ o neen, o neen toch, ranke riet,
+ mijn ziel misacht uw tale niet!
+
+ O! 't ruischen van het ranke riet
+ weêrgalleme in mijn droevig lied,
+ en klagend kome 't voor uw voet,
+ Gij, die ons beiden leven doet!
+ o Gij, die zelf de kranke taal
+ bemint van eenen rieten staal,
+ verwerp toch ook mijn klachte niet:
+ ik! arme, kranke, klagend riet!
+
+
+
+
+HET MEEZENNESTJE.
+
+
+ Een meezennestje is uitgebroken,
+ dat, in den wulgentronk
+ gedoken,
+ met vijftien eikes blonk;
+ ze zitten in den boom te spelen,
+ tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,
+ met velen,
+ en 'k lach mij, 'k lach mij, 'k lach mij bijkans krom.
+
+ Het meezenmoêrtje komt getrouwig,
+ komt op den lauwen noen,
+ al blauwig
+ en geluwachtig groen;
+ het brengt hun dit en dat, om te azen,
+ tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,
+ ze razen,
+ en kruipen, vlug, het meezennestjen in.
+
+ Het meezenvaârtje zit–de looveren
+ verduiken 't voor 't gestraal–
+ te tooveren,
+ al in de meezentaal;
+ daar vliegen ze, al med' een, te zamen,
+ tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,
+ en, amen,
+ het meezennestje is weêrom ijele en uit.
+
+
+
+
+DIEN AVOND EN DIE ROOZE.
+
+AAN EUGENE VAN OYE.
+
+
+ 'k Heb menig menig uur bij u
+ gesleten en genoten,
+ en nooit en heeft een uur met u
+ me een enklen stond verdroten.
+ 'k Heb menig menig blom voor u
+ gelezen en geschonken,
+ en, lijk een bie, met u, met u,
+ er honing uit gedronken;
+ maar nooit een uur zoo lief met u,
+ zoo lang zij duren koste,
+ maar nooit een uur zoo droef om u,
+ wanneer ik scheiden moste,
+ als de uur wanneer ik dicht bij u,
+ _dien avond_, neêrgezeten,
+ u spreken hoorde en sprak tot u
+ wat onze zielen weten.
+ Noch nooit een blom zoo schoon, van u
+ gezocht, geplukt, gelezen,
+ als die _dien avond_ blonk op u,
+ en mocht de mijne wezen!
+ Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
+ –wie zal dit kwaad genezen?–
+ een uur bij mij, een uur bij u
+ niet lang een uur mag wezen;
+ ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
+ zoo lief en uitgelezen,
+ _die rooze_, al was 't een roos van u,
+ niet lang een roos mocht wezen;
+ toch lang bewaart, dit zeg ik u,
+ 't en ware ik 't al verloze,
+ mijn hert drie dierbre beelden: _u_,
+ _dien avond_,–en–_die rooze_!
+
+
+
+
+KOM E' KEER HIER.
+
+AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME.
+
+
+ „Kom e' keer hier, fliefflodderke[1],
+ 'k hebbe u, 'k hebbe u zoo lief!”
+ Maar 't wipte, 't wupte, 't en wachtte niet,
+ en 't liet mij alleene zijn.
+ 't Was wel van dat lief fliefflodderke,
+ want, hadde ik het eens genaakt,
+ ik hadde 't, het lief fliefflodderke,
+ 'k en wete niet wat gemaakt:
+ geen hand van 'nen mensche 'n mocht 'et ooit
+ genaken zijn lieve kleed,
+ of 't was en het wierd 't fliefflodderke,
+ het was en het wierd hem leed;
+ de hand van die 't miek alleene mag
+ 't genaken en niet beschaân,
+ de wind van die 't miek alleene mag
+ er, wandelend, over gaan.
+ Dus, wakker en weg! fliefflodderken,
+ op planten en bloeiend gers[2],
+ alwaar dat u God geschapen heeft,
+ alwaar dat 't uw woning es!–
+ En zoekt gij nu, kind, een zin hierin,
+ 't fliefflodderke, wie dat zij,
+ uw herte is het, alderliefste mijn,
+ ai, wat zou het anders zijn!
+ God miek het u, maakt dat God alleen
+ kan zeggen: Dit herte is mijn,
+ zoo zal het, en anders en zal 't, o neen,
+ het uw' noch gelukkig zijn!
+ Zoo zong hij, die lang en lusteloos
+ gezeten had, eenen dag,
+ wanneer hij, op de eerste lenteroos,
+ het eerste fliefflodderken zag.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Vlinder.
+
+2 Gras.
+
+
+
+
+GEWIJDE KLOK.
+
+
+ o Avond- noen- en morgenmate,
+ ik vrij mij op uw' klank verlate,
+ gewijde klok!
+
+ Uw hert is van metaal gegoten,
+ toch blijft het voor geen mensch gesloten,
+ gewijde klok!
+
+ Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege,
+ och helpt de menschen, kranke en veege,
+ gewijde klok!
+
+ En dat uw klank in 't ronde vliege,
+ zij lief of leed aan sponde en wiege,
+ gewijde klok!
+
+ Den akker end' het veld verwekke,
+ en al dat hoort tot welzijn strekke,
+ gewijde klok!
+
+ Gij zegt aan elk het lang verleden
+ de mede- en wederspoedigheden,
+ gewijde klok!
+
+ Gij troost mij op den dag van huiden,
+ en zult wel eens mijn uitvaart luiden,
+ gewijde klok!
+
+ Nog zult ge waken lang na dezen,
+ en ongeboornen beeklank wezen,
+ gewijde klok!
+
+ Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren;
+ maar God zal ze eeuwig toebehooren,
+ gewijde klok!
+
+ o 'k Wou dat, om mijn ziel te laven,
+ zij ook dan een gebed mij gaven,
+ gewijde klok, gewijde klok!
+
+
+
+
+O GULDEN HOOFD.
+
+
+ o Gulden hoofd der blijde zonne,
+ volheerlijke, altijd nieuwe bronne
+ van levenskracht;
+ wie heeft u in die blauwe streken
+ het brandend voetspoor uitgesteken
+ en voorgedacht?
+
+ Gij staat des morgens op, beneden
+ 't bereik van sterflijke oogenleden;
+ en, rijzend, dan
+ verblijdt gij mensch en dier en boomen;
+ en 's avonds laat gij los de toomen
+ van uw gespan.
+
+ o Edel' zonne, o machtig wezen,
+ o zienlijke afgezant van dezen
+ die 't al beveelt;
+ wat ben ik, of wat zijt gij, schoone,
+ als, in des Heeren schild en kroone,
+ een wapenbeeld?
+
+ Zoo kent men aan des Ridders wapen
+ zijn hofgezin, zijn huis, zijn' knapen,
+ zijn heerlijk slot;
+ zoo kan men, aan uw pronksieraden,
+ o zonne, uw edelen Ridder raden:
+ zijn name is–God!
+
+
+
+
+=O VECHTER=.
+
+
+ o Vechter, die in 't vaderland,
+ met scherpgeschuurden tee en tand,
+ door vodde[1] en vilte[2] en voren vecht,
+ en 't taaie terwland ommelegt!
+
+ Ik zie u geerne, ontembaar aan,
+ uw' diepe en duistere wegen gaan,
+ van al dat vreeze is vrank en vrij!
+ –Mijn doen is dat, zoo dunk 'et mij!
+
+ Wanneer gij rust in 't wagenkot,
+ en roestend daar uw tanden bot,
+ dan zal wellicht een edel graan
+ alwaar gij vocht te golven staan.
+
+ Mij geve God dat, moegewrocht,
+ en 't zalig rusten weerd gerocht[3],
+ ik zie eens 't edel terruwveld,
+ dat stijve zakken koorn geldt[4]!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Zode.
+
+2 Wortelvezelnet.
+
+3 Geraakt.
+
+4 Betalen, opbrengen.
+
+
+
+
+MET KLOEKEN ARME.
+
+
+ Exiit qui seminat.
+
+ Met kloeken arme, en hand vol zaad,
+ aanschouwt, hoe hij zijn' stappen gaat
+ en zaait, vol zorgen
+ de man, wiens hope en troost en al,
+ met 't stervend zaad, nu zitten zal
+ in 't land geborgen.
+
+ Staat op, o zaad, 't is God die 't zegt,
+ den winter en de dood bevecht:
+ de zonnestralen
+ verwachten al, met menigvoud
+ geverwde pracht en levend goud,
+ uw zegepralen.
+
+ o Winden, waait om 't groene kind
+ des lands, uw zacht-, uw zoetsten wind;
+ o dauwrijk dagen
+ des morgenstonds, o wolkenvloed,
+ verleent het koorn, dat kenen[1] doet,
+ uw welbehagen.
+
+ Het wasse en 't worde een geluw graan,
+ het bloeie en 't blijve buigend staan,
+ vol zaad geladen;
+ vol zegen, die geen' nijd en baart,
+ geen' zucht, geen' zoek omleegewaard,
+ geen' euveldaden!
+
+ Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld,
+ die de akkerzaaite omverrevelt,
+ en bleeke ellenden
+ verspreidt alom: houdt af uw' hand;
+ wilt verre weg van 't dragend land
+ uw' geesels wenden!
+
+ Dan zal de landman, 't herte groot
+ van dankbaarheid, om 't daaglijksch brood
+ dat hij mocht winnen,
+ den ouden arbeid, zwart en zwaar,
+ zoo dit, zoo 't naaste en 't naaste jaar
+ weêr herbeginnen.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Kiemen.
+
+
+
+
+SLAAPT GIJ NOG.
+
+
+ Slaapt gij nog, gedaagde[1] kruinen
+ van de onzochte[2] doorentuinen?
+ slaapt gij nog, en weet gij niet
+ dat de ontwekte zonne u ziet?
+
+ Dat alree de dagen langen
+ zichtbaar, en de stralen strangen[3]
+ van de lente? Ontwekt, welaan,
+ doornen, en wilt wakker staan!
+
+ Onlangs nog, met sneeuw doorschoten,
+ hebt gij, naast uw' stamgenoten,
+ weken lang den tijd verbeid,
+ vaste in uwe onroerbaarheid.
+
+ Tijd is 't om den dag te groeten:
+ 't Oosten blinkt, en wakker moeten
+ al die zonne- en zomerglans
+ schuldig zijn hun' liefde, thans.
+
+ Doorentuin dan, botten open;
+ los, uw dichte looverknopen;
+ los, uw zilveren reukallaam[4];
+ los, uw sneeuwwit blommenkraam!
+
+ Ei, 't en baat niet, dat robijnen
+ naalden deur de toppen schijnen
+ heen te bersten, hier en daar,
+ van uw doornig streuvelhaar[5]!
+
+ Ei, 't en baat niet dat uw' leden,
+ zwellende uit van vruchtbaarheden,
+ drinken 't zog der aarde, en bloot
+ laten heuren moederschoot!
+
+ Blâren moet ge en blommen schieten,
+ vol de vaten ommegieten
+ uwer zalven, en voortaan,
+ hagedoornen, bloeien gaan!
+
+ Slaapt gij nog? De bien ontwekken,
+ langende om uw zeem te lekken;
+ 't vogelken zoekt, nestgezind,
+ waar 't uw vrije daken vindt!
+
+ Slaapt gij nog? De zangermonden,
+ zullende uwen lof verkonden
+ zoo gij wakker wordt, ze slaan
+ reeds hun liefste leisen[6] aan!
+
+ Slaapt gij nog? De dichters dragen
+ droevig, dorre doorenhagen,
+ het geheugen, lang verbeid,
+ van uw' zomerschoonigheid!
+
+ 't Water zucht, de blauwe lochten,
+ de aarde deunt[7], vol minnetochten:
+ alles, alles wenscht om... och,
+ doorenhagen, slaapt gij nog?
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Bedaagd, oud.
+
+2 Onzacht.
+
+3 Strang = streng.
+
+4 Alm, allaam = handwerktuig.
+
+5 Verwarreld opstaand haar.
+
+6 Liederen.
+
+7 Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een
+hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen,
+weerklinken van geluid.
+
+
+
+
+HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH.
+
+
+ Hoe schittert mij die spa toch, als
+ gij, landman, uwen taaien hals
+ gebogen, langzaam eerselt[1], end'
+ nu hier nu daar Gods akker wendt!
+
+ De zonne komt u volgzaam na
+ en velt op uw geglimde spa,
+ terwijl gij zucht en arrebeidt,
+ den blik van heur' hoogmogendheid.
+
+ En, spittende in dat hel gestraal,
+ zoo keert uw werkzaam akkerstaal
+ med een den grond, en zendt den schicht
+ terug naar mij, van 't zonnelicht.
+
+ Daar speiten[2], uit den zwarten grond
+ der aarde, zoo veel stralen rond
+ uw' delfspa, dat 't een beeltenis
+ van Gods gevreesden bliksem is.
+
+ Doch neen: de duiven weten 't wel,
+ dat 't spawerk is en zonnenspel,
+ dit bliksemen, en hun vrije vlerk
+ vervolgt u, op uw akkerwerk.
+
+ De kwiksteert, zoo de duiven doen,
+ u nagaande, in zijn' stouteschoen,
+ en vreest, alwaar hij wormen ziet,
+ uw' spa noch heur geflikker niet.
+
+ Zoo volge ik ook, en geren ga
+ 'k, van 's morgens vroeg, den delver na,
+ hem dichtende, als hij lam en moe
+ van werken is, mijn deuntjen toe.
+
+ God vordere u, mijn brave man,
+ en, zoo 't gebed u helpen kan
+ van een, die geerne uw' weêrga ziet,
+ de spa en delve uw graf nog niet!
+
+ Maar mocht gij eens, uw werk voldaan,
+ den blijden oest[3] zien binnengaan,
+ en zuchten: Die den arrebeid
+ mij zoet maakt, U zij dank gezeid!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Aarzelen = achteruitgaan.
+
+2 Spatten.
+
+3 Oogst.
+
+
+
+
+O LEYE LIEF.
+
+
+ O Leye lief, wat mocht u boozen;
+ wat 's hemels kom, den vlekkeloozen,
+ weêrspiegeld in uw' schoot, dat blauw
+ verliezen doen? Dat blauw, och armen,
+ dat donkert in de ontstelde barmen[1]
+ van uw geweldig watergrauw?
+
+ 'k En hoorde u niet, op vroeger dagen,
+ en 't was als of ze in slape lagen,
+ één glimmend glas, uw' baren; daar 't
+ nu brieschen is en woedend grimmen,
+ van breedgerugde waterkimmen,
+ die beurtlings berschen[2] boordewaard.
+
+ Nog nooit en zag ik witgekoofde[3]
+ gelederen rijen, den helm ten hoofde,
+ met zulk een daverend rukgeweld,
+ o Leye, als de ongetelde toppen
+ der witgekamde barenkoppen,
+ die rennen in uw waterveld!
+
+ Het klotst, het kleunt[4], de golven stooten
+ het hooge schip, de smalle booten:
+ het danst, het deunt[5], het roert, het maalt
+ alom, van 't vlugge schuim, dat vedert;
+ van 't zwalpend zop, dat weg- end- wedert;
+ en van den wind, die zegepraalt.
+
+ o Noorden, sluit uw dolle perken,
+ besnijdt dien boozen zoon zijn' vlerken:
+ laat af, genoeg, genade! Hij
+ is koning, heere en baas gebleken:
+ laat licht en zonne u schoone spreken,
+ dat 't windloos weêr en vrede zij!
+
+ Dan zal ik liefst, o Leysche boorden,
+ als 't zomer is, en zwijgt in 't Noorden
+ de felle reus, u volgend gaan;
+ dan zal ik weêr mijn hert vermeiden,
+ langs uw' gegroende en stille weiden,
+ en in uw' grond hun beeld zien staan.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Golven, watersprongen.
+
+2 Met kracht en spoed gaan.
+
+3 Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).
+
+4 Slaan, kloppen.
+
+5 Daverend schokken, schudden, trillen.
+
+
+
+
+HEMELLAWERKE HEET GIJ.
+
+
+ Hemellawerke heet gij, wakkere en
+ snelgewiekte strale, die
+ 'k, uit het zaailand opgestegen,
+ lijk nen vierpijl rijzen zie.
+
+ Striemen lichts ontlaat, en vonken,
+ 't vluchtend vierwerk; en zoo hoort
+ me u ook vluchtend henentieren,
+ als gij deur de wolken boort.
+
+ Hemellawerke, schoon van name en
+ sprake zijt gij, maar uw kleed,
+ 't valt te grauw toch: is 't de reden
+ dat men grijslawerke u heet?
+
+ Ben ik grauw, het is van zeilen,
+ en van, altijd reisgezind,
+ zoo de grauwgedoekte schepen,
+ heen te varen, vóór den wind.
+
+ Hemellawerke, grijslawerke,
+ luchtleeuwerke, hemelwaard,
+ weg met u, ja, leeuwerkt helder,
+ op uw' hooge hemelvaart!
+
+ Zingt en zeilt maar, al te zelden
+ hoore en zie 'k u, lieve; 't gaat
+ beter hem, die, vroeg en spade
+ hoort u, ende gadeslaat.
+
+ Midden in Gods werken levend,
+ 't gaat hem beter, achter 't land,
+ die u naziet, te elker stonde,
+ daar hij zaait en zeeuwt[1] en plant.
+
+ Ach, om niet is 't, al te dikwijls,
+ dat gij dankend opwaarts stijgt,
+ daar geen mensch en is dien 't aangaat,
+ of gij, schamele, zingt of zwijgt.
+
+ Horkt er niemand, ik zal horken,
+ wilt ge, in 't droevig tranendal,
+ mij vertroosten, hemellawerke; en
+ ziet ons niemand, God ziet 't al!
+
+ Hij zal zien en hij zal hooren,
+ hij, die vlerke en tale u gaf,
+ en die mij, in stad begraven,
+ wekken eens zal uit dit graf.
+
+ Dan verrijze ik, luchtleeuwerke;
+ zette ik zeil en vaar getroost
+ naar de hoogten, daar gij schouwend
+ eert den dagraad en den oost.
+
+ Naar de streken die mij wijzende
+ is uw' vlerke en uw geschal,
+ en van waar ik, vrij en veilig,
+ niet meer, niet meer neêr en zal.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.
+
+
+
+
+DE BOOMEN ZIEN ZWART.
+
+
+ De boomen zien zwart, van de zwellende botten;
+ o zonne, wanneer zal uw' macht, onbevaên[1],
+ weêr 't springende blad, en de banden ontknotten,
+ waarin 't twee drie maanden heeft houtvast gestaan?
+
+ Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
+ houdt af uwen vuist, in de botten begint er
+ weer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.
+
+ De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven;
+ zij striemen, dóór 't blauwe geluchte, onbekleed;
+ doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,
+ lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.
+
+ Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
+ uw rijk heeft een einde, in de boomen begint er
+ weêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.
+
+ De boomen zien zwart, en hun' dreigende schachten
+ staan veerdig en vrij, als de spere in de vuist
+ eens ridders, het teeken ten storme te wachten:
+ het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!
+
+ Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
+ de boomen slaan uit, en zoo zaan[2] herbegint er
+ weêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Onbevangen, ongehinderd, vrij.
+
+2 Weldra, spoedig.
+
+
+
+
+GELUWGROENE LEGERSCHAREN.
+
+
+ Geluwgroene legerscharen,
+ honderdduizend, waar vandaan
+ zijt gij, vastgevoette blâren,
+ komen op de boomen staan?
+
+ Nauwlijks heeft twee lentezonnen
+ 's werelds blijde onthaal begroet,
+ of... wie zal 't getellen konnen,
+ 't leger dat gij porren doet?
+
+ Werkzaam, onder 't machtig streelen
+ van des morgens windgeweld,
+ op de berken, op de abeelen
+ zie 'k u, in 't gelid gesteld.
+
+ 't Ruischt alom vol zware talen,
+ 't ruischt alom; en 't krijgsgebaar,
+ stortende in de diepe dalen,
+ dooft alle andere stemmen daar.
+
+ Waar vandaan zijt, al in 't blijde
+ doek gekleed, gij krijgeren dan?
+ Wie, die zulk een wereldwijde
+ legervastheid voeden kan?
+
+ Zijt ge uit louter locht gesteven,
+ zijt gij zonnestralen teer,
+ schielijk en van licht geweven,
+ duizendwendig bladerenheer?
+
+ Zijt gij 't bloed en 't merg der boomen,
+ 't boomzijn zelve, of anders iet
+ onbekend, dat uit wil stroomen,
+ al zoo zaan[1] 't de zonne ziet?
+
+ Zijt gij... Uwe ontelbaarheden
+ staan het stormend volk gelijk,
+ strijdbaar in 't bezit getreden
+ van des Winters koninkrijk!
+
+ Nutloos, in zijn' zware ellenden,
+ heeft het land om hulp gewacht:
+ komt en stoort des vijands benden,
+ velt hem voor uw' legermacht.
+
+ Breekt zijn' bergsteê, slaat zijn' ridderen,
+ scheurt zijn' vanen: roept en tiert,
+ dat de verste velden zidderen
+ van 't geruchte: zegeviert!
+
+ Vluchten moet hij weg; verwonnen,
+ wapenloos en wepel[2], gaan
+ zitten waar, in 't ijs geronnen,
+ onbewoond, zijn' steden staan.
+
+ Ruischt dan maar, gij legerscharen;
+ zingt en trommelt overluid,
+ zegevolle zomerblâren:
+ morgen is de winter uit!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Dra.
+
+2 Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.
+
+
+
+
+GEKAMDE KONING CANTECLAAR.
+
+
+ Gekamde koning Canteclaar,
+ hoe geren zie 'k u komen daar;
+ gestapt zoo edeldrachtig
+ als Alexander, Atilla,
+ of Karloman zijn' wederga:
+ heel keizerlijk almachtig!
+
+ Gij kraait, terwijl ge uw' vlerken slaat,
+ en 't stemgeluid dat henengaat,
+ uit uwen hals gedreven,
+ herwekt het slapend menschendom,
+ het boodschapt hem den dag weêrom,
+ den dag, het licht, en 't leven.
+
+ Uw' vonkelende ooge, uw' rooden kam,
+ een laaiend beeld van vier en vlam,
+ uw' zwakken steert, uw' spooren,
+ uwe om end om geglimde borst,
+ uw' strijdbaarheid, uw' zegedorst,
+ uw' stem, zoo schoon om hooren...
+
+ Wie is er die dat al beschrijft,
+ die, heel in woord en taal gelijfd,
+ doet leven u en waken?
+ Wie is er? Anders geen als gij,
+ heer Canteclaar, die machtig zij
+ uw evenbeeld te maken.
+
+ Vaart wel dan: ik ontgeef 't mij, en
+ 'k wil weten dat ik verre ben
+ bij u voortaan ten onderen;
+ gij hebt, o haan, den prijs behaald,
+ kraait koning nu, en zegepraalt,
+ en laat mij zwijgend wonderen!
+
+
+
+
+O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT.
+
+
+ Alre creature sake ende yersticheit.
+ RUUSBROUCK.
+
+ o Wilde en onvervalschte pracht
+ der blommen, langs den watergracht!
+
+ Hoe geren zie 'k u, aangedaan
+ zoo 't God geliefde, in 't water staan!
+
+ Geboren, arg- en schuldeloos,
+ daar God u eens te willen koos,
+
+ daar staat ge: en, in den zonneschijn,
+ al dat gij doet is blomme zijn!
+
+ 't Is wezen, 't geen mijne ooge aanziet,
+ 't is waarheid, en ge'n dobbelt niet;
+
+ en die door u mijn hert verblijdt
+ is enkel, zoo gij enkel zijt!
+
+ Hoe stille is 't! 't En verwaait med al
+ geen bladtje, dat ons stooren zal;
+
+ geen rimpelken in 't lief gelaat
+ des waters, dat vol blommen staat;
+
+ geen wind, geen woord: rondom gespreid,
+ al schaduwe, al stilzwijgendheid!
+
+ Dan, diepe, diepe in 't water, blauwt,
+ half groen geblest[1], de hemelvaut;
+
+ en, priemend' hier en daar vergaat
+ een langgesponnen zonnedraad.
+
+ Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn
+ kan toch eene enkele blomme zijn,
+
+ die, al med eens, en zorgloos, uit
+ de hand van heuren Schepper spruit!
+
+ Door Hem, en door geen menschenhand,
+ lag hier een nederig zaad geplant;
+
+ door Hem, op dezen oogenblik,
+ ontlook het, en dien troost heb ik,
+
+ dat, blomme, gij mij bidden doet,
+ en wezen zoo ik wezen moet:
+
+ aanschouwende en bevroedende in
+ elk uiterste einde 't oorbegin,
+
+ den grond van alles; meer gezeid,
+ maar nog niet al: Gods eerstigheid.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Gevlekt.
+
+
+
+
+WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER.
+
+
+ Waar zit die heldere zanger, dien
+ ik hooren kan en zelden zien,
+ in 't loof geborgen,
+ dees blijden Meidagmorgen?
+
+ Hij klinkt alom de vogels dood,
+ bij zijnder kelen wondergroot'
+ en felle slagen,
+ in bosschen en in hagen.
+
+ Waar zit hij? Neen, 'k en vind hem niet,
+ maar 'k hoore, 'k hoore, 'k hoore een lied
+ hem lustig weven:
+ het kettert in de dreven.
+
+ Zoo zit en zingt er menig man,
+ vroegmorgens op 't getouwe, om, van
+ goên drom[1], te maken
+ langlijdend[2] lijwaadlaken.
+
+ De wever zingt, zijn' webbe deunt[3];
+ de la klabakt, 't getouwe dreunt;
+ en lijzig varen
+ de spoelen heen, in 't garen.
+
+ Zoo zit er, in den zomer zoel,
+ een, werpende, op den weverstoel
+ van groene blâren,
+ zijn duizendverwig garen.
+
+ Wat is hij: mensche of dier of wat?
+ Vol zoetheid, is 't een wierookvat,
+ daar Engelenhanden,
+ onzichtbaar, reuke in branden?
+
+ Wat is hij? 't Is een wekkerspel,
+ vol tanden fijn, vol snaren fel,
+ vol wakkere monden
+ van sprekend goud, gebonden.
+
+ Hij is... daar ik niet aan en kan,
+ een' sparke viers, een' boodschap van
+ veel hooger' daken
+ als waarder menschen waken.
+
+ Horkt! Langzaam, luide en lief getaald,
+ hoe diep' hij lust en leven haalt,
+ als uit de gronden
+ van duizend orgelmonden!
+
+ Nu piept hij fijn, nu roept hij luid';
+ en 't zijpzapt hem ter kelen uit,
+ lijk waterbellen,
+ die van de daken rellen.
+
+ Geteld, nu tokt zijn taalgetik,
+ als ware 't op een marbelstik[4],
+ dat perelkransen,
+ van 't snoer gevallen, dansen.
+
+ Geen vogel of hij weet zijn lied,
+ zijn' leise[5] en al zijn stemgebied,
+ bij zijnder talen,
+ nauwkeurig af te malen.
+
+ 't En deert mij niet, hoe oud gedaagd,
+ dat hij den zangprijs henendraagt,
+ en, vogel schoone,
+ mij rooft de dichterkroone!
+
+ Want mensche en heeft u nooit verstaan,
+ noch al uw' rijkdom recht gedaan,
+ o wondere tale
+ van koning Nachtegale!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Schering.
+
+2 Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.
+
+3 Schudt, trilt.
+
+4 Stik = stuk.
+
+5 Lied.
+
+
+
+
+DE NAVOND KOMT ZOO STIL.
+
+
+ De navond komt zoo stil, zoo stil,
+ zoo traagzaam aangetreden,
+ dat geen en weet, wanneer de dag
+ of waar hij is geleden[1].
+ 't Is avond, stille... en, mij omtrent,
+ is iets, of iemand, onbekend,
+ die, zachtjes mij beroerend, zegt:
+ „'t Is avond en 't is rustens recht.”
+
+ De boomen dragen gansch de locht
+ vol groen, nog onbestoven;
+ en 'k zie, zoo dicht hun' blaren staan,
+ nog nauwlijks door de hoven;
+ 'k en hoore niets, al om end om,
+ van 't zoetgekeelde vogelendom,
+ 't en zij, het donker loof beneên,
+ den nachtegaal zijne avondbeên.
+
+ Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
+ hij zingt! Het is onwetend,
+ dat zingend hij mijne ooren boeit,
+ en aan zijn' kele ketent.
+ Ach, wist hij 't gene ik wetend ben:
+ dat dankbaar ik toch wete en ken
+ wie hem zijn' tale, en mij daaraf
+ 't genoegen en 't genieten, gaf!
+
+ Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
+ eensgangs ik ginder gekken?
+ Wat is 't, dat her en weder her
+ verergerend gerrebekken?
+ Och, vorschenvolk, in 't waterwied,
+ houdt op! En stoort de stilte niet:
+ laat hooren mij dat leutig slaan...
+ en, kwelgediert, houdt op voortaan!
+
+ Hebt daar!... Het speit, den steen rondom,
+ en, uitgestrekter schenen,
+ zijn al de vorschen, diepe in 't goor,
+ in 't zwijgend goor verdwenen!...
+ Eilaas, de nacht en 't donker zijn
+ bezitten nu den zanger mijn:
+ noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2],
+ en hoore ik meer... 't is uit, 't is uit!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Voorbijgegaan.
+
+2 Niet het minste stemgerucht.
+
+
+
+
+=DE VLIEGE=.
+
+
+ o Gij dikke, welgekleede, welgevoede
+ vliege, die
+ 'k daar zoo dikkens, om end weder om mij,
+ hoore en zie
+ vliegen, varen, vederen, ruischen, in den
+ zonnestraal,
+ met uw' ronkend-, hoog- en leeggevooisde
+ vedertaal!
+
+ Ha, 'k en kenne niemand die u ooit ééne arme
+ reke[1] of twee
+ heeft geschonken, schoon gij zingt en immer
+ zongt, alreê
+ ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of
+ nachtegaal,
+ ruim zoo schoone allichte als honigbie- en
+ krekeltaal.
+
+ o Gij dikke, weltevreden, welgezinde
+ snaartrompet,
+ nooit en zag ik of en hoorde ik uwe
+ vlerken, net
+ lijk twee glazen ruitjes, daverende' 't zij
+ late of vroeg,
+ of 't was helder zomerweder, en de
+ zonne loech!
+
+ o Gij aardig dierken, 'k wou dat ik, zoo wel als
+ alle mensch,
+ zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte en
+ wille en wensch,
+ en dat ge ons, al ronken in den mooien
+ zonneschijn,
+ wist den weg te wijzen naar 't gestadig
+ blijde zijn!
+
+VOETNOOT:
+
+1 Regel, schrift of zang.
+
+
+
+
+WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN.
+
+
+ Wat hangt gij daar te praten
+ aan die blomme, o bruine bie;
+ waarop, waaruit, waarover
+ ik u ronken hoore en zie?
+ Gij zijt er met uw' neuze en
+ met uw tonge al ingegaan;
+ gij hebt eraan geroken
+ en van alles aan gedaan,
+ daarom, daarin, daarover,
+ op uw' vlerken alle twee:
+ ik wonder hoe die blomme u
+ laat geworden, zoo ter lee[1]!
+ Och, ware ik in heur' plaatse, ik
+ hiet u varen, en ik sloot
+ zoo seffens al dat werk, al
+ dat geruchte uit mijnen schoot,
+ en 'k...: „Rap, uit mijnen weg en
+ uit mijn zunne, dat ik zie:
+ houdt op, en laat mij werken,
+ of ik strale[2] u!” zei de bie.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Gewillig.
+
+2 Straal = pijl, angel.
+
+
+
+
+ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT.
+
+
+ Als ge naar het kooren luistert,
+ dat nu op- nu nedergaat;
+ daar een' zwepe wind in snuistert,
+ dat de lieve zonne baadt;
+
+ neen, 't en kan geen' snare talen,
+ die zoo zoete om hooren is
+ als 't gerep der roggestalen,
+ als 't geroer van 't kooren is.
+
+ 't Vaart een fijn gelispeld leven
+ deur de toppen, altemaal;
+ daar de diepere stammen beven,
+ deunende als een' dondertaal.
+
+ Hel en duister, lijze en luide,
+ mingelmangelt in de lucht,
+ 't ruischen van de groengekruide,
+ grauwgetopte koorenvrucht.
+
+ Drijft dan maar, gij dunne staven,
+ die den landman 't leven wint;
+ laat de zonne uw' lenden laven
+ zoetjes, en den zomerwind!
+
+ Hei, daar valt er volk te peerde,
+ losgetoomd, in 't veie[1] groen;
+ donker diept het neêr naar de eerde,
+ zoo in zee de schepen doen.
+
+ Volgende elk den andere, varen
+ ze, elk gevolgd, in 't volle veld;
+ 't zonnelicht beglanst de baren
+ van dit rennend rosgeweld.
+
+ Schielijk, in de lucht ontkomen,
+ zijn de ridderen weg: 't en speelt
+ niets meer in de vrije vromen,
+ dat de zware zee verbeeldt.
+
+ Stille is 't nu: de zonne vonkelt
+ deur de wolken, blij en blank;
+ milde lacht het al en monkelt[2],
+ in en om mij, lief en lang.
+
+ Ach! 'k En gave om al het schoone,
+ dat de heldere zonne ziet,
+ –Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,–
+ neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Welig.
+
+2 Glimlacht.
+
+
+
+
+DE WOLKENWEG BEDIJGT.
+
+
+ De wolkenweg bedijgt[1]
+ vol eendlijke[2] oorlogschepen,
+ wier witgezeilde macht
+ de koele westerzwepen
+ des windloops drijven doen,
+ en, in 't gelid zoo zaan[3],
+ den hemel vol, tot in
+ zijn verste diepten, staan.
+
+ De zonne speelt daarin,
+ met honderd duizend monden
+ geschuts; die, scherp gelaên,
+ 't gebuikte lijndoek wonden
+ van 't scheepgevaarte: 't licht
+ en 't duistert, keer om keer;
+ en, schielijk overwolkt,
+ en zie 'k geen zonne meer.
+
+ Gaat 't regenen eindelijk,
+ en, zoo 't de boeren vragen,
+ een' ongetelden oest[4]
+ van goud en zelver vlagen[5]?
+ Gaat 't regenen? Donker is 't,
+ nog donkerder. Med een,
+ daar bliksem' het, en 't buischt
+ een zware dondersteen!
+
+ Het windrad is gekeerd,
+ de hemelwanden breken,
+ en neerstig–vlucht in huis!–
+ zie 'k al de daken leken:
+ God zegent het geweld
+ des hemels, de eerde doomt[6]
+ en davert, van 't geluk
+ dat in heure aderen stroomt.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Bedijgen, bedijen, groeien, worden.
+
+2 Angstig, groot.
+
+3 Dra.
+
+4 Oogst.
+
+5 Het vlaagt = het buit, het is buiig weer.
+
+6 Dampt.
+
+
+
+
+ANDLEIE.[1]
+
+
+ Jordane van mijn hert
+ en aderslag mijns levens,
+ o Leye, o vlaamsche vloed,
+ lijk Vlanderen, onbekend;
+ hoe overmachtigt mij
+ de mate uws vreugdegevens,
+ wanneer ik sta en schouwe,
+ uw' vrijen boord omtrent!
+
+ Hoe vaart gij welgemoed,
+ de malsche meerschen lavend
+ met blijder vruchtbaarheid,
+ te Scheldewaard, en voort
+ ten Oceaan, u, zelf,
+ een' diepe vore gravend,
+ die 't oude en vrije land
+ van Vlanderen toebehoort.
+
+ Wat zijt ge schoone, o Leye,
+ als 't helderblauwe laken
+ der hemeltente wijd
+ en breed is uitgespreid,
+ en dat, uit heuren throon,
+ de felle zunne, aan 't blaken,
+ vertweelingt heur gezichte
+ in uwe blauwigheid!
+
+ Dan leeft het rondom al[2]
+ uw' groengezoomde kanten,
+ aanzijds en heraanzijds,
+ zoo verre ik henenschouw,
+ van lieden, die weêrom,
+ en nu in 't water, planten
+ den overjaarschen bloei
+ van hunnen akkerbouw,
+
+ den bast, die, onlangs, toen
+ hij jong was, jong en schoone,
+ 't gezicht verblijdde, maar
+ één levend legtapijt;
+ die, veel te lichte, eilaas!
+ de blauwe maagdenkroone
+ verloos, en bleef het lieve
+ en jeugdig leven kwijt!
+
+ Het vlas! Nu staat 't gedoopt,
+ Jordane, in uwe lanken,
+ gegord in haveren stroo,
+ dat banden gouds gelijkt;
+ bij duizend duizenden
+ van bonden, die vier planken
+ bewaren, ketenvast
+ en aan den wal gefijkt[3].
+
+ Hoe zucht gij, om weêr uit
+ dit stovend bad te komen;
+ hoe zucht gij, zoo de ziel,
+ de vrome kerstene, doet,
+ die, na gedulde pijn,
+ vol hopen en vol schromen,
+ verlangt het licht te zien
+ dat haar verlossen moet!
+
+ Verdraagt den harden steen[4]
+ nog wat, die, korts nadezen,
+ gelicht, u helpen zal
+ ter vrijheid; en de dood,
+ die u gedwongen hield,
+ zal zelf gedwongen wezen,
+ u latende uit het graf
+ en uit den Leyeschoot.
+
+ Die steen heeft u gedempt,
+ g'ootmoedigd en gedoken,
+ tot dat uw taaie rug,
+ gemurruwd en verzaad,
+ geen' weerstand biên en zou
+ aan hem die u, gebroken,
+ tot lijn[5] hermaken zal
+ en edel vlasgewaad.
+
+ Hoe krielt het wederom,
+ langs al de Leyeboorden,
+ van lieden, half gekleed,
+ die half in 't water staan,
+ en halen, lekende uit,
+ lijk lijken van versmoorden,
+ 't gebonden, zappig vlas,
+ en 't spreidende openslaan!
+
+ 't Verrijst! Het wordt alhier,
+ het wordt aldaar bewogen,
+ gestuikt[6], gekeuveld[7] en
+ gehut. De zonne lacht
+ en speelt in 't droogend schif[8],
+ dat, 't water uitgezogen,
+ heur fijne stralen drinkt
+ en fijndere verruwpracht!
+
+ Wat zie 'k! o Israël,
+ lijk in de bibelprenten,
+ gekleend, den overtocht
+ van 't Abrahamsche diet[9];
+ gesmaldeeld en geschaard,
+ in lijnwaadgrauwe tenten,
+ ontelbaar, zoo 't den dwang
+ van Pharao verliet!
+
+ Beloofde land van God,
+ Jordane, in 't hooge Noorden,
+ hoe schoon 't gelegerd volk,
+ dat, God gehoorzaam, voet
+ en hand te zamen, zwoegt
+ naar uwaard, en de boorden
+ van 't stroomend waterkleed
+ strijdmachtig leven doet!
+
+ Ik hef, lijk Bala'am,
+ mijn woord op, en 'k bezegen
+ den arbeidweerden troost
+ dien 't neerstig Vlanderen vand...!
+ Zij 't immer God getrouw,
+ God dankbaar, God genegen,
+ en weerd de diere kroon
+ die hem de vrijheid spant,
+
+ zoo lang de Leye loopt,
+ zoo lang de velden dragen
+ den taaien lijnwaadoost[10],
+ die op heur boorden groeit;
+ zoo lang 't gestorven vlas
+ herleeft in kant en kragen,
+ en, sneeuwwit op de borst
+ van jonk- en schoonheid bloeit!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Aan de Leie.
+
+2 Aan, langs.
+
+3 Fijke is een stok of ijzeren staaf op den oever, waar de in 't water
+neergelaten vlasbakken aan vastgebonden worden.
+
+4 Die op de volle vlasbakken ligt om het vlas ter roting onder water
+te houden.
+
+5 Gesponnen draad om te weven.
+
+6 Stuiken = korenschoven recht overeind zetten om te drogen.
+
+7 Keuvel = gevelpunt op een dak.
+
+8 Houtbast van 't vlas.
+
+9 Volk.
+
+[10] Oogst.
+
+
+
+
+='T IS STILLE=.
+
+
+ 't Is stille. Rustig ligt
+ en slaapt het altemaal,
+ dat leute en leven was,
+ dat locht- en vogeltaal.
+ Geen windeken en waakt:
+ november houdt den staf,
+ en stelpt dat wekken mocht
+ het eindloos duister graf
+ des aardrijks. Ongebaand
+ en dood zijn weg en straat;
+ de voet alleen verwekt,
+ en 't stappen van die gaat,
+ een doof gerucht in 't loof,
+ dat, afgevallen, plekt
+ den grond, dien 't in een' spree
+ van doodsche varwen dekt.
+ 't Is stille. Gij alleen,
+ o vlugge en vlijtig ding,
+ dat, langs den natten tak
+ geklaverd, uw gepink
+ laat hooren, fijn en snel,
+ ge ontsnapt en snetst alom:
+ „Ik leef nog: piep! Ik leef,
+ spijts 's winters winterdom!”
+
+
+
+
+=DE RAVE=.
+
+
+ Met zwart- en zwaren zwaai aan 't werken door de grauwe,
+ de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;
+ die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,
+ gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt.
+
+ Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in 't zwarte; als kolen,
+ zoo staan heure oogen zwart, in hun' twee zwarte holen
+ te blinken; rouwgewaad en duister doek omvangt
+ het duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.
+
+ Ze is stom! Z'en uit geen woord en 't waaien van heur' slagers
+ en hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragers
+ stilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,
+ en wendt alhier aldaar heur' zwarte ravenvlucht.
+
+ Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat steden
+ zijt gij, met damp en doom[1] en 's winters duisterheden,
+ alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Van
+ wat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]?
+
+ Is ziek- of zuchtigheid, uit 's noordens grauwe landen;
+ is sterfte wederom, is hongersnood op handen?
+ Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;
+ of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?
+
+ Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varen
+ alwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme baren
+ staan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooit
+ noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!
+
+ Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldieren
+ te zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:
+ ja, 's winters, als de snee' heur laken heeft gespreid,
+ nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.
+
+ En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,
+ voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,
+ en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,
+ al in één enkel woord, heur' winterboodschap: „Spaart!”
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Damp.
+
+2 Bode.
+
+
+
+
+=DE TIJD=.
+
+
+ _Tempus non erit amplius._ Apoc. X, 6.
+
+ Verloren is 't gepijnd om aan
+ den tijd, die immer voort moet gaan,
+ een paal te zetten;
+ ja, stelt u maar en schoort u stijf,
+ ge 'n zult, met al uw leên en lijf,
+ zijn' baan beletten.
+
+ Hij lacht met u, en, moegesold,
+ gij vechtend in de vore rolt,
+ daar 't eeuwig varen
+ zijns wilden strooms voorbij u voert,
+ en zegepralend henenroert,
+ zijn' ruwe baren.
+
+ Hij stampt de hooge boomen om,
+ hij buigt den berg zijn' lenden krom,
+ hij springt de banden
+ van staal intween, die vastgedaan,
+ bij stede en stad, hem wederstaan,
+ in alle landen.
+
+ Geen wet en weet hij, noch 't en zal
+ hem dwingen eenig ongeval:
+ geen' legerbenden,
+ geen' wapens, geen geweld van iet
+ dat donderbusse of boge schiet,
+ en kan hem schenden.
+
+ Onraakbaar is hij, vluchtende ooit
+ en vechtende; verderfnis strooit
+ hij op die wilden
+ weêrzetten hem 't zij burgten van
+ orduin[1] gebouwd, 't zij duizend man,
+ 't zij duizend schilden.
+
+ 't En breekt den boozen beul, van al 't
+ geween dat hem te voeten valt,
+ geene enkele smerte,
+ geen Bethlehemsche kinderdood,
+ geen leêggeroofde moederschoot,
+ zijn steenen herte!
+
+ Zoo moet hij varend henengaan,
+ en al dat is aan stukken slaan,
+ tot ander stonden,
+ dat hij ook eens, het licht ontzeid,
+ voor eeuwig hebbe in de eeuwigheid
+ zijn' dood gevonden.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Arduin.
+
+
+
+
+MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS.
+
+
+ Mijn hert is als een blomgewas,
+ dat, opengaande of toegeloken,
+ de stralen van de zonne vangt,
+ of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.
+
+ Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,
+ dat asemt in den dauw des morgens;
+ maar zwakt, des avonds, moe geleefd,
+ vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!
+
+ Mijn hert is als een vrucht, die wast
+ en rijp wordt, in de schauw verholen,
+ aleer de hand des najaars heeft,
+ te vroeg eilaas, den boom bestolen!
+
+ Mijn hert gelijkt de sterre, die
+ verschiet, en aan de hooge wanden
+ des hemels eene sparke strijkt,
+ die, eer 'k heraêm, houdt op van branden!
+
+ Mijn herte slacht den regenboog,
+ die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,
+ welhaast gedaan heeft rood en blauw
+ en groen en geluwe en peersch te schemelen!
+
+ Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,
+ en onstandvastig in 't verblijden;
+ maar, als 't hem wel gaat éénen stond,
+ 't kan dagen lang weêr honger lijden!
+
+
+
+
+ 't Eerste dat mij moeder vragen
+ leerde, in lang verleden dagen,
+ als ik hakkelde, ongeriefd
+ nog van woorden, 't was, te gader
+ bei mijn' handtjes doende: „Vader,
+ geeft me 'en kruisken, als 't u belieft!”
+
+ 'k Heb een kruiske dan gekregen,
+ menig keer, en wierd geslegen
+ op mijn' kake, zacht en zoet...
+ Ach, ge zijt mij, bei te gader,
+ afgestorven, moeder, vader,
+ 't geen mij nu nog leedschap doet!
+
+ Maar, dat kruiske, 't is geschreven
+ diep mij in den kop gebleven,
+ teeken van mijn erfgebied:
+ die den schedel mij aan scherven
+ sloege, en hiete 't kruisken derven,
+ nog en hadd' hij 't kruisken niet!
+
+
+
+
+WINTERMUGGEN.
+
+
+ De wintermuggen zijn
+ aan 't dansen, ommentomme,
+ zoo wit als muldersmeel,
+ zoo wit als molkenblomme[1].
+
+ Ze varen hooge, in 't vloe;
+ ze dalen diepe, in de ebbe;
+ ze weven, heen en weêr,
+ hun' witte winterwebbe.
+
+ Hun' winterwebbe zal,
+ dat lijnwaad zonder vlekken,
+ den zuiverlijken schoot
+ van moeder Aarde dekken.
+
+ Ze ligt in heuren slaap,
+ ze droomt den schuldeloozen,
+ den maagdelijken droom
+ van nieuwe lenteroozen.
+
+ Ze ligt in heuren slaap,
+ ze droomt den wonderbaren,
+ den liefelijken droom
+ van 's zomers harpenaren.
+
+ Ze ligt in heuren droom,
+ ze droomt van overvloed en
+ van voorspoed overal,
+ om vee en volk te voeden.
+
+ 'n Wekt ze niet, 'n laat
+ heur geen geruchte dwingen,
+ om, al te schier ontwekt,
+ uit heuren slaap te springen!
+
+ Daar ligt ze nu en rust:
+ heur zwijgend beddelaken,
+ de wintermuggen spree'n 't,
+ die geen geruchte en maken.
+
+ Ze draaien op en af
+ en af en op en omme,
+ zoo wit als melk, als meel,
+ als molke en runselblomme[2].
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Wrongel.
+
+2 Wrongel.
+
+
+
+
+=WINTERNACHT=.
+
+
+ Hoe zwart staan al de boomen in
+ de witheid, onverwacht,
+ van 't overdadig sneeuwen, dat 't
+ gedaan heeft, van den nacht!
+
+ Ze staan daar, als gekoolzwart en
+ met teekenen geprent,
+ al zwarte en zware staven, op
+ een eindloos pergament.
+
+ Ze 'n roeren noch ze 'n poeren[1] en,
+ bij 't nachtelijk gestraal,
+ men zweren zou dat 't spoken zijn,
+ of reuzen altemaal.
+
+ De sterren staan en bliksemen,
+ als oogen, ongeteld,
+ van boven, uit de koppen van
+ die reuzen vol geweld.
+
+ Ze groeien immer grooter, en
+ de witheid van de snee
+ verzwaart de zwarte stammen. Zich[2]!
+ van een' zoo wordt er twee!
+
+ 'k Versta nu hoe van drollen[3], gij,
+ en droezen[3] hebt gedroomd,
+ wanneer ge, Noordsche heidenen,
+ verkeerdet in 't geboomt.
+
+ Bij 't razen van den winter en
+ bij 't nijpen van den nacht,
+ is de oude, grimme reuzenzegge[4]
+ ontstaan in uw gedacht.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Bewegen.
+
+2 Zie.
+
+3 Nikkers, spoken.
+
+4 Sage.
+
+
+
+
+=ARM HUISGEZIN=.
+
+
+ Onder 't duister dak gedoken,
+ stroo en vodden[1] altegaar,
+ heel onttodderd[2], half gebroken,
+ staat des werkmans woonsteê daar.
+
+ 't Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken,
+ vallen gaat; en daar, deureen,
+ liggen afgerolde brokken
+ bruingebrand al, gruis en steen.
+
+ 't Dak beneden, deur de wanden,
+ glazenloos, van latte en leem
+ zie 'k getelde turven branden,
+ doodsch, in 't deerlijk huisgeheem[4].
+
+ Open ligt het, aller oogen;
+ 't waait erdeure en 't sneeuwt erin;
+ 's zomers zal me' er hitte in doogen,
+ 's winters koude.–Arm huisgezin!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Zoden.
+
+2 Uit de voegen.
+
+3 Kave = schouw.
+
+4 Binnenhuis; heem, heim = huis.
+
+
+
+
+IRREQUIETUM[1]....
+
+
+ Als één verdriet is uitgezucht,
+ er ruimte is, zult ge zeggen,
+ en reden daar, om ééns, toch ééns,
+ het rouwkleed af te leggen!
+ 't En doet! Daar zitten zuchten al
+ volveerdig, neêrgedwongen,
+ en beidende, in de bange borst,
+ die geren henensprongen!
+
+ Ze kwellen en ze pramen u,
+ en baren zult ge, baren,
+ ach! de altijdonvolborentheid
+ des weedoms! De oude jaren
+ en letten 't herontvangen, noch
+ het grootgaan, immer: sterven
+ van droefheid, zult ge, in barensnood,
+ en 't eeuwig–leven–erven!
+
+VOETNOOT:
+
+1 Zonder rust.
+
+
+
+
+=VELUT UMBRA=[1].
+
+
+ Hoe lange al, eer 'k aanschouwen mocht
+ mijn schaduwbeeld! en zonnestralen,
+ door 't scheuren van de ontstelde locht,
+ 't daar schielijk, vóór mij, henenmalen!
+ 'k Verschiete ervan, zoo lange al is 't,
+ dat, zonneken, mijne ooge u mist.
+
+ 'k Gevoel 't zoo veerdig–: ommentom,
+ dien eersten blik van liefde, 't wezen
+ en 't uitzien van heel 't scheps'lendom,
+ gedeluwd[2] en ontziend[3] voordezen,
+ doet werkzaam, in den zonneschijn,
+ heropgestaan en wakker zijn.
+
+ De witte muur, het roode dak,
+ de grauwe baan, de zwarte moude[4],
+ het groene gers[5], de bruine tak,
+ 't is al alsof 't herleven zoude
+ in 't licht, dat 't moede en 't doove, van
+ dat verruwloos is, verwen kan.
+
+ Een enkel scheurke in 't wolkgewand,
+ en 'k sta daar, vóór mij, heengeschreven,
+ van boven tot beneên, in 't zand
+ vertweelingd, in 't geweld te leven
+ des zonnelichts!... Och arme, 't sluit,
+ weêr toe: mijn beeld is,–al is uit!
+
+ Zoo gaat het, Heer des levens: al
+ zoo lange ik, in den hoogen throone,
+ U zelven eerst niet zien en zal,
+ den nu nog onaanschouwbaar schoone,
+ zoo lang zal licht en zonneschijn
+ me, en 't leven ook, een schaduw zijn!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Als een schaduw.
+
+2 Loodverwig.
+
+3 Onschoon.
+
+4 Aarde.
+
+5 Gras.
+
+
+
+
+=ABEELEN=.
+
+
+ Verschgevelde abeelenboomen
+ liggen langs de grachten heen,
+ die den ouden zandweg zoomen,
+ hoofd en armen afgesneên.
+
+ Sterke stammen, kon dat wezen,
+ gij, die, op en in den grond,
+ met uw' voeten vastgevezen[1],
+ vamen diepe, ondelgbaar, stondt?
+
+ Gij, die 't zwaar geweld der winden,
+ kreunende, op uw kruinen droegt;
+ die zoo lang den boosgezinden
+ wintervijand wedersloegt?
+
+ 't Edel hoofd intweengespleten,
+ knoken in den grond geboord,
+ wie heeft 't al u afgebeten,
+ dat uw' schoonheid toebehoort?
+
+ Spillen zie 'k, en spanen, dragen;
+ splenters, uit uw hoofdgewaai;
+ takken uit uw' toppen zagen,
+ kerven af uw' teenen taai!
+
+ Elk komt uit en wondt en snijdt u:
+ raapt en rooft, met volle hand;
+ nu dat, omme en verre en wijd, uw
+ hooge kroone ligt in 't zand.
+
+ Vijandschap, aan alle zijden,
+ woedt om uwe ellendigheid:
+ heeft u ooit, in vroeger tijden,
+ vrede en vriendschap één ontzeid?
+
+ Edel volk, wanneer gij wachttet,
+ langs den weg, en schaduw smeet
+ op die, moegegaan, versmachtte 't
+ zonnevier, was 't iemand leed?
+
+ Iemand leed! Ach, laat mij weten
+ wie dat 't is, die, afgemat,
+ heeft ondankbaar neêrgezeten,
+ in de schaduw! Leert mij dat!
+
+ Meermaals mocht ik asem halen,
+ vluchten onder 't groene dak,
+ als het zweerd der zonnestralen
+ scherp mij in de lenden stak.
+
+ Boomen, in uw' looverlane,
+ tellende, een voor een, u al,
+ 's zomers, zoete abeelenbane,
+ zelden ik nog komen zal!
+
+ 't Deert mij zoo!–De abeelenboomen
+ liggen langs de grachten heen,
+ die den ouden zandweg zoomen,
+ hals en handen afgesneên!
+
+VOETNOOT:
+
+1 Vijzen = schroeven.
+
+
+
+
+=LENTEGROEN=.
+
+
+ 't Is lentegroen genoeg,
+ voor honderdduizend oogen;
+ eilaas, 'k en hebbe er ik,
+ o grondig groene zee,
+ maar twee:
+ wie kander moedeloos,
+ den dwang mij doen gedoogen
+ van 't geen mij tegenhoudt
+ nen tocht in al dat groen
+ te doen?
+
+ Gij vlerkendragend volk,
+ gij allerhand gezwinde
+ doorvliegers van de lucht,
+ de lieve lente lacht
+ zoo zacht;
+ en gij, gij vliegt haar in
+ 't gemoet, bij lork en linde,
+ in 't nieuwgeboren gers[1],
+ in 't onkruid en in 't riet:
+ ik niet!
+
+ Gij bietjes ongeteld,
+ gij tienmaalhonderdduizend
+ in 't rood, in 't geel, in 't blauw
+ gepinte[2] pepels[3], haait
+ en draait
+ en drentelt, op en neêr,
+ eer 't zonnelicht, verhuizend
+ van hier, u, 't lieve groen,
+ en mij, de moede nacht
+ ontkracht!
+
+ o Grondig, groene zee,
+ 'k ben visschende op de baren
+ van uwe oneindigheid
+ van groen, en mijn gewin
+ daarin
+ verheugt mijn arem herte:
+ om 't gene ik late varen,
+ om 't gene ik vangen kan,
+ en.... God gebenedijd
+ mij zijt!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Gras.
+
+2 Getooid.
+
+3 Vlinder.
+
+
+
+
+=VOGELZANG=.
+
+
+ Ik hoore 't, gij vogelkens,
+ luide genoeg
+ herhaalt en herhaalt gij
+ uw' spraken;
+ maar, hoe ik mijn beste doe,
+ spade ende vroeg,
+ 'k en wete er geen zin van
+ te maken.
+
+ Verstaat gij malkanderen,
+ elk in zijn' taal?
+ Verstaat, gij die meest en
+ die merelt,
+ die lijstert, die leeuwerkt, die
+ muscht, altemaal
+ uw maagschap, tot tenden
+ de wereld?
+
+ Geen slagers en kenne ik, zoo
+ dapper als... ei!
+ die, slaande uwen klank uit
+ der kelen,
+ komt vinken en klinken hier,
+ vroeg in de mei,
+ en zitten en zingen
+ en spelen.
+
+ Ge 'n hebt me noch dit, in uw'
+ zangen, gedwaald;
+ noch dat, in uw zingen,
+ vergeten;
+ gelijk is het altijd, al
+ 't gene gij taalt,
+ gewikt en gemikt en
+ gemeten.
+
+ Zoo zongen uwe ouders, zoo
+ gij ook, nadien;
+ en, na u, zoo zingen
+ uw' jongen;
+ hebbe ievers ik nachtegaals-
+ zonen gezien,
+ 't was nachtegaalszang, dat
+ zij zongen.
+
+ Dan–alles van buiten weet ge:
+ al dat gij zingt
+ en zurkelt en zabbert;
+ 't zit even
+ zoo net in zijn' haken en
+ oogen, mij dinkt,
+ of ware 't met inte[1]
+ geschreven.
+
+ Daar leerde toch iemand u 't
+ liedergeluid
+ naar maten en wetten
+ bedwingen;
+ nu heffen, nu leggen: dan
+ in en dan uit,
+ van 't hoogere in 't leege
+ verspringen!
+
+ Geen scholen en wete ik, daar,
+ lastig en lang,
+ gij zaat, om uw' lessen
+ te leeren,
+ zoo menschen dat moeten, die
+ spel en gezang
+ betalende menschen
+ vereeren!
+
+ Gods werken, zijt wonder: ik
+ wille u verstaan,
+ doch, helder en wordt het...!
+ Geraden
+ en kan ik het raadsel, hoe
+ Hij heeft gedaan,
+ de Godlijke Dader,
+ zijn' daden!
+
+VOETNOOT:
+
+1 Inkt.
+
+
+
+
+=ZONNEWENDE=.
+
+
+ Een blomken heb ik staan, nabij
+ me, in de oude boekenzale,
+ dat altijd, naar den dag toe, keert
+ zijn' blaârkes, altemale;
+ het wenden mag ik zus of zoo,
+ dat ik begere volgt het noo,
+ en 't zoekt, weerom naar mij gericht,
+ nog altijd liever 't zonnelicht!
+
+ Och, ware ik als dat blomken is,
+ in al mijn doen en laten,
+ mijn zorgen, mijn bekommernis,
+ in huis en achter straten:
+ 't zij wat men doet of niet en doet,
+ 't zij wat ik immer lijden moet,
+ naar u, met herte en ziel, gericht,
+ o alverzettend zonnelicht!
+
+ 't Is duister nu en zwaar, te mets[1],
+ omtrent mij: oude kwalen
+ en nieuwe, doen, van zielgekwets,
+ mij moe zijn, menigmalen,
+ tot dat, o God, naar U gewend,
+ mijn' duisterheid den dag erkent,
+ en ziende U, met mijne oogen dicht,
+ ik asem hale, in 't zonnelicht.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Somwijlen.
+
+
+
+
+BONTE ABEELEN.
+
+
+ Wit als watte, en teenegader
+ groen, is 't bonte abeelgeblader.
+
+ Wakker, als een wekkerspel,
+ wikkelwakkelwaait het snel.
+
+ Groen vanboven is 't en, zonder
+ minke[1], wit als melk, vanonder.
+
+ Onstandvastig volgt het, gansch,
+ 't onstandvastig windgedans.
+
+ Wisselbeurtig, op en neder,
+ slaat het, als een' vogelveder:
+
+ Wit en grauw, zoo, dóór de lucht,
+ „bonte-abeelt” de duivenvlucht.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Iets dat ontbreekt, vlek.
+
+
+
+
+DE BLEEKERSGAST.
+
+
+ 't Ververscht mij, in 't geweld gestaan
+ der hooge zonnekrachten,
+ te zien van verre, aan 't water slaan,
+ vuls arems, uit de grachten,
+ den bleekersgast: de regenvloed
+ 't geleschte lijnwaad ronken doet.
+
+ Den lepel zwaait hij, zwak van leên,
+ ter beken uit, omhooge;
+ en waken doet, hoe verre heen
+ hij werpen kan, zijne ooge:
+ de laatste lage en mist hij niet,
+ en al dat drooge is nat hij giet.
+
+ De groote zonne lacht daarop
+ heure alderliefste lonken;
+ die, vallende in den dreupeldrop,
+ den dreupeldrop ontvonken:
+ ik regenbogen, smal van bouw,
+ nu hier nu daar, in 't gers[1], aanschouw.
+
+ Het lijnwaad is, en 't gers, nu nat
+ genoeg; de lanen leken;
+ en wederom zijn spegelglad
+ van aanschijn al de beken;
+ de bleeker zit en droogt entwaar[2]
+ de peerlen uit zijn kroezelhaar.
+
+ Verzachten doet dat regenbeeld
+ 't geweld der heete stralen,
+ en lichter in de longer[3] speelt
+ voortaan mij 't asemhalen:
+ zij vrede aan al die 't schoone van
+ Gods wonderheên beseffen kan!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Gras.
+
+2 Ergens.
+
+3 Long.
+
+
+
+
+=RIJMRAM=.
+
+
+ Daar viel mij in 't gedacht entwat,
+ dat, al te onveerdig opgevat,
+ verloren liep; en, mondgemeens,
+ en zal 't noch ik, noch iemand eens
+ genieten.
+
+ Het deert mij danig! Ei! 't en doet;
+ en heel en is en al, voor goed,
+ dat ongedicht gedachtje, dat
+ was al te onveerdig opgevat,
+ te nieten.
+
+ Het leeft entwaar[1] entwat dervan,
+ dat visschende ik nog vangen kan,
+ wellicht; en, eens in 't net, wie is 't,
+ genaan[2]! die mij den visch ontvischt,
+ en 't garen?
+
+ Mij rijmvast en, van stonden aan,
+ zal 't stijf en sterk in staven staan,
+ nu, mondgemeen, het onverwacht
+ gedacht gedicht, gedicht gedacht,
+ nog jaren.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Ergens.
+
+2 Wat weerga!
+
+
+
+
+=TWEE HORSEN=.
+
+
+ Ze stappen, hun' bellen al klinken,
+ de vrome twee horsen te gaar;
+ ze zwoegen, ze zweeten; en blinken
+ doet 't blonde gelijm[1] van hun haar.
+
+ Ze stappen, ze stenen, ze stijven
+ de stringen; en 't ronde gareel,
+ het spant op hun' spannende lijven:
+ de voerman beweegt ze aan een zeel.
+
+ De wagen komt achter. De rossen,
+ gelaten in 't lastig geluid
+ der schokkende, bokkende[2] bossen[3],
+ gaan, stille en gestadig, vooruit.
+
+ Geen zwepe en behoort er te zinken,
+ geen snoer en genaakt er één haar:
+ zoo stappen, hun' bellen al klinken,
+ de vrome twee horsen, te gaâr.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Geblink.
+
+2 Stooten.
+
+3 Naaf.
+
+
+
+
+=HET KLOKGEBED=.
+
+
+ Hoe helder klinkt
+ de klokkentaal
+ ten torren uit:
+ tot negenmaal
+ herhaalt, herhaalt
+ de klepel, op
+ den rooden boord,
+ zijn beêgeklop!
+
+ De landman laat
+ zijn' rossen staan:
+ naar huis zal hij,
+ en rusten, gaan!
+ maar, eer hij stap
+ van stede zet,
+ zoo bidt hij nog
+ zijn klokgebed.
+
+ Een engel naar
+ Maria kwam:
+ de boodschap hij
+ van 't Boetelam
+ had medebracht:
+ en negenmaal
+ begroet haar nu
+ de klokkentaal.
+
+ Gods eeuwig Woord
+ het licht verliet
+ des hemels, en
+ Maria hiet
+ het moeder zijn
+ van Hem die, aan
+ den boom, voor ons
+ heeft boete ontvaân[1].
+
+ De landman, na
+ den laatsten klop,
+ van bidden houdt,
+ van werken, op;
+ zijn' rossen staan
+ op stal weerom,
+ en moeder wenscht
+ hem willekom.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Ontvangen.
+
+
+
+
+=SCHOONHEID=.
+
+
+ Hoe schoon zijn de ongekunstenaarde
+ boomen, die
+ 'k, erkenbaar uit elkander, in den
+ hemel zie
+ geschoten staan, en dragende elk een
+ beeltenis,
+ daar 't werken van Gods hand nog aan te
+ vinden is!
+
+ Hoe schoon is, ongeschonden, in de
+ zonnenkracht,
+ 't wijduitgespreide bouwsel van de
+ boomenpracht,
+ ten toppen uit gedreven, en, van
+ dracht, alzoo 't
+ de Schepper eerst, beminnende, uit zijn
+ handen goot!
+
+ Het was alzoo geschapen en, van
+ God gemaakt:
+ waarom en laat ge 't, mensch, door u niet
+ aangeraakt,
+ geworden, 't onverbeterbare en
+ 't schoonste van
+ de schoonheid, daar geen menschenhand ooit
+ aan en kan?
+
+
+
+
+=DE DAKPANNEN=.
+
+
+ De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon,
+ schuren bedekkende en boeien[1],
+ laat er de zonne, van uit heuren throon,
+ vierige vonken op gloeien.
+
+ Duister, zoo waren ze, een wijle geleên,
+ vunzig, oneffen bedegen[2]:
+ deerlijk ontodderd[3] en schamel, beneên
+ 't vochtig gezijp van den regen.
+
+ Blijde nu blinken ze, in 't zadgroene veld;
+ schuren bedekkende en boeien:
+ 'k zie mij zoo geren, in 't zonnengeweld,
+ de oude roo dakpannen bloeien.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Schuurtje.
+
+2 Geworden.
+
+3 Uit de voegen.
+
+
+
+
+=TERUG=.
+
+
+ Scheef is de poorte van
+ oudheid, geweken:
+ zaâlrugde[1] 't dak van
+ de schure; overal
+ stroo op de zwepingen[2]
+ zit er gesteken;
+ vodden beveursten[3] het
+ huis en den stal.
+
+ Boven die vodden zijn
+ blommen gesprongen;
+ onder die vodden zit
+ volk en gezin;
+ blommen van vrede, zoo
+ ouden, zoo jongen,
+ blommen van buiten en
+ blommen van bin.
+
+ Daar is 't, dat moeder zat;
+ daar is 't, dat vader
+ vond die hem arbeid en
+ herte bracht; daar
+ knielden wij, kinderen,
+ handen te gader,
+ baden wij, kleenen en
+ grooten, te gaâr.
+
+ Daar is de schippe nog,
+ daar is de tange;
+ 't ovenbuur[4] staat daar, zoo
+ 't vroeger daar stond;
+ 't hondekot staat daar, en...
+ –'t is al zoo lange!–
+ Hoe is de naam van dien
+ anderen hond?
+
+ Ach, hoe verheugen mij,
+ ach, hoe verheffen
+ de oudere dagen mijn
+ diepste gemoed!
+ Is er wel iemand, die 't
+ ooit kon beseffen
+ wat gij, oud hof, mij nu
+ zegt, mij nu doet?
+
+ Zalige lieden, al
+ te arglooze menschen,
+ weinig begeerdet gij,
+ groot was uw hert!
+ –Kon het maar helpen, met
+ weenen en wenschen,
+ weêr ate ik roggenbrood,
+ naast u aan 't berd[5]!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Met een rug als een zadel.
+
+2 Dwarshout tot koppeling van de kapgebinten.
+
+3 Zoden vormen de dakvorst.
+
+4 Ovenhuis.
+
+5 Tafel.
+
+
+
+
+HET GETOUWE.
+
+
+ En mocht ik maar
+ twee zielen hebben,
+ 'n mocht ik maar
+ twee menschen zijn,
+ 'k zou weven mij
+ tweêrhande webben:
+ een' webbe groef,
+ een webbe fijn.
+
+ Een webbe zou 'k,
+ van zonne en zijde,
+ mij weven, en
+ van goudgespin;
+ met boomen en
+ met blaren, blijde,
+ met meer als een
+ schoon blomken in.
+
+ Mijn ander' webbe,
+ en tweede leven,
+ 'n liet ik maar,
+ onaangemoeid,
+ geschoren zijn,
+ getouwd, geweven,
+ zoo 't in en deur
+ 't getouwe vloeit!
+
+ Doch neen: ik zal,
+ van ziele en lijve,
+ de wever van
+ één webbe zijn,
+ zoo lange 'k in
+ dit leven blijve,
+ van zuur en zoet,
+ van groef en fijn.
+
+ Den inslag en
+ den drom[1] van 't leven,
+ van goed, heeft God,
+ en kwaad gespin,
+ van zijde en wolle
+ en werk gegeven,
+ met hier en daar
+ een blomken in.
+
+ En, zittende op
+ mijn krank getrouwe,
+ zoo weve en werke
+ ik, dag en nacht,
+ aanziende, vol
+ goe hope en rouwe,
+ den Heere, die
+ mijn werk verwacht.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Schering.
+
+
+
+
+=WIEROOK=.
+
+
+ Thus ardens in igne.
+
+ o Wierookgraan,
+ geronnen traan
+ van ceder- en van lorkenstammen,
+ gebedenbeeld,
+ daar 't vier in speelt,
+ en 't vonkelen van 's herten vlammen.
+
+ Geen gave van
+ fijn goud en kan
+ mijn hand den Heer, geen myrrha bieden,
+ maar wierook zal,
+ en overal
+ en allen dag, Hem dank bedieden.
+
+ o Wierookgraan,
+ in 't vier gedaan,
+ en rookende uit mijns herten midden,
+ van aardsch en grauw
+ wordt hemelsch blauw:
+ gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden.
+
+
+
+
+O HEEMELIJKE DIEPTEN...
+
+
+ o Heemelijke diepten van
+ 't vol schaduw hangend boschgebied:
+ vol schaduwe en vol duisterheid,
+ vol nacht en dauw, dooreengespreid!
+
+ 't Is morgen, en de zonne berst
+ alhier, aldaar, ontembaar, uit
+ den nachtelijken moederschoot:
+ „Hier ben ik!” roept de zonne groot.
+
+ „Hier ben ik!” En, ze doet den dauw,
+ in 't veld, en al dat vochtig is,
+ verdampen. Deur de glazen valt
+ ze in 't huisgezin:–ontwekken zal 't!
+
+ 't Is licht alom: 't is leven al,
+ dat 't zonnebeeld aanschouwde: alleen,
+ daar diepe, in 't eenzaam boschgebied,
+ en zie 'k, o schoone zonne, u niet.
+
+ 't Is duister, en 't is nacht daar nog;
+ met hier en daar een' gulpe of twee,
+ daar 't groen wordt, uit der grouwbaarheid...
+ 'k en weet niet hoe 't nen naam gezeid!
+
+ De zonne grijpt al vaster nu
+ de trappen aan des luchtgebouws:
+ ter zege vaart ze, hooge en blij;
+ geen boom die heur weêrbarstig zij!
+
+ Zij giet, dat elk het merken mag,
+ bij geuten, vier en werkzaamheid
+ den bossche in: dweersche balken gaan,
+ vol speitend licht, den bodem slaan.
+
+ Het mosch, het loof, het blinkend hout,
+ de takken zware of lijze, loopt
+ zij lustig laven:–heerlijk is
+ verwonnen weêr de duisternis.
+
+ Verwonnen zij de dood, en al
+ dat duisternisse of boosheid heet,
+ door 't Licht van U, die, tallertijd
+ verwinnende, onverwonnen zijt!
+
+
+
+
+='T GROEIT=.
+
+
+ 't Groeit overal entwat:
+ tot op de blauwe schorren[1],
+ maalt, onbemerkt, het mos,
+ bij kleene kleene porren[2],
+ zijn platte penningen,
+ die, groene en grauw gedaan,
+ of geluw, op 't gelent[3]
+ van de oude bruggen staan.
+
+ De zonne valt daarop,
+ de regen valt daaroppe;
+ ze groeien zijwaards uit,
+ ze zetten, doppe, doppe,
+ een dopken hier en daar,
+ dat, zoo en zus geleid,
+ aan elke schorre geeft
+ heur' schoone uitwendigheid.
+
+ Gaat, kijkt ernaar entwie[4],
+ die oogen heeft, en staat er
+ een stonde wijlend bij,
+ daar zunne valt en water;
+ en toogt mij dan tapijt,
+ of legwerk, of 't zij wat,
+ dat kunstiger gewrocht,
+ en schoonder, is als dat!
+
+ Laat mieren nu daarbij,
+ daarin, daaroverhenen,
+ of muggen reppen hun'
+ 't zij hooge of leege schenen;
+ laat vlerken, hel als glas,
+ vol regenboogsch gepraal,
+ daarbij zijn, ach, hoe schoon,
+ hoe lief is 't altemaal!
+
+ 't Leeft overal entwat:
+ 't zij op, 't zij onder 't vloeien
+ der waters; op de veurst[5]
+ gezaaide blommen bloeien;
+ de pannen, levenloos
+ 'n zijn zij; noch in 't stroo
+ van 't schamel dak en weunt
+ het schamel blomke noo.
+
+ 't Zijn spalten in den wand,
+ 't zijn gerren[6] in de pelen[7]
+ der boomen, daar hun spel
+ de varentjes in spelen,
+ die, boom- en wortelvast,
+ nog tieren in den schoot,
+ die, jaren leên, is hout-
+ en stam- en worteldood.
+
+ Geen moes[8] en gaat te kwist,
+ geen veite[9], entwaar, bedorven,
+ of 't leven kruipt erin
+ terug, al is 't gestorven;
+ geen hout en is zoo voos,
+ geen mesch[10], of, stap aan stee,
+ zit wulvenkaas[11] erop,
+ met paddenstoelen meê.
+
+ Waar is, van Leye tot
+ aan Schelde, aan zee, in zande,
+ op huis, op stake, entwaar
+ een plekke, in onzen lande,
+ daar niemendalle en leeft,
+ van blommen of van blad,
+ dat lief is? Overal,
+ 't groeit overal entwat.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Arduinen vloersteen.
+
+2 Wrat.
+
+3 Borstwering.
+
+4 Iemand.
+
+5 Dakvorst.
+
+6 Spleet.
+
+7 Pel, schors.
+
+8 Van overrijpe, rottende vruchten.
+
+9 Het een of ander dat verrot is of vergaan, waaruit nieuw welig leven
+kan opschieten; vei = vet, sappig, groeizaam, vruchtbaar.
+
+10 Mest.
+
+11 Slijmzwam.
+
+
+
+
+NAJAARSVERWEN.
+
+
+ Schilderschoon, zoo zijn de verven
+ van de blâren, die, aan 't sterven,
+ 's najaars, op de boomen staan,
+ schouwt de lieve zonne ze aan.
+
+ Groen, wat moet gij heldere vlagen
+ lichts in uwer lenden dragen,
+ dat gij, tanende ende ontaard,
+ toch zoo schoone verwen baart!
+
+ Groen, gij zijt me een eêl aanschouwen,
+ als ge, op de aarde wijd ontvouwen,
+ leven biedt aan volk en vee,
+ zegen giet op wald en wee!
+
+ Groen, gij sterkt mij dan, en vinden
+ doen mij locht, de groene linden;
+ maar, uw bloeloos bont gerief
+ is mij, 's najaars, nóg zoo lief.
+
+ 's Voorjaars zingt het al te prachtig,
+ al te menig, al te machtig
+ groen, te oneindig luide een lied:
+ maar het groen dat weggaat niet.
+
+ Ei, hoe orgelt dan, hoe kwedelt,
+ harpt en zingezangt en vedelt
+ mij dat henenstervend... neen,
+ henenlevend–loofgeween!
+
+
+
+
+NIEMANDSVRIEND.
+
+
+ Ge 'n weet niet, die, in stad gewend
+ te wonen, maar Gods koorne en kent,
+ wanneer het, brood bedegen[1],
+ en voedzaam, u wordt voorgeleid,
+ hoe heerlijk is de uitwendigheid
+ van 't groene, langs de wegen.
+
+ Van 't groen, dat hooge en leege groeit;
+ van 't groen, dat in de weiden bloeit;
+ van vogelvitse[2] en krokke;
+ van wegbree, murke en roozewied;
+ van onderhave en retse[2] en riet,
+ van distel en van dokke[3].
+
+ Ach distel, ik en kende maar
+ van zeggenswege uw streuvelhaar[4];
+ ik liet mij, van die 't zeiden,
+ verwittigd zijn, in 't akkerland,
+ dat ge overal de kroone spant,
+ om onraad uit te breiden.
+
+ 'k En kende u niet en, bovendien,
+ 'k en zocht u van nabij te zien,
+ voorwaar, noch aan te roeren,
+ zoodanig is de rake[5] omtrent
+ uw kwaadheid, overal bekend
+ en ruchtbaar, bij de boeren.
+
+ Men scheldt dat ge, iedereen ontvriend,
+ tot voedsel van den ezel dient;
+ men schuwt uw' scherpe bladen;
+ doch, hij en scheldt onnut u niet,
+ die 't schoone in al Gods werken ziet,
+ en 't goede zoekt te raden.
+
+ Men scheldt... of, erger nog, men hoort,
+ van wetswege, en bij koningswoord,
+ gebannen en geboden,
+ dat 't distelvolk men, een en al,
+ te zeisene en te spade, zal
+ verdoen, en de eerde uit roden.
+
+ Bermhertigheid voor 't schamel wied,
+ eilaas, dat ge al te ongeren ziet:
+ aanschouwt hoe 't, ja, de steenen,
+ de vuile brokken, daar 't geweld
+ der steêlie'n meê den buiten kwelt,
+ komt zedig groen verleenen.
+
+ Aanschouwt, op elken staf, hoe lief
+ elk distel hoofd zijn' blommen hief,
+ geheel of half maar open;
+ hoe net, van niemand aangeraakt,
+ een' krage om elke blomme blaakt,
+ vol verschen dauw gedropen.
+
+ Aanschouwt hoe 't schubbig distelhaar
+ omspannen hangt, vol Godssamaar[6],
+ vol kobbenetsche[7] kanten;
+ die roeren in den zonnenlaai,
+ die blinken in elk windgewaai,
+ vol stof van diamanten.
+
+ Hoe 't wikkelachtig witje wipt,
+ alhier, aldaar, verlekkerlipt
+ om 't zijne, uit al de bloeien,
+ te ontsnoepen aan de krabben[8] bie'n,
+ die 't, nijdig, elken distel zien
+ bezoekend henenspoeien.
+
+ 'k En rieke, alwaar men lieflijkheid
+ van zalvende olie toebereidt,
+ geen' aangenamer' roken
+ als die, des zomers, vroeg en laat,
+ daar 't distelt en vol blommen staat,
+ de distelblommen stoken.
+
+ Aanschouwt, op de oude toppen, hoe 't
+ gevlugde zaad omhooge woedt,
+ en waait voor alle winden,
+ om ievers, daar 't geen ziele en zag,
+ den vrijen hergeboortedag,
+ onsterflijk, weêr te vinden.
+
+ Zoo leeft gij, distels immer voort,
+ van wetswege en bij koningswoord
+ verboden en gebannen;
+ en, schoon zij, om uw schamel zaad
+ te worgen daar 't gewonnen staat,
+ zoo lange al samenspannen.
+
+ 't En zal, verdiend of onverdiend,
+ 't en zal u, distel, niemandsvriend,
+ minachtend ooit versmaden,
+ dit Vlamingshert, dat, 't baten niet,
+ maar 't schoone in al Gods werken ziet,
+ en 't goede zoekt te raden.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Geworden.
+
+2 Vogelwikke, ruige wikke, weegbree, gewone muur, klaproos, hondsdraf,
+perzikkruid.
+
+3 Wilde zuring.
+
+4 Verwarreld opstaand haar.
+
+5 Roep.
+
+6 Zomerdraad.
+
+7 Kobbe = spin.
+
+8 Zwerm.
+
+
+
+
+=CASSELKOEIEN=.
+
+
+ Aanschouwt mij, hier en daar,
+ die bende Casselkoeien;
+ die, louter bruin van haar,
+ als zooveel blommen bloeien,
+ in 't gers[1] en in de zon, die, zinkend henentiet[2]:
+ die, rood, het roode veld vol roode vonken giet.
+
+ 't Is prachtig overal,
+ 't is prachtig, hoe de huiden
+ dier koeien liefgetal[3]
+ van vouwe en verwen luiden;
+ 't is prachtig hoe ze staan, gebeiteld en gesneên,
+ lijk beelden, over heel die wijde weide heen.
+
+ Daar zijnder, roode als vier;
+ castanjebruin geboende[4];
+ naar donkerbaaide[5] bier,
+ naar bijkans zwart bier doende:
+ beglinsterd en beglansd; van vel en verwigheid,
+ gelijk en ongelijk,–terwijl de zonne beidt.
+
+ Al langzaam langer speelt,
+ dwersdeur de weidegronden,
+ 't zij welker koe een beeld
+ van schaduw bijgebonden;
+ en, wangedrochtig groot, in 't donker gers, voortaan,
+ zie 'k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.
+
+ Goên nacht! De zonne beet[6]
+ ten neste neêr: tot morgen
+ is al dat verwe heet,
+ en oogen aast, verborgen:
+ de koeien zijn voorbij, gedelgd en uitgedoofd,
+ en... morgen weêr, ontwekt ze 't blinkend zonnehoofd.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Gras.
+
+2 Henentijgt.
+
+3 Lieftallig.
+
+4 Gevlekt.
+
+5 Roodbruin.
+
+6 Daalt.
+
+
+
+
+=TRANEN=.
+
+
+ 't Is nevelkoud,
+ en, 's halfvoornoens, nog
+ duister in de lanen;
+ de boomen, die 'k
+ nog nauwlijks zien kan,
+ weenen dikke tranen.
+
+ 't En regent niet,
+ maar 't zeevert[1]... van die
+ fijngezichte[2], natte
+ schiervatbaarheid,
+ die stof gelijkt, en
+ wolke en wulle en watte.
+
+ 't Is aschgrauw al,
+ beneên, omhooge, in
+ 't veld en langs de lanen:
+ de boomen, die 'k
+ nog nauwlijks zien kan,
+ weenen dikke tranen.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Zeeveren = kwijlen, motregenen.
+
+2 Fijngezift.
+
+
+
+
+SCHOONE NACHT.
+
+
+ Wolken, 't zijn... lijk sperreboomen,
+ uitgespreid, alhier aldaar,
+ staan, ten oosten heen, de zoomen
+ vol, van 's menschen woonsteê. 't Jaar
+ wendt te zomerwaard zijn schreden,
+ nacht aan 't worden is 't, en heden
+ helder was 't een dag, voorwaar.
+
+ Tusschen 't sperreboomsch geveder,
+ 't donkerzwarte, zie 'k het zwerk
+ duisterblauw nog, hier end weder,
+ ieder stonde minder sterk:
+ ieder stonde, en, dóór den donker,
+ scherper wordt het scherp geflonker
+ van één sterre, in 't wolkgevlerk.
+
+ 'k Zieder twee, drie, vier, vijf, zesse,
+ die, elkander nagespoed,
+ tusschen hier en daar een stresse[1],
+ gaandeweg, mijne ooge ontmoet
+ in de wolken; die maar droomen
+ meer en zijn van sperreboomen:
+ nacht en donker is 't voor goed.
+
+ o Alleen nu zichtbaar schoone
+ woonsteê, van geen' menschen, neen
+ maar van God, die in den throone
+ zijner hoogheid heerscht alleen:
+ schoone nacht, die 't menschdom duistert,
+ die van God en sterren fluistert...
+ zoeter zicht en zag ik–geen!
+
+VOETNOOT:
+
+1 IJle wolkstreep. Stresse = 'n bosje draden, halmen of haren.
+
+
+
+
+=AVONDROOD=.
+
+
+ Nog nauwlijks is het groen
+ der boomen groene, en even
+ zijn, toppewaards, alleen
+ de takken groen gebleven;
+ al 't ander zwarter wordt
+ en zwarter: boomen net,
+ van zwarte zijde zijn 't,
+ op blauw satijn gezet.
+
+ 't Leeft alles langzaam uit,
+ dat verwe is: henen dalen
+ de laatste en langste van
+ de lieve zonnestralen;
+ 't wordt watergroene, omhooge;
+ omleege, brandt en broeit
+ de groote zonne nog,
+ die zinkt en grooter groeit.
+
+ Ze duikt heur aangezicht
+ beneên des werelds neggen[1],
+ die, eindloos, slinks en rechts,
+ hun lange lijsten leggen;
+ die 'k opwaardstriemen, die 'k
+ een' wolke twee of drie
+ den zonnezienden kant
+ geheel vergulden zie.
+
+ In 't heerlijk zonnenveld,
+ dat donker wordt omhooge,
+ en langzaam donkerder
+ en dieper, staan ten tooge[2],
+ geschreven, zwart op goud,
+ een bende reuzen groot:
+ het eindloos boomenvolk,
+ in 't eindloos avondrood.
+
+ Beziet mij haastig nu
+ die schoonheid! Neder nijgen
+ de duisternissen: 't veld,
+ het vee, de vogels zwijgen;
+ het nauwt, in 't westen; nog
+ een tijdtje, en, doodgedaan,
+ zal al die heerlijkheid
+ gedekt en donker staan.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Boord, kim.
+
+2 Ten toon.
+
+
+
+
+=FIAT LUX=[1].
+
+
+ 't Smoort, het smuikt, het smokkelwedert[2]
+ allentheen! Waar zijn ze thans,
+ waar de boomen, waar de huizen,
+ waar de wereld, heel en gansch?
+
+ Handen uit! Wat is 't? Wat hapert
+ er, genoot, dien 'k niet en zie;
+ die „goendag!” mij, uit den nevel,
+ roept, van hier nen stap of drie?
+
+ Van den hoogen torre en blijft er
+ speur! Wat uur, hoe late is 't wel,
+ aan den tijd? De zonne en zie 'k niet:
+ slaapt of waakt het wekkerspel?
+
+ Hier en daar een' plekke boenend,
+ zit de zonne in 't duister veld;
+ rood, gelijk een oud versleten
+ stuk ongangbaar kopergeld.
+
+ Wind, waar zijt gij heengeloopen?
+ Ligt ge, of ievers doodgekeid,
+ neêrgevallen, plat ter aarde?
+ Wind, waar is uw' roerbaarheid?
+
+ Op! Hervat uw' vluggen bezem,
+ vaagt des werelds wegen vrij
+ van die vale en vuile dompen:
+ dat het dage en daglicht zij!
+
+ Zonne, krachtig krauwt vaneen die
+ hoopen: ruimt uw ridderspeur:
+ slaat er dwers en nogmaals dwers uw'
+ scherpe, sterke hoeven deur!
+
+ Werpt uiteen de onvaste vlagen;
+ vluchten doet ze, en verre voort
+ zij de smoor van hier gedreven:
+ nevel, 's Heeren stemme aanhoort!
+
+ _Fiat lux!_–De zonne, ontembaar,
+ zegepraalt; de nevel zwicht:
+ onverwinlijk is de Waarheid,
+ onverheerbaar is het Licht!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Het worde licht!
+
+2 Het mist.
+
+
+
+
+=DE WINDEN=.
+
+
+ De zee, de zee, ze 'n zoeft bijkans
+ zoo zeer niet als de boomen,
+ daar, wild, de winden deure rijen,
+ te peerde, en zonder toomen.
+
+ Aan 't roepen gaan tienduizenden
+ tienduizenden van blâren,
+ alsof 't zooveel tienduizenden
+ van dolle menschen waren.
+
+ De regen ronkt, en geuten gaan,
+ gegeeseld, allenthenen,
+ de natte boomen buigen doen,
+ en bulderen en stenen.
+
+ Hoort! Nog nen keer, en nog nen keer,
+ hertuiten en hertieren
+ de wilde winden: wederom
+ is 't zeegeruchte aan 't gieren.
+
+ Geen einde ervan! De vogels zijn
+ gevlucht, de takken breken;
+ verloren is de stemme mij
+ gegaan!–De winden spreken.
+
+
+
+
+DAT WILDE IK WETEN.
+
+
+ Wanneer ben ik U naast, o God,
+ of verst, dat wilde ik weten:
+ wanneer ik mij, in 't donker kot,
+ vernibbele[1], aan de keten;
+ of dan, wanneer ik henentie[2]
+ en vliege, schier vermeten,
+ naar 't licht, dat ik zoo geren zie?
+ o God, dat wilde ik weten.
+
+ 'k Heb overal mij zelven meê,
+ omhooge en aan de keten!
+ Die los mij van mij zelven deê,
+ diens woonsteê wilde ik weten;
+ diens hulpe hiete ik duizendvoud
+ mij wilkom, onvermeten!
+ Wat is 't nu, dat mij tegenhoudt?
+ o God, dat wilde ik weten!
+
+ Bedwingen zulk een vrage zal
+ uw menschelijk vermeten,
+ die levende, altijd, overal,
+ gevangen in de keten,
+ zult zoeken, om 't geheeme van
+ Gods wetenschap te weten...
+ Wie, buiten U, die 't wijzen kan?
+ o God, dat wilde ik weten.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Hevig verlangend begeer.
+
+2 Tiën = tijgen.
+
+
+
+
+=SPAMAN=.
+
+
+ Voorover, naar den grond gegroeid,
+ die haast hem hebben zal,
+ traag-traagskens met zijn' spade spoeit
+ en delft, in 't diepe dal,
+ de moegemoeide, ontmergde man,
+ die schaars zijn hoofd nog heffen kan.
+
+ Hij werkt nochtans, en delft en doet
+ zijn beste, tot der dood,
+ die wacht naar hem en elders spoedt,
+ totdat in heuren schoot
+ hij vallen zal, en willekom
+ bij God zijn, recht en sterk weerom.
+
+ o Sterkheid, die, veel sterker als
+ de dood, op God betrouwt;
+ die stadig ook dien slavenhals
+ zijne eigen woonsteê bouwt,
+ daar, vrij en blij hij wezen zal
+ bij U, o hope en troost van al!
+
+
+
+
+HET HAZEGRAUWT.
+
+
+ Vroeg avondt het: geleden
+ een stonde of twee,
+ is 't zonnevier beneden
+ de kimme alree.
+
+ Niet heel en al verloren
+ het licht en is;
+ noch teenemaal geboren
+ de duisternis.
+
+ Het hazegrauwt: de lanen,
+ vol licht weleer,
+ de wegels[1] en de banen
+ en ziet men meer.
+
+ Zoo stille staan als beelden,
+ de boomen nu:
+ die roerden en die speelden,
+ ze droomen nu.
+
+ Die ruischten en die riepen
+ de boomen, nu,
+ ze doen alsof ze sliepen:
+ ze droomen nu.
+
+ De takken en de blâren,
+ de stammen zijn,
+ die menigwendig waren,
+ nu eens, in schijn.
+
+ Van verwen en van voeren[2]
+ al eensgedaan,
+ en reppen noch en roeren
+ ze 'n lid, voortaan.
+
+ 't Is vochtig en, gekropen
+ uit de eerde, vaart
+ de wadem, op en open,
+ omhoogewaard.
+
+ De nevel valt, van boven
+ beneên gespreid;
+ gesponnen en geweven,
+ vol duisterheid.
+
+ Gepelderd[3] en gewonden,
+ elk hout nu staat;
+ gebunseld en gebonden,
+ in lijkgewaad.
+
+ Gestorven zijn de boomen:
+ één grafsteê, al
+ van dampen en van doomen[4],
+ ze bergen zal.
+
+ God geve aan oud- en jongen
+ nu roe' en rust:
+ de lijkdienst is gezongen,
+ en 't licht gebluscht.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 _Wegel_ = Z. Ned. verkleinwoord van _weg_.
+
+2 Gestalte.
+
+3 Pelder = lijkkleed.
+
+4 Damp, nevel.
+
+
+
+
+HOE ZEERE[1] VALLEN ZE AF.
+
+
+ Hoe zeere vallen ze af,
+ de zieke zomerblâren;
+ hoe zinken ze, altemaal,
+ die eer zoo groene waren,
+ te grondewaard!
+ Hoe deerlijk zijt gij ook
+ nu, boomen al, bedegen[2];
+ hoe schamel, die weleer
+ des aardrijks, allerwegen,
+ de schoonste waart!
+
+ Daar valt er nog een blad;
+ het wentelt, onder 't vallen,
+ den alderlaatsten keer,
+ en 't gaat de duizendtallen
+ vervoegen[3] thans:
+ zoo zullen ze, een voor een,
+ daarin de winden bliezen
+ vol luider blijdzaamheid,
+ nu tonge en taal verliezen,
+ en zwijgen gansch.
+
+ Hoe zeere vallen ze af,
+ onhoorbaar in de lochten,
+ en schier onzichtbaar, in
+ de natte nevelvochten
+ der droeve maand,
+ die, 't ijzervaste speur,
+ ontembaar ingetreden,
+ die al de onvruchtbaarheid,
+ die al de onvriendlijkheden
+ des Winters baant!
+
+ Daar valt er nog een blad,
+ daar nog een, uit de bogen
+ der hooge boomenhalle,
+ en 't dwerscht den onbewogen
+ octobermist:
+ 't en roert geen wind, geen een,
+ maar 't leken, 't leken tranen,
+ die men gevallen zou
+ uit weenende oogen wanen:
+ één kerkhof is 't!
+
+ Gij, blâren, rust in vreê,
+ 't en zal geen een verloren,
+ geen een te kwiste gaan
+ voor altijd: hergeboren,
+ die dood nu zijt,
+ zal elk van u, dat viel,
+ de zonne weêr ontwekken,
+ zal met uw' groenen dracht
+ de groene boomen dekken,
+ te zomertijd.
+
+ o Zomer!... Ik zal eens
+ ook Adams zonde boeten,
+ gevallen en verdord
+ in 's winters grafsteê, moeten;
+ maar, 's levens geest,
+ dien Gij gesteken hebt
+ in mijn gestorven longen,
+ dien zult gij mij voor goed
+ niet laten afgedwongen,
+ die 't graf ontreest!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Spoedig, snel.
+
+2 Geworden.
+
+3 Zich voegen bij.
+
+
+
+
+VAN DEN OUDEN BOOM.
+
+
+ Met uitgestroopten arm,
+ ten halven afgeknuist,
+ wie staat er daar, en steekt
+ eene onbestaande vuist
+ ten hemel? Is 't een reus
+ in beelde? Neen 't, 't en is
+ geen menschenbouw, 't is eer
+ een' wangedaantenis;
+ een steenen berggedrocht,
+ dat, staande fel en fier,
+ de scherpe houwen torst
+ van 't vonkend hemelvier.
+
+ Doch neen, 't en is geen berg,
+ geen wangedrocht voorwaar;
+ 't zijn takken stijf en stomp,
+ 't is schorse, die 'k ontwaar;
+ die, dikke en diepgegroefd,
+ geborsten en gescheurd,
+ van uit den ouden grond
+ heure oude bonken beurt;
+ 't zijn spanders overal,
+ 't zijn spillen, die 'k aanschouw,
+ een loof, dat kroont alom
+ een steenoud boomgebouw.
+
+ De Winter heeft erop
+ zijn boos gebijt vermoord;
+ het Water heeft het merg
+ en 't herte eruit geboord;
+ de Bliksem spookte erom,
+ en kraakte, met geweld,
+ er halve boomen uit,
+ en takken ongeteld;
+ de Tijd onteerde laf
+ en langzaam al zijn lijf,
+ en nog en roert hij niet:
+ hij staat daar, rotsestijf.
+
+ En ieder jaar dat loopt
+ hergroent hij nog, en laat,
+ wanneer de lente lacht,
+ zijn spaarzaam loofgewaad
+ omschaduwen het stuk
+ hooge uitgepuilden grond,
+ daar, als hij jonger was,
+ zijn' geile wortel stond.
+ Eilaas, niet langer meer
+ en kan hij, moegeleefd,
+ de wonden duiken[1], die
+ men hem geslagen heeft!
+
+ Hij staat daar, oud en strem,
+ in 't wilde windgegons,
+ gelijk te Roomen, van
+ groenuitgeslegen brons,
+ men beelden ziet: geen een
+ en weet hoe lang gestaan
+ zij hebben; geen hoe lang
+ de Tijd voorbij zal gaan
+ en groeten ze, ongedeerd.
+ –Ik groete u! God beware
+ u, Vlaamschen ouden „tjok”,
+ nog honderd, duizend jaar!
+
+VOETNOOT:
+
+1 Verbergen.
+
+
+
+
+=BLOOTAKKER=.
+
+
+ Geen één blad op de boomen! Af
+ is alles; voor de vlagen
+ gevallen onder voet en van
+ de winden weggevaagd,
+ het schilderschoone aanschouwen, dat
+ het bonte najaar draagt:
+ noch wit en zijn, noch groene meer,
+ de scherpe doorenhagen.
+
+ 'k Zie heinde en verre, deur end deur
+ de velden nu, de kerken,
+ de huizen en de hoven staan,
+ zoo bloot als op mijn' hand;
+ van verre zie 'k de peerden en
+ de menschen, op het land,
+ zoo neerstig en zoo kleene, alzoo
+ de mieren zijn, aan 't werken.
+
+ 't Is wijd en breed al, ommentom,
+ 'k gevoel 't nu, aan de baren
+ des wilden Winds, die henentuimt
+ en, tierende onder 't hout,
+ zijn' stemme schijnt te missen en
+ zijn' tale, die zoo boud,
+ zoo bulderende, aan 't roepen zat,
+ hier voortijds in de blâren.
+
+ 't En wonen meer geen' vogels in
+ de boomen! Zoo gij, wepel[1],
+ nen overjaarschen aksternest
+ entwaar nog hangen vindt,
+ van boven in de abeelen, 't is
+ een' wiege zonder kind,
+ die waagt[2], en geen geluid en geeft:
+ een' klokke zonder klepel.
+
+ 'k Zie geren nu de takken, dikke
+ en dunne, uit eenen stamme
+ gesprongen, rechte omhooge staan,
+ hun' handen uitgestrekt;
+ zoo schoone, als of zij baden, dat
+ de Winter hunne ontdekte
+ en teere, jonge leden toch
+ niet teenemaal en stramme.
+
+ Vervarelijke Winter, laat
+ u murwen, u verzoeten:
+ dekt alles, eer gij vriezen komt,
+ voorzichtig, in de snee;
+ 'n ijzelt op de boomen niet,
+ die breken zouden! Wee
+ der takken, als ze 't wegen van
+ den ijzel tillen moeten!
+
+ In stukken slaat ge, Winter dan
+ de boomen. Hoort ze kermen:
+ ze sleuren elk den anderen
+ zijn telgen, zwaar als steen,
+ te grondewaard; ze stubbelen[3]
+ ze storten, al deureen...!
+ Vervarelijke Winter, laat 't
+ der schoonen u ontfermen!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Eenzaam, verlaten.
+
+2 Wagen = bewegen.
+
+3 Vechten.
+
+
+
+
+=MOEDERKEN=.
+
+
+ 't En is van u
+ hiernederwaard
+ geschilderd of
+ geschreven,
+ mij, moederken,
+ geen beeltenis,
+ geen beeld van u
+ gebleven.
+
+ Geen teekening,
+ geen lichtdrukmaal,
+ geen beitelwerk
+ van steene,
+ 't en zij dat beeld
+ in mij, dat gij
+ gelaten hebt,
+ alleene.
+
+ o Moge ik, u
+ onweerdig, nooit
+ die beeltenis
+ bederven,
+ maar eerzaam laat
+ ze leven in
+ mij, eerzaam in
+ mij sterven.
+
+
+
+
+=PERELS=.
+
+
+ Nog eer de blâren schieten,
+ in 't hofbeluik[1],
+ hoe geren zie 'k uw' sprieten,
+ o perenstruik;
+ hoe geren zie 'k uw takken
+ vol blommen staan,
+ vol perels, al in pakken
+ eer ze opengaan!
+
+ En mochte ik maar, zoo even,
+ door Gods beschik,
+ u, peretakken geven
+ nen toovertik;
+ 't en zou geen pere krommen
+ uw hout, voortaan:
+ veel liever zie 'k de blommen,
+ eer ze opengaan.
+
+ 'k Zie geren, in de hoven,
+ uw' peren groot,
+ de zonne zitten stoven,
+ al rijp en rood;
+ maar 'k zie wel nog zoo geren
+ uw blommen staan,
+ de perels van de peren,
+ eer ze opengaan.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Beluik = besloten ruimte.
+
+
+
+
+=SPREEUWEN=.
+
+
+ „'k Zie-'t!” zoo vliggert, vlug te vlerke,
+ recht den torre in van de kerke,
+ daar ze is nest aan 't bouwen!... „'k zie-'t!”
+ piept de spreeuwe, en anders niet.
+
+ Maar wat is mij, scherpgebekte,
+ zwart-halfgroen gevliggervlerkte,
+ vage vogel, dan 't bedied
+ van uw eeuwig zeggen: „'k zie-'t?”
+
+ Ziet gij, daar omhoog aan 't broeden,
+ ziet ge, aan 't blijde jongskes voeden,
+ in uw pierende oogskes, iet
+ dat elk mensche niet en ziet?
+
+ Zegt, of is 't de zonne rijzen,
+ dat gij ziet, is 't buien bijzen[1];
+ kwade wichten of kwa died[2]
+ zitten ievers, diepe in 't riet?
+
+ „'k Zie-'t!” zoo piept gij; ziet gij, binnen
+ deze borst, mij iet beminnen,
+ haten, willen, wenschen iet,
+ blijdschap hebben en verdriet?
+
+ „'k Zie-'t!” uw roepwoord doet mij delven
+ diepe in 't diepste diep mijns zelven
+ en ontdekken daar 't bedied
+ van uw eeuwig zeggen, „'k zie-'t!”
+
+ Een daar is, die aan de leeuwen
+ 't leven gaf, en aan de spreeuwen,
+ Een die, vrij van al 't verdriet,
+ hooge zit en verre ziet.
+
+ Een... Hij zit in zijnen torre,
+ zonder schaalje[3] en zonder schorre[4];
+ en, van 't gene in mij geschiedt,
+ Hij mag eeuwig zeggen: „'k zie-'t!”
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Stormen, snel vliegen.
+
+2 Volk.
+
+3 Schalie = lei.
+
+4 Arduinen vloersteen.
+
+
+
+
+=WEDERWIJVEN=.
+
+
+ Hoe wijsterwaster[1] vliegt de lucht
+ vol witte en lange stressen
+ van wolken, die ontvlochten zijn
+ lijk haar van tooveressen.
+
+ 't Zijn wederwijven, boos en fel,
+ die, kwaad van hande en vinger,
+ malkanderen te keere gaan
+ en vechten slag om slinger.
+
+ De wind zit in 'k weet niet welk
+ geweste, 't buischt en 't bommelt
+ alhier, aldaar een zwepe los,
+ die deur de wolken schommelt.
+
+ Zij stuiven heinde en verre, en van
+ malkaar gescheurd, in stressen
+ van wijsterwaster vechtende, en
+ verwaaide tooveressen.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Door elkander.
+
+
+
+
+=EXCELSIOR=.
+
+
+ 'k Zie liever die te bergewaard
+ zijn roekloos opgeklommen,
+ als die, om loon, zoo zaan[1] de vaart
+ gedaan is, nederkommen.
+
+ Die stijgt noch af- noch om en ziet
+ naar die in de eerde wroeten;
+ noch, dwee van halze, en kust hij niet
+ of waren 't keizersvoeten.
+
+ 'k Zie liever die de zegevaan
+ mij deur de wolken steken,
+ _excelsior_, en, vóórgegaan,
+ mij moed in 't herte spreken.
+
+ Dan zegge ik: „Op! Dat ander kan,
+ dat kan, dat wil, dat zal ik:
+ geen oneere en geen schande en kan
+ mijn durven deren, valle ik.”
+
+ Hooveerdigheid is valsch van doen,
+ van zeggen en van zeden:
+ ootmoedig wil ik, ridder koen,
+ tot stijgen mij besteden.
+
+ Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist,
+ op Libans hoogste kragen[2],
+ of vielender omtrent mij duist[3],
+ nog wil, nog zal 'k het wagen.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Dra.
+
+2 Punttoppen, kamlijn.
+
+3 Duizend.
+
+
+
+
+=ZEGEPRAAL=.
+
+
+ De zonne vecht! Het noordervolk
+ komt woedend opgestoven,
+ de diepten uit, afgrijzelijk
+ verbolgen. Bergen boven
+ malkanderen zij werpen gaan,
+ in 's hemels aangezicht:
+ den al te schoonen dag uitdoen,
+ en dooden 't zonnelicht!
+
+ Het spettert, uit de wolken, vier
+ en vlamme; kwade steenen,
+ van rammelenden hagelslag,
+ en bliksem, al met eenen,
+ vergâren mij de reuzen in
+ hun vuisten vol geweld,
+ en ruien ze, onbermhertiglijk
+ daarheen, in 't zonneveld.
+
+ 't Is donker nu, 't is donkerder,
+ nog donkerder! Gevaren,
+ als machtig, overmachtig groote,
+ en mammothsche adelaren,
+ omslaan de wolken alles, en,
+ voor 't nachtelijk bedwang,
+ onthemelt al dat hemel is,
+ in 's hemels zwart gevang.
+
+ 't Is donker! Zal 't verwonnen zijn,
+ dat overheerlijk blaken,
+ dat altijd even schoone van
+ de schoone zonnekaken?
+ 't Is nacht! En zijt voor goed nu gij
+ gedompt en doodgedaan?
+ Gij, beeld des Alderhoogsten, zult
+ gij, stervend, ondergaan?
+
+ Staat op! Het worde dag weerom!
+ Staat op, en slaat die booze,
+ die duistere onbedachten, gij,
+ des hemels schoone rooze;
+ gij, onverkrachte lichtvorstin,
+ staat op, uit uwen schans,
+ en plettert, onbermhertiglijk,
+ die domme reuzen gansch!
+
+ De zonne vecht! Zij duwt den spiet,
+ den onverwonnen gaffel
+ des zonnelichts, de reuzen in
+ den zwartgezwollen naffel;
+ ze bersten, en ze bulderen
+ malkander slaande, intween;
+ en, hersens in de kele, valt
+ het reuzenrot ineen.
+
+ Ze pletteren te grondewaard,
+ ze pletsen en ze plassen,
+ dat 't bommelt in de lucht alom:
+ lijk honden zijn 't die bassen.
+ De wereld stroomt, afgrijzelijk,
+ van 't bloed alsof het waar',
+ van de eindelijk verwonnen, en
+ verwenschte reuzenschaar.
+
+ Ze 'n zijn niet meer,... ze 'n zijn niet meer.
+ Ze waren!... In hun stede
+ komt helderheid, komt hemelsblauw,
+ komt goud, dat schittert, mede.
+ De zonne vocht, de zonne won,
+ en, tierende overluid:
+ „Hier ben ik!” roept ons zonneken,
+ „des vijands vonke is uit!”
+
+
+
+
+DE DOORNENBOOM.
+
+
+ De schamele, oude boom,
+ die midden in de vaten,
+ veracht en ongetroost,
+ des olieboeters[1] staat;
+ hij weet dat 't zomer is
+ en zou hij, zou hij 't laten,
+ te bloeien, nu dat al
+ dat blomme is opengaat?
+
+ Gestapeld, rondom hem,
+ zijn tonnen, tonnen, tonnen,
+ die olie zweeten al,
+ en stinken. Schouwen ook,
+ verheven boven 't dak
+ des oliebouws, en jonnen[2]
+ maar bitterheid den boom
+ en afgerolden rook.
+
+ Hij bloeien zal nochtans,
+ en, blij, de zonne bieden
+ de vreugde van zijn hert:
+ maar éénen keer in 't jaar
+ en wilt het zomer zijn,
+ en mag't den boom geschieden
+ te bloeien in den dwang
+ van al die tonnen daar.
+
+ Hij bloeit en staat in 't wit
+ getooid, langs alle kanten
+ één vlage blommen duikt
+ zijn' takken, scheef en krom;
+ de bietjes zie'k er zog
+ van zuiver zeem in zanten[3],
+ de blommen in en uit
+ en uit en in, weêrom.
+
+ Bloeit helder, helder op,
+ o boom, en luide pralen
+ laat al uw lief gewaai,
+ deur dikke en dunne. Neen't,
+ 't en is maar éénen keer,
+ dat 't meie is; hillen, dalen
+ zijn blijde; blijde zijt,
+ genoeg, genoeg geweend.
+
+ De tonnen staan alom
+ gestapeld: zwarte zware
+ gedaanten, ongehier[4]
+ van leelijkheid. Welaan,
+ o taaie doornenboom,
+ daar midden in, verjare
+ nog menigmaal uw hoofd,
+ vol bloeiend wit gelaân!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Olieslager.
+
+2 Gunnen.
+
+3 Samenlezen.
+
+4 Onguur.
+
+
+
+
+=MIETJE=.
+
+
+ 't Meiske, met zijn' teele melk,
+ op zijn bloote voetjes,
+ lang, gelijk nen terruwstelk[1],
+ zoetjes, zoetjes, zoetjes
+ terdt[2] het voort, en anders niet
+ als zijn teele melk en ziet't.
+
+ 't Meisken hoorde: „Goedendag!”
+ zeggen, zoetjes, zoetjes:
+ „Mietje!” 't Meisken ommezag...
+ op zijn bloote voetjes
+ viel de melk en, vol verdriet,
+ wie dat 't was en wist het niet.
+
+ Meiske, meiske, meiske snel,
+ op uw bloote voetjes,
+ melk aan 't dragen, wacht u wel:
+ zoetjes, zoetjes, zoetjes,
+ mijdt u, meiske, en hoort gij iet,
+ vóór u, maar niet omme en ziet!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Tarwestengel.
+
+2 Treedt.
+
+
+
+
+CYTISUS LABURNUM[1].
+
+
+ Gevlerikt, na der vliegen aard;
+ gereesemd[2], al omleegewaard;
+ eenvervig, en van goude fijn,
+ des goudenregens blommen zijn.
+
+ Zij staan in krabben[3], lang en smal
+ van lijve, en recht een regenval
+ gelijken zij, van goude.... neen,
+ van zijde en licht en edelsteen.
+
+ 't En is van al dat bloeit entwat
+ zoo geluw, in geen blommenstad;
+ 't is geluw, naast aan 't groen.... 't en doet,
+ 't is groen, ten geel'wen uitgezoet.
+
+ Als, ievers in den hof gestaan,
+ de goudenregens opengaan,
+ de duisterheid van 't groen verdwijnt,
+ „het regent en de zunne schijnt.”
+
+ Hoe jammer dat zoo gauw voorbij,
+ uw vlagen gaan van goude, en gij,
+ o gulden regen, al te broos
+ van leven zijt ge, en tijdeloos[4]!
+
+ Gij strooit den weg, nen dag nadien,
+ of twee, dat wij u open zien:
+ zoo derf[5] is dan uw dood gelaat,
+ als kaf, daarop de vlegel slaat!
+
+ En, eens dat eene aan 't vallen is,
+ de stervenstijd van allen is
+ gekommen: geen een blomme en kan't
+ meer houden: 't goud is uitgebrand.
+
+ O goudenregen, heel en al
+ het jaar, zoo heet gij regenval;
+ doch regenval van goude, aleer
+ het meien zal, en zijt gij meer.
+
+ 'k Verlange al, eer de maand daar is
+ weêromme, en tend[6] de hoven, frisch;
+ vol goudeware[7] en zonneschijn
+ geregend door uw' blommen, zijn.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Goudenregen.
+
+2 Gerist.
+
+3 Tros.
+
+4 Zonder tijd, kort van duur.
+
+5 Bleek.
+
+6 Tend, tenden, t'enden = aan het einde.
+
+7 Goudwaar.
+
+
+
+
+BUIGEN OF BERSTEN.
+
+
+ Het jong hout staat, den rugge krom,
+ ootmoedig neêrgestopen[1]
+ terwijl de wind, den afgrond van
+ zijn diepe longen open,
+ gevaren komt, door bilk[2] en bosch;
+ en, bruischende in de boomen,
+ losbandig, al den gruwel van
+ zijn' gramschap heen laat stroomen.
+
+ De boomen staan geworteld in
+ den bodem diepe, en, weren
+ en zal de wind hun sterkheid noch
+ hunne oude stammen deren;
+ ze zuchten en ze stenen wel,
+ ze roepen en ze razen,
+ maar wederstaan, zoo willen ze, en...
+ dat durven ze, die dwazen!
+
+ Ze 'n buigen niet. Hun' wortels staan
+ in de eerde neêrgegrepen
+ als ankers, die gebonden staan
+ doen ijzervast de schepen;
+ ze 'n buigen niet. Hun hoofdgewaai
+ scheurt af en weg: om 't even,
+ en zullen noch en willen ze, en
+ voor wie dat 't zij, begeven.
+
+ Het jong hout ligt den grond nabij,
+ voorover, neêrgedwongen;
+ verpletterd en vernietigd haast.–
+ De wind komt losgesprongen
+ en, stampende op dat ligt... „Zoo wel
+ den naasten als den versten,...
+ die boomen daar zal 'k buigen doen,
+ of willens nillens bersten!”
+
+ 't Is donker, van al 't zand, dat vliegt.
+ Geen hersendolle koeien
+ en kunnen, zoo de wind nu doet,
+ zoo ongedoevig[3] loeien.
+ Ei! poffen nu, en paffen gaan
+ de pezen af, en kraken
+ de wortels: als geweren zijn 't,
+ die dood en donder braken.
+
+ De doelen staan, bij vijftigen,
+ bij honderden, te perre[4],
+ ter aarden uitgeheven, en...
+ de boomen zijn omverre,
+ de teenen in de lucht; tot in
+ den vasten grond gezonken,
+ verdwijnt, al even slaggelings[5],
+ hun' kroone, in de elzentronken.
+
+ Het jong hout heft den hals weer op;
+ allengskens stilt het weder,
+ en legt het, op de rompen van
+ geroeide boshout, neder
+ zijn grimmigheid. Een slagveld is 't
+ vol lijken. Ongeschonden,
+ zoo staan de jonge stammen daar
+ nog, al die buigen konden.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Neêrgebogen.
+
+2 Omsloten weide.
+
+3 Wild, woest.
+
+4 Op hun kop.
+
+5 Met één slag.
+
+
+
+
+DE SPERRETAKKEN.
+
+
+ De sperretakken staan, nabij
+ den boom, alsof hun blâren
+ gestorven, over langen tijd
+ aan jeugd en jonkheid waren;
+ maar, als zoo zaan[1] de zomer komt
+ herzie 'k hun verste vingeren
+ met jeugdig groen en zappigheid
+ den ouden boom omslingeren.
+
+ Nog winter is 't, men zeggen zou,
+ omtrent het bol[2]; en neven
+ het bol, zijn zwart de takken, die
+ maar tendenwaards en leven:
+ het oude draagt het nieuwe, dat
+ nog jong is; maar van dagen
+ ook oud geworden, beurtelings
+ zal 't oude 'et nieuwe dragen.
+
+ Op de ouden blijft gesteund, en zijt
+ voorzichtig, jonge spranken;
+ 'n laat u nooit verleiden, om
+ te vroeg u vrij te danken
+ van 't oude: uit de oude grauwte van
+ de schiergestorven boomen
+ zal nieuwgeboren schoonheid eens,
+ en sterkte, henenstroomen.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Dra.
+
+2 Stam.
+
+
+
+
+HET GULDEN VLIES.
+
+
+ 't Is scherenstijd in 't houtgewas.
+ De blaren vallen: grond en gras
+ zijn effen, van den wind die waait,
+ vol zilver en vol goud gezaaid.
+
+ Zoo groene en is de grond nu meer
+ als wijlen, toen de lente teer,
+ en 't jonge jaar zijn herte ontlook,
+ de weiden en de bosschen ook.
+
+ 't Is scherenstijd. De schapen niet
+ maar 't houtgewas men scheren ziet;
+ en 't scherpe van de windenschaar
+ aan 't knippen is in 't houtgeblaar.
+
+ Daar vallen en vergaderen
+ nu honderdduizend bladeren,
+ die reuzen[1] af de rijzekens,
+ zoo lustig en zoo lijzekens.
+
+ 't Is 't boomenvlies dat nederstort,
+ dat altemaal gesneden wordt;
+ dat af en dóór de schare moet,
+ zoo 't al, en te elken jare doet.
+
+ Het gulden vlies, dat Jason zocht,
+ en reeuwroofde[2] op het wangedrocht,
+ aanschouwe ik al mijn leven lang,
+ als wangeloove en kwenenzang[3].
+
+ Maar 't geen alhier, aldaar gestrooid,
+ den weg dien ik nu ga vermooit,
+ dat menigvuldig boomverlies,
+ voorwaar dat is mij 't gulden vlies.
+
+ Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt
+ doorschoten van den zonneschicht,
+ onmeetbaar, verre, één schapendracht
+ van ooienwolle en lammervacht.
+
+ Een kleed is 't, als van engelkens,
+ van louter liefdebengelkens,
+ die zijde en wolle en gouden blaân
+ doen liggen, daar ze spelen gaan.
+
+ Het rilt, bij elker schree, die 'k doe;
+ het roert en 't ruischt, 'k en weet niet hoe;
+ en 't riekt, alsof er reuke fijn
+ van amber uit zou dampend zijn.
+
+ 't Is scherenstijd, in 't houtgewas;
+ geen stap mij ooit zoo zoet en was
+ als dien ik eens, in Ipersteê,
+ deur de afgevallen blâren deê!
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Vallen.
+
+2 Reeuwroof = lijkroof.
+
+3 Kwene = oud wijf.
+
+
+
+
+HEBT MEÊLIJEN.
+
+
+ Hebt meêlijen met de boomen, laat
+ den bast hun ongeschonden;
+ bewaart ze voor de nijdigheid
+ der kwade nagelwonden;
+ geen onbermhertig menschenkind
+ ze dood en kwelle: geeft
+ de vrijheid aan des scheppers hand,
+ die in hun lenden leeft.
+
+ Hoe schandelijk ontmaakselt en
+ ontmooit gij mij de vrome,
+ de vrije en blije boomen, die 'k
+ zoo geren tegenkome
+ omtrent uw huis en hof, o gij,
+ dien God met herte en oog
+ heeft toegerust, om hem te zien
+ in 't heerlijk boomvertoog.
+
+ 'k Zie opgeroeste pikken, moe
+ van kappen en van kerven,
+ gehamerd om den esschenboom,
+ den esschenboom bederven,
+ daaraan het hekken vastgehaakt
+ de bilken[1] sluit, en 't vee
+ belemmert, dat zijn vulte zoekt
+ en voedsel, in de wee.
+
+ 'k Zie boomen, die gebonden staan,
+ in 's dwingers booze handen,
+ die nooit geen duimbreed af en laat
+ zijn ijzervaste banden,
+ maar spannende en onroerbaar, al
+ dat leeft en roert in 't lijf
+ der boomen doet misdragen tot
+ een eerloos wanbeklijf[2].
+
+ Gebulte boomen zie'k, en die,
+ doorhakkeld en dooreten,
+ vol krammen en vol haken staan
+ gespijkerd en gesmeten[3];
+ die werken zoo Gods wet hun wijst,
+ die tranen en die bloên,
+ o mensche, om eenmaal vrij te zijn
+ van al uw dertel doen.
+
+ Of staan ze meer niet vast genoeg,
+ de wortelvaste boomen?
+ En vreest gij dat zij henengaan
+ en meê met 't water stroomen;
+ of vliegen in de lucht, omdat
+ gij scherpe draden spint,
+ en lange reken[4] boomen al
+ in snijdend garen windt?
+
+ Och arme, en is 't genoeg u niet
+ dat, schier nog ongeboren,
+ het hout alreê geknipt moet zijn,
+ geschonden en geschoren;
+ dat 't, galoos[5] en tot alles dat
+ het niet en is gepraamd,
+ wordt „gloriette” en „pyramide”,
+ en „espalier” genaamd!
+
+ Hebt meêlijen met de boomen, laat
+ hun schoonheid ongeschonden,
+ die schoonder is, onaangeroerd,
+ onvast en ongebonden,
+ zoo God ze liet gewassen zijn,
+ gewonnen en gebaard,
+ als al hetgene gij, o mensch,
+ verzint en hebt vergaard.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Omsloten weide.
+
+2 Wangewas.
+
+3 Geslagen.
+
+4 Rij.
+
+5 Weergaloos.
+
+
+
+
+DE DAGERAAD.
+
+
+ In 't blauwe van den hemel doekt
+ een kleene, witte wolke
+ de zonne mij;
+ en 't witte van die wolke en komt
+ geen vlekkelooze molke[1],
+ geen wolle bij;
+
+ geen witgewasschen wolle, noch
+ geen snee die, versch gevallen,
+ te gronde ligt;
+ zoo wit is, op de boorden van
+ die witte wolke, 't brallen
+ van 't zonnelicht.
+
+ 'k En kan 't niet meer bezien bijkans,
+ mijne oogen willen dolen;
+ 't is vermiljoen,
+ dat, zwart in mijnen boek gedrukt,
+ zoo zwart is als de kolen,
+ en 't rood is groen.
+
+ De Leye, die daar stille ligt,
+ het water in de beken,
+ is rood voortaan;
+ terwijl, van top tot tee'n mij als
+ van 't morgenrood ontsteken
+ de boomen staan.
+
+ Het schemert hooge en leege nu,
+ en diepe in 's hemels gronden,
+ vandage staat,
+ beneên dien witten zonnedoek,
+ in 's middags hooge stonden,
+ de dageraad!
+
+VOETNOOT:
+
+1 Zuivel.
+
+
+
+
+NEVELDUISTERNIS.
+
+
+ Gegrauwdoekt is de grond
+ der kimme en allenthenen
+ vol damp en duisternis;
+ de boomen, half verdwenen,
+ half zichtbaar, hebben, daar
+ ze stille staan en stom,
+ van wolkenweefsel elk
+ een grauwen tabbaard om.
+
+ 't Hoogmorgent en, zoo 't schijnt,
+ 't en wilt geen dag meer dagen:
+ daar moet iets ongesteld
+ of los zijn aan den wagen
+ der zonnehingsten, dat
+ ze in toom gehouden staan
+ en, immer nippend, nooit
+ een schreê vooruit en gaan.
+
+ De wereld mist den troost
+ dier zoete zonnestralen,
+ die alles leven doen,
+ daar ooit zij nederdalen;
+ die 't schoone schoon doen en
+ die 't goede goed doen zijn:
+ die God verbeelden in
+ Gods beeld, den zonneschijn.
+
+ De wereld mist dat nu:
+ ze treurt en, langs de lanen,
+ daar 't eenmaal blommen droop
+ en druipen nu maar tranen;
+ daar 'k eenmaal stemmen hoorde
+ en vogelzang, en ziet
+ mijne ooge onschoonheid maar
+ en sprakeloos verdriet.
+
+ Dat 't schaduw nu nog ware
+ en wolken, daar de winden,
+ zoo in een schapentrop
+ de honden, weg in vinden,
+ en bleve een plekske vrij,
+ dat blauw is, hier of daar!
+ Och, neen, 't is nevel, al
+ omtrent me, en nevel maar.
+
+ O nevelduisternis,
+ bij nachte zien mijne oogen
+ de duizend teekens nog,
+ die 't ommegaan vertoogen
+ des sterrenhemels! Gij,
+ o nevelduisternis,
+ en toogt mij niets van al
+ daar hope of troost in is.
+
+ 't Is meer als leed genoeg,
+ en droefheid in mij, zonder
+ uw droef afwezig zijn,
+ o 't weergalooste wonder
+ van al dat wonder is
+ in 's werelds heerlijkheid!
+ o Zonne, en zij mij nooit
+ te lange uw licht ontzeid.
+
+
+
+
+=WINDTOCHT=.
+
+
+ 't Is helderblauw, vandage,
+ en warmer als twee dagen
+ of drie geleên, de locht
+ die 'k aseme is voortaan[1]
+ zoo licht en onbelaân,
+ dat door mijn longen ik
+ hem lustig late jagen.
+
+ Hij loopt omtrent me heen,
+ hij speelt me vóór de voeten;
+ mijn haar omwentelt, en
+ mijn kaken kust hij koel;
+ in lijf en leên gevoel
+ ik weer den jongen dag
+ den ouden dag verzoeten.
+
+ Hoe raast die wilde wind
+ mijne ooren vol! Ze tuiten,
+ ze tieren allerhand
+ geruchten in mij, recht
+ een stamerend gevecht
+ van stemmen is't, die 'k slaan
+ en bermen[2] hoore, buiten.
+
+ Dan buige ik mij vooruit
+ en wil de borst hem bieden;
+ 'k ga stevig, stap voor stap,
+ en 'k leune, lijf sta bij;
+ wie zalder, ik of gij
+ nu zege halen, wind,
+ of 't zegeveld ontvlieden?
+
+ Zoo wierd er vroeger, 't is
+ mij eeuwen lang geleden,
+ door hem die „_Israël_”
+ nadien voor name droeg,
+ bij nachte en 's morgens vroeg,
+ op een die, na den strijd,
+ hem zegen gaf, gestreden.
+
+ Dan, laat mij zegen ook,
+ uit uwen mond, verwachten,
+ o sterke vechter, Wind,
+ die, loopende achter 't veld,
+ mij schier omverrevelt
+ en worstelt tegen mij,
+ en wijgt[3] uit al uw krachten.
+
+ Ik bidde u, zegent mij:
+ niet eer en wille ik wapen
+ omleege leggen, u
+ ontwijkende, eer gij doet
+ ontwaken mij dat bloed,
+ dat al te langen tijd,
+ gerust heeft en geslapen.
+
+VOETNOTEN:
+
+1 Nu.
+
+2 Golven.
+
+3 Strijdt.
+
+
+
+
+AKSTERNESTEN.
+
+
+ Nog ijdel staan de boomen, in
+ de blauwe lucht, en blaren
+ en zie 'k ze hebben, meer als of
+ ze dood en duister waren
+ voor goed nu. Lang is alles zwart
+ en zonder zap gebleven,
+ dat wijleneer zoo groene stond
+ in 't zoete zomerleven.
+ 't Is zwart nu al, tot boven in
+ de hooge abeelensprangen,
+ daar zwarte en zware bonken in
+ van aksternesten hangen.
+ 't Zijn teekens in de lucht, en wel
+ bekende hemelbaken,
+ dat wederom de zonne zit
+ aan 't lieve zomermaken.
+ Toch bladerloos is al 't geboomte
+ en, verre heen, in 't westen,
+ in 't noorden, 't zuiden, 't oosten zie 'k
+ alom vol aksternesten
+ de abeelen staan.–Verdappert uw
+ bezoek en wilt de bronne
+ des aksterslevens duiken al
+ in 't groen, o lieve zonne!
+
+
+
+
+=LENTEGROEN=.
+
+
+ Hoe lief is, op het donkerblauw
+ der zwangergaande wolken,
+ die donderpijlen dreigen dra,
+ het lieve lentegroen,
+ daar schielijk, uit de zuiderlucht,
+ de middendaagsche dolken
+ der zonne, 'et lustig meievier
+ een deuntje op dansen doen.
+
+ 't Is groen, dat diepe in 't blauwe bijt,
+ zoo hel en zoo doorschijnend,
+ of eerst het uit den regenboog
+ geboren ware; en blauw,
+ dat dieper nog als hemelsch blauw
+ des avonds is, verdwijnend
+ in 't zwangergaande duister van
+ de wolken, gram en grauw.
+
+ De zonne loopt daar smijtende in
+ heur middendaagsche dolken,
+ die speiten[1] zoo geweldig op
+ het lieve lentegroen,
+ dat 't pinkelt en dat 't pierelt op
+ de blauwheid van de wolken,
+ die, zwangergaande, dreigen dra
+ nen donderdeun te doen.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Spatten.
+
+
+
+
+=CINXEN=.
+
+
+ 't Is stille, Cinxendag en, over 't plekske vloers,
+ van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,
+ de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal,
+ 't en zij, voorbij geschoven,
+ een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog
+ zegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!”
+
+ 't Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht,
+ vervoere ik heel en al mijn innewaardste wezen,
+ tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf
+ zijt heerlijk opgerezen;
+ die in uw kerke rust en dáár, in 't hoogste blauw,
+ terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.
+
+ O groote kerke Gods, o hemelwelven, daar
+ het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,
+ U in de sterren kan aanschouwen, groote God,
+ zoo ver zijne oogen dragen,
+ en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods,
+ gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?
+
+
+
+
+OCH WARE IK...
+
+
+ Och, ware ik ongevoelig en
+ mijn herte een steen bedegen[1],
+ wanneer de boosheid bijten komt
+ van die mij toegenegen
+ en dankbaar wezen moesten! ach!
+ 't en is geen een verschenen,
+ of, was er een, hij verre weg
+ van hier is en verdwenen.
+
+ 'n Ware ik maar gevoelig als
+ ik tranen zie en lijden,
+ bereid om al dat doenlijk is
+ te doen en hen te blijden
+ die troostloos zijnde, zeggen: „Helpt:
+ u wille ik al mijn leven,
+ bedanken!” Neen: beloven is
+ een ander ding als geven!
+
+ Ach, weze dan mijn herte zoo't
+ voor u, moet zijn, o Vader,
+ die meer mij als ik immer mocht
+ verdienen, altegader
+ ontvangen liet; die vroolijk zijn
+ mij doet, mijn herte pramend;
+ en al te menig keeren mijne
+ ondankbaarheid beschamend!
+
+VOETNOOT:
+
+1 Geworden.
+
+
+
+
+AAN DEN LINDEBOOM.
+
+
+ O! wat schoon, wat bolgekruinden
+ lindeboom,
+ van verre ik staan zie, blinkende in den
+ morgendoom[1]!
+
+ Heel is hij gewelkerd al en
+ duizendvoud
+ van verwen, langzaam afgesleten
+ guldengoud.
+
+ Dag en schijnt erop noch noensche
+ zonneglans:
+ 't is vochtig en de hemelkomme is
+ duister gansch.
+
+ Doch, ik zie mij, zonnewijs in
+ 't nedergaan,
+ die najaarsche, ei, die bolgekruinde
+ linde staan.
+
+ Ringsom rijzen hooge en groote
+ zwart en zwaar
+ getakte boomen, naast die lieve
+ linde daar.
+
+ Diepe schaduw schieten ze en een
+ donker groen
+ gewelf zij om het wezen van die
+ linde doen.
+
+ Wees gegroet mij, nauwlijks uit den
+ morgendoom
+ erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den
+ lindeboom!
+
+VOETNOOT:
+
+1 Doom = damp, nevel.
+
+
+
+
+=EGO FLOS=...
+
+(CANT. II: 1).
+
+
+ Ik ben een blomme
+ en bloeie vóór uwe oogen,
+ geweldig zonnelicht,
+ dat, eeuwig onontaard,
+ mij, nietig schepselken,
+ in 't leven wilt gedoogen
+ en, na dit leven, mij
+ het eeuwig leven spaart.
+
+ Ik ben een blomme
+ en doe des morgens open,
+ des avonds toe mijn blad,
+ om beurtelings, nadien,
+ wanneer gij, zonne, zult,
+ heropgestaan, mij nopen,
+ te ontwaken nog eens of
+ mijn hoofd den slaap te biên.
+
+ Mijn leven is
+ uw licht: mijn doen, mijn derven,
+ mijn' hope, mijn geluk,
+ mijn eenigste en mijn al,
+ wat kan ik, zonder u,
+ als eeuwig, eeuwig sterven;
+ wat heb ik, zonder u,
+ dat ik beminnen zal?
+
+ 'k Ben ver van u,
+ ofschoon gij, zoete bronne
+ van al dat leven is
+ of immer leven doet,
+ mij naast van al genaakt
+ en zendt, o lieve zonne,
+ tot in mijn diepste diep
+ uw aldoorgaanden gloed.
+
+ Haalt op, haalt af!...
+ ontbindt mijn aardsche boeien;
+ ontwortelt mij, ontdelft
+ mij!... Henen laat mij,... laat
+ daar 't altijd zomer is
+ en zonnelicht mij spoeien
+ en daar gij, eeuwige, ééne,
+ alschoone blomme, staat.
+
+ Laat alles zijn
+ voorbij, gedaan, verleden,
+ dat afscheid tusschen ons
+ en diepe kloven spant;
+ laat morgen, avond, al
+ dat heenmoet, henentreden,
+ laat uw oneindig licht
+ mij zien, in 't Vaderland!
+
+ Dan zal ik vóór...
+ o neen, niet vóór uwe oogen,
+ maar naast u, nevens u,
+ maar in u bloeien zaan[1];
+ zoo gij mij, schepselken,
+ in 't leven wilt gedoogen,
+ zoo in uw eeuwig licht
+ me gij laat binnengaan.
+
+VOETNOOT:
+
+1 Dra.
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Plaats Bron Correctie |
+ | |
+ | Regel 76 ziele Ziele |
+ | Regel 131 nachten nacht |
+ | Regel 285 Παρα Παρὰ |
+ | Regel 1024 Hoe hoe |
+ | Regel 1210 , . |
+ | Regel 1319 [Niet in bron] , |
+ | Regel 1615 , . |
+ | Regel 2243 , . |
+ | Regel 4168 neergestopen neêrgestopen |
+ | Regel 4189 Ze ze |
+ | Regel 4195 neergedwongen neêrgedwongen |
+ | Regel 4232 Neergebogen Neêrgebogen |
+ | Regel 4353 MEELIJEN MEÊLIJEN |
+ | |
+ +------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Bloemlezing uit Guido Gezelle's
+Gedichten, by Guido Gezelle
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GUIDO GEZELLE'S GEDICHTEN ***
+
+***** This file should be named 29289-0.txt or 29289-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/9/2/8/29289/
+
+Produced by Jeroen van Luin and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.