summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29369-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '29369-8.txt')
-rw-r--r--29369-8.txt7065
1 files changed, 7065 insertions, 0 deletions
diff --git a/29369-8.txt b/29369-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..49fbc50
--- /dev/null
+++ b/29369-8.txt
@@ -0,0 +1,7065 @@
+The Project Gutenberg EBook of Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel
+II (van VI), by J. van Lennep and W. J. Hofdijk
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
+
+Author: J. van Lennep
+ W. J. Hofdijk
+
+Release Date: July 10, 2009 [EBook #29369]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KASTEELEN IN NEDERLAND, DEEL II ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Merkwaardige Kasteelen in Nederland.
+
+
+ Door
+
+ Mr. J. van Lennep en W. J. Hofdijk.
+
+
+ II.
+
+
+
+ Amsterdam, G. W. Tielkemeijer.
+
+ 1854.
+
+
+
+
+
+
+
+HET KASTEEL VAN HEUSDEN.
+
+
+In de ruimte, welke ten noorden door de Maas, ten oosten en ten zuiden
+door de Meiery van den Bosch en ten westen door het Land van Altena
+omgrensd wordt, liggen ruim tienduizend bunders laag bouwland bevat,
+die het hoofdbestaan verschaffen aan een bevolking van nagenoeg 15000
+zielen, over een kleine stad en zeventien dorpen verspreid. Ofschoon
+noch die stad, noch de daar om heen gelegen vlas-, hennep-, en
+hopvelden den reiziger veel bekoorlijks of merkwaardigs aanbieden,
+by den geschiedvorscher en by den dichter wekt de aanblik daarvan
+herinneringen op, die niet van belangrijkheid ontbloot zijn, al ware
+het maar om de wisselingen, welke de streek ondergaan heeft. Maakt zy
+thands een deel uit van de Provincie Noord-Brabant, en onder Napoleon
+van het Departement der Monden van den Rijn, in 1801 was zy in tweën
+gesplitst en voor de helft by Brabant, voor de wederhelft by Holland
+ingedeeld geweest, na vijf d'halve eeuw lang tot dit laatstgenoemde
+en vroeger een geruimen tijd tot het eerstgenoemde Gewest behoord te
+hebben. Die streek is nog heden ten dage bekend onder den naam van
+het Land van Heusden: die stad is Heusden: die dorpen zijn Engelen,
+Vlijmen, Honsoirt of Onsenoord, Hedikhuizen, Herpt, Oud-Heusden
+en Baardwijk, die van ouds den naam van »bovendorpen," Heesbeen,
+Genderen, Doeveren, Drongelen, Eethen, Meeuwen, Babyloniënbroek,
+Veen, Wijk en Aalburgh, die den naam van »benedendorpen" dragen.
+
+Maar had die streek dikwijls in de laatste eeuwen van meester
+verwisseld, en, eer zy aan Holland kwam, tot een twistappel gestrekt,
+waar hevig om gestreden werd, er had een tijd bestaan toen zy haar
+eigen, schier onafhankelijke Heeren had, en wel zoodanigen, die,
+ondanks de beperktheid van hun grondgebied, rijk, aanzienlijk en by
+hun naburen geducht waren, die zich reeds vroeg door verbintenissen
+met machtige Vorsten en Heeren versterkt hadden, zoo dat wederkeerig
+de hunne met yver gezocht werd.
+
+Wat den oorsprong en afkomst dier Heeren betreft, die zijn even
+onzeker als die onzer meeste adelijke Huizen en het daaromtrent
+vermelde evenzeer met tastbare fabelen doormengd. Buiten twijfel
+echter schijnt het, dat het Land van Heusden oorspronkelijk een deel
+uitmaakte van het Graafschap Teisterbant, en in vervolg van tijd,
+by broederdeeling, onder Cleve kwam, aan welk laatste Graafschap
+het tot op het einde der dertiende eeuw leenroerig schijnt geweest
+te zijn. Een jongere zoon uit het Teisterbantsche of Kleefsche
+Huis, Robbert geheeten, wordt voor den eersten Heer van Heusden
+gehouden. Het was voorwaar niet onder gelukkige voorteekenen, dat
+deze nieuwe dynastie begon. Nog duurde de eeuw van plondering en
+geweld, toen onze nog onbeschermde kusten gedurig bloot stonden aan
+de herhaalde invallen dier Noordsche Zeekoningen, die eerlang aan
+Nederland, aan Normandyen, aan Engeland, aan Siciliën, zijn vorsten
+zouden schenken: en by eenen dier strooptochten was het, dat in 839
+de stad en 't slot, waar Heer Robbert zijn zetel had, door de vreemde
+zeeschuimers verwoest werden. Schooner en sterker dan te voren echter,
+rezen beiden weder op onder de regeering van Boudewijn, die in 857
+zijn vader Robbert opvolgde. Was het vroegere kasteel niet sterk
+genoeg geweest, om aan een onverwachten aanval weêrstand te bieden,
+het nieuwer zoû dien beter kunnen verduren; want het paarde nu de
+zwaarte en omvang van dubbele wallen en torens aan de sterkte zijner
+natuurlijke ligging: terwijl het een natuurlijke verdediging bezat in
+de breede Maas, die er voorby stroomde, en in de oude of zoogenaamde
+verloren Maas, die er langs kronkelde, om zich hooger op, by Aalburg,
+te verliezen. Ook het stichten der Sloten van Poederoyen, van Brakel,
+en van Aelst wordt aan Boudewijn van Heusden toegeschreven; waaruit
+men zoû moeten opmaken, dat hy, ook elders dan in het eigentlijke
+Land van Heusden, Heerlijkheden bezeten heeft.
+
+Maar vrij wat belangrijker, of liever behagelijker herinneringen,
+dan die het bouwen van kasteelen oplevert, biedt ons de legende
+met betrekking tot Boudewijn aan. Van hem toch verhaalt zy, hoe hy,
+in zijn jeugd met Reinout Grave van Angiers naar Engeland getogen,
+den Koning Edmund in den krijg bystond, door zijn dappere daden de
+liefde won der schoone Sofia, 's Konings dochter, en deze heimelijk
+ontvoerde. Lang treurde de Koning om zijn spruit en zocht vergeefs
+den naam van haren roover en het oord, waar zy zich onthield, te
+ontdekken. In 't eind gelukte hem dit, en vonden zijn zendelingen haar
+te Heusden, aan 't spinnewiel gezeten. Een verzoening had plaats,
+en onder de voorwaarden daarvan was er eene, dat Heusden voortaan
+een rad van keel als wapen voeren zoû, ter gedachtenis aan het roode
+spinnewiel, waarby Sophia teruggevonden was.
+
+Zoodanig, met eenig gering verschil in byzonderheden by sommigen,
+luidt de legende. Nu weet ik vooraf, dat er ongeloovigen zijn, die
+haar als geheel fabelachtig zullen verwerpen; die met een glimlach
+de schouderen zullen ophalen, en zeggen, dat alle geslachtboomen van
+onze oude Hollandsche Huizen reeds in den beginne een verbintenis
+aantoonen met het een of ander vorsten-geslacht, de eene nog meer
+uit de lucht gegrepen dan de andere: dat er geen Koning van Engeland
+onder den naam van Edmund in de dagen van Boudewijn van Heusden
+geregeerd heeft, maar wel, achtereenvolgends, Egbert en Ethelwolf,
+en dat de geschiedenis van Engeland niets vermeldt van het wegloopen
+der dochter van een van beiden met een Ridder uit Neder-Duitschland:
+eindelijk, dat er in de negende eeuw nog geen blazoenen bekend waren,
+en dat het wiel van Heusden in allen gevalle niets anders is, dan de
+acht schepters van Cleve, met een band omringd.
+
+Al moge ik de beide laatste aanmerkingen gedeeltelijk toegeven, zoo
+zie ik in de rest van 't verhaal niets, dat zoo onbepaald verworpen
+behoeft te worden. Of is er iets onwaarschijnlijks in, dat Boudewijn,
+gedurende het leven zijns vaders, en vooral toen zijn door de Noren
+verwoest erfgoed hem weinig aanlokkelijks aanbood, even als zoo vele
+andere jonge Edellieden van dien tijd, zijn fortuin heeft zoeken te
+maken in een uitheemschen oorlog? En wat dien Koning van Engeland
+betreft, wy behoeven hier niet aan een Koning over dat gandsche
+Rijk te denken. Op het tijdstip, dat Boudewijn van Heusden Engeland
+bezocht zoû hebben, waren er nog maar weinige jaren verloopen, sedert
+Koning Egbert de Vorsten der Heptarchy onderworpen had, en enkelen
+hunner bleven waarschijnlijk levenslang hun tytel behouden. Onder
+die Vorsten treffen wy, omstreeks dien zelfden tijd, een Koning van
+Oost-Engeland aan, die den naam van Edmond droeg, van wien gemeld
+wordt, dat hy zich door byzondere vroomheid onderscheidde (zoo zelfs,
+dat hy heilig werd verklaard) en dat hy sneuvelde in den krijg tegen
+de Denen of Noormannen. En waarom nu, vraag ik, zou het ongelooflijk,
+waarom niet integendeel zeer aannemelijk zijn, dat onze Boudewijn aan
+de zijde diens Konings Edmond gestreden zoû hebben tegen diezelfde
+zeeschuimers, die zijn erfslot in puin verwoest hadden?--Waarom
+ongelooflijk, dat hy een schoone vorstendochter verleid zoû hebben,
+hem over zee te volgen?--Er is nog in 1841 wel een Infante van Spanje
+geweest, die zich heeft laten schaken.--En wie door die redenen niet
+overtuigd is, die leze de bekoorlijke Romance van Bilderdijk, Het
+Wiel van Heusden getyteld [1], en hy zal niet meer willen twijfelen
+aan de echtheid van een verhaal, dat de stof tot zulk een meesterstuk
+van poëzy heeft opgeleverd.
+
+In 870 overleed Boudewijn van Heusden en werd, daar zijn oudste zoon,
+Edmond, in Engeland by zijn grootvader verbleven en tot grooten staat
+geraakt was, opgevolgd door zijn tweeden zoon, Robbert II, die tot
+huisvrouw nam des Graven van Zutfen dochter, welke my veel apokryfer
+voorkomt dan die Engelsche princes. Robbert streed heel dapper.... in
+'t Heilige Land, een anakronismus, aan welken de kronijkschrijvers
+zich met betrekking tot al de Edele Heeren uit die dagen schuldig
+maken: hy stierf in 914, en liet de Heerlijkheid na aan zijn zoon
+Edmond, die getrouwd was met een dochter des Graven van Seyn. 'k Wil
+'t liever blind gelooven dan dat ik het zoû gaan onderzoeken.
+
+Op Edmond volgde in 929 zijn zoon Jan I, wiens huisvrouw al wederom
+een Gravedochter was, en wel van dien van Loon; op Jan I die in 956
+overleed, Robert III, die de dochter des Graven van Spanheim tot
+vrouwe nam, en in 972 stierf: op dezen, Boudewijn II, met een dochter
+des Graven van Gennep getrouwd.
+
+Hier begint de kronijk een meer historische kleur aan te nemen;
+en, even als dit met de meeste oude geslachtnamen het geval is,
+zien wy allengskens de Gravedochters door eenvoudige Jonkvrouwen
+afgewisseld. Zoo trouwt Jan II, die in 1028 aan de regeering kwam, met
+Machtelt van Steenvoorde, en Robbert IV, die hem in 1073 opvolgde,
+met een dochter uit den Huize van Arkel. Boudewijn III, die in
+1092 Heer werd, kreeg tot echtgenote een dochter des Graven van der
+Lippe. Hy stierf in 1100, en liet de Heerlijkheid aan zijn zoon Jan
+III, met een Jonkvrouwe van Arentsbergh gehuwd. Na Jan III kwam in
+1135, zijn zoon Willem, die, in 1153 overleden, Heusden naliet aan
+zijn broeder Aernout. Deze verwekte by een dochter des Graven van
+Salm Jan IV, die hem in 1168 opvolgde. Een tweede zoon van Aernout,
+Boudewijn Knijf geheeten, was de stamvader der Heeren van Heeswijk,
+en voerde twee raderen van keel op een half sabel half gouden schild.
+
+Op Jan IV volgde in 1192 Robbert V, uit wiens broeder Wouter, bygenaamd
+Spiering, het geslacht der Spieringen sproot, die een gouden rad in
+een veld van sabel voerden. Robbert stierf in 1202: hy had by zijn
+Huisvrouw, een dochter des heeren van Diest, verwekt Jan V, die,
+tochtgenoot van Graaf Willem van Holland, twee malen het Heilige Land
+bezocht. Van zijn broeder Willem sproot het geslacht der Hedikhuysens,
+die een gouden rad op lazuur voerden.
+
+Jan VI, zoon van Jan V en van de dochter des Graven van Vernenburgh,
+volgde in 1235 zijn vader op; hy zelf verkreeg de hand eener Gravinne
+van Loon, zuster van dien Graaf van Loon, wiens huwelijk met Ada van
+Holland zoo veel rampen verwekte. Zijn broeder, die mede den naam
+droeg van Jan, wordt gezegd de eerste Heer van Veen geweest te zijn.
+
+Meer dan van Jan VI, die in 1279 overleed, valt van zijn zoon Jan
+VII, te vermelden. Nog naauwelijks was hy aan de regeering gekomen,
+of hy vond zich in krijg gewikkeld met een machtigen nabuur. Deze
+was Hertog Jan I van Brabant, die, te recht of te onrecht, zich
+beklaagde over geweldenarijen, door die van Heusden tegen ingezetenen
+der Meiery gepleegd, en zijn Drossaart met krijgsbenden afzond om
+Heusden in te sluiten. De bezetting, 't ergste duchtende, gaf zich
+over, en de Hertog, eerlang de stad binnengetrokken, liet er zich tot
+Heer huldigen: zoo dat Jan VII, wilde hy anders in 't bezit zijner
+Heerlijkheid blijven, zich genoodzaakt zag, daarvan hulde te doen aan
+Brabant, en den Hertog als zijn Leenheer te erkennen. Hierby bleef
+het niet; toen kort daarna die geweldige oorlog om 't bezit van
+Limburg uitbarstte tusschen Reinout van Gelre en Jan van Brabant,
+toen volgde Jan van Heusden zijn nieuwen Leenheer in den strijd;
+en met hem togen zijn broeders, Aernout van der Sluyse, die het rad
+van zilver voerde op het veld van keel, Jan, Heer van Heesbeen,
+die het rad van goud droeg op een veld van keel, en Diederik, de
+eenige van zijn geslacht, die niet uit den krijg terug zoû keeren:
+voorts zijn zonen, Jan, die later zijn opvolger werd, en Aernout,
+die, ofschoon tot den geestelijken stand behoorende, geen zijner
+ridderlijken stamgenooten in heldenmoed week. Het was by de banier
+van Jan van Kuik, dat zy de hunne opstaken, en onder de aanvoering
+van dien wakkeren krijgsman, dat zy in 't jaar 1286 den tocht begonnen.
+
+
+Te Senne
+
+(d. i. Sennewyne, in de Thielerwaard) verhaalt Jan van Heelu in
+zijn heldendicht,
+
+
+ Te Senne, daer vergadert lagen
+ Des Graven (van Gelre) lieden te dier tide,
+ Daer socht se coenlike met stride
+ Heer Jan van Cuyck met sine gesellen,
+ Daer men wonder af mach tellen.
+ Soe eerlike ende soe scone
+ Waegden syt. Daer was de heere
+ Van Hoesdinne (Heusden) met ende her Jan
+ Van Hesbinne (Heesbeen) een vromich man,
+ Ende van der Sluys her Arnout,
+ Een coene ridder ende een stout
+ Ende van Hoesdinne her Dideric.
+
+
+Hevig was de strijd.
+
+
+ Ende menegen helm mogt men scouwen,
+ Seere gescoort ende dorhouwen
+ Eer die sege gewonnen wart.
+
+
+Ja in den aanvang scheen de kans ongunstig voor den Heer van Kuik te
+loopen, toen hem Jan uten Hove met zijn Bredasche krijgsknechten ter
+hulpe kwam. Otto van Bueren en Allart van Driel, die de Gelderschen
+aanvoerden, werden gevangen, en Tiel, waarop zy 't gemunt hadden,
+voor Brabant bewaard. Dan dit gevecht, hoe veel het ook tot den roem
+der overwinnaars bybracht, was maar een voorspel van den gewichtigen
+veldslag, waaraan zy later zouden deel nemen. Het was op den 5en July
+1288, dat by Woeringen dat hevig samentreffen plaats had tusschen de
+legers van den Aartsbisschop van Keulen, den Graaf van Luxemburg en
+dien van Gelre ter eener, en die van den Hertog van Brabant en zijn
+bondgenooten aan den anderen kant. Reeds zoo menigmalen is die slag
+beschreven, dat het noodeloos kan geächt worden die beschrijving hier
+te herhalen: alleen moet hier medegedeeld worden, in hoeverre Heusden
+en de zijnen aandeel hadden in den zege, door Brabant behaald. De
+eerste aanval, door den Aartsbisschop gedaan op den linker vleugel,
+die door Graaf Adolf van den Bergh werd aangevoerd, had dezen doen
+wijken. Toen was het, dat Kuik, met Arkel en Heusden, de orde hielp
+herstellen, en den vyand een wijl tot staan bracht. Luxemburg, die mede
+toegeschoten was, wordt teruggedrongen; doch Bernard van Halloy, tot
+zijn hulp gekomen, doet voor een wijl de kans wederom keeren. Het was
+nu, dat drie wakkere helden een nieuwen uitval tegen de Luxemburgers
+waagden; zy waren de Heer van Frambach, die van Ysele, en
+
+
+ Des heren broeder [2] van Hoesdinne,
+ Arnout hiet hi ende was clerck,
+ Maer ridderlike was syn werc.
+ Van groote persse ende meswinde (tegenspoed)
+ Leet hi: daer bleef ooc een inde
+ Van sinen nase, dat hi vercochte
+ Eerlike daer hi den stryt sochte.
+
+
+Doch niet alleen had Aernout van Heusden zijn neus in den strijd
+verkocht, of, als wy nu zouden zeggen, verspeeld, zijn vader was
+in erger gevaar, ja een wijl in 's vyands handen geweest: men hoore
+slechts:
+
+
+ Hier noemic nu eenen van de besten,
+ Die in des hertoghen side
+ Met banieren was ten stride.
+ Dat was van Kuc her Jan
+ Die in den stryt, doe men began,
+ Comen was in grooten noot.
+ Met hem waren in syn convoot
+ Twee baenroetse, twee vromige man,
+ Beide her Jan ende her Jan
+ Van Ercle (Arkel) ende van Hoesdinne
+ Die beide in dien beghinne
+ Waeren ooc in selke pine
+ Comen, dat si in scine
+ Waender mede ondergaen
+ Dat eerlyc wert wederstaen;
+ Want het wederbrachte (hy herstelde dit)
+ Met grooter daden die hi wrachte
+ Van Kuc die vrome ridder alsoe,
+ Wert, inder viande side,
+ Doe die here van Kuc met stride
+ Overhant dus weder nam
+ Maer eert alsoe vere quam
+ Dat hi die plaetse weder wan
+ Was bleven gevaen her Jan
+ Van Hoesdinne, die stoute heere
+ Die hem weerde alsoe seere
+ Als ridderen mochte doen, met stride
+ Maer noch doen te dien tide
+ Reden met so sterken roten
+ Die gene die gerne hadden genoten
+ Maselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders)
+ Dan si vingen [3]; maer sine baniere [4]
+ Bleef gehouden in den tas
+ Ontploken; met gheninde,
+ Eerlyc ende wale toten inde:
+ Want daer waren bi bleven
+ Vromighe ridderen sinen neven,
+ Dese hilden met gewout
+ Van der Sclues her Arnout
+ Dire vroomster ridder een
+ Van den conroete, dat wale sceen
+ Aen groote dade, die hi dede:
+ Maer daer was syn neve mede
+ Her Diederic van Hoesdinne
+ Die men te Ceulen inne
+ Vueren moeste, na den stryt,
+ Daer hi sterf in corten tijt.
+ Want hem coste syn leven
+ Vromicheit, die hy gedreven
+ Hadde in den stryt, met groeten daden.
+ Die siele moet varen te genaden
+ Soo dat si hemelrike vercrighe!
+
+
+Hoe en door wie Heusden weder uit de handen der Maaslanders geraakte,
+wordt niet gemeld; doch by de volkomen nederlaag, die Gelre en
+zijn bondgenooten leden, mogen wy hoogst waarschijnlijk aannemen,
+dat hy reeds voor het einde van den slag weder aan de zijnen was
+teruggegeven.--De opgevolgde vrede tusschen de twistende partyen deed
+Heusden eerlang weder huiswaart keeren.
+
+Niet weinig had de oorlog, dien zijne naburen tegen elkander voerden,
+gestrekt om de macht van den wakkeren Floris V, die toen in Holland de
+gravekroon droeg, te bevestigen. Niet alleen was hy door Hertog Jan,
+die zijn bondgenootschap zocht, van alle leenhulde voor Zuid-Holland
+ontheven; maar hy had zich, terwijl het krijgstooneel op een verwijderd
+grondgebied was overgebracht, in staat gezien, zijn onrustige Edelen te
+fnuiken, de erfgoederen van de meesten hunner in leen te verkeeren, de
+Westfriezen te tuchtigen, landbouw en handel in zijn Graafschap te doen
+bloeien. Wel zag hy zich eerlang in twist gewikkeld met de Zeeuwsche
+Edelen, en dien ten gevolge met den Graaf van Vlaanderen; doch twee
+malen werd een zoen getroffen, de eerste reis, door bemiddeling van
+Hertog Jan, de tweede reis, in 1295, toen deze brave Vorst overleden
+was, door die van Jan van Kuik.
+
+Het was te dezer gelegenheid, dat Jan van Heusden, 't zij gewillig,
+'t zij door dwang, zijn stad aan Floris opdroeg en weder van hem in
+leen ontfing. Hoe hy dit kon rijmen met de vroegere opdracht, aan
+Brabant gedaan, en of die opdracht al dan niet met toestemming van
+den nieuwen Hertog Jan II geschiedde, zie daar, wat we niet kunnen
+beslissen. Zeker is het, dat Graaf Floris zijn aanspraak op den tytel
+van Leenheer niet bloot uit die opdracht ontleende, maar uit een gift,
+hem door Diederik, Grave van Kleef, in 1290 gedaan. Immers volgends
+de oude overlevering berustte, als wy gezien hebben, het leenrecht
+by dezen. Intusschen, de verknochtheid van Heusden aan zijn nieuwen
+Leenheer was niet van langen duur. Reeds toen smeulde, onder schijn
+van trouw en dienstbetoon, by een aantal Hollandsche Edelen hevige
+verbittering tegen den Graaf, die hen van zoo vele voorrechten had
+beroofd. Die verbittering werd in 't geheim gevoed door Koning Eduard
+van Engeland, wiens ongenoegen was opgewekt door de naauwe verbintenis,
+door Floris met Frankrijk aangegaan. Tot werktuig bediende zich de
+Koning van Jan van Kuik, die meer dan eens in Engeland geweest was,
+en zijn vol vertrouwen genoot. Kuik had zich mede genoodzaakt gezien,
+zijn slot te Tongelare als leen aan Floris op te dragen, en hem dat
+van ter Horst in vollen eigendom af te staan; en zoo wel hieruit,
+als uit de geschenken, welke hy van Eduard ontfing, laat zich zijn
+vijandelijke handelwijze jegends den Graaf verklaren. Heusden,
+aan wiens zoon Jan hy zijn dochter ten vrouwe geschonken had, was
+van ouds zijn vriend en wapenbroeder, en liet zich, vermoedelijk
+door hem, overhalen om aan een geheim verbond tegen Floris deel te
+nemen. Vroegere schrijvers hebben de reden van Heusdens toetreding tot
+het verbond toegeschreven aan zijn verbolgenheid, omdat de Graaf de
+eer zijner dochter zoû hebben geschonden. Latere nasporingen hebben
+echter bewezen, dat de overlevering op dat punt wel niet op zoo
+valsche en logenachtige gronden als die betreffende
+
+
+
+ 't Schandelyck omhelzen,
+ Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;--
+
+
+
+maar toch evenzeer uit een dwaling is gesproten. De schoone Agneta,
+voor welke Floris in liefde ontstak, en die hem en 't Vaderland den
+edelen Witte van Holland schonk, was wel een telg uit het Huis van
+Heusden, maar geen dochter van Heer Jan. Haar vader was die Aernout
+van der Sluyse, van wiens heldendaden voor Woeringen wy vroeger hebben
+gewach gemaakt, doch wiens naam ons verder in de geschiedenis niet
+is voorgekomen: en schier alle getuigenissen vereenigen zich, om in
+Witte geen spruit van bastaardy, maar een zoon uit wettigen echt te
+erkennen. De geslachtlijst der Elshouten--mede een stam der Heusdens,
+als wy later zullen zien--vermeldt met ronde woorden, dat Agneta den
+Graaf huwde: haar zoon voerde van den aanvang af en overal den naam
+van Witte van Holland, en, wat meer zegt, den leeuw van Holland,
+gebroken met het rad van van der Sluyse, doch zonder eenig filet of
+ander teeken van bastaardy: iets dat hy zich niet zoû hebben durven
+onderstaan, zonder zich aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig
+te maken, indien zijn geboorte onwettig ware geweest. Wat echter
+van de betrekking tusschen Floris en Agneta zij, genoeg, dat zy de
+aanleiding niet geweest kan zijn om Heusden in het eed-verbond tegen
+den Graaf te doen treden.
+
+Onder de diensten, welke Eduard van de Hollandsche Edelen verwachtte,
+was voornamelijk begrepen het verydelen van het bondgenootschap
+tusschen Frankrijk en Holland, en hiertoe deed zich geen beter middel
+aan de hand, dan den Graaf op te lichten en naar Engeland te zenden,
+terwijl hem dan zijn zoon als vasal van Eduard, zou opvolgen. De
+afspraak tot het plegen dier schanddaad geschiedde te Bergen-op-Zoom,
+op een byeenkomst, waartoe Velzen, Woerden, Heusden en anderen
+door Kuik genoodigd waren. Hier verzekerde hy de wankelmoedigen
+van den bystand des Konings van Engeland niet alleen, maar ook van
+die van Hertog Jan II en van Graaf Gwy van Vlaanderen, terwijl hy
+hen waarborgde, dat zy niets van de zijde van 's Graven zoon, Jan,
+die zich in Engeland bevond, te vreezen hadden. Een schriftelijk
+verbond tot verderf van Floris werd thands bezegeld, en later te
+Kamerijk het plan nader overwogen en vastgesteld. Kuik wilde nog zijn
+snood verraad met den schijn van kordaatheid bestempelen, en zond
+aan Floris een ontzegbrief: of Heusden dit voorbeeld gevolgd heeft,
+vinden wy niet gemeld: by de gevangenneming en moord des Graven was
+hy niet tegenwoordig: intusschen schijnt het vrij zeker, ofschoon de
+kronijkschrijvers het niet bepaald vermelden, dat ook hy ten lande
+heeft moeten uitwijken, toen de wrekende hand der gerechtigheid de
+moordenaars vervolgde. Nog beleefde hy 't, dat Holland aan 't Huis
+van Henegouwen verviel, en overleed in den jare 1303. Twee malen was
+hy gehuwd geweest: de eerste reis met Aleid, 's Graven dochter van
+Wybestein, die hem Jan, zijn opvolger gebaard had, en Jan, eersten
+heer van Drongelen, die een zilveren rad op lazuur voerde: de tweede
+reis met Ermgard van Wickeloo, die hem mede een zoon schonk, insgelijks
+Jan geheeten, en die de stamvader werd van het geslacht van Elshout.
+
+
+
+Wat Jan VIII betreft, van hem is het zeker, dat hy met Kuik, zijn
+schoonvader, naar Engeland week en aldaar een geruimen tijd ten dienste
+van Eduard de wapens tegen Frankrijk voerde. Wy vinden ook, dat hem,
+voor de diensten aan Engeland bewezen, door Hertog Jan van Brabant,
+twee duizend pond Tornoois en een rente van honderd pond Brabantsch
+werden toegezegd. Jaren verliepen er, eer Heusden van zijns vaders
+erfgoed bezit kwam nemen: en niet lang had hy er genot van, daar hy
+reeds in 1318 overleed, by zijn tweede gemalin Sofia, van Kranendonk,
+een zoon nalatende, die hem opvolgde als Jan IX.
+
+Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering
+te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar
+1318, waarin Jan, Heer van Saffenbergh, en zijn vrouw Sofia, die
+uit het huwelijk van Jan VIII met Margaretha van Kuik geboren was,
+als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach over
+Heusden aanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, dat Jan IX,
+wiens huwelijk met Cunigunda van Arkel door geen kinderen gezegend
+werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus
+maar zaak was, zich by voorraad in 't bezit daarvan te stellen. 't
+Kan echter ook zijn, dat Jan IX zwak van geestvermogens was, en
+buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van
+hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in
+'t Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van
+zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by het letten op tijden en
+omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten
+moet. Jan IX stierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van
+Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier van
+Heusdens torentrans hadden laten waaien.
+
+Sofia van Sassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht
+de Heerlijkheid aan Hertog Jan III van Brabant op te dragen, in de
+hoop van er wederkeerig 't verlij van te bekomen; doch de Hertog,
+die liever de vrije beschikking over Heusden aan zich behouden wilde,
+sloeg 't haar af; waarop zy aan den Graaf van Holland, Willem den
+Goede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot
+daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker
+een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den
+Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd door Jan van
+Elshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan de Heusdens was
+vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees
+hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden,
+en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy
+met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen
+vredebreuk met Brabant, onderwierp Graaf Willem de zaak aan de
+beslissing van den Graaf van Gulik, die ten voordeele van den Hertog
+uitspraak deed: waarop deze de stad en 't land van Heusden in leen
+gaf aan den Graaf van Kleef. Wel berustte Sassenbergh niet in deze
+schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel
+hy in Brabant, en plunderde en verbrandde Turnhout; maar hy begreep
+toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen
+zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd
+gouden realen, waar de stad 's Hertogenbosch borg voor bleef.
+
+Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die op Heusden
+aanspraak maakte. Deze was Jan van Drongelen, die, oom van Jan IX,
+en, in geval Heusden niet als een spilleleen beschouwd kon worden,
+het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde
+hy zich tot Willem van Holland, om door dezen in zijn aanspraak
+gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, en Drongelen stierf,
+eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het
+niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten.
+
+Hertog Jan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe
+aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken
+en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed
+hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen
+toren rijzen, die--langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een
+diepe gracht, welke de geheele vest omgaf--gemeenschap had met het
+ruim betimmerde nederhof, 't welk niet alleen geschikte woningen voor
+de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten,
+en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware
+ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige
+binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder
+vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan
+de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam,
+verstrekte tot gevangenis.
+
+Het was echter eerst onder de regeering van 's Hertogen dochter
+en opvolgster Johanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel
+voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed,
+dat Brabant er tot driemaal toe voor geschat werd.
+
+Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker
+de plaats--hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder,
+dat die van Holland haar niet dan met leede oogen in de macht des
+Hertogs bleven zien. Willem III, hoezeer hy van den Graaf van Kleef
+diens rechten op Heusden had afgekocht, had zijn aanspraken na den
+gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten
+alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven. Willem
+van Drongelen, even als zijn vader Jan hakende naar 't bezit van
+wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den
+wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen
+hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren
+niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaands Willem van Drongelen
+en zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had
+er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone
+hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch
+die gekocht werd met het bloed van Robbert van Drongelen, den oudsten
+zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord.
+
+De staat van zaken was echter met betrekking tot Heusden de zelfde
+gebleven, toen in 1355 Jan III overleed, en zijn dochter Johanna, gade
+van Wenceslaus van Luxemburg hem in 't Hertogdom opvolgde. Naauwlijks
+echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf
+van Vlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem
+wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor
+hy, tien jaren te voren, zijn recht op Mechelen aan Hertog Jan III
+had afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle
+onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg
+begon: de Vlamingen rukten, terwijl Wenceslaus te Maastricht zijn tijd
+in werkeloosheid doorbracht, Brabant binnen, vermeesterden Brussel,
+Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachten Wenceslaus op den
+rand des verderfs. De moed van Evert 'Tserclaes, die Brussel weêr
+verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheel Brabant
+onder 't gezach van Wenceslaus terug. Niet te min bleef de Graaf van
+Vlaanderen den krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen,
+het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van
+Graaf Willem V van Holland te onderwerpen. Met blijdschap nam deze
+het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in
+elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn
+uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel by varen zoû. Hy begon daarom
+met aan Wenceslaus den afstand van Heusden als voorwaarde te stellen,
+zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd
+toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede,
+welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die van Brabant
+was, hy wees echter Wenceslaus Mechelen toe, tegen allen schijn van
+billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren
+zeggen tot den Hertog: »Heusden mijn, Mechelen dijn;" woorden die
+van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als:
+»de eene dienst is de andere waard."
+
+Nu was Heusden met Holland vereenigd; maar ook Willem van Drongelen
+moest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de
+gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy
+liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den
+zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen
+bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom
+van Heusden voor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren van
+Drongelen de Heerlijkheid van Eethen en Meeuwen tot een Hollandsch
+erfleen, en stelde Jan van Drongelen tot Baljuw van Zuid-Holland
+aan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot
+en Heerlijkheid van Heusden voor eeuwig afstand deden ten zijnen
+behoeve. Wat zouden de Drongelens doen? Zy onderwierpen zich aan wat
+zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel het wijste.
+
+Nu dacht Graaf Willem de rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd
+te hebben!--en echter, geen drie jaren waren er verloopen, of
+Heusden moest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het
+deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg
+ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid. Willem
+V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder,
+Hertog Aelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de
+bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen
+geschonken. Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die
+vernedering getroost. Heemskerk riep Kennemerland in de wapens,
+Delft stond openlijk tegen den Ruwaard op, en Floris van Borselen
+bracht Zeeland in rep en roer.
+
+Laatstgenoemde Edelman was door Willem V tot Burggraaf van Heusden
+aangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des
+Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy
+door Hertog Aelbrecht belegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over
+te geven. Maar kort was de rust, welke Heusden genoot. Toen in 't
+zelfde jaar Delft zich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige
+Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronder
+Gijsbert van Nyenrode en Jan Kervena genoemd worden, de wijk naar
+Heusden en verschansten zich op 't slot. Op nieuw werd dit belegerd;
+doch zoo hardnekkig was de verdediging, dat Nyenrode en de zijnen
+het een rond jaar tegen de macht van Aelbrecht uithielden. Toen
+werd er, door bemiddeling van Otto van Arkel een zoen getroffen,
+en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen
+twee jaren naar Jeruzalem in bedevaart te gaan.
+
+Na 't vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang
+over Heusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten,
+door Aelbrecht of door zijn opvolger Willem van Beyeren aan de stad
+geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein
+aangestelden Willem van Kroonenburg gedaan. By het uitbarsten van
+den twist tusschen Hertog Jan van Beyeren en Gravin Jakoba, hield
+Heusden de zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt,
+door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in 't volgend jaar
+verscheen Jakoba met haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor
+een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd
+lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers van Heusden
+stof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar
+gevangenschap op Teylingen worden opgedischt; namelijk, dat zy gewoon
+was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben,
+over 't hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later
+het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs door Wagenaar en andere
+deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig
+gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat
+my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling,
+althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het
+vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen.
+
+In 1446 werden de President of Stadhouder van Holland, Gozewijn de
+Wilde, en Filip Banjaart, Kastelein van het slot te Medemblik, die
+elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, te Heusden
+gevangen gezet. De eerste werd naderhand te Loevestein onthoofd,
+en de andere vrijgelaten.
+
+Sedert Filips van Bourgondiën de Hertogskroon van Brabant en de
+Gravenkroon van Holland tevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan,
+of Heusden hem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van
+tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid
+zulks geschiedde. Immers, toen Graaf Jan van Nassau, Heer van Breda,
+na 't overlijden van Dirk van Merwede door Filips tot kastelein van
+Heusden werd aangesteld, brachten die van Holland bezwaren daartegen
+in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart van Brabant was, en die
+aanstelling schijnbaar te kennen gaf, dat Heusden gerekend werd onder
+Brabant te behooren. Filips begreep zich echter aan die bezwaren niet
+te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die
+van Heusden te kennen, dat zy Grave Jan zouden hebben te gehoorzamen,
+zonder daaruit af te leiden dat zy meer aan Brabant dan aan Holland
+verbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de
+plaats behoorde, geheel in 't midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo
+hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten van Brabant
+voortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten
+lieten zweeren, dat zy Heusden weder aan Brabant zouden hechten,
+lieten die van Holland hen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy
+het nooit van Holland zouden scheiden.
+
+In den Gelderschen oorlog, die in 't jaar 1497 begon, had het platte
+land rondom Heusden veel van de Gelderschen onder den Overste Boudewijn
+te lijden; doch die van Heusden versloegen hen tusschen Herp en
+Hedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter
+getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren. Boudewijn zelf
+sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven,
+ter plaatse, die sedert den naam van Boukens-kerkhof droeg. Men wil,
+dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze
+in zwang bleef: »'t Spookt als Boukens geest."
+
+Het was ook te Heusden, dat, op den 4en July 1524, een stilstand
+van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en
+vijftien jaar later had de stad het voorrecht, Keizer Karel V binnen
+haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn
+vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor
+de poort, en wel geen ander dan de gevreesde Maarten van Rossum,
+die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen
+voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok.
+
+Geen jaar meer duurde het echter, of al de Nederlanden waren onder
+Keizer Karel gebracht, en mochten zich een geruimen tijd in 't
+genot eener zoete rust verheugen. Op den 24en September 1549 was het
+wederom feest op het hooge slot te Heusden: de pektonnen brandden op de
+burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken
+van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en
+blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, Prins Filips, des
+Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een
+bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der
+stad aanbood was Jonker Gerard Spieringh van Wel, uit het geslacht
+van Heusden gesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd
+aan Jonker Wynand Maschareel.
+
+Toen Alva in de Nederlanden kwam, en alle vaste plaatsen door zijne
+troepen in bedwang werden gehouden, ontfing Heusden een bezetting
+Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onder Nicolao
+de Basto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den
+noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf
+was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de
+trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen
+drie burgers, Geraert Geraertsen van Ghesel, Jan Bruer en Huybert
+Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567
+buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken
+ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige
+gasten ontslagen; maar op den 17en January 1569 bekwamen zy Francisco
+Vargas met een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks
+vrij onbehoorlijk huis hielden.
+
+De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging,
+door de anti-Spaansche party aangewend, om Heusden te verrassen. Op
+een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok de Hopman
+Waerdenburgh met Joost Hoeck (een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk
+de stad binnen: waarop de Drossaert Spieringh, bygenaamd Quaedtael,
+met eenige arbeidslieden op 't kasteel weken. Hier werd hy door
+Waardenburg belegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk
+uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende
+lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte,
+ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar
+ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk
+en 't Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt
+volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad
+week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te
+overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich
+genoodzaakt, Heusden weder te verlaten, op de aankomst van Jan Hol,
+opperste Ritmeester des Hertogen van Holstein, die op 16 September
+met troepen uit 's Hertogenbosch was afgezonden. Hoewel als vriend te
+Heusden ontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde
+de stad; terwijl ettelijken van Waerdenburghs volk door de zijnen
+achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog van
+Holstein zelf binnen Heusden, ontfing de inwoners in genade, en nam
+hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend
+Duitsche en Waalsche bezetting bleef.
+
+Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is
+opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons
+apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, door Oranje, Graaf
+Lodewijk en anderen aangewend, om de Nederlanden van Alvaas juk
+te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden--te
+lande namelijk--niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier
+betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een
+binnenstad als Heusden zou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben
+kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en
+in verband gestaan hebben met den inval, door Hoogstraten en Kuilenburg
+in Gelderland beproefd:--of later, na 1572: welk laatste men schier
+zoude aannemen, omdat Spieringh van Wel, genaamd Quaedtael, eerst in
+1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft
+het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en
+archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt.
+
+Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, 't welk
+wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoe Joost Hoeck en de
+Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by 't
+beleg van Bommeneede; doch, by 't innemen der stad door de Spaanschen
+op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om 't leven
+werden gebracht.
+
+Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht van Heusden,
+dat Walcheren zijn bevrijding van 't Spaansche juk te danken had,
+en wel aan Jan van Kuik, Heer van Herp, die in 1571 Vlissingen tot
+'s Prinsen zijde deed overslaan; voor welke kloeke daad hy later met
+de Heerlijkheid Domburg beleend werd.
+
+Eerst in 1577 werd Heusden, ten gevolge der Pacifikatie van
+Gent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de
+Kastelein-Drossaart en de Schout naar Brabant metter woon, en werd
+in de plaats van eerstgemelde aangesteld Jonker Johan Bax, een
+der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze
+militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid
+verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toen Parma, na 't innemen
+van Maastricht, Valdez afzond om Heusden te verrassen. Reeds had
+hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen,
+door Bax gedaan, om het omliggende land onder water te zetten,
+werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen er gelukkig een
+stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed,
+zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te
+doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen.
+
+Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam,
+bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en
+werd de Hervormde leer alleen op 't kasteel gepredikt. In 't jaar
+1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naar Heusden
+geweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst
+uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd.
+
+In 1588 leed Heusden wederom last; doch deze reis niet van een vyand
+van buiten. Leycester had de stad met een zware bezetting voorzien,
+onder bevel van Christoffel van Ysselstein. De wanbetaling der
+soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan
+'t muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet,
+en Ysselstein zelf op 't kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31
+January tot 23 Maart, toen het Nikolaas Blanckaert, die in 1584 aan
+Bax als Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den Burgemeester Dierck
+Hamel Diercksz gelukte, de rust te herstellen.
+
+Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnen Heusden lag, onthield
+zich de Drossaart niet langer op 't kasteel, maar liet, waarschijnlijk
+om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over
+aan den Kommandant. Karel van Levin, Heer van Famars, had Ysselstein
+als zoodanig vervangen, toen Graaf Karel van Mansveld zich in 1589 aan
+'t hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in
+'s Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak,
+en Famars drong by Prins Maurits aan op versterking. Deze voldeed
+gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver van Hedikhuizen,
+eenige benden over de Maas voeren; maar nu kwam het er nog op aan,
+hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand
+was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens
+in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen
+te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig
+gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag
+bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar
+naam het aandenken van dezen strijd, en heet de Spanjaartsslag. Vijf
+maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot
+verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen te Doeveren,
+Elshout en Hemert alle door den vyand bemachtigd waren; doch toen
+kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp,
+zoodat de troepen van Mansveld zich niet alleen gedwongen zagen
+van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te
+breken. De schansen, door hen bezet, werden in 't volgende jaar door
+Maurits ingenomen.
+
+Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20en Oktober 1603 te
+Heusden voor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden
+krijgsoverste Olivier van den Tempel, Heer van Corbecke, die voor
+'s Hertogenbosch door een kanonschot van 't leven was beroofd
+geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk
+ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door
+Prins Maurits, Grave Willem van Nassau, den Vorst van Anholt, en een
+aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren.
+
+Op den 6en September 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke
+al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623
+zond de Landvoogdes Izabella heimelijk zekeren Priester, Michiel
+van Ophoven genaamd, Prior der Preekheeren te Antwerpen, tot Willem
+Adriaan van Hoorne, Heer van Kessel, destijds Gouverneur der stad,
+met belofte, dat, indien hy Heusden in hare handen leverde, zy hem
+den tytel van Graaf van Hoorne, de ridderorde van 't Gulden Vlies,
+en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen
+tot hoogen rang verheffen. Kessel, dit voorstel gehoord hebbende,
+wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten
+des Konings van Spanje geen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den
+Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan
+ook Ophoven naar den Hage gezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op
+de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later
+Bisschop van 's Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering
+dier stad door Frederik Hendrik.
+
+Gedurende het beleg van Breda door Spinola, in de jaren 1624 en
+1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit
+vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die van Haarlem en aan
+eenige Hagenaars het lot te beurt, in Heusden gelegerd te worden. Deze
+bezettelingen waren aangevoerd door Jan Klaasz. Loo, Burgemeester van
+Haarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stad
+Heusden, in 't koper gebracht door den beroemden Matham.
+
+Gedurende het beleg van 's Hertogenbosch, in den jare 1629, werden
+nogmaals te Heusden twee voor die stad gevallen krijgshelden begraven:
+de een was de Ritmeester Nikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren
+den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden van
+Overyssel voor den Prins van Oranje, en het Voorzitterschap van den
+krijgsraad bekleed had. Zijn lichaam, geleid door den Vorst van Nassau,
+de Graven Ernst en Willem van Nassau, en andere Legerhoofden, werd
+in Mei van genoemd jaar in 't zelfde graf gelegd, waarin Olivier van
+den Tempel begraven was.--De andere was de Kolonel Louis de Levin,
+Heer van Famars, zoon van den reeds genoemden Charles de Levin,
+en broeder van Filips de Levin, die beiden Gouverneurs van Heusden
+waren geweest. Onder 't doen eener ronde in den rug door een kogel
+getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot
+buiten het leger vergezelschapt door den Prins van Oranje, den Koning
+van Bohemen, en de meeste krijgsoversten.
+
+Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige
+pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks
+van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634-35,
+en de derde reis in 1664.
+
+In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch
+werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het
+kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot
+gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing,
+die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven,
+geheel vruchteloos bleef.
+
+Het verdient opmerking, dat Heusden, nadat het Staatsch geworden
+was, noch in den oorlog tegen Spanje, noch in dien tegen Frankrijk
+gevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en
+zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den
+vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos
+afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de
+algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondom Heusden
+gelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren
+Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die
+een toeleg op Heusden in den zin had, in 't dorp Baartwyk gekomen,
+dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen
+huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennen gevende, dat zy
+onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede
+zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy over Oud-Heusden
+wellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter,
+'t zij uit misverstand, 't zij met opzet, wees hun den weg aan door de
+Baartwyksche steeg op het dorp Doeveren, waar mede een schans lag, toen
+geslecht, en zoo tot Heesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters
+naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen, Heusden in naam des
+Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun
+dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was,
+om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de
+valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte
+in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver:
+het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg
+mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de
+aandacht der Staten op Heusden vestigen, en werd het Gouverneurschap
+over die stad, 't welk sedert 1663 door den Heer van Schagen, by
+wijze van sinecure, bekleed was geworden, aan den Veldmaarschalk
+Paulus Würtz opgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef.
+
+Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar, Jan Beens
+genaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een
+vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit,
+toen hy, te Heesbeen gekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen
+willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naar Genderen
+brengen moest; doch in de zoogenaamde Groensteeg gekomen, reed hem
+een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde,
+dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echter Jan
+Beens niet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter
+verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die op
+Jan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar,
+zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiter aanlegde,
+hem van 't paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met
+paard en rusting, tot aller verwondering, binnen Heusden voerde.
+
+De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats,
+hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen
+aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van
+de rampen van den krijg.
+
+Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat
+op den 24en July des jaars 1680 boven Heusden losbarstte, wanneer
+de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het
+buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in
+vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels,
+van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag
+uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien
+schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot
+zes dooden, jammerlijk omgekomen onder 't puin hunner verbrijzelde
+woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch
+meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden 't leven. Het jammer, de
+schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent
+het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De
+plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen
+kolk, vol zwart water, 't welk, door het geweld des poeders beroerd,
+al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting
+was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder
+zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had:
+dewijl anders de stad een algeheele vernieling zou hebben ondergaan.
+
+Aan Willem Adriaan, Grave van Hornes, die Würtz als Gouverneur
+vervangen had, volgde in 1688 Daniel de Tafin de Torsay. Tijdens
+diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en
+schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken
+aangelegd, terwijl een der torens tot kruitmagazijn werd ingericht. Na
+het overlijden van Tafin, in 1709, werd Johan Theodoor Baron van
+Friesheim tot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen
+die van Gouverneur van 's Hertogenbosch verwisselde. Hem vervingen
+achtereenvolgends in 't zelfde jaar Jacob Harduïn Palm en Statius
+Filip Grave tot Benthem.
+
+De stad Heusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de
+Dagvaarten beschreven werd en teekende vóor Purmerend, had zich, even
+als vele andere kleinere Steden, dit recht--waarvan de uitoefening met
+geen geringe kosten gepaard ging--van lieverlede laten ontnemen. Ten
+tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder
+gelden, 't welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid
+bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden
+zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden
+gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De
+oorlog tegen Frankrijk was uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons
+Land gevallen, hadden Breda en Geertruidenberg veroverd, en eischten
+nu ook Heusden op. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad
+zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken
+toch waren sterk, de schansen te Doeveren en Hemert in goede orde, en
+de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins van Oranje (later
+Koning Willem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart te Heusden zijn
+hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn
+broeder Frederik vervangen.
+
+Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in 't volgende jaar
+waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktober den Bosch overmeesterd,
+en men was te Heusden hun aanval verwachtende; weshalve men, ter
+meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk te
+Hedikhuizen gemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap met Holland, door
+de om Heusden zwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst
+viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging
+werden hierdoor grootendeels verzwakt. Van Liesvelt, die het bevel
+over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting
+nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn
+krijgsvolk, de stadsgrachten en de Maas open te houden, waarmede,
+den 28sten December, door veertig burgers tevens, een aanvang werd
+gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting
+in 't ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad op Heusden gemunt
+had. Dan op den vijfden dier maand deed de Generaal Daendels de
+vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien
+men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan
+een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten
+bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg
+men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een
+aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals
+opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te
+hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen,
+verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden
+voorraad krijgs- en mondbehoeften, welke Daendels in handen vielen.
+
+Onder het bewind van Napoleon lagen er veteranen in bezetting te
+Heusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen,
+de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken
+of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheen Heusden eensklaps uit den
+doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest,
+herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van
+Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de Generaal
+Bulow had er een tijd lang zijn hoofdkwartier.
+
+Maar weldra zou de tijd aanbreken, dat Heusden uit den rij van
+Neêrlands sterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad
+ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd
+en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne
+bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingen onderging: voorts een
+arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het
+Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders
+van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht,
+en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap,
+maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens,
+met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert.
+
+
+
+
+
+
+
+HET KASTEEL TE GEMERT.
+
+
+De witte mantel met het roode kruis, die kenmerkende dracht des
+roemruchtigen Tempeliers, was reeds lang in de wentelende golven van
+den tijdstroom ondergegaan, of liever: in de vlammen, door Clemens den
+Vijfde en Filips den Schoone ontstoken, verteerd--toen eene andere
+Ridder-orde, jonger van erkenning, maar weinig minder beroemd dan
+die van den Tempel, nog in vollen bloei stond: wy bedoelen de Orde
+der Marianen of Duitsche Ridders, ook Kruisheeren, Teutonisten,
+en Ridders van den Duitschen Huize genoemd.
+
+Nadat Jeruzalem in 1099 door de Kruisvaarders veroverd was, deed
+een Duitsch Edelman aldaar een huis inrichten, ter verpleging van
+zoodanige pelgrims en Ridders onder zijne landgenoten, als zulks
+mochten behoeven. Zijn voorbeeld vond navolging: eenige andere edele
+Duitschers, wier hart warm sloeg voor zelfopofferende menschenliefde,
+sloten zich by hem aan, voegden de inkomsten hunner goederen by die der
+zijnen, en vormden alzoo weldra eene broederschap van barmhartigheid,
+die, door geen anderen regel dan onderlinge overeenkomst verbonden,
+hare weldaden uitdeelde zonder veel geruchts, en in tijden van gevaar
+weder even snel naar het zwaard greep als voorheen, en het niet minder
+wakker voerde.
+
+Toen het meerendeel dezer Ridders in de moedige maar onbedachte
+verdediging van Tiberias, 1187, was gevallen, en de overigen daarop
+by het verlies van Jeruzalem die stad moesten verlaten, zou de
+Vereeniging geheel onder zijn gegaan, indien eenige medelijdende
+kooplieden van Lubeck en Bremen haar niet hadden ondersteund. Nadat
+er in 1190 eene versterking door nieuwe leden had plaats gevonden,
+besloot men zich, naar het voorbeeld der Tempeliers en Hospitaliters
+of Sint-Jans-Ridders, tot eene gesloten Geestelijke Ridderorde te
+vereenigen, en wendde zich om vergunning daartoe tot Keizer Hendrik
+den Zesde en Paus Celestinus den Derde, welke laatste by een bul van
+den 12en Februari 1191 zijne toestemming gaf, en bepaalde, dat zy
+den naam zouden dragen van Ridders der H. Maagd Maria, of Broeders
+van het Duitsche huis onzer Lieve Vrouwe te Jeruzalem; zy zouden
+aan de kloosterregelen van Sint Augustinus onderworpen zijn, en hun
+onderscheidend gewaad moest bestaan uit een zwart kleed, waarover
+een witte mantel met een zwart kruis op den linker schouder. De
+Keizer schonk bovendien den Ordemeester, waartoe Henrik van Walpott
+van Bassenheim reeds in 1190 gekozen was, het recht om ridders te
+slaan, met eenige andere gunstbewijzen daarenboven, en zoo zag de
+nieuwe Orde, niet zonder nayver der Johannieten en Tempeliers, haar
+bestaan gevestigd.
+
+By de verovering van Akkaron (Ptolemais) kocht de Ordemeester daar
+een uitgestrekten hof, en stichtte er eene kerk en een hospitaal,
+benevens een kloostergebouw voor de broeders; en nu ging de Orde
+rustig, en aanvankelijk zonder veel opzien te baren, haren weg, niet
+minder dapper, maar veel minder begiftigd, veel minder weelderig door
+rijkdom dan beide genoemde orden.
+
+De zaak der Christenen was echter in Palestina, na den val
+van het Koningrijk Jeruzalem verloren: daarom besloot de vierde
+Ordemeester, Herman van Salza, den zetel der Orde naar Venetië over
+te brengen. Herman van Salza, een der edelste en grootste mannen
+van zijnen tijd, was de adelaar, op wiens stoute vleugelen de Orde
+zich tot eene ongekende hoogte verhief. De roep zijner onkreukbare
+goede trouw en rechtschapenheid was zoo groot, dat Keizer Frederik
+de Tweede en Paus Honorius de Derde een onderling geschil aan zijn
+oordeel onderwierpen, en zich naar zijne uitspraak gedroegen;
+beide waren evenzeer over hem voldaan, en de Orde oogstte er de
+voordeelen van in: Honorius ontsloeg haar van het geven van tienden
+en van onderworpenheid aan het geestelijk gericht, en Frederik
+begiftigde haar met voorrechten en goederen; daarenboven verhief
+hy Herman, die van den Paus een kostbaren ring, in 't vervolg het
+Ordemeesterschap eigen, ontfangen had, voor hem en zijne opvolgers
+in den Rijksvorstenstand. Van toen af breidden de bezittingen der
+Orde in Europa zich snel uit. In 1226 door den Hertog der Masoeren
+naar Pruissen gebeden, om er de wilde heidensche bewoners ten onder te
+brengen, met toezegging van de landstreken, die zy zoude overwinnen, in
+eigendom te zullen ontfangen, werd Herman van Balco derwaart gezonden
+aan het hoofd van eenige Ridders en knechten, wier heldhaftigheid met
+zoo goed gevolg werd bekroond, dat de geheele Orde, na het verlies van
+Akkaron in 1291, zich in het overwonnen land aan de Oostzee vestigde,
+en in 1309 Marienburg tot Hoofdzetel koos. In de laatste helft dier
+eeuw bedroegen hare inkomsten, alleen van gemelde landstreek, 900,000
+Rijnsguldens, eene som, waarover geen Europesche Staat van die dagen
+beschikken kon, terwijl de bloeiende toestand harer bezittingen en
+de welvaart der onderhoorigen de beschuldiging weerspreken, dat zy
+een tyranniesch bestuur voerde.
+
+Hare bezittingen werden verdeeld in 12 Landschappen, Balyen of
+Landkommanderyen genaamd, die door Landkommandeurs werden bestuurd, en
+waarvan er 2 in Nederland lagen. De hoofdzetels daarvan stonden, voor
+het noorderdeel, te Utrecht, en, voor het zuiderdeel, te Aldenbiezen,
+in Limburg, zijnde de laatste, die reeds in 1220 voorkomt, de oudste
+[5]. De onderafdeelingen die te zamen eene landkommandery uitmaakten,
+werden eenvoudig kommanderyen genoemd, en stonden onder het beheer
+van een Orde-ridder, die den tytel van Kommandeur voerde. Tot Utrecht
+behoorden 12 kommanderyen, waarvan wy de vermelding, met byvoeging
+der weinige tot ons gekomen byzonderheden, hier geheel op hare
+plaats achten.
+
+1. Middelburch, waar het huis der Orde in 1249 werd gesticht op
+een erf, haar door Niclaes van Putten geschonken. Graaf Floris de
+Vijfde heeft deze kommandery mild begiftigd, »en 't zelve huis is
+metter tijd zoo magtig geworden, dat, wanneer de Graaf van Holland,
+of deszelfs oudste zoon, ter hooge vierschaar binnen Middelburg zaten,
+de Abt van Middelburg aan de rechter, en de Kommandeur der Duytsche
+orden aan de slinkerzijde van den Graaf gezeten waren."
+
+2. Leyden, mede een gift van Grave Floris den Vijfde: hy schonk er
+in 1268 de St. Pieterskerk, en de Orde richtte er het gebouw der
+kommandery by op.
+
+3. Dieren, op de Veluwe, een kasteel, met vele daartoe behoorende
+landerijen. Graaf Adolf van Bergen schonk het der Orde in 1240, waarop
+het aan de kamer des Grootmeesters werd getrokken, tot in 1420, toen
+het aan den Landkommandeur van Giessen overging; maar Heer Herman
+van Keppel, Landkommandeur van Utrecht, kocht het in 1433 voor eene
+som van 3000 Rijnsguldens, en voegde het by zijne eigene Baly.
+
+4. Oetmarsen, weleer tot de landkommandery van Munster behoord
+hebbende, maar in de eerste helft der vijftiende eeuw onder die
+van Utrecht gebracht. Het huis was gesticht in het jaar 1290, door
+zekeren Leffard, een schildboortig poorter van Oldensael, die zich
+mede in de Orde begaf.
+
+5. Valckenburch. Graaf Willem de Tweede schonk der Orde in 1251 de
+kerk aldaar, waaronder twee parochiën behoorden, nl. Katwijc op Zee en
+Katwijc op den Rijn. In 1378 verplaatste Splinter uten Eng, toenmaals
+aan het hoofd der Baly van Utrecht staande, den kommandeurszetel van
+Valckenburch naar Katwijc op den Rijn, ten gerieve der zeedorpers,
+en liet de eerstgenoemde plaats als eene pastory op zich-zelf. Sints
+dien tijd wordt er gewoonlijk van de kommandery van Katwijc gesproken.
+
+6. Hofdijc, die mede aan Grave Willem, door het schenken der kerk te
+Maesland, in 1251, haar oorsprong dankt. Zijn zoon Floris begiftigde
+later de Orde met eenige landerijen aan den Hofdijk, waarop de
+Utrechtsche Baly er een huis deed stichten voor een Kommandeur. In
+1365 deed de Landkommandeur Henric van Alckemade, met toestemming
+van Graaf-Hertog Aelbrecht, het huis ten Hofdijc afbreken, en een
+ander by de kerk van Maesland oprichten. De goederen aan den Hofdijk
+werden aan de landkommandery gehecht, en de Ridders mede derwaart
+verplaatst. Sedert stond de kommandery van Maesland op zich-zelf.
+
+7. Doesborch, die in 1266 een aanvang nam: De Regulieren van het
+klooster Bethlehem, zich tegen de Orde misgrepen hebbende, en tot
+voldoening genoodzaakt, schonken haar in dat jaar de kerk dezer plaats,
+waarover zy te beschikken hadden.
+
+8. Rhenen, waar Graaf Egbert van Bentheim de kerk in 1268 aan de
+Orde maakte; eene aanzienlijke schenking, die door zijn zoon Otto
+bevestigd werd.
+
+9. Schoonhoven. Gwy van Blois gaf der Orde in 1390 de keuze tusschen
+de kerk van Gouda en die van Schoonhoven; zy koos de laatste, welke
+hy daarop met eenige andere goederen afstond.
+
+10. Scaluynen, of Schelluynen, eene heerlijkheid, geschonken door Heer
+Dirc van Altena, met de kerk en de tienden van het dorp, benevens de
+ten deele onder Giessen behoorende visscherij, en drie landhoeven.
+
+11. Bunen, in Drenthe, was eerst een konvent van zusteren der Duitsche
+Orde, en omstreeks 1271 opgericht. Het kwam toen onder de Westfaalsche
+Baly te Munster, maar werd door den Utrechtschen Landkommandeur
+Gosewijn van Gaerne, die in het midden der veertiende eeuw vermeld
+wordt, voor eene som van 1500 pond aangekocht.
+
+12. Nesse, almede ontstaan uit de gift der kerk, door eenige Friesche
+Edelen in 1298, schijnt de geringste der kommanderyen geweest te zijn;
+ten minste werd het huis, naby de kerk gesticht, slechts door Priesters
+en dienende broeders, geenszins door Ridders bewoond.
+
+En nog waren deze bezittingen niet de eenigen der Utrechtsche Baly:
+te Hemert in Gelderland, en te Scoten in Friesland, vond men nog een
+konvent. Het huis en konvent te Scoten, waar aanvankelijk slechts
+zusteren der Orde woonden, was gesticht omstreeks den aanvang der
+veertiende eeuw. Later werden er Priesters en dienende broederen in
+geplaatst. Het huis te Hemert was in 1270 gesticht. De Landkommandeur
+Johan van Hoenhorst verwisselde het in 1328 tegen andere goederen
+te Thiel, toebehoorende aan de Kanunniken van de St. Walburgskerk
+aldaar, die zich vervolgends te Aernhem neêrsloegen, en de St. Walburg
+aan de Orde schonken, waarop de Landkommandeur het huis te Hemert
+deed afbreken, en een nieuw gebouw by gemelde kerk binnen Thiel
+oprichten. [6]
+
+Tot de landkommandery van Aldenbiesen (Vieux-Joncs), in de nabyheid
+van Tongeren gelegen, behoorden de volgende kommanderyen:
+
+1. Jongebiesen, te Maestricht; 2. Rebsdorf in Gulick; 3. St. Gilis
+te Aken; 4. Biesen te Keulen; 5. Ramesdorf by Bonn; 6. Bernesheym,
+en 7. Ordingen, beide by St. Truden; 8. St. Petersvoren in Limburg;
+9. Gruytrode in de Luyksche Kempen; 10. Beckevoort by Diest; 11. Feucht
+of Vught, en 12. Gemert, beide in de Meiery van 's Hertogenbosch.
+
+En behalven al deze goederen, bezat de Orde nog op verschillende
+plaatsen het patronaatschap, dat is het recht tot aanstelling van
+een pastoor.
+
+Nadat wy dus de Orde in het algemeen met betrekking tot Nederland
+hebben beschouwd, wenden wy ons tot een harer bezittingen in het
+byzonder, en kiezen daartoe, als eene der niet onbelangrijksten de
+kommandery van Gemert.
+
+Reeds in het begin der dertiende eeuw bezat de Orde aan deze plaats
+eenige goederen, waarover in 1249, volgends een brief van dat jaar,
+nog op het archief van Postel aanwezig, een Provisor bestuurde. Uit
+een charter van 1270 blijkt, dat Gemert toen voor de eene helft
+als vrij land aan Jonkheer Diedryc van Gemert, voor de andere aan
+de Ridders van het Duitsche Huis behoorde. Te dien tijde bestond er
+reeds een Kommandeur, want in het genoemde archief berust mede een
+document van 1261, waarby Broeder Henric, Kommandeur van Gemert, met
+toestemming van den Luykschen Kommandeur de Prenthage, eenige goederen
+aan het huis van Postel verkocht, die gedeeltelijk door den Hertog van
+Brabant, gedeeltelijk door den Beschermvoogd van Mol aan de Kommandery
+geschonken, en in de dorpen Lommel en Hilvarenbeec gelegen waren.
+
+In 1366 was broeder Gheryt van Audenhoven Kommandeur. Op den 21en
+Juni van dat jaar kocht hy van den toenmaligen Diedryc van Gemert
+dat gedeelte der Heerlijkheid, dat tot hiertoe nog door dit geslacht,
+sedert 1364 als leen, bezeten was, waardoor het Duitsche Huis alzoo
+in het volledig bezit geraakte. Kort daarna, het zij onder zijn
+bestuur, het zij onder dat van zijn opvolger Henric Reynart van
+Husen, in 1387 vermeld, werd er ten zuiden van de dorpskapel een ruim
+gedeelte gronds, aan den zoom van het watertjen de Rups, afgebakend,
+en daarop het sterke kasteel gebouwd, dat sints den Kommandeurs met
+de hunnen ten verblijf diende. Het hoofdgebouw rees als een zwaar
+vierkant gevaarte, uit drie of vier andere gebouwen bestaande, met
+steile daken, en alleen slechts door trapgevels en hoektorens ietwat
+verlevendigd, kloosterachtig somber uit de diepe gracht op, en werd
+nog door buitenwallen en eene versterkte voorpoort beschermd. De
+inwoners van Gemert zullen zich evenwel waarschijnlijk niet over den
+afstand van Heer Diedryc beklaagd hebben: de Duitsche Ridders waren
+geen harde heeren voor hunne onderzaten; en zoo men al beproefd heeft
+hen daarvan te beschuldigen--de wetten van den Grootmeester Siegfried
+van Feuchtwangen [7], 1309-1312, zijn daar, om den aanklager, dien
+het om waarheid te doen zij, te beschamen: de wijsheid van den Regent
+spreekt er u op iedere bladzijde uit tegen; en waar ze strengheid
+ademen, daar is het om een vergrijp te voorkomen, of te straffen,
+opdat de goedgezinde onderdaan in vrede en veiligheid het zijne
+bezitten moge, en orde en zedelijkheid bevorderd worde. Welke eene
+naauwlettende zorg spreekt zich uit in verordeningen, by de Art. XX,
+XXIV, XXVII, inhoudende:
+
+Vee, den eigenaar tot zijn daaglijkschen arbeid noodig, mag voor
+geenerlei schuld in pand worden genomen.
+
+Jaarlijks zullen de dorpsrechters met hunne byzitters de grenzen
+hunner gemeente omrijden, en de marksteenen en grensteekens, waar deze
+onkenbaar mochten geworden zijn, vernieuwen, op straffe van vergoeding
+der schade, die door nalatigheid in deze verplichting mocht ontstaan.
+
+De voogden van weduwen en weezen zullen de goederen hunner pleeglingen
+schriftelijk doen opteekenen en beschrijven, en het hun toevertrouwde
+gants zoo als zy het hebben ontfangen, by het einde hunner voogdijschap
+te rug leveren, op verlies van hunne eer.
+
+Zulk eene naauwlettende zorg kan niet worden overschaduwd door eene
+strenge strafbepaling, als die, waarby vrijheid gegeven wordt, om
+een wechgeloopen dienstknecht by het oor vast te spijkeren (Art. VI):
+de laatste verordening had niets wreeds naar de zienswijze van dien
+tijd--de eersten zijn nog weldadig en billijk in het oog van den onze.
+
+Het zou zeker de moeite waardig zijn, zoo men kon nasporen, in
+hoeverre het bestuur der Orde over hare goederen in ons land, van
+invloed mag geweest zijn op de denkwijze van de hooge Regeering
+omtrent de regeling van dezer gemeentebelangen.
+
+De Orde scheen hier echter gee grooten prijs te stellen op het volle
+bezit van allen eigendom, want de kommandeur Iwan van Cortenbach
+verkocht op den 1en Augustus 1421 de gemeente Gemert aan de
+ingezetenen, voor eene erfpacht van 50 kroonen 's jaars. Heer Iwan
+(ook Ywan genoemd), die voor het eerst als Kommandeur van Gemert
+gemeld wordt in een schepenbrief van 25 November 1418, was tevens
+Landkommandeur van Aldenbiesen.
+
+Als Iwans opvolger wordt genoemd Heer Dirc van Betenhausen, of
+Bergenhuysen. Blijkends eene aanteekening in het pastoreele register
+der gemeente, kocht hy de moerige Peellanden van Gemert van den
+Brabantschen Hertog Filips, en gaf ze vervolgends voor een pacht van
+61 karolusguldens aan de ingezetenen weder uit. Daarna benoemd tot
+Landkommandeur van Aldenbiesen, werd hy in de kommandery van Gemert
+opgevolgd door Heer Henric van Eynatten. Het was onder het bestuur
+van dezen Kommandeur, dat de kapel te Gemert [8], grootendeels door
+bemoeiïng en tusschenkomst van den Landkommandeur Bergenhuysen, tot
+eene parochiekerk verheven werd, waarvan de wijding op den 18en Maart
+1437, door den Luykschen Bisschop Johan van Heynsbergen, met groote
+plechtigheid plaats vond. Heer Henric, overleden 17 Juli 1444, en in
+de kerk te Gemert voor het hoog-altaar begraven, werd als Kommandeur
+opgevolgd door Niclaes van der Dussen, uit het Hollands-Brabantsch
+geslacht van dien naam. Hy was de tweede zoon van Jan van der Dussen,
+Heer van Dussen, Aertwaerde, en Munsterkercke. Vóor 1439 in de Orde
+getreden, bekleedde hy, onder andere aanzienlijke betrekkingen, de
+waardigheid van Kommandeur te Gemert tot in het jaar 1467, toen hem
+het Landkommandeurschap werd opgedragen, weshalven hy naar Aldenbiesen
+vertrok, en daarna in 1476 overleed. Zijn bloedverwant Aernout van
+der Dussen, die te Gemert zijn plaats verving, deed er het nieuwe
+parochiale kerkgebouw vergrooten met een aanzienlijk choor, waarop
+een klein torentjen geplaatst is.
+
+In vrede en rust ging het leven op het kommanderykasteel doorgaands
+steeds voorby; hoewel de Ridders voor 't overige de strenge
+onthoudingsregelen niet meer zoo naauwgezet hielden als in den beginne:
+de Grootmeester Wallenrode b.v. gaf zijnen Duitschen gasten eens
+een zoo prachtig eeremaal, dat de onkosten daarvan, zoo men zegt,
+de verbazende som van 500,000 markzilvers bedragen hebben. Ook
+moeten wy niet voorby zien, dat de beöefening der wetenschappen
+aan de Orde volstrekt niet vreemd was. En al is het ontwijfelbaar
+dat sommige Grootmeesters zekere historische documenten opzettelijk
+hebben vernietigd, en bepaalde plaatsen in kronijken, waar van de Orde
+gesproken werd, doen wechnemen--de Grootmeester Winrich van Kniprode
+daarentegen, die van 1351 tot 1382 regeerde, was een voorstander en
+beschermer van wetenschappelijken vooruitgang. Hy deed de weinige
+bestaande scholen in Pruissen verbeteren, en nieuwe oprichten, opdat
+het zijnen jongen Ridderen, wanneer zy in rijd- en strijdkunst volkomen
+bedreven waren, aan geen onderricht van den geest ontbreken zoû. Wy
+zijn dus volkomen gerechtigd tot de onderstelling, dat er buiten het
+Breviarium, of de Orde-statuten, of den Blaffert van eigendommen,
+nog wel eens een andere foliant of kwartijn door den Kommandeur van
+Gemert, of diens Ridders, zal zijn opengeslagen; dat een Bestiaris
+van Maerlant, of een Slag by Woeronc van Heelu er geen onbekende
+verschijnselen zullen zijn geweest; ja dat, al gedoogden de ernst van
+het verblijf en de eerwaardigheid der Krijgsmonniken niet altoos, als
+op de kasteelen der waereldlijke Edelen, open hof en blijde ontfangst
+voor een reizenden Minstreel of Sprookspreker--Heynrycs Roman der
+Kinderen van Limborch behoeft er wel zoo min een onbekende gast te
+zijn geweest, als Dirc Potters sproken van Der Minnenloep. Ook was
+het den Kommandeurs en Ridders volstrekt niet ontzegd, om aan een
+waereldsch feest of vreugdebedrijf, op den een of anderen burch,
+of aan het Hertooglijk hof gegeven, deel te nemen, evenmin als het
+genot van den wandelrid of dat van het weidspel,
+
+
+ Hair met hair, en veêr met veêr,
+
+
+onder de verboden uitspanningen werd gerekend. Dit alles te zamen
+genomen, vinden wy dus redenen te over om te gelooven, dat het
+verblijf in de zalen en gewelven der kommandery (al vond men ze,
+naar de gewoonte der Orde, door het overal aangebrachte zwarte kruis
+meer versomberd dan vercierd) zoo min als de landstreken daar rondom,
+niet zoo eentonig en van alle afwisseling ontdaan zal zijn geweest,
+als eene oppervlakkige beschouwing zou kunnen doen vermoeden.
+
+Toen Aernout van der Dussen in 1482 overleden was, werd hy opgevolgd
+door Heer Maximiliaen van Eynatten, die er tot in 1503 zijn ambt
+bekleedde, om het toen, als zoo menig een zijner voorgangers, met
+dat van Landkommandeur van Aldenbiesen te verwisselen.
+
+Van de Kommandeurs Wynand van Breyl (benoemd 1536, overleden 1554)
+en Wynand van Eynatten (overleden 25 Mei 1570) vinden wy niets
+merkwaardigs opgeteekend. Zy schijnen, niettegenstaande de klimmende
+onrust der tijden, zonder stoornis bestuurd te hebben.
+
+Minder rustig liep het onder Heer Wynands opvolger Godaert van Aere. In
+1588 deed de onvertsaagde maar woeste Marten Schenck een strooptocht
+in het dorp Gemert, waarby de inwoners veel van zijne wapenknechten
+te lijden hadden. Niettegenstaande de bemanning van het kasteel te
+gering was om een uitval te doen en de dorpelingen by te springen,
+werd er toch zoo vinnig van de wallen geschoten, dat de plunderaars
+het niet waagden om den ingang der kerk, die naar de kasteelzijde
+lag, te bemachtigen. Toen, om toch de gehoopte buit der kerkelijke
+kostbaarheden niet te verliezen, braken zy aan de noordzijde van het
+gebouw een opening waardoor zy binnendrongen, het inwendige van al
+zijne cieraden beroofden, en de kenteekenen der eeredienst baldadig
+vernielden. De toen gemaakte opening werd niet weder dichtgemetseld,
+maar slechts bygewerkt, en sedert tot een gewonen ingang in orde
+gebracht.
+
+Een dergelijk onheil herhaalde zich in 1599 in nog veel grootere mate,
+toen de Spanjaarden in het dorp vielen, en het geheel uitplonderden.
+
+Henrik van Holtorp, dien wy na Godaert van Aere vermeld vinden,
+overleed te Gemert in 1630, en werd voor het hoog-altaar in de kerk
+begraven.
+
+Zijn opvolger was de Kommandeur Ulrich van Hoensbroek, een fier en
+hooghartig man, die zich door trotschheid en heerschzucht by velen
+gehaat, by niemant, zelfs zijner Orde, bemind maakte. Hy berokkende
+zoowel der kommandery als het dorp veel onaangenaamheid. Reeds stond
+hy te Gemert aan het hoofd der zaken, toen hy naar het opengevallen
+Landkommandeurschap dong, en zien moest dat men hem voorby ging, en
+een jongeren Ridder, Graaf Godfried van Huyn de Geleen aanstelde. Vol
+van verbittering, weigerde hy nu diens bevelen te volbrengen; en toen
+hy in 1648 over dezen inbreuk op de wetten der Orde ter verandwoording
+gedagvaard werd, beriep hy zich op de Staten der Vereenigde Provinciën,
+aan wie sedert den 30en Januari van dat jaar te Munster de Meiery van
+'s Hertogenbosch was afgestaan. Op den 24en Juli nam eene Staatsche
+bende van Gemert bezit, en verjoeg er terstond de Dominicanen, die,
+in 1629 reeds eenmaal uit 's Hertogenbosch verdreven, zich onder de
+schaduwe der kommandery hadden nedergeslagen. In 1649 schijnen eenigen
+hunner weer heimelijk naar Gemert te rug gekeerd te zijn; ten minste
+het gerucht daarvan liep rond, en kwam ter ooren van den Schout van
+Peelland, Prouninck gezegd Deventer, die gants niet monniksgezind
+was. Of het nu waar of onwaar mocht zijn--Prouninck sloeg er geloof
+aan, en viel op een vroegen morgen in den zomer, kort na pinksteren,
+met eene ruiterbende in het dorp. Het klooster [9] werd terstond
+aangevallen, de vensters stuk geslagen, en--torschte men er al geen
+
+
+ kelcken uit, kassuiffelen, en kappen,
+ Die stijf staen van gesteente, en paerlen en root gout,
+ Om 't heerelijckst, als 't placht, wanneer men hooghtyd houdt--
+
+
+de plonderaars keerden toch niet met ledige handen uit het ontwijde
+gebouw. Maar wat erger was dan deze moedwil, aan levenlooze voorwerpen
+gepleegd--de geprikkelde baldadigheid koelde zich ook aan een grijzen
+leekebroeder, die byna naakt door de vensters werd gesleurd, naar de
+markt gevoerd, en daar, van de ruwe ruiters omringd, der bespotting
+prijs gegeven. De pastory en des kapellaans woning werden mede
+geplunderd; de pastoor, benevens de prioor der Dominicanen, gevangen
+naar 's Hertogenbosch gebracht, en niet, dan tegen betaling van een
+groot losgeld, weder ontslagen; de kerk bleef in handen der hervormden.
+
+Zoodra deze handelingen den Landkommandeur waren kenbaar geworden,
+bracht hy terstond zijne klachten in by den toenmaligen Grootmeester
+der Orde, den Aarts-Hertog Leopold van Oostenrijk, die zonder eenig
+vertoef zijn Licentiaat Verheye naar 's Gravenhage zond, om de
+kommandery te rug te eischen. De Staten waren daartoe echter volstrekt
+niet genegen: zy beweerden, dat Gemert noch eene vrije Heerlijkheid
+was, noch tot het Rijk kon worden gerekend, maar onder de Meiery
+van den Bosch, en alzoo onder het recht van hunne soevereiniteit
+behoorde. Zy grondden dit op het volgende:
+
+»Uit verschillende oude brieven bleek het, dat Gemert by het kwartier
+van Peelland ingesloten was, zijnde het in 1572 onder het Bisdom
+'s Hertogenbosch, en wel onder het Landdekenschap van Helmond, de
+hoofdplaats van 't kwartier Peelland, gesteld. Gemert was weleer een
+gehucht van het dorp Bakel, en de kerk een dochterkerk van die der
+laatste plaats geweest. De Koning van Spanje had, als Hertog van
+Brabant, den Bisschop van Luyk (die zich over het onttrekken van
+Brabant aan zijn geestelijk rechtsgebied beklaagde) ten andwoord
+gegeven, dat hy in zijn eigen land, met toestemming van den Paus,
+zooveel Bisdommen kon oprichten als hem goed dacht. Men had zich van
+alle vonnissen, te Gemert gewezen, altijd op de hoofdbank des kwartiers
+van Peelland, te Helmond, van dáar op Schepenen van 's Hertogenbosch,
+en vervolgends op den Raad van Brabant, te Brussel, beroepen, als uit
+twee brieven, van 1434 en 1451, bewijsbaar was. Het op-, of afzetten
+der munt was te Gemert altijd door den Hertog van Brabant geschied. De
+maten en gewichten, die men er bezigde, waren te Helmond geijkt. De
+gantsche Gemertsche gemeente of heide was eigen goed van den Hertog
+van Brabant geweest, die het op den 6en Juli 1450 aan de Heerlijkheid
+had verkocht, behoudens een cijns van 50 oude grooten tornois. De
+inwoners van Gemert stonden onder het ingebod van 's Hertogenbosch,
+dat eene der vier hoofdsteden van Brabant was, en de Judicatuur van
+Gemert kwam den Staat toe, gelijk de Orde zelf bekende."
+
+De Grootmeester daarentegen beweerde, dat Gemert niet in Peelland
+geënclaveerd was, en vestigde deze stelling op het volgende:
+
+»Gemert grensde aan het land van Ravesteyn, aan het opperkwartier
+van Gelderland, en aan Spaansch-Brabant. De Landkommandeur Johan van
+Cortenbach had, als gemachtigde van den Grootmeester, in 1421 aan de
+ingezetenen van Gemert zekere gemeente- en peelvelden verkocht. Toen
+in het jaar 1270 eenig geschil tusschen den Hertog en die van
+Gemert gerezen was, had de eerste verklaard, dat hem noch hooge,
+noch lage heerlijkheid, noch eenig recht te Gemert toekwam, maar
+begeerden zy van hem hulpe, dan was hy als opperste Beschermheer
+verplicht hun die te verleenen. Gemert was door den Raad van Staten
+in 1621, toen de brandschattingen in de Meiery waren uitgeschreven,
+erkend als niet behoorende onder Brabant. De Kommandeurs te Gemert
+hadden kwijtschelding van doodslag gegeven, en wel in de jaren 1603
+en 1607. Verschillende aan doodslag schuldigen uit de Meiery waren
+naar Gemert gevlucht, en er onvervolgd gebleven. De Landkommandeur
+der Orde had er in het jaar 1613 een vrije jaarmarkt opgericht. Het
+beroepen van vonnissen op Schepenen van Helmond, en van daar op die
+van 's Hertogenbosch, was geen bewijs van onderhoorigheid, omdat men
+zich in verschillende plaatsen der Meiery van aldaar gevelde vonnissen
+op Schepenen van Antwerpen beriep; die van Nymegen, Stevenswaert en
+andere beriepen zich op de Wethouderschap van Aken; voorheen was men
+in verschillende plaatsen van Brabant gewoon zich van de vonnissen op
+de Wethouders van Luyk te beroepen, totdat zulks in 1469 door Hertog
+Karel den Stoute afgeschaft werd. Dat Gemert onder het Duitsche Rijk
+behoorde bleek daaruit, dat het zijn aandeel in de oorlogen tegen
+de Turken had betaald, zoowel als in de vijf millioen rijksdaalders,
+door het Ryk by den vrede van 1648 aan Zweden toegestaan: dit zouden
+de Algemeene Staten niet toegelaten hebben, indien het zeker was,
+dat Gemert tot de Meiery behoorde. Dat het, eindelijk, onder het
+Bisdom van 's Hertogenbosch gelegen was, bewees niets, omdat het
+grootste gedeelte van Brabant, Limburg, en Namen, vóor de oprichting
+der nieuwe Bisdommen in 1565, onder den Bisschop van Luyk behoord had."
+
+Het onderzoeken, uiteenzetten en bepleiten dezer bewijsgronden vorderde
+op zich zelf reeds veel tijd, en het geding werd bovendien traag
+voortgezet. Welk deel de Kommandeur Hoensbroeck, die zich meestal in
+'s Gravenhage ophield, er in had, wordt niet gemeld. Hy beleefde het
+einde van het geschil niet, maar overleed in 1654; zijn lijk werd
+naar Gemert vervoerd, en in het choor der kerk aldaar begraven.
+
+Ambrosius, Baron van Wirmundt, die na hem Kommandeur werd, liet
+zich veel aan de regeling der zaak gelegen liggen; en het was voor
+een groot deel aan zijne rustelooze bemoeiïngen dank te wijten,
+dat er eindelijk tusschen de Staten der Vereenigde Provinciën en den
+Grootmeester een concordaat tot stand kwam, waarby de laatste, onder
+zekere voorwaarden, in zijn recht op Gemert werd erkend. Het besluit
+daartoe, door de Staten op den 8en Juni 1662 in den Haag geteekend,
+bevatte hoofdzakelijk het volgende:
+
+»De Staten Generaal verklaarden, dat Gemert onder het Duitsche Ryk
+behoorde, en zy derhalven daarover geen gezach, hoegenaamd, behouden
+of op nieuw eischen zouden. Dat zy de opperheerschappij volkomen
+afstonden, met beding echter, dat de Heerlijkheid onder het appèl
+en ingebod des gerichts van 's Hertogenbosch zoû blijven, gelijk tot
+hiertoe gebruikelijk was geweest. De Grootmeester en de Orde zouden
+voortaan de vrije oefening der hervormde godsdienst moeten toelaten,
+en daartoe ten hunnen koste, en naar genoegen der Staten eene geschikte
+kapel, benevens woningen voor predikant en schoolmeester doen bouwen;
+het recht tot benoeming van een predikant zou aan de Orde blijven,
+doch het onderhoud zijner woning voor rekening der Staten komen. De
+Orde mocht er geen kloosters, het zij van geördende monniken of andere
+geestelijken, toelaten. Zy zoude voor den afstand aan de Staten 40,000
+gulden betalen: een derde zes maanden na de onderteekening van het
+verdrag, en de twee overige derdedeelen telkens een jaar daarna. De
+Algemeene Staten zouden nergends in gehouden zijn, indien de twee
+laatste betalingen niet op den bepaalden termijn geschiedden."
+
+Op den avond van den 28en Juni, 1662, werd de geslotene voorwaarde
+te Gemert afgekondigd, de parochiekerk den volgenden feestdag van
+Petrus en Paulus door de roomschgezinden weder in bezit genomen, en
+het kerkjen der Dominicanen aan de hervormden afgestaan. De Baron
+van Wirmundt bestuurde vervolgends de kommandery nog ruim twintig
+jaren in rust: hy overleed te Gemert, op den 18en Maart, 1684, en
+werd ter linkerzijde van het hoogaltaar begraven onder een zerk,
+wier latijnsch inschrift zijne deugden en verdiensten vermeldde.
+
+Een Edelman uit Hollands oudst geslacht voerde daarna te Gemert den
+staf: Baron Hendrik van Wassenaer, zoon van Johan van Wassenaer en
+Maria van Erckel. Reeds Kommandeur van Gruytrode, verwisselde hy die
+kommandery, na Wirmundts dood, met Gemert, van waar hy in 1690 naar
+Aldenbiesen vertrok, om daar de waardigheid van Landkommandeur te
+aanvaarden. In het eerste jaar van zijn bestuur, 1685, was Gemert
+geteisterd geworden door een zwaren brand, die honderd huizen
+vernielde.
+
+Bertram Wessel, Baron van Loë, Heer van Wissen, by Kevelaar, kwam
+daarop te Gemert, stierf den 21en Maart 1710, een jaar na zijn
+voorganger, en werdt opgevolgd door
+
+Bertram Antonie, Baron van Wachtendonk, die tevens Kommandeur was
+van Ramersdorff, by Bonn. Deze wakkere krijgsman hield echter op geen
+zijner beide kommanderyen verblijf, daar hy als Keizerlijk Bevelhebber
+by het leger van Karel den Zesde stond. Ook verwierf hy er zich geene
+rustplaats aan de zijde van zoovele hem reeds voorgegane Ordebroeders:
+hy overleed op Sicilië.
+
+Het afzijn van den Kommandeur was intusschen den goederen niet zeer
+voordeelig geweest: het kasteel, dat nu reeds ruim twee eeuwen het
+kruis der Orde gedragen had, was verouderd, en behoefde noodzakelijke
+herstellingen.
+
+Er werd derhalven besloten om voor als nog geen nieuwen Kommandeur te
+benoemen, en met de op deze wijze uitgespaarde gelden in de onkosten
+der vernieuwing van het gebouw te voorzien. De Landkommandeur van
+Aldenbiesen, Damian Hugo, Graaf van Schönborn, Kardinaal-Bisschop
+van Spiers en Constans, beheerde zoo lang de kommandery; en onder
+zijn toezicht werd in 1740 alles weder in goeden staat gebracht,
+en zelfs, in den smakeloozen stijl der achttiende eeuw, zoogenaamd
+opgecierd. Drie jaren later deed men den Kommandeur van Bernesheim,
+Baron van der Noot, zijn standplaats met die van Gemert verwisselen;
+maar na zijn overlijden werd het Kommandeurschap nogmaals eenige jaren
+onvervuld gelaten, om de landkommandery, die door den successie-oorlog,
+waartoe zy heur contingent moest leveren, in zware schulden stak,
+in de afdoening daarvan te kunnen ondersteunen.
+
+Eerst in 1770 vinden wy Gemert dan weder bezet, en wel door Nicolaes
+Bernhard de Borggrave, die in 1777 werd opgevolgd door den Baron
+van Plettenberg.
+
+Deze moest zijn plaats later weder afstaan aan den Landkommandeur
+van Aldenbiesen, Baron Frans Jozef Nepomuc Fidelis van Reisschag,
+onder wiens bestuur werd aangevangen met het bouwen van een schoonen
+toren, aan de westzijde der kerk. Reeds waren de fondamenten gelegd,
+toen in 1794 het werk werd gestoord door de verschijning der Fransche
+driekleur op den Nederlandschen bodem. De woeste republikeinen, die
+der Orde ontnamen wat zy konden bemachtigen, maakten zich ook van
+de kommandery Gemert meester, en nu ging deze den Duitschen Huize
+voor altijd verloren. In 1810, toen Napoleon het Koninkrijk Holland
+by Frankrijk had ingelijfd, schonk hy de bouwhoeven en eenige losse
+gronden der kommandery aan den Maarschalk Oudinot, Hertog van Reggio,
+die er ook, hoewel korten tijd, de opbrengsten van trok [10]. Het
+kasteel werd echter gerekend tot de domeingoederen te behooren,
+en als zoodanig door de Keizerlijke regeering in 1812 verkocht aan
+Jonkh. Mr. Adrianus van Riemsdijk, die er in 1832, mede door aankoop,
+eenige molens, bouwhoeven en landerijen byvoegde, weleer onder het
+bestuur der Orde er reeds toe behoord hebbende.
+
+De zichtbare herinnering aan het oude is te Gemert niet gants
+verloren gegaan. Nog bestaat de voorpoort van het kasteel nagenoeg
+in den ouden toestand. Is men door deze echter op het binnenplein
+gekomen, dan ontwaart men groote verandering: de gracht is wel ten
+deele overgebleven, maar het hoofdgebouw vertoont zich veel minder
+luisterrijk dan vroeger: de torens met hunne ranke spitsen, die in het
+begin dezer eeuw nog allen aanwezig waren,--de levendige trapgevels en
+hooge schoorsteenen--zy zijn voor goed verdwenen; 't is regelmatiger,
+maar veel minder indrukwekkend geworden. En het inwendige?.... Wanneer
+ge met eenige liefde voor onze monumentale geschiedenis bezield, den
+drempel wilt overschrijden, in de hoop daar nog een spoor van verleden
+dagen aan te treffen; met het voornemen om in eene oude zaal, waar
+de zonnestraal den rij zwart ingelijste, fiere en ernstige gestalten,
+in hunne witte mantels met zwarte kruisen gehuld, gelukkig-spaarzaam
+verlicht, u te verdiepen in niet altoos onvruchtbare droomen van een
+nog niet genoeg gekenden tijd--dan raden wy u: »bewaar uwe illusiën
+en treed te rug."
+
+Maar maakt de levendige werkzaamheid eener katoenspinnerij
+(in onze dagen ontegenzeggelijk van grooter praktiesch nut dan
+een ridderkasteel) een aangenamen indruk op uw gemoed--ga dan het
+westelijk gedeelte binnen, en verheug u by de overtuiging, dat daar
+eene minder bevoorrechte klasse door eigene vlijt in haar onderhoud
+voorziet, en de welvaart van waardige en edeldenkende meesters met
+dien arbeid ondersteunt.
+
+
+
+
+
+
+
+HET KASTEEL VAN MONTFOORT.
+
+
+Godfried van Rhenen, Bisschop van Utrecht, was geen man des vredes;
+zijne regeering (1156-1178) is ten minste een aaneenschakeling van
+oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam
+[11], gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel
+onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet
+gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te
+kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste
+plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en
+deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden
+bezwijken. Om de muitzieke Edelen van Aemstel in bedwang te houden,
+stichtte hy een kasteel te Woerden. Om de Friesche grenzen te dekken,
+deed hy er een te Vollenhoven bouwen; en tegen de Gelderschen richtte
+hy by Rhenen het geduchte kasteel ter Horst op. Hy had echter een
+te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien,
+dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd,
+zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats
+hiertoe scheen hem de landstreek beöosten Oudewater, aan den linker
+Yssel-oever, tegenover het Yssel-veld, en slechts drie uren van zijn
+zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnen last
+het sterke slot, dat, zoo men wil, door hem Mons fortis werd genoemd,
+maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam van Montfoert
+of Montfoort bekend staat.
+
+Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in
+handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener
+genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders
+af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den
+tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding
+gemaakt voor 1227, wanneer wy Everaert Burchtgraaf van Montfoort
+vinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en
+sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief
+van Bisschop Otto van der Lippe hing. Vervolgends wordt er gewach
+gemaakt van eenen Willem, zonder bepaling of hy tot het geslacht
+zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van Bisschop
+Henric den Eerste, 1260, van den Burchtgraaf Wouter, Geraerts zone
+uit den huize van der Goude.
+
+Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de
+handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer
+helder licht ons voor het oog.
+
+Bisschop Johan van Nassau, die van 1267 tot 1288 [12] regeerde, was
+een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een
+kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur
+zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen:
+
+»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is 't er zeer holbollig
+in het Bisdom toegegaan. De regeering van 't gemeenebeste is tenemaal
+t'onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede
+uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd
+altijd, uyt het gemeene volk gekozen; ambachtsgilden ingestelt,
+die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben;
+ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest."
+
+Trouwens--er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk
+besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht
+grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst,
+in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende
+partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten
+van het eerste steunde--om er dikwijls zelf, het zij reeds in zich,
+het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.
+
+Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo
+ging het ook Bisschop Johan; en by een der maatregelen tot
+voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het
+slot Vreeland en dat van Montfoort, welks Burchtgraaf overleden
+was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer
+allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom: Gijsbrecht van Aemstel,
+en Herman van Woerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam
+weldra ten duidelijkste aan den dag, toen Gijsbrecht by Vreeland een
+tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel
+bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig
+gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan--maar hier had
+de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in
+'t eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen,
+riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen
+Burchtgraaf van Montfoort in. Herman van Woerden sammelde niet lang,
+en kwam met eene aanzienlijke krijgsbende Aemstels leger versterken,
+waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by den Soester eng,
+tegentrokken. Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed
+eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of
+verslagen; maar Woerden, daarop met zijne versche benden uit Holland
+aanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der
+Bisschoppelijken. Ofschoon Woerden reeds in den eersten aanval
+zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic"; en
+zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over
+het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag:
+Bisschop Johan verliet in haaste het veld, met verlies van vele
+kloeke strijders, waaronder vooral Steven en Frederyk van Zuylen
+moeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnen Amersfoort.
+
+In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren
+Hollander, Graaf Floris den Vijfde, te hulp; en het bleek, dat
+hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had. Floris zond den
+beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voor Vreeland; zijne
+moedige Zeeuwen, onder Costijn van Renesse, sloegen den tot ontzet
+aangesnelden Gijsbrecht geheel, en namen hem zelfs gevangen; Arent
+van Aemstel zag zich toen genoodzaakt tot de overgave van Vreeland,
+en Floris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te
+hebben, sloeg den weg in naar Montfoort.
+
+Hier had Herman van Woerden hem niet afgewacht. 's Graven krijgsmacht
+duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht
+wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het
+einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme
+dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen" [13], die reeds
+voor Vreeland hadden gediend, werden ongetwijfeld ook voor Montfoort
+gebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur
+beuken. Toen bleek het, dat Godfried van Rhenen goede bouwmeesters in
+'t werk gesteld, en te gelijk, dat Herman van Woerden zijne ongerechte
+zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden
+de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal
+der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan
+blyde en stormram. Telkens vinniger trokken de Hollanders, by het
+schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut-
+en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen,
+en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op--telkens
+werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk
+de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder
+den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering
+van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en--»Holland! Holland!" is
+de zegekreet, die binnen Montfoorts wallen den val vermeld der
+burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy
+ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende,
+velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier
+van Woerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had,
+en de klimmende liebaart van Holland
+
+
+ Zag fier van de transen langs d' Yssel-boord rond:
+
+
+want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het
+door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent
+de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles
+naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279,
+en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.
+
+Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds,
+en de Aemstellaers [14] ter anderer zijde, op den 27en Oktober 1285
+tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven,
+en kwam Montfoort alzoo weder in handen van den Bisschop.
+
+Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die Graaf Floris
+omringden een Brabantsch Ridder, Henric van Roden of Royen, jonger
+zoon uit het geslacht der Graven van Roden, en om manslag uit zijn
+vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296
+Henric de Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade
+lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latere
+Henric van dien naam, kleinzoon van Burchtgraaf Sweder den Eerste,
+zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.
+
+De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl
+Heer Henric van Roden zich nog in Brabant bevond, stierf daar zijn
+oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds
+zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel
+aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve
+Kanunnikdijen: te Roden, te Hilvarenbeec, en te Oirschot; begiftigden
+er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der
+Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op 't hoogst Heer
+Henric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken,
+de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy
+verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery
+tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig,
+dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg
+daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en
+huns levens lang ballingen van Brabant blijven: sommigen begaven zich
+naar Vlaanderen, en verbleven te Brugge, hy-zelf week naar Holland,
+en begaf zich tot Graaf Floris den Vijfde, by wien hy een goede
+ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben
+gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van
+eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche
+zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later
+juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene
+wijze, den Edelman waardig.
+
+De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóor Herman van Woerden
+Montfoort bezeten had, was nog in leven, en de waardigheid heurs
+overledenen vaders onvervuld. Graaf Floris wendde zich daarop tot
+Bisschop Johan van Syric, en wist door zijne voorspraak te bewerken,
+dat Heer Henric van Roden de hand der verweesde Jonkvrouwe van
+Montfoort bekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke
+wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en Heer Herman
+bezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als
+gewoon-, Henric echter als erfleen, schoon 't niet blijkt, dat een
+van beide zich daarover verklaard heeft.
+
+Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader,
+ofte Heer Herman van Woerden oyt geweest hadde," gaf evenwel
+aanleiding tot eene botsing met Johans opvolger Willem van Mechelen,
+die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd
+geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop
+daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe,
+om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer
+hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy
+zich Erf-Borchman op het Slot te Montfoort wist, en dat de goederen,
+tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos,
+gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een
+dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop
+stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan
+de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.
+
+Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen
+de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk
+paleis te Utrecht, waar hy met den Bisschop ook de Ridders Hubrecht
+van Bosinchen, Ghysebrecht van Schalcwijc, Ghysebrecht uten Goye,
+Hubrecht van Vyanen, en Lambrecht de Frese vond, benevens de Heeren
+Jacob van Lichtenberch, Herman Teutelaer en Ghysebrecht Pellencussen,
+Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil
+zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends
+hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, het gebrek aan bescheiden
+ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen
+van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn
+erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en
+zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen
+legde Heer Henric met zijne getuigen de hand op een voorgebracht
+reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door
+allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop
+en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.
+
+Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten
+zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een
+zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van
+graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam
+van Royen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van
+keel. [15]
+
+In 1300 was Burchtgraaf Henric niet meer in leven, en te Montfoort
+heerschte zijn oudste zoon Sweder. Deze, zegt men, huwde met eene
+Jonkvrouwe van Holland; maar het proza der geschiedenis wordt hier
+zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor
+de poëzy der sage, die dus luidt:
+
+
+
+ EEN DOCHTER VAN HOLLAND.
+
+ --»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,"
+ »Wy zoeken Holland weer."
+ Zoo sprak in 't hof van Engeland
+ Graaf Willems Edele Gezant,
+ Volyvrig voor zijn Heer.
+
+ Maar ijlings trad, met biddend oog,
+ Een jonker hem ter zij.
+ Die droeg in 't oog een vurig hart;
+ Een wapen, wit en rood en zwart,
+ Gestikt op zijn kleedij.
+
+ --»Ter wille van uw Edelvrouw
+ »Die gy in 't hart vereert--
+ »Twee enkle dagen nog getoefd,"
+ Zoo bad hy: »schoon 't mijn ziel bedroeft--
+ »En dan--naar gy begeert."
+
+ --»Die bede zy u toegestaan
+ »Mijn Jonker van Montfoort!"--
+ En ijlings was de Jonker heen,
+ Te paard, en voort, en gants alleen;
+ Men wist niet naar wat oord.--
+
+ Aan Medways blaauwen waterstroom
+ Daar rijst een landkasteel.
+ Daar staart een Jonkvrouw van den trans.
+ Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans,
+ Als ducht zy 't lot niet veel.
+
+ Nu wuift zy snel ten toren af,
+ Met hoog-gebloosd gelaat:
+ Een ruiter nadert, gants verhit...
+ Zijn wapen, zwart en rood en wit,
+ Gestikt op zijn gewaad.
+
+ Hy stijgt van 't paard--en ijlings op,
+ En zy daalt ijlings neer.
+ Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart,
+ En zy, van zoete vreugd verward,
+ Zy stelt zich niet te weer.
+
+ Hy sprak: »Een tijding droef--en blij:
+ »Ras keer ik naar mijn land.
+ »Nu zeg my, Ellen! dierbre Maagd!
+ »Van wat geslacht den naam gy draagt,
+ »En 'k spoed my om uw hand."
+
+ Zy bloost--zy siddert--zy ontzet--
+ Zy slaakt een droeve kreet;
+ Zy meldt met diepe droefenis:
+ »Ik weet niet wie mijn moeder is,
+ »Noch hoe mijn vader heet!...."
+
+ --»Ik ben van onbetwijfeld bloed!"
+ Zoo borst hy angstig uit:
+ »Mijn vader is een Hooge Heer....
+ »Toch, Ellen! toch--ik zie u weêr,
+ »En als mijn dierbre bruid!"--
+
+ Straks joeg een strijdros langs den weg
+ Die recht naar Londen gaat.
+ Zijn Ruiter reed met rustloos hart;
+ Een wapen, wit en rood en zwart,
+ Gestikt op zijn gewaad.
+
+ En later reed er, eer de schaaûw
+ Nog heenkroop naar het oost,
+ Een droeve Jonkvrouw langs die baan.
+ Toch blonk er door zoo menig traan
+ Een stille hoop van troost.
+
+ Zy wisselde in de ruime stad
+ Met niemant woord of taal;
+ Maar waar 't arduin paleisbordes
+ 't Blazoen droeg van de Rijks-princes,
+ Daar steeg zy uit het zaal.
+
+ Zy vroeg geen lijftrawant den weg,
+ Geen knaap of kamervrouw:
+ Zy ging er tot in 't rijk klozet,
+ En boog zich neêr, als ten gebed,
+ Alleen met de Edelvrouw,
+
+ Zy bad met woorden uit de ziel,
+ Maar diepe eerbiedenis:
+ »O zeg, Mevrouwe! hoog van staat,
+ »Die my steeds gunstig gade slaat,
+ »Zeg wie mijn vader is?"
+
+ De Rijksprinces verschoot van blos,
+ En siddrend boog ze saâm:
+ »Wat raadslen, Ellen! vraagt ge my...
+ »Wat weet ik wie uw vader zij?
+ »Wie noemde me ooit zijn naam?"--
+
+ En zichtbaar greep het Ellen aan
+ Met zielsontroerenis;
+ En dieper, dieper boog ze neêr,
+ En schreide, en smeekte naamloos teêr:
+ »Zeg wie mijn vader is."--
+
+ Dat brak het hart der Rijksprinces:
+ Zy snikte op schellen toon:
+ »Weet!..." maar toen duizelig en dof:
+ »Aan Hollands machtig Gravenhof
+ »Daar draagt hy-zelf de kroon!..."
+
+ En Ellen brak in jubel uit,
+ En viel haar aan de borst.
+ --»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God:
+ »Dat spelt me een eindloos zoeter lot
+ »Dan ik ooit hopen dorst.
+
+ »Neem nu mijn droef en blij vaarwel:
+ »Ik trek naar ander oord;
+ »En zoo gy ooit my wederziet,
+ »Dan is 't in Hollands rijksgebied,
+ »En Vrouwe van Montfoort!"
+
+ Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk;
+ Maar zy verhief zich ras:
+ »Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart...
+ »Maar wat dan..." en zy kreet van smart:
+ »Zoo ik... uw moeder was?..."
+
+ En Ellen trad versteend te rug:
+ »Mevrouw! wat zegt ge my?
+ »Gy, die steeds aan mijn eigen haard
+ »My goedig--maar als vreemde waart,
+ »Myn moeder, moeder gy?"--
+
+ Toen kromp het moederhart in een:
+ »U afstaan!..." rilde zy:
+ »Neen, Ellen! spreek dat woord niet weêr:
+ »Al kostte 't my mijn rang, mijn eer--
+ »Kies tusschen hem en my!..."
+
+ --»Ik heb... gekozen..." sprak zy zacht
+ (Van smart bestierf heur stem):
+ »Mijn moeder... heeft my... nooit bemind:
+ »Zy was een vreemde voor heur kind.
+ »Mevrouwe!... ik ga met hem."--
+
+ Wie vraagt gehoor by Hollands Graaf?
+ De Jonker van Montfoort.
+ --»Al wat ik Uw Genade breng,
+ »Wanneer ze 't my in gunst geheng,
+ »Dat is een luttel woord:
+
+ »Een groete van de Rijksprinces,
+ »Een vorstelijke groet;
+ »Daarby een bede, koen en stout:
+ »Een Jonkvrouw, twintig jaren oud,
+ »Die drukt ze u op 't gemoed.--"
+
+ Graaf Willem sloot zijn kind aan 't hart,
+ Geroerd en blij te moê:
+ »Nu spreek, mijn dochter! gul en rond:
+ »Ik zie, een beê zweeft om uw mond;
+ »'k Zweer u verhooring toe."
+
+ Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw bad
+ Na 's Graven plechtig woord?
+ Daar gingen luttel weken om,
+ Toen was zy bruid; de bruidegom
+ Was Sweder van Montfoort.
+
+ Maar wie, wie schepen flux daarna
+ In 't heimlijk zich aan boord,
+ En houden koers naar 't Britsche strand?
+ Het wapen, schittrend aan het want,
+ Is 't wapen van Montfoort.
+
+ Men vraagt, met hoofsche plechtigheid,
+ Der Rijksprinces gehoor;
+ Maar als geheel den gang bewust,
+ Treedt de Edelvrouw van Hollands kust
+ Heur eedlen gade voor.
+
+ Zy knielde voor de Rijksprinces,
+ Wel kinderlijk gezind:
+ »Doof niet aan 't Hof uw gloriekrans,
+ »Maar, moeder! wees in 't heimlijk thands
+ »Gelukkig met uw kind!"
+
+
+Sweder van Montfoort gingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van
+den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne
+eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen Bisschop
+Willem van Mechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het
+byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den
+ijzeren handschoe zag, koos Sweder de partij van Hubrecht van Vianen,
+Jan van Linschoten, Jacob van Lichtenberch, en andere samenspannende
+Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen
+Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De
+Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan
+door den Aartsbisschop van Keulen, en nog veel meer vrijwillig
+door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame
+stad Utrecht, waar de Burgemeester Jacob van Lichtenberch thands
+het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche
+Ridders, Diederic van Wassenaer, Henric, Burchtgraaf van Leyden,
+Filips van Duvenvoirde, Simon van Benthem, en Jacob van der Woude,
+rukten daarop hunne dienstmannen by een, om Lichtenberch ter hulp te
+komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op de Hooge-woerd,
+eene vlakte, omstreeks den oever des Ouden-Rijns. Met schetterende
+klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers
+tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder
+aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds
+vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw
+een trompet van de zijde van Montfoort, en de banier, weldra boven de
+aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers
+gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een
+nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een
+groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde
+manlicken, om den seghe te vercryghen." Maar de moedige Bisschop gaf
+het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche
+heir, als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne
+waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde,
+viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze
+strijd geschiedde op den 12en Juli, 1301. Sweder van Montfoort had
+de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.
+
+In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl Bisschop Jan van Arckel voor
+het kasteel Woudenburch, en zijn Maarschalk voor dat van Ruwiel lagen,
+zonden de Ridders Jan van Culemborch en Gijsbrecht van Vianen hem een
+ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen
+en kasteelen. Burchtgraaf Sweder deed daarin dapper meê, zonder dat wy
+weten of hy er oorzaak toe had; maar Jan van Arckel was geen Bisschop
+om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers
+van Woudenburch gebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had,
+ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad
+en het kasteel Montfoort, beide door Sweder bezet en verdedigd.
+
+De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de
+bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker
+en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het
+beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als
+van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig:
+hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen
+een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen
+ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en
+lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende,
+getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men
+om zijne groote goederen Sweder den rijke noemde, eene belangrijke
+som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het
+doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar
+het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge
+recht in de Heerlijkheid Montfoort, voor altoos, terwijl hy het lage
+recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder
+ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining
+van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag
+met Schout, Schepenen en gemeene buren van Montfoort, waarby deze
+beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met
+niemant, wie 't ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den
+Bisschop van Utrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.
+
+Het zij nu dat Sweder edel genoeg dacht, om ook eene door den nood
+afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den
+geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield--het blijkt niet,
+dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig
+te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan
+zijn voorgevallen.
+
+Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoon Henric [16]. Deze
+Burchtgraaf, die zich den tytel van Heer van Montfoort aanmatigde,
+verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk van Abcou, Heer Willem,
+tegen Bisschop Floris van Wevelichoven, en eigende zich met kracht
+van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby
+het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop
+niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te
+berooven, en belegerde het slot van Abcou; toen hy dit overmeesterd,
+en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich tot
+Henric van Montfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het
+Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den
+verdragsbrief van 1297: Bisschop Floris wilde, als een voorzichtig
+Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen
+gebied meer dan gevaarlijk werd, en thands de machtigste zijnde,
+maakte hy, als 't gewoonlijk gaat, van die macht misbruik.
+
+Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van
+de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond,
+werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen
+de banne van Montfoort meer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy
+er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de
+stad Montfoort te komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken;
+en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende
+tegen de bisschoppelijke leenheerschappij. Henric verdedigde zich
+met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd
+jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de
+stad Utrecht in leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen
+uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond
+uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch,
+en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid
+voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak
+zou worden uitgesproken volgends het Landrecht van Utrecht, door den
+Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge
+waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen,
+en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring
+volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen
+Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden;
+maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten
+nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men
+niet voornemens was te onderzoeken, maar wel te oordeelen. De Bisschop
+bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar
+tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig
+had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan,
+waarover voldoening gegeven moest worden. Heer Henric verklaarde die
+gaarne te willen geven--mits zijn schuld uit het onderzoek blijken
+zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig
+bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak
+wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. Maar Henric was
+te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog
+gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht,
+of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche
+schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en
+den meesten van den lande." En daar hem zulks niet werd toegestaan,
+verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men
+hem opzettelijk zijn recht onthield.
+
+Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht,
+nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf
+had Heer Henric verlijd met het Dijkgraafschap »tusscen den nywen-Dam
+ende Sevenhoven, die Lecke langens, ende tusscen den nywen-Dam ende
+Haestrecht, weder die Ysel langens," gelijk dit van ouds Stichtsch
+eigendom geweest, en steeds door de Montfoorts al van over honderd
+jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder
+eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de
+Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met
+brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen,
+Leenmannen en Steden van 't Sticht met den Burchtgraaf te breken;
+en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een
+bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen
+naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor
+goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende
+meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met
+een sterk leger voor Montfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde
+oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde
+er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte
+schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werking werden
+gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een
+aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de
+bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen,
+deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte
+sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd
+gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen
+gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en
+een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde
+niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen
+als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het
+gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht
+te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche,
+thands Luyksche, Bisschop Aernout van Hoorn, oom van Heer Henrics
+gemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te
+bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde
+voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het
+hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen
+toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:
+
+Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden
+door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen
+zich nimmermeer Heeren, maar Burchtgraven van Montfoort schrijven. De
+stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en
+diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar
+te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot
+het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het
+Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet
+meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten,
+of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich te Montfoort
+neêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader
+uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en
+andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet
+verandwoord had, terstond uitbetalen; ook moest hy de oirconde van
+Bisschop Jan van Nassau aan den Luykenaar in handen geven, waarvoor
+hy een andere van Bisschop Willem zou ontfangen, inhoudende de nieuw
+gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen
+uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden
+tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden
+worden.
+
+Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest
+zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder
+hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen,
+blootshoofds en in 't openbaar, dragende in zijne hand de sleutels
+van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven,
+daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed
+van trouwe doende [17]. En totdat deze zoen geheel geregeld was,
+mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig
+man in Utrecht legeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van
+den Bisschop van Utrecht en van Amersfoort zoo wel op der stede als
+op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen
+dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde
+gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan
+komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemde
+Henric van Montfoort, Heer Henrics neef, die daarom van zijne anders
+denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten,
+den toenaam »de Rover" ontfing. Wy lezen ten minste: »dese Heer Henric
+de Rover, Heer Willems soon, bleef doot in het besit van Montfoort,
+t'welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des
+Vrydaechs nae Pinsterdach."
+
+Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraaf weer huiswaart
+rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan
+nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop van Utrecht te
+dienen, deszijds den IJssel met 25 speeren [18], op eigene kosten,
+en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe.
+
+Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn
+»lieven, geminden Heer", en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags
+na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387." Nogtans verklaarde hy, en
+wel, zonderling genoeg, tevens in 't volle kapittel, by zijn eed en
+ridderschap, dat hy 't alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid,
+vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook
+schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde
+Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends
+des Ridders sterke bewoordingen in 't kapittel.--»Daarmeê neem ik
+geen vrede," sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop,
+en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht
+niet benadeelen:--omdat allen, die hierover moeten zitten, niet
+tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den
+vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die
+men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen,
+Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht
+verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap
+beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende,
+daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten
+oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren
+beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken;
+omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft,
+en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in
+'t bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest."
+
+Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo
+knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed
+en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw
+van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was
+hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste
+gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen
+recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnen Montfoort,
+door zekeren Jan Jans van Boemel, een manslag gepleegd op eenen Arent
+den Schermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en
+maakte er zich meester van den moordenaar, die, naar Utrecht gevoerd,
+daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.
+
+Van Henrics twee zonen, Sweder, Ridder, en Jan, Domdeken en Proost te
+Utrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch
+wel billijk ware geweest. Bisschop Frederic van Blanckenheym weigerde
+dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in
+'t openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig
+was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, 't zij nu dat
+deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op
+zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde,
+ter strengere handhaving van zijn gezach--hy liet zich eindelijk door
+bidden en dreigen van Sweder en diens vrienden bewegen, om hem met het
+Burchtgraafschap te beleenen, maar--op de zelfde voorwaarden, waarop
+Heer Henric dat ontfangen had. Heer Sweder bleef geen andere keuze,
+en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor,
+waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel
+aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop,
+thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en
+hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van
+gewelde" te zullen laten.
+
+Toen Sweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de
+zelfde strijd. Zijn broeder Jan, de Utrechtsche Domdeken, had de kap
+aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon
+echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap,
+waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel
+almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil
+tusschen hem en Bisschop Frederic, over het verbreken der overeenkomst
+van 1387, waarin Graaf Willem van Holland, als scheidsman, hem echter
+in 't gelijk stelde.
+
+De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel
+werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden
+tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beieren tot dadelijken
+krijg overgingen, en de Montfoorters des Bisschops partij kozen. In
+dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijc
+van Montfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:
+
+By een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijc
+in der haast te Montfoort zoo vele manschappen samen, als er uit
+de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde
+deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand
+tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver Van der Beke,
+toen Heer Lodewijc met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als
+een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de
+vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en
+streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en
+stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal
+volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden,
+want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die van Oudewater moesten
+'t eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man
+aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf
+met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinte
+Martyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren."
+
+Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos
+behandelde Jacoba van Beieren zoo menig goede dienst, dat zy hem
+uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie
+Heerlijkheden, palende aan het Land van Montfoort, namelijk: Linscoten,
+Hekendorp en Snelrewaerd, die hy later, schoon eerst onder Filips
+van Borgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy
+ook bezittingen in Holland verkregen: de Heerlijkheid Purmerende,
+die hy in 1431 van den Ridder van Sijl had gekocht.
+
+Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman,
+van den Bisschop van Utrecht tot den Burchtgraaf van Montfoort, in eene
+omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende
+oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschen Rudolf
+van Diepholt en Sweder van Culemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag
+tusschen Bisschop Frederic en Jan van Beieren buiten gesloten, vond
+zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak,
+waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door 't groote
+meerendeel der Stichtenaars gehaten, Bisschops Sweder koos. Hy leende
+dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000
+Hollandsche Wilhelmsschilden [19], en ontfing daarvoor ten jare 1430
+in pandschap de hooge Heerlijkheid van Montfoort, met uitdrukkelijke
+voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo
+dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en
+krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te
+rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden
+zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren van Montfoort,
+wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk
+hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde.
+
+Heer Jan van Montfoort had alzoo door zijne rijkdommen verworven,
+wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden
+getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet
+gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te
+feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.
+
+Uit zijn huwelijk met Cunigonde van Bronchorst waren hem drie
+zonen geboren, Henric, Willem, en Sweder. Henric, een heethoofdig
+en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voor
+Agnes van IJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het
+huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare
+bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aan
+Blocland, de andere in Benscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy,
+ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden,
+een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van
+geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd
+geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te
+onterven.
+
+De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene
+omstandigheden, kwam Henric tot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen
+vader te dwingen. Gants in 't heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen,
+waaronder voornamelijk de verwanten van zekeren Jan van Naerden,
+poorters van Woerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale
+op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen
+naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken"
+gevangen hield. Zyn broeder Willem, wien dit verdroot, begaf zich, daar
+de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos
+was, naar Holland, en klaagde Filips van Borgondiën wat er te Montfoort
+plaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den
+ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling
+noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk,
+waarby Johan in het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd,
+onder voorwaarde, dat hy Jonker Henric noch onterven, noch ook maar
+een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men
+echter daarby op eene andere plaats: »deselve Heer Johan Voorsz. sterf
+daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach," dan
+heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, dat Henric in
+zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken,
+het gezach over 't Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder
+zich aan de gemaakte bepalingen te storen.
+
+In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn
+broeder Willem voor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen te
+Utrecht zoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier
+stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden
+voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne
+handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed
+verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige
+staatkunde evenwel van Filips den Goede, die in de toekomst alreeds den
+opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoon David zag bekleeden,
+sloot zich den Montfoorters aan, en maakte hen, door een verbond
+van onderlingen bystand met hem en de Edelen van Mynden, Zuylen,
+Cronenborch en anderen, waarby zich ook de Stad Amersfoort voegde,
+zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en Bisschop
+Rudolf de hand konden bieden, om hem weder in 't bezit zijner met hem
+in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed
+op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den
+slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort
+te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed
+hem toch eene belangrijke boete betalen. Willem van Montfoort hield,
+na de bevrediging door Filips, geheel de zijde zijns broeders, en
+beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen van Utrecht
+te vertoonen, eene opschudding binnen de Stad ten voordeele van Rudolf
+te verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.
+
+En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.
+
+Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche
+gewoonte, het bestuur binnen Utrecht veranderd, en de poorters
+hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en
+drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van
+den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer,
+waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy
+eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort
+en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in 't
+heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam--en,
+in hare duisternis verborgen, ook Bisschop Rudolf. Met hem waren zijn
+neef Proost Coenraad van Diepholt, de Domproost Sweder van Culemborch,
+Burchtgraaf Henric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene
+bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der
+krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene
+ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop
+de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers
+den toegang. De Utrechtenaars, door 't gerucht en de kreten thands
+gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker
+te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht
+greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die
+van Utrecht niet in den rug gevallen--de Bisschoppelijken hadden de
+stad waarschijnlijk niet behouden. Rudolf behaalde de overwinning,
+maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank
+ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van
+belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de
+voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden,
+en waarin natuurlijk zijn broeder Willem deelde, wiens banvonnis door
+den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.
+
+Na den dood van Bisschop Rudolf schijnen de broeders minder eenstemmig
+geweest te zijn: Heer Willem wordt gevonden op de lijst dergenen,
+wien, als tegenstanders van Bisschop Gijsbrecht van Brederode, in 1456
+by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat
+zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos,
+met Reynout van Brederode en Johan van Cleve naar Leyden begaven,
+om Hertog Filips met den Bisschop en diens stad te bevredigen.
+
+Twee jaar later, 1458, overleed Henric, en werd opgevolgd door zijn
+zoon Johan den Tweede, bekend onder den naam van Johan de Rijke,
+thands Heer van Montfoort, Lynschoten en Purmerende, en, door zijn
+huwelijk met Willemyne, Erfdochter van Naeltwyc, na 1496 tevens Heer
+van Naeltwyc, Cappelle en Wateringhe, en Erfmaarschalk van Holland. Het
+verlij met Montfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel
+en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen,
+die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide Heren Florens
+van Wevelkoven, Bisscop te Utrecht an die een zyde, ende Heeren
+Henrick Borchgrave tot Montfoirde an die ander zyde, gededingt was,
+begrepen syn." Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrecht niet
+onder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste
+vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der
+Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel
+meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn
+vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469
+te rug keerde. De oversten der gilden te Utrecht gaven hem toen,
+met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over
+zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die
+door den Domproost, door Heer Jan van Renesse, en andere voorname
+leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden
+van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond, en waarvan
+de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn,
+eene som van 10 rijnsguldens (f 13.) en 14 stuivers beliepen.
+
+Bisschop David van Borgondiën, die niet zeer by zijne poorters
+gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel
+eenige achterdocht geraapt hebben [20]; hy vond ten minste goed om hem
+naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van
+trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474. Johan
+gaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter
+goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy,
+in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te
+steunen, zijne onderzaten in 't algemeen minder van zich verwijderd,
+en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit
+evenwel niet--en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met
+zijne stad Utrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman
+verkoos. Johan was voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnen
+Utrecht te vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was
+er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam
+dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der
+Hoekschen in Holland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig
+inwerkte. Toen Reynier van Broechusen in 1481 de stad Leyden voor die
+partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok,
+spoedde hy zich over Woerden naar Montfoort, wel wetende daar eene
+goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de
+Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene
+zware proef werd gesteld. De Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk
+zette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na,
+kwam voor de stad, eischte vrijen ingang, en daarby de uitlevering
+van Heer Reynier met diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander
+andwoord dan hy verwacht had: die van Montfoort stelden zich te weer,
+en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche
+benden spelen, zoodat Maximiliaan zelf byna door een serpentijnkogel
+gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon 't Palmzondag was,
+te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen,
+tot de eigendommen van Montfoort behoorende, aan de vlammen te hebben
+opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in den Hage, of hy vaardigde
+tegen Broechusen, Henric van Nyevelt en anderen, waaronder ook Johan
+behoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy
+onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam
+dit op het verlies zijner Heerlijkheid Purmerende te staan, met wier
+inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond.
+
+Maximiliaans maatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten
+zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust
+maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den
+Aartshertog af te bidden. David stelde ter voorwaarde de uitdrijving
+van den Burchtgraaf, 'tgeen den Raad in groote ongelegenheid en
+tweespalt bracht, en ten gevolge had dat Johan, die in den laatsten
+tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen
+verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neef Henric van
+Zuylen van Nyevelt voor het stadhuis trok, waar hy de stads banier
+plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen
+deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam
+tot handdadigheid; het staal besliste--de Burchtgraaf verdreef zijn
+tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.
+
+Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half
+genoodzaakt, de zijde van Maximiliaan, stelde Frederyc van Egmond
+van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als
+Legeroverste aan, ontfing uit Holland, behalven 400 wapenknechten
+onder Jan van Cats en Jacob van Boshuzen, den bekenden Ridder
+Petit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het
+mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en
+hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den
+Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een
+Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den Stadhouder
+La Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10en dier
+maand het beleg sloeg voor het blokhuis te Vreeswijc aan de vaart,
+dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die van Utrecht
+de noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf
+terstond de reizige-ruiters [21] en voetknechten uit Montfoort en
+Amersfoort lichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok,
+met zijn oom Sweder van Montfoort, Henric van Zuylen van Nyevelt,
+Dirc van Zuylen van der Haer, Vincent van Swanenburch, en Willem van
+Wachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat
+het leger by Engelenburch was gerangschikt, werden Vincent, Willem,
+en Dirc (Henric weigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de
+vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat
+het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen
+weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene
+achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den
+eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door
+een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste
+verwarring op de vlucht. Op de wegen naar Schoonhoven, Oudewater,
+Woerden, en IJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne
+wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in
+de Leck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan
+te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot
+in het duister van den laten avond zettenden Montfoort en de zijnen
+hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad,
+geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde
+vanen van Dordrecht, Delft, Rotterdam, en Heusden, trokken zy in triomf
+hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door
+gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed
+niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche
+steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de
+Burchtgraaf van Montfoort niet tegen den Aartshertog van Oostenrijk,
+op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen
+over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren
+afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever
+de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad
+zou zien gaan,--dat hy en zijne aanhangers liever den nood van
+honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle
+poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, dat Utrecht
+ongeschonden onder de heerschappij van Bisschop David zou te rug komen.
+
+Een listige aanslag tegen Naerden, 8 Dec. 1481, met goed gevolg
+bekroond, maar door toeval zonder ondersteuning gebleven, werkte
+meer kwaads dan goeds, daar de Hollanders terstond daarop de plaats
+bezet hielden, en van daar uit herhaalde strooptochten deden. Ook
+hielp het Eemnes weinig, of een honderdtal Stichtsche krijgers het
+kwam versterken:--de bloeiende plaats werd door het Hollandsch leger
+ingenomen en zoo deerlijk verwoest, dat zy zich nooit weder heeft
+kunnen herstellen. Evenmin baatte het Baern en Soest, dat hunne
+inwoners beroemd waren om heldenmoed zoowel als om bekwaamheid
+in het voeren van den boog:--beide dorpen werden overvallen, en de
+gloed hunner vlammen lichtte tot op den Amersfoortschen berg, vanwaar
+Engelbert van Cleve ze aanschouwde, juist toen hy naar Utrecht trok om
+het hem aangeboden ruwaardschap over het Sticht te aanvaarden. Tot
+die aanbieding was men overgegaan op raad van den Burchtgraaf,
+die de noodzakelijkheid van een machtigen bondgenoot al te wel
+inzag, sedert hy zich overtuigd hield, dat de vrede met Maximiliaan
+zonder herstelling van den Bisschop onmooglijk werd. Engelbert-zelf
+was slechts negentien jaar, zijn broeder, Hertog Jan, een machtig
+Heer.--Waarlijk! de vroede, maar al te heerschzuchtige Burchtgraaf
+had geen beter bondgenoot kunnen kiezen.
+
+De Stichtsche zaken werden er evenwel niet gunstiger door. Die van
+Utrecht, by een uitval in eene hinderlaag gelokt, verloren 150 dooden
+en 100 gevangenen [22]. Dat gaf eene droevige verslagenheid binnen de
+stad, waar de lagere klasse alreeds gebrek, de kleine burger behoefte
+begon te lijden, en de meer-gegoeden en rijken de toekomst beängst
+gingen inzien. Montfoort ging onwankelbaar zijn weg: hy versterkte de
+wallen, deed scherpe wacht houden, en de landstreek rondom onder water
+zetten. Den 15en Januari 1482 verscheen de Stadhouder van Holland met
+zijn leger naby Utrecht, maar trok, na eene vruchtelooze opeisching,
+drie dagen later weder te rug. Twee maanden verder, 18 Maart, deed de
+Burchtgraaf, door Vincent van Swanenburch, Vianen innemen en bezetten;
+maar den Raad der Bisschopsstad was dit weinig naar den zin, en hare
+burgers droegen er eerder meer dan minder oorlogskosten om: beiden
+morden in stilte, en de wolken, die boven de kim van Montfoorts gezach
+oprezen, werden hoe langer hoe zwarter en dreigender. Een mislukte
+toeleg op Dordrecht, in April, beterde daar niet aan. De Burchtgraaf
+meende zelfs op het spoor eener samenzwering te zijn, deed eenige
+burgers de stad ruimen, en haalde er verscheidene vroegere ballingen
+weder in; een burger, die kwalijk van hem gesproken had, werd openlijk
+onthalsd. In kleine, afmattende strooptochten en schermutselingen
+(by een van welke Jan van Schaffelaer die grootheid van ziel toonde,
+die wy nog met eerbied bewonderen) ging de oorlog steeds voort,
+meestal met verlies aan de zijde der Stichtschen. Eindelijk meende
+men dat de tijd voor groote handelingen aangebroken was: de Cleefsche
+hulpbenden zouden weldra opdagen, en in afwachting daarvan, om tot eene
+bestorming over te gaan, sloeg de Burchtgraaf het beleg voor de stad
+IJsselsteyn. Maar zelfs hierin maakten onvoorziene omstandigheden zijne
+kloeke maatregelen weer te schande: toen de Cleefschen nu ook werkelijk
+waren aangekomen, verklaarden zy gezonden te zijn om te stroopen, niet
+om steden te bestormen, en weigerden volstandig alle meêwerking. Hy
+moest dus met bittere teleurstelling weder aftrekken, daar zijne
+eigene manschap te weinig in getal was. Beter integendeel dan deze
+onderneming slaagde die der Hollanders, in de maand September, op het
+blokhuis Gildenburch aan de vaart: de tijding van de overmeestering
+en volkomen vernieling dezer sterkte baarde te Utrecht weder nieuwe
+angst en bekommering.
+
+De roem van des Burchtgraven persoonlijke dapperheid leed toch
+volstrekt niet onder de gedurige mislukking zijner kloekberaamde,
+maar door anderen slecht uitgevoerde of ondersteunde plannen. De
+koene Ridder Jan van Egmond [23], wiens gebrek aan den voet door
+eene dubbele mate van kracht in de borst meer dan opgewogen werd,
+voelde begeerte om zich met den Montfoorter, man tegen man, in
+het strijdperk te meten. Hy zond hem daarom eene uitdaging tot een
+ridderlijken tweekamp; de overwinnaar zou van den overwonnene een
+losgeld van 1000 kroonen erlangen. De Burchtgraaf liet zich echter
+niet overhalen. Misschien achtte hy het ongeraden, om het vertrouwen
+op zijne dapperheid aan den onzekeren uitslag van zulk een strijd prijs
+te geven, vooral in een tijd, waarop hy het getal zijner aanhangelingen
+met den dag verminderen zag. Zelfs Engelbrechts gezindheid te hemwaart
+nam af, blijkends diens goedkeuring op de verkiezing van Aernt Ram tot
+Schout en Schepen-Burgemeester der stad, 12 Nov. 1482, in de plaats
+van den overleden Jan de Coningh:--Rams goed-hoekschgezindheid was
+niet buiten verdenking.
+
+De volkomen nederlaag deed zich niet lang wachten. Op den 4en April van
+het volgende jaar, terwijl de Ruwaard zich te Amersfoort bevond, brak
+er eene omwenteling uit, die Bisschop David in de stad, en Johan van
+Montfoort met eenigen der zijnen in de gevangenis bracht. Gelukkig
+voor den Burchtgraaf was Henric van Zuylen van Nyevelt nog in
+vrijheid. Deze wakkere bondgenoot (dien de kronijk »een cloeck,
+stout, vroom man" noemt) verzamelde met den Ruwaard en Gijsbrecht
+Baes een deel gewapenden, overviel de stad op Hemelvaartsdag, en
+verloor er wel het leven, maar sprak nog stervende zijnen volgers zoo
+vurigen moed in, dat zy werkelijk boven des Borgondiërs aanhang meester
+bleven. De Bisschop, in 't onzekere over den afloop, had intusschen den
+Burchtgraaf voor zich doen brengen, en was met dezen overeen gekomen,
+dat de een des anderen lijf zou schutten, wiens partij ook overwon. De
+Burchtgraaf hield woord: hy beschermde het leven van den Kerkvoogd,
+die naar Amersfoort gevoerd en aldaar gevangen gehouden werd.
+
+Nu begreep men in Holland om tot afdoende maatregelen over te
+moeten gaan--en de stad Utrecht zag zich weldra door eene sterke
+belegering onder Maximiliaan geheel ingesloten. Vergeefs waren alle
+onderhandelingen, en de Aartshertog was eindelijk oneerlijk genoeg, om
+de afgezonden onderhandelaars, Engelbrecht van Cleve en Burgemeester
+Gerrit Soudenbalch, gevangen te houden. De Burchtgraaf, die met hen
+was, ontkwam by geluk. Door een heimelijken vriend gewaarschuwd, nam
+hy den schijn aan als of hy, ter uitbreiding van hunnen lastbrief,
+spoedig naar de stad moest gaan, en terstond te rug zou keeren; zoodra
+hy echter in 't zaal zat gaf hy zijn ros de spooren, en rende heen in
+volle vaart. Dat mag achterdocht verwekt hebben: eenige reizige-ruiters
+zetteden hem terstond na, en waren hem dicht op den voet, toen hy
+gelukkig naby de boomgaarden was, van 't paard sprong, en dwars door
+'t geboomte, over slooten en greppels, langs bypaden en heimelijke
+wegen voortsnellende, behouden de poort bereikte. Zondag daarop werd de
+stad heftig bestormd door de Hollandsche benden, maar de Burchtgraaf
+sloeg ze wakker af. By eene volgende bestorming werd de voorstad de
+Waard verloren, waar de vijanden zich nestelden, en vooral geschut
+plaatsten. Op het einde neep het gebrek in de stad gevoelig; men kwam
+tot een verdrag, en op den 6en September 1483 trok Maximiliaan als
+overwinnaar, door eene gemaakte bres in de wallen, Utrecht binnen. De
+tot overmoed aangegroeide heldhaftigheid van Johan van Montfoort had
+niet geholpen: in genade aangenomen, vertrok hy naar zijne eigene stad,
+maar peinzende hoe hy den Cabiljaauwschen toch verder afbreuk zou doen.
+
+De gelegenheid daartoe kwam.
+
+Een klein uur zuidwaart van Montfoort hief steeds het zware kasteel van
+Woerden de grijze spitsen boven het geboomte. De Burchtgraaf vernam,
+dat de Hollandsche Slotvoogd Aernout, bastaart van Ysselsteyn, een
+schraapziek Ridder was, die, bouwende op de sterkte der burcht, de
+door hem genotene inkomsten niet, gelijk het zijn moest, ten deele
+tot het uitrusten en in standhouden eener goede bezetting besteedde,
+maar ze geheel voor zich-zelven behield, zoodat er slechts éen man
+de nachtwake deed en ieder uur éenmaal de wallen rond ging, om onraad
+of kwaden aanslag te verspieden. Toen was zijn plan gemaakt.
+
+De lange nacht na den tweeden Kersdag, 1488, hing met hare doodsche
+stilte op het kasteel van Woerden, toen Heer Aernout door wapenklank en
+staalgekletter werd gewekt. En eer hy nog zijne echtgenote opmerkzaam
+kon maken, ging de deur van het slaapvertrek open, vertoonden zich de
+Burchtgraaf met diens oom Sweder en eenige andere Hoeksche Edelen, in
+volle harnas en met getrokken zwaard, voor den ontstelden Kastelein,
+en verklaarden hem hun gevangene. 's Morgens zagen de omwoners van
+het kasteel met verwondering en schrik, dat er niet meer de liebaart
+van Holland, maar de banier van Montfoort in de koude Decemberlucht
+wapperde. Zoo onverwacht en ijlings was de burcht in de nacht beklommen
+en overmeesterd geworden.
+
+De Burchtgraaf zorgde beter voor eene goede bezetting, en hield
+er zich dikwijls op, zendende zijne gewapende knechten tegen de
+Hollandsche dorpen uit. »Ende dair geschieden veel rovingen, branden
+ende brantscattingen ende andere dingen, alsmen in zulken feiten
+van orlogen plach te gebruiken: van scepen ende scuiten, die na der
+Goude ende Utrecht voeren te beroven ende te bescadigen. Ende alle
+dye dorpen, ghelegen tusschen Leyden, Hairlem, ende Amstelredamme
+mosten allegader meest brantscattyngen gheven: dair hy alten groten
+swaren goet of creech."
+
+Een aanslag op Leyden, met den uit Rotterdam afgezonden Heer van
+Naeltwijc beraamd, mislukte, even als later een op Naerden. Maar
+in dien tusschentijd overmeesterde de Burchtgraaf het blokhuis by
+Woerden, en verwoestten zijne krijgslieden, op een helderen Oktoberdag
+in het natte najaar van 1489, het versterkte Bodegraven. Kort daarna
+overvielen zy Stolwijc, en legden het mede in de asch; ja zy trokken
+door de veenen tot Nyeberch, en plunderden het, niettegenstaande de
+dorpelingen aan den Burchtgraaf brandschatting betaalden.
+
+De klachten, over dezen onophoudelijken moedwil gerezen, deden
+eindelijk den Stadhouder-Generaal, Hertog Aelbrecht van Saxen,
+gehoor geven aan het verlangen van Edelen en steden, om Montfoort,
+het brandpunt dezer verzengende stralen, te belegeren. In het laatst
+van Mei, 1490, kwam hy met vele Ridderen, Heeren, en knechten, in 't
+geheel een groote macht volks, en sloeg zich om de stad en het kasteel
+neder. Terstond werden de donderbussen en andere schietwerktuigen
+opgericht, en weldra dreunde de grond onophoudelijk van den donder des
+geschuts niet alleen, maar ook van de vallende steenklompen van muren,
+poorten, en torens: het geschut werd goed bestierd, en richtte geduchte
+verwoestingen aan. In 't begin van Juli werd tot den storm besloten,
+en de Henegouwsche knechten deden den eersten aanval; maar daar zy door
+de Duitsche benden niet behoorlijk werden ondersteund, en de wakkere
+Montfoorters zich hunnen Burchtgraaf waardig toonden en hen vromelijk
+te lijf gingen, werden zy met verlies te rug geslagen. De Hertog liet
+zich echter door eene eerste mislukking niet ontmoedigen. Nog in het
+laatst der zelfde maand gelastte hy eenen tweeden storm--maar die
+niet beter afliep: de brug, door de bestormers met groote moeite over
+de gracht gelegd, begaf hun en zonk; daar ontstond groote verwarring;
+zy werden nogmaals afgeslagen, en verloren een groot aantal gekwetsten
+en dooden. Onder de laatsten telde men den Grave van 'Tsoorle, wiens
+broeders reeds in den Utrechtschen oorlog waren gevallen.
+
+De moed van den Burchtgrave en der zijnen werd door den gelukkigen
+uitslag van hunnen weerstand niet weinig gestijfd. Herhaaldelijk
+deden zy onverwachte uitvallen in het Hollandsche heir, sloegen er
+menigen vijand neder, en keerden gemeenlijk met buit en gevangenen
+te rug. Zeker, de Hertog mocht al de overtuiging hebben, dat stad
+en burcht, steeds ingesloten door een macht als de zijne, eenmaal
+zouden moeten overgaan--maar hoe lang zouden zy 't nog volhouden,
+aangevoerd en aangevuurd door een stouten bevelhebber als Johan van
+Montfoort? Eene dergelijke overweging mag wel hebben bygedragen tot het
+leenen van een gunstig oor, toen in Augustus de Graven van Nassau en
+van Chimay in Holland kwamen, en den Hertoge woorden van bevrediging
+toespraken, ten einde »dese twist, schade, hinder ende grote
+verderflijcke oncosten ende dye grote bloedstortinghe te beletten."
+
+En werkelijk kwam het nu spoedig tot eenen zoen, nadat de belegering
+byna vier maanden geduurd had. De beide strijdende partijen werden
+vereenigd, maar hoe of op wat wijze, zegt de kronijkschrijver, dat is
+onder de Heeren geheim gebleven, en het algemeen is er onkondig van
+geweest; alleen weet men, dat de Burchtgraaf beloofde geen Hollandsche
+ballingen op zijn burcht meer te herbergen. Voor 't overige deed
+hy hulde en manschap aan Maximiliaan en diens zoon, en leverde het
+kasteel van Woerden te rug in handen des Hertogs, die het terstond
+van een waakzamer Kastelein en behoorlijke bezetting voorzag.
+
+Nu haalde Holland weder ruim adem: de belemmering van wegen en vaarten
+werd opgeheven, zoodat men overal weder vrij en veilig reizen en
+trekken kon.
+
+Ongestoord en rustig bleef de rijke Burchtgraaf thands in het bezit
+zijner goederen. Dat er echter geheime vijanden waren, die hem dit
+misgunden, mag worden opgemaakt uit een vreemd voorval van eenige
+jaren later, waarby men moeielijk alleen aan al te koene vrijbuiters
+denken kan.
+
+Het was in 1495, kort na den 14en Juli, waarop er zulk een ontzettend
+onweder gewoed had. De nacht was gedaald, en mag wel niet zeer helder
+geweest zijn, toen eenige mannen, aan de gracht van het kasteel te
+Montfoort genaderd, er eene schouw te water brachten, kennelijk met
+het doel om de wallen te beklimmen. Maar het was hier niet, zoo als te
+Woerden: De naauwlettende wacht werd opmerkzaam, en in een oogenblik
+was de gantsche bezetting op de been. Haastig namen de vijanden de
+vlucht, en wie of wat zy geweest zijn, is altoos een raadsel gebleven.
+
+Bisschop Davids opvolger, Frederic van Baden, in 1499, kort na het
+ten onder brengen van de Heeren van Wisch, met den Hertog van Cleve
+in oorlog geraakt, behoefde herhaaldelijk geld, dat hy wel voor een
+groot deel, maar toch niet geheel en al, by zijne getrouwe steden van
+het Bovensticht vinden kon. Hy wendde zich daarom ook tot Burchtgraaf
+Johan, die hem met vier duizend gouden rijnsguldens bystond, en
+daarvoor het recht der hooge heerlijkheid weder in pand ontfing voor
+zich en zijn geslacht, tot zoolang de pandsom weder te rug betaald
+zou zijn. De oirconde daarvan werd den 21en Augustus 1499 bezegeld,
+en op Sint-Andries [24] daarna beloofde de Bisschop, by open brieve,
+dat hy-voor-zich het pand nimmer zou doen lossen.
+
+De Burchtgraaf maakte zich ook nog in zijn ouderdom by den Bisschop
+verdienstelijk, want het was vooral aan zijne onverpoosde bemoeiïngen
+te danken, dat de vrede tusschen Utrecht en Holland in het voordeel
+van den Prelaat tot stand kwam, en in het laatst van Juli, 1511, met
+de Landvoogdes Margareta van Oostenrijk gesloten werd. Verder vindt
+men niets byzonders meer van hem opgeteekend. De juiste datum van
+zijn overlijden schijnt niet bekend te zijn; hy leefde nog in 1512,
+maar zijne echtgenote was hem reeds in 1506 door den dood ontvallen.
+
+Hun zoon Joost van Montfoort, gehuwd met Anna van La-Layng, volgde hem
+op, en werd in 1530 door Keizer Karel den Vijfde in alle voorrechten
+bevestigd, hoewel het Hoogheerlijk recht, waarop de Burchtgraven
+zoo grooten prijs stelden, merkelijk was besnoeid door het sedert
+eenigen tijd te Utrecht gevestigde provinciaal Gerechtshof. Heer
+Joost overleed reeds in 1539, terwijl zijne kinderen Johan en Filippa
+nog minderjarig waren, weshalven Vrouwe Anna ten hunnen behoeve het
+Burchtgraafschap bestuurde.
+
+De Stichtsche zaken waren thands onder het waereldsch beheer
+allengs op een geregelder voet gekomen, zoodat men de vroeger
+gemaakte pandschulden kon beginnen af te lossen. Zoo werden in
+1545 aan de voogden van Joosts oudsten zoon Johan de vier duizend
+rijnsguldens te rug betaald, die in 1499 aan Bisschop Frederyc waren
+voorgeschoten. Daarmede werd natuurlijk de vergunning tot uitoefening
+van het hoog gerecht ingetrokken. Te vergeefs trachtte Johan dit
+later weder in bezit te krijgen; en toen hy eene proeve waagde,
+om het eigenmachtig weder uit te oefenen, werd hy in 1551 door het
+provinciaal Gerechtshof van Utrecht daarin belet.
+
+Hy overleed kinderloos, en het Burchtgraafschap kwam alzoo op
+zijne zuster Filippa. Deze huwde met Heer Jan van Merode, geboren
+uit het aanzienlijk Grafelijk geslacht van dien naam, uit Gulik
+herkomstig, en aldaar reeds in 1250 bekend. Hy werd in 1583 met
+het Burchtgraafschap verlijd, maar bezat het niet zoo lang als zijn
+schoonvader. Zijn huwelijk had hem geen zonen, slechts eene dochter,
+Anna, geschonken. Anna van Merode was dus Erfdochter van Montfoort,
+en trad in den echt met Filips van Merode, Baron van Petershem,
+die op den 8en December 1593 als Burchtgraaf werd erkend. Onder zijn
+bestuur, in 1617, werd met goedkeuring der Staten-Generaal en die van
+Holland de gracht gegraven, die van het water de Linschoten tot aan
+de IJsselpoort loopt, en der scheepvaart vrij wat gemaks verschafte.
+
+Zijn zoon, naamgenoot, en opvolger, Filips van Merode, van wien wy
+niets meer weten, dan dat hy, Vrijheer van Merode en Markgraaf van
+Westerloo zijnde, in 1628 Burchtgraaf van Montfoort werd, stierf na
+een twaalfjarig bezit, nalatende Ferdinand Filips van Merode, Vrijheer
+van Merode, Graaf van Olem, Markgraaf van Westerloo, Burchtgraaf van
+Montfoort, Heer van IJsselmonde, Ridderkercke, enz.
+
+Met dezen Ferdinand Filips eindigt de rij der Burchtgraven van
+Montfoort, wier historische figuur, na Johan den Rijke, ook hoe langer
+zoo kleurloozer wordt. In 1648 verkocht hy het Burchtgraafschap en
+de Heerlijkheid van Montfoort aan de Provinciale Staten van Utrecht,
+voor eene som van 225,000 gulden.
+
+Uit den belangrijken koopbrief van 4 Juli des gemelden jaars, zien wy
+volledig wat toenmaals tot het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van
+Montfoort behoorde, waarvan het voornaamste eene mededeeling verdient.
+
+Allereerst: het recht van patroonschap over de kerk van Montfoort en
+verschillende vicaryen, zoowel dáar als te Woerden en te Linschoten,
+enz. Vervolgends:
+
+De stad en vrijheid van Montfoort, met het rechtsgebied, het aanstellen
+van Schout, Burgemeesteren, Schepenen, Sekretaris, Kerk-, Huis-,
+en Schoolmeester, Bode, Organist, en Koster, en nog andere ambten en
+bedieningen. Verder:
+
+Het kasteel met grachten en verdere aanhoorigheden; de hof of boomgaard
+in de stad, voor de poorten van 't kasteel; twee boomgaarden, waarvan
+de een, het Cingel genoemd, binnen, de ander, tusschen de groote en
+kleine grachten, buiten de stad gelegen is; het aan deze laatste
+palende wilde bosch, met gebouwen, beplantingen en kunstheuvelen,
+mitsgaders de opperhof, het olmboomenbosch, en de cingels daar buiten,
+met de visscherij in de kleine gracht, al hetwelk in jaarlijksche pacht
+werd uitgegeven; de visscherij in de grachten van het kasteel en de
+stad, en gedeeltelijk in den IJssel, van Snadelenhoeck tot Oudewater;
+de zwanendrift, het recht van den wind, de wind- en de roskorenmolen
+met het molenaarshuis en erf, voor zoover dit den Burchtgrave behoort;
+alle thynsen die hem toekomen, van verschillende huizen, boomgaarden,
+en erven, binnen het Burchtgraafschap, jaarlijks bedragende 132
+gl. en 5 st.; het heerenrecht van een aantal leenen en vasallagiën,
+tot het Burchtgraafschap, de stad en het kasteel behoorende: Achthoven,
+Heeswijck, Kattenbroeck, Papencop, enz.; het Erfdijkgraafscbap langs
+de Leck, tusschen den Nieuwen-dam en Schoonhoven, en langs den IJssel
+tusschen den Nieuwen-dam en Haestrechter-Were; de aanstelling van
+Sekretaris en dijkbode by het kollegie van Dijkgraaf en Heemraden
+van Lopickerweerd; enz. Bovendien blijkt uit den zelfden brief,
+dat de Burchtgraven binnen de stad Utrecht bezaten een huis en erve,
+genaamd: de Huizinge van Montfoort.
+
+Het grootste gedeelte van al deze rechten en bezittingen kwam door
+dezen koop aan de Staten, en alzoo werd het land van Montfoort voor
+goed aan de provincie verbonden; de stad op zich-zelf was overigens
+reeds stellig in 1530, en nog duidelijker in 1585, tot de leden van
+het Neder-Sticht gerekend, en als zoodanig in de Provinciale Staten
+vertegenwoordigd geworden. De burchtgrafelijke praal »metten aencleve
+van dien," was nu voor altijd verdwenen, en men kon het kasteel
+vergelijken by een grijzen eik, die het laatste groen, dat hem nog
+tooide en vrolijk maakte, thands verloren had. Zeker, de landzaat
+had nog eerbied voor zijne eerwaardigheid; maar wanneer daar eens
+vreemden kwamen en te machtig werden, zou men dan de vernielende bijl
+kunnen weeren?
+
+Den 7en April 1672, verklaarde Frankrijk [25] aan het Gemeenebest den
+oorlog, en, ten gevolge van de jammerlijke bekrompenheid der Algemeene
+Staten (te laat ingezien!) waren de Franschen reeds in Juni meester
+van Utrecht. Het spreekt van zelf, dat het bezit van eene plaats als
+Montfoort, door een zwaar kasteel versterkt, den overweldigers niet
+onverschillig was: den 21en Juni woei dan ook de lelievaan van den
+burchttrans. De Montfoorters hadden aanvankelijk van deze eerste
+vestiging niet lang te lijden: Lodewijk, in de eerste helft der
+volgende maand ziende, dat de voorlanden van Noord-Holland allen
+onder water werden gezet, gaf bevel om de voorposten uit Woerden
+en Montfoort op Utrecht te rug te trekken. In de laatste helft van
+September echter, toen de Maarschalk Luxemburg Utrecht door eene
+lijn van versterkte posten beschermen deed, lag ook Montfoort in
+die rij, en werd het kasteel van eene bezetting voorzien, die op den
+7en Oktober 70 man bedroeg. In die zelfde maand trokken zy weder af,
+maar niet zonder er eene altoosdurende herinnering aan hun verblijf
+achter te laten: zy deden het kasteel door buskruit springen, en in
+een verwarden puinhoop veranderen. Daarmede was echter de stad niet
+van hunne plaag bevrijd, want toen de winter kwam, en Luxemburg zijn
+voornemen, om over het ijs in Holland te trekken, ging bewerkstelligen,
+was Montfoort in het laatst van December de verzamelplaats van 2000
+man. Zoo duurde het by afwisseling met minder en meerder kwelling, tot
+in de maand November des volgenden jaars, toen de snoevende vijand,
+door de uitmuntende maatregelen van onzen grooten Willem den Derde
+tot den aftocht genoodzaakt, het Sticht moest verlaten, en derhalven
+ook Montfoort ontruimd werd.
+
+Maar waar nu ook de geliefde Oranjevlag zegevierend mocht
+wapperen--niet van het verdelgde kasteel, waaraan de stad haren
+oorsprong dankte. Slechts de voorpoort, weêrszijds door een
+dikken ronden toren beschermd, was staande gebleven, het gebouw
+byna volstrekte ruïne geworden; de sterke muren waren gescheurd en
+samengestort, de grachten ten deele met het puin gevuld. Metter tijd
+werd een deel der bouwvallen wechgeruimd, een ander, gering gedeelte,
+hersteld en tot woonverblijf geschikt gemaakt.
+
+Die huizinge werd nog in 1833 bewoond door het geslacht Gobius,
+dat toenmaals in het bezit van den opstal des kasteels was, en
+dien op gemeld jaar aan de stad Montfoort verkocht. Later kocht
+deze ook den kasteelgrond, aan het domein behoorende, en richtte
+het huis tot eene kostschool in, die onder het bestuur van den
+vroegeren hoofdonderwijzer aan de stadsschool eenig aanzien begon
+te verkrijgen. De toenemende bloei der nieuwe inrichting bracht
+der overigens arme en vervallene stad talrijke voordeelen aan,
+en de stedelijke regeering, van gevoelen dat de inwendige goede
+toestand zich ook wel in uitwendige verbeteringen mocht uitspreken,
+besloot om daartoe het vervallen gebouw en den grond meer naar den
+tegenwoordigen smaak in te richten. Ten gevolge daarvan, werden de
+hier en daar nog overgebleven ringmuren wechgeruimd; de oude houten
+stallen naast de voorpoort deed men door ruime steenen gebouwen,--de
+knotwilgen langs de moerassige grachten door net plantsoen vervangen;
+de brug over de gracht werd afgebroken en hare plaats gedempt, en zoo
+ging er byna alle zichtbare herinnering aan het verledene verloren. En
+waren niet nog de beide torens daar als proeven van den ouden bouwtrant
+overgebleven--niemant zoude er aan een alouden slotbodem denken.
+
+Sic tempora mutantur! Op de plaats, die dikwerf van krijgsgeschrei en
+soldatenliederen weergalmde, klinkt thans de stem van dartele knapen;
+en de grond, zoo vaak van het bloed der strijders doorweekt, brengt
+kleurige bloemen voort. Zoo volgen de gebeurtenissen elkander op;
+zoo wisselen de tijden van gelaat--en de geschiedenis van het Kasteel
+der Burchtgraven van Montfoort eindigt met eene kostschool.
+
+
+
+
+
+
+
+HET KASTEEL VAN IJSSELSTEYN.
+
+
+Daar zijn oogenblikken in het leven, waarop men waarlijk in verzoeking
+komt om te wenschen, dat sommige sprookjens uit de kinderkamer
+zich mochten verwerkelijken. Dat zijn wel het minst oogenblikken van
+kortswijl en luim--meer van hoogen ernst, en verreweg de meesten onzer
+hebben ze wel eens doorleefd. Het zij ge koopman zijt, en u een (want
+ge zijt Hollander! [26]) rechtvaardigen mammon tracht te verwerven;
+krijgsman, en de rust onzer dagen verwenscht, wijl ze u belet bloedige
+lauweren te winnen; geleerde, en dus het recht hebt om aan alles,
+soms ook aan u-zelf, te twijfelen; staatsman, en zoo doordrongen
+van de voortreffelijkheid uws stelsels, dat ge des noods den throon
+uws Konings zoudt ondermijnen, om u-zelf op het republikeinsch
+presidents-kussen te plaatsen--ja, schoon ge dit alles te gelijk
+waart--dan nog is er wel eens een oogenblik in uw leven geweest,
+waarop ge gewenscht hebt:--»dat toch steenen eens konden spreken!"
+
+Het was dan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de
+eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van
+den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels,
+die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt
+hebben willen ondervragen, indien ge ook maar half verzekerd waart
+geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen.
+
+Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn--zoo hy Holland
+bewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen van Brederode; zoo
+hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen
+van het Kasteel te IJsselsteyn--en ik vrees niet, dat hy, van daar
+wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal.
+
+Intusschen, wat de geschiedenis ook maar met eenige zekerheid van
+het eerste vermelden kon, hebben wy reeds getracht in het geheugen
+te rug te roepen [27]; beproeven wy dit thands ook met betrekking
+tot het laatste.
+
+De oorsprong van het edel geslacht IJsselsteyn kan met redelijkheid
+niet vroeger dan op het midden der dertiende eeuw worden gebracht,
+en wijst op eene afstamming uit het toenmaals zoo machtige Huis van
+Aemstel. Wel vinden wy melding gemaakt van een Heer van IJsselsteyn,
+in den Grimbergschen oorlog, 1144, gesneuveld, maar dit moet eene
+vergissing zijn [28], terwijl Jan van IJsselsteyn, wiens erfdochter
+Bertrande met Aernout van Aemstel zou gehuwd zijn, moedwillig uit
+de lucht gegrepen is, om tusschen de beide geslachten een verband te
+brengen, dat door historische documenten geheel wordt weêrsproken.
+
+Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by
+drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage
+of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben.
+
+Heer Gijsbrecht (de Derde) van Aemstel, die in 1251 overleed, had,
+behalven eene dochter Badeloch, die met Herman van Woerden gehuwd was,
+nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht,
+hem opvolgde, de jongste, Willem, Proost van St. Jan was, en de
+middelste, Aernout of Arent, wellicht verstandig zou hebben gedaan,
+indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had
+verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet
+groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan
+zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam, Janne,
+of Joanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene
+eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok
+uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267
+legde hy den grondslag tot de latere Heerlijkheid IJsselsteyn. Hy
+pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel,
+eenige goederen aan den IJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich
+toen reeds met de Leck vereenigde. Het voornaamste daarvan was het
+oude Eyteren of Heteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend
+en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een
+burch of stein, dien hy IJsselsteyn noemde, welke naam, vervolgends
+op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van
+het Graafschap Holland, als in die van het Bisdom Utrecht, byna even
+spoedig vermaard als bekend werd.
+
+Aanvankelijk legde Aernout zich vooral op het vermeerderen en
+inrichten zijner bezittingen toe. In 1278 kocht hy van den Abt van
+Oostbroec eenige goederen in het naby gelegene Geyn, en in het laatst
+des volgenden jaars pachtte hy de tienden over de landerijen rondom
+zijn kasteel gelegen, die aan het Maria-kapittel te Utrecht behoorden,
+voor vijf jaren, tegen 154 pond 's jaars. De vijandelijkheden over den
+Vreelandschen tol, door zijn broeder Gijsbrecht eigenmachtig geheven
+[29], hadden inmiddels een einde gemaakt aan deze rustige bemoeiïngen
+van het landleven. Aernout, Gijsbrechts partij kiezende, en mede breed
+opgevende van de grieven, hun door den Bisschop aangedaan, ontzegde
+zijn leenmanschap aan het Sticht, en nam in zijns broeders plaats het
+bevelhebberschap van Vreeland op zich. Graaf Floris, den 5en September
+1278 met Utrecht een verbond gesloten hebbende, sloeg weldra het beleg
+voor dat kasteel, maar zag zich door Aernouts wakkere verdediging tot
+den aftocht gedwongen. Maar toen de strijd by Loenen voorgevallen,
+en Gijsbrecht daarby door Costijn van Renesse gevangen genomen was,
+werd Aernout onmachtig om zich alleen staande te houden, en leverde
+Vreeland in 's Graven handen. Daarop werd hy met zijne broeders naar
+Zeeland gevoerd, en moest daar blijven in eerlijke gevangenschap, tot
+zy zich hadden onderworpen aan de voorwaarden van den strengen zoen,
+die op den 27en Oktober 1285 bezegeld werd, waarby zy hunne goederen
+ten volle aan Floris moesten opdragen, en ze slechts gedeeltelijk
+weêr in leen te rug ontfingen.
+
+Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans
+den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in 's Graven hechtenis
+hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht
+ontslagen zijn. Wy vinden Aernout ten minste in de voorhelft dier
+zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid:
+Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden
+verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht
+en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond
+en vijf zalmen verhoogd werd.
+
+Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds
+in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. Vrouwe Joanna
+(die door Grave Jan in het tijdelijk bezit harer weduwgoederen
+bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste,
+Heer van Benscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering
+tegen Floris den Vijfde verkregen heeft, en de oudste, Gijsbrecht,
+als tweede Heer van IJsselsteyn optrad.
+
+Gijsbrecht van IJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich
+op den 25en Oktober, 1294, benevens tien andere voorname Utrechtsche
+Edelen, met Graaf Floris, om dezen, ware 't nood, te dienen tegen elk
+zijner vijanden, den Bisschop van Utrecht daar buiten gesloten. Hy
+heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van
+meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan
+den moord. Dat hy met den Heer van Zuylen zich voegde by Loef van
+Cleve en de Hollandsche benden, die de moordenaars op Cronenburch
+belegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn
+broeder Benscoep toch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van
+den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om
+toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die
+adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen
+moest. En schoon Arent van Benscoep geen beter lot verdiende dan
+Willem van Zaenden--ter wille van Gijsbrechts broederhart is het ons
+toch lief, dat Loef van Cleve den verrader nog heeft kunnen behoeden,
+en Gijsbrecht hem in veiligheid te Kervenheym wist.
+
+Maar weldra werd gijsbrechts toestand zelf hachelijk. Wolfaert van
+Borssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijken Jan den
+Eerste, de bondbreukigheid van Bisschop Willem van Mechelen bemerkende,
+begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de
+kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met
+het slot van Ameide, door Dirc van Herlaer by overeenkomst daartoe
+afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, was Gijsbrecht
+van IJsselsteyn.
+
+»Dat ware schande!" andwoordde hy op Borsseles aanzoek: »wanneer ik den
+Grave van Holland mijn huis ruimde, daar ik Maarschalk van 't Sticht
+ben [30], en de Bisschop mijn rechte Heere is. 't Bracht my oneere,
+zoo ik dat toestond--des weiger ik, er moge van komen wat er wil!"
+
+Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zocht Wolfaert
+nu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk
+werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen,
+Hubrecht van Vyanen en diens verwanten, op aanstoken uit Holland; en
+werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon
+men hem naar het Kasteel van Culemborch bracht, en aldaar in hechtenis
+hield--dat van IJsselsteyn was daarom nog niet gewonnen: Bertrade,
+of Baerte, van Heuckelom, Gijsbrechts gemalin, was een kloekhartige
+vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht
+weigerde als hy 't zelf had gedaan. Dat men hem geen leed zou doen,
+daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht
+van Vyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het
+op den IJsselsteyn gebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene
+gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd een Wolfaert van Borssele
+haar zou hebben overgeleverd, indien Vyanen niet in Gijsbrecht den
+borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad.
+
+Borssele deed 's Graven banier voor het Kasteel planten, en het
+dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave,
+op den forschen toon van stormtuig en staal:
+
+
+ Straks wordt het schaatrend aanvals-teeken
+ Van rij tot rij in 't rond gehoord,
+ En onder luid gejubel breken
+ De benden op en rukken voort.
+ Als golven die het strand beklimmen,
+ Door barsche winden voortgestuwd,
+ Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmen
+ En werpgesteente paart en huwt
+ Zich aan 't gedrang. 't Klaroengeschetter
+ En 't rofflen van de holle trom
+ Dreunt samen met het staalgekletter
+ En krijten van den strijdbren drom.
+
+ De hooge trans--de borstweer--'t kraakt
+ Van steenen, 't werptuig uitgebraakt.
+ De stormram beukt de poort.
+ Het rijs, in bergen aangebracht,
+ Bevloert welras de diepe gracht,
+ En stijgt er tot den boord.
+ De ladders worden saamgetast,
+ En hechten aan den muur zich vast;
+ De strijders dringen voort,
+ En klautren op, met sterke hand,
+ En klemmen zich met knie en tand
+ Aan stijl en sporten vast.
+ En stuift een dichte pijlenregen
+ Uit schietgat en kanteel hun tegen--
+ Het aantal groeit en wast.
+
+ En 't scherp en gierend strijdgeluid
+ Galmt boven gil en jammer uit,
+ Al valt er menig een.
+ En dondert ook een raatlend heir
+ Van keien langs de wallen nêer
+ En morselt hoofd en leên;
+ En storten krakend, splintrend daar
+ De ladders op en door elkaâr,
+ De klimmers onder een,
+ Verplet, verbrijzeld of verwond--
+ Wie kan, verrijst weêr van den grond,
+ Ten nieuwen storm gereed.
+ En steeds vergroot zich weêr 't getal
+ Dat opstijgt naar kanteel en wal,
+ Met luider oorlogskreet.
+
+
+Maar Bertrade stond (om met Vondel te spreken) als eene heldin op de
+haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe
+scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten
+een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een
+verdediger dooden--zy maakten geen bres in de muren, die niet werd
+gedekt met trouwe in 't staal gehulde borsten, tot dat de opening
+weer gevuld was.
+
+Nogmaals beproefde Wolfaert den weg der onderhandeling, maar met geen
+beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar
+eerst toestond met Gijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken,
+opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien
+ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list
+achter zochten, of dat zy Gijsbrecht genoeg kenden om van zijn raad
+geene verandering te wachten--hare voorwaarde werd niet aangenomen,
+en--schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw
+bestreed!--er werd besloten om haar door uithongering te dwingen.
+
+Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek
+aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechts zeventien
+weerbare mannen op 't kasteel--en in welken toestand nog!--Zoo de
+vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy
+ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de
+overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor
+zich en de ingenoten.
+
+Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest,
+waarmeê Wolfaert dien voorslag ontfing. Dat Hubrecht van Vyanen,
+die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief
+wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was
+het van Borssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der
+verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien
+harden eisch beraadslaagd.--»De helft die aan my komt, zal die vrij
+zijn en van alles kwijtgescholden?" vroeg Bertrade.--»Dat zal zy,"
+andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood,
+die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de
+brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover 's Graven
+leger binnentrok. Hubrecht van Vyanen sloot zijn kind ongedeerd in de
+armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed
+hem op het rad leggen. Bertrade moest aanvankelijk hare burchtzaten
+naar Dordrecht volgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarin
+Wolfaerts gemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak.
+
+De verachtelijke Baljuw van Zuid-Holland, Aloud, Wolfaerts
+oogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot
+worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee
+zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden
+verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en
+gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die
+ten leven--het ander een Leuvenschen die ter dood wees. Aloud maakte
+Bertrade met dat doel bekend.--»Nu zie, minnelijke Vrouwe!" sprak hy:
+»wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben 't lijf verbeurd;
+wien de Hollandsche komt, zullen het behouden."--
+
+Baljuw Aloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen;
+zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid
+verraden, want--nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene
+woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als
+ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal,
+naast den beul--zult ge dan sterven als acht van dézen: met het
+bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?...
+
+Maar niemant voorzag dit nu nog; Aloud allerminst. Het lot besliste,
+hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen;
+de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de
+andere volgde Bertrade naar Heuckelom, indien ten minste dit bericht
+meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter:
+
+
+ Dandre dedemen doe ghevaen.
+
+
+waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen:
+
+
+ Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!--
+
+
+Het kasteel en de landerijen van IJsselsteyn (met Benscoep en Woerden
+daarby) gingen uit Bertrades handen in die eener andere Edelvrouw
+over: Graaf Jan beleende ze, op Wolfaerts bede, aan diens gemalin
+Sybille, die er zich toch niet lang Vrouwe van schrijven mocht: 1
+Augustus, 1299, viel haar echtgenoot onder de moorddadige handen der
+verbitterde Delftenaren, en den 21 Mei 1300 ontfing Gwy van Avennes
+van zijn broeder Graaf Jan den Tweede in rechten leen al de goederen
+op Stichtschen bodem [31] van diegenen, die met raad of daad schuldig
+waren aan Grave Floris dood, en hiertoe werd ook Gijsbrecht gerekend.
+
+Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde
+slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder
+meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring,
+door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd op
+Duveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe
+weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand
+weder in bezit nam, is onbekend. Stoke meldt alleen in twee regels
+den uitslag, niet de handeling van het feit, en zingt, als nam hy de
+slotwoorden van een volkslied over,
+
+
+ En Ghisebrecht is op IJselsteine,
+ Dat sine hadde geweest te voren.
+
+
+Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13en
+Juni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen,
+en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht
+nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) van
+IJsselsteyn, van Merlo, en van Marnedijc, met de tienden en visscherij,
+tegen 126 pond 's jaars.
+
+In Augustus daarop stierf graaf Jan de Tweede, en bekwam de dappere en
+edelmoedige Willem de Derde den stoel van Holland. Gijsbrecht haastte
+zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder
+geslagen: op den 11en Augustus 1305, by eene dagvaart te 's Gravenhage
+tegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, 's Graven lieve en
+getrouwe mannen" genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn
+oudste zoon, Aernout, in 't huwelijk trad met 's Graven nicht Maria,
+bastert-dochter van Bisschop Gwy van Avennes, ontfing Gijsbrecht-zelf
+het kasteel van IJsselsteyn met de 32 morgen lands waar 't op stond,
+een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht te IJsselsteyn,
+7.5 hoeven in 't Geyn, 60 morgen lands te Rypikerwaert, 44 morgen
+te Benscoep, 75 te Polsbroec, 18 te Hoenscoep, en 12 te Bloclant, in
+rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten
+onder den eersten Gijsbrecht vermeld, benevens die op blz. 118
+voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten
+toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen.
+
+Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en
+dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel
+neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van
+dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner van Eyteren
+had die plaats verlaten, en zich onder den IJsselsteyn neêrgezet;
+zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de
+uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte
+begon te gevoelen aan eene kerk. Heer Gijsbrecht verplaatste daarom,
+met toestemming van Bisschop Gwy, en onder erkenning van het recht
+der Kanunniken van St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk van
+Eyteren naar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den
+grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt,
+schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven.
+
+By dit alles vergat hy de ridderlijke wapenoefening niet: nog in het
+zelfde jaar, 1310, op het beroemd tornier van Bergen, waar omstreeks
+190 Graven, Baanderheeren, Ridders, en Knapen, uit Engeland, Frankrijk,
+Duitschland en de Nederlanden saamgevloeid waren, pronkte ook zijn
+wapenbord: een gouden schild, beladen met een balk van sabel, alles
+gedekt door een sint-andries-kruis, van zilver en keel geschakeerd
+[32]. Hoeveel aanzien hy aan Graaf Willems hof genoot, blijkt daaruit,
+dat deze hem in 1314 toestond om jaarlijks in het groene woud van
+Haerlem een hert te mogen dooden, en dit voorrecht zelfs erfelijk op
+zijn geslacht over te brengen. Ook werd hy tot 's Graven Raad verheven,
+welke waardigheid hy tevens by den Bisschop schijnt bekleed te hebben;
+en in Maart 1317 beleende de Graaf hem met het gerecht, de tienden,
+de kerkbegeving, en eenige landerijen te Benscoep, met het gerecht en
+de tienden van Polsbroec, en met de helft van het gerecht en van de
+visscherij te Opburen. Deze bezittingen vermeerderde hy nog in November
+1319 met de Cuyksche leengoederen, ook reeds door zijne ouders bezeten,
+strekkende, langs deze zijde des IJssels, van Opburen tot Snadelenhoec,
+aan gene zijde, van 't Geyn tot Fellenoirde, en verder bestaande uit
+het hooge en lage recht in den IJssel, de putten en palen, waarden en
+visscherijen aldaar, met alles wat tot eene Hooge Heerlijkheid behoort.
+
+In 1326 verkocht de Heer van Cuyk al zijne eigendommen in het Sticht
+aan Graaf Willem, en deze bevestigde het volgende jaar Heer Gijsbrecht
+in het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen
+daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge
+rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche
+leenen ontstaan.
+
+In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoon Herbarn,
+Ridder, Heer van den Bussche, door eene noodlottige gebeurtenis
+te verliezen. Herbarn was met Johan van den Zande in oneenigheid
+geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin
+beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des
+Heeren van den Zande geweest te zijn, want in den zoen, tusschen de
+aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost
+van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten van Johan opgelegd om een
+altaar en vicary te stichten in de kerk van IJsselsteyn, met opdracht
+van het begevingsrecht aan Herbarns zoon Gijsbrecht en diens nazaten,
+en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig
+grooten tornois, op de Maria-kerk te Utrecht, voor het doen van
+zielmissen ten behoeve van Heer Herbarn.
+
+Gijsbrecht van IJsselsteyn overleed tusschen 1341 en 1344, en werd
+opgevolgd door Aernout, den oudsten zijner drie toen nog levende zonen
+[33]. Deze was, als wy weten, in 1308 gehuwd met Maria van Avennes,
+en werd kort daarop tot de Ridderlijke waardigheid verheven, schoon
+sommige Edelen er laag op neêr zagen, dat hy zich aan eene Jonkvrouwe
+uit onechten bedde verbond. Hy voer er intusschen wel by; ontfing
+van zijn schoonvader nog op diens onverwacht doodbed (29 Mei 1317)
+de voogdij van het kasteel Goye; vermeerderde zijne inkomsten met
+eenige dagelijksche gerichten en schout-ambten, en was reeds een
+gezien Edelman, toen hy de Heerlijkheid van zijn geslacht beërfde,
+waarmede hy zich niet alleen door Gravin Margareta deed beleenen
+(1346), maar ook nog daarenboven door Bisschop Jan van Arckel, voor
+zoo ver deze te eeniger tijd in het bezit dier goederen mocht komen;
+ten opzichte van den Bisschop verbond hy zich daarentegen om te
+zorgen dat een verlangd huwelijk tusschen diens broeder Robbrecht,
+den Ruwaard van 't Sticht, en Aleyde [34], Heer Otto van Arckels
+Erfzuster van Asperen en Hagesteyn, tot stand kwam, hetgeen ook
+werkelijk geschiedde. De goede verstandhouding tusschen hem en den
+Kerkvoogd ging echter in de oneenigheden tusschen den laatste met het
+Beiersch Gravenhuis van Holland ten onder: Aernout die de Hollandsche
+zijde hield, verkreeg daarvoor wel van Hertog Willem het belangrijk
+voorrecht om Utrechtsche ballingen tot poorters van IJsselsteyn te
+mogen toelaten, maar de uitoefening daarvan duurde niet lang, want
+toen zijn bestand met Bisschop Jan ten einde geloopen was, terwijl
+deze zich te Rome bevond, trok de Maarschalk van het Sticht op maandag
+na beloken Paschen voor IJsselsteyn en sloeg er zijne tenten om heen.
+
+Vijf weken lang werd de plaats met allerlei stormtuig aangetast,
+en toen zag Aernout zich gedwongen tot de overgave, en genoodzaakt
+om met eede te bezweren, dat hy en de zijnen in 't vervolg goede
+en getrouwe Stichtsmannen zouden blijven, en nimmer weder tegen den
+Bisschop of de stad oorlog voeren. Hy hield echter zeer slecht woord,
+voegde zich spoedig weder aan de Hollandsche zijde, en werd door Hertog
+Willem, die hem »zwager" [35] noemde, met gunsten overladen, ja zelfs,
+met den tytel van Baanderheer, tot Hertooglijken Raad benoemd.
+
+De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te
+vergeefs; en in Holland was Aernouts aanzien zoo gestegen, dat hy,
+met Heer Jan van Drongelen en de stad Dordrecht, in 1358 gemachtigd
+werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van
+Hertog Aelbrecht.
+
+Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen
+verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen
+als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschen Eduard, des
+Hertogen broeder van Gelre, en Hertoge Aelbrecht; tusschen Hertog
+Aelbrecht en Jan, den Heere van Arckel; tusschen den Heer van Arckel
+en Jan, Heer van Polanen en van de Leck. Ook schijnt er tusschen hem
+en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn:
+toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk te IJsselsteyn schonk,
+en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen
+bloedverwant en Baanderheer."
+
+Hy stierf, hoog bejaard, in 1362 of 1363, en werd in het volledig bezit
+der Heerlijkheid en alle goederen opgevolgd door zijne Erfdochter
+Guyotte of Gwyda [36], die sedert 1330 gehuwd was met den rijken,
+machtigen, en onvertsaagden Jan van Egmond, van wiens daden reeds
+by de behandeling der Egmonder burcht gesproken is, en die, nevens
+zijne echtgenote, in 1366 door Hertog Aelbrecht met de Heerlijkheid
+verlijd werd.
+
+Ook hunnen oudsten zoon en opvolger, Aernout, behoeft hier slechts
+herinnerd te worden. Als Heer van Egmond en IJsselsteyn bewees hy,
+in 1380, Bisschop Floris van Wevelichoven groote diensten by den
+oorlog met den overmoedigen Ridder Everaert van Essen, en het beleg
+van diens kasteel van Eerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in
+1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van
+Heer Willem van Rees, Krijgsoverste van Bisschop Aernout van Hoorn,
+veel geleden had.
+
+Heer Aernout stierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste,
+Jan, Heer van Egmond werd, terwijl de tweede, Willem, in het bezit
+van IJsselsteyn geraakte.
+
+Willem van Egmond van IJsselsteyn, gehuwd met Jacob van Borssele van
+Brigdammes weduwe, Anna van Hennin, eene dochter van Gauthier, Heer van
+Bossu, werd weldra in de oneenigheden gewikkeld, die tusschen zijnen
+broeder en Willem den Zesde ontstaan waren, en reeds onder Egmond door
+ons vermeld zijn [37]. Toen namelijk Jan van Egmond onder vrij geleide
+voor den Hoogen-raad van Holland was gedaagd, maar niet verscheen,
+werd hy ten gevolge daarvan gevonnisd als schuldig aan hoog verraad,
+en, met verbeurtverklaring zijner goederen, uit den lande gebannen. Hy
+achtte zich daarop in Holland niet langer veilig, maar vertrok ijlings
+naar IJsselsteyn, en zocht er by zijn broeder eene schuilplaats. De
+Graaf-Hertog zond, zonder lang te toeven, zijne gezanten derwaart,
+en deed kasteel en stad opeischen, maar ontfing een weigerend
+andwoord. Hierop verzamelde hy een deel zijner Ridderen en knechten,
+en zond ze, omstreeks Sint-Maria Magdelena, 1416, met een groot aantal
+poorters uit de Hollandsche steden naar de weêrspannige plaats, om die
+te belegeren. Egmonds vrienden en verwanten, waaronder voornamelijk
+Heer Jan van Vyanen, Jonker Jacob van Gaesbeec en Heer Hubrecht van
+Culenborch, maakten zich nu over zijn lot bezorgd, wel inziende dat
+hy op den duur geen tegenstand zou kunnen bieden, en gevaar liep om,
+wanneer hy den Graaf-Hertog als gevangene in handen viel, als een
+landverrader het lijf te verliezen. Zy besloten om eene poging tot
+verzoening te wagen; begaven zich in allerijl naar Schoonhoven, waar
+Willem van Beieren nog vertoefde, en werkelijk gelukte het hun hem te
+verbidden, mits de Egmonders zich onderwierpen. Zoo terstond lieten
+deze zich echter niet vinden. De bemiddelaars reden menigmaal over
+en weêr, dàn naar den vertoornden Landsheere, dàn naar de oproerige
+broeders, en brachten het eindelijk tot een vergelijk. Zeker hebben zy
+den overmoedigen Ridders het wanhopige van een gewapenden weêrstand,
+en het noodlottig einde eener dwaze volharding, doen inzien, want de
+voorwaarden der bevrediging waren zoo goed als verkoop hunner rechten
+en goederen:
+
+»De Heer van Egmond en Heer Willem zijn broeder zouden rijden uit
+IJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden,
+en blijven uit den lande van Holland en Zeeland, en daar niet weder
+in komen, ten zij by wille en meêweten van Hertoge Willem. En de
+Heer van Egmond zou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen,
+dat hy had aan den huize en aan der stede van IJsselsteyn, en aan
+der Heerlijkheid, tot 's Hertogen Willems behoef. En de Hertog zou
+jaarlijks doen uitreiken aan den Heer van Egmond, hem en den zijnen,
+ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan Heere Willem, zijnen
+broeder van IJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder,
+Vrouwe Jolande van Linningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht."
+
+De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde
+bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en
+tilbare have de stad en het kasteel van IJsselsteyn, die onmiddellijk
+overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet
+werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem
+hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen."
+
+Den 31en Mei, 1417, stierf Willem de Zesde te Bouchain--en toen
+bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op
+geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich
+niet gebonden achtten om hem te houden.
+
+Naauwlijks was den Egmonders de doodsmare ter oore gekomen, of zy
+verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê Heer Willem
+naar IJsselsteyn toog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den
+dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen,
+die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond
+eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf
+dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de
+Hertogin Jacoba bewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde
+allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der
+mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang,
+of hy kreeg vaste hoop op ontzet.
+
+Jan van Montfoort en Walraven van Brederode, de natuurlijke vijanden
+van IJsselsteyn en Egmond, vernamen niet zoodra der broederen feit,
+en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere
+zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te
+winnen. Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk
+naar Utrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde
+den Raad voor, om zich het belang van Jacoba in deze aan te trekken,
+hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegen
+IJsselsteyn op te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou
+goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel
+te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen van
+Utrecht, om het te kunnen weerstaan: IJsselsteyn was hun te lang
+een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene
+opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten
+worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na
+Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats.
+
+Toen Montfoort hunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede
+derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop
+zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar 't kasteel, om den
+slotvoogd by te springen, maar--het vaandel van den trans woei hun
+eene slechte tijding tegen: Heer Willem had in dien tusschentijd
+mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich
+meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt.
+
+Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse
+waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het
+veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde
+niet lang, of ook Brederode kwam met de zijnen aan, en sloeg zich by
+hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en
+de poorters van Amersfoort verschenen en zich by hen voegden, werd
+het inderdaad een insluitings-leger, waarover IJsselsteyn zich wel
+verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy
+zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts
+vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een
+oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen
+en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan
+moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:--hy had
+geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien
+mocht, en zijn broeder van Egmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy
+was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen
+vloeken op »Jan met de bellen."--hy vermocht toch geen gantsch leger
+te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen
+der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt;
+de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was,"
+werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig
+een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige
+plaatsen geen boogschot ver meer was.
+
+Een deel der stede-bannelingen van Utrecht, met den Domdeken Herman van
+Lochorst, Johan van den Spiegel, en eenige vijanden van het sticht,
+hadden zich intusschen by Heer Willem gevoegd, en waren de bezetting
+van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een
+nieuwen bondgenoot in Jan van Beieren, die, als mede zorg schijnende
+te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had
+uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten.
+
+Heer Willems kans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel
+in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan--en
+hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van Heer
+Jan van Heynsbergen gevoerd, duurde kort, want het was als overmacht
+tegen onmacht.
+
+En veertien dagen na den aanvang van 't beleg trokken de broeders,
+met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang,
+waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden,
+ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid tot Nyendam, van
+waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen
+moesten zoeken.
+
+De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde
+waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren
+getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking van Jacoba gesteld, met
+uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde.
+
+Toen de Hertoginne kort daarna in Holland kwam, herinnerden de
+Stichtschen Montfoort aan zijne belofte omtrent de vernieling van
+IJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst
+van Brederode het daarheen te brengen, dat Jacoba, die nog weinig
+blik in 's Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare
+goedkeuring schonk. Vervolgends kwam Heer Walraven op Sint Pieter en
+Pauwels daarna te Utrecht, en nam een hoop volks van daar met zich
+naar IJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu
+speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen
+zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de
+eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere
+bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich
+der baldadige poorters van Utrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige
+vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten--zonder er
+zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten
+doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding
+zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede
+en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn
+hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, na alle steen
+tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden
+plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en
+het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was het
+IJsselsteyn van 1417 het Egmond van 1315 gelijk geworden.
+
+Heer Willem van Egmond van IJsselsteyn overleed op den 31en December
+1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter, Belia,
+gehuwd met Berthout van Rietwijc, en een zoon, Aernout van IJsselsteyn
+genoemd, die in den echt trad met Barbara van Borssele, en in wien
+wy den schraapzieken Slotvoogd van Woerden hervinden, wiens vrekkige
+aart het der kloekheid van Johan van Montfoort zoo gemakkelijk maakte,
+om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken.
+
+Na Heer Willems dood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg,
+de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenoot Willem, tweede zoon van
+den vurigen Jan van Egmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den
+krijgshaften »Jan met de Bellen" hebben leeren kennen.
+
+Willem van Egmond was reeds door zijn ouderen broeder, Hertog
+Aernout van Gelder, beschonken met de goederen van Willem van Buren,
+in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer van Buren, Leerdam,
+Schonerwoert en Haestrecht, en des lands van Mechelen. In den slag
+met Hertog Gerhard van Berg, 10 November, 1444, die vooral door de
+lafhartigheid van Geraert van Culenborch verloren ging, toonde Willem
+van Egmond een ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich,
+door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat
+tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijand
+Willem van Buren, sints 1430 Veldheer van den Hertog van Berg, was
+gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol
+jaar krijgsgevangen, en Hertog Aernouts geldelijke toestand had het
+betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toon Buren hem op den 13
+November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelastte zich over acht
+maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stad Berchem te begeven,
+er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn
+tollenaar Koenraed van Boelendorp, en niet van daar te vertrekken
+buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven
+voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren.
+
+Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds,
+maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voor Egmond
+en Gelder beiden. Hertog Aernout nam daarop zijne maatregelen, en de
+loskooping volgde eerstdaags.
+
+Toen de laaghartige Adolf, Hertog Aernouts zoon, in verbond met zijne
+onnatuurlijke moeder Catherine van Cleve en een deel verraderlijke
+Edelen, zijn vader in 1465 te Grave gevangen nam, deed hy ook den
+niets kwaads vermoedenden Frederic van Egmond, Heer Willems zoon, in
+hechtenis nemen. Vergeefs trachtte Heer Willem, die ter goeder trouw
+maar al te dikwijls Adolfs voorspraak by diens vader was geweest,
+thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zou hy, die de vaderlijke
+weldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben
+voor de weldaden van den oom!
+
+Het duurde zelfs niet lang, of Adolf, die de wederspannigheid
+der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef,
+liet al diens leenen in Gelderland aanslaan, en viel hem met
+allerlei betichtingen lastig. Graaf Vincent van Meurs, Heer Willems
+schoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toen
+Willem te Arnhem kwam om zich te verandwoorden, en daartoe met Vincent
+naar 's Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en
+liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op
+aan drong, om te weten hoe het dan toch met Heer Willems zaak gaan
+moest, voer Adolf toornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche
+goudgulden--tenzij hy de inkomsten van den tol te IJsseloord zal
+betalen, of dien tol laten varen."
+
+Toen de Graaf dit woord overbracht, sprak Willem met bitterheid: »Zie,
+dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de
+verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven
+broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my
+thands ook van mijne inkomsten te berooven."--En nadat hy den Grave
+gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy
+zich netelig in 't zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld,
+naar zijn Slot van Baer, waar hy zich terstond maatregelen nam,
+om Hertog Jan van Cleve, de stede Wageningen, en eenige anderen,
+met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid van
+Adolf bekend te maken.
+
+Gedurende den daarop gevolgden oorlog met den Clevenaar, zond Adolf
+eene bende krijgslieden onder Otho van Weeren naar IJsselsteyn,
+waar men allengs weder was beginnen aan te bouwen, maar nog altoos
+zonder beschutting van muren lag. Het viel den Geldersman derhalven
+niet moeielijk de plaats te overrompelen. De kerk en het klooster,
+door de Stichtenaars nog gespaard, werden thands met de herbouwde
+woningen en hutten mede aan de vlammen overgegeven, en de weerlooze
+menigte werd schandelijk en laaghartig mishandeld. Deze boosaartigheid
+bleef niet gants ongestraft: vijfenveertig der plunderaars op hun
+keertocht toevende binnen Gorcum, waar zy zich veilig waanden [38],
+werden onverhoeds gevangen genomen en in de ijzers gezet. Negentien
+hunner, uit den stok brekende, zochten deels in het Minoritenklooster,
+voor een ander deel in de H. Geesthuiskerk een toevlucht. Maar te
+vergeefs: de stadhouder van Holland deed hen van daar en naar 's
+Gravenhage voeren, waar zy op den 26en en 29en Mei, 1466, ondanks
+alle smeekingen en voorbeden hunner verwanten en betrekkingen,
+onthalsd en geraderd werden.
+
+Jonkheer Frederic was intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt,
+en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunne volgers gewapend,
+en zich by het leger des Hertogen van Cleve gevoegd hadden, van waar
+zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten,
+en zelfs Arnhem verrasten.
+
+Na den vrede van Gent, 1469, begon de roekelooze Adolf weder de oude
+treken tegen zijnen oom. Heer Willem, evenzeer verontwaardigd als
+verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar Hertog Karel van
+Borgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden
+verwisseld: Adolf in hechtenis geraakte, en Aernout op vrije voeten
+kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder
+en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen van IJsseloort en
+Arnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel van Buren,
+geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven
+benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel te Grave, waar
+hy, na zijn afstand van het Hertogdom aan Karel, gewoonlijk verblijf
+hield en ook, op den 23en Februari 1473, overleed.
+
+By het verzet der Gelderschen tegen Hertog Karel, sloot Heer Willem
+zich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen
+en hunne wapenknechten zelf in 't Hertooglijk heir, waar hy groote
+diensten bewees, en in het beleg van Nymegen, 1473, zijne tenten
+opsloeg aan de overzijde van de Waal in 't dorp Lent, aan de zijde van
+zijn ouden vriend den Hertog van Cleve, met wien hy de overmoedige stad
+zeer in de engte bracht. Hertog Karel toonde hoezeer hy de diensten
+en bekwaamheden van Willem op prijs stelde, en stelde hem, na de
+onderwerping van Gelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan.
+
+De dood van Karel den Stoute, 5 Januari 1477, bracht Willem in
+ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, en Catharyne
+van Gelre, op verlangen van heur geslaakten broeder Adolf (kort
+daarna echter voor Doornic gesneuveld) als Voogdesse aannamen. In
+de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide
+jongere zonen Frederic en Willem door de poorters van Nymegen gevangen,
+en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over het Valkhof in
+hechtenis gehouden.
+
+De Aarts-Hertog Maximiliaan, in deze zaak gemoeid, wierp zelf een oog
+op het bestreden Hertogdom, en nam Heer Willem, om hem aan zich te
+verbinden, in 1478, te Brugge, onder de Ridders van het Gulden-vlies
+op. De grijze Ridder, in wien wy thands moeielijk den ranken Edelman
+met de zwarte krullende hairen kunnen herkennen, dien wy in 1451
+op het kasteel te Egmond aantroffen [39], droeg het vorstelijk
+onderscheidingsteeken nog byna vijf jaren op de fiere borst. Toen
+overleed hy op het kasteel van Grave, 19 Januari 1483, en werd aan
+de zijde van zijnen broeder Aernout begraven.
+
+Frederic van Egmond, zijn opvolger als Heer van IJsselsteyn, en
+gehuwd met Jonkvrouwe Aleyde, Heer Geraerts dochter van Culenborch,
+had intusschen reeds overvloedig van zich doen spreken. Ook wy hebben
+hem reeds ontmoet by de Utrechtsche onlusten, waarin de Burchtgraaf
+van Montfoort, zijn erfvijand, zulk een overmoedige rol speelde [40],
+en Frederic als Opperbevelhebber het leger des Bisschops aanvoerde.
+
+Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan
+de Catrynepoort buiten Utrecht, het rooven van vee uit de landerijen
+aan den Rijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy
+deed uitschudden en naar IJsselsteyn voeren, dat door hem reeds onder
+Karel den Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt
+was geworden. Een inval der Montfoorters onder Jan van Middachten werd
+door den IJsselsteynschen Bevelhebber Lambrecht Myllinck gekeerd. In
+de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarby
+Middachten met negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd,
+terwijl Myllinck, zijn behaald voordeel vervolgende, de landen van
+Montfoort en Utrecht met vuur en staal verwoestte. Eene onderneming
+der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het
+kasteel Oudegein, aan de vereeniging van Lec en IJssel gelegen,
+en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een
+tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters van IJsselsteyn
+langs den vaartschen Rijn legden, wanneer zy den voorraad, die van
+tijd tot tijd naar het blokhuis aan de Vaart werd gevoerd, wilden
+onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had,
+werd het sein gegeven aan het kasteel Vronesteyn en aan de Vaart,
+en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder
+voort. Te vergeefs mochten die van IJsselsteyn zich een poos afmatten,
+wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht,
+en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag,
+16 Juni 1482, overvielen zy den Oudegein, verjoegen de bezetting,
+plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit
+triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit
+verlies grooten last, want van nu aan legden Heer Frederics mannen
+hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de
+vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester.
+
+De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze
+onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en
+klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en
+het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel
+diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den
+verdrukten Kennemer van 885 klagen:
+
+
+ »Des vlegels maatslag op den dorschvloer,--op de velden
+ Het vrolijk arbeidslied by spade of zeis--hoe zelden
+ Wordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord!
+ Ach! 't land brengt doornen meest en ruige distlen voort!"--
+
+
+Toen de Burchtgraaf van Montfoort eindelijk meende den oorlog
+op grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de
+eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden,
+de Heeren van IJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst
+en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt--en
+zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27en Augustus 1482,
+ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne
+wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen,
+stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien,
+dat het Cleve en Montfoort met de bestorming ernst was. Het leger
+werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs
+den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naar
+Lopic voerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der
+Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdat
+Reynier van Broechusen met de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen,
+liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die
+reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren
+opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel
+de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er
+het leven by verloren.
+
+De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns
+Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van
+de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen
+sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen
+niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht
+kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar
+toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.
+
+Intusschen was Broechusen met zijne Clevenaars den 31en Augustus
+over Utrecht naar IJsselsteyn getogen; en het leger alzoo voltallig
+geworden. Montfoort naderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte
+uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou
+kunnen overmeesteren--maar toen het er nu op aan kwam om dien storm
+te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een
+praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst
+gewonnen ware, »want," zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn
+herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om
+steden te bestormen."
+
+En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was
+mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar
+duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis
+der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte
+zijn warm bed binnen de veilige muren van Utrecht weder op te zoeken,
+zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds
+den 1en September eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts
+4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.
+
+De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde,
+want de Burchtgraaf wist zeer wel, dat Frederic te Schoonhoven
+lag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige
+versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm
+alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid
+daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en,
+hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben--een
+spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiere Johan
+van Montfoort thands besluiten kon.
+
+En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste
+uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten,
+die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden
+vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6
+September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht
+scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten
+werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek
+bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by
+dezen vruchteloozen aanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het
+verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.
+
+Die van IJsselsteyn maakten zich terstond van het achtergelaten
+krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een
+al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen,
+lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den
+brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen
+ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de
+stad inruimden.
+
+Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der
+wallen van IJsselsteyn ingemetselde steen, die tot aan het einde der
+vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:
+
+
+ Wech, Uytersen met uw tuten en blasen,
+ Doet uyt twee leuwen en set twee hasen,
+ Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt,
+ Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.
+
+
+Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop
+Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien
+nog ligt.
+
+Heer Frederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer
+bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedige Utrecht
+te verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in
+eene herberg »de Sleutel" samenkomende, vonden daar in de dienstboden
+gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen
+Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam
+echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden
+gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad,
+ter stad uit gebannen.
+
+Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door
+de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy
+zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de
+poorters koelden hunne verbittering op negen zijner krijgsknechten, die
+zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en
+hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.
+
+De Geldersche oorlog, waarin zijne stad Buren overweldigd, en het
+kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen
+hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert
+meester, en sloot Utrecht zoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd
+om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000
+goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een
+afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te
+doen begraven.
+
+Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk
+erkend door Keizer Maximiliaan, die de Heerlijkheid Buren tot een
+Graafschap verhief, zoodat de broeders van Egmond nu beiden den
+Graven-tytel voerden.
+
+Frederic van Egmond van IJsselsteyn, Graaf van Buren en Leerdam,
+Heer van IJsselsteyn, Sint Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq,
+en Jaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk van
+IJsselsteyn bygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds
+op den 26en Juli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier
+stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende
+houding draagt, deed oprichten.
+
+Hun oudste zoon Floris, gehuwd met Margareta van Zevenberghe, volgde in
+het bezit van het Graafschap Buren en Leerdam. De jongste, Wennemaer,
+kwam aan de Heerlijkheden IJsselsteyn, St.-Maertensdijc, Cortgene,
+Cranendoncq, en Jaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder
+andere kinderen dan een natuurlijken zoon, Willem van IJsselsteyn,
+zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld op Floris over,
+die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg,
+en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.
+
+In 1510 trachtten de Stichtschen zich van IJsselsteyn meester te maken,
+'t geen hun echter mislukte. Niet beter voer Floris van zijnen kant
+in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich
+een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te
+verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte
+land van 't Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de
+stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.
+
+Toen Hertog Karel van Egmond daarop als Beschermheer van Utrecht was
+aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en
+Stichtsche wapenen tegen IJsselsteyn gekeerd. Drie weken lang duurde
+het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters van
+Utrecht lagen gedurende dien tijd onder den standaart van Karel
+rondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant van Schoonhoven,
+staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en
+de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en
+den Crimpenerwaert veroorzaakt, kostte Holland meer dan honderdduizend
+kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen,
+waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteel Jaersvelt,
+aan de Lec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld van
+Floris ten einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van Graaf
+Henric van Nassau, en noodzaakte den vijand, op den 1en Juni 1511,
+tot het opbreken van 't beleg. In die zelfde maand overviel hy,
+in vereeniging met den Heer van Wassenaer, aan het hoofd van 200
+ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting van Jutfaes,
+die hy tot aan de poorten van Utrecht voor zich uit dreef, er velen
+van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.
+
+Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar
+de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde
+zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de
+opbrengsten der Utrechtsche bezittingen in IJsselsteyn de soudeniers
+te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden
+te wijten, dat hy in de wandeling Floortjen Dunbier werd genoemd,
+schoon 't ook zijn kan, dat hy dezen schimpnaam aan de Stichtenaren
+te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen
+Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel
+eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van Hertog Karel
+van Oostenrijk of van Margareta niet met zijne zienswijze strookten,
+stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens
+belang handelde.
+
+Des niettegenstaande stelde Karel van Oostenrijk een groot vertrouwen
+in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder in Holland was, en zond
+hem in 1515 naar Friesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen
+van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En
+hier was Floris vastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen,
+hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om den
+Oostenrijker als Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks
+in Friesland te erkennen en aan te nemen.
+
+De huldiging geschiedde op den 1en Juni, 1515, met veel plechtigheid te
+Leeuwarden. Floris vertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan
+door den Herout (wiens dalmatiek Karels wapens droeg) en gevolgd
+door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar
+den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor
+de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook
+den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en
+eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden
+bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen
+onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen
+tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom
+den koolstruik tot ridder geslagen had!
+
+Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden,
+en droeg er veel toe by, om Karel, die inmiddels (1519) de Duitsche
+Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen
+verkrijgen.
+
+Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikte Floris toch
+den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust
+schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20en Oktober, 1539,
+nalatende drie kinderen, een zoon, Maximiliaen, en twee dochters, Anna
+(die door heur huwelyk met Jozef van Montmorency moeder was van Floris
+en Filips van Montmorency, zoo bekend in onze historie) en Walburga.
+
+Maximiliaen van Egmond van IJsselsteyn, thands Graaf van Buren en
+Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Jaersvelt, St.-Maertensdijc, Cortgene
+en Cranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns
+vaders dood door den Keizer in de plaats van den overleden Joris
+Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal
+van Friesland, Overijssel, Groningen, en Groningerland, waar hy
+rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge
+mate de gunst van Keizer Karel, dien hy in verschillende oorlogen
+volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met
+een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den
+afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer,
+zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf
+diens Graafschap Buren tot een Hertogdom verheffen--zonder echter
+daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste
+bewoog Maximiliaen tot eene dankvolle afwijzing: »Liever," sprak hy:
+»wil ik een rijke Graaf, dan een arme Hertog zijn."--
+
+Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uit
+Engeland in een gezantschap van 's Keizers wege was te rug gekeerd,
+oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens te Brussel
+overviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfarts Andries van Wesel
+(Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven
+naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten,
+en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was
+op den 22en December, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder
+hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk
+om zijne twee gemeenzaamste vrienden, de Heeren van Ligne en van
+Granvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.
+
+Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het
+onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke
+bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar
+zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar
+het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen,
+voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en
+ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal
+komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige
+huivering bevangt hen--Maximiliaen van Egmond, geheel in 't harnas
+gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies
+omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe;
+beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf
+hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt
+hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te
+drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin
+met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken
+heeft, reikt hy den Heer van Ligne zijn Ordeteeken over, om het den
+Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen
+ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was
+een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.
+
+Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen
+voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts,
+en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen
+zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het
+lichaam reeds verlaten.
+
+Zijne weduwe, Françoise, Heer Hugoos Erfdochter van Lannoy, overleefde
+hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het
+geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd
+door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van
+gelijken ouderdom, van Vorstelijken Huize, en sinds zijn elfde jaar
+aan het Keizerlijk hof te Brussel opgevoed: in 1551 huwde Willem
+van Nassau-Dillenburg, Prins van Oranje, Baron van Breda en Diest,
+met Anna van Egmond van IJsselsteyn, Erfdochter van Buren en Leerdam
+en der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.
+
+Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat
+zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon, Filips Willem, in 1554,
+en een dochter, Maria, in 1556, die later de echtgenote des Graven
+Filips van Hohenlo werd.
+
+Hierdoor kwam IJsselsteyn alzoo in handen van het doorluchtig Huis van
+Oranje-Nassau, waarin het ook tot aan Willem den Derde bleef, zonder
+dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend,
+dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van
+1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal
+dragonders van de Fransche bezetting uit Utrecht naar IJsselsteyn, om
+het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer
+onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald,
+»dat de meeste part het weder-komen vergaten"; de overige helden
+spoedden zich ijlings weder naar Utrecht, »blasende en trommelende voor
+de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt."
+
+De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf
+gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel
+en stad, zonder eenigen weêrstand, in 's vijands handen overgegaan,
+en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen
+uit Utrecht.
+
+Na Koning Willems plotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond
+er tusschen Frederik den Tweede, Koning van Pruissen, en Johan Willem
+Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door
+hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd. IJsselsteyn
+kwam toen aan Willem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder van
+Friesland, Groningen, Drenthe en Gelderland, en in 1747, als Willem
+de Vierde, Stadhouder der Vereenigde Provinciën. Zijne moeder, de
+beminnelijke Maria Louisa van Hessen-Cassel, die, na gade en zoon
+overleefd te hebben, eerst in 1765 te Leeuwarden overleed, hield
+zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat,
+en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare
+herinnering van de edele Vorstin.
+
+Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost van
+IJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid
+bekleed door den Heer de Beaufort, die er toen afstand van moest doen,
+en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen
+des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek
+werd gebracht.
+
+Nu moest het, dàn als hospitaal--dàn als kazerne dienen, en speelde
+de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het
+eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends
+werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten,
+en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van de Capelle als
+huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van der
+Duin van Maasdam heur verblijf vestigde.
+
+Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van de Capelle, in
+1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer
+Mr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer van Bunnik en Vechten,
+wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.
+
+Intusschen heeft de uitwendige vorm van den IJsselsteyn natuurlijk
+veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den
+tegenwoordigen toestand wordt gevonden in Robidé van der Aas
+»Oud-Nederland," en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men
+kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht,
+wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer
+dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5
+N. el dikte heeft.
+
+De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich
+daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoe wenschelijk dit ook
+ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder
+het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde
+klooster te onderhouden." De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf
+geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen
+en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.
+
+Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men
+met den dichter spreken:
+
+
+ Wel, zeker, wie 't herdenken mint
+ Van lang voorleden, schooner dagen--
+ Wie een weemoedig-zoet behagen
+ In de eeuwig groene Erinring vindt,
+ Heeft slechts die muren te ondervragen,
+ Die 't merk van koninklijke pracht,
+ Van oude--eilaas! verlamde--kracht--
+ In reuzenschrift aan 't voorhoofd dragen.
+
+ o, Fluisterstem van dat Voorleden,
+ Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord,
+ Die, als een zangrig harpaccoord,
+ Ter helft geraden, half gehoord,
+ Den avondwandlaar langs gegleden,
+ De stilte van den bouwval stoort!
+ Hoe woei mij dàar de Erinring tegen
+ Van Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht,
+ Van Riddereer en Riddermagt,
+ Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!
+
+ Dan rijst voor mijn verwonderd oog
+ Op nieuw het burggewelf omhoog,
+ Zoo als 'et prijkte in vroeger dagen;
+ Dan krijgt die slotpoort als weleer
+ Zijn ijzren vleugeldeuren weêr;
+ Dán wappert van den hoogen toren
+ Op nieuw de slanke baanrol uit;
+ Dan is 't, of 't avondzonnegloren
+ Op 't blankgeslepen borstschild stuit,
+ En blikkert op de stormhelmetten,
+ En 't flikkrend staal der krijgsgenetten,
+ Die zich verdringen in het krijt
+ En joken naar den strijd!
+
+ Dán treedt een sleep die hallen binnen
+ Van Edelvrouwen, jonk en schoon,
+ Van Ridders, vurig in 't beminnen,
+ Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen,
+ En Minstreels, die den zang beginnen
+ Voor Vrouwengunst en Minneloon!
+
+ Waar is uw luister heêngevaren,
+ En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?
+
+ Gij spreekt de vreeselijke taal
+ Van moeilijke Opkomst, vroeg Verderven,
+ Van korten Bloei en langzaam Sterven;
+ Gij zingt het slepend grafgezang
+ Van eeuwgen, eeuwgen Ondergang!
+
+ Doch neen, geen Dood!
+ De geest blijft leven,
+ Die, eens dier stichting ingedreven,
+ Nog scheemrig in den bouwval gloort.--
+ Want wat des menschen vinding stichtte,
+ Want wat de kracht zijns wils verrigtte,
+ De daad die is duurt altoos voort!
+
+
+
+
+
+
+
+JACHTSLOT HET LOO.
+
+
+Schoon ik een open zin en een warm hart voor het oude heb, ben ik
+toch volstrekt niet ingenomen met het verouderde, en van weinige
+dingen heb ik een zoo volstrekten afkeer, als van verouderde klachten.
+
+En niettegenstaande dit, wil ik echter nog eenmaal op eene verouderde
+klacht terug komen, omdat de ergelijke grond van haar ontstaan met
+iederen zomer weer op nieuw herleeft:
+
+»Wy--neen, Goddank! nog niet wy, maar toch, helaas! nog velen
+onzer--zoeken de oorspronkelijke schoonheid der natuur nog altoos
+buiten, niet in ons vaderland; en wie onder ons aanspraak maakt op den
+naam van man van beschaving en opvoeding, kent, zoo hem Zwitserland en
+Italië nog vreemd zijn, ten minste de Maas- en Rijn-streken door eigene
+aanschouwing; ook nog, by toeval, de omstreken eens buitenverblijfs
+van verwant of vriend, en heeft waarlijk ook wel eens hooren beweren
+dat Nederland zelfs rijk aan natuurschoonheid is--maar onder dit
+laatste schrijven zijne verbaasde blikken: »quod est demonstrandum!"
+
+De arme dwaas!--
+
+Ik erger my over hem, meent ge? Waarlijk niet: den man, die f 50.000
+jaarlijksch inkomen bezit, en zich nog altijd misdeeld waant, omdat
+hy geen f 500.000 heeft--beklaag ik slechts; en--in een zeer netelige
+luim zou ik misschien zeggen, dat hy voor Meerenberg rijp is, als
+zoo menige politieke Tinnegieter onzes tijds.
+
+Nederland arm aan waarachtige natuurschoonheid!
+
+»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven
+en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof
+ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!--Schaduw
+en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer in Holland
+overvloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont
+zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer
+met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van
+olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een
+welriekende balsemgeur toe--niet minder streelt ons in het voorjaar de
+balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.--Naast de
+hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas,
+met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en
+eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen,
+dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen
+loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden,
+dat Vondel ze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken
+kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open
+plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar
+met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen,
+gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of
+het malsche klavergroen der weiden afsteken.--Zoo groeien hier op
+Hollands bodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze
+weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze
+wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen,
+op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort
+bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken:
+de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en
+het varenkruid.--Over de kelken dezer in het wild verspreide bloemen
+zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in
+de zomerzon.--Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.--Maar
+als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen
+lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide,
+waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de
+klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en
+van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of
+vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen;
+als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven,
+het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling
+afwisselen--dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons
+gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al
+dien wellust te bevatten." [41]
+
+Laat hem in den vreemde gaan reizen, die misdeeld genoeg is om
+Hollands weelderigen rijkdom aan schilderachtig natuurschoon te
+kunnen ontkennen; laat hem in den vreemde gaan reizen--hy zal 't
+ook dáar niet vinden: zijn gemoed mist den open zin, den spiegel die
+'t weerkaatsen moet.
+
+En valt er zooveel reeds in de natuur aan den Hollandschen duinzoom
+te genieten--hoeveel meer dan nog in dat uitnemend gewest, dat
+(door onze vervelende zucht naar vergelijking met den vreemde) den
+naam van Neêrlands Zwitserland, of eener dergelijke Nederlandsche
+vreemdigheid, draagt!
+
+»O!" wordt er gezegd: »ook daar zijn we geen vreemdelingen; wy kennen
+Arnhem en zijne verrukkelijke omstreken zeer goed!"
+
+Maar ge zult toch in waarheid niet meenen, dat ge het oorspronkelijk
+schoon van Gelderland dáar te zoeken hebt?--Zoo ge my toestemmend
+andwoorden moet, dan bewijst ge daarmêe, dat ge genoegen smaakt in
+wandelen tusschen groene bergen en fraaie dreven, onder prachtige
+beuken zoowel als onder cierlijke acaciaas, door kunstelijk grotwerk
+zoowel als langs klaterende fonteinen--maar uw gevoel voor de
+natuur spreekt er nog volstrekt niet uit.--Zijt ge zoo gelukkig
+dit te bezitten, en weet ge alzoo vruchtbaarheid van produktiviteit,
+statigen ernst van eentoonigheid, vrije natuurschakeering van kunstige
+afwisseling te onderscheiden--ga dan naar dat deel van Gelderland,
+dat door een zijner eigene Hertogen [42] werd gekenmerkt als »een
+wilt en bijster lant, daer veel overgrepen in geschiên plegen."--
+
+Dáar, op de Hooge-Veluwe, zal de reiziger, die gewoon is in vreemde
+gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigene oogen gaan
+overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon
+is. Met welgevallen zal hy opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling
+van land- en veldgezichten die landstreek oplevert; hoe ook daar de
+kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon,
+hoe schilderachtig vele dorpen en gehuchten dáar zijn gelegen;
+hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der
+zoogenaamde Woldbergen; hy zal verbaasd staan over die uitgestrekte
+heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt; in
+die heide, waarop de veelsoortige erica met hare zacht en helder
+purperen bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde
+van onze planeet, te weten in Jutland, Holstein, Hanover, Westfalen,
+en Nederland, wordt gevonden:--en niet zonder belangstelling zal hy
+die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in
+hunnen natuurstaat bevinden.
+
+En hoe vele boeiende overleveringen zijn niet verbonden aan dien
+belangwekkenden bodem; hoe vele herinneringen uit lang vervlogen
+dagen doemen dáar op voor onze verbeelding; hoe wordt daar de geest
+gestemd tot ernst en overdenking!-- [43]
+
+En juist dáarom is die woeste, purperbruine, met donkergroen
+geschakeerde Veluwe zoo dubbel aantrekkelijk voor den beschaafden
+Nederlander (wie de geschiedenis zijns lands niet kent, zal men
+natuurlijk niet beschaafd heeten!). En hoe eindeloos in getal, hoe
+veelsoortig en afwisselend zijn hier de historische herinneringen! By
+iederen voetstap: uit elken tijd: van toen de eerste Germaan er het
+zand boven de urne zijner dooden ten heuvel opwierp, tot toen de
+hervorming er de Sint-Jans Ridders uit hun rustig verblijf wechdreef;
+van dat een Koning van Engeland er ter verpoozing van staatszorg zijne
+valken opschoot, tot toen een Koning van Nederland, door staatszorg
+vermoeid, er den scepter nederleî.--Hoe veel voor het hart; hoeveel
+voor het hoofd! Hoe veel voor de wetenschap; hoe veel voor de poëzy!--
+
+Wie onzer schilders zal nog eenmaal by zijne gave ook wetenschappelijk
+genoeg gevormd zijn, om er ons de historische landschappen van te
+schenken? Wie onzer dichters, om die landschappen met de handelingen
+van het voorgeslacht te bezielen?
+
+By zoo grooten rijkdom wordt de keuze van onderwerp zeker moeielijk;
+maar niet alleen voor den dichter, of den schilder--ook voor den
+geschiedschrijver, wanneer hy zich ten taak heeft gesteld om slechts
+enkele onderwerpen te behandelen. Dus is het thands my, nu ik op de
+Veluwe tusschen de eeuwen rondwandel, en niet naar eenig merkwaardig
+overblijfsel zoek, maar deze zich by menigten aan my opdringen.
+
+En wanneer ik dan den vinger zet op eene plaats, waar de herinneringen
+zich ten naauwste aan het Huis van Oranje verbinden, dan vreeze ik
+geenszins naar het minder belangrijke te hebben gegrepen.
+
+
+
+Een halfuur noordwaart van het grijze Apeldoorn ligt eene heerlijke
+plek gronds; niet, gelijk men ze wel eens heeft aangeduid, als een
+
+
+ Blinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand;
+
+
+maar
+
+
+ Als in glansend goudgevonkel 't flonkren van den diamant.
+
+
+Van heuvelige heide, en dichte, eeuwenheugende wouden omgeven, rees
+daar in de 16e eeuw het jachtslot van den Hertooglijken Maarschalk
+Johan Bentynck, uit de heldere gracht omhoog.
+
+Heer Johan was een zoon uit het oud en edel Geslacht van Bentync, dat
+reeds in de veertiende eeuw in groot aanzien stond. Zijne echtgenote,
+Joanna, des Heeren dochter van Appeltern, ontsproot mede uit een der
+edelste geslachten van het Gelreland. Zy schonk hem vier dochters,
+waarvan de twee oudsten in den geestelijken staat--de beide jongsten
+in het huwelijk traden; en vier zoons, waarvan drie ongehuwd, en de
+eenige die gehuwd was, toch kinderloos overleed. [44]
+
+Reeds in 1503 werd hy met de Heerlijkheid Arensberghe (thands
+Berrinkhuizen) en de tienden in Engeland, op de Veluwe, beleend,
+en omstreeks dien zelfden tijd verlijd met het Jagermeesterschap op
+Veluwe en in het Nederrijkswald, waarin hy vervolgends in 1511 weder
+bevestigd werd.
+
+Wanneer, en door wie zijn huis het Loo gesticht was, en of het leven
+zijner vroegere bewoners in rust of in onvrede was voorby gegaan,
+daarvan weet de historie, noch de overlevering te spreken. Dat het
+een lust- en jachtslot der Geldersche Hertogen zou geweest zijn,
+is eene opvatting van lateren tijd, in den onze wederlegd, en voor
+goed vernietigd.
+
+Onder het toenmalig kerspel Apeldoirn gelegen, was het tot in 1537
+een vrij, eigen goed, en werd den 31en Augustus van dat jaar door
+Johan in leen opgedragen aan Karel van Egmond, zijn Hertog en Heer,
+dien hy sints veertig jaren getrouwelijk gediend had.
+
+De Hertog nam die opdracht willig aan, en maakte uit erkentelijkheid
+voor dit en menige trouwe dienst, het ambt van Jagermeester op
+Veluwe en in het Nederrijks-wald, »mit allen sijnen rechten, renten
+ind toebehoir" erfelijk in het Geslacht van Bentynck. Te voren was
+aan deze waardigheid ook het bezit van het Huis en de Heerlijkheid
+Hoeckelom verknocht geweest; maar daar dit sedert 1481 met Herman van
+Hoeckelom vervallen was, verbond Karel er andere, nieuwe voordeelen
+aan, en regelde de inkomsten van het ambt voor goed; 31 Augustus
+1537. Tevens bepaalde hy de erfopvolging in dezer voege:
+
+
+ »Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op
+ sijnen altsten soen Adolph Bentynck, in soe voirtaen then
+ euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnen
+ Adolffs ind Kairls sijnen sone, van lijven gekoemen. Ind
+ ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal
+ dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op
+ onsen diener ind lieven getrouwen Seger van Arnhem, ind op
+ sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouwe Anna
+ Bentynckx toe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall
+ datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen
+ koemen ind vallen."
+
+
+En de omstandigheid, by deze laatste bepaling geregeld, had weldra
+plaats.
+
+Johan Bentynck, die als eerste Edelman uit de Veluwe de overeenkomst
+van 27 Januari 1538, omtrent de vereeniging van Gelder en Sutphen met
+Gulick en Cleve mede bezegelde, bekleedde zijne waardigheid tot in
+1543, toen hy op den 16en Oktober overleed, en ze, met het bezit van
+'t Loo, aan zijn oudsten zoon Adolf naliet.
+
+Heer Adolf, nu Erf-Jagermeester van de Veluwe, werd terstond beleend
+met de Heerlijkheden Arensberghe en Westerhof, en met de tienden
+van Engeland. Het liep echter tot den 19en September 1547, eer hy
+door Keizer Karel den Vijfde, sedert 1543 Hertog van Gelder, met het
+Jagermeesterschap der Veluwe en de Heerlijkheid het Loo verlyd werd,
+waarby het heergewaad, ook voor 't vervolg, werd vastgesteld op twee
+witte windhonden en een jachthoorn.
+
+Hy overleefde de bevestiging van zijn erfrecht niet lang, want
+hy stierf reeds den 30en Mei des volgenden jaars, en liet zijne
+kinderlooze gade, Margareta van Valck, als eene eenzame weduwe achter.
+
+Daar nu zijn broeder Karel, gelijk wy gezien hebben, reeds ongehuwd
+overleden was, viel het Jagermeesterschap, ingevolge de door Hertog
+Karel van Egmond gemaakte bepalingen, op hun schoonbroeder Seger van
+Arnhem, gehuwd met Anna Bentynck, na wier (mede kinderloos) overlijden,
+het weder aan het Hertogdom te rug kwam. [45]
+
+De Heerlijkheid het Loo bleef echter nog een wijle aan de vrouwelijke
+zijlinie van het geslacht: Aleyde Bentynck, Heer Filips echtgenote
+van Varick, bekwam het by erfenis van haren broeder, te gelijk met
+de Heerlijkheid Westerhof.
+
+In hoeverre het, nu wy dit alles met zekerheid weten, nog daarenboven
+aan te nemen zij, dat Gelderlands meest beruchte Maarschalk, Marten
+van Rossum, de bouwheer van het kasteel wezen mag, kunnen wy niet
+meer verdedigen, al schijnt zijn wapen, met het jaartal 1538, op het
+binnenplein boven den ingang van den linker zijvleugel [46] te staan.
+
+En al moeten wy nu in de prachtige bosschen, of op de heuvelige
+heide rondom het Loo, den forsch-gebouwden krijgsman en jager by
+uitnemendheid, den ruwen brandstichter met zijn toch zoo open en
+welwillend gelaat, missen--de Bentyncks en hunne verwanten en vrienden
+(of wat Edelman, vroeger of daarna, het gezellige jachtslot moge
+bewoond hebben) zullen de groene wouden en paersche heivelden niet
+steeds eenzaam, en het ranke horendragend-, het knorrende tandmachtig-,
+of het schuwe kleine wild, niet steeds in rust gelaten hebben. Daarom
+willen wy ons dan ook eens geheel in de eigenaardige woeling rondom
+een jachtslot verplaatsen,--den bezitters en hunne gasten in hun
+geliefkoosd vermaak volgen, en ons daar in laten geleiden door twee
+uitmuntende gidsen. Volgen wy eerst den Heer Haasloop Werner, wanneer
+hy de jacht in 't woud vergezelt.
+
+»Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige
+rossen en vurige telgangers, op de hand den afgerichten sperwer of
+den vluggen valk houdende, doortrok toen meermalen deze foreesten. De
+trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan
+lederen leibanden de slanke hazewindhonden, de brakken en speurhonden
+voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat het hunnen
+geleiders veel moeite kostte, hen in hunne vaart te betoomen. Dan
+weergalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas
+en horengeschal; de grond daverde van het getrappel van paarden, en
+onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens,
+die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne
+schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuze hert,--dat nog
+op den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop
+opgeheven, en met een zekeren trotsch het veld (dat met heuvelen en
+bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed) had overzien--opgejaagd
+en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand
+voorspeld; éen oogenblik had het luisterend stil gestaan; was toen
+met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar de nog snellere
+pijlen en jachtsprieten, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand,
+bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door
+de bloeddorstige honden te worden afgemaakt."
+
+Niet minder levendig was de hartstocht voor de valkenjacht, dat
+voorrecht en lievelingsbedrijf der Edelen, in het genieten waarvan
+de Heer Verster van Wulvenhorst ons geleiden zal.
+
+»Naauwelijks heeft de rijzende zon de nevelen van den ochtendstond
+voor zich heen gedreven, of alles is op het binnenplein van den
+ridderlijken burg reeds vol leven en beweging. De knapen hebben
+de fiere rossen opgetoomd, en de stallingen der ongeduldige honden
+ontsloten; de valkeniers de valken uit het valkenhuis gedragen en,
+van hunne fraaie kappen en schelklinkende belletjens voorzien, op het
+raam geplaatst; terwijl de havikken hunne gewone plaats in de keuken,
+voor de vuist van den rustigen weidman hebben verwisseld.
+
+»Uit de hooge poort van het burchtgebouw treden nu de edele Vrouwen
+en Jonkers, door de luidblaffende spagnoelen (oude naam der spaansche
+honden, Espagneuls) omringd, in cierlijk gewaad te voorschijn. De
+eersten bestijgen de fraaie hakkenijen, of telgangers, met eerbiedige
+hulp der Jonkers, terwijl de geliefkoosde vogel de adelijke hand
+verciert. Behendig werpen zich de Ridders in den zadel der moedige
+rossen, en onder vrolijk jachtgeschal en het blaffen der honden trekt
+de statige trein over de breede ophaalbrug in het vrije veld.
+
+»Op de ruime vlakte hebben de yverige honden pas een reiger uit het
+moeras opgedaan, of even spoedig stijgt de edele vogel met pijlsnelle
+vaart van de hand der Burchtvrouw. Te vergeefs tracht de reiger in
+eene bespoedigde vlucht zijn heil te zoeken. Een tweede opgeworpen valk
+dwingt hem tot het opklimmen in het luchtruim. Immer hooger en hooger
+stijgende, begint, onder het bemoedigend geroep der jagers, de felle
+kamp. Met de scherpe neb verdedigt de reiger zich onverschrokken tegen
+zijne machtige aanvallers, en de zege blijft onbeslist. Een daverend
+gejuich van den jachtstoet kondigt het opwerpen van den derden vogel,
+den ouden beproefden geervalk, aan. Een pijl gelijk, stijgt hy, terwijl
+aller oogen op hem gevestigd zijn, boven den reiger en diens bekampers.
+
+»In éen oogenblik heeft zijn geoefend oog het juiste punt gekozen,
+en eensklaps stort de reiger, door een krachtigen stoot als verlamd,
+van zijne overwinnaars gevolgd, uit het luchtruim. Ras ijlen de
+Jonkers toe; bevrijden den reiger uit de scherpe klaauwen, en bieden
+de buit aan hunne gebiedsters, terwijl een welgevallige blik van deze,
+het edel jachtvermaak verhoogt."
+
+
+
+En wilt ge, na de bywoning dezer beide jacht-dagen, nog die van een
+derde, en wel de vervolging van den ever, dat grimmige dier, dat nog
+lang op de Veluwe gevonden, en waarvan waarschijnlijk de laatste in
+1826 door den Baron van Lijnden van Oldenaller geschoten werd--zoo
+wil ik, by gebrek aan een anderen gids, zelf u voorgaan.
+
+
+ Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch,
+ En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.--
+ Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren,
+ Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,--
+ Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot,
+ Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend rood
+ Om 't bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen.
+
+ Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen,
+ Op 't uur des dageraads, die met zijn zilverglans
+ Reeds opstijgt tegen 't blaauw van d' oostelijken trans.
+ De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken,
+ Door 't windgeruisch verspat, laat zich door 't loover zakken
+ Op 't geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid,
+ Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit.
+ Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken,
+ Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken.
+ By wijlen steekt hy 't oor door 't nat gebladerte op,
+ En richt van 't laauwe mosch den borsteligen kop.
+ Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoeven
+ Verheft hy 't bovenlijf, en blijft beweegloos toeven,
+ Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld,
+ Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:--
+ Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammen
+ Genaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammen
+ Hem aan:--de speurhond is aan 't einde van zijn spoor;
+ Hy koos zijn richting goed--en is zijn vijand voor.
+
+ Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogen
+ Niet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen,
+ Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst,
+ En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd:
+ De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtig
+ En schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig,
+ Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht...
+
+ Een blaffen schalt hem na--en plotslijk trilt de lucht
+ Van 't bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen,
+ En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzen
+ En seinen plaats en spoor. 't Gevogelt krijscht in 't rond.
+ Al 't wild, vervaard, schiet op van 't leger, langs den grond.
+ Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven;
+ De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven--
+ 't Is alles éen rumoer.
+
+ Voort, jaagt het boschzwijn, voort!
+ De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord,
+ De diepste wildernis en dreven om en over.
+ Het schaaft door 't reuzig riet; het sproeit het dorre loover
+ Met schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door--
+ De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor.
+ Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen,
+ Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren:
+ Dan verre, en dan naby--maar immer onvermoeid,
+ En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid.
+
+ De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen.
+ Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollen
+ Om d' opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloed
+ Doorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet.
+ Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers,
+ Hem tot op 't lijf genaakt in 't blinde vuur huns ijvers,
+ Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid,
+ En hun op 't lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaait
+ Den groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmig
+ Gescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig,
+ Den heeten honden dwars door buik en ingewand,
+ En werpt hen krimpend in 't met bloed gekleurde zand.
+
+ Maar 't spoor blijft ongewischt. En 't huilen der gewonden
+ Is slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden,
+ Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. Wild
+ Van woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt,
+ Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,--
+ Het rankrigst kreupelgroen,--de dichtste hazelaren,
+ En breekt een hollen gang door 't ruige struikgewelf.
+ Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf:
+ De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd.
+ Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomt
+ De jachtstoet altoos na.
+
+ De felle drijvers winnen
+ Met ingespannen kracht, en louter vuur van binnen.
+ Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor,
+ En 't hijgend zwijn ter zij. Het voelt in 't siddrend oor
+ De heete tanden. 't Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zich
+ Ten doodelijken houw--maar thands vergeefs.
+
+ Daar drukt zich
+ Een tweede hondenmuil 't gebit in 't ander oor....
+ En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in 't spoor,
+ En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarte
+ Van wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte.
+ Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om;
+ De zweetdamp walmt in 't rond; geblaf, gehuil, gebrom
+ Galmt schor en wild door een. De doggen slaan de tanden
+ In rug en schoft en zij.
+
+ Van dolle woede aan 't branden,
+ En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond,
+ En kwetst in 't wilde, en sleurt een enklen dog ten grond...
+ Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rilling
+ Die hem naar 't harte schiet--en strekt met woeste trilling
+ De grove leden uit, voor immer:--
+
+ En nu toog
+ De jager 't staal, dat tusschen schouderblad en oog
+ Het hart getroffen had, te rug, en wischte 't rustig
+ In 't zweet der borstlen af.
+
+
+Zulke tafreelen rijzen u onwillekeurig voor den geest, wanneer ge
+in de ruime keuken, aan den rechter vleugel van 't gebouw, voor den
+breeden met hertshorens vercierden schoorsteen staat, en nog half onder
+den indruk ligt van het statig en geurig lommer, dat ge pas verlaten
+hebt. Want, zoo als de dichter van den »Hollandschen Duinzang" zingt:
+
+
+ Nog is jacht hier genoeglijk, en 't weidspel in eer,
+ By wie rustig de leden wil reppen;
+
+
+en de vergaderde buit wordt natuurlijk in de keuken saamgebracht,
+thands nog zoo wel als in de dagen der Edelen van Arnhem, van Voorst,
+van Isendoorn, van Stepradt, en van Dornick, die slot en Heerlijkheid
+achtereenvolgend bezaten.
+
+In het midden der zeventiende eeuw, trok het de aandacht van den
+Prins-Stadhouder Willem den Derde, die, even als zijn vader, dikwerf
+op de Veluwe de genoegens der jacht genoot. De toenmalige eigenaar
+was Heer Johan Carselis van Dornick, met wien de Prins onderhandelen
+deed over den verkoop, die in 1656 tot stand kwam.
+
+Willem de Derde was een te voortreffelijk jager, om niet aan
+de uitmuntende omstreken zijner nieuwe bezitting by voorkeur te
+hechten. Maar ook als lustplaats trok ze hem aan, en hy besloot tot
+de oprichting van een nieuw gebouw, in de nabyheid van het eerste,
+'tgeen ook weldra onder het geoefend opzicht van zijn vriend Godart
+van Reede, later Graaf van Portland, verrees, en naar den toenmaligen
+bouwtrant schoon mocht genoemd worden, al kon men niet zeggen dat
+die stijve bouwlijnen zoo goed met de weelderig-trotsche natuur daar
+rondom samenstemden, als het oude jachtslot, dat met zijn bus- en
+klokvormige torenspitsen zoo rustig tusschen het reusachtig geboomte
+in de heldere gracht lag. Het was toen echter geen smaak om de kunst
+met de natuur te doen harmoniëren: men waande het genialer, om de
+natuur naar regelen, door de kunst voorgeschreven, te vervormen,
+en zoo ging het ook hier. De tijdgeest vond dat schoon, vond dat
+prachtig--en de grootste mannen der eeuw bogen hun fier hoofd voor
+het corset en den hoepelrok.
+
+En de rijke en weelderige lokken van het krachtige Veluw-landschap
+vielen onder de spichtige vingeren van een Franschen kapper, die
+ze besnoeide, verknipte, tot averechts krullen of sluik neerhangen
+dwong--kortom: ze ten eenenmale tot een magere pruik vernielde--alles
+volgends de dorre en ijskoude metriek van den vernuftigen
+natuur-verminker le Notre, den toenmaligen wetgever in de hofbouwkunst.
+
+In 1672 bedreigde echter de uitgebroken oorlog al dit kunstwerk met
+vernietiging. Een bende Franschen kwam stroopende in de nabyheid
+van het Loo, en scheen wel voornemens zich er meester van te maken,
+toen zekere Jan van Sprang, achter boomen en struiken verborgen,
+zoo wakker zijn trom roerde, dat de stroopers, geregelden weêrstand,
+misschien zelfs wel aanval duchtende, ijlings aftrokken. Nog wijst
+men er u zijn graf, op de zelfde plek, die eenmaal getuige zijner
+kloekmoedige beradenheid was.
+
+Toen de Prins later den troon van Engeland beklom, vormde hy al
+spoedig het plan, om zijn princelijk lusthuis tot een echt koninklijk
+buitenverblijf te verheffen.
+
+De gebouwen, lusthoven, beplantingen, fonteinen en waterwerken
+verkregen, naar den eisch des tijds, een nieuwen luister. De
+gantsche plaats, met al de lanen en dreven, besloeg ongeveer eene
+ruimte van 160 morgen lands. Drie tuinen, die de geheele breedte
+van het hoofdgebouw met zijne zijvleugels besloegen, van elkander
+afgescheiden door rechte, lommerrijke lanen, en allen omringd door
+terrassen en beplantingen, volgden elkander achter het paleis op,
+en verrukten den toenmaligen beschouwer door hunne regelmatigheid,
+door hunnen rijkdom van watersprongen, marmerbeelden, grotwerken,
+taxis-figuren, palm-pyramiden en andere hofcieraden--schoon ze ons
+thands, ondanks hunne schaduwloosheid, zouden doen huiveren. En om
+dat alles de kroon op te zetten, werd er besloten om van den Asselt,
+een hoogen heuvel, door middel van steenen potten, een waterleiding
+naar den tuin te brengen, om eene fontein te vormen, wier waterstralen
+zich in den sprong boven het paleis zouden verheffen. Van deze potten,
+die, den weg van een uur lang, in eene doorloopende richting onder
+den grond zitten, wordt tegenwoordig nog menig een opgegraven.
+
+De vorstelijke Stadhouder, op wiens schouderen zoo groote en zoo
+moeielijke staatszorgen rustten, kwam byna jaarlijks naar herwaart
+over, om er in zijn geliefkoosd jachtbedrijf eene verkwikkende
+uitspanning te vinden; en de krachtige hand, die in die dagen
+het evenwicht van Europa omklemde, en Frankrijks trotschen Koning
+onverwrikt diens plaatse aanwees--schoot hier met vrolijke behendigheid
+den valk op, of loste het jachtroer op den borsteligen ever of
+het snelvoetige hert. Nog wijst men in het Gardersche bosch een op
+zich-zelf staanden eik aan, den Konings-eik genoemd, waar Willem zijne
+jachtmaaltijden hield, en die, naar het schijnt, ook wel eens voor
+schijf moet hebben gediend: scheuren in de schors toch, doen hier en
+daar menigen kogel bespeuren. Niet verre van daar, in het zoogenaamde
+Heidendal, ligt ook nog de hertenbron, een schilderachtige waterkom,
+waar, rustig en eenzaam, het statig geboomte zich weêrzijds van den
+rand en uit de diepte verheft, en den vlakken spiegel met een verheven
+lommer dekt.
+
+De reigerjacht was het evenwel by uitnemendheid, die er door den Vorst
+werd uitgeoefend, waartoe de ruime heivelden rondom de Udeler-meir zoo
+gunstige en uitlokkende gelegenheid aanboden, terwijl het vischrijk
+water-zelf de reigers uit het Soerensche bosch by menigte aan zijn
+kalmen oeverzoom lokte.
+
+De Staten van Gelderland gaven den Koninklijken jager intusschen een
+bewijs hunner hulde, door het Loo en de buurschap Noord-Apeldoorn,
+op de 10en December 1694, te verheffen tot eene hooge Heerlijkheid,
+ten behoeve van hem en zijne nakomelingen.
+
+Vroeger dan men vermoed had, viel deze verheffing weder in een. Zes
+jaren later, in de eerste dagen van Maart, deed de Koning zijn
+noodlottigen wandelrid naar Hamptoncourt; plotselijk struikelt
+het paard,--de ruiter valt,--breekt het sleutelbeen--en reeds
+op den 19en dier zelfde maand beweent Engeland het verlies zijns
+Konings,--Nederland dat zijns Stadhouders, aan wien het zoo groote,
+en niet altoos naar waarde erkende, verplichtingen had.
+
+Daar Willem de Derde geen kinderen naliet, werd de hooge-Heerlijkheid
+van het Loo ook terstond vervallen verklaard, en op den 4en April
+1702 weder aan het Landdrost-ambt der Veluwe gehecht.
+
+Nu behoorde het Loo, even als IJsselsteyn [47], onder de goederen
+der nalatenschap, waarvan het bezit door de erfgerechtigden, Koning
+Frederik van Pruissen en Johan Willem Friso, onderling betwist
+werd. Na den dood des laatsten, 1711, geraakte het slechts tot eene
+voorloopige bemiddeling; maar by de meerderjarigheid van Prins Willem
+Carel Hendrik Friso kwam men op de zaak te rug, en deed moeite tot
+eene bepaalde afdoening.
+
+Baron Diederik van Lynden, Heer van de Park, 's Princen
+Opperhofmeester,--Baron Hobbe van Aylva, Drossaat van 't Graafschap
+Buren, 's Princen Opperstalmeester, en Johan Duncan, zijn gewone Raad
+en Rekestmeester, en Raad en Rekenmeester zijner domeinen, werden als
+gevolmachtigden naar Berlijn gezonden, en sloten er in 's Princen naam
+eene overeenkomst, die zy vervolgends op den 16en Juni 1732 te Dieren
+onderschreven, nadat de onderteekening van 's koningswege reeds den
+14en der vorige maand te Berlijn had plaats gevonden.
+
+By deze schikking geraakte het Loo gelukkig in handen van den Prins,
+en werd alzoo weder het eigendom van den Nassauschen stam. [48]
+
+Na 's Princen benoeming tot Stadhouder der geünieerde Provinciën,
+beschonken de Staten van Gelderland nogmaals, en wel by besluit van
+13 Januari 1748, het Loo met de rechten eener hooge Heerlijkheid, en
+vergrootten er het gebied van, door de byvoeging van het geheele Ambt
+van Apeldoorn en der Udeler-meir. Thands werd het weder levendiger in
+de zalen, dreven, tuinen en pleinen der lustplaats; want ook Willem de
+Vierde vertoefde er van tijd tot tijd, en deed verbeteren en verfraaien
+waar hy dat noodig rekende. En toen de wakkere en bedrijvige Vorst
+»die zich ook zonder den oorlog voor het Vaderland opofferde,"
+onder zijn onvermoeiden arbeid voor het belang der Nederlanden,
+op den 24en Oktober, 1751, bezweek, keerden stilte en eenzaamheid
+op het Loo te rug, en hielden er weder gedurende eenigen tijd een
+ongestoord verblijf.
+
+'s Princen eenige zoon, de goedaardige Willem de Vijfde, die reeds
+op achttienjarigen leeftijd de waardigheden en--staatszorgen zijns
+vaders erfde, verpoosde zich gaarne op het Loo, en deed er vooral de
+diergaarde uitbreiden, waartoe het geschenk van den Admiraal van Braem,
+na de verovering van Malabar, van twee schoone Aziatische olifanten,
+hem uitmuntend te stade kwam. Zijne zachte geaartheid deed hem in
+de jacht weinig aanlokkelijks vinden, zoodat hy die byna geheel ter
+zijde stelde voor zijn meer geliefkoosd vermaak der visscherij, die
+door de nabyheid der Udeler meir, met hare verbazend groote snoeken,
+steeds uitlokkende bevrediging vond. Van deze vischpartijen wist
+de geleider, die nog voor korte jaren den bezoeker van het paleis
+en der tuinen vergezelde, veel te verhalen; en de goede Prins, wiens
+verlangde komst telkens door hardloopers met hunne mytervormige mutsen
+en geslingerde staven werd aangekondigd, en die zoo lieftallig en
+gemeenzaam jegens allen was, stond hem, hoewel toen pas een knaap
+zijnde, nog helder voor den geest.
+
+Het bleven intusschen niet immer pleziertochten, die reizen naar
+het Loo: Toen heerschzucht en vrijheidskoorts den Staten van Holland
+dermate benevelden, dat zy het Stadhouderschap vervallen verklaarden,
+en den Prins daarenboven het bevel over de Haagsche bezetting
+ontnamen--waren het zeker geene genoeglijke denkbeelden van uitspanning
+en verpoozing, die den edelen Vorst door het hoofd dwaalden, toen hy
+de onstuimige hofplaats voor zijne stille lustplaats ontweek.
+
+Dit was nog niet de treurigste slag die hem trof.
+
+De tusschenkomst der Pruissische benden, onder den Hertog van
+Brunswijk, herstelde het geschonden gezach slechts voor een tijd. Op
+den 18en Januari, 1795, verliet de miskende Stadhouder het misleide
+Nederland, en het Loo zag hem nimmer weder rustig en nadenkend door
+de dreven dwalen.
+
+En hoe het toen met Gelderlands prachtigst buitenverblijf
+geschapen stond, blijkt uit de woorden van den Baron van Spaen, wier
+aandoenlijkheid in hunne eenvoudigheid spreekt: »Thands heeft deeze
+Heerlijkheid het lot van alle de goederen van het huis van Oranje
+ondergaan; en de vriend van zijn Vaderland moet de eenzaamheid van
+die uitgestrekte gebouwen, van die kunstige waterwerken, van die
+aangename wandeldreven betreuren, dewijl die, door eene talrijke
+Hofhouding in den zomer bewoond, vreemdelingen aanlokten en veel
+vertier veroorzaakten; 'twelk voor de ingezetenen der schrale hooge
+Veluwe een bron van welvaart was, die nu uitgedroogd is."
+
+En die toestand van verlatenheid was nog de ergste niet; zelfs
+niet de baldadigheden, door de Engelschen gepleegd, toen zy uit de
+zuidelijke Nederlanden terug, en hier door trokken, brachtten er zoo
+veel verwoesting, als de naar geld grijpende hand van het Bestuur der
+eerlijke Bataafsche-Republiek: De zwaarste boomen werden omgehouwen,
+het lood der daken en fonteinpijpen afgeworpen en opgegraven, en met
+de prachtige meubelen, en wat door kostbaarheid van waarde was.... te
+gelde gemaakt!
+
+En indien dit geschiedde door den Staat-zelf--hoe kon men dan
+verwachten, dat de vreemdeling minder dorre gevoelloosheid verraden
+zou! Zeker--wanneer Johan Bentynck zijn fieren gebieder op zijn
+jachtslot onthaalde, en alles daar wemelde van den rijkdom en de
+pracht des Hertooglijken aanhangs--dan heeft hy wel nooit, ook maar
+niet van verre, vermoed, dat het eenmaal tot een »armzalig hospitaal"
+voor soldaten zou worden verlaagd. En wanneer Graaf Godart van
+Portland de door hem aangelegde zalen en vertrekken voor Nederland
+zag gewijd door de voetstappen van zijn vorstelijken vriend, dien
+men thands erkent een der grootste Koningen van Groot-Britanje te
+zijn geweest--toen heeft hy zeker ook nooit gedacht, dat eenmaal een
+deel der armee van die zelfde Franschen, door een Willem den Derde
+zoo nadrukkelijk in toom gehouden, de leden, met eene walgelijke
+huidziekte overdekt, daar zouden neêrstrekken, en somtijds, door
+verregaande onvoorzichtigheid hunne eigene krijgsgenoten, gevaar
+zouden loopen om met het gebouw-zelf in vlammen te verteeren.
+
+En toch--het jachtslot werd tot een hospitaal verlaagd; en toen het
+getal der kranken tot byna zes duizend geklommen was, vervulde het
+ook voor een groot deel de zalen en vertrekken van het paleis. En
+toen eenmaal, nog steeds in 1795, Deventer, Zutphen, Doesburg en
+Arnhem nalatig waren in het voldoen der vorderingen ten behoeve
+van dat hospitaal, dreigde de Generaal van Damme, met de volmaakte
+onbeschaamdheid van een Franschen veroveraar, dat hy een deel der
+besmettelijke huidzieken van het Loo by de burgers dier steden zou
+doen inlegeren.
+
+De herschepping van de Noordelijke Nederlanden in een Koninkrijk
+Holland, was voor het Loo eene weldaad. De goede Lodewijk--een andere
+Willem de Vijfde, maar met minder begrip eener voormalige Hollandsche
+deugd, die spaarzaamheid heette--had niet zoodra kennis met de
+vernielde lustplaats gemaakt, of hy verlangde dat ze in beteren staat
+gebracht, en weder tot een vorstelijk verblijf zou ingericht worden.
+
+Op dien koninklijken last togen nu alle handen aan het werk; en
+weder naar den toenmaligen, wel ietwat kleingeestigen, maar minder
+onnatuurlijken, smaak ingericht--was het Loo weldra in staat, zijn
+vroegeren roem te handhaven. Jammer slechts, dat Lodewijks bygeloovige
+zwakheid het jachtslot (waar intusschen reeds voor 1730 de peer- en
+klokvormige torendaken in de tegenwoordige spitsen veranderd waren)
+een der grootste cieraden ontnam, door het doen dempen der gracht,
+wijl hem gezegd was, dat hy zich in 't algemeen voor water zou
+hebben te hoeden. Het voorkomen van het jachthuis is er merkelijk
+door verminderd, en het maakt thands meer den indruk van een zware
+en versterkte poort, dan van een klein kasteel. Op het paleis, weldra
+door zijn bekwamen bouwmeester Tibault hersteld en verbeterd, deed hy
+de eetzaal tot kapel inrichten; dit is later weder veranderd en op
+den ouden voet gebracht, maar de gedempte gracht zal waarschijnlijk
+wel immer in den tegenwoordigen toestand blijven. Onder Lodewijks
+belangrijkste verbeteringen behoort voorzeker het aanleggen van den
+straatweg, die de tot op dien tijd gebezigde mulle heibaan verving. De
+koning, hoe wisselziek van aart ook, bevond zich dikwerf op het Loo;
+en in den zomer van 1808 konden de omwoners zich elken zondag te goed
+doen aan het vreemde en schitterende schouwspel, dat de parade van
+de garde, de ruiterij, en het voetvolk hun opleverde.
+
+Maar ook dit ging weldra voorby. Het jaar 1810 was daar; het Koningrijk
+Holland werd by het Keizerrijk ingelijfd, en met Lodewijks vertrek
+bleven van den voormaligen drokken en woeligen stoet in paleis en
+jachtslot niet dan slechts weinige beambten over.
+
+Toen echter de groote veroveraar Napoleon in het volgende jaar door
+Gelderland trok, kreeg alles op het Loo weder voor korten tijd een
+vorstelijk aanzien. In de maand Oktober was de Keizerin, vergezeld
+van den Prins Neufchatel, de schoone Hertogin Monte-Bello, en geheel
+een schitterenden hofstoet, aangekomen, en men verwachtte er ook
+den Keizer-zelf. Deze, den 29e dier maand onder het geleide van
+talrijke gewapenden van Zwolle vertrekkende, kwam nog dien zelfden
+dag op het paleis aan, met den Maarschalk Duroc, Hertog van Frioul,
+en een aanzienlijk gevolg, waarvan een deel hem op zijne wandelingen
+door de lustplaats vergezelde, nadat alvorens de paden en lanen van
+tuin en park door eene gewapende wacht van alle andere bezoekers
+was ontruimd. Geen arbeider zelfs was dan het blijven vergund. »Zoo
+bevreesd was de man, op wiens wenk duizenden zich in het stof
+bogen, dat de Hollanders, dien hy onlangs de weldaad bewezen had,
+van hen met het Groote Rijk te vereenigen, hem met ondank beloonen,
+en wellicht door gehuurde moordenaars een aanslag op zijn leven
+ondernemen zouden." [49]--In de nacht tusschen 30 en 31 Oktober kwamen
+twee koeriers, met haastigen spoed, op het Loo aan, en de rust in de
+koninklijke slaapkamer, waar slechts de wit-satijnen ledikant-gordijnen
+Napoleons sluimer bespiedden, werd voor goed gestoord. Onverwacht gaf
+de Keizer bevel om nog dien zelfden dag te vertrekken; en op den avond
+sprak men er van zijne kortstondige verschijning, als van een bonten en
+wonderlijken droom, die van eene zonderlinge rust was opgevolgd. Kort
+daarna was de rust van geheel Europa weder gestoord, en werden alom
+de geduchte toebereidselen gemaakt tot den tocht naar Rusland.
+
+En deze tocht naar Rusland legde den grondslag tot de opeenvolging
+van gebeurtenissen, die den oranjeboomen op het Loo weder eene
+eigenaardige en vrolijke beteekenis gaven: in 1813 zette het Huis
+van Oranje vasten voet op den Nederlandschen bodem, en Willem de
+Eerste kende weldra geen uitlokkender oord tot ontspanning en rust,
+dan de schepping van Willem den Derde.
+
+»Sedert dien tijd werd het Loo de geliefkoosde lustplaats onzer
+vorstelijke familië, die hier meer dan op het kasteel te Laeken
+aan hare zucht voor eene burgerlijke levenswijze gehoor gaf." Nog
+toont de gids die u er rond leidt »al de plekjens aan, waar Koning
+Willem van zijne wandelingen door het park uitrustte, vooral aan den
+grooten vijver, in de nabyheid van een zacht-ruischenden waterval,
+en maakt u opmerkzaam op het kleine eilandjen, waar de Vorstelijke
+familië dikwijls op schoone zomeravonden in de open lucht de thee
+gebruikte. De regtschapen Vorst, die steeds het goede wilde, ook
+schoon hy misschien dikwijls faalde in de keuze der middelen om het
+te bereiken, zocht hier, vooral gedurende het laatste tiental jaren
+zijner regeering, dikwerf verpoozing van de zorgen, die by voorkeur
+de hooggewelfde paleizen omzwerven."
+
+Voorwaar! Wie ook thands dat prachtige park doorwandelt, hy zal nog
+het woord bestemmen, reeds in 1841 gesproken: Het is zoo aangenaam
+er rond te dolen met iemant, die er zich thuis vindt, en nog iets
+weet te verhalen van gintsche tijden, toen Princes Louize hier nog
+haar geliefkoosd verblijf hield, en een dier bekoorlijke tentjens
+bewoonde; toen onze Koningin met zooveel blijdschap hare rust genoot
+in deze stille afgescheidenheid van de waereld; toen Princes Marianne
+zich nog in het liefelijk hofjen verblijdde, dat ter zijde van het
+paleis nog de dagen harer kindsheid vertoont; toen de boerderij, die
+zoo vriendelijk door het groen bedekt is, haar een zoo beminnelijk
+Nederlandsch karakter deed bezitten.--O, het Loo bevat een waereld
+van gedachten, niet uit te spreken, maar die menigmaal een traan in
+ons oog deed opwellen!--
+
+Onder Willem den Eerste werden ook de ruime vijvers gegraven, wier
+oevers zulk een prachtig gezicht opleveren, en die in onze dagen door
+zijn kleinzoon aanmerkelijk werden verbeterd en verfraaid, zoodat zy
+thands een der grootste cieraden van het trotsche park uitmaken.
+
+Ook de oude en reeds lang vergeten valkenjacht werd er weder in
+het leven terug geroepen, en met koninklijke vergunning aangelegd
+door den Baron d' Offemont, Sir Charles Stuart Wortley, en de beide
+Heeren Newcombe, en wel van den 1en Juni 1839, tot in den aanvang
+der volgende maand.--Tot den jachtstoet behoorden 16 edelvalken en
+2 tertsels, onder het opzicht der gebroeders Both, Valkeniers van
+Valkenswaard. De heide rondom de Soerensche bosschen was ook weder de
+streek die door de ervaren jagers gekozen was. Wanneer regen, of te
+sterke wind, den valken het snel vliegen niet verhinderden, en de jacht
+alzoo onbelemmerd plaats kon vinden, werden de terugkeerende reigers
+op een kwartier afstands van het woud, en onder den wind daarvan,
+opgewacht: gedurende het tijdsverloop van 2 ure in den namiddag,
+tot aan het vallen van den avond. Telkens werden er twee valken naar
+een reiger geworpen, waarvan er echter altoos éen hem ving, en nooit
+beiden te zamen; somtijds werd er slechts een enkele valk opgeworpen,
+die om zijne byzondere vlugheid en kracht Bulldog heette. Het getal
+der gevangen reigers bedroeg in het geheel 104.
+
+Ernstiger herinnering bewaart het Loo van het volgende jaar 1840. De
+Koning, moede van de zorgen eener regeering, die sedert 1830 vooral
+door de schandelijke trouweloosheid der Mogendheden verbitterd was,
+en vergeefs worstelende tegen een tijdgeest, waarmede hy zich niet
+vereenigen kon, kwam tot een besluit, zeldsaam onder gekroonde
+hoofden: hy wilde van zijn kroon afstand doen. In het laatst van
+September vertrok hy uit 's Gravenhage naar het Loo. En op Woensdag
+den 7en Oktober daaraanvolgende, ten 12 ure op den middag, stond hy
+in de groote receptie-zaal van het paleis voor de marmeren tafel,
+omgeven van zijne kinderen en kleinkinderen, in tegenwoordigheid
+van de Ministers, de Leden van den Raad van State, en die van den
+Geheimen-Raad voor Luxemburg, en teekende er de acte van abdicatie,
+ten behoeven van zijnen oudsten zoon, wien Nederland sints by voorkeur
+zijn ridderlijken Koning noemt.
+
+Zonderling is men te moede, wanneer men in die rijke zaal staat, en
+zich dat belangrijk en plechtig oogenblik voor den geest stelt. Maar
+als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het ruime met
+acaciaas beplante voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den
+ingang, door de lange beukenlaan staart--dan gevoelt ge zoo levendig,
+hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu ze
+het persende harnas had afgegespt.
+
+Koning Willem de Tweede had eene voorliefde voor het door hem
+byna omgeschapene Tilburg, en was derhalven niet zoo dikwerf als
+zijn vorstelijke vader op de oude lustplaats der Oranjes te vinden,
+schoon de valkenjachten nog eenigen tijd in wezen bleven. Toen echter
+zijn onverwachte en te vroege dood hem wech nam van een volk dat hem
+vereerde en liefhad; en dat diep en ongekunsteld rouwe droeg by de
+mare van zijn spoedigen dood--toen werd op het Loo weder eene oude
+herinnering als opgewekt met den naam van Willem den Derde.
+
+Met dezen Vorst is ook werkelijk weder een nieuw tijdperk van
+bloei voor het Loo aangevangen. Talloos zijn de veranderingen en
+verfraaiïngen, door hem aan dit uitstekende landgoed aangebracht,
+waarvan, behalven de reeds gemelde opluistering der groote vijvers
+achter in het park, vooral de verbetering der wegen opmerking
+verdient. Natuur en kunst gaan thands op de uitnemendste wijze hand
+aan hand; en by het eenzaam omdwalen onder dat prachtig geboomte, die
+trotsche beuken, die eerwaardige eiken, die statige linden, die donkere
+dennen: allen reusachtige scheppingen der krachtige natuur, vergeet
+ge haast, dat de kunst juist daar is geweest, om u dat alles in die
+weelde te doen genieten. Byna 400 bunders grond zijn thands omperkt;
+en de moestuin, die geen gelijke in Europa heeft, beslaat 7 bunders.
+
+Een geheel nieuw schouwspel vertoonde zich op het Loo in 1851, door den
+wedstrijd der Boogschutterijen, die op het ruime, daartoe opzettelijk
+ten vorigen jare ingerichte grasperk by den ijskelder, de proeven
+hunner behendigheid aflegden,--feestelijk werden onthaald, en uit de
+Vorstelijke hand de hun toegezegde prijzen ontfingen. Later diende
+dit perk voor de tentoonstelling, door de Geldersche maatschappij van
+landbouw gehouden. In het zelfde jaar 1851, werd ook de smaakvolle
+schouwburgzaal ingewijd, die onder 's Konings toezicht aan den rechter
+vleugel der voorgebouwen is opgericht.
+
+Alzoo is het Loo een kolossaal en prachtig gedenkteeken, dat de
+geschiedenis van het Huis van Oranje omvat, van den eersten Willem
+den Derde af, tot aan den tweeden Willem den Derde toe, van wien het
+nageslacht eenmaal moge kunnen getuigen, als het thands van zijnen
+grooten voorvader doet. En gaarne spreekt de rechtschapen Nederlander
+den dichter na, die den Vorst uit de warmte zijns harten toebidt:
+
+
+ Een derde Willem stichtte 't Loo.
+ Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?--
+ O Derde Willem! moge ook zoo
+ De naam Uws Vaders op U wezen!
+ Hy was het borstschild van Euroop--
+ Wees gy Oud-Nederlands beschermer!
+
+ En Gy, Oud-Nederlands Ontfermer!
+ Vervul door Willem Neêrlands hoop!--
+
+
+
+
+
+
+
+HET KASTEEL AMMERSODE.
+
+
+Voor wie de geschiedenis van zijn land lief heeft,--voor wie beseft,
+dat groote handelingen en bewegingen zich in duizend kleinere splitsen,
+daarvan zijn voorafgegaan, daarmeê samenhangen, daardoor gevolgd
+worden,--voor wie alzoo begrijpt dat elke uiting eener eeuw, niet
+alleen in het openbaar--, maar ook in het huisselijk leven en wat
+zich daaraan vasthecht, eene historische belangrijkheid bezit, die
+vooral dáar in waarde klimt, waar vele dier enkele verschijnselen nog
+zijn samengebleven in een groot geheel, dat het eigenaardig kenmerk
+van zijn bepaalden tijd draagt--voor hem is het meer dan een bloot
+genoegen, nog eens rond te wandelen in de zalen en vertrekken en
+gewelven van een dier weinige kasteelen, die in ons vaderland aan de
+geduchte handen des tijds en der sloopers ontkomen zijn: voor hem is
+het wetenschappelijk genot.
+
+En wie nu dit genot nog eens in ruime mate wenscht te doorleven, wende
+den voet naar dat gedeelte van het aloude Teisterbant, dat thands den
+naam van Bommelerwaard draagt, en wel dáar heen, waar aan den rechter
+Maas-oever het dorp Ammerzode zich in het welige geboomte verbergt,
+en niet verre van de rivier een kasteel ernstig en statig oprijst.
+
+En wie zich nu, ondanks zijn goeden wil, tot dien tocht belemmerd
+vinde--hy vergezelle met ons den Heer van Engelen, waar deze
+kennisrijke en smaakvolle verhaler, wien wy reeds op het Loo eenige
+voetstappen ter zijde gingen, zich naar den Ammersode richt:--
+
+Een diepe gracht, nog voor een gedeelte van een aarden wal voorzien,
+omgeeft het kasteel. Een brug verleent den toegang, eerst op een
+uitgestrekt voorplein, van oude, thands grootendeels onbewoonde
+nevengebouwen omringd, waaraan slechts een talrijke duivenslag leven
+byzet. Vervolgends komt men door eene poort op een binnenhof; en
+thands het hoofdgebouw betredende, treffen al aanstonds de verbazende
+dikte der muren en de buitengewone omvang der hooggezolderde
+vertrekken de opmerkzaamheid des bezoekers. De uitstekende netheid
+die overal heerscht, en talrijke voorwerpen, tot de hedendaagsche
+huishouding behoorende, mogen al voor een oogenblik het denkbeeld
+aan vroegere eeuwen, door de eerste beschouwing van het gebouw
+opgewekt, verwijderen--toch zullen spoedig de vele overblijfselen
+van een huisraad, dat een geheel ander tijdperk aanduidt, en dat te
+midden van meer moderne voorwerpen verspreid is, den eersten indruk
+hernieuwen. Vooral zullen de fraai gestikte tapijten langs den wand,
+vercierd met de wapens van het stamhuis van Arckel, dat in de zestiende
+en zeventiende eeuw de Heerlijkheid bezat,--de groote spiegels met
+hunne blinkende stalen lijsten, een cieraad van vroegere tijden,
+dat al te zeer in vergetelheid is gekomen,--de met kunstig snijwerk
+voorziene schoorsteenranden, en de ouderwetsche stoelen, met hooge
+ruggen en lage zittingen--den bezoeker telkens herinneren aan een
+tijd die lang voorby is.
+
+Tot vóor korten tijd waren, behalven het belangrijk archief in
+een onbewoond gedeelte van het slot, ook nog eenige oude wapenen
+en een aantal familië-portretten hier aanwezig. Dit een en ander
+was echter door den tegenwoordigen eigenaar der Heerlijkheid, den
+Baron de Woelmond, Lid der Provinciale Staten van Limburg, en aldaar
+woonachtig, meerendeels van hier wech gevoerd. Intusschen waren er
+nog enkele familië-stukken achter gelaten, meestal vrouwenportretten,
+in de stijve kleederdracht van een vroeger tijdperk, benevens een
+groot familië-tafreel, eenige spelende kinderen voorstellende. Men
+vermaande my, toch vooral den hoofdtoren van het slot te beklimmen,
+boven welke zich een zoogenaamde peer of pijnappel verheft, die
+een keurig vergezicht over den omtrek aanbiedt. De wind, die vrij
+hevig woei, deed dit hoogste gedeelte van het kasteel eene gedurige
+schudding ondergaan, hetgeen my echter niet verhinderde, een geruimen
+tijd mijne blikken door de kleine torenvensters over deze vruchtbare
+landstreek te laten rond weiden. Aan de eene zijde vertoonden zich
+de breede Waal-stroom en de statige toren van Bommel, schijnbaar
+in de onmiddelijke nabyheid; terwijl aan den anderen kant de stad
+'s Hertogenbosch zich met hare vestingwerken en forten, torens en
+kerkspitsen uitbreidde. Den geheelen Bommelerwaard, met zijne talrijke
+dorpen, korenrijke akkers, weiden, en boomgaarden, kon men van hier
+met een enkelen blik omvatten. Na my met moeite aan dit gezicht
+onttrokken te hebben, voerde men my uit de hoogte naar de diepte:
+in de verbazend ruime overwelfde kelders van het slot namelijk,
+thands tot dienstbodenvertrekken, provisiekamers, enz. ingericht,
+maar in vroeger tijden voor een gedeelte tot een kerker dienende,
+gelijk men nog een blok, waaraan de gevangenen gekluisterd werden,
+als eene rariteit bewaart.-- [50]
+
+
+
+Staat ons alzoo nu het ernstig en kolossaal gebouw in deze duidelijke
+omtrekken levendig voor den geest--werpen wy dan den blik te rug,
+en zien wy, welke historische herinneringen zich daaraan verbinden,
+welke feiten aan die muren zijn verknocht, welke lotgevallen hunne
+bewoners of eigenaars hebben ondergaan.
+
+Wanneer, en op wiens last, hier de spade in den grond werd gestoken,
+om de rooiïng der grondslagen in vasten steen te verwerkelijken, is
+onbekend. Zeker weet men echter, dat de sterke burcht in het laatste
+gedeelte der dertiende eeuw in eigendom behoorde aan Johan van Herlar
+(uit het oud en edel geslacht van Lo), daarna op zijn zoon Dirc,
+en vervolgends weder op diens zoon Gerard overging.
+
+Gerard, die het in 1351 bezat, was een aanhanger van den Hollandschen
+Graaf Willem den Vijfde, wiens kleederen hy droeg; en dat hy Jonker
+Eduard van Gelre genegen was boven diens broeder, den Hertog,
+blijkt uit het aandeel dat hy nam in 't verzet van eenige Edelen
+tegen Reynald, ten behoeve van Eduards verkort recht, in 1353. Na
+zijn kinderloos overlijden kwam het kasteel, by magescheid of
+broederdeeling, in handen van Johan van Herlar, Heer van Ameyde, die
+er zyn jongsten broeder Arndt meê verlijdde, wiens Erfdochter het door
+huwelijk weder aan Arnold van Hoemen, Heer van Hoemen en Midlar bracht.
+
+In den oorlog tusschen den Gelderschen Hertog Willem van Gulich
+en Joanna, de Hertogin-weduwe van Brabant, koos Heer Arnold, met
+voorbyzien van zijn leenmansplicht, de partij der laatste, en yverde
+zeer voor hare zaak. Hy was er echter niet gelukkig in. Op den 24en
+Juni, 1386, krijgsvoorraad en levensmiddelen van 's Hertogenbosch naar
+zijn kasteel van Midlar geleidende [51], werd hy by het uitkomen van
+een bosch, zuidwaart van Grave, door Gerard van Oyen aan het hoofd
+eener talrijke bende Gelderschen overvallen, en met zijn zoon Reynald
+en eenige Brabantsche ridders gevangen genomen. Hertog Willem, hiermede
+zijn voordeel trachtende te doen, deed den gevangene voor zich brengen,
+en gaf hem de keuze tusschen de oogenblikkelijke overgave van den
+Ammersode, of--de dood. Maar ook in dien nijpenden oogenblik begaf
+den heldhaftigen Ridder zijne fierheid niet:--»Moet ik sterven,"
+gaf hy onvertsaagd ten andwoord: »ik zal het met eere weten te
+doen--maar de bezworen trouw aan mijn Vrouwe van Brabant verbreek ik
+niet."--'s Hertogs scherp voorstel bleef toen een bloote bedreiging,
+'t zij hy getroffen was door de moedige taal des Edelmans, of dat
+hy wellicht diens dood nooit in den zin had gehad, maar slechts op
+deze wijze de bemachtiging van 't kasteel wilde beproeven. Thands
+schoot hem hiertoe niets anders over dan een beleg. Hy liet Heer
+Arnold het leven, maar wendde zich met de wapenen voor den Ammersode,
+die, niettegenstaande een kloekmoedigen weêrstand, na weinige dagen,
+in Augustus gewonnen, en met het kasteel Midlar, dat in de volgende
+maand het zelfde lot onderging, verbeurd verklaard werd. En schoon hun
+dappere eigenaar later by Hertog Willem in aanzien geraakte--hy ontfing
+zijn fraai goed aan de Maze, zoo min als zijn schoone Heerlijkheid in
+Bommelerwaert weder te rug [52]. Evenmin kwam ze in handen van Gherit
+van Bruechem, die er aanspraak op maakte (waarschijnlijk uit hoofde
+van bloedverwantschap), maar in 1391 afstand van deed, behoudens zijn
+recht op eenige morgen lands, die zijner moeder behoorden.
+
+Toen de Hertog zich in 1392 tot zijn derden tocht naar Pruissen gereed
+maakte, stelde hy het kasteel in hoede van zijn oversten rentmeester
+Godart van Stamprade, die zich daartoe verbond »mit op gerichten
+vingheren ende mit ghestaefden eden ten heiligen gheswoeren."--En
+toen hy, in Januari 1402, zijn einde voelde naderen, en de verdeeling
+zijner bezittingen by testament regelde, schonk hy slot en Heerlijkheid
+Midlar, met uitzondering van den tol, aan zijn oudsten bastertzoon
+Willem van Cuyc; en den tweeden, Johan, begiftigde hy met Ammersode,
+onder voorwaarde dat dit, in geval van kinderloos overlijden, weder op
+'s Hertogs rechte erfgenamen zou te rug komen,--ten allen tijde voor
+hen open staan,--en tegen uitkeering van 1000 Rijnsche guldens steeds
+losbaar zou zijn.
+
+Men vindt echter niet, dat Johan ooit in 't bezit der hem beschikte
+heerlijkheid gekomen is. Waarschijnlijk heeft hy zich daaromtrent
+verstaan met zijn oom Reynald, die ten minste in 1405, tegen ruiling
+met het kasteel ter Knype, en het hoog en laag gericht van Beecke
+en van Sterckerode, aan Johan Steck van Beecke, Heer van Beecke, en
+Hertooglijk Raad, overlevert: »slot, borch ende herlicheit Amersoyen,
+mit hogen gerichte ende degelixschen gerichte, mit mannen, mit
+dyenstmannen, horigen luden, wastijnsigen luden, coirmetschen luden,
+eygenen luden, mit hoenren, capuenen, gansen, mit renthen, mit paichte,
+mit theenden, mit tijnse, mit gulden, mit jairgulden, mit wijnde,
+mit watere, wijhere, mit busschen, mit broeken, mit artlande, mit
+beemde, visscherijen, forefeyten, mit allen opkomyngen, mit heyden,
+mit weyden, hoge ende lege, ende mit allen anderen goiden ende
+erven, tot der voirscr. herlicheit van Amersoye gehoirende." [53]
+Zeven jaren later deed Heer Johan er weder afstand van, tegen een
+bepaalde som. Het moet hier echter aan een of andere voldoening van
+'s Hertogs wege gehaperd hebben; want Meralda Steck van Beecke,
+Johans erfdochter, gehuwd met Heer Goossen van Rossem, deed zich na
+heurs vaders dood met de Heerlijkheid beleenen, schoon zy overigens
+evenmin in 't bezit getreden schijnt te zijn, als Willems Johan.
+
+Een andere Bastert van Gelre werd er meê beschonken, en wel Hertog
+Reynalds zoon Willem van Wachtendonc, die op den 25en April 1424, in
+overeenstemming »mit Hermanna van Batenborch, sijn echte huysvrouw,
+Johan Heer tot Broeckhuysen ende tot Weerdenburch verkocht 't slot
+van Amersoyen, mit den voorburchte ende graven, mit der heerlijcheyt
+van Amersoyen, mit den dorpe" enz., verder gelijk reeds in Hertog
+Willems brief van ruiling werd omschreven. Hertog Reynald keurde
+dezen overgang goed, en gaf het in 't volgend jaar aan Broeckhuysen
+en diens erven tot een onversterfelijk leen, te verheergewaden met
+éen pond goed geld. De goede luiden van Ammersode hadden reden om
+zich over dezen verkoop te verheugen: hun nieuwe Heer toonde zich
+hunnen belangen niet onverschillig, en gaf hun in 1428 landrechten
+en keuren, met die van Tielre- en Bommelerwaert overeenstemmende,
+terwijl hy de ingenoten van het kasteel meer gemaks verschafte,
+door er eene slotkapel te stichten.
+
+Heer Johan van Broeckhuysen van Waerdenburch overleed vervolgends
+in 1443, en liet zijn eenigen zoon Gerard, die met Walravina, Heer
+Walravens dochter van Brederode [54], gehuwd was, en de waardigheid
+van Erf-Hofmeester des Hertogen van Gelder bekleedde, den Ammersode.
+
+Wanneer zijne onderzaten met goede hope hem zijne goederen hebben zien
+aanvaarden--zy zagen die hoop niet verwezendlijkt: reeds het volgende
+jaar viel de bekende slag van Sint-Hubert voor, waarin Willem van
+Egmond van IJsselsteyn gevangen genomen werd [55], en in dezen strijd
+sneuvelde Heer Gerard, die, edeler dan zijn lafhartige naamgenoot van
+Culemborch, dus zijn ridder-eer en leensmans-trouwe met zijn dood
+staafde. Hy mocht sterven in het vertrouwen dat zijn bloed zich in
+zijn kroost niet verloochenen zoû: slechts weinige uren te voren,
+vóor den aanvang van 't gevecht, zag hy zijn oudsten zoon Johan op
+het slagveld ridder geslagen, en alzoo tot de hoogste waardigheid
+van den adel verheven.
+
+Het geluk was den jongen held echter niet gunstig: strijdende werd hy
+krijgsgevangen gemaakt, en moest zich eenigen tijd het gemis zijner
+vrijheid getroosten.
+
+De listige Jan van Rossem, dien Sweder van Culemborch later »die
+alde cat" noemde, had de laagheid om zich met dit dubbel onheil te
+bevoordeelen. Hy zond, eensdeels misschien op grond der verouderde,
+aanspraak van zijn vader Goossen, anderdeels uit wraakzucht, omdat
+Heer Johan hem zijn verloofde ontvrijd had, zekeren Jacob Ottens,
+om den Ammersode te vermeesteren. De aanslag gelukte, maar zijne
+vreugde daarover was slechts van korten duur. Heer Jan van Culemborch,
+een verwant der vrouwe van Broechuysen, Elisabeth van Haeften, had
+naauwelijks het feit vernomen, of hy besloot om de weduwe, die wellicht
+van hare vier jongere zonen nog geene hulp verwachten kon, in dien
+nood by te springen.--Vóor het kasteel stond een rosmolen, en in de
+deur der kasteelpoort schijnt geen winket of tralievenster geweest
+te zijn; op deze toevallige omstandigheden bouwde de naauwlettende
+Ridder zijn plan tot herovering.
+
+Op eenen dag in 1445, zeker niet laat in den morgen, komt er een bode
+van Culemborch, met de bus, het teeken van zijn ambt, op de borst,
+voor 't kasteel aan, en klopt er op de poort. Den poortier, die hem
+te woord staat, verzoekt hy een brief te willen ontfangen, om dien
+zijn Heer, by diens komst op 't huis, te overhandigen. De thands
+geen kwaad vermoedende poortwachter opent de deur ten deele--maar nu
+brengt de bode er vaardig zijn arm tusschen, en weert de sluiting;
+en daarop schieten Culemborchs krijgsknechten, heimelijk in den
+rosmolen verborgen en op de loer liggende, haastig toe, stormen de
+poort binnen, vermeesteren het kasteel, en brengen het op deze wijze
+weder in handen der rechtmatige bezitters.
+
+In hoeverre nu Ammersode, dat, blijkends Schotels onderzoek, den
+tweeden zoon, Walraven, »aenbestorven ende toegeleeghen was van doode
+Gerits sijnen vader," nu nog door den oudsten, Johan, op hem verlijd
+moest worden, is duister; maar in elk geval zijn de stukken daarvan nog
+voor handen, en de bepalingen der broederdeeling, van 20 Januari 1457,
+worden bevestigd door den leenbrief van acht dagen later, waarby Johan
+van Walraven »beleent ende verlijt die leenweer mit allen rechts ende
+toezeggens, dat hij gehadt heeft oft hebben mochte aen dat slot tot
+Amersoyen metter heerlijcheyt, leenmannen, renten, gueden, bezegelde
+brieven ende allen zijnen toebehoiren, nyet daer van vuytgescheyden, te
+houden tot eenen rechten onversterffelijken erffleen, met al dusdanige
+voorwaarden, oft saecke waer dat Walraven voirs ofte sijne kinderen
+storven, sonder wettelijcke blijvende geboorte after hem te laten,
+dat Godt verhueden wil, soo sal dese voirs. heerlijcheit mit allen
+horen toebehoiren voirs. wederom besterven aen Jan voirs. oft sijnen
+rechten leenvolgeren, in der tijt, in levende lijve wesende."
+
+De onverhoopte omstandigheid, in de gevolgen waarvan deze laatste
+bepaling voorzag, vond werkelijk plaats: Heer Walraven overleed
+kinderloos, in 1480. Ammersode ging toen over op Johans zoon Gerhard
+van Broechuysen van Weerdenburch, wiens Heerlijkheid van den laatsten
+naam, benevens de dorpen Hiern en Neerijnen, door den Aartshertog
+Maximiliaan in 1481 verheven werd tot eene Hooge-heerlijkheid, met
+het recht van galg en put. Heer Gerhard, een getrouw aanhanger van
+Hertog Karel van Egmond, by wien hy de waardigheid van Hofmeester
+bekleedde, stierf in 1494, zonder ooit gehuwd geweest te zijn,
+waardoor Weerdenburch en Ammersode by erfenis overgingen op zijne
+zuster Walravina, die ze in het geslacht der Arckels bracht.
+
+Zy was namelijk in 1480 gehuwd met Otto van Arckel, een Edelman voor
+'t overige, die den beroemden naam van zijn Huis tot weinig eere
+was, en zijn eigenen te schande maakte. Samenspannende met Gherit
+van Culemborch, zijn oom van moeders zijde, had hy zijn vader
+gevangen genomen, en op het kasteel van zijn oom in verzekerde
+bewaring gebracht, terwijl hy-zelf dat van Heuckelom bezet hield,
+en van daaruit zijne soudeniers roovende en ruitende door gantsch
+Zuid-Holland zond. Maar--een andere Adolf van Egmond, trof hem weldra
+ook gelijke straf. De Graaf van Charlois, deze strooperijen moede,
+deed zijn Drossaart Valckesteyn Heuckelom overmeesteren, en dwong
+Otto tot afstand der Heerlijkheid, waarvan hy zich-zelf tot Heer liet
+huldigen. Later, volgends sommigen nog by des Borgondiërs leven,
+ontfing de onwaardige zoon zijne goederen te rug. Hy stierf op ver
+gevorderden ouderdom, in het jaar 1505; Vrouwe Walravina huwde twee
+jaren later weder met Heer Herman van Wachtendoncq, en overleed
+in 1511.
+
+Heur oudste zoon uit het eerste huwelijk, Johan van Arckel, Heer
+van Heuckelom, bekwam toen den Ammersode, maar overleed reeds ten
+volgenden jare, en zijn huwelijk met Adriana, des Heeren van Alsten
+dochter, was kinderloos gebleven.
+
+Op den 24en Juni 1513 werd het kasteel door Henrick van Nassau voor
+Hertog Karel van Borgondiën gewonnen, maar schijnt niet lang in
+diens bezit gebleven te zijn, want weldra vindt men het weder als
+een eigendom van Johans broeder, hoewel niet van den tweeden broeder,
+maar van den jongsten, Walraven, wien Hertog Karel van Egmond in 1514
+ook met Weerdenburch beleende; blijk van eene gunstige gezindheid,
+die niet immer duurde. Hy viel by den argwanenden Prins in ongenade,
+waarop eene verzoening volgde, die, 25 Augustus 1520 bezegeld,
+hem weder in het bezit stelde van alle breuken, wapenschouwing,
+waakzetting en waakschouwing, verder alle rechten en privilegiën,
+met uitzondering van lijfgoed en klokkenslag, om ze te genieten tot
+wederopzeggens toe. Intusschen--ter zelfde maand van het volgende
+jaar weder, dwong de Hertog hem tot afstand aan zijn ouderen broeder
+Gerhard, van Weerdenburch met het dagelijksch gericht, van Ammersode
+met het hoog en laag gericht, en van de tienden van Rossem, Driel
+en Herwaerden, met bepaling, dat Weerdenburch altijd aan den rechten
+stam versterven, en nimmer overgebracht worden zou.
+
+Toch bleef hy 's Hertogen dienst houden. Ten minste in den oorlog met
+Bisschop Henric van Beiëren, was hy met den Stadhouder van Meurs binnen
+Utrecht, en aan diens zijde, toen hy by de overrompeling van 1528 de
+stad ontweek; maar zy werden, te gelijk met den Hertooglijken Raad
+Wynand van Arnhem, »van het boerengespuys aen de Vecht bekend, en weder
+naer de stad gebraght," waar hun echter verder geen leed, dan dat der
+gevangenschap weêrvoer. Na het treffen van den vrede werden zy weder
+ontslagen. Vier jaren later, en wel op den 27 September 1532 verbond
+hy zich in den echt met Jonkvrouwe Catharyne van Gelder, natuurlijke
+dochter van Hertog Karel en Anna van Merwijc, die hem acht kinderen
+schonk, vier zonen en vier dochters, waarvan drie ongehuwd overleden.
+
+Intusschen bezat zijn broeder Gerhard, Heer van Heuckelom en
+Weerdenburch steeds ook den Ammersode, en ontfing van het laatste
+in 1539 de bevestiging van Keizer Karel den Vijfde, »met bedingh,
+dat het zelve altoos voor den Keyser zoude open staen, als zijnde
+niet alleen Hertogh van Braband, maer ook van Gelder."
+
+Gerhard, sedert 1512 gehuwd met Margareta, Erfdochter van Heer
+Daniel van Praet van Moerkercken, Heer van Merwede, en Baliuw van
+Zuid-Holland, bleef zonder kinderen, zoodat by zijn dood, die in 1547
+plaats vond, de vaderlijke erfgoederen weder te rug vielen op Heer
+Walraven, die ze nu tot op zijn sterfdag, in 1557, behield.
+
+Zijn oudste zoon, Otto, erfde Heuckelom, en stierf in 1567 door een
+noodlottigen val met het oor in zijn zwaard, toen hy met een wagen by
+Herwynen omstortte [56]. De tweede zoon, Karel, bekwam Weerdenburch;
+de derde, Joris of George, de Heerlijkheid Ammersode.
+
+Joris van Arckel was nog een kind, toen zijn vader overleed,
+waarom Goirt van Gellekom zijne plaats bekleedde by het doen der
+leenhulde. Later, in 1569, legde Heer Joris persoonlijk den leen-eed
+af, en werd toen namens Filips den Tweede, als Hertog van Gelderland,
+met de Heerlijkheid verlijd, en alzoo bevestigd in het bezit van
+zijn vaderlijk erfgoed. Hy trad in 't huwelijk met Anna, Heer Johans
+dochter van Lockhorst, waardoor hy de Heerlijkheden van Heemstede en
+van Lockhorst verkreeg. De beide echtgenoten verzekerden elkander,
+by testament van 24 Februari 1581, »in lijftochte duysent guldens
+siaers, wt elcx haer respective goederen haer leven lanck gedurende
+van lancst leven." Vrouwe Anna overleed vóor haren echtgenoot, die
+in 1590 stierf; maar de oorzaak van zijn noodlottigen dood is zoo
+zonderling, en van zoo veel raadselachtigs en onverklaarbaars omweven
+en doorvlochten, dat de tastbare vormen der historie zich hierby in
+de zwevende gestalten der overlevering verliezen, en de gloed der
+poëzy vereischt wordt, om een meer helder licht te werpen op die
+
+
+
+SAGE VAN DEN AMMERSODE.
+
+
+Glad is de ijskorst van den winter, die den rug der waatren dekt,
+En den helder-blaauwen hemel tot een blanken spiegel strekt;
+Maar wie meldt het, wat daaronder in den schoot dier waatren huist?
+Wat er in de donkre diepte langs den bodem woelt en bruist?--
+
+Feest is 't op den Ammersode, schoon geen dartel looffestoen
+Poort of brug omzwiert met bloemen, nis noch zuil met lachend groen.
+Schoon geen zang der burchtgenoten klinkt met vrolijk maatgeluid--
+Feest is 't op den Ammersode: Jonkvrouw Ada is de bruid.--
+
+--»Dartle lijfknaap! hoe zoo somber? Waarom in uw oog die traan?
+Aan het feestmaal zit uw Jonkvrouw; gy doolt eenzaam door de laan?
+'k Ben een vergereisde zanger, vreemd in Arckels burchtgebied.
+Sneeuwt het daar geen roode rozen? Is de bruid uw Jonkvrouw niet?"
+
+--»Och! al sneeuwt het roode rozen, tranen reegnen daar door heen!
+Maar ze duchten er geen jammer: Ik ben angstig, ik-alleen.
+'t Proefjaar is ten end geloopen; 't is heur laatst banket op 't slot:
+Morgen volgt heur nonnenwijding... morgen, morgen! o mijn God!...
+
+--»Maar waarom die siddrende angstkreet?--Lijfknaap! gy, nog half een kind!
+Hebt gy dan uw schoone Jonkvrouw licht in 't heimelijk bemind?
+Was ze u meer dan rijke bloeme, bloeiende in een vreemde gaard,
+Waar gy slechts de zorg mocht deelen, die haar voor het
+weêr bewaart?
+
+--»Heb ik haar mijn hart geschonken--'t was, gebogen op mijn kniên;
+'t Was met kinderlijken eerbied, zoo ik tot haar op dorst zien.
+Neen--dat drukt niet op mijn boezem... maar een geest waart om my rond,
+Die in 't kleppren van zijn vlerken my een naamloos wee verkondt.
+
+»Sints dees dag aan 't oosten lichtte, toeft een vreemde op 't slot als gast--
+En mijn pols krimpt wech van vreeze, waar zijn aanblik my verrast.
+Zeven knechten, even somber als hun meester, naar den schijn,
+Hangen zwijgend aan zijn wenken; hy mag wel de Boze zijn!"...
+
+En een huivring van verschrikking greep den vreemden zanger aan.
+Blaauw scheen hem het zwijmend maanlicht in de dorre lindelaan.
+Zwijgend week hy naar den landweg, die naar 't eenzaam klooster bracht,
+Waar men hem geen maal zou weigren en geen schuilplaats voor de nacht.--
+
+Feest is 't op den Ammersode. Buiten zwijmt de maanlichtstraal--
+Binnen flikkren honderd toortsen door de hooge burchtslotzaal.
+Buiten klaagt door 't naakt geboomte slechts het slepend uilgesteen--
+Binnen klinken pijp en cymbel door de hooge welfsels heen.
+
+Twintig Eedlen, hoog van wapen, tusschen Maze en Leek vermaard,--
+Twintig Jonk- en Edelvrouwen, aan dien Ridderstoet gepaard,--
+Veertig knapen, hooggeboren, dienende aan den rijken disch--
+Wie nog vraagt er van dat feestmaal, of 't een Arckel waardig is?--
+
+Aan de zij' des grijzen Burchtheers, Vrouw Joannaas plaats weleer,
+Voor haar de englen tot zich riepen, zit de grijze Abdisse neer.
+Aan de zij der teedre Jonkvrouw, wie nu 't waereldsch haast ontging,
+Zit de gast van d' Ammersode, zit de sombre vreemdeling.
+
+Ravenzwarte lokken rollen langs zijn bleeke wangen heen;
+Ravenzwarte wimpers zoomen zijner donkere oogen leên;
+Ravenzwarte knevels dekken 't plooien van zijn bleeken mond.
+Affaytadies wapen voert hy--maar wie zegt het met wat grond?--
+
+Goudblond worstlen nog de tressen aan de huif der Jonkvrouw uit;
+Goudblond is de zijden wimper, die heur teêr-blaauw oog omsluit;
+En heur zacht-gebloosde trekken ademen zoo kalm een rust,
+Of er de engel van den vrede haar het voorhoofd had gekust.
+
+Bleek zijn Affaytadies wangen, als daar buiten 't licht der maan.
+Duister staan zijn donkere oogen, blikt hy soms de Jonkvrouw aan.
+Heel een waereld van verlangen, van verlating, van verdriet,
+Trilt er in dien neevlend' oogstraal, dien hy naar de Jonkvrouw schiet.
+
+Hooger bruist de klank der pauken; vrolijk schettert de cymbaal.
+Lust en leven, vrede en vreugde stroomen zonlicht door de zaal.
+Luider klinkt de toon der gasten by hun levendig gebaar.
+Affaytadi fluistert somber, of hem 't spreken moeilijk waar':
+
+»Jonkvrouw Ada! Bruid des hemels! wilt ge luistren naar een droom?
+'t Was, als doolde ik in 't verleden, en aan d' oever van een stroom:
+'t Was de Maas, wier blonde golven vloeiden langs een eilandzoom,
+En een oude grenssteen rustte er aan een grijzen wilgeboom."--
+
+Bevend zag de Jonkvrouw opwaart, en heur fijne blos verschoot.
+Affaytadies wangen kleurden langsaam tot een scheemrend rood.
+»Luister, Jonkvrouwe! en blijf rustig," sprak hy met een kouden lach:
+»Zoudt ge huivren om een landschap dat ik in mijn droomen zag?"--
+
+Zwijgend zag ze voor zich neder. Fluistrend boog hy tot haar heen:
+»'k Zag een jeugdig tweetal zitten op dien graauw bemoschten steen.
+'t Was een meisjen, blond van lokken, blaauw van oogen, zoet van leest;
+'t Was een knaap, met zwarte hairen, bleek van wangen, droef van geest."
+
+Siddrend zag de Jonkvrouw opwaart, en thands bleeker dan de dood.
+Affaytadies wangen kleurden tot een hoog en donker rood.
+»Luister, Ada! en blijf rustig," sprak hy met een bittren lach:
+»Zoudt ge voor twee kindren siddren, die ik in mijn droom slechts zag?"
+
+IJzend zag ze voor zich neder. Somber fluistrend sprak hy weêr:
+»Zy was dochter van den huize; hy--een vondling, en niets meer.
+Maar toch zwoer ze hem heur trouwe, by den weedom van heur ziel
+En der zielen van heure oudren, zoo ze van heur trouw verviel!"--
+
+--»Maar dat was voor twalef jaren!" riep zy met gesmoorden kreet:
+»En hy is van hier verdwenen--en vergeten is die eed....."
+--»Maar hy is te rug gekomen!" sprak hy, met een oog vol glans:
+»En de vondling van 't verleden--is Graaf Affaytadi thands!"--
+
+--»Heere Jezus!" kreet ze rillend; maar dien kreet vernam men niet,
+Toonloos als hy ging verzwonden in het schaatrend tafellied.
+Half bezwijmd zonk ze in heur zetel; maar de woeling aan den disch
+Bond den blijden geest der gasten--en daar was geen stoorenis.
+
+--»'t Is te laat thands, Affaytadi!".... En 't vloot biddend van heur mond:
+»Morgen treed ik in het klooster, morgen met den uchtendstond.
+Affaytadi, Affaytadi!..... hebt gy ook mijn rust vermoord--
+Geef my d' eed van trouwe weder, 't onbedachte kinderwoord!"--
+
+--»'t Is te laat thands, Ada!" ruischte weer zijn sombre fluisterstem:
+»By het welzijn van drie zielen! houdt ge uw eed--of breekt ge hem?
+Laadt ge een eeuwigheid van jammer op 't onschuldig ouderhoofd--
+Of bewijst ge een Affaytadi, wat ge een vondling hebt beloofd?"--
+
+--»O! daar is, daar is geen redding!" riep ze met een luiden gil.
+En het dischgedruisch verstomde, zang en feestmuziek zweeg stil.
+Roerloos lag zy in heur zetel, als een offer van den dood.
+Affaytadies oogen vlamden, en zijn wang was gloeiend rood.
+
+Hy was ijlings opgesprongen; maar hy scheen het niet te zien
+Wie er snelden tot den zetel, om der Jonkvrouw hulp te biên.
+En hy achtte, half-gebogen in een diepe vensternis,
+Noch op 's vaders handenwringen, noch op 't schreien der Abdis.
+
+Bleek was weer zijn wang geworden, en zijn mond stond strak en kil.
+»Nog gaat gy my niet verloren--daar is redding, als ik 't wil"....
+Sprak hy momplend.--»En ik wil het!" sprak hy ijlings voor zich heen.
+--»Waar is Affaytadi?" vroeg men.... In de zaal vond hem niet een.
+
+En een droevige verwarring heerschte in die verlichte zaal.
+Buiten was het stil en zwijgend: alles schaduw, alles vaal.
+In de handen 't hoofd verborgen,--in het oog een stillen traan,--
+Zat de Lijfknaap op een boomtronk, in de dorre lindelaan.
+
+Ruischte daar geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgestamp,
+Half gesmoord en gants verborgen in den vochten avonddamp?
+Gonsde 't van den kant van 't burchtslot als een nachtgeest niet voorby?
+Angstig staart hy door het duister naar de onzichtbare overzij.
+
+Hoe!.. ging reeds de nacht ten einde? Breekt de purpren uchtendgloor
+Met een vloed van rossche stralen plotslijk dus de wolken door
+En verlicht de kruin der linden?... Hy blikt om naar d' oosterkant--
+En springt gillend overende, met den ijsbren kreet van »brand!"
+
+Brand!... Als stof voor wervelwinden, breekt uit raam en torentrans
+Gloeiend rood een wolk van vonken, met een schrikkelijken glans.
+Zwarte rookkolommen rijzen om 't gevonkel, dicht in een--
+En dan breken wilde vlammen door de rookkolommen heen.
+
+Poort en valbrug staan in vuurgloed; 't water kookt er in de gracht.
+»Redding! Redding!" is het gillen... maar hoe redding toegebracht?
+Als een onverdoofbre krater spuwt de burch zijn vlammen uit,
+En in 't kraken van de muren smoort het kermend angstgeluid.
+
+'t Raafgebroed, van 't nest verdreven, krijscht en krast om trans en tin,
+En het kleppen van de noodklok valt er ijzingwekkend in.
+Louter vuur is de Ammersode,--lucht en water louter vuur.....
+God bewaar' de burchtgenoten! want de redding kost er duur.
+
+En de Zanger uit den vreemde, die naar 't gintsche klooster trad,
+Wendt ontzet en schuw zijn blikken, en houdt stand op 't eenzaam pad.
+En hy stort er op de kniën; en hy bidt, met bang gemoed,
+Voor zoo menig deerniswaarde, die een graf vond in den gloed.--
+
+Rammelde er geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgedruisch,
+Toen hy neêr lag, innig biddend voor wie omkwam op het huis?
+Gonsde 't van den kant van 't burchtslot als een nachtwind niet voorby?
+Met een angstig voorgevoelen staart hy naar de kloosterzij.
+
+En hy duizelt van ontzetting, en hy steunt zich aan een stam:
+Is de jongste dag verschenen? Staat heel de aarde reeds in vlam?
+Dreigend rees de kloostertoren als een donkre geest omhoog--
+Maar te midden van een vuurgloed, barstende uit gewelf en boog:
+
+Vuurgloed, die het nachtlijk donker van den zwarten hemel joeg,--
+Die heel d' omtrek op deed waken, en het hart met siddring sloeg.
+Raadloos woelt de ontzette menigt, waar geen redding mooglijk was...
+En de burcht gaat op in vlammen; en het klooster zinkt in asch.
+
+In de borst van welken duivel rijpte, met die gruwzaamheid,
+Zoo afschuwelijk een denkbeeld tot zoo schrikkelijk een feit?
+Waarom is die dubble moordbrand in de zelfde nacht geschied?
+Huivrend gaat de vraag in 't ronde--maar een andwoord is er niet.--
+
+Treurig werpt het uchtendzonlicht over 't rookend puin zijn glans.
+Als een wrak, ter helft versplinterd, rijst er nog een enkle trans,
+Rijst er nog een enkle toren, rijst er nog een enkle boog
+Van de burcht der Ammersoden uit de laauwe gracht omhoog.
+
+Snikkende, en met schreiende oogen, zag men 't bitter schouwspel aan:
+Zooveel jeugd, en zooveel grijsheid--in den wilden gloed vergaan!
+Snikkende, en met schreiende oogen, groef men lijken en gebeent
+Uit de zwart-gerooste puinen--al te droevig grafgesteent!--
+
+Menig nog herkenbaar teeken: wapentooi of pronkcieraad,
+Dat van 't stofflijk overblijfsel nog geslacht en naam verraadt.
+En toen 't al was opgedolven, wat zoo wreed begraven waar,
+Miste men met stille ontzetting nog een enkel lijken-paar.
+
+Waar bleef Affaytadi? waar de Jonkvrouw?--En een kille schrik
+Deed er aller wang verbleeken by die vraag, dat oogenblik:
+Spoorloos waren beiden henen; en geen teeken, dat verried,
+Wat er, na dees nacht vol jammer, met die beiden zij geschied.--
+
+Jaren kwamen, jaren gingen--en de burch rees uit zijn puin,
+En het drietal zware torens hief er weêr de trotsche kruin.
+Maar, wat ooit van verre of vreemde weêr op 't burchtslot werd gehoord
+Nooit een woord van Affaytadi; van de Jonkvrouw nooit een woord.
+
+
+
+Volgends eene overlevering op de plaats-zelve, spaarden de felle
+vlammen nog een ronden toren, met een gering deel van het hoofdgebouw,
+en den buitengevel eener poort, die thands nog, onder een wapenschild
+dat in het laatst der voorgaande eeuw met gipskalk onkennelijk werd
+gemaakt, het jaartal 1564 draagt.
+
+Eene verklaring van den Secretaris Moll te Ammersode, 15 Augustus
+1606 opgemaakt [57], zegt echter, »datter in timmeragie nauwelyx een
+splinter en was overgebleven." En verder: »dat daer benevens d' Edele
+Welgeboren Heere, Heere George van Arckel onze lieve weerden Heere,
+wiens ziele God genadigh zij, ende met sijne Edele Huys off sloth
+voors. ter selver tijt mede verbrant is worden en den sesden dagh daer
+na deser weerelt over leeden, gelijk ook in den voors. brand te niete
+gegaen ende tot assche gekomen is Zijne Edele huysraat, meubilen,
+juweelen, boeken, brieven en papieren, als doen op den voors. Huyse
+weesende, behalve dat eenig gout en zilver naderhand uyten assche
+ende gruys wederom nog sijn bevonden, item dat dergelijke fortune
+en ongeluk ook gevuelt hebben de nabuiren en inwoonders, die meest
+alle hun gelt, goederen, huysraat, klederen, klijnodien, boeken en
+brieven, overmits den pereyculeusen tijt, op het voors. sloth, als
+ten eenre en ter andere zijde vrij zittende, gevlugt hadden, en niet
+gewoon en waren in hun eygen huyse yet te behouden, dan 't geene sij
+'t allen uure ten eenemaal nodig hadden."
+
+Nadat Heer Joris op zoo treurige wijze was omgekomen, werd hy opgevolgd
+door zijn eenigen zoon Otto [58], die omstreeks 1600 de verwoesting
+liet herstellen, het kasteel uit zijn puinen deed ophalen, en weder als
+een waardig gedenkteeken van voorvaderlijke macht en aanzien herrijzen.
+
+Deze Otto van Arckel was thands de eenige »overblijvelingh van manlijk
+oir, van den Arkelsen stam, gesproten uyt de Heeren van Heukelem,
+de xj in 't dalend getal van Heer Jan de Sterke, de tweede Heer van
+Heukelem." In 1614 huwde hy met Jonkvrouw Francelina, dochter van Heer
+Cosmo degli Affaytadi, Baanderheer tot Ghistelle, Hilst en Lavenacker
+[59]; de bruid ontfing daarby als huwelijksgave van haren vader »vijf
+honderd gulden 's jaars zuijvere renthe tot laste van de domeijnen
+van Zeelandt." Zy overleefde haren echtgenoot, die zich in den strijd
+met Spanje als een rechtgeaart Nederlander en wakker krijgsman kweet,
+en by voortduring te velde trok. Hy liet drie dochters na en éen zoon,
+Thomas Walraven, die Heer van Wordragen en Well, den Ipelaer en ter
+Lucht wordt genoemd, en in 1641 met Ammersode beleend werd.
+
+Thomas Walraven was gehuwd met Jonkvrouwe Joanna Barbara, Heer
+Lodewijks dochter van la Kethulle, Heer van Rijhove en Tamers, Kolonel
+te paard, Ritmeester over eene kompagnie kurassiers in dienst van den
+Staat, en Gouverneur van Bergen-op-Zoom. De krijgshaftige voorbeelden
+zijns vaders en schoonvaders schijnen echter op hem geen invloed
+te hebben gehad: men vindt niet dat hy den Staat heeft gediend. Dat
+kon hem evenwel niet immer een vreedzaam leven waarborgen: de inval
+der Franschen in 1672 brachten hem menige moeielijkheid, waarvoor de
+sauvegarde, hem door Prins Willem den Derde op den 29en Juni vereerd,
+evenmin behoeden kon. Wel ontkwam de burcht het lot dat zoo vele
+anderen in die dagen trof, en werd voor vernieling bewaard--maar
+niet dan ten koste van groote opofferingen, evenzeer drukkende voor
+de onderdanen als voor hun Heer, wien het verblijf op het kasteel
+soms maar al te bitter werd gemaakt. Alleen in 1672 moest hy eene
+schatting betalen van byna 7000 gulden aan geld, haver, gerst, hooi,
+stroo, kapotten, en schoenen. De arme boeren werden geprest, om drie
+maanden lang te arbeiden aan de versterking van het fort Crevecoeur. In
+het volgende jaar waren de afpersingen in geen geringer mate, en by
+de minste vertraging volgden er oogenblikkelijk brutale aanmaningen,
+zoowel van den bevelhebber van Crevecoeur als van dien der sterkte
+St. Andries, waarby gedreigd werd »het slot en de woningen der
+onderhoorigen zonder genade aan de vlammen ter prooi te zullen
+geven, indien de geëischte som of voorraad van voeder en vee niet
+oogenblikkelijk werd opgebracht."
+
+Waarlijk! de Franschen van 1672 gingen het die van 1795 waardig voor;
+en de Luitenant-Generaal der Koninklijke Armee, Graaf de l'Orge,
+behoefde voor den Generaal van Damme in onbeschaamdheid niet te wijken.
+
+In die treurige dagen hield Heer Thomas Walraven niet altoos zijn
+verblijf op het kasteel, maar was ook dikmaals te 's Hertogenbosch. Het
+zal hem gewis geen rouwe hebben gebracht, toen de roemrijke lelievaan
+eindelijk den Nederlandschen bodem ontwijken moest.
+
+Op den 1en Juni 1683 gaf hy, ten behoeve van Willem den Derde, die
+in een verschil over jachtrecht was met den Heer van Broeckhuysen, de
+verklaring, dat hy toenmaals was »het laatste en eenighste mans-oir,
+gesproten in wettigen huwelijk uyt het opgemelte Huys van Arckel,
+wel willende ende begeerende dat de posteriteyt hier aff kennisse
+hebbe." Hy bleef ook de laatste mannelijke nazaat van wettigen bloede,
+en overleed kinderloos, op den 23en Oktober 1693. Drie jaren later
+volgde hem zijne weduwe.
+
+Nu kwam Ammersode in het geslacht der Baronnen van Lichtervelde,
+door Renesse van Elderen aan Arckel vermaagschapt. Catharyne, Heer
+Joris dochter, had namelijk de derde harer kinderen, hare oudste
+dochter Anna van Renesse van Elderen, in 1626 ten huwelijk geschonken
+aan Pieter van Lichtervelde, Heer van Beaurevant, Vellenaere, Croix,
+Caeskerke, Vrijlandt enz., uit welk huwelijk Johan Ferdinand, Baron
+van Lichtervelde, Heer van Vellenaere en Beaurevant geboren werd. Ten
+gevolge eener bepaling van Heer Otto van Arckel, door Thomas Walraven
+bekrachtigd, om »gene off gesubstitueerde erffgenaemen feudael, als
+den oltsten en naeste van sijnen bloede, met seclusie van alle andere
+aen te stellen," erfde deze Baron thands de heerlijkheid Ammersode,
+Well en Wordragen, en werd er wettig meê beleend. Hy vestigde met zijne
+echtgenote Maria Catharina de Belveer zijn verblijf op het kasteel,
+en overleed er op den 22en Oktober 1711.
+
+Zijne nog minderjarige dochter, Jonkvrouwe Maria Isabella Catharina,
+werd er reeds het volgende jaar mede beleend, doch hare moeder,
+vrouwe Maria Catharina, genoot tot in 1754 het vruchtgebruik.
+
+De Jonkvrouw huwde vervolgends met den Vlaamschen Edelman Jacques
+Joseph de Vilsteren, Baron van Laerne, wien zy, behalven eene
+dochter, drie zonen schonk, waarvan de eerste, Jean Joseph François de
+Vilsteren, na den dood zijner moeder den Ammersode met de Heerlijkheid
+aanvaardde. De tweede zoon, Nicolas Joseph Guislain de Vilsteren,
+Baron van Laerne, werd er daarna meê beleend, en eindelijk ook de
+derde der broeders, Theodore Joseph François, Baron de Vilsteren van
+Laerne, die in 1792 stierf.
+
+Het scheen alzoo, als of het bestemd was dat Ammersode beurtelings in
+handen van Jacques gantsche gezin moest overgaan: want nu met Theodore
+ook de jongste der zonen overleden was, erfde de Heerlijkheid over op
+hunne zuster Marie Theodore Genoveve Collette, Baronnesse de Vilsteren,
+echtgenote van Lebert François Christien, Graaf de Ribaucourt.
+
+Dus was de heerlijkheid weder in een nieuw stamhuis gekomen, waaraan ze
+echter slechts twee geslachten bleef. Christien, Graaf de Ribaucourt,
+die zijne moeder opvolgde, had by zijne gemalin, eene Baronesse du
+Quarré, twee kinderen, een zoon, Prosper Christien de Ribaucourt,
+gehuwd met eene Baronnesse de Thiennes de Lombise, en eene dochter,
+Eugènie Françoise Sidonie Marie Guislaine. De laatste werd by het
+kinderloos overlijden haars broeders, Vrouwe van Ammersode, Well en
+Wordragen, en bracht daarmede de Heerlijkheid over op de familië van
+haren echtgenoot, Jonkheer Louis Alexandre Alphonse, Baron de Woelmond,
+in België verblijvende, die het thands nog in bezit heeft.
+
+Het kasteel, dat tegenwoordig door een Rentmeester bewoond wordt,
+heeft in den loop der tijden, en by zoo vele verschillende bezitters,
+natuurlijk herstellingen en verbeteringen noodig gehad, maar is in
+hoofdvorm weinig veranderd, en komt thands nog zoo goed als in alles
+overeen met de hierby gevoegde afbeelding, waarvan echter de voeting
+der torens, door onnaauwkeurigheid van den steenteekenaar, niet breed
+genoeg uit het water der slotgracht oprijzen. Welke lotgevallen het
+in den tachtig-jarigen oorlog heeft doorgestaan--daarvan is niets
+in byzonderheden bekend. Men vindt alleen in 't algemeen vermeld,
+dat het in den aanvang der onlusten te lijden heeft gehad. Dit was
+echter vóor den brand, en bracht dus geene verandering in de gedaante
+van den lateren bouw, die, zoo als wy reeds opmerkten, nog een gering
+overschot van het oude kasteel in zich opnam. Die vleugel (zegt de Heer
+Schotel) waarin zich de kapel en de archiven-kamer bevinden, sedert
+menschengeheugen niet bewoond, schijnt, ofschoon inwendig hersteld,
+in zijn oorspronkelijk muurwerk gebleven te zijn. De dikke muren,
+de diep daarin uitgehakte vensters, de steenen vloeren, de verwulfde
+vertrekken, heugen meer dan twee eeuwen. De bouwvallige staat, waarin
+zich deze overblijfselen bevinden, doet ons vreezen, dat zy welhaast
+een prooi van hamer en moker zullen moeten worden, waardoor het statige
+voorkomen van den ridderlijken Ammersode niet weinig zoude verliezen.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+   Bladz.
+
+ Het Kasteel van Heusden 1.
+ Het Kasteel te Gemert 35.
+ Het Kasteel van Montfoort 57.
+ Het Kasteel van IJsselsteyn 105.
+ Jachtslot Het Loo 145.
+ Het Kasteel Ammersode 175.
+
+
+
+
+
+OPHELDERING.
+
+
+Bladz. 42 staat: Scoten in Friesland; lees: Oudescoot (een dorp van
+de gemeente Schoterland) in Friesland.
+
+
+
+
+
+
+
+NAAMLIJST DER INTEEKENAREN.
+
+
+Zijne Majesteit de Koning.
+
+Hare Majesteit de Koningin.
+
+Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden.
+
+Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Prinses Frederik der Nederlanden.
+
+Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Prinses Marianne der Nederlanden.
+
+
+
+Aarsse, (Mej. A. J.) Huisonderwijzeres te 's Gravenhage.
+Ahlers Jr., (A.) te Amsterdam.
+Allart, (D.) te Amsterdam.
+Altman, (J. D.) te Amsterdam.
+Anemaet, (J. K. B.) Instituteur te Amsterdam.
+Arrenberg, (C.) Boekhandelaar te Rotterdam.
+Artler, (Mej. A. C. C.) te Amsterdam.
+Asher & C., (A.) te Berlijn voor de K. K. Hofbibliotheek te Weenen.
+Avis, (C.) te Krommenie.
+
+
+
+Backer, (S.) te Amsterdam.
+Bähler, (P. P.) te Nijmegen.
+Balveren, (Baron van) te Nijmegen.
+Baud, (J. C.) te 's Gravenhage.
+Becking, (W.) Boekhandelaar te Doesburg.
+Beek, (Dr. A. van) te Utrecht.
+Beer, (Johs. de) te Amsterdam.
+Bek, Wijnhandelaar in de Rijp.
+Berchuys, (Mr. A. van) te Groningen.
+Berg Jr., (J. H.) te Amsterdam.
+Berkhout, (Mr. P. J. Teding van) Regter bij de Arrondissements Regtbank
+te Amsterdam.
+Beusichem van Harmelen, (Mevr. van) te Harmelen.
+Beynen, (Dr. L. R.) te 's Gravenhage.
+Biben, (Chn.) te Amsterdam.
+Bierman, (M. A.) Notaris te Waardenburg.
+Blaauw, (J.) te Amsterdam.
+Blikman Kikkert, (D.) te Amsterdam.
+Bodel Nijenhuis, (Mr. J. T.) te Leijden.
+Boekeren, (W. van) Boekhandelaar te Groningen.
+Boellaard, (M. C.) te Utrecht.
+Bogaard, (P. Th.) te Hees bij Eindhoven.
+Böhtlingk, (Mr. F.) Procureur te Arnhem.
+Bok Jr., (J. H.) Notaris te Amsterdam.
+Bom, (G. Theod.) Boekhandelaar te Amsterdam, 2 Ex.
+Bombled, (K. F.) te 's Gravenhage.
+Boon Hartsinck, (M. S.) te Amsterdam.
+Boonzajer, (C. G.) Notaris te Gorinchem.
+Bormeester, (C.) te Amsterdam.
+Bos, (J.) te Amsterdam.
+Bosch, (Mr. Graaf E. van den) te 's Gravenhage.
+Bosscha, (J.) Hoogleeraar.
+Bouberg Wilson, (W.) te 's Gravenhage.
+Braam, (P. T.) Boekhandelaar te Rotterdam.
+Brakel, (van Dam van) te Brakel.
+Brakell van Doorwerth, (Baron)
+Brantsen, (Mevr. Baronesse) huize de Zijp bij Arnhem.
+Breda, (J. G. S. van) Hoogleeraar, Secretaris van de Holl. Maatschappij
+der Wetenschappen te Haarlem.
+Brederode, (J. J. van) Boekhandelaar te Haarlem.
+Breijer, (H. B.) Boekhandelaar te Arnhem.
+Breuninghoff, (H.) te Amsterdam.
+Broekhuizen, jr., (C.) te Amsterdam.
+Brugmans, (Mr. A.) te Amsterdam.
+Bruin, jr., (W.) Boekhandelaar te Wormerveer.
+Brunet, (L. de) te Amsterdam.
+Bruyn, (Mej. de) Landgoed Warnsborn bij Arnhem.
+Bruyn, (Mr. J. H. de) Advocaat te Amsterdam.
+Bruyn, (A. de) Onderwijzer te Batavia.
+Büchler, (D. D.) te Amsterdam.
+Burnier, (G. A.) te 's Gravenhage.
+Bijlandt, (E. J. A. Graaf van) te 's Gravenhage.
+Bijlandt, (W. Graaf van) te Nijmegen.
+Bijleveld, (H.) te Middelburg.
+Bijsterbos, jr. (N. van Berkum) Secretaris der stad Kampen.
+
+
+
+Cantzlaar, (G.) te Utrecht.
+Casembroot, (Jonkhr. J. L. de) Rentmeester van 's Konings particulier
+Domein en Burgemeester der Gemeente St. Maartensdijk, eiland Tholen.
+Casembroot, (Jonkhr. E. A. O. de) Majoor, Gouverneur van Z. K. H. Prins
+van Oranje, Buitengew. Adj. van Z. M. de Koning.
+Castro, Mzn., (d. H. de) te Amsterdam.
+Citters, (Mr. C. van) te Utrecht.
+Charbon, (E.) te Amsterdam.
+Charbon, (J. A.) te Amsterdam.
+Chijs, (P. O. van der) Professor te Leyden.
+Cleef, (Gebrs. van) Boekhandelaar te 's Gravenhage.
+Crommelin, (G. C.) Huize de Lathmer bij Deventer.
+
+
+
+Dam, (J. H. van) te Rotterdam.
+Dapperen, (J. W. van) Directeur van het Instituut tot Onderwijs van
+Blinden te Amsterdam.
+Deketh, (Mr. A.) te 's Gravenhage.
+Derfelden van Hinderstein, (Baron van) Kamerheer des Konings.
+Dishoeck, (A. M. E. van) Boekhandelaar te Zierikzee.
+Dittlinger, (J. v. D.) 1e Luit. bij de Gen. Staf.
+Doesburgh, (Ds. H. G. J. van) te Rotterdam.
+Doorman, (J. D.) Boekhandelaar te Utrecht. 2 Ex.
+Drieling, (Mr. F. H.) te Utrecht.
+Driest (van) te Heerde.
+Driest, (J. C. van) te Lienden.
+Duivenvoorde, (Jonkhr. steengracht van) Hoogheemraad van Rijnland te
+'s Gravenhage.
+Dunlop, (D.) Koopman te Rotterdam.
+Dyserinck, (J. H.) te Haarlem.
+
+
+
+Ebeling, (A.) te Amsterdam.
+Ebeling, (W.) te Amsterdam.
+Eckhardt, (Jonkhr. van Harenkarspel) op den huize Baarschot te Esch,
+N. Braband.
+Eeghen, (Mevr. de Wed. P. van) te Amsterdam.
+Eeghen, (C. P. van) te Amsterdam.
+Ekker, (Dr. A. H. A.) Praeceptor aan de Latijnsche School te Utrecht.
+Elias (G. H.) te Amsterdam.
+Ellinkhuizen, (Mej.) te 's Gravenhage.
+Embden, (van) te Zeist.
+Engelen van Pylsweert, (Jonkhr. W.) te Nijmegen.
+Ermerins, (R. C.) Jur. Student.
+Evekink, (F. N.) te Arnhem.
+Eversz, (J. W.) Boekhandelaar te Zeist.
+Everwijn, (Ds.) huize Presikhaaf bij Arnhem.
+Eyssel, (M.) te 's Gravenhage.
+
+
+
+Fabius, (F. W.) te Amsterdam.
+Fabricius van Heukelom, (Mevr. Douairière A. L. C.) te Soest.
+Fabricius van Leijenburg, (J. C. W.) te Amsterdam.
+Feije, (R. H. J.) te Amsterdam.
+Fiedeldij, (J. C.) te Amsterdam.
+Fock, (J.) te Amsterdam.
+Fodor, (J. C.) te Amsterdam.
+Foreest v. d. Palm, (Mevr. Douairière van) te Alkmaar.
+Frohwein, (J. O.) te Amsterdam.
+Fuchs, (F. G.) Koopman te Amsterdam.
+Furstner, (J. M.) te Amsterdam.
+
+
+
+Gaarlandt, (G. L.) te Bussem.
+Gelder, (G. A. de) 1e Luitenant der Infanterie te Hoorn.
+Gelder, (P. H. van) te Wormerveer.
+Gockinga, (Mr. C. H.) te 's Gravenhage.
+Gori, (G. T. N.) te Utrecht.
+Goslings, (O.) Lid van den Gemeenteraad en Kassier te Dokkum.
+Gunckel, (P. G.) te Amsterdam.
+Guijot, (P. C. G.) te 's Gravenhage.
+Hajenius, (P. G. C.) te Amsterdam.
+Hamininck Schepel (J. G. P.) Kapitein Infanterie.
+Hana, (H.) Architect te Amsterdam.
+Harinxma Thoe Slooten (D. J. A. Baron) Raadsheer in het
+Prov. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.
+Harpen Kuijper, (Mevr. de Wed. A. L. van) te Amsterdam.
+Heeckeren van Walien, (W. F. Baron van) Luitenant ter Zee.
+Heeckeren van de Heest, (W. Baron van)
+Heineken, (C. A.) te Amsterdam.
+Heineken, (A. G.) te Amsterdam.
+Herbschleb, te Amsterdam.
+Hesselink. (J.) in q. q. voor een Leesgezelschap te Groningen.
+Heukelom, jr., (J. van) te Pouderoijen.
+Heuvel Rijnders, (J. W. van den) te Oostburg.
+Hinlopen, (J.) Wethouder te Utrecht.
+Hinsbeek, (J. A.) te Amsterdam.
+Hoffmann, (A.) te Amsterdam.
+Holst, (C. P.) te Amsterdam.
+Hooft van Woudenberg en Grovestein, (Jonkhr. N. D.) te Amsterdam.
+Hoop, Jz., (A. van der) te Rotterdam.
+Hoorn, (L. G. van) Stedelijk Ontvanger te Amsterdam.
+Hooij, (A. J.) te Beverwijk.
+Huidekoper, (A.) te Amsterdam.
+Huurkamp van der Vinne, (V. H.) te Haarlem.
+Huijdecoper van Nigtevecht, Jonkhr. (E.) te Utrecht.
+
+
+
+Iterson, (A. A. G. van) Apothecaris te Gouda.
+
+
+
+Jacobs & Meijers, Boekhandelaars te Amersfoort. 2 Ex.
+Jeune, (P. F. J. le) te Amsterdam.
+Jochems, (Mevr.) te 's Gravenhage.
+Jolles, (Mr. J. A.) te Amsterdam.
+Jolles, (J. A.) te Amsterdam.
+Jongh, (C. de) te Tiel.
+Jordens, (Mr. C. A. van Munster) als bestuurder van een Leesgenootschap
+te Deventer.
+
+
+
+Karsten, (E. H.) Litt. Hum. Stud. te Utrecht.
+Kater, (P.) Monnickendam.
+Keer, (Otto) te Amsterdam.
+Kempenaar, (Mr. J. M. de) te Amsterdam.
+Kesper, (L. A.) Makelaar te Amsterdam.
+Kesteren (H. J. van) Boekhandelaar te Amsterdam.
+Klasing, (J.) te Amsterdam.
+Klein, (J.) te Nijmegen.
+Kleinpenning, (J. S.) te Amsterdam.
+Kleinpenning, (H. C.) te Amsterdam.
+Klinkert, (R. L.) Boekhandelaar te Amsterdam. 2 Ex.
+Klerck, (G. de) te Amsterdam.
+Klijnsma, (S. F.) Luit.-Kolonel Ingenieur, op de Lyclama Stins bij
+Wolvega Prov. Friesland.
+Kneppelhout van Starkenburg, (K. J. F. C.) te Leyden.
+Knoll, (P.) te Amsterdam.
+Koch, (G. F.) Boekhandelaar te Utrecht. 2 Ex.
+Koker Bz., (J.) Boekhandelaar te Monnickendam.
+Komans, (W.) te Abcoude.
+Kooijker, (W. N.) Instituteur te Bergen op Zoom.
+Kop, (Mevr. de Wed. C. A.) te Rotterdam, 2 Ex.
+Kotzé, (J. J.) Theol. Student te Utrecht.
+Krabbendam Bzn., (J.) te Alkmaar.
+Kremer, (A. J. C.) Med. Student te Utrecht.
+Krook van Harpe, (A. L.) te Amsterdam.
+Kroon, (C. F.) te Amsterdam.
+Kruseman, (A. C.) Boekhandelaar te Haarlem.
+Kruijf, (J. de) Boekhandelaar te Utrecht.
+
+
+
+Lange, (G. C.) te Amsterdam.
+Langenhuysen, (Gebrs. van) Boekhandelaars 's Gravenhage.
+Lans, geb. Wintgens, (Mevr.) te 's Gravenhage.
+Leesgezelschap, Lust en Rust te Soetermeer.
+Leesgezelschap, tot Oefening en Vermaak te Medemblik.
+Leesgezelschap, Leerzaam Vermaak te Amsterdam.
+Leesgezelschap, Disce Legenda te Utrecht.
+Leesgezelschap, Oefening bevordert Wetenschap te Amsterdam.
+Leesgezelschap, (Het Hollandsche) te St. Petersburg.
+Leesgezelschap, tot Nut en Verpoozing te Amsterdam.
+Leesgezelschap, tot Nut en Vermaak te Moordrecht.
+Leesmuseum (Het) te Amsterdam.
+Lennep, (H. A. van) te Amsterdam.
+Lenshoek, (C. P.) Jur. Stud. te Utrecht.
+Leuveling Tjeenk, (D.) te Amsterdam.
+Lichtenbelt Jr., (J. H.) Notaris te Aalsmeer.
+Limburg Stirum, (Graaf van) te Amsterdam.
+Linse, (F. A.) te Amsterdam.
+Löben Sels, te Zutphen.
+Loder J. Mzn., (C. L.) te Amsterdam.
+Loder, (C. L.) 1e Luitenant Adjud.
+Loofs, (Mr. W. M.) Advocaat te Amsterdam.
+Loon, (Mevr. Douarière van) te Amsterdam.
+Lorraine Holling, (C. H. de) te 's Gravenhage.
+Ludolph, (L. J. C.) Onderwijzer te Rotterdam.
+Lutgers, (J. P.) te Loenen.
+Lycklama a Nyeholt, (Jonkhr. J. A.) Burgemeester van Opsterland,
+te Beesterwaag.
+Lynden van Lunenburg, (J. H. Baron van) te Utrecht.
+
+
+
+Macaré, (Jonkhr. Rethaan) te Utrecht.
+Made, (P. M. van der) te Amsterdam.
+Maire, (Mr. G. E. le) Regter in de Arr. Regtbank te Heerenveen.
+Maurik, (J. van) te Amsterdam.
+Mebius, (J. E.) voor het Leesgezelschap de Harmonie te Kollum.
+Meerburg, (Dr. P. C.) te Rotterdam.
+Meijer, (Wed. H.) Boekhandelaar te Zwolle.
+Meijer, (J. M. E.) Boekhandelaar te Amsterdam.
+Meijes, (F.) Predikant te Leersum.
+Mensing, (J. C. W.) te 's Gravenhage.
+Metman, (Mr. L.) te 's Gravenhage.
+Middelhoff, (A. M.) te Purmerende.
+Moens van Bloois, (Mr. A.) te Zierikzee.
+Mohr, (E.) te Amsterdam.
+Molengraaff, (Ds.) te Nijmegen.
+Montauban van Swijndregt, (W. H.) te Rotterdam.
+Morrees, (Mr. C. W.) te Utrecht.
+Moulin, (J.) Deurwaarder bij het Kantongeregt te Kampen.
+Muller, (Fr.) Boekhandelaar te Amsterdam.
+Mumm, (S. T.) te Amsterdam.
+
+
+
+Nahuijs, (P. H.) Jur. Student te Deventer.
+Nauta, (Mr. G. R.) President van de Arr. Regtbank te Heerenveen,
+Ridder van de orde van den Nederl. Leeuw.
+Nepveu (J. J. D.) te Utrecht.
+Nepveu, (Roosmale) te Utrecht.
+Nispen van Pannerden, (Baron van) te Zevenaar.
+Nolet, (J. D.) Boekhandelaar te Utrecht.
+Nomen, (Dk.) Houtkooper te Zaandam.
+Noortbergh van Brandwijk, (J.) Gep. Luit. Kolonel, Ridder der Orde
+v. d. Ned. Leeuw, te Amsterdam.
+Nooten, (S. J. van) Burgemeester te Lopik.
+Noteboom, (C. J. Q.) te Amsterdam.
+Notten, (F. H. van) te Amsterdam.
+Nouhuijs, (H. J. C. van) te Amsterdam.
+Nout, (F.) Instituteur te Amsterdam.
+
+
+
+Ontijd, (Dr. C. G. R.) te Brummen.
+Ooster, (M. C.) te Amsterdam.
+Otterloo, (W. F. van) Secretaris van Z. K. H. Prins Frederik der
+Nederlanden, te 's Gravenhage.
+Oudermeulen, (E. van) te 's Gravenhage.
+Oudermeulen, (F. van der) te Amsterdam.
+
+
+
+Pabst Rutgers, (van) Wethouder te Hoorn.
+Pallandt van Walfort, (Mevr. Baronesse Douairière van)
+Pallandt van Waardenburg van Neerynen, (H. H. Baron van Aijlva van)
+Lid van de eerste kamer der Staten-Generaal, Opperkamerheer van
+Z. M. de Koning, enz. op den huize Neerynen.
+Panhuijs, (Jonkhr. J. E. van) Commissaris des Konings in de Provincie
+Friesland te Leeuwarden.
+Paris, (G.) Theol. Stud. te Amsterdam.
+Patijn, te 's Gravenhage.
+Poll, (A. v. d.) Chirurgijn te Amsterdam.
+Poll, (Mr. W. van de) Kantonregter te Geldermalsen.
+Post Jr., (C. v. d.) Boekhandelaar te Utrecht.
+Post, (C. G. v. d.) Boekhandelaar te Amsterdam.
+Post Uiterweer, (G.) te Schiedam.
+Prill Morell, (Dr. W. C. de) te Nijmegen.
+Proes, (Ds.) voor het Leesgezelschap Amica Veritas te Leeuwarden.
+Punt, (P.) Watergraafsmeer.
+
+
+
+Quarles van Ufford, (Jonkh. L. I.) Lid van de Prov. Staten van
+Noord-Holl. Wethouder der stad Haarlem, enz.
+
+
+
+Rahusen, (A.) te Amsterdam.
+Ramaer, (E. H.) Ontvanger der Registratie, te Wageningen.
+Rappard, (Jonkhr. F. A. L. van) te 's Gravenhage.
+Remmelink, (J. H.) te Amsterdam.
+Rengers, (Baron Aylva) Kolonel te Bergen op Zoom.
+Revers, (C.) te Utrecht.
+Reynvaan, (A. J.) te Amsterdam.
+Rhemen van Gelder's Toren. (Baron van)
+Rhemen van Rhemenshuizen, (Mr. C. H. Baron van) te Brummen.
+Riboulleau, (J. P.) te Amsterdam.
+Rieke, (J. G. L.) te Amsterdam.
+Rochussen, (W. F.) Jur. Student te Amsterdam.
+Rochussen, (Chs.) te Amsterdam.
+Roëll, (Jonkhr. Mr. H. H.) te Haarlem.
+Rossem, (E. J. van) te Rotterdam.
+Rotta, (Jonkhr. N. de) te Amsterdam.
+Rijnbende, (S. W. M.) te Utrecht.
+
+
+
+Sant, (D. van 't) Instituteur te Gorinchem.
+Schaafsma, (A.) Boekhandelaar te Dokkum. 2 Ex.
+Schaap, (J.) Burgemeester te Krommenie.
+Schade van Westrum, (A. T.) te Schiedam.
+Schalk, (P. C. v. d.) Boekhandelaar te Dordrecht.
+Schierbeek, (R. J.) Boekhandelaar te Groningen.
+Schotsman, (L. H.) Predikant te Papendrecht, voor het Leesgezelschap
+aldaar.
+Schuylenburch van Wisch. (Mevr. Baronnesse Douairière)
+Schuyt, (A. A. W.) te Utrecht.
+Senden, (G. H. van) Predikant op de Leur.
+Sillem, (E.) te Amsterdam.
+Sirtema van Grovestins, (Mevr. Baronesse Douairière) te 's Gravenhage.
+Six, (J. P.) te Amsterdam.
+Sloet van Tautenburg, (Baron) te 's Gravenhage.
+Sluiter, (J. W.) te Rotterdam.
+Sluys, (C. v. d.) te Gouda.
+Sminia, (Jonkhr. Mr. H. B. van) Burgemeester van Tietjerksteradeel,
+te Bergum.
+Smith, (A. G. F.) te Amsterdam.
+Snoeck, (Mevr. de Douairière Jonkhr. M.) 's Hertogenbosch.
+Snoeck, (S. van Reyn) Boekhandelaar te Rotterdam.
+Someren Brand, (J. van) te Amsterdam.
+Someren Greve, (K. van) Steen- en Beeldhouwer te Sneek.
+Spegnler, (F. H.) Burgemeester v. d. Bilt.
+Spree, (I. A.) te Amsterdam.
+Stachelhausen, (Mej. A.) te Amsterdam.
+Steeden, (J. W. C. van) Predikant te Banda.
+Steenbergen, (H. C.) Officier van Gezondh. bij de Marine te
+Helvoetsluis.
+Steineken, (D.) te Amsterdam.
+Stemler, (C. F.) Boekhandelaar te Amsterdam.
+Sterr, (C. van der) aan den Helder.
+Stibolt, (N. C.) te Amsterdam.
+Stockum, (P. W. C. van) te 's Gravenhage.
+Stokbroo van Hoog en Aarswoud, (L.) voor het Leesgezelschap: Varietas
+Delectat.
+Stoppelaar, (Mr. J. H. de) Burgemeester van Veere en Zanddijk binnen,
+Gapinge en de Vrouwe Polder c. a., Advocaat te Veere.
+Stoppelaar, (Mr. G. N. de) Advocaat te Middelburg.
+Storm van 's Gravesande, (N. J.) te Rotterdam.
+Stronck, (W. H.) te Rotterdam.
+Strijen, (C. E. van) Notaris te Wijk bij Duurstede.
+Swalue, (E. B.) Theol. Dr. en Predikant te Amsterdam.
+
+
+
+Taets van Amerongen (Freule L. A.) te Utrecht.
+Taets van Amerongen van Natewisch, (J. Baron) Lid van Gedeputeerde
+Staten van Utrecht.
+Tak, (Adn.) te Middelburg.
+Tienhoven, (G. van) te Werkendam.
+Tilanus, (C.) te 's Gravenhage.
+Tulleken, (Mr. J. B.) op Brakensteyn bij Nijmegen.
+
+
+
+Uitwerf Sterling, (Mw. de Wed.) te Amsterdam.
+Umbgrove, (Mr. W. J. L.) te Zutphen.
+Vas Visser, (D.) Jur. Stud. te Amsterdam.
+Veen, (Mr. J. E. Nuhout van der) Kantonregter te Alkmaar.
+Verbeek, (W. I. L.) voor het Leesgezelschap te Wijk bij Duurstede.
+Verbrugge, (W. J.) te Rotterdam.
+Verdam, (G. J.) Professor te Leyden.
+Verheije van Sonsbeek, (J. C.) te Delft.
+Verkouteren, (A.) te Arnhem.
+Verschuur van Heilo, (Jonkhr. D. C. de dieu fontein) lid van den Raad
+te Alkmaar.
+Villars, (Baron di constant rebecque) bij Wageningen.
+Visser, (J.) te Heeg in Vriesland.
+Vlielander, (A.) Burgemeester te Niemansdorp.
+Vlierboom, (M.) te Rotterdam.
+Vogel, (Mej. G. M.) te Zwalue.
+Vorstman, (J. G.) te 's Gravenhage. 2 Ex.
+Vos, (A.) te Dordrecht.
+Vos Jacobzn., (Jacob de) Lid van den Raad van Bestuur der Koninklijke
+Academie van Beeldende kunsten te Amsterdam.
+Vos, (Mr. C. L. de) President aan de Arrondissements Regtbank te
+Utrecht.
+Vos, (W. de) te Amsterdam.
+Vries, (Dr. M. de) Hoogleeraar te Leyden.
+Vroom, (C.) te Amsterdam.
+
+
+
+Waal, (K. de) te Arnhem.
+Waanders, (J. M. W.) Boekhandelaar te Zwolle.
+Warnsinck, te Amsterdam.
+Wehlburg, (Ths.) Cargadoor te Amsterdam.
+Wehlburg, (A. F.) Essaijeur van Goud en Zilv. te Amsterdam.
+Wesseling, (Johs.) te Amsterdam.
+West, (J. H. van) te Amsterdam.
+Westbroek, (G. H.) Instituteur te Schoonhoven.
+Weijtingh, (J.) Koopman te George d' Elmina.
+Wijtingh en Van der Haart, Boekhandelaars te Amsterdam. 6 Ex.
+Weijerman, (J. W.) te Haarlem.
+Willems, (W.) Boekhandelaar te Amsterdam. 4 Ex.
+Willems, (H. W.) Boekhandelaar te Amsterdam.
+Willink, (H.) te Amsterdam.
+Wind, (S. de) te Middelburg.
+Wolfs, (J. J.) te Amsterdam.
+Wolterbeek, (R. Daniel) te Amsterdam, voor de Leesvereeniging.
+Wolterbeek, (J. G. W.) te Utrecht.
+Wor, (Ds.) voor het Leesgezelschap te Zwolle.
+Wor, (Mej. H. M.) Institutrice te Assen.
+Woude, (v. d.) te Amsterdam.
+Wundt, (Mej. S.) op Standwijk bij Leiden.
+Wijngaarden, (W. J. C. van) te Rijssen.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Voorkomende in den Muzen Almanak van 1821, pag. 149.
+
+[2] Namelijk van Jan VIII die regeerde, toen Heelu schreef; want
+Aernout, broeder van Jan VII, was geen klerk.
+
+[3] De zin is: »die liever zich (genoten) vereenigd hadden, dan den
+Heer van Heusden te vangen.
+
+[4] Die van Heusden namelijk.
+
+[5] De Baly van Utrecht werd opgericht in 1231, tijdens Bisschop
+Otto den Derde; de eerste Landkommandeur aldaar was Antonie van
+Ledersake, een Edelman van Prinshagen, daarom verkeerdelijk ook wel
+Ant. v. Prinshagen genoemd.
+
+[6] Dat het Duitsche Huis ook eene kommandery te Oudewater zou bezeten
+hebben, berust op eene valsche opvatting van Van Rijn, in zijn aant. op
+Van Heussen (Kerkel. Outh. II, 87). De door hem aangevoerde brief
+»beroerende de Heeren van S. Catharynen, en de electie van den Balier"
+behoort by de Ridders van Sint-Jan te huis. Deze bezaten reeds in 1250
+de Balie van Sinte Catheryne te Utrecht, waardoor de Landkommandeur
+den naam van Baljuw van Sint Catheryne droeg.
+
+[7] De Poolsche kronijken maken van dezen Grootmeester een gruwzaam
+en half waanzinnig tyran; de Pruissische daarentegen heeten hem een
+voortreffelijk regent.
+
+[8] Deze Kapel was beroemd om het bezit van een stuk des kruises, door
+een Ridder van het Duitsche Huis, by zijne terugkomst uit Palestina
+aldaar geschonken. De offergaven der bedevaartgangers, die weldra in
+groot aantal derwaart trokken, hadden de Kapel zeer verrijkt, zoodat
+de eerste pastoor der parochiekerk, Joan Attendoren, priester der
+Duitsche Orde, zich reeds in staat zag gesteld, om het oude gebouw te
+doen vervangen door een geheel nieuw, dat omstreeks 1450 werd ingewijd.
+
+[9] De gantsche Priory bestond slechts uit een kloosterwoning met een
+klein kerkgebouw, maar was evenwel door het provinciaal Kapittel der
+orde in 1643 als een volkomen klooster erkend.
+
+[10] By den vrede van Weenen, 1809, was de Orde reeds vormelijk
+opgeheven, en werden hare goederen geschonken aan de verschillende
+Vorsten, binnen wier grenzen zy gelegen waren.
+
+[11] Zijn gebeente, in 1580 in zijn graf gevonden, toonde een man
+van buitengewone grootte aan.
+
+[12] In 1288 heeft hy, die wèl gekozen was en bestuurd heeft, maar
+nooit van 's Pausen wegen bevestigd is, afstand gedaan, tegen een
+jaargeld van 1000 pond Hollandsch, d. i. het pond tegen 75 cts. Een
+pond goed geld stond met onzen gulden gelijk.
+
+[13] Zie Dl. I. blz. 11-17. Magneelen zijn muurbrekers; echter geene
+soort van ram, maar van blyde.
+
+[14] Behalven Gijsbrecht en Arent van Aemstel, welke laatste Heer van
+IJsselsteyn was, wordt hierby ook nog Willem van Aemstel, Proost van
+St. Jan, genoemd.
+
+[15] De geschiedenis der Montfoortsche Burchtgraven, zoo als wy die tot
+hiertoe bezitten, de een door den ander nageschreven, is vol verwarring
+en tegenstrijdigheden, waarvan de ontleding hier niet aan de plaats
+is. Ik hoop er later, afzonderlijk, uitvoeriger op te rug te komen,
+en geef hier voorloopig slechts de slotsom mijner vergelijking van
+de verschillende opgaven.
+
+[16] Sweder van Montfoort liet twee zonen na, Henric en Willem. De
+laatste had drie kinderen: een zoon, Henric de Rover, en twee dochters,
+waarvan de eene in het geslacht van Haestrecht, de andere in dat van
+Winssen huwde.
+
+[17] Ook moeten »alle de gene die binnen Montfoort beseten hebben
+geweest, die uten gesticht ende twaelf jaren out zijn, bloets
+hoefts uitcomen, ende vallen den Bisscop te voeten, ende bidden hem
+vergiffenis."
+
+[18] Dat zijn speerruiters, die gewoonlijk gevolgd werden van nog
+twee gewapenden te voet.
+
+[19] 9000 Gulden volgends onze tegenwoordige munt.
+
+[20] Burchtgraaf Johan was bovendien zeer bevriend met den Utrechtschen
+Burchtgraaf Reynout van Brederode en diens broeder Gijsbrecht, die
+David tot vijanden rekende.--Zie Dl. I, blz. 69-71.
+
+[21] Gemeenlijk ook stalbroeders, en rijzigers, genaamd.
+
+[22] Het aantal dooden en gevangenen te zamen wordt door sommigen
+zelfs tot op 1500 overdreven.
+
+[23] Zie van hem Dl. I, blz. 42-44.
+
+[24] Waarschijnlijk 30 November.
+
+[25] En daarby te gelijk, als men weet, ook Engeland, Keulen en
+Munster.
+
+[26] In de ruime beteekenis van Nederlander.
+
+[27] Zie Dl. I. blz. 49-80.
+
+[28] Zal het misschien een Heer van IJsselborch zijn geweest?
+
+[29] Zie Blz. 61-63.
+
+[30] Maarschalk, niet in de beteekenis van Veldheer, maar van Rechter,
+gelijk staande met Baljuw in Holland.
+
+[31] Met uitzondering van 't reigerbosch in »Aemstellelant," en
+de manschap der beleende goederen in 't algemeen, die de Graaf aan
+zich behield.
+
+[32] De andere Nederlandsche Heeren waren die van Voorn, van der
+Lecke (Aelbrecht en Pieter) van Arckel, van Merode, Otto van Cuyk,
+Daniël van Goor, Robbrecht van Appeltern, Warnaer van Merode, Peter
+van Diest en Walram van Luxemborch.
+
+[33] Heer Gijsbrecht had in 't geheel zeven kinderen, vijf zoons en
+twee dochters gehad. Twee dier zonen, de genoemde Herbarn, en Jan,
+Domproost te Utrecht, waren hem in den dood voorgegaan.
+
+[34] Zy wordt ook Elisabeth, en zelfs Jenne genoemd.
+
+[35] d. i. Aangehuwde bloedverwant; toen gold het b. v. evenzeer voor
+schoonzoon als thands alleen voor schoonbroeder.
+
+[36] Van Catharyne van IJsselsteyn, die mede in dezen tijd leefde,
+is het onzeker of zy eene dochter of wel eene zuster van Heer Aernout
+geweest zij.--Gwyda is, Dl. I. blz. 35, ten onrechte, in navolging
+van anderen, Erfzuster geschreven.
+
+[37] Dl. I. blz. 38.
+
+[38] Gorcum behoorde aan den Grave van Charlois, Karel den Stoute, en
+lag op Hollandsch grondgebied, dat door Otho van Weeren geschonden was.
+
+[39] Zie Dl. I, blz. 41.
+
+[40] Blz. 29, enz.
+
+[41] Zie Prof. van Lenneps boeiende Verhandeling over het belangrijke
+van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding.
+
+[42] Hertog Arnold.
+
+[43] Haasloop Werner.
+
+[44] Henrick Bentynck overleed in 1530.--Margareta was Prioresse
+van het klooster te Sutphen.--Fenne werd Non in het klooster te
+Ysendoorn.--Adolf volgde zijn vader op.--Jan werd Proost van Arnhem,
+en Deken van Deventer.--Anna huwde met Heer Seger van Arnhem; en
+Aleyde met Filips van Varick. Karel overleed in 1536 ongehuwd.
+
+[45] Filips van Lalaing, Grave van Hoogstraten, 's Keizers Stadhouder
+over Gelderland, en na hem zijne opvolgers ook onder het bestuur
+der Staten, hebben er tytel en voordeelen van genoten, tot op de
+omwenteling van 1795.
+
+[46] En niet, zoo als men, zelfs by Gelderschen, geschreven vindt,
+in den voorgevel.
+
+[47] Zie blz. 141.
+
+[48] De zoon en opvolger des konings van Pruissen, Frederik de
+Derde, heeft in 't jaar 1754, alles wat zijn vader by dit verdrag
+in de Provincie Holland toebedeeld was (zijnde de Heerlijkheden der
+Hooge- en Lage Zwaluwe met Klein-Waspik en Twintighoeven, en de
+Heerlijkheden Naaltwijk, Hoenderland, Wateringen, Oranje-polder,
+'s Gravesande en Zand-ambacht, het Huis in den Hage, genaamd het
+Oude-Hof, en het Huis te Hondsholredijk), ten behoeve van den zoon
+en opvolger des Prinsen van Oranje, Prins Willem den Vijfde, voor f
+700,000 verkocht.--Wagenaar.
+
+[49] Engelen.
+
+[50] In een der torens kan men, langs een verborgen ladder, die, meen
+ik, door het wegnemen van een gedeelte van den vloer zichtbaar wordt,
+naar beneden dalen. In de dikke muren vindt men geheime bergplaatsen
+voor goederen.--Schotel.
+
+[51] Gelegen op den rechter Maas-oever, tusschen Gennep en Mook.
+
+[52] Zijn zoon, Guyart van Hoemen, Burchtgraaf van Odenkercke,
+verdroeg zich met Anthony van Borgondiën, Ruwaard van Brabant, over
+de schade die zijn vader in den Gelderschen oorlog geleden had, ten
+opzichte van een mansleen van 200 oude schilden 's jaars, die hy als
+Heer van Ammersode van den Hertog plach te honden.--v. Spaen.
+
+[53] »Also als ons dat van onsen seligen alderen ende vervaeren
+anverstorven ende angekomen is," zegt de Hertog in den brief van
+erfwissel (Nyhoff III, 268). Ik geloof niet, dat deze uitdrukking
+voor iets anders dan een gewoon formulier op te vatten is.
+
+[54] Zie Dl. I, bl. 67.
+
+[55] Zie hiervan bl. 127.
+
+[56] Volgends de huwelijksvoorwaarden van den 13 Juni 1534 kwam hy
+weder in 't bezit der Hooge Heerlijkheid [van Weerdenburch], en werd
+daarmede beleend. Maar na den dood van Hertog Karel, ontstond deswegens
+verschil tusschen de stad Bommel en den Heer van Weerdenburch; en de
+Landschap vonnisde den 29 Juni 1538, dat in Tielreweerd niet meer dan
+twee banken moesten zijn; dat dus de bank van Weerdenburch afgeschaft
+zou worden, maar dat de Heer behouden zal de visscherije, de breuken,
+en alle oude gerechtigheden.--v. Spaen.
+
+[57] Naar deze acte zou de brand in de maand April 1590 hebben
+plaats gehad.
+
+[58] Joris van Arckel liet drie kinderen na: behalven Otto nog twee
+dochters: Anna en Catharyne; de eerste huwde met een Nederlandsch
+krijgsman, Walraven, Baron van Gent, Heer van Dieden en Oyen; de
+tweede met René van Renesse, Heer van Raucourt, Wasnes, Brumorher,
+Hern en Schalckhoven.
+
+[59] Cosmo degli Affaytadi, Baron van Ghistelles in Vlaanderen,
+gesproten uit een aanzienlijk geslacht in 't Hertogdom Milaan. Hy
+was, naar alle vermoeden, een zoon van Carlo d' Affaytadi, een
+Milaneesch Edelman, die in 1545 te Antwerpen woonde, en door koop
+de Baronny Ghistelles verkreeg, die door Koning Karel den Tweede
+tot een Graafschap verheven werd, 21 Januari 1676, ten behoeve van
+Jean François d' Affaytadi, Baron van Ghistelles, Heer van Hilst,
+Lavenacker en Braduc, misschien een kleinzoon van Cosmo.--Te Water.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Merkwaardige Kasteelen in Nederland,
+Deel II (van VI), by J. van Lennep and W. J. Hofdijk
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KASTEELEN IN NEDERLAND, DEEL II ***
+
+***** This file should be named 29369-8.txt or 29369-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/9/3/6/29369/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.