diff options
Diffstat (limited to '29369-8.txt')
| -rw-r--r-- | 29369-8.txt | 7065 |
1 files changed, 7065 insertions, 0 deletions
diff --git a/29369-8.txt b/29369-8.txt new file mode 100644 index 0000000..49fbc50 --- /dev/null +++ b/29369-8.txt @@ -0,0 +1,7065 @@ +The Project Gutenberg EBook of Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel +II (van VI), by J. van Lennep and W. J. Hofdijk + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI) + +Author: J. van Lennep + W. J. Hofdijk + +Release Date: July 10, 2009 [EBook #29369] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KASTEELEN IN NEDERLAND, DEEL II *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + Merkwaardige Kasteelen in Nederland. + + + Door + + Mr. J. van Lennep en W. J. Hofdijk. + + + II. + + + + Amsterdam, G. W. Tielkemeijer. + + 1854. + + + + + + + +HET KASTEEL VAN HEUSDEN. + + +In de ruimte, welke ten noorden door de Maas, ten oosten en ten zuiden +door de Meiery van den Bosch en ten westen door het Land van Altena +omgrensd wordt, liggen ruim tienduizend bunders laag bouwland bevat, +die het hoofdbestaan verschaffen aan een bevolking van nagenoeg 15000 +zielen, over een kleine stad en zeventien dorpen verspreid. Ofschoon +noch die stad, noch de daar om heen gelegen vlas-, hennep-, en +hopvelden den reiziger veel bekoorlijks of merkwaardigs aanbieden, +by den geschiedvorscher en by den dichter wekt de aanblik daarvan +herinneringen op, die niet van belangrijkheid ontbloot zijn, al ware +het maar om de wisselingen, welke de streek ondergaan heeft. Maakt zy +thands een deel uit van de Provincie Noord-Brabant, en onder Napoleon +van het Departement der Monden van den Rijn, in 1801 was zy in tweën +gesplitst en voor de helft by Brabant, voor de wederhelft by Holland +ingedeeld geweest, na vijf d'halve eeuw lang tot dit laatstgenoemde +en vroeger een geruimen tijd tot het eerstgenoemde Gewest behoord te +hebben. Die streek is nog heden ten dage bekend onder den naam van +het Land van Heusden: die stad is Heusden: die dorpen zijn Engelen, +Vlijmen, Honsoirt of Onsenoord, Hedikhuizen, Herpt, Oud-Heusden +en Baardwijk, die van ouds den naam van »bovendorpen," Heesbeen, +Genderen, Doeveren, Drongelen, Eethen, Meeuwen, Babyloniënbroek, +Veen, Wijk en Aalburgh, die den naam van »benedendorpen" dragen. + +Maar had die streek dikwijls in de laatste eeuwen van meester +verwisseld, en, eer zy aan Holland kwam, tot een twistappel gestrekt, +waar hevig om gestreden werd, er had een tijd bestaan toen zy haar +eigen, schier onafhankelijke Heeren had, en wel zoodanigen, die, +ondanks de beperktheid van hun grondgebied, rijk, aanzienlijk en by +hun naburen geducht waren, die zich reeds vroeg door verbintenissen +met machtige Vorsten en Heeren versterkt hadden, zoo dat wederkeerig +de hunne met yver gezocht werd. + +Wat den oorsprong en afkomst dier Heeren betreft, die zijn even +onzeker als die onzer meeste adelijke Huizen en het daaromtrent +vermelde evenzeer met tastbare fabelen doormengd. Buiten twijfel +echter schijnt het, dat het Land van Heusden oorspronkelijk een deel +uitmaakte van het Graafschap Teisterbant, en in vervolg van tijd, +by broederdeeling, onder Cleve kwam, aan welk laatste Graafschap +het tot op het einde der dertiende eeuw leenroerig schijnt geweest +te zijn. Een jongere zoon uit het Teisterbantsche of Kleefsche +Huis, Robbert geheeten, wordt voor den eersten Heer van Heusden +gehouden. Het was voorwaar niet onder gelukkige voorteekenen, dat +deze nieuwe dynastie begon. Nog duurde de eeuw van plondering en +geweld, toen onze nog onbeschermde kusten gedurig bloot stonden aan +de herhaalde invallen dier Noordsche Zeekoningen, die eerlang aan +Nederland, aan Normandyen, aan Engeland, aan Siciliën, zijn vorsten +zouden schenken: en by eenen dier strooptochten was het, dat in 839 +de stad en 't slot, waar Heer Robbert zijn zetel had, door de vreemde +zeeschuimers verwoest werden. Schooner en sterker dan te voren echter, +rezen beiden weder op onder de regeering van Boudewijn, die in 857 +zijn vader Robbert opvolgde. Was het vroegere kasteel niet sterk +genoeg geweest, om aan een onverwachten aanval weêrstand te bieden, +het nieuwer zoû dien beter kunnen verduren; want het paarde nu de +zwaarte en omvang van dubbele wallen en torens aan de sterkte zijner +natuurlijke ligging: terwijl het een natuurlijke verdediging bezat in +de breede Maas, die er voorby stroomde, en in de oude of zoogenaamde +verloren Maas, die er langs kronkelde, om zich hooger op, by Aalburg, +te verliezen. Ook het stichten der Sloten van Poederoyen, van Brakel, +en van Aelst wordt aan Boudewijn van Heusden toegeschreven; waaruit +men zoû moeten opmaken, dat hy, ook elders dan in het eigentlijke +Land van Heusden, Heerlijkheden bezeten heeft. + +Maar vrij wat belangrijker, of liever behagelijker herinneringen, +dan die het bouwen van kasteelen oplevert, biedt ons de legende +met betrekking tot Boudewijn aan. Van hem toch verhaalt zy, hoe hy, +in zijn jeugd met Reinout Grave van Angiers naar Engeland getogen, +den Koning Edmund in den krijg bystond, door zijn dappere daden de +liefde won der schoone Sofia, 's Konings dochter, en deze heimelijk +ontvoerde. Lang treurde de Koning om zijn spruit en zocht vergeefs +den naam van haren roover en het oord, waar zy zich onthield, te +ontdekken. In 't eind gelukte hem dit, en vonden zijn zendelingen haar +te Heusden, aan 't spinnewiel gezeten. Een verzoening had plaats, +en onder de voorwaarden daarvan was er eene, dat Heusden voortaan +een rad van keel als wapen voeren zoû, ter gedachtenis aan het roode +spinnewiel, waarby Sophia teruggevonden was. + +Zoodanig, met eenig gering verschil in byzonderheden by sommigen, +luidt de legende. Nu weet ik vooraf, dat er ongeloovigen zijn, die +haar als geheel fabelachtig zullen verwerpen; die met een glimlach +de schouderen zullen ophalen, en zeggen, dat alle geslachtboomen van +onze oude Hollandsche Huizen reeds in den beginne een verbintenis +aantoonen met het een of ander vorsten-geslacht, de eene nog meer +uit de lucht gegrepen dan de andere: dat er geen Koning van Engeland +onder den naam van Edmund in de dagen van Boudewijn van Heusden +geregeerd heeft, maar wel, achtereenvolgends, Egbert en Ethelwolf, +en dat de geschiedenis van Engeland niets vermeldt van het wegloopen +der dochter van een van beiden met een Ridder uit Neder-Duitschland: +eindelijk, dat er in de negende eeuw nog geen blazoenen bekend waren, +en dat het wiel van Heusden in allen gevalle niets anders is, dan de +acht schepters van Cleve, met een band omringd. + +Al moge ik de beide laatste aanmerkingen gedeeltelijk toegeven, zoo +zie ik in de rest van 't verhaal niets, dat zoo onbepaald verworpen +behoeft te worden. Of is er iets onwaarschijnlijks in, dat Boudewijn, +gedurende het leven zijns vaders, en vooral toen zijn door de Noren +verwoest erfgoed hem weinig aanlokkelijks aanbood, even als zoo vele +andere jonge Edellieden van dien tijd, zijn fortuin heeft zoeken te +maken in een uitheemschen oorlog? En wat dien Koning van Engeland +betreft, wy behoeven hier niet aan een Koning over dat gandsche +Rijk te denken. Op het tijdstip, dat Boudewijn van Heusden Engeland +bezocht zoû hebben, waren er nog maar weinige jaren verloopen, sedert +Koning Egbert de Vorsten der Heptarchy onderworpen had, en enkelen +hunner bleven waarschijnlijk levenslang hun tytel behouden. Onder +die Vorsten treffen wy, omstreeks dien zelfden tijd, een Koning van +Oost-Engeland aan, die den naam van Edmond droeg, van wien gemeld +wordt, dat hy zich door byzondere vroomheid onderscheidde (zoo zelfs, +dat hy heilig werd verklaard) en dat hy sneuvelde in den krijg tegen +de Denen of Noormannen. En waarom nu, vraag ik, zou het ongelooflijk, +waarom niet integendeel zeer aannemelijk zijn, dat onze Boudewijn aan +de zijde diens Konings Edmond gestreden zoû hebben tegen diezelfde +zeeschuimers, die zijn erfslot in puin verwoest hadden?--Waarom +ongelooflijk, dat hy een schoone vorstendochter verleid zoû hebben, +hem over zee te volgen?--Er is nog in 1841 wel een Infante van Spanje +geweest, die zich heeft laten schaken.--En wie door die redenen niet +overtuigd is, die leze de bekoorlijke Romance van Bilderdijk, Het +Wiel van Heusden getyteld [1], en hy zal niet meer willen twijfelen +aan de echtheid van een verhaal, dat de stof tot zulk een meesterstuk +van poëzy heeft opgeleverd. + +In 870 overleed Boudewijn van Heusden en werd, daar zijn oudste zoon, +Edmond, in Engeland by zijn grootvader verbleven en tot grooten staat +geraakt was, opgevolgd door zijn tweeden zoon, Robbert II, die tot +huisvrouw nam des Graven van Zutfen dochter, welke my veel apokryfer +voorkomt dan die Engelsche princes. Robbert streed heel dapper.... in +'t Heilige Land, een anakronismus, aan welken de kronijkschrijvers +zich met betrekking tot al de Edele Heeren uit die dagen schuldig +maken: hy stierf in 914, en liet de Heerlijkheid na aan zijn zoon +Edmond, die getrouwd was met een dochter des Graven van Seyn. 'k Wil +'t liever blind gelooven dan dat ik het zoû gaan onderzoeken. + +Op Edmond volgde in 929 zijn zoon Jan I, wiens huisvrouw al wederom +een Gravedochter was, en wel van dien van Loon; op Jan I die in 956 +overleed, Robert III, die de dochter des Graven van Spanheim tot +vrouwe nam, en in 972 stierf: op dezen, Boudewijn II, met een dochter +des Graven van Gennep getrouwd. + +Hier begint de kronijk een meer historische kleur aan te nemen; +en, even als dit met de meeste oude geslachtnamen het geval is, +zien wy allengskens de Gravedochters door eenvoudige Jonkvrouwen +afgewisseld. Zoo trouwt Jan II, die in 1028 aan de regeering kwam, met +Machtelt van Steenvoorde, en Robbert IV, die hem in 1073 opvolgde, +met een dochter uit den Huize van Arkel. Boudewijn III, die in +1092 Heer werd, kreeg tot echtgenote een dochter des Graven van der +Lippe. Hy stierf in 1100, en liet de Heerlijkheid aan zijn zoon Jan +III, met een Jonkvrouwe van Arentsbergh gehuwd. Na Jan III kwam in +1135, zijn zoon Willem, die, in 1153 overleden, Heusden naliet aan +zijn broeder Aernout. Deze verwekte by een dochter des Graven van +Salm Jan IV, die hem in 1168 opvolgde. Een tweede zoon van Aernout, +Boudewijn Knijf geheeten, was de stamvader der Heeren van Heeswijk, +en voerde twee raderen van keel op een half sabel half gouden schild. + +Op Jan IV volgde in 1192 Robbert V, uit wiens broeder Wouter, bygenaamd +Spiering, het geslacht der Spieringen sproot, die een gouden rad in +een veld van sabel voerden. Robbert stierf in 1202: hy had by zijn +Huisvrouw, een dochter des heeren van Diest, verwekt Jan V, die, +tochtgenoot van Graaf Willem van Holland, twee malen het Heilige Land +bezocht. Van zijn broeder Willem sproot het geslacht der Hedikhuysens, +die een gouden rad op lazuur voerden. + +Jan VI, zoon van Jan V en van de dochter des Graven van Vernenburgh, +volgde in 1235 zijn vader op; hy zelf verkreeg de hand eener Gravinne +van Loon, zuster van dien Graaf van Loon, wiens huwelijk met Ada van +Holland zoo veel rampen verwekte. Zijn broeder, die mede den naam +droeg van Jan, wordt gezegd de eerste Heer van Veen geweest te zijn. + +Meer dan van Jan VI, die in 1279 overleed, valt van zijn zoon Jan +VII, te vermelden. Nog naauwelijks was hy aan de regeering gekomen, +of hy vond zich in krijg gewikkeld met een machtigen nabuur. Deze +was Hertog Jan I van Brabant, die, te recht of te onrecht, zich +beklaagde over geweldenarijen, door die van Heusden tegen ingezetenen +der Meiery gepleegd, en zijn Drossaart met krijgsbenden afzond om +Heusden in te sluiten. De bezetting, 't ergste duchtende, gaf zich +over, en de Hertog, eerlang de stad binnengetrokken, liet er zich tot +Heer huldigen: zoo dat Jan VII, wilde hy anders in 't bezit zijner +Heerlijkheid blijven, zich genoodzaakt zag, daarvan hulde te doen aan +Brabant, en den Hertog als zijn Leenheer te erkennen. Hierby bleef +het niet; toen kort daarna die geweldige oorlog om 't bezit van +Limburg uitbarstte tusschen Reinout van Gelre en Jan van Brabant, +toen volgde Jan van Heusden zijn nieuwen Leenheer in den strijd; +en met hem togen zijn broeders, Aernout van der Sluyse, die het rad +van zilver voerde op het veld van keel, Jan, Heer van Heesbeen, +die het rad van goud droeg op een veld van keel, en Diederik, de +eenige van zijn geslacht, die niet uit den krijg terug zoû keeren: +voorts zijn zonen, Jan, die later zijn opvolger werd, en Aernout, +die, ofschoon tot den geestelijken stand behoorende, geen zijner +ridderlijken stamgenooten in heldenmoed week. Het was by de banier +van Jan van Kuik, dat zy de hunne opstaken, en onder de aanvoering +van dien wakkeren krijgsman, dat zy in 't jaar 1286 den tocht begonnen. + + +Te Senne + +(d. i. Sennewyne, in de Thielerwaard) verhaalt Jan van Heelu in +zijn heldendicht, + + + Te Senne, daer vergadert lagen + Des Graven (van Gelre) lieden te dier tide, + Daer socht se coenlike met stride + Heer Jan van Cuyck met sine gesellen, + Daer men wonder af mach tellen. + Soe eerlike ende soe scone + Waegden syt. Daer was de heere + Van Hoesdinne (Heusden) met ende her Jan + Van Hesbinne (Heesbeen) een vromich man, + Ende van der Sluys her Arnout, + Een coene ridder ende een stout + Ende van Hoesdinne her Dideric. + + +Hevig was de strijd. + + + Ende menegen helm mogt men scouwen, + Seere gescoort ende dorhouwen + Eer die sege gewonnen wart. + + +Ja in den aanvang scheen de kans ongunstig voor den Heer van Kuik te +loopen, toen hem Jan uten Hove met zijn Bredasche krijgsknechten ter +hulpe kwam. Otto van Bueren en Allart van Driel, die de Gelderschen +aanvoerden, werden gevangen, en Tiel, waarop zy 't gemunt hadden, +voor Brabant bewaard. Dan dit gevecht, hoe veel het ook tot den roem +der overwinnaars bybracht, was maar een voorspel van den gewichtigen +veldslag, waaraan zy later zouden deel nemen. Het was op den 5en July +1288, dat by Woeringen dat hevig samentreffen plaats had tusschen de +legers van den Aartsbisschop van Keulen, den Graaf van Luxemburg en +dien van Gelre ter eener, en die van den Hertog van Brabant en zijn +bondgenooten aan den anderen kant. Reeds zoo menigmalen is die slag +beschreven, dat het noodeloos kan geächt worden die beschrijving hier +te herhalen: alleen moet hier medegedeeld worden, in hoeverre Heusden +en de zijnen aandeel hadden in den zege, door Brabant behaald. De +eerste aanval, door den Aartsbisschop gedaan op den linker vleugel, +die door Graaf Adolf van den Bergh werd aangevoerd, had dezen doen +wijken. Toen was het, dat Kuik, met Arkel en Heusden, de orde hielp +herstellen, en den vyand een wijl tot staan bracht. Luxemburg, die mede +toegeschoten was, wordt teruggedrongen; doch Bernard van Halloy, tot +zijn hulp gekomen, doet voor een wijl de kans wederom keeren. Het was +nu, dat drie wakkere helden een nieuwen uitval tegen de Luxemburgers +waagden; zy waren de Heer van Frambach, die van Ysele, en + + + Des heren broeder [2] van Hoesdinne, + Arnout hiet hi ende was clerck, + Maer ridderlike was syn werc. + Van groote persse ende meswinde (tegenspoed) + Leet hi: daer bleef ooc een inde + Van sinen nase, dat hi vercochte + Eerlike daer hi den stryt sochte. + + +Doch niet alleen had Aernout van Heusden zijn neus in den strijd +verkocht, of, als wy nu zouden zeggen, verspeeld, zijn vader was +in erger gevaar, ja een wijl in 's vyands handen geweest: men hoore +slechts: + + + Hier noemic nu eenen van de besten, + Die in des hertoghen side + Met banieren was ten stride. + Dat was van Kuc her Jan + Die in den stryt, doe men began, + Comen was in grooten noot. + Met hem waren in syn convoot + Twee baenroetse, twee vromige man, + Beide her Jan ende her Jan + Van Ercle (Arkel) ende van Hoesdinne + Die beide in dien beghinne + Waeren ooc in selke pine + Comen, dat si in scine + Waender mede ondergaen + Dat eerlyc wert wederstaen; + Want het wederbrachte (hy herstelde dit) + Met grooter daden die hi wrachte + Van Kuc die vrome ridder alsoe, + Wert, inder viande side, + Doe die here van Kuc met stride + Overhant dus weder nam + Maer eert alsoe vere quam + Dat hi die plaetse weder wan + Was bleven gevaen her Jan + Van Hoesdinne, die stoute heere + Die hem weerde alsoe seere + Als ridderen mochte doen, met stride + Maer noch doen te dien tide + Reden met so sterken roten + Die gene die gerne hadden genoten + Maselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders) + Dan si vingen [3]; maer sine baniere [4] + Bleef gehouden in den tas + Ontploken; met gheninde, + Eerlyc ende wale toten inde: + Want daer waren bi bleven + Vromighe ridderen sinen neven, + Dese hilden met gewout + Van der Sclues her Arnout + Dire vroomster ridder een + Van den conroete, dat wale sceen + Aen groote dade, die hi dede: + Maer daer was syn neve mede + Her Diederic van Hoesdinne + Die men te Ceulen inne + Vueren moeste, na den stryt, + Daer hi sterf in corten tijt. + Want hem coste syn leven + Vromicheit, die hy gedreven + Hadde in den stryt, met groeten daden. + Die siele moet varen te genaden + Soo dat si hemelrike vercrighe! + + +Hoe en door wie Heusden weder uit de handen der Maaslanders geraakte, +wordt niet gemeld; doch by de volkomen nederlaag, die Gelre en +zijn bondgenooten leden, mogen wy hoogst waarschijnlijk aannemen, +dat hy reeds voor het einde van den slag weder aan de zijnen was +teruggegeven.--De opgevolgde vrede tusschen de twistende partyen deed +Heusden eerlang weder huiswaart keeren. + +Niet weinig had de oorlog, dien zijne naburen tegen elkander voerden, +gestrekt om de macht van den wakkeren Floris V, die toen in Holland de +gravekroon droeg, te bevestigen. Niet alleen was hy door Hertog Jan, +die zijn bondgenootschap zocht, van alle leenhulde voor Zuid-Holland +ontheven; maar hy had zich, terwijl het krijgstooneel op een verwijderd +grondgebied was overgebracht, in staat gezien, zijn onrustige Edelen te +fnuiken, de erfgoederen van de meesten hunner in leen te verkeeren, de +Westfriezen te tuchtigen, landbouw en handel in zijn Graafschap te doen +bloeien. Wel zag hy zich eerlang in twist gewikkeld met de Zeeuwsche +Edelen, en dien ten gevolge met den Graaf van Vlaanderen; doch twee +malen werd een zoen getroffen, de eerste reis, door bemiddeling van +Hertog Jan, de tweede reis, in 1295, toen deze brave Vorst overleden +was, door die van Jan van Kuik. + +Het was te dezer gelegenheid, dat Jan van Heusden, 't zij gewillig, +'t zij door dwang, zijn stad aan Floris opdroeg en weder van hem in +leen ontfing. Hoe hy dit kon rijmen met de vroegere opdracht, aan +Brabant gedaan, en of die opdracht al dan niet met toestemming van +den nieuwen Hertog Jan II geschiedde, zie daar, wat we niet kunnen +beslissen. Zeker is het, dat Graaf Floris zijn aanspraak op den tytel +van Leenheer niet bloot uit die opdracht ontleende, maar uit een gift, +hem door Diederik, Grave van Kleef, in 1290 gedaan. Immers volgends +de oude overlevering berustte, als wy gezien hebben, het leenrecht +by dezen. Intusschen, de verknochtheid van Heusden aan zijn nieuwen +Leenheer was niet van langen duur. Reeds toen smeulde, onder schijn +van trouw en dienstbetoon, by een aantal Hollandsche Edelen hevige +verbittering tegen den Graaf, die hen van zoo vele voorrechten had +beroofd. Die verbittering werd in 't geheim gevoed door Koning Eduard +van Engeland, wiens ongenoegen was opgewekt door de naauwe verbintenis, +door Floris met Frankrijk aangegaan. Tot werktuig bediende zich de +Koning van Jan van Kuik, die meer dan eens in Engeland geweest was, +en zijn vol vertrouwen genoot. Kuik had zich mede genoodzaakt gezien, +zijn slot te Tongelare als leen aan Floris op te dragen, en hem dat +van ter Horst in vollen eigendom af te staan; en zoo wel hieruit, +als uit de geschenken, welke hy van Eduard ontfing, laat zich zijn +vijandelijke handelwijze jegends den Graaf verklaren. Heusden, +aan wiens zoon Jan hy zijn dochter ten vrouwe geschonken had, was +van ouds zijn vriend en wapenbroeder, en liet zich, vermoedelijk +door hem, overhalen om aan een geheim verbond tegen Floris deel te +nemen. Vroegere schrijvers hebben de reden van Heusdens toetreding tot +het verbond toegeschreven aan zijn verbolgenheid, omdat de Graaf de +eer zijner dochter zoû hebben geschonden. Latere nasporingen hebben +echter bewezen, dat de overlevering op dat punt wel niet op zoo +valsche en logenachtige gronden als die betreffende + + + + 't Schandelyck omhelzen, + Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;-- + + + +maar toch evenzeer uit een dwaling is gesproten. De schoone Agneta, +voor welke Floris in liefde ontstak, en die hem en 't Vaderland den +edelen Witte van Holland schonk, was wel een telg uit het Huis van +Heusden, maar geen dochter van Heer Jan. Haar vader was die Aernout +van der Sluyse, van wiens heldendaden voor Woeringen wy vroeger hebben +gewach gemaakt, doch wiens naam ons verder in de geschiedenis niet +is voorgekomen: en schier alle getuigenissen vereenigen zich, om in +Witte geen spruit van bastaardy, maar een zoon uit wettigen echt te +erkennen. De geslachtlijst der Elshouten--mede een stam der Heusdens, +als wy later zullen zien--vermeldt met ronde woorden, dat Agneta den +Graaf huwde: haar zoon voerde van den aanvang af en overal den naam +van Witte van Holland, en, wat meer zegt, den leeuw van Holland, +gebroken met het rad van van der Sluyse, doch zonder eenig filet of +ander teeken van bastaardy: iets dat hy zich niet zoû hebben durven +onderstaan, zonder zich aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig +te maken, indien zijn geboorte onwettig ware geweest. Wat echter +van de betrekking tusschen Floris en Agneta zij, genoeg, dat zy de +aanleiding niet geweest kan zijn om Heusden in het eed-verbond tegen +den Graaf te doen treden. + +Onder de diensten, welke Eduard van de Hollandsche Edelen verwachtte, +was voornamelijk begrepen het verydelen van het bondgenootschap +tusschen Frankrijk en Holland, en hiertoe deed zich geen beter middel +aan de hand, dan den Graaf op te lichten en naar Engeland te zenden, +terwijl hem dan zijn zoon als vasal van Eduard, zou opvolgen. De +afspraak tot het plegen dier schanddaad geschiedde te Bergen-op-Zoom, +op een byeenkomst, waartoe Velzen, Woerden, Heusden en anderen +door Kuik genoodigd waren. Hier verzekerde hy de wankelmoedigen +van den bystand des Konings van Engeland niet alleen, maar ook van +die van Hertog Jan II en van Graaf Gwy van Vlaanderen, terwijl hy +hen waarborgde, dat zy niets van de zijde van 's Graven zoon, Jan, +die zich in Engeland bevond, te vreezen hadden. Een schriftelijk +verbond tot verderf van Floris werd thands bezegeld, en later te +Kamerijk het plan nader overwogen en vastgesteld. Kuik wilde nog zijn +snood verraad met den schijn van kordaatheid bestempelen, en zond +aan Floris een ontzegbrief: of Heusden dit voorbeeld gevolgd heeft, +vinden wy niet gemeld: by de gevangenneming en moord des Graven was +hy niet tegenwoordig: intusschen schijnt het vrij zeker, ofschoon de +kronijkschrijvers het niet bepaald vermelden, dat ook hy ten lande +heeft moeten uitwijken, toen de wrekende hand der gerechtigheid de +moordenaars vervolgde. Nog beleefde hy 't, dat Holland aan 't Huis +van Henegouwen verviel, en overleed in den jare 1303. Twee malen was +hy gehuwd geweest: de eerste reis met Aleid, 's Graven dochter van +Wybestein, die hem Jan, zijn opvolger gebaard had, en Jan, eersten +heer van Drongelen, die een zilveren rad op lazuur voerde: de tweede +reis met Ermgard van Wickeloo, die hem mede een zoon schonk, insgelijks +Jan geheeten, en die de stamvader werd van het geslacht van Elshout. + + + +Wat Jan VIII betreft, van hem is het zeker, dat hy met Kuik, zijn +schoonvader, naar Engeland week en aldaar een geruimen tijd ten dienste +van Eduard de wapens tegen Frankrijk voerde. Wy vinden ook, dat hem, +voor de diensten aan Engeland bewezen, door Hertog Jan van Brabant, +twee duizend pond Tornoois en een rente van honderd pond Brabantsch +werden toegezegd. Jaren verliepen er, eer Heusden van zijns vaders +erfgoed bezit kwam nemen: en niet lang had hy er genot van, daar hy +reeds in 1318 overleed, by zijn tweede gemalin Sofia, van Kranendonk, +een zoon nalatende, die hem opvolgde als Jan IX. + +Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering +te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar +1318, waarin Jan, Heer van Saffenbergh, en zijn vrouw Sofia, die +uit het huwelijk van Jan VIII met Margaretha van Kuik geboren was, +als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach over +Heusden aanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, dat Jan IX, +wiens huwelijk met Cunigunda van Arkel door geen kinderen gezegend +werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus +maar zaak was, zich by voorraad in 't bezit daarvan te stellen. 't +Kan echter ook zijn, dat Jan IX zwak van geestvermogens was, en +buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van +hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in +'t Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van +zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by het letten op tijden en +omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten +moet. Jan IX stierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van +Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier van +Heusdens torentrans hadden laten waaien. + +Sofia van Sassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht +de Heerlijkheid aan Hertog Jan III van Brabant op te dragen, in de +hoop van er wederkeerig 't verlij van te bekomen; doch de Hertog, +die liever de vrije beschikking over Heusden aan zich behouden wilde, +sloeg 't haar af; waarop zy aan den Graaf van Holland, Willem den +Goede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot +daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker +een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den +Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd door Jan van +Elshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan de Heusdens was +vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees +hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden, +en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy +met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen +vredebreuk met Brabant, onderwierp Graaf Willem de zaak aan de +beslissing van den Graaf van Gulik, die ten voordeele van den Hertog +uitspraak deed: waarop deze de stad en 't land van Heusden in leen +gaf aan den Graaf van Kleef. Wel berustte Sassenbergh niet in deze +schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel +hy in Brabant, en plunderde en verbrandde Turnhout; maar hy begreep +toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen +zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd +gouden realen, waar de stad 's Hertogenbosch borg voor bleef. + +Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die op Heusden +aanspraak maakte. Deze was Jan van Drongelen, die, oom van Jan IX, +en, in geval Heusden niet als een spilleleen beschouwd kon worden, +het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde +hy zich tot Willem van Holland, om door dezen in zijn aanspraak +gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, en Drongelen stierf, +eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het +niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten. + +Hertog Jan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe +aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken +en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed +hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen +toren rijzen, die--langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een +diepe gracht, welke de geheele vest omgaf--gemeenschap had met het +ruim betimmerde nederhof, 't welk niet alleen geschikte woningen voor +de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten, +en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware +ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige +binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder +vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan +de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam, +verstrekte tot gevangenis. + +Het was echter eerst onder de regeering van 's Hertogen dochter +en opvolgster Johanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel +voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed, +dat Brabant er tot driemaal toe voor geschat werd. + +Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker +de plaats--hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder, +dat die van Holland haar niet dan met leede oogen in de macht des +Hertogs bleven zien. Willem III, hoezeer hy van den Graaf van Kleef +diens rechten op Heusden had afgekocht, had zijn aanspraken na den +gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten +alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven. Willem +van Drongelen, even als zijn vader Jan hakende naar 't bezit van +wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den +wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen +hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren +niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaands Willem van Drongelen +en zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had +er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone +hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch +die gekocht werd met het bloed van Robbert van Drongelen, den oudsten +zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord. + +De staat van zaken was echter met betrekking tot Heusden de zelfde +gebleven, toen in 1355 Jan III overleed, en zijn dochter Johanna, gade +van Wenceslaus van Luxemburg hem in 't Hertogdom opvolgde. Naauwlijks +echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf +van Vlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem +wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor +hy, tien jaren te voren, zijn recht op Mechelen aan Hertog Jan III +had afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle +onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg +begon: de Vlamingen rukten, terwijl Wenceslaus te Maastricht zijn tijd +in werkeloosheid doorbracht, Brabant binnen, vermeesterden Brussel, +Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachten Wenceslaus op den +rand des verderfs. De moed van Evert 'Tserclaes, die Brussel weêr +verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheel Brabant +onder 't gezach van Wenceslaus terug. Niet te min bleef de Graaf van +Vlaanderen den krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen, +het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van +Graaf Willem V van Holland te onderwerpen. Met blijdschap nam deze +het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in +elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn +uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel by varen zoû. Hy begon daarom +met aan Wenceslaus den afstand van Heusden als voorwaarde te stellen, +zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd +toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede, +welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die van Brabant +was, hy wees echter Wenceslaus Mechelen toe, tegen allen schijn van +billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren +zeggen tot den Hertog: »Heusden mijn, Mechelen dijn;" woorden die +van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als: +»de eene dienst is de andere waard." + +Nu was Heusden met Holland vereenigd; maar ook Willem van Drongelen +moest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de +gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy +liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den +zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen +bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom +van Heusden voor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren van +Drongelen de Heerlijkheid van Eethen en Meeuwen tot een Hollandsch +erfleen, en stelde Jan van Drongelen tot Baljuw van Zuid-Holland +aan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot +en Heerlijkheid van Heusden voor eeuwig afstand deden ten zijnen +behoeve. Wat zouden de Drongelens doen? Zy onderwierpen zich aan wat +zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel het wijste. + +Nu dacht Graaf Willem de rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd +te hebben!--en echter, geen drie jaren waren er verloopen, of +Heusden moest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het +deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg +ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid. Willem +V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder, +Hertog Aelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de +bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen +geschonken. Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die +vernedering getroost. Heemskerk riep Kennemerland in de wapens, +Delft stond openlijk tegen den Ruwaard op, en Floris van Borselen +bracht Zeeland in rep en roer. + +Laatstgenoemde Edelman was door Willem V tot Burggraaf van Heusden +aangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des +Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy +door Hertog Aelbrecht belegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over +te geven. Maar kort was de rust, welke Heusden genoot. Toen in 't +zelfde jaar Delft zich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige +Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronder +Gijsbert van Nyenrode en Jan Kervena genoemd worden, de wijk naar +Heusden en verschansten zich op 't slot. Op nieuw werd dit belegerd; +doch zoo hardnekkig was de verdediging, dat Nyenrode en de zijnen +het een rond jaar tegen de macht van Aelbrecht uithielden. Toen +werd er, door bemiddeling van Otto van Arkel een zoen getroffen, +en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen +twee jaren naar Jeruzalem in bedevaart te gaan. + +Na 't vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang +over Heusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten, +door Aelbrecht of door zijn opvolger Willem van Beyeren aan de stad +geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein +aangestelden Willem van Kroonenburg gedaan. By het uitbarsten van +den twist tusschen Hertog Jan van Beyeren en Gravin Jakoba, hield +Heusden de zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt, +door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in 't volgend jaar +verscheen Jakoba met haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor +een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd +lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers van Heusden +stof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar +gevangenschap op Teylingen worden opgedischt; namelijk, dat zy gewoon +was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben, +over 't hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later +het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs door Wagenaar en andere +deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig +gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat +my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling, +althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het +vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen. + +In 1446 werden de President of Stadhouder van Holland, Gozewijn de +Wilde, en Filip Banjaart, Kastelein van het slot te Medemblik, die +elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, te Heusden +gevangen gezet. De eerste werd naderhand te Loevestein onthoofd, +en de andere vrijgelaten. + +Sedert Filips van Bourgondiën de Hertogskroon van Brabant en de +Gravenkroon van Holland tevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan, +of Heusden hem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van +tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid +zulks geschiedde. Immers, toen Graaf Jan van Nassau, Heer van Breda, +na 't overlijden van Dirk van Merwede door Filips tot kastelein van +Heusden werd aangesteld, brachten die van Holland bezwaren daartegen +in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart van Brabant was, en die +aanstelling schijnbaar te kennen gaf, dat Heusden gerekend werd onder +Brabant te behooren. Filips begreep zich echter aan die bezwaren niet +te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die +van Heusden te kennen, dat zy Grave Jan zouden hebben te gehoorzamen, +zonder daaruit af te leiden dat zy meer aan Brabant dan aan Holland +verbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de +plaats behoorde, geheel in 't midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo +hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten van Brabant +voortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten +lieten zweeren, dat zy Heusden weder aan Brabant zouden hechten, +lieten die van Holland hen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy +het nooit van Holland zouden scheiden. + +In den Gelderschen oorlog, die in 't jaar 1497 begon, had het platte +land rondom Heusden veel van de Gelderschen onder den Overste Boudewijn +te lijden; doch die van Heusden versloegen hen tusschen Herp en +Hedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter +getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren. Boudewijn zelf +sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven, +ter plaatse, die sedert den naam van Boukens-kerkhof droeg. Men wil, +dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze +in zwang bleef: »'t Spookt als Boukens geest." + +Het was ook te Heusden, dat, op den 4en July 1524, een stilstand +van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en +vijftien jaar later had de stad het voorrecht, Keizer Karel V binnen +haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn +vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor +de poort, en wel geen ander dan de gevreesde Maarten van Rossum, +die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen +voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok. + +Geen jaar meer duurde het echter, of al de Nederlanden waren onder +Keizer Karel gebracht, en mochten zich een geruimen tijd in 't +genot eener zoete rust verheugen. Op den 24en September 1549 was het +wederom feest op het hooge slot te Heusden: de pektonnen brandden op de +burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken +van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en +blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, Prins Filips, des +Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een +bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der +stad aanbood was Jonker Gerard Spieringh van Wel, uit het geslacht +van Heusden gesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd +aan Jonker Wynand Maschareel. + +Toen Alva in de Nederlanden kwam, en alle vaste plaatsen door zijne +troepen in bedwang werden gehouden, ontfing Heusden een bezetting +Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onder Nicolao +de Basto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den +noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf +was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de +trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen +drie burgers, Geraert Geraertsen van Ghesel, Jan Bruer en Huybert +Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567 +buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken +ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige +gasten ontslagen; maar op den 17en January 1569 bekwamen zy Francisco +Vargas met een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks +vrij onbehoorlijk huis hielden. + +De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging, +door de anti-Spaansche party aangewend, om Heusden te verrassen. Op +een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok de Hopman +Waerdenburgh met Joost Hoeck (een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk +de stad binnen: waarop de Drossaert Spieringh, bygenaamd Quaedtael, +met eenige arbeidslieden op 't kasteel weken. Hier werd hy door +Waardenburg belegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk +uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende +lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte, +ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar +ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk +en 't Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt +volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad +week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te +overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich +genoodzaakt, Heusden weder te verlaten, op de aankomst van Jan Hol, +opperste Ritmeester des Hertogen van Holstein, die op 16 September +met troepen uit 's Hertogenbosch was afgezonden. Hoewel als vriend te +Heusden ontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde +de stad; terwijl ettelijken van Waerdenburghs volk door de zijnen +achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog van +Holstein zelf binnen Heusden, ontfing de inwoners in genade, en nam +hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend +Duitsche en Waalsche bezetting bleef. + +Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is +opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons +apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, door Oranje, Graaf +Lodewijk en anderen aangewend, om de Nederlanden van Alvaas juk +te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden--te +lande namelijk--niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier +betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een +binnenstad als Heusden zou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben +kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en +in verband gestaan hebben met den inval, door Hoogstraten en Kuilenburg +in Gelderland beproefd:--of later, na 1572: welk laatste men schier +zoude aannemen, omdat Spieringh van Wel, genaamd Quaedtael, eerst in +1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft +het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en +archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt. + +Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, 't welk +wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoe Joost Hoeck en de +Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by 't +beleg van Bommeneede; doch, by 't innemen der stad door de Spaanschen +op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om 't leven +werden gebracht. + +Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht van Heusden, +dat Walcheren zijn bevrijding van 't Spaansche juk te danken had, +en wel aan Jan van Kuik, Heer van Herp, die in 1571 Vlissingen tot +'s Prinsen zijde deed overslaan; voor welke kloeke daad hy later met +de Heerlijkheid Domburg beleend werd. + +Eerst in 1577 werd Heusden, ten gevolge der Pacifikatie van +Gent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de +Kastelein-Drossaart en de Schout naar Brabant metter woon, en werd +in de plaats van eerstgemelde aangesteld Jonker Johan Bax, een +der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze +militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid +verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toen Parma, na 't innemen +van Maastricht, Valdez afzond om Heusden te verrassen. Reeds had +hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen, +door Bax gedaan, om het omliggende land onder water te zetten, +werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen er gelukkig een +stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed, +zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te +doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen. + +Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam, +bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en +werd de Hervormde leer alleen op 't kasteel gepredikt. In 't jaar +1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naar Heusden +geweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst +uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd. + +In 1588 leed Heusden wederom last; doch deze reis niet van een vyand +van buiten. Leycester had de stad met een zware bezetting voorzien, +onder bevel van Christoffel van Ysselstein. De wanbetaling der +soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan +'t muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet, +en Ysselstein zelf op 't kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31 +January tot 23 Maart, toen het Nikolaas Blanckaert, die in 1584 aan +Bax als Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den Burgemeester Dierck +Hamel Diercksz gelukte, de rust te herstellen. + +Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnen Heusden lag, onthield +zich de Drossaart niet langer op 't kasteel, maar liet, waarschijnlijk +om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over +aan den Kommandant. Karel van Levin, Heer van Famars, had Ysselstein +als zoodanig vervangen, toen Graaf Karel van Mansveld zich in 1589 aan +'t hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in +'s Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak, +en Famars drong by Prins Maurits aan op versterking. Deze voldeed +gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver van Hedikhuizen, +eenige benden over de Maas voeren; maar nu kwam het er nog op aan, +hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand +was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens +in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen +te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig +gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag +bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar +naam het aandenken van dezen strijd, en heet de Spanjaartsslag. Vijf +maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot +verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen te Doeveren, +Elshout en Hemert alle door den vyand bemachtigd waren; doch toen +kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp, +zoodat de troepen van Mansveld zich niet alleen gedwongen zagen +van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te +breken. De schansen, door hen bezet, werden in 't volgende jaar door +Maurits ingenomen. + +Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20en Oktober 1603 te +Heusden voor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden +krijgsoverste Olivier van den Tempel, Heer van Corbecke, die voor +'s Hertogenbosch door een kanonschot van 't leven was beroofd +geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk +ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door +Prins Maurits, Grave Willem van Nassau, den Vorst van Anholt, en een +aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren. + +Op den 6en September 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke +al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623 +zond de Landvoogdes Izabella heimelijk zekeren Priester, Michiel +van Ophoven genaamd, Prior der Preekheeren te Antwerpen, tot Willem +Adriaan van Hoorne, Heer van Kessel, destijds Gouverneur der stad, +met belofte, dat, indien hy Heusden in hare handen leverde, zy hem +den tytel van Graaf van Hoorne, de ridderorde van 't Gulden Vlies, +en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen +tot hoogen rang verheffen. Kessel, dit voorstel gehoord hebbende, +wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten +des Konings van Spanje geen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den +Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan +ook Ophoven naar den Hage gezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op +de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later +Bisschop van 's Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering +dier stad door Frederik Hendrik. + +Gedurende het beleg van Breda door Spinola, in de jaren 1624 en +1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit +vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die van Haarlem en aan +eenige Hagenaars het lot te beurt, in Heusden gelegerd te worden. Deze +bezettelingen waren aangevoerd door Jan Klaasz. Loo, Burgemeester van +Haarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stad +Heusden, in 't koper gebracht door den beroemden Matham. + +Gedurende het beleg van 's Hertogenbosch, in den jare 1629, werden +nogmaals te Heusden twee voor die stad gevallen krijgshelden begraven: +de een was de Ritmeester Nikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren +den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden van +Overyssel voor den Prins van Oranje, en het Voorzitterschap van den +krijgsraad bekleed had. Zijn lichaam, geleid door den Vorst van Nassau, +de Graven Ernst en Willem van Nassau, en andere Legerhoofden, werd +in Mei van genoemd jaar in 't zelfde graf gelegd, waarin Olivier van +den Tempel begraven was.--De andere was de Kolonel Louis de Levin, +Heer van Famars, zoon van den reeds genoemden Charles de Levin, +en broeder van Filips de Levin, die beiden Gouverneurs van Heusden +waren geweest. Onder 't doen eener ronde in den rug door een kogel +getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot +buiten het leger vergezelschapt door den Prins van Oranje, den Koning +van Bohemen, en de meeste krijgsoversten. + +Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige +pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks +van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634-35, +en de derde reis in 1664. + +In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch +werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het +kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot +gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing, +die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven, +geheel vruchteloos bleef. + +Het verdient opmerking, dat Heusden, nadat het Staatsch geworden +was, noch in den oorlog tegen Spanje, noch in dien tegen Frankrijk +gevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en +zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den +vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos +afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de +algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondom Heusden +gelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren +Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die +een toeleg op Heusden in den zin had, in 't dorp Baartwyk gekomen, +dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen +huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennen gevende, dat zy +onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede +zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy over Oud-Heusden +wellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter, +'t zij uit misverstand, 't zij met opzet, wees hun den weg aan door de +Baartwyksche steeg op het dorp Doeveren, waar mede een schans lag, toen +geslecht, en zoo tot Heesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters +naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen, Heusden in naam des +Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun +dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was, +om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de +valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte +in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver: +het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg +mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de +aandacht der Staten op Heusden vestigen, en werd het Gouverneurschap +over die stad, 't welk sedert 1663 door den Heer van Schagen, by +wijze van sinecure, bekleed was geworden, aan den Veldmaarschalk +Paulus Würtz opgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef. + +Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar, Jan Beens +genaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een +vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit, +toen hy, te Heesbeen gekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen +willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naar Genderen +brengen moest; doch in de zoogenaamde Groensteeg gekomen, reed hem +een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde, +dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echter Jan +Beens niet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter +verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die op +Jan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar, +zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiter aanlegde, +hem van 't paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met +paard en rusting, tot aller verwondering, binnen Heusden voerde. + +De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats, +hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen +aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van +de rampen van den krijg. + +Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat +op den 24en July des jaars 1680 boven Heusden losbarstte, wanneer +de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het +buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in +vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels, +van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag +uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien +schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot +zes dooden, jammerlijk omgekomen onder 't puin hunner verbrijzelde +woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch +meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden 't leven. Het jammer, de +schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent +het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De +plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen +kolk, vol zwart water, 't welk, door het geweld des poeders beroerd, +al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting +was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder +zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had: +dewijl anders de stad een algeheele vernieling zou hebben ondergaan. + +Aan Willem Adriaan, Grave van Hornes, die Würtz als Gouverneur +vervangen had, volgde in 1688 Daniel de Tafin de Torsay. Tijdens +diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en +schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken +aangelegd, terwijl een der torens tot kruitmagazijn werd ingericht. Na +het overlijden van Tafin, in 1709, werd Johan Theodoor Baron van +Friesheim tot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen +die van Gouverneur van 's Hertogenbosch verwisselde. Hem vervingen +achtereenvolgends in 't zelfde jaar Jacob Harduïn Palm en Statius +Filip Grave tot Benthem. + +De stad Heusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de +Dagvaarten beschreven werd en teekende vóor Purmerend, had zich, even +als vele andere kleinere Steden, dit recht--waarvan de uitoefening met +geen geringe kosten gepaard ging--van lieverlede laten ontnemen. Ten +tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder +gelden, 't welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid +bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden +zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden +gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De +oorlog tegen Frankrijk was uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons +Land gevallen, hadden Breda en Geertruidenberg veroverd, en eischten +nu ook Heusden op. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad +zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken +toch waren sterk, de schansen te Doeveren en Hemert in goede orde, en +de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins van Oranje (later +Koning Willem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart te Heusden zijn +hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn +broeder Frederik vervangen. + +Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in 't volgende jaar +waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktober den Bosch overmeesterd, +en men was te Heusden hun aanval verwachtende; weshalve men, ter +meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk te +Hedikhuizen gemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap met Holland, door +de om Heusden zwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst +viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging +werden hierdoor grootendeels verzwakt. Van Liesvelt, die het bevel +over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting +nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn +krijgsvolk, de stadsgrachten en de Maas open te houden, waarmede, +den 28sten December, door veertig burgers tevens, een aanvang werd +gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting +in 't ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad op Heusden gemunt +had. Dan op den vijfden dier maand deed de Generaal Daendels de +vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien +men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan +een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten +bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg +men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een +aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals +opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te +hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen, +verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden +voorraad krijgs- en mondbehoeften, welke Daendels in handen vielen. + +Onder het bewind van Napoleon lagen er veteranen in bezetting te +Heusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen, +de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken +of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheen Heusden eensklaps uit den +doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest, +herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van +Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de Generaal +Bulow had er een tijd lang zijn hoofdkwartier. + +Maar weldra zou de tijd aanbreken, dat Heusden uit den rij van +Neêrlands sterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad +ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd +en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne +bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingen onderging: voorts een +arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het +Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders +van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht, +en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap, +maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens, +met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert. + + + + + + + +HET KASTEEL TE GEMERT. + + +De witte mantel met het roode kruis, die kenmerkende dracht des +roemruchtigen Tempeliers, was reeds lang in de wentelende golven van +den tijdstroom ondergegaan, of liever: in de vlammen, door Clemens den +Vijfde en Filips den Schoone ontstoken, verteerd--toen eene andere +Ridder-orde, jonger van erkenning, maar weinig minder beroemd dan +die van den Tempel, nog in vollen bloei stond: wy bedoelen de Orde +der Marianen of Duitsche Ridders, ook Kruisheeren, Teutonisten, +en Ridders van den Duitschen Huize genoemd. + +Nadat Jeruzalem in 1099 door de Kruisvaarders veroverd was, deed +een Duitsch Edelman aldaar een huis inrichten, ter verpleging van +zoodanige pelgrims en Ridders onder zijne landgenoten, als zulks +mochten behoeven. Zijn voorbeeld vond navolging: eenige andere edele +Duitschers, wier hart warm sloeg voor zelfopofferende menschenliefde, +sloten zich by hem aan, voegden de inkomsten hunner goederen by die der +zijnen, en vormden alzoo weldra eene broederschap van barmhartigheid, +die, door geen anderen regel dan onderlinge overeenkomst verbonden, +hare weldaden uitdeelde zonder veel geruchts, en in tijden van gevaar +weder even snel naar het zwaard greep als voorheen, en het niet minder +wakker voerde. + +Toen het meerendeel dezer Ridders in de moedige maar onbedachte +verdediging van Tiberias, 1187, was gevallen, en de overigen daarop +by het verlies van Jeruzalem die stad moesten verlaten, zou de +Vereeniging geheel onder zijn gegaan, indien eenige medelijdende +kooplieden van Lubeck en Bremen haar niet hadden ondersteund. Nadat +er in 1190 eene versterking door nieuwe leden had plaats gevonden, +besloot men zich, naar het voorbeeld der Tempeliers en Hospitaliters +of Sint-Jans-Ridders, tot eene gesloten Geestelijke Ridderorde te +vereenigen, en wendde zich om vergunning daartoe tot Keizer Hendrik +den Zesde en Paus Celestinus den Derde, welke laatste by een bul van +den 12en Februari 1191 zijne toestemming gaf, en bepaalde, dat zy +den naam zouden dragen van Ridders der H. Maagd Maria, of Broeders +van het Duitsche huis onzer Lieve Vrouwe te Jeruzalem; zy zouden +aan de kloosterregelen van Sint Augustinus onderworpen zijn, en hun +onderscheidend gewaad moest bestaan uit een zwart kleed, waarover +een witte mantel met een zwart kruis op den linker schouder. De +Keizer schonk bovendien den Ordemeester, waartoe Henrik van Walpott +van Bassenheim reeds in 1190 gekozen was, het recht om ridders te +slaan, met eenige andere gunstbewijzen daarenboven, en zoo zag de +nieuwe Orde, niet zonder nayver der Johannieten en Tempeliers, haar +bestaan gevestigd. + +By de verovering van Akkaron (Ptolemais) kocht de Ordemeester daar +een uitgestrekten hof, en stichtte er eene kerk en een hospitaal, +benevens een kloostergebouw voor de broeders; en nu ging de Orde +rustig, en aanvankelijk zonder veel opzien te baren, haren weg, niet +minder dapper, maar veel minder begiftigd, veel minder weelderig door +rijkdom dan beide genoemde orden. + +De zaak der Christenen was echter in Palestina, na den val +van het Koningrijk Jeruzalem verloren: daarom besloot de vierde +Ordemeester, Herman van Salza, den zetel der Orde naar Venetië over +te brengen. Herman van Salza, een der edelste en grootste mannen +van zijnen tijd, was de adelaar, op wiens stoute vleugelen de Orde +zich tot eene ongekende hoogte verhief. De roep zijner onkreukbare +goede trouw en rechtschapenheid was zoo groot, dat Keizer Frederik +de Tweede en Paus Honorius de Derde een onderling geschil aan zijn +oordeel onderwierpen, en zich naar zijne uitspraak gedroegen; +beide waren evenzeer over hem voldaan, en de Orde oogstte er de +voordeelen van in: Honorius ontsloeg haar van het geven van tienden +en van onderworpenheid aan het geestelijk gericht, en Frederik +begiftigde haar met voorrechten en goederen; daarenboven verhief +hy Herman, die van den Paus een kostbaren ring, in 't vervolg het +Ordemeesterschap eigen, ontfangen had, voor hem en zijne opvolgers +in den Rijksvorstenstand. Van toen af breidden de bezittingen der +Orde in Europa zich snel uit. In 1226 door den Hertog der Masoeren +naar Pruissen gebeden, om er de wilde heidensche bewoners ten onder te +brengen, met toezegging van de landstreken, die zy zoude overwinnen, in +eigendom te zullen ontfangen, werd Herman van Balco derwaart gezonden +aan het hoofd van eenige Ridders en knechten, wier heldhaftigheid met +zoo goed gevolg werd bekroond, dat de geheele Orde, na het verlies van +Akkaron in 1291, zich in het overwonnen land aan de Oostzee vestigde, +en in 1309 Marienburg tot Hoofdzetel koos. In de laatste helft dier +eeuw bedroegen hare inkomsten, alleen van gemelde landstreek, 900,000 +Rijnsguldens, eene som, waarover geen Europesche Staat van die dagen +beschikken kon, terwijl de bloeiende toestand harer bezittingen en +de welvaart der onderhoorigen de beschuldiging weerspreken, dat zy +een tyranniesch bestuur voerde. + +Hare bezittingen werden verdeeld in 12 Landschappen, Balyen of +Landkommanderyen genaamd, die door Landkommandeurs werden bestuurd, en +waarvan er 2 in Nederland lagen. De hoofdzetels daarvan stonden, voor +het noorderdeel, te Utrecht, en, voor het zuiderdeel, te Aldenbiezen, +in Limburg, zijnde de laatste, die reeds in 1220 voorkomt, de oudste +[5]. De onderafdeelingen die te zamen eene landkommandery uitmaakten, +werden eenvoudig kommanderyen genoemd, en stonden onder het beheer +van een Orde-ridder, die den tytel van Kommandeur voerde. Tot Utrecht +behoorden 12 kommanderyen, waarvan wy de vermelding, met byvoeging +der weinige tot ons gekomen byzonderheden, hier geheel op hare +plaats achten. + +1. Middelburch, waar het huis der Orde in 1249 werd gesticht op +een erf, haar door Niclaes van Putten geschonken. Graaf Floris de +Vijfde heeft deze kommandery mild begiftigd, »en 't zelve huis is +metter tijd zoo magtig geworden, dat, wanneer de Graaf van Holland, +of deszelfs oudste zoon, ter hooge vierschaar binnen Middelburg zaten, +de Abt van Middelburg aan de rechter, en de Kommandeur der Duytsche +orden aan de slinkerzijde van den Graaf gezeten waren." + +2. Leyden, mede een gift van Grave Floris den Vijfde: hy schonk er +in 1268 de St. Pieterskerk, en de Orde richtte er het gebouw der +kommandery by op. + +3. Dieren, op de Veluwe, een kasteel, met vele daartoe behoorende +landerijen. Graaf Adolf van Bergen schonk het der Orde in 1240, waarop +het aan de kamer des Grootmeesters werd getrokken, tot in 1420, toen +het aan den Landkommandeur van Giessen overging; maar Heer Herman +van Keppel, Landkommandeur van Utrecht, kocht het in 1433 voor eene +som van 3000 Rijnsguldens, en voegde het by zijne eigene Baly. + +4. Oetmarsen, weleer tot de landkommandery van Munster behoord +hebbende, maar in de eerste helft der vijftiende eeuw onder die +van Utrecht gebracht. Het huis was gesticht in het jaar 1290, door +zekeren Leffard, een schildboortig poorter van Oldensael, die zich +mede in de Orde begaf. + +5. Valckenburch. Graaf Willem de Tweede schonk der Orde in 1251 de +kerk aldaar, waaronder twee parochiën behoorden, nl. Katwijc op Zee en +Katwijc op den Rijn. In 1378 verplaatste Splinter uten Eng, toenmaals +aan het hoofd der Baly van Utrecht staande, den kommandeurszetel van +Valckenburch naar Katwijc op den Rijn, ten gerieve der zeedorpers, +en liet de eerstgenoemde plaats als eene pastory op zich-zelf. Sints +dien tijd wordt er gewoonlijk van de kommandery van Katwijc gesproken. + +6. Hofdijc, die mede aan Grave Willem, door het schenken der kerk te +Maesland, in 1251, haar oorsprong dankt. Zijn zoon Floris begiftigde +later de Orde met eenige landerijen aan den Hofdijk, waarop de +Utrechtsche Baly er een huis deed stichten voor een Kommandeur. In +1365 deed de Landkommandeur Henric van Alckemade, met toestemming +van Graaf-Hertog Aelbrecht, het huis ten Hofdijc afbreken, en een +ander by de kerk van Maesland oprichten. De goederen aan den Hofdijk +werden aan de landkommandery gehecht, en de Ridders mede derwaart +verplaatst. Sedert stond de kommandery van Maesland op zich-zelf. + +7. Doesborch, die in 1266 een aanvang nam: De Regulieren van het +klooster Bethlehem, zich tegen de Orde misgrepen hebbende, en tot +voldoening genoodzaakt, schonken haar in dat jaar de kerk dezer plaats, +waarover zy te beschikken hadden. + +8. Rhenen, waar Graaf Egbert van Bentheim de kerk in 1268 aan de +Orde maakte; eene aanzienlijke schenking, die door zijn zoon Otto +bevestigd werd. + +9. Schoonhoven. Gwy van Blois gaf der Orde in 1390 de keuze tusschen +de kerk van Gouda en die van Schoonhoven; zy koos de laatste, welke +hy daarop met eenige andere goederen afstond. + +10. Scaluynen, of Schelluynen, eene heerlijkheid, geschonken door Heer +Dirc van Altena, met de kerk en de tienden van het dorp, benevens de +ten deele onder Giessen behoorende visscherij, en drie landhoeven. + +11. Bunen, in Drenthe, was eerst een konvent van zusteren der Duitsche +Orde, en omstreeks 1271 opgericht. Het kwam toen onder de Westfaalsche +Baly te Munster, maar werd door den Utrechtschen Landkommandeur +Gosewijn van Gaerne, die in het midden der veertiende eeuw vermeld +wordt, voor eene som van 1500 pond aangekocht. + +12. Nesse, almede ontstaan uit de gift der kerk, door eenige Friesche +Edelen in 1298, schijnt de geringste der kommanderyen geweest te zijn; +ten minste werd het huis, naby de kerk gesticht, slechts door Priesters +en dienende broeders, geenszins door Ridders bewoond. + +En nog waren deze bezittingen niet de eenigen der Utrechtsche Baly: +te Hemert in Gelderland, en te Scoten in Friesland, vond men nog een +konvent. Het huis en konvent te Scoten, waar aanvankelijk slechts +zusteren der Orde woonden, was gesticht omstreeks den aanvang der +veertiende eeuw. Later werden er Priesters en dienende broederen in +geplaatst. Het huis te Hemert was in 1270 gesticht. De Landkommandeur +Johan van Hoenhorst verwisselde het in 1328 tegen andere goederen +te Thiel, toebehoorende aan de Kanunniken van de St. Walburgskerk +aldaar, die zich vervolgends te Aernhem neêrsloegen, en de St. Walburg +aan de Orde schonken, waarop de Landkommandeur het huis te Hemert +deed afbreken, en een nieuw gebouw by gemelde kerk binnen Thiel +oprichten. [6] + +Tot de landkommandery van Aldenbiesen (Vieux-Joncs), in de nabyheid +van Tongeren gelegen, behoorden de volgende kommanderyen: + +1. Jongebiesen, te Maestricht; 2. Rebsdorf in Gulick; 3. St. Gilis +te Aken; 4. Biesen te Keulen; 5. Ramesdorf by Bonn; 6. Bernesheym, +en 7. Ordingen, beide by St. Truden; 8. St. Petersvoren in Limburg; +9. Gruytrode in de Luyksche Kempen; 10. Beckevoort by Diest; 11. Feucht +of Vught, en 12. Gemert, beide in de Meiery van 's Hertogenbosch. + +En behalven al deze goederen, bezat de Orde nog op verschillende +plaatsen het patronaatschap, dat is het recht tot aanstelling van +een pastoor. + +Nadat wy dus de Orde in het algemeen met betrekking tot Nederland +hebben beschouwd, wenden wy ons tot een harer bezittingen in het +byzonder, en kiezen daartoe, als eene der niet onbelangrijksten de +kommandery van Gemert. + +Reeds in het begin der dertiende eeuw bezat de Orde aan deze plaats +eenige goederen, waarover in 1249, volgends een brief van dat jaar, +nog op het archief van Postel aanwezig, een Provisor bestuurde. Uit +een charter van 1270 blijkt, dat Gemert toen voor de eene helft +als vrij land aan Jonkheer Diedryc van Gemert, voor de andere aan +de Ridders van het Duitsche Huis behoorde. Te dien tijde bestond er +reeds een Kommandeur, want in het genoemde archief berust mede een +document van 1261, waarby Broeder Henric, Kommandeur van Gemert, met +toestemming van den Luykschen Kommandeur de Prenthage, eenige goederen +aan het huis van Postel verkocht, die gedeeltelijk door den Hertog van +Brabant, gedeeltelijk door den Beschermvoogd van Mol aan de Kommandery +geschonken, en in de dorpen Lommel en Hilvarenbeec gelegen waren. + +In 1366 was broeder Gheryt van Audenhoven Kommandeur. Op den 21en +Juni van dat jaar kocht hy van den toenmaligen Diedryc van Gemert +dat gedeelte der Heerlijkheid, dat tot hiertoe nog door dit geslacht, +sedert 1364 als leen, bezeten was, waardoor het Duitsche Huis alzoo +in het volledig bezit geraakte. Kort daarna, het zij onder zijn +bestuur, het zij onder dat van zijn opvolger Henric Reynart van +Husen, in 1387 vermeld, werd er ten zuiden van de dorpskapel een ruim +gedeelte gronds, aan den zoom van het watertjen de Rups, afgebakend, +en daarop het sterke kasteel gebouwd, dat sints den Kommandeurs met +de hunnen ten verblijf diende. Het hoofdgebouw rees als een zwaar +vierkant gevaarte, uit drie of vier andere gebouwen bestaande, met +steile daken, en alleen slechts door trapgevels en hoektorens ietwat +verlevendigd, kloosterachtig somber uit de diepe gracht op, en werd +nog door buitenwallen en eene versterkte voorpoort beschermd. De +inwoners van Gemert zullen zich evenwel waarschijnlijk niet over den +afstand van Heer Diedryc beklaagd hebben: de Duitsche Ridders waren +geen harde heeren voor hunne onderzaten; en zoo men al beproefd heeft +hen daarvan te beschuldigen--de wetten van den Grootmeester Siegfried +van Feuchtwangen [7], 1309-1312, zijn daar, om den aanklager, dien +het om waarheid te doen zij, te beschamen: de wijsheid van den Regent +spreekt er u op iedere bladzijde uit tegen; en waar ze strengheid +ademen, daar is het om een vergrijp te voorkomen, of te straffen, +opdat de goedgezinde onderdaan in vrede en veiligheid het zijne +bezitten moge, en orde en zedelijkheid bevorderd worde. Welke eene +naauwlettende zorg spreekt zich uit in verordeningen, by de Art. XX, +XXIV, XXVII, inhoudende: + +Vee, den eigenaar tot zijn daaglijkschen arbeid noodig, mag voor +geenerlei schuld in pand worden genomen. + +Jaarlijks zullen de dorpsrechters met hunne byzitters de grenzen +hunner gemeente omrijden, en de marksteenen en grensteekens, waar deze +onkenbaar mochten geworden zijn, vernieuwen, op straffe van vergoeding +der schade, die door nalatigheid in deze verplichting mocht ontstaan. + +De voogden van weduwen en weezen zullen de goederen hunner pleeglingen +schriftelijk doen opteekenen en beschrijven, en het hun toevertrouwde +gants zoo als zy het hebben ontfangen, by het einde hunner voogdijschap +te rug leveren, op verlies van hunne eer. + +Zulk eene naauwlettende zorg kan niet worden overschaduwd door eene +strenge strafbepaling, als die, waarby vrijheid gegeven wordt, om +een wechgeloopen dienstknecht by het oor vast te spijkeren (Art. VI): +de laatste verordening had niets wreeds naar de zienswijze van dien +tijd--de eersten zijn nog weldadig en billijk in het oog van den onze. + +Het zou zeker de moeite waardig zijn, zoo men kon nasporen, in +hoeverre het bestuur der Orde over hare goederen in ons land, van +invloed mag geweest zijn op de denkwijze van de hooge Regeering +omtrent de regeling van dezer gemeentebelangen. + +De Orde scheen hier echter gee grooten prijs te stellen op het volle +bezit van allen eigendom, want de kommandeur Iwan van Cortenbach +verkocht op den 1en Augustus 1421 de gemeente Gemert aan de +ingezetenen, voor eene erfpacht van 50 kroonen 's jaars. Heer Iwan +(ook Ywan genoemd), die voor het eerst als Kommandeur van Gemert +gemeld wordt in een schepenbrief van 25 November 1418, was tevens +Landkommandeur van Aldenbiesen. + +Als Iwans opvolger wordt genoemd Heer Dirc van Betenhausen, of +Bergenhuysen. Blijkends eene aanteekening in het pastoreele register +der gemeente, kocht hy de moerige Peellanden van Gemert van den +Brabantschen Hertog Filips, en gaf ze vervolgends voor een pacht van +61 karolusguldens aan de ingezetenen weder uit. Daarna benoemd tot +Landkommandeur van Aldenbiesen, werd hy in de kommandery van Gemert +opgevolgd door Heer Henric van Eynatten. Het was onder het bestuur +van dezen Kommandeur, dat de kapel te Gemert [8], grootendeels door +bemoeiïng en tusschenkomst van den Landkommandeur Bergenhuysen, tot +eene parochiekerk verheven werd, waarvan de wijding op den 18en Maart +1437, door den Luykschen Bisschop Johan van Heynsbergen, met groote +plechtigheid plaats vond. Heer Henric, overleden 17 Juli 1444, en in +de kerk te Gemert voor het hoog-altaar begraven, werd als Kommandeur +opgevolgd door Niclaes van der Dussen, uit het Hollands-Brabantsch +geslacht van dien naam. Hy was de tweede zoon van Jan van der Dussen, +Heer van Dussen, Aertwaerde, en Munsterkercke. Vóor 1439 in de Orde +getreden, bekleedde hy, onder andere aanzienlijke betrekkingen, de +waardigheid van Kommandeur te Gemert tot in het jaar 1467, toen hem +het Landkommandeurschap werd opgedragen, weshalven hy naar Aldenbiesen +vertrok, en daarna in 1476 overleed. Zijn bloedverwant Aernout van +der Dussen, die te Gemert zijn plaats verving, deed er het nieuwe +parochiale kerkgebouw vergrooten met een aanzienlijk choor, waarop +een klein torentjen geplaatst is. + +In vrede en rust ging het leven op het kommanderykasteel doorgaands +steeds voorby; hoewel de Ridders voor 't overige de strenge +onthoudingsregelen niet meer zoo naauwgezet hielden als in den beginne: +de Grootmeester Wallenrode b.v. gaf zijnen Duitschen gasten eens +een zoo prachtig eeremaal, dat de onkosten daarvan, zoo men zegt, +de verbazende som van 500,000 markzilvers bedragen hebben. Ook +moeten wy niet voorby zien, dat de beöefening der wetenschappen +aan de Orde volstrekt niet vreemd was. En al is het ontwijfelbaar +dat sommige Grootmeesters zekere historische documenten opzettelijk +hebben vernietigd, en bepaalde plaatsen in kronijken, waar van de Orde +gesproken werd, doen wechnemen--de Grootmeester Winrich van Kniprode +daarentegen, die van 1351 tot 1382 regeerde, was een voorstander en +beschermer van wetenschappelijken vooruitgang. Hy deed de weinige +bestaande scholen in Pruissen verbeteren, en nieuwe oprichten, opdat +het zijnen jongen Ridderen, wanneer zy in rijd- en strijdkunst volkomen +bedreven waren, aan geen onderricht van den geest ontbreken zoû. Wy +zijn dus volkomen gerechtigd tot de onderstelling, dat er buiten het +Breviarium, of de Orde-statuten, of den Blaffert van eigendommen, +nog wel eens een andere foliant of kwartijn door den Kommandeur van +Gemert, of diens Ridders, zal zijn opengeslagen; dat een Bestiaris +van Maerlant, of een Slag by Woeronc van Heelu er geen onbekende +verschijnselen zullen zijn geweest; ja dat, al gedoogden de ernst van +het verblijf en de eerwaardigheid der Krijgsmonniken niet altoos, als +op de kasteelen der waereldlijke Edelen, open hof en blijde ontfangst +voor een reizenden Minstreel of Sprookspreker--Heynrycs Roman der +Kinderen van Limborch behoeft er wel zoo min een onbekende gast te +zijn geweest, als Dirc Potters sproken van Der Minnenloep. Ook was +het den Kommandeurs en Ridders volstrekt niet ontzegd, om aan een +waereldsch feest of vreugdebedrijf, op den een of anderen burch, +of aan het Hertooglijk hof gegeven, deel te nemen, evenmin als het +genot van den wandelrid of dat van het weidspel, + + + Hair met hair, en veêr met veêr, + + +onder de verboden uitspanningen werd gerekend. Dit alles te zamen +genomen, vinden wy dus redenen te over om te gelooven, dat het +verblijf in de zalen en gewelven der kommandery (al vond men ze, +naar de gewoonte der Orde, door het overal aangebrachte zwarte kruis +meer versomberd dan vercierd) zoo min als de landstreken daar rondom, +niet zoo eentonig en van alle afwisseling ontdaan zal zijn geweest, +als eene oppervlakkige beschouwing zou kunnen doen vermoeden. + +Toen Aernout van der Dussen in 1482 overleden was, werd hy opgevolgd +door Heer Maximiliaen van Eynatten, die er tot in 1503 zijn ambt +bekleedde, om het toen, als zoo menig een zijner voorgangers, met +dat van Landkommandeur van Aldenbiesen te verwisselen. + +Van de Kommandeurs Wynand van Breyl (benoemd 1536, overleden 1554) +en Wynand van Eynatten (overleden 25 Mei 1570) vinden wy niets +merkwaardigs opgeteekend. Zy schijnen, niettegenstaande de klimmende +onrust der tijden, zonder stoornis bestuurd te hebben. + +Minder rustig liep het onder Heer Wynands opvolger Godaert van Aere. In +1588 deed de onvertsaagde maar woeste Marten Schenck een strooptocht +in het dorp Gemert, waarby de inwoners veel van zijne wapenknechten +te lijden hadden. Niettegenstaande de bemanning van het kasteel te +gering was om een uitval te doen en de dorpelingen by te springen, +werd er toch zoo vinnig van de wallen geschoten, dat de plunderaars +het niet waagden om den ingang der kerk, die naar de kasteelzijde +lag, te bemachtigen. Toen, om toch de gehoopte buit der kerkelijke +kostbaarheden niet te verliezen, braken zy aan de noordzijde van het +gebouw een opening waardoor zy binnendrongen, het inwendige van al +zijne cieraden beroofden, en de kenteekenen der eeredienst baldadig +vernielden. De toen gemaakte opening werd niet weder dichtgemetseld, +maar slechts bygewerkt, en sedert tot een gewonen ingang in orde +gebracht. + +Een dergelijk onheil herhaalde zich in 1599 in nog veel grootere mate, +toen de Spanjaarden in het dorp vielen, en het geheel uitplonderden. + +Henrik van Holtorp, dien wy na Godaert van Aere vermeld vinden, +overleed te Gemert in 1630, en werd voor het hoog-altaar in de kerk +begraven. + +Zijn opvolger was de Kommandeur Ulrich van Hoensbroek, een fier en +hooghartig man, die zich door trotschheid en heerschzucht by velen +gehaat, by niemant, zelfs zijner Orde, bemind maakte. Hy berokkende +zoowel der kommandery als het dorp veel onaangenaamheid. Reeds stond +hy te Gemert aan het hoofd der zaken, toen hy naar het opengevallen +Landkommandeurschap dong, en zien moest dat men hem voorby ging, en +een jongeren Ridder, Graaf Godfried van Huyn de Geleen aanstelde. Vol +van verbittering, weigerde hy nu diens bevelen te volbrengen; en toen +hy in 1648 over dezen inbreuk op de wetten der Orde ter verandwoording +gedagvaard werd, beriep hy zich op de Staten der Vereenigde Provinciën, +aan wie sedert den 30en Januari van dat jaar te Munster de Meiery van +'s Hertogenbosch was afgestaan. Op den 24en Juli nam eene Staatsche +bende van Gemert bezit, en verjoeg er terstond de Dominicanen, die, +in 1629 reeds eenmaal uit 's Hertogenbosch verdreven, zich onder de +schaduwe der kommandery hadden nedergeslagen. In 1649 schijnen eenigen +hunner weer heimelijk naar Gemert te rug gekeerd te zijn; ten minste +het gerucht daarvan liep rond, en kwam ter ooren van den Schout van +Peelland, Prouninck gezegd Deventer, die gants niet monniksgezind +was. Of het nu waar of onwaar mocht zijn--Prouninck sloeg er geloof +aan, en viel op een vroegen morgen in den zomer, kort na pinksteren, +met eene ruiterbende in het dorp. Het klooster [9] werd terstond +aangevallen, de vensters stuk geslagen, en--torschte men er al geen + + + kelcken uit, kassuiffelen, en kappen, + Die stijf staen van gesteente, en paerlen en root gout, + Om 't heerelijckst, als 't placht, wanneer men hooghtyd houdt-- + + +de plonderaars keerden toch niet met ledige handen uit het ontwijde +gebouw. Maar wat erger was dan deze moedwil, aan levenlooze voorwerpen +gepleegd--de geprikkelde baldadigheid koelde zich ook aan een grijzen +leekebroeder, die byna naakt door de vensters werd gesleurd, naar de +markt gevoerd, en daar, van de ruwe ruiters omringd, der bespotting +prijs gegeven. De pastory en des kapellaans woning werden mede +geplunderd; de pastoor, benevens de prioor der Dominicanen, gevangen +naar 's Hertogenbosch gebracht, en niet, dan tegen betaling van een +groot losgeld, weder ontslagen; de kerk bleef in handen der hervormden. + +Zoodra deze handelingen den Landkommandeur waren kenbaar geworden, +bracht hy terstond zijne klachten in by den toenmaligen Grootmeester +der Orde, den Aarts-Hertog Leopold van Oostenrijk, die zonder eenig +vertoef zijn Licentiaat Verheye naar 's Gravenhage zond, om de +kommandery te rug te eischen. De Staten waren daartoe echter volstrekt +niet genegen: zy beweerden, dat Gemert noch eene vrije Heerlijkheid +was, noch tot het Rijk kon worden gerekend, maar onder de Meiery +van den Bosch, en alzoo onder het recht van hunne soevereiniteit +behoorde. Zy grondden dit op het volgende: + +»Uit verschillende oude brieven bleek het, dat Gemert by het kwartier +van Peelland ingesloten was, zijnde het in 1572 onder het Bisdom +'s Hertogenbosch, en wel onder het Landdekenschap van Helmond, de +hoofdplaats van 't kwartier Peelland, gesteld. Gemert was weleer een +gehucht van het dorp Bakel, en de kerk een dochterkerk van die der +laatste plaats geweest. De Koning van Spanje had, als Hertog van +Brabant, den Bisschop van Luyk (die zich over het onttrekken van +Brabant aan zijn geestelijk rechtsgebied beklaagde) ten andwoord +gegeven, dat hy in zijn eigen land, met toestemming van den Paus, +zooveel Bisdommen kon oprichten als hem goed dacht. Men had zich van +alle vonnissen, te Gemert gewezen, altijd op de hoofdbank des kwartiers +van Peelland, te Helmond, van dáar op Schepenen van 's Hertogenbosch, +en vervolgends op den Raad van Brabant, te Brussel, beroepen, als uit +twee brieven, van 1434 en 1451, bewijsbaar was. Het op-, of afzetten +der munt was te Gemert altijd door den Hertog van Brabant geschied. De +maten en gewichten, die men er bezigde, waren te Helmond geijkt. De +gantsche Gemertsche gemeente of heide was eigen goed van den Hertog +van Brabant geweest, die het op den 6en Juli 1450 aan de Heerlijkheid +had verkocht, behoudens een cijns van 50 oude grooten tornois. De +inwoners van Gemert stonden onder het ingebod van 's Hertogenbosch, +dat eene der vier hoofdsteden van Brabant was, en de Judicatuur van +Gemert kwam den Staat toe, gelijk de Orde zelf bekende." + +De Grootmeester daarentegen beweerde, dat Gemert niet in Peelland +geënclaveerd was, en vestigde deze stelling op het volgende: + +»Gemert grensde aan het land van Ravesteyn, aan het opperkwartier +van Gelderland, en aan Spaansch-Brabant. De Landkommandeur Johan van +Cortenbach had, als gemachtigde van den Grootmeester, in 1421 aan de +ingezetenen van Gemert zekere gemeente- en peelvelden verkocht. Toen +in het jaar 1270 eenig geschil tusschen den Hertog en die van +Gemert gerezen was, had de eerste verklaard, dat hem noch hooge, +noch lage heerlijkheid, noch eenig recht te Gemert toekwam, maar +begeerden zy van hem hulpe, dan was hy als opperste Beschermheer +verplicht hun die te verleenen. Gemert was door den Raad van Staten +in 1621, toen de brandschattingen in de Meiery waren uitgeschreven, +erkend als niet behoorende onder Brabant. De Kommandeurs te Gemert +hadden kwijtschelding van doodslag gegeven, en wel in de jaren 1603 +en 1607. Verschillende aan doodslag schuldigen uit de Meiery waren +naar Gemert gevlucht, en er onvervolgd gebleven. De Landkommandeur +der Orde had er in het jaar 1613 een vrije jaarmarkt opgericht. Het +beroepen van vonnissen op Schepenen van Helmond, en van daar op die +van 's Hertogenbosch, was geen bewijs van onderhoorigheid, omdat men +zich in verschillende plaatsen der Meiery van aldaar gevelde vonnissen +op Schepenen van Antwerpen beriep; die van Nymegen, Stevenswaert en +andere beriepen zich op de Wethouderschap van Aken; voorheen was men +in verschillende plaatsen van Brabant gewoon zich van de vonnissen op +de Wethouders van Luyk te beroepen, totdat zulks in 1469 door Hertog +Karel den Stoute afgeschaft werd. Dat Gemert onder het Duitsche Rijk +behoorde bleek daaruit, dat het zijn aandeel in de oorlogen tegen +de Turken had betaald, zoowel als in de vijf millioen rijksdaalders, +door het Ryk by den vrede van 1648 aan Zweden toegestaan: dit zouden +de Algemeene Staten niet toegelaten hebben, indien het zeker was, +dat Gemert tot de Meiery behoorde. Dat het, eindelijk, onder het +Bisdom van 's Hertogenbosch gelegen was, bewees niets, omdat het +grootste gedeelte van Brabant, Limburg, en Namen, vóor de oprichting +der nieuwe Bisdommen in 1565, onder den Bisschop van Luyk behoord had." + +Het onderzoeken, uiteenzetten en bepleiten dezer bewijsgronden vorderde +op zich zelf reeds veel tijd, en het geding werd bovendien traag +voortgezet. Welk deel de Kommandeur Hoensbroeck, die zich meestal in +'s Gravenhage ophield, er in had, wordt niet gemeld. Hy beleefde het +einde van het geschil niet, maar overleed in 1654; zijn lijk werd +naar Gemert vervoerd, en in het choor der kerk aldaar begraven. + +Ambrosius, Baron van Wirmundt, die na hem Kommandeur werd, liet +zich veel aan de regeling der zaak gelegen liggen; en het was voor +een groot deel aan zijne rustelooze bemoeiïngen dank te wijten, +dat er eindelijk tusschen de Staten der Vereenigde Provinciën en den +Grootmeester een concordaat tot stand kwam, waarby de laatste, onder +zekere voorwaarden, in zijn recht op Gemert werd erkend. Het besluit +daartoe, door de Staten op den 8en Juni 1662 in den Haag geteekend, +bevatte hoofdzakelijk het volgende: + +»De Staten Generaal verklaarden, dat Gemert onder het Duitsche Ryk +behoorde, en zy derhalven daarover geen gezach, hoegenaamd, behouden +of op nieuw eischen zouden. Dat zy de opperheerschappij volkomen +afstonden, met beding echter, dat de Heerlijkheid onder het appèl +en ingebod des gerichts van 's Hertogenbosch zoû blijven, gelijk tot +hiertoe gebruikelijk was geweest. De Grootmeester en de Orde zouden +voortaan de vrije oefening der hervormde godsdienst moeten toelaten, +en daartoe ten hunnen koste, en naar genoegen der Staten eene geschikte +kapel, benevens woningen voor predikant en schoolmeester doen bouwen; +het recht tot benoeming van een predikant zou aan de Orde blijven, +doch het onderhoud zijner woning voor rekening der Staten komen. De +Orde mocht er geen kloosters, het zij van geördende monniken of andere +geestelijken, toelaten. Zy zoude voor den afstand aan de Staten 40,000 +gulden betalen: een derde zes maanden na de onderteekening van het +verdrag, en de twee overige derdedeelen telkens een jaar daarna. De +Algemeene Staten zouden nergends in gehouden zijn, indien de twee +laatste betalingen niet op den bepaalden termijn geschiedden." + +Op den avond van den 28en Juni, 1662, werd de geslotene voorwaarde +te Gemert afgekondigd, de parochiekerk den volgenden feestdag van +Petrus en Paulus door de roomschgezinden weder in bezit genomen, en +het kerkjen der Dominicanen aan de hervormden afgestaan. De Baron +van Wirmundt bestuurde vervolgends de kommandery nog ruim twintig +jaren in rust: hy overleed te Gemert, op den 18en Maart, 1684, en +werd ter linkerzijde van het hoogaltaar begraven onder een zerk, +wier latijnsch inschrift zijne deugden en verdiensten vermeldde. + +Een Edelman uit Hollands oudst geslacht voerde daarna te Gemert den +staf: Baron Hendrik van Wassenaer, zoon van Johan van Wassenaer en +Maria van Erckel. Reeds Kommandeur van Gruytrode, verwisselde hy die +kommandery, na Wirmundts dood, met Gemert, van waar hy in 1690 naar +Aldenbiesen vertrok, om daar de waardigheid van Landkommandeur te +aanvaarden. In het eerste jaar van zijn bestuur, 1685, was Gemert +geteisterd geworden door een zwaren brand, die honderd huizen +vernielde. + +Bertram Wessel, Baron van Loë, Heer van Wissen, by Kevelaar, kwam +daarop te Gemert, stierf den 21en Maart 1710, een jaar na zijn +voorganger, en werdt opgevolgd door + +Bertram Antonie, Baron van Wachtendonk, die tevens Kommandeur was +van Ramersdorff, by Bonn. Deze wakkere krijgsman hield echter op geen +zijner beide kommanderyen verblijf, daar hy als Keizerlijk Bevelhebber +by het leger van Karel den Zesde stond. Ook verwierf hy er zich geene +rustplaats aan de zijde van zoovele hem reeds voorgegane Ordebroeders: +hy overleed op Sicilië. + +Het afzijn van den Kommandeur was intusschen den goederen niet zeer +voordeelig geweest: het kasteel, dat nu reeds ruim twee eeuwen het +kruis der Orde gedragen had, was verouderd, en behoefde noodzakelijke +herstellingen. + +Er werd derhalven besloten om voor als nog geen nieuwen Kommandeur te +benoemen, en met de op deze wijze uitgespaarde gelden in de onkosten +der vernieuwing van het gebouw te voorzien. De Landkommandeur van +Aldenbiesen, Damian Hugo, Graaf van Schönborn, Kardinaal-Bisschop +van Spiers en Constans, beheerde zoo lang de kommandery; en onder +zijn toezicht werd in 1740 alles weder in goeden staat gebracht, +en zelfs, in den smakeloozen stijl der achttiende eeuw, zoogenaamd +opgecierd. Drie jaren later deed men den Kommandeur van Bernesheim, +Baron van der Noot, zijn standplaats met die van Gemert verwisselen; +maar na zijn overlijden werd het Kommandeurschap nogmaals eenige jaren +onvervuld gelaten, om de landkommandery, die door den successie-oorlog, +waartoe zy heur contingent moest leveren, in zware schulden stak, +in de afdoening daarvan te kunnen ondersteunen. + +Eerst in 1770 vinden wy Gemert dan weder bezet, en wel door Nicolaes +Bernhard de Borggrave, die in 1777 werd opgevolgd door den Baron +van Plettenberg. + +Deze moest zijn plaats later weder afstaan aan den Landkommandeur +van Aldenbiesen, Baron Frans Jozef Nepomuc Fidelis van Reisschag, +onder wiens bestuur werd aangevangen met het bouwen van een schoonen +toren, aan de westzijde der kerk. Reeds waren de fondamenten gelegd, +toen in 1794 het werk werd gestoord door de verschijning der Fransche +driekleur op den Nederlandschen bodem. De woeste republikeinen, die +der Orde ontnamen wat zy konden bemachtigen, maakten zich ook van +de kommandery Gemert meester, en nu ging deze den Duitschen Huize +voor altijd verloren. In 1810, toen Napoleon het Koninkrijk Holland +by Frankrijk had ingelijfd, schonk hy de bouwhoeven en eenige losse +gronden der kommandery aan den Maarschalk Oudinot, Hertog van Reggio, +die er ook, hoewel korten tijd, de opbrengsten van trok [10]. Het +kasteel werd echter gerekend tot de domeingoederen te behooren, +en als zoodanig door de Keizerlijke regeering in 1812 verkocht aan +Jonkh. Mr. Adrianus van Riemsdijk, die er in 1832, mede door aankoop, +eenige molens, bouwhoeven en landerijen byvoegde, weleer onder het +bestuur der Orde er reeds toe behoord hebbende. + +De zichtbare herinnering aan het oude is te Gemert niet gants +verloren gegaan. Nog bestaat de voorpoort van het kasteel nagenoeg +in den ouden toestand. Is men door deze echter op het binnenplein +gekomen, dan ontwaart men groote verandering: de gracht is wel ten +deele overgebleven, maar het hoofdgebouw vertoont zich veel minder +luisterrijk dan vroeger: de torens met hunne ranke spitsen, die in het +begin dezer eeuw nog allen aanwezig waren,--de levendige trapgevels en +hooge schoorsteenen--zy zijn voor goed verdwenen; 't is regelmatiger, +maar veel minder indrukwekkend geworden. En het inwendige?.... Wanneer +ge met eenige liefde voor onze monumentale geschiedenis bezield, den +drempel wilt overschrijden, in de hoop daar nog een spoor van verleden +dagen aan te treffen; met het voornemen om in eene oude zaal, waar +de zonnestraal den rij zwart ingelijste, fiere en ernstige gestalten, +in hunne witte mantels met zwarte kruisen gehuld, gelukkig-spaarzaam +verlicht, u te verdiepen in niet altoos onvruchtbare droomen van een +nog niet genoeg gekenden tijd--dan raden wy u: »bewaar uwe illusiën +en treed te rug." + +Maar maakt de levendige werkzaamheid eener katoenspinnerij +(in onze dagen ontegenzeggelijk van grooter praktiesch nut dan +een ridderkasteel) een aangenamen indruk op uw gemoed--ga dan het +westelijk gedeelte binnen, en verheug u by de overtuiging, dat daar +eene minder bevoorrechte klasse door eigene vlijt in haar onderhoud +voorziet, en de welvaart van waardige en edeldenkende meesters met +dien arbeid ondersteunt. + + + + + + + +HET KASTEEL VAN MONTFOORT. + + +Godfried van Rhenen, Bisschop van Utrecht, was geen man des vredes; +zijne regeering (1156-1178) is ten minste een aaneenschakeling van +oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam +[11], gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel +onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet +gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te +kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste +plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en +deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden +bezwijken. Om de muitzieke Edelen van Aemstel in bedwang te houden, +stichtte hy een kasteel te Woerden. Om de Friesche grenzen te dekken, +deed hy er een te Vollenhoven bouwen; en tegen de Gelderschen richtte +hy by Rhenen het geduchte kasteel ter Horst op. Hy had echter een +te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien, +dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd, +zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats +hiertoe scheen hem de landstreek beöosten Oudewater, aan den linker +Yssel-oever, tegenover het Yssel-veld, en slechts drie uren van zijn +zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnen last +het sterke slot, dat, zoo men wil, door hem Mons fortis werd genoemd, +maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam van Montfoert +of Montfoort bekend staat. + +Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in +handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener +genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders +af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den +tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding +gemaakt voor 1227, wanneer wy Everaert Burchtgraaf van Montfoort +vinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en +sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief +van Bisschop Otto van der Lippe hing. Vervolgends wordt er gewach +gemaakt van eenen Willem, zonder bepaling of hy tot het geslacht +zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van Bisschop +Henric den Eerste, 1260, van den Burchtgraaf Wouter, Geraerts zone +uit den huize van der Goude. + +Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de +handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer +helder licht ons voor het oog. + +Bisschop Johan van Nassau, die van 1267 tot 1288 [12] regeerde, was +een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een +kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur +zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen: + +»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is 't er zeer holbollig +in het Bisdom toegegaan. De regeering van 't gemeenebeste is tenemaal +t'onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede +uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd +altijd, uyt het gemeene volk gekozen; ambachtsgilden ingestelt, +die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben; +ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest." + +Trouwens--er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk +besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht +grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst, +in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende +partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten +van het eerste steunde--om er dikwijls zelf, het zij reeds in zich, +het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden. + +Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo +ging het ook Bisschop Johan; en by een der maatregelen tot +voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het +slot Vreeland en dat van Montfoort, welks Burchtgraaf overleden +was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer +allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom: Gijsbrecht van Aemstel, +en Herman van Woerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam +weldra ten duidelijkste aan den dag, toen Gijsbrecht by Vreeland een +tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel +bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig +gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan--maar hier had +de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in +'t eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen, +riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen +Burchtgraaf van Montfoort in. Herman van Woerden sammelde niet lang, +en kwam met eene aanzienlijke krijgsbende Aemstels leger versterken, +waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by den Soester eng, +tegentrokken. Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed +eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of +verslagen; maar Woerden, daarop met zijne versche benden uit Holland +aanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der +Bisschoppelijken. Ofschoon Woerden reeds in den eersten aanval +zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic"; en +zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over +het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag: +Bisschop Johan verliet in haaste het veld, met verlies van vele +kloeke strijders, waaronder vooral Steven en Frederyk van Zuylen +moeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnen Amersfoort. + +In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren +Hollander, Graaf Floris den Vijfde, te hulp; en het bleek, dat +hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had. Floris zond den +beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voor Vreeland; zijne +moedige Zeeuwen, onder Costijn van Renesse, sloegen den tot ontzet +aangesnelden Gijsbrecht geheel, en namen hem zelfs gevangen; Arent +van Aemstel zag zich toen genoodzaakt tot de overgave van Vreeland, +en Floris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te +hebben, sloeg den weg in naar Montfoort. + +Hier had Herman van Woerden hem niet afgewacht. 's Graven krijgsmacht +duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht +wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het +einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme +dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen" [13], die reeds +voor Vreeland hadden gediend, werden ongetwijfeld ook voor Montfoort +gebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur +beuken. Toen bleek het, dat Godfried van Rhenen goede bouwmeesters in +'t werk gesteld, en te gelijk, dat Herman van Woerden zijne ongerechte +zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden +de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal +der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan +blyde en stormram. Telkens vinniger trokken de Hollanders, by het +schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut- +en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen, +en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op--telkens +werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk +de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder +den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering +van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en--»Holland! Holland!" is +de zegekreet, die binnen Montfoorts wallen den val vermeld der +burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy +ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende, +velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier +van Woerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had, +en de klimmende liebaart van Holland + + + Zag fier van de transen langs d' Yssel-boord rond: + + +want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het +door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent +de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles +naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279, +en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad. + +Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds, +en de Aemstellaers [14] ter anderer zijde, op den 27en Oktober 1285 +tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven, +en kwam Montfoort alzoo weder in handen van den Bisschop. + +Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die Graaf Floris +omringden een Brabantsch Ridder, Henric van Roden of Royen, jonger +zoon uit het geslacht der Graven van Roden, en om manslag uit zijn +vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296 +Henric de Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade +lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latere +Henric van dien naam, kleinzoon van Burchtgraaf Sweder den Eerste, +zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven. + +De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl +Heer Henric van Roden zich nog in Brabant bevond, stierf daar zijn +oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds +zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel +aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve +Kanunnikdijen: te Roden, te Hilvarenbeec, en te Oirschot; begiftigden +er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der +Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op 't hoogst Heer +Henric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken, +de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy +verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery +tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig, +dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg +daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en +huns levens lang ballingen van Brabant blijven: sommigen begaven zich +naar Vlaanderen, en verbleven te Brugge, hy-zelf week naar Holland, +en begaf zich tot Graaf Floris den Vijfde, by wien hy een goede +ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben +gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van +eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche +zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later +juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene +wijze, den Edelman waardig. + +De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóor Herman van Woerden +Montfoort bezeten had, was nog in leven, en de waardigheid heurs +overledenen vaders onvervuld. Graaf Floris wendde zich daarop tot +Bisschop Johan van Syric, en wist door zijne voorspraak te bewerken, +dat Heer Henric van Roden de hand der verweesde Jonkvrouwe van +Montfoort bekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke +wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en Heer Herman +bezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als +gewoon-, Henric echter als erfleen, schoon 't niet blijkt, dat een +van beide zich daarover verklaard heeft. + +Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader, +ofte Heer Herman van Woerden oyt geweest hadde," gaf evenwel +aanleiding tot eene botsing met Johans opvolger Willem van Mechelen, +die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd +geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop +daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe, +om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer +hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy +zich Erf-Borchman op het Slot te Montfoort wist, en dat de goederen, +tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos, +gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een +dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop +stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan +de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen. + +Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen +de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk +paleis te Utrecht, waar hy met den Bisschop ook de Ridders Hubrecht +van Bosinchen, Ghysebrecht van Schalcwijc, Ghysebrecht uten Goye, +Hubrecht van Vyanen, en Lambrecht de Frese vond, benevens de Heeren +Jacob van Lichtenberch, Herman Teutelaer en Ghysebrecht Pellencussen, +Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil +zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends +hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, het gebrek aan bescheiden +ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen +van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn +erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en +zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen +legde Heer Henric met zijne getuigen de hand op een voorgebracht +reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door +allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop +en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing. + +Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten +zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een +zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van +graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam +van Royen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van +keel. [15] + +In 1300 was Burchtgraaf Henric niet meer in leven, en te Montfoort +heerschte zijn oudste zoon Sweder. Deze, zegt men, huwde met eene +Jonkvrouwe van Holland; maar het proza der geschiedenis wordt hier +zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor +de poëzy der sage, die dus luidt: + + + + EEN DOCHTER VAN HOLLAND. + + --»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht," + »Wy zoeken Holland weer." + Zoo sprak in 't hof van Engeland + Graaf Willems Edele Gezant, + Volyvrig voor zijn Heer. + + Maar ijlings trad, met biddend oog, + Een jonker hem ter zij. + Die droeg in 't oog een vurig hart; + Een wapen, wit en rood en zwart, + Gestikt op zijn kleedij. + + --»Ter wille van uw Edelvrouw + »Die gy in 't hart vereert-- + »Twee enkle dagen nog getoefd," + Zoo bad hy: »schoon 't mijn ziel bedroeft-- + »En dan--naar gy begeert." + + --»Die bede zy u toegestaan + »Mijn Jonker van Montfoort!"-- + En ijlings was de Jonker heen, + Te paard, en voort, en gants alleen; + Men wist niet naar wat oord.-- + + Aan Medways blaauwen waterstroom + Daar rijst een landkasteel. + Daar staart een Jonkvrouw van den trans. + Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans, + Als ducht zy 't lot niet veel. + + Nu wuift zy snel ten toren af, + Met hoog-gebloosd gelaat: + Een ruiter nadert, gants verhit... + Zijn wapen, zwart en rood en wit, + Gestikt op zijn gewaad. + + Hy stijgt van 't paard--en ijlings op, + En zy daalt ijlings neer. + Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart, + En zy, van zoete vreugd verward, + Zy stelt zich niet te weer. + + Hy sprak: »Een tijding droef--en blij: + »Ras keer ik naar mijn land. + »Nu zeg my, Ellen! dierbre Maagd! + »Van wat geslacht den naam gy draagt, + »En 'k spoed my om uw hand." + + Zy bloost--zy siddert--zy ontzet-- + Zy slaakt een droeve kreet; + Zy meldt met diepe droefenis: + »Ik weet niet wie mijn moeder is, + »Noch hoe mijn vader heet!...." + + --»Ik ben van onbetwijfeld bloed!" + Zoo borst hy angstig uit: + »Mijn vader is een Hooge Heer.... + »Toch, Ellen! toch--ik zie u weêr, + »En als mijn dierbre bruid!"-- + + Straks joeg een strijdros langs den weg + Die recht naar Londen gaat. + Zijn Ruiter reed met rustloos hart; + Een wapen, wit en rood en zwart, + Gestikt op zijn gewaad. + + En later reed er, eer de schaaûw + Nog heenkroop naar het oost, + Een droeve Jonkvrouw langs die baan. + Toch blonk er door zoo menig traan + Een stille hoop van troost. + + Zy wisselde in de ruime stad + Met niemant woord of taal; + Maar waar 't arduin paleisbordes + 't Blazoen droeg van de Rijks-princes, + Daar steeg zy uit het zaal. + + Zy vroeg geen lijftrawant den weg, + Geen knaap of kamervrouw: + Zy ging er tot in 't rijk klozet, + En boog zich neêr, als ten gebed, + Alleen met de Edelvrouw, + + Zy bad met woorden uit de ziel, + Maar diepe eerbiedenis: + »O zeg, Mevrouwe! hoog van staat, + »Die my steeds gunstig gade slaat, + »Zeg wie mijn vader is?" + + De Rijksprinces verschoot van blos, + En siddrend boog ze saâm: + »Wat raadslen, Ellen! vraagt ge my... + »Wat weet ik wie uw vader zij? + »Wie noemde me ooit zijn naam?"-- + + En zichtbaar greep het Ellen aan + Met zielsontroerenis; + En dieper, dieper boog ze neêr, + En schreide, en smeekte naamloos teêr: + »Zeg wie mijn vader is."-- + + Dat brak het hart der Rijksprinces: + Zy snikte op schellen toon: + »Weet!..." maar toen duizelig en dof: + »Aan Hollands machtig Gravenhof + »Daar draagt hy-zelf de kroon!..." + + En Ellen brak in jubel uit, + En viel haar aan de borst. + --»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God: + »Dat spelt me een eindloos zoeter lot + »Dan ik ooit hopen dorst. + + »Neem nu mijn droef en blij vaarwel: + »Ik trek naar ander oord; + »En zoo gy ooit my wederziet, + »Dan is 't in Hollands rijksgebied, + »En Vrouwe van Montfoort!" + + Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk; + Maar zy verhief zich ras: + »Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart... + »Maar wat dan..." en zy kreet van smart: + »Zoo ik... uw moeder was?..." + + En Ellen trad versteend te rug: + »Mevrouw! wat zegt ge my? + »Gy, die steeds aan mijn eigen haard + »My goedig--maar als vreemde waart, + »Myn moeder, moeder gy?"-- + + Toen kromp het moederhart in een: + »U afstaan!..." rilde zy: + »Neen, Ellen! spreek dat woord niet weêr: + »Al kostte 't my mijn rang, mijn eer-- + »Kies tusschen hem en my!..." + + --»Ik heb... gekozen..." sprak zy zacht + (Van smart bestierf heur stem): + »Mijn moeder... heeft my... nooit bemind: + »Zy was een vreemde voor heur kind. + »Mevrouwe!... ik ga met hem."-- + + Wie vraagt gehoor by Hollands Graaf? + De Jonker van Montfoort. + --»Al wat ik Uw Genade breng, + »Wanneer ze 't my in gunst geheng, + »Dat is een luttel woord: + + »Een groete van de Rijksprinces, + »Een vorstelijke groet; + »Daarby een bede, koen en stout: + »Een Jonkvrouw, twintig jaren oud, + »Die drukt ze u op 't gemoed.--" + + Graaf Willem sloot zijn kind aan 't hart, + Geroerd en blij te moê: + »Nu spreek, mijn dochter! gul en rond: + »Ik zie, een beê zweeft om uw mond; + »'k Zweer u verhooring toe." + + Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw bad + Na 's Graven plechtig woord? + Daar gingen luttel weken om, + Toen was zy bruid; de bruidegom + Was Sweder van Montfoort. + + Maar wie, wie schepen flux daarna + In 't heimlijk zich aan boord, + En houden koers naar 't Britsche strand? + Het wapen, schittrend aan het want, + Is 't wapen van Montfoort. + + Men vraagt, met hoofsche plechtigheid, + Der Rijksprinces gehoor; + Maar als geheel den gang bewust, + Treedt de Edelvrouw van Hollands kust + Heur eedlen gade voor. + + Zy knielde voor de Rijksprinces, + Wel kinderlijk gezind: + »Doof niet aan 't Hof uw gloriekrans, + »Maar, moeder! wees in 't heimlijk thands + »Gelukkig met uw kind!" + + +Sweder van Montfoort gingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van +den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne +eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen Bisschop +Willem van Mechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het +byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den +ijzeren handschoe zag, koos Sweder de partij van Hubrecht van Vianen, +Jan van Linschoten, Jacob van Lichtenberch, en andere samenspannende +Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen +Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De +Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan +door den Aartsbisschop van Keulen, en nog veel meer vrijwillig +door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame +stad Utrecht, waar de Burgemeester Jacob van Lichtenberch thands +het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche +Ridders, Diederic van Wassenaer, Henric, Burchtgraaf van Leyden, +Filips van Duvenvoirde, Simon van Benthem, en Jacob van der Woude, +rukten daarop hunne dienstmannen by een, om Lichtenberch ter hulp te +komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op de Hooge-woerd, +eene vlakte, omstreeks den oever des Ouden-Rijns. Met schetterende +klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers +tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder +aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds +vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw +een trompet van de zijde van Montfoort, en de banier, weldra boven de +aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers +gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een +nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een +groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde +manlicken, om den seghe te vercryghen." Maar de moedige Bisschop gaf +het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche +heir, als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne +waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde, +viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze +strijd geschiedde op den 12en Juli, 1301. Sweder van Montfoort had +de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht. + +In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl Bisschop Jan van Arckel voor +het kasteel Woudenburch, en zijn Maarschalk voor dat van Ruwiel lagen, +zonden de Ridders Jan van Culemborch en Gijsbrecht van Vianen hem een +ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen +en kasteelen. Burchtgraaf Sweder deed daarin dapper meê, zonder dat wy +weten of hy er oorzaak toe had; maar Jan van Arckel was geen Bisschop +om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers +van Woudenburch gebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had, +ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad +en het kasteel Montfoort, beide door Sweder bezet en verdedigd. + +De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de +bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker +en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het +beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als +van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig: +hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen +een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen +ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en +lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende, +getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men +om zijne groote goederen Sweder den rijke noemde, eene belangrijke +som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het +doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar +het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge +recht in de Heerlijkheid Montfoort, voor altoos, terwijl hy het lage +recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder +ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining +van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag +met Schout, Schepenen en gemeene buren van Montfoort, waarby deze +beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met +niemant, wie 't ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den +Bisschop van Utrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere. + +Het zij nu dat Sweder edel genoeg dacht, om ook eene door den nood +afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den +geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield--het blijkt niet, +dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig +te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan +zijn voorgevallen. + +Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoon Henric [16]. Deze +Burchtgraaf, die zich den tytel van Heer van Montfoort aanmatigde, +verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk van Abcou, Heer Willem, +tegen Bisschop Floris van Wevelichoven, en eigende zich met kracht +van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby +het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop +niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te +berooven, en belegerde het slot van Abcou; toen hy dit overmeesterd, +en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich tot +Henric van Montfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het +Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den +verdragsbrief van 1297: Bisschop Floris wilde, als een voorzichtig +Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen +gebied meer dan gevaarlijk werd, en thands de machtigste zijnde, +maakte hy, als 't gewoonlijk gaat, van die macht misbruik. + +Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van +de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond, +werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen +de banne van Montfoort meer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy +er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de +stad Montfoort te komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken; +en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende +tegen de bisschoppelijke leenheerschappij. Henric verdedigde zich +met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd +jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de +stad Utrecht in leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen +uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond +uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch, +en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid +voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak +zou worden uitgesproken volgends het Landrecht van Utrecht, door den +Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge +waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen, +en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring +volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen +Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden; +maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten +nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men +niet voornemens was te onderzoeken, maar wel te oordeelen. De Bisschop +bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar +tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig +had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan, +waarover voldoening gegeven moest worden. Heer Henric verklaarde die +gaarne te willen geven--mits zijn schuld uit het onderzoek blijken +zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig +bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak +wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. Maar Henric was +te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog +gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht, +of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche +schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en +den meesten van den lande." En daar hem zulks niet werd toegestaan, +verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men +hem opzettelijk zijn recht onthield. + +Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht, +nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf +had Heer Henric verlijd met het Dijkgraafschap »tusscen den nywen-Dam +ende Sevenhoven, die Lecke langens, ende tusscen den nywen-Dam ende +Haestrecht, weder die Ysel langens," gelijk dit van ouds Stichtsch +eigendom geweest, en steeds door de Montfoorts al van over honderd +jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder +eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de +Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met +brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen, +Leenmannen en Steden van 't Sticht met den Burchtgraaf te breken; +en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een +bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen +naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor +goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende +meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met +een sterk leger voor Montfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde +oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde +er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte +schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werking werden +gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een +aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de +bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen, +deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte +sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd +gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen +gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en +een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde +niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen +als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het +gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht +te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche, +thands Luyksche, Bisschop Aernout van Hoorn, oom van Heer Henrics +gemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te +bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde +voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het +hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen +toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder: + +Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden +door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen +zich nimmermeer Heeren, maar Burchtgraven van Montfoort schrijven. De +stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en +diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar +te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot +het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het +Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet +meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten, +of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich te Montfoort +neêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader +uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en +andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet +verandwoord had, terstond uitbetalen; ook moest hy de oirconde van +Bisschop Jan van Nassau aan den Luykenaar in handen geven, waarvoor +hy een andere van Bisschop Willem zou ontfangen, inhoudende de nieuw +gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen +uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden +tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden +worden. + +Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest +zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder +hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen, +blootshoofds en in 't openbaar, dragende in zijne hand de sleutels +van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven, +daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed +van trouwe doende [17]. En totdat deze zoen geheel geregeld was, +mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig +man in Utrecht legeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van +den Bisschop van Utrecht en van Amersfoort zoo wel op der stede als +op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen +dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde +gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan +komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemde +Henric van Montfoort, Heer Henrics neef, die daarom van zijne anders +denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten, +den toenaam »de Rover" ontfing. Wy lezen ten minste: »dese Heer Henric +de Rover, Heer Willems soon, bleef doot in het besit van Montfoort, +t'welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des +Vrydaechs nae Pinsterdach." + +Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraaf weer huiswaart +rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan +nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop van Utrecht te +dienen, deszijds den IJssel met 25 speeren [18], op eigene kosten, +en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe. + +Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn +»lieven, geminden Heer", en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags +na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387." Nogtans verklaarde hy, en +wel, zonderling genoeg, tevens in 't volle kapittel, by zijn eed en +ridderschap, dat hy 't alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid, +vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook +schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde +Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends +des Ridders sterke bewoordingen in 't kapittel.--»Daarmeê neem ik +geen vrede," sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop, +en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht +niet benadeelen:--omdat allen, die hierover moeten zitten, niet +tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den +vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die +men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen, +Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht +verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap +beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende, +daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten +oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren +beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken; +omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft, +en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in +'t bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest." + +Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo +knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed +en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw +van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was +hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste +gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen +recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnen Montfoort, +door zekeren Jan Jans van Boemel, een manslag gepleegd op eenen Arent +den Schermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en +maakte er zich meester van den moordenaar, die, naar Utrecht gevoerd, +daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette. + +Van Henrics twee zonen, Sweder, Ridder, en Jan, Domdeken en Proost te +Utrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch +wel billijk ware geweest. Bisschop Frederic van Blanckenheym weigerde +dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in +'t openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig +was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, 't zij nu dat +deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op +zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde, +ter strengere handhaving van zijn gezach--hy liet zich eindelijk door +bidden en dreigen van Sweder en diens vrienden bewegen, om hem met het +Burchtgraafschap te beleenen, maar--op de zelfde voorwaarden, waarop +Heer Henric dat ontfangen had. Heer Sweder bleef geen andere keuze, +en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor, +waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel +aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop, +thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en +hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van +gewelde" te zullen laten. + +Toen Sweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de +zelfde strijd. Zijn broeder Jan, de Utrechtsche Domdeken, had de kap +aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon +echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap, +waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel +almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil +tusschen hem en Bisschop Frederic, over het verbreken der overeenkomst +van 1387, waarin Graaf Willem van Holland, als scheidsman, hem echter +in 't gelijk stelde. + +De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel +werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden +tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beieren tot dadelijken +krijg overgingen, en de Montfoorters des Bisschops partij kozen. In +dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijc +van Montfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard: + +By een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijc +in der haast te Montfoort zoo vele manschappen samen, als er uit +de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde +deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand +tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver Van der Beke, +toen Heer Lodewijc met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als +een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de +vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en +streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en +stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal +volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden, +want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die van Oudewater moesten +'t eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man +aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf +met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinte +Martyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren." + +Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos +behandelde Jacoba van Beieren zoo menig goede dienst, dat zy hem +uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie +Heerlijkheden, palende aan het Land van Montfoort, namelijk: Linscoten, +Hekendorp en Snelrewaerd, die hy later, schoon eerst onder Filips +van Borgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy +ook bezittingen in Holland verkregen: de Heerlijkheid Purmerende, +die hy in 1431 van den Ridder van Sijl had gekocht. + +Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman, +van den Bisschop van Utrecht tot den Burchtgraaf van Montfoort, in eene +omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende +oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschen Rudolf +van Diepholt en Sweder van Culemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag +tusschen Bisschop Frederic en Jan van Beieren buiten gesloten, vond +zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak, +waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door 't groote +meerendeel der Stichtenaars gehaten, Bisschops Sweder koos. Hy leende +dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000 +Hollandsche Wilhelmsschilden [19], en ontfing daarvoor ten jare 1430 +in pandschap de hooge Heerlijkheid van Montfoort, met uitdrukkelijke +voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo +dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en +krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te +rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden +zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren van Montfoort, +wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk +hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde. + +Heer Jan van Montfoort had alzoo door zijne rijkdommen verworven, +wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden +getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet +gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te +feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg. + +Uit zijn huwelijk met Cunigonde van Bronchorst waren hem drie +zonen geboren, Henric, Willem, en Sweder. Henric, een heethoofdig +en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voor +Agnes van IJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het +huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare +bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aan +Blocland, de andere in Benscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy, +ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden, +een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van +geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd +geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te +onterven. + +De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene +omstandigheden, kwam Henric tot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen +vader te dwingen. Gants in 't heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen, +waaronder voornamelijk de verwanten van zekeren Jan van Naerden, +poorters van Woerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale +op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen +naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken" +gevangen hield. Zyn broeder Willem, wien dit verdroot, begaf zich, daar +de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos +was, naar Holland, en klaagde Filips van Borgondiën wat er te Montfoort +plaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den +ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling +noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk, +waarby Johan in het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd, +onder voorwaarde, dat hy Jonker Henric noch onterven, noch ook maar +een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men +echter daarby op eene andere plaats: »deselve Heer Johan Voorsz. sterf +daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach," dan +heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, dat Henric in +zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken, +het gezach over 't Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder +zich aan de gemaakte bepalingen te storen. + +In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn +broeder Willem voor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen te +Utrecht zoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier +stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden +voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne +handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed +verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige +staatkunde evenwel van Filips den Goede, die in de toekomst alreeds den +opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoon David zag bekleeden, +sloot zich den Montfoorters aan, en maakte hen, door een verbond +van onderlingen bystand met hem en de Edelen van Mynden, Zuylen, +Cronenborch en anderen, waarby zich ook de Stad Amersfoort voegde, +zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en Bisschop +Rudolf de hand konden bieden, om hem weder in 't bezit zijner met hem +in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed +op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den +slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort +te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed +hem toch eene belangrijke boete betalen. Willem van Montfoort hield, +na de bevrediging door Filips, geheel de zijde zijns broeders, en +beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen van Utrecht +te vertoonen, eene opschudding binnen de Stad ten voordeele van Rudolf +te verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte. + +En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht. + +Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche +gewoonte, het bestuur binnen Utrecht veranderd, en de poorters +hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en +drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van +den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer, +waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy +eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort +en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in 't +heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam--en, +in hare duisternis verborgen, ook Bisschop Rudolf. Met hem waren zijn +neef Proost Coenraad van Diepholt, de Domproost Sweder van Culemborch, +Burchtgraaf Henric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene +bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der +krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene +ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop +de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers +den toegang. De Utrechtenaars, door 't gerucht en de kreten thands +gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker +te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht +greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die +van Utrecht niet in den rug gevallen--de Bisschoppelijken hadden de +stad waarschijnlijk niet behouden. Rudolf behaalde de overwinning, +maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank +ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van +belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de +voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden, +en waarin natuurlijk zijn broeder Willem deelde, wiens banvonnis door +den Stedelijken Raad terstond herroepen werd. + +Na den dood van Bisschop Rudolf schijnen de broeders minder eenstemmig +geweest te zijn: Heer Willem wordt gevonden op de lijst dergenen, +wien, als tegenstanders van Bisschop Gijsbrecht van Brederode, in 1456 +by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat +zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos, +met Reynout van Brederode en Johan van Cleve naar Leyden begaven, +om Hertog Filips met den Bisschop en diens stad te bevredigen. + +Twee jaar later, 1458, overleed Henric, en werd opgevolgd door zijn +zoon Johan den Tweede, bekend onder den naam van Johan de Rijke, +thands Heer van Montfoort, Lynschoten en Purmerende, en, door zijn +huwelijk met Willemyne, Erfdochter van Naeltwyc, na 1496 tevens Heer +van Naeltwyc, Cappelle en Wateringhe, en Erfmaarschalk van Holland. Het +verlij met Montfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel +en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen, +die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide Heren Florens +van Wevelkoven, Bisscop te Utrecht an die een zyde, ende Heeren +Henrick Borchgrave tot Montfoirde an die ander zyde, gededingt was, +begrepen syn." Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrecht niet +onder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste +vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der +Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel +meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn +vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469 +te rug keerde. De oversten der gilden te Utrecht gaven hem toen, +met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over +zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die +door den Domproost, door Heer Jan van Renesse, en andere voorname +leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden +van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond, en waarvan +de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn, +eene som van 10 rijnsguldens (f 13.) en 14 stuivers beliepen. + +Bisschop David van Borgondiën, die niet zeer by zijne poorters +gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel +eenige achterdocht geraapt hebben [20]; hy vond ten minste goed om hem +naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van +trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474. Johan +gaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter +goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy, +in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te +steunen, zijne onderzaten in 't algemeen minder van zich verwijderd, +en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit +evenwel niet--en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met +zijne stad Utrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman +verkoos. Johan was voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnen +Utrecht te vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was +er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam +dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der +Hoekschen in Holland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig +inwerkte. Toen Reynier van Broechusen in 1481 de stad Leyden voor die +partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok, +spoedde hy zich over Woerden naar Montfoort, wel wetende daar eene +goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de +Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene +zware proef werd gesteld. De Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk +zette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na, +kwam voor de stad, eischte vrijen ingang, en daarby de uitlevering +van Heer Reynier met diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander +andwoord dan hy verwacht had: die van Montfoort stelden zich te weer, +en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche +benden spelen, zoodat Maximiliaan zelf byna door een serpentijnkogel +gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon 't Palmzondag was, +te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen, +tot de eigendommen van Montfoort behoorende, aan de vlammen te hebben +opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in den Hage, of hy vaardigde +tegen Broechusen, Henric van Nyevelt en anderen, waaronder ook Johan +behoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy +onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam +dit op het verlies zijner Heerlijkheid Purmerende te staan, met wier +inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond. + +Maximiliaans maatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten +zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust +maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den +Aartshertog af te bidden. David stelde ter voorwaarde de uitdrijving +van den Burchtgraaf, 'tgeen den Raad in groote ongelegenheid en +tweespalt bracht, en ten gevolge had dat Johan, die in den laatsten +tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen +verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neef Henric van +Zuylen van Nyevelt voor het stadhuis trok, waar hy de stads banier +plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen +deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam +tot handdadigheid; het staal besliste--de Burchtgraaf verdreef zijn +tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad. + +Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half +genoodzaakt, de zijde van Maximiliaan, stelde Frederyc van Egmond +van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als +Legeroverste aan, ontfing uit Holland, behalven 400 wapenknechten +onder Jan van Cats en Jacob van Boshuzen, den bekenden Ridder +Petit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het +mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en +hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den +Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een +Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den Stadhouder +La Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10en dier +maand het beleg sloeg voor het blokhuis te Vreeswijc aan de vaart, +dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die van Utrecht +de noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf +terstond de reizige-ruiters [21] en voetknechten uit Montfoort en +Amersfoort lichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok, +met zijn oom Sweder van Montfoort, Henric van Zuylen van Nyevelt, +Dirc van Zuylen van der Haer, Vincent van Swanenburch, en Willem van +Wachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat +het leger by Engelenburch was gerangschikt, werden Vincent, Willem, +en Dirc (Henric weigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de +vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat +het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen +weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene +achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den +eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door +een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste +verwarring op de vlucht. Op de wegen naar Schoonhoven, Oudewater, +Woerden, en IJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne +wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in +de Leck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan +te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot +in het duister van den laten avond zettenden Montfoort en de zijnen +hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad, +geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde +vanen van Dordrecht, Delft, Rotterdam, en Heusden, trokken zy in triomf +hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door +gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed +niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche +steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de +Burchtgraaf van Montfoort niet tegen den Aartshertog van Oostenrijk, +op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen +over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren +afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever +de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad +zou zien gaan,--dat hy en zijne aanhangers liever den nood van +honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle +poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, dat Utrecht +ongeschonden onder de heerschappij van Bisschop David zou te rug komen. + +Een listige aanslag tegen Naerden, 8 Dec. 1481, met goed gevolg +bekroond, maar door toeval zonder ondersteuning gebleven, werkte +meer kwaads dan goeds, daar de Hollanders terstond daarop de plaats +bezet hielden, en van daar uit herhaalde strooptochten deden. Ook +hielp het Eemnes weinig, of een honderdtal Stichtsche krijgers het +kwam versterken:--de bloeiende plaats werd door het Hollandsch leger +ingenomen en zoo deerlijk verwoest, dat zy zich nooit weder heeft +kunnen herstellen. Evenmin baatte het Baern en Soest, dat hunne +inwoners beroemd waren om heldenmoed zoowel als om bekwaamheid +in het voeren van den boog:--beide dorpen werden overvallen, en de +gloed hunner vlammen lichtte tot op den Amersfoortschen berg, vanwaar +Engelbert van Cleve ze aanschouwde, juist toen hy naar Utrecht trok om +het hem aangeboden ruwaardschap over het Sticht te aanvaarden. Tot +die aanbieding was men overgegaan op raad van den Burchtgraaf, +die de noodzakelijkheid van een machtigen bondgenoot al te wel +inzag, sedert hy zich overtuigd hield, dat de vrede met Maximiliaan +zonder herstelling van den Bisschop onmooglijk werd. Engelbert-zelf +was slechts negentien jaar, zijn broeder, Hertog Jan, een machtig +Heer.--Waarlijk! de vroede, maar al te heerschzuchtige Burchtgraaf +had geen beter bondgenoot kunnen kiezen. + +De Stichtsche zaken werden er evenwel niet gunstiger door. Die van +Utrecht, by een uitval in eene hinderlaag gelokt, verloren 150 dooden +en 100 gevangenen [22]. Dat gaf eene droevige verslagenheid binnen de +stad, waar de lagere klasse alreeds gebrek, de kleine burger behoefte +begon te lijden, en de meer-gegoeden en rijken de toekomst beängst +gingen inzien. Montfoort ging onwankelbaar zijn weg: hy versterkte de +wallen, deed scherpe wacht houden, en de landstreek rondom onder water +zetten. Den 15en Januari 1482 verscheen de Stadhouder van Holland met +zijn leger naby Utrecht, maar trok, na eene vruchtelooze opeisching, +drie dagen later weder te rug. Twee maanden verder, 18 Maart, deed de +Burchtgraaf, door Vincent van Swanenburch, Vianen innemen en bezetten; +maar den Raad der Bisschopsstad was dit weinig naar den zin, en hare +burgers droegen er eerder meer dan minder oorlogskosten om: beiden +morden in stilte, en de wolken, die boven de kim van Montfoorts gezach +oprezen, werden hoe langer hoe zwarter en dreigender. Een mislukte +toeleg op Dordrecht, in April, beterde daar niet aan. De Burchtgraaf +meende zelfs op het spoor eener samenzwering te zijn, deed eenige +burgers de stad ruimen, en haalde er verscheidene vroegere ballingen +weder in; een burger, die kwalijk van hem gesproken had, werd openlijk +onthalsd. In kleine, afmattende strooptochten en schermutselingen +(by een van welke Jan van Schaffelaer die grootheid van ziel toonde, +die wy nog met eerbied bewonderen) ging de oorlog steeds voort, +meestal met verlies aan de zijde der Stichtschen. Eindelijk meende +men dat de tijd voor groote handelingen aangebroken was: de Cleefsche +hulpbenden zouden weldra opdagen, en in afwachting daarvan, om tot eene +bestorming over te gaan, sloeg de Burchtgraaf het beleg voor de stad +IJsselsteyn. Maar zelfs hierin maakten onvoorziene omstandigheden zijne +kloeke maatregelen weer te schande: toen de Cleefschen nu ook werkelijk +waren aangekomen, verklaarden zy gezonden te zijn om te stroopen, niet +om steden te bestormen, en weigerden volstandig alle meêwerking. Hy +moest dus met bittere teleurstelling weder aftrekken, daar zijne +eigene manschap te weinig in getal was. Beter integendeel dan deze +onderneming slaagde die der Hollanders, in de maand September, op het +blokhuis Gildenburch aan de vaart: de tijding van de overmeestering +en volkomen vernieling dezer sterkte baarde te Utrecht weder nieuwe +angst en bekommering. + +De roem van des Burchtgraven persoonlijke dapperheid leed toch +volstrekt niet onder de gedurige mislukking zijner kloekberaamde, +maar door anderen slecht uitgevoerde of ondersteunde plannen. De +koene Ridder Jan van Egmond [23], wiens gebrek aan den voet door +eene dubbele mate van kracht in de borst meer dan opgewogen werd, +voelde begeerte om zich met den Montfoorter, man tegen man, in +het strijdperk te meten. Hy zond hem daarom eene uitdaging tot een +ridderlijken tweekamp; de overwinnaar zou van den overwonnene een +losgeld van 1000 kroonen erlangen. De Burchtgraaf liet zich echter +niet overhalen. Misschien achtte hy het ongeraden, om het vertrouwen +op zijne dapperheid aan den onzekeren uitslag van zulk een strijd prijs +te geven, vooral in een tijd, waarop hy het getal zijner aanhangelingen +met den dag verminderen zag. Zelfs Engelbrechts gezindheid te hemwaart +nam af, blijkends diens goedkeuring op de verkiezing van Aernt Ram tot +Schout en Schepen-Burgemeester der stad, 12 Nov. 1482, in de plaats +van den overleden Jan de Coningh:--Rams goed-hoekschgezindheid was +niet buiten verdenking. + +De volkomen nederlaag deed zich niet lang wachten. Op den 4en April van +het volgende jaar, terwijl de Ruwaard zich te Amersfoort bevond, brak +er eene omwenteling uit, die Bisschop David in de stad, en Johan van +Montfoort met eenigen der zijnen in de gevangenis bracht. Gelukkig +voor den Burchtgraaf was Henric van Zuylen van Nyevelt nog in +vrijheid. Deze wakkere bondgenoot (dien de kronijk »een cloeck, +stout, vroom man" noemt) verzamelde met den Ruwaard en Gijsbrecht +Baes een deel gewapenden, overviel de stad op Hemelvaartsdag, en +verloor er wel het leven, maar sprak nog stervende zijnen volgers zoo +vurigen moed in, dat zy werkelijk boven des Borgondiërs aanhang meester +bleven. De Bisschop, in 't onzekere over den afloop, had intusschen den +Burchtgraaf voor zich doen brengen, en was met dezen overeen gekomen, +dat de een des anderen lijf zou schutten, wiens partij ook overwon. De +Burchtgraaf hield woord: hy beschermde het leven van den Kerkvoogd, +die naar Amersfoort gevoerd en aldaar gevangen gehouden werd. + +Nu begreep men in Holland om tot afdoende maatregelen over te +moeten gaan--en de stad Utrecht zag zich weldra door eene sterke +belegering onder Maximiliaan geheel ingesloten. Vergeefs waren alle +onderhandelingen, en de Aartshertog was eindelijk oneerlijk genoeg, om +de afgezonden onderhandelaars, Engelbrecht van Cleve en Burgemeester +Gerrit Soudenbalch, gevangen te houden. De Burchtgraaf, die met hen +was, ontkwam by geluk. Door een heimelijken vriend gewaarschuwd, nam +hy den schijn aan als of hy, ter uitbreiding van hunnen lastbrief, +spoedig naar de stad moest gaan, en terstond te rug zou keeren; zoodra +hy echter in 't zaal zat gaf hy zijn ros de spooren, en rende heen in +volle vaart. Dat mag achterdocht verwekt hebben: eenige reizige-ruiters +zetteden hem terstond na, en waren hem dicht op den voet, toen hy +gelukkig naby de boomgaarden was, van 't paard sprong, en dwars door +'t geboomte, over slooten en greppels, langs bypaden en heimelijke +wegen voortsnellende, behouden de poort bereikte. Zondag daarop werd de +stad heftig bestormd door de Hollandsche benden, maar de Burchtgraaf +sloeg ze wakker af. By eene volgende bestorming werd de voorstad de +Waard verloren, waar de vijanden zich nestelden, en vooral geschut +plaatsten. Op het einde neep het gebrek in de stad gevoelig; men kwam +tot een verdrag, en op den 6en September 1483 trok Maximiliaan als +overwinnaar, door eene gemaakte bres in de wallen, Utrecht binnen. De +tot overmoed aangegroeide heldhaftigheid van Johan van Montfoort had +niet geholpen: in genade aangenomen, vertrok hy naar zijne eigene stad, +maar peinzende hoe hy den Cabiljaauwschen toch verder afbreuk zou doen. + +De gelegenheid daartoe kwam. + +Een klein uur zuidwaart van Montfoort hief steeds het zware kasteel van +Woerden de grijze spitsen boven het geboomte. De Burchtgraaf vernam, +dat de Hollandsche Slotvoogd Aernout, bastaart van Ysselsteyn, een +schraapziek Ridder was, die, bouwende op de sterkte der burcht, de +door hem genotene inkomsten niet, gelijk het zijn moest, ten deele +tot het uitrusten en in standhouden eener goede bezetting besteedde, +maar ze geheel voor zich-zelven behield, zoodat er slechts éen man +de nachtwake deed en ieder uur éenmaal de wallen rond ging, om onraad +of kwaden aanslag te verspieden. Toen was zijn plan gemaakt. + +De lange nacht na den tweeden Kersdag, 1488, hing met hare doodsche +stilte op het kasteel van Woerden, toen Heer Aernout door wapenklank en +staalgekletter werd gewekt. En eer hy nog zijne echtgenote opmerkzaam +kon maken, ging de deur van het slaapvertrek open, vertoonden zich de +Burchtgraaf met diens oom Sweder en eenige andere Hoeksche Edelen, in +volle harnas en met getrokken zwaard, voor den ontstelden Kastelein, +en verklaarden hem hun gevangene. 's Morgens zagen de omwoners van +het kasteel met verwondering en schrik, dat er niet meer de liebaart +van Holland, maar de banier van Montfoort in de koude Decemberlucht +wapperde. Zoo onverwacht en ijlings was de burcht in de nacht beklommen +en overmeesterd geworden. + +De Burchtgraaf zorgde beter voor eene goede bezetting, en hield +er zich dikwijls op, zendende zijne gewapende knechten tegen de +Hollandsche dorpen uit. »Ende dair geschieden veel rovingen, branden +ende brantscattingen ende andere dingen, alsmen in zulken feiten +van orlogen plach te gebruiken: van scepen ende scuiten, die na der +Goude ende Utrecht voeren te beroven ende te bescadigen. Ende alle +dye dorpen, ghelegen tusschen Leyden, Hairlem, ende Amstelredamme +mosten allegader meest brantscattyngen gheven: dair hy alten groten +swaren goet of creech." + +Een aanslag op Leyden, met den uit Rotterdam afgezonden Heer van +Naeltwijc beraamd, mislukte, even als later een op Naerden. Maar +in dien tusschentijd overmeesterde de Burchtgraaf het blokhuis by +Woerden, en verwoestten zijne krijgslieden, op een helderen Oktoberdag +in het natte najaar van 1489, het versterkte Bodegraven. Kort daarna +overvielen zy Stolwijc, en legden het mede in de asch; ja zy trokken +door de veenen tot Nyeberch, en plunderden het, niettegenstaande de +dorpelingen aan den Burchtgraaf brandschatting betaalden. + +De klachten, over dezen onophoudelijken moedwil gerezen, deden +eindelijk den Stadhouder-Generaal, Hertog Aelbrecht van Saxen, +gehoor geven aan het verlangen van Edelen en steden, om Montfoort, +het brandpunt dezer verzengende stralen, te belegeren. In het laatst +van Mei, 1490, kwam hy met vele Ridderen, Heeren, en knechten, in 't +geheel een groote macht volks, en sloeg zich om de stad en het kasteel +neder. Terstond werden de donderbussen en andere schietwerktuigen +opgericht, en weldra dreunde de grond onophoudelijk van den donder des +geschuts niet alleen, maar ook van de vallende steenklompen van muren, +poorten, en torens: het geschut werd goed bestierd, en richtte geduchte +verwoestingen aan. In 't begin van Juli werd tot den storm besloten, +en de Henegouwsche knechten deden den eersten aanval; maar daar zy door +de Duitsche benden niet behoorlijk werden ondersteund, en de wakkere +Montfoorters zich hunnen Burchtgraaf waardig toonden en hen vromelijk +te lijf gingen, werden zy met verlies te rug geslagen. De Hertog liet +zich echter door eene eerste mislukking niet ontmoedigen. Nog in het +laatst der zelfde maand gelastte hy eenen tweeden storm--maar die +niet beter afliep: de brug, door de bestormers met groote moeite over +de gracht gelegd, begaf hun en zonk; daar ontstond groote verwarring; +zy werden nogmaals afgeslagen, en verloren een groot aantal gekwetsten +en dooden. Onder de laatsten telde men den Grave van 'Tsoorle, wiens +broeders reeds in den Utrechtschen oorlog waren gevallen. + +De moed van den Burchtgrave en der zijnen werd door den gelukkigen +uitslag van hunnen weerstand niet weinig gestijfd. Herhaaldelijk +deden zy onverwachte uitvallen in het Hollandsche heir, sloegen er +menigen vijand neder, en keerden gemeenlijk met buit en gevangenen +te rug. Zeker, de Hertog mocht al de overtuiging hebben, dat stad +en burcht, steeds ingesloten door een macht als de zijne, eenmaal +zouden moeten overgaan--maar hoe lang zouden zy 't nog volhouden, +aangevoerd en aangevuurd door een stouten bevelhebber als Johan van +Montfoort? Eene dergelijke overweging mag wel hebben bygedragen tot het +leenen van een gunstig oor, toen in Augustus de Graven van Nassau en +van Chimay in Holland kwamen, en den Hertoge woorden van bevrediging +toespraken, ten einde »dese twist, schade, hinder ende grote +verderflijcke oncosten ende dye grote bloedstortinghe te beletten." + +En werkelijk kwam het nu spoedig tot eenen zoen, nadat de belegering +byna vier maanden geduurd had. De beide strijdende partijen werden +vereenigd, maar hoe of op wat wijze, zegt de kronijkschrijver, dat is +onder de Heeren geheim gebleven, en het algemeen is er onkondig van +geweest; alleen weet men, dat de Burchtgraaf beloofde geen Hollandsche +ballingen op zijn burcht meer te herbergen. Voor 't overige deed +hy hulde en manschap aan Maximiliaan en diens zoon, en leverde het +kasteel van Woerden te rug in handen des Hertogs, die het terstond +van een waakzamer Kastelein en behoorlijke bezetting voorzag. + +Nu haalde Holland weder ruim adem: de belemmering van wegen en vaarten +werd opgeheven, zoodat men overal weder vrij en veilig reizen en +trekken kon. + +Ongestoord en rustig bleef de rijke Burchtgraaf thands in het bezit +zijner goederen. Dat er echter geheime vijanden waren, die hem dit +misgunden, mag worden opgemaakt uit een vreemd voorval van eenige +jaren later, waarby men moeielijk alleen aan al te koene vrijbuiters +denken kan. + +Het was in 1495, kort na den 14en Juli, waarop er zulk een ontzettend +onweder gewoed had. De nacht was gedaald, en mag wel niet zeer helder +geweest zijn, toen eenige mannen, aan de gracht van het kasteel te +Montfoort genaderd, er eene schouw te water brachten, kennelijk met +het doel om de wallen te beklimmen. Maar het was hier niet, zoo als te +Woerden: De naauwlettende wacht werd opmerkzaam, en in een oogenblik +was de gantsche bezetting op de been. Haastig namen de vijanden de +vlucht, en wie of wat zy geweest zijn, is altoos een raadsel gebleven. + +Bisschop Davids opvolger, Frederic van Baden, in 1499, kort na het +ten onder brengen van de Heeren van Wisch, met den Hertog van Cleve +in oorlog geraakt, behoefde herhaaldelijk geld, dat hy wel voor een +groot deel, maar toch niet geheel en al, by zijne getrouwe steden van +het Bovensticht vinden kon. Hy wendde zich daarom ook tot Burchtgraaf +Johan, die hem met vier duizend gouden rijnsguldens bystond, en +daarvoor het recht der hooge heerlijkheid weder in pand ontfing voor +zich en zijn geslacht, tot zoolang de pandsom weder te rug betaald +zou zijn. De oirconde daarvan werd den 21en Augustus 1499 bezegeld, +en op Sint-Andries [24] daarna beloofde de Bisschop, by open brieve, +dat hy-voor-zich het pand nimmer zou doen lossen. + +De Burchtgraaf maakte zich ook nog in zijn ouderdom by den Bisschop +verdienstelijk, want het was vooral aan zijne onverpoosde bemoeiïngen +te danken, dat de vrede tusschen Utrecht en Holland in het voordeel +van den Prelaat tot stand kwam, en in het laatst van Juli, 1511, met +de Landvoogdes Margareta van Oostenrijk gesloten werd. Verder vindt +men niets byzonders meer van hem opgeteekend. De juiste datum van +zijn overlijden schijnt niet bekend te zijn; hy leefde nog in 1512, +maar zijne echtgenote was hem reeds in 1506 door den dood ontvallen. + +Hun zoon Joost van Montfoort, gehuwd met Anna van La-Layng, volgde hem +op, en werd in 1530 door Keizer Karel den Vijfde in alle voorrechten +bevestigd, hoewel het Hoogheerlijk recht, waarop de Burchtgraven +zoo grooten prijs stelden, merkelijk was besnoeid door het sedert +eenigen tijd te Utrecht gevestigde provinciaal Gerechtshof. Heer +Joost overleed reeds in 1539, terwijl zijne kinderen Johan en Filippa +nog minderjarig waren, weshalven Vrouwe Anna ten hunnen behoeve het +Burchtgraafschap bestuurde. + +De Stichtsche zaken waren thands onder het waereldsch beheer +allengs op een geregelder voet gekomen, zoodat men de vroeger +gemaakte pandschulden kon beginnen af te lossen. Zoo werden in +1545 aan de voogden van Joosts oudsten zoon Johan de vier duizend +rijnsguldens te rug betaald, die in 1499 aan Bisschop Frederyc waren +voorgeschoten. Daarmede werd natuurlijk de vergunning tot uitoefening +van het hoog gerecht ingetrokken. Te vergeefs trachtte Johan dit +later weder in bezit te krijgen; en toen hy eene proeve waagde, +om het eigenmachtig weder uit te oefenen, werd hy in 1551 door het +provinciaal Gerechtshof van Utrecht daarin belet. + +Hy overleed kinderloos, en het Burchtgraafschap kwam alzoo op +zijne zuster Filippa. Deze huwde met Heer Jan van Merode, geboren +uit het aanzienlijk Grafelijk geslacht van dien naam, uit Gulik +herkomstig, en aldaar reeds in 1250 bekend. Hy werd in 1583 met +het Burchtgraafschap verlijd, maar bezat het niet zoo lang als zijn +schoonvader. Zijn huwelijk had hem geen zonen, slechts eene dochter, +Anna, geschonken. Anna van Merode was dus Erfdochter van Montfoort, +en trad in den echt met Filips van Merode, Baron van Petershem, +die op den 8en December 1593 als Burchtgraaf werd erkend. Onder zijn +bestuur, in 1617, werd met goedkeuring der Staten-Generaal en die van +Holland de gracht gegraven, die van het water de Linschoten tot aan +de IJsselpoort loopt, en der scheepvaart vrij wat gemaks verschafte. + +Zijn zoon, naamgenoot, en opvolger, Filips van Merode, van wien wy +niets meer weten, dan dat hy, Vrijheer van Merode en Markgraaf van +Westerloo zijnde, in 1628 Burchtgraaf van Montfoort werd, stierf na +een twaalfjarig bezit, nalatende Ferdinand Filips van Merode, Vrijheer +van Merode, Graaf van Olem, Markgraaf van Westerloo, Burchtgraaf van +Montfoort, Heer van IJsselmonde, Ridderkercke, enz. + +Met dezen Ferdinand Filips eindigt de rij der Burchtgraven van +Montfoort, wier historische figuur, na Johan den Rijke, ook hoe langer +zoo kleurloozer wordt. In 1648 verkocht hy het Burchtgraafschap en +de Heerlijkheid van Montfoort aan de Provinciale Staten van Utrecht, +voor eene som van 225,000 gulden. + +Uit den belangrijken koopbrief van 4 Juli des gemelden jaars, zien wy +volledig wat toenmaals tot het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van +Montfoort behoorde, waarvan het voornaamste eene mededeeling verdient. + +Allereerst: het recht van patroonschap over de kerk van Montfoort en +verschillende vicaryen, zoowel dáar als te Woerden en te Linschoten, +enz. Vervolgends: + +De stad en vrijheid van Montfoort, met het rechtsgebied, het aanstellen +van Schout, Burgemeesteren, Schepenen, Sekretaris, Kerk-, Huis-, +en Schoolmeester, Bode, Organist, en Koster, en nog andere ambten en +bedieningen. Verder: + +Het kasteel met grachten en verdere aanhoorigheden; de hof of boomgaard +in de stad, voor de poorten van 't kasteel; twee boomgaarden, waarvan +de een, het Cingel genoemd, binnen, de ander, tusschen de groote en +kleine grachten, buiten de stad gelegen is; het aan deze laatste +palende wilde bosch, met gebouwen, beplantingen en kunstheuvelen, +mitsgaders de opperhof, het olmboomenbosch, en de cingels daar buiten, +met de visscherij in de kleine gracht, al hetwelk in jaarlijksche pacht +werd uitgegeven; de visscherij in de grachten van het kasteel en de +stad, en gedeeltelijk in den IJssel, van Snadelenhoeck tot Oudewater; +de zwanendrift, het recht van den wind, de wind- en de roskorenmolen +met het molenaarshuis en erf, voor zoover dit den Burchtgrave behoort; +alle thynsen die hem toekomen, van verschillende huizen, boomgaarden, +en erven, binnen het Burchtgraafschap, jaarlijks bedragende 132 +gl. en 5 st.; het heerenrecht van een aantal leenen en vasallagiën, +tot het Burchtgraafschap, de stad en het kasteel behoorende: Achthoven, +Heeswijck, Kattenbroeck, Papencop, enz.; het Erfdijkgraafscbap langs +de Leck, tusschen den Nieuwen-dam en Schoonhoven, en langs den IJssel +tusschen den Nieuwen-dam en Haestrechter-Were; de aanstelling van +Sekretaris en dijkbode by het kollegie van Dijkgraaf en Heemraden +van Lopickerweerd; enz. Bovendien blijkt uit den zelfden brief, +dat de Burchtgraven binnen de stad Utrecht bezaten een huis en erve, +genaamd: de Huizinge van Montfoort. + +Het grootste gedeelte van al deze rechten en bezittingen kwam door +dezen koop aan de Staten, en alzoo werd het land van Montfoort voor +goed aan de provincie verbonden; de stad op zich-zelf was overigens +reeds stellig in 1530, en nog duidelijker in 1585, tot de leden van +het Neder-Sticht gerekend, en als zoodanig in de Provinciale Staten +vertegenwoordigd geworden. De burchtgrafelijke praal »metten aencleve +van dien," was nu voor altijd verdwenen, en men kon het kasteel +vergelijken by een grijzen eik, die het laatste groen, dat hem nog +tooide en vrolijk maakte, thands verloren had. Zeker, de landzaat +had nog eerbied voor zijne eerwaardigheid; maar wanneer daar eens +vreemden kwamen en te machtig werden, zou men dan de vernielende bijl +kunnen weeren? + +Den 7en April 1672, verklaarde Frankrijk [25] aan het Gemeenebest den +oorlog, en, ten gevolge van de jammerlijke bekrompenheid der Algemeene +Staten (te laat ingezien!) waren de Franschen reeds in Juni meester +van Utrecht. Het spreekt van zelf, dat het bezit van eene plaats als +Montfoort, door een zwaar kasteel versterkt, den overweldigers niet +onverschillig was: den 21en Juni woei dan ook de lelievaan van den +burchttrans. De Montfoorters hadden aanvankelijk van deze eerste +vestiging niet lang te lijden: Lodewijk, in de eerste helft der +volgende maand ziende, dat de voorlanden van Noord-Holland allen +onder water werden gezet, gaf bevel om de voorposten uit Woerden +en Montfoort op Utrecht te rug te trekken. In de laatste helft van +September echter, toen de Maarschalk Luxemburg Utrecht door eene +lijn van versterkte posten beschermen deed, lag ook Montfoort in +die rij, en werd het kasteel van eene bezetting voorzien, die op den +7en Oktober 70 man bedroeg. In die zelfde maand trokken zy weder af, +maar niet zonder er eene altoosdurende herinnering aan hun verblijf +achter te laten: zy deden het kasteel door buskruit springen, en in +een verwarden puinhoop veranderen. Daarmede was echter de stad niet +van hunne plaag bevrijd, want toen de winter kwam, en Luxemburg zijn +voornemen, om over het ijs in Holland te trekken, ging bewerkstelligen, +was Montfoort in het laatst van December de verzamelplaats van 2000 +man. Zoo duurde het by afwisseling met minder en meerder kwelling, tot +in de maand November des volgenden jaars, toen de snoevende vijand, +door de uitmuntende maatregelen van onzen grooten Willem den Derde +tot den aftocht genoodzaakt, het Sticht moest verlaten, en derhalven +ook Montfoort ontruimd werd. + +Maar waar nu ook de geliefde Oranjevlag zegevierend mocht +wapperen--niet van het verdelgde kasteel, waaraan de stad haren +oorsprong dankte. Slechts de voorpoort, weêrszijds door een +dikken ronden toren beschermd, was staande gebleven, het gebouw +byna volstrekte ruïne geworden; de sterke muren waren gescheurd en +samengestort, de grachten ten deele met het puin gevuld. Metter tijd +werd een deel der bouwvallen wechgeruimd, een ander, gering gedeelte, +hersteld en tot woonverblijf geschikt gemaakt. + +Die huizinge werd nog in 1833 bewoond door het geslacht Gobius, +dat toenmaals in het bezit van den opstal des kasteels was, en +dien op gemeld jaar aan de stad Montfoort verkocht. Later kocht +deze ook den kasteelgrond, aan het domein behoorende, en richtte +het huis tot eene kostschool in, die onder het bestuur van den +vroegeren hoofdonderwijzer aan de stadsschool eenig aanzien begon +te verkrijgen. De toenemende bloei der nieuwe inrichting bracht +der overigens arme en vervallene stad talrijke voordeelen aan, +en de stedelijke regeering, van gevoelen dat de inwendige goede +toestand zich ook wel in uitwendige verbeteringen mocht uitspreken, +besloot om daartoe het vervallen gebouw en den grond meer naar den +tegenwoordigen smaak in te richten. Ten gevolge daarvan, werden de +hier en daar nog overgebleven ringmuren wechgeruimd; de oude houten +stallen naast de voorpoort deed men door ruime steenen gebouwen,--de +knotwilgen langs de moerassige grachten door net plantsoen vervangen; +de brug over de gracht werd afgebroken en hare plaats gedempt, en zoo +ging er byna alle zichtbare herinnering aan het verledene verloren. En +waren niet nog de beide torens daar als proeven van den ouden bouwtrant +overgebleven--niemant zoude er aan een alouden slotbodem denken. + +Sic tempora mutantur! Op de plaats, die dikwerf van krijgsgeschrei en +soldatenliederen weergalmde, klinkt thans de stem van dartele knapen; +en de grond, zoo vaak van het bloed der strijders doorweekt, brengt +kleurige bloemen voort. Zoo volgen de gebeurtenissen elkander op; +zoo wisselen de tijden van gelaat--en de geschiedenis van het Kasteel +der Burchtgraven van Montfoort eindigt met eene kostschool. + + + + + + + +HET KASTEEL VAN IJSSELSTEYN. + + +Daar zijn oogenblikken in het leven, waarop men waarlijk in verzoeking +komt om te wenschen, dat sommige sprookjens uit de kinderkamer +zich mochten verwerkelijken. Dat zijn wel het minst oogenblikken van +kortswijl en luim--meer van hoogen ernst, en verreweg de meesten onzer +hebben ze wel eens doorleefd. Het zij ge koopman zijt, en u een (want +ge zijt Hollander! [26]) rechtvaardigen mammon tracht te verwerven; +krijgsman, en de rust onzer dagen verwenscht, wijl ze u belet bloedige +lauweren te winnen; geleerde, en dus het recht hebt om aan alles, +soms ook aan u-zelf, te twijfelen; staatsman, en zoo doordrongen +van de voortreffelijkheid uws stelsels, dat ge des noods den throon +uws Konings zoudt ondermijnen, om u-zelf op het republikeinsch +presidents-kussen te plaatsen--ja, schoon ge dit alles te gelijk +waart--dan nog is er wel eens een oogenblik in uw leven geweest, +waarop ge gewenscht hebt:--»dat toch steenen eens konden spreken!" + +Het was dan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de +eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van +den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels, +die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt +hebben willen ondervragen, indien ge ook maar half verzekerd waart +geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen. + +Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn--zoo hy Holland +bewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen van Brederode; zoo +hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen +van het Kasteel te IJsselsteyn--en ik vrees niet, dat hy, van daar +wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal. + +Intusschen, wat de geschiedenis ook maar met eenige zekerheid van +het eerste vermelden kon, hebben wy reeds getracht in het geheugen +te rug te roepen [27]; beproeven wy dit thands ook met betrekking +tot het laatste. + +De oorsprong van het edel geslacht IJsselsteyn kan met redelijkheid +niet vroeger dan op het midden der dertiende eeuw worden gebracht, +en wijst op eene afstamming uit het toenmaals zoo machtige Huis van +Aemstel. Wel vinden wy melding gemaakt van een Heer van IJsselsteyn, +in den Grimbergschen oorlog, 1144, gesneuveld, maar dit moet eene +vergissing zijn [28], terwijl Jan van IJsselsteyn, wiens erfdochter +Bertrande met Aernout van Aemstel zou gehuwd zijn, moedwillig uit +de lucht gegrepen is, om tusschen de beide geslachten een verband te +brengen, dat door historische documenten geheel wordt weêrsproken. + +Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by +drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage +of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben. + +Heer Gijsbrecht (de Derde) van Aemstel, die in 1251 overleed, had, +behalven eene dochter Badeloch, die met Herman van Woerden gehuwd was, +nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht, +hem opvolgde, de jongste, Willem, Proost van St. Jan was, en de +middelste, Aernout of Arent, wellicht verstandig zou hebben gedaan, +indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had +verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet +groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan +zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam, Janne, +of Joanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene +eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok +uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267 +legde hy den grondslag tot de latere Heerlijkheid IJsselsteyn. Hy +pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel, +eenige goederen aan den IJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich +toen reeds met de Leck vereenigde. Het voornaamste daarvan was het +oude Eyteren of Heteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend +en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een +burch of stein, dien hy IJsselsteyn noemde, welke naam, vervolgends +op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van +het Graafschap Holland, als in die van het Bisdom Utrecht, byna even +spoedig vermaard als bekend werd. + +Aanvankelijk legde Aernout zich vooral op het vermeerderen en +inrichten zijner bezittingen toe. In 1278 kocht hy van den Abt van +Oostbroec eenige goederen in het naby gelegene Geyn, en in het laatst +des volgenden jaars pachtte hy de tienden over de landerijen rondom +zijn kasteel gelegen, die aan het Maria-kapittel te Utrecht behoorden, +voor vijf jaren, tegen 154 pond 's jaars. De vijandelijkheden over den +Vreelandschen tol, door zijn broeder Gijsbrecht eigenmachtig geheven +[29], hadden inmiddels een einde gemaakt aan deze rustige bemoeiïngen +van het landleven. Aernout, Gijsbrechts partij kiezende, en mede breed +opgevende van de grieven, hun door den Bisschop aangedaan, ontzegde +zijn leenmanschap aan het Sticht, en nam in zijns broeders plaats het +bevelhebberschap van Vreeland op zich. Graaf Floris, den 5en September +1278 met Utrecht een verbond gesloten hebbende, sloeg weldra het beleg +voor dat kasteel, maar zag zich door Aernouts wakkere verdediging tot +den aftocht gedwongen. Maar toen de strijd by Loenen voorgevallen, +en Gijsbrecht daarby door Costijn van Renesse gevangen genomen was, +werd Aernout onmachtig om zich alleen staande te houden, en leverde +Vreeland in 's Graven handen. Daarop werd hy met zijne broeders naar +Zeeland gevoerd, en moest daar blijven in eerlijke gevangenschap, tot +zy zich hadden onderworpen aan de voorwaarden van den strengen zoen, +die op den 27en Oktober 1285 bezegeld werd, waarby zy hunne goederen +ten volle aan Floris moesten opdragen, en ze slechts gedeeltelijk +weêr in leen te rug ontfingen. + +Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans +den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in 's Graven hechtenis +hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht +ontslagen zijn. Wy vinden Aernout ten minste in de voorhelft dier +zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid: +Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden +verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht +en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond +en vijf zalmen verhoogd werd. + +Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds +in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. Vrouwe Joanna +(die door Grave Jan in het tijdelijk bezit harer weduwgoederen +bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste, +Heer van Benscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering +tegen Floris den Vijfde verkregen heeft, en de oudste, Gijsbrecht, +als tweede Heer van IJsselsteyn optrad. + +Gijsbrecht van IJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich +op den 25en Oktober, 1294, benevens tien andere voorname Utrechtsche +Edelen, met Graaf Floris, om dezen, ware 't nood, te dienen tegen elk +zijner vijanden, den Bisschop van Utrecht daar buiten gesloten. Hy +heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van +meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan +den moord. Dat hy met den Heer van Zuylen zich voegde by Loef van +Cleve en de Hollandsche benden, die de moordenaars op Cronenburch +belegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn +broeder Benscoep toch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van +den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om +toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die +adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen +moest. En schoon Arent van Benscoep geen beter lot verdiende dan +Willem van Zaenden--ter wille van Gijsbrechts broederhart is het ons +toch lief, dat Loef van Cleve den verrader nog heeft kunnen behoeden, +en Gijsbrecht hem in veiligheid te Kervenheym wist. + +Maar weldra werd gijsbrechts toestand zelf hachelijk. Wolfaert van +Borssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijken Jan den +Eerste, de bondbreukigheid van Bisschop Willem van Mechelen bemerkende, +begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de +kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met +het slot van Ameide, door Dirc van Herlaer by overeenkomst daartoe +afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, was Gijsbrecht +van IJsselsteyn. + +»Dat ware schande!" andwoordde hy op Borsseles aanzoek: »wanneer ik den +Grave van Holland mijn huis ruimde, daar ik Maarschalk van 't Sticht +ben [30], en de Bisschop mijn rechte Heere is. 't Bracht my oneere, +zoo ik dat toestond--des weiger ik, er moge van komen wat er wil!" + +Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zocht Wolfaert +nu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk +werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen, +Hubrecht van Vyanen en diens verwanten, op aanstoken uit Holland; en +werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon +men hem naar het Kasteel van Culemborch bracht, en aldaar in hechtenis +hield--dat van IJsselsteyn was daarom nog niet gewonnen: Bertrade, +of Baerte, van Heuckelom, Gijsbrechts gemalin, was een kloekhartige +vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht +weigerde als hy 't zelf had gedaan. Dat men hem geen leed zou doen, +daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht +van Vyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het +op den IJsselsteyn gebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene +gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd een Wolfaert van Borssele +haar zou hebben overgeleverd, indien Vyanen niet in Gijsbrecht den +borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad. + +Borssele deed 's Graven banier voor het Kasteel planten, en het +dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave, +op den forschen toon van stormtuig en staal: + + + Straks wordt het schaatrend aanvals-teeken + Van rij tot rij in 't rond gehoord, + En onder luid gejubel breken + De benden op en rukken voort. + Als golven die het strand beklimmen, + Door barsche winden voortgestuwd, + Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmen + En werpgesteente paart en huwt + Zich aan 't gedrang. 't Klaroengeschetter + En 't rofflen van de holle trom + Dreunt samen met het staalgekletter + En krijten van den strijdbren drom. + + De hooge trans--de borstweer--'t kraakt + Van steenen, 't werptuig uitgebraakt. + De stormram beukt de poort. + Het rijs, in bergen aangebracht, + Bevloert welras de diepe gracht, + En stijgt er tot den boord. + De ladders worden saamgetast, + En hechten aan den muur zich vast; + De strijders dringen voort, + En klautren op, met sterke hand, + En klemmen zich met knie en tand + Aan stijl en sporten vast. + En stuift een dichte pijlenregen + Uit schietgat en kanteel hun tegen-- + Het aantal groeit en wast. + + En 't scherp en gierend strijdgeluid + Galmt boven gil en jammer uit, + Al valt er menig een. + En dondert ook een raatlend heir + Van keien langs de wallen nêer + En morselt hoofd en leên; + En storten krakend, splintrend daar + De ladders op en door elkaâr, + De klimmers onder een, + Verplet, verbrijzeld of verwond-- + Wie kan, verrijst weêr van den grond, + Ten nieuwen storm gereed. + En steeds vergroot zich weêr 't getal + Dat opstijgt naar kanteel en wal, + Met luider oorlogskreet. + + +Maar Bertrade stond (om met Vondel te spreken) als eene heldin op de +haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe +scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten +een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een +verdediger dooden--zy maakten geen bres in de muren, die niet werd +gedekt met trouwe in 't staal gehulde borsten, tot dat de opening +weer gevuld was. + +Nogmaals beproefde Wolfaert den weg der onderhandeling, maar met geen +beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar +eerst toestond met Gijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken, +opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien +ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list +achter zochten, of dat zy Gijsbrecht genoeg kenden om van zijn raad +geene verandering te wachten--hare voorwaarde werd niet aangenomen, +en--schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw +bestreed!--er werd besloten om haar door uithongering te dwingen. + +Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek +aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechts zeventien +weerbare mannen op 't kasteel--en in welken toestand nog!--Zoo de +vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy +ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de +overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor +zich en de ingenoten. + +Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest, +waarmeê Wolfaert dien voorslag ontfing. Dat Hubrecht van Vyanen, +die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief +wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was +het van Borssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der +verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien +harden eisch beraadslaagd.--»De helft die aan my komt, zal die vrij +zijn en van alles kwijtgescholden?" vroeg Bertrade.--»Dat zal zy," +andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood, +die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de +brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover 's Graven +leger binnentrok. Hubrecht van Vyanen sloot zijn kind ongedeerd in de +armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed +hem op het rad leggen. Bertrade moest aanvankelijk hare burchtzaten +naar Dordrecht volgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarin +Wolfaerts gemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak. + +De verachtelijke Baljuw van Zuid-Holland, Aloud, Wolfaerts +oogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot +worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee +zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden +verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en +gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die +ten leven--het ander een Leuvenschen die ter dood wees. Aloud maakte +Bertrade met dat doel bekend.--»Nu zie, minnelijke Vrouwe!" sprak hy: +»wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben 't lijf verbeurd; +wien de Hollandsche komt, zullen het behouden."-- + +Baljuw Aloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen; +zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid +verraden, want--nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene +woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als +ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal, +naast den beul--zult ge dan sterven als acht van dézen: met het +bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?... + +Maar niemant voorzag dit nu nog; Aloud allerminst. Het lot besliste, +hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen; +de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de +andere volgde Bertrade naar Heuckelom, indien ten minste dit bericht +meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter: + + + Dandre dedemen doe ghevaen. + + +waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen: + + + Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!-- + + +Het kasteel en de landerijen van IJsselsteyn (met Benscoep en Woerden +daarby) gingen uit Bertrades handen in die eener andere Edelvrouw +over: Graaf Jan beleende ze, op Wolfaerts bede, aan diens gemalin +Sybille, die er zich toch niet lang Vrouwe van schrijven mocht: 1 +Augustus, 1299, viel haar echtgenoot onder de moorddadige handen der +verbitterde Delftenaren, en den 21 Mei 1300 ontfing Gwy van Avennes +van zijn broeder Graaf Jan den Tweede in rechten leen al de goederen +op Stichtschen bodem [31] van diegenen, die met raad of daad schuldig +waren aan Grave Floris dood, en hiertoe werd ook Gijsbrecht gerekend. + +Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde +slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder +meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring, +door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd op +Duveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe +weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand +weder in bezit nam, is onbekend. Stoke meldt alleen in twee regels +den uitslag, niet de handeling van het feit, en zingt, als nam hy de +slotwoorden van een volkslied over, + + + En Ghisebrecht is op IJselsteine, + Dat sine hadde geweest te voren. + + +Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13en +Juni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen, +en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht +nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) van +IJsselsteyn, van Merlo, en van Marnedijc, met de tienden en visscherij, +tegen 126 pond 's jaars. + +In Augustus daarop stierf graaf Jan de Tweede, en bekwam de dappere en +edelmoedige Willem de Derde den stoel van Holland. Gijsbrecht haastte +zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder +geslagen: op den 11en Augustus 1305, by eene dagvaart te 's Gravenhage +tegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, 's Graven lieve en +getrouwe mannen" genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn +oudste zoon, Aernout, in 't huwelijk trad met 's Graven nicht Maria, +bastert-dochter van Bisschop Gwy van Avennes, ontfing Gijsbrecht-zelf +het kasteel van IJsselsteyn met de 32 morgen lands waar 't op stond, +een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht te IJsselsteyn, +7.5 hoeven in 't Geyn, 60 morgen lands te Rypikerwaert, 44 morgen +te Benscoep, 75 te Polsbroec, 18 te Hoenscoep, en 12 te Bloclant, in +rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten +onder den eersten Gijsbrecht vermeld, benevens die op blz. 118 +voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten +toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen. + +Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en +dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel +neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van +dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner van Eyteren +had die plaats verlaten, en zich onder den IJsselsteyn neêrgezet; +zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de +uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte +begon te gevoelen aan eene kerk. Heer Gijsbrecht verplaatste daarom, +met toestemming van Bisschop Gwy, en onder erkenning van het recht +der Kanunniken van St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk van +Eyteren naar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den +grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt, +schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven. + +By dit alles vergat hy de ridderlijke wapenoefening niet: nog in het +zelfde jaar, 1310, op het beroemd tornier van Bergen, waar omstreeks +190 Graven, Baanderheeren, Ridders, en Knapen, uit Engeland, Frankrijk, +Duitschland en de Nederlanden saamgevloeid waren, pronkte ook zijn +wapenbord: een gouden schild, beladen met een balk van sabel, alles +gedekt door een sint-andries-kruis, van zilver en keel geschakeerd +[32]. Hoeveel aanzien hy aan Graaf Willems hof genoot, blijkt daaruit, +dat deze hem in 1314 toestond om jaarlijks in het groene woud van +Haerlem een hert te mogen dooden, en dit voorrecht zelfs erfelijk op +zijn geslacht over te brengen. Ook werd hy tot 's Graven Raad verheven, +welke waardigheid hy tevens by den Bisschop schijnt bekleed te hebben; +en in Maart 1317 beleende de Graaf hem met het gerecht, de tienden, +de kerkbegeving, en eenige landerijen te Benscoep, met het gerecht en +de tienden van Polsbroec, en met de helft van het gerecht en van de +visscherij te Opburen. Deze bezittingen vermeerderde hy nog in November +1319 met de Cuyksche leengoederen, ook reeds door zijne ouders bezeten, +strekkende, langs deze zijde des IJssels, van Opburen tot Snadelenhoec, +aan gene zijde, van 't Geyn tot Fellenoirde, en verder bestaande uit +het hooge en lage recht in den IJssel, de putten en palen, waarden en +visscherijen aldaar, met alles wat tot eene Hooge Heerlijkheid behoort. + +In 1326 verkocht de Heer van Cuyk al zijne eigendommen in het Sticht +aan Graaf Willem, en deze bevestigde het volgende jaar Heer Gijsbrecht +in het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen +daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge +rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche +leenen ontstaan. + +In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoon Herbarn, +Ridder, Heer van den Bussche, door eene noodlottige gebeurtenis +te verliezen. Herbarn was met Johan van den Zande in oneenigheid +geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin +beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des +Heeren van den Zande geweest te zijn, want in den zoen, tusschen de +aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost +van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten van Johan opgelegd om een +altaar en vicary te stichten in de kerk van IJsselsteyn, met opdracht +van het begevingsrecht aan Herbarns zoon Gijsbrecht en diens nazaten, +en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig +grooten tornois, op de Maria-kerk te Utrecht, voor het doen van +zielmissen ten behoeve van Heer Herbarn. + +Gijsbrecht van IJsselsteyn overleed tusschen 1341 en 1344, en werd +opgevolgd door Aernout, den oudsten zijner drie toen nog levende zonen +[33]. Deze was, als wy weten, in 1308 gehuwd met Maria van Avennes, +en werd kort daarop tot de Ridderlijke waardigheid verheven, schoon +sommige Edelen er laag op neêr zagen, dat hy zich aan eene Jonkvrouwe +uit onechten bedde verbond. Hy voer er intusschen wel by; ontfing +van zijn schoonvader nog op diens onverwacht doodbed (29 Mei 1317) +de voogdij van het kasteel Goye; vermeerderde zijne inkomsten met +eenige dagelijksche gerichten en schout-ambten, en was reeds een +gezien Edelman, toen hy de Heerlijkheid van zijn geslacht beërfde, +waarmede hy zich niet alleen door Gravin Margareta deed beleenen +(1346), maar ook nog daarenboven door Bisschop Jan van Arckel, voor +zoo ver deze te eeniger tijd in het bezit dier goederen mocht komen; +ten opzichte van den Bisschop verbond hy zich daarentegen om te +zorgen dat een verlangd huwelijk tusschen diens broeder Robbrecht, +den Ruwaard van 't Sticht, en Aleyde [34], Heer Otto van Arckels +Erfzuster van Asperen en Hagesteyn, tot stand kwam, hetgeen ook +werkelijk geschiedde. De goede verstandhouding tusschen hem en den +Kerkvoogd ging echter in de oneenigheden tusschen den laatste met het +Beiersch Gravenhuis van Holland ten onder: Aernout die de Hollandsche +zijde hield, verkreeg daarvoor wel van Hertog Willem het belangrijk +voorrecht om Utrechtsche ballingen tot poorters van IJsselsteyn te +mogen toelaten, maar de uitoefening daarvan duurde niet lang, want +toen zijn bestand met Bisschop Jan ten einde geloopen was, terwijl +deze zich te Rome bevond, trok de Maarschalk van het Sticht op maandag +na beloken Paschen voor IJsselsteyn en sloeg er zijne tenten om heen. + +Vijf weken lang werd de plaats met allerlei stormtuig aangetast, +en toen zag Aernout zich gedwongen tot de overgave, en genoodzaakt +om met eede te bezweren, dat hy en de zijnen in 't vervolg goede +en getrouwe Stichtsmannen zouden blijven, en nimmer weder tegen den +Bisschop of de stad oorlog voeren. Hy hield echter zeer slecht woord, +voegde zich spoedig weder aan de Hollandsche zijde, en werd door Hertog +Willem, die hem »zwager" [35] noemde, met gunsten overladen, ja zelfs, +met den tytel van Baanderheer, tot Hertooglijken Raad benoemd. + +De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te +vergeefs; en in Holland was Aernouts aanzien zoo gestegen, dat hy, +met Heer Jan van Drongelen en de stad Dordrecht, in 1358 gemachtigd +werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van +Hertog Aelbrecht. + +Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen +verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen +als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschen Eduard, des +Hertogen broeder van Gelre, en Hertoge Aelbrecht; tusschen Hertog +Aelbrecht en Jan, den Heere van Arckel; tusschen den Heer van Arckel +en Jan, Heer van Polanen en van de Leck. Ook schijnt er tusschen hem +en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn: +toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk te IJsselsteyn schonk, +en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen +bloedverwant en Baanderheer." + +Hy stierf, hoog bejaard, in 1362 of 1363, en werd in het volledig bezit +der Heerlijkheid en alle goederen opgevolgd door zijne Erfdochter +Guyotte of Gwyda [36], die sedert 1330 gehuwd was met den rijken, +machtigen, en onvertsaagden Jan van Egmond, van wiens daden reeds +by de behandeling der Egmonder burcht gesproken is, en die, nevens +zijne echtgenote, in 1366 door Hertog Aelbrecht met de Heerlijkheid +verlijd werd. + +Ook hunnen oudsten zoon en opvolger, Aernout, behoeft hier slechts +herinnerd te worden. Als Heer van Egmond en IJsselsteyn bewees hy, +in 1380, Bisschop Floris van Wevelichoven groote diensten by den +oorlog met den overmoedigen Ridder Everaert van Essen, en het beleg +van diens kasteel van Eerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in +1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van +Heer Willem van Rees, Krijgsoverste van Bisschop Aernout van Hoorn, +veel geleden had. + +Heer Aernout stierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste, +Jan, Heer van Egmond werd, terwijl de tweede, Willem, in het bezit +van IJsselsteyn geraakte. + +Willem van Egmond van IJsselsteyn, gehuwd met Jacob van Borssele van +Brigdammes weduwe, Anna van Hennin, eene dochter van Gauthier, Heer van +Bossu, werd weldra in de oneenigheden gewikkeld, die tusschen zijnen +broeder en Willem den Zesde ontstaan waren, en reeds onder Egmond door +ons vermeld zijn [37]. Toen namelijk Jan van Egmond onder vrij geleide +voor den Hoogen-raad van Holland was gedaagd, maar niet verscheen, +werd hy ten gevolge daarvan gevonnisd als schuldig aan hoog verraad, +en, met verbeurtverklaring zijner goederen, uit den lande gebannen. Hy +achtte zich daarop in Holland niet langer veilig, maar vertrok ijlings +naar IJsselsteyn, en zocht er by zijn broeder eene schuilplaats. De +Graaf-Hertog zond, zonder lang te toeven, zijne gezanten derwaart, +en deed kasteel en stad opeischen, maar ontfing een weigerend +andwoord. Hierop verzamelde hy een deel zijner Ridderen en knechten, +en zond ze, omstreeks Sint-Maria Magdelena, 1416, met een groot aantal +poorters uit de Hollandsche steden naar de weêrspannige plaats, om die +te belegeren. Egmonds vrienden en verwanten, waaronder voornamelijk +Heer Jan van Vyanen, Jonker Jacob van Gaesbeec en Heer Hubrecht van +Culenborch, maakten zich nu over zijn lot bezorgd, wel inziende dat +hy op den duur geen tegenstand zou kunnen bieden, en gevaar liep om, +wanneer hy den Graaf-Hertog als gevangene in handen viel, als een +landverrader het lijf te verliezen. Zy besloten om eene poging tot +verzoening te wagen; begaven zich in allerijl naar Schoonhoven, waar +Willem van Beieren nog vertoefde, en werkelijk gelukte het hun hem te +verbidden, mits de Egmonders zich onderwierpen. Zoo terstond lieten +deze zich echter niet vinden. De bemiddelaars reden menigmaal over +en weêr, dàn naar den vertoornden Landsheere, dàn naar de oproerige +broeders, en brachten het eindelijk tot een vergelijk. Zeker hebben zy +den overmoedigen Ridders het wanhopige van een gewapenden weêrstand, +en het noodlottig einde eener dwaze volharding, doen inzien, want de +voorwaarden der bevrediging waren zoo goed als verkoop hunner rechten +en goederen: + +»De Heer van Egmond en Heer Willem zijn broeder zouden rijden uit +IJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden, +en blijven uit den lande van Holland en Zeeland, en daar niet weder +in komen, ten zij by wille en meêweten van Hertoge Willem. En de +Heer van Egmond zou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen, +dat hy had aan den huize en aan der stede van IJsselsteyn, en aan +der Heerlijkheid, tot 's Hertogen Willems behoef. En de Hertog zou +jaarlijks doen uitreiken aan den Heer van Egmond, hem en den zijnen, +ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan Heere Willem, zijnen +broeder van IJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder, +Vrouwe Jolande van Linningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht." + +De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde +bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en +tilbare have de stad en het kasteel van IJsselsteyn, die onmiddellijk +overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet +werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem +hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen." + +Den 31en Mei, 1417, stierf Willem de Zesde te Bouchain--en toen +bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op +geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich +niet gebonden achtten om hem te houden. + +Naauwlijks was den Egmonders de doodsmare ter oore gekomen, of zy +verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê Heer Willem +naar IJsselsteyn toog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den +dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen, +die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond +eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf +dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de +Hertogin Jacoba bewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde +allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der +mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang, +of hy kreeg vaste hoop op ontzet. + +Jan van Montfoort en Walraven van Brederode, de natuurlijke vijanden +van IJsselsteyn en Egmond, vernamen niet zoodra der broederen feit, +en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere +zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te +winnen. Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk +naar Utrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde +den Raad voor, om zich het belang van Jacoba in deze aan te trekken, +hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegen +IJsselsteyn op te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou +goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel +te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen van +Utrecht, om het te kunnen weerstaan: IJsselsteyn was hun te lang +een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene +opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten +worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na +Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats. + +Toen Montfoort hunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede +derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop +zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar 't kasteel, om den +slotvoogd by te springen, maar--het vaandel van den trans woei hun +eene slechte tijding tegen: Heer Willem had in dien tusschentijd +mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich +meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt. + +Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse +waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het +veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde +niet lang, of ook Brederode kwam met de zijnen aan, en sloeg zich by +hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en +de poorters van Amersfoort verschenen en zich by hen voegden, werd +het inderdaad een insluitings-leger, waarover IJsselsteyn zich wel +verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy +zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts +vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een +oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen +en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan +moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:--hy had +geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien +mocht, en zijn broeder van Egmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy +was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen +vloeken op »Jan met de bellen."--hy vermocht toch geen gantsch leger +te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen +der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt; +de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was," +werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig +een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige +plaatsen geen boogschot ver meer was. + +Een deel der stede-bannelingen van Utrecht, met den Domdeken Herman van +Lochorst, Johan van den Spiegel, en eenige vijanden van het sticht, +hadden zich intusschen by Heer Willem gevoegd, en waren de bezetting +van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een +nieuwen bondgenoot in Jan van Beieren, die, als mede zorg schijnende +te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had +uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten. + +Heer Willems kans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel +in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan--en +hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van Heer +Jan van Heynsbergen gevoerd, duurde kort, want het was als overmacht +tegen onmacht. + +En veertien dagen na den aanvang van 't beleg trokken de broeders, +met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang, +waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden, +ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid tot Nyendam, van +waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen +moesten zoeken. + +De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde +waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren +getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking van Jacoba gesteld, met +uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde. + +Toen de Hertoginne kort daarna in Holland kwam, herinnerden de +Stichtschen Montfoort aan zijne belofte omtrent de vernieling van +IJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst +van Brederode het daarheen te brengen, dat Jacoba, die nog weinig +blik in 's Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare +goedkeuring schonk. Vervolgends kwam Heer Walraven op Sint Pieter en +Pauwels daarna te Utrecht, en nam een hoop volks van daar met zich +naar IJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu +speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen +zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de +eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere +bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich +der baldadige poorters van Utrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige +vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten--zonder er +zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten +doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding +zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede +en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn +hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, na alle steen +tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden +plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en +het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was het +IJsselsteyn van 1417 het Egmond van 1315 gelijk geworden. + +Heer Willem van Egmond van IJsselsteyn overleed op den 31en December +1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter, Belia, +gehuwd met Berthout van Rietwijc, en een zoon, Aernout van IJsselsteyn +genoemd, die in den echt trad met Barbara van Borssele, en in wien +wy den schraapzieken Slotvoogd van Woerden hervinden, wiens vrekkige +aart het der kloekheid van Johan van Montfoort zoo gemakkelijk maakte, +om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken. + +Na Heer Willems dood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg, +de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenoot Willem, tweede zoon van +den vurigen Jan van Egmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den +krijgshaften »Jan met de Bellen" hebben leeren kennen. + +Willem van Egmond was reeds door zijn ouderen broeder, Hertog +Aernout van Gelder, beschonken met de goederen van Willem van Buren, +in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer van Buren, Leerdam, +Schonerwoert en Haestrecht, en des lands van Mechelen. In den slag +met Hertog Gerhard van Berg, 10 November, 1444, die vooral door de +lafhartigheid van Geraert van Culenborch verloren ging, toonde Willem +van Egmond een ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich, +door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat +tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijand +Willem van Buren, sints 1430 Veldheer van den Hertog van Berg, was +gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol +jaar krijgsgevangen, en Hertog Aernouts geldelijke toestand had het +betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toon Buren hem op den 13 +November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelastte zich over acht +maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stad Berchem te begeven, +er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn +tollenaar Koenraed van Boelendorp, en niet van daar te vertrekken +buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven +voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren. + +Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds, +maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voor Egmond +en Gelder beiden. Hertog Aernout nam daarop zijne maatregelen, en de +loskooping volgde eerstdaags. + +Toen de laaghartige Adolf, Hertog Aernouts zoon, in verbond met zijne +onnatuurlijke moeder Catherine van Cleve en een deel verraderlijke +Edelen, zijn vader in 1465 te Grave gevangen nam, deed hy ook den +niets kwaads vermoedenden Frederic van Egmond, Heer Willems zoon, in +hechtenis nemen. Vergeefs trachtte Heer Willem, die ter goeder trouw +maar al te dikwijls Adolfs voorspraak by diens vader was geweest, +thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zou hy, die de vaderlijke +weldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben +voor de weldaden van den oom! + +Het duurde zelfs niet lang, of Adolf, die de wederspannigheid +der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef, +liet al diens leenen in Gelderland aanslaan, en viel hem met +allerlei betichtingen lastig. Graaf Vincent van Meurs, Heer Willems +schoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toen +Willem te Arnhem kwam om zich te verandwoorden, en daartoe met Vincent +naar 's Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en +liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op +aan drong, om te weten hoe het dan toch met Heer Willems zaak gaan +moest, voer Adolf toornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche +goudgulden--tenzij hy de inkomsten van den tol te IJsseloord zal +betalen, of dien tol laten varen." + +Toen de Graaf dit woord overbracht, sprak Willem met bitterheid: »Zie, +dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de +verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven +broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my +thands ook van mijne inkomsten te berooven."--En nadat hy den Grave +gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy +zich netelig in 't zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld, +naar zijn Slot van Baer, waar hy zich terstond maatregelen nam, +om Hertog Jan van Cleve, de stede Wageningen, en eenige anderen, +met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid van +Adolf bekend te maken. + +Gedurende den daarop gevolgden oorlog met den Clevenaar, zond Adolf +eene bende krijgslieden onder Otho van Weeren naar IJsselsteyn, +waar men allengs weder was beginnen aan te bouwen, maar nog altoos +zonder beschutting van muren lag. Het viel den Geldersman derhalven +niet moeielijk de plaats te overrompelen. De kerk en het klooster, +door de Stichtenaars nog gespaard, werden thands met de herbouwde +woningen en hutten mede aan de vlammen overgegeven, en de weerlooze +menigte werd schandelijk en laaghartig mishandeld. Deze boosaartigheid +bleef niet gants ongestraft: vijfenveertig der plunderaars op hun +keertocht toevende binnen Gorcum, waar zy zich veilig waanden [38], +werden onverhoeds gevangen genomen en in de ijzers gezet. Negentien +hunner, uit den stok brekende, zochten deels in het Minoritenklooster, +voor een ander deel in de H. Geesthuiskerk een toevlucht. Maar te +vergeefs: de stadhouder van Holland deed hen van daar en naar 's +Gravenhage voeren, waar zy op den 26en en 29en Mei, 1466, ondanks +alle smeekingen en voorbeden hunner verwanten en betrekkingen, +onthalsd en geraderd werden. + +Jonkheer Frederic was intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt, +en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunne volgers gewapend, +en zich by het leger des Hertogen van Cleve gevoegd hadden, van waar +zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten, +en zelfs Arnhem verrasten. + +Na den vrede van Gent, 1469, begon de roekelooze Adolf weder de oude +treken tegen zijnen oom. Heer Willem, evenzeer verontwaardigd als +verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar Hertog Karel van +Borgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden +verwisseld: Adolf in hechtenis geraakte, en Aernout op vrije voeten +kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder +en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen van IJsseloort en +Arnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel van Buren, +geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven +benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel te Grave, waar +hy, na zijn afstand van het Hertogdom aan Karel, gewoonlijk verblijf +hield en ook, op den 23en Februari 1473, overleed. + +By het verzet der Gelderschen tegen Hertog Karel, sloot Heer Willem +zich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen +en hunne wapenknechten zelf in 't Hertooglijk heir, waar hy groote +diensten bewees, en in het beleg van Nymegen, 1473, zijne tenten +opsloeg aan de overzijde van de Waal in 't dorp Lent, aan de zijde van +zijn ouden vriend den Hertog van Cleve, met wien hy de overmoedige stad +zeer in de engte bracht. Hertog Karel toonde hoezeer hy de diensten +en bekwaamheden van Willem op prijs stelde, en stelde hem, na de +onderwerping van Gelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan. + +De dood van Karel den Stoute, 5 Januari 1477, bracht Willem in +ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, en Catharyne +van Gelre, op verlangen van heur geslaakten broeder Adolf (kort +daarna echter voor Doornic gesneuveld) als Voogdesse aannamen. In +de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide +jongere zonen Frederic en Willem door de poorters van Nymegen gevangen, +en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over het Valkhof in +hechtenis gehouden. + +De Aarts-Hertog Maximiliaan, in deze zaak gemoeid, wierp zelf een oog +op het bestreden Hertogdom, en nam Heer Willem, om hem aan zich te +verbinden, in 1478, te Brugge, onder de Ridders van het Gulden-vlies +op. De grijze Ridder, in wien wy thands moeielijk den ranken Edelman +met de zwarte krullende hairen kunnen herkennen, dien wy in 1451 +op het kasteel te Egmond aantroffen [39], droeg het vorstelijk +onderscheidingsteeken nog byna vijf jaren op de fiere borst. Toen +overleed hy op het kasteel van Grave, 19 Januari 1483, en werd aan +de zijde van zijnen broeder Aernout begraven. + +Frederic van Egmond, zijn opvolger als Heer van IJsselsteyn, en +gehuwd met Jonkvrouwe Aleyde, Heer Geraerts dochter van Culenborch, +had intusschen reeds overvloedig van zich doen spreken. Ook wy hebben +hem reeds ontmoet by de Utrechtsche onlusten, waarin de Burchtgraaf +van Montfoort, zijn erfvijand, zulk een overmoedige rol speelde [40], +en Frederic als Opperbevelhebber het leger des Bisschops aanvoerde. + +Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan +de Catrynepoort buiten Utrecht, het rooven van vee uit de landerijen +aan den Rijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy +deed uitschudden en naar IJsselsteyn voeren, dat door hem reeds onder +Karel den Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt +was geworden. Een inval der Montfoorters onder Jan van Middachten werd +door den IJsselsteynschen Bevelhebber Lambrecht Myllinck gekeerd. In +de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarby +Middachten met negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd, +terwijl Myllinck, zijn behaald voordeel vervolgende, de landen van +Montfoort en Utrecht met vuur en staal verwoestte. Eene onderneming +der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het +kasteel Oudegein, aan de vereeniging van Lec en IJssel gelegen, +en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een +tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters van IJsselsteyn +langs den vaartschen Rijn legden, wanneer zy den voorraad, die van +tijd tot tijd naar het blokhuis aan de Vaart werd gevoerd, wilden +onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had, +werd het sein gegeven aan het kasteel Vronesteyn en aan de Vaart, +en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder +voort. Te vergeefs mochten die van IJsselsteyn zich een poos afmatten, +wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht, +en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag, +16 Juni 1482, overvielen zy den Oudegein, verjoegen de bezetting, +plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit +triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit +verlies grooten last, want van nu aan legden Heer Frederics mannen +hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de +vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester. + +De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze +onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en +klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en +het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel +diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den +verdrukten Kennemer van 885 klagen: + + + »Des vlegels maatslag op den dorschvloer,--op de velden + Het vrolijk arbeidslied by spade of zeis--hoe zelden + Wordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord! + Ach! 't land brengt doornen meest en ruige distlen voort!"-- + + +Toen de Burchtgraaf van Montfoort eindelijk meende den oorlog +op grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de +eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden, +de Heeren van IJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst +en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt--en +zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27en Augustus 1482, +ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne +wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen, +stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien, +dat het Cleve en Montfoort met de bestorming ernst was. Het leger +werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs +den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naar +Lopic voerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der +Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdat +Reynier van Broechusen met de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen, +liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die +reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren +opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel +de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er +het leven by verloren. + +De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns +Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van +de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen +sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen +niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht +kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar +toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden. + +Intusschen was Broechusen met zijne Clevenaars den 31en Augustus +over Utrecht naar IJsselsteyn getogen; en het leger alzoo voltallig +geworden. Montfoort naderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte +uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou +kunnen overmeesteren--maar toen het er nu op aan kwam om dien storm +te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een +praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst +gewonnen ware, »want," zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn +herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om +steden te bestormen." + +En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was +mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar +duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis +der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte +zijn warm bed binnen de veilige muren van Utrecht weder op te zoeken, +zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds +den 1en September eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts +4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap. + +De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde, +want de Burchtgraaf wist zeer wel, dat Frederic te Schoonhoven +lag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige +versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm +alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid +daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en, +hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben--een +spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiere Johan +van Montfoort thands besluiten kon. + +En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste +uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten, +die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden +vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6 +September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht +scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten +werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek +bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by +dezen vruchteloozen aanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het +verlies der Clevenaars nog meer bedroeg. + +Die van IJsselsteyn maakten zich terstond van het achtergelaten +krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een +al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen, +lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den +brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen +ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de +stad inruimden. + +Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der +wallen van IJsselsteyn ingemetselde steen, die tot aan het einde der +vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las: + + + Wech, Uytersen met uw tuten en blasen, + Doet uyt twee leuwen en set twee hasen, + Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt, + Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt. + + +Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop +Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien +nog ligt. + +Heer Frederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer +bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedige Utrecht +te verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in +eene herberg »de Sleutel" samenkomende, vonden daar in de dienstboden +gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen +Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam +echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden +gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad, +ter stad uit gebannen. + +Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door +de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy +zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de +poorters koelden hunne verbittering op negen zijner krijgsknechten, die +zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en +hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon. + +De Geldersche oorlog, waarin zijne stad Buren overweldigd, en het +kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen +hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert +meester, en sloot Utrecht zoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd +om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000 +goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een +afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te +doen begraven. + +Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk +erkend door Keizer Maximiliaan, die de Heerlijkheid Buren tot een +Graafschap verhief, zoodat de broeders van Egmond nu beiden den +Graven-tytel voerden. + +Frederic van Egmond van IJsselsteyn, Graaf van Buren en Leerdam, +Heer van IJsselsteyn, Sint Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq, +en Jaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk van +IJsselsteyn bygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds +op den 26en Juli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier +stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende +houding draagt, deed oprichten. + +Hun oudste zoon Floris, gehuwd met Margareta van Zevenberghe, volgde in +het bezit van het Graafschap Buren en Leerdam. De jongste, Wennemaer, +kwam aan de Heerlijkheden IJsselsteyn, St.-Maertensdijc, Cortgene, +Cranendoncq, en Jaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder +andere kinderen dan een natuurlijken zoon, Willem van IJsselsteyn, +zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld op Floris over, +die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg, +en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was. + +In 1510 trachtten de Stichtschen zich van IJsselsteyn meester te maken, +'t geen hun echter mislukte. Niet beter voer Floris van zijnen kant +in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich +een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te +verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte +land van 't Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de +stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag. + +Toen Hertog Karel van Egmond daarop als Beschermheer van Utrecht was +aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en +Stichtsche wapenen tegen IJsselsteyn gekeerd. Drie weken lang duurde +het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters van +Utrecht lagen gedurende dien tijd onder den standaart van Karel +rondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant van Schoonhoven, +staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en +de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en +den Crimpenerwaert veroorzaakt, kostte Holland meer dan honderdduizend +kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen, +waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteel Jaersvelt, +aan de Lec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld van +Floris ten einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van Graaf +Henric van Nassau, en noodzaakte den vijand, op den 1en Juni 1511, +tot het opbreken van 't beleg. In die zelfde maand overviel hy, +in vereeniging met den Heer van Wassenaer, aan het hoofd van 200 +ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting van Jutfaes, +die hy tot aan de poorten van Utrecht voor zich uit dreef, er velen +van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam. + +Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar +de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde +zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de +opbrengsten der Utrechtsche bezittingen in IJsselsteyn de soudeniers +te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden +te wijten, dat hy in de wandeling Floortjen Dunbier werd genoemd, +schoon 't ook zijn kan, dat hy dezen schimpnaam aan de Stichtenaren +te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen +Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel +eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van Hertog Karel +van Oostenrijk of van Margareta niet met zijne zienswijze strookten, +stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens +belang handelde. + +Des niettegenstaande stelde Karel van Oostenrijk een groot vertrouwen +in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder in Holland was, en zond +hem in 1515 naar Friesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen +van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En +hier was Floris vastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen, +hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om den +Oostenrijker als Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks +in Friesland te erkennen en aan te nemen. + +De huldiging geschiedde op den 1en Juni, 1515, met veel plechtigheid te +Leeuwarden. Floris vertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan +door den Herout (wiens dalmatiek Karels wapens droeg) en gevolgd +door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar +den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor +de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook +den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en +eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden +bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen +onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen +tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom +den koolstruik tot ridder geslagen had! + +Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden, +en droeg er veel toe by, om Karel, die inmiddels (1519) de Duitsche +Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen +verkrijgen. + +Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikte Floris toch +den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust +schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20en Oktober, 1539, +nalatende drie kinderen, een zoon, Maximiliaen, en twee dochters, Anna +(die door heur huwelyk met Jozef van Montmorency moeder was van Floris +en Filips van Montmorency, zoo bekend in onze historie) en Walburga. + +Maximiliaen van Egmond van IJsselsteyn, thands Graaf van Buren en +Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Jaersvelt, St.-Maertensdijc, Cortgene +en Cranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns +vaders dood door den Keizer in de plaats van den overleden Joris +Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal +van Friesland, Overijssel, Groningen, en Groningerland, waar hy +rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge +mate de gunst van Keizer Karel, dien hy in verschillende oorlogen +volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met +een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den +afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer, +zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf +diens Graafschap Buren tot een Hertogdom verheffen--zonder echter +daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste +bewoog Maximiliaen tot eene dankvolle afwijzing: »Liever," sprak hy: +»wil ik een rijke Graaf, dan een arme Hertog zijn."-- + +Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uit +Engeland in een gezantschap van 's Keizers wege was te rug gekeerd, +oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens te Brussel +overviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfarts Andries van Wesel +(Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven +naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten, +en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was +op den 22en December, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder +hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk +om zijne twee gemeenzaamste vrienden, de Heeren van Ligne en van +Granvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken. + +Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het +onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke +bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar +zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar +het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen, +voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en +ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal +komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige +huivering bevangt hen--Maximiliaen van Egmond, geheel in 't harnas +gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies +omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe; +beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf +hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt +hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te +drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin +met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken +heeft, reikt hy den Heer van Ligne zijn Ordeteeken over, om het den +Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen +ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was +een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden. + +Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen +voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts, +en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen +zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het +lichaam reeds verlaten. + +Zijne weduwe, Françoise, Heer Hugoos Erfdochter van Lannoy, overleefde +hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het +geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd +door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van +gelijken ouderdom, van Vorstelijken Huize, en sinds zijn elfde jaar +aan het Keizerlijk hof te Brussel opgevoed: in 1551 huwde Willem +van Nassau-Dillenburg, Prins van Oranje, Baron van Breda en Diest, +met Anna van Egmond van IJsselsteyn, Erfdochter van Buren en Leerdam +en der overige uitgestrekte goederen heurs vaders. + +Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat +zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon, Filips Willem, in 1554, +en een dochter, Maria, in 1556, die later de echtgenote des Graven +Filips van Hohenlo werd. + +Hierdoor kwam IJsselsteyn alzoo in handen van het doorluchtig Huis van +Oranje-Nassau, waarin het ook tot aan Willem den Derde bleef, zonder +dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend, +dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van +1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal +dragonders van de Fransche bezetting uit Utrecht naar IJsselsteyn, om +het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer +onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald, +»dat de meeste part het weder-komen vergaten"; de overige helden +spoedden zich ijlings weder naar Utrecht, »blasende en trommelende voor +de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt." + +De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf +gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel +en stad, zonder eenigen weêrstand, in 's vijands handen overgegaan, +en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen +uit Utrecht. + +Na Koning Willems plotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond +er tusschen Frederik den Tweede, Koning van Pruissen, en Johan Willem +Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door +hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd. IJsselsteyn +kwam toen aan Willem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder van +Friesland, Groningen, Drenthe en Gelderland, en in 1747, als Willem +de Vierde, Stadhouder der Vereenigde Provinciën. Zijne moeder, de +beminnelijke Maria Louisa van Hessen-Cassel, die, na gade en zoon +overleefd te hebben, eerst in 1765 te Leeuwarden overleed, hield +zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat, +en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare +herinnering van de edele Vorstin. + +Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost van +IJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid +bekleed door den Heer de Beaufort, die er toen afstand van moest doen, +en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen +des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek +werd gebracht. + +Nu moest het, dàn als hospitaal--dàn als kazerne dienen, en speelde +de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het +eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends +werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten, +en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van de Capelle als +huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van der +Duin van Maasdam heur verblijf vestigde. + +Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van de Capelle, in +1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer +Mr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer van Bunnik en Vechten, +wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft. + +Intusschen heeft de uitwendige vorm van den IJsselsteyn natuurlijk +veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den +tegenwoordigen toestand wordt gevonden in Robidé van der Aas +»Oud-Nederland," en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men +kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht, +wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer +dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5 +N. el dikte heeft. + +De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich +daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoe wenschelijk dit ook +ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder +het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde +klooster te onderhouden." De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf +geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen +en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn. + +Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men +met den dichter spreken: + + + Wel, zeker, wie 't herdenken mint + Van lang voorleden, schooner dagen-- + Wie een weemoedig-zoet behagen + In de eeuwig groene Erinring vindt, + Heeft slechts die muren te ondervragen, + Die 't merk van koninklijke pracht, + Van oude--eilaas! verlamde--kracht-- + In reuzenschrift aan 't voorhoofd dragen. + + o, Fluisterstem van dat Voorleden, + Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord, + Die, als een zangrig harpaccoord, + Ter helft geraden, half gehoord, + Den avondwandlaar langs gegleden, + De stilte van den bouwval stoort! + Hoe woei mij dàar de Erinring tegen + Van Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht, + Van Riddereer en Riddermagt, + Van Lust en Last, van Ramp en Zegen! + + Dan rijst voor mijn verwonderd oog + Op nieuw het burggewelf omhoog, + Zoo als 'et prijkte in vroeger dagen; + Dan krijgt die slotpoort als weleer + Zijn ijzren vleugeldeuren weêr; + Dán wappert van den hoogen toren + Op nieuw de slanke baanrol uit; + Dan is 't, of 't avondzonnegloren + Op 't blankgeslepen borstschild stuit, + En blikkert op de stormhelmetten, + En 't flikkrend staal der krijgsgenetten, + Die zich verdringen in het krijt + En joken naar den strijd! + + Dán treedt een sleep die hallen binnen + Van Edelvrouwen, jonk en schoon, + Van Ridders, vurig in 't beminnen, + Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen, + En Minstreels, die den zang beginnen + Voor Vrouwengunst en Minneloon! + + Waar is uw luister heêngevaren, + En, sombre Puinhoop, wáar uw praal? + + Gij spreekt de vreeselijke taal + Van moeilijke Opkomst, vroeg Verderven, + Van korten Bloei en langzaam Sterven; + Gij zingt het slepend grafgezang + Van eeuwgen, eeuwgen Ondergang! + + Doch neen, geen Dood! + De geest blijft leven, + Die, eens dier stichting ingedreven, + Nog scheemrig in den bouwval gloort.-- + Want wat des menschen vinding stichtte, + Want wat de kracht zijns wils verrigtte, + De daad die is duurt altoos voort! + + + + + + + +JACHTSLOT HET LOO. + + +Schoon ik een open zin en een warm hart voor het oude heb, ben ik +toch volstrekt niet ingenomen met het verouderde, en van weinige +dingen heb ik een zoo volstrekten afkeer, als van verouderde klachten. + +En niettegenstaande dit, wil ik echter nog eenmaal op eene verouderde +klacht terug komen, omdat de ergelijke grond van haar ontstaan met +iederen zomer weer op nieuw herleeft: + +»Wy--neen, Goddank! nog niet wy, maar toch, helaas! nog velen +onzer--zoeken de oorspronkelijke schoonheid der natuur nog altoos +buiten, niet in ons vaderland; en wie onder ons aanspraak maakt op den +naam van man van beschaving en opvoeding, kent, zoo hem Zwitserland en +Italië nog vreemd zijn, ten minste de Maas- en Rijn-streken door eigene +aanschouwing; ook nog, by toeval, de omstreken eens buitenverblijfs +van verwant of vriend, en heeft waarlijk ook wel eens hooren beweren +dat Nederland zelfs rijk aan natuurschoonheid is--maar onder dit +laatste schrijven zijne verbaasde blikken: »quod est demonstrandum!" + +De arme dwaas!-- + +Ik erger my over hem, meent ge? Waarlijk niet: den man, die f 50.000 +jaarlijksch inkomen bezit, en zich nog altijd misdeeld waant, omdat +hy geen f 500.000 heeft--beklaag ik slechts; en--in een zeer netelige +luim zou ik misschien zeggen, dat hy voor Meerenberg rijp is, als +zoo menige politieke Tinnegieter onzes tijds. + +Nederland arm aan waarachtige natuurschoonheid! + +»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven +en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof +ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!--Schaduw +en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer in Holland +overvloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont +zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer +met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van +olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een +welriekende balsemgeur toe--niet minder streelt ons in het voorjaar de +balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.--Naast de +hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas, +met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en +eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen, +dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen +loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden, +dat Vondel ze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken +kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open +plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar +met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen, +gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of +het malsche klavergroen der weiden afsteken.--Zoo groeien hier op +Hollands bodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze +weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze +wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen, +op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort +bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken: +de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en +het varenkruid.--Over de kelken dezer in het wild verspreide bloemen +zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in +de zomerzon.--Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.--Maar +als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen +lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide, +waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de +klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en +van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of +vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen; +als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven, +het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling +afwisselen--dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons +gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al +dien wellust te bevatten." [41] + +Laat hem in den vreemde gaan reizen, die misdeeld genoeg is om +Hollands weelderigen rijkdom aan schilderachtig natuurschoon te +kunnen ontkennen; laat hem in den vreemde gaan reizen--hy zal 't +ook dáar niet vinden: zijn gemoed mist den open zin, den spiegel die +'t weerkaatsen moet. + +En valt er zooveel reeds in de natuur aan den Hollandschen duinzoom +te genieten--hoeveel meer dan nog in dat uitnemend gewest, dat +(door onze vervelende zucht naar vergelijking met den vreemde) den +naam van Neêrlands Zwitserland, of eener dergelijke Nederlandsche +vreemdigheid, draagt! + +»O!" wordt er gezegd: »ook daar zijn we geen vreemdelingen; wy kennen +Arnhem en zijne verrukkelijke omstreken zeer goed!" + +Maar ge zult toch in waarheid niet meenen, dat ge het oorspronkelijk +schoon van Gelderland dáar te zoeken hebt?--Zoo ge my toestemmend +andwoorden moet, dan bewijst ge daarmêe, dat ge genoegen smaakt in +wandelen tusschen groene bergen en fraaie dreven, onder prachtige +beuken zoowel als onder cierlijke acaciaas, door kunstelijk grotwerk +zoowel als langs klaterende fonteinen--maar uw gevoel voor de +natuur spreekt er nog volstrekt niet uit.--Zijt ge zoo gelukkig +dit te bezitten, en weet ge alzoo vruchtbaarheid van produktiviteit, +statigen ernst van eentoonigheid, vrije natuurschakeering van kunstige +afwisseling te onderscheiden--ga dan naar dat deel van Gelderland, +dat door een zijner eigene Hertogen [42] werd gekenmerkt als »een +wilt en bijster lant, daer veel overgrepen in geschiên plegen."-- + +Dáar, op de Hooge-Veluwe, zal de reiziger, die gewoon is in vreemde +gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigene oogen gaan +overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon +is. Met welgevallen zal hy opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling +van land- en veldgezichten die landstreek oplevert; hoe ook daar de +kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon, +hoe schilderachtig vele dorpen en gehuchten dáar zijn gelegen; +hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der +zoogenaamde Woldbergen; hy zal verbaasd staan over die uitgestrekte +heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt; in +die heide, waarop de veelsoortige erica met hare zacht en helder +purperen bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde +van onze planeet, te weten in Jutland, Holstein, Hanover, Westfalen, +en Nederland, wordt gevonden:--en niet zonder belangstelling zal hy +die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in +hunnen natuurstaat bevinden. + +En hoe vele boeiende overleveringen zijn niet verbonden aan dien +belangwekkenden bodem; hoe vele herinneringen uit lang vervlogen +dagen doemen dáar op voor onze verbeelding; hoe wordt daar de geest +gestemd tot ernst en overdenking!-- [43] + +En juist dáarom is die woeste, purperbruine, met donkergroen +geschakeerde Veluwe zoo dubbel aantrekkelijk voor den beschaafden +Nederlander (wie de geschiedenis zijns lands niet kent, zal men +natuurlijk niet beschaafd heeten!). En hoe eindeloos in getal, hoe +veelsoortig en afwisselend zijn hier de historische herinneringen! By +iederen voetstap: uit elken tijd: van toen de eerste Germaan er het +zand boven de urne zijner dooden ten heuvel opwierp, tot toen de +hervorming er de Sint-Jans Ridders uit hun rustig verblijf wechdreef; +van dat een Koning van Engeland er ter verpoozing van staatszorg zijne +valken opschoot, tot toen een Koning van Nederland, door staatszorg +vermoeid, er den scepter nederleî.--Hoe veel voor het hart; hoeveel +voor het hoofd! Hoe veel voor de wetenschap; hoe veel voor de poëzy!-- + +Wie onzer schilders zal nog eenmaal by zijne gave ook wetenschappelijk +genoeg gevormd zijn, om er ons de historische landschappen van te +schenken? Wie onzer dichters, om die landschappen met de handelingen +van het voorgeslacht te bezielen? + +By zoo grooten rijkdom wordt de keuze van onderwerp zeker moeielijk; +maar niet alleen voor den dichter, of den schilder--ook voor den +geschiedschrijver, wanneer hy zich ten taak heeft gesteld om slechts +enkele onderwerpen te behandelen. Dus is het thands my, nu ik op de +Veluwe tusschen de eeuwen rondwandel, en niet naar eenig merkwaardig +overblijfsel zoek, maar deze zich by menigten aan my opdringen. + +En wanneer ik dan den vinger zet op eene plaats, waar de herinneringen +zich ten naauwste aan het Huis van Oranje verbinden, dan vreeze ik +geenszins naar het minder belangrijke te hebben gegrepen. + + + +Een halfuur noordwaart van het grijze Apeldoorn ligt eene heerlijke +plek gronds; niet, gelijk men ze wel eens heeft aangeduid, als een + + + Blinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand; + + +maar + + + Als in glansend goudgevonkel 't flonkren van den diamant. + + +Van heuvelige heide, en dichte, eeuwenheugende wouden omgeven, rees +daar in de 16e eeuw het jachtslot van den Hertooglijken Maarschalk +Johan Bentynck, uit de heldere gracht omhoog. + +Heer Johan was een zoon uit het oud en edel Geslacht van Bentync, dat +reeds in de veertiende eeuw in groot aanzien stond. Zijne echtgenote, +Joanna, des Heeren dochter van Appeltern, ontsproot mede uit een der +edelste geslachten van het Gelreland. Zy schonk hem vier dochters, +waarvan de twee oudsten in den geestelijken staat--de beide jongsten +in het huwelijk traden; en vier zoons, waarvan drie ongehuwd, en de +eenige die gehuwd was, toch kinderloos overleed. [44] + +Reeds in 1503 werd hy met de Heerlijkheid Arensberghe (thands +Berrinkhuizen) en de tienden in Engeland, op de Veluwe, beleend, +en omstreeks dien zelfden tijd verlijd met het Jagermeesterschap op +Veluwe en in het Nederrijkswald, waarin hy vervolgends in 1511 weder +bevestigd werd. + +Wanneer, en door wie zijn huis het Loo gesticht was, en of het leven +zijner vroegere bewoners in rust of in onvrede was voorby gegaan, +daarvan weet de historie, noch de overlevering te spreken. Dat het +een lust- en jachtslot der Geldersche Hertogen zou geweest zijn, +is eene opvatting van lateren tijd, in den onze wederlegd, en voor +goed vernietigd. + +Onder het toenmalig kerspel Apeldoirn gelegen, was het tot in 1537 +een vrij, eigen goed, en werd den 31en Augustus van dat jaar door +Johan in leen opgedragen aan Karel van Egmond, zijn Hertog en Heer, +dien hy sints veertig jaren getrouwelijk gediend had. + +De Hertog nam die opdracht willig aan, en maakte uit erkentelijkheid +voor dit en menige trouwe dienst, het ambt van Jagermeester op +Veluwe en in het Nederrijks-wald, »mit allen sijnen rechten, renten +ind toebehoir" erfelijk in het Geslacht van Bentynck. Te voren was +aan deze waardigheid ook het bezit van het Huis en de Heerlijkheid +Hoeckelom verknocht geweest; maar daar dit sedert 1481 met Herman van +Hoeckelom vervallen was, verbond Karel er andere, nieuwe voordeelen +aan, en regelde de inkomsten van het ambt voor goed; 31 Augustus +1537. Tevens bepaalde hy de erfopvolging in dezer voege: + + + »Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op + sijnen altsten soen Adolph Bentynck, in soe voirtaen then + euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnen + Adolffs ind Kairls sijnen sone, van lijven gekoemen. Ind + ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal + dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op + onsen diener ind lieven getrouwen Seger van Arnhem, ind op + sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouwe Anna + Bentynckx toe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall + datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen + koemen ind vallen." + + +En de omstandigheid, by deze laatste bepaling geregeld, had weldra +plaats. + +Johan Bentynck, die als eerste Edelman uit de Veluwe de overeenkomst +van 27 Januari 1538, omtrent de vereeniging van Gelder en Sutphen met +Gulick en Cleve mede bezegelde, bekleedde zijne waardigheid tot in +1543, toen hy op den 16en Oktober overleed, en ze, met het bezit van +'t Loo, aan zijn oudsten zoon Adolf naliet. + +Heer Adolf, nu Erf-Jagermeester van de Veluwe, werd terstond beleend +met de Heerlijkheden Arensberghe en Westerhof, en met de tienden +van Engeland. Het liep echter tot den 19en September 1547, eer hy +door Keizer Karel den Vijfde, sedert 1543 Hertog van Gelder, met het +Jagermeesterschap der Veluwe en de Heerlijkheid het Loo verlyd werd, +waarby het heergewaad, ook voor 't vervolg, werd vastgesteld op twee +witte windhonden en een jachthoorn. + +Hy overleefde de bevestiging van zijn erfrecht niet lang, want +hy stierf reeds den 30en Mei des volgenden jaars, en liet zijne +kinderlooze gade, Margareta van Valck, als eene eenzame weduwe achter. + +Daar nu zijn broeder Karel, gelijk wy gezien hebben, reeds ongehuwd +overleden was, viel het Jagermeesterschap, ingevolge de door Hertog +Karel van Egmond gemaakte bepalingen, op hun schoonbroeder Seger van +Arnhem, gehuwd met Anna Bentynck, na wier (mede kinderloos) overlijden, +het weder aan het Hertogdom te rug kwam. [45] + +De Heerlijkheid het Loo bleef echter nog een wijle aan de vrouwelijke +zijlinie van het geslacht: Aleyde Bentynck, Heer Filips echtgenote +van Varick, bekwam het by erfenis van haren broeder, te gelijk met +de Heerlijkheid Westerhof. + +In hoeverre het, nu wy dit alles met zekerheid weten, nog daarenboven +aan te nemen zij, dat Gelderlands meest beruchte Maarschalk, Marten +van Rossum, de bouwheer van het kasteel wezen mag, kunnen wy niet +meer verdedigen, al schijnt zijn wapen, met het jaartal 1538, op het +binnenplein boven den ingang van den linker zijvleugel [46] te staan. + +En al moeten wy nu in de prachtige bosschen, of op de heuvelige +heide rondom het Loo, den forsch-gebouwden krijgsman en jager by +uitnemendheid, den ruwen brandstichter met zijn toch zoo open en +welwillend gelaat, missen--de Bentyncks en hunne verwanten en vrienden +(of wat Edelman, vroeger of daarna, het gezellige jachtslot moge +bewoond hebben) zullen de groene wouden en paersche heivelden niet +steeds eenzaam, en het ranke horendragend-, het knorrende tandmachtig-, +of het schuwe kleine wild, niet steeds in rust gelaten hebben. Daarom +willen wy ons dan ook eens geheel in de eigenaardige woeling rondom +een jachtslot verplaatsen,--den bezitters en hunne gasten in hun +geliefkoosd vermaak volgen, en ons daar in laten geleiden door twee +uitmuntende gidsen. Volgen wy eerst den Heer Haasloop Werner, wanneer +hy de jacht in 't woud vergezelt. + +»Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige +rossen en vurige telgangers, op de hand den afgerichten sperwer of +den vluggen valk houdende, doortrok toen meermalen deze foreesten. De +trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan +lederen leibanden de slanke hazewindhonden, de brakken en speurhonden +voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat het hunnen +geleiders veel moeite kostte, hen in hunne vaart te betoomen. Dan +weergalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas +en horengeschal; de grond daverde van het getrappel van paarden, en +onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens, +die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne +schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuze hert,--dat nog +op den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop +opgeheven, en met een zekeren trotsch het veld (dat met heuvelen en +bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed) had overzien--opgejaagd +en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand +voorspeld; éen oogenblik had het luisterend stil gestaan; was toen +met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar de nog snellere +pijlen en jachtsprieten, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand, +bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door +de bloeddorstige honden te worden afgemaakt." + +Niet minder levendig was de hartstocht voor de valkenjacht, dat +voorrecht en lievelingsbedrijf der Edelen, in het genieten waarvan +de Heer Verster van Wulvenhorst ons geleiden zal. + +»Naauwelijks heeft de rijzende zon de nevelen van den ochtendstond +voor zich heen gedreven, of alles is op het binnenplein van den +ridderlijken burg reeds vol leven en beweging. De knapen hebben +de fiere rossen opgetoomd, en de stallingen der ongeduldige honden +ontsloten; de valkeniers de valken uit het valkenhuis gedragen en, +van hunne fraaie kappen en schelklinkende belletjens voorzien, op het +raam geplaatst; terwijl de havikken hunne gewone plaats in de keuken, +voor de vuist van den rustigen weidman hebben verwisseld. + +»Uit de hooge poort van het burchtgebouw treden nu de edele Vrouwen +en Jonkers, door de luidblaffende spagnoelen (oude naam der spaansche +honden, Espagneuls) omringd, in cierlijk gewaad te voorschijn. De +eersten bestijgen de fraaie hakkenijen, of telgangers, met eerbiedige +hulp der Jonkers, terwijl de geliefkoosde vogel de adelijke hand +verciert. Behendig werpen zich de Ridders in den zadel der moedige +rossen, en onder vrolijk jachtgeschal en het blaffen der honden trekt +de statige trein over de breede ophaalbrug in het vrije veld. + +»Op de ruime vlakte hebben de yverige honden pas een reiger uit het +moeras opgedaan, of even spoedig stijgt de edele vogel met pijlsnelle +vaart van de hand der Burchtvrouw. Te vergeefs tracht de reiger in +eene bespoedigde vlucht zijn heil te zoeken. Een tweede opgeworpen valk +dwingt hem tot het opklimmen in het luchtruim. Immer hooger en hooger +stijgende, begint, onder het bemoedigend geroep der jagers, de felle +kamp. Met de scherpe neb verdedigt de reiger zich onverschrokken tegen +zijne machtige aanvallers, en de zege blijft onbeslist. Een daverend +gejuich van den jachtstoet kondigt het opwerpen van den derden vogel, +den ouden beproefden geervalk, aan. Een pijl gelijk, stijgt hy, terwijl +aller oogen op hem gevestigd zijn, boven den reiger en diens bekampers. + +»In éen oogenblik heeft zijn geoefend oog het juiste punt gekozen, +en eensklaps stort de reiger, door een krachtigen stoot als verlamd, +van zijne overwinnaars gevolgd, uit het luchtruim. Ras ijlen de +Jonkers toe; bevrijden den reiger uit de scherpe klaauwen, en bieden +de buit aan hunne gebiedsters, terwijl een welgevallige blik van deze, +het edel jachtvermaak verhoogt." + + + +En wilt ge, na de bywoning dezer beide jacht-dagen, nog die van een +derde, en wel de vervolging van den ever, dat grimmige dier, dat nog +lang op de Veluwe gevonden, en waarvan waarschijnlijk de laatste in +1826 door den Baron van Lijnden van Oldenaller geschoten werd--zoo +wil ik, by gebrek aan een anderen gids, zelf u voorgaan. + + + Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch, + En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.-- + Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren, + Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,-- + Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot, + Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend rood + Om 't bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen. + + Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen, + Op 't uur des dageraads, die met zijn zilverglans + Reeds opstijgt tegen 't blaauw van d' oostelijken trans. + De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken, + Door 't windgeruisch verspat, laat zich door 't loover zakken + Op 't geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid, + Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit. + Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken, + Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken. + By wijlen steekt hy 't oor door 't nat gebladerte op, + En richt van 't laauwe mosch den borsteligen kop. + Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoeven + Verheft hy 't bovenlijf, en blijft beweegloos toeven, + Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld, + Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:-- + Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammen + Genaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammen + Hem aan:--de speurhond is aan 't einde van zijn spoor; + Hy koos zijn richting goed--en is zijn vijand voor. + + Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogen + Niet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen, + Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst, + En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd: + De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtig + En schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig, + Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht... + + Een blaffen schalt hem na--en plotslijk trilt de lucht + Van 't bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen, + En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzen + En seinen plaats en spoor. 't Gevogelt krijscht in 't rond. + Al 't wild, vervaard, schiet op van 't leger, langs den grond. + Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven; + De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven-- + 't Is alles éen rumoer. + + Voort, jaagt het boschzwijn, voort! + De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord, + De diepste wildernis en dreven om en over. + Het schaaft door 't reuzig riet; het sproeit het dorre loover + Met schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door-- + De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor. + Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen, + Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren: + Dan verre, en dan naby--maar immer onvermoeid, + En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid. + + De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen. + Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollen + Om d' opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloed + Doorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet. + Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers, + Hem tot op 't lijf genaakt in 't blinde vuur huns ijvers, + Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid, + En hun op 't lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaait + Den groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmig + Gescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig, + Den heeten honden dwars door buik en ingewand, + En werpt hen krimpend in 't met bloed gekleurde zand. + + Maar 't spoor blijft ongewischt. En 't huilen der gewonden + Is slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden, + Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. Wild + Van woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt, + Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,-- + Het rankrigst kreupelgroen,--de dichtste hazelaren, + En breekt een hollen gang door 't ruige struikgewelf. + Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf: + De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd. + Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomt + De jachtstoet altoos na. + + De felle drijvers winnen + Met ingespannen kracht, en louter vuur van binnen. + Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor, + En 't hijgend zwijn ter zij. Het voelt in 't siddrend oor + De heete tanden. 't Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zich + Ten doodelijken houw--maar thands vergeefs. + + Daar drukt zich + Een tweede hondenmuil 't gebit in 't ander oor.... + En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in 't spoor, + En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarte + Van wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte. + Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om; + De zweetdamp walmt in 't rond; geblaf, gehuil, gebrom + Galmt schor en wild door een. De doggen slaan de tanden + In rug en schoft en zij. + + Van dolle woede aan 't branden, + En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond, + En kwetst in 't wilde, en sleurt een enklen dog ten grond... + Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rilling + Die hem naar 't harte schiet--en strekt met woeste trilling + De grove leden uit, voor immer:-- + + En nu toog + De jager 't staal, dat tusschen schouderblad en oog + Het hart getroffen had, te rug, en wischte 't rustig + In 't zweet der borstlen af. + + +Zulke tafreelen rijzen u onwillekeurig voor den geest, wanneer ge +in de ruime keuken, aan den rechter vleugel van 't gebouw, voor den +breeden met hertshorens vercierden schoorsteen staat, en nog half onder +den indruk ligt van het statig en geurig lommer, dat ge pas verlaten +hebt. Want, zoo als de dichter van den »Hollandschen Duinzang" zingt: + + + Nog is jacht hier genoeglijk, en 't weidspel in eer, + By wie rustig de leden wil reppen; + + +en de vergaderde buit wordt natuurlijk in de keuken saamgebracht, +thands nog zoo wel als in de dagen der Edelen van Arnhem, van Voorst, +van Isendoorn, van Stepradt, en van Dornick, die slot en Heerlijkheid +achtereenvolgend bezaten. + +In het midden der zeventiende eeuw, trok het de aandacht van den +Prins-Stadhouder Willem den Derde, die, even als zijn vader, dikwerf +op de Veluwe de genoegens der jacht genoot. De toenmalige eigenaar +was Heer Johan Carselis van Dornick, met wien de Prins onderhandelen +deed over den verkoop, die in 1656 tot stand kwam. + +Willem de Derde was een te voortreffelijk jager, om niet aan +de uitmuntende omstreken zijner nieuwe bezitting by voorkeur te +hechten. Maar ook als lustplaats trok ze hem aan, en hy besloot tot +de oprichting van een nieuw gebouw, in de nabyheid van het eerste, +'tgeen ook weldra onder het geoefend opzicht van zijn vriend Godart +van Reede, later Graaf van Portland, verrees, en naar den toenmaligen +bouwtrant schoon mocht genoemd worden, al kon men niet zeggen dat +die stijve bouwlijnen zoo goed met de weelderig-trotsche natuur daar +rondom samenstemden, als het oude jachtslot, dat met zijn bus- en +klokvormige torenspitsen zoo rustig tusschen het reusachtig geboomte +in de heldere gracht lag. Het was toen echter geen smaak om de kunst +met de natuur te doen harmoniëren: men waande het genialer, om de +natuur naar regelen, door de kunst voorgeschreven, te vervormen, +en zoo ging het ook hier. De tijdgeest vond dat schoon, vond dat +prachtig--en de grootste mannen der eeuw bogen hun fier hoofd voor +het corset en den hoepelrok. + +En de rijke en weelderige lokken van het krachtige Veluw-landschap +vielen onder de spichtige vingeren van een Franschen kapper, die +ze besnoeide, verknipte, tot averechts krullen of sluik neerhangen +dwong--kortom: ze ten eenenmale tot een magere pruik vernielde--alles +volgends de dorre en ijskoude metriek van den vernuftigen +natuur-verminker le Notre, den toenmaligen wetgever in de hofbouwkunst. + +In 1672 bedreigde echter de uitgebroken oorlog al dit kunstwerk met +vernietiging. Een bende Franschen kwam stroopende in de nabyheid +van het Loo, en scheen wel voornemens zich er meester van te maken, +toen zekere Jan van Sprang, achter boomen en struiken verborgen, +zoo wakker zijn trom roerde, dat de stroopers, geregelden weêrstand, +misschien zelfs wel aanval duchtende, ijlings aftrokken. Nog wijst +men er u zijn graf, op de zelfde plek, die eenmaal getuige zijner +kloekmoedige beradenheid was. + +Toen de Prins later den troon van Engeland beklom, vormde hy al +spoedig het plan, om zijn princelijk lusthuis tot een echt koninklijk +buitenverblijf te verheffen. + +De gebouwen, lusthoven, beplantingen, fonteinen en waterwerken +verkregen, naar den eisch des tijds, een nieuwen luister. De +gantsche plaats, met al de lanen en dreven, besloeg ongeveer eene +ruimte van 160 morgen lands. Drie tuinen, die de geheele breedte +van het hoofdgebouw met zijne zijvleugels besloegen, van elkander +afgescheiden door rechte, lommerrijke lanen, en allen omringd door +terrassen en beplantingen, volgden elkander achter het paleis op, +en verrukten den toenmaligen beschouwer door hunne regelmatigheid, +door hunnen rijkdom van watersprongen, marmerbeelden, grotwerken, +taxis-figuren, palm-pyramiden en andere hofcieraden--schoon ze ons +thands, ondanks hunne schaduwloosheid, zouden doen huiveren. En om +dat alles de kroon op te zetten, werd er besloten om van den Asselt, +een hoogen heuvel, door middel van steenen potten, een waterleiding +naar den tuin te brengen, om eene fontein te vormen, wier waterstralen +zich in den sprong boven het paleis zouden verheffen. Van deze potten, +die, den weg van een uur lang, in eene doorloopende richting onder +den grond zitten, wordt tegenwoordig nog menig een opgegraven. + +De vorstelijke Stadhouder, op wiens schouderen zoo groote en zoo +moeielijke staatszorgen rustten, kwam byna jaarlijks naar herwaart +over, om er in zijn geliefkoosd jachtbedrijf eene verkwikkende +uitspanning te vinden; en de krachtige hand, die in die dagen +het evenwicht van Europa omklemde, en Frankrijks trotschen Koning +onverwrikt diens plaatse aanwees--schoot hier met vrolijke behendigheid +den valk op, of loste het jachtroer op den borsteligen ever of +het snelvoetige hert. Nog wijst men in het Gardersche bosch een op +zich-zelf staanden eik aan, den Konings-eik genoemd, waar Willem zijne +jachtmaaltijden hield, en die, naar het schijnt, ook wel eens voor +schijf moet hebben gediend: scheuren in de schors toch, doen hier en +daar menigen kogel bespeuren. Niet verre van daar, in het zoogenaamde +Heidendal, ligt ook nog de hertenbron, een schilderachtige waterkom, +waar, rustig en eenzaam, het statig geboomte zich weêrzijds van den +rand en uit de diepte verheft, en den vlakken spiegel met een verheven +lommer dekt. + +De reigerjacht was het evenwel by uitnemendheid, die er door den Vorst +werd uitgeoefend, waartoe de ruime heivelden rondom de Udeler-meir zoo +gunstige en uitlokkende gelegenheid aanboden, terwijl het vischrijk +water-zelf de reigers uit het Soerensche bosch by menigte aan zijn +kalmen oeverzoom lokte. + +De Staten van Gelderland gaven den Koninklijken jager intusschen een +bewijs hunner hulde, door het Loo en de buurschap Noord-Apeldoorn, +op de 10en December 1694, te verheffen tot eene hooge Heerlijkheid, +ten behoeve van hem en zijne nakomelingen. + +Vroeger dan men vermoed had, viel deze verheffing weder in een. Zes +jaren later, in de eerste dagen van Maart, deed de Koning zijn +noodlottigen wandelrid naar Hamptoncourt; plotselijk struikelt +het paard,--de ruiter valt,--breekt het sleutelbeen--en reeds +op den 19en dier zelfde maand beweent Engeland het verlies zijns +Konings,--Nederland dat zijns Stadhouders, aan wien het zoo groote, +en niet altoos naar waarde erkende, verplichtingen had. + +Daar Willem de Derde geen kinderen naliet, werd de hooge-Heerlijkheid +van het Loo ook terstond vervallen verklaard, en op den 4en April +1702 weder aan het Landdrost-ambt der Veluwe gehecht. + +Nu behoorde het Loo, even als IJsselsteyn [47], onder de goederen +der nalatenschap, waarvan het bezit door de erfgerechtigden, Koning +Frederik van Pruissen en Johan Willem Friso, onderling betwist +werd. Na den dood des laatsten, 1711, geraakte het slechts tot eene +voorloopige bemiddeling; maar by de meerderjarigheid van Prins Willem +Carel Hendrik Friso kwam men op de zaak te rug, en deed moeite tot +eene bepaalde afdoening. + +Baron Diederik van Lynden, Heer van de Park, 's Princen +Opperhofmeester,--Baron Hobbe van Aylva, Drossaat van 't Graafschap +Buren, 's Princen Opperstalmeester, en Johan Duncan, zijn gewone Raad +en Rekestmeester, en Raad en Rekenmeester zijner domeinen, werden als +gevolmachtigden naar Berlijn gezonden, en sloten er in 's Princen naam +eene overeenkomst, die zy vervolgends op den 16en Juni 1732 te Dieren +onderschreven, nadat de onderteekening van 's koningswege reeds den +14en der vorige maand te Berlijn had plaats gevonden. + +By deze schikking geraakte het Loo gelukkig in handen van den Prins, +en werd alzoo weder het eigendom van den Nassauschen stam. [48] + +Na 's Princen benoeming tot Stadhouder der geünieerde Provinciën, +beschonken de Staten van Gelderland nogmaals, en wel by besluit van +13 Januari 1748, het Loo met de rechten eener hooge Heerlijkheid, en +vergrootten er het gebied van, door de byvoeging van het geheele Ambt +van Apeldoorn en der Udeler-meir. Thands werd het weder levendiger in +de zalen, dreven, tuinen en pleinen der lustplaats; want ook Willem de +Vierde vertoefde er van tijd tot tijd, en deed verbeteren en verfraaien +waar hy dat noodig rekende. En toen de wakkere en bedrijvige Vorst +»die zich ook zonder den oorlog voor het Vaderland opofferde," +onder zijn onvermoeiden arbeid voor het belang der Nederlanden, +op den 24en Oktober, 1751, bezweek, keerden stilte en eenzaamheid +op het Loo te rug, en hielden er weder gedurende eenigen tijd een +ongestoord verblijf. + +'s Princen eenige zoon, de goedaardige Willem de Vijfde, die reeds +op achttienjarigen leeftijd de waardigheden en--staatszorgen zijns +vaders erfde, verpoosde zich gaarne op het Loo, en deed er vooral de +diergaarde uitbreiden, waartoe het geschenk van den Admiraal van Braem, +na de verovering van Malabar, van twee schoone Aziatische olifanten, +hem uitmuntend te stade kwam. Zijne zachte geaartheid deed hem in +de jacht weinig aanlokkelijks vinden, zoodat hy die byna geheel ter +zijde stelde voor zijn meer geliefkoosd vermaak der visscherij, die +door de nabyheid der Udeler meir, met hare verbazend groote snoeken, +steeds uitlokkende bevrediging vond. Van deze vischpartijen wist +de geleider, die nog voor korte jaren den bezoeker van het paleis +en der tuinen vergezelde, veel te verhalen; en de goede Prins, wiens +verlangde komst telkens door hardloopers met hunne mytervormige mutsen +en geslingerde staven werd aangekondigd, en die zoo lieftallig en +gemeenzaam jegens allen was, stond hem, hoewel toen pas een knaap +zijnde, nog helder voor den geest. + +Het bleven intusschen niet immer pleziertochten, die reizen naar +het Loo: Toen heerschzucht en vrijheidskoorts den Staten van Holland +dermate benevelden, dat zy het Stadhouderschap vervallen verklaarden, +en den Prins daarenboven het bevel over de Haagsche bezetting +ontnamen--waren het zeker geene genoeglijke denkbeelden van uitspanning +en verpoozing, die den edelen Vorst door het hoofd dwaalden, toen hy +de onstuimige hofplaats voor zijne stille lustplaats ontweek. + +Dit was nog niet de treurigste slag die hem trof. + +De tusschenkomst der Pruissische benden, onder den Hertog van +Brunswijk, herstelde het geschonden gezach slechts voor een tijd. Op +den 18en Januari, 1795, verliet de miskende Stadhouder het misleide +Nederland, en het Loo zag hem nimmer weder rustig en nadenkend door +de dreven dwalen. + +En hoe het toen met Gelderlands prachtigst buitenverblijf +geschapen stond, blijkt uit de woorden van den Baron van Spaen, wier +aandoenlijkheid in hunne eenvoudigheid spreekt: »Thands heeft deeze +Heerlijkheid het lot van alle de goederen van het huis van Oranje +ondergaan; en de vriend van zijn Vaderland moet de eenzaamheid van +die uitgestrekte gebouwen, van die kunstige waterwerken, van die +aangename wandeldreven betreuren, dewijl die, door eene talrijke +Hofhouding in den zomer bewoond, vreemdelingen aanlokten en veel +vertier veroorzaakten; 'twelk voor de ingezetenen der schrale hooge +Veluwe een bron van welvaart was, die nu uitgedroogd is." + +En die toestand van verlatenheid was nog de ergste niet; zelfs +niet de baldadigheden, door de Engelschen gepleegd, toen zy uit de +zuidelijke Nederlanden terug, en hier door trokken, brachtten er zoo +veel verwoesting, als de naar geld grijpende hand van het Bestuur der +eerlijke Bataafsche-Republiek: De zwaarste boomen werden omgehouwen, +het lood der daken en fonteinpijpen afgeworpen en opgegraven, en met +de prachtige meubelen, en wat door kostbaarheid van waarde was.... te +gelde gemaakt! + +En indien dit geschiedde door den Staat-zelf--hoe kon men dan +verwachten, dat de vreemdeling minder dorre gevoelloosheid verraden +zou! Zeker--wanneer Johan Bentynck zijn fieren gebieder op zijn +jachtslot onthaalde, en alles daar wemelde van den rijkdom en de +pracht des Hertooglijken aanhangs--dan heeft hy wel nooit, ook maar +niet van verre, vermoed, dat het eenmaal tot een »armzalig hospitaal" +voor soldaten zou worden verlaagd. En wanneer Graaf Godart van +Portland de door hem aangelegde zalen en vertrekken voor Nederland +zag gewijd door de voetstappen van zijn vorstelijken vriend, dien +men thands erkent een der grootste Koningen van Groot-Britanje te +zijn geweest--toen heeft hy zeker ook nooit gedacht, dat eenmaal een +deel der armee van die zelfde Franschen, door een Willem den Derde +zoo nadrukkelijk in toom gehouden, de leden, met eene walgelijke +huidziekte overdekt, daar zouden neêrstrekken, en somtijds, door +verregaande onvoorzichtigheid hunne eigene krijgsgenoten, gevaar +zouden loopen om met het gebouw-zelf in vlammen te verteeren. + +En toch--het jachtslot werd tot een hospitaal verlaagd; en toen het +getal der kranken tot byna zes duizend geklommen was, vervulde het +ook voor een groot deel de zalen en vertrekken van het paleis. En +toen eenmaal, nog steeds in 1795, Deventer, Zutphen, Doesburg en +Arnhem nalatig waren in het voldoen der vorderingen ten behoeve +van dat hospitaal, dreigde de Generaal van Damme, met de volmaakte +onbeschaamdheid van een Franschen veroveraar, dat hy een deel der +besmettelijke huidzieken van het Loo by de burgers dier steden zou +doen inlegeren. + +De herschepping van de Noordelijke Nederlanden in een Koninkrijk +Holland, was voor het Loo eene weldaad. De goede Lodewijk--een andere +Willem de Vijfde, maar met minder begrip eener voormalige Hollandsche +deugd, die spaarzaamheid heette--had niet zoodra kennis met de +vernielde lustplaats gemaakt, of hy verlangde dat ze in beteren staat +gebracht, en weder tot een vorstelijk verblijf zou ingericht worden. + +Op dien koninklijken last togen nu alle handen aan het werk; en +weder naar den toenmaligen, wel ietwat kleingeestigen, maar minder +onnatuurlijken, smaak ingericht--was het Loo weldra in staat, zijn +vroegeren roem te handhaven. Jammer slechts, dat Lodewijks bygeloovige +zwakheid het jachtslot (waar intusschen reeds voor 1730 de peer- en +klokvormige torendaken in de tegenwoordige spitsen veranderd waren) +een der grootste cieraden ontnam, door het doen dempen der gracht, +wijl hem gezegd was, dat hy zich in 't algemeen voor water zou +hebben te hoeden. Het voorkomen van het jachthuis is er merkelijk +door verminderd, en het maakt thands meer den indruk van een zware +en versterkte poort, dan van een klein kasteel. Op het paleis, weldra +door zijn bekwamen bouwmeester Tibault hersteld en verbeterd, deed hy +de eetzaal tot kapel inrichten; dit is later weder veranderd en op +den ouden voet gebracht, maar de gedempte gracht zal waarschijnlijk +wel immer in den tegenwoordigen toestand blijven. Onder Lodewijks +belangrijkste verbeteringen behoort voorzeker het aanleggen van den +straatweg, die de tot op dien tijd gebezigde mulle heibaan verving. De +koning, hoe wisselziek van aart ook, bevond zich dikwerf op het Loo; +en in den zomer van 1808 konden de omwoners zich elken zondag te goed +doen aan het vreemde en schitterende schouwspel, dat de parade van +de garde, de ruiterij, en het voetvolk hun opleverde. + +Maar ook dit ging weldra voorby. Het jaar 1810 was daar; het Koningrijk +Holland werd by het Keizerrijk ingelijfd, en met Lodewijks vertrek +bleven van den voormaligen drokken en woeligen stoet in paleis en +jachtslot niet dan slechts weinige beambten over. + +Toen echter de groote veroveraar Napoleon in het volgende jaar door +Gelderland trok, kreeg alles op het Loo weder voor korten tijd een +vorstelijk aanzien. In de maand Oktober was de Keizerin, vergezeld +van den Prins Neufchatel, de schoone Hertogin Monte-Bello, en geheel +een schitterenden hofstoet, aangekomen, en men verwachtte er ook +den Keizer-zelf. Deze, den 29e dier maand onder het geleide van +talrijke gewapenden van Zwolle vertrekkende, kwam nog dien zelfden +dag op het paleis aan, met den Maarschalk Duroc, Hertog van Frioul, +en een aanzienlijk gevolg, waarvan een deel hem op zijne wandelingen +door de lustplaats vergezelde, nadat alvorens de paden en lanen van +tuin en park door eene gewapende wacht van alle andere bezoekers +was ontruimd. Geen arbeider zelfs was dan het blijven vergund. »Zoo +bevreesd was de man, op wiens wenk duizenden zich in het stof +bogen, dat de Hollanders, dien hy onlangs de weldaad bewezen had, +van hen met het Groote Rijk te vereenigen, hem met ondank beloonen, +en wellicht door gehuurde moordenaars een aanslag op zijn leven +ondernemen zouden." [49]--In de nacht tusschen 30 en 31 Oktober kwamen +twee koeriers, met haastigen spoed, op het Loo aan, en de rust in de +koninklijke slaapkamer, waar slechts de wit-satijnen ledikant-gordijnen +Napoleons sluimer bespiedden, werd voor goed gestoord. Onverwacht gaf +de Keizer bevel om nog dien zelfden dag te vertrekken; en op den avond +sprak men er van zijne kortstondige verschijning, als van een bonten en +wonderlijken droom, die van eene zonderlinge rust was opgevolgd. Kort +daarna was de rust van geheel Europa weder gestoord, en werden alom +de geduchte toebereidselen gemaakt tot den tocht naar Rusland. + +En deze tocht naar Rusland legde den grondslag tot de opeenvolging +van gebeurtenissen, die den oranjeboomen op het Loo weder eene +eigenaardige en vrolijke beteekenis gaven: in 1813 zette het Huis +van Oranje vasten voet op den Nederlandschen bodem, en Willem de +Eerste kende weldra geen uitlokkender oord tot ontspanning en rust, +dan de schepping van Willem den Derde. + +»Sedert dien tijd werd het Loo de geliefkoosde lustplaats onzer +vorstelijke familië, die hier meer dan op het kasteel te Laeken +aan hare zucht voor eene burgerlijke levenswijze gehoor gaf." Nog +toont de gids die u er rond leidt »al de plekjens aan, waar Koning +Willem van zijne wandelingen door het park uitrustte, vooral aan den +grooten vijver, in de nabyheid van een zacht-ruischenden waterval, +en maakt u opmerkzaam op het kleine eilandjen, waar de Vorstelijke +familië dikwijls op schoone zomeravonden in de open lucht de thee +gebruikte. De regtschapen Vorst, die steeds het goede wilde, ook +schoon hy misschien dikwijls faalde in de keuze der middelen om het +te bereiken, zocht hier, vooral gedurende het laatste tiental jaren +zijner regeering, dikwerf verpoozing van de zorgen, die by voorkeur +de hooggewelfde paleizen omzwerven." + +Voorwaar! Wie ook thands dat prachtige park doorwandelt, hy zal nog +het woord bestemmen, reeds in 1841 gesproken: Het is zoo aangenaam +er rond te dolen met iemant, die er zich thuis vindt, en nog iets +weet te verhalen van gintsche tijden, toen Princes Louize hier nog +haar geliefkoosd verblijf hield, en een dier bekoorlijke tentjens +bewoonde; toen onze Koningin met zooveel blijdschap hare rust genoot +in deze stille afgescheidenheid van de waereld; toen Princes Marianne +zich nog in het liefelijk hofjen verblijdde, dat ter zijde van het +paleis nog de dagen harer kindsheid vertoont; toen de boerderij, die +zoo vriendelijk door het groen bedekt is, haar een zoo beminnelijk +Nederlandsch karakter deed bezitten.--O, het Loo bevat een waereld +van gedachten, niet uit te spreken, maar die menigmaal een traan in +ons oog deed opwellen!-- + +Onder Willem den Eerste werden ook de ruime vijvers gegraven, wier +oevers zulk een prachtig gezicht opleveren, en die in onze dagen door +zijn kleinzoon aanmerkelijk werden verbeterd en verfraaid, zoodat zy +thands een der grootste cieraden van het trotsche park uitmaken. + +Ook de oude en reeds lang vergeten valkenjacht werd er weder in +het leven terug geroepen, en met koninklijke vergunning aangelegd +door den Baron d' Offemont, Sir Charles Stuart Wortley, en de beide +Heeren Newcombe, en wel van den 1en Juni 1839, tot in den aanvang +der volgende maand.--Tot den jachtstoet behoorden 16 edelvalken en +2 tertsels, onder het opzicht der gebroeders Both, Valkeniers van +Valkenswaard. De heide rondom de Soerensche bosschen was ook weder de +streek die door de ervaren jagers gekozen was. Wanneer regen, of te +sterke wind, den valken het snel vliegen niet verhinderden, en de jacht +alzoo onbelemmerd plaats kon vinden, werden de terugkeerende reigers +op een kwartier afstands van het woud, en onder den wind daarvan, +opgewacht: gedurende het tijdsverloop van 2 ure in den namiddag, +tot aan het vallen van den avond. Telkens werden er twee valken naar +een reiger geworpen, waarvan er echter altoos éen hem ving, en nooit +beiden te zamen; somtijds werd er slechts een enkele valk opgeworpen, +die om zijne byzondere vlugheid en kracht Bulldog heette. Het getal +der gevangen reigers bedroeg in het geheel 104. + +Ernstiger herinnering bewaart het Loo van het volgende jaar 1840. De +Koning, moede van de zorgen eener regeering, die sedert 1830 vooral +door de schandelijke trouweloosheid der Mogendheden verbitterd was, +en vergeefs worstelende tegen een tijdgeest, waarmede hy zich niet +vereenigen kon, kwam tot een besluit, zeldsaam onder gekroonde +hoofden: hy wilde van zijn kroon afstand doen. In het laatst van +September vertrok hy uit 's Gravenhage naar het Loo. En op Woensdag +den 7en Oktober daaraanvolgende, ten 12 ure op den middag, stond hy +in de groote receptie-zaal van het paleis voor de marmeren tafel, +omgeven van zijne kinderen en kleinkinderen, in tegenwoordigheid +van de Ministers, de Leden van den Raad van State, en die van den +Geheimen-Raad voor Luxemburg, en teekende er de acte van abdicatie, +ten behoeven van zijnen oudsten zoon, wien Nederland sints by voorkeur +zijn ridderlijken Koning noemt. + +Zonderling is men te moede, wanneer men in die rijke zaal staat, en +zich dat belangrijk en plechtig oogenblik voor den geest stelt. Maar +als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het ruime met +acaciaas beplante voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den +ingang, door de lange beukenlaan staart--dan gevoelt ge zoo levendig, +hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu ze +het persende harnas had afgegespt. + +Koning Willem de Tweede had eene voorliefde voor het door hem +byna omgeschapene Tilburg, en was derhalven niet zoo dikwerf als +zijn vorstelijke vader op de oude lustplaats der Oranjes te vinden, +schoon de valkenjachten nog eenigen tijd in wezen bleven. Toen echter +zijn onverwachte en te vroege dood hem wech nam van een volk dat hem +vereerde en liefhad; en dat diep en ongekunsteld rouwe droeg by de +mare van zijn spoedigen dood--toen werd op het Loo weder eene oude +herinnering als opgewekt met den naam van Willem den Derde. + +Met dezen Vorst is ook werkelijk weder een nieuw tijdperk van +bloei voor het Loo aangevangen. Talloos zijn de veranderingen en +verfraaiïngen, door hem aan dit uitstekende landgoed aangebracht, +waarvan, behalven de reeds gemelde opluistering der groote vijvers +achter in het park, vooral de verbetering der wegen opmerking +verdient. Natuur en kunst gaan thands op de uitnemendste wijze hand +aan hand; en by het eenzaam omdwalen onder dat prachtig geboomte, die +trotsche beuken, die eerwaardige eiken, die statige linden, die donkere +dennen: allen reusachtige scheppingen der krachtige natuur, vergeet +ge haast, dat de kunst juist daar is geweest, om u dat alles in die +weelde te doen genieten. Byna 400 bunders grond zijn thands omperkt; +en de moestuin, die geen gelijke in Europa heeft, beslaat 7 bunders. + +Een geheel nieuw schouwspel vertoonde zich op het Loo in 1851, door den +wedstrijd der Boogschutterijen, die op het ruime, daartoe opzettelijk +ten vorigen jare ingerichte grasperk by den ijskelder, de proeven +hunner behendigheid aflegden,--feestelijk werden onthaald, en uit de +Vorstelijke hand de hun toegezegde prijzen ontfingen. Later diende +dit perk voor de tentoonstelling, door de Geldersche maatschappij van +landbouw gehouden. In het zelfde jaar 1851, werd ook de smaakvolle +schouwburgzaal ingewijd, die onder 's Konings toezicht aan den rechter +vleugel der voorgebouwen is opgericht. + +Alzoo is het Loo een kolossaal en prachtig gedenkteeken, dat de +geschiedenis van het Huis van Oranje omvat, van den eersten Willem +den Derde af, tot aan den tweeden Willem den Derde toe, van wien het +nageslacht eenmaal moge kunnen getuigen, als het thands van zijnen +grooten voorvader doet. En gaarne spreekt de rechtschapen Nederlander +den dichter na, die den Vorst uit de warmte zijns harten toebidt: + + + Een derde Willem stichtte 't Loo. + Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?-- + O Derde Willem! moge ook zoo + De naam Uws Vaders op U wezen! + Hy was het borstschild van Euroop-- + Wees gy Oud-Nederlands beschermer! + + En Gy, Oud-Nederlands Ontfermer! + Vervul door Willem Neêrlands hoop!-- + + + + + + + +HET KASTEEL AMMERSODE. + + +Voor wie de geschiedenis van zijn land lief heeft,--voor wie beseft, +dat groote handelingen en bewegingen zich in duizend kleinere splitsen, +daarvan zijn voorafgegaan, daarmeê samenhangen, daardoor gevolgd +worden,--voor wie alzoo begrijpt dat elke uiting eener eeuw, niet +alleen in het openbaar--, maar ook in het huisselijk leven en wat +zich daaraan vasthecht, eene historische belangrijkheid bezit, die +vooral dáar in waarde klimt, waar vele dier enkele verschijnselen nog +zijn samengebleven in een groot geheel, dat het eigenaardig kenmerk +van zijn bepaalden tijd draagt--voor hem is het meer dan een bloot +genoegen, nog eens rond te wandelen in de zalen en vertrekken en +gewelven van een dier weinige kasteelen, die in ons vaderland aan de +geduchte handen des tijds en der sloopers ontkomen zijn: voor hem is +het wetenschappelijk genot. + +En wie nu dit genot nog eens in ruime mate wenscht te doorleven, wende +den voet naar dat gedeelte van het aloude Teisterbant, dat thands den +naam van Bommelerwaard draagt, en wel dáar heen, waar aan den rechter +Maas-oever het dorp Ammerzode zich in het welige geboomte verbergt, +en niet verre van de rivier een kasteel ernstig en statig oprijst. + +En wie zich nu, ondanks zijn goeden wil, tot dien tocht belemmerd +vinde--hy vergezelle met ons den Heer van Engelen, waar deze +kennisrijke en smaakvolle verhaler, wien wy reeds op het Loo eenige +voetstappen ter zijde gingen, zich naar den Ammersode richt:-- + +Een diepe gracht, nog voor een gedeelte van een aarden wal voorzien, +omgeeft het kasteel. Een brug verleent den toegang, eerst op een +uitgestrekt voorplein, van oude, thands grootendeels onbewoonde +nevengebouwen omringd, waaraan slechts een talrijke duivenslag leven +byzet. Vervolgends komt men door eene poort op een binnenhof; en +thands het hoofdgebouw betredende, treffen al aanstonds de verbazende +dikte der muren en de buitengewone omvang der hooggezolderde +vertrekken de opmerkzaamheid des bezoekers. De uitstekende netheid +die overal heerscht, en talrijke voorwerpen, tot de hedendaagsche +huishouding behoorende, mogen al voor een oogenblik het denkbeeld +aan vroegere eeuwen, door de eerste beschouwing van het gebouw +opgewekt, verwijderen--toch zullen spoedig de vele overblijfselen +van een huisraad, dat een geheel ander tijdperk aanduidt, en dat te +midden van meer moderne voorwerpen verspreid is, den eersten indruk +hernieuwen. Vooral zullen de fraai gestikte tapijten langs den wand, +vercierd met de wapens van het stamhuis van Arckel, dat in de zestiende +en zeventiende eeuw de Heerlijkheid bezat,--de groote spiegels met +hunne blinkende stalen lijsten, een cieraad van vroegere tijden, +dat al te zeer in vergetelheid is gekomen,--de met kunstig snijwerk +voorziene schoorsteenranden, en de ouderwetsche stoelen, met hooge +ruggen en lage zittingen--den bezoeker telkens herinneren aan een +tijd die lang voorby is. + +Tot vóor korten tijd waren, behalven het belangrijk archief in +een onbewoond gedeelte van het slot, ook nog eenige oude wapenen +en een aantal familië-portretten hier aanwezig. Dit een en ander +was echter door den tegenwoordigen eigenaar der Heerlijkheid, den +Baron de Woelmond, Lid der Provinciale Staten van Limburg, en aldaar +woonachtig, meerendeels van hier wech gevoerd. Intusschen waren er +nog enkele familië-stukken achter gelaten, meestal vrouwenportretten, +in de stijve kleederdracht van een vroeger tijdperk, benevens een +groot familië-tafreel, eenige spelende kinderen voorstellende. Men +vermaande my, toch vooral den hoofdtoren van het slot te beklimmen, +boven welke zich een zoogenaamde peer of pijnappel verheft, die +een keurig vergezicht over den omtrek aanbiedt. De wind, die vrij +hevig woei, deed dit hoogste gedeelte van het kasteel eene gedurige +schudding ondergaan, hetgeen my echter niet verhinderde, een geruimen +tijd mijne blikken door de kleine torenvensters over deze vruchtbare +landstreek te laten rond weiden. Aan de eene zijde vertoonden zich +de breede Waal-stroom en de statige toren van Bommel, schijnbaar +in de onmiddelijke nabyheid; terwijl aan den anderen kant de stad +'s Hertogenbosch zich met hare vestingwerken en forten, torens en +kerkspitsen uitbreidde. Den geheelen Bommelerwaard, met zijne talrijke +dorpen, korenrijke akkers, weiden, en boomgaarden, kon men van hier +met een enkelen blik omvatten. Na my met moeite aan dit gezicht +onttrokken te hebben, voerde men my uit de hoogte naar de diepte: +in de verbazend ruime overwelfde kelders van het slot namelijk, +thands tot dienstbodenvertrekken, provisiekamers, enz. ingericht, +maar in vroeger tijden voor een gedeelte tot een kerker dienende, +gelijk men nog een blok, waaraan de gevangenen gekluisterd werden, +als eene rariteit bewaart.-- [50] + + + +Staat ons alzoo nu het ernstig en kolossaal gebouw in deze duidelijke +omtrekken levendig voor den geest--werpen wy dan den blik te rug, +en zien wy, welke historische herinneringen zich daaraan verbinden, +welke feiten aan die muren zijn verknocht, welke lotgevallen hunne +bewoners of eigenaars hebben ondergaan. + +Wanneer, en op wiens last, hier de spade in den grond werd gestoken, +om de rooiïng der grondslagen in vasten steen te verwerkelijken, is +onbekend. Zeker weet men echter, dat de sterke burcht in het laatste +gedeelte der dertiende eeuw in eigendom behoorde aan Johan van Herlar +(uit het oud en edel geslacht van Lo), daarna op zijn zoon Dirc, +en vervolgends weder op diens zoon Gerard overging. + +Gerard, die het in 1351 bezat, was een aanhanger van den Hollandschen +Graaf Willem den Vijfde, wiens kleederen hy droeg; en dat hy Jonker +Eduard van Gelre genegen was boven diens broeder, den Hertog, +blijkt uit het aandeel dat hy nam in 't verzet van eenige Edelen +tegen Reynald, ten behoeve van Eduards verkort recht, in 1353. Na +zijn kinderloos overlijden kwam het kasteel, by magescheid of +broederdeeling, in handen van Johan van Herlar, Heer van Ameyde, die +er zyn jongsten broeder Arndt meê verlijdde, wiens Erfdochter het door +huwelijk weder aan Arnold van Hoemen, Heer van Hoemen en Midlar bracht. + +In den oorlog tusschen den Gelderschen Hertog Willem van Gulich +en Joanna, de Hertogin-weduwe van Brabant, koos Heer Arnold, met +voorbyzien van zijn leenmansplicht, de partij der laatste, en yverde +zeer voor hare zaak. Hy was er echter niet gelukkig in. Op den 24en +Juni, 1386, krijgsvoorraad en levensmiddelen van 's Hertogenbosch naar +zijn kasteel van Midlar geleidende [51], werd hy by het uitkomen van +een bosch, zuidwaart van Grave, door Gerard van Oyen aan het hoofd +eener talrijke bende Gelderschen overvallen, en met zijn zoon Reynald +en eenige Brabantsche ridders gevangen genomen. Hertog Willem, hiermede +zijn voordeel trachtende te doen, deed den gevangene voor zich brengen, +en gaf hem de keuze tusschen de oogenblikkelijke overgave van den +Ammersode, of--de dood. Maar ook in dien nijpenden oogenblik begaf +den heldhaftigen Ridder zijne fierheid niet:--»Moet ik sterven," +gaf hy onvertsaagd ten andwoord: »ik zal het met eere weten te +doen--maar de bezworen trouw aan mijn Vrouwe van Brabant verbreek ik +niet."--'s Hertogs scherp voorstel bleef toen een bloote bedreiging, +'t zij hy getroffen was door de moedige taal des Edelmans, of dat +hy wellicht diens dood nooit in den zin had gehad, maar slechts op +deze wijze de bemachtiging van 't kasteel wilde beproeven. Thands +schoot hem hiertoe niets anders over dan een beleg. Hy liet Heer +Arnold het leven, maar wendde zich met de wapenen voor den Ammersode, +die, niettegenstaande een kloekmoedigen weêrstand, na weinige dagen, +in Augustus gewonnen, en met het kasteel Midlar, dat in de volgende +maand het zelfde lot onderging, verbeurd verklaard werd. En schoon hun +dappere eigenaar later by Hertog Willem in aanzien geraakte--hy ontfing +zijn fraai goed aan de Maze, zoo min als zijn schoone Heerlijkheid in +Bommelerwaert weder te rug [52]. Evenmin kwam ze in handen van Gherit +van Bruechem, die er aanspraak op maakte (waarschijnlijk uit hoofde +van bloedverwantschap), maar in 1391 afstand van deed, behoudens zijn +recht op eenige morgen lands, die zijner moeder behoorden. + +Toen de Hertog zich in 1392 tot zijn derden tocht naar Pruissen gereed +maakte, stelde hy het kasteel in hoede van zijn oversten rentmeester +Godart van Stamprade, die zich daartoe verbond »mit op gerichten +vingheren ende mit ghestaefden eden ten heiligen gheswoeren."--En +toen hy, in Januari 1402, zijn einde voelde naderen, en de verdeeling +zijner bezittingen by testament regelde, schonk hy slot en Heerlijkheid +Midlar, met uitzondering van den tol, aan zijn oudsten bastertzoon +Willem van Cuyc; en den tweeden, Johan, begiftigde hy met Ammersode, +onder voorwaarde dat dit, in geval van kinderloos overlijden, weder op +'s Hertogs rechte erfgenamen zou te rug komen,--ten allen tijde voor +hen open staan,--en tegen uitkeering van 1000 Rijnsche guldens steeds +losbaar zou zijn. + +Men vindt echter niet, dat Johan ooit in 't bezit der hem beschikte +heerlijkheid gekomen is. Waarschijnlijk heeft hy zich daaromtrent +verstaan met zijn oom Reynald, die ten minste in 1405, tegen ruiling +met het kasteel ter Knype, en het hoog en laag gericht van Beecke +en van Sterckerode, aan Johan Steck van Beecke, Heer van Beecke, en +Hertooglijk Raad, overlevert: »slot, borch ende herlicheit Amersoyen, +mit hogen gerichte ende degelixschen gerichte, mit mannen, mit +dyenstmannen, horigen luden, wastijnsigen luden, coirmetschen luden, +eygenen luden, mit hoenren, capuenen, gansen, mit renthen, mit paichte, +mit theenden, mit tijnse, mit gulden, mit jairgulden, mit wijnde, +mit watere, wijhere, mit busschen, mit broeken, mit artlande, mit +beemde, visscherijen, forefeyten, mit allen opkomyngen, mit heyden, +mit weyden, hoge ende lege, ende mit allen anderen goiden ende +erven, tot der voirscr. herlicheit van Amersoye gehoirende." [53] +Zeven jaren later deed Heer Johan er weder afstand van, tegen een +bepaalde som. Het moet hier echter aan een of andere voldoening van +'s Hertogs wege gehaperd hebben; want Meralda Steck van Beecke, +Johans erfdochter, gehuwd met Heer Goossen van Rossem, deed zich na +heurs vaders dood met de Heerlijkheid beleenen, schoon zy overigens +evenmin in 't bezit getreden schijnt te zijn, als Willems Johan. + +Een andere Bastert van Gelre werd er meê beschonken, en wel Hertog +Reynalds zoon Willem van Wachtendonc, die op den 25en April 1424, in +overeenstemming »mit Hermanna van Batenborch, sijn echte huysvrouw, +Johan Heer tot Broeckhuysen ende tot Weerdenburch verkocht 't slot +van Amersoyen, mit den voorburchte ende graven, mit der heerlijcheyt +van Amersoyen, mit den dorpe" enz., verder gelijk reeds in Hertog +Willems brief van ruiling werd omschreven. Hertog Reynald keurde +dezen overgang goed, en gaf het in 't volgend jaar aan Broeckhuysen +en diens erven tot een onversterfelijk leen, te verheergewaden met +éen pond goed geld. De goede luiden van Ammersode hadden reden om +zich over dezen verkoop te verheugen: hun nieuwe Heer toonde zich +hunnen belangen niet onverschillig, en gaf hun in 1428 landrechten +en keuren, met die van Tielre- en Bommelerwaert overeenstemmende, +terwijl hy de ingenoten van het kasteel meer gemaks verschafte, +door er eene slotkapel te stichten. + +Heer Johan van Broeckhuysen van Waerdenburch overleed vervolgends +in 1443, en liet zijn eenigen zoon Gerard, die met Walravina, Heer +Walravens dochter van Brederode [54], gehuwd was, en de waardigheid +van Erf-Hofmeester des Hertogen van Gelder bekleedde, den Ammersode. + +Wanneer zijne onderzaten met goede hope hem zijne goederen hebben zien +aanvaarden--zy zagen die hoop niet verwezendlijkt: reeds het volgende +jaar viel de bekende slag van Sint-Hubert voor, waarin Willem van +Egmond van IJsselsteyn gevangen genomen werd [55], en in dezen strijd +sneuvelde Heer Gerard, die, edeler dan zijn lafhartige naamgenoot van +Culemborch, dus zijn ridder-eer en leensmans-trouwe met zijn dood +staafde. Hy mocht sterven in het vertrouwen dat zijn bloed zich in +zijn kroost niet verloochenen zoû: slechts weinige uren te voren, +vóor den aanvang van 't gevecht, zag hy zijn oudsten zoon Johan op +het slagveld ridder geslagen, en alzoo tot de hoogste waardigheid +van den adel verheven. + +Het geluk was den jongen held echter niet gunstig: strijdende werd hy +krijgsgevangen gemaakt, en moest zich eenigen tijd het gemis zijner +vrijheid getroosten. + +De listige Jan van Rossem, dien Sweder van Culemborch later »die +alde cat" noemde, had de laagheid om zich met dit dubbel onheil te +bevoordeelen. Hy zond, eensdeels misschien op grond der verouderde, +aanspraak van zijn vader Goossen, anderdeels uit wraakzucht, omdat +Heer Johan hem zijn verloofde ontvrijd had, zekeren Jacob Ottens, +om den Ammersode te vermeesteren. De aanslag gelukte, maar zijne +vreugde daarover was slechts van korten duur. Heer Jan van Culemborch, +een verwant der vrouwe van Broechuysen, Elisabeth van Haeften, had +naauwelijks het feit vernomen, of hy besloot om de weduwe, die wellicht +van hare vier jongere zonen nog geene hulp verwachten kon, in dien +nood by te springen.--Vóor het kasteel stond een rosmolen, en in de +deur der kasteelpoort schijnt geen winket of tralievenster geweest +te zijn; op deze toevallige omstandigheden bouwde de naauwlettende +Ridder zijn plan tot herovering. + +Op eenen dag in 1445, zeker niet laat in den morgen, komt er een bode +van Culemborch, met de bus, het teeken van zijn ambt, op de borst, +voor 't kasteel aan, en klopt er op de poort. Den poortier, die hem +te woord staat, verzoekt hy een brief te willen ontfangen, om dien +zijn Heer, by diens komst op 't huis, te overhandigen. De thands +geen kwaad vermoedende poortwachter opent de deur ten deele--maar nu +brengt de bode er vaardig zijn arm tusschen, en weert de sluiting; +en daarop schieten Culemborchs krijgsknechten, heimelijk in den +rosmolen verborgen en op de loer liggende, haastig toe, stormen de +poort binnen, vermeesteren het kasteel, en brengen het op deze wijze +weder in handen der rechtmatige bezitters. + +In hoeverre nu Ammersode, dat, blijkends Schotels onderzoek, den +tweeden zoon, Walraven, »aenbestorven ende toegeleeghen was van doode +Gerits sijnen vader," nu nog door den oudsten, Johan, op hem verlijd +moest worden, is duister; maar in elk geval zijn de stukken daarvan nog +voor handen, en de bepalingen der broederdeeling, van 20 Januari 1457, +worden bevestigd door den leenbrief van acht dagen later, waarby Johan +van Walraven »beleent ende verlijt die leenweer mit allen rechts ende +toezeggens, dat hij gehadt heeft oft hebben mochte aen dat slot tot +Amersoyen metter heerlijcheyt, leenmannen, renten, gueden, bezegelde +brieven ende allen zijnen toebehoiren, nyet daer van vuytgescheyden, te +houden tot eenen rechten onversterffelijken erffleen, met al dusdanige +voorwaarden, oft saecke waer dat Walraven voirs ofte sijne kinderen +storven, sonder wettelijcke blijvende geboorte after hem te laten, +dat Godt verhueden wil, soo sal dese voirs. heerlijcheit mit allen +horen toebehoiren voirs. wederom besterven aen Jan voirs. oft sijnen +rechten leenvolgeren, in der tijt, in levende lijve wesende." + +De onverhoopte omstandigheid, in de gevolgen waarvan deze laatste +bepaling voorzag, vond werkelijk plaats: Heer Walraven overleed +kinderloos, in 1480. Ammersode ging toen over op Johans zoon Gerhard +van Broechuysen van Weerdenburch, wiens Heerlijkheid van den laatsten +naam, benevens de dorpen Hiern en Neerijnen, door den Aartshertog +Maximiliaan in 1481 verheven werd tot eene Hooge-heerlijkheid, met +het recht van galg en put. Heer Gerhard, een getrouw aanhanger van +Hertog Karel van Egmond, by wien hy de waardigheid van Hofmeester +bekleedde, stierf in 1494, zonder ooit gehuwd geweest te zijn, +waardoor Weerdenburch en Ammersode by erfenis overgingen op zijne +zuster Walravina, die ze in het geslacht der Arckels bracht. + +Zy was namelijk in 1480 gehuwd met Otto van Arckel, een Edelman voor +'t overige, die den beroemden naam van zijn Huis tot weinig eere +was, en zijn eigenen te schande maakte. Samenspannende met Gherit +van Culemborch, zijn oom van moeders zijde, had hy zijn vader +gevangen genomen, en op het kasteel van zijn oom in verzekerde +bewaring gebracht, terwijl hy-zelf dat van Heuckelom bezet hield, +en van daaruit zijne soudeniers roovende en ruitende door gantsch +Zuid-Holland zond. Maar--een andere Adolf van Egmond, trof hem weldra +ook gelijke straf. De Graaf van Charlois, deze strooperijen moede, +deed zijn Drossaart Valckesteyn Heuckelom overmeesteren, en dwong +Otto tot afstand der Heerlijkheid, waarvan hy zich-zelf tot Heer liet +huldigen. Later, volgends sommigen nog by des Borgondiërs leven, +ontfing de onwaardige zoon zijne goederen te rug. Hy stierf op ver +gevorderden ouderdom, in het jaar 1505; Vrouwe Walravina huwde twee +jaren later weder met Heer Herman van Wachtendoncq, en overleed +in 1511. + +Heur oudste zoon uit het eerste huwelijk, Johan van Arckel, Heer +van Heuckelom, bekwam toen den Ammersode, maar overleed reeds ten +volgenden jare, en zijn huwelijk met Adriana, des Heeren van Alsten +dochter, was kinderloos gebleven. + +Op den 24en Juni 1513 werd het kasteel door Henrick van Nassau voor +Hertog Karel van Borgondiën gewonnen, maar schijnt niet lang in +diens bezit gebleven te zijn, want weldra vindt men het weder als +een eigendom van Johans broeder, hoewel niet van den tweeden broeder, +maar van den jongsten, Walraven, wien Hertog Karel van Egmond in 1514 +ook met Weerdenburch beleende; blijk van eene gunstige gezindheid, +die niet immer duurde. Hy viel by den argwanenden Prins in ongenade, +waarop eene verzoening volgde, die, 25 Augustus 1520 bezegeld, +hem weder in het bezit stelde van alle breuken, wapenschouwing, +waakzetting en waakschouwing, verder alle rechten en privilegiën, +met uitzondering van lijfgoed en klokkenslag, om ze te genieten tot +wederopzeggens toe. Intusschen--ter zelfde maand van het volgende +jaar weder, dwong de Hertog hem tot afstand aan zijn ouderen broeder +Gerhard, van Weerdenburch met het dagelijksch gericht, van Ammersode +met het hoog en laag gericht, en van de tienden van Rossem, Driel +en Herwaerden, met bepaling, dat Weerdenburch altijd aan den rechten +stam versterven, en nimmer overgebracht worden zou. + +Toch bleef hy 's Hertogen dienst houden. Ten minste in den oorlog met +Bisschop Henric van Beiëren, was hy met den Stadhouder van Meurs binnen +Utrecht, en aan diens zijde, toen hy by de overrompeling van 1528 de +stad ontweek; maar zy werden, te gelijk met den Hertooglijken Raad +Wynand van Arnhem, »van het boerengespuys aen de Vecht bekend, en weder +naer de stad gebraght," waar hun echter verder geen leed, dan dat der +gevangenschap weêrvoer. Na het treffen van den vrede werden zy weder +ontslagen. Vier jaren later, en wel op den 27 September 1532 verbond +hy zich in den echt met Jonkvrouwe Catharyne van Gelder, natuurlijke +dochter van Hertog Karel en Anna van Merwijc, die hem acht kinderen +schonk, vier zonen en vier dochters, waarvan drie ongehuwd overleden. + +Intusschen bezat zijn broeder Gerhard, Heer van Heuckelom en +Weerdenburch steeds ook den Ammersode, en ontfing van het laatste +in 1539 de bevestiging van Keizer Karel den Vijfde, »met bedingh, +dat het zelve altoos voor den Keyser zoude open staen, als zijnde +niet alleen Hertogh van Braband, maer ook van Gelder." + +Gerhard, sedert 1512 gehuwd met Margareta, Erfdochter van Heer +Daniel van Praet van Moerkercken, Heer van Merwede, en Baliuw van +Zuid-Holland, bleef zonder kinderen, zoodat by zijn dood, die in 1547 +plaats vond, de vaderlijke erfgoederen weder te rug vielen op Heer +Walraven, die ze nu tot op zijn sterfdag, in 1557, behield. + +Zijn oudste zoon, Otto, erfde Heuckelom, en stierf in 1567 door een +noodlottigen val met het oor in zijn zwaard, toen hy met een wagen by +Herwynen omstortte [56]. De tweede zoon, Karel, bekwam Weerdenburch; +de derde, Joris of George, de Heerlijkheid Ammersode. + +Joris van Arckel was nog een kind, toen zijn vader overleed, +waarom Goirt van Gellekom zijne plaats bekleedde by het doen der +leenhulde. Later, in 1569, legde Heer Joris persoonlijk den leen-eed +af, en werd toen namens Filips den Tweede, als Hertog van Gelderland, +met de Heerlijkheid verlijd, en alzoo bevestigd in het bezit van +zijn vaderlijk erfgoed. Hy trad in 't huwelijk met Anna, Heer Johans +dochter van Lockhorst, waardoor hy de Heerlijkheden van Heemstede en +van Lockhorst verkreeg. De beide echtgenoten verzekerden elkander, +by testament van 24 Februari 1581, »in lijftochte duysent guldens +siaers, wt elcx haer respective goederen haer leven lanck gedurende +van lancst leven." Vrouwe Anna overleed vóor haren echtgenoot, die +in 1590 stierf; maar de oorzaak van zijn noodlottigen dood is zoo +zonderling, en van zoo veel raadselachtigs en onverklaarbaars omweven +en doorvlochten, dat de tastbare vormen der historie zich hierby in +de zwevende gestalten der overlevering verliezen, en de gloed der +poëzy vereischt wordt, om een meer helder licht te werpen op die + + + +SAGE VAN DEN AMMERSODE. + + +Glad is de ijskorst van den winter, die den rug der waatren dekt, +En den helder-blaauwen hemel tot een blanken spiegel strekt; +Maar wie meldt het, wat daaronder in den schoot dier waatren huist? +Wat er in de donkre diepte langs den bodem woelt en bruist?-- + +Feest is 't op den Ammersode, schoon geen dartel looffestoen +Poort of brug omzwiert met bloemen, nis noch zuil met lachend groen. +Schoon geen zang der burchtgenoten klinkt met vrolijk maatgeluid-- +Feest is 't op den Ammersode: Jonkvrouw Ada is de bruid.-- + +--»Dartle lijfknaap! hoe zoo somber? Waarom in uw oog die traan? +Aan het feestmaal zit uw Jonkvrouw; gy doolt eenzaam door de laan? +'k Ben een vergereisde zanger, vreemd in Arckels burchtgebied. +Sneeuwt het daar geen roode rozen? Is de bruid uw Jonkvrouw niet?" + +--»Och! al sneeuwt het roode rozen, tranen reegnen daar door heen! +Maar ze duchten er geen jammer: Ik ben angstig, ik-alleen. +'t Proefjaar is ten end geloopen; 't is heur laatst banket op 't slot: +Morgen volgt heur nonnenwijding... morgen, morgen! o mijn God!... + +--»Maar waarom die siddrende angstkreet?--Lijfknaap! gy, nog half een kind! +Hebt gy dan uw schoone Jonkvrouw licht in 't heimelijk bemind? +Was ze u meer dan rijke bloeme, bloeiende in een vreemde gaard, +Waar gy slechts de zorg mocht deelen, die haar voor het +weêr bewaart? + +--»Heb ik haar mijn hart geschonken--'t was, gebogen op mijn kniên; +'t Was met kinderlijken eerbied, zoo ik tot haar op dorst zien. +Neen--dat drukt niet op mijn boezem... maar een geest waart om my rond, +Die in 't kleppren van zijn vlerken my een naamloos wee verkondt. + +»Sints dees dag aan 't oosten lichtte, toeft een vreemde op 't slot als gast-- +En mijn pols krimpt wech van vreeze, waar zijn aanblik my verrast. +Zeven knechten, even somber als hun meester, naar den schijn, +Hangen zwijgend aan zijn wenken; hy mag wel de Boze zijn!"... + +En een huivring van verschrikking greep den vreemden zanger aan. +Blaauw scheen hem het zwijmend maanlicht in de dorre lindelaan. +Zwijgend week hy naar den landweg, die naar 't eenzaam klooster bracht, +Waar men hem geen maal zou weigren en geen schuilplaats voor de nacht.-- + +Feest is 't op den Ammersode. Buiten zwijmt de maanlichtstraal-- +Binnen flikkren honderd toortsen door de hooge burchtslotzaal. +Buiten klaagt door 't naakt geboomte slechts het slepend uilgesteen-- +Binnen klinken pijp en cymbel door de hooge welfsels heen. + +Twintig Eedlen, hoog van wapen, tusschen Maze en Leek vermaard,-- +Twintig Jonk- en Edelvrouwen, aan dien Ridderstoet gepaard,-- +Veertig knapen, hooggeboren, dienende aan den rijken disch-- +Wie nog vraagt er van dat feestmaal, of 't een Arckel waardig is?-- + +Aan de zij' des grijzen Burchtheers, Vrouw Joannaas plaats weleer, +Voor haar de englen tot zich riepen, zit de grijze Abdisse neer. +Aan de zij der teedre Jonkvrouw, wie nu 't waereldsch haast ontging, +Zit de gast van d' Ammersode, zit de sombre vreemdeling. + +Ravenzwarte lokken rollen langs zijn bleeke wangen heen; +Ravenzwarte wimpers zoomen zijner donkere oogen leên; +Ravenzwarte knevels dekken 't plooien van zijn bleeken mond. +Affaytadies wapen voert hy--maar wie zegt het met wat grond?-- + +Goudblond worstlen nog de tressen aan de huif der Jonkvrouw uit; +Goudblond is de zijden wimper, die heur teêr-blaauw oog omsluit; +En heur zacht-gebloosde trekken ademen zoo kalm een rust, +Of er de engel van den vrede haar het voorhoofd had gekust. + +Bleek zijn Affaytadies wangen, als daar buiten 't licht der maan. +Duister staan zijn donkere oogen, blikt hy soms de Jonkvrouw aan. +Heel een waereld van verlangen, van verlating, van verdriet, +Trilt er in dien neevlend' oogstraal, dien hy naar de Jonkvrouw schiet. + +Hooger bruist de klank der pauken; vrolijk schettert de cymbaal. +Lust en leven, vrede en vreugde stroomen zonlicht door de zaal. +Luider klinkt de toon der gasten by hun levendig gebaar. +Affaytadi fluistert somber, of hem 't spreken moeilijk waar': + +»Jonkvrouw Ada! Bruid des hemels! wilt ge luistren naar een droom? +'t Was, als doolde ik in 't verleden, en aan d' oever van een stroom: +'t Was de Maas, wier blonde golven vloeiden langs een eilandzoom, +En een oude grenssteen rustte er aan een grijzen wilgeboom."-- + +Bevend zag de Jonkvrouw opwaart, en heur fijne blos verschoot. +Affaytadies wangen kleurden langsaam tot een scheemrend rood. +»Luister, Jonkvrouwe! en blijf rustig," sprak hy met een kouden lach: +»Zoudt ge huivren om een landschap dat ik in mijn droomen zag?"-- + +Zwijgend zag ze voor zich neder. Fluistrend boog hy tot haar heen: +»'k Zag een jeugdig tweetal zitten op dien graauw bemoschten steen. +'t Was een meisjen, blond van lokken, blaauw van oogen, zoet van leest; +'t Was een knaap, met zwarte hairen, bleek van wangen, droef van geest." + +Siddrend zag de Jonkvrouw opwaart, en thands bleeker dan de dood. +Affaytadies wangen kleurden tot een hoog en donker rood. +»Luister, Ada! en blijf rustig," sprak hy met een bittren lach: +»Zoudt ge voor twee kindren siddren, die ik in mijn droom slechts zag?" + +IJzend zag ze voor zich neder. Somber fluistrend sprak hy weêr: +»Zy was dochter van den huize; hy--een vondling, en niets meer. +Maar toch zwoer ze hem heur trouwe, by den weedom van heur ziel +En der zielen van heure oudren, zoo ze van heur trouw verviel!"-- + +--»Maar dat was voor twalef jaren!" riep zy met gesmoorden kreet: +»En hy is van hier verdwenen--en vergeten is die eed....." +--»Maar hy is te rug gekomen!" sprak hy, met een oog vol glans: +»En de vondling van 't verleden--is Graaf Affaytadi thands!"-- + +--»Heere Jezus!" kreet ze rillend; maar dien kreet vernam men niet, +Toonloos als hy ging verzwonden in het schaatrend tafellied. +Half bezwijmd zonk ze in heur zetel; maar de woeling aan den disch +Bond den blijden geest der gasten--en daar was geen stoorenis. + +--»'t Is te laat thands, Affaytadi!".... En 't vloot biddend van heur mond: +»Morgen treed ik in het klooster, morgen met den uchtendstond. +Affaytadi, Affaytadi!..... hebt gy ook mijn rust vermoord-- +Geef my d' eed van trouwe weder, 't onbedachte kinderwoord!"-- + +--»'t Is te laat thands, Ada!" ruischte weer zijn sombre fluisterstem: +»By het welzijn van drie zielen! houdt ge uw eed--of breekt ge hem? +Laadt ge een eeuwigheid van jammer op 't onschuldig ouderhoofd-- +Of bewijst ge een Affaytadi, wat ge een vondling hebt beloofd?"-- + +--»O! daar is, daar is geen redding!" riep ze met een luiden gil. +En het dischgedruisch verstomde, zang en feestmuziek zweeg stil. +Roerloos lag zy in heur zetel, als een offer van den dood. +Affaytadies oogen vlamden, en zijn wang was gloeiend rood. + +Hy was ijlings opgesprongen; maar hy scheen het niet te zien +Wie er snelden tot den zetel, om der Jonkvrouw hulp te biên. +En hy achtte, half-gebogen in een diepe vensternis, +Noch op 's vaders handenwringen, noch op 't schreien der Abdis. + +Bleek was weer zijn wang geworden, en zijn mond stond strak en kil. +»Nog gaat gy my niet verloren--daar is redding, als ik 't wil".... +Sprak hy momplend.--»En ik wil het!" sprak hy ijlings voor zich heen. +--»Waar is Affaytadi?" vroeg men.... In de zaal vond hem niet een. + +En een droevige verwarring heerschte in die verlichte zaal. +Buiten was het stil en zwijgend: alles schaduw, alles vaal. +In de handen 't hoofd verborgen,--in het oog een stillen traan,-- +Zat de Lijfknaap op een boomtronk, in de dorre lindelaan. + +Ruischte daar geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgestamp, +Half gesmoord en gants verborgen in den vochten avonddamp? +Gonsde 't van den kant van 't burchtslot als een nachtgeest niet voorby? +Angstig staart hy door het duister naar de onzichtbare overzij. + +Hoe!.. ging reeds de nacht ten einde? Breekt de purpren uchtendgloor +Met een vloed van rossche stralen plotslijk dus de wolken door +En verlicht de kruin der linden?... Hy blikt om naar d' oosterkant-- +En springt gillend overende, met den ijsbren kreet van »brand!" + +Brand!... Als stof voor wervelwinden, breekt uit raam en torentrans +Gloeiend rood een wolk van vonken, met een schrikkelijken glans. +Zwarte rookkolommen rijzen om 't gevonkel, dicht in een-- +En dan breken wilde vlammen door de rookkolommen heen. + +Poort en valbrug staan in vuurgloed; 't water kookt er in de gracht. +»Redding! Redding!" is het gillen... maar hoe redding toegebracht? +Als een onverdoofbre krater spuwt de burch zijn vlammen uit, +En in 't kraken van de muren smoort het kermend angstgeluid. + +'t Raafgebroed, van 't nest verdreven, krijscht en krast om trans en tin, +En het kleppen van de noodklok valt er ijzingwekkend in. +Louter vuur is de Ammersode,--lucht en water louter vuur..... +God bewaar' de burchtgenoten! want de redding kost er duur. + +En de Zanger uit den vreemde, die naar 't gintsche klooster trad, +Wendt ontzet en schuw zijn blikken, en houdt stand op 't eenzaam pad. +En hy stort er op de kniën; en hy bidt, met bang gemoed, +Voor zoo menig deerniswaarde, die een graf vond in den gloed.-- + +Rammelde er geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgedruisch, +Toen hy neêr lag, innig biddend voor wie omkwam op het huis? +Gonsde 't van den kant van 't burchtslot als een nachtwind niet voorby? +Met een angstig voorgevoelen staart hy naar de kloosterzij. + +En hy duizelt van ontzetting, en hy steunt zich aan een stam: +Is de jongste dag verschenen? Staat heel de aarde reeds in vlam? +Dreigend rees de kloostertoren als een donkre geest omhoog-- +Maar te midden van een vuurgloed, barstende uit gewelf en boog: + +Vuurgloed, die het nachtlijk donker van den zwarten hemel joeg,-- +Die heel d' omtrek op deed waken, en het hart met siddring sloeg. +Raadloos woelt de ontzette menigt, waar geen redding mooglijk was... +En de burcht gaat op in vlammen; en het klooster zinkt in asch. + +In de borst van welken duivel rijpte, met die gruwzaamheid, +Zoo afschuwelijk een denkbeeld tot zoo schrikkelijk een feit? +Waarom is die dubble moordbrand in de zelfde nacht geschied? +Huivrend gaat de vraag in 't ronde--maar een andwoord is er niet.-- + +Treurig werpt het uchtendzonlicht over 't rookend puin zijn glans. +Als een wrak, ter helft versplinterd, rijst er nog een enkle trans, +Rijst er nog een enkle toren, rijst er nog een enkle boog +Van de burcht der Ammersoden uit de laauwe gracht omhoog. + +Snikkende, en met schreiende oogen, zag men 't bitter schouwspel aan: +Zooveel jeugd, en zooveel grijsheid--in den wilden gloed vergaan! +Snikkende, en met schreiende oogen, groef men lijken en gebeent +Uit de zwart-gerooste puinen--al te droevig grafgesteent!-- + +Menig nog herkenbaar teeken: wapentooi of pronkcieraad, +Dat van 't stofflijk overblijfsel nog geslacht en naam verraadt. +En toen 't al was opgedolven, wat zoo wreed begraven waar, +Miste men met stille ontzetting nog een enkel lijken-paar. + +Waar bleef Affaytadi? waar de Jonkvrouw?--En een kille schrik +Deed er aller wang verbleeken by die vraag, dat oogenblik: +Spoorloos waren beiden henen; en geen teeken, dat verried, +Wat er, na dees nacht vol jammer, met die beiden zij geschied.-- + +Jaren kwamen, jaren gingen--en de burch rees uit zijn puin, +En het drietal zware torens hief er weêr de trotsche kruin. +Maar, wat ooit van verre of vreemde weêr op 't burchtslot werd gehoord +Nooit een woord van Affaytadi; van de Jonkvrouw nooit een woord. + + + +Volgends eene overlevering op de plaats-zelve, spaarden de felle +vlammen nog een ronden toren, met een gering deel van het hoofdgebouw, +en den buitengevel eener poort, die thands nog, onder een wapenschild +dat in het laatst der voorgaande eeuw met gipskalk onkennelijk werd +gemaakt, het jaartal 1564 draagt. + +Eene verklaring van den Secretaris Moll te Ammersode, 15 Augustus +1606 opgemaakt [57], zegt echter, »datter in timmeragie nauwelyx een +splinter en was overgebleven." En verder: »dat daer benevens d' Edele +Welgeboren Heere, Heere George van Arckel onze lieve weerden Heere, +wiens ziele God genadigh zij, ende met sijne Edele Huys off sloth +voors. ter selver tijt mede verbrant is worden en den sesden dagh daer +na deser weerelt over leeden, gelijk ook in den voors. brand te niete +gegaen ende tot assche gekomen is Zijne Edele huysraat, meubilen, +juweelen, boeken, brieven en papieren, als doen op den voors. Huyse +weesende, behalve dat eenig gout en zilver naderhand uyten assche +ende gruys wederom nog sijn bevonden, item dat dergelijke fortune +en ongeluk ook gevuelt hebben de nabuiren en inwoonders, die meest +alle hun gelt, goederen, huysraat, klederen, klijnodien, boeken en +brieven, overmits den pereyculeusen tijt, op het voors. sloth, als +ten eenre en ter andere zijde vrij zittende, gevlugt hadden, en niet +gewoon en waren in hun eygen huyse yet te behouden, dan 't geene sij +'t allen uure ten eenemaal nodig hadden." + +Nadat Heer Joris op zoo treurige wijze was omgekomen, werd hy opgevolgd +door zijn eenigen zoon Otto [58], die omstreeks 1600 de verwoesting +liet herstellen, het kasteel uit zijn puinen deed ophalen, en weder als +een waardig gedenkteeken van voorvaderlijke macht en aanzien herrijzen. + +Deze Otto van Arckel was thands de eenige »overblijvelingh van manlijk +oir, van den Arkelsen stam, gesproten uyt de Heeren van Heukelem, +de xj in 't dalend getal van Heer Jan de Sterke, de tweede Heer van +Heukelem." In 1614 huwde hy met Jonkvrouw Francelina, dochter van Heer +Cosmo degli Affaytadi, Baanderheer tot Ghistelle, Hilst en Lavenacker +[59]; de bruid ontfing daarby als huwelijksgave van haren vader »vijf +honderd gulden 's jaars zuijvere renthe tot laste van de domeijnen +van Zeelandt." Zy overleefde haren echtgenoot, die zich in den strijd +met Spanje als een rechtgeaart Nederlander en wakker krijgsman kweet, +en by voortduring te velde trok. Hy liet drie dochters na en éen zoon, +Thomas Walraven, die Heer van Wordragen en Well, den Ipelaer en ter +Lucht wordt genoemd, en in 1641 met Ammersode beleend werd. + +Thomas Walraven was gehuwd met Jonkvrouwe Joanna Barbara, Heer +Lodewijks dochter van la Kethulle, Heer van Rijhove en Tamers, Kolonel +te paard, Ritmeester over eene kompagnie kurassiers in dienst van den +Staat, en Gouverneur van Bergen-op-Zoom. De krijgshaftige voorbeelden +zijns vaders en schoonvaders schijnen echter op hem geen invloed +te hebben gehad: men vindt niet dat hy den Staat heeft gediend. Dat +kon hem evenwel niet immer een vreedzaam leven waarborgen: de inval +der Franschen in 1672 brachten hem menige moeielijkheid, waarvoor de +sauvegarde, hem door Prins Willem den Derde op den 29en Juni vereerd, +evenmin behoeden kon. Wel ontkwam de burcht het lot dat zoo vele +anderen in die dagen trof, en werd voor vernieling bewaard--maar +niet dan ten koste van groote opofferingen, evenzeer drukkende voor +de onderdanen als voor hun Heer, wien het verblijf op het kasteel +soms maar al te bitter werd gemaakt. Alleen in 1672 moest hy eene +schatting betalen van byna 7000 gulden aan geld, haver, gerst, hooi, +stroo, kapotten, en schoenen. De arme boeren werden geprest, om drie +maanden lang te arbeiden aan de versterking van het fort Crevecoeur. In +het volgende jaar waren de afpersingen in geen geringer mate, en by +de minste vertraging volgden er oogenblikkelijk brutale aanmaningen, +zoowel van den bevelhebber van Crevecoeur als van dien der sterkte +St. Andries, waarby gedreigd werd »het slot en de woningen der +onderhoorigen zonder genade aan de vlammen ter prooi te zullen +geven, indien de geëischte som of voorraad van voeder en vee niet +oogenblikkelijk werd opgebracht." + +Waarlijk! de Franschen van 1672 gingen het die van 1795 waardig voor; +en de Luitenant-Generaal der Koninklijke Armee, Graaf de l'Orge, +behoefde voor den Generaal van Damme in onbeschaamdheid niet te wijken. + +In die treurige dagen hield Heer Thomas Walraven niet altoos zijn +verblijf op het kasteel, maar was ook dikmaals te 's Hertogenbosch. Het +zal hem gewis geen rouwe hebben gebracht, toen de roemrijke lelievaan +eindelijk den Nederlandschen bodem ontwijken moest. + +Op den 1en Juni 1683 gaf hy, ten behoeve van Willem den Derde, die +in een verschil over jachtrecht was met den Heer van Broeckhuysen, de +verklaring, dat hy toenmaals was »het laatste en eenighste mans-oir, +gesproten in wettigen huwelijk uyt het opgemelte Huys van Arckel, +wel willende ende begeerende dat de posteriteyt hier aff kennisse +hebbe." Hy bleef ook de laatste mannelijke nazaat van wettigen bloede, +en overleed kinderloos, op den 23en Oktober 1693. Drie jaren later +volgde hem zijne weduwe. + +Nu kwam Ammersode in het geslacht der Baronnen van Lichtervelde, +door Renesse van Elderen aan Arckel vermaagschapt. Catharyne, Heer +Joris dochter, had namelijk de derde harer kinderen, hare oudste +dochter Anna van Renesse van Elderen, in 1626 ten huwelijk geschonken +aan Pieter van Lichtervelde, Heer van Beaurevant, Vellenaere, Croix, +Caeskerke, Vrijlandt enz., uit welk huwelijk Johan Ferdinand, Baron +van Lichtervelde, Heer van Vellenaere en Beaurevant geboren werd. Ten +gevolge eener bepaling van Heer Otto van Arckel, door Thomas Walraven +bekrachtigd, om »gene off gesubstitueerde erffgenaemen feudael, als +den oltsten en naeste van sijnen bloede, met seclusie van alle andere +aen te stellen," erfde deze Baron thands de heerlijkheid Ammersode, +Well en Wordragen, en werd er wettig meê beleend. Hy vestigde met zijne +echtgenote Maria Catharina de Belveer zijn verblijf op het kasteel, +en overleed er op den 22en Oktober 1711. + +Zijne nog minderjarige dochter, Jonkvrouwe Maria Isabella Catharina, +werd er reeds het volgende jaar mede beleend, doch hare moeder, +vrouwe Maria Catharina, genoot tot in 1754 het vruchtgebruik. + +De Jonkvrouw huwde vervolgends met den Vlaamschen Edelman Jacques +Joseph de Vilsteren, Baron van Laerne, wien zy, behalven eene +dochter, drie zonen schonk, waarvan de eerste, Jean Joseph François de +Vilsteren, na den dood zijner moeder den Ammersode met de Heerlijkheid +aanvaardde. De tweede zoon, Nicolas Joseph Guislain de Vilsteren, +Baron van Laerne, werd er daarna meê beleend, en eindelijk ook de +derde der broeders, Theodore Joseph François, Baron de Vilsteren van +Laerne, die in 1792 stierf. + +Het scheen alzoo, als of het bestemd was dat Ammersode beurtelings in +handen van Jacques gantsche gezin moest overgaan: want nu met Theodore +ook de jongste der zonen overleden was, erfde de Heerlijkheid over op +hunne zuster Marie Theodore Genoveve Collette, Baronnesse de Vilsteren, +echtgenote van Lebert François Christien, Graaf de Ribaucourt. + +Dus was de heerlijkheid weder in een nieuw stamhuis gekomen, waaraan ze +echter slechts twee geslachten bleef. Christien, Graaf de Ribaucourt, +die zijne moeder opvolgde, had by zijne gemalin, eene Baronesse du +Quarré, twee kinderen, een zoon, Prosper Christien de Ribaucourt, +gehuwd met eene Baronnesse de Thiennes de Lombise, en eene dochter, +Eugènie Françoise Sidonie Marie Guislaine. De laatste werd by het +kinderloos overlijden haars broeders, Vrouwe van Ammersode, Well en +Wordragen, en bracht daarmede de Heerlijkheid over op de familië van +haren echtgenoot, Jonkheer Louis Alexandre Alphonse, Baron de Woelmond, +in België verblijvende, die het thands nog in bezit heeft. + +Het kasteel, dat tegenwoordig door een Rentmeester bewoond wordt, +heeft in den loop der tijden, en by zoo vele verschillende bezitters, +natuurlijk herstellingen en verbeteringen noodig gehad, maar is in +hoofdvorm weinig veranderd, en komt thands nog zoo goed als in alles +overeen met de hierby gevoegde afbeelding, waarvan echter de voeting +der torens, door onnaauwkeurigheid van den steenteekenaar, niet breed +genoeg uit het water der slotgracht oprijzen. Welke lotgevallen het +in den tachtig-jarigen oorlog heeft doorgestaan--daarvan is niets +in byzonderheden bekend. Men vindt alleen in 't algemeen vermeld, +dat het in den aanvang der onlusten te lijden heeft gehad. Dit was +echter vóor den brand, en bracht dus geene verandering in de gedaante +van den lateren bouw, die, zoo als wy reeds opmerkten, nog een gering +overschot van het oude kasteel in zich opnam. Die vleugel (zegt de Heer +Schotel) waarin zich de kapel en de archiven-kamer bevinden, sedert +menschengeheugen niet bewoond, schijnt, ofschoon inwendig hersteld, +in zijn oorspronkelijk muurwerk gebleven te zijn. De dikke muren, +de diep daarin uitgehakte vensters, de steenen vloeren, de verwulfde +vertrekken, heugen meer dan twee eeuwen. De bouwvallige staat, waarin +zich deze overblijfselen bevinden, doet ons vreezen, dat zy welhaast +een prooi van hamer en moker zullen moeten worden, waardoor het statige +voorkomen van den ridderlijken Ammersode niet weinig zoude verliezen. + + + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + Het Kasteel van Heusden 1. + Het Kasteel te Gemert 35. + Het Kasteel van Montfoort 57. + Het Kasteel van IJsselsteyn 105. + Jachtslot Het Loo 145. + Het Kasteel Ammersode 175. + + + + + +OPHELDERING. + + +Bladz. 42 staat: Scoten in Friesland; lees: Oudescoot (een dorp van +de gemeente Schoterland) in Friesland. + + + + + + + +NAAMLIJST DER INTEEKENAREN. + + +Zijne Majesteit de Koning. + +Hare Majesteit de Koningin. + +Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden. + +Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Prinses Frederik der Nederlanden. + +Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Prinses Marianne der Nederlanden. + + + +Aarsse, (Mej. A. J.) Huisonderwijzeres te 's Gravenhage. +Ahlers Jr., (A.) te Amsterdam. +Allart, (D.) te Amsterdam. +Altman, (J. D.) te Amsterdam. +Anemaet, (J. K. B.) Instituteur te Amsterdam. +Arrenberg, (C.) Boekhandelaar te Rotterdam. +Artler, (Mej. A. C. C.) te Amsterdam. +Asher & C., (A.) te Berlijn voor de K. K. Hofbibliotheek te Weenen. +Avis, (C.) te Krommenie. + + + +Backer, (S.) te Amsterdam. +Bähler, (P. P.) te Nijmegen. +Balveren, (Baron van) te Nijmegen. +Baud, (J. C.) te 's Gravenhage. +Becking, (W.) Boekhandelaar te Doesburg. +Beek, (Dr. A. van) te Utrecht. +Beer, (Johs. de) te Amsterdam. +Bek, Wijnhandelaar in de Rijp. +Berchuys, (Mr. A. van) te Groningen. +Berg Jr., (J. H.) te Amsterdam. +Berkhout, (Mr. P. J. Teding van) Regter bij de Arrondissements Regtbank +te Amsterdam. +Beusichem van Harmelen, (Mevr. van) te Harmelen. +Beynen, (Dr. L. R.) te 's Gravenhage. +Biben, (Chn.) te Amsterdam. +Bierman, (M. A.) Notaris te Waardenburg. +Blaauw, (J.) te Amsterdam. +Blikman Kikkert, (D.) te Amsterdam. +Bodel Nijenhuis, (Mr. J. T.) te Leijden. +Boekeren, (W. van) Boekhandelaar te Groningen. +Boellaard, (M. C.) te Utrecht. +Bogaard, (P. Th.) te Hees bij Eindhoven. +Böhtlingk, (Mr. F.) Procureur te Arnhem. +Bok Jr., (J. H.) Notaris te Amsterdam. +Bom, (G. Theod.) Boekhandelaar te Amsterdam, 2 Ex. +Bombled, (K. F.) te 's Gravenhage. +Boon Hartsinck, (M. S.) te Amsterdam. +Boonzajer, (C. G.) Notaris te Gorinchem. +Bormeester, (C.) te Amsterdam. +Bos, (J.) te Amsterdam. +Bosch, (Mr. Graaf E. van den) te 's Gravenhage. +Bosscha, (J.) Hoogleeraar. +Bouberg Wilson, (W.) te 's Gravenhage. +Braam, (P. T.) Boekhandelaar te Rotterdam. +Brakel, (van Dam van) te Brakel. +Brakell van Doorwerth, (Baron) +Brantsen, (Mevr. Baronesse) huize de Zijp bij Arnhem. +Breda, (J. G. S. van) Hoogleeraar, Secretaris van de Holl. Maatschappij +der Wetenschappen te Haarlem. +Brederode, (J. J. van) Boekhandelaar te Haarlem. +Breijer, (H. B.) Boekhandelaar te Arnhem. +Breuninghoff, (H.) te Amsterdam. +Broekhuizen, jr., (C.) te Amsterdam. +Brugmans, (Mr. A.) te Amsterdam. +Bruin, jr., (W.) Boekhandelaar te Wormerveer. +Brunet, (L. de) te Amsterdam. +Bruyn, (Mej. de) Landgoed Warnsborn bij Arnhem. +Bruyn, (Mr. J. H. de) Advocaat te Amsterdam. +Bruyn, (A. de) Onderwijzer te Batavia. +Büchler, (D. D.) te Amsterdam. +Burnier, (G. A.) te 's Gravenhage. +Bijlandt, (E. J. A. Graaf van) te 's Gravenhage. +Bijlandt, (W. Graaf van) te Nijmegen. +Bijleveld, (H.) te Middelburg. +Bijsterbos, jr. (N. van Berkum) Secretaris der stad Kampen. + + + +Cantzlaar, (G.) te Utrecht. +Casembroot, (Jonkhr. J. L. de) Rentmeester van 's Konings particulier +Domein en Burgemeester der Gemeente St. Maartensdijk, eiland Tholen. +Casembroot, (Jonkhr. E. A. O. de) Majoor, Gouverneur van Z. K. H. Prins +van Oranje, Buitengew. Adj. van Z. M. de Koning. +Castro, Mzn., (d. H. de) te Amsterdam. +Citters, (Mr. C. van) te Utrecht. +Charbon, (E.) te Amsterdam. +Charbon, (J. A.) te Amsterdam. +Chijs, (P. O. van der) Professor te Leyden. +Cleef, (Gebrs. van) Boekhandelaar te 's Gravenhage. +Crommelin, (G. C.) Huize de Lathmer bij Deventer. + + + +Dam, (J. H. van) te Rotterdam. +Dapperen, (J. W. van) Directeur van het Instituut tot Onderwijs van +Blinden te Amsterdam. +Deketh, (Mr. A.) te 's Gravenhage. +Derfelden van Hinderstein, (Baron van) Kamerheer des Konings. +Dishoeck, (A. M. E. van) Boekhandelaar te Zierikzee. +Dittlinger, (J. v. D.) 1e Luit. bij de Gen. Staf. +Doesburgh, (Ds. H. G. J. van) te Rotterdam. +Doorman, (J. D.) Boekhandelaar te Utrecht. 2 Ex. +Drieling, (Mr. F. H.) te Utrecht. +Driest (van) te Heerde. +Driest, (J. C. van) te Lienden. +Duivenvoorde, (Jonkhr. steengracht van) Hoogheemraad van Rijnland te +'s Gravenhage. +Dunlop, (D.) Koopman te Rotterdam. +Dyserinck, (J. H.) te Haarlem. + + + +Ebeling, (A.) te Amsterdam. +Ebeling, (W.) te Amsterdam. +Eckhardt, (Jonkhr. van Harenkarspel) op den huize Baarschot te Esch, +N. Braband. +Eeghen, (Mevr. de Wed. P. van) te Amsterdam. +Eeghen, (C. P. van) te Amsterdam. +Ekker, (Dr. A. H. A.) Praeceptor aan de Latijnsche School te Utrecht. +Elias (G. H.) te Amsterdam. +Ellinkhuizen, (Mej.) te 's Gravenhage. +Embden, (van) te Zeist. +Engelen van Pylsweert, (Jonkhr. W.) te Nijmegen. +Ermerins, (R. C.) Jur. Student. +Evekink, (F. N.) te Arnhem. +Eversz, (J. W.) Boekhandelaar te Zeist. +Everwijn, (Ds.) huize Presikhaaf bij Arnhem. +Eyssel, (M.) te 's Gravenhage. + + + +Fabius, (F. W.) te Amsterdam. +Fabricius van Heukelom, (Mevr. Douairière A. L. C.) te Soest. +Fabricius van Leijenburg, (J. C. W.) te Amsterdam. +Feije, (R. H. J.) te Amsterdam. +Fiedeldij, (J. C.) te Amsterdam. +Fock, (J.) te Amsterdam. +Fodor, (J. C.) te Amsterdam. +Foreest v. d. Palm, (Mevr. Douairière van) te Alkmaar. +Frohwein, (J. O.) te Amsterdam. +Fuchs, (F. G.) Koopman te Amsterdam. +Furstner, (J. M.) te Amsterdam. + + + +Gaarlandt, (G. L.) te Bussem. +Gelder, (G. A. de) 1e Luitenant der Infanterie te Hoorn. +Gelder, (P. H. van) te Wormerveer. +Gockinga, (Mr. C. H.) te 's Gravenhage. +Gori, (G. T. N.) te Utrecht. +Goslings, (O.) Lid van den Gemeenteraad en Kassier te Dokkum. +Gunckel, (P. G.) te Amsterdam. +Guijot, (P. C. G.) te 's Gravenhage. +Hajenius, (P. G. C.) te Amsterdam. +Hamininck Schepel (J. G. P.) Kapitein Infanterie. +Hana, (H.) Architect te Amsterdam. +Harinxma Thoe Slooten (D. J. A. Baron) Raadsheer in het +Prov. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden. +Harpen Kuijper, (Mevr. de Wed. A. L. van) te Amsterdam. +Heeckeren van Walien, (W. F. Baron van) Luitenant ter Zee. +Heeckeren van de Heest, (W. Baron van) +Heineken, (C. A.) te Amsterdam. +Heineken, (A. G.) te Amsterdam. +Herbschleb, te Amsterdam. +Hesselink. (J.) in q. q. voor een Leesgezelschap te Groningen. +Heukelom, jr., (J. van) te Pouderoijen. +Heuvel Rijnders, (J. W. van den) te Oostburg. +Hinlopen, (J.) Wethouder te Utrecht. +Hinsbeek, (J. A.) te Amsterdam. +Hoffmann, (A.) te Amsterdam. +Holst, (C. P.) te Amsterdam. +Hooft van Woudenberg en Grovestein, (Jonkhr. N. D.) te Amsterdam. +Hoop, Jz., (A. van der) te Rotterdam. +Hoorn, (L. G. van) Stedelijk Ontvanger te Amsterdam. +Hooij, (A. J.) te Beverwijk. +Huidekoper, (A.) te Amsterdam. +Huurkamp van der Vinne, (V. H.) te Haarlem. +Huijdecoper van Nigtevecht, Jonkhr. (E.) te Utrecht. + + + +Iterson, (A. A. G. van) Apothecaris te Gouda. + + + +Jacobs & Meijers, Boekhandelaars te Amersfoort. 2 Ex. +Jeune, (P. F. J. le) te Amsterdam. +Jochems, (Mevr.) te 's Gravenhage. +Jolles, (Mr. J. A.) te Amsterdam. +Jolles, (J. A.) te Amsterdam. +Jongh, (C. de) te Tiel. +Jordens, (Mr. C. A. van Munster) als bestuurder van een Leesgenootschap +te Deventer. + + + +Karsten, (E. H.) Litt. Hum. Stud. te Utrecht. +Kater, (P.) Monnickendam. +Keer, (Otto) te Amsterdam. +Kempenaar, (Mr. J. M. de) te Amsterdam. +Kesper, (L. A.) Makelaar te Amsterdam. +Kesteren (H. J. van) Boekhandelaar te Amsterdam. +Klasing, (J.) te Amsterdam. +Klein, (J.) te Nijmegen. +Kleinpenning, (J. S.) te Amsterdam. +Kleinpenning, (H. C.) te Amsterdam. +Klinkert, (R. L.) Boekhandelaar te Amsterdam. 2 Ex. +Klerck, (G. de) te Amsterdam. +Klijnsma, (S. F.) Luit.-Kolonel Ingenieur, op de Lyclama Stins bij +Wolvega Prov. Friesland. +Kneppelhout van Starkenburg, (K. J. F. C.) te Leyden. +Knoll, (P.) te Amsterdam. +Koch, (G. F.) Boekhandelaar te Utrecht. 2 Ex. +Koker Bz., (J.) Boekhandelaar te Monnickendam. +Komans, (W.) te Abcoude. +Kooijker, (W. N.) Instituteur te Bergen op Zoom. +Kop, (Mevr. de Wed. C. A.) te Rotterdam, 2 Ex. +Kotzé, (J. J.) Theol. Student te Utrecht. +Krabbendam Bzn., (J.) te Alkmaar. +Kremer, (A. J. C.) Med. Student te Utrecht. +Krook van Harpe, (A. L.) te Amsterdam. +Kroon, (C. F.) te Amsterdam. +Kruseman, (A. C.) Boekhandelaar te Haarlem. +Kruijf, (J. de) Boekhandelaar te Utrecht. + + + +Lange, (G. C.) te Amsterdam. +Langenhuysen, (Gebrs. van) Boekhandelaars 's Gravenhage. +Lans, geb. Wintgens, (Mevr.) te 's Gravenhage. +Leesgezelschap, Lust en Rust te Soetermeer. +Leesgezelschap, tot Oefening en Vermaak te Medemblik. +Leesgezelschap, Leerzaam Vermaak te Amsterdam. +Leesgezelschap, Disce Legenda te Utrecht. +Leesgezelschap, Oefening bevordert Wetenschap te Amsterdam. +Leesgezelschap, (Het Hollandsche) te St. Petersburg. +Leesgezelschap, tot Nut en Verpoozing te Amsterdam. +Leesgezelschap, tot Nut en Vermaak te Moordrecht. +Leesmuseum (Het) te Amsterdam. +Lennep, (H. A. van) te Amsterdam. +Lenshoek, (C. P.) Jur. Stud. te Utrecht. +Leuveling Tjeenk, (D.) te Amsterdam. +Lichtenbelt Jr., (J. H.) Notaris te Aalsmeer. +Limburg Stirum, (Graaf van) te Amsterdam. +Linse, (F. A.) te Amsterdam. +Löben Sels, te Zutphen. +Loder J. Mzn., (C. L.) te Amsterdam. +Loder, (C. L.) 1e Luitenant Adjud. +Loofs, (Mr. W. M.) Advocaat te Amsterdam. +Loon, (Mevr. Douarière van) te Amsterdam. +Lorraine Holling, (C. H. de) te 's Gravenhage. +Ludolph, (L. J. C.) Onderwijzer te Rotterdam. +Lutgers, (J. P.) te Loenen. +Lycklama a Nyeholt, (Jonkhr. J. A.) Burgemeester van Opsterland, +te Beesterwaag. +Lynden van Lunenburg, (J. H. Baron van) te Utrecht. + + + +Macaré, (Jonkhr. Rethaan) te Utrecht. +Made, (P. M. van der) te Amsterdam. +Maire, (Mr. G. E. le) Regter in de Arr. Regtbank te Heerenveen. +Maurik, (J. van) te Amsterdam. +Mebius, (J. E.) voor het Leesgezelschap de Harmonie te Kollum. +Meerburg, (Dr. P. C.) te Rotterdam. +Meijer, (Wed. H.) Boekhandelaar te Zwolle. +Meijer, (J. M. E.) Boekhandelaar te Amsterdam. +Meijes, (F.) Predikant te Leersum. +Mensing, (J. C. W.) te 's Gravenhage. +Metman, (Mr. L.) te 's Gravenhage. +Middelhoff, (A. M.) te Purmerende. +Moens van Bloois, (Mr. A.) te Zierikzee. +Mohr, (E.) te Amsterdam. +Molengraaff, (Ds.) te Nijmegen. +Montauban van Swijndregt, (W. H.) te Rotterdam. +Morrees, (Mr. C. W.) te Utrecht. +Moulin, (J.) Deurwaarder bij het Kantongeregt te Kampen. +Muller, (Fr.) Boekhandelaar te Amsterdam. +Mumm, (S. T.) te Amsterdam. + + + +Nahuijs, (P. H.) Jur. Student te Deventer. +Nauta, (Mr. G. R.) President van de Arr. Regtbank te Heerenveen, +Ridder van de orde van den Nederl. Leeuw. +Nepveu (J. J. D.) te Utrecht. +Nepveu, (Roosmale) te Utrecht. +Nispen van Pannerden, (Baron van) te Zevenaar. +Nolet, (J. D.) Boekhandelaar te Utrecht. +Nomen, (Dk.) Houtkooper te Zaandam. +Noortbergh van Brandwijk, (J.) Gep. Luit. Kolonel, Ridder der Orde +v. d. Ned. Leeuw, te Amsterdam. +Nooten, (S. J. van) Burgemeester te Lopik. +Noteboom, (C. J. Q.) te Amsterdam. +Notten, (F. H. van) te Amsterdam. +Nouhuijs, (H. J. C. van) te Amsterdam. +Nout, (F.) Instituteur te Amsterdam. + + + +Ontijd, (Dr. C. G. R.) te Brummen. +Ooster, (M. C.) te Amsterdam. +Otterloo, (W. F. van) Secretaris van Z. K. H. Prins Frederik der +Nederlanden, te 's Gravenhage. +Oudermeulen, (E. van) te 's Gravenhage. +Oudermeulen, (F. van der) te Amsterdam. + + + +Pabst Rutgers, (van) Wethouder te Hoorn. +Pallandt van Walfort, (Mevr. Baronesse Douairière van) +Pallandt van Waardenburg van Neerynen, (H. H. Baron van Aijlva van) +Lid van de eerste kamer der Staten-Generaal, Opperkamerheer van +Z. M. de Koning, enz. op den huize Neerynen. +Panhuijs, (Jonkhr. J. E. van) Commissaris des Konings in de Provincie +Friesland te Leeuwarden. +Paris, (G.) Theol. Stud. te Amsterdam. +Patijn, te 's Gravenhage. +Poll, (A. v. d.) Chirurgijn te Amsterdam. +Poll, (Mr. W. van de) Kantonregter te Geldermalsen. +Post Jr., (C. v. d.) Boekhandelaar te Utrecht. +Post, (C. G. v. d.) Boekhandelaar te Amsterdam. +Post Uiterweer, (G.) te Schiedam. +Prill Morell, (Dr. W. C. de) te Nijmegen. +Proes, (Ds.) voor het Leesgezelschap Amica Veritas te Leeuwarden. +Punt, (P.) Watergraafsmeer. + + + +Quarles van Ufford, (Jonkh. L. I.) Lid van de Prov. Staten van +Noord-Holl. Wethouder der stad Haarlem, enz. + + + +Rahusen, (A.) te Amsterdam. +Ramaer, (E. H.) Ontvanger der Registratie, te Wageningen. +Rappard, (Jonkhr. F. A. L. van) te 's Gravenhage. +Remmelink, (J. H.) te Amsterdam. +Rengers, (Baron Aylva) Kolonel te Bergen op Zoom. +Revers, (C.) te Utrecht. +Reynvaan, (A. J.) te Amsterdam. +Rhemen van Gelder's Toren. (Baron van) +Rhemen van Rhemenshuizen, (Mr. C. H. Baron van) te Brummen. +Riboulleau, (J. P.) te Amsterdam. +Rieke, (J. G. L.) te Amsterdam. +Rochussen, (W. F.) Jur. Student te Amsterdam. +Rochussen, (Chs.) te Amsterdam. +Roëll, (Jonkhr. Mr. H. H.) te Haarlem. +Rossem, (E. J. van) te Rotterdam. +Rotta, (Jonkhr. N. de) te Amsterdam. +Rijnbende, (S. W. M.) te Utrecht. + + + +Sant, (D. van 't) Instituteur te Gorinchem. +Schaafsma, (A.) Boekhandelaar te Dokkum. 2 Ex. +Schaap, (J.) Burgemeester te Krommenie. +Schade van Westrum, (A. T.) te Schiedam. +Schalk, (P. C. v. d.) Boekhandelaar te Dordrecht. +Schierbeek, (R. J.) Boekhandelaar te Groningen. +Schotsman, (L. H.) Predikant te Papendrecht, voor het Leesgezelschap +aldaar. +Schuylenburch van Wisch. (Mevr. Baronnesse Douairière) +Schuyt, (A. A. W.) te Utrecht. +Senden, (G. H. van) Predikant op de Leur. +Sillem, (E.) te Amsterdam. +Sirtema van Grovestins, (Mevr. Baronesse Douairière) te 's Gravenhage. +Six, (J. P.) te Amsterdam. +Sloet van Tautenburg, (Baron) te 's Gravenhage. +Sluiter, (J. W.) te Rotterdam. +Sluys, (C. v. d.) te Gouda. +Sminia, (Jonkhr. Mr. H. B. van) Burgemeester van Tietjerksteradeel, +te Bergum. +Smith, (A. G. F.) te Amsterdam. +Snoeck, (Mevr. de Douairière Jonkhr. M.) 's Hertogenbosch. +Snoeck, (S. van Reyn) Boekhandelaar te Rotterdam. +Someren Brand, (J. van) te Amsterdam. +Someren Greve, (K. van) Steen- en Beeldhouwer te Sneek. +Spegnler, (F. H.) Burgemeester v. d. Bilt. +Spree, (I. A.) te Amsterdam. +Stachelhausen, (Mej. A.) te Amsterdam. +Steeden, (J. W. C. van) Predikant te Banda. +Steenbergen, (H. C.) Officier van Gezondh. bij de Marine te +Helvoetsluis. +Steineken, (D.) te Amsterdam. +Stemler, (C. F.) Boekhandelaar te Amsterdam. +Sterr, (C. van der) aan den Helder. +Stibolt, (N. C.) te Amsterdam. +Stockum, (P. W. C. van) te 's Gravenhage. +Stokbroo van Hoog en Aarswoud, (L.) voor het Leesgezelschap: Varietas +Delectat. +Stoppelaar, (Mr. J. H. de) Burgemeester van Veere en Zanddijk binnen, +Gapinge en de Vrouwe Polder c. a., Advocaat te Veere. +Stoppelaar, (Mr. G. N. de) Advocaat te Middelburg. +Storm van 's Gravesande, (N. J.) te Rotterdam. +Stronck, (W. H.) te Rotterdam. +Strijen, (C. E. van) Notaris te Wijk bij Duurstede. +Swalue, (E. B.) Theol. Dr. en Predikant te Amsterdam. + + + +Taets van Amerongen (Freule L. A.) te Utrecht. +Taets van Amerongen van Natewisch, (J. Baron) Lid van Gedeputeerde +Staten van Utrecht. +Tak, (Adn.) te Middelburg. +Tienhoven, (G. van) te Werkendam. +Tilanus, (C.) te 's Gravenhage. +Tulleken, (Mr. J. B.) op Brakensteyn bij Nijmegen. + + + +Uitwerf Sterling, (Mw. de Wed.) te Amsterdam. +Umbgrove, (Mr. W. J. L.) te Zutphen. +Vas Visser, (D.) Jur. Stud. te Amsterdam. +Veen, (Mr. J. E. Nuhout van der) Kantonregter te Alkmaar. +Verbeek, (W. I. L.) voor het Leesgezelschap te Wijk bij Duurstede. +Verbrugge, (W. J.) te Rotterdam. +Verdam, (G. J.) Professor te Leyden. +Verheije van Sonsbeek, (J. C.) te Delft. +Verkouteren, (A.) te Arnhem. +Verschuur van Heilo, (Jonkhr. D. C. de dieu fontein) lid van den Raad +te Alkmaar. +Villars, (Baron di constant rebecque) bij Wageningen. +Visser, (J.) te Heeg in Vriesland. +Vlielander, (A.) Burgemeester te Niemansdorp. +Vlierboom, (M.) te Rotterdam. +Vogel, (Mej. G. M.) te Zwalue. +Vorstman, (J. G.) te 's Gravenhage. 2 Ex. +Vos, (A.) te Dordrecht. +Vos Jacobzn., (Jacob de) Lid van den Raad van Bestuur der Koninklijke +Academie van Beeldende kunsten te Amsterdam. +Vos, (Mr. C. L. de) President aan de Arrondissements Regtbank te +Utrecht. +Vos, (W. de) te Amsterdam. +Vries, (Dr. M. de) Hoogleeraar te Leyden. +Vroom, (C.) te Amsterdam. + + + +Waal, (K. de) te Arnhem. +Waanders, (J. M. W.) Boekhandelaar te Zwolle. +Warnsinck, te Amsterdam. +Wehlburg, (Ths.) Cargadoor te Amsterdam. +Wehlburg, (A. F.) Essaijeur van Goud en Zilv. te Amsterdam. +Wesseling, (Johs.) te Amsterdam. +West, (J. H. van) te Amsterdam. +Westbroek, (G. H.) Instituteur te Schoonhoven. +Weijtingh, (J.) Koopman te George d' Elmina. +Wijtingh en Van der Haart, Boekhandelaars te Amsterdam. 6 Ex. +Weijerman, (J. W.) te Haarlem. +Willems, (W.) Boekhandelaar te Amsterdam. 4 Ex. +Willems, (H. W.) Boekhandelaar te Amsterdam. +Willink, (H.) te Amsterdam. +Wind, (S. de) te Middelburg. +Wolfs, (J. J.) te Amsterdam. +Wolterbeek, (R. Daniel) te Amsterdam, voor de Leesvereeniging. +Wolterbeek, (J. G. W.) te Utrecht. +Wor, (Ds.) voor het Leesgezelschap te Zwolle. +Wor, (Mej. H. M.) Institutrice te Assen. +Woude, (v. d.) te Amsterdam. +Wundt, (Mej. S.) op Standwijk bij Leiden. +Wijngaarden, (W. J. C. van) te Rijssen. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Voorkomende in den Muzen Almanak van 1821, pag. 149. + +[2] Namelijk van Jan VIII die regeerde, toen Heelu schreef; want +Aernout, broeder van Jan VII, was geen klerk. + +[3] De zin is: »die liever zich (genoten) vereenigd hadden, dan den +Heer van Heusden te vangen. + +[4] Die van Heusden namelijk. + +[5] De Baly van Utrecht werd opgericht in 1231, tijdens Bisschop +Otto den Derde; de eerste Landkommandeur aldaar was Antonie van +Ledersake, een Edelman van Prinshagen, daarom verkeerdelijk ook wel +Ant. v. Prinshagen genoemd. + +[6] Dat het Duitsche Huis ook eene kommandery te Oudewater zou bezeten +hebben, berust op eene valsche opvatting van Van Rijn, in zijn aant. op +Van Heussen (Kerkel. Outh. II, 87). De door hem aangevoerde brief +»beroerende de Heeren van S. Catharynen, en de electie van den Balier" +behoort by de Ridders van Sint-Jan te huis. Deze bezaten reeds in 1250 +de Balie van Sinte Catheryne te Utrecht, waardoor de Landkommandeur +den naam van Baljuw van Sint Catheryne droeg. + +[7] De Poolsche kronijken maken van dezen Grootmeester een gruwzaam +en half waanzinnig tyran; de Pruissische daarentegen heeten hem een +voortreffelijk regent. + +[8] Deze Kapel was beroemd om het bezit van een stuk des kruises, door +een Ridder van het Duitsche Huis, by zijne terugkomst uit Palestina +aldaar geschonken. De offergaven der bedevaartgangers, die weldra in +groot aantal derwaart trokken, hadden de Kapel zeer verrijkt, zoodat +de eerste pastoor der parochiekerk, Joan Attendoren, priester der +Duitsche Orde, zich reeds in staat zag gesteld, om het oude gebouw te +doen vervangen door een geheel nieuw, dat omstreeks 1450 werd ingewijd. + +[9] De gantsche Priory bestond slechts uit een kloosterwoning met een +klein kerkgebouw, maar was evenwel door het provinciaal Kapittel der +orde in 1643 als een volkomen klooster erkend. + +[10] By den vrede van Weenen, 1809, was de Orde reeds vormelijk +opgeheven, en werden hare goederen geschonken aan de verschillende +Vorsten, binnen wier grenzen zy gelegen waren. + +[11] Zijn gebeente, in 1580 in zijn graf gevonden, toonde een man +van buitengewone grootte aan. + +[12] In 1288 heeft hy, die wèl gekozen was en bestuurd heeft, maar +nooit van 's Pausen wegen bevestigd is, afstand gedaan, tegen een +jaargeld van 1000 pond Hollandsch, d. i. het pond tegen 75 cts. Een +pond goed geld stond met onzen gulden gelijk. + +[13] Zie Dl. I. blz. 11-17. Magneelen zijn muurbrekers; echter geene +soort van ram, maar van blyde. + +[14] Behalven Gijsbrecht en Arent van Aemstel, welke laatste Heer van +IJsselsteyn was, wordt hierby ook nog Willem van Aemstel, Proost van +St. Jan, genoemd. + +[15] De geschiedenis der Montfoortsche Burchtgraven, zoo als wy die tot +hiertoe bezitten, de een door den ander nageschreven, is vol verwarring +en tegenstrijdigheden, waarvan de ontleding hier niet aan de plaats +is. Ik hoop er later, afzonderlijk, uitvoeriger op te rug te komen, +en geef hier voorloopig slechts de slotsom mijner vergelijking van +de verschillende opgaven. + +[16] Sweder van Montfoort liet twee zonen na, Henric en Willem. De +laatste had drie kinderen: een zoon, Henric de Rover, en twee dochters, +waarvan de eene in het geslacht van Haestrecht, de andere in dat van +Winssen huwde. + +[17] Ook moeten »alle de gene die binnen Montfoort beseten hebben +geweest, die uten gesticht ende twaelf jaren out zijn, bloets +hoefts uitcomen, ende vallen den Bisscop te voeten, ende bidden hem +vergiffenis." + +[18] Dat zijn speerruiters, die gewoonlijk gevolgd werden van nog +twee gewapenden te voet. + +[19] 9000 Gulden volgends onze tegenwoordige munt. + +[20] Burchtgraaf Johan was bovendien zeer bevriend met den Utrechtschen +Burchtgraaf Reynout van Brederode en diens broeder Gijsbrecht, die +David tot vijanden rekende.--Zie Dl. I, blz. 69-71. + +[21] Gemeenlijk ook stalbroeders, en rijzigers, genaamd. + +[22] Het aantal dooden en gevangenen te zamen wordt door sommigen +zelfs tot op 1500 overdreven. + +[23] Zie van hem Dl. I, blz. 42-44. + +[24] Waarschijnlijk 30 November. + +[25] En daarby te gelijk, als men weet, ook Engeland, Keulen en +Munster. + +[26] In de ruime beteekenis van Nederlander. + +[27] Zie Dl. I. blz. 49-80. + +[28] Zal het misschien een Heer van IJsselborch zijn geweest? + +[29] Zie Blz. 61-63. + +[30] Maarschalk, niet in de beteekenis van Veldheer, maar van Rechter, +gelijk staande met Baljuw in Holland. + +[31] Met uitzondering van 't reigerbosch in »Aemstellelant," en +de manschap der beleende goederen in 't algemeen, die de Graaf aan +zich behield. + +[32] De andere Nederlandsche Heeren waren die van Voorn, van der +Lecke (Aelbrecht en Pieter) van Arckel, van Merode, Otto van Cuyk, +Daniël van Goor, Robbrecht van Appeltern, Warnaer van Merode, Peter +van Diest en Walram van Luxemborch. + +[33] Heer Gijsbrecht had in 't geheel zeven kinderen, vijf zoons en +twee dochters gehad. Twee dier zonen, de genoemde Herbarn, en Jan, +Domproost te Utrecht, waren hem in den dood voorgegaan. + +[34] Zy wordt ook Elisabeth, en zelfs Jenne genoemd. + +[35] d. i. Aangehuwde bloedverwant; toen gold het b. v. evenzeer voor +schoonzoon als thands alleen voor schoonbroeder. + +[36] Van Catharyne van IJsselsteyn, die mede in dezen tijd leefde, +is het onzeker of zy eene dochter of wel eene zuster van Heer Aernout +geweest zij.--Gwyda is, Dl. I. blz. 35, ten onrechte, in navolging +van anderen, Erfzuster geschreven. + +[37] Dl. I. blz. 38. + +[38] Gorcum behoorde aan den Grave van Charlois, Karel den Stoute, en +lag op Hollandsch grondgebied, dat door Otho van Weeren geschonden was. + +[39] Zie Dl. I, blz. 41. + +[40] Blz. 29, enz. + +[41] Zie Prof. van Lenneps boeiende Verhandeling over het belangrijke +van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding. + +[42] Hertog Arnold. + +[43] Haasloop Werner. + +[44] Henrick Bentynck overleed in 1530.--Margareta was Prioresse +van het klooster te Sutphen.--Fenne werd Non in het klooster te +Ysendoorn.--Adolf volgde zijn vader op.--Jan werd Proost van Arnhem, +en Deken van Deventer.--Anna huwde met Heer Seger van Arnhem; en +Aleyde met Filips van Varick. Karel overleed in 1536 ongehuwd. + +[45] Filips van Lalaing, Grave van Hoogstraten, 's Keizers Stadhouder +over Gelderland, en na hem zijne opvolgers ook onder het bestuur +der Staten, hebben er tytel en voordeelen van genoten, tot op de +omwenteling van 1795. + +[46] En niet, zoo als men, zelfs by Gelderschen, geschreven vindt, +in den voorgevel. + +[47] Zie blz. 141. + +[48] De zoon en opvolger des konings van Pruissen, Frederik de +Derde, heeft in 't jaar 1754, alles wat zijn vader by dit verdrag +in de Provincie Holland toebedeeld was (zijnde de Heerlijkheden der +Hooge- en Lage Zwaluwe met Klein-Waspik en Twintighoeven, en de +Heerlijkheden Naaltwijk, Hoenderland, Wateringen, Oranje-polder, +'s Gravesande en Zand-ambacht, het Huis in den Hage, genaamd het +Oude-Hof, en het Huis te Hondsholredijk), ten behoeve van den zoon +en opvolger des Prinsen van Oranje, Prins Willem den Vijfde, voor f +700,000 verkocht.--Wagenaar. + +[49] Engelen. + +[50] In een der torens kan men, langs een verborgen ladder, die, meen +ik, door het wegnemen van een gedeelte van den vloer zichtbaar wordt, +naar beneden dalen. In de dikke muren vindt men geheime bergplaatsen +voor goederen.--Schotel. + +[51] Gelegen op den rechter Maas-oever, tusschen Gennep en Mook. + +[52] Zijn zoon, Guyart van Hoemen, Burchtgraaf van Odenkercke, +verdroeg zich met Anthony van Borgondiën, Ruwaard van Brabant, over +de schade die zijn vader in den Gelderschen oorlog geleden had, ten +opzichte van een mansleen van 200 oude schilden 's jaars, die hy als +Heer van Ammersode van den Hertog plach te honden.--v. Spaen. + +[53] »Also als ons dat van onsen seligen alderen ende vervaeren +anverstorven ende angekomen is," zegt de Hertog in den brief van +erfwissel (Nyhoff III, 268). Ik geloof niet, dat deze uitdrukking +voor iets anders dan een gewoon formulier op te vatten is. + +[54] Zie Dl. I, bl. 67. + +[55] Zie hiervan bl. 127. + +[56] Volgends de huwelijksvoorwaarden van den 13 Juni 1534 kwam hy +weder in 't bezit der Hooge Heerlijkheid [van Weerdenburch], en werd +daarmede beleend. Maar na den dood van Hertog Karel, ontstond deswegens +verschil tusschen de stad Bommel en den Heer van Weerdenburch; en de +Landschap vonnisde den 29 Juni 1538, dat in Tielreweerd niet meer dan +twee banken moesten zijn; dat dus de bank van Weerdenburch afgeschaft +zou worden, maar dat de Heer behouden zal de visscherije, de breuken, +en alle oude gerechtigheden.--v. Spaen. + +[57] Naar deze acte zou de brand in de maand April 1590 hebben +plaats gehad. + +[58] Joris van Arckel liet drie kinderen na: behalven Otto nog twee +dochters: Anna en Catharyne; de eerste huwde met een Nederlandsch +krijgsman, Walraven, Baron van Gent, Heer van Dieden en Oyen; de +tweede met René van Renesse, Heer van Raucourt, Wasnes, Brumorher, +Hern en Schalckhoven. + +[59] Cosmo degli Affaytadi, Baron van Ghistelles in Vlaanderen, +gesproten uit een aanzienlijk geslacht in 't Hertogdom Milaan. Hy +was, naar alle vermoeden, een zoon van Carlo d' Affaytadi, een +Milaneesch Edelman, die in 1545 te Antwerpen woonde, en door koop +de Baronny Ghistelles verkreeg, die door Koning Karel den Tweede +tot een Graafschap verheven werd, 21 Januari 1676, ten behoeve van +Jean François d' Affaytadi, Baron van Ghistelles, Heer van Hilst, +Lavenacker en Braduc, misschien een kleinzoon van Cosmo.--Te Water. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Merkwaardige Kasteelen in Nederland, +Deel II (van VI), by J. van Lennep and W. J. Hofdijk + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KASTEELEN IN NEDERLAND, DEEL II *** + +***** This file should be named 29369-8.txt or 29369-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/3/6/29369/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
