summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/31297-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '31297-8.txt')
-rw-r--r--31297-8.txt5710
1 files changed, 5710 insertions, 0 deletions
diff --git a/31297-8.txt b/31297-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..36e9221
--- /dev/null
+++ b/31297-8.txt
@@ -0,0 +1,5710 @@
+Project Gutenberg's Van strak gespannen snaren, by Roelof Jan Willem Rudolph
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Van strak gespannen snaren
+
+Author: Roelof Jan Willem Rudolph
+
+Release Date: February 16, 2010 [EBook #31297]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN STRAK GESPANNEN SNAREN ***
+
+
+
+
+Produced by an anonymous Project Gutenberg volunteer.
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is in |
+ | dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. Cursieve tekst is |
+ | weergegeven als _cursief_. |
+ | |
+ | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. Deze |
+ | zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens". |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------------+
+
+
+VAN STRAK GESPANNEN SNAREN
+
+[Illustratie: portetfoto ds. R. J. W. Rudolph.]
+
+
+
+
+ Ds. R. J. W. RUDOLPH
+
+ VAN STRAK GESPANNEN SNAREN
+
+ MET EEN VOORWOORD VAN
+ Dr. A. KUYPER EN EEN KORT
+ LEVENSBERICHT VAN DEN
+ SCHRIJVER DOOR Ds. G. VERRIJ
+
+ DERDE DRUK
+
+ UITGEGEVEN IN 1916 BIJ J. H. DONNER
+ TE ROTTERDAM.
+
+
+
+
+L. S.
+
+
+De uitgave van de brieven van mijn overleden vriend Rudolph kan ten
+zegen zijn. Rudolph toch behoorde tot die mannen, van wie men in de
+jaren van hun drukke leven betrekkelijk weinig, maar daarentegen in
+de dagen van hun krankheid bijzonder veel hoorde. Rudolph's groote
+beteekenis voor den lande ligt in zijn sterven. Niet alsof zijn leven
+onnut ware voorbijgegaan. Integendeel. Hij was altoos een klare
+belijder, een ijverig werker, een man, die de kunst verstond om door
+eigen bezieling anderen te bezielen; maar in het centrum van onze
+nationale worsteling zagen wij hem hoogst zelden optreden. Reeds als
+student speurde men de stille kracht die in hem huisde, maar beide
+tegelijk, theoloog en jurist willende zijn, bereikte hij noch in
+het eene noch in het andere die rijpheid van studie, die voor een
+vooraantreden in den strijd van het leven eisch is. Zijn vurig verlangen
+om op politiek terrein zijn kracht te kunnen ontplooien, is dan ook niet
+in vervulling gegaan. Hij bleef predikant te Leiden. Toch begon in de
+laatste twee jaren een nieuw ideaal zich voor hem te ontsluieren, hij
+koos een andere existentie, en vurig begeerde hij juist in die nieuwe
+betrekking tot de volle ontplooiïng van zijn talent te kunnen geraken.
+O, hij was voor dien keer in zijn leven zoo innig dankbaar. Het was hem
+of hij een nieuwe toekomst tegenging, en alsof hij nu eerst met al hem
+verleende gaven zijn Heer en Koning zou kunnen dienen. En toch juist op
+dat oogenblik beschikte de Heere op geheel ongedachte wijze over hem, om
+hem te maken tot een heel ander instrument voor Zijn glorie. De Heere
+kwam Rudolph tegen op zijn nieuw ingeslagen weg en maakte hem krank.
+Krank, niet door een gewone krankheid maar door den.... kanker. Ieder
+voelt, hoe bang dit Rudolph aangreep. Nu juist was hij, waar hij nooit
+meer gedacht had te zullen komen. Een nieuw zooveel rijker leven
+ontsloot zich voor hem. Maar immers, dan kon die krankheid niet ten
+doode zijn! En zoo scheen het dan ook te zullen loopen. Heidelberg
+liet heel Europa door verluiden, dat het 't tegengif tegen den kanker
+gevonden had. Rudolph was verrukt, toen hij het hoorde. Hij ging er
+heen. Er kwam beterschap. Men gaf hem goede hope. Dankbaar kwam hij
+terug, denkende nu zijn rijksten arbeid te kannen aanvangen. Doch weer
+zette het kwaad op. Weer toog hij naar Heidelberg. En nog bleef hij
+vol hope, dat hem redding beschoren zou zijn, tot het ten derdenmale
+tegensloeg, en nu erger kwam opzetten, en zelfs het gebruik van keel en
+tong hem werd ontnomen. En toen naderde het einde. Zelf mocht ik hem
+nog even terugzien en mijn laatste bezoek brengen. Kort daarop was mijn
+vriend Rudolph niet meer.
+
+Maar, en dit is nu hier het wondere, als vrucht van dien bitteren kanker
+heeft zich toen juist in die laatste weken in Rudolph een geloofskracht
+en een geloofsmoed ontwikkeld, waarop een ieder die ervan hoorde met
+deelnemende bewondering neerzag.
+
+Als een held stond hij tot den einde toe in die doodelijke worsteling,
+en zijn geloof bezweek niet, het overwon.
+
+Hiervan heeft heel het land toen gehoord. Ten slotte was Rudolph een
+lijder, met wien we allen, dag na dag meeleefden, en in het gebed
+meêworstelden.
+
+Het was de onverzettelijkheid van zijn geloof, die hem toen die brieven
+aan zijn oude gemeente in de pen gaf.
+
+Die brieven hebben toen al wie ze las verkwikt.
+
+Moge het zoo ook na zijn sterven zijn.
+
+Zij zijn een klaar getuigenis, waarvoor wij God danken, van wat het
+geloof ook nu nog in de bangste ure vermag.
+
+ KUYPER.
+
+'s-Gravenhage, 8 Juni 1914.
+
+
+
+
+Ds. ROELOF JAN WILLEM RUDOLPH.
+
+20 SEPTEMBER 1862-10 MEI 1914.
+
+
+»Van strak gespannen snaren!" Zóó zou naar den wensch van mijnen
+hooggeschatten, lieven, vaderlijken vriend, bij afzonderlijke uitgave,
+de titel luiden van zijne brieven, toegezonden aan de »Geref. Kerkbode
+van Leiden en omstreken" en bestemd voor de gemeente, die hij zooveel
+jaren had gediend en waaraan hij zoo nauw was verbonden.
+
+Naar den vorm literarisch schoon, naar den inhoud veelzeggend!
+
+Deze titel doet ons denken aan een muziekinstrument, welks snaren worden
+gewonden tot de hoogste spankracht voor de zuiverheid van den klank en
+de fijnheid van toon. _Hij_ koos den titel en drukte ermee uit, wat
+lijden hij heeft geleden en aan welk een beproeving hij was onderworpen.
+En nu staat het aan _ons_, die, als ik, zoo menigwerf getuigen waren
+van zijn lijden, dat onder Gods aanbiddelijk bestel zooveel maanden
+achtereen werd uitgerekt; aan ons, die deze brieven lazen of nog zullen
+lezen, te beoordeelen, wat soort van liederen op dit veelsnarig
+instrument getokkeld werden. En--oordeel zelf--is het te veel gezegd,
+als we beweren, dat het zijn zangen »per aspera ad astra", uit de diepte
+naar omhoog. »Liederen van den Opgang", teeder aandoenlijk, warm
+gemoedelijk; zangen waardoor ons de stille berusting des geloofs, de
+onwankelbaarheid der hope en de innigheid der liefde van den waren
+Christen tegen ruischen?
+
+Ds. Rudolph was een gevoelsmensch, een man met een vrouwenhart. Het
+moge ietwat vreemd klinken in de ooren van allen, die hem slechts in
+zijn openbaar leven gekend hebben, hem, die in de gelederen van zijne
+politieke tegenstanders vaak met den minder vleienden naam van »De Beul"
+genoemd werd, hier te hooren karakteriseeren als een gevoelsmensch, een
+man met een vrouwenhart. Doch wie hem meer van naderbij kende en wist,
+hoe teeder achter het harnas van dezen strijder het harte klopte, beaamt
+het volkomen en stemt het ons gereedelijk toe. Ds. Rudolph kon geen leed
+van eenigszins ernstigen aard zien, of hij werd tot weenens toe bewogen.
+En juist deze man met het priesterlijke hart en het lichtbewogen gemoed,
+die,--had hij niet in het ambt van Dienaar des Woords gestaan,--een
+geboren diaken zou zijn geweest, heeft zelf zoo moeten lijden. Hoe vaak
+heeft hij in zijn gezonde dagen tegenover zijn huisgenooten de vurige
+begeerte uitgesproken, dat de Heere hem voor kanker mocht behoeden. En
+zie, wat hij zoozeer vreesde, is hem niet gespaard! Met forsche hand
+heeft de kanker hem aangegrepen, den fieren man, die een toonbeeld was
+van bloeienden welstand, den breedgeschouderde met zijn fraai gewelfd
+voorhoofd, zijn schitterende oogen, die vonken spatten, als hij was
+midden in het toernooi met zijn tegenstanders, den trouwen echtgenoot,
+der pleegkinderen liefdevollen vader, den man van 't initiatief, immer
+van idealen vol. En deze alom terecht gevreesde ziekte heeft hem niet
+meer losgelaten. Of zij dit wel ooit doet? Geen pogingen zijn onbeproefd
+gelaten, om aan dezen machtigen vijand der menschheid zijn kostbare
+prooi te ontrukken. Bezweken voor den sterken aandrang van oprechte
+vrienden, die zich voor de noodige geldmiddelen borg stelden, werd de
+reis naar Heidelberg ondernomen, naar het wereldberoemde Instituut voor
+kankerlijders van Prof. Czerny. Hoe vol hoop trok de patiënt met zijn
+echtgenoote, die hem in al zijn lijden een ware hulpe was, daarhenen,
+en hoe enthousiast keerde hij na een kuur van 4 weken weder! Wonderen
+had hij zien gebeuren! Waarom zou dan ook met hem geen wonder kunnen
+geschieden! De Heere is toch de God der wonderen! Wonderlijk is ook de
+naam Zijns Heilands! En was hij niet tot nog grootsche taak geroepen?
+Wachtten hem niet de Stichtingen voor Verwaarloosden en Drankzuchtigen
+te Achteveld bij Barneveld met kennelijk ongeduld? Hoorde hij niet als
+met duidelijk waarneembaren klank de weemoedige stem der ontouderde
+kinderen: »Vader Rudolph, kom, kom spoedig. Wij hebben uwe leiding zoo
+noodig, waar ons de ouderlijke ontbreekt"? Is het wonder, dat Ds.
+Rudolph hoopte, ziende ook op de Almacht Zijns Gods, tot op het laatste
+toe?
+
+Voor de 4e maal kwam hij uit Heidelberg terug. De doctoren hadden hem
+diets gemaakt, dat hij een katarrh in de keel had en de lucht daarvoor
+in Holland beter dan in Heidelberg was. »Ga zoo spoedig mogelijk terug
+naar Uw Heimat en als de katarrh over is, kom dan weder, zoo zullen we
+de kuur voortzetten!" Zóó werd gesproken. De werkelijkheid was evenwel
+geheel anders. Men had alle hoop op herstel moeten opgeven. Trots alle
+middelen van wetenschap en kunst, woekerde het proces met door niets te
+stuiten kracht voort. Men vreesde voor verbloeding en dan.... weldra het
+einde.
+
+Zóó was de naakte werkelijkheid. Wie zou het den lijder aanzeggen?
+Aan ondergeteekende viel deze zware opdracht te vervullen. Hadden
+deskundigen niet verklaard, dat er groot gevaar voor verstikking
+bestond, zoo den patiënt deze vreeselijke tijding werd bekendgemaakt?
+Biddend en bevend wordt de gang gemaakt naar het St. Elisabethsgesticht
+te Amersfoort. »Heere, voorkom, wat gevreesd wordt, geef de woorden in
+de opening mijns monds en den armen lijder kracht van Boven!" Ik schel
+aan en treed binnen. Dáár lag hij, de kankerlijder, die reeds sedert
+ettelijke maanden tot zwijgen gedoemd was. Allerhartelijkst was de
+begroeting met dien vriendelijken glimlach, krullend om de lippen en die
+zachte trekken op het gelaat, waarop de stille smart reeds diep haar
+sporen afgedrukt had. De vraag werd gedaan, of de hope op beterschap
+niet begon te verflauwen, daar er van vooruitgang toch zoo weinig viel
+te bespeuren. »Ik heb idee, dat herstel nog zeer goed mogelijk is. Dit
+zegt de dokter. Dat mag ik dus aannemen. Maar is 't, dat je 't anders
+weet, zeg 't dan. Ik ben bereid om heen te gaan!" Met woorden, dooraderd
+van diep medegevoel, wordt nu niets verholen, maar alles gezegd! De
+zieke vouwt de handen. Hij is in het gebed. Twee groote tranen worden
+aan de gesloten oogen ontperst. 't Is een plechtige, ernstvolle stilte
+in dit zieken- en bidvertrek. Onwillekeurig dacht ik aan het woord
+der Schrift: »En David sterkte zich in den Heere zijnen God!" Na een
+wijle gaan de oogen weer open, de handen laten zich los, de tranen
+worden afgewischt, de pen wordt weer opgenomen en met vaste hand
+neergeschreven: »Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten,
+die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen!" Hier was een strijd
+gestreden, hier was een overwinning bevochten!
+
+Daarna ging ik heen, verruimd van gemoed, in het bewustzijn een zwaar,
+doch ook een goed werk te hebben verricht.
+
+Menigwerf toefde ik in de krankenkamer en moest getuigen: »Waarlijk, in
+dit klaaghuls is het beter dan in het huis der maaltijden." 27 April
+kwam ik weder bij hem en vroeg, of hij nog even sterk stond in zijn
+geloof en Satan niet trachtte te ontnemen, wat hij meende te bezitten,
+waarop hij aanstonds neerschreef: »Ik geniet zoeten vrede, die alle
+verstand te boven gaat. Dit staat vast, dat iemand niet vandaag een
+Petrus en morgen een Judas is. Dit staat vast, dat God geen God van Ja
+en Neen is. Maar Jehova, de Ik zal zijn, Die ik zijn zal."
+
+Nimmer sprak hij eigener beweging van zijn lijden en hoe strakker de
+snaren zijner smarten gespannen werden, des te meer melodieus en des
+te liefelijker waren de zangen van aanbiddend geloof en roemende
+genade voor familie of vrienden, door de schrijfstift aan het papier
+toevertrouwd, of in de achtereenvolgende brieven aan zijn gemeente te
+Leiden toegezonden.
+
+Ieder, die eenigermate met 't openbare leven meeleeft, weet ook, hoe
+Ds. Rudolph zich op politiek en sociaal terrein niet onverdienstelijk
+heeft bewogen. Als 't er op aankwam, stond hij zijn man. De groote
+stadsgehoorzaal te Leiden zou er van kunnen getuigen, hoe hij, als
+verdediger der Christelijke beginselen, als kampvechter tegen het
+materialistisch Socialisme, niet gering te schatten was. Hij liet
+zich niet in een hoek zetten. Hoe kon hij dan in wetenschappelijke
+welsprekendheid met heilige verontwaardiging toornen tegen
+stofaanbidding en menschvergoding. Dan werd 't niet alleen gehoord, maar
+gezien, dan werd 't gevoeld, dat hij leefde uit hoogere beginselen,
+dan waarvan het hedendaagsche Socialisme uitgaat. En wat hij in 't
+aangezicht van het Socialisme, vertegenwoordigd door zijn uitnemendste
+voorstanders in ons land, beleden, bepleit en verdedigd heeft, ziet, dat
+heeft hij met het vonnis van den dood in zijn vleesch, op zijn krankbed,
+te midden van lijden en smart, in het aangezicht ook van den dood, aller
+menschen vijand, op het luisterrijkst bezegeld.
+
+Toen hem alles ontviel, in het midden zijner jaren, in den bloei zijner
+manlijke kracht; toen het beeld zijner aardsche idealen tot het
+onzichtbare toe verflauwde, toen, toen hield hij alles over: _het_
+ideaal, de rotsvaste hoop op een zalig hiernamaals, de zekere wetenschap
+van een blijde toekomst.
+
+En op mijn zeggen in de laatste week zijns levens: »Wat zijn de wegen
+des Heeren met U toch ondoorgrondelijk!", schreef hij met van groote
+zwakte bevende hand neder: »En niettemin keur ik ze goed, ziende op het
+heerlijk einde!"
+
+Dat was Rudolph's geloof, rotsvast, steunend alleen op het volbrachte
+werk van zijnen Heiland en Koning, Wien te belijden op alle terrein de
+lust van zijn leven, het leven _van_ zijn leven was.
+
+Zeg, Marxist, was hier de mensch Rudolph niet meer dan stof?
+
+Zoo ging hij heen, in de volle zekerheid des geloofs, in de hope op een
+eeuwig zalig leven.
+
+Als een Christen had hij geleefd, als een Christen gestreden, als een
+Christen ook geleden, het daarvoor houdende, dat het lijden dezes
+tegenwoordigen tijds niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die
+hem zou geopenbaard worden.
+
+ * * * * *
+
+Ds. Roelof Jan Willem Rudolph werd den 20en September 1862 uit
+eenvoudige burgerouders te Elst in de Betuwe geboren, bezocht daar
+de Openbare Lagere School en ging vervolgens naar het Gymnasium te
+Doetinchem, waar zijn uitstekende aanleg al spoedig de opmerkzaamheid
+zijner leeraren trok. Hier deed hij met goed gevolg eindexamen, ging
+toen naar Utrecht en liet zich daar aan de Universiteit als student in
+de Theol. Faculteit inschrijven. Doch hij gevoelde er zich niet thuis.
+Wat anders zocht hij en vond dit aan de Vrije Universiteit te Amsterdam,
+die pas was opgericht. Daar studeerde hij in de Rechten en in de
+Godgeleerdheid. In de eerste Faculteit behaalde hij den graad van
+candidaat, zette zijn studiën voort voor het doctoraal, maar kwam--en
+dat wel om financiëele redenen--niet tot het afleggen van het examen.
+In 1887 werd hij candidaat in de Theologie. Beroepen naar Heinenoord,
+diende hij daar niet zonder zegen de Gereformeerde Kerk, toen nog de
+Doleerende, van October 1888 tot December 1890. Hier verrees door zijn
+onvermoeid streven een Christelijke school, waarvan hij den eersten
+steen legde. In de Ned. Herv. Kerk stond toen ds. A. S. Talma, de latere
+Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in het Ministerie-Heemskerk,
+met wien hij over de kerkelijke muren heen een vriendschappelijken
+omgang onderhield. Reeds te Heinenoord kwam de lust tot weldoen, waarin
+ds. Rudolph en zijn ega M. W. F. Frijlinck zoo zeldzaam harmoniëerden,
+op lieflijke wijze tot uiting. Een jeugdige tuberculoselijderes uit een
+arm arbeidersgezin werd weken achtereen, tot op haren dood, in de
+gastvrije pastorie liefderijk en geheel belangeloos verpleegd.
+
+Toen op het einde van '90 Leidens Doleerende Kerk hem riep, meende
+hij voor deze roeping niet te mogen bedanken, hoewel het hem verre van
+gemakkelijk viel na zoo korten tijd zijn eerste standplaats te verlaten.
+De snoeren waren gevallen in lieflijke plaatsen.
+
+Op den eersten Zondag van Dec. 1890 vertoond hij zich met een predikatie
+over Gen. 1: 1 aan zijn nieuwe gemeente, die hij ruim 21 jaren heeft
+mogen dienen. Leiden met zijn beroemde Universiteit, de kweekplaats van
+onderscheidene wetenschappen; Leiden, de vermaarde Sleutelstad, had al
+de liefde van zijn hart. Hoe sterk kwam dat altijd uit, als de kalender
+3 October aangaf en Rudolph den kansel beklom om zijn hoorders te doen
+inleven in die wel oude, maar nooit verouderde geschiedenis van de
+belegering en het ontzet van Leiden, wat ieder geboren Leidenaar telken
+jare opnieuw met versche belangstelling aanhoort. Dan was Rudolph Geus
+met de Geuzen, dan deed hij in liefde ontvlammen voor Oranje, dan begon
+het oog te schitteren en trilde de stem van vurige verontwaardiging over
+de Spaansche tirannie en den duldeloozen gewetensdwang, dan jubelde hij
+met dank aan den Heere voor de ongedachte verlossing. Dan was Rudolph
+welsprekend.
+
+Bekend, geliefd en geëerd was hij bovenal om zijn hulpvaardigheid.
+Wie naar een betrekking stond; wie op de eene of andere wijze in
+verlegenheid zat, vond aan de pastorie van Ds. R. altijd een geopende
+deur, een belangstellend hart en een luisterend oor. Hij stond ieder te
+woord en menigeen is door hem geholpen of voortgeholpen. Hij was een
+vriend van armen en verdrukten. Menig treffend staaltje zou daarvan
+kunnen worden bijgebracht. Op zekeren keer kwam hij ongezocht in de
+schamele woning van een fabrieksarbeider met talrijk gezin op eene van
+de achtergrachten in Leiden. Het noodige schoeisel ontbrak daar geheel.
+Hij bedacht zich niet lang. Spoedig waren de schoenen gehaald, voor elk
+der kinderen een paar. »Maar Dominee", was de vraag van de vrouw des
+huizes, »weet Ge wel, dat ik Roomsch ben?" »Daar vraag ik immers niet
+naar, ik zie dat Gij het noodig hebt", luidde het antwoord van den
+vriendelijken weldoener.
+
+Was de kinderzegen hem door den Heere onthouden, zonder kinderen
+scheen zijn levenspad te eenzaam en koud. In Leiden nam hij, met volle
+bewilliging zijner echtgenoote, die hierin volkomen gelijk met hem
+dacht, twee kinderen, jongens, tot zich, die beide hunne moeder in de
+allereerste dagen der jeugd moesten missen. De een heeft reeds den
+leeftijd van 21 jaar bereikt, terwijl de ander 12 jaar oud is.
+
+Als prediker muntte hij nu juist niet uit door schitterende kanselgaven,
+al wil dit daarom allerminst zeggen, dat hij de gave der welsprekendheid
+geheel miste. Tekstverband en -zin kwamen altijd uitmuntend tot hun
+recht. Van een eenzijdig-voorwerpelijke prediking was hij een vijand.
+Dikwerf gaf hij in een afzonderlijke toepassing leiding aan de
+eenvoudige zielen.
+
+Goed kenner van de oude talen, bewoog hij zich gemakkelijk en gaarne
+op het veld van Schriftverklaring. Van zijne hand verscheen, in
+samenwerking met Ds. Renkema, een populair en practisch werk over »De
+Gelijkenissen onzes Heeren Jezus Christus". In 1900 kwam van hem uit:
+»Abraham, de vader der Geloovigen, voorgesteld in 13 meditaties".
+Behalve zijn »Kardiphonia"--stemmen uit 't hart--een drietal preeken,
+waarmee hij van zijn Leidsche gemeente afscheid nam en onderscheidene
+kleinere geschriften, zijn vooral bekend: »Het Hedendaagsch Socialisme"
+en »Het Diaconaat" (in vereeniging met Prof. Biesterveld en Dr. J. van
+Lonkhuizen).
+
+Als journalist was hij niet zonder verdienste. Van meer dan één week- en
+dagblad was hij achtereenvolgens redacteur of medewerker.
+
+Het Christelijk onderwijs in al zijn vertakkingen had de liefde van zijn
+hart. Als President der Geref. Schoolvereeniging gaf hij mede den stoot
+tot de oprichting der Geref. M. U. L. O. School op de Hooglandsche
+Kerkgracht te Leiden. Zijn ideaal om in de Sleutelstad te stichten een
+hospitium voor Christelijke Indologen, heeft hij niet kunnen bereiken,
+maar toch was de oprichting van het Indisch Comité, dat in het belang
+van Indologen van Christelijke belijdenis werkzaam is, eene zaak van
+niet geringe beteekenis.
+
+Op de meerdere vergaderingen werden de adviezen van den Jurist-theoloog
+op hoogen prijs gesteld. Meermalen telde de Generale Synode hem onder
+hare gedeputeerden.
+
+Eén van zijn vurigste wenschen heeft hij niet mogen vervuld zien om
+n.l. als lid van de 2e Kamer zijn volk te vertegenwoordigen in 's lands
+Raadzaal. De nederlaag in Ede in 1909, in niet geringe mate toegebracht
+door de heftige bestrijding van velen, die met hem in het Geloof
+stoelden op denzelfden wortel, bleef hem nog lang een schrijnende wonde.
+Het liefst zweeg hij daarvan.
+
+Door de Kinderwetten was de mogelijkheid geopend om ook van Christelijke
+zijde meer dan tevoren te arbeiden in het belang van hen, die Ds.
+R. gaarne kenschetste met den naam van »sociale schipbreukelingen".
+Zoo rijpte bij hem het denkbeeld, dat tenslotte belichaamd is in
+de Stichtingen te Achteveld, ééne voor ontouderde of verwaarloosde
+kinderen, en ééne voor landloopers, drankzuchtigen, ontslagen gevangenen
+en dergelijken. Hij werd benoemd tot Predikant-Directeur dier
+Stichtingen. Dat was een événement in zijn leven. 2 October 1912 preekte
+hij Afscheid in de kerk op de Hooigracht, »een biddend afscheid" (zie
+»Kardiphonia III"), en bepaalde zijne gemeente bij Hand. 20 vs. 32-38,
+»het slot van 't teeder afscheid van Paulus van de ouderlingen van
+Efeze." Hierin vond hij »de wijze aangegeven, zooals hij 't liefst van
+zijne gemeente wilde scheiden:
+
+ het oog naar boven,
+ de hand op 't hart,
+ de knieën gebogen,
+
+met tranen in de oogen, die van onverbreekbare banden getuigen".
+
+Hoe moeilijk het hem ook viel den herderstaf in zijn geliefde gemeente
+neer te leggen en emeritaat aan te vragen, niet jeugdig vuur en groot
+enthousiasme gaf hij zich aan de voorbereidende maatregelen voor den
+nieuwen werkkring, in de vaste overtuiging, dat de Heere hem daartoe
+riep. Maar: »de mensch wikt, God beschikt!" Zal de naam van ds. Rudolph
+in de wordingshistorie dezer Stichtingen immer met eere en groote
+erkentelijkheid genoemd worden, tot zijnen eigenlijken arbeid heeft hij
+niet mogen ingaan. Als een Mozes van den ouden dag moest hij blijven
+vóór den Jordaan van het zoozeer gewenschte land. En hierin te hebben
+kunnen berusten, gelijk herhaaldelijk op zoo treffende wijze uit deze
+brieven blijkt, wat was het anders dan de lieflijk geurende bloem van
+zijn groot geloof in de absolute Souvereiniteit zijns Gods, die nooit
+antwoordt van Zijn daden?
+
+Zeker, ook Rudolph had zijn gebreken. Zelf zou hij de eerste zijn om dit
+te erkennen. Financier is hij nooit geweest, wellicht zou hij het ook
+nimmer geworden zijn. Hij gaf soms meer dan hij bezat. Doch waar is het
+licht, dat geen schaduw heeft?
+
+Zondag 10 Mei j.l. werd hij uit zijn lijden verlost en op den dag der
+ruste ging hij, zacht en kalm, met den glans van zoeten vrede op het
+vermagerd gelaat, de eeuwige ruste van het hemelsche Kanaän in.
+
+Nù, ook Rudolph heeft geen leed meer van uitgestelde hoop en
+teleurgestelde verwachting, en van al wat tot deze aarde en dit leven
+behoorde, is hij verlost. Zijn werk volgt hem na en hij rust uit van
+zijn arbeid niet in ledig-zijn, maar in hemelsch zalig doen.
+
+Was zijn stoffelijk omhulsel op Woensdag 13 Mei van uit Amersfoort
+per trein naar Leiden overgebracht en geplaatst in het midden vóór den
+kansel van de Geref. Kerk op de Oude Vest, den dag daarop werd het onder
+de grootste belangstelling op de Begraafplaats van de Groenesteeg aan de
+schoot der aarde toevertrouwd. Vooraf werd in genoemde kerk, die tot in
+alle hoeken gevuld was, een korte samenkomst gehouden. Ds. Kouwenhoven,
+de oudste pastor loci, ging daarbij voor in het uitspreken van een rede
+aan de hand van Psalm 90 vs. 3: »Gij doet den mensch wederkeeren tot
+verbrijzeling en zegt: Keert weder, gij menschenkinderen!" Het was een
+aandoenlijke plechtigheid. Menige traan werd weggepinkt!
+
+Bij de geopende groeve werden goede woorden gehoord. Ds. Thomas sprak
+namens den Raad van de Geref. Kerk van Leiden, ds. Impeta van Katwijk
+namens de classis Leiden, ds. Teerink van Amersfoort gewaagde van zijne
+bezoeken aan den kranke; ds. Van der Munnik uit Leeuwarden, voerde het
+woord namens Deputaten van de Generale Synode voor de Zending onder de
+Heidenen en Mohammedanen; de heer Boddaeus, notaris te Schiedam, sprak
+als Voorzitter van het Bestuur der Kinderstichting; de heer Mekking
+van Gorinchem, namens het Bestuur van de Jan-Pieter-Adolfvereeniging;
+ds. Breukelaar van Zaandam, herdacht den overledene als Bestuurslid
+van het Chr. Comité voor Indië; dr. Dupont van Ermelo, van de Geref.
+Drankbestrijding; ds. Meijnen van Dordrecht, van de Vereeniging »De
+Tuin"; ds. Heidema van Heinenoord, bracht in herinnering het 2-jarig
+verblijf van den overledene in zijn eerste gemeente en ten slotte de
+heer Vros, hoofd eener Chr. School te Leiden, sprekend namens de Geref.
+Schoolvereeniging. En nòg waren er meer sprekers, o.a. van de Indologen
+en van »Polyhymnia", bovendien de heer Wilbrink, Landbouw-Directeur
+van de genoemde stichtingen, en ondergeteekende. Doch de lange duur
+van het toeven op de begraafplaats maakte het gewenscht aan de droeve
+plechtigheid een einde te maken, te meer daar ook de weduwe en de
+hoogbejaarde vader van den overledene mede tegenwoordig waren.
+
+Veel is daar gesproken, en had de gestorvene het kunnen hooren,
+ongetwijfeld zou hij gezegd hebben: »Te veel eer voor mij!" Maar de
+grondtoon bij alle sprekers was: dank aan den Heere, die ds. R. tot
+zooveel en zoo velerlei arbeid geroepen en hem in zijn laatste
+levensjaar met zoo groote genade begiftigd had.
+
+Waarlijk, het was een droeve en toch goede dag. Zij de gedachtenis dezes
+rechtvaardigen nog tot rijken zegen!
+
+Was het de wensch van den overledene, dat ondergeteekende, die gedurende
+een twintigtal jaren door hechte en innige banden van vriendschap aan
+hem verbonden was en nimmer hoopt te vergeten, wat hij naast God aan ds.
+Rudolph te danken heeft, de zorg voor de uitgave dezer Brieven op zich
+nemen zou, met liefde heeft hij er bijdezen aan voldaan.
+
+Mogen deze brieven een blijvenden troost bieden voor de diepbedroefde
+weduwe zulk een man, voor den ouden vader zulk een zoon, voor de
+pleegkinderen zulk een vader, voor de gemeente zulk een Herder en
+Leeraar, voor allen, die hem lief waren, zulk een vriend gehad te hebben
+en mogen ze, waar ze door dezen herdruk de wijde wereld ingaan, voor
+velen nog in dagen van druk en beproeving, tot rijken zegen gesteld
+worden! Gode alleen de eer!
+
+ G. VERRIJ.
+
+Waarder (Z.-H.), Mei 1914.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 23 September 1913.
+
+ _Aan de Gereformeerde Kerk te Leiden._
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Door dezen kom ik als oud-collega aan de redactie in de Kerkbode een
+plaatsje, dat mij zeker niet zal worden geweigerd, verzoeken, om u
+hartelijk dank te zeggen voor de vele bewijzen van belangstelling, op
+mijn verjaardag uit uw midden ontvangen, en tegelijk u de inlichtingen
+te geven, die door zoovelen gewenscht worden, over mijn lichamelijke en
+geestelijke gesteldheid.
+
+Evenalsof ik nog in uw midden in- en uitging, hebben velen mij verrast
+met de hartelijkste blijken hunner blijvende, ik zou haast zeggen,
+hunner toenemende genegenheid, met hunne vriendelijke troostwoorden
+mijne ziel verkwikt. Zwaar is mijn tegenwoordige beproeving, maar te
+midden mijner smart kan ik wel weenen van blijdschap en dankbaarheid
+voor de groote genade, die de Heere ons schenkt in zoo heerlijke
+oefening van de gemeenschap der heiligen. Gaarne antwoordde ik ieder in
+'t bijzonder. Dit is mij echter onmogelijk. Laat ik dus door dezen aan
+allen, die mij zoo innig verblijdden, daarvoor mijn diepgevoelden dank
+mogen betuigen.
+
+Wat mijn lichamelijken toestand betreft, deze is ook thans nog niet
+zonder bezwaar. Toch heb ik goede hope, dat ik onder des Heeren zegen
+op de middelen geheel zal mogen herstellen.
+
+En indien het anders mocht wezen, des Heeren wil, die toch alleen wijs,
+goed en heilig is, geschiede.
+
+Toen ik kort geleden dacht, dat mijn leven spoedig zou worden
+afgesneden, was de gedachte van sterven mij o zoo zoet. Mijn leven is
+met Christus verborgen in God. Door Jezus' dierbaar bloed gewasschen, de
+zaligheid te mogen ingaan, naar huis te gaan, waarheen mijn hart dorst
+als 't hert naar de stroomen, van alle zonden en ellenden voor eeuwig
+ontslagen te zijn, den Heere te zien, in Zijne heerlijkheid te mogen
+deelen, alzóó ontbonden te zijn en met Christus te wezen, het is en
+blijft mij verreweg het beste.
+
+Doch op aarde kan nog een werk gedaan worden, dat in den hemel niet
+kan worden verricht. In den hemel zijn geen ellendigen, die nog
+moeten worden terechtgebracht. Alleen op aarde kan, ook aan de
+diepst gezonkenen, 't dierbaar Evangelie des kruises worden gebracht.
+Ik heb mij voorgesteld dit werk thans te beginnen onder voogdij-
+en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en
+drankzuchtigen. Het is altijd één der idealen van mijn leven geweest,
+zulk werk te mogen doen. En 't was mij zeker een pijnlijke gedachte,
+toen ik mij een oogenblik voorstelde, dat ik in 't midden mijner jaren
+en terwijl ik dit werk stond aan te vangen, door den dood uit het leven
+zou worden weggerukt. Daarom begeer ik zeer, dat de Heere nog dagen tot
+mijne levensdagen wil voegen. En ik verzoek dringend, dat allen blijven
+bidden en smeeken, dat de Heere mij nog ettelijke jaren wil sparen.
+
+Maar ik verzoek er uitdrukkelijk bij, dat aan de bede steeds worde
+toegevoegd: »Heere, Uw wil geschiede!" Wat de Heere doet, is wèl gedaan,
+hoe 't ook ga. Zeker, donker, diep en ondoorgrondelijk zijn menigmalen
+de wegen Gods. Maar wat wij nu niet verstaan, zullen wij nadezen
+verstaan. Hoe moeielijk was 't gansche leven van Jeremia? Werd een
+Johannes de Dooper niet in het midden zijner jaren weggenomen? Moest een
+Paulus niet betuigen: »Ik sterf alle dagen!" Voor 't vleesch is dit
+alles onbegrijpelijk; maar bij het licht des Heiligen Geestes wordt
+Gods grootheid juist in deze diepe leidingen 't best gezien. Daarom,
+geliefden, vragen wij dan maar veel genade, dat onze wil verslonden moge
+wezen in des Heeren wil!
+
+En wanneer 't den Heere mag behagen, mij te herstellen, en mij, geheel
+genezen, aan mijn grooten arbeid te geven, o hoe zal ik dan Zijn Naam
+loven voor deze pijnlijke maar kostelijke inleiding tot mijn werk. Deze
+zware beproeving heeft mij nader tot den Heere gebracht; alleen nabij
+Hem is 't goed, is 't zalig en heerlijk; als Elia voor Zijn aangezicht
+staande, staan wij met macht en gezag om des Heeren werk te doen.
+
+En hiermede, geliefde gemeente, heb ik u een blik in mijn zieleleven
+gegeven. Ik deed dit, omdat ik weet, hoe aangenaam het u is, te hooren
+van de genade, die de Heere aan een beproefden mede-zondaar schenkt; en
+omdat ik weet, dat ook dit schrijven aan velen beproefden in uw midden
+tot vertroosting kan zijn. Stelle de Heere 't daartoe nog ten zegen, en
+verblijde Hij ons door Zijne groote daden!
+
+In Christus uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 1 October 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Uwe liefde en belangstelling kennend, weet ik, dat ik u een genoegen
+doe, wanneer ik u door middel van de Kerkbode schrijf, hoe ik thans
+vaar.
+
+Laat ik beginnen, u mede te deelen, dat mij thans de volle waarheid
+omtrent mijne krankheid is gezegd. Men heeft deze te goeder trouw voor
+mij verzwegen. Men vreesde, dat ik mogelijk plotseling door verstikking
+kon sterven, wanneer men mij de naakte werkelijkheid openbaarde. IJdele
+vrees! Te midden van al mijne zonden en ellenden is 't steeds door
+des Heeren dierbare genade de diepste behoefte mijns harten geweest,
+in leven en sterven Hem te verheerlijken. Rustig als een kind op den
+moederschoot heb ik de tijding aangehoord. Geen oogenblik ben ik sinds
+dien geschokt. O, wat is 't toch zalig en heerlijk, te mogen weten, in
+leven en sterven het eigendom des Heeren te zijn!
+
+Door den hooggeschatten professor Korteweg, die voor mij doet wat maar
+in zijn vermogen is en dien ik daarvoor niet genoeg kan danken, was
+mij in overleg met mijn huisdokter uit Amersfoort aangeraden, naar
+Heidelberg te gaan, en in het Czerny's Institut für Krebskranken, d. i.
+de instelling voor kankerlijders van prof. Czerny, genezing te zoeken.
+
+Zaterdagavond 27 September kwam daarop een vriend bij mij, die mij een
+som gelds overhandigde, mij dwong deze aan te nemen, en die mij daardoor
+in staat stelde althans voor acht dagen met mijn vrouw naar Heidelberg
+te gaan. Ik kon niet anders doen dan dit geschenk aanvaarden, en deed 't
+dankbaar.
+
+Zóó zijn wij dan Maandagmorgen 29 September 's morgens half tien uit
+Amersfoort vertrokken. Ds. Teerink en mijn vriend en mede-directeur, de
+heer Wilbrink, deden mijn vrouw en mij uitgeleide.
+
+Ternauwernood had de trein zich in beweging gesteld, of wij sloten
+beiden onze oogen, en begaven ons in stil gebed tot den Heere. Met
+stille berusting in Zijnen wil, zonder ijdele hope op een broos leven,
+maar doende, wat ik tegenover mijn vrouw, de kinderen en de stichtingen,
+waaraan ik hoopte te arbeiden, verplicht ben, ging ik op reis, in 't
+stil vertrouwen, dat de God der wonderen en der middelen ook dit middel
+nog zegenen kan. Hij doet een afgesnedene zaak op aarde. Niets is Hem te
+wonderlijk. Als David te Ziklag sterkte ik mij alzoo in den Heere mijnen
+God.
+
+Ongemerkt waren wij spoedig aan de grenzen gekomen, en gingen na 't
+douanenonderzoek verder.
+
+O, wat was alles heerlijk rondom ons! Van Keulen tot Mainz spoorden we
+langs den Rijn, door een der schoonste deelen van Duitschland. In de
+strakke lucht teekende zich ieder blad, iedere lijn, iedere kromming
+scherp af. Tegelijk hing over de bergen een zeer dunne nevel. Het was
+een feesture der schepping. Het was alsof de natuur al haar weelde over
+'t aardrijk had uitgegoten. Zij was als een schoone bruid, die met
+doorzichtig sluiergaas haar schoonheid nog meer ontdekt dan bedekt.
+
+Aan alle stations was 't vol van uitgaande menschen. En te midden van
+dezen bevonden ook wij ons; ik, die 't vonnis des doods in mijn vleesch
+droeg, mijn vrouw, wier schoonste uitzichten nagenoeg vernietigd waren.
+
+Toch was ik die gelukkigste van allen. Ik stelde mij voor, wat 't moest
+zijn, in mijn geval zonder geloof zulk een reis te moeten maken. En nu
+was 't met mij zoo geheel anders. De Heere geeft mij een levend en
+krachtig geloof. De schoonheid der schepping deed mij telkens opzien
+naar de schoonheid van den hemel, die mij wacht. Van Frankfurt naar
+Heidelberg spoorden wij door een heerlijk oord. Ik stond achter in den
+trein, en had 't schoonste uitzicht. En nu was 't mij, alsof mijn lieve
+God tot mij sprak: »Kind, ook dit is alles voor u en van u!" Wonderbaar,
+wonderbaar sterkt mij de Heere. Zwaar is mijne beproeving; maar als de
+kinderen Israëls ga ik door 't geloof droogvoets door deze zee. Links en
+rechts staan de wateren; maar zij raken ons niet aan.
+
+Half tien 's avonds kwamen wij in Heidelberg aan, en wij waren beiden, o
+wonder, nagenoeg nog even frisch als toen wij 's morgens afreden.
+
+Dinsdagmorgen 30 September ben ik dadelijk naar 't Instituut gegaan.
+Vreeselijke aanblik! Rondom mij niet anders dan kankerlijders, de een
+meer, de ander minder geteekend. Menschen van allerlei taal en tong. En
+onder dezen ook wij samen, mijn vrouw en ik; want mijn vrouw vergezelt
+mij overal.
+
+Heden, Woensdagmorgen ben ik al dadelijk in behandeling genomen. Moge de
+Heere er Zijn onmisbaren zegen op gebieden, en ons nog verblijden door
+Zijne groote daden! Wij gaan voort ons te sterken in Hem. Geliefde
+gemeente, steun ons met uw gebed in dezen nood en strijd! De Heere zij
+met u allen, inzonderheid met de bedroefden en zwaarbeproefden! Richte
+Hij ook Ds. Roorda spoedig op, en geve Hij na lijden heerlijk verblijden
+in Zijn grooten Naam!
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 8 October 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Zijt ge ons ver van 't oog, maar nabij voor 't hart, wij vertrouwen, dat
+dit bij u te onzen opzichte precies hetzelfde is, en dat nader bericht
+van ons u niet onwelkom zal zijn.
+
+Geven wij u eerst een korte beschrijving van de stad, waarin wij thans
+vertoeven.
+
+Heidelberg is een der oudste steden van Duitschland, schilderachtig aan
+de beide oevers van den Neckar gelegen, in een halven cirkel door hooge,
+groene, soms blauwende bergen omgeven, voor een groot deel tegen de
+hellingen dier bergen gebouwd, en 't behoort alzoo tot de schoone
+steden, waaraan Duitschland zoo rijk is.
+
+Vroeger was 't de hoofdstad van de Paltz, was dit kleine land van eeuw
+tot eeuw 't tooneel van oorlog en verwoesting. In den dertigjarigen
+oorlog heeft Tilly de stad uitgemoord. Daarna gaf Lodewijk XIV op zijn
+terugtocht uit Holland aan zijn wreeden veldheer Mérac bevel: »Verbrand
+de Paltz!" Maar al te getrouw werd dit bevel uitgevoerd. Van geheel
+Heidelberg bleef alléén één kerk en één huis over. Daarna weder
+opgebouwd, werd 't ook in den revolutietijd weer geteisterd.
+
+Thans is Heidelberg met de Paltz bij 't groothertogdom Baden gevoegd.
+Vooral in de laatste vijftien jaren is de stad sterk vooruitgegaan.
+Vooral tegenwoordig is Heidelberg zeer gezocht door schilders en
+kunstenaars, dichters en denkers. En Von Scheffel, de dichter van
+Heidelberg, slingerde haar den lauwerkrans om de slapen:
+
+ Oud Heidelberg, zoo fijn,
+ Gij stad, aan eere rijk,
+ Aan Neckar en aan Rijn,
+ Geen andere stad is u gelijk!
+
+In deze stad is ook de beroemde universiteit, die vooral 's zomers door
+de studenten zeer gezocht wordt. De bekende Kuno Fischer onderwees hier
+wijsbegeerte. En de voornaamste van allen is ongetwijfeld Excellenz
+Geheimrat, Prof. v. Czerny, de stichter van 't Samariterhaus of het huis
+der Samaritanen. Deze man is de eenvoud zelf, een geneesheer bij de
+gratie Gods, een man, zooals ik mij Boerhaave zou denken. Een groot deel
+van zijn aanzienlijk vermogen heeft hij gegeven voor zijn stichting. En
+in deze stichting is nu ook gevestigd het instituut voor kankerlijders,
+waaraan tal van groote geleerden zijn verbonden.
+
+Zooals ik u reeds schreef, komen van alle oorden der wereld de
+ellendigen hier. Acht dagen achter elkander ben ik nu behandeld
+geworden, en elken dag ziet men weer nieuwe gezichten. Gedurende deze
+acht dagen ben ik behalve Zondag elken dag ingespoten met enzytol en om
+den anderen dag gedurende twintig minuten belicht met Röntgen-stralen.
+De inspuiting dient voor de vernieuwing van 't bloed, de bestraling voor
+de dooding der ziektekiemen.
+
+De aanvankelijke resultaten zijn, den Heere zij dank, reeds merkbaar.
+Van tevoren waren mijn tong en kaak stijf en was er vaak een
+dichtzuiging in den mond, alsof zij mij dreigde den adem af te snijden.
+Met zorg ging ik 's morgens den dag, met nog grooter zorg 's avonds den
+nacht tegemoet, al verzweeg ik mijn vrees zorgvuldig om geen noodelooze
+onrust te wekken. Thans is dit reeds anders geworden. Er komt meer
+beweging in tong en kaak, en ik gevoel mij gemakkelijker. Natuurlijk is
+onze vreugde over dezen aanvankelijken zegen een verheuging met beving,
+al dankt al wat in ons is den Heere voor deze overrijke, onverdiende
+gunst. Mijne ziekte was tot dusver echter zoo rijk aan kleine
+verrassingen en groote teleurstellingen, dat wij ons in onze blijdschap
+matigen.
+
+De kuur, die ik thans onderga, duurt drie of vier weken. Mij is
+thans evenwel reeds bericht, dat ik van vijf tot acht December een
+duurzame bestraling met radium zal ondergaan. Ik word dan dag en nacht
+afgezonderd en altijd door bestraald. Dit zal dus de hoofdkuur zijn. Een
+heele onderneming. Maar: »huid om huid, al wat een mensch heeft, zal hij
+geven voor zijn leven!" Dit doe ik dan ook gaarne, in de stille hope op
+den rijken zegen Gods. O, mocht de Heere mij nog eens oprichten! Mocht
+ik dan blijvende en dubbele genade van Hem ontvangen! Hoe zou ik dan als
+uit de dooden opgestaan. Zijn lof weder Zijn volk vertellen! Het is mij,
+alsof ik Hiskia voor mij zie, en alsof ik hem dan na zal zeggen: »De
+levende de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal
+den kinderen Uwe waarheid bekendmaken!" Als een werkelijke vader hoop
+ik dan in 't midden van mijn kinderen te Achteveld te staan, om hen te
+wijzen op Hem, Die in Jezus onze Vader is, en Die vaderlijk kastijdt,
+maar ook zoo vaderlijk zorgt.
+
+Zondag hebben we samen gekerkt in de kapel van 't Diaconessenhuis
+alhier. We hoorden er een heerlijke preek van ds. Kammerer over Hebr.
+10: 19-25. Hij sprak over den geopenden hemel, en waartoe deze roept.
+Zijn woord was eenvoudig, vertroostend en zeer getrouw. Bij 't laatste
+vers merkte hij op: hierbij zijn wij tegenwoordig in grooten nood. Hoe
+kunnen wij zeggen: »houdt u aan de Kerk", wanneer de Kerk de leugen
+brengt, 't anti-christendom predikt. Wie kan dit met een goed geweten
+doen? Heel de dienst was zeer stichtelijk. Wanneer er gezongen werd,
+of Gods Woord gelezen werd, ging heel de gemeente eerbiedig staan.
+Ook de voorlezing van den tekst wordt door mannen en vrouwen staande
+aangehoord. Heerlijk vond ik ook het gezang. De geestelijke liederen
+werden vleugelen, waarop mijn ziel opsteeg tot den Heere. Vooral in 't
+slotvers ging ik geheel en al op:
+
+ »Herr unser Gott, dich loben wir,
+ Herr unser Gott, wir danken dir
+ Die Feier dieser Stunde.
+ O dir sei unsre Lebenszeit,
+ Die uns noch übrig is, geweiht
+ In einem ew'gen Bunde.
+ Hilf uns kampfen,
+ Bis zum Sterben,
+ Dasz als Erben
+ Zu den Höhen,
+ Einst wir siegend aufwärts gehen!"
+
+Dat wil zeggen:
+
+ Heere onze God, U loven wij,
+ Heere onze God, wij danken U
+ De viering van dit uur.
+ O, U zij onze levenstijd,
+ Die ons nog rest, gewijd
+ Tot eeuwigblijvenden bond!
+ Help ons worst'len,
+ Tot aan 't sterven,
+ Opdat we als erven
+ Tot de hoogten
+ Overwinnend opwaarts stijgen!
+
+Door alles tezamen waren wij zóó gesterkt, dat wij Maandag den moed
+namen, iets van de schoone stad te gaan zien. Wij werden begeleid door
+een jeugdige, Christelijke weduwe, die zelve reeds veel ervaren heeft,
+met wie wij hier kennis maakten, en die zich aanbood, ons, zoolang wij
+hier zouden zijn, als gids te dienen. Onder haar geleide gingen wij naar
+'t oude Heidelberger slot, waar ook eens Frederik III, de vrome, woonde,
+en waarvan de muren en torens nog staan. Welk een schoonheid boven op
+één der bergen! Welk een schoonheid, dat oude reuzen-kunstwerk, overal
+met goudbruin klimop begroeid, en dan die heerlijke hangende tuinen! Het
+was ons, alsof we een oogenblik in een tooverland waren. Vooral toen we
+gebracht werden op een plek, van waar we 't gezicht hadden op de stad,
+op den Neckar, op de bergen rondom, op de vlakte in de verte. We zagen
+alles in de heerlijke herfstbelichting. Subtiele schoonheid! Ik herinner
+mij niet ooit zoo iets fraais te hebben aanschouwd. Ik kan 't niet beter
+weergeven dan in de woorden van den Heidelberger dichter Von Scheffel:
+
+ »Der Himmel hat die Erde geküsset!"
+ De hemel heeft de aarde gekust!
+
+En hier woonde nu eenmaal Frederik III, de man, die den Catechismus
+deed opstellen. In deze tuinen wandelde hij met Olevianus en Ursinus,
+en spraken zij tezamen over den eenigen troost in leven en in sterven.
+Onwillekeurig denkt men hierbij aan den man, die ook zulk een heerlijk
+goed bewoonde. Zijn predikant zeide tot hem: »Mijnheer, dit zijn
+de dingen, die ons aan de aarde binden!" »Neen, dominee", was zijn
+antwoord, »ditmaal hebt ge 't mis, dit zijn de dingen, die ons naar den
+hemel doen verlangen!"
+
+Moge dit ook met ons zóó zijn en blijven, geliefde gemeente!
+
+Laat 't beste dezer aarde ons steeds meer doen verlangen naar 't
+Allerbeste! »Zalig zijn zij, die het heimwee hebben; zij komen eenmaal
+thuis!" Velen ook uit uw midden zijn ons daarheen reeds voorgegaan.
+Vroeg of laat zullen ook wij moeten volgen. Moge 't zijn in dit eeuwig
+en zalig Tehuis, waar alle tranen worden afgewischt!
+
+Met vriendelijke groeten van ons beiden,
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 14 October 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Voorzooveel mij dit mogelijk zal zijn, voldoe ik gaarne aan 't verzoek,
+dat tot mij kwam, met 't zenden mijner brieven aan de Kerkbode door te
+gaan.
+
+Veel zou ik u nog kunnen schrijven over de merkwaardige stad, waar wij
+thans vertoeven, en de heerlijke landstreek, waarvan zij het middelpunt
+vormt. Ditmaal bepaal ik mij echter tot de Universiteit.
+
+De stad telt ongeveer 50000 inwoners, aan de Universiteit zijn in den
+regel ongeveer 2200 studenten ingeschreven; het spreekt van zelf, dat
+bij zoodanige verhouding de Universiteit de zon dezer stad is, helaas,
+door de aan de hoogescholen heerschende zeden, ook haar moeras.
+
+De meest beroemde mannen zijn in den loop der eeuwen aan haar verbonden
+geweest.
+
+Van de velen noem ik slechts de meest bekenden, de Godgeleerden:
+Reuchlin, Coccejus, Hitzig, Umbreit, Ullmann, Rothe, de juristen:
+Pufendorff, Bluntschli, Windscheid, de wijsgeeren: Hegel, Fischer,
+Zeller. Namen, die aan alle Nederlandsche studenten overbekend zijn.
+
+Geen hoogeschool heeft ongetwijfeld zulk een veelbewogen geschiedenis
+achter zich als deze. Zij heeft in sterke mate de toepassing ondervonden
+van de heerschappij van 't territoriale stelsel, waarvan de grondregel
+is: »Wie heer is van 't land, zet den Godsdienst naar zijn hand!" Was
+de overheid Luthersch, dan was de universiteit 't ook; was zij
+Gereformeerd, de hoogeschool evenzoo.
+
+Na den dood van Calvijn, onder Frederik III, was Heidelberg om haar
+Gereformeerde universiteit het Genève van Duitschland. Spoedig daarop
+kwam de hoogeschool door verandering van vorstenhuizen in handen der
+Jezuïeten. De prachtige universitaire bibliotheek, die de kostbaarste
+handschriften bevatte, werd zelfs naar Rome gevoerd. Tegenwoordig is
+de regeering protestantsch-evangelisch-liberaal met een gemoedelijk
+godsdienstig tintje, de universiteit is 't in hoofdzaak ook.
+
+Thans zijn in de theologische faculteit ruim 80, in de juridische
+ruim 580, de medische ruim 550, de philosophische ruim 610 en de
+natuurwetenschappelijke ruim 380 ingeschreven. Met de philosophische
+staat dus de medische faculteit bovenaan.
+
+De laatste telt hier tal van klinieken, die nagenoeg alle huis aan huis,
+soms paleis aan paleis, naast elkander liggen. Vandaar elken morgen die
+treurige optocht van allerlei lijders, armen en rijken, geringen en
+voornamen, sommigen in landauers, anderen op krukken of tusschen
+bloedverwanten of vrienden gesteund, in éénzelfde straat.
+
+Toen wij ons de eerste maal als vreemdelingen, die hier hulp moesten
+komen zoeken, onder deze ellendigen bevonden, was 't ons een oogenblik,
+alsof wij door den grond zouden gaan. Spoedig stonden wij echter voor
+het Instituut van Czerny. Daar lazen wij den naam: »Samariterhaus!" of
+huis van Samaritanen. En ik kan u niet zeggen, welken troost wij beiden
+uit dezen naam ontvingen. Alzoo dachten wij: Wat de professoren en
+doctoren hier ook belijden, deze naam zegt ons, door welke gedachte zij
+worden geleid, deze naam zegt ons, dat zij althans wetenschappelijk
+en ambtelijk worden geinspireerd door den Geest van den medelijdenden
+Hoogepriester, Die eenmaal de heerlijke gelijkenis van den barmhartigen
+Samaritaan sprak. De Heere zond ons dezen naam als een lichtende ster op
+ons zoo moeilijk en donker pad.
+
+Meer echter nog dan door den schoonen naam van dit huis zijn wij
+vertroost geworden door de heerlijke mededeeling, dat in zoovele
+gezinnen en gemeenten onze nood in 't gebed wordt gedacht. Juist wanneer
+de ziel veel van den Heere geniet, heeft zij in donkeren weg de diepste
+behoefte aan de sympathie van 't volk van God. Al is men dan in den
+vreemde, men voelt zich lid van 't groote gezin van Gods Huis, waarin 't
+eene lid met 't andere medelijdt. Voorbede is wel de heerlijkste uiting
+van dit medeleven. O, wat is 't ons groot, dat wij waardig geacht
+worden, door 't volk van God voor den Troon der genade te worden
+gedacht! En die gebeden zullen verhoord worden! Des Heeren Naam is
+Ontfermer, is Hoorder der gebeden, en zooals Zijn Naam is, is Zijn
+Wezen. Hetzij ik gespaard worde, hetzij ik worde weggenomen, de Heere
+zal het wèl maken.
+
+Heerlijke wetenschap!
+
+Schijnbaar, voor 't oog der wereld, voor 't vleeschelijk gevoel is mijn
+lot tragisch. Met de grootste idealen ging ik 't leven in; maar nu eens
+door eigen zonde en schuld, dan weer door zware Goddelijke beproeving,
+zonk mijn schip in den regel vlak voor de haven. Het was, alsof de Heere
+ook aan mij bevestigde, wat Hij tot Baruch sprak: »Wat Ik gebouwd heb,
+breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit!"
+
+Toen ik de laatste maal op Achteveld was, waren de gebouwen der
+stichting nagenoeg gereed, en was juist de vlag op mijn woning
+geheschen, ten teeken dat ook deze onder de kap was. Maar ook nu scheen
+'t weer te zullen worden: »En Mozes zag het land van verre!"
+
+Toch klaag ik allerminst, dan alleen over mijn zonde en schuld, maar
+roem in het welbehagen Gods. Midden door mijne zonde en ellende loopt de
+blinkende weg van Gods vrije en trouwhoudende genade. Juist door mijne
+beproevingen bracht de Heere mij steeds nader tot Zich. Evenals bij de
+Emmausgangers is de Heere met Zijn Genade en Geest bij mij tegenwoordig.
+Ja in den zevenmaal heeter gestookten beproevingsoven doet de Heere Zijn
+heerlijke aanwezigheid des te duidelijker merken. Daarom gloeit ook mijn
+hart somwijlen van liefde voor het Vleeschgeworden Woord, dat Zijn
+liefdewonderen tot onze verlossing wrocht, en mij het zegel van Zijn
+Geest wilde schenken.
+
+Nu geniet ik, wat ik reeds van mijn kindsheid af heb begeerd. Zoo ver
+mijn heugenis reikt, heeft de vraag mij beziggehouden: »Wat is er toch
+achter deze zienlijke wereld?" Opgegroeid in een moderne omgeving, kreeg
+ik voor den honger mijner ziel slechts steenen voor brood, zoodat ik
+reeds als kind soms der wanhoop nabij was. Maar de Heere waakte. Door
+Zijn voorzienig bestel op een Christelijke kostschool gekomen, maakte ik
+daar kennis met Bunyan, en kreeg ik het eerste licht voor mijn ziel.
+Student geworden, ging ik dan ook zoo spoedig mogelijk naar de Vrije
+Universiteit, hopende, dat daar de kathedraal van het Christelijk denken
+mij zou worden ontsloten. En mijn verwachting werd wel overtroffen, maar
+niet teleurgesteld.
+
+Helaas, dat hart en geweten geen gelijken tred hielden met toenemend
+Christelijk weten. Gelukkig, dat ik Romeinen VII leerde kennen. En de
+Heere zette Zijn arbeid voort. Door des Heeren heiligende genade gaan
+hart en geweten met Christelijk weten hand aan hand. En dit doet mij
+soms met heimwee naar boven zien. »Want wij zien nu door een spiegel
+in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot
+aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook
+ik gekend ben".
+
+Niettemin begeer ik ook vurig hier des Heeren werk nog te mogen doen.
+Immers: »En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste
+van deze is de liefde". Ook op aarde zijn wij geen weezen. Het geloof
+blijft, het geloof, dat zulk een vaste grond is der dingen, die men
+hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. De hope blijft, de
+liefelijke hope, die zich reeds van tevoren in de toekomende dingen
+verblijdt. En de liefde blijft, de liefde, die de voorsmaak is van de
+zaligheid en heerlijkheid des hemels.
+
+Die liefde doet mij innig wenschen, nog eens, als uit de dooden
+opgestaan, velen ten zegen te mogen zijn. Daarom, geliefde gemeente,
+ga voort met uw bidden, pleiten, smeeken, waarvoor ik u zeer dank!
+Verblijde de Heere ons nog door Zijne groote daden.
+
+Op dit oogenblik is mijn toestand stationair, misschien in langzamen
+vooruitgang. Voor 't eerst heb ik gisteren en vandaag andere dan
+vloeibare spijzen kunnen gebruiken. Evenals de tuberculosebehandeling
+schijnt echter ook deze zeer langzaam te gaan. Vele patiënten moeten
+zelfs drie à vier maal terugkomen. Maar de uitkomsten zijn bij sommigen
+dan ook verrassend. Verleden week zag ik een grijsaard, die juist van
+den hoogleeraar terugkwam. Zijn hals was zóó gekerfd, alsof deze eenige
+malen was afgesneden geweest. Zijn stem was nog heesch. Maar de wonden
+waren geheel genezen. De hoogleeraar had hem juist voor geheel genezen
+verklaard van zwaar kankerlijden. Met van vreugde stralende oogen kwam
+hij aan de arm zijner dochter de wachtzaal binnen, met heesche stem
+roepende: »genezen, genezen!" Natuurlijk feliciteerde ik hem zeer
+hartelijk. Den volgenden dag ontmoette mijn vrouw hen op straat, terwijl
+zij vol blijdschap naar den trein en huiswaarts togen. Zij hielden mijn
+vrouw nog staande, spraken haar moed in en besloten: »Einen schönen
+Grüsz für Ihren Mann!" Een hartelijken groet voor uw man! Dat wij
+eenmaal deelgenooten ook voor deze vreugde mogen vinden! Verheerlijke
+de Heere daartoe aan ons Zijne barmhartigheid! Moge Hij diezelfde
+goedertierenheid ook bewijzen aan ds. Roorda! Verheuge de Heere ook u,
+naar de mate Hij u nu beproeft!
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 21 October 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Zaterdag jl. werd ook hier onder begunstiging van het allermooiste weer
+herdenking van den Volkerenslag bij Leipzig gevierd.
+
+'s Morgens hing er een dikke nevel; maar tegen tien uur trok de damp
+voor de zonnestralen op. Heerlijk gezicht, de ontsluiering der bergen,
+der villa's, blinkend in de zonnestralen van den Neckar, schitterend als
+kristal! Het geheel was een openbaring van schoonheid, die ge een poos
+met groote oogen aanziet, om haar als schilderstuk vast te nagelen in uw
+geheugen, en later in sombere dagen als een heerlijk visioen in uw
+geheugen terug te roepen.
+
+Natuurlijk had de hoofdviering van 't groote feest te Leipzig zelve
+plaats. Daar was de keizer met de bondsvorsten om 't groote »Denkmal" te
+onthullen. Geen wonder, dat men vooral hier zooveel werk maakt van de
+viering van dit feest. In de velden van Leipzig is de hoeksteen gelegd
+van Duitschlands latere grootheid. Een eeuw lang is daarop voortgebouwd,
+en 't resultaat is thans te zien. Het eens verdeelde en vernederde
+Duitsche volk heeft thans de eerste stem in den raad der volken.
+
+Wel zijn er donkere wolken. Duitschland is gevreesd, maar ook benijd en
+gehaat, en 't volk leeft sterk onder den indruk van een komenden oorlog.
+»Aber wenn der Krieg kommt", »maar wanneer de oorlog komt", is een
+uitdrukking, die nogal eens gebezigd wordt. Ge spreekt met een moeder
+over de toekomst van haar zoon. Hoog geeft zij op van haar gespannen
+verwachting. Plotseling betrekt haar gelaat. »Aber wenn der Krieg
+kommt," en met zorg staart haar blik op haar kind.
+
+In Heidelberg werd 't groote feest zeer kalm gevierd, en wij hebben er
+uit den aard der zaak nagenoeg niets van gezien.
+
+Zondagmorgen zijn we ter kerk gegaan, niet in Heidelberg, maar in
+Handschuhsheim, een dorp, dat ongeveer een kwartier van Heidelberg ligt,
+en dat thans bij de stad is geannexeerd, maar nog geheel dorpsch is
+ingericht. Het is een welvarende plaats van ongeveer 4000 inwoners, die
+in den reformatietijd een rol van beteekenis speelde. De bevolking leeft
+er van wijn- en ooftbouw. Jaarlijks worden er voor honderd duizend
+gulden kersen verhandeld, en reeds in Mei komen kooplieden uit Hamburg
+hier hunne opkoopen doen. Er is een zeer oude kerk, die vroeger,
+gelijk men dat hier noemt, Simultankirche was, d.w.z. door Roomschen
+en Protestanten tegelijk gebruikt werd, bijv. 's morgens door de
+Protestanten en 's middags door de Roomschen, of omgekeerd. Thans is dit
+oude kerkje aan de Roomschen gegeven, en de Evangelischen hebben een
+nieuw kerkgebouw gekregen, een prachtwerk in gemoderniseerden Gothischen
+stijl.
+
+Daarheen trokken wij Zondagmorgen op, en bij 't binnentreden kwamen we
+al dadelijk in de rechte stemming. Welk een prachtkerk! Welk een schoone
+ornamentiek! Vlak voor ons zagen we dadelijk 't koor, hemelsblauw met
+groote gouden starren. Links en rechts prachtige friesen in kleuren als
+van koperdruk.
+
+De kerk was geheel gevuld. Geen gepraat. Geen gefluister zelfs. Alles
+was muisstil. Op onze teenen liepen we zoo ver mogelijk naar voren om
+een goede plaats te krijgen; en daar zaten we spoedig heel gezellig
+midden onder de wijnboeren en boerinnen, allen eenvoudige, maar
+welgestelde en zeer intelligente menschen.
+
+Met een prachtig voorspel begon de dienst, en nu zong de gemeente de
+Ambrosiaansche berijming van den 75en Psalm, 't »Wij loven U, o God!"
+Een oogenblik wist ik niet, waar ik was. Geweldig en toch harmonisch,
+machtig en doordringend klonk de zang, waarin de helden-baryton en de
+vrouwen-sopraan elkander steunden. En de gedachte vloog mij door de
+ziel: »Neen, een volk, dat zóó zingt, kan niet ondergaan".
+
+Middelerwijl had de Pastor zijn plaats ingenomen op 't podium vóór den
+preekstoel. De gansche gemeente, die staande gezongen had, bleef staan.
+Plechtig las hij haar voor Ps. 118: 14-29. Wanneer ge deze woorden
+naleest, zult ge begrijpen, hoe deze voorlezing mij tot in 't diepst der
+ziel aangreep.
+
+Na 't gebed beklom hij den kansel, en sprak uit 't lied van Mozes,
+Exodus 15: 1-6. De grondgedachte van zijn prediking was: de oorlog is
+een groote verwoester, de oorlog is ook een groote opvoeder. Hij is
+een groote verwoester. Tot duren prijs heeft Duitschland zijn vrijheid
+heroverd. Honderd zestig duizend lijken dekten aan den laatsten avond
+van den veldslag den bodem. Maar hij is ook een groote opvoeder. Vóór
+de Napoleontische verdrukking rekende men in Duitschland niet meer
+met God. In den oorlog, vooral bij dezen veldslag werd het anders.
+Vijfhonderd duizend mannen vielen elkander hier aan. Wie zal de
+overwinning wegdragen? De evenaar schommelt in 't huisje. Aan het
+einde van den slag moet de overwinnaar zeggen: »God heeft mij de zege
+gegeven." Moet de overwonnene erkennen: »God heeft over mij gericht
+geoefend!"
+
+Rijk is de zegen, dien ik wederom van deze prediking voor mijne ziel heb
+weggedragen. Ik ben thans drie weken in behandeling, en 't einde van de
+eerste kuur is gekomen. Een geweldige vijand, de doodsvijand huist in
+mijn lichaam. Reeds triomfeert hij. Maar nu wordt hij elken dag opnieuw
+aangevallen door nieuwe middelen, die de Almachtige heeft gegeven. Wie
+zal de overwinning behalen? De overmachtige vijand? Of zijn krachtige
+bestrijder? Dit hangt alleen af van 't welbehagen van den Heere Zebaôth.
+Als Mozes in den slag tegen Amelek, hef ik dan ook tot Hem gedurig de
+hand biddend op. En 't is mij tot zulk een rijken troost te mogen weten,
+dat gij en zoowelen als Aäron en Hur mij steunt in dezen geweldigen
+strijd.
+
+Wat 't resultaat van de behandeling is, kan ik uit den aard der zaak nu
+nog niet mededeelen. Ik sta nog midden in den strijd. Morgen 22 October
+hoop ik weer naar Amersfoort te gaan. 20 November moet ik dan terugkomen
+naar Heidelberg en er tot 8 December blijven. Eerst dan kan een
+voorloopig resultaat worden opgemaakt. Gaarne zou ik u gedurende de vier
+weken, dat ik 't vaderland verlaten heb eens opzoeken, om zoovelen als
+mogelijk is nog de hand te drukken. Maar mijn lichaam moet volstrekte
+rust hebben. De behandeling, die ik onderging, moet na- en doorwerken,
+en ik moet mij sterken voor de tweede kuur, die nog krachtiger aanpakt.
+
+Het is en blijft dus biddende wachttijd!
+
+Maar daarom dan ook zoo heerlijke wachttijd!
+
+Meer dan ooit leer ik thans de heerlijke deugden Gods kennen. Zijn
+Almacht, die beide de krankheden en de geneesmiddelen schept. Zijn
+wijsheid, die den mensch doet zoeken naar de middelen; maar dan ook op
+dit gebied bevestigt: »Die zoekt, zal vinden!" O, wanneer ge hier in
+deze laboratoria rondkijkt, staat ge verslagen over de wonderen der
+schepping. Voorts de Goddelijke heiligheid, die de krankheden gebruikt
+om te kastijden en te louteren. Maar ook Zijn rechtvaardigheid. De
+Schrift spreekt van een »kauwen der tonge."
+
+Die vreeselijke uitdrukking, ik heb haar eenigemate leeren verstaan,
+en 't is mij een diepe behoefte geworden: »Och mocht ik mij toch maar
+recht diep verootmoedigen over mijne zonden, waardoor ik mij niet alleen
+alle tijdelijke, maar ook alle eeuwige straffen heb waardig gemaakt!"
+Maar ook zijne rijke, zijne heerlijke genade, die om de kruis- en
+zoenverdiensten van Jezus volkomen vergeeft. En ook die liefelijke
+Goddelijke barmhartigheid, waardoor Hij met ontferming bewogen is over
+mijne ellende. O, wat heeft ook die Goddelijke barmhartigheid mij
+vertroost! Toen ik een kind was, vleide ik wel 't hoofd tegen de
+borst mijner moeder, als ik wat van haar begeerde, en o met wat goede
+moederoogen zag ze mij dan aan! Maar wat is de moederliefde nog bij
+de ontfermingen Gods? O, wat is 't heerlijk, zich in die Goddelijke
+barmhartigheid en goedertierenheid in te wikkelen en te schreien: »Och
+Heere, erbarm U over mijne ellende."
+
+'t Is zoo volkomen waar, wat een Duitsch versje zegt:
+
+ Wer glaubt, der ist grosz und reich,
+ Er hat Gott und Himmelreich!
+ Wer glaubt, der ist klein und arm,
+ Und schreit nur: »Gott erbarm!"
+
+Dit is:
+
+ Wie gelooft, die is groot en rijk,
+ Hij heeft God en hemelrijk!
+ Wie gelooft, die is klein en arm,
+ Hij roept slechts: »Dat de Heere Zich erbarm!"
+
+»Heere, erbarm U!" Geliefde gemeente, laat dat onze, ook uwe bede
+blijven! Laat 't uw bede blijven voor uwen leeraar, die mede zoo zwaar
+door des Heeren Hand is bezocht. Laat 't óók uwe bede blijven voor
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 30 October 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Na een goede kuur en een voorspoedige reis ben ik verleden week Woensdag
+met mijn vrouw te Amersfoort aangekomen. We vonden thuis alles wel, en
+ons hart vloeit thans over van dankbaarheid aan den Heere, Die ons in
+moeilijke dagen zóó nabij is geweest; van dankbaarheid aan allen, die
+met ons hebben medegeleefd, ons hebben verkwikt met hunne brieven, ons
+hebben gedacht in hunne gebeden; van dankbaarheid ook aan degenen, die
+mij in Heidelberg hebben behandeld. Welk een voortreffelijke geest
+heerscht in dat Samariterhaus! De professoren en doctoren zijn er
+vaders, zusters, moeders voor de patiënten armen en rijken, geringen
+en voornamen worden er met dezelfde welwillendheid behandeld. De naam
+»Samariterhaus" vertolkt volkomen wat dit huis is!
+
+Onze terugreis was weer even mooi als de heenreis. De wijnstokken en 't
+geboomte op de bergen hadden hun schoonste najaarskleed aangetrokken.
+Welk een tinteling van kleuren, waarin het goudbruin de boventoon
+voerde! Welke spelingen van het licht! Deze October-maand is wel
+inzonderheid de maand der schilders.
+
+Ook hier in Amersfoort is de natuur al weer even schoon. Alléén nu en
+dan steekt de stormwind op, die de toppen der boomen geheel ontbladert,
+en op de vleugelen van het windgeruisch en 't bladerengeritsel komt een
+klaagzang: »Sic transit gloria mundi!" »Zoo gaat de heerlijkheid dezer
+wereld voorbij!"
+
+Treffende prediking, die daarin ligt, en die door wijlen Van Oosterzee
+in zijn bekende dichtregelen eens zoo aandoenlijk werd vertolkt:
+
+ De dood heeft mij een brief geschreven,
+ Ik las hem op het dorrend blad,
+ Dat door den stormwind voortgedreven,
+ Op 't vensterglas heeft post gevat.
+
+Het is nu ongeveer een jaar geleden, dat ik deze dichtregelen 't eerst
+las. Het was op mijn studeerkamer te Leiden. De stormwind joeg de
+bladeren van de kastanjeboomen in mijn tuin tegen de glazen, en tikkend
+vloog 't eene blad na 't andere er tegen op, alsof ze alle mijn aandacht
+kwamen vragen. De woonden van dit vers sloegen aan. Een gansch nieuwe
+gedachte vatte de teugels op in mijn zieleleven. Hoe zoet de gedachte
+van den dood mij ook was, toch had ik steeds zijn dag verre gesteld. Ik
+had mij een levensprogram gesteld, dat zou ik eerst rustig afwerken en
+dan zou de Heere mij komen oproepen. Nu leerde ik verstaan, dat de Heere
+ook mij plotseling uit het midden van mijn werk zou kunnen oproepen,
+gelijk Hij reeds zoo velen had gedaan. Ik dacht aan Kruijswijk, den
+krachtigen werker, die in weinige dagen midden uit een arbeidzaam leven
+en uit het midden van een talrijk gezin werd weggerukt; aan een Oranje,
+den hoogbegaafden prediker, die na een langdurige ziekte mede werd
+weggenomen. Toen mij geopenbaard werd, wat mij scheelde, dacht ik dan
+ook niet anders, of ook tot mij kwam nu de Goddelijke sprake als tot
+Hiskia: »Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven".
+Hoeveel goeds mij ook van het Czerny'sche Instituut werd gezegd, ik kon
+weinig denken, dat ik daar nog genezing zou vinden. Uit plichtsgevoel
+ging ik er heen. Op de heenreis dacht ik in den trein telkens aan
+Frederik III, Duitschlands keizer, die ongeveer op gelijken leeftijd
+dezelfde kwaal kreeg. Slechts een klein gedeelte van 't rijk, waarover
+hij den schepter voerde, zag ik. Doch hoe kort heeft hij slechts over 't
+groote en krachtige rijk geregeerd. In 1888 stierf zijn vader, Keizer
+Wilhelm I. Aller oogen waren gevestigd op den veelbelovenden nieuwen
+keizer, wiens naam in 1870 in één adem met dien van een Von Moltke en
+een Von Bismarck werd genoemd. Terstond openbaarde zich echter de kwaal.
+Geregeerd heeft hij eigenlijk niet. Zijn regeering van twee maanden
+was een tijd van zwaar lijden, en in korten tijd werd hij ten grave
+gesleept. Indien bij één vorstelijk sterfbed, dan gold wel bij dit: »Sic
+transit gloria mundi!" »Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!"
+Voor 's keizers ziekte was toen geen middel bekend.
+
+Maar zie, na dien tijd heeft de Heere in de wetenschap de ontdekking
+der therapeutische Röntgenbehandeling gegeven, waardoor sommige
+kankerziekten met vrucht worden bestreden. Zou de Heere ook mij daardoor
+nog willen herstellen? Een oogenblik opende zich als in de verte een
+deurtje, en blikte de hope mij even aan. In alle kerken in Nederland
+werd gebeden, werd vurig gebeden. En zie, de God der wonderen en der
+middelen heeft aanvankelijk rijken zegen geschonken. De nawerking en
+doorwerking is thans boven verwachting goed. Mijn vrouw en ik kunnen
+geen woorden vinden om den Heere voor dezen aanvankelijken wonderbaren
+zegen te danken, waar de Heere aan kleinen schenkt, wat Hij vroeger aan
+grooten heeft onthouden.
+
+Natuurlijk weet ik zeer goed, dat ook nu nog allerlei complicaties
+kunnen intreden, en dan is 't in weinig dagen of maanden afgeloopen.
+Maar ook dan geen nood! Mijn leven is in des Heeren Hand en daarin
+volkomen veilig. Zijn Vaderhand voert mij dan in de heerlijkheid,
+waarvan geen »sic transit gloria", »zoo gaat de heerlijkheid voorbij",
+kan worden gezegd.
+
+Naar die heerlijkheid wijst mij ook wederom 't dorrend blad. Zie 't aan,
+in zijn schoone goudbruine kleur!
+
+Al 't vergankelijke is gelijkenis van 't onvergankelijke. Het zienlijke
+is niet blijvend, 't onzienlijke blijft eeuwig; maar daarom is 't
+zienlijke niet waardeloos. Integendeel, al 't zienlijke heeft de roeping
+om naar boven, naar de onzienlijke dingen te wijzen. Vooral van de
+heerlijke dingen dezer aarde, van 't licht, van de kleuren, van de
+bloemen, van de edelgesteenten gaat een sprake uit, die ons toeroept:
+»Sursum corda!" »De harten naar boven!" Daar is het eeuwige licht! Daar
+zijn de wuivende palmen! De straten van goud! De perelen poorten! De
+blinkende kleuren!
+
+Nog eens, zie 't aan, 't afgevallen blad in zijn schoone goudbruine
+kleur!
+
+Het goud is de kleur der glorie, der heerlijkheid, der hemelen.
+
+Het bruin is rood met zwart gemengd. Het rood, de kleur der liefde. Het
+zwart, de kleur van den dood. Het bruin spreekt van een liefde tot den
+dood.
+
+Het goudbruin wijst naar boven, naar de heerlijkheid, naar de eeuwige
+liefde. En ditzelfde blad, dat ons de vergankelijkheid predikt, wijst
+ons in zijn vergaan nog naar boven, naar de onvergankelijke
+heerlijkheid en liefde in de onzienlijke wereld.
+
+O wat schoone symboliek is er toch in de schepping Gods!
+
+Daarvan heeft de Heere ook gebruik gemaakt bij de instelling des
+Heiligen Avondmaals.
+
+Den eersten Zondag, dat wij hier waren, waren wij in de gelegenheid
+daaraan deel te nemen, en niet gaarne laat ik dit voorbijgaan. Het
+Heilig Avondmaal is mij altijd de liefste plek op aarde geweest. Dan zeg
+ik altijd bij mij zelven: »Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus
+liegt niet!" Hij heeft alles volbracht. Hij heeft al de Schriften
+vervuld. Hij heeft de volkomen zaligheid verworven. En tot teeken en
+zegel daarvan schenkt Hij mij nu dit brood, als teeken en zegel van Zijn
+verbroken vleesch; den drinkbeker, als teeken en zegel van Zijn vergoten
+bloed. O, welke onderpanden van heerlijke liefde, van liefde tot in den
+dood, van eeuwige liefde aan gansch onwaardigen. Neen, Gods Woord liegt
+niet! Neen, Jezus liegt niet. En meer dan door een engelverschijning of
+hemelstem word ik dan door deze eenvoudige teekenen gesterkt in mijn
+Christelijk geloof, dat mij zulk een rijken troost doet genieten.
+
+O, waar zal ik beginnen, waar zal ik eindigen, om des Heeren lof groot
+te maken? Ik zou den 116en psalm wel willen uitjubelen!
+
+Geliefde gemeente, geve ons de Heere, dat we in een dankstond nog eens
+Zijn Naam samen mogen grootmaken!
+
+Wees daartoe den Heere bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 6 November 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Hoewel ik deze week weinig nieuws met betrekking tot mijn toestand te
+schrijven heb, maak ik toch gaarne gebruik van de gelegenheid, die mij
+de Kerkbode voortdurend verleent, omdat mij daardoor de gelegenheid
+geboden wordt, Gods groote daden als in het midden der gemeente te
+vertellen.
+
+Ik ben nu veertien dagen thuis, en als ik terugzie op hetgeen achter mij
+is, is 't mij als een droom. Maar geen droom is, wat God in die dagen
+wrocht.
+
+Laat ik 't u mogen verhalen.
+
+Ik begin daartoe met een woord van Paulus. De heilige apostel schrijft
+Fil. 1: 23 en 24: »Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende
+begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is
+zeer verre het beste; maar in het vleesch te blijven is noodiger om
+uwentwil".
+
+Ik heb deze gesteldheid van den apostel-pelgrim weleens vergeleken bij
+die eener vrouw en moeder, wier man naar Amerika trok, maar die zelve
+nog met haar kinderen in het vaderland is gebleven. Haar man schrijft
+haar, dat zij over moet komen, maar haar kinderen voorloopig in
+Nederland bij de familie moet achterlaten, opdat zij eerst een goede
+Hollandsche opvoeding verkrijgen, voordat ook zij naar de nieuwe wereld
+verhuizen.
+
+Denkt deze vrouw aan haar man, dan begeert zij vleugelen, om naar 't
+verre land te snellen. Ziet zij evenwel op haar kinderen, dan voelt zij
+zich nog aan den vaderlandschen bodem als vastgenageld.
+
+Zóó was 't ook met Paulus. Verhief hij zijn hart tot den Heere in den
+hemel, dan begeerde hij niets liever dan den marteldood te sterven. Zag
+hij op de gemeente, dan verlangde zijn ziel naar leven en vrijheid, om
+haar het Evangelie te mogen verkondigen. En door des Heeren rijke en
+vrije genade stemt ook mijne ziel hiermede ten volle overeen.
+
+Ik was dezen zomer dan ook zoo dankbaar, toen ik meende, dat ik langzaam
+vooruitging, en spoedig mijn heerlijken arbeid zou mogen hervatten,
+of liever eigenlijk eerst recht zou beginnen, hoe zoet mij steeds de
+gedachte der ontbinding en eeuwige verlossing ook ware. Ik voelde wel,
+dat ik ernstig krank was; ik leed, vooral 's nachts, soms onnoemelijke
+pijnen. Maar ik meende, dat dit een crisis was, die ik moest doormaken,
+en dat ik daarna geheel herstellen zou. Ik had mijn hoop op de
+Röntgen-bestraling gebouwd, en dacht niet anders, of ik zou daardoor
+als door een van den Heere geschonken middel weldra geheel genezen,
+hoewel mijn eigenlijke kwaal gaandeweg erger werd.
+
+Dit duurde tot Donderdag 25 September. Dien dag vergeet ik nimmer! Ik
+zou op dien datum naar Almelo gaan, om daar voor de Stichting te werken.
+Vooraf ging ik echter even bij den dokter aan, die aan den hoogleeraar
+om nader advies had geschreven, en dit had ontvangen. Op weg naar 't
+station ging ik even bij den geneesheer aan, om dit advies te vernemen.
+
+Toen deelde mij de dokter kort en goed mede, dat volgens den professor
+en hemzelven de Röntgen-bestraling zooals deze in ons land werd
+toegediend, mij niets verder zou brengen, en dat er voor mij nog maar
+één weg van ontkoming was: in 't Instituut van prof. Czerny te
+Heidelberg.
+
+Daar stond ik. Het eenige middel, waarop ik mijn hope had gebouwd, was
+mij ontnomen. Heidelberg leek mij onbereikbaar. In 't vaderland was ik
+opgegeven. Het buitenland scheen voor mij gesloten.
+
+Toch heb ik geen oogenblik gewankeld, de Heere heeft mij steeds bij
+al mijne beproevingen een groote genade geschonken. Ik heb steeds
+in toepassing mogen brengen, wat een cadet op een militair examen
+anwoordde. Hem werd gevraagd, wat hij doen zou, wanneer zijn regiment,
+in 't front door de infanterie, in den rug door de artillerie, links en
+rechts door de cavalerie werd aangevallen. Ik zou commandeeren, zoo
+luidde zijn antwoord: »Mannen, knielt, bidt!" Ditzelfde zeide ik steeds
+tot mijne ziel in elken grooten nood. De zwaarste rampen brachten mij
+altijd als in de onmiddellijke gemeenschap Gods, omdat ik mij vasthield
+aan Hem als ziende den Onzienlijke, en in de grootste smarten had ik dan
+de hoogste vreugde.
+
+Zoo ging 't ook dezen dag.
+
+Een oogenblik overwoog ik, wat mij te doen stond, naar huis te gaan, of
+door te gaan. Ik besloot mijn reis voort te zetten, en onderweg den
+Heere aan te roepen, om dan straks meer gesterkt thuis te komen.
+
+Ge kunt u voorstellen, hoe ik op dien dag door de straten van Almelo
+liep. Ik was als een schip zonder roer in den nood der baren, en gedurig
+gingen mijne noodkreten op tot den Heere.
+
+Het was markt in Almelo, en zeer druk op straat. Ik was midden in de
+drukte. Een oogenblik was 't mij nu, alsof de Heere een kring om mij
+hem trok. Ik zag niemand meer. Door 't geloof wonend in mijn hart,
+openbaarde de Heere Zich in mij door Zijnen Heiligen Geest om mij met
+kracht te versterken. Het was mij, of Hij mij van binnen in mijn hart
+teeder de hand drukte, en tot mij zeide: »Nu alles is afgesneden, nu zal
+Ik voor u zorgen!"
+
+Ik kan niet beschrijven, hoe zalig, hoe veilig, hoe rustig ik mij nu
+gevoelde. Op zulke oogenblikken is werkelijk van toepassing, wat Jean
+Paul zoo schoon schreef:
+
+»Wie auch die Zeit vor dir vorüber fliege, die Gegenwart ist deine
+Ewigkeit!" »Hoe de tijd voor u ook voorbij snelle, het is heden uwe
+eeuwigheid, en dit verlaat u nooit!"
+
+Zulk een oogenblik, zulk een heden komt uit de eeuwigheid en geeft
+eeuwigheids-gevoel in het hart. Het licht, dat dan in de ziel schijnt,
+mag nu en dan door wolken worden verdonkerd, de zon blijft, de wolken
+verdwijnen, die zon is een eeuwige zon. Welke zaligheid doorstroomde dan
+ook in die oogenblikken mijne ziel! Wat voelde ik mij veilig en rustig
+in de eeuwige armen van den Koning van 't heelal.
+
+Op 't zelfde oogenblik, dat de Heere mij aldus in Almelo sterkte, was de
+dokter bij mijn vrouw, om haar de gansche verschrikkende werkelijkheid
+te onthullen. Door den Heere kennelijk gesterkt, droeg zij dien slag als
+een heldin. Ziedaar reeds de eerste bevestiging van wat de Heere
+beloofde!
+
+Nadat ik in Almelo mijn zaken had afgedaan, ging ik naar huis, met de
+bedoeling om mijn vrouw deelgenoot te maken van wat de dokter mij had
+gezegd, en met haar verder te beramen, wat ons nu te doen stond. Ik had
+reeds mijn plan gemaakt. Ik wil 't maar niet meedeelen. Het is niet
+uitgevoerd, want de Heere had anders gezorgd.
+
+Thuis gekomen vermoedde ik weinig, dat al mijn huisgenooten reeds meer
+wisten dan ik kon mededeelen. Mijn vrouw hoorde mij aan zonder te
+ontstellen. Ik had niet veel tijd hierover na te denken. Binnen weinige
+minuten kwam een vriend binnen, die mij mededeelde, dat ik naar
+Heidelberg moest, en dat hij voor alles zorgen zou. Wat was geschied?
+Eenige dagen tevoren had hij mij met den dokter ontmoet. De dokter
+begreep, dat hij belang in mij stelde, ontbood hem buiten mijn weten ten
+zijnent, en in weinige dagen werden door hen samen de voorbereidende
+maatregelen voor mijn vertrek getroffen. Zaterdag 27 September werd ook
+mij nu de werkelijkheid mijner ziekte medegedeeld. Maandag 29 September
+zaten wij reeds in den trein naar Heidelberg. Wat in ons land niet
+verkregen kon worden, is daar bereikt; het uitwendig kankergezwel is
+nagenoeg geheel verdwenen. Alleen de tong zit aan de achterzijde nog met
+zweertjes. De bedoeling van de tweede kuur is, om dan vooral de tong aan
+te vatten. Ook voor die tweede reis is alles al weer bijeen, of nagenoeg
+bijeen. Heeft de Heere nu woord gehouden, of niet? Heeft de Heere
+gezorgd, of heeft Hij niet gezorgd?
+
+Geliefde gemeente, ik hoop met u nog eens te zingen:
+
+ Zalig hij, die in dit leven
+ Jakobs God ter hulpe heeft;
+ Hij, die door den nood gedreven,
+ Zich tot Hem om troost begeeft,
+ Die zijn hoop in 't hachlijkst lot
+ Vestigt op den Heer, zijn God!
+
+Zoo is het!
+
+Wat hoop ik nu voor de toekomst?
+
+Ik heb tegenover den Heere geen enkel recht, en ik maak geen enkele
+aanspraak op één seconde levens. Dit ligt in mijn oude natuur geheel
+verbeurd. En wanneer de Heere mij heden nog wegnam, zou ik moeten
+zeggen: »Heere, Gij hebt woord gehouden! Gij, die machtig zijt, om meer
+dan overvloedig te doen, boven ons bidden en boven ons denken, Gij hebt
+werkelijk boven bidden en denken aan mij welgedaan!"
+
+Toch heb ik in hetgeen de Heere beloofde en deed, een krachtigen
+pleitgrond om bij Hem aan te houden, en te zeggen: »Heere, Gij zijt de
+Getrouwe".
+
+ Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht,
+ Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven:
+ Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;
+ Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;
+ Al 'tgeen uw mond aan mij had toegezegd
+ Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
+
+Bij Gods troon pleit ik ook om genezing. Maar ik doe dit met volkomen
+onderwerping van mijn wil aan des Heeren wil, die alleen goed, wijs en
+heilig is.
+
+Zoo blijf ik een volkomen troost genieten.
+
+En waarom ik u dit nu mededeel?
+
+Waarom anders dan om u aan te sporen, uw gansche lot in des Heeren
+hand te bestellen. Niemand weet, wat hem boven 't hoofd hangt. Wie
+zou voor een jaar gezegd hebben, dat dit dreigend kwaad boven mij zou
+worden opgehangen? Maar wat ook gebeure, »die in de schuilplaats des
+Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des
+Almachtigen". Niemand behoeft bij den Heere verontschuldiging te maken,
+dat ook hij komt. Niemand behoeft te vreezen, dat hij zal worden
+afgewezen. Het hartelijkst welkom, de grootste rijkdom van genade is van
+tevoren zeker. Moge dit schrijven u opwekken u voor ziel en lichaam,
+voor tijd en eeuwigheid, in Gods hand te bestellen; ik zal er geen spijt
+van hebben, dat ik wat geleden heb, en het is u dan tot eeuwig heil
+geweest.
+
+Moge dit zoo zijn!
+
+Dit wenscht u hartelijk
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 12 November 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Hoewel 't eenigszins moeielijk gaat, zend ik U toch ook ditmaal mijn
+brief.
+
+Mijn vertrek is acht dagen vervroegd, zoodat ik in plaats van de
+volgende week reeds morgen D.V. naar Heidelberg ga. Dit geeft bijzondere
+drukte. Toch neem ik er den tijd af U nog even te schrijven.
+
+Mijn vervroegd vertrek en de bloote mededeeling daarvan zouden allicht
+eenige ongerustheid bij u kunnen verwekken. Daarvoor is echter geen
+reden. Terwijl 't gezwel in den hals, dat de oorzaak der kwaal is,
+nagenoeg geheel verdwijnt, is de dikte op de tong een weinig
+teruggekomen. Volgens den geneesheer kan dit een onschuldige oorzaak
+hebben. 't Kan echter ook zijn, dat de kwaal, die op de ééne plaats
+verdwijnt, op een andere plek een voedingsbodem zoekt. In dit laatste
+geval is 't noodig, dat zij ook daar zoo spoedig en zoo krachtig
+mogelijk worde aangevat. De vervroeging der afreis is dus een maatregel
+van groote voorzichtigheid.
+
+Tot 't vertrek gereed, zie ik met groote dankbaarheid terug op hetgeen
+de Heere mij hier, ook in natuurlijk opzicht, geschonken heeft. Het
+najaar vergoedt aan schoone dagen ruimschoots, wat de zomer onthield,
+en vooral door een kranke, die de buitenlucht genieten mag, wordt dit
+hoogelijk gewaardeerd.
+
+Wat ik genoten heb in de schoone plantsoenen alhier! Heele poozen kon
+ik staan te turen voor reuzenboomen, die hier prijken, met hun geweldig
+zwart-groene, of grijs-groene stammen, hun dun, teeder najaarsloover,
+varieerend in tint, van licht-groen en goudgeel tot goudbruin. In de
+grilligste vormen slingeren zich de zwarte takken dooreen. Als met
+betraand oog giet de najaarszon haar glimmende straaltjes neder, die
+spelen op 't vochtig blad. Ieder dier boomen is een wonderstuk van
+schoonheid, een pracht-uitgave van de werken Gods. Menigmaal kwam
+de gedachte bij mij op: wanneer er al dit moois is, en er denkende
+menschelijke geest is, die dit schoon in zich opneemt, 't geniet, 't eet
+en drinkt, dan moet er zijn de Eeuwige Geest, die dit alles formeerde,
+de Kunstenaar en Bouwmeester van 't gansch heelal, die als Bouwmeester
+bovenal ook Kunstenaar is! En uit het Woord van God jubelde mij dan
+tegen wat de dichter van den 50en psalm zingt:
+
+»Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende".
+
+Neen in Sion staat geen altaar van den Onbekenden God. »God is bekend in
+Juda". In den tempel, in het altaar, in den priesterdienst, in de rollen
+der profeten, bovenal in de zending en overgave van Zijnen lieven Zoon
+tot onze eeuwige verlossing verschijnt onze God blinkende; blinkende in
+den glans en gloed zijner drievuldige heiligheid.
+
+Welk een onderscheid dan ook tusschen de openbaring Gods en hetgeen de
+heidenen van hun goden fabelen. De goden der heidenen zijn
+geidealiseerde menschen, die nochtans als de grootste deugnieten dezer
+aarde elkander beliegen en bedriegen.
+
+Onze God is de Driemaalheilige. Heilig in Zijn woning; er komt niet
+binnen, wat verontreinigt. Heiligheid is het sieraad van Zijn Sion op
+aarde. Algeheele levenswijding en heiliging is de dure roeping van Zijn
+volk op aarde.
+
+Dit verkondigt de Heere in dezen psalm aan Zijn gunstgenooten, die zijn
+verbond maken met offeranden. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij niet
+gelijk de heidensche goden als een bedelaar komt; want Zijns is de aarde
+en haar volheid. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij van zijn gunstgenooten
+bovenal de offerande van hun gansche leven vraagt.
+
+Daarom wijst Hij uit Zijn gemeenschap de goddeloozen, die Zijne woorden
+achter hunnen rug werpen; degenen, die deelen met de dieven, die
+deelgenooten der overspelers zijn, en lastering spreken tegen den zoon
+hunner moeder. Niet zonder reden noemt de Heere juist dezen bij name:
+geldmakerij, overspel, en bevechten van elkander met het zwaard van den
+laster zijn steeds de hoofdzonden in tijden van verval. Alle deze
+zondaren dreigt de Heere met het vuur van zijn toorn. Alleen dengenen,
+die hun weg wel aanstellen, zal de Heere Zijn heil doen zien.
+
+ * * * * *
+
+En waar moeten dan blijven, die hun weg niet wel hebben aangesteld? Die
+met de dieven deelden, deelgenooten werden van de overspelers, tegen hun
+broeders lasterden, of wellicht nog erger deden?
+
+Op deze vraag geeft het antwoord de volgende psalm, de 51ste psalm,
+de bekende hemelladder, waarmede reeds menigeen uit diepen val werd
+opgericht, de psalm van 't verbroken hart; de psalm, waarin David
+betuigt: »De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en
+verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten!"
+
+Een gebroken hart!
+
+Maar welke beteekenis kan dit hebben in de oogen Gods?
+
+Welke waarde heeft iets, dat gebroken is!
+
+Ge hebt een kostbare vaas. Ze breekt in duizend stukken. Weg is uw vaas;
+weg is al haar waarde. Wat beteekent de kostbaarste vaas bij 't meest
+gewone menschenhart? En welke waarde kan 't gebroken menschenhart hebben
+in de oogen des Heeren?
+
+Welke waarde?
+
+Vraag dit aan de heilige engelen, die hun harpen stemmen wanneer zij
+zien, dat dit groote werk des Heiligen Geestes, dit wonderwerk der
+verbreking des harten, aan een arm zondaar wordt gewrocht! Of liever
+nog, vraag dit aan een David, een Manasse, een Petrus, een Paulus, hoe
+zalig zij 't hebben ervaren, dat de Heere woont nabij de gebrokenen
+van hart en de verslagenen van geest! Vooral Paulus is in dezen een
+merkwaardig voorbeeld. Na zijn bekeering heeft hij door genade steeds
+zijn weg aangesteld. Hoe bitter klaagt hij nochtans in Romeinen Zeven
+over de kracht der inwonende zonde! Romeinen Zeven is de 51ste psalm van
+Paulus!
+
+Hoort hem daarin ten slotte klagen: »Ik ellendig mensch, wie zal mij
+verlossen uit het lichaam dezes doods?"
+
+Beter dan ooit kan ik thans deze beeldspraak van Paulus verstaan.
+Iemand, die dit niet ondervindt, weet niet wat 't zegt: overigens zich
+gezond te gevoelen, maar dan gevangen te zitten in de omklemming eener
+doodelijke krankheid, die U op den grond werpt, en met grimmig gelaat 't
+mes dreigend boven u zwaait! O 't is een vreeselijke krankheid waaraan
+ik lijd, en waarvan alleen de naam reeds doet sidderen!
+
+En toch wat beteekent deze schrikkelijke lichamelijke bezoeking nog
+bij het zedelijk kwaad der zonde? De zonde is 't vreeselijke zwarte
+hoofdstuk der menschelijke historie. Alle ellende van ouders, kinderen,
+gezinnen, geslachten, volken, alle vreeselijkst denkbare krankheden
+behooren tot dit zwarte hoofdstuk. Tot dit hoofdstuk behoort ook het
+lijden van 't arme kind van God, dat naar de gemeenschap met den
+Driemaalheilige dorst, maar in die gemeenschapsoefening telkens
+belemmerd wordt door de schrikkelijke macht der inwonende zonde, en die
+luide klaagt: »Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam
+dezes doods?"
+
+Zalig, driewerf zalig, wie, in welke ellende ook, alzoo meer over de
+zonde dan over de ellende, die 't vruchtgevolg der zonde is, leert
+klagen! Want hoort het, naarmate Paulus dieper klaagt, roemt hij luider:
+»Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere!"
+
+»Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende";
+blinkende in de heiligheid van 't verlossingswerk, dat Hij in Christus
+wrocht. Want alzoo heilig is Gods toorn tegen de zonde, dat Hij haar,
+liever dan dat Hij haar ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan
+Zijn Eeniggeboren Zoon. Maar daarom is dit verlossingswerk dan ook een
+volkomen werk. Is aan onze zijde altijd alles verloren, aan Jezus' zijde
+is voor den grootsten der zondaren altijd alles behouden. Zijn bloed
+reinigt van alle zonden. Hij heiligt door Zijn Geest, zoodat wij in
+beginsel over de kracht der inwonende zonde triomfeeren. Hij legt de
+roemtaal op de lippen: »Zou is er dan geen verdoemenis voor degenen die
+in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar
+den Geest."
+
+Ja, wilt ge de waarde zien van 't gebroken hart, vergelijk dan Romeinen
+8 met Romeinen 7. Is Romeinen 7 de 51e Psalm, Romeinen 8 is het Hooglied
+van 't Nieuwe Testament, gezongen door denzelfden man, die in Romeinen
+7 uit zijn gebroken hart klaagt over de kracht zijner inwonende
+verdorvenheid. In Romeinen 8 roemt hij in de hoogste en verhevenste
+goederen des Nieuwen Testaments, in de leiding, in het getuigenis, in de
+voorbede des Heiligen Geestes. Hij verheugt er zich in, dat allen, die
+God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Hij, die zichzelven
+het meest beschuldigt, daagt al zijn beschuldigers uit, en zegt: »Wie
+zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?" Hij besluit
+met de jubelende tonen: »Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch
+leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige,
+noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander
+schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in
+Christus Jezus, onzen Heere".
+
+Geliefde gemeente, terwijl ik dit schrijf, is 't mijne bede dan ook, dat
+de Heere mij bij mijn nieuwe reis dien grooten schat van 't verbroken
+hart, dat meer over de zonde dan over de ellende klaagt, slechts
+medegeve. Hoe 't dan ook ga, dan gaat 't altijd goed. Dit is 't wat ik
+een iegelijk uwer ook van harte toebid.
+
+De Franschman Bordeaux schreef een boek, dat den titel voert: »la peur
+de vivre", »de vrees om te leven". In een inleiding op dit boek verwijt
+Réné Doumic aan het Fransche volk, dat zij alleen zichzelven zoeken.
+Van ondernemingsgeest, van offervaardigheid voor anderen is bij velen
+geen sprake meer. De meesten jagen enkel naar geld. De wellusten
+worden onbeschaamd gediend. De een trapt den ander om zelf te stijgen.
+Zij hebben 't hoogste woord, wanneer alles voor den wind gaat. Maar
+wanneer de rampen komen, zitten zij is een hoekje te sidderen en te
+vloeken. Ze hebben een vrees voor het werkelijke leven, met al zijn
+verantwoordelijkheid, met al zijn eischen. Zij hebben alléén de zonde
+lief, en beven voor alle ellende. Begint deze maar even te drukken, dan
+werpen velen zulk een leven als geheel waardeloos in den zelfmoord weg.
+
+Hoe vreeselijk is de dienst der zonde!
+
+Geliefden, dat we haar mogen haten, vlieden, mijden! Dat we met al onze
+zonden steeds aan de voeten van Jezus komen! Dat we de reiniging zoeken
+van alle besmetting des vleesches en des geestes door Zijn bloed en door
+Zijn Geest! Dan smaken we de rechte zoetheid van het werkelijke leven,
+zelfs temidden van alle uitwendige ellende, hoe zwaar deze ook drukken
+moge, en zingt onze ziel als de nachtegaal haar schoonste lied in den
+donkersten nacht.
+
+Hiermede wil ik thans besluiten, ons beiden wederom aan uwe voorbede
+aanbevelend.
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 19 November 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Donderdag 13 November zijn we dan weer naar Heidelberg vertrokken. Ds.
+en Mevr. Teerink deden ons weer uitgeleide aan 't station. Het weer was
+zeer onstuimig. Grauwe, regenzwangere wolken zwierden langs het zwerk,
+en zagen dreigend op ons neer.
+
+Was 't buiten somber, van binnen scheen de zon van Gods vriendelijke
+gunst. Ik had den nacht rustig geslapen, en terstond bij 't ontwaken
+verkwikte de Heere me door allerlei troostwoorden: »Ik ben 't, die
+met de verdrukking de uitkomst geef"; »Roep mij aan in den dag der
+benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren"; »Zij
+zullen met vreugde uittrekken, en met vrede voortgeleid worden".
+Hoewel 't mijn stelregel niet is, wanneer mij dergelijke troostwoorden
+invallen, deze dadelijk als bijzondere beloften te beschouwen, zoo kan
+ik toch niet nalaten te eten, wanneer de Heere aldus de tafel voor mijn
+aangezicht komt toerichten. Ik gevoelde mij dus verkwikt en versterkt,
+en we gingen wederom met goeden moed op reis.
+
+Na een rit van ongeveer vier uren, bereikten we eindelijk Keulen, en
+stapten we weer in den trein naar Mannheim. Spoedig waren we nu weer
+aan den heerlijken Rijnoever, waar de trein ruim drie uren achtereen
+tusschen hooge bergen doorstoomt.
+
+Ik had mij voorgesteld, nu eens een natuurverschijnsel te zien, waarvan
+ik vroeger wel de beschrijving had gelezen: dat ravenzwarte wolken in
+wilde vaart over de bergen vegen. Het weer was echter intusschen
+opgeklaard, de lucht was lichtblauw, en witte wolken stonden als drommen
+aan den hemel.
+
+Na een voorspoedige reis kwamen we 's avonds half-acht welgemoed in
+Heidelberg aan. Den volgenden morgen werd ik dadelijk onderzocht door
+de beide professoren Czerny en Werner. O, wat was 't me weer goed weer
+bij deze beide mannen te zijn! Beide mannen zijn ware priesters der
+wetenschap, rechte geneesheeren bij de gratie Gods, gedreven door de
+heilige aandrift om menschen van den dood te redden. Exc. prof. Czerny
+is daarbij niet alleen een priester, maar evenals Pasteur te Parijs, en
+Kort te Berlijn, ook een vorst. Uit binnen- en buitenland vloeide hem in
+korten tijd één millioen Mark toe, om 't Samariterhaus, 't huis van
+barmhartigheid, te grondvesten, waarin allerlei ellendigen behandeld
+worden.
+
+Prof. Werner is een man met Duitsch-militaire houding, snelle
+bewegingen, aangename manieren, sympathieke oogen, een stem van muziek,
+en daarbij de vriendelijkheid en goedheid zelve. Met de grootste zorg
+heeft hij mij de vorige maal nagegaan, en ook nu weer werd ik met de
+grootste nauwkeurigheid onderzocht. Dit onderzoek scheen de beide heeren
+nogal tot tevredenheid te stemmen. Volgens prof. Werner ben ik een van
+de ernstigste patiënten, maar ben ik ook zoo sterk vooruitgegaan, dat er
+thans goede hope is.
+
+O, wat is de Heere goed! Hoe krachtig heeft Hij tot hiertoe Zijne
+heerlijke trouw aan mij bevestigd! Hij heeft mij daardoor in staat
+gesteld, ook anderen te troosten.
+
+Toen wij voor de eerste maal weer in de wachtkamer kwamen, troffen wij
+daar ook Hollanders aan. Spoedig waren wij met elkander in kennis. Drie
+hunner waren naar Heidelberg gegaan, omdat zij in de bladen van mijn
+behandeling alhier gelezen hadden. Weldra bezochten wij hen dan ook, om
+hun een woord van troost toe te spreken.
+
+Bij chirurgische behandeling heeft men spoedig een resultaat, hetzij dan
+ten goede of ten kwade. Bij de geneeskundige behandeling, die hier in
+den regel wordt gevolgd, is dit anders. De inspuitingen met enzytol en
+de Röntgen-bestralingen pakken 't lichaam wel sterk aan; maar men weet
+niet, wat in 't lichaam zelf plaats heeft. Nu voelt men zich zus, dan
+weer zoo, en moet geduldig afwachten. Dit maakt vooral in den beginne
+wel eens ongeduldig en moedeloos. Men wil zoo gaarne dadelijk een
+resultaat, en liefst een verrassend resultaat zien, terwijl dit
+eerst later komt. Ik kon hen hierop uit mijn ervaring wijzen, en hen
+aansporen, 't oog naar boven te slaan, en de hulpe te verwachten van den
+God der middelen en der wonderen. Op deze wijze kan ik dus ook hier mijn
+arbeid voortzetten.
+
+Zondagmorgen gingen we weer ter kerk in de prachtige Friedenskirche
+te Handschuhsheim. Het was dien dag juist oogst- en dankfeest. De
+uitwendige symbolen daarvan waren op echt Duitsche wijze met kwistige
+hand in de kerk aangebracht. Preekstoel en koor waren met klimop en
+wijnranken bewonden. In 't koor prijkten op een groote tafel
+kristallijnen schalen met zilveren voeten, deze schalen waren hoogop
+met blinkende appelen gevuld. Ik heb begrepen, dat deze na den dienst
+aan de kinderen werden uitgedeeld. Het kleine grut kwam althans terstond
+na afloop van den dienst in grooten getale de kerk binnen.
+
+De predikant koos als tekst zijner rede, Psalm 118: 15-18. Krachtig
+wekte hij de gemeente op bij de resultaten van den oogst naar boven te
+zien op Hem, van Wien alle dingen afhankelijk zijn. Vooral de wijn- en
+ooftbouw schijnen dit jaar vele teleurstellingen te hebben gehad. Dit
+gaf den leeraar aanleiding om de paradox uit te spreken, dat wij vooral
+in slechte jaren den Heere niet 't minste moeten danken. Hij bewees deze
+schijnstrijdige stelling met de juiste opmerking, dat wij eerst in dagen
+van krankheid de gezondheid recht leeren waardeeren, en alzoo ook in
+jaren van teleurstelling niet alleen voor de tegenwoordige, maar ook
+voor de vroegere zegeningen Gods den Heere recht leeren danken.
+Bovendien, op een dankdag behoeven wij niet alleen te danken, maar mogen
+wij ook bidden tot Hem, die sprak: »De Heere is nabij allen, die Hem
+aanroepen, die Hem aanroepen in der waarheid." Laten we 't doen in 't
+besef, dat wij alles hebben verbeurd. Laten wij 't doen in waar geloof.
+In der waarheid.
+
+Deze heerlijke preek geeft mij wederom stof tot veel denken.
+
+Wanneer ik hetgeen ik heb verdiend vergelijk met hetgeen de Heere mij
+thans oplegt, och, wat heb ik dan nog stof tot danken. Tot danken aan
+Hem, van Wien de dichter van den 103en psalm jubelt, en van Wien mijne
+ziel 't meejubelt: »Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons
+niet naar onze ongerechtigheden."
+
+Ik maak een tweede vergelijking, en weeg, wat ik door mijne zonde heb
+verdiend, af tegenover den rijkdom van weldaden, waarmede de Heere mij
+vooral in deze dagen omringt. Dan gaat 't mij wederom als den dichter
+van den 103en psalm. De zegeningen Gods worden als een heerlijke tempel
+voor mij, en in 't midden daarvan roep ik als een beweldadigde tollenaar
+uit: »Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen
+heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne
+weldaden".
+
+Ik maak een derde vergelijking. Ik denk aan 't geen ik mij door mijne
+zonden heb waardig gemaakt, en vestig dan 't oog op 't lijden van den
+Heiland, die onschuldig zoo nameloos veel leed voor schuldigen, om
+voor dezen een eeuwig behoud te verwerven. Ik lees tegenwoordig bijna
+dagelijks in 't schoone hoekje van Thomas à Kempis: »Meditatiën over
+het leven van Christus." Welk een beschaming, maar ook welk een troost
+ontvangt mijn ziel dan vooral uit de overdenking van Jezus' heilig
+lijden en sterven!
+
+Ik maak nog een vergelijking, en plaats datgene, wat ik door mijn zonde
+heb verdiend tegenover datgene wat de Heiland voor mij heeft verworven.
+En dan roep ik als de dichter van den 103en psalm hemel en aarde op tot
+een machtig koorgezang, om den Heere te loven, en zeg daarbij tot mijne
+ziel: »En gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal!"
+
+Maar dit volmaakt danken zal eerst in de eeuwigheid zijn. O heerlijke
+eeuwigheid! Gij verzacht alle lijden dezer aarde, dat als een druppel in
+een oceaan verzinkt!
+
+Beproefden, laat ons maar veel deze vergelijkingen maken, en wij leeren
+God in alles danken. In alles, zelfs in de zwaarste beproevingen!
+
+Laat ik u ten slotte nog een aangename ontmoeting mededeelen, die we
+hier hadden. Op de tafel in de wachtkamer zag ik een blaadje liggen,
+dat den titel voerde: »Lebensfragen beantwortet für moderne Menschen."
+»Levensvragen, voor moderne menschen beantwoord."
+
+Twee onderwerpen werden daarin behandeld: »Wereldbeschouwing en
+zedelijkheid," en »Hoe iemand van zijn angst verlost wordt." Een
+uitnemend geschreven blaadje, dat als model kan dienen voor allen, die
+onder de hoogere standen willen evangeliseeren. In een andere wachtkamer
+vond ik een traktaatje, nog inniger geschreven. In korte stukjes werden
+daarin de volgende onderwerpen besproken: Waarom moet ik lijden? Uwe
+droefenissen en moeilijkheden. Een slapelooze nacht. Hoe verhoort God
+onze gebeden? Hiernamaals! Een probaat middel.
+
+Het eene stukje is nog al stichtelijker dan 't andere, en alle tezamen
+vertroosten mij zeer. Natuurlijk dacht ik dadelijk: Ik moet zien, welke
+hand deze daar heeft gelegd. Spoedig was zij ondekt: een dame uit
+Barmen, een allervriendelijkste verschijning, een lijderes, met de
+vreugde der Christelijke hope in 't zielvol oog. Dadelijk stelden we
+ons aan haar voor, en dankten haar voor haar arbeid. »Ach, was haar
+antwoord, 't geeft zoo weinig!" Ik was blijde haar terstond 't tegendeel
+te kunnen verzekeren, en haar te zeggen, hoe haar traktaatje mij
+verkwikt had. Ik voegde er bij, dat ik een stukje vertalen zou, en naar
+Holland zenden. »Wie weet, hoe velen in Holland er door vertroost zullen
+worden. Zoo brengt uw arbeid menigmaal zegen, zonder dat u 't zelve
+merkt."
+
+Het spreekt vanzelf, dat mijn vrouw en ik dadelijk dikke vrienden met
+haar werden.
+
+Ik vervul thans mijn belofte, en vertaal ten slotte 't kleinste stukje,
+opdat mijn brief niet te groot worde.
+
+»Hoe verhoort God onze gebeden?"
+
+»Het is den Heere om onze bevestiging en opvoeding te doen en niet in
+de eerste plaats om het effenen der wegen, om het drogen der tranen.
+Merken we dit toch goed op, wanneer we in nood bidden: »Heere help ons,
+wij vergaan!" Laten wij nooit meenen, dat Hij ons alleen dan verhoord,
+wanneer Hij op eenmaal de smarten wegneemt en effen baan maakt. De
+Heere kan ook alzoo en beter verhooren, wanneer Hij ons kracht geeft
+tot dragen, en wij in den smeltoven gelouterd, voor Zijn dienst meer
+geschikt gemaakt, meer naar Christus' beeld hervormd en voor de eeuwige
+heerlijkheid rijper gemaakt worden."
+
+Moge werkelijkheid worden, wat ik zei, en ook dit nog velen ten zegen
+zijn.
+
+Ons wederom in uwe gebeden aanbevelend, blijf ik
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 25 November 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Vanaf 16 November ben ik tot op heden elken dag geregeld behandeld,
+behalve Zaterdag 22 November. Op dien dag was 't de Diës der
+Universiteit, en ieder Leidenaar weet, wat dit voor een academiestad
+beteekent.
+
+Aan den avond van dien dag maakte ik een kleine wandeling naar
+Handschuhsheim, dat mij langzamerhand lief is geworden, niet alleen om
+zijn schilderachtige ligging maar ook om zijn voortreffelijk kerkelijk
+leven. Handschuhsheim is de Sionsburcht van Heidelberg.
+
+Het was een prachtige stille avond. Het gewoel van Oud-Heidelberg lag
+ver achter mij. Ik was de eenige wandelaar op de Landstrasse. Rechts
+hief de bergketen haar ruige, bultige ruggen omhoog. Links strekte het
+Neckardal zich uit. Rondom mij flonkerden de gloeilichtjes als sterren
+op aarde. Een oogenblik later begon de klok van Handschuhsheim haar
+volle, statige tonen door de bergen en over de vlakte te beieren. Het
+zou den volgenden dag nationale boete- en bededag zijn. Deze werd nu
+ingeluid.
+
+Toen overviel mij een heimwee naar den ouden tijd, naar den tijd van
+Frederik III, van Ursinus en Olevianus, naar den tijd, toen het
+waarachtig Christendom in het publieke leven den boventoon voerde. Ik
+had juist de woorden gelezen, die Minister Pleijte in onze Tweede Kamer
+over de verhouding van den Javaan tot den Islam gesproken had. »Voor
+den Javaan is de Islam niet alleen zijn Godsdienst, maar zijn alles!"
+Ik dacht toen dadelijk: »Maar is onze verhouding tot het Christendom
+een andere?" Neen, de liberalen hebben 't nooit begrepen. Maar met
+meer recht dan de Islam voor den Javaan, is het Christendom voor ons
+Christenen meer dan een Godsdienst, het is ons alles. Dat was 't voor
+een Frederik III en zijn trouwe geestelijke lijfstaffieren. Dit was het
+voor de helden, die toen in Nederland in den strijd om 't behoud van het
+ware Christendom alles voor alles gaven. Welk een kostelijke tijd, toen
+zulke mannen in het publieke leven den toon aangaven!
+
+Helaas, 't werd spoedig anders. Het talent, het genie, de wetenschap,
+de kunst werden de goden der eeuw, de cultuur en nog eens de cultuur
+werd de Godsdienst van den tijd, uitwendige beschaving ging verre boven
+wedergeboorte en bekeering. Pelagius werd wederom de leeraar der volken.
+Luther, Calvijn, Augustinus, in naam geëerd, werden in de werkelijkheid
+afgedankt. En thans is 't zoover gekomen, dat de ware religie in 't
+leven als een onnutte dienstmaagd ter deure is uitgewezen.
+
+Oogenschijnlijk is dit geen verlies. Sinds de mensch den hemel uit 't
+oog verloor, begon hij zich immers meer aan de aarde te wijden. En met
+welke resultaten? Met recht spreekt men van de wonderen der techniek.
+Steden en dorpen breiden zich uit, en worden steeds fraaier.
+Achterhoeken zijn er niet meer. Alles krijgt op de een of andere wijze
+aansluiting aan 't wereldverkeer. Aan ieder wordt langzamerhand een
+plaats ingeruimd aan den welgevulden disch der culturen.
+
+Vooral in een stad als Heidelberg valt voor den mensch der wereld
+zooveel te genieten. Concerten, schouwspelen, lezingen van
+ongeloofsapostelen, 't is elken avond wat anders, en soms van alles
+tegelijk.
+
+Maar in dit schijnbaar schoone levensconcert klinkt één schrikkelijke
+wanklank, en dit is de dood! Op de kermis der ijdelheid schrijdt één
+boetprediker voort, dien niemand kan keeren: de dood! En ook hij kondigt
+in statige, volle tonen zijn komst den menschen aan: in het klokgelui
+der zware krankheid....
+
+Ik keerde van mijn wandeling naar huis, en ging voor 't open venster
+staan om naar de zilveren tonen der boeteklok te luisteren, en ik dacht,
+hoe 't mij nu zou zijn, wanneer ik den Heiland niet kende als mijn
+Eén en mijn Al. Nu ben ik in al mijn lijden overgelukkig. Hij heeft
+reeds vroeger de boeteklok in mijn ziel doen klinken. Hij heeft Zijn
+Middelaarsliefde aan mij geopenbaard, Hij heeft mij laten zien, waarom
+ik moet lijden.
+
+Waarom ik moet lijden? O, laat ik 't u zeggen met de dichterlijke
+woorden van Carolina Rhiem, die ik afschrijf uit het traktaatje, waarvan
+ik reeds een vorig maal melding maakte.
+
+ »Wat hebt Gij mij te zeggen,
+ Mijn Meester daar omhoog?"
+ Zoo wil ik weder vragen
+ Tot ik Uw heil versta.
+ Waarom hebt Gij gestuit
+ Opnieuw nu mijnen loop?
+ O, zeg mij toch het antwoord,
+ Ik wachte stil daarop.
+
+ Mijn kind, Ik moest u leiden
+ Hierheen in deez' woestijn,
+ Om met u te spreken
+ Op deze stille plaats.
+ In al 't verwarde drijven
+ Der onrust om u heen,
+ Daar kondet gij mijn stemme
+ Niet hooren, neen o neen!
+
+ Gij waart in gevaren,
+ Die gij niet hebt vermoed,
+ En hoordet niet mijn roepen,
+ Dat zacht u heeft gemaand.
+ Zoo moest Ik »halt" gebieden,
+ En nu door deze smart
+ Uit het gewoel u trekken
+ Heel na aan mijn hart.
+
+ Nu zie Mij eens in d'oogen
+ En ga niet weder weg.
+ Geloof nu Mijne liefde
+ En hoor naar Mijn Woord!
+ Buig u nu geduldig
+ Ook onder Mijne tucht,
+ Opdat Ik u kan reiken
+ Des Geestes zoete vrucht!
+
+ * * *
+
+ Nu heb ik U verstaan,
+ Mijn Meester en mijn Vriend,
+ En wil verheugd U danken
+ Dat Gij zoo trouw 't meendet.
+ Nu wil ik in de stilte
+ Bij U ter schole gaan
+ En U in Uwe schoonheid,
+ Mijn Koning, gadeslaan!
+
+O ja, mijn beproeving is een ware woestijn voor mij. Maar de woestijn,
+de plaats der eenzaamheid en des doods, is ook de plaats, waar de
+hemel zich helder boven ons hoofd welft, waar we met den Heere en met
+onszelven alléén zijn, waar 't oog naar boven en naar binnen geslagen
+wordt. De woestijn is de tempel, waar de tollenaar zijn bede opzendt
+tot zijn God, waar de Heere Zich in al Zijn lieflijkheid aan de ziel
+openbaart, waar Hij de hope in de ziele verlevendigt op 't hemelsche
+Kanaän, waar niemand zegt: »ik ben krank!" O, heerlijke woestijn, waar
+de Heere alzoo de wolk- en vuurkolom zijner bijzondere tegenwoordigheid
+uitbreidt over de ziel. Ik ben overgelukkig, en ook uit mijn hart klinkt
+de lofzang tot dien Heere: »Gij hebt mij meer vreugde in mijn hart
+gegeven dan ten tijde wanneer hunlieder koren en most vermenigvuldigd
+zijn!"
+
+Met groote blijdschap gingen we dan ook Zondagmorgen naar 't bedehuis.
+
+Ditmaal gingen we weer naar de kapel van het Diaconessenhuis, waar de
+bekende pastor Samuel Keller uit Freiburg zou preeken. Hij is hier
+gekomen om evangelische voordrachten te houden. Zondagsavonds zou
+hij spreken over »die Heimkehr Gottes," Maandag over »den omgang met
+mijzelven," Dinsdag over »vrije liefde en werkelijk huwelijk," Woensdag
+over »moderne oplossingen van het sexueele vraagstuk," Donderdag »over
+den inzet der ziel," en Vrijdagavond »over de toekomst van het
+Christendom." Daarbij houdt hij echter elken dag een bijbellezing, en
+preekt Zondagmorgen in de kapel.
+
+Tot mijn leedwezen kan ik de avondvoordrachten niet bijwonen. Ik ga nog
+steeds gestadig en krachtig vooruit. Natuurlijk verschilt de ééne dag
+zeer van den anderen. Maar tot roem van des Heeren wonderbare goedheid
+mag ik U mededeelen, dat ik mij steeds krachtiger ga gevoelen. Toch mag
+ik mij nog niet wagen aan drukke avondbijeenkomsten, waar drie à vier
+duizend menschen samenkomen.
+
+Daarom verheugde 't mij temeer, dat ik hem Zondagmorgen mocht hooren.
+
+Welk een verschijning! Een man, als uit een rots gehouwen, met grijzen
+haardos, waarvan blijkbaar nog niet één haar is uitgevallen, een blozend
+gelaat, een stem van metaal.
+
+Hij nam tot tekst Openb. 2: 2-5.
+
+Er bestaat een boetedag-gevaar, zoo begon hij. Het gevaar, dat we
+vandaag de massieve, grove volkszonden hekelen, onszelven als farizeërs
+oprichten in onze banken, en van onze hoogte op dit gespuis neerzien. In
+dat gevaar mogen wij ons niet begeven. Wij hebben gezondigd, en moeten
+schuldenaren worden; daarom koos ik dezen tekst. Wij moeten ons door den
+Heere laten berispen; maar mogen ons eerst door Hem laten prijzen. »Ik
+weet uwe werken," zegt de Heere. De wereld neemt van onze Christelijke
+werken op allerlei gebied geen notitie. Het is ons genoeg, dat de Heere
+zegt: »Ik weet!"
+
+Máár.... één groot ding heeft de Heere tegen ons, dat wij onze eerste
+liefde hebben verlaten. De Heere gaf u een lentetijd; de lente ging;
+maar de zomer kwam niet. In plaats van den berg van 't Christelijk leven
+te bestijgen, hebt ge u neergezet op de mistbank uwer bekeering. Waarom
+wilt gij ook van niets hooren dan van bekeering, en zegt dan voldaan:
+»deze heb ik, en meer heb ik niet noodig!" Maar zóó zijt ge verachterd
+in de genade!
+
+Op die wijze ging hij voort. Ik kan U niet alles uitschrijven, daar mijn
+brief anders te lang wordt. 't Was een krachtig woord, dat de harten en
+gewetens aangreep.
+
+Jammer, dat de Hollanders, die hier zijn, over 't gemeen 't Duitsch niet
+machtig zijn, en de prediking niet kunnen volgen. Er zijn er hier nu wel
+een vijftien. We vullen de halve wachtkamer.
+
+Ik ben ook nog niet zoover, dat ik voor hen kan preeken. Over een uur
+worden mij twee scherpe kiezen getrokken, die mij in 't spreken zeer
+belemmeren. Misschien dat 't dan beter wordt. Ik moet thans eindigen, om
+mij weer onder behandeling te stellen. Blijft ons gedenken voor den
+Troon der Genade bij Hem, die wonderlijk is van raad en groot van daad.
+Weest tezamen den Heere bevolen van
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 3 December 1913.
+
+_Geliefde Gemeente!_
+
+»Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en
+gij zult Mij eeren!" »Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst
+geef!" In de dagen, die thans achter mij liggen, heeft de Heere deze
+heerlijke waarheden wederom op zoo treffende wijze vervuld.
+
+Ik heb moeilijke dagen doorgemaakt. Vooral de dag, waarop ik u verleden
+week mijn brief zond, was een gewichtige dag. Op één dag moest ik toen
+om 10 uur worden ingespoten en om 11 uur worden belicht, terwijl me om 1
+uur twee scherpe tandwortels en één kies moesten worden getrokken.
+
+Ik behoef u niet te zeggen, dat vooral de laatste operatie, in een
+pijnlijken mond, dien men ternauwernood kan openen, en waarin de dokter
+de tang nauwelijks bewegen kan, terwijl aan de kaak nog altijd een rest
+van een kankerknobbel zit, een zeer pijnlijke kunstbewerking is. Van
+verdooving kon geen sprake zijn. Ik zag er wel wat tegen op; maar de
+noodzakelijkheid legde aan alle innerlijke tegenspraak het zwijgen op.
+
+Voordat ik van huis ging, las ik den 38sten psalm. Helder stelde ik
+mij de verootmoedigende waarheid voor den geest, dat alle ellende
+'t vruchtgevolg der zonde is. Daarop wandelde ik alléén naar 't
+Samariterhaus. Mijn vrouw, voor wie de afstand te ver is, gaat in den
+regel met de tram. Onderweg stelde ik mij voor oogen, wat de Heiland aan
+het kruis heeft geleden, zes uren achteréén, hangende aan een drietal
+spijkers. Hij, Onschuldige voor de schuldigen. »Heere", zeide ik in
+mijzelven, »daar hebt Gij ook mijne krankheden op U genomen". Deze
+overdenking gaf mij rijken troost. Ik leerde mij schamen voor mijn vrees
+voor pijn. Welgemoed ging ik 't Samariterhaus binnen, onderging 't één
+na 't ander, en kon in de tusschentijden mijn brief aan u voltooien en
+verzenden.
+
+Ik zal u geen beschrijving geven van de laatste operatie. De ééne tang
+na de andere werd als onbruikbaar terzijde gelegd. Eindelijk lukte de
+bewerking. De minuten van pijn waren als een droom voorbij gevlogen; en
+mijn ziel jubelde dankende den Heere tegemoet, Die mij zoo krachtig had
+gesterkt.
+
+Prof. Werner, de dokter van dienst, eveneens een sympathieke
+persoonlijkheid, bijgestaan door een zeer medelijdende zuster, voltooide
+'t werk. We waren allen even blij, toen de zaak was afgeloopen. Ik kan
+deze menschen niet genoeg danken voor hetgeen ook zij voor mij zijn.
+
+Ik had nu veel verlichting gekregen; maar aan het einde der week volgden
+weer een paar moeilijke dagen. Ik kreeg gedurig bloeding in den mond met
+eenige koorts. Ik leed veel pijn, en moest een paar dagen het bed
+houden.
+
+Alzoo nederliggend, hield ik mij bezig met de overdenking van 't lijden
+van onzen dierbaren Heiland en volgde ik Hem van Zijn Krib tot Zijn
+Kruis. Ik stelde mij den heerlijken Kerstnacht voor oogen, waarin 't
+Vleeschgeworden Woord nederlag in de kribbe; ik dacht aan den heerlijken
+engelenzang, aan 't bezoek der herders en der wijzen; maar ook wederom
+aan de vervolging door Herodes. Neen, 't kindeke Jezus mocht niet spelen
+op een der straten van Israël; 't scherpe zwaard dreigde reeds dadelijk
+'t onschuldige Kind; als een balling moest Hij, nog zóó jong, in den
+vreemde zwerven. Op deze wijze ging ik de omwandeling en 't lijden van
+den Heiland na. Dan weer stelde ik mij de vreugden des hemels voor: wat
+het zijn zal, in de eeuwige rust te zijn, van alle zonde en ellende
+ontslagen te zijn! Maar deze rust zal niet zijn als de rust van den
+slaap; neen, zij zal wezen en geheel vervuld zijn met den Heiligen
+Geest, in de heerlijke extase der heerlijke vreugde. O, met welke
+vreugde zullen de zaligen wandelen op de gouden straten van het
+hemelsche Jeruzalem, onder de wuivende palmen van 't heerlijk paradijs,
+elkander herkennende, elkander leerende kennen, om samen den Heere groot
+te maken in den volmaakten lofzang, die als een stemme veler wateren
+door de wijde hemelen ruischt! Met welk een blijdschap zullen zij den
+verheerlijkten Heiland zelven zien, die voor ons aan 't Kruis heeft
+gehangen, en die daar nu de Zijnen rondom Zich verzamelt! Hoe zal Hij
+ons dan aanzien? Niet met een blik, zooals Hij Petrus aanzag in de
+Kájafaszaal; maar met een oog, waaruit de verzadiging Zijner vreugde
+spreekt daarover, dat nu vervuld is, wat Hij bad: »Vader! Ik wil, dat
+waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij
+Mijne heerlijkheid mogen zien, die Ik bij U had vóór de grondlegging der
+wereld." Ja, welk een verzadiging van vreugde zal het voor ons wezen, in
+'t Vaderhuis te zijn; bij God, den Vader, voor eeuwig thuis te zijn; nu
+alle dingen te weten, zonder dat die kennis ons eenige studie kost, en
+aan dit volmaakte kennen de stof te ontleenen tot Gods eeuwigen lof en
+prijs!
+
+Het was mij goed, alzoo verdrukt te zijn, en in mijn druk zoo tot den
+Heere te worden uitgedreven.
+
+En.... Hij gaf met de verdrukking zulk een verrassende uitkomst.
+Maandagmorgen voelde ik mij geheel hersteld. De voorbijgaande
+ongesteldheid had uitgewoed. En nu voelde ik eerst recht, hoeveel ik
+gedurende deze kuur weer was vooruitgegaan.
+
+'s Middags maakte ik een bezoek bij Prof. Werner, om met hem over
+mijn toestand te spreken. Hij was nu nog meer voldaan dan aan 't einde
+der eerste kuur. Niet alleen uitwendig, maar ook inwendig was 't
+kankergezwel zelfs gedurende de kuur snel afgenomen. Met de tong, zeide
+hij, zou 't iets langzamer gaan, hoewel ook deze aanmerkelijk beter is
+geworden. In Januari moet ik, zoo de Heere wil, voor een derde kuur
+terugkomen; en wanneer ik daarin even voorspoedig ben als in de beide
+eerste, bestaat er welgegronde hope, dat ik Februari of Maart mijn werk
+weer mag opvatten.
+
+Mocht dit eens waarheid worden!
+
+Zal ik dan tevergeefs geleden hebben dat zware lijden, dat gevoerd
+worden langs dood en graf, wat ik nu heb doorgemaakt?
+
+In 't Badensch kerkelijk gezangboek is een heerlijk vers:
+
+ Die Wege sind oft kromm, und doch gerad,
+ Darauf Du, Herr, die Deinen lässet gehen,
+ Da plegt oft wunder seltsam aus zu sehen,
+ Doch triumphiert zuletzt Dein guter Rat!
+
+D. i.
+
+ De wegen zijn vaak =krom=, en toch =recht=,
+ Waarop Gij, Heer, Uw kinderen voert,
+ Daar pleegt 't er vaak wonder zeldzaam uit te zien.
+ Toch triumfeert =ten laatste= Uw goede raad!
+
+Ja, krom schijnen vaak de wegen, waarop de Heere Zijne kinderen leidt
+tot het voorgestelde doel!
+
+Israël wordt uit Egypte geleid; maar in plaats van dadelijk wonderdadig
+Kanaän te worden binnengeleid, wordt 't gansche volk in de engten van
+Pi-Hachirôth oogenschijnlijk dadelijk ten doode gewijd!
+
+Aan Jozef wordt verhooging beloofd, en hij wordt in de diepste
+vernedering weggestooten!
+
+David wordt tot koning gezalfd, en de gezalfde des Heeren moet als
+balling buiten zijn vaderland zwerven, bij de Filistijnen zelfs een
+schuilplaats zoeken!
+
+Kromme wegen!
+
+Toch zijn ze recht als een kaars!
+
+Aan de Roode Zee wijken op Gods bevel de wateren des doods voor de
+koningskinderen. Als een rij soldaten staan de wateren aan weerskanten
+van 't doortrekkend volk. Het is, alsof ze hun zwaarden tegen hun
+schouder drukken, om den kinderen Israëls militaire eer te bewijzen. Op
+de Egyptenaren stormen ze in met de scherpte hunner wapenen. En Mozes
+en Israël zingen 't lied, dat de paaschpsalm der eeuwen, 't lied der
+eeuwigheid werd!
+
+Was Jozef een minder voortreffelijk onderkoning, omdat hij in 't
+kerkerhol had gezucht, of was hij de rechte man op de rechte plaats om
+den nood van heel een volk te lenigen?
+
+Heeft 't David kwaad gedaan, dat hij een balling was, voordat hij koning
+werd. Neen, in de ballingschap is de lier gestemd, waarbij de koning
+voor zijn volk zong; meer nog, is zijn hart gevormd, om een rechte
+koning te zijn over het arme volk van God.
+
+Zal 't mij hinderen in mijn arbeid onder de verwaarloosde jeugd, onder
+zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen, wanneer ik straks als
+uit de dooden opgestaan in hun midden mag staan om de groote werken Gods
+te vertellen?
+
+O, mocht 't eens waarheid worden, dat ik in Februari of Maart mijn werk
+weer mocht opvatten!
+
+Bidt, Geliefden, de Heere is de Hoorder der gebeden! Hem is niets te
+wonderlijk! O, verhoore Hij uwe en onze smeekingen, en verblijde Hij ons
+door Zijn groote daden!
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 9 December 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Wanneer gij dezen ontvangt, hoop ik met mijne vrouw weder in het
+vaderland te zijn. Woensdag 10 December vertrekken we D.V. 2,19 van
+hier, en hopen dan 's avonds 10,16 in Amersfoort aan te komen. Donderdag
+zal wegens de vermoeienis van den vorigen dag 't hoofd wel niet tot
+schrijven staan. Daarom zend ik dezen brief thans maar wat vroeger af.
+
+Het voornaamste wat in de afgeloopen dagen met mij heeft plaats gehad,
+is de vroeger reeds aangekondigde opsluiting van 5 tot 7 December en de
+bestraling met mesothorium radium.
+
+Behalve operatie worden hier voor de kankerbestrijding in hoofdzaak drie
+middelen aangewend: 1e. de inspuiting met enzytol, 2e. de
+Röntgen-bestraling, en 3e. de radium-bestraling.
+
+Deze volledigheid teekent de voortreffelijkheid der hier gevolgde
+methode. Ook in andere steden, als Weenen, Dresden en Parijs wordt de
+kanker stelselmatig bestreden; maar nergens heeft men het complete stel
+van middelen, dat men hier gebruikt. Schier nergens heeft men de
+inspuiting met enzytol, waaraan hier juist zulke groote waarde wordt
+gehecht. Op de meeste plaatsen heeft men òf Röntgen-bestraling, òf
+radium-bestraling; doch schier nergens, gelijk hier, beide tegelijk.
+
+De voortreffelijkheid der hier gevolgde methode van kanker-behandeling
+blijkt dan ook wel 't best uit de verrassende uitkomsten. Een Hollandsch
+dokter, die op onderzoek uit is, deelde mij mede, dat hij nergens de
+resultaten heeft gezien, die hij hier aanschouwde. We stonden samen bij
+een man uit Crefeld, die in zijn geboorteplaats voor de tweede maal aan
+maagkanker was geopereerd. Bij de tweede operatie was de opening echter
+dadelijk dichtgemaakt; men zag de onmogelijkheid van een tweede operatie
+in. Deze man kwam hier. Hij vertelde ons, dat de knechten, die hem in 't
+bad hielpen, tegen elkander zeiden: »Deze kan nog naar Crefeld terug,
+maar verder niet, anders bezwijkt hij zeker." Hij maakte nu zijn derde
+kuur door, had 13 pond aan gewicht gewonnen, maakte zeer groote
+wandelingen, en zou spoedig verlof krijgen, om te gebruiken, wat hij
+wilde. De dokter, die naast mij stond, fluisterde mij in 't oor: »in
+beginsel is hij reeds genezen!"
+
+Zóó zijn hier tal van voorbeelden.
+
+Vooral de radium-bestraling is echter zeer kostbaar. Het radium is de
+schoone uitvinding van Madame Curie, een Poolsche van geboorte, met een
+Fransch professor gehuwd, zelve gedoctoreerd in de chemie, als ik mij
+niet bedrieg, de éénige vrouw, die ooit op wetenschappelijk gebied een
+ontdekking deed. Deze vinding plaatste deze princesse de science evenwel
+dadelijk in de voorste rijen der grootste geleerden. Zelden is nuttiger
+uitvinding gedaan dan deze. Het radium wordt tegenwoordig gebruikt voor
+de genezing van allerlei treurige ziekten, waartegen men vroeger
+machteloos stond.
+
+Maar gelijk ik reeds zeide, 't radium is zeer kostbaar. Vele centenaars
+grondstof zijn noodig om er een milligram radium uit te bereiden. De
+grondstof is ook niet in groote hoeveelheden voorhanden. Alzoo gaat de
+bereiding slechts zeer langzaam voort, en komt op hooge kosten te staan.
+
+Vandaar dan ook de opsluiting van de patiënten, die met radium worden
+bestraald. Ze krijgen voor een groote waarde aan hun lichaam. Ik had
+bijv. voor een waarde van 63000 Mark of 37800 Gulden aan mijn hals. Stel
+eens, dat zulke patiënten vrij konden rondloopen! Hoe licht zou iemand
+in de verzoeking komen, om er mee weg te gaan, of 't weg te stoppen, en
+te veinzen 't verloren te hebben, om 't later voor een zeer groote
+waarde aan dezen of genen dokter of kwakzalver te verkoopen!
+
+Vrijdagavond zes uur werd de deur van buiten achter mij gegrendeld. Toen
+kreeg ik eenig idee van 't vreeselijke der cellulaire gevangenis, en ik
+kan mij begrijpen, dat tegenwoordig velen opstaan, die een andere wijze
+van straffen voorstaan. Terstond dacht ik ook aan Bunyan en Rutherford,
+en stelde mij voor, wat dezen om hun geloof hebben geleden.
+
+En toch, hoe goed hebben deze beide mannen 't in de gevangenis gehad,
+wat was de Heere hun daar nabij! De kerker was hun als een paradijs!
+Bunyan schreef hier zijn Christenreize, en Rutherford zijn heerlijke
+brieven.
+
+Ook mij wilde de Heere wederom sterken. Acht-en-veertig uren moest ik
+alzoo gevangen zitten; maar de tijd is omgevlogen. Ik troostte mij
+vooral met den 9en en 10en Zondag van den Heidelberger Catechismus. Ik
+hief mijn hart op tot Hem, Die vóór alle dingen is, en door Wien alle
+dingen zijn. Ik bewonderde Zijn wijsheid, die zulke verborgene krachten
+in de schepping legde, en dan den naar Gods beeld geschapen, denkenden,
+menschelijken geest 't vermogen gaf, de meest verborgen geneesmiddelen
+op te sporen. Ik loofde Zijn goedheid, dat ik 't onwaardeerbaar
+voorrecht mocht genieten, thans van dit kostbare middel gebruik te
+maken. Niet minder dankte ik Zijne liefde, dat Hij mij alles, wat Hij
+mij in den laatsten tijd deed ondervinden, ten goede deed medewerken.
+Alles bracht mij nader tot Zijnen Eeuwigen Zoon. Jezus werd mij steeds
+dierbaarder. O Hij, Hij alléén, is mijn Alles, mijn wijsheid, mijn
+rechtvaardigheid, mijn heiligmaking, mijn verlossing, mijn vreugde, mijn
+liefde, mijn hope, mijn troost. Ik ken en aanbid dan ook de bedoeling,
+die de Heere met mijne zware beproeving heeft. Hij zendt ze mij
+uit liefde, met vaderlijke hand toe, om mij hoe langer zoo meer te
+louteren. Deze kennis geeft mij geduld in dezen tegenspoed, geeft mij
+dankbaarheid, wanneer ik eenigen vooruitgang bemerk en geeft mij ook
+genade om mij met een volkomen vertrouwen voor de toekomst aan den Heere
+over te geven, wetende, dat niets mij zal scheiden van Zijne liefde in
+Christus.
+
+In dit vertrouwen ga ik dus zonder vreeze de onbekende toekomst in.
+
+De hoofdkuur is nu afgeloopen.
+
+Wat is 't resultaat?
+
+Dit zal nader moeten blijken.
+
+Blijf ik, zooals ik nu ben, dan zou ik, zij 't met groot lichamelijk
+gebrek, mijn arbeid weer kunnen doen. Bij de eerste kuur kwam er een
+omwenteling ten goede in mijn gestel. Deze is bij de tweede bevestigd.
+
+Maar er is meer noodig.
+
+Zoolang de kanker nog niet is uitgeroeid, blijft steeds een catastrophe
+te vreezen.
+
+Ik zal dan moeten afwachten, wat de Heere nu verder werkt. Is de
+nawerking der hoofdkuur goed, dan hoop ik met goeden moed een derde kuur
+te ondernemen, in de stille hope, dat de Heere dan een volkomene
+genezing geeft.
+
+Zooals Hij doet, zoo is 't echter wèlgedaan.
+
+Neemt Hij mij weg, dan hoop ik den God mijn levens, den God van zoo
+rijke en vrije genade, in mijn sterven te mogen verheerlijken, en zal ik
+stervend Zijnen goeden Naam nog danken, dat Hij mij door mijn bezoek aan
+Heidelberg de gelegenheid heeft geschonken, getuigenis af te leggen van
+de genade, die Hij mij wilde bewijzen. De Heere vergist Zich nimmer; ook
+in mijn sterven zal Hij dan Zijn naam grootmaken.
+
+De eerste leerlingen van de Geneefsche Universiteit werden door Calvijn
+naar Frankrijk gezonden. Calvijn had zich heel wat voorgesteld van den
+arbeid dezer beide evangeliepredikers in zijn geliefd geboorteland.
+Nauwelijks zijn zij echter over de grenzen, of zij worden
+gevangengenomen en verbrand.
+
+Welk een slag voor Calvijn! Slechts voor een korten tijd! Spoedig leerde
+Calvijn inzien, dat deze beide jonge mannen in hun martelaarsdood
+krachtiger prediking hadden gedaan, dan zij heel hun leven hadden kunnen
+houden.
+
+In Amerika sterft een jeugdig proponent, en wordt begraven op den dag,
+dat hij zijn intrede zoude doen. Wijlen Ds. Beuker zou bij de begrafenis
+de lijkrede houden. Hij begon te zeggen: »Deze jonge man dacht 't
+evangelie te prediken in de lijdende en strijdende kerk! God heeft
+wat beters over hem voorzien, hij mag nu aan de heilige engelen Gods
+verkondigen de veelvuldige wijsheid Gods, in de verlossing der gemeente
+openbaar".
+
+God rechtvaardigt altijd zijn doen.
+
+Nu zien we dat nog niet ten volle.
+
+Hoeveel duisters er echter ook zij in 't Godsbestuur, hiervan ben ik
+zeker, dat 't einde aller dingen de allerheerlijkste Theodicee of
+rechtvaardiging Gods zal zijn.
+
+Hoe de Heere dus ook doe, wat Hij doet, is altijd wijs, heilig en goed.
+
+Behaagt 't Hem, mij nog jaren tot mijne levensjaren toe te voegen, dan
+heb ik de begeerte, dat Hij mij slechts een hemelsch leven geve, opdat
+ik reeds op aarde den hemel meer en meer mag beginnen.
+
+Geliefden, laten wij die genade veel van onzen God bidden! O, wat zal 't
+ons dan goed zijn, wat zal God in al ons doen verheerlijkt worden, en
+wat zal ook de wereld dan werkelijk worden jaloersch gemaakt!
+
+Eenigen tijd geleden verscheen een werk, dat veel opzien baarde, en dat
+den titel voerde: »Briefe, die Ihn nicht erreichten!" »Brieven, die hen
+niet bereikten."
+
+En wie waren die brieven?
+
+Dit waren de Christenen. Zij zijn de brieven, die de Heere aan de wereld
+schrijft, opdat zij uit den wandel der Christenen zullen leeren hun
+leven te verbeteren.
+
+Maar helaas, vele van deze brieven bereiken de menschen der wereld niet.
+
+De wereld kan aan vele Christenen niet zien, dat zij werkelijk
+Christenen zijn.
+
+Zulke brieven komen niet aan hun adres, en blijven als onbestelbaar
+liggen.
+
+Neen geliefden, zoo mag 't niet zijn!
+
+Laat ons dus om genade bidden, dat wij een waarlijk hemelsch leven mogen
+beginnen! Zegene Hij daartoe voor ons tezamen ook het schrijven dezer
+brieven!
+
+Dit is de hartelijke bede van
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 18 December 1913.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Zoo gingen wij dan Woensdag 10 December des namiddags te 2.19 uit
+Heidelberg naar het vaderland terug. Wij hadden dezen trein gekozen,
+omdat we dan nergens behoefden over te stappen; in Heidelberg stapten
+we in, in Amersfoort uit den trein.
+
+Spoedig waren we in Mainz, en hadden we wederom den oever van den Rijn
+bereikt. Dit was nu de vierde maal, dat ik op mijn reizen naar en van
+Heidelberg langs »den grootvorst van Europa's stroomen" spoorde.
+
+Het was nu een kille, vochtige December dag; de herfstbetoovering was
+geheel geweken; en toch was de Rijn nog schoon! Helder blonk zijn water
+in de schemering. Wat verschilt 't rivierwater toch van 't zeenat! De
+zee kan zoo loodkleurig getint zijn; door de bries in beweging gebracht,
+en wit gekuifd lijken hare wateren zoo recht »wateren des doods". Heel
+anders 't rivierwater, inzonderheid 't Rijnwater, dat schier altijd als
+levend water schittert. Aan weerskanten sprongen de bergen als zwarte,
+natte reuzen in de invallende duisternis op. Op geregelde afstanden
+vertoonde zich een Rijndorp of stad, tooverachtig flonkerend in 't
+electrische licht.
+
+Mijn vrouw bleef in haar coupé. Ik ging naar den spijswagen; ik was er
+de eenige gast; en ging rustig in een hoekje zitten mijmeren.
+
+Ik dacht aan de dagen mijner jeugd. De Rijn is de eerste rivier, dien ik
+leerde kennen. Levendig herinner ik mij, hoe ik als kind met mijn moeder
+menigmalen van Elst naar Arnhem reed. Vóór de brug spanden we uit; en
+hoe verheugd liep ik dan aan de hand mijner moeder over de schipbrug bij
+Arnhem! Hoe gelukkig is de jeugdige mensch, wanneer hij nog aan de hand
+zijner moeder door 't leven huppelt! En wat heb ik recht veel van de
+liefde mijner moeder, wier eenige zoon ik was, mogen genieten! In latere
+donkere dagen, toen mijn verdwaasde hart omdoolde in de afgronden van
+'t atheïsme, is de gedachte van de liefde mijner moeder één der eerste
+lichtstralen geweest, waarbij ik uit die duisternis geraakte. »Neen,"
+zoo dacht ik, »die moederliefde is geen gevolg van de verbinding van
+atomen en moleculen; waar zulke moederliefde is daar moet de Eeuwige
+Geest zijn, die Eeuwige Liefde is; deze is noodig om iets dergelijks
+als de moederliefde uit te denken en te scheppen!" Volkomen versta ik
+dan ook, wat Napoleon antwoordde op de vraag, wat noodig is voor de
+verhooging van een volk. »Geef ons moeders!" zeide de scherpziende
+staats- en krijgsman, die eenmaal helaas zoo menig moederhart in rouw
+heeft gedompeld.
+
+Van mijn eigen verleden bracht de Rijn mijn voortwiegelenden
+gedachtengang op 't prilst verleden van ons volk.
+
+Op platboomde vaartuigen voeren eenmaal de Nederduitsche stammen langs
+den Rijn naar de lage, Nederlandsche gewesten. En zij hadden een goed
+deel gekozen. Vooral in dat tijdperk der historie, had 't vlakke land
+meer waarde dan 't gebergte; 't loonde steeds den noesten vlijt van den
+land- en veeman. Bovendien bouwden onze vaderen de zee. Zij werden de
+vrachtvaarders van Europa. Een eeuw lang stond ons kleine volk aan de
+spits der Europeesche cultuur, en was alle andere volken meer dan een
+eeuw vooruit. Thans is 't anders geworden. Toch kan ook ons volk weer
+groot worden. Het kan weer groot worden in alles, waarin een klein
+volk groot kan zijn, wanneer 't moeders heeft, die waarlijk moeder
+zijn; moeders, als onze koningin-moeder, aan wie ons volk zooveel is
+verschuldigd. Het kan weer groot worden, bovenal, wanneer 't weer
+terugkeert tot den God der vaderen. Want dat volk staat waarlijk hoog,
+hetwelk dicht staat bij God. Laat dit door alle dienaren des Woords,
+door alle politieke en sociale reformatoren toch diep bij ons volk
+worden ingeprent! Laten ze den tijd uitkoopen, dewijl de dagen boos
+zijn! Vooral van dezen arbeid geldt, wat 't latijnsche spreekwoord zegt:
+»Vita brevis, ars longa", het leven is kort, de kunst is lang. Zoo
+spoedig, zoo onverwacht kunnen we aan 't einde van onze loopbaan zijn,
+en er is zooveel, zoo langdurige arbeid noodig, om goede gedachten bij
+het volk ingang te doen vinden. Zoo snel kan daartegenover een groot
+volk zinken.
+
+Dit heb ik thans om mij heen gezien onder 't Duitsche volk. Het is een
+groot volk, dit volk van »denkers en dichters". En onwillekeurig deed de
+Rijn mij ook een lange wijle peinzen over dit cultuurvolk onzer eeuw.
+
+De Rijn en 't Duitsche volk zijn één.
+
+De Rijn is bovenal een Duitsche rivier.
+
+Als grootvorst van Europa's stroomen vertoont hij zich vooral in 't
+Duitsche rijk.
+
+En elke Duitscher dweept dan ook met den Rijn.
+
+In 't voorjaar ziet de Noordelijke Duitscher al met verlangen heen
+naar de oevers van den Rijn. De Rijn is zijn waranda, waar hij zijn
+»Sommerfrische" wil genieten, en nieuwe krachten verzamelen voor den
+arbeid van heel een jaar.
+
+Van Mainz tot Bonn staan boven op de bergen de ruïnen der oude trotsche
+kasteelen van de vroegere roofridders, die tollen hieven van de
+schippers van den Rijn. Ieder dezer ruïnen vertegenwoordigt een legende.
+Op honderdvoudige manier zijn deze legenden en sagen in de Duitsche
+letterkunde verwerkt. De Rijn is 't bezielend middelpunt der Duitsche
+literatuur.
+
+De Rijn maakt de scheiding tusschen de Germaansche en Romaansche volken.
+Steeds hebben de Romaansche Franken en Gallen getracht de oevers van den
+Rijn te bemachtigen. Een korten tijd is dit den Franschen gelukt, onder
+Lodewijk XIV. De Duitsche vorsten waren na den reformatietijd onderling
+zeer verdeeld. De Roomsche Duitsche vorstjes zochten hulp bij Lodewijk
+XIV. Deze maakte daarvan gebruik om Elzas-Lotharingen te annexeeren.
+Maar steeds heeft de Duitsche geest er op gevlast, deze gewesten terug
+te krijgen, en daarmede de oevers van den Rijn in zijn bezit te houden.
+In 1870 is deze wensch vervuld. »Die Wacht am Rhein" was 't volkslied,
+dat de Duitsche soldaten bezielde. Dit lied is sindsdien het volkslied
+bij uitnemendheid van de Duitsche natie gebleven. Ook nu nog gaat de
+geheime strijd tusschen de beide erfvijanden, Duitschland en Frankrijk,
+over de oevers van den Rijn. De Rijn is de polsaderstroom der
+tegenwoordige Duitsche geschiedenis. En nog staat de Duitsche wacht
+aan den Rijn sterk. Nog is 't Duitsche volk innerlijk sterker dan 't
+zichzelf verterend Fransche volk. Maar laten de Duitschers voorzichtig
+zijn! Laten ze geen Farizeesche blikken over den Rijn werpen, en op 't
+Fransche volk uit de hoogte nederzien! Want helaas, ook in 't Duitsche
+volk woekeren de symptonen der verwording, ongeloof, godverzaking en
+wellust, krachtig voort.
+
+Ten slotte richtten zich mijne gedachten op de uitmonding van den Rijn
+in de wateren der Noordzee. Vermoeid sleept de reus zich voort tusschen
+de duinen van Katwijk. Door sluizen moet hij geholpen worden om zijn
+einde te vinden in de wateren der zee. Ook op den Rijn is van
+toepassing: »Sic transit gloria mundi!" Zoo vergaat de heerlijkheid
+dezer wereld!
+
+Maar vlak vóór zijn uitmonding is de Rijn toch nog schoon. In 't
+bijzonder dacht ik aan den vredehof »Rijnzicht", die even buiten Leiden
+wordt gevonden. Ik dacht aan de velen, die ik mede derwaarts heb
+uitgedragen naar de rustplaats der dooden. Ik dacht aan de velen, die
+mij lief en dierbaar blijven, en die daar eenmaal zullen rusten. En de
+wensch kwam in mij op, hetzij vroeg of laat, daar ook eenmaal mijn graf
+te mogen vinden.
+
+Inmiddels was de trein als voortgevlogen, en bemerkte ik, dat metterdaad
+de afstanden verdwijnen. Ik zocht mijn coupé weer op, en vond er mijn
+vrouw in druk gesprek. Binnen enkele uren waren we in Amersfoort, en
+werden we door onze kinderen en de familie Teerink afgehaald.
+
+Welk een vreugde van 't wederzien!
+
+En nu? Wat zal 't nu verder zijn?
+
+Voordat ik Heidelberg verliet, vroeg ik Prof. Werner naar 't resultaat
+van de tweede kuur. Hij antwoordde mij: »Wir haben einen guten Erfolg!"
+Wij hebben een goed resultaat! In Amersfoort liet ik mij dadelijk
+onderzoeken door mijn huisdokter, dokter Groneman. Deze constateerde een
+tendenz tot genezing. Beiden verklaarden echter, dat de genezing van de
+tong zeer langzaam zou gaan.
+
+Welnu, alles is in des Heeren Hand. Ik wacht, en volg.
+
+Hoezeer verheug ik mij, dat mijn wachttijd nu valt in den tijd van 't
+heerlijk Kerstfeest. O, als ik dien naam maar noem, begint mijn hart al
+te branden. Het Kerstfeest is het feest van het wonder der wonderen.
+Het eeuwige Woord, de Openbaring des Vaders, het Afschijnsel Zijner
+heerlijkheid, het uitgedrukte Beeld Zijner Zelfstandigheid, vleesch,
+eindig, tijdelijk, broos menschelijk vleesch geworden! Welk verstand
+zal dit wonder ooit vatten? Wat wonder, dat dit geheel eenig feit het
+levenwekkend middelpunt, niet alleen van onze Christelijke religie, maar
+ook van kunst en literatuur is geworden! Wat wonder, dat dit feit de
+grensstroom werd tusschen twee soorten van menschen: 1e. die uit dit
+wonder leven, en 2e. die dit wonder verwerpen!
+
+En waarom en voor wie werd het Woord vleesch! Neen, al ware de aarde
+papier, de zee inkt, de grashalmen pennen, en alle engelen vaardige
+schrijvers, zoo zouden zij 't wonder der eeuwige liefde in de
+vleeschwording des Woords geschonken, niet kunnen beschrijven!
+
+En dan, hoe zalig, hoe heerlijk, in dit wonder der liefde te mogen
+deelen!
+
+O, wat is de moederliefde bij deze liefde van Jezus?
+
+Zij is _een beeld_ van Zijn liefde.
+
+De moederliefde heeft iets _souvereins_.
+
+De moeder heeft haar kind lief, vóór 't is geboren. Zij omhelst 't
+straks, hoe 't er ook uit zie. Zij heeft 't te meer lief, wanneer 't
+zich als een gebrekkig kind openbaart.
+
+Ziehier een zwak beeld van Jezus' liefde! Zijne liefde is in waarheid
+_souverein_. Hij wist, hoe mismaakt en doemschuldig wij waren. Nochtans
+heeft Hij ons zóó liefgehad, dat Hij vleesch werd om onze zonde en
+schuld te dragen en te boeten.
+
+De moederlijke liefde is een _trouwe_ en _onveranderlijke liefde_. Zij
+houdt niet op, ook al is 't kind niet zoo, als 't behoort te wezen.
+Wederom een zwak beeld van Jezus' liefde! Hij keert niet op Zijn
+schreden terug, wanneer duidelijk uitkomt, wie de mensch is. Jezus'
+_liefde is onveranderlijk en getrouw tot in den dood_.
+
+De moeder _offert zich gaarne_ voor haar kind. Zij springt 't na in den
+vloed. Zij grijpt 't weg voor den klauw van 't wilde dier. Wederom, welk
+een zwak beeld nog slechts van Jezus' opofferende liefde, die vleesch
+werd met 't bepaalde doel om Zich voor onze zonde te offeren aan 't
+Kruis!
+
+En deze Jezus is gisteren en heden Dezelfde. Zijne hand, Zijne trouwe
+liefdehand grijp ik vast. Meer dan een moeder troosten kan, zal Hij mij
+troosten. Meer dan een moeder zorgen kan, zal Hij voor mij zorgen. O, 't
+is mij goed, nabij den Heere te zijn, ik zet mijn betrouwen op den Heere
+Heere, om al Zijn werken te vertellen. Hij zal mij nooit beschamen, maar
+hoe 't ga, mij door Zijne liefde verblijden. Heere, maak Gij 't dan maar
+wel, opdat mijn vrouw en ik met Uw volk nog in dit leven U mogen
+prijzen.
+
+Weest allen hartelijk gegroet van
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 8 Januari 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+In 't menschelijke leven komen oogenblikken voor, die men _momenten_
+noemt. Zulk een gewichtig moment is 't thans voor mij, terwijl ik de pen
+opneem om U mijn eersten brief in 't nieuwe jaar te schrijven.
+
+Vóór ruim drie maanden dachten velen, en spraken 't ook uit, dat ik het
+einde des jaars wel niet zou halen; ik zou dus om dezen tijd reeds in 't
+zwijgend graf gelegen hebben.
+
+En zie, ik ben er nog. Ik ben nog in 't midden van mijn klein maar
+bemind gezin, dat voor mij als een paradijs van liefde op aarde is. Er
+is nog goede hope, dat ik met mijn gezin eerlang op Achteveld zal komen,
+om daar den grooten arbeid der liefde te beginnen. Ik ben nog in 't
+midden mijner geestelijke familie, waarvan ik met Groenewegen zing:
+
+ »Zoete banden, die mij binden.
+ Aan des Heeren lieve volk,"
+
+en die mij vooral bij de wisseling des jaars wederom zulke
+ondubbelzinnige blijken schonken, dat zij met dezelfde gevoelens jegens
+mij zijn vervuld.
+
+Broeders en Zusters, hartelijk, recht hartelijk dank voor uw
+verkwikkende troostbrieven, ze waren mij als lichtstralen van den hemel
+op mijn donker en moeilijk pad. Roepen de tegenstellingen in 't leven 't
+gevoel wakker, o, ik kan beurtelings wel zingen en weenen, terwijl ik
+dit alles doorleef. Met diep geroerd hart bid ik u dan ook wederkeerig
+toe, dat de Geest des Vaders en des Zoons, als het zegel der Goddelijke
+genade, in u aller harte wone. Daarmede hebben we alles! Daarmede roemen
+we zelfs in de verdrukking, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid
+werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hope, en de hope
+beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door
+Zijnen Heiligen Geest, die ons gegeven is!
+
+O, hoe lieflijk behaagt 't den Heere, ook mij deze roemtaal op de lippen
+te leggen! Donker en moeilijk is mijn weg; maar de Heere zet gedurig de
+geheime kamer Zijner lieflijke gunst open voor mijne ziel, en dan geniet
+ik, o zoo heerlijk, van de toepassende liefde in God den Heiligen Geest,
+van de stervende liefde van God den Zoon, van de verkiezende liefde van
+God den Vader. Nu eens komt de Heere mij met dit, dan weer met dàt
+troostwoord verkwikken.
+
+In de laatste weken heeft Hij mij bijzonder gesterkt met de woorden van
+Psalm 62: »God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord:
+dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want
+Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk".
+
+Welk een zoeten honing heeft mijn ziel reeds gedurig uit deze woorden
+gepuurd, welk een versterkende melk daaruit gedronken!
+
+Jubel op, mijne ziele! De sterkte is Godes! Kracht in slechte handen is
+een vloek, in goede handen een zegen. Welk een zegen Gods almachtige
+Kracht in Gods goede Hand heeft gewrocht, mochten we inzonderheid weer
+op 't gepasseerde Kerstfeest herdenken. Het scheen onmogelijk, dat de
+belofte van den Zaligmaker der wereld zou worden vervuld. Davids huis
+was een afgehouwen tronk, en de gansche wereld scheen eer rijp voor 't
+gericht dan voor de verlossing. Maar de Heere doet een afgesnedene zaak
+op aarde. Jubel hoog op, mijn ziel! De sterkte is Godes! Hij heeft ter
+bestemder tijd en plaats den Zaligmaker der wereld geschonken.
+
+Het scheen onmogelijk, dat de wereld zulk een Zaligmaker zou aannemen.
+Voor Hem was nergens plaats. Noch in de hutten der armen, noch in de
+paleizen der rijken, noch in de synagogen, noch in den tempel, noch in
+de scholen der wetenschap, noch in de raadzalen des volks. Noch ook in
+'t hart der zondaars. Maar wat onmogelijk scheen, heeft God gewrocht.
+Jezus' Naam ruischt heel de wereld door.
+
+»God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal, d.i., ik heb dit
+goed en terdege gehoord: dat de sterkte Godes is".
+
+En niet alleen de sterkte is des Heeren. Buig u aanbiddend neder, o
+mijne ziel, des Heeren sterkte is onafscheidelijk verbonden met Zijne
+goedertierenheid.
+
+Heerlijke gedachte! Sterkte zonder liefde is ruw geweld; liefde zonder
+kracht is slapheid; liefde en sterkte onverbrekelijk saamgesnoerd, zijn
+Gode waardig. Zijn liefde toch gebruikt Zijne Almacht, om al Zijn
+liefdebedoelingen met Zijn volk tot werkelijkheid te maken.
+
+Wel schijnt Zijn liefde soms een harde liefde. Niet zelden doet des
+Heeren liefde Zijnen kinderen in hun leven harde dingen hooren. Sta
+maar op, vader Jakob, om ons te zeggen, wat uw hart gevoelde, toen gij
+de harde zaak van Jozefs verdwijning moest vernemen. Wij lezen het
+wedervaren van een Job, een Jeremia, een Paulus duidelijk in de Schrift;
+maar ik geloof, dat wij niet ter helfte beseffen, wat deze lieve
+kinderen Gods hebben geleden.
+
+Toch is deze harde liefde juist de echte liefde. Wie de Heere liefheeft,
+kastijdt Hij tot hun nut, en wat de smeltkroes is voor 't goud, is de
+beproeving voor Gods volk. Ze ontneemt hun, wat zij moeten missen,
+verhoogt de waarde en den glans van hun geestelijk leven, en vermeerdert
+hun genadeloon in de hemelen.
+
+»Want", zoo zingt de psalmist den Heere dankend toe: »Gij zult een
+iegelijk vergelden naar zijn werk".
+
+De vergelding wordt hier door den psalmist in verband gebracht met des
+Heeren goedertierenheid. Daaruit vloeit voort, dat hij enkel spreekt van
+'t genadeloon, dat de Heere eenmaal aan Zijn beproefd maar vruchtbaar
+volk zal schenken.
+
+O, hoe groot is dus des Heeren goedertierenheid! Zij werkt eerst 't
+goede in 't volk van God, en komt daarna dit goede nog met een heerlijk
+genadeloon kronen.
+
+ * * * * *
+
+»God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de
+sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult
+een iegelijk vergelden naar zijn werk".
+
+Heerlijke woorden!
+
+Ge begrijpt dan ook wel, hoe de gedurige overdenking daarvan mijne ziel
+heeft verkwikt.
+
+Ik lees ze nog eens over, en begin van achter af.
+
+»Want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk". Gelukkig staat
+hier niet: »want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn zonden"; want
+dan was er voor mij geen hope; geen hope vanwege mijn erfelijke en
+dadelijke zonden, vanwege de zwarte zonden mijner jonkheid, vanwege de
+nog zwarter zonden van mijn later leven.
+
+Neen, maar de Heere wil aan een iegelijk Zijner kinderen vergelden naar
+zijn werk. Welnu, de Heere weet, wat Hij in mijne ziel heeft gewerkt.
+Hij kent mijn begeeren, mijn streven. Zeide von Zinzendorff eenmaal:
+»Herr Jesu, Du bist meine Passion!", ik zeg het hem zoo van harte na:
+»Heere Jezus, Gij zijt mijn Vurig Begeeren!" En evenals deze leidsman
+der Hernhutters dringt mij de liefde van Christus, om 't heil in
+Christus aan de meest ellendigen te brengen. Maar dit geeft mij dan
+ook vrijmoedigheid om ootmoedig aan den Heere te vragen: »Heere, ach,
+kroon nu dit Uw werk, en geef mij terug aan den arbeid voor voogdij-
+en regeeringskinderen, voor ontslagen gevangenen, zwervers en
+drankzuchtigen!"
+
+Gij begrijpt levendig, lieve broeders en zusters, welk een harde zaak
+'t voor mij is, dat ik dezen arbeid nu niet kan beginnen, terwijl alle
+dingen gereed zijn. Des Heeren liefde schijnt ook voor mij zulk een
+harde liefde. Toch loof ik deze liefde. O, wat heeft zij mij goed
+gedaan! Ik zing zoo van harte meê met den dichter van den 119den psalm:
+
+ 'k Sloeg, eer ik wierd verdrukt, het dwaalspoor in,
+ Maar nu geleerd, houd ik Uw woord en wegen.
+
+En bovendien, de Heere handelt met Zijn volk als de landman met zijn
+land. De boer ploegt en egt niet altijd door; maar als hij 't land alzoo
+bearbeid heeft, strooit hij zijn zaad uit, en geeft dan zijn land een
+lange wijle rust. Straks prijkt dit land met vruchtbaar graan. Dit is de
+vrucht van de harde liefde van den landman voor zijn land. Zoo doet de
+Heere ook met Zijn volk.
+
+Zou ook ik daarop mogen hopen?
+
+Zou ik mij nog eens in een algeheel herstel mogen verheugen?
+
+De ziekte is zoo vreeselijk. Alleen 't enkele woord »kanker" doet den
+mensch sidderen.
+
+Zal ik nog eens geheel van deze vreeselijke krankheid worden bevrijd, en
+geheel hersteld, mijn heerlijken arbeid mogen beginnen?
+
+Lieve broeders en zusters: »De Heere heeft één ding gesproken, ik heb
+dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is!"
+
+Daarmede troost ik mij.
+
+Daarop pleit ik voor des Heeren Aangezicht.
+
+En o, laat ik 't u nog eens mogen zeggen, hoe goed 't mij is, in dit
+gedurig worstelen en smeeken voor den Troon der Genade.
+
+Het behaagt den Heere, mij voortdurend een open toegang te schenken
+in 't gebed. Dit is reeds onuitsprekelijk heerlijk. Ik kan niet
+beschrijven, wat 't bidden dan is. Ik kan 't niet beter voorstellen dan
+als een korte wandeling in den hemel.
+
+Biddend lig ik dan geknield voor Hem, Die ons gunt, Hem »Vader" te
+noemen.
+
+Ik pleit dan op Zijn oneindige liefde, die Hij openbaarde in de overgave
+van Zijn Eeniggeboren Zoon. Als Middelaar heeft de Zone Gods niet alléén
+onze ongerechtigheden, maar ook onze krankheden op Zich genomen.
+Volkomen verlost Hij ons van al onze zonden en van al onze krankheden
+bij ons zalig sterven. Maar ook reeds in dit leven wil Hij den psalmtoon
+op onze lippen leggen: »Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in
+mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet
+geen van Zijne weldaden. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe
+krankheden geneest." Ik vraag dan van den Heere, dat Hij om Christus,
+Zijns lieven Zoons wil, ook mij, niet alleen vergeving der zonden en
+bekeering des harten, maar ook genezing des lichaams schenke.
+
+En omdat ik weet, dat al des Heeren handelingen met mij door Zijn liefde
+worden bestuurd, kan ik er zoo van ganscher harte bijvoegen: »Maar,
+lieve Heere, zooals Gij doet, zóó is het goed; Gij geeft toch altijd het
+beste!"
+
+Zoo sterk ik mij dan van dag tot dag, en ik heb 't o zoo goed. Neen, 't
+nieuwe jaar begint niet donker. De Heere is mijn licht en mijn heil; hoe
+zou 't dan donker kunnen zijn? Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten.
+In dit vertrouwen ga ik den nieuwen tijdkring weer in.
+
+Morgenochtend hoop ik weer naar Heidelberg te vertrekken voor mijn derde
+kuur.
+
+Mijn adres is dan in 't hôtel Metropol-Monopol. Men kan ook adresseeren
+aan 't Samariterhaus.
+
+Weest allen hartelijk gegroet en den Heere bevolen, en blijft in uwe
+gebeden gedenken
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 14 Januari 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Al was het donker, guur en somber; al kletterden de regens en als
+bruiste nu en dan de stormwind; we gingen aan den morgen van den
+9en Januari met blijdschap naar 't station, om de groote reis naar
+Heidelberg weer te ondernemen; vol van dankbaarheid jegens den Heere,
+Die daartoe den weg geopend had; met stillen dank in 't hart.... ook aan
+broeders en zusters, die ons in staat wilden stellen, dat wij wederom
+konden gaan om de zoo noodige voortzetting der genezing te zoeken.
+
+Voordat ik van huis ging, had ik mij in den Heere gesterkt door de
+aandachtige lezing van Ps. 23. Aan den Goeden Herder gaf ik de zorg van
+mijn huis over; in Zijne Hand stelde ik mijne vrouw en mijzelven, door
+de spoorwegrampen van de laatste tijden, in binnen- en buitenland, er
+opnieuw aan herinnerd, aan welke gevaren ook wij wederom onderworpen
+waren.
+
+Als terugbevend voor de guurheid van het weder, doken wij als vanzelf in
+onze coupé weg. Nu eens pratend, dan weer lezend, dan weer sluimerend,
+en telkens ook de handen vouwend tot stil gebed, brachten wij den tijd
+door. En wij slaakten een zucht van verlichting, toen wij 's avonds
+uitstapten in de beroemde stad, waarvan de dichter zong:
+
+ Alt-Heidelberg, Du feine,
+ Die Stadt, an Ehren reich,
+ Am Neckar und am Rheine,
+ Keine kommt Ihr gleich!
+
+Wat, vrij vertaald, wil zeggen: »Oud Heidelberg, gij, fraaie stad, gij
+stad, zoo rijk aan eer, zoo schoon gelegen aan de beide rivieren, den
+Neckar en den Rijn; er is geen stad, die bij U in schoonheid haalt!"
+
+Voor mij en voor honderden met mij heeft deze stad echter hoogere
+beteekenis dan die van de schoonste der dochteren van Duitschland.
+Honderden, ja wellicht duizenden,--want de schaar groeit steeds
+aan,--hebben met mij in den grootsten nood, in de hoogste spanning van
+hun leven, hier nog een laatste redmiddel gezocht tegen doodelijke
+kwaal.
+
+O, wanneer die weg naar het Samariterhaus eens spreken kon, wat zou hij
+hebben te openbaren! In 't oude Venetië was een brug, die men »de brug
+der zuchten" noemde. Staatsmisdadigers werden over die overdekte brug
+van 't ééne naar 't andere geleid; en wanneer zij die brug overgingen
+wisten zij, dat hun vonnis reeds geteekend lag, dat zij over die brug
+niet zouden terugkeeren, maar op geheimzinnige wijze uit den weg zouden
+worden geruimd. Geen wonder, dat de menschen, die over deze brug gingen,
+menigmaal zóó zwaar zuchtten, dat 't beneden op de straat gehoord werd.
+
+Ook die weg naar Samariterhaus mag wel de weg der zuchten worden
+genoemd; wie dat pad de eerste maal wandelt, zucht bij zichzelf: »ik
+ben in mijn eigen land en plaats door de geneesheeren geabandonneerd;
+wat zal hier de professor zeggen? Zal hij mij nog hoop geven?"
+
+De beide professoren zijn hier wijze, voorzichtige, edele mannen. Zij
+benemen schier niemand de hoop geheel. Eudokia in Rotterdam heette
+eerst: »gasthuis voor ongeneeslijke zieken!" Toen dit gebouw in gebruik
+werd genomen, zeide Dr. van Staveren: »Dit opschrift deugt niet, het is
+in strijd met onze belijdenis; voor God, in wien wij gelooven, is geen
+ziekte ongeneeslijk!" Terstond is de naam toen ook veranderd in dien
+van: »Tehuis voor chronische lijders."
+
+Ditzelfde oordeelen ook deze professoren. Maar als wijze en voorzichtige
+mannen wekken zij ook geen ongegronde verwachtingen. Zij ondernemen den
+arbeid, en hebben somwijlen resultaten, waarover de geneeskundige wereld
+verbaasd staat.
+
+Van deze uitkomsten hoort de lijder. Er komt hier hoop voor de
+hopeloozen. De weg der zuchten wordt dan voor velen, wanneer ook zij bij
+zichzelven goede uitkomsten zien, een pad van jubelende hope.
+
+In hoopvolle stemming gingen ook wij Zaterdag 10 Januari 's morgens naar
+'t Samariterhaus. Prof. Werner onderzocht mij wederom nauwkeurig. Hij
+was in de wolken over de resultaten van de radium-bestraling. Deze waren
+dan ook werkelijk bijzonder groot. In de tong had ook hij natuurlijk
+meerderen vooruitgang gewenscht. Ook zitten er nog twee harde kliertjes,
+één op de rechterkaak, de ander bij 't schouderblad.
+
+Terstond werd in beraad met een inmiddels verschenen dokter een plan
+de campagne opgesteld. Ik moet elken dag weer worden ingespoten. In
+plaats van 20 minuten werd ik nu om den anderen dag 40 minuten met
+Röntgen-belichting bestraald. Bovendien zal ik, zoo de Heere wil, 15,
+16, 21 en 22 Januari van twee uur tot zeven uur inwendig met radium
+worden bestraald. Ik moet op die dagen vijf uren achtereen een stuk
+radium met mijn hand tegen de tong houden.
+
+'t Is alles pijnlijk en moeilijk. Maar ik ben heel wat sterker
+geworden, en de professor, die uiterst voorzichtig is, durft nu ook wat
+meer ondernemen.
+
+Toch voel ik wel, dat 't me aanpakt. Maar eigenaardig, hoe moeilijker
+de weg is, hoe rijker de vertroosting wordt. Van nacht lag ik weer een
+heele poos met pijn wakker. Toen dacht ik: »nu is er toch Eén, Die met
+mij waakt in dezen stillen, maar moeilijken nacht, de Medelijdende
+Hoogepriester, Die ter rechterhand Gods is!" Het was mij, alsof Hij van
+den hemel op mij nederzag, als een moeder, die waakt bij haar lijdend
+kind. Ik dankte dan ook den Heere, dat Hij met mij waakte, en zeide:
+»Heere, Gij zendt mij deze pijnen voor mijn best, en ziet tegelijk met
+het innigste medelijden op mij neer! Gij neemt de pijnen niet weg, maar
+geeft mij de kracht om deze te dragen! Gij brengt mij door deze pijnen
+nader tot U als mijn Eénige toevlucht in den hoogsten nood! Gij kunt en
+wilt mij uit allen nood en dood verlossen!" En zie, eenige minuten later
+sliep ik zacht in en kreeg ik van mijn Heiland een geschenk, waarvan ik
+met Jeremia kan zeggen: »En de slaap was mij zoet!"
+
+Zalige genieting!
+
+Zondagmorgen ben ik naar de kapel van 't Diaconessenhuis geweest. Ik heb
+er een heerlijke zendingspreek gehoord. Bij leven en welzijn schrijf ik
+daarover de volgende week. Ik moet mij nu wat bekorten, omdat ik morgen
+vijf uur met radium moet zitten en mij niet te veel mag inspannen.
+
+Ontvangt dus de hartelijke groeten van mijne vrouw en mij. Draagt ons
+gedurig op. Ge ziet, de Heere hoort het gebed. Hij gedenke ook u.
+
+Weest allen dan den Heere bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 20 Januari 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Kwam mijn voorgaand schrijven te laat voor de Kerkbode, waarschijnlijk
+geschiedde dit door vertraging van de post. Ter voorkoming van
+dergelijke ongevallen zend ik mijn brieven voortaan zoo mogelijk een
+dag vroeger af, en doe dit reeds met dezen, die dan tegelijk met mijn
+voorgaanden kan worden geplaatst.
+
+Trouwens deze brief is een vervolg op den voorafgaanden.
+
+Ik had reeds beloofd iets te zullen schrijven over de zendingspreek, die
+ik 11 Januari in de kapel van 't Diaconessenhuis alhier mocht hooren.
+
+Die Zondag was door de kerkelijke overheid der gansche Badensche
+landskerk tot een _Zendings_dag bestemd.
+
+Ds. Kammerer, de pastor van 't Diaconessenhuis, nam tot tekst Matth. 24:
+14: »En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt
+worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen."
+
+Hij begon met de opmerking, dat ook in Duitschland de tijden zeer zijn
+veranderd. In 1848 was in 't naburige Hessen alle openbare arbeid voor
+de Zending streng verboden. Verbeeldt u! Thans wordt vanwege de
+kerkelijke overheid in Baden een algemeene Zendingsdag uitgeschreven.
+
+Zóó gaat 't goed! Zoo komen we op den rechten weg!
+
+Niemand minder dan de Heiland zelf zegt: »En dit Evangelie des
+Koninkrijks _zal_ in de geheele wereld gepredikt worden." Nòg staat Hij
+alleen. Maar Hij spreekt toch als Koning van 't Godsrijk. Zooals Hij
+zeide is 't geschied, en moet 't verder geschieden.
+
+Doch nu taste men niet mis in 't eigenlijke wezen van den
+Zendingsarbeid.
+
+Is 't Zendingswerk het brengen der Christelijke cultuur?
+
+Bestaat 't in de bevordering van het schoolonderwijs onder de
+onbeschaafde volken?
+
+Moet 't bovenal gericht zijn op de wegneming van sociale misstanden en
+de verbetering van 't maatschappelijk leven onder de heidenen?
+
+Dit alles is bijzaak, bijwerk, of ook vrucht der Zending.
+
+Het eigenlijke wezen van het werk der Zending is 't niet.
+
+De eigenlijke hoofdzaak van 't Zendingswerk is de prediking van het
+Evangelie des Koninkrijks. Vandaar en daardoor alleen wordt de eenige
+troost voor leven en sterven onder de volken verkondigd.
+
+En wat moet men zich als hoofddoel voorstellen van het Zendingswerk?
+
+Dat heel de heidensche maatschappij gekerstend worde?
+
+Het ware heerlijk, wanneer dit doel bereikt werd.
+
+Maar stellen we ons deze illusie niet voor.
+
+Hoofddoel is, dat 't Evangelie _hun tot een getuigenis_ onder de volken
+wordt gepredikt.
+
+De één neemt 't Evangelie aan. De ander verwerpt 't. Christus is ook tot
+een oordeel in de wereld gekomen.
+
+De strijd tusschen vrouwen- en slangenzaad blijft tot den jongsten dag.
+
+En wanneer het Evangelie over de heele wereld gepredikt wordt, en over
+heel de wereld die twee tegenover elkander staan, dan zal 't einde zijn.
+
+Het zendingswerk is dus geen bijzaak, maar hoofdzaak. Het staat in
+onmiddellijk verband met Christus' wederkomst.
+
+Wij danken dan ook den Heere, dat wij ons met 't Zendingswerk weder in
+goede richting bewegen.
+
+Ge begrijpt, geliefden, dat ik de prediking met hartelijke instemming
+heb aangehoord.
+
+Ge begrijpt ook, dat ik de mededeeling omtrent de vroegere Duitsche
+toestanden op Zendingsgebied met eenige verbazing vernam.
+
+Bij eenig nadenken is evenwel mijn verwondering verdwenen.
+
+Was 't vroeger bij ons ook niet ongeveer alzoo?
+
+Neen, er was geen verbod om zendingswerk te doen. Maar men liet 't over
+aan zendingsvrienden, en beschouwde 't een liefhebberijzaak van deze
+menschen.
+
+Tot voor korten tijd stonden we precies evenzoo tegenover den
+evangelisatiearbeid. Wat is in onze dagen meer noodig dan 't
+zendingswerk in onze naaste omgeving? Toch werd deze plicht door de
+Kerk nog slechts weinig gevoeld.
+
+En in werkelijkheid staan de meesten nog zoo tegenover den arbeid, dien
+ik in des Heeren Naam en kracht ondernam, den arbeid onder voogdij-
+en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en
+drankzuchtigen. Men vindt 't wel goed, dat ook die arbeid wordt
+aangevat; maar men voelt er niet veel voor. En ziedaar juist 't gebrek!
+Voor zulk werk moet worden gevoeld, anders kan 't niet slagen; want er
+is reuzeninspanning voor noodig om het te volbrengen. Van alle zijden
+moet hulp in voorbede en geldelijke bijdrage, worden geboden; anders
+komt 't niet tot stand.
+
+En wie maar even nadenkt, zal dadelijk moeten toestemmen, dat geen werk
+meer noodig is dan dit werk. Er is een werk, dat bij voorkeur den naam
+draagt van _Christelijk werk_. Daartoe behooren 't uit- en inwendig
+zendingswerk, de arbeid onder al 't verlorene, 't gaan in de heggen, en
+sloppen, 't bezoeken der gevangenen, enz. Wanneer een gemeente deze
+werken niet heeft, zegt de Heiland van haar: »Gij hebt den naam, dat gij
+leeft; maar gij zijt dood!"
+
+'t Spreekt vanzelf, dat de zuiverheid der leer bij dit practisch werk
+niet mag worden verwaarloosd. Hoe zullen we op dit gebied ons hoofdwerk
+goed doen, 't brengen van het Evangelie aan de schare, indien we 't niet
+zuiver bewaren?
+
+Bovenal moet bij dezen arbeid 't eigen, inwendig leven zorgvuldig worden
+verpleegd. Alleen omdat de liefde van Christus hem drong, kon Paulus
+alle bezwaren overwinnen in zijn moeilijk werk.
+
+Maar wanneer 't vuur van binnen brandt, is 't ook zulk een heerlijk
+werk.
+
+Hoe verlangt mijn ziel naar 't oogenblik, dat ik dezen arbeid zal mogen
+aanvatten!
+
+Ik verheug mij, dat ik u in dezen opzichte wederom gunstige berichten
+mag doen toekomen. Inplaats van 20 minuten word ik om den anderen dag
+geregeld 40 minuten bestraald met Röntgen-belichting. 15 en 16 Januari
+werd ik met radium behandeld. Vandaag kreeg ik nog een extra-behandeling
+met kool-radium, weer een nieuw soort. Duurt de gewone radium wel 2000
+jaren, deze kool-radium houdt slechts twee dagen zijn kracht. Maar
+'t doet eveneens een krachtige werking. Ondanks een kleine katarrh
+verdraagt mijn gestel alles met het grootste gemak. Ik ga in gewicht nog
+zelfs iets vooruit en voel mijn krachten herleven.
+
+O wonder van goedheid, dat de Heere aan mij doet!
+
+Dien alléénzaligen God beveelt ook u, geliefde gemeente, van ganscher
+harte
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 28 Januari 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Gelijk ik uit de couranten bemerk, is ook ten uwent evenals hier gister
+de dooi onverwacht ingetreden. De plasregen van den morgen werd echter
+gevolgd door sneeuw, en thans wordt ons oog bekoord door den schoonen
+glans der witte bergen.
+
+Ondanks regen en sneeuw werd de dag van gister hier met groote vreugde
+gevierd. Het was de verjaardag van den Keizer, een dag van beteekenis
+onder de vierdagen des volks; en de wijze, waarop deze dag hier geëerd
+wordt, moet elk Christelijk burger tot groote blijdschap stemmen.
+
+Er is geen plaats in 't heele Duitsche rijk, of er is althans één
+kerkgebouw geopend, waar 's morgens bede- en dankstond voor keizer en
+rijk wordt gehouden. En overal klinkt uit Duitsche monden 't krachtig
+gezang:
+
+ Vater, kröne du mit Segen
+ Unsern Kaiser und sein Haus,
+ Führ durch Ihn auf deinen Wegen
+ Herrlich deinen Ratschlusz aus!
+ Deiner Kirche sei er Schutz,
+ Deinen Feinden biet' er Trutz.
+
+Dat is:
+
+ Vader, kroon met uwen zegen
+ Onzen Keizer en zijn huis,
+ Voer door hem op uwe wegen
+ Heerlijk uwen raadslag uit!
+ Uwe Kerk zij hij ten schild,
+ Uwen vijand bied' hij tegenweer.
+
+Op zulk een dag krijgt men den indruk, dat 't Duitsche rijk nog een
+machtige eenheid is, die, door vroed beleid bestuurd, een hooge en
+schoone roeping in 't hedendaagsch wereldgebeuren vervult.
+
+Wie 't Duitsche volksleven echter van naderbij beziet, wordt helaas met
+sombere gedachten voor Duitschlands toekomst bestormd. In den hoogen
+blos der schijnbare volksgezondheid, ziet hij dra 't rood der tering;
+in al 't vreugdegetril hoort hij reeds 't rochelen van den dood.
+
+Ik wijd niet breedvoerig uit over hetgeen ik hier hoor en zie. Ik deel u
+slechts den korten inhoud mede van een schoone predikatie, die ik Zondag
+voor acht dagen in de kapel van 't Diaconessenhuis hoorde, en knoop aan
+deze preek enkele beschouwingen vast.
+
+Ds. Kammerer sprak uit Lukas 2: 41: »En Zijne ouders, reisden alle jaar
+naar Jeruzalem, op het feest van Pascha." In zijn rede stelde hij de
+heilige familie in tweeledig opzicht als voorbeeld voor het Christelijk
+huisgezin, namelijk, 1e in haar vasthouden aan heilige, van God gewilde
+tradities, en 2e, in haar volkomen eenstemmigheid te dezen aanzien.
+
+Had de Heere reeds voor Oud-Israël ingezet, dat het volk minstens
+éénmaal 's jaars voor Zijn aangezicht te Jeruzalem moest verschijnen,
+hoe moeielijk voor Jozef en Maria de onderhouding van dit gebod ook
+ware, elk jaar togen zij met Paaschfeest naar Jeruzalem.
+
+Ook ons heeft de Heere Zijne inzettingen gegeven, zooals 't lezen der
+Schrift, het huiselijk gebed, en het kerkbezoek op den Zondag.
+
+Zijn wij als Jozef en Maria getrouw in 't houden dezer inzettingen?
+Helaas, de mannen laten de onderlinge bijeenkomsten na. Alléén de
+vrouwen komen tamelijk geregeld op, en hier en daar een enkele man.
+»Vrouwen, waar zijn uwe mannen! Moeders, waar zijn uwe zonen?" vroeg de
+predikant met ontroerde stem.
+
+Helaas, er is geen overeenstemming tusschen man en vrouw in 't eene
+noodige! Hoe geheel anders is dit bij Jozef en Maria! Zij gaan altijd
+samen op. Bij hen is te dezen aanzien een volkomen eenstemmigheid.
+
+En deze moet er bovenal zijn, wil 't familieleven gelukkig en gezegend
+zijn.
+
+Door den Heere wordt deze eenstemmigheid ten hoogste gewaardeerd. Ziet,
+dit is de eere, die Hij aan deze arme echtgenooten geeft, dat zij de
+pleegouders mogen zijn van Zijn Eeniggeboren Zoon.
+
+Wanneer de Duitsche Keizer de opvoeding van den Kroonprins aan twee
+arme, hoewel godzalige, echtgenooten had toevertrouwd, zou hij duizend
+jaren later om deze domheid nog zijn bespot. Maar ziet hier de ironie
+der Goddelijke wijsheid. Zij lacht om aardsche heerlijkheid! Hóóg houdt
+zij 't ware schoon! Daartoe behoort allereerst de overeenstemming van
+man en vrouw in den dienst des Heeren! Zie hier, hoe hoog deze door den
+Heere wordt gesteld!
+
+ O Selig Haus, wo Mann und Weib in einer,
+ In deiner Liebe eines Geistes sind,
+ Als beide eines Heils gewürdigt, keiner
+ Im Glaubensgrunde anders ist gesinnt;
+ Wo beide unzertrennbar an dir hangen
+ In Lieb und Leid, Gemach und Ungemach,
+ Und nur bei dir zu bleiben stets verlangen
+ An jedem guten wie am bösen Tag!
+
+Dat is:
+
+ O zalig huis, waar man en vrouw in eene,
+ In uwe liefde éénes geestes zijn,
+ Waar beiden van één heil bezitters zijn en geene
+ In gronden des geloofs een andere gezindheid heeft.
+ Waar beiden onafscheidelijk aan u hangen,
+ In lief en leed, gemak en ongemak,
+ En slechts bij u te blijven steeds verlangen,
+ Zoowel op iederen goeden als op iederen boozen dag.
+
+Van zoodanige heerlijke eenstemmigheid merkt men echter in Duitschland
+betrekkelijk weinig. De Duitsche vrouw bleef tot op heden tamelijk wel
+haar Gretchen-natuur getrouw; ze is nog steeds in de kerk te vinden. De
+Duitsche man handhaaft daartegenover zijn treurig Faust-karakter; hij
+hoort de evangelieboodschap wel, maar gelooft haar niet.
+
+De Duitsche vrouw was dan ook tot hiertoe de zon in het Duitsche huis,
+en 't Duitsche huisgezin was de hoeksteen van het Duitsche rijk.
+
+Helaas, thans begint ook deze zon te verdonkeren, begint deze hoeksteen
+te wankelen.
+
+Aangrijpend toch is wat de Duitsche bisschoppen voor enkele weken in hun
+herderlijk schrijven aan de Duitsche natie hebben medegedeeld.
+
+Volgens 't schrijven dezer bisschoppen kwamen er in 1876 42 geboorten
+voor op de 1000 inwoners, in 1911 daarentegen slechts 29 op de 1000. Dit
+beteekent 65000 kinderen minder voor het geheele rijk. Altijd sneller
+gaat 't getal der geboorten in Duitschland nog achteruit. Duitschland
+streeft op treurige wijze Frankrijk en België in dezen voorbij. Spoedig
+zullen in Duitschland jaarlijks meer lijkkisten dan wiegen zijn.
+
+Vreeselijk!
+
+Met cynisch welbehagen schreef kort geleden dan ook een Fransch blad:
+»Het Fransche volk kan rustig zijn, in Berlijn doen ongeloof, ontucht en
+echtbreuk even goed hun werk als in Parijs." Het blad raadt dan ook aan,
+Duitschland niet met kanonnen te bedreigen, maar met zedelooze romans te
+overladen.
+
+Wie huivert niet voor de toekomst van 't Duitsche volk, wanneer men van
+deze dingen kennisneemt? Hoe schoon het heden ook lijke, er is weinig
+zienersgevoel noodig om aan den horizon de donkere koppen te zien, die
+'t dreigend gericht voorspellen.
+
+Ik denk op dit oogenblik aan hetgeen ik kort geleden van Lasserre las
+over den bekenden Franschen schrijver Ernst Hello. Deze Hello is met
+recht genoemd de Pascal der 18e eeuw. Hij heeft een schitterend werk
+geschreven, getiteld: »l'Homme"; »de mensch".
+
+Lasserre geeft bij dit werk een inleiding, en deelt daarin de volgende
+passage mede.
+
+Het was in één der jaren vóór 1870, tijdens de tentoonstelling te
+Parijs. In de zoogenaamde dolle jaren dus. Men smeet met het geld. Men
+droomde van wereldvrede. Het was een der meest rotte tijden uit de
+geschiedenis. Uitwendig scheen alles in groei en bloei. Inwendig was 't
+volksleven geheel vermolmd.
+
+De Pruisen hadden 't grootste stalen kanon tentoongesteld, dat totnogtoe
+gegoten was.
+
+Men lachte om dit ding.
+
+Trouwens, oppervlakkigheid en lichtzinnigheid was één der voornaamste
+kenmerken van dien tijd. Vlak vóór den oorlog beweerde de Regeering in
+de Kamer:
+
+»Alles is voor den oorlog gereed, geen knoop ontbreekt aan de slobkous!"
+
+Op één dier dagen vóór '70 wandelde Lasserre op de tentoonstelling. In
+de verte komt Hello aanwandelen. Hij komt naar Lasserre, en zegt: »Ik
+verwonder mij, mijn vriend!" »Waarom?" voert Lasserre hem tegemoet. »Ik
+kwam langs de Tuilerieën, en verwonder mij, dat zij niet in vlammen
+staan!"
+
+Die man is krankzinnig, zegt een ander tot Lasserre.
+
+Nog slechts korten tijd, en de Pruisen staan voor Parijs. De Tuilerieën
+gaan in vlammen op.
+
+Vreeselijk, wanneer een dergelijk lot Duitschland moest treffen!
+
+Nòg heeft 't Duitsche volk veel voor boven 't Fransche. Nòg heeft
+Duitschland vele profeten, die het volk getrouw waarschuwen. Moge 't
+naar dezen nog luisteren!
+
+Toen ik gisteren, aan den avond van des keizers verjaardag, de sneeuw
+zag liggen op de bergen, dacht ik onwillekeurig aan 't woord van Jesaja
+tot Juda: »Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren
+uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw".
+
+Hoore 't Duitsche volk nog naar dit woord van God! Ook voor de toekomst
+van ons volk zal dit van de grootste beteekenis zijn.
+
+Onwillekeurig heb ik nu mijn maat al vol geschreven. Laat ik u nog even
+mededeelen, hoe 't mij gaat. Ik ben overgelukkig, dat ik u kan
+berichten, dat 't mij zeer wel gaat. Deze derde kuur schijnt mij de
+gezegendste, die ik gemaakt heb. O wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik
+weer aan 't openbare leven kan deelnemen!
+
+Verheerlijke de Heere daartoe de wonderen Zijner goedheid en almacht aan
+mij, onwaardige, en verhoore Hij uwe en onze gebeden!
+
+Weest allen tezamen den Heere bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 4 Februari 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Van 9 Januari tot heden, 4 Februari, heb ik wederom in Heidelberg
+vertoefd; terwijl ik mij gereed maak om te vertrekken, zie ik terug op
+de dagen, die achter mij liggen, en dankbaarheid aan den Heere doet mijn
+hart met snelle vreugdeslagen kloppen.
+
+Het is vandaag een schoone dag hier; een lentedag in den winter; er
+is een heldere lucht, een vriendelijk zonnetje. Er waait geen windje.
+»Ueber allen Gipfeln ist Ruh!" Boven op de bergen, overal is 't
+heerlijke stilte in de natuur. Heerlijk symbool van wat op dezen dag
+mijn hart vervult.
+
+De Heere heeft alles wederom zoo wel gemaakt. Hij heeft mij beloofd,
+voor mij te zullen zorgen, en geen tittel of jota van dat woord is ter
+aarde gevallen. Integendeel, de uitkomst heeft een klemtoonteeken
+geplaatst boven de rijke belofte Gods. Hij heeft vriendelijke handen
+gegeven, die voor ons wilden zorgen, en die ik in gedachte zegen. Hij
+heeft mij thans weer gesterkt gedurende een sterk aangrijpende kuur.
+Behalve de dagelijksche inspuitingen heb ik 14 Röntgen-bestralingen
+gehad; dit is zelfs één boven 't maximum, dat hier wordt toegediend.
+Daarbij heb ik zes radium-bestralingen ontvangen, elk van vijf uren.
+Reeds de dagelijksche inspuitingen grijpen 't gestel zóó aan, dat alle
+patiënten er tegen opzien. Nochtans heb ik alles zonder eenig bezwaar
+mogen doorstaan. In geen maanden hebben zich bloedingen vertoond. Mijn
+gewicht bleef gedurende de kuur hetzelfde, mijn krachten zijn weer
+aanmerkelijk toegenomen. En terwijl wij vertrekken, gloort de hope op
+een algeheele genezing mij als 't licht van een nieuwen levensmorgen
+tegen. Het is een lentedag in den winter, en al wat in mij is, jubelt
+den Gever van alle goede gaven tegemoet, om Hem te danken voor zooveel
+gunst aan een onwaardige en ellendige bewezen.
+
+Hoeveel de Heere ook geeft, ik heb evenwel nog meer te vragen. En vooral
+twee wenschen kiemen thans op in mijn hart, één voor 't »Jenseit", één
+voor 't »Diesseit", één voor 't geestelijke, één voor 't tijdelijke
+leven.
+
+De Heere geeft mij een langzaam, een gestadig herstel. Behaagt 't Hem
+mij volkomen te genezen, dan heb ik voor 't geestelijke leven den
+innigen wensch, dat de Heere mij en mijn huis steeds nader tot Hem
+brenge. Alleen de ware levensheiliging geeft ware levensvreugde; waar de
+heiligmaking is, bloeit de hoogste vreugde, zelfs in dagen van zware
+krankheid, zelfs in kerkerholen, zelfs in de zevenmaal heeter gestookte
+ovens.
+
+Met de oude mystieken ging ik te rade, wat de beste middelen zijn om de
+vervulling van dezen wensch te verkrijgen, en met hen kwam ik tot 't
+besluit, dat de _meditatie_ of de _overdenking_, de _oratie_ of 't
+_gebed_, de _contemplatie_ of de _inwendige geestelijke aanschouwing_
+de voortreffelijkste wegen zijn, die leiden tot 't voorgestelde doel.
+
+Tweemaal lezen wij in Lukas 2 van Maria, dat zij de dingen, die haar
+omtrent Jezus gezegd werden, bewaarde in haar hart; éénmaal, dat zij die
+tezamen bij zichzelve overlegde. Maria _mediteerde_ over hetgeen de
+herders, een Simeon, een Hanna haar zeiden. We kunnen veilig aannemen,
+dat vooral 't woord van Simeon haar als lood op de ziel heeft gewogen,
+en dat zij er veel en zwaar over heeft nagedacht. Wat was de vrucht
+daarvan? Dat haar in de donkerste ure van haar leven, toen zij bij 't
+Kruis stond, 't licht daarover opging, en juist dit licht behoedde haar
+toen voor algeheele vertwijfeling. Het mediteeren over 't Woord Gods, de
+wegen Gods, de leidingen Gods, is als de hamerslag, die de nagelen van
+het Woord steeds vaster slaat in onze ziel. Dit mediteeren ontsteekt de
+witte vlam der heilige wijsheid in onzen geest; deze wijsheid is als 't
+oog der ziel; dit oog ziet 't perspectief der hope, waar anderen in
+dikke duisternis rondtasten.
+
+Aan dit rustig mediteeren hebben we vooral tegenwoordig zulk een groote
+behoefte. De zaken, die wij dagelijks moeten doen, zijn zoo groot en zoo
+vele, en de dagen zijn zoo kort. We hebben altijd zulk een haast. Dit
+is niet goed. Op deze wijze loopt onze geest ledig, en wij moeten hem
+vullen. Wij nemen er den tijd af voor allerlei dingen. Laten wij er ook
+den tijd afnemen voor de godvruchtige meditatie. Deze doet ons als Mozes
+te midden van de vele drukten van 't leven nabij den Heere leven, en
+verhoogt 't gewicht en de kracht van ons bestaan.
+
+In de tweede plaats noemde ik als middel om nabij den Heere te leven de
+_oratie_ of 't _gebed_.
+
+Te mogen bidden, te mogen spreken met den Koning der koningen, welk een
+eere! Te kunnen bidden, welk een verlichting in de ure der benauwdheid!
+Het klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Welk een troost,
+wanneer wij in tijden van diepe droefenis met de psalmisten 't
+boordevolle hart mogen uitstorten voor Hem, die Zich wendt tot het gebed
+desgenen, die gansch ontbloot is. Van den troost en de kracht van 't
+gebed staat zooveel in 't Woord van God geschreven, dat ik er niet breed
+over wil uitweiden.
+
+Alleen op één sprekend voorbeeld wil ik nog wijzen. Jeruzalem wordt door
+Sanherib belegerd, en ongeveer op dienzelfden tijd is Hiskia doodelijk
+krank. En 't ergste is, het volk is door zijn zondig verleden rijp voor
+'t gericht. Welk een hachelijke toestand! Hiskia wendt zich in dezen
+hoogen nood weenend tot den Heere. De Heere hoort. De koning wordt door
+een wonder genezen. Het Assyrisch leger van honderd vijf en tachtig
+duizend man wordt in één nacht geveld. De stad wordt verlost. De
+ongerechtigheid wordt vergeven. Welk een overweldigende rijkdom van
+zegen op 't gebed van één man! Broeders en zusters, laat 't gebed de
+kracht van ons leven zijn, zoo zal er zeker kracht van ons uitgaan.
+
+Als derde hulpmiddel voor de bevordering van 't gemeenschapsleven met
+den Heere, noemde ik de _contemplatie_ of de _innerlijke geestelijke
+aanschouwing_.
+
+Wanneer een onzer verwanten een ongeluk treft, bij een spoorwegongeval
+omkomt, of te water valt en verdrinkt, stellen wij ons telkens de ramp
+voor oogen. Het is, of wij den geliefde door de rails zien verbrijzelen,
+of wij hem in de golven zien wegzinken. Het is ons, of wij zijn laatste
+angstkreten hooren. Een oogenblik staan wij op om hem ter hulp te
+snellen. Zóó krachtig werkt 't voorstellingsvermogen in den mensch. Het
+werkt in zulke gevallen zoo krachtig door de liefde, die wij voor den
+getroffene gevoelen.
+
+Alzoo is de liefde ook de drijfkracht in de innerlijke, geestelijke
+aanschouwing. Zij dringt ons, om ons den Heiland voor oogen te stellen,
+zooals Hij lag in de kribbe, zooals Hij rondwandelde door Kanaän, zooals
+Hij worstelde in Gethsémané, zooals Hij leed voor Kájafas, Pilatus,
+Herodes en aan het kruis, zooals Hij na Zijn opstanding verscheen aan
+Zijn jongeren, zooals Hij opvoer ten hemel, en zooals Hij nu naar de
+heerlijke beschrijving van Johannes is gezeten ter rechterhand van den
+Vader. Zijn wij recht levendig in deze aanschouwing werkzaam, dan is 't
+ons, of zij ons een wijle buiten ons zelven brengt.
+
+Heerlijk is de vrucht dezer contemplatie.
+
+Zij vereenigt ons op 't allernauwst met den Heere, zij doodt den
+zinnelijken lust, zij vervult de ziel met 't hemelsch ideaal, zij doet
+ons als Henoch wandelen met God, zij brengt een heerlijken glans op ons
+leven. Blonk het aangezicht van Mozes, toen hij van den berg kwam, waar
+hij met den Heere had verkeerd, ook op ons gansche zijn komt de gouden
+glans van den hemel.
+
+Alzoo beleven wij waarlijk, wat Paulus schrijft, 2 Cor. 3: 18: »Wij dan,
+de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar
+hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot
+heerlijkheid, als van des Heeren Geest."
+
+O heerlijk, o gelukkig, o gezegend leven!
+
+Behaagt 't den Heere nog jaren tot mijn levensdagen toe te voegen, 't
+behage Hem dan ook, dit leven mij te schenken, opdat ik reeds op aarde
+den hemel mag beginnen, en volkomen mag zijn voor de taak, die mij
+wacht.
+
+Over mijn tweeden wensch hoop ik U een volgende maal te schrijven.
+
+'t Bovenstaande schreef ik 's morgens vóór mijn vertrek uit Heidelberg.
+2.19 stapten we te Heidelberg in den trein. We hadden een voorspoedige
+reis; precies op tijd liep 's avonds even over tien onze trein 't
+station te Amersfoort binnen. Onze beide jongens waren aan den trein, en
+ge begrijpt de vreugde van 't wederzien. Den Heere zij lof en dank voor
+alles.
+
+Ontvangt van mijn vrouw en huisgenooten de hartelijke groeten.
+
+Weest allen tezamen den Heere bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 10 Februari 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+In mijn vorig schrijven heb ik U reeds onze behouden aankomst in
+Amersfoort gemeld. Zoo spoedig mogelijk ben ik hier naar mijn huisdokter
+gegaan, om mij wederom te laten onderzoeken. Hij was buitengewoon
+tevreden over de in- en uitwendige resultaten der kuur.
+
+Alzoo ga ik dan, den Heere zij daarvoor lof en prijs, langzaam maar
+gestadig vooruit. Natuurlijk zou ik liever zien, dat mijn genezing
+grootere sprongen maakte. Maar wij weten niet, wat wij moeten begeeren.
+In Heidelberg is men van oordeel, dat een langzame maar steeds
+doorgaande genezing beter is dan een plotselinge, omdat zich bij de
+snelle genezingen de meeste terugvallen voordoen, terwijl een langzame
+maar gestadige voortgang der genezing de meeste kans biedt, dat men
+voorgoed van de kwaal wordt bevrijd.
+
+Hoe dit zij, ik geef 't over aan den Heere, die mij beloofd heeft voor
+mij te zorgen. Dezer dagen wilde Hij mij wederom nog zoo krachtig
+vertroosten met de woorden van Ps. 91: 1, »Die in de schuilplaats
+des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des
+Almachtigen". Wat zal ik nog meer wenschen? Wat anders dan dat heel deze
+weg mij maar altijd nader brenge tot den Heere, mij altijd inniger Zijn
+gemeenschap doe smaken. Dit is 't Hoogste en Zoetste. Daarvan zing ik
+met Tersteegen in zijn overschoon lied: »De vereeniging met God".
+
+ Ich bin im dunklen Heiligtum,
+ Ich bete an und bleibe stumm;
+ O ehrfurchtfolles Schweigen!
+ Der beste Redner sagt mir nicht,
+ was man hier ohne Reden spricht,
+ durch Lieben und durch Beugen.
+
+ Hier ist die stille Ewigkeit
+ ein immerwahrend selges Heut,
+ dies Nun kann alles geben.
+ Die Zeit vergeht mir süsz un sacht;
+ Ich möchte beten Tag und Nacht,
+ bei Gott im Geiste leben.
+
+ Hier ist mein wahres Element,
+ ein Friedensland, weit ohne End,
+ von Milch und Honig flieszend,
+ Hier quilt im Grund ein Balsenflusz,
+ durch alle Kräfte des Genusz,
+ So sänftiglich ergieszend.
+
+Dat is:
+
+ Ik ben in 't donker heiligdom;
+ Aanbiddend, blijf ik stom;
+ o diep eerbiedig zwijgen!
+ De beste spreker zegt mij niet
+ wat men hier zonder woorden spreekt,
+ door _Lieven_ en door _Buigen_.
+
+ Hier is de stille eeuwigheid,
+ een altijddurend zalig heden;
+ dit »nu" kan alles geven.
+ De tijd gaat voorbij zoet en zacht;
+ Ik wilde wel bidden dag en nacht,
+ Om in den geest bij God te leven.
+
+ Hier is mijn ware element,
+ een vredes-land zonder end,
+ van melk en honig vloeiend.
+ Hier ontspringt een balsembron,
+ die 't genot in alle zielekrachten
+ zoo zoetelijk doet stroomen.
+
+Behaagt 't den Heere, mij te herstellen, dan heb ik natuurlijk ook nog
+een tweede begeerte, n.l. spoedig te mogen ingaan tot den arbeid, die
+zoo geheel de liefde van mijn hart heeft, den arbeid onder voogdij- en
+regeeringskinderen, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en
+zwervers.
+
+Volgens sommigen is deze arbeid wel nutteloos; zij beschouwen eigenlijk
+alleen dan een bekeering als echt, wanneer iemand van zijn jeugd af als
+een kind des verbonds heeft geleefd. »Wacht u voor bekeerde Joden, voor
+bekeerde hoeren, voor bekeerde bandieten! Een vos verliest wel zijn
+haren, maar niet zijn streken." Ziedaar hun standpunt!
+
+Er is zeker weinig betoogkracht noodig om dadelijk te doen zien, dat
+dit standpunt onhoudbaar is.
+
+Het strijdt met de Schrift. De eerste Christelijke gemeente is uit
+bekeerde Joden als evenzoovele levende steenen opgebouwd, en hoeveel
+goeds wordt in de Schrift van haar gezegd. Een moordenaar volgde den
+Heiland in 't paradijs. Hoeveel liefde bewees de vrouw, aan wie veel
+vergeven was!
+
+De feiten werpen ook dit heele standpunt omver. Denkt slechts aan een Da
+Costa, een Neander, een John Bunyan, een Rowland Hill.
+
+De ervaring bewijst juist, dat menschen met een zwarte jeugd, wanneer
+zij waarlijk bekeerd worden, zich na hun bekeering zoo ver mogelijk van
+dit zwarte punt zoeken te verwijderen, en als Maria Magdalena zoo dicht
+mogelijk bij den Heere zoeken te zijn.
+
+O, ik brand dan ook van verlangen, om dien arbeid te beginnen onder deze
+ellendigen en verlorenen.
+
+In de stichting voor voogdij- en regeeringskinderen zullen we in den
+regel wel alleen degenen krijgen, die voor de gezinsverpleging
+ongeschikt zijn. Dit is dus 't minste soort. Maar o, wat lokt 't mij
+aan, deze zwarte schapen hun weg voor oogen te stellen, en hun te doen
+zien, hoe deze weg hen ten ondergang voert! Hoe lokt 't mij aan, hun
+tegelijk den oneindigen rijkdom van Christus' zoekende liefde te
+prediken, en hun den weg te wijzen, die leidt tot een eeuwig behoud!
+
+Ook van de opleiding voor maatschappelijken arbeid stel ik mij veel
+goeds voor. Terecht heeft de Regeering ingezien, dat zij voor heel
+de opvoeding van dergelijke kinderen de krachten van 't particulier
+initiatief moet te hulp roepen. Vooral in de particuliere stichtingen
+kan de Christelijke liefde haar werk doen. Met dwang alleen komt
+men trouwens in 't werk der opvoeding niet veel verder. Laat de
+plantagehouder zijn slaven op den akker zenden, laat hij den man met de
+zweep medezenden; 's avonds keeren de slaven wel terug met de vruchten
+van hun arbeid, maar ook met een hart vol haat tegen den meester en
+tegen den arbeid. Liefde tot den arbeid moet den kinderen worden
+ingeprent. Daartoe moeten dwingend gezag en Christelijke liefde
+samenwerken.
+
+De andere arbeid, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en
+zwervers, is van niet minder belang.
+
+In den regel stellen wij ons voor, dat de gevangene in zijn kerker vurig
+naar de vrijheid verlangt. En dit is ook zoo. Toch is er iets, dat hem
+al 't genot der vrijheid geheel vergalt. De gevangene weet, dat hij in
+zijn gezin de eereplaats kwijt is. Werk krijgt hij niet gemakkelijk
+meer. Wie wil iemand hebben, die gezeten heeft? Velen vallen na hun
+ontslag uit de gevangenis in de misdaad terug, en zij gaan hun verder
+leven van de gevangenis in de maatschappij, van de maatschappij in de
+gevangenis. Dit moet voorkomen worden. Deze menschen moeten geholpen
+worden. »Peccator est, comprime; homo est, miserere!" »Hij is een
+misdadiger, bestraf hem; hij is een mensch, heb medelijden met hem!"
+
+Ook voor de drankzuchtigen moet er een retraite (rustplaats) zijn, waar
+hun verstoord zenuwleven hersteld wordt, en waar zij onder de
+bearbeiding der Christelijke liefde tot den strijd tegen de
+drinkgewoonte worden gesterkt.
+
+Het moeilijkst te behandelen zijn de zwervers, de arbeidsschuwen; die
+leven van bedelarij en diefstal. Maar de Heere kan ook uit deze steenen
+kinderen Abrahams verwekken.
+
+O geve mij de Heere dezen arbeid te mogen beginnen!
+
+Geliefden, houdt aan in 't gebed voor mij! Verblijde ons de Hoorder der
+gebeden nog door Zijn groote daden!
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 19 Februari 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Tot mijn leedwezen kan ik u thans geen uitvoerig schrijven doen
+toekomen. Ik lig met een lichte maagkatarrh te bed, en kan dus niet
+schrijven.
+
+Gedenkt onzer, en weest den Heere bevolen
+
+ door uwen u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 25 Februari 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Het speet mij zeer, dat ik u een vorig maal door een lichte maagkatarrh,
+die mij een paar dagen aan 't bed bond, geen uitvoerig schrijven kon
+doen toekomen. Van deze kleine ongesteldheid ben ik thans, den Heere zij
+dank, geheel hersteld.
+
+Wat de eigenlijke kwaal aangaat, behoudt 't proces zijn gewoon verloop.
+Den éénen dag gevoel ik me eens wat beter dan den anderen dag; maar over
+het geheel genomen ga ik toch langzaam vooruit.
+
+Ik zal echter lang moeten wachten, voordat ik geheel hersteld zal zijn,
+wanneer 't den Heere althans behaagt mij te genezen. Dit lange wachten
+valt weleens moeilijk.
+
+Toch zou ik mij zeer bezondigen, wanneer ik klaagde. De Heere maakt 't
+gedurende dezen wachttijd in alle opzichten zoo boven bidden en denken
+wel.
+
+Ik denk in deze dagen veel aan Mozes' beproeving in Midian.
+
+Door Gods allerbijzonderst voorzienig bestel is hij door de hand eener
+prinses uit 't water getogen, en door haar zorg met de wijsheid van
+Egypte als overgoten. Temidden dezer heidensche opvoeding bevestigt de
+Heere nochtans aan Mozes Zijn verbond, dat Hij met Abraham heeft
+opgericht, en door deze heerlijke genadedaad Gods kiest Mozes in zijn
+hart den smaad van 't onderdrukt slavenvolk boven alles wat 't heidensch
+Egypte hem kan bieden. Een heerlijk levensideaal teekent zich af voor
+Mozes' oog. Hij voelt zich de providentiëel aangewezen verlosser van
+zijn arme volk, en hij trilt van verlangen om als zoodanig te mogen
+optreden. Hij is nu veertig jaar geworden. Hij gaat zijn volk bezoeken.
+Hij ziet een Egyptenaar een Israëliet mishandelen. Hij grijpt den
+verdrukker en velt hem neer.... Dit zal 't sein worden tot den
+algemeenen opstand van 't vertrapte slavenvolk! Nu zal de geweldige
+strijd beginnen!.... Droef verstoorde illusie!. Den volgenden dag treedt
+een Israëliet als verrader tegen Mozes op. Wel een bewijs, dat dit volk
+allerminst rijp is voor de groote worsteling. Het zal nog zwaarder
+verdrukt moeten worden, voordat de Israëlietische heldenziel ontwaakt.
+Mozes' eigen leven raakt in gevaar. Hij vlucht de woestijn in, totdat
+hij in Midian een veilig toevluchtsoord gevonden heeft bij Réhuël, den
+priester-sjeik, die den jongen man niet alleen in zijn huis maar ook in
+zijn familie opneemt. Hier vertoeft Mozes veertig jaren, van week tot
+week, van maand tot maand, van jaar tot jaar de kudde weidend van zijn
+schoonvader Réhuël.
+
+Welk een domme zaak voor 't oppervlakkig oog! De Heere formeert Mozes
+tot een verlosser voor zijn volk, en op 't oogenblik dat deze man Gods
+als zoodanig wil optreden, breekt de Heere Zijn eigen werk af. In plaats
+van Israël aan te voeren in den strijd tegen Egypte, moet hij veertig
+jaren achtereen 't vee van Réhuël weiden in de woestijn. Ossen en
+schapen hoeden kan iedereen; voor de verlossing van een volk is een
+allerbijzonderste zalving van noode; aan Mozes is de zalving gegeven, en
+zie, daar wordt de kostelijke middelmoot van 't leven van dien man, van
+zijn 40e tot zijn 80e jaar, als waardeloos in de woestijn weggeworpen.
+De geweldige leeuw wordt voor een zandkarretje gespannen, en moet zoo
+veertig jaren achtereen zijn reuzenkracht verbruiken in nietig werk.
+Welk een beproeving voor Mozes!
+
+Zeer juist! Maar evenals alle beproeving is deze weg voor Mozes de meest
+gezegende; deze lange omweg is de rechte weg, waarin zijn opvoeding
+tot verlosser des volks moet worden voltooid. Neen, de man, die daar
+kersversch uit de Egyptische omgeving kwam, was nog niet de rechte man
+voor de groote taak, die hem wachtte. Zeker, hij is vol van geloof; maar
+ook vol van eigenwaan. Met welk een illusie gaat hij naar de broeders.
+Hij zal zwaardwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van die
+martelaren, wien hij hulpe heeft toegezegd.... bij Mozes, den man Gods.
+De Heere zal aan de spitse treden, en door des Heeren zegen zal onder
+Mozes' leiding het verdrukte slavenvolk tot een heldenvolk worden, dat
+zich aan den greep der Egyptische onderdrukking ontworstelt. Welk een
+held is die Mozes! Maar in eigen oog! Ternauwernood is zijn eerste
+verlossingsdaad verraden, of...., hij slaat dadelijk op de vlucht. Er
+moet nog iets meer aan hem gebeuren, als hij werkelijk is de man Gods,
+die zich vasthoudt aan den Heere als ziende den Onzienlijke, en die
+daarom tegenover Faraö pal staat als Sinaï's rots. Dat groote werk wordt
+nu aan Mozes gewrocht in Réhuëls huis en in de woestijn! Daar leert hij,
+wat hij in Egypte niet had kunnen leeren. Midian is de hoogeschool, die
+Mozes eerst nog moest doorloopen, voordat hij bekwaam was voor zijn
+hooge taak. Ongetwijfeld heeft ook Mozes dit later alles ingezien, en er
+den Heere voor gedankt.
+
+Op soortgelijke wijze als voor Mozes heeft de Heere aanvankelijk de
+beproeving ook voor mij gezegend.
+
+Zeker, het kruis is hard, zwaar, drukkend. Niemand mag 't begeeren. Dit
+ware tegen de ordening Gods. Ieder verdrukte mag en moet, mits met
+ootmoedige en eerbiedige onderwerping van eigen wil aan des Heeren
+souvereinen, wijzen, ook heiligen wil, bidden om wegneming van 't kruis.
+
+En toch, wanneer 't den Heere behaagt, 't kruis op te leggen, en den
+druk aan hart en leven te heiligen, is er niets meer zegenrijk dan 't
+kruis.
+
+Dan wordt 't bevestigd: _hoe grooter kruis, hoe dichter bij den Heere_.
+Nooit vergeet ik 't oogenblik, toen mij gezegd werd, dat ik de bekende,
+vreeselijke ziekte had. Daar stond ik, vlak voor den dood, vlak voor de
+eeuwigheid, vlak voor den Heere. Rijk was de genade, die de Heere toen
+schonk. Het was mij om 't even, wat de Heere met mij deed, indien ik
+slechts nabij Hem mocht zijn. Ook ik gevoelde levendig en voortdurend,
+wat Tersteegen in verheven dichtwoorden zingt:
+
+ Luft, die alles füllet, drin wir immer schweben,
+ aller Dinge Grund und Leben;
+ Meer, ohne Grund und Ende, Wunder aller Wunder:
+ Ich senk mich in Dich herunter.
+ Ich in Dir, Du in mir;
+ lasz mich ganz verschwinden,
+ Dich nur sehn und finden.
+
+Dat is:
+
+ Lucht, die alles vult, waarin wij altijd zweven,
+ aller dingen Grond en Leven;
+ Zee, zonder grond en eind, wonder aller wonderen:
+ Ik zink in U ten onderen.
+ Ik in U, Gij in mij:
+ laat mij geheel verdwijnen,
+ U slechts zien en vinden.
+
+O, gezegend kruis, dat zulk een heil mij bracht!
+
+_Hoe grooter kruis, hoe sterker geloof._ Waar alles wordt afgesneden,
+hecht zich 't geloof steeds vaster aan Hem, Die een afgesneden zaak
+op aarde doet, en Die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch
+ontbloot is. Wie beschrijft den troost, dien dit geloof medebrengt? Dit
+geloof onderwerpt zich volkomen aan Gods soevereinen, wijzen en heiligen
+wil; maar 't blijft tegelijk hopen, waar allen wanhopen.
+
+_Hoe grooter kruis, hoe vuriger liefde._ De verdrukking is de stormwind,
+die 't liefdevuur hooger en hooger doet oplaaien. Het »God heb ik lief!"
+van den 116en psalm ruischt inniglijk op uit den diepen bodem des
+harten. Die liefde is het leven, dat den dood niet vreest, maar met den
+dood eerst tot zijn rechte uiting komt. Zou ik dan 't kruis niet kussen,
+dat zulken zegen brengt?
+
+_Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon._
+
+ Je gröszer Kreuz, je schöner Krone,
+ Die Gottes Gnad uns beigelegt,
+ Und die einmal vor seinem Throne
+ Der Uberwinder Scheitel trägt,
+ Ach, dieses teure Kleinod macht,
+ Dasz man das gröszte Kreuz nicht achtet.
+
+Dat is:
+
+ Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon,
+ Die Gods genade heeft toegelegd,
+ En die Hij eenmaal voor Zijn troon,
+ Om 's overwinnaars schedel vlecht.
+ Ach, dit duurzaam kleinood maakt
+ Dat 't grootste kruis als niets is geacht.
+
+Geliefde gemeente, hoe 't hier op aarde ook met u en mij ga, dengenen,
+die den Heere liefhebben, werken alzoo alle dingen mede ten goede.
+Laat ons dit vasthouden! Laat de Azafswensch de onze zijn: »_Maar mij
+aangaande, het is mij goed, nabij God te wezen._" Met Mozes zullen wij
+dan eenmaal aan des Heeren mond mogen ontslapen.
+
+Daartoe zij de Heere met u en met mij!
+
+Ontvangt wederom de hartelijke groeten mijner huisgenooten, en gedenkt
+mij steeds als
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 5 Maart 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+De vogeltjes tjilpen alweer. De voorboden der komende lente vertoonen
+zich alweer. De landman gaat weer uit tot zijn akker, om dien voor de
+ontvangst van 't zaad te bereiden.
+
+Tegenover mijn raam staat van den morgen tot den avond een man te
+spitten. Met forschen stoot zet hij telkens de spade in den grond. Alsof
+ze een veer ware, licht hij de losgewrongen kluit met zijn spade op.
+Met een lichte handbeweging werpt hij den klomp aarde in stukken op
+haar plaats. Zoo werkt hij door, slechts nu en dan even verpoozend,
+den elleboog op den knop van zijn spade, zijn klomp op 't staal doende
+rusten. En dan gaat hij weer voort met zijn zwaren arbeid, totdat
+etenstijd hem een wijle huiswaarts roept.
+
+Deze stoere werker doet mijn hart branden van verlangen, om ook alzoo de
+spade in den grond te zetten op 't terrein, dat ik aanvankelijk betrad.
+Geduld! Geduld! De Heere maakt alles schoon op zijn tijd. Hoe heerlijk
+leert ons dit de roeping van Mozes bij 't brandend braambosch, waarbij
+ik deze week nogal eens werd bepaald.
+
+Mozes heeft nu den leeftijd van tachtig jaren bereikt. Nog is zijn
+schouder ongebogen; maar hij is de fiere jonge man niet meer, in wiens
+aderen 't bloed dadelijk bruist en kookt; die den aanrander van den
+volksgenoot met één slag velt, de herders van Midian op de vlucht
+drijft, en Zippóra's schapen drenkt. De kalmte der grijsheid heeft de
+onstuimigheid der jeugd vervangen.
+
+Echter moeten wij ons niet voorstellen, dat hij door het veertigjarige
+woestijnleven ruw geworden is. In de tenten der Oostersche Bedoeïenen
+heerschte vaak meer hoffelijkheid dan in de paleizen der stedelingen.
+
+Mozes heeft iets buitengewoons eerwaardigs, terwijl hij de kudde
+voortleidt, tot achter in de woestijn, bij Horebs berg.
+
+Waarom, Mozes, voert ge uwe kudden zóó ver weg, tot achter in de
+woestijn? Waarheen wendt zich vol heimwee uw oog? Blijft daar nog een
+hope sluimeren op den bodem van uw hart, dat gij toch nog eens als
+redder zult optreden van dat volk, dat daarginds in slavenboeien zucht?
+
+Plotseling worden zijn gedachten afgeleid door iets in zijn nabijheid.
+Een boschje staat in brand. Dit was niets ongewoons. 't Gebeurde wel
+meer door de onvoorzichtigheid van herders met 't vuur, dat er alzoo een
+woestijnbrandje ontstond.
+
+Zulk een brand is echter eindelijk uitgebrand; maar deze blijft gloeien,
+altijd sterker, altijd verhevener.
+
+Ware Mozes bijgeloovig geweest, hij ware op de vlucht gegaan. Hij
+gelooft; daarom gaat hij op onderzoek uit.
+
+O wondervol gezicht! Blinkend, doch niet verblindend gaan hoog de
+vlammen op. Niet verterend, maar verlichtend, omzweeft de lichtvolheid,
+de lichtheerlijkheid 't braambosch.
+
+Hoort een stem, die Mozes zegt, den schoenriem te ontbinden, omdat deze
+plaats heilig is!
+
+O groot oogenblik in Mozes' leven!
+
+De Heere spreekt!
+
+De Heere spreekt, en zegt Mozes, dat Hij is neergekomen om de
+verdrukking van Zijn volk te zien. Een menschelijke wijze van spreken,
+waarin de Heere Zijn nederbuigende goedheid aanschouwelijk maakt.
+
+De Heere spreekt, en roept Mozes om 't verdrukte volk uit Egypte te
+leiden, en naar Kanaän te voeren. Welk een roeping!
+
+Zullen de verdrukten zich nu laten leiden?
+
+Hoe zal Faraö bewogen worden de zeshonderdduizend werkkrachten, die hij
+gebruikt tot wat hij wil, te laten trekken?
+
+Op wien zal Mozes mogen steunen bij de voldoening dezer onafzienbare
+taak?
+
+De Heere noemt Mozes Zijn Naam: »Ik zal zijn, Die Ik zijn zal! Ik zal
+zijn!"
+
+Welk een roeping!
+
+De Heere is de _Zijnde_! Hij is niet een _wordende_ God, zooals Hegel
+leert. Hij is de Zijnde. De eenige wezenlijke. Het éénige, eeuwige,
+volmaakte wezen, buiten wien er niets wezenlijks is, en aan wien al wat
+is zijn ontstaan en voortbestaan dankt.
+
+De Heere is de _Ik zal zijn_. Zijn raad bestaat, en Hij doet al Zijn
+welbehagen.
+
+Niets kan Hem weerstaan. Hij schept werelden door een enkel woord van
+Zijn mond. Hij vernietigt koninkrijken met den adem Zijner lippen.
+
+De Heere is de _Ik zal zijn, die Ik zijn zal_. De Getrouwe. Hij zal
+zijn, wat Hij heeft toegezegd te willen zijn. De Heere vergeet Zijne
+beloften niet. Hij moge uitstellen, dit uitstel dient slechts tot de
+meerdere glorie van Hem, die een afgesnedene zaak op aarde doet.
+
+In dezen Naam is Mozes naar Egypte gegaan.
+
+In dezen Naam heeft de tachtigjarige zijn reuzentaak op luistervolle
+wijze volvoerd.
+
+Op Zijn tijd maakt de Heere alles schoon.
+
+Maar wij zien nu geen brandende braambosschen meer, en wij hooren nu
+geen hemelstemmen meer.
+
+Toegegeven. De openbaring Gods is thans voltooid. Hij, die met Zijn
+lichtvolheid woonde in 't nedere, nietige braambosch, heeft Zich na dien
+tijd zelfs nog heerlijker geopenbaard. Hij is met de volheid Zijner
+Godheid gekomen in nedere dienstknechtsgestalte.
+
+En Hij, die eenmaal zóó Zijn werk op aarde volbracht, en nu gezeten is
+ter rechterhand van den Vader, woont ook nu nog met Zijn Genade en Geest
+bij Zijn arm en ellendig volk.
+
+Ja, 't braambosch brandt ook nu nog voort. Als bij de Emmausgangers, is
+Hij ook nu met de Zijnen op hun weg, op hun beproevingsweg, en maakt
+hunne harten brandende.
+
+De Heere spreekt ook nu nog tot Zijn volk, door Zijn Woord en Zijn
+Geest, innerlijk en inniglijk in de ziel.
+
+Hij noemt ook nu nog Zijn Naam voor 't oor van Zijn volk.
+
+Indien één ding, dan heb ik dit duidelijk ervaren. Daarom, jubel op, o
+mijn ziel, in den Naam van Uwen getrouwen God! Jubel hoog op, en verlaat
+u geheel op Hem!
+
+ Befiehl du deine Wege
+ Und was dein Herze kränkt,
+ Der allertreusten Pflege
+ Des, der den Himmel lenkt!
+ Der Wolken, Luft und Winden
+ Gibt Wege, Lauf und Bahn,
+ Der wird auch Wege finden
+ Da dein Fusz gehen kann.
+
+Dat is:
+
+ Beveel gerust uw wegen,
+ Al wat u 't harte deert,
+ Der trouwe hoede en zegen
+ Van Hem, die 't al regeert!
+ Die wolken, lucht en winden
+ Wijst spoor en loop en baan,
+ Zal ook wel wegen vinden,
+ Waarlangs uw voet kan gaan.
+
+Dit bekende vers van den vromen Paul Gerhardt was een der eerste verzen,
+die opgegeven werden, toen ik Zondag 4 October 1913 voor de eerste maal
+de Duitsche kerk te Heidelberg binnentrad. Ge begrijpt, dat ik moeite
+had, mijn tranen te bedwingen. Daar zag ik 't braambosch brandende. Daar
+hoorde ik de stem des Heeren, tot mij sprekende in het gemeentelijk
+gezang.
+
+Sindsdien heb ik ook geluisterd naar den raad, die verder in dit lied
+van Gerhardt gegeven wordt:
+
+ Auf, auf, gib deinem Schmerze
+ Und Sorgen gute Nacht!
+ Lass fahren, was das Herze
+ Betrübt und traurig macht!
+ Bist du doch nich Regente,
+ Der alles führen soll,
+ Gott sitzt im Regimente
+ Und führet alles wohl.
+
+Dat is:
+
+ Schep moed, zeg aan uw smarten
+ En zorgen goeden nacht!
+ Laat varen, wat uw harte
+ In onrust heeft gebracht.
+ Gij wilt toch niet regeeren
+ Als een, die alles weet.
+ God blijft als Heer der Heeren
+ Met 't hoogst gezag bekleed.
+
+Ja, zoo is 't.
+
+Hij maakt 't alles wel, hetzij Hij onze aardsche wenschen vervult of
+niet. Hij stelt nooit teleur. Geeft Hij niet, wat wij begeeren, zoo doet
+Hij dit om 't meerdere in de plaats te geven.
+
+Hij maakt alles schoon op Zijn tijd.
+
+Leef, geliefde gemeente, in dit geloof!
+
+Werp steeds alle bekommeringen op Hem!
+
+Het einde Zijner wegen is de glorie van Zijn Naam en de zaligheid van
+Zijn volk!
+
+Weest allen tezamen dan dien God en Zaligmaker bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 10 Maart 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Terwijl ik u dezen brief schrijf, maak ik mij gereed om wederom naar
+Heidelberg te gaan, om mij daar voor de vierde maal onder behandeling te
+stellen.
+
+Was 't verloop van de derde kuur prachtig, de nawerking daarvan heeft
+niet beantwoord aan de verwachting, die ik ervan koesterde. De dikte in
+den mond blijft, nu en dan heb ik nog hevige pijn, en in de laatste
+veertien dagen heb ik 's nachts slecht geslapen.
+
+Ik wil echter allerminst klagen. Integendeel, wanneer de vreeselijke
+pijn mijn mond doorsnijdt, buig ik mij vol aanbidding voor de heiligheid
+des Heeren Heeren. Ik beschouw dezen kanker als een vruchtgevolg der
+zonde. Maar hij is voor mij ook een vuur Gods, dat mij doorloutert. Hij
+is voor mij ook een middel in Gods Hand, waardoor Hij mij brengt op de
+aller-, allerliefste plek, op de vlakke velden, waar onze Koning en Borg
+Zich in al Zijn schoonheid aan de ziel vertoont.
+
+Dan heb ik innerlijke vreugde in 't midden van de diepe smart, en stem
+ik in met wat de dichter zingt:
+
+ Maar, 't vrome volk, in U verheugd,
+ Zal huppelen van zielevreugd,
+ Daar zij hun wensch verkrijgen;
+ Hun blijdschap zal dan onbepaald,
+ Door 't licht dat van Zijn Aanzicht straalt,
+ Ten hoogsten toppunt stijgen.
+ Heft Gode blijde psalmen aan;
+ Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;
+ Laat al wat leeft, Hem eeren!
+ Bereidt den weg, in Hem verblijd,
+ Die door de vlakke velden rijdt;
+ Zijn Naam is Heer der Heeren.
+
+In dien Naam ga ik dan ook vol goeden moed weer naar Heidelberg. En zou
+ik niet? Hij heeft mij derwaarts den weg gewezen en gebaand. Ik kan
+niet anders doen dan Zijn goedheid daarin bewonderen. Voor de vierde
+maal heeft Hij de beide lieve broeders, die zich zoo sterk voor mij
+interesseeren, in staat gesteld de noodige middelen te vinden. Van 't
+oogenblik af, dat ik in Heidelberg kwam, heeft de Heere de middelen als
+wonderdadig willen zegenen. Zoude ik dan geen moed houden, en voortgaan
+op hope tegen hope, mij vasthoudende aan den Heere als ziende den
+Onzienlijke?
+
+Maar terwijl ik alzoo vol moed den geliefden vaderlandschen bodem weer
+voor eenige weken ga verlaten, is mijn hart vol van ernstige gedachten
+over de toekomst van ons volk, waaronder in de laatste jaren zulke
+gewichtige omkeeringen hebben plaats gegrepen, en inzonderheid over de
+toekomst van ons Gereformeerd volk.
+
+Kort geleden sprak ik met een Duitsch predikant. Met grooten ophef sprak
+hij van den wederopbloei van 't Calvinisme in ons Vaderland. Ons land is
+anders voor het buitenland geen stad op een berg; maar dit weet men daar
+dan toch, vooral in Duitschland, dat »der Calvinismus" alhier zulk een
+grooten »Aufschwung" gemaakt heeft.
+
+Later over dit gesprek nadenkende, vatte de vrees bij mij post, dat in
+de laatste jaren de machtige ontwikkeling van het Calvinisme eenigszins
+tot stilstand is gekomen.
+
+Dit stemde mij droevig, vooral met het oog op de jongste evoluties op
+politiek gebied.
+
+Wie had een jaar geleden ook maar eenigszins kunnen denken, dat
+geschieden zou, wat wij thans voor onze oogen zien afspelen?
+
+Cort v. d. Linden is de eerste Minister, en schrijft algemeen kiesrecht
+als punt één op zijn program. Verbeeld u, Cort van der Linden! In zijn
+staatkundigen brief van December herinnert Van Houten nog aan 't
+volgende feit: »Tegenover Cort van der Linden stond ik een dertigtal
+jaren geleden in het politiek strijdperk te Groningen, waar hij toen
+hoogleeraar was. Het toenmalige _comité voor algemeen kiesrecht_ had er
+een meeting belegd, die sterk was bezocht. Mr. W. Heineken trad als zijn
+woordvoerder op en werd hevig bestreden door B. D. H. Tellegen en Cort
+van der Linden. Ik schaarde mij aan de zijde van Heineken en verzocht
+den kiezers bij mijn aanstaande aftreding partij te kiezen. De uitdaging
+werd aangenomen door candidaatstelling van Cort van der Linden." En
+dezelfde Cort van der Linden, overigens een man van een vast karakter,
+is thans opgetreden als Minister om algemeen kiesrecht daadwerkelijk in
+te voeren!
+
+Daar is in de tweede plaats de heer Treub, evenals Cort van der Linden
+een man uit één stuk. Vóór de verkiezing van 't vorige jaar bedankte
+hij voor een hernieuwing van zijn mandaat als lid van de Kamer,
+omdat hij niet kon meegaan in de actie der linker-partijen voor
+staatspensionneering. Ook is dezelfde Minister zoo fel mogelijk gekant
+tegen de liefdadigheid. »De liefdadigheid," zoo schrijft hij in zijn
+»Sociale Verzekering", »is per slot van rekening niet voor den gever,
+maar voor den ontvanger; voor den gever moge zij zalig zijn, voor den
+ontvanger is zij, omdat hij er geen aanspraak op heeft, die hij met
+opgeheven hoofde kan doen gelden, maar er om bedelen moet en er door
+vernederd wordt, een _pest_." Na de verkiezing wordt de heer Treub
+Minister, en wat is nu zijn eerste regeeringsdaad? Een voorstel van een
+staatspensioentje, een voorstel tot oefening van staatsliefdadigheid
+jegens behoeftige ouden van dagen.
+
+O tuimeling der geesten!
+
+En wanneer nu aan deze verantwoordelijke Ministers rekenschap van deze
+regeeringsdaden wordt gevraagd, wijzen zij eenvoudig naar den wil van 't
+souvereine volk. Zij huldigen de leer van koning Leopold I, die met een
+kniebuiging de kroon uit de hand van 't souvereine volk ontving. Zóó
+vragen ook deze Ministers niet: wat zegt mijn staatsrechtelijk geweten,
+maar: wat zegt de volkswil? En wat is die volkswil? Hoe wordt hij
+saamgesteld? Wie spreek hem uit?
+
+Voor ons land is het antwoord daarop gemakkelijk te geven!
+
+Van 't eerste optreden der sociaal-democratische partij heeft haar
+leider, Mr. P. J. Troelstra, het algemeen kiesrecht op den voorgrond
+geschoven. Met dien eisch heeft hij de linkerzijde eerst verdeeld, en
+daarna over haar geheerscht. Daarna is hij nog gekomen met den eisch
+van staatspensioen. Wilden de vrijzinnigen tegen de sociaal-democraten
+opbieden, en wilden ze bij de herstemmingen op hun hulp en steun
+rekenen, dan waren zij verplicht, deze beide, algemeen kiesrecht en
+staatspensionneering, in hun programma's te schrijven. Alzoo geschiedde.
+De vereenigde linkerzijde triumfeerde. Nu heet 't dat algemeen kiesrecht
+en staatspensionneering door den volkswil zijn uitgesproken. 't Is
+eigenlijk de wil van Troelstra. Feitelijk doen Cort van der Linden en
+Treub niet anders dan dat zij buigen voor Troelstra. Snorkend, maar niet
+zonder grond, noemde Troelstra dan ook dit Kabinet zijn zaakwaarnemer.
+
+Kan 't erger?
+
+Gelukkig is er in Nederland nog een volk, dat nooit ofte nimmer voor den
+schepter van Mr. Pieter Jelles' volkswil bukt. En dat is 't
+Calvinistische volk.
+
+Maar tegen dit volk heeft zich zijn haat en die zijner partij dan
+ook 't felst gekeerd. Duidelijk kwam dit wederom uit bij de
+Kiesrechtmanifestatie op 1 Maart te Amsterdam in het Paleis voor
+Volksvlijt. Door de beide sprekers, Oudegeest en Troelstra, werd
+daar vooral op de lachspieren gewerkt. En wanneer brulde 't
+instemmingsgeroep? Wanneer er gespot werd! Zooals door Oudegeest:
+»Minister Rambonnet zendt niet den Bijbel, niet Bunyans Christenreize
+naar de eeuwigheid op de vloot, maar Treubs boek tegen 't Marxisme!"
+En door Troelstra, toen hij de Eerste-Kamerleden belachelijk maakte,
+en hen aanraadde, wat meer zorg te hebben voor het heil hunner
+onsterfelijke ziel.
+
+In den grond is heel de strijd der sociaal-democratie evenals die der
+vrijzinnigheid niets anders dan een anti-christelijke strijd. Op den
+bodem van elke wetenschap ligt de Theologie, ook van de sociologische
+wetenschap. Het ongeloof is de wortel, waarop vrijzinnigheid en
+sociaal-democratie stoelen; revolutie, opstand tegen God en Zijn
+Gezalfde, is beider vrucht.
+
+Daarom is de haat dan ook zoo fel van 't socialisme tegen den levenden
+God. Op treffende wijze is dit verklaard door Sertillanges in zijn
+werkje »Nos luttes", »Onze worstelingen". Hij spreekt daarin over den
+politieken strijd, den klassenstrijd en den Godsdienststrijd. Er is
+niets, zegt hij, wat de hartstochten zoo in beweging brengt als de
+politiek. De klassenstrijd kweekt daarbij haat. Nu zou men denken, dat
+de Godsdienst vrede zou brengen. Maar neen, zij brengt olie in 't vuur.
+Christus heeft gezegd, dat Hij gekomen is, om 't zwaard te brengen op
+de aarde, en de tegenpartij voelt in de partij van den levenden God de
+scherpte van Christus' zwaard. (Sertillanges, Nos luttes, bladz. 137 en
+138).
+
+Onwillekeurig komen de scherpste partijen 't meest tegenover elkander te
+staan. De middenpartijen vallen weg. Het scherp gekleurde komt op den
+voorgrond.
+
+Alzoo is dan ook nu reeds vervuld, wat ik reeds voor jaren in mijn
+»Calvinisme en Socialisme" opperde, dat in Nederland de groote strijd om
+de leiding der geesten in de toekomst zou gestreden worden tusschen
+Calvinisme en Socialisme.
+
+Wie zal in die worsteling triomfeeren? O zoo gemakkelijk kon 't
+Calvinisme overwinnen, wanneer 't één was!
+
+Maar helaas, hoeveel soorten van gereformeerden zijn er niet! Er zijn
+Gereformeerden A en B, Christelijk-Gereformeerden, oud-Gereformeerden,
+de mannen van den Gereformeerden Bond, voorts die van de Confessioneele
+Vereeniging.
+
+Welk een kracht zou er van 't Calvinisme in ons vaderland uitgaan,
+wanneer al deze Gereformeerden eens werkelijk één waren!
+
+Maar dit worden ze toch nooit, hoor ik zeggen. Ziet maar eens, hoe
+scherp ze tegenover elkander staan! De één wil nog gereformeerder zijn
+dan de ander; dezen worden nooit één.
+
+Wie durft dat beweren?
+
+Gelooven wij dan niet meer in den Heiligen Geest?
+
+Werkt Gods Geest niet meer in Gods volk?
+
+Werkt Hij de gemeenschap der heiligen niet meer?
+
+Wie dat wilde beweren, randde daarmede de eere en het werk des Heiligen
+Geestes aan!
+
+Vereeniging van de partijen in de Ned. Herv. Kerk is een onmogelijkheid.
+Vereeniging van alle Gereformeerden is mogelijk, en noodzakelijk. Gods
+eere eischt, de nood der tijden vordert 't.
+
+O wat zou 't Calvinisme ten onzent in ontwikkeling voortschrijden,
+wanneer deze vereeniging eens tot stand kwam! Dan werd ons land waarlijk
+als een stad op een berg!
+
+Komt, Geliefden, sturen we dan daarop aan, in gebed, in omgang, in
+arbeid!
+
+Maar ik moet eindigen. Mijn brief is reeds veel te lang. Het is ook een
+onderwerp, dat mij reeds lang bezighield. Ik verheug mij, dat ik, wat
+mij vervult, nog eens heb mogen uitspreken.
+
+Weest tezamen den Heere bevolen. Gedenkt in uwe gebeden
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Heidelberg, 17 Maart 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Zoo zijn wij dan Woensdag den 11en Maart wederom gegaan naar Heidelberg,
+de oude hoofdstad van 't oude keurvorstendom de Paltz; thans een
+stad van den tweeden rang in 't groothertogdom Baden, maar als
+universiteitsstad en als een der centra van de hedendaagsche cultuur
+geenszins de minste onder de dochteren van Duitschland.
+
+Voor mij is Heidelberg de stad van Czerny en Werner, van 't
+Samariterhaus, van 't kankerinstituut.
+
+Hoe gaarne ik anders steeds naar Heidelberg ga, ditmaal had ik zeer
+tegen de reis opgezien.
+
+De laatste veertien dagen had ik thuis bijna niet geslapen, en ieder die
+weet wat slapelooze nachten zijn, kent ook hunne verschrikkingen, en
+weet hoe ze doen afnemen in krachten.
+
+Toch waren niet alle slapelooze nachten even donker en bang. Wanneer
+de Heere 't mij gaf, mij in de stilte van den nacht diep onder Zijne
+kastijdende hand te verootmoedigen;--wanneer Hij 't mij gaf dan aldus in
+mijn binnenste te spreken:
+
+»Heere, Gij zijt rechtvaardig en heilig, ik ben boos en onrein! Gij doet
+geen onrecht, Uwe zware kastijding is zoo volkomen rechtvaardig! Maar
+bij U, Heere, is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt! Dit hebt Gij
+getoond in de overgave van Uwen lieven Zoon, opdat Hij onze zonden zou
+dragen, en onze krankheden op Zich zou nemen! Ach, Heere, neem dan om 't
+lijden en de gehoorzaamheid van Uwen lieven Zoon deze krankheid weg, en
+laat Uwe genade bij mij blijven. Ach Heere, ontferm U om Jezus' wille
+over mijn arme vrouw, over mijn arme kinderen, over mijn ouden vader,
+over allen, die mij lief en dierbaar zijn! Heere, wees mij genadig en
+genees mij! Gij hebt mij beloofd, voor mij te zullen zorgen. Gij hebt
+tot hiertoe deze belofte zoo lieflijk vervuld. Ach, wil Gij nu Uwe
+weldadigheid en trouw verheerlijken in de zorg voor mijn volkomen
+genezing! Ik vraag niet te veel, Heere! Gij zijt de Machtige, die
+spreekt en het is er. Gij hebt de middelen reeds geschonken. Nu hangt
+alles nog aan Uwen zegen. Ach Heere, spreekt het genadewoord, het
+wonderwoord, het machtwoord van zegen over de middelen, en ik zal
+genezen! Maar hebt Gij in Uw Raad vastgesteld, mij nu door den dood weg
+te nemen, ach geef mij dan genade, dat mijn wil lieflijk verslonden zij
+in Uwen wil, en geef mij dan door 't geloof een ruimen ingang in de
+zaligheid en heerlijkheid. Behaagt 't U nog jaren tot mijne levensdagen
+toe te voegen, geef mij dan in een Christelijk leven en in Christelijken
+arbeid hier op aarde reeds te blinken als een parel aan de
+Middelaarskroon van Jezus!"
+
+Zie, wanneer ik zóó in de stilte van den nacht mijn gebed mag opheffen
+tot den Heere, dan rijst in den slapeloozen nacht de ééne ster der hope
+na de andere aan den hemel, de hope op de eeuwige goederen, de hope op
+aardsche zegeningen. De slapelooze nachten zijn dan niet lang en donker
+meer, maar nachten vol van sterren, die mij 't woord bij Jesaja in de
+herinnering roepen, 't machtige, 't aangrijpende, 't bezielende woord in
+Jesaja 40, waar de Heere tot Israël spreekt:
+
+»Heft uwe oogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die
+in getal hun heir voortbrengt; Die ze allen bij name roept, vanwege de
+grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt
+er niet één gemist.
+
+»Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël: Mijn weg is voor
+den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijnen God voorbij?
+
+»Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de
+Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen
+doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moede kracht, en Hij
+vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft.
+
+»De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen
+gewisselijk vallen;
+
+»Maar die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen
+opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen loopen, en niet
+moede, zij zullen wandelen en niet mat worden."
+
+Zulke nachtelijke bezoeken van den Heere vielen dan wel als een
+verkwikkende dauw op de ziel; maar mijn kracht is geen steenen kracht,
+en door de slapeloosheid verminderde ik zeer, zoodat ik meer dan anders
+tegen de lange reis opzag.
+
+Hoe zwaar de Heere echter ook kastijdt, Hij doet 't altijd op een
+vaderlijke wijze, en doet in 't midden der beproeving Zijne trouwe
+goedheid aan de ziel merken. Zóó deed Hij ook aan mij. Wonder, den
+nacht vóór mijn vertrek, sliep ik bijna den geheelen nacht rustig door.
+Door dit blijk van Gods lieve goedheid verrast, ging ik nu vol moed
+op reis, en nooit heb ik haar zoo gemakkelijk volbracht als ditmaal.
+Zelfs 't eind tusschen Nijmegen en Keulen, dat lange eind zonder eenig
+natuur-décor, viel mij niet zoo lang als anders. Van Keulen gingen we
+weer voort, den Rijn langs. Ontslagen van zijn winterboei, stroomde de
+Rijn ditmaal niet _langs_, maar ver _buiten_ zijn boorden. Overal
+stonden heele strooken land diep onder water, en vele villa's moesten
+met de schuit benaderd worden.
+
+Schier even frisch als toen we op reis gingen, kwamen we 's avonds te
+acht ure behouden te Heidelberg aan.
+
+Den volgenden morgen ging ik natuurlijk dadelijk weer naar 't
+Samariterhaus. Prof. Werner was met vacantie afwezig. Z.Exc. Czerny
+onderzocht mij derhalve alleen, en deed 't zeer nauwkeurig. Ook nu weer
+constateerde hij grooten uitwendigen vooruitgang, maar moest er helaas
+bijvoegen, dat de tong nog steeds dik blijft. Hij bepaalde, dat ik
+twee heele en twee halve dagen met radium moest worden bestraald.
+Zaterdag had de eerste bestraling plaats. Maar wie beschrijft onze
+teleurstelling, onmiddellijk na de eerste bestraling: in den nacht van
+Zaterdag op Zondag, werd mijn tong nog dikker. Dit was de pijnlijkste
+tegenslag, dien ik gedurende deze zware krankheid heb gehad. Mijn vrouw
+en ik hadden den ganschen nacht bijna niet geslapen. Hoe vermoeid we 's
+morgens ook waren, toch besloten we naar de kerk te gaan, en troost in
+Gods huis te gaan zoeken. En we deden 't niet tevergeefs!
+
+Hoe heerlijk hebben we gekerkt!
+
+Dat begon al met 't lieflijk gezang:
+
+ Lasset uns mit Jesu ziehen,
+ Seinem Vorbild folgen nach,
+ In der Welt, der Welt entfliehen,
+ Auf der Bahn, die Er uns brach,
+ Immerfort zum Himmel reisen,
+ Irdisch noch, schon himmlisch sein.
+ Glauben recht, und leben rein
+ In der Lieb' den Glauben weisen!
+ Treuer Jesu, bleib bei mir;
+ Geh voran, ich folge dir!
+
+ Lasset uns mit Jesu leiden,
+ Seinem Vorbild werden gleich!
+ Nach dem Leide folgen Freuden,
+ Armut hier macht droben reich,
+ Tränensaat die erntet Wonne,
+ Hoffnung tröstet mit Geduld,
+ Denn es scheint durch Gottes Huld
+ Nach dem Regen bald die Sonne.
+ Jesu, hier leid ich mit dir
+ Dar teil deine Freud mit mir!
+
+Dat is:
+
+ Laat ons met Jezus trekken,
+ Zijn voorbeeld gelijkvormig worden,
+ In de wereld, de wereld ontvluchten;
+ Op de baan, die Hij ons brak,
+ Altijd voort ten hemel reizen,
+ Schoon aardsch, toch reeds hemelsch zijn.
+ Recht gelooven, zuiver leven,
+ In de liefde 't geloof bewijzen!
+ Trouwe Jezus, blijf bij mij;
+ Ga mij voor, opdat 'k U volg.
+
+ Laat ons met Jezus lijden,
+ Zijn voorbeeld gelijkvormig worden!
+ Na het leed volgt de vreugde,
+ Armoe hier, maakt boven rijk,
+ Tranenzaad oogst hemelblijdschap,
+ Hoop troost ons met geduld,
+ Want door Gods goedheid
+ Schijnt na den regen weêr de zon.
+ Jezus, hier lijd ik met u,
+ Deel boven mij Uw vreugde mede!
+
+Daarna hoorden we een kostelijke preek over Jezus' verhoor bij Annas,
+uit Johannes 18: 12-24.
+
+Wat hebben wij dien morgen gehoord? Zijn onze zinnen door een
+welsprekende rede betooverd? Neen! Is ons denken verdiept, onze kennis
+vermeerderd? Neen! Wij hoorden een eenvoudige Evangelieprediking; maar
+konden zeggen: »Wij hebben Jezus gezien!"
+
+De prediker schetste eerst kort maar oordeelkundig 't lijden voor
+Annas. Daarna sprak hij over de kenosis of de zelfontlediging van den
+Heiland, die de legioenen engelen in den hemel liet, en deze bende niet
+wegvaagde; maar alles leed om onze zonde. Zoo baande hij zich den weg
+om Jezus in Zijn zoete beminnelijkheid als Heilborg van zondaren voor
+te stellen. Aan de enkele personen, die den Heere hier deden lijden,
+ontleende hij dan ook de stof om aan te wijzen, voor welke zonden Jezus
+hier betaalde.
+
+Ten slotte zongen wij nog:
+
+ Eines wünsch' ich mir vor allem andern,
+ Eine Speise früh und spät;
+ Selig läszts im Tranental sich wandern,
+ Wenn dies Eine mit uns geht:
+ Unverrückt auf einen Mann zu schauen,
+ Der mit blut'gem Schweisz und Todesgrauen
+ Auf sein Antlitz niedersank
+ Und den Kelch des Vaters trank.
+
+Dat is:
+
+ Eén ding wensch ik mij boven alle andere,
+ Eéne spijze vroeg en laat;
+ Zalig kan men door 't tranendal wandelen,
+ Wanneer dit ééne met ons gaat:
+ Onverwrikt op éénen Man te zien,
+ Die met bloedig zweet en doodsbenauwdheid
+ Op Zijn aangezicht nederzonk,
+ En den kelk des Vaders dronk.
+
+Als geheel andere menschen verlieten we de kerk. We hadden den Heere
+ontmoet, en waren in Hem gesterkt.
+
+Vol moed ging ik dan ook Maandagmorgen weer naar 't Samariterhaus,
+Dinsdag eveneens. Het is nu Dinsdagavond, terwijl ik dit schrijf, en ik
+heb nu twee dagen achtereen een bestraling gehad van negen uren daags.
+Zegene de Heere deze middelen! Geve Hij ons bovenal een hart, dat
+volkomen berust in Zijn heiligen wil. Hoe 't ook ga. Hij maakt 't immers
+met de Zijnen altijd goed.
+
+Weest, geliefden, dien God en Zaligmaker bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 30 Maart 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Sedert ik u de laatste maal uit Heidelberg schreef, is er zeer veel
+geschied. De Heere heeft mij van dag tot dag zwaarder beproefd, maar
+ook van dag tot dag krachtiger vertroost. Van slapen was in de laatste
+weken geen sprake meer; overdag kon ik soms een weinig soezen. Toch
+heb ik de radium-bestraling nog goed doorgemaakt. Daarna zouden de
+Röntgen-bestralingen beginnen. Daarvoor was ik echter te zwak. De
+doctoren raadden mij aan, naar huis te gaan. 21 Maart gingen we op
+reis. Behouden kwamen we 's avonds aan. Mijn vrouw waakte na de lange
+reis dienzelfden nacht nog bij mij. Dit kon echter zoo niet langer.
+Zondagavond 22 Maart ben ik naar het St. Elisabethsgasthuis alhier
+gegaan. Daar ben ik nu nog, en moet hier morgen een operatie ondergaan.
+Na dien tijd zal ik te bed moeten liggen. Ondanks groote lichaamszwakte
+poog ik u heden te schrijven, om u te doen weten, wat mijn hart vervult.
+
+Ik heb telkens gedacht aan Job, tot wien ook bode na bode, ongeluk
+meldend, kwam. Ik heb gedacht aan 't groote doel van 't lijden der
+vromen, zooals dit in Job wordt voorgesteld. En ik ben zeer versterkt
+geworden.
+
+Ook het boek Job behandelt het probleem van 't lijden der vromen, en
+beziet dit van een bepaalden kant. Het stelt als hoogste doeleinde van
+het lijden der godzaligen: _de verheerlijking Gods en de beschaming des
+Satans_.
+
+Gaan we den inhoud van 't boek Job maar even na.
+
+Satan verschijnt in de vergadering der kinderen Gods. Verwonderen we ons
+daarover niet. Hij komt ook in de samenkomsten van Gods volk, waar de
+gemeente met den Heere vergadert.
+
+De Heere Zelf prijst Jobs godsvrucht, Satan dingt daarop af. Ook
+daarover behoeven we ons niet te verbazen. Satan is de verklager der
+broederen, de kritische geest, de geest, die graag zaken doet, en daarom
+den ander den voet licht. Zoo doet Satan tegenover Job. Hij stelt Job
+voor als iemand, die slechts uit loonzucht God dient. Natuurlijk. Satan
+kent niet de zaligheid van Azaf, die te midden der zwaarste beproevingen
+zingt: »Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets
+op de aarde!" Er moet dus wat achter zitten, wanneer Job zoo getrouw God
+dient, en dat is de zucht naar loon.
+
+Hiermede beleedigt Satan Job. Bovenal tast Satan echter Gods eere aan.
+Satan bedoelt te zeggen: »Gij, o God, zijt niet zoo vol van majesteit en
+beminnelijkheid, dat Gij om Uzelven zoudt worden gediend. Kon ik, Satan,
+maar één gulden meer geven dan Gij, o God, dan had ik Job en allen aan
+mijn snoer. 't Blinkende goud, dat is de ware majesteit en
+beminnelijkheid."
+
+Nu volgt de ontwikkeling van 't ontzaglijkst drama.
+
+Op één dag, van vee, van goed, van kinderen beroofd, zit Job op de
+puinhoopen van zijn verwoest geluk. Valt hij van God af? Neen! Hij
+spreekt de heerlijke woorden: »De Heere heeft gegeven, de Heere heeft
+genomen, _de Naam des Heeren zij geloofd_."
+
+Satan heeft derhalve zijn doel niet bereikt. Nogmaals komt hij in de
+vergadering der kinderen Gods. Nogmaals randt hij Jobs eere en daarmede
+Gods eere aan. »Job is in zijn lichaam nog ongedeerd gebleven; anders
+zou hij Gods Naam wel hebben gevloekt", meent Satan.
+
+Nu geeft de Heere Job een wijle over aan Satan. Hij mag met hem doen,
+wat hij wil; alléén hij moet Jobs leven verschoonen.
+
+Nu wordt Job met een vreeselijke melaatschheid geslagen. Hij heeft nacht
+noch dag rust.
+
+Jobs huisvrouw, in plaats van hem te troosten, port hem aan, om nu maar
+een einde aan zijn leven te maken.
+
+Voor Jobs vrouw heeft Job alléén beteekenis, zoolang hij groot en rijk
+is. Zij gelijkt de vrouw van een Indisch ambtenaar, van wie 't volgende
+wordt verhaald. Bij de landing te Priok, de havenplaats van Batavia,
+valt haar man te water. »O, mijn traktement, mijn traktement!" schreeuwt
+zij luid op den oever. Gelukkig werd de drenkeling weer op 't droge
+gebracht en was haar traktement behouden.
+
+Zoolang Job goed en rijk was, kleeft Jobs vrouw hem aan. Thans, nu hij
+van de zonnige hoogten van 't geluk in de afgrondskolken der ellende is
+neergestort, wil zij liever van hem af. Zij is een dienares van de
+grootschheid des levens, de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid
+des vleesches, een echt Satanskind. »Zegen God, en sterf!" zegt, zij tot
+Job. »Zouden wij het goede van God ontvangen, en zouden wij het kwade
+niet ontvangen?" zegt Job.
+
+Wederom is Satan beschaamd.
+
+Thans komt evenwel nog de zwaarste beproeving. Jobs drie vrienden,
+Elifaz, Bildad en Zofar komen uit 't verre Oosten om hem in zijn lijden
+te bezoeken. Ternauwernood hebben zij hem uit de verte gezien, of zij
+verstommen van verschrikking; zeven dagen en zeven nachten zitten zij
+neer om Jobs lijden te beweenen.
+
+Niet één hunner staat echter op om hem de hand te gaan drukken. Het
+staat immers wel bij hen vast, dat een verborgen kwaad Job moet
+aankleven, en dat de Heere hem daarvoor nu komt ontmaskeren. Daarover
+zullen zij eerst met hem spreken. En dat zal wel goed uitkomen. Job
+vreest God, en zal wel in de schuld vallen. Maar dit moet dan ook
+geschieden, zal er van vergeving en genezing voor hem sprake kunnen
+zijn. En aangezien zij zijne vrienden zijn, zijn zij de aangewezen
+personen om hem daarover ernstig te onderhouden.
+
+Welk een beproeving voor Job!
+
+Hij erkent zijne zonde en schuld. Hij belijdt, dat hij een onreine is.
+Maar hij ontkent, dat eenig verborgen kwaad hem aankleeft, waardoor hij
+zich dezer zware straffe heeft waandig gemaakt.
+
+Diep in zijn eer aangerand, vervloekt Job nu den dag zijner geboorte.
+
+De volgende hoofdstukken bevatten dan de twistgesprekken tusschen Job en
+zijn vrienden, waarin hij zijn zakelijke gerechtigheid handhaaft.
+
+In het 32e hoofdstuk treedt een ander spreker op. Elíhu, die een nieuw
+licht werpt op de rampen der vromen. Hij ontwikkelt de waarheid, dat de
+Heere zijn volk beproeft om hen te _louteren_.
+
+Maar de eigenlijke oplossing van 't groote probleem van de rampen der
+godvruchtigen geeft de Heere Zèlf. In de hoofdstukken 38 en 41 treedt
+Hij Zelf op.[A] Hij verschijnt in een onweder, in al de verhevenheid
+Zijner majesteit. Hij treedt met Job in gesprek over de wonderen
+der schepping. En nu zinkt Job neer voor des Heeren Majesteit en
+Beminnelijkheid. Nu spreekt Job de gedenkwaardige woorden: »Met het
+gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog; daarom
+verfoei ik mij, en heb berouw in stof en asch." Job begrijpt Gods wegen
+niet, maar ziet Gods heerlijkheid, en zinkt in aanbidding voor Zijn
+Majesteit neder.
+
+Nu is God verheerlijkt.
+
+Nu is de Satan geheel vernederd.
+
+Ziehier één der gewichtigste doeleinden van de rampen der godzaligen:
+Tegenover heel de wereld moet blijken, dat de vromen vasthouden aan hun
+God, door welke diepe wegen die God hen ook leidt!
+
+Dit is ook voor mij thans de oplossing van den raadselachtigen weg, dien
+de Heere met mij houdt.
+
+Inderdaad, 't is een weg vol van vragen. Waarom dit? Waarom dat? Volgens
+de Schrift is 't leven van wie God vreest, als een boom, geplant aan
+waterbeken; maar de weg der goddeloozen als 't kaf, dat de wind
+henendrijft. In de werkelijkheid zien we 't vaak zoo gansch anders.
+David vlucht; Saul behoudt 't veld. Elia zwerft in de woestijn; Achab
+zit op den troon. Johannes sterft in den kerker; Herodes zwelgt in
+weelde. De één gaat arbeiden in 't Koninkrijk Gods, en onspoed is
+slechts zijn deel. De ander onderneemt slechts een tijdelijke zaak, en
+de zon van voorspoed beschijnt zijn weg. Hoevele vragen liggen in al
+deze verschillende feiten!
+
+Ook ik gevoel dit diep in mijn geval. Maar met het licht, dat het boek
+van Job in mijne ziel doet vallen, is zij Gode niet alleen stil; neen,
+zij jubelt hoog in God over de genade en de eere, geroepen te worden tot
+de verheerlijking Gods in den weg des lijdens! Geroepen te worden tot
+beschaming van Satan; door het midden van de zware beproevingen des
+levens te jubelen in de zaligheid, die daar ligt in 't woord: »Wien heb
+ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!"
+
+En nu ten slotte, ik dank den Heere, dat Hij mij de krachten gaf, dit
+nog eens uit te spreken. Hij blijve mij de genade verleenen, Zijnen
+grooten Naam te prijzen, hoe alles verder ook ga! Hij geve mij, dat mijn
+wil lieflijk verslonden blijve in Zijn wil! Hij geve mij eindelijk,
+zij 't ook na veel lijden, om den wille van Christus' lijden en
+gehoorzaamheid, een ruimen ingang in de zaligheid en heerlijkheid. Welk
+een vergoeding zal dit zijn! In de eeuwigheid is alles vervulling zonder
+eenig gemis. Daar wordt de hoogste bestemming bereikt, en eerst recht
+gevoeld, wat leven is, en wat 't is, beelddrager Gods te zijn!
+
+Mocht dit mijn laatste brief aan u zijn, geliefde gemeente, dan tot
+weerziens aan die zalige plaats!
+
+ Uw u liefhebbende oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+P.S. Den dichter uit Sassenheim mijn diepgevoelden dank.
+
+[A] Eigenlijk geeft de Heere geen enkele verklaring van Zijn doen
+ met Job. Zijn wegen zijn hooger dan onze wegen, Zijn gedachten
+ dan onze gedachten. Hij geeft aan nietig stof geen rekenschap
+ van Zijne daden. God alléén is groot, en wij begrijpen Hem niet,
+ maar daarom aanbidden wij Hem.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 7 April 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Ook thans poog ik een schrijven aan u saam te stellen.
+
+Het roemend, zoowel als 't klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend
+oor. Dit biedt ge mij steeds. Nooit behoef ik in mijn »Gethsémané" te
+zeggen: »Kunt gij dan niet één uur met mij waken?" Uwe belangstelling is
+beschamend! Daarom span ik mij gaarne wat in om u, geliefde gemeente, te
+melden waarnaar gij verlangend uitziet.
+
+31 Maart ben ik dan aan de keel geopereerd geworden.
+
+De bedoeling dezer operatie was om een buis aan te leggen in de keel,
+den loop der adem daardoor vrij te maken tegenover de verdikking van de
+tong en tegenover de slijmvorming in den mond, en mij op deze wijze
+nachtrust te bezorgen. Het is dus wat de geneesheeren noemen, een
+palliatieve, een verlichtende operatie.
+
+Met 't uitzicht daarop liet ik mij met vroolijken moed naar de
+operatiekamer voeren. In dezen ben ik mijzelven een raadsel. Evenals
+alle menschen ben ik steeds met operatievrees bezet geweest. De Heere
+heeft die vrees echter geheel weggenomen.
+
+In de dagen vóór de operatie sterkte ik mij maar weer in den 91en psalm:
+»Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten
+in de schaduwe des Almachtigen."
+
+Gelukkig, er is voor Gods volk een schuilplaats in allen nood. Zie 't in
+Noachs historie! In Davids leven! In 't leven van heel de kerk!
+
+En wat is die schuilplaats veilig! _Ze is de schuilplaats des
+Allerhoogsten!_ Gods gemeente is met Christus in den hemel gezet.
+In beginsel is zij met Paulus opgetrokken in den derden hemel.
+
+O wat voelde ik mij daar volkomen veilig! Ik was volkomen verzekerd, dat
+geen kwaad mij kon overkomen.
+
+En hoe was ik daar gekomen, in die schuilplaats!
+
+O wonder, o wonder, o wonder van genade! De Heere heeft naar mij willen
+omzien, en mij in Jezus aangezien. Ach wie ben ik altijd geweest! De
+Heere is de eerste geweest om mij te trekken, om mij met 't geloof te
+begaven, om mij te rechtvaardigen, om mij te heiligen, om mij te
+verlossen _en mij een schuilplaats te geven_. De overdenking daarvan
+vervulde mijn hart met aanbidding van Gods heerlijke, vrije genade.
+
+»Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten
+in de schaduwe des Almachtigen." Den nacht zijner beproeving zal hij
+doorbrengen in de onmiddellijke tegenwoordigheid van den Almachtige, Die
+kan en wil helpen.
+
+Dit heb ik bij deze operatie weer ondervonden.
+
+'s Middags te drie uur werd ik naar de operatiekamer gebracht, waar
+vier doctoren en drie pleegzusters mij wachtten. Ik werd gelukkig niet
+weggemaakt. Dit geschiedt bij deze operatie, geloof ik, nooit. Het is
+ook niet noodig. Het gevoel, dat men aan uw keel kerft, nu en dan wat
+weeë pijn, dit moge u wat aangrijpen; maar dat is ook alles. Ongelukkig
+was de buis wat groot, en 't gat te klein gemaakt. Daardoor moest men
+opnieuw aan 't snijden en knippen. Ik maakte mij echter allerminst
+onrustig. Ik nam gedurende de heele operatie de toevlucht tot Jezus'
+lijden, en stelde mij voor oogen, wat Hij heeft geleden om onze zonden.
+O onvergetelijke ure! Hij sterkte mij krachtig. Vroolijk had ik mij
+neergelegd. Vroolijk mocht ik oprijzen, nadat de operatie, die ruim een
+half uur duurde, was afgeloopen.
+
+Het doel, dat er mee beoogd werd, is volkomen bereikt.
+
+De verlichting is groot.
+
+O, heerlijke nachten van verkwikkenden slaap, die ik nu mag genieten!
+
+Soli Deo Gloria! Gode alleen zij de eere!
+
+Meer schrijf ik thans niet.
+
+Ik moet vanmiddag weer verbonden worden. Ook dit is zeer pijnlijk, en ik
+moet daarvoor mijn krachten sparen.
+
+Hartelijk gegroet, geliefde gemeente! Weest allen den Heere bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 15 April 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Het is met eenige moeite, dat ik thans de pen gebruik. De dagen van
+31 Maart, den dag mijner operatie, tot heden, waren eenerzijds dagen
+van groote verkwikking; maar ook aan den anderen kant dagen van veel
+lijden. Ik ben thans een dubbele invalide. Ik werd om den anderen dag
+verbonden; dit veroorzaakte mij telkens veel pijn. Daarbij komt de
+dagelijksche kwelling mijner kwaal. Dit alles heeft mij zeer verzwakt.
+
+Gelukkig vielen in dezen moeilijken tijd de plechtige stille week en de
+heerlijke Paaschdagen.
+
+In de stille week volgde ik in mijne gedachten 't lijden van den
+Heiland.
+
+Vooral op den Goeden Vrijdag was ik daarmede bezig. Ik stelde mij voor
+oogen, hoe het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, door de
+moordenaren op de slachtbank werd geworpen, hoe zij de knie op zijn
+borst zetten, om Hem aan 't vloekhout vast te binden. Ik hoorde in
+den geest de hamerslagen. Ik zag als voor oogen, dat 't kruis werd
+opgericht. Mijn ziel trilde van diepe ontroering, toen ik daarna dacht
+aan 't eerste kruiswoord: »Vader, vergeef het hun, want zij weten niet
+wat zij doen". Ik dacht aan Zijn verder lijden. Aan Zijn zielelijden,
+door de uitbarstingen van haat tegenover zooveel liefde, door het dragen
+van den last onzer zonden en den toorn van God, door de verlating Gods.
+Eindelijk is 't lijden volleden. De Heere spreekt Zijn laatste woorden:
+»Het is volbracht!" Het hoofd buigende geeft Hij den geest. En bij
+vernieuwing zinkt mijne ziel met al haar zonde en schuld op dit
+heerlijke volbrachte werk van Christus. In mijn binnenste jubelt 't,
+wat Paulus schreef:
+
+»Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt,
+_opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem!_"
+
+Daarop volgden de heerlijke Paaschdagen met hun blijde klanken.
+
+Hoe rijk is de beteekenis van 't Paaschfeest voor den lijder, die in
+Christus een erfdeel heeft gekregen onder de geheiligden in 't licht.
+
+Rondom hem zingt alles van ontwakend natuurleven; zijn lijden is
+daarmede in schril contrast. Treffende bevestiging van 't woord der
+Schrift:
+
+»Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen is als een
+bloem van het gras. Het gras verdort. De bloem valt af."
+
+Telkens en telkens wordt dit weer gezien. Een wandelaar komt in een
+heerlijk lustoord. Liefelijke bosschaadjes wisselen af met blinkende
+watervallen; slingerpaden voeren langs sierlijke perken. In 't midden
+van dit schoon geheel staat een kasteel, dat een tooverpaleis schijnt.
+Vol bewondering laat de wandelaar zijn oog over dit alles gaan. Daar
+wordt de deur van 't kasteel geopend. Een dame, zwaar in den rouw,
+treedt naar buiten, en wandelt met gebogen hoofd op 't terras op en
+neer. Zij heeft een zwaar verlies geleden, en al haar heerlijkheid heeft
+haar waarde voor haar verloren.
+
+Zóó zit ieder in dit tranendal éénmaal op de puinhoopen van zijn
+verwoest geluk. Ieder menschenleven wordt eenmaal weggenomen door den
+dood. Ach, hoe treurig is 't dan met hem, die zijn deel alleen in dit
+leven heeft gezocht. Alles is voor hem voorbij. Het gericht wacht.
+
+Hoe geheel anders is 't echter met dengene, die Jezus kent! Al sterft
+heel de wereld voor hem weg, hij houdt Jezus over; Jezus, Die dood is
+geweest, maar Die eeuwig leeft; Jezus, de geestelijke mensch, de Heere
+der heerlijkheid, die den Zijnen de welgegronde hope der zaligheid en
+heerlijkheid schenkt in de onzienlijke wereld.
+
+Er is tweeërlei wereld; een zienlijke en een onzienlijke. De zienlijke
+wereld gaat voorbij; de onzienlijke blijft. Ook de zienlijke wereld
+heeft hare beteekenis. Al 't vergankelijke is gelijkenis; en al de
+heerlijkheid der zienlijke wereld wijst naar die der onzienlijke wereld
+heen, waar de palmen wuiven en de kristallijnen wateren stroomen.
+
+Mogen wij ons verzekerd houden van de wezenlijkheid dezer onzienlijke
+wereld?
+
+Daarop geeft de Paaschdag het antwoord. Jezus heeft _het leven en de
+onverderfelijkheid aan het licht gebracht_.
+
+Wij hebben geen dooden, maar een levenden Zaligmaker, die den Zijnen dit
+zalige, heerlijke, eeuwige leven schenkt.
+
+Zietdaar, geliefden, mijne Paaschoverdenking.
+
+Zij bracht mij rijke vertroosting.
+
+Zij deed mij stille zijn in mijn beproeving.
+
+Zij deed mij innerlijk juichen bij de gedachte van sterven.
+
+O, hoe goed is de Heere voor mij!
+
+Hier eindig ik. Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 22 April 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Het is nu bijna drie weken geleden, dat ik geopereerd werd, en nog
+steeds blijft mijn toestand stationair. Wat zal de toekomst brengen?
+Zal de verdikking der tong toenemen, of zal haar dikte terugloopen? Zal
+ik nu spoedig worden weggenomen, of zal de Heere nog jaren tot mijne
+levensdagen toevoegen? Ik weet het niet, en onderwerp mij geheel en al
+aan des Heeren souverein, alléén-wijs, heilig, en--goed bestel.
+
+Gelukkig leven!.... Gelukkig leven, dat leven der onderwerping aan des
+Heeren souvereinen wil.
+
+De volstrekte souvereiniteit Gods, zij is de grootste aller gedachten.
+Door Zijn volstrekte souvereiniteit is God alleen waarachtig God.
+
+Diep is deze gedachte aan de gemeente ingeprent door Israëls profeten.
+»Mijn raad zal bestaan, Ik zal al Mijn welbehagen doen," is 't woord,
+dat de Heere door de profeten predikt. Toen Job de gedachte dezer
+volstrekte souvereiniteit Gods vatte, riep hij met vreugde uit: »Met
+het gehoor des oors heb ik U gehoord; _maar nu ziet U mijn oog!_"
+Paulus heeft deze gedachte steeds in zijn brieven ontwikkeld. »Hij
+is de pottebakker, en wij zijn het leem," is de grondgedachte van zijn
+geheiligd denken. En 't is de groote genade en eere der Gereformeerde
+Theologie, dat zij deze grootste aller gedachten steeds op den voorgrond
+heeft gesteld.
+
+Wij hebben dan ook nooit iets anders te doen, dan ons ter beschikking
+van Gods souverein welbehagen te stellen. Roept Hij ons tot een hooge
+plaats, dan hebben wij te volgen, al is 't, dat er doornen zijn in den
+krans, dien Hij om de slapen vlecht. Roept Hij ons midden uit onzen
+arbeid, en werpt Hij ons op 't bed der smarten neer, ook daar hebben wij
+ons ter beschikking van Zijn volstrekte souvereiniteit te stellen.
+
+O gelukkig leven, wanneer wij dit mogen doen. Dan zijn wij ook geheel en
+al voor des Heeren rekening. Hij zorgt voor Zijne Daniels. Hij beschaamt
+nooit, wie Hem verwachten; maar verrast hen zoo, dat zij in 't midden
+der zwaarste beproevingen met David mogen zingen:
+
+ »De Heere is mijn Herder,
+ Mij zal niets ontbreken.
+ Hij doet mij nederliggen
+ In grazige weiden;
+ Hij voert mij zachtkens
+ Aan zeer stille wateren.
+ Hij verkwikt mijne ziele;
+ Hij leidt mij
+ In 't spoor der gerechtigheid
+ Om Zijns Naams wil.
+ Al ging ik ook
+ In een dal der schaduwe des doods,
+ Ik zoude geen kwaad vreezen;
+ Want Gij zijt met mij;
+ Uw stok en Uw staf,
+ Die vertroosten mij.
+ Gij richt de tafel toe
+ Voor mijn aangezicht,
+ Gij maakt mijn hoofd vet met olie,
+ Tegenover mijn tegenpartijders;
+ Mijn beker is overvloeiende!
+ Immers zullen mij
+ Het goede en de weldadigheid volgen
+ Alle dagen mijns levens;
+ En ik zal in het Huis des Heeren blijven
+ Tot in lengte van dagen."
+
+O, wonder van vertroosting!
+
+Is 't leven van buiten een woestijn, van binnen is 't een paradijs.
+
+Gaat het hoofd toch een wijle onder kommer en zorg gebogen, dan
+fluistert de Heere ons in, wat in onderstaand vers zoo liefelijk staat
+uitgedrukt.
+
+ Kind, dat ik liefheb, leun óp Mij, leun sterk!
+ Laat meer het wicht der zorgen, die u kwellen,
+ Mij voelen; 'k weet uw last, want kind Mijn werk,
+ Mijn maaksel zijn de smarten, die u kwellen;
+ Ik telde ze af, en heb met eigen hand,
+ Die naar ùw kracht en naar Mijn macht gewogen.
+ Toen Mijne hand ze u toezond uit den hooge,
+ Sprak Ik: Ik zal als Helper bij hem zijn;
+ Naar mate hij Mij deel geeft in zijn pijn
+ Zal ik, niet hij, het wicht zijns kruises dragen.
+ Zóó wil ik u, Mijn kind, als gij gelooft,
+ Omsluiten met Mijn arm. O leg uw hoofd
+ Aan Mijne borst, gij moogt stoutmoedig vragen.
+ Of zou Mijn arm, die de eeuwen schiep en schraagt,
+ Te kort zijn, waar Mijn uitverkoorne klaagt?
+ Leun sterker steeds! Hoe meer gij aan Mijn schoot
+ De smart vertrouwt van uwer zorgen nood,
+ Hoe meer uw hart zelf binnen u zal roemen:
+ »Te leunen op mijn God, is Hem mijn Helper noemen".
+
+Geliefden, laat die God ook uw toevlucht en sterkte zijn. Nooit kan
+eenig kwaad u dan werkelijk kwaad doen.
+
+Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ Amersfoort, 29 April 1914.
+
+_Geliefde gemeente!_
+
+Helaas moet ik beginnen te schrijven, dat ik elken dag achteruit ga.
+Eergister had ik een hoestbui, waarvan ik dacht, dat ik er in blijven
+zou. Elke week, elke brief kan de laatste zijn. Daarom wil ik u thans
+schrijven over 't liefelijkste aller onderwerpen: over 't
+plaatsbekleedend lijden en sterven en over de voorbede van Jezus.
+
+Reeds de naam Jezus is enkel zoetigheid. Sinds Zijn veschijning klinkt
+aan 't einde van elke eeuw Zijn Naam als een vraag en een antwoord. Meer
+nog, Zijn Naam is een vraag en een antwoord voor elk arm zondaarshart.
+Waar zou ik heengaan zonder Hem, wanneer de eeuwigheid mij in de
+stervende oogen ziet? Waarheen zou ik vluchten zonder Hem, wanneer de
+angsten van het geweten mij achtervolgen?
+
+Reeds vóór Zijn vleeschwording is Zijn plaatsbekleedend lijden
+aangekondigd in de offeranden der Wet. Steeds moest de Israëliet met
+een offer voor 't altaar verschijnen. Dit offer werd door den priester
+gekeurd. De offeraar lei zijn hand op 't offerdier als symbool van de
+overdracht zijner zonden. Dan werd 't geslacht en verbrand. De
+opstijgende rook kondigde 't herstel der gemeenschap met God aan.
+
+Nu wist de recht-geloovige Israëliet wel, dat 't bloed van stieren en
+bokken niet zoude reinigen. Maar Jesaja 53 sprak van een ander offer.
+Daarop zag de geloovige. Hij werd gerechtvaardigd in den Christus, die
+komen _zou_, gelijk wij gerechtvaardigd worden in den Christus, die
+gekomen _is_.
+
+In zijn plaatsbekleedend lijden heeft Jezus alles volbracht wat van Hem
+is voorzegd. Na Zijn opstanding zit Hij als onze Voorbidder bij den
+Vader.
+
+En hier houd ik even stil!
+
+Hoe is er een betrekking gekomen tusschen Hem en mij?
+
+Was ik een Obadja, een Jozef?
+
+Helaas neen.
+
+De dwaasheid was in het hart van den knaap gebonden.
+
+Indien de Heere naar mij niet had omgezien, ik had naar Hem niet
+omgezien. Ik zocht naar God, maar naar een God van eigen maaksel.
+
+Met liefelijke trekkingen heeft de Heere mij getrokken, maar ik sloeg de
+verzenen tegen de prikkelen.
+
+Het was een kruisweg op mijn leven.
+
+Mijn vrienden kozen m.i. in de studie den verkeerden weg.
+
+Ik koos den anderen.
+
+De Heere kwam voor mij staan: »Wilt ook gij niet heengaan?"
+
+Ik antwoordde: »Neen, Heere, bij U zijn de woorden des eeuwigen levens."
+Dit was de eerste besliste keuze.
+
+Ik zat als jong predikant in de kerk. Vooraan. Als een Farizeër. Met een
+gulden in mijn zak voor de diaconie. Wat zou de diaken respect voor dien
+dominé hebben!
+
+De dominé preekte over Zacharia 3. Hij schetste den Farizeër.
+
+Ik wilde wel onder de bank wegkruipen.
+
+Hij teekende den tollenaar.
+
+Ik herleefde. De tollenaar had immers berouw van zijne zonde.
+
+Daarna sprak Hij van den Voorspraak.
+
+»De Heere schelde u, gij Satan! Is deze mij niet als een vuurbrand uit
+het vuur gerukt?"
+
+Ja, zoo was 't.
+
+Indien iets waar was, dan was ik door den Heere als een vuurbrand uit
+het vuur gerukt!
+
+Die tekst is mij altijd bijgebleven.
+
+Ik lag in de zonde.
+
+De Heere kwam als met uitgebreide armen tot mij, en zeide: »Nu zal ik
+voor u zorgen!"
+
+Hij heeft dit gedaan op de liefelijkste wijze.
+
+O, wonderdoende Zaligmaker!
+
+O, wonderzoete Jezus!
+
+Gij zijt mijn Eén en mijn Alles.
+
+Eens eeuwig bij U te zijn, is mijn zaligheid en heerlijkheid.
+
+Kom, Heere Jezus. Ja, kom haastelijk!
+
+En komt de ure aan des doods:
+
+ Jezus, Uw verzoenend sterven
+ Blijft het rustpunt van mijn hart,
+ Als wij alles, alles derven,
+ Blijft Uw liefd' ons bij in smart.
+ Och, wanneer mijn oog eens breekt,
+ 't Angstig doodzweet van mij leekt,
+ Dat Uw bloed, mijn hoop dan wekke,
+ En mijn schuld voor God bedekke.
+
+Dien heerlijken Naam bevolen door
+
+ uw u liefhebbenden oud-leeraar,
+
+ R. J. W. RUDOLPH.
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: zegen zijn Rudolph toch |
+ | C: zegen zijn. Rudolph toch |
+ | B: Er kwam beterschap |
+ | C: Er kwam beterschap. |
+ | B: land toen gehoord Ten slotte |
+ | C: land toen gehoord. Ten slotte |
+ | B: bepleit en verdedigd neeft, ziet, dat |
+ | C: bepleit en verdedigd heeft, ziet, dat |
+ | B: al wil dit dit daarom allerminst |
+ | C: al wil dit daarom allerminst |
+ | B: Kerkgacht te Leiden. Zijn ideaal |
+ | C: Kerkgracht te Leiden. Zijn ideaal |
+ | B: van velen, de met hem in het |
+ | C: van velen, die met hem in het |
+ | B: in de kapel van 't Diakonessenhuis |
+ | C: in de kapel van 't Diaconessenhuis |
+ | B: heerlijke preek van ds. Kamerer over |
+ | C: heerlijke preek van ds. Kammerer over |
+ | B: onder Freedrik III, was Heidelberg |
+ | C: onder Frederik III, was Heidelberg |
+ | B: regeering protestansch-evangelisch-liberaal |
+ | C: regeering protestantsch-evangelisch-liberaal |
+ | B: voor de zonnstralen op. Heerlijk gezicht, |
+ | C: voor de zonnestralen op. Heerlijk gezicht, |
+ | B: werd, bijv. ' smorgens door de |
+ | C: werd, bijv. 's morgens door de |
+ | B: moeders voor de patienten; armen en |
+ | C: moeders voor de patiënten; armen en |
+ | B: uitgeleide aan 't station. . Het weer |
+ | C: uitgeleide aan 't station. Het weer |
+ | B: »Loof den Heere. mijne ziel! |
+ | C: »Loof den Heere, mijne ziel! |
+ | B: klinken. Hij heeft zijn |
+ | C: klinken. Hij heeft Zijn |
+ | B: ook aan Bunyan en Rethurford, |
+ | C: ook aan Bunyan en Rutherford, |
+ | B: Christenreize, en Rethurford zijn heerlijke |
+ | C: Christenreize, en Rutherford zijn heerlijke |
+ | B: om mij hoe langs zoo meer te |
+ | C: om mij hoe langer zoo meer te |
+ | B: wij een waarlijk hemelscht leven |
+ | C: wij een waarlijk hemelsch leven |
+ | B: over te stappen; in Heidlberg stapten |
+ | C: over te stappen; in Heidelberg stapten |
+ | B: Spoedig waren de in Mainz |
+ | C: Spoedig waren we in Mainz |
+ | B: waarbij ik uit die duiternis geraakte |
+ | C: waarbij ik uit die duisternis geraakte |
+ | B: de grashalmen pennnen, en alle engelen |
+ | C: de grashalmen pennen, en alle engelen |
+ | B: bestember tijd en plaats |
+ | C: bestemder tijd en plaats |
+ | B: terdege gehoord: »dat de sterkte |
+ | C: terdege gehoord: dat de sterkte |
+ | B: zoo van harte mêe met den dichter |
+ | C: zoo van harte meê met den dichter |
+ | B: uw u liefhebbenden oud-leeraar |
+ | C: uw u liefhebbenden oud-leeraar, |
+ | B: deze arme echtgenoten geeft, dat |
+ | C: deze arme echtgenooten geeft, dat |
+ | B: 't licht darover opging, en juist |
+ | C: 't licht daarover opging, en juist |
+ | B: een altijdurend zalig heden; |
+ | C: een altijddurend zalig heden; |
+ | B: ver-verdrukt moeten worden, |
+ | C: verdrukt moeten worden, |
+ | B: _Ik zal zijn, die Ik zijn_ zal. |
+ | C: _Ik zal zijn, die Ik zijn zal_. |
+ | B: wat zegt mijn staatsrechtelijk gewaten, |
+ | C: wat zegt mijn staatsrechtelijk geweten, |
+ | B: wedadigheid en trouw verheerlijken |
+ | C: weldadigheid en trouw verheerlijken |
+ | B: uw u liefhebbenden oud-leeraar |
+ | C: uw u liefhebbenden oud-leeraar, |
+ | B: ik de radiumbestraling nog goed |
+ | C: ik de radium-bestraling nog goed |
+ | B: uw u liefhebbenden oud-leeraar |
+ | C: uw u liefhebbenden oud-leeraar, |
+ | B: en al haar heelrijkheid heeft |
+ | C: en al haar heerlijkheid heeft |
+ | B: uw u liefhebbenden oud-leeraar |
+ | C: uw u liefhebbenden oud-leeraar, |
+ | B: , ,Mijn raad zal bestaan, |
+ | C: »Mijn raad zal bestaan, |
+ | |
+ +---------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Van strak gespannen snaren, by
+Roelof Jan Willem Rudolph
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN STRAK GESPANNEN SNAREN ***
+
+***** This file should be named 31297-8.txt or 31297-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/1/2/9/31297/
+
+Produced by an anonymous Project Gutenberg volunteer.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.