diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 32834-0.txt | 5710 | ||||
| -rw-r--r-- | 32834-0.zip | bin | 0 -> 121813 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h.zip | bin | 0 -> 2492128 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/32834-h.htm | 6259 | ||||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2421.jpg | bin | 0 -> 155830 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2427.jpg | bin | 0 -> 123993 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2433.jpg | bin | 0 -> 117294 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2435.jpg | bin | 0 -> 151129 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2437.jpg | bin | 0 -> 150591 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2440.jpg | bin | 0 -> 146509 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2443.jpg | bin | 0 -> 159306 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2444.jpg | bin | 0 -> 108769 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2445.jpg | bin | 0 -> 146278 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2446.jpg | bin | 0 -> 170470 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2449.jpg | bin | 0 -> 120472 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2455.jpg | bin | 0 -> 126683 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2458.jpg | bin | 0 -> 116903 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2463.jpg | bin | 0 -> 163872 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2466.jpg | bin | 0 -> 156181 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2468.jpg | bin | 0 -> 117295 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 32834-h/images/p2470.jpg | bin | 0 -> 128514 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/32834-8.txt | 5710 | ||||
| -rw-r--r-- | old/32834-8.zip | bin | 0 -> 121699 bytes |
26 files changed, 17695 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/32834-0.txt b/32834-0.txt new file mode 100644 index 0000000..6619a48 --- /dev/null +++ b/32834-0.txt @@ -0,0 +1,5710 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 7: De Pluviervogels + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: June 16, 2010 [EBook #32834] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + +ZEVENDE ORDE. + +DE PLUVIERVOGELS (Charadriornithes). + + +Tien familiën, die in vroegere stelsels over verschillende +orden verdeeld waren, heeft Fürbringer op grond van anatomische +onderzoekingen samengevoegd tot de orde der Pluviervogels of +Speurvogels (Charadriornithes) met slechts één (gelijknamige) +onderorde (Charadriiformes), die drie groepen van familiën omvat: +de Oevervogels (Laro-limicolae), de Parravogels (Parrae) en de +Trapvogels (Otides). Als vierde groep moeten hierbij misschien nog +gevoegd worden de uitgestorven Vischvogels (Ichthyornithes), die in +de Krijt-periode leefden en goed ontwikkelde vleugels hadden, maar +zich van alle thans levende Vogels onderscheidden door den biconcaven +vorm der wervellichamen en het bezit van een groot aantal echte, met +wortels in tandkassen van beide kaken bevestigde tanden. Zij hadden +de grootte van een Duif. + + + +De eerste van de 7 familiën der Oevervogels is die der Pluvierachtigen +(Charadriidae), die, volgens Fürbringer, 2 onderfamiliën omvat: +de Snipvogels (Scolopacinae) en de echte Pluvieren (Charadriinae). + +De Snipvogels (Scolopacinae) zijn kleine of middelmatig groote, +sierlijk gebouwde moerasvogels; de van boven afgeronde kop heeft +een plat voorhoofd, dat naar voren smaller wordt tot de plaats, +waar het zonder scherpe afscheiding overgaat in den steeds langen, +dikwijls zelfs buitengewoon langen snavel; deze is slank en zwak en +heeft stompe, ongetande zijranden; hij is steeds aan den wortel met +een zachte huid bekleed, die zich dikwijls zelfs tot bij de spits +uitstrekt. Van de fijne, spleetvormige neusgaten aan den snavelwortel +tot de spits neemt de snavel weinig in breedte en hoogte af; hij +is òf recht, òf een weinig naar beneden, òf naar boven gekromd, +niet zelden buigzaam. De zwakke, slanke voet heeft gewoonlijk een +langen loop; de drie voorteenen zijn middelmatig lang; de zelden +ontbrekende achterteen is kort en hooger ingeplant; bij sommige +soorten zijn de voorteenen vrij, bij andere door vliezen vereenigd, +die zich bij eenige aan één der teenen tot aan den nagel uitstrekken, +bij enkele zijn de teenen met een huidzoom voorzien langs de zijden. De +vleugels zijn middelmatig lang en spits, aan den achterrand meer +of minder sikkelvormig uitgesneden; zij reiken tot, of voorbij de +spits van den korten, uit 12 à 26 pennen samengestelden staart. Het +vederenkleed is bij mannetjes en wijfjes meestal nagenoeg gelijk, bij +jongen en ouden in den regel zeer verschillend van kleur.--Zij bewonen +vochtige en moerassige oorden, waterkanten en de zeekust, leven in den +zomer bij paren, welke dikwijls bovendien tot grootere gezelschappen +vereenigd zijn; 's winters vormen zij groote en gemengde troepen; +zij zijn elkander, naar het schijnt, genegen, verkeeren althans +gaarne onderling. Hun voedsel bestaat uit Insecten en hunne larven, +Wormen en Schaaldieren, sommige eten ook wel zaden. Bij nagenoeg +alle soorten wordt het zeer verschillende, doch meestal op den grond +rustende nest door het mannetje en het wijfje gezamenlijk gebouwd; +beurtelings bebroeden zij de vier peervormige, aardkleurige eieren; +de jongen, die met dons bekleed uit den dop komen en het nest zeer +spoedig verlaten, worden, totdat zij in staat zijn om zelfstandig +voedsel te zoeken, door beide ouders gehoed. Alle bij ons broedende +soorten zijn trekvogels, die, welke op lagere breedten leven, +zwerfvogels. Zij trekken meestal 's nachts, sommige afzonderlijk, +de meeste tot zwermen vereenigd. Zij bewonen de geheele aarde. + +Om een gemakkelijker overzicht te geven van de talrijke, voor ons +gewichtige vormen, die tot deze onderfamilie behooren, splitsen +wij haar in vijf afdeelingen: Snippen, Strandloopers, Waterloopers, +Franjepooten en Kluiten. + + + +Bij de Snippen is de kop zijdelings samengedrukt, het voorhoofd +lang en hoog, de snavel recht, langer dan het onbevederde deel van +den poot, twee- of driemaal zoolang als de kop, nagenoeg geheel met +een zachte huid bekleed, alleen langs den rand van de eenigszins +verdikte bovensnavelspits hoornachtig; deze spits omsluit die van +den ondersnavel, daar zij niet slechts langer dan deze, maar ook een +weinig benedenwaarts gebogen is. Beide spitsen vormen te zamen een +zeer fijngevoelig tastorgaan: de in beenkanaaltjes gelegen zenuwvezels, +die in de huid van den snavel eindigen, zijn aan de spits buitengewoon +talrijk. Bij alle Vogels moet op het oogenblik, dat de onderkaak +naar beneden wordt bewogen, de bovenkaak in tegengestelde richting +draaien. (Dit geschiedt door de werking van het vierkantsbeen, +dat niet alleen met de onderkaak en den schedel, maar ook door +bemiddeling van andere beenderen met de bovenkaak beweeglijk +verbonden is.) Deze beweging is zeer duidelijk bij de Snippen, +waar het draaipunt van de bovenkaak ver naar voren ligt. Dit staat +in verband met het eigenaardige maaksel van den schedel, die als +'t ware een verschuiving naar onderen en naar voren heeft ondergaan, +zoodat het achterhoofdsgat niet, zooals gewoonlijk, naar achteren, +maar naar onderen is gericht, terwijl de gehooropeningen, in plaats +van achter, onder de (hier grootere en verder naar boven en naar +achteren gelegen) oogen voorkomen. Dat de geschiktheid van den +snavel om als tast- en grijporgaan te dienen door zijn vermeerderde +beweeglijkheid belangrijk is toegenomen, ligt voor de hand. De vleugels +zijn middelmatig lang, doch breed, de pooten kort; het onderbeen is +tot dicht bij het spronggewricht bevederd; de voorteenen zijn niet +met elkander vereenigd, de middelste voorteen is bijzonder lang, +de achterteen kort en hoog ingeplant. De kleur van het vederenkleed, +hoewel bont gevlekt, loopt zeer weinig in 't oog, steekt zoo weinig +af bij die van de verblijfplaats der Vogels, dat deze, als zij zich +tegen den bodem drukken, zeer moeilijk te vinden zijn. In verband met +de ligging van het achterhoofdsgat, houden zij den snavel zoowel bij +'t loopen als bij 't vliegen sterk naar beneden gericht. Zij zijn meer +in de schemering (of zelfs 's nachts) werkzaam dan over dag, bewonen +in de noordelijke en gematigde gewesten moerassen, broeklanden, +veengronden en ook bosschen en voeden zich met Wormen, Insecten +en hunne larven, die zij met haar grijp- en tastorgaan gemakkelijk +in den weeken bodem opsporen en van een vrij groote diepte aan de +oppervlakte brengen kunnen. Daar de spits van den bovensnavel die +van den ondersnavel omsluit, kan de geheele spits gemakkelijker in +den grond gestoken worden. Men ontmoet ze bijna altijd afzonderlijk; +tot troepen of talrijke zwermen vereenigen zij zich nooit; zelfs op den +trek reizen zij alleen. In den paartijd hoort men dikwijls haar stem en +de mannetjes vertoonen dan dikwijls opmerkelijke vliegkunstjes.--Ons +vaderland wordt bewoond of althans bezocht door vier algemeen bekende +soorten van Snippen: één van het geslacht der Houtsnippen, drie van +het geslacht der Watersnippen. + + + +Bij de Houtsnippen (Scolopax) zijn alle eigenaardigheden van de Snippen +het duidelijkst waarneembaar. Het lichaam is plomp, de snavelspits +afgerond; de pooten zijn betrekkelijk zeer kort, hun bevedering strekt +zich van voren, doch niet van achteren, tot het spronggewricht uit; +de schaften van de 12 stuurpennen zijn naar binnen gekromd; de nagel +van den achterteen is stomp kegelvormig en steekt niet voorbij den teen +uit. Deze vogels bewonen uitsluitend de bosschen en wel op vochtige +plaatsen. Tot dit geslacht behooren één Europeesche en drie Noord- +en Middel-Aziatische soorten. + + + +De Houtsnip, in Gelderland Woudsnep genoemd (Scolopax rusticola), +is voor op den kop grijs; de boven- en achterkop en de nek zijn met +vier bruine en vier roestgele dwarsstrepen geteekend; overigens +is de bovenzijde roestkleurig, roestgrijs, roestgeel, grijsbruin +en zwart gevlekt, op de keel witachtig, op de overige onderdeelen +met geelachtig grijze en bruine golflijnen; de slagpennen zijn op +bruinen, de stuurpennen op zwarten grond met roestkleurige vlekken +geteekend. Het zeer groote oog is bruin, de snavel, zoowel als de voet, +hoornkleurig grijs. Totale lengte 32, staartlengte 9, snavellengte +7,5 cM. + +"De jagers noemen de groote, lichtgekleurde voorwerpen met +vleeschkleurige pooten, die men bij oostenwind soms reeds in het begin +van October vindt, Uilenkoppen; de kleinere met donkerder vederen en +leikleurige pooten, die men veel later, vooral in November, bij ruw, +stormachtig weder en noordwestenwind, aantreft, Blauwpootjes. Sommigen +zijn van meening, dat eerstgenoemde wijfjes, laatstgenoemde mannetjes +zijn, en in Duitschland heeft men opgemerkt, dat in het voorjaar, +wanneer deze Vogels aan paren vliegen, de voorste altijd tot de +grootere, de achterste tot de kleinere behoort." (Albarda.) + +Met uitzondering van eenige eilanden van het noorden heeft men +de Houtsnip in alle landen van Europa en ook in geheel Noord- en +Middel-Azië, voorts op Madeira, de Kanarische eilanden en de Azoren +aangetroffen; zelden dwaalt zij naar IJsland af, eenmaal heeft men +haar op Newfoundland ontmoet. In Nederland, Duitschland, Engeland, +Schotland en Ierland broeden betrekkelijk weinige Houtsnippen. In +bosschen, op moerassige plaatsen heeft men bij ons in Gelderland, +Zuid-Holland (Lisse), Friesland (Kuikhorne, Makkinga, Dantumawoude) +en de meeste andere provinciën enkele paren broedend aangetroffen. In +Duitschland werd het broeden van deze soort het meest waargenomen +in de middelgebergten en in het noorden. In Noord-Europa vindt men +gedurende den zomer in alle groote wouden Houtsnippen. Hoewel sommige +in zachte winters gedurende het geheele jaar op haar broedplaats +blijven, reizen de meeste iederen herfst naar het zuiden om in het +zuidwesten van Azië, in Zuid-Europa en in het noordwesten van Afrika +den winter door te brengen. In Griekenland komen enkele exemplaren +reeds in het midden van September aan. + +Al naar de weersgesteldheid in het noorden komen de Houtsnippen hier te +lande vroeger of later. In den regel zijn zij in October en November +het menigvuldigst. In kleiner aantal bezoeken zij ons land in het +voorjaar. Gemiddeld begint men in het midden van Maart op doortrekkende +Houtsnippen te rekenen. Iets bepaalds kan hierover echter niet gezegd +worden, omdat juist deze Vogel den jager, die hem zoo nauwkeurig +mogelijk nagaat, ieder jaar nieuwe raadsels opgeeft. Ook de weg, +dien zij volgen, verschilt zeer; op een plaats, die aan alle eischen +schijnt te voldoen, en waar men in 't eene jaar zeer vele Houtsnippen +aantreft, ziet men dit wild in een ander jaar nagenoeg in 't geheel +niet. Wanneer het na een strengen winter te rechter tijd begint te +dooien en het weer daarna zacht blijft, heeft de voorjaarstrek op de +regelmatigste wijze plaats. Bovendien moet men in 't oog houden, dat +de Snippen, evenals andere Vogels, niet gaarne voor den wind trekken, +bij voorkeur dus bij een niet te krachtigen tegenwind reizen. Zeer +donkere of stormachtige nachten verhinderen den trek; ook worden de +Vogels vaak door de verwachting van slecht weer, van late sneeuwvlagen +b.v., op hun verblijfplaats teruggehouden. In groote, samenhangende +wouden vindt men ze meer dan in kleine bosschen, hoogst waarschijnlijk, +omdat de groote wouden hun meer beschutting verschaffen dan de kleine, +die zij later gaarne bezoeken. In gewesten met weinig houtgewas +strijken zij niet neer, zelden zelfs in tuinen met vele boomen +of in alleenstaande kreupelboschjes.--"Zij trekt bij nachttijd," +schrijft Schlegel, "ligt over dag verscholen in het hout en vliegt, +indien zij opgejaagd wordt, den bek benedenwaarts gericht, op niet +zeer aanzienlijke afstanden, om weder in het hout in te vallen. De +trek begint in October en er komen er dikwijls nog in December +aan. Zij vertoeft onder weg op gunstige plaatsen, dikwijls totdat +er strenge vorst invalt; hierdoor worden vele een prooi der jagers, +die op dit wild, hetzij omdat het een uitstekend gerecht levert, +hetzij omdat het een op andermans grond grootgebrachte vreemdeling +is, zeer gretig zijn. In het voorjaar, veelal reeds in Maart, keert +zij meer rechtstreeks en spoedig naar hare broedplaatsen terug en +wordt alsdan in ons land weinig aangetroffen."--"In het najaar," +bericht Mr. H. Albarda ten aanzien van Friesland, "menigvuldig op +den doortrek, het meest in de woudstreken, doch ook hier en daar op +de klei, vooral aan de kust. Somtijds zelfs in het vlakke veld, ver +van alle boomen verwijderd, alsook in rietvelden. Komt, vooral bij +noordelijken wind, het meest voor in Gaasterland, waar uitgestrekt +bosch onmiddellijk aan zee is gelegen, en wordt aldaar met laatvlouwen +gevangen. Onder gunstige omstandigheden vangt men soms op één dag, +met 50 vlouwen, 200 stuks, welk getal aanzienlijk is te noemen, +indien men in aanmerking neemt, dat deze vangst slechts gedurende +een half uur vóór zonsopgang en gedurende even zoo langen tijd na +zonsondergang kan plaats hebben. In sommige vochtige bosschen blijft +een klein getal den winter over, zoo deze niet al te streng is." + +Naar het schijnt, geeft de Houtsnip aan geen enkele boomsoort de +voorkeur: men vindt haar in naaldboomwouden even dikwijls als in +bosschen met breedbladige boomen. Een hoofdvoorwaarde voor haar +bestaan is een vochtige, weeke boschgrond, waarin zij haar snavel +kan steken. De ontzaglijke wouden van het noorden, die voor 't +meerendeel uit sparren bestaan, bevredigen hare eischen volkomen; +armoedige dennebosschen van zandstreken lokken haar daarentegen +volstrekt niet aan. + +Haar dagelijksch of huiselijk leven is niet gemakkelijk na te gaan, +omdat zij zeer vreesachtig, wantrouwig en schuw is. Over dag vertoont +zij zich nooit in 't open veld; wanneer zij een enkele maal genoodzaakt +is, hier neer te strijken, drukt zij zich plat op den grond: haar +vederenkleed is dan, evenmin als dat van de Patrijs, van den bodem +te onderscheiden. Als het in 't woud zeer stil is, loopt zij soms +ook over dag rond; zij kiest dan echter altijd plaatsen uit, waar +zij zoo goed mogelijk verborgen en tegen het voor haar waarschijnlijk +hinderlijke, schelle licht beschut is. Eerst in de schemering begint +zij met opgewektheid rond te loopen. Als zij op haar gemak is, +trekt zij den hals in, houdt den romp waterpas, den snavel met de +spits naar den grond gericht. Zij loopt in gebogen houding, sluipend, +trippelend, niet zeer snel en niet lang achtereen; zij vliegt echter +in alle opzichten uitmuntend. Zij kan zich door de dichte twijgen +heenwringen, zonder ergens tegen aan te stooten, de snelheid van +'t vliegen over 't algemeen geheel naar de omstandigheden wijzigen, +haar nu eens bespoedigen dan weer vertragen; zij maakt behendig +wendingen in iedere richting, rijst of daalt naar verkiezing, verheft +zich echter, over dag althans, nooit in hooge luchtlagen en vliegt, +zoolang zij dit vermijden kan, nooit over een open terrein. Als zij +verschrikt werd gemaakt, hoort men bij 't opvliegen een dof geklepper, +waaraan de jager haar steeds herkent, ook als hij haar niet te zien +krijgt. Als zij over dag vervolgd wordt en vreesachtig geworden is, +stijgt zij gewoonlijk 's avonds in bijna loodrechte richting omhoog +en trekt zoo schielijk mogelijk verder. Geheel anders is haar wijze +van vliegen, wanneer zij, om een wijfje te behagen, haar bekwaamheid +toont. Zij zet dan hare veeren op, zoodat zij veel grooter schijnt +dan zij werkelijk is, komt zeer langzaam aanvliegen, beweegt hare +vleugels met doffe slagen en gelijkt meer op een Uil dan op eenigen +Moerasvogel of Steltlooper. + +Bij oppervlakkige kennismaking met een levende Houtsnip komt men +er licht toe, haar voor een zeer dommen Vogel te houden; bij nader +onderzoek leert men haar niet slechts als een scherpzinnigen, maar +ook, en in veel hoogere mate dan men verwacht zou hebben, als een +schranderen of althans zeer listigen Vogel kennen; zij weet zeer goed, +hoe uitmuntend haar aard- of schorskleurig kleed haar beveiligt en +heeft er meesterlijk slag van om bij het "drukken" steeds een plaats +uit te kiezen, waar zij niet opgemerkt wordt. Een Snip, die zonder +zich te bewegen tusschen droge bladen, brokjes hout, naast een op den +grond gevallen stuk schors of een boven de oppervlakte uitstekenden +wortel ligt, wordt zelfs door het scherpzichtige oog van den geoefenden +en ervaren jager over 't hoofd gezien, in 't gunstigste geval alleen +aan de groote oogen herkend. Deze houding blijft onveranderd, zoolang +haar dit raadzaam voorkomt; vooral als zij vervolgd wordt, laat zij den +jager dikwijls tot op een afstand van weinige schreden naderen, voordat +zij plotseling opvliegt. Daarna vliegt zij, nooit anders dan aan de +tegenovergestelde zijde van het boschje, naar buiten, altijd zorgend, +dat zij door struikgewas en boomen tegen den jager beveiligd is. Bij +'t neervallen beschrijft zij dikwijls een grooten boog, maar strijkt, +wanneer zij reeds het dichte geboomte bereikt heeft, nog ver daarin +voort, "slaat" ook wel "een haak" en leidt op deze wijze haar vijand +niet zelden volkomen om den tuin; zeer te recht rekent zij er dus op, +dat men haar zal zoeken op de plaats, waar men haar in 't bosch heeft +zien doordringen. Het pleit voor haar verstandelijke ontwikkeling, +dat zij haar wantrouwen jegens den mensch langzamerhand aflegt, +wanneer zij meer intiem met hem verkeert. Men kan haar temmen; een +Snip, die van jongs af met den mensch heeft omgegaan, wordt zeer +gemeenzaam. Haar stem mist alle welluidendheid; de geluiden, die +zij maakt, klinken heesch en dof als "katsj" of "dak" en "eetsj", +maar ondergaan eenige wijzigingen in den paartijd of door angst: in +'t eerstgenoemde geval hoort men een kort afgebroken gefluit, dat als +"pssiep" klinkt en dikwijls het voorspel is van een dof, schijnbaar +diep uit de borst oprijzend "joerrk"; in 't laatstgenoemde geval +wordt haar geluid kwiekend en klinkt als "sjeetsj". + +Als de avondschemering invalt, vliegt de Houtsnip naar breede +boschwegen, weiden en moerassige plaatsen in of in de nabijheid van +het woud, om voedsel te zoeken. Een zorgvuldig verborgen waarnemer, +wiens aanwezigheid zij niet vermoedt, kan zien, hoe zij haar langen +snavel onder de oude, afgevallen bladen steekt en deze bij hoopen +tegelijk omkeert, om de hieronder verborgen larven, Kevers en Wormen te +voorschijn te brengen, of hoe zij dit werktuig in den vochtigen, lossen +grond boort, het eene gat dicht bij het andere maakt, zoo diep als dit +met den zachten, buigzamen snavel kan geschieden. Op een dergelijke +wijze doorzoekt zij den verschen rundermest, die zeer spoedig vol +insectenlarven zit. Gewoonlijk blijft zij niet lang op dezelfde +plaats, maar vliegt van de eene naar de andere. Larven van de meest +verschillende Insecten en deze dieren zelf, kleine naakte Slakken, +vooral echter Regenwormen maken haar voedsel uit. In de gevangenschap +geraakt zij, wanneer men haar aanvankelijk rijkelijk met Regenwormen +voorziet, langzamerhand ook aan 't eten van wittebrood en mierenpoppen +gewoon; ook leert zij spoedig het boren in de zachte zoden, zelfs als +zij zoo jong uit het nest genomen werd, dat zij niet in de gelegenheid +is geweest om deze wijze van kostwinnen van hare ouders af te zien. + +In eenzame, stille wouden kiest de Houtsnip om te nestelen plaatsen +uit, waar dicht onderhout met vrije, open plekken afwisselt. Nadat het +paartje tot overeenstemming is gekomen, het mannetje met zijne buren +weken lang gekrakeeld heeft, zoekt het wijfje een geschikt plaatsje op +achter een kleinen struik of een ouden boomstomp, tusschen wortels, mos +en grassen; zij gebruikt hier een reeds aanwezig kuiltje in den grond +als nestplaats of graaft er zelf een, en bekleedt dit op gebrekkige +en kunstelooze wijze met een kleine hoeveelheid droge grassen, mos +en andere stoffen; zij legt hierop 4 tamelijk groote, kortbuikige, +gladschalige, glanslooze eieren, die op bleek roestgelen grond met +roodachtig grijze ondervlekken en donker roodachtige of geelbruine +bovenvlekken nu eens dichter dan weer minder dicht geteekend zijn, doch +welker grootte en kleur overigens veel verscheidenheid aanbiedt. Zij +broedt met den grootsten ijver 17 of 18 dagen lang, laat een mensch, +die eieren zoekt of toevallig in de nabijheid komt, tot op een +afstand van weinige schreden naderen, voordat zij opvliegt, laat zich +zelfs aanraken, vliegt gewoonlijk niet ver weg en keert zoo schielijk +mogelijk naar het nest terug; ook blijft zij broeden, wanneer men haar +een ei ontnomen heeft. Het mannetje bekommert zich, naar het schijnt, +weinig om zijn gade, komt echter weer bij haar, wanneer de jongen +de eischaal verlaten en uit het nest geloopen zijn. De beide ouders +zijn vol zorg voor hun kroost, vliegen bij het naderen van een vijand +angstig op en bewegen zich uit list op een schommelende en slingerende +wijze; onder het angstig geroep van "dak-dak" beschrijven zij slechts +kleine kringen in de lucht en vallen in de nabijheid weder op den +grond. Intusschen verbergen de jongen zich zoo uitmuntend tusschen +mos en grassen, dat men ze zonder Hond zelden vindt. Vele jagers +(waarbij zeer nauwgezette waarnemers waren) hebben gezien, dat oude +Houtsnippen hunne jongen bij groot gevaar in veiligheid brachten, +door ze met de klauwen aan te vatten, of met den hals en den snavel +tegen de borst te drukken, of in den snavel te nemen, of tusschen de +bovenschenkels te klemmen en vervolgens weg te vliegen. In de derde +week van hun leven beginnen de jongen te fladderen; nog voordat zij +behoorlijk hebben leeren vliegen, zorgen zij voor zichzelf. + +Vroeger meende men, dat de Houtsnip slechts eens in 't jaar broedt +en hoogstens wanneer haar het eerste broedsel ontnomen werd, voor +een tweede begint te zorgen; uit latere berichten schijnt echter +te blijken, dat in gunstige jaren alle of althans de meeste paren +Houtsnippen tweemaal broeden. + +Van Boschkatten en Huiskatten, Marters, Haviken en Sperwers, +Edelvalken, Vlaamsche Gaaien en Eksters hebben de Houtsnip en haar +kroost veel te lijden. Door den jager wordt zij alleen gedurende +den trek vervolgd, door de bewoners van zuidelijke landen ook in +hare winterkwartieren, hoewel haar vleesch dan dikwijls hard en +taai is. De snippenjacht is voor den liefhebber een bron van groot +genoegen, zoowel het jagen op den "aanstand" in den morgen of den +avond, terwijl de Vogels rondzwerven, als de drijfjacht. + + + +De Watersnippen, de Bécassines der Franschen en Duitschers +(Gallinago), onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht +door het afgeplat zijn van de snavelspits; het onderbeen is boven +het spronggewricht zoowel van voren als van achteren onbevederd; de +nagel van den achterteen is gekromd en steekt voorbij den teen uit; +de staart bevat 12 à 26 pennen met rechte schaft. Haar levenswijze +komt met die van de Houtsnippen overeen; zij vermijden echter het +woud en in 't algemeen ieder samenhangend gewelf van planten boven +zich; opene, moerassige, veenachtige laaglanden verschaffen haar een +woonplaats. Van de 24 ver verbreide soorten, die dit geslacht vormen, +zijn er 3 inheemsch. + + + +De grootste van deze is de Poelsnip of Dubbele Snip, in Noordbrabant +Poelsnep, in Gelderland Grasvogel of Grassnep genoemd (Gallinago +major). De bovenkop is bruinachtig zwart met een smalle, +roestgeelachtige streep in het midden en een boven ieder oog; +de overige bovendeelen zijn zwartbruin met roestgele vlekken, de +vleugeldekveeren met witte, ook over de schaft zich uitstrekkende +topvlek, de eerste handpen bruin met lichte schaft en witten +buitenzoom; van de 16 stuurpennen hebben de drie buitenste een witte +eindhelft; de onderzijde is roestgeel met zwarte vlekken. Totale +lengte 28, staartlengte 6 cM. + +Zij broedt in de toendra van de Oude Wereld, waar zij de eenige +vertegenwoordiger is van haar geslacht. Reeds in Skandinavië +nestelt zij betrekkelijk zelden, nog zeldzamer in de verder +zuidwaarts gelegen gematigde gewesten van Europa; enkele paren +zijn bij ons broedende gevonden in moerassige streken van Limburg +en Noordbrabant, zeer enkele ook in andere provinciën (bij Suawoude +in Friesland en in Groningen). Zij heeft hare winterkwartieren in +Afrika en Zuidwest-Azië. Daar haar broedgebied eerst laat bevrijd is +van sneeuw en de winter er vroeg begint, begeeft zij zich in 't najaar +vroegtijdig op reis en keert laat in 't voorjaar terug. Ons land wordt +door haar op den trek slechts weinig bezocht, in 't najaar ontmoet +men haar hier veelal slechts van het laatst van Juli tot September, +in het voorjaar in April en Mei. + + + +Beter bekend is hier te lande en in geheel Europa de Watersnip +(Gallinago gallinago of Gallinago caelestis). De bovenzijde is op +bruinzwarten grond geteekend met een breede, roestgele streep, die +over het midden van den kop loopt en vier lange, roestgele strepen, +die zich over den rug en de schouders uitstrekken, bovendien met +roestkleurige vlekken en dwarsbanden op alle veeren; de onderzijde is +wit, de voorhals grijs en, evenals de bovenborst en de zijden, bruin +gevlekt. De staart bestaat uit 14 stuurpennen. Het oog is donkerbruin, +de snavel zwart, de voet vuil vleeschkleurig met groenblauwachtige +tint. Totale lengte 29, snavellengte ruim 7, staartlengte 6 cM. + +Het noorden van Europa en Azië is het vaderland van de Watersnip; zij +broedt overal, waar groote moerassen zijn, waarschijnlijk nog in het +zuiden van Europa en misschien zelfs in Noord-Afrika. In Nederland +broedt zij algemeen op lage veenachtige gronden, hier en daar ook +op de klei. Voorts broedt zij in Noord-Duitschland, Denemarken, +Skandinavië, Lijfland, Finland en Zuid-Siberië; in al deze landen is +zij op geschikte plaatsen buitengewoon veelvuldig. Op den trek bezoekt +zij alle groote en kleine moerassen, broeklanden en veengronden, die +tusschen haar zomer- en haar winterverblijf gelegen zijn. Het laatste +is misschien nog uitgestrekter dan het eerste, daar het van Zuid-China +tot aan den Senegal (tusschen 45 en 10° N.B.) reikt. Gedurende den +trek is zij in ons geheele land op lage, vochtige plaatsen zeer +menigvuldig. De najaarstrek heeft plaats van September totdat de +vorst invalt, de voorjaarstrek in Maart en April. In zachte winters +blijven enkele voorwerpen bij ons over op plaatsen waar stroomend +water is. In Duitschland vindt men ze bij de zoogenaamde warme bronnen +zelfs in sneeuwrijke winters. Droge streken trekt zij zoo schielijk +mogelijk door. Men ontmoet haar uitsluitend in vochtige laaglanden, +sompen, moerassen, drasse weiden, kortom op plaatsen, die in meerdere +of mindere mate op het eigenlijke moeras gelijken. Zij verlangt op +haar verblijfplaats een bodem begroeid met grassen, zeggen, riet en +andere moerasplanten, die geen hinderpalen oplevert bij 't boren +met den snavel. In zulke oorden, die wij kortweg moerassen zullen +noemen, leeft zij, behalve in den broedtijd zoo stil, dat men van +haar aanwezigheid niets bespeurt. Ook zij arbeidt bij voorkeur in de +schemering, maar is toch veel meer dagvogel dan de Houtsnip. + +Haar buitengewoon snelle vlucht kenmerkt zich door den uit verscheidene +zigzaglijnen bestaanden weg, dien zij kort na het opstijgen volgt +en die eerst daarna recht wordt. Bijna iedere Watersnip verheft +zich plotseling in de lucht, ijlt met snelle vleugelslagen ver weg, +beschrijft een grooten boog, komt nagenoeg op de plaats van uitgang +terug, vouwt eensklaps de vleugels op en stort zich in schuinsche +richting weer in het moeras. Dat zij uitmuntend kan zwemmen en deze +kunst ook beoefent, zonder er door den nood toe gedwongen te zijn, +werd dikwijls waargenomen. In tijd van gevaar, vooral als zij door +een Roofvogel vervolgd wordt, tracht zij zich te redden door onder +te duiken. + +Het geluid, dat zij gewoonlijk bij het opvliegen laat hooren, is +een heesch "ketsj", dat soms verscheidene malen herhaald wordt. In +den trektijd hoort men van haar het heesche geluid "grek, gek gè" +en ook somtijds den hoogen toon "tsiep". + +In vele opzichten verschilt haar aard van dien der beide reeds genoemde +Snippen. Wel is ook zij zeer schuw en vreesachtig, maar tevens veel +beter geschikt en meer geneigd om zich te bewegen; zij vliegt dikwijls +uitsluitend voor haar genoegen rond, zonder eenige andere merkbare +bedoeling; alleen als zij zeer vet geworden is, maakt zij eenigszins +den indruk van traag te zijn. Het mannetje en het wijfje zijn zeer +aan elkander gehecht en houden veel van hun kroost. + +Haar voedsel bestaat uit Insecten, Wormen, kleine naakte Slakken en +Weekdieren met dunne schelp. Deze vangt zij in de schemering en den +nacht; men ziet haar n.l. alleen in dezen tijd van de eene plaats +naar de andere zwerven en plaatsen bezoeken, waar zij zich over +dag niet vertoont. Als zij rijkelijk voedsel kan vinden, wordt zij +buitengewoon vet. + +Reeds lang voor het leggen beginnen de zeer merkwaardige +minnespelen. "Het mannetje," schrijft Naumann, "vliegt meestal +bliksemsnel van zijn zitplaats op, eerst in scheeve richting naar +boven, daarna met groote schroefvormige wendingen loodrecht omhoog, +bij helder weder zoo ver, dat slechts een geoefend oog hem nog +als een Vogel herkent. Op deze hoogte vliegt hij met fladderende +vleugelbeweging in een kring rond en schiet vervolgens met geheel +uitgebreide, onbewogen wieken langs een vertikalen boog beurtelings +naar boven en naar beneden; dit geschiedt met zooveel kracht, dat de +snelle trillingen van de toppen der groote slagpennen een gonzenden, +knorrenden of brommenden toon doen ontstaan, die zeer veel op het +blaten van een Geit gelijkt, en aanleiding heeft gegeven tot de in +Duitschland gebruikelijke namen "Hemelgeit, Haverbok," enz. Later +is men tot de overtuiging gekomen, dat niet de slagpennen, maar de +staartveeren het geluid veroorzaken. + +De Watersnip is wegens haar verblijfplaats en haar groote bekwaamheid +in 't vliegen aan minder gevaren blootgesteld dan de Houtsnip. De +Europeaan vervolgt haar wegens haar smakelijk vleesch, dat stellig de +voorkeur verdient boven dat van de Houtsnip; deze jacht wordt echter +niet overal met grooten ijver beoefend, omdat het rondwaden in het +moeras en het treffen van een Vogel in de vlucht niet ieders zaak +is. Zeer veel werk maken de Hongaren en de Europeanen in Egypte en +Indië van deze jacht; nergens levert zij trouwens betere uitkomsten +op dan in de door hen bewoonde landen. + +Men kan ook Watersnippen in de kooi houden; het kost echter veel +moeite om haar aan de veranderde omstandigheden te doen gewennen. + + + +De kleinste soort van Snip is het Bokje, in Zeeland Lapper, in +Noordbrabant Dooverik, Halfke en Pink, in Limburg Doover en Kleine +Watersnep genoemd (Gallinago gallinula of Limnocryptes gallinula): +zij is slechts 16 cM. lang (staartlengte 4 cM.). De teugel en een +streep onder de wang, die achter de oorstreek langs weer naar het +oog gericht is, zijn bruin, twee strepen boven en onder het oog +roodgeelachtig, de mantelveeren zwartblauw met groenen en purperen +weerschijn en met vier roestgele, overlangsche strepen, de gorgel, +de krop en de zijden grijs met bruinachtige golflijnen en vlekken, +de onderdeelen overigens wit, de slagpennen en staartveeren dofzwart, +deze met roestgelen zoom. De staart bestaat uit 12 pennen, waarvan +de beide middelste langer en spitser zijn. + +Men ontmoet haar gedurende den herfst- en den voorjaarstrek op dezelfde +plaatsen als de Watersnip, doch iets later dan deze en nooit in zoo +grooten getale. Het is niet onmogelijk, dat deze soort hier enkele +malen broedt, zooals ook in Duitschland hier en daar geschiedt; +haar eigenlijk vaderland is echter Rusland en West-Siberië. + +Haar houding komt met die van de overige Snippen overeen; zij +loopt ongeveer als deze over den grond, maar vliegt minder goed, +n.l. minder vast, hoewel zij behoorlijk snel voortschiet en de meest +verschillende zwenkingen kan uitvoeren; zij verheft zich niet gaarne +hoog in de lucht, maar fladdert soms letterlijk over het moeras heen, +zoodat zij aan een Vleermuis herinnert. Haar voedsel is in hoofdzaak +gelijk aan dat van de overige Watersnippen, vaker dan bij de andere +soorten heeft men echter in haar maag fijne zaden gevonden. + + + +De Bastaardsnippen (Rhynchaea) naderen tot de Watersnippen in +levenswijze, maar haar snavel is korter en harder en eenigszins +gekromd. De 3 of 4 soorten van dit geslacht worden gevonden +in de tropische gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld en van +Australië. Een van deze--de Goudsnip (Rhynchaea capensis)--bewoont +als broedvogel een groot deel van Afrika en Zuid-Azië (Japan, +China, Indië en de Soenda-eilanden) en begeeft zich op den trek naar +Zuid-Australië. In grootte komt zij met de Watersnip overeen. Zij +houdt zich op in moerassen, broeklanden en waterrijke velden, doch +ook tusschen struiken en in het riet; zij loopt zeer snel, doch +vliegt slecht. Des nachts of in de schemering zoekt zij haar voedsel; +zooveel mogelijk vermijdt zij het open veld. In 't voorjaar leeft zij +paarsgewijs, later in kleine vluchten van 5 à 6 stuks. De wijfjes zijn +grooter en fraaier gekleurd dan de mannetjes. Bij beide zijn de slag- +en stuurpennen met goudgele vlekken versierd. + + + +Onder den naam Strandloopers (Tringa) vat men een 25-tal soorten van +kleine Moerasvogels samen, waarvan slechts enkele de grootte van een +Lijster bereiken. Gewoonlijk worden zij in een 6-tal ondergeslachten +gesplitst, waaraan men ook wel den rang van geslachten toekent. Hun +voorkomen herinnert in zoover aan dat der Snippen, dat hals en pooten +ongeveer dezelfde betrekkelijke lengte hebben. De kop en de oogen zijn +echter kleiner, de gehooropeningen verder naar achteren geplaatst. De +snavel is korter, hoewel nog steeds iets langer dan de kop, recht +of aan de spits flauw benedenwaarts gebogen, slank, zwak, zacht, +doch aan de eenigszins breedere spits harder; hij dient eveneens +als tastorgaan, maar is voor dit doel minder geschikt dan de snavel +der Snippen. De vleugels zijn middelmatig lang en spitser dan bij de +Snippen; de lange schouderveeren vormen een tweede vleugelspits. De +voeten zijn middelmatig lang; het onderbeen is verder onbevederd +dan bij de Snippen; de teenen zijn korter; de achterteen is klein, +hooger ingeplant en reikt niet tot op den grond. De veeren worden in +den herfst gewisseld; het winterkleed, dat dan voor den dag komt, is +van boven aschgrauw of blauwachtig aschkleurig en zonder teekening; de +onderdeelen zijn wit of witachtig. In de lente doemt op de rugveeren, +in de nabijheid van de schaft, een donkere vlek van onbepaalden vorm +allengs op; dit is de aanvang van de in korten tijd plaats hebbende +verkleuring, waarna deze Vogels door hun donker roodbruine en zwarte +teekening een geheel ander uitzicht vertoonen dan gedurende den winter. + +Zij bewonen de noordelijke gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld +tot op zeer hooge breedten. Hier broeden zij; de meeste vereenigen +zich vervolgens tot talrijke zwermen en reizen van het eene strand +naar het andere in zuidelijke richting. Tegen het einde van Augustus +of in September komen zij aan de kusten van de Oostzee en Noordzee, +vormen hier scharen van duizenden stuks en trekken daarna steeds bij +de kusten langs naar de Middellandsche Zee of zelfs naar de Kaap +de Goede Hoop. Zij reizen het meest in de schemering, en zoeken +over dag hun voedsel. Kort nadat zij het zuidelijkste punt van hun +tocht bereikt hebben, begeven zij zich weer op den terugweg. Vele +komen echter in 't geheel niet in hun noordelijk vaderland terug, +maar zwerven ver van daar in hun fraai bruiloftskleed rond, zonder +zich voort te planten. Er is (behalve Juni) ter nauwernood een maand, +waarin men geen doortrekkende Strandloopers aan onze Noordzeekusten +waarneemt. Nadat in Mei de laatste exemplaren naar 't noorden zijn +vertrokken, ziet men reeds in Juli weer eenige terugkeeren; dit aantal +neemt in Augustus sterk toe, terwijl in September alle kusten er mede +bevolkt zijn. Hun leven schijnt uit een aaneenschakeling van reizen te +bestaan. Zij vliegen meestal laag, eenige vormen kleine gezelschappen, +andere op wolken gelijkende zwermen. Op den bodem loopen zij meestal +trippelend rond; wanneer een gevaar hen bedreigt, "drukken" zij zich +niet neder, zooals de Snippen, maar maken dadelijk gebruik van hunne +uitmuntende vliegorganen. Hun stem bestaat meestal uit de eenigszins +trillende klanken "ti-i-i-i" of "triet-triet". Zij voeden zich met +kleine Insecten, hunne larven, Wormen, Schaaldieren en Weekdieren. De +larven van Muggen, die in het hooge noorden in ontzaglijke hoeveelheid +voorkomen, verschaffen hun een overvloed van voedsel; dit maakt de +snelle ontwikkeling van de jongen mogelijk. Hunne eieren zijn groot +en gelijken op die van de Snippen. + +Op de bovenstaande, grootendeels aan Altum ontleende schets, laten +wij een korte beschrijving van de 9 hier te lande waargenomen soorten +volgen. + + + +Als een overgangsvorm tusschen de Snippen en de eigenlijke +Strandloopers beschouwt men den Breedbekkigen Strandlooper [Tringa +(Limicola) platyrhyncha], die in ons land tweemaal (in 1862 en 1870) +telkens in Augustus en aan den Hoek van Holland, werd waargenomen +(Albarda). Hij heeft ongeveer de grootte van een Musch en kenmerkt +zich door het ontbreken van den achterteen en door den snavel; deze +is aan de spits verbreed, duidelijk benedenwaarts gebogen en iets +langer dan de kop. De hoofdkleur is roestbruin met zwarte vlekken. + + + +Eveneens drieteenig is de Zandlooper [Tringa (Calidris) arenaria], +wiens rechte snavel den kop in lengte evenaart; hij is ongeveer zoo +groot als een Kuifleeuwerik. De hoofdkleur van zijn zomerkleed is +witachtig, op de bovenzijde in de jeugd met zwartachtige, op lateren +leeftijd met zwartachtige en roestbruine teekeningen; het winterkleed +is eenvoudig blauwachtig aschkleurig. Op den trek bezoekt hij, naar het +schijnt, alle werelddeelen; men heeft hem zoowel op Java, als in Chili +en Zuid-Afrika gevonden. Reeds in September komen deze Vogels in kleine +vluchten langs ons zeestrand, waar zij zich dikwijls aan de monden +der rivieren en op de Wadden in tallooze menigte verzamelen. Deze +wintergasten blijven bij ons tot April, soms tot in het begin van Mei. + + + +Alle overige soorten zijn vierteenig. De grootste van deze is de +Kanoet-Strandlooper [Tringa (Tringa) canutus], in Friesland Mients +of Knot genoemd. (Van den laatsten, ook in Engeland gebruikelijken +naam zijn de beide eerstgemelde aanduidingen afgeleid). Hij evenaart +in afmetingen onze Groote Lijster. Zijn snavel is recht, langer dan +de kop en dan de loop, breeder en dikker wordend aan de spits. De +loop is langer dan de middelste voorteen met den nagel. De staart is +flauw afgerond. Het zomerkleed is aan de onderzijde donker bruinrood, +aan de bovenzijde zwart met groote, roestroode kantvlekken, witachtige +vederspitsen en roestgele zoomen. In het winterkleed is de onderzijde +witachtig, aan den krop met kleine, zwarte, overlangsche, op de zijden +van den romp met dwarse, grijsbruine vlekken; de bovendeelen zijn dan +bruingrijs. Van het laatst van Augustus of het begin van September af +hoort men gedurende een groot deel van den winter en van het voorjaar +de zeer schelle stem van deze Vogels langs ons strand, vooral aan de +steenen hoofden, op de Wadden, soms ook aan de oevers der rivieren +en meren en in de lage hooilanden. Zij worden hier vrij veelvuldig +gevangen. Behalve in Europa brengen zij den winter door in geheel +Azië, een groot deel van Amerika en Afrika; zelfs heeft men ze op +Nieuw-Zeeland aangetroffen. Op deze reizen verlaten zij slechts bij +uitzondering de zeekust om nabij gelegen binnenwateren te bezoeken, +verder binnenslands behooren zij steeds tot de zeldzaamheden. Op het +zeestrand vormen zij talrijke troepen, die gemeenschappelijk leven +en werken. + + + +De Kleine Strandlooper, in Friesland Gril of Griltje genoemd [Tringa +(Limonites) minuta], is zoo groot als een Musch en onderscheidt zich +bovendien van de vorige soort, doordat de eveneens rechte snavel zoo +lang is als de kop; de staart is dubbel uitgesneden; de snavel en de +voeten zijn zwart, de buitenste staartpen is zuiver wit, de 2e en de +3e zijn grootendeels wit. Het zomerkleed is aan de onderzijde wit, aan +de bovenzijde zwart, iedere veer met roestroode kanten. De onderdeelen +zijn ook in het winterkleed wit, de bovendeelen echter aschgrauw.--De +broedplaatsen van deze Vogels liggen binnen den poolcirkel. Hun +winterreis strekt zich tot Zuid-Afrika en de Molukken uit. Op den +trek bezoeken zij in grooten getale ons land; in het voorjaar, in +Mei en Juni, en in het najaar, van Augustus tot October, zijn zij +menigvuldig bij meren, poelen en plassen. Soms worden zij in menigte +onder het wilsternet gevangen, waarbij echter vele door de mazen +gaan (Albarda). Hun stem klinkt zacht en aangenaam als "duurrr" of +"duurruï," soms ook als "dierriet", zoo ook die van de volgende soort. + + + +De Kleinste Strandlooper, in Friesland Kleine Gril genoemd [Tringa +(Limonites) Temminckii], die in grootte een Roodborstje evenaart, +heeft den snavel even lang als de kop, zeer weinig gebogen, den staart +wigvormig verlengd, den snavel en de voeten zwart, de eerste groote +handpen met witte schaft, de buitenste staartveeren effen grijs. Des +zomers zijn de onderdeelen wit met uitzondering van de bruingrijze +onderhals en krop, de bovendeelen bruinachtig grijs met zwarte en +roestkleurige vlekken. Van het winterkleed is de onderzijde wit, op den +krop echter bruinachtig grijs met donkerder overslagsche streepjes, +de bovenzijde bijna effen bruinachtig aschgrauw. Deze soort wordt op +dezelfde plaatsen en in denzelfden tijd als de Kleine Strandlooper, +doch in zeer kleinen getale op den trek bij ons waargenomen. + + + +De drie overige inheemsche soorten onderscheiden zich door een +flauw benedenwaarts gekromden snavel. Zoo de Paarse of Violette +Strandlooper [Tringa (Arquatella) maritima], die de grootte heeft van +een Spreeuw. Zijn snavel is langer dan de kop; de loop evenaart in +lengte de middelste voorteen zonder den nagel; het onderbeen is boven +het spronggewricht slechts zeer weinig naakt; de loop en het achterste +deel van den snavel zijn geel; de staart is wigvormig. De bovenzijde +is bruin- of grauwzwart met witachtige vederkanten, de onderzijde +heeft dezelfde kleur met uitzondering van kin en buik, die wit zijn; +de staart is aschgrauw; de bovendekveeren van den staart zijn zwart met +witten top, de onderdekveeren wit met lange, donkere schaftvlekken. Het +zomerkleed is bruinachtiger.--Deze Vogel, die ook nog kenbaar is aan +zijn helder fluitend stemgeluid, bezoekt op den trek, die zich tot +Middel-Afrika en Australië uitstrekt in kleinen getale ook ons land; +men ontmoet hem in het voor- en najaar (soms nog in December) op de +steenglooiingen, hoofden en andere zeeweringen langs de kust. + + + +De Krombekstrandlooper [Tringa (Ancylochilus) subarquata] is een weinig +kleiner dan de vorige soort, hoewel hij een iets langeren staart +heeft. Zijn snavel is veel langer dan de kop en in 't oogvallend +naar beneden gebogen. De loop is langer dan de middelste voorteen +met den nagel. De snavel en de loop zijn zwart, de staartwortel +en de bovendekveeren van den staart wit; de staart is dubbel +uitgesneden, de middelste veeren rondachtig toegespitst; de borst +en de krop zijn ongevlekt of zeer weinig gevlekt. Zijn kleur heeft +overigens veel overeenkomst met die van den Kanoetstrandlooper. De +Krombekstrandloopers, die op den trek Zuid-Azië en Zuid-Afrika +bezoeken, vertoonen zich in den nazomer en herfst, aan onze kust, +op de eilanden en op de lage weilanden in de nabijheid van de kust, +soms in koppels, maar gewoonlijk in kleinen getale. Op den trek volgen +zij niet slechts de kust, maar (in Afrika althans) ook den loop der +groote rivieren; men heeft ze in den winter aan den Witten en den +Blauwen Nijl ontmoet. + + + +Eveneens bezoekers (en zelfs bewoners) van het binnenland zijn de beide +volgende vormen, die gewoonlijk als verscheidenheden van één soort +worden aangemerkt. De Bonte Strandlooper of het Strandbokje [Tringa +(Pelidna) alpina], die zoo groot is als een Veldleeuwerik, komt in +nagenoeg alle opzichten overeen met zijn merkbaar kleineren verwant, +de Kleine Bonte Strandlooper of het Kleine Strandbokje, bij Oirschot +Fluitsnipje genoemd [Tringa (Pelidna) alpina Schinzii]. Merkwaardig is +het, dat het broedgebied van deze beide vormen zich verder zuidwaarts +uitstrekt, dan dat der overige Strandloopers. De eerstgenoemde broedt +in ons werelddeel nog in Skandinavië, de andere ook in verschillende +gewesten van Duitschland; zelfs werd hij broedend waargenomen +aan den Hoek van Holland; ook werd dit een paar malen in Friesland +(Boornbergum, Oudega, Suawoude) en te Vlijmen in Noordbrabant opgemerkt +(Albarda). De snavel is langer dan de kop en flauw benedenwaarts +gebogen, de loop langer dan de middelteen met den nagel; de snavel +en de loop zijn zwart, de staartwortel en de bovendekveeren van +den staart zwart of donkerbruin; de staart is dubbel uitgesneden en +heeft de beide middelste veeren lang toegespitst; de borst en de krop +zijn sterk bezet met donkere schaftvlekken. In 't zomerkleed zijn +de onderdeelen wit met scherpe, zwarte schaftstrepen en een groot, +zwart schild op de onderborst en den buik; de bovendeelen hebben +een roestroode kleur met zwarte schaftvlekken. In het winterkleed +is de onderzijde witachtig, de bovenzijde aschgrauw met zeer fijne, +donkere schaftstrepen. In het voor- en najaar komen groote vluchten +Strandbokjes op onze kusten en ook in het binnenland bij poelen en +plassen in moerassige en veenachtige streken voor. + +Hun trillend stemgeluid klinkt als "tititititi" of "tututututu". + + + +Als een hoogpootige Strandlooper kan men den Kemphaan (Machetes of +Pavoncella pugnax) beschouwen, den eenigen vertegenwoordiger van zijn +geslacht. In Groningen heet hij Kappertje, in Friesland Haantje, in +'t Friesch Hoantsje en Hintsje, op Terschelling Kraagman, op Texel +Kragenmaker. De snavel is zoo lang als de kop (doch korter dan de +loop), recht, aan de spits een weinig verlaagd en niet verbreed, over +zijn geheele lengte zacht, de voet is hoog en slank, het onderbeen +tot ver boven het spronggewricht naakt; van de drie voorteenen is de +middelste met de buitenste door een spanvlies verbonden; de korte, +hoog aangehechte achterteen raakt den grond niet; de vleugels +zijn middelmatig lang en spits; de staart is kort, uit 12 pennen +samengesteld, aan de spits flauw afgerond. Het bruiloftskleed van het +mannetje is getooid met een zeer groote, schildvormige halskraag, +die zich tot aan de zijden van den achterkop uitstrekt en hier in +twee oorvormige bundels van verlengde veeren overgaat. Bovendien +zijn de mannetjes aanmerkelijk grooter dan de wijfjes en hebben in 't +voorjaar aan 't gelaat naakte, geelachtige wratjes; deze verdwijnen +in den herfst, evenals de kraag. Een algemeen geldige beschrijving +van de kleur van 't vederenkleed is niet mogelijk. De bovenvleugel +is donker bruingrijs; de zes middelste veeren van den zwartgrijzen +staart zijn zwart gevlekt; de buik is wit; de overige veeren zijn +echter zeer verschillend van kleur en teekening. Dit laatste geldt +vooral voor de stijve, ongeveer 5 cM. lange veeren van den kraag. Deze +is op zwartblauwen, zwarten, zwartgroenen, donker roestbruinen, +roodbruinen, roestgelen, witten of anders gekleurden grond lichter +of donkerder gevlekt, gestreept of op een andere wijze geteekend, +zoo verschillend, dat men bijna geen twee mannetjes kan vinden, die +aan elkander gelijk zijn. De ervaring heeft geleerd, dat dezelfde +kleuren en teekening zich in 't volgende jaar opnieuw bij den Vogel +vertoonen. De veeren van borst en rug zijn soms op dezelfde wijze +geteekend als de kraag, soms anders van kleur. Het oog is bruin, de +snavel groenachtig of groenachtig geel; ook deze kleur verschilt min +of meer in verband met die van de veeren; de voet is in den regel +roodachtig geel. Totale lengte van het mannetje 29 à 32 (van het +wijfje 24 à 26), staartlengte 8 cM. + +Het noorden van de Oude Wereld is het vaderland van den Kemphaan; +enkele malen heeft men echter in Noord-Amerika afgedwaalde exemplaren +van deze soort waargenomen. Op den trek bezoeken deze Vogels niet +slechts alle landen van Europa en Azië, maar ook geheel Afrika; +men heeft ze in het Kaapland zoowel als aan den Senegal en aan den +Boven-Nijl geschoten. De groote, moerassige vlakten, die door de +Kieviten als woonplaats worden gekozen, herbergen in den regel ook +Kemphanen; deze zijn echter niet zoo ver verbreid als gene. Zelfs in +ons land, waar deze Vogels algemeen bekend zijn, broeden zij veel +minder algemeen dan de Kieviten, Grutto's en Tureluurs; in de lage +hooilanden zijn zij echter zeer gewone verschijningen. Zuid-Duitschland +bezoeken zij slechts op den trek; in Noord-Duitschland broeden zij +veelvuldig in de boomlooze, vochtige, met gras begroeide kuststreken +van de Noordzee; hoewel men hen dikwijls in de nabijheid van de zee +ziet, zijn zij geen strandvogels in den eigenlijken zin van 't woord. + +In Maart of April komen de Kemphanen in vluchten op hunne +broedplaatsen hier te lande terug, om in Augustus of September weer +te vertrekken. Evenals hunne verwanten reizen zij 's nachts; altijd +vormen zij troepen; deze vliegen in den regel in ∧-vormige +orde, de mannetjes gescheiden van de wijfjes en de jongen; ook in de +winterkwartieren bestaat ieder gezelschap uit leden van één sekse. + +Evenals de Strandlooper kiest de Kemphaan steeds vlakten uit, die +een vrij uitzicht in alle richtingen toelaten. Hooge moerasplanten en +vooral houtgewas vermijdt hij angstvallig. Hij loopt op een bevallige +wijze, meer stappend dan trippelend en met een fiere houding, die +van zelfvertrouwen getuigt. Hij vliegt zeer snel, drijft dikwijls +op zijne wieken en maakt vlugge en sierlijke zwenkingen. Wegens de +grootere lengte van zijne pooten gelijkt zijn beweging op den grond +meer, op die van de Ruiters dan op die van de trippelende en snel +rennende Strandloopers; in allerlei opzichten vormt hij als 't ware +een overgang tusschen deze beide geslachten. + +Eigenaardig zijn de gevechten, waaraan de Kemphanen hun naam te +danken hebben. Tot aan den broedtijd kunnen zij het zeer goed +met elkander vinden, toonen een gezelligen aard en blijven trouw +bijeen. Evenals hunne verwanten, zijn zij reeds vóór het krieken van +den dag wakker en bedrijvig, en blijven dit tot laat in den nacht, +bij lichte maan zelfs gedurende den geheelen nacht; voor het slapen +of rusten zijn hoogstens alleen de middaguren bestemd. Des morgens +en des avonds zijn zij ijverig bezig met het zoeken van hun voedsel, +dat uit zeer verschillende waterdieren, maar ook uit Insecten, die +op het land leven, Wormen en velerlei zaden bestaat. Geheel anders +wordt hun gedrag, zoodra de paartijd aanvangt. De mannetjes vechten +dan aanhoudend, zonder dat voor hunne twisten voldoende redenen te +vinden zijn. Misschien is het niet eens om de wijfjes, dat de strijd +ontbrandt, maar om een Vlieg, een Kever, een Worm, een zitplaats, in +'t kort, om alles en om niets; zij vechten, zoowel wanneer er wijfjes +in de nabijheid zijn, als wanneer zij deze niet kunnen zien, om 't +even of zij zich in de vrije natuur of in gevangenschap bevinden, +of zij eerst voor weinige uren hun vrijheid verloren of reeds jaren +lang in de kooi geleefd hebben; zij vechten op ieder uur van den dag, +kortom in alle omstandigheden. In 't open veld komen zij bijeen op +bepaalde kampplaatsen (in Friesland "rid" of "haantjerid" genoemd), die +in streken, waar de Vogels veelvuldig voorkomen, 500 à 600 schreden van +elkander afliggen; zij worden ieder jaar weer opgezocht en gebruikt; +waarschijnlijk onderscheiden zij zich van de omgeving in geen ander +opzicht dan door het gebruik dat er van gemaakt wordt. De kampplaats is +een iets hooger gelegen, maar toch vochtige, met kort gras begroeide +plek van 1.5 à 2 M. middellijn, die iederen dag door een zeker aantal +mannetjes herhaaldelijk bezocht wordt. Op dit toernooiveld, waar +iedere kampioen zijn tegenstander opwacht om met hem te strijden, +verschijnt de Kemphaan nooit, voordat de veeren van den kraag zich +ontwikkeld hebben; zoodra zijn bruiloftskleed gereed is, komt hij er +geregeld en toont van nu af een merkwaardige gehechtheid aan deze plek. + +"Het mannetje, dat het eerst op het terrein aanwezig is," zegt Naumann, +"kijkt verlangend uit naar een tweeden bezoeker; als deze toevallig +geen lust in 't vechten heeft, wordt de komst van een derden, vierden +enz. afgewacht; weldra vangt dan de ruzie aan. Zoodra twee Vogels twist +gekregen hebben, schieten zij op elkander toe, vechten een poosje en +gaan dan uitgeput terug naar hun oorspronkelijke standplaats aan den +rand van het terrein, waar zij rusten om nieuwe krachten te verzamelen +voor het hervatten van den strijd. Op deze wijze voortgaande krijgen +zij eindelijk hun bekomst; dan verlaten zij de kampplaats, maar +keeren gewoonlijk na korten tijd terug. Hun gekibbel loopt altijd uit +op een tweegevecht, nooit heeft het een algemeenen strijd tusschen +verscheidene Kemphanen ten gevolge. Dikwijls komt het echter voor, +dat twee of drie paren te gelijk duelleeren en dat hunne vechtbanen +elkander kruisen; in dit geval levert het heen en weer rennen en tegen +elkander opspringen van de Vogels zulk een zonderlinge vertooning op, +dat de op eenigen afstand staande toeschouwer ze allicht voor dol en +bezeten zal houden. Als twee mannetjes in strijd geraken, ziet men +hen trillen en met den kop knikken, terwijl zij nog rechtop staan; +daarna buigen zij de borst zoo ver omlaag, dat het achterste deel van +het lichaam hooger komt te liggen, richten den snavel op elkander, +zetten tevens de groote borst- en rugveeren op, breiden den nekkraag +bovenwaarts uit en geven aan den halskraag den vorm van een schild. Zoo +uitgerust rennen en springen zij op elkander toe en gebruiken den +snavel als degen; de met wratten gepantserde kophuid dient als +helm, de dichte halskraag als een schild, dat de stooten opvangt; +alle bewegingen hebben zeer haastig plaats. De kampioenen zijn zoo +opgewonden, dat zij van woede beven, zooals duidelijk zichtbaar is in +de korte pauzen tusschen de telkens weer herhaalde, snel opeenvolgende +aanvallen. Het hangt van de meer of minder groote vechtlust van de +beide strijders af, hoeveel schermutselingen er op één gang komen; +deze wordt door een langere pauze gevolgd. + +"Zij hebben geen ander wapen dan hun zachten, aan het einde +kolfvormigen, doch stomprandigen snavel, een zeer zwak werktuig, +waarmede zij elkander nooit kunnen kwetsen of zoo bijten, dat er bloed +vloeit; slechts zelden verliezen zij bij deze vechtpartijen eenige +veeren; het grootste ongeluk, dat een van de strijders overkomen kan, +is, dat zijn tegenpartij hem bij de tong pakt en een poos hierbij +heen en weer sleurt. Dat hun snavel bij zeer hevige stooten soms +te sterk gebogen wordt, is niet onwaarschijnlijk; het kan wel zijn, +dat hierdoor op de min of meer geknikte plaatsen de knobbelvormige +opzwellingen of uitwassen ontstaan, welke vooral bij oude Vogels, die +de woedendste vechtersbazen zijn, dikwijls aan den snavel voorkomen." + +Als de tijd van 't eieren leggen nadert, ziet men één mannetje in +gezelschap van twee wijfjes, of omgekeerd een wijfje vergezeld door +verscheidene mannetjes soms ver van het strijdperk, in de nabijheid +van de plaats waar later het nest gevonden wordt. Deze is zelden +ver van het water verwijderd, dikwijls een iets hoogere plek in het +moeras. Het nest zelf bestaat uit een ondiep kuiltje, dat met een +gering aantal dorre halmpjes en grasstoppels bekleed is. Het bevat +gedurende den broedtijd 4, zeldzamer 3 eieren van aanzienlijke grootte, +die op olijfbruinachtigen of groenachtigen grond roodachtig bruine +of zwartachtige vlekken hebben, op het dikkere einde gewoonlijk meer +dan aan het spitsere. Het wijfje broedt alleen, 17 à 19 dagen lang, +houdt veel van haar kroost en gedraagt zich bij haar nest geheel op +de wijze van de andere Snipvogels; van de levenswijze der jongen valt +hetzelfde op te merken. + +Geen der Snipvogels kan gemakkelijker gevangen worden, geen geraakt +spoediger aan de gevangenschap gewoon dan de Kemphaan. Zonder moeite +maakt men zich van de mannetjes meester door op de kampplaats strikken +te zetten; ook in het watersnippennet vangt men ze dikwijls in grooten +getale. Uit Friesland worden er vele naar Engeland verzonden.--Zij +schikken zich zeer goed in het leven in de kooi en eten dadelijk, +wat hun hier voorgezet wordt. Twee mannetjes zullen echter, zelfs +wanneer zij in een doek of net uren ver gedragen zijn, zoodra zij in +een hok geplaatst worden, nog eerder aan 't vechten gaan dan aan 't +eten. In een groote volière maken zij een allerliefste vertooning en +verschaffen den toeschouwer voortdurend tijdverdrijf, althans zoolang +de broedtijd duurt; iedere broodkruimel, die hun toegeworpen wordt, +brengt het geheele gezelschap in opschudding. Na den paartijd leven +zij in vrede met elkander, hoewel soms de eene of de andere zich laat +verleiden tot het aannemen van een dreigende houding. + +De eieren van de Kemphanen worden, evenals die van de Kievieten, +ingezameld en gegeten. Het vleesch van deze Vogels smaakt goed. + + + +De Waterloopers (Oeverloopers en Ruiters) zijn in den regel slanker +dan de Strandloopers, hebben een kleineren kop, een langeren snavel +en staan hooger op de pooten. De snavel is zoo lang als de kop of +iets langer, van den wortel tot bij het midden zacht, aan de spits +hoornachtig; de voet is verschillend van maaksel, soms hoog en dun, +soms kort en krachtig, bij de meeste vier-, bij enkele drieteenig; de +buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden; +de vleugels zijn lang en smal, hun spits wordt door de eerste handpen +gevormd; de uit 12 pennen samengestelde staart is kort, afgerond, +trapvormig of wigvormig. De kleine veeren liggen glad tegen het +lichaam aan, hebben zeer bescheidene kleuren en worden tweemaal 's +jaars gewisseld. Tusschen de mannetjes en wijfjes bestaat een gering +verschil in grootte, weinig of geen verschil van kleur. Kenmerkend +voor deze groep is het ontbreken van het tastorgaan aan de snavelspits. + +Evenals de vroeger genoemde Vogels, behooren ook de Waterloopers +hoofdzakelijk in 't noorden thuis; alle soorten trekken echter +geregeld en bezoeken dan de meest afgelegen landen. Zij houden zich +op aan de oevers van stroomend en stilstaand water, in moerassen +en broeklanden, minder vaak aan de zeekust. In de winterkwartieren +vereenigen zij zich met vele andere Vogels, die dikwijls tot zeer +verschillende soorten behooren, maar vormen zelden zulke groote +zwermen als de Strandloopers. Hun voorkomen is bevallig, hun gang +sierlijk, behendig en stappend; zij vliegen buitengewoon snel en +zonder merkbare inspanning; hun stem bestaat uit aangename, hooge, +fluitende, ver hoorbare tonen, die zooveel op elkander gelijken, dat de +eene soort niet zelden de roepstem van de andere volgt. Het nest rust +meestal op den grond, soms echter op boomen, en bevat, evenals bij de +vorige groep, vier betrekkelijk groote, peer- of tolvormige eieren, +die op olijfgroenen grond met bruingrijze vlekken geteekend zijn en +door het wijfje uitgebroed worden. De jongen loopen de ouden reeds +op den eersten levensdag na, verbergen zich, evenals hunne verwanten, +bij naderend gevaar zeer behendig op den bodem of in het gras, leeren +spoedig fladderen en gaan hun eigen weg, zoodra zij vliegen kunnen. + +Alle Waterloopers zijn voorzichtig en schuw van aard; de groote soorten +nemen daarom overal, waar zij met andere strandvogels samenleven, +het leiderschap op zich. Zij zijn niet gemakkelijk te jagen; de vangst +biedt eveneens bezwaren aan. Spoedig geraken zij gewoon aan 't leven +in de kooi, nemen eenvoudigen kost voor lief en kunnen bij behoorlijke +verzorging jaren lang als gevangenen in 't leven gehouden worden. + + + +Als een overgangsvorm tusschen de Strand- en de Waterloopers kan men de +Oeverloopers (Actitis) beschouwen, gekenmerkt door een rechten snavel, +die den loop in lengte evenaart en een afgeronde staart, die achter de +vleugelspitsen uitsteekt. De eenige soort van dit geslacht, die Europa +en ook ons vaderland bewoont--de Oeverlooper of Steenvink (Actitis +of Tringoides hypoleucos)--is aan de bovenzijde olijfbruinachtig met +groenachtigen of purperkleurigen weerschijn, met zwarte, overlangsche +en dwarse vlekken geteekend, aan de onderzijde wit; de veeren van +de zijden van den kop vormen een witte streep boven en een witte +plek onder het oog, doch zijn overigens bruinachtig met donkerder +schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn bruinzwart; de +armpennen hebben een witte wortelhelft en spits, die met de witte +vlekken der handpennen op den uitgespreiden vleugel breede banden +vormen; de middelste stuurpennen zijn grijsbruin met zwarte schaft +en roestgele kanten en vlekken, de overige meer of minder wit met +smalle, zwarte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel grauwzwart, +aan den wortel lichter, de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 21, +staartlengte 6 cM. + +Met uitzondering van het noordelijke deel van de Vereenigde Staten, +van Middel- en Zuid-Amerika en van Polynesië bewoont of bezoekt +deze Vogel de geheele aarde en nestelt ook bijna overal waar hij +voorkomt. Hij verlaat ons in October en komt in April terug; gedurende +den zomer treft men hem op de met zand of steentjes bedekte oevers van +rivieren en meren aan, vooral op plaatsen, die aan de landzijde door +een hoogen walkant beschut zijn; hij voedt zich met wormpjes, larven +en gevleugelde Insecten, vooral met Net- en Tweevleugeligen. Deze +worden van den grond opgepikt of in de vlucht gevangen, soms ook +van de bladen weggenomen. Om de zittende Vliegen, Muggen, Haften +en Waterspinnen te vangen, sluipt hij met ingetrokken kop en hals +onhoorbaar en voorzichtig naar hen toe; door 't plotseling strekken van +den hals wordt de snavel uitgestoken en deze mist zelden zijn doel. Hij +loopt schielijk, zwemt en duikt als het zijn moet, vliegt uitmuntend +en laat vooral bij het opvliegen zijn stem hooren. Deze bestaat +uit een fijn, helder, hoog en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer +als "iediedied" klinkt en in den paartijd een zacht beginnenden en +eindigenden triller vormt, die zeer dikwijls herhaald wordt, doch geen +onaangenamen indruk maakt. Men ziet de mannetjes dan onrustig zeer +dicht langs den waterspiegel heen en weer vliegen. Het napvormige, +met hooi belegde nest, dat voor een Snipachtigen Vogel zeer goed +gebouwd mag heeten, rust op den grond tusschen de struiken op een +plekje van den oever, dat bij hoog water droog blijft. De 4 eieren, +welke in grootte met die van Patrijzen overeenkomen, hebben een somber +roestgele grondkleur met groenachtigen weerschijn; zij zijn grauw, +paars en roodbruin gevlekt en gestippeld. + + + +Bij de Ruiters (Totanus) reiken de vleugelspitsen tot voorbij den +staart. Zij zijn in ons vaderland door vijf soorten vertegenwoordigd. + +De Groenpootige Ruiter of Groenpootstrandsnip (Totanus glottis), die +soms als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der +Strandruiters (Glottis) wordt beschouwd (en dan Glottis littoreus +heet), onderscheidt zich van zijne verwanten door den vorm van den +snavel, die lang en smal, aan den wortel veel hooger dan breed en van +het midden af flauw bovenwaarts gekromd is. De bovenzijde is bruinzwart +met witte randen om de veeren; de onderrug en de staartwortel zijn +zuiver wit; de onderdeelen zijn wit met uitzondering van de borst, +die met zwarte, overlangsche vlekken en strepen geteekend is; de +handpennen zijn bruinzwart, hare schaften zwart met uitzondering van +de eerste, die wit is, de armpennen dofbruin, op de binnenvlag met +witachtige wolkjes, de middelste staartpennen grijs, de zijdelingsche +wit en zwart gevlekt. In het herfstkleed zijn de kop, de achterhals en +de zijden van den hals grauwzwart en wit gestreept, de mantelveeren +donker aschgrauw met zwarte schaften, zwarte vlekken en witachtige +kanten, de zijden van den onderhals en den krop met zwarte schaften en +overlangsche strepen. Het oog is bruin, de snavel groenachtig zwart, +de voet grijsachtig groen. Totale lengte 34, staartlengte 8 cM. + +Deze Vogel werd in alle werelddeelen aangetroffen; zijn eigenlijk +vaderland is echter het noorden van de Oude Wereld. Ons vaderland +bezoekt hij op den trek in de lente en in den herfst (sommige komen +in Augustus en blijven tot Mei); broedend heeft men hem hier nog niet +waargenomen. Evenals zijne verwanten geeft hij aan zoetwatermeren +en moerassen duidelijk de voorkeur boven de zeekust. Wel ontmoet men +hem ook hier soms, maar dan in den regel op aanslibbingen en slechts +gedurende korten tijd; zoo vindt men hem "in den nazomer bij Ameland +en Schiermonnikoog en ook op de slibgronden in de Lauwerzee, soms +in groote vluchten" (Albarda). De wintermaanden brengt hij door op +verscheidene eilanden van den Griekschen Archipel of in Noord-Afrika; +zijne omzwervingen strekken zich echter nog veel verder uit; hij +bezoekt de landen tusschen de keerkringen en ook de gematigde gewesten +van het zuider halfrond, b.v. Zuid-Australië, Tasmanië, Zuid-Afrika +en de La-Plata-Staten. In zijne winterkwartieren vestigt hij zich bij +strandmeren, bij rivieren, die buiten hare oevers treden, bij voorkeur +echter in rijstvelden. Gewoonlijk ziet men hem hier alleen, hoewel +bijna altijd omringd door verscheidene soorten van Strandloopers, +Steltkluiten, Grutto's en zelfs Zwemvogels, vooral Eenden; naar +het schijnt, treedt hij bereidwillig als leider van deze Vogels op; +zij volgen hem althans blindelings. + +De opgewektheid, behendigheid en beweeglijkheid, die aan alle Ruiters +eigen zijn, bezit hij in hooge mate; zijn houding is flink en kan zelfs +fier heeten; hij stapt met waterpas gerichten romp vlug en luchtig over +den vasten bodem, loopt graag in het water, trekt zwemmend over een +vrij breeden plas en doet dit zelfs zonder noodzaak, duikt uitmuntend +in tijd van gevaar, roeit onder water met de vleugels verder, vliegt +met rassche en krachtige wiekslagen snel en behendig meestal recht op +het doel af, zwenkt echter ook prachtig en schiet vóór het neerstrijken +in suizende vaart omlaag tot dicht bij den grond om eerst hier door +doelmatige vleugelbeweging zijn snelheid te verminderen. Zijn stem is +een hoog, helder en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer als "tsjiea" +klinkt en een zeer aangenamen indruk maakt; hij lokt met een zacht +"diek diek", toont angst door een krijschend "kruu kruu", en laat in +den paartijd, doch uitsluitend gedurende het vliegen, een op fluitspel +gelijkend minnelied hooren, waarvan de vele malen herhaalde klanken +"dahudl dahudl dahudl" een voorstelling kunnen geven. Boven al zijne +verwanten uitstekend door schranderheid, voorzichtigheid en schuwheid, +is hij het best voor leider geschikt. Zijn loktoon wordt door al +zijne verwanten en ook door de Strandloopers als een onfeilbaar teeken +beschouwd, dat het oord niet veilig is; zijn handelwijze dient allen +ten richtsnoer. + +Zijn voedsel komt in hoofdzaak overeen met dat van de andere +Waterloopers; het bestaat uit zeer verschillende waterdieren, +waarschijnlijk vooral uit Insecten en hunne larven, waarvan de Haften +en de Waterjuffers het eerst vermelding verdienen, voorts uit Wormen, +Schaaldieren en Weekdieren, meer bepaaldelijk die, welke de zee +bewonen, ook wel uit kikkerlarven en kleine Kikkers en eindelijk uit +jonge Visschen van allerlei soorten. Naumann zag hen ijverig bezig met +de vangst van Draaikevertjes, die zij van den waterspiegel afzochten, +en ook ver in het water naliepen. + +Hoewel de Groenpootige Ruiter reeds op Rugen en op de Deensche en +Zweedsche eilanden broedt, doet hij dit bij voorkeur in noordelijker +landen, het liefst in boomlooze gedeelten van de toendra, vooral in +de nabijheid van de zee en in open plekken van wouden, zooals door +mij aan den benedenloop van den Ob werd opgemerkt. Het nest wordt +kunsteloos van halmen gebouwd op een met gras begroeide verhevenheid, +meestal onder een struik. + +De voorzichtigheid en de schuwheid van dezen Vogel maken zijn vangst +moeielijk. Door het nabootsen van zijn stem tracht men, dikwijls te +vergeefs, hem in het net te lokken. Men geeft zich deze moeite, omdat +hij gewoonlijk gevolgd wordt door de verwante strandvogels. Jaren +lang kan men hem in de kooi met het gewone voedsel der strandvogels +in 't leven houden: hij wordt spoedig tam en verschaft vooral in een +door verschillende Vogels bewoonde volière veel genoegen. + + + +De meest bekende van alle Ruiters is de Tureluur, in Noord-Holland +Tuut, op Terschelling Tjuud, op Texel Tjerkje, in Groningen +Tuutling, in Friesland Tjerk (in 't Friesch Tjirk), in Zeeland +Daak en Daakje, bij Oirschot Witstaart, in Limburg Roodpootige Ruiter +genoemd [Totanus (Totanus) calidris]. Bij dezen is de snavel recht; +de bovendeelen zijn grijsachtig bruin, de kop en de hals met kleine +langwerpige, de rug en de mantel met groote, ronde, zwarte vlekken +geteekend, de onderrug en de staartwortel wit, deze met zwarte +dwarsbanden; de zijden van den hals en de krop zijn geelachtig +grijs en, evenals de zijden van den romp, met zwarte, bruin gezoomde +vlekken bezet; de overige onderdeelen zijn wit, de handpennen bruin, +de eerste met witte schaft; wit zijn ook het wortelgedeelte van de +binnenvlag en op de laatste pennen de spits; de armpennen, die, +met uitzondering van de laatste, op de binnenvlag dwarsbanden hebben, +zijn overigens bijna geheel wit, waardoor een breede spiegel wordt +gevormd; de schouderveeren zijn donkerbruin met scherpe, roestroode +dwarsvlekken, de stuurpennen wit met donkerbruine, grijs uitvloeiende +dwarsbanden. Het oog is grijsbruin, de snavel aan den wortel rood, +aan de spits zwartbruin, de voet vermiljoenrood. Totale lengte 27, +staartlengte 7 cM. In den winter is de bovenzijde donkergrijs met +zwarte schaftvlekken, de onderzijde sterker gevlekt dan 's zomers. + +Deze Vogel broedt bij ons in groote getale in de moerassen en lage +landen der kuststreken en is op onze weilanden met den Kievit de +meest algemeene soort van moerasvogels; buitengewoon talrijk is hij +op de eilanden. In het begin van den herfst verdwijnt hij uit het +binnenland; aan de kust wordt hij bijna den geheelen winter door +waargenomen. Een aantal exemplaren verlaten ons land in Augustus en +September en komen in April terug. Zij reizen 's nachts; in den herfst +volgen zij langzaam en op hun gemak den loop der rivieren of de kust, +dikwijls dagen lang rustend in streken, waar een overvloed van voedsel +te vinden is; in de lente trachten zij schielijker het doel van hun +reis te bereiken. Deze Vogel is evenmin zeldzaam in Noord-Duitschland, +waar hij op alle voor hem geschikte plaatsen broedt; nergens echter +komt hij zoo veelvuldig voor als in Skandinavië, Rusland, het zuiden +van Siberië en Toerkestan. Zijn broedgebied omvat geheel Europa +(misschien met uitzondering van IJsland en de Fär-öer), voorts Klein-, +Noord- en Middel-Azië. Zijn winterreis strekt zich uit tot de Kaap +de Goede Hoop en Indië met inbegrip van de naburige eilanden. In de +Nieuwe Wereld werd hij nog niet waargenomen. + +Zijn welluidende lokstem bestaat uit twee tonen, die men ongeveer +voorstellen kan door "dzjaü" of "dzjnü"; zijn waarschuwend geschreeuw +gelijkt op het vorige geluid, maar is meer gerekt; teedere aandoeningen +geeft hij, evenals alle Waterloopers, te kennen door de klanken +"duuk duuk"; schrik ontlokt hem een onaangenaam gekrijsch; de +paringsroep, die altijd gedurende het vliegen weerklinkt, is een +echt jubelgezang, dat men door de teekens "dliedl, dliedl, dliedl" +ongeveer kan nabootsen. Hij is niet zeer gezellig van aard, maar komt +toch schreeuwend aanvliegen, als zijne soortgenooten in gevaar en nood +verkeeren, alsof hij hen helpen, raadgeven, waarschuwen wil; ook hij +treedt als leider van andere strandvogels op. Hij is even schuw als +de Groenpootige Ruiter, maar minder schrander en voorzichtig. Hoewel +onderscheid makend tusschen een jager en een herder, een man en een +kind, zal hij zich toch licht laten verschalken en bij zijn broedplaats +vermetel het leven in de waagschaal stellen. + +Zijn voedsel, dat in hoofdzaak wel gelijk zal zijn aan dat van den +Groenpootigen Ruiter, zoekt hij aan den waterkant of in het moeras; +hij waadt door het water, zoover zijne pooten zulks toelaten, duikt ook +dikwijls met het voorste deel van het lichaam om een dieper verborgen +buit te bereiken, maar houdt zich bovendien op akkers en droge weiden +met de insectenjacht bezig. + +De Tureluurs komen meestal gepaard bij ons terug en beginnen +onmiddellijk te nestelen. Hun nest is een met weinige halmen +bekleede uitholling, die in den regel niet ver van den waterkant, +zoo mogelijk midden in het moeras tusschen biezen, zeggen en grassen +ligt. Gewoonlijk bevat het reeds in het midden van Mei het noodige +aantal eieren. Deze zijn tolvormig en iets kleiner dan die van den +Kievit; de gladde, fijnkorrelige, glanslooze schaal is op bleek +bruinachtigen of soms okergelen grond met talrijke, meer of minder +dicht bijeengeplaatste, grijsachtige, donkerbruine en purperbruine +stippen, vlekken en puntjes van verschillende grootte geteekend. Het +wijfje broedt alleen; de jongen komen na 14 of 15 dagen uit den dop +en worden dan door de moeder gebracht naar plaatsen, waar voedsel te +vinden is; zij bewaakt, leidt en onderricht hare kinderen, waagt haar +leven om het hunne tegen gevaar te beveiligen, tracht op de gewone +wijze den vijand te misleiden en geeft haar bezorgdheid te kennen +door een angstig geschreeuw; ook het mannetje schreeuwt dan luid, +maar verliest niet zoo vaak de zorg voor eigen veiligheid uit het +oog. Ongeveer vier weken na het verlaten van het ei zijn de jongen +in staat om te vliegen en kort daarna ook geschikt om zich zelf te +redden; na dien tijd wordt de innige band tusschen hen en hunne ouders +spoedig losser. + +De eieren van de Tureluurs zijn zeer smakelijk en worden, evenals die +van de Kieviten, Gruttos, Kemphanen en Wulpen, veelvuldig opgezocht +en in den handel gebracht. Ook op den Vogel zelf wordt jacht gemaakt, +hoewel hij geen uitmuntend wildbraad oplevert. In de gevangenschap +wordt hij even spoedig tam als zijne verwanten en gedraagt zich op +dezelfde wijze. + + + +Zeer na verwant aan de zooeven beschreven soort is de Zwarte Ruiter +[Totanus (Totanus) fuscus], die 30 cM. lang wordt (staartlengte 7-1/2 +cM.); hij heeft donkerbruine pooten en een aan den wortel roodachtigen, +overigens bruinen bek. Behalve door zijn meerdere grootte onderscheidt +hij zich door zijn donkerder, in den zomer grootendeels leizwart +vederenkleed. Hij vervangt de Tureluur of vergezelt hem in het hooge +noorden van de Oude Wereld en bewoont ook IJsland en de Fär-öer. Ons +vaderland en de overige landen van Middel- en Zuid-Europa bezoekt hij +op den trek in het voor- en najaar; men treft hem dan en gedurende den +winter, van Augustus tot Mei, vooral op de schorren en buitengronden +aan. Zijn voedsel bestaat uit allerlei waterdiertjes, vooral Wormen, +Insecten en kikkerlarven, die hij veelal zwemmend en met den kop +onder water vangt. Zijn stem is een helder en luid gefluit. Des nachts +wordt hij niet zelden in steekgarens gevangen. + + + +Het Witgatje, in Friesland ook wel Poolsche Snip genoemd [Totanus +(Heliodromas) ochropus], heeft den kop en den mantel donkerbruin +met bronsgroenen weerschijn en met kleine, witachtige vlekken, +den hals, de keel en den krop wit met gelijkmatige, donkerder, +overlangsche strepen, die ook op den bruinachtigen nek voorkomen, +den vleugelrand effen donkerbruin, den staartwortel, evenals de kin +en de overige onderdeelen, zuiver wit; de slagpennen zijn bruinzwart, +de okselveeren donker bruingrijs met witte dwarsbanden, de overigens +zwarte staartpennen aan de wortelhelft wit, aan de tophelft met drie of +vier smalle, witte dwarsbanden geteekend. Het oog is donkerbruin, de +snavel groenachtig bruin, aan de spits donkerder, de voet groenachtig +loodgrijs. In het herfstkleed zijn de witte vlekken zeer klein en de +zijden van den krop donkerder. Totale lengte 26, staartlengte 4 cM. + +De Boschruiter [Totanus (Rhyacophilus) glareola], die in Friesland +ook wel eens "Witgatje", in Noord-Holland Liewietje wordt genoemd, +is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 22, staartlengte 5 +cM.), van welke hij zich onderscheidt door de meerdere grootte van de +lichte vlekken der bovendeelen, door de witte schaft van de eerste +groote handpen, door de zwarte en witte dwarsbanden van den staart, +die niet alleen smaller en veel talrijker zijn, maar bovendien reeds +aan den wortel aanvangen, en eindelijk door de groenachtig gele kleur +van den voet. + + + +Middel- en Noord-Europa benevens Middel- en Noord-Azië bevatten +de broedplaatsen der beide laatstgenoemde soorten van Ruiters; hun +verbreidingsgebied omvat nagenoeg geheel Europa, Azië en Afrika. Op +IJsland en de Fär-öer komen zij, naar 't schijnt, niet voor; in alle +overige landen van Europa heeft men ze waargenomen. De Poolsche Snip +broedt in ons land niet, maar komt hier op den najaarstrek, die van +Augustus tot October (soms tot December) duurt en houdt zich dan +meestal op aan slootkanten in moerassige, hier en daar met struiken +begroeide, zandige landstreken. In April en Mei trekt hij hier opnieuw +door. De Boschruiter daarentegen vertoeft hier van April tot Augustus +en broedt op veengronden; zijn in het noorden broedende soortgenooten, +die hier in Augustus komen en soms veelvuldig aan poelen en slooten +waargenomen worden, trekken in October verder zuidwaarts. Ten deele +overwinteren beide soorten reeds in Zuid-Europa (enkele Poolsche +Snippen zelfs in Duitschland) andere exemplaren strekken hun reis tot +aan de Kaap de Goede Hoop en de Soenda-eilanden uit. Zij leiden een +verborgen leven: de Poolsche Snip geeft de voorkeur aan de oevers van +kleine waterstroomen, welker oevers met struikgewas begroeid zijn; de +Boschruiter houdt zich het liefst op in het eenzame, stille, duistere +woud; in Skandinavië en Siberië vond ik hem slechts bij uitzondering +op andere terreinen en heb ik hem dikwijls op de twijgen van hooge +boomen zien zitten, zelfs in den top. Afwijkingen van dezen regel +werden echter niet zelden waargenomen in streken, waar de gewenschte +terreinen ontbreken en andere omstandigheden heerschen. + +Hun stem is buitengewoon hoog en luid, maar zoo zuiver en klankvol, +dat enkele tonen die van de beste Zangers bijna evenaren. In Augustus +hoort men hier te lande dikwijls kort na zonsondergang de trillers +van den Boschruiter. + +De Poolsche Snip nestelt zoowel op den grond als op oude boomen +in daar reeds aanwezige nesten van Eekhoorns, Duiven, Gaaien en +Lijsters, zelfs in 10 M. boven den grond gelegen holten van stammen, +in dit geval echter steeds in de onmiddellijke nabijheid van het +water. Voor den Boschruiter, die volgens mijne ervaringen nog meer +boomvogel is dan zijn naaste verwant, geldt misschien hetzelfde; +voor zoover mij bekend is, zijn van deze soort echter nog geen nesten +op boomen gevonden. Bij ons maakt hij zijn nest nog steeds op den +grond en legt daarin vier bleek olijfgroene, met groote, olijfbruine +vlekken en paarsachtige stipjes bedekte, tolvormige eieren. Die van +de Poolsche Snip hebben op licht olijfgroenen grond kleine vlekken, +vegen en stippen, welker kleur van bruinachtig aschgrauw tot donker +groenbruin afwisselt. Na een bebroeding van ongeveer 15 dagen komen de +jongen uit, die het nest verlaten, zoodra zij droog geworden zijn en, +als zij op een boom het eerste levenslicht aanschouwden, zonder zich +te beschadigen naar beneden springen in het gras. Onder de trouwe, +zelfverloochenende leiding hunner ouders groeien zij schielijk en +worden even spoedig zelfstandig als de andere leden van hun geslacht. + + + +De Grutto's (Limosa) zijn het naast verwant aan de Ruiters, hoewel +het niet te ontkennen valt, dat zij ook op de Wulpen gelijken +en aan den anderen kant ook aan de Snippen herinneren. Van deze +onderscheiden zij zich echter door de grootere lengte hunner pooten +en vooral van het naakte gedeelte der schenkels; voorts hebben zij +minder groote oogen, zijn nachtvogels in plaats van dagvogels en +dragen een grijs winterkleed, dat van het rosse zomerkleed zeer +verschilt. Hun grootendeels met een zachte huid bekleede snavel is +langer dan de loop, twee- à driemaal zoo lang als de kop, aan de harde +spits lepelvormig verbreed en zwak naar boven gebogen. De vleugels +zijn meer dan middelmatig lang, de eerste slagpen is de langste. De +buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden +(bij een enkele soort ook de binnenste en de middelste); de achterteen +is klein en niet zeer hoog aangehecht. De staart is kort. + +De zes soorten van dit geslacht broeden in het noordelijk halfrond, +maar strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en +Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten, +vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden, loopen hier, +bedaard stappend, rond, om hun voedsel te zoeken, dat uit kleine +dieren bestaat, richten zich bij 't naderen van een gevaar op, blijven, +evenals de Ruiters, stokstijf staan, in plaats van zich te "drukken", +gelijk de Snippen, en vliegen plotseling op, terwijl hun vijand nog +ver af is. + + + +De Grutto, in Noord-Holland ook Marel, op Terschelling Griet, in +Limburg Oeversnip, in Friesland Schries, Schrier of Grieto genoemd +(Limosa aegocephala), is de grootste van de beide inheemsche +soorten. Het wijfje is 43 cM. lang, waarvan er 12 op den bek en +9 op den staart komen. De lengte van het mannetje bedraagt 3 of 4 +cM. minder. De pooten zijn zwart, bij de jongen donkergrauw. De bek is +vuil roodgeel, bij de jongen vleeschkleurig, maar steeds bij de spits +zwartbruin. De slagpennen zijn zwartbruin, bij den wortel echter wit; +de staart is zwart, maar aan de kleinste wortelhelft wit. In den winter +zijn alle bovendeelen, de hals en de kop grijsbruin, de borst, de buik, +de stuit en een streep aan weerszijden van het voorhoofd wit. In den +zomer heeft het voorste gedeelte van het lichaam tot over de schouders, +den rug en de zijden van den romp een roestroode grondkleur; de rug +en de vleugels hebben dan zwarte, dwarse vlekken en banden. + +De Grutto broedt op lage, vochtige of moerassige plaatsen +van het gematigde en warme Europa, op gelijke breedte ook in +Azië en Noord-Amerika; in het gure seizoen verhuist hij tot in +Noord-Afrika. Hij houdt zich het meest in de kustlanden op, maar +is toch in de moerassen van Hongarije zeer algemeen gedurende den +zomer. Bij ons behoort hij in vele oorden, op vochtige weilanden en +in moerassige streken, tot de zeer gewone Vogels; bij voorkeur nestelt +hij in het hooiland. Hij verlaat zijne broedplaatsen, zoodra de jongen +behoorlijk geoefend zijn in 't vliegen, vertoeft gezellig nog eenigen +tijd op de banken aan de monden der rivieren, verlaat ook deze weldra +(in September) om zuidwaarts te trekken en keert in Maart naar zijn +zomerverblijf terug. Onze naam Grutto is aan het geluid ontleend, +dat hij vooral gedurende het vliegen laat hooren, zoowel in den +paartijd, als wanneer men zijn nest nadert. De vier eieren, die in +het zeer eenvoudige nest gevonden worden, zijn olijfgroen van kleur, +met donkerbruine en grijze vlekken en stippen bedekt. Daar zij +grooter dan kievietseieren en zeer smakelijk zijn, worden zij, +evenals deze, ijverig gezocht en voor hooge prijzen verkocht. + + + +De Rosse Grutto, op Terschelling Rosse Griet, in Limburg Rosse +Oeversnip, in Friesland Roode Schrier en Hooiwulp genoemd (Limosa +lapponica), is op de kruin en in den nek licht roestrood met +bruine, overlangsche strepen, op den rug en de schouders zwart met +roestkleurige vlekken en randen; de keel, de zijden van den +hals en de onderdeelen zijn fraai donker roestrood, de zijden van +de borst en de onderdekveeren van den staart hebben zwarte, +overlangsche vlekken, de slagpennen zijn zwart, wit gemarmerd, +de stuurpennen hebben grijze en witte dwarsbanden. Het oog +is bruin, de snavel roodachtig, aan de spits grauwzwart, de voet +zwart. Totale lengte 41, staartlengte 7 cM. + +Deze Vogel broedt in het noorden van Europa en van Azië; op den trek +bezoekt hij het grootste deel van Zuid-Azië, geheel Zuid-Europa en +Afrika tot Zuid-Nubië en de Gambia. Op deze reis bezoekt hij in grooten +getale de Duitsche en de Nederlandsche kusten. In zachte winters +blijven vele van Augustus tot Mei. Bij strenge vorst overwinteren hier +slechts enkele exemplaren. Tweemaal (bij Vlijmen en aan den Hoek van +Holland) heeft men deze soort broedend in ons land aangetroffen. Op +hun reis verwijderen de Rosse Grutto's zich niet gaarne van de zee, +zoeken hun voedsel op de bij eb droogliggende zandbanken en wadden, +keeren bij intredenden vloed naar het vaste land terug, zenden, als +de eb aanvangt, boodschappers uit, vliegen, als deze hun de gewenschte +tijding gebracht hebben, onder oorverdoovend getier naar den waterkant +en volgen de terugwijkende golven. + +Wormen, insectenlarven, volkomen Insecten, kleine Schelpdieren, +kleine Schaaldieren en Vischjes zijn het voedsel van de Grutto's; een +grooteren buit kunnen zij niet verzwelgen. Of hun snavel werkelijk, +zooals gezegd wordt, zoo fijngevoelig is, dat zij, zonder gebruik +te maken van hun gezichtsorgaan, hun voedsel kunnen opsporen, moeten +wij in 't midden laten. Het bij de Snippen voorkomende tastwerktuig +is bij hen niet aanwezig. + +In de gevangenschap gedragen de Grutto's zich als de andere +Waterloopers; zij eten, wat hun voorgezet wordt, geraken aan de +veranderde levensomstandigheden spoedig gewend, leeren hun verzorger +onderscheiden en blijven jaren lang gezond. + + + +De Wulpen (Numenius) zijn slank gebouwde Vogels met zeer langen, zwak +benedenwaarts gebogen, aan den wortel hoogen, naar voren langzamerhand +dunner wordende snavel; deze is, met uitzondering van de hoornachtige +spits met een zachte huid bekleed; de bovenkaak is iets langer dan de +onderkaak en een weinig er over heen gebogen. De pooten zijn slank en +hoog, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; alle drie voorteenen +zijn door duidelijke spanvliezen aaneenverbonden. In de groote, +spitse vleugels is de eerste slagpen de langste; de middelmatig lange, +uit twaalf pennen samengestelde staart is aan de spits afgerond. Het +harde, dicht aansluitende vederenkleed herinnert door zijn kleur aan +dat van den Leeuwerik en stemt bij de mannetjes en wijfjes onderling +en in de verschillende jaargetijden overeen. + +De Wulp of Groote Wulp, in Noord-Holland Drupen, in Noordbrabant +Heidetuter, in Gelderland Tuter en Zandtuter, Regenfluiter en +Bergfluiter, in Limburg Kliet, in Groningen Wilp en Groote Wilp, in 't +Friesch Wylp en Wettergulp genoemd (Numenius arquatus), is de grootste +der drie in Europa en ook bij ons inheemsche soorten. Zijn lengte +bedraagt 70 à 75 cM., waarvan 18 à 20 cM. op den staart komen. De +veeren van de bovenzijde zijn bruin met licht roestgele randen; de +benedenrug is wit met bruine schaften en overlangsche vlekken; de +slagpennen zijn zwart met witte kanten en vlekken, de drie eerste aan +de binnenvlag wit gezoomd, de overige met spitse, lichtere vlekken, +de stuurpennen op witten grond met zwartbruine banden. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart, aan den wortel van den ondersnavel +olijfkleurig grijs, de voet loodkleurig grijs. + +Er is geen land in Europa, waar de Wulp nog niet waargenomen werd, +want hij broedt in het noorden en vertoeft in het zuiden, terwijl +hij trekt. Op dezelfde wijze treft men hem in het grootste deel van +Azië aan. Gedurende het winterhalfjaar doorreist hij Afrika even +geregeld, als hij Indië bezoekt: hij komt er in September en blijft +er tot Maart. Ook in het noordwesten van Amerika is hij geen zeldzame +verschijning. In ons land vertoeft hij van Maart tot September en +broedt in kleinen getale op de eilanden, op heidevelden en in lage +moerassige streken. Van alle Snipvogels is hij het minst exclusief, +wat de keuze van een verblijfplaats betreft. Elke landstreek acht +hij geschikt, de zeekust zoowel als de verschillende binnenwateren, +vlakten zoowel als heuvelachtige gewesten. Van het water vliegt hij +soms naar de dorste oorden, van deze naar velden en weiden, van hier +weer naar het water terug, geheel willekeurig. Zijne handelingen +verraden steeds een schuwen, voorzichtigen en wantrouwenden aard, +zelfvertrouwen zoowel als vreesachtigheid. Gezelliger dan vele andere +Snipvogels, maakt hij gaarne deel uit van kleine gezelschappen; wegens +zijn waakzaamheid verzamelen zich steeds een aantal minder schrandere +strandvogels om hem heen; hij bemoeit zich echter met dit gespuis +niet meer, dan hem goeddunkt. Zijn stem bestaat uit afgeronde, volle, +klankrijke tonen, die men door de lettergrepen "taü taü" en "tlaüied +tlaüied" kan nabootsen, volgens anderen beter door "u lu lu, u lu lu", +"keloeje keloeje" en "hoepe hoepe". Hoewel hij ook in sommige gewesten +van Middel-Europa nestelt, moet men toch de noordelijke landen, en +van deze hoofdzakelijk de toendra, als zijn eigenlijk broedgebied +beschouwen. Men vindt het nest van dezen Vogel bij ons op den grond +tusschen hoog gras of heidekruid. Het is uit gras en worteltjes van +planten vervaardigd. De eieren, vier in getal, zijn groot, olijfgroen +en van groote, zwartbruine vlekken voorzien; zij worden voor een groote +lekkernij gehouden. Na den broedtijd verlaten de Wulpen het binnenland +en begeven zich naar moerassige plaatsen, slib- of zandgronden aan de +monden onzer rivieren. Zij en ook de Regenwulpen blijven aan de kust in +grooten getale den winter over en worden dan veelvuldig in zoogenaamde +"stalnetten", een soort van warflouwen, gevangen. Van beide soorten +hoort men in de tweede helft van Maart bij donker, regenachtig weer de +fluitende lokstem dikwijls den geheelen nacht door: vandaar hun naam. + +Insecten van allerlei soort en in alle ontwikkelingstoestanden, +Wormen, Schelp- en Schaaldieren, ook kleine Visschen en Amphibiën, +voorts velerlei plantaardige stoffen, vooral bessen, vormen het voedsel +van de volwassen Wulpen; de jongen eten niet anders dan Insecten en in +het hooge noorden uitsluitend Muggen en hunne larven. Zij verdragen de +gevangenschap goed, geraken spoedig gewend aan het gewone kooivoedsel +en aan hun verzorger, worden zeer tam en geven ook hierdoor bewijzen +van goede geestvermogens. + +De jacht op deze Vogels is niet gemakkelijk; het toeval is +daarbij de beste helper van den jager. De vangst levert aan de +broedplaatsen de zekerste uitkomsten op en gelukt ook dikwijls met het +watersnippennet. In den ijverigen vogelvanger wekt de Wulp evenveel +belangstelling als de Auerhaan of het Hert in den jager. Als wild wordt +deze Vogel geschat, hoewel hij ver achterstaat bij de echte Snippen. + + + +De Regenwulp, Kleine Wulp of Regenfluiter, in Groningen Kleine Wilp +en Regenwilp, in 't Friesch Reinwylp, Wetterwylp, Litse Wylp geheeten +(Numenius phaeopus), is veel kleiner dan de vorige soort (totale +lengte 52, staart 11, snavel 11 cM.); zijn naar verhouding kortere +snavel is sterker gekromd; zijn kleur, hoewel in hoofdzaak gelijk, +is somberder; de veeren van den kop zijn donkerbruin, ongevlekt, met +een witachtige, overlangsche streep over de kruin; de flanken zijn +wit met zwartbruine pijlvlekken en dwarsstrepen, de staartveeren +witachtig grijs, aan den wortel aschgrauw, met 7 of 8 donkere, +aan den rand uitvloeiende banden versierd. Het oog is donkerbruin, +de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. + +Deze Vogels broeden uitsluitend in 't hooge noorden, dringen ver in +de poolgewesten door, hebben den toendra en de hooge heidevelden van +Groenland, IJsland, het noorden van Skandinavië, de Fär-öer en Siberië +tot zomerverblijf en begeven zich op den trek even ver zuidwaarts als +hunne grootere verwanten. In den nazomer en het najaar vindt men ze +bij ons in vluchten in de hooilanden, in de herfst- en wintermaanden +aan de kust, in het voorjaar vertoeven zij in vluchten van 20, 30 en +meer stuks langen tijd op onze weilanden, waar zij soms van Maart +tot December blijven rondzwerven, zonder dat hier ooit eieren van +hen gevonden zijn. Gedurende het vliegen brengen zij een opmerkelijk +trillenden loktoon ("hüüüüüüh") voort. + + + +De Dunbekwulp (Numenius tenuirostris), die in de kustlanden van de +Middellandsche Zee, vooral in Noord-Afrika (Egypte) en op Sicilië, +broedt en wiens reizen zich over een groot deel van Azië en Afrika +uitstrekken, dwaalt eene enkele maal naar 't noorden af; tot dusver +werden 4 exemplaren van deze soort in ons vaderland (Friesland, +Noord-Holland, Zeeland) geschoten. In grootte komt hij met den +Regenwulp overeen, van wien hij zich vooral onderscheidt door zijn +aanmerkelijk dunneren snavel en de lichtere kleur van zijn kleed. + + + +De Franjepooten (Phalaropus of Crymophilus) zijn kleine, +Strandlooper-achtige Snipvogels, die zich van alle overige leden +hunner orde onderscheiden door een buitengewone geschiktheid voor +het zwemmen. Hunne voorteenen hebben, behalve een spanvlies een aan +den rand fijn getanden huidzoom, die dikwijls bij de teengewrichten +ingesneden is. Hun snavel is zoo lang als de kop, aan de wortelhelft +zacht, overigens hard, recht, zeer zwak, aan de spits een weinig +benedenwaarts gebogen of afgeplat. Zij hebben lange, spitse vleugels, +welker eerste slagpen de langste is, een korten, afgeronden, uit 12 +pennen samengestelden staart, sterk verlengde staartdekveeren en een +buitengewoon rijk vederenkleed. Hun vaderland is het hooge noorden +van de Oude en de Nieuwe Wereld; slechts bij uitzondering komen zij +op lagere breedten; want, als zij trekken, begeven zij zich niet naar +zuidelijker landen, maar naar de open zee. + +Door hun levenswijze onderscheiden zij zich van alle bekende +Vogels. Zij zijn allerliefste schepsels, op het land even behendig als +in 't water. Hun gang komt overeen met die van de Strandloopers; het +zwemmen geschiedt zonder merkbare inspanning en op een buitengewoon +bevallige wijze, niet slechts op het effene watervlak der kleine +vijvers, aan welker oevers zij broeden en gedurende den zomer verblijf +houden, maar zelfs in de onstuimigste zee, bij hevige stormen, vele +mijlen van het land verwijderd. De zee is hun eigenlijke woonplaats; +aan het land komen zij slechts om eieren te leggen en hunne jongen +groot te brengen. Juist daarom komt hun levenswijze ons nog in vele +opzichten duister en raadselachtig voor. + + + +De eenige soort van dit geslacht, die in Europa, n.l. in Lapland, +broedt, is de Aschgrauwe Franjepoot, de Odinshen van de IJslanders +(Phalaropus hyperboreus). De veeren van de bovendeelen zijn zwartgrijs, +die van den onderrug en de schouders zwart met roestgele randen; de +zijden van het achterste deel van den hals zijn roestrood, de keel +en de onderdeelen wit, de krop en de zijden van den romp grijs. In +den winter is de rug lichtgrijs met zwarte vlekken. Totale lengte +van het mannetje 18, van het wijfje 20 cM., staartlengte 5 cM. + +In den zomer bewoont deze Vogel de kusten van Finmarken, IJsland, +Zuid-Groenland en waarschijnlijk ook den noordrand van de Aziatische +toendra; soms vliegt hij van hier naar zuidelijker gewesten: men heeft +hem herhaaldelijk in Amerika, Duitschland, Nederland (in den nazomer +en den herfst op de Hollandsche en Friesche kust) en Frankrijk, ja +zelfs in Spanje geschoten, ook wel op binnenwateren, die hij bereikte, +door met de Strandloopers langs de stroomen te trekken. In de maag +van gedoode exemplaren vond men larven van verschillende Insecten. Op +Spitsbergen voedt de Odinshen zich gedurende den zomer hoofdzakelijk +met een kleine Alge, die daar in de moerassen veelvuldig voorkomt. + + + +Op nog hoogere breedten en verder westwaarts wordt de genoemde soort +vervangen door den iets grooteren Rossen Franjepoot (Phalaropus +rufus). Bij dezen zijn de veeren van bovenkop, rug en schouders zwart +met roestgele randen, die van den achterhals en den staartwortel +roestrood; de benedenrug, de bovenste dekveeren van den vleugel +en de zijden van den staart zijn aschgrauw, de onderdeelen fraai +roestrood. De handpennen zijn zwartachtig grijs met witte schaften, +aan den binnenrand en aan den wortel wit, de armpennen donkergrijs met +witte randen, de laatste bijna geheel wit, de middelste stuurpennen +zwartachtig, de volgende donker leikleurig grijs, de beide buitenste +aan de spits donker bruinrood. Het oog is bruin, de snavel groenachtig +geel, aan de spits bruin, de voet grijsbruin. In het herfstkleed zijn +de bovenkop en de nek aschgrauw en geteekend met twee grijszwarte +strepen, die langs de zijden van den achterkop zich uitstrekken; +de rug- en de schouderveeren zijn blauwgrijs met donkerder schaften, +de veeren van de onderzijde wit, in de flanken grijs. + +Deze Vogel werd 's winters eenige malen aan onze kust en ook enkele +malen aan de oevers van binnenwateren waargenomen. + + + +De Steltkluiten (Himantopus), zoo genoemd wegens hunne zeer hooge +pooten, die ver boven het spronggewricht onbevederd zijn en waarvan de +buitengewoon lange loop slechts met schilden bekleed is, hebben een +langen, dunnen, alleen aan den wortel zachten, als balein buigbaren, +rechten, aan de spits afgeplatten snavel, zeer lange, smalle en spitse +vleugels, die voorbij den korten staart uitsteken; de buitenste en de +middelste voorteen zijn door een spanvlies vereenigd, de achterteen +ontbreekt. + + + +De Gewone Steltkluit (Himantopus candidus) bewoont alle landen om +de Middellandsche Zee; en is vooral in Noord-Afrika veelvuldig. Tot +zijn broedgebied behooren bovendien Zuid-Rusland, geheel Middel-Azië, +bezuiden de Siberische grens en Indië. In vrij grooten getale broedt +hij ook in Hongarije, enkele exemplaren ook in Duitschland. In +Indië, Perzië, Egypte en Noordwest-Afrika, zelfs op Sardinië is hij +standvogel; in de noordelijker gedeelten van zijn broedgebied komt hij +in Mei en blijft er hoogstens tot September. Op den trek doorkruist +hij geheel Afrika en Azië tot het eiland Luçon. Jaren geleden +(Augustus 1852) zijn twee exemplaren van deze soort in Noordbrabant +(bij Middelbeers) geschoten. + +In het lentekleed zijn de achterkop, een smalle streep op den +achterhals en de mantel zwart, de laatstgenoemde met groenachtigen +glans; de vleugels zijn zwart; de staart is aschgrauw; alle overige +deelen zijn wit, op de voorzijde met een teere, rozeroode tint. Het +oog is prachtig karmijnrood, de snavel zwart, de voet bleek karmijn- +of rozerood. Totale lengte 38, staartlengte 8 cM. + +De Steltkluiten houden zich gaarne op bij zout- en brakwater meren, +zonder zich tot deze te bepalen. Zeevogels kan men hen niet noemen. Wel +komen zij soms ook aan de zeekust voor in gezelschap van Kluiten +en Ruiters; gewoonlijk echter ontmoet men ze in kleine vijvers of +plassen gedurende den broedtijd in groote moerassen, waarvan het water +zoet of hoogstens brak is. Naar het schijnt, zijn zij gezelliger van +aard dan hunne naaste verwanten; bij paren ziet men ze niet anders +dan gedurende den voortplantingstijd; in andere tijden van het jaar +steeds bij troepen van 6 à 12 stuks en 's winters in talrijke zwermen. + +Voor zoover men weet, eten zij niets anders dan Insecten. Voortdurend +houden zij zich met de vangst van deze dieren bezig, die zij van den +waterspiegel afzoeken, uit de slib van den bodem wegpikken of in de +lucht ophappen. + + + +Nevens de Steltkluiten verdienen de Kluiten (Recurvirostra) een +plaats. Deze zeer eigenaardige, hoogpootige Snipvogels hebben een +forsch gebouwden romp en een langen, zwakken, smallen snavel, welks +breedte de hoogte zeer overtreft, en die naar de spits aanmerkelijk +dunner wordt; hij is eenvoudig naar boven gekromd of onmiddellijk voor +het einde weder naar beneden gebogen, over zijn geheele lengte glad +en hard. De pooten hebben een buitengewoon langen loop en zijn tot ver +boven het spronggewricht onbevederd. De drie voorteenen zijn verbonden +door "halve" zwemvliezen, deze strekken zich tot aan den nagel uit, +maar zijn diep uitgesneden; de achterteen is klein, hooger ingeplant +en reikt niet tot op den bodem. Tusschen het mannetje en wijfje en +ook tusschen zomerkleed en winterkleed bestaat zeer weinig verschil. + +De Gewone Kluit of Kluut, vroeger ook Sluijf genoemd (Recurvirostra +avocetta), is op eenvoudige, maar zeer bevallige wijze geteekend. De +bovenkop, de nek en de achterhals, de schouders en het grootste +gedeelte van de vleugels zijn zwart, twee groote velden op de vleugels +en het geheele overige vederenkleed zijn wit. Het oog is roodachtig +bruin, de snavel zwart, de voet donker blauwgrijs. Totale lengte 43, +staartlengte 7 cM. + +Van Middel-Europa af is de Kluit bijna over de geheele Oude Wereld +verbreid. Hij bewoont de kusten van de Noordzee en de Oostzee zoowel +als de zoute meren van Hongarije; hij trekt van hier door Zuid-Europa +en Afrika tot aan het Kaapland; van Middel-Azië naar Zuid-China en +Indië. Daar waar men hem aantreft, komt hij meestal in grooten getale +voor. Hij verlaat ons vaderland in Augustus of September en komt in +het laatst van Maart of in het begin van April terug. In Nederland +werd hij vooral op Texel, bij Calantsoog (in Noord-Holland) en aan +den Hoek van Holland, doch ook op de andere eilanden, bij Vogelenzang +en in Zeeland broedend gevonden. + +De Kluit is een echte zeevogel: hij verlaat de zeekust zelden; wanneer +hij dit al eens vrijwillig doet, geschiedt zulks met het doel om een +zout- of althans brakwatermeer op te zoeken. In het binnenland behoort +hij tot de zeldzaamheden. Hij is een van die zeevogels, welke ieders +aandacht trekken, omdat zij een sieraad zijn van het strand. Zooals +zijne zeer goed ontwikkelde zwemvliezen reeds doen vermoeden, beweegt +hij zich ook op plaatsen waar het water diep is; hij zwemt met gemak +en behendig en doet dit dikwijls zonder bepaalde noodzakelijkheid. Zijn +fluitend stemgeluid heeft een eenigszins droefgeestigen, maar volstrekt +niet onaangenamen klank: zijn loktoon klinkt ongeveer als "kwie" of +"duut", zijn paringswijsje is een klagend "klioe", dat zoo dikwijls +en zoo schielijk achtereen herhaald wordt, dat het aan "jodelen" +doet denken. Aan dit geluid heeft hij zijn naam te danken. + +Gewoonlijk ziet men den Kluit in 't water staan of langzaam rondstappen +en met voortdurende, knikkende en zijwaartsche beweging van den kop +voedsel opnemen, niet zelden ook den bodem van 't water onderzoeken, +waarbij hij op de manier van een Eend min of meer op den kop staat. Hij +gebruikt zijn vreemdsoortigen snavel op een geheel andere wijze dan +de overige moerasvogels; hij "sabelt", gelijk Naumann zegt, "maakt +tamelijk snel opeenvolgende, gymnastische bewegingen naar links en +naar rechts en grijpt intusschen het in 't water zwevende voedsel, +dat door de lijsten aan de binnenste oppervlakte van den snavel wordt +teruggehouden." Als men dicht bij een plaats komt, waar honderden van +deze Vogels ijverig bezig zijn voedsel op te sporen, bemerkt men, +dat alle bij het eerste waarschuwende sein onrustig worden, wadend +of zwemmend zich naar de diepere gedeelten van het water begeven, +of opvliegen en niet eerder rusten, voordat zij buiten schot zijn. + +Korten tijd na hun terugkomst in 't vaderland splitsen de zwermen zich +in paren, die geschikte nestplaatsen opzoeken, liefst op een met kort +gras bedekte vlakte. Het nest is een ondiepe uitholling van den grond +en met eenige droge halmpjes of worteltjes bekleed; er worden in den +regel 4, soms slechts 2 peer- of tolvormige eieren in gelegd; deze +hebben een fijne, glanslooze schaal, die op licht roestgeelachtigen +of geelachtig olijfkleurigen grond met een meer of minder groot aantal +grauwzwarte en violette vlekken en stippels geteekend is. Het mannetje +en het wijfje broeden om beurten, zijn vol zorg voor hun broedsel, +vliegen onder klagend geschreeuw om den mensch, die in de nabijheid +van hun nest komt en brengen de jongen, zoodra deze droog geworden +zijn, naar een terrein, waar zij schuilplaatsen kunnen vinden, later +naar groote poelen en eindelijk, als zij hunne vleugels beginnen te +gebruiken, naar de open zee. + +De gevangen Kluiten vereischen een zorgvuldige verpleging; hun voedsel +moet flink gekruid zijn met insectenlarven of mierenpoppen; zij kunnen +dan jaren lang in de kooi in 't leven gehouden worden. + + + +De echte Pluvieren (Charadriinae) zijn forsch gebouwde, korthalzige, +grootkoppige Vogels van geringe grootte. Hun snavel is meestal +kort, zijn lengte gaat zelden die van den overigen kop te boven; +aan den wortel is hij met een zachte, aan de spits met een harde +huid bekleed; de neusgaten zijn ovaal en bevinden zich aan het +einde van het achterste derde gedeelte (of van de achterste helft) +van den snavel, welks rug op deze plaats benedenwaarts gekromd is, +doch nader bij de spits zich weer verheft; zulk een snavel heet +"kolfvormig" gezwollen. De pooten zijn middelmatig hoog, slank, in +'t spronggewricht een weinig verdikt, de voeten meestal drieteenig. De +vleugels zijn tamelijk groot, smal en spits; hun spits wordt door de +eerste of de tweede slagpen gevormd; de bovenarmpennen zijn tot een +zoogenaamden schoudervleugel verlengd. De korte of middelmatig lange, +uit 12 pennen samengestelde staart is aan den top flauw afgerond. Het +dichte en zachte, glad aanliggende vederenkleed biedt bij jongen +en ouden minder verschil aan, dan er tusschen het zomer- en het +winterkleed bestaat. + +De echte Pluvieren zijn de bedrijvigste van alle moerasvogels. De +meeste maken weinig verschil tusschen den dag en den nacht; van den +morgen tot den avond, van den avond tot den morgen zijn zij ijverig in +de weer, een vasten slaaptijd, die misschien slechts eenige minuten +duurt, hebben zij niet; toch zijn sommige over dag, andere 's nachts +het meest werkzaam. Zij loopen uitmuntend en vliegen met gemak en +snel, zonder door een dezer bewegingen spoedig vermoeid te worden. Zij +zwemmen niet gaarne, maar toonen zich in geval van nood ook hiervoor +geschikt. Bijna alle soorten hebben een luid klinkende, fluitende stem +en brengen gedurende den paartijd tot trillers vereenigde tonen voort, +die eenige aanspraak kunnen maken op den naam van gezang. Hun nest is +eenvoudig een kuiltje in den grond; zelden wordt het met eenige halmen +bekleed. Het dient tot berging van 3 of 4 peer- of tolvormige, bont +gevlekte eieren, nooit meer, nooit minder, die altijd zoo gerangschikt +zijn, dat de spitsen elkander in 't midden aanraken. De beide ouders +broeden om beurten; door hen begeleid, verlaten de jongen het nest, +onmiddellijk nadat zij uit den dop gekomen en droog geworden zijn; +in den eersten tijd zoeken zij nu en dan beschutting onder de vleugels +van de moeder. + +Deze Vogels voeden zich met Insecten en Weekdieren, Wormen en kleine +waterdieren; zij worden als wild hooggeschat en hebben daarom veel +vervolging te verduren. + + + +De Kievit, in Overijsel Kiefte, in 't Friesch Ljiep genoemd (Vanellus +cristatus), vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, dat kenbaar is +aan den zwak kolfvormig gezwollen snavel, aan de vierteenige voeten, +aan de stompe vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde +handpen en aan de kuif, waarmede de kop versierd is. De bovenkop, +de voorhals, de bovenborst en de achterste helft van den staart +zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den mantel donkergroen met +blauwen of purperen weerschijn, de zijden van den hals, de onderborst, +de buik en de wortelhelft van de staartveeren wit, eenige boven- en +alle onderdekveeren van den staart donker roestgeel; de kuif bestaat +uit lange, smalle veeren, die een dubbele spits vormen. Het oog is +bruin, de snavel zwart, de voet vuil donkerrood. Totale lengte 34, +staartlengte 10 cM. + +Van den 81en graad N.B. tot Voor-Indië en Noord-Afrika heeft men den +Kievit in alle bekende landen van de Oude Wereld waargenomen. Hij +is op de voor hem geschikte plaatsen in China even algemeen als in +Groot-Britannië; tegen den winter trekt hij zuidwaarts naar de tusschen +Marokko en Noord-Indië gelegen landen, ook dwaalt hij wel naar de +Fär-öer en IJsland en zelfs naar Groenland af. Van alle Europeesche +landen is Nederland ongetwijfeld het rijkst aan Kieviten: zij zijn voor +ons land even karakteristiek als de kanalen, de zwartbonte koeien, +de windmolens en de door hooge boomen overschaduwde buitenplaatsen +en boerderijen. Ook in Duitschland zijn zij niet zeldzaam. + +De Kievit is een van de eerste lenteboden; evenals de Spreeuw en de +Leeuwerik verschijnt hij soms reeds in 't vaderland, als de winter +er nog zijn schepter zwaait en hem gebrek doet lijden. Meer dan van +andere Vogels heeft men van den Kievit waargenomen, dat het hoofdleger +voorafgegaan wordt door enkele éclaireurs. Deze worden dikwijls bitter +teleurgesteld door een weersverandering. Late sneeuwvlagen maken, dat +zij geen voedsel kunnen vinden; vermoedelijk worden zij door de hoop op +een gunstigen keer van zaken weerhouden om terug te keeren; zij dwalen +van het eene veld naar het andere, wachten en hopen, verkwijnen meer +en meer en bezwijken. In het tijdperk 1879 tot 1888 wisselde de tijd +van aankomst der Kieviten in ons vaderland af tusschen 10 Februari +en 14 Maart (gemiddeld 2 Maart), de tijd, waarin zij vertrokken of +voor de laatste maal gezien werden, van 18 September tot 6 December +(gemiddeld 30 October). Hierbij moet echter in 't oog worden gehouden, +dat na het vertrek van de Vogels, die hier gebroed hebben en geboren +zijn, andere, uit noordelijker streken komende exemplaren doortrekken; +dit duurt, totdat de vorst invalt; een enkele maal is het gebeurd, +dat Kieviten hier den winter overbleven. + +Zoodra de Kieviten in hun vaderland teruggekomen zijn en hunne +gewone standplaatsen hebben opgezocht, begint hun zomerleven. De +Kievit houdt niet van de nabijheid van den mensch en vermijdt zooveel +mogelijk diens woonplaats, misschien met uitzondering van de lage, +moerassige kuststreken. Een voorwaarde, waaraan iedere broedplaats +moet voldoen, is de nabijheid van water. Wanneer, hetgeen zeldzaam +geschiedt, de Kieviten hoog gelegen bergvlakten opzoeken om er +te nestelen, kan men er vrij stellig op rekenen, dat de gewone +nestplaatsen in den loop van den zomer overstroomd zullen worden. Op +deze nestplaatsen nu ziet of hoort men den Kievit op iederen tijd +van den dag [1]. Bijna voortdurend is hij in beweging. Gedeeltelijk +is de oorzaak hiervan gelegen in zijn waakzaamheid, daar hij ieder +ander schepsel, misschien met uitzondering van Runderen en Schapen, +voor gevaarlijk houdt. Daar hij liever vliegt dan loopt, bij voorkeur +van zijne vleugels gebruik maakt bij het toonen van liefde zoowel als +van misnoegen en voor vele spelen, welker reden ons niet volkomen +duidelijk is, kan het niet missen, dat men hem opmerkt. Het drukst +beweegt hij zich, zoolang er eieren in zijn nest liggen, of zijne +jongen nog niet geschikt zijn om aan een naderend gevaar vliegend te +ontkomen. In dezen tijd vliegen zij onder luid geschreeuw, dat als +"kiewiet" klinkt, om iederen mensch heen, die in de nabijheid van +hun broedplaats komt. Zij doen dit met een driestheid, die te recht +verbazing wekt. De voor zijn kroost beduchte Vogel schiet dikwijls +zoo dicht bij het hoofd van den mensch langs, dat deze de door 't +snelle vliegen veroorzaakte luchtstrooming duidelijk voelen kan. Hij +vliegt voortreffelijk en siert zijn vluchtlijn als 't ware op door +velerlei zwenkingen. Alleen als de weg van den Kievit dicht over +den waterspiegel heen leidt, vliegt hij met langzame vleugelslagen; +zoodra hij tot hoogere luchtlagen is opgestegen, begint hij kunsten +te maken, alsof hij iedere aandoening door een bepaalde beweging +uitdrukken wil. Wanneer een gevaar hem of zijne jongen bedreigt, +maakt hij de koenste wendingen, stort zich naar beneden tot dicht +bij den grond, rijst echter dadelijk weer in steile richting omhoog, +slaat nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde over, daalt op +den bodem af, trippelt hier even rond, verheft zich opnieuw in de +lucht en hervat het vorige spel. Geen der andere inheemsche Vogels +vliegt zooals hij, geen hunner is in staat om op dezelfde wijze alle +denkbare bewegingen met de vleugels uit te voeren. Karakteristiek +voor deze wijze van vliegen is het eigenaardige gesuis en gewapper, +dat door de snelle vleugelslagen ontstaat, zoo zelfs, dat men hieraan +Kieviten, die door de lucht voorbijtrekken, in een duisteren nacht +van alle andere Vogels onderscheiden kan. Zijn gang is sierlijk en +behendig; de snelheid van 't loopen kan aanmerkelijk vermeerderd +worden. Bovendien speelt deze in 't oogloopende Vogel zoowel onder +'t vliegen als onder 't gaan voortdurend met zijn kuif, die hij in 't +eene oogenblik horizontaal neerlegt, in 't andere hoog opricht. Van +zijn niet bijzonder buigzame stem maakt hij zeer dikwijls gebruik; +de weinige tonen, waaruit zij bestaat, weet hij op velerlei wijzen te +verbinden. Zijn loktoon, het reeds genoemde "kiewiet", is nu eens meer, +dan weer minder gerekt; de verschillende intonaties hebben ieder een +bepaalde beteekenis; angst wordt te kennen gegeven door "chrèiët", de +paringsroep bestaat uit een reeks van nauw aaneenverbonden klanken, +die men door de lettergrepen "chèh kwerkhoiët kiewietkiewietkiewiet +kioeïeht" ongeveer kan aanduiden. + +Hoe beter men den Kievit leert kennen, des te meer wordt men +overtuigd van zijn schranderheid. Zijn waakzaamheid, die den jager +vaak teleurstelling bereidt, strekt hem tot eer. Een onaangename +ervaring vergeet hij nooit, nog jaren lang herinnert hij zich het +oord, waar een zijner soortgenooten een ongeluk is overkomen. Met +den felsten haat bejegent hij alle roofdieren en toont daarbij +grooten moed, zelfs ware doodsverachting. Woedend schiet hij neer +op den snuffelenden Hond, dikwijls zoo dicht langs den kop van den +verontwaardigden viervoeter, dat deze zich genoopt ziet naar den +aanvaller te happen. Reintje wordt even ijverig bestookt, maar niet +altijd overwonnen en verdreven; integendeel deze grijpt niet zelden +een van zijne vermetelste tegenstanders en vermoordt hem voor de +oogen van zijne kameraads, die vol ontzetting in alle richtingen +uiteenstuiven en ver van de kampplaats gaan weeklagen over den +verongelukten makker. Stoutmoedig valt de Kievit Meeuwen, Reigers +en Ooievaars aan, kortom alle roofvogels, die minder goed vliegen +dan hij; de gevederde roovers, die hem in bekwaamheid overtreffen, +gaat hij echter voorzichtig uit den weg. De strandvogels zijn +gewoon acht te geven op hetgeen de Kievit doet en ontkomen door zijn +voorzichtigheid aan vele gevaren. Daarom draagt hij bij de Grieken +den zeer eigenaardigen naam van "Goede Moeder." + +Naar het schijnt, maken Regenwormen het voornaamste voedsel van +den Kievit uit; bovendien moeten als belangrijke bestanddeelen van +zijn maal allerlei Insectenlarven, Waterslakken, kleine Landslakken +enz. genoemd worden. Verscheidene malen in den loop van den dag gaat +hij drinken. Het baden is voor hem een levensbehoefte. + +Het nest van den Kievit vindt men het veelvuldigst op uitgestrekte +grasvelden en vochtige akkers, zelden in de onmiddellijke nabijheid van +het water, nooit in het eigenlijke moeras. Het bestaat uit een ondiepe +holte, die soms met eenige dunne grashalmpjes en fijne worteltjes +sierlijk bekleed is. In gunstige jaren begint het leggen bij ons +omstreeks het midden van Maart, soms echter eerst in de laatste dagen +van deze maand of in de eerste dagen van April. De 4 betrekkelijk +groote eieren zijn peervormig en hebben een fijnkorrelige, gladde +schaal, die op dof olijfgroenachtigen of bruinachtigen grond met +donkerder, dikwijls zwarte stippels, vlekken en streepjes op zeer +verschillende wijzen geteekend is; zij liggen in het nest zóó, dat +hunne spitsen elkander in het midden aanraken en worden door het wijfje +altijd weder op deze wijze gerangschikt. Het wijfje broedt de eieren +in 16 dagen uit en brengt de jongen vervolgens naar plaatsen, waar zij +zich verbergen kunnen. De kleur van het jong, dat zich bij naderend +gevaar plotseling tegen den grond drukt, komt zoo zeer met die van +den grond overeen, dat men het voor een aardkluit zou kunnen aanzien. + +Bij ons en in Duitschland maakt men geen jacht op den Kievit, omdat +zijn vleesch te recht onsmakelijk wordt geacht. In Zuid-Europa is +men een andere meening toegedaan; hier worden de wintergasten even +ijverig vervolgd, als waren het Snippen. De eieren worden hier te lande +ijverig gezocht; er wordt een belangrijke handel in gedreven; vooral +uit Friesland worden groote hoeveelheden naar Engeland gezonden. In +het laatst van April is de hoeveelheid, die ter markt wordt gebracht, +zeer aanzienlijk. Toch is, tengevolge van den uitvoer naar Engeland, +de prijs, althans in de steden van Friesland, zelden lager dan +15 cents per stuk. Voor de eerste eieren worden gewoonlijk zeer +hooge prijzen betaald. Over 20 jaren berekend, wordt in Friesland +het eerste ei gemiddeld op 23 Maart gevonden (Albarda). Daar de +Kievieten, welker eieren men herhaaldelijk wegneemt, in het geheel +niet meer zouden broeden, het getal dezer Vogels derhalve van jaar +tot jaar verminderen zou, is bij de wet bepaald, wanneer het rapen +van kievitseieren moet ophouden. Hier te lande is het na den 30en +April verboden; het vervoeren en verkoopen van de eieren mag nog tot +den 5en Mei plaats hebben. + +De gevangen Kieviten zijn zeer gezellige Vogels; vooral als zij zeer +jong in de kooi komen, schikken zij zich spoedig in de veranderde +levensomstandigheden; zij worden tam en gemeenzaam met hun verzorger, +eten uit zijn hand, volgen hem ook wel een eind weegs, sluiten zelfs +vriendschap met Honden en Katten en matigen zich het oppergezag aan +over andere in de kooi levende strandvogels. Als men hun aanvankelijk +stuk gesneden Regenwormen voorwerpt, geraken zij licht gewoon aan het +voedsel, dat men hun gewoonlijk geeft, n.l. wittebrood; hiermede kan +men ze jaren lang in 't leven houden; zij moeten echter tegen koude +beschut worden, zoodra de winter aanvangt. + + + +In Egypte wordt onze Kievit vervangen door den Spoorkievit, wegens +zijn geschreeuw ook Sieksak genoemd (Vanellus spinosus). Deze kenmerkt +zich door een echten Kievitsnavel, slanke pooten met 3 teenen, een +scherpe, aan de vleugelbocht voorkomende spoor, betrekkelijk spitse +vleugels en een stompe kuif op den achterkop. + +Van alle Egyptische Pluviervogels is deze de algemeenste. Men vindt +hem overal, waar de aanwezigheid van zoet water zijn verblijf mogelijk +maakt, want zelden of nooit begeeft hij zich op grooten afstand van +het water. Hij stelt zijne eischen echter niet hoog, maar is tevreden +met een veld, dat nu en dan onder water wordt gezet. Hij schijnt de +zeekust te vermijden, maar komt voor aan de oevers der strandmeren, +die deels brak, deels zout water bevatten. + +In levenswijze komen de Spoorkieviten veel met onze Kieviten overeen, +hoewel zij minder gezellig schijnen te zijn en meer bij paren +leven. Het eene paar woont echter dicht bij het andere en de buren +komen gaarne voor korten tijd bijeen. Tegen Vogels maakt de Spoorkievit +van zijn wapen gebruik; hij stort zich plotseling op zijn tegenpartij +en tracht hem door een slag met den vleugel te kwetsen. Ongetwijfeld +kan hij met de spoor gevoelige wonden toebrengen; de Vogels, die er +kennis mede maken, toonen duidelijk hoe onaangenaam hun dit is. + +Het voedsel van den Spoorkievit is ongeveer gelijk aan dat van +zijn inheemschen verwant. In Noord-Egypte begint zijn voortplanting +omstreeks het midden van Maart; de meeste nesten vindt men echter in +het midden van April, vele nog in Mei. + + + +De Pluvieren i. e. z. (Charadrius) hebben een middelmatig langen, +kolfvormig gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk +hooge, gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het +spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen +de langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de +meeste soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen +het (bonte) zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt +de Pluvieren in een aantal groepen, die soms als ondergeslachten, +soms als geslachten worden beschouwd. + + + +De Goudkievit, in Friesland Zeewilster, Blanke Wilster of Zilverpluvier +genoemd (Charadrius squatarola) is de eenige vertegenwoordiger van +het ondergeslacht der Zilverpluvieren (Squatarola), dat zich kenmerkt +door het bezit van een zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens +in gestalte, kleur, aard en levenswijze veel op de Goudpluvier en +weinig op den Kievit. De bovendeelen zijn bruinzwart met witte +of bruinachtige vlekken; de staartwortel is wit, de staart wit +met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveeren zijn wit, de +ondervleugeldekveeren wit, verder achterwaarts grijs, de okselveeren +zwart, de voorhoofdsrand, de teugel en de onderdeelen zwart; in den +winter zijn de onderdeelen witachtig met donkere schaftvlekken. Totale +lengte 30, staartlengte 9 cM. + +Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze +echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen +het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland, +Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van +hier begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna +de geheele aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste +landen van Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer +bepaaldelijk het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral +in den trektijd wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale, +waargenomen en met de andere Pluvieren gevangen. + + + +De Goudpluvier, bij Oirschot Tuter en in Friesland Wilster genoemd +(Charadrius pluvialis), van het ondergeslacht der Echte +Pluvieren (Charadrius), heeft de kruin, den nek, den achterhals, +den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en +topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden +van hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep +vormen; dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den +staart. De handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met +goudgroene dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de +vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit, +de staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De +onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere +vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet +grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM. + +De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij +behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers +tot de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het +geheele noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden +het droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die +men, al naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren, +kleine troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het +eene paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels +tot buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond +onafgebroken bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen +zij zeldzamer te worden. In Nederland en Duitschland broeden zij +slechts in kleinen getale, bij ons op heidevelden van Gelderland, +Noord-brabant en Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen +zij in April, om in September weer te vertrekken. De exemplaren, +die in noordelijker gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder +jaar in groote menigte tweemaal op den trek; deze begint tegen het +einde van September en eindigt in Maart. In zachte winters blijven +sommige in Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich +echter verder zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de +kustlanden van de Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van +Noord-Azië naar Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar +het zuiden van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis +wordt gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk +gedurende den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer +hoog, soms in ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige +rangorde, evenals de Kranen. + +In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar +geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel, +die voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt +of buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch +even stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af, +wanneer zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van +het nest vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en +vliegkunsten. Haar welluidend, helder gefluit, dat als "tluïe" +klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons +eenigszins zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot +een triller ("taluudl-taluudl-taluudl-taluudl") verlengd. Hare +zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont +zij een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost +en andere goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de +hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna +uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek +Kevers, Slakken, Regenwormen en dergelijke kleine dieren; ook slikt +zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door. Water om +te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet ontberen. + +De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland +levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms +belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze +Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen, +dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks bemachtigde. + +Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de Goudpluvier +nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van Azië en +in 't noorden van Amerika broedt en soms naar Europa, o. a. naar +Helgoland, afdwaalt. De Aziatische Goudpluvier (Charadrius fulvus) +is iets kleiner dan de vorige soort, hare vleugels zijn korter en +de schenkels minder ver bevederd, de vleugelspitsen strekken zich +voorbij den staart uit, de staartveeren hebben slechts 5 of 6 heldere +dwarsbanden en de okselveeren zijn bruinachtig grijs. + + + +De Morinelpluvier [Charadrius (Eudromias) morinellus], draagt een +kleed, dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een +steenachtige glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig, +door de roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze +kleur van den kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel +van de borst gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het +midden zwart, de buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede, +lichte streep; deze beide strepen komen in den nek samen. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte +22, staartlengte 7 cM. + +De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de +hooge toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar +broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van +Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste +deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en Zuid-Siberië +(op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den zeespiegel liggen). De +Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij geregeld op den trek, +van Augustus tot October en van April tot Mei. Evenzoo bezoekt zij +Duitschland, Frankrijk, Hongarije en Noord-Italië. Zelden wordt de +reis verder voortgezet dan tot de landen om de Middellandsche Zee en de +hiermede overeenkomende gewesten van Middel-Azië; haar winterverblijf +heeft zij dus reeds in Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije +en Perzië bereikt. Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten. + +De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer +familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig, +bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien +dit noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een +zachte, op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door +de klankteekens "duurr" of "duuru" ongeveer weergeven kan. Zij is +lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, daar zij eenzame streken +bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost bezorgde moeder, verstaat +meesterlijk de kunst om, als zij menschen ziet, gebreken te veinzen, +om hierdoor hare jongen de gelegenheid te geven een schuilplaats te +zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt dicht voor de verstoorders +van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende een rendierenjacht in de +gebergten van Noorwegen getuige was van dit komediespel, werd het door +de Lappen, die mij vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden +ijverig de oude en zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen +den grond aangedrukt hadden, geheel over 't hoofd. Vlak voor mij +lagen zij alle drie, den hals languit op den bodem gestrekt, ieder +gedeeltelijk achter een steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes +geopend, onbeweeglijk, zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht +bij hen; zij verroerden zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe +langer hoe verder van den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel +terug naar de plaats waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij +mij daar zag staan en geen van hare kinderen bespeurde, hervatte +zij onmiddellijk haar listig bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich +gewillig lieten grijpen, in de handen en toonde ze aan de moeder. In +'t zelfde oogenblik staakte zij haar komediespel, kwam dicht bij mij, +zoo dicht, dat ik haar werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren +op, bewoog trillend hare vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn +gemoed te verteederen. De kleintjes liepen uit mijne handen weg op +den grond: een onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk, +toen zij haar kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door +het herkrijgen van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de +kleintjes, die vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en +bleef verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening +verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging +van hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een +groot genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor +hen mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te +handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover +anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in +de Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte, +bijna uitgeroeid is. + +Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle gevaren, +die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads vermoedende +gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood dan haar +verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en smakelijkheid +van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven de beste +Snippen, de voorkeur. + + + +De Bontbekpluvier, die in Friesland Bonte Wilster wordt genoemd +(Charadrius hiaticula), behoort met de beide volgende soorten tot +het ondergeslacht der Zandpluvieren (Aegialites), gekenmerkt door +de betrekkelijk geringe grootte, den zwakken snavel, de lange, +spitse vleugels en het zeer overeenstemmende vederenkleed, dat aan +de bovenzijde zandkleurig, aan de onderzijde wit en met een witten, +ringvormigen halsband versierd is. Zij houden zich niet in moerassen +op, maar bewonen de zeekust en de met grind of zand bedekte vlakten +in de nabijheid van zuiver helder water, zooals rivieroevers, zand- +en grindbanken in stroomen enz.--De Bontbekpluvier is kleiner dan +de vorige soort (totale lengte 19, staartlengte 6 cM.) en kenbaar +aan de oranjeroode kleur van de pooten en van de wortelhelft van +den snavel. Een smalle zoom aan den wortel van den bovensnavel, het +voorste deel van de kruin en een met beide plekken samenhangende, +breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer breede dwarsband over +den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte plekken begrensde +dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin en de keel en +een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, ringvormige +halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn wit. De +kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht olijfkleurig +bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den wortel met +breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te beginnen) +met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de armpennen bruin +met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en vóór den breeden, +witten eindrand het donkerst. + +De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt in +Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der Oostzee +en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de Duitsche +en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de zandige +oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord wordt, +ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren broeden +op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn enkele +malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit tot +aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en Australië. In het +voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons zeestrand, komen ten deele +reeds in Augustus en blijven tot laat in het voorjaar; soms worden +zij ook wel binnenslands onder het wilsternet gevangen (Albarda). + + + +Nevens de vorige soort ontmoet men de iets kleinere Strandpluvier, +op Texel Zandlooper en Froukie, op Terschelling Gultje, op Ameland +Kreuteltje genoemd [Charadrius (Aegialites) cantianus]. Totale lengte +18, staartlengte 5-1/2 cM. Zij heeft niet, zooals de vorige soort, +een zwarten dwarsband over den krop, wel aan weerszijden daarvan een +zwarte vlek; voorts zijn bij haar de snavel en de voet zwart en het +voorhoofd zuiver wit; wit zijn ook de schaften van de 4 à 6 eerste +pennen. Haar verbreidingsgebied omvat het grootste deel van de aarde, +uitgezonderd het hooge noorden, Australië en Amerika. Zij broedt +aan de zeekust, zelfs nog aan de oevers van de Middellandsche en de +Roode Zee. Bij ons houdt zij zich van Maart of April tot September +op en broedt in grooten getale in de duinen van onze eilanden en aan +den Hoek van Holland. Haar nest is een ondiep kommetje van ongeveer +1 dM. middellijn in het harde zeezand. Eigenaardig is de wijze, +waarop deze en andere Pluvieren haar nest verfraaien, n.l. door 3 of +4 geheel gave, bijeen gegroepeerde, helder gekleurde schelpjes vast +in den bodem te drukken; ook om het nest liggen dergelijke groepjes +[2]. Reeds in Augustus begint zij hare broedplaatsen in noordelijker +gewesten te verlaten en keert derwaarts terug in Mei. Zij trekt dan +ook in zeer menigvuldige, kleine troepjes langs ons zeestrand. + + + +De Kleine Pluvier [Charadrius (Aegialites) curonicus] is nauwelijks +grooter dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op +iederen leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste +deel van den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar +achteren gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit; +het voorhoofd draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede, +witte volgt, die van achteren weer door een zwarten begrensd wordt; +de teugels zijn zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk +breeden, gelen ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5-1/2 cM. + +Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel Afrika en ook +in bijna geheel Azië gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna +uitsluitend aan de oevers van binnenwateren, ver van de zee op; in +hare winterkwartieren geeft zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur, +doch komt ook nu en dan aan 't zeestrand voor. Bij ons is zij niet +zeer menigvuldig op den doortrek (Augustus en September): op het +strand van Terschelling, in Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland +bij Diemen heeft men haar opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend +gevonden in de putten onder Cromvoirt (Noord-brabant) (Albarda). + +Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook +in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen. + + + +De Renvogels (Cursorius) zijn slank van gestalte, hebben een +middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten, +aan den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen +loop en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke +nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht, +glad vederenkleed. + + + +De Gewone Renvogel (Cursorius gallicus) dwaalt somtijds naar Europa af +en is een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in +'t oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van +23 cM., waarvan 7 cM. op den staart komen. + +Noord-Afrika, van de Roode Zee tot aan de Kanarische Eilanden, en +West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, vormen +het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de woestijnen, +die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere woestijndieren +kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen uit, die +eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de Renvogels +daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun dorheid en +eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met onvergelijkelijke snelheid +ziet men deze Vogels paarsgewijs over de vlakte rennen op ongeveer +15 schreden afstand van elkander (zelden meer of minder). Zoolang +de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet zijne pooten; +deze ontgaan door hun voortdurend heen- en weerslingerende beweging +geheel aan onze waarneming; men zou kunnen meenen, dat de Vogel geen +pooten heeft en door een onverklaarbare kracht over den bodem wordt +voortgedreven. Plotseling houdt de beweging op; de renner staat stil, +om door rond te kijken zich te overtuigen, dat zijn veiligheid geen +gevaar loopt, of misschien om een Insect op te pikken, en schiet +eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen vervolgingen +ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op tamelijk korten +afstand naderen; altijd echter weet hij de tusschenruimte zoo groot te +houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer niet getroffen kan worden: +zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij zich genoodzaakt ziet +te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid noemt men hem op de +Kanarische Eilanden "Kinderbedrieger", omdat onervaren knapen meenen, +dat zij den Vogel, die van zijne vleugels geen gebruik schijnt te +maken, met de handen kunnen grijpen, maar tot hun teleurstelling +ondervinden, dat het dier met zijne betrekkelijk korte pooten zich even +snel kan bewegen als de mensch met zijne langere beenen. Niet slechts +de pooten, maar ook de vleugels van den Renvogel zijn uitmuntend voor +dit doel geschikt. + +Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. "Een +groote, diepe schotel," zegt Bolle, "of een andere steenen pot wordt +in een schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van +verre zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is +vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt +hij toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf pikt, +valt de pan hem over den kop en is hij gevangen."-- + +"Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt," verhaalt +Plinius in navolging van Herodotus, "komt de Vogel Trochilus aanvliegen +en sluipt hem in den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt +dit aangenaam en laat daarom den Vogel begaan, opent den bek nog +verder, opdat de "Trochilus", als hij er uit wil, zich niet zal +kwetsen. Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt +zich in de nabijheid van 't water op en waarschuwt den Krokodil voor +den Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door +geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken." Dit verhaal, dat +men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit gegrond; +wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den Krokodil +en zijn "Wachter", gelijk de Arabieren den bedoelden Vogel noemen. + + + +De Krokodilwachter (Cursorius aegyptius) vormt in zekeren zin den +overgang van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader +verwant is aan gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep, +welke zich in den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek, +een breede borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug +zijn zwart; een wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en +aan den achterkop ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel, +de gorgel en alle overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de +borst echter licht roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en +de schouderveeren licht leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen +zwart, aan den wortel en vóór de spits echter wit, waardoor twee +breede banden ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden +vleugel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig +kleiner dan het mannetje. + +De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen +dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank +u voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af +stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van +den Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats +uit met het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom +hem verdrijft. + +Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, behendige +en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, wanneer zij +met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, voortrennen, +maar vallen nog meer in 't oog, wanneer zij hunne fraaie, wit en zwart +gestreepte vleugels uitbreiden en over 't water vliegen. Zij doen +dit zeer snel, zooals men reeds bij 't zien van de spitse vleugels +zou verwachten, en zonder merkbare inspanning; toch begeven zij zich +in één vlucht zelden ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den +anderen; steeds scheren zij dicht bij de oppervlakte van 't water +langs. Onder het vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem +hooren, deze bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als +"tsjiep tsjiep hoit". Maar ook gedurende het zitten en rondloopen +schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders +in hun omgeving voorvalt: de nadering van ieder schip, van iederen +mensch, van ieder Zoogdier, van iederen grooten Vogel wordt door een +luid geschreeuw aangekondigd. Op deze wijze vervult de "Wachter" niet +alleen bij den Krokodil, maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol, +die door zijn naam wordt aangeduid. Hij onderscheidt zich door een +merkwaardige sluwheid, een scherp oordeel en een bewonderenswaardig +geheugen: het is, alsof hij geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en +hun omvang weet te schatten. Met den Krokodil leeft hij werkelijk in +vriendschap, evenwel niet, omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen +is, maar, omdat de Vogel door zijn schranderheid en behendigheid aan de +boosaardige aanslagen van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van +de zandbanken, waarop de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert, +heeft hij van jongs af met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden +rug loopt hij even onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er +de Insecten en Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil +belust zijn; zelfs ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen +vriend schoon te maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de +tanden overgebleven zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan +het tandvleesch vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw +van den Vogel bij het zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of +gevaarlijk voorkomt, doet den slapenden Krokodil ontwaken en noopt +dezen zich naar de veilige diepte te begeven. + +Mogelijk is het, dat de Krokodilwachter met zijn spijs nu en dan +enkele zaden doorslikt; zijn gewone voedsel ontleent hij echter aan +het dierenrijk. Hij eet allerlei Insecten, vooral Zandkevers, Vliegen, +Waterspinnen, Wormen, kleine Schelpdieren, Visschen en, naar uit de +bovenstaande mededeelingen blijkt, ook stukjes vleesch van grootere +Gewervelde Dieren. + +Het wijfje legt hare eieren in een kuiltje in den grond en bedekt ze +met zand, wanneer zij bij 't broeden gestoord wordt. Slechts toevallig +komt men dus op het spoor van de broedplaats. + + + +De Steenloopers (Arenaria) zijn fraai geteekende, zeer beweeglijke +vogeltjes, die van de overige bevederde strandbewoners, behalve +door hun gestalte, ook in vele opzichten door hun levenswijze +verschillen. Men heeft ze nagenoeg over de geheele wereld verspreid +gevonden, aan de kusten van IJsland en Skandinavië, zoowel als aan +die van Griekenland, Zuid-Italië en Spanje, in Australië zoowel +als in Middel-Amerika en Brazilië, in Egypte en in het Kaapland, in +China zoowel als in Indië. Zij zijn dus wereldburgers in de strengste +beteekenis van het woord. Men ontmoet ze overal echter het veelvuldigst +aan de zeekust, slechts gedurende den trektijd, en ook dan steeds in +zeer kleinen getale, bij binnenwateren. + +De Steenloopers zou men kunnen beschouwen als Pluvieren met dikke +en tamelijk korte pooten. Hun lichaam is forsch gebouwd, de kop +betrekkelijk groot, het voorhoofd hoog, de snavel recht, bijna zoo +lang als de kop, korter dan de loop, kegelvormig, aan de spits een +weinig naar boven gebogen en stomp, maar niet verdikt, op den rug +afgeplat, geheel met een harde huid bedekt; de neusgaten zijn aan +den snavelwortel gelegen; in de lange, spitse vleugels is de eerste +handpen de langste; de ternauwernood middelmatig lange staart is +uit 12 pennen samengesteld; de voorteenen zijn niet verbonden, de +achterteen is klein en hoog aangehecht; het vederenkleed is goed +voorzien, maar glad aanliggend en onderscheidt zich door levendige +kleuren; de schouderveeren zijn sterk verlengd. + + + +Van de beide soorten van dit geslacht bewoont de eene de Nieuwe, de +andere de Oude Wereld. Bij deze--bij den Gewonen Steenlooper (Arenaria +interpres)--zijn in volwassen toestand en gedurende den zomer het +voorhoofd, de wangen, een breede band in den nek, de onderrug, de +keel en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit; een streep, +die op het voorhoofd begint, voor het oog langs en over den hals +naar beneden loopt, is zwart, evenals de onderhals met het +voorste deel en de zijden van de borst; de veeren van den mantel +zijn zwart en rood gevlekt, die van de kruin wit en zwart overlangs +gestreept, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood met zwarte vlekken; +over den staartwortel loopt een breede, bruine band; de slagpennen zijn +zwartachtig, de stuurpennen aan den wortel en aan de spits wit, vóór +de spits met een breeden, zwarten band geteekend. Het oog is bruin, de +snavel zwart, de voet oranjegeel. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM. + +De Steenlooper broedt in de koude streken van de Oude Wereld, in Europa +niet zuidelijker dan Jutland. Gedurende den winter werd hij op Madeira +en in Noord-Afrika, in Azië tot op Java waargenomen. Men mag aannemen, +dat hij vooral langs de zeekust trekt en daarom zoo zelden in het +binnenland gezien wordt. De komst van de Steenloopers in Skandinavië, +op IJsland en Groenland duurt van de laatste dagen van April tot in +het midden van Mei; reeds vóór het einde van Augustus vertrekken +zij. In deze maand ziet men ze, hoewel niet talrijk, op onze kust +verschijnen en ook aan de noordelijke en zuidelijke oevers van de +Middellandsche Zee. Die, welke zich naar ons land begeven, blijven +meestal den winter over en kiezen bij voorkeur de steenen hoofden +langs de kust tot rust- en verblijfplaatsen. De Steenlooper houdt +evenwel niet van rust; hoogstens verdroomt hij in de middaguren eenige +minuten. Gedurende den overigen tijd van den dag is hij aanhoudend +in beweging, van 's morgens tot na zonsondergang, dikwijls zelfs +'s nachts. Hij gaat trippelend en bij 't zoeken van voedsel tamelijk +langzaam; maar kan zich ook rennend en buitengewoon snel over groote +afstanden verplaatsen, hoewel hij gewoon is om, na als een pijl uit +den boog een zekeren weg doorloopen te hebben, op de een of andere +verhevenheid een tijdlang stil te staan en daarna opnieuw vooruit te +schieten. In 't vliegen is hij even ervaren als zijne verwanten. + +Zoolang hij in beweging is, houdt de zorg voor 't voedsel hem +bezig. Hij eet allerlei kleine zeedieren, vooral Wormen en teere +Schelpdieren, maakt deze buit door met den snavel in 't zand te +boren of door het omwentelen van steenen, en ontleent hieraan zijn +naam. De Insecten, die binnen de hoogwaterlijn komen, worden natuurlijk +ook opgepikt, voornamelijk is zijn proviand echter afkomstig uit de +kuststrook, die bij eb droog valt, waar Insecten tot de uitzonderingen +behooren. + + + +Iedere bezoeker van de Noordzeekust zal er zeer zeker kennis +maken met een hier bijna overal voorkomenden Strandvogel, die men +wegens zijn eigenaardige levenswijze niet licht over het hoofd zal +zien. De Scholekster, aan den Dollard Slijkaakster, op Texel Lieuw, +op Terschelling Bonte Piet, in Friesland Strandkievit, Bonte Lieuw of +Oostindische Kievit, in 't Friesch Stranljiep, in Vlaanderen Zeeekster +genoemd (Haematopus ostralegus), valt ook door haar gestalte in 't oog +en heeft behalve de leden van haar geslacht geen verwanten, die veel op +haar gelijken. Haar kenmerken een gedrongen lichaamsbouw, een groote +kop, die in een dubbel zoo langen, rechten, naar voren zeer sterk +samengedrukten, wigvormigen, harden snavel eindigt, middelmatig hooge, +krachtige voeten met drie korte en breede teenen, waarvan de buitenste +en de middelste door een groot spanvlies vereenigd zijn, middelmatige +lange, doch spitse vleugels en een uit 12 pennen samengestelden, +tamelijk korten, recht afgesneden staart. Op de bovendeelen, den +voorhals en den krop zijn de veeren zwart, een weinig iriseerend, +op den onderrug en den staartwortel, onder het oog, op de borst +en den buik wit; de hand- en stuurpennen zijn aan den wortel wit, +overigens zwart; de grootste vleugeldekveeren vormen over den vleugel +een witten band. Het oog is bloedrood, aan den rand oranjekleurig, +een naakte ring er omheen menierood. De bek is oranjerood, bij de +jongen roodachtig bruin, maar aan de spits geel. De pooten zijn donker +vleeschkleurig. Totale lengte 42, staartlengte 11 cM. + +Van de Noordkaap of van de Finsche Golf tot aan Kaap Tarifa heeft men +de Scholekster aan alle Europeesche kusten waargenomen, veelvuldig +vooral op plaatsen waar de kust rotsachtig is. Eveneens ontmoet men +haar op de Noordzee-eilanden en aan alle kusten van de Noordpoolzee, +opmerkelijkerwijze ook bij de groote stroomen van Noord-Azië, +volgens onze waarnemingen o. a. aan den geheelen benedenloop van +den Ob. Zuid-Europa bezoekt zij 's winters, hoewel volstrekt niet +in grooten getale; haar wijze van trekken is in vele opzichten +eigenaardig. Zoo verlaat zij vóór den winter geregeld het strand van +de Oostzee, terwijl zij op IJsland eenvoudig van de noordkust naar de +zuidkust trekt. De verklaring hiervoor is niet moeielijk te geven. Daar +waar de Golfstroom de kust bespoelt, blijft deze Vogel gedurende +het geheele jaar; op plaatsen waar de zee 's winters dichtvriest, +is hij tot trekken gedwongen. + +Bij ons komen de Scholeksters in April en vertrekken in September. Zij +broeden overal in de duinen, maar ook uren ver van deze, in de +weilanden. Na den broedtijd trekken zij naar de kust, waar een +groot aantal overwinteren en steeds andere doortrekken, zoodat zij +hier voortdurend te vinden zijn en bijna den geheelen winter door in +steekgarens gevangen worden. Vooral op de Noordzee-eilanden zijn zij +zeer menigvuldig. Hoewel de Scholekster plomp en log van uiterlijk +is, kan zij zich toch uitstekend bewegen. Haar gang gelijkt op dien +van den Steenlooper; zij loopt bij rukken, gewoonlijk stappend of +trippelend, maar kan in geval van nood ook buitengewoon snel rennen; +hare breedzoolige voeten stellen haar in staat om zelfs op de weekste +slib te loopen. Zij zwemt voortreffelijk, ook wanneer zij er niet +toe genoodzaakt is en heeft een zeer krachtige en snelle vlucht; +meestal vliegt zij rechtuit, dikwijls echter ook in koene bogen en +zwenkingen; meer dan de meeste overige strandvogels drijft zij op +hare wieken. Haar stem, een als "hie iep" klinkend gefluit, laat zij +bij iedere gelegenheid hooren, soms met een lang gerekt "kwierrr" als +inleiding, dikwijls ook kort samengetrokken, zoodat het geluid als +"kwiek kwiek kewiek kewiek" klinkt. De lang aanhoudende trillers, +die zij in den paartijd voortbrengt, zijn zeer welluidend en vol +afwisseling. Vooral door haar levenswijze trekt de Scholekster +onze aandacht. Geen andere strandvogel is zoo bedrijvig, onrustig, +moedig, plaag- en strijdlustig en toch voortdurend zoo goed geluimd. +Als zij zich verzadigd en een weinig gerust heeft, begint zij +dadelijk met andere Vogels, althans met hare soortgenooten, te stoeien +en hen na te jagen; lang stil zitten, rustig op dezelfde plaats blijven +kan zij niet. Op dit gestoei volgt soms een ernstig gemeende twist, +daar zij iedere beleediging onmiddellijk tracht te wreken. Overal waar +Scholeksters zijn, spelen zij de eerste viool, regelen, plooien als +'t ware, het leven van alle strandbewoners naar hare inzichten. + +"Haar voedsel," schrijft Schlegel, "bestaat uit vischbroedsel, jonge +Garnalen en Wormen. Om het te zoeken boort zij, evenals de Snippen, +gaten in het zand of keert met haar bek de hoorns, schelpen en andere +op het strand liggende voorwerpen om; waarschijnlijk heeft men haar +hierom den naam Oestervisscher gegeven." Dat de Scholekster nooit +Oesters vischt, ligt voor de hand. Wel eet zij graag kleine Weekdieren, +of vreet een groot Schelpdier leeg, dat dood aan het strand werd +gespoeld; zij is echter niet in staat om een levend Schelpdier te +openen. Waarschijnlijk zijn Strandpieren een hoofdbestanddeel van +haar maal. Dat zij intusschen een klein Schaaldier, een vischje en +andere zeedieren niet versmaadt, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd +te worden en evenmin, dat zij op Insecten jacht maakt in de nabijheid +van het vee, dat aan de kust graast. + +De Scholeksters, die als standvogels beschouwd kunnen worden, beginnen +omstreeks half April, die welke trekken, iets later haar nest te +bouwen. Het liefste doen zij dit op met kort gras begroeide vlakten in +de nabijheid van de zee; waar deze ontbreken, maken zij gebruik van de +wieren, die door hooge vloeden aan het strand worden geworpen. Het nest +is een ondiep kuiltje, dat het wijfje in den grond heeft uitgekrabd; +het bevat, als het broeden aanvangt, 3 (soms ook maar 2) zeer groote, +spitse of zuiver eivormige eieren, welker stevige, glanslooze schaal +op licht bruinachtig roestgelen grond een zeer varieerende teekening +vertoont, die uit licht paarse of donker grijsbruine en grauwzwarte +vlekken en stippels, strepen, krullen enz. bestaat. Het broeden +duurt ongeveer 3 weken. De jongen verlaten onmiddellijk het nest en +worden geleid door de beide ouders, die in dezen tijd voorzichtiger +en stoutmoediger zijn dan ooit te voren. + +Het gemakkelijkst kan men de Scholekster verschalken, door haar op +te zoeken, terwijl zij haar middagslaapje houdt; dan moet men haar +zeer voorzichtig naderen, daar hare scherpe zintuigen zelfs zwakke +voetstappen van den mensch hooren of althans opmerken. Dat zij een zeer +flink schot kan verdragen, vergroot de moeielijkheid van deze jacht. + +De Zwaluwpluvieren (Glareolidae) vereenigen als 't ware de kenmerken +van verscheidene orden in zich. Haar snavel houdt ongeveer het midden +tusschen dien van een Hoen en dien van een Nachtzwaluw. De slanke, +boven het springgewricht naakte pooten hebben vier middelmatig lange, +smalle teenen met slanke, spitse, bijna rechte nagels; de buitenste +en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden. De +overeenkomst van hare lange vleugels, welker eerste pen alle overige +in lengte overtreft, met die van de Zwaluwen heeft aanleiding gegeven +tot den naam van de familie. De tamelijk lange, recht afgesneden of +gaffelvormige staart is uit 14 pennen samengesteld. Het vederenkleed is +dicht en zacht, zeer overeenstemmend bij alle soorten, bij mannetjes +en bij wijfjes, in den herfst en in den zomer; maar biedt tamelijk +veel verschil aan bij ouden en bij jongen. + + + +In alle landen, die de Middellandsche en de Zwarte Zee omgeven, +voorts in de laagvlakten van den Donau en van den Wolga alsook in +de steppen van Rusland en Siberië ontmoet men de Vorkstaartpluvier +(Glareola pratincola). Zij is 26 cM. lang, waarvan 10 cM. op den staart +komen. De veeren van de bovendeelen zijn olijfbruin, op de schouders +en de dekveeren met metaalachtigen weerschijn; de staartwortel, de +onderborst en de buik zijn wit; de roodachtig gele keel wordt door +een bruine ring omlijst. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, +aan den mondhoek koraalrood, de voet zwartbruin. + +De Vorkstaartpluvier kan uitmuntend loopen, maar nog beter vliegen. Zij +loopt in korte rukken, op soortgelijke wijze als de Pluvier. Haar +wijze van vliegen gelijkt op die van de Zeezwaluw en kenmerkt zich +door groote snelheid, fraaie zwenkingen, plotselinge wendingen, +kortom, zij biedt velerlei afwisseling aan. + +Gedurende den broedtijd ziet men deze sierlijke en onschadelijke +Vogels paarsgewijs, loopend of vliegend jacht maken op Insecten, +Kevers, Motten, Haften, Libellen en Sprinkhanen. Tijdelijk voeden zij +zich bijna uitsluitend met Sprinkhanen, die zij zoo wonderbaarlijk +snel verteren, dat reeds 10 minuten na het doorslikken van zulk een +buit, het als 't ware uitgeperste, uitwendige skelet met den drek +het lichaam verlaat. Alle Insecten, die zij vangen, worden in hun +geheel verzwolgen, gelijk ook de Geitenmelker doet. Von der Mühle +vond in het spijskanaal van Vorkstaartpluvieren, die hij op de jacht +gedood had, zeldzame Kevers geheel onbeschadigd, volkomen geschikt +voor een insectenverzameling. Evenals de Nachtzwaluwen, jagen de +Vorkstaartpluvieren soms nog laat in den avond; zij zijn over 't geheel +genomen eer schemeringvogels dan dagvogels; dit blijkt uit hun slapen +of rusten gedurende de middaguren; in den voortplantingstijd doen zij +dit in de nabijheid van haar nest, in den trektijd ziet men ze op een +eindelooze reeks, aan den oever van een rivier of van een meer zitten. + +Enkele voorwerpen, gewoonlijk jonge, verdwalen in den zomer naar +noordelijker streken; ook in Nederland, en wel in Noordbrabant (bij 't +meertje tusschen Vlijmen en Engelen), heeft men er eens (in Juli 1892) +één gevangen, in gezelschap van Kieviten, Kemphanen enz. (Albarda). + +In Hongarije en Rusland worden de eieren van de Vorkstaartpluvier +veelvuldig ingezameld; in Griekenland wordt jacht gemaakt op den +volwassen Vogel wegens zijn smakelijk vleesch, dat vooral in den +herfst zeer vet is. Voor de kooi wordt hij zelden gevangen. + + + +Eenige afwijkende uitheemsche Vogels, die vroeger nu eens bij de +Hoenderachtigen, dan weer tot de Moerasvogels gerekend werden, brengt +Fürbringer tot de groep der Meeuwpluviervogels en vormt er drie kleine +familiën van. Deze zijn de Kluitsterns (Dromadidae), de IJshoenderen +(Chionidae) en de Kwartelsnippen (Thinocoridae). + +De familie van de Kluitsterns bevat slechts één geslacht met één soort +(Dromas Ardeola). Deze komt in grootte met een Duif overeen, maar +heeft pooten, welke door lengte en bevedering en door de aanwezigheid +van halve zwemvliezen tusschen de voorteenen aan die van de Kluiten +herinneren. Zij heeft een stevigen, lancetvormigen snavel met eironde +neusgaten. Door hare kleuren herinnert zij (zelfs in het jeugdkleed) +aan de Zeezwaluwen. Zij wordt aan de kust van de Roode Zee en op +het vasteland van Indië gevonden, waar zij, volgens Von Heuglin, +in de duinen een diep, schuins naar boven gericht hol graaft, dat +als broedplaats dient. In het najaar trekt zij langs de oostkust van +Afrika zuidwaarts tot Madagaskar. + + + +De familie der IJshoenderen (Chionidae) omvat twee soorten, die +rotsachtige eilanden in de koude zeeën van het zuidelijk halfrond +bewonen en op de wijze der Scholeksters hun voedsel verkrijgen. Beide +zijn wit bevederd. De kleinste bij de zeelieden onder den naam +van Zuidpoolduif bekend (Chionis minor), komt op Kerguelen-eiland +voor; de andere--de Zuidpoolkip (Chionis alba)--, die de grootte +van een Patrijs heeft, wordt gevonden op Statenland (bij Vuurland), +de Falklandsarchipel en andere naburige eilanden. Beide zijn gezocht +wegens hun smakelijk vleesch. Zij hebben tamelijk spitse vleugels, +een korten staart, pooten met onbevederd spronggewricht, een +tamelijk korten, dikken loop en vier teenen: de achterteen is klein, +de voorteenen zijn door spanvliezen verbonden. Merkwaardig is hun +snavel, welke op dien van een Hoen gelijkt, doch aan den wortel, waar +de neusgaten voorkomen, overwelfd wordt door een van voren getande, +van boven gegroefde hoornplaat. + + + +De familie van de Kwartelsnippen (Thinocoridae) omvat eenige tot +de gematigde en koude gewesten van Zuid-Amerika beperkte soorten, +welker grootte afwisselt tusschen die van een Duif en die van een +Leeuwerik. Zij hebben spitse vleugels, korte, vierteenige pooten met +hoog ingeplanten achterteen, een korten, nagenoeg kegelvormigen snavel +en gelijken op de IJshoenderen o.a. door het met veertjes begroeide +vlies, dat hare neusgaten overdekt. Zij komen niet aan de zeekust, +maar in het binnenland voor; sommige (Attagis) zijn kortstaartig, +bewonen de bosschen der hooge gebergten en herinneren door haar +levenswijze aan de Sneeuwhoenderen; andere (Thinocorus) hebben een +langen staart, houden zich in droge, met gras begroeide streken op +en gelijken door hare gewoonten op Kwartels en Patrijzen. Zij voeden +zich met Insecten en plantaardige stoffen. + + + + +Alle zeeën en de meeste binnenwateren der aarde herbergen leden van +de familie der Meeuwvogels (Laridae), waarvan ongeveer 150 soorten +beschreven zijn. Zij gelijken op elkander door den eerder gedrongen, +dan slanken romp, den korten hals en den middelmatig grooten kop; hun +snavel is middelmatig lang en zijdelings min of meer samengedrukt, de +zijranden en de spits zijn scherp, de beide kaken recht of de bovenste +gekromd, de onderste met duidelijken kinhoek; bij uitzondering is de +eene langer dan de andere; de neusgaten zijn spleetvormig, de drie +voorteenen door zwemvliezen verbonden, de vleugels lang en spits; +de staart is middelmatig lang, recht afgesneden of gaffelvormig, bij +uitzondering ook wel wigvormig; het vederenkleed is dicht en zacht +en vertoont weinig verscheidenheid van kleur. Hoewel de Meeuwen voor +'t meerendeel zeevogels zijn, behooren zij toch volstrekt niet in +de open zee, maar integendeel op de kusten thuis, sommigen leven +tijdelijk of voortdurend bij binnenwateren; op den trek volgen zij +dikwijls de rivieren. Om uit te rusten zetten zij zich gaarne op +banken, kusten en oevers, minder dikwijls op het water neer. Zij +toonen een sterke neiging tot gezelligheid en broeden meestal in +koloniën, die soms uit vele duizenden stuks bestaan; groepsgewijs +vermengen zij zich ook gaarne met andere soorten van zwemvogels, +zoodat b.v. op een beperkt terrein dicht bij elkander troepen van +Zeezwaluwen, Meeuwen, Scholeksters, Bergeenden enz. voorkomen. Een +merkwaardig voorbeeld van zulk een broedterrein levert het eilandje +Rottum, waarop slechts één menschengezin woont, n. l. dat van den +voogd. Door een boogvormige reeks van hooge duinen wordt het eiland +aan de westzijde tegen de golven beschut. Op het open strand aan de +noordwestzijde staande, ziet men in de verte boven de toppen der duinen +als 't ware sneeuwvlokken dwarrelen, terwijl men hoog boven zich in +de blauwe lucht witte gestalten rustig ziet zweven. Nader komend, +merkt men op, dat de hoofdmassa van den zwerm uit Zilvermeeuwen en +Groote Zeezwaluwen bestaat. Als de wagen, waarmede de voogd ons van +'t strand afgehaald heeft, dicht bij een nestplaats langs rijdt, +ziet men alle Vogels, die op deze ongewone wijze gestoord worden, +opvliegen, men kan dan zonder overdrijving wegens de Vogels den hemel +niet zien. De prachtige Zilvermeeuwen, waarvan ongeveer 5000 paren +hier broeden, houden de hoefijzervormige duinenreeks bezet: De Groote +Zeezwaluwen, ten getale van minstens 6000 paren, broeden op slechts +drie hooge duinen, maar hier zoo dicht bijeen, dat op sommige plaatsen +het eene nest het andere raakt en men bijna geen voet verzetten +kan, zonder gevaar te loopen eieren of jongen te vertreden. Geen +enkel paar van deze soort broedt elders. Het kleinere Vischdiefje +daarentegen is meer over de geheele oppervlakte verspreid en is +vooral in de nabijheid van het huis buitengewoon talrijk. Men schat +het aantal paren van deze soort op minstens 8000. Minder veelvuldig +zijn de Bergeenden en de Scholeksters hoewel deze door hun kleur, +gene door hun geschreeuw en levenswijze zeer de aandacht trekken; +van ieder dezer soorten broeden hier ongeveer 400 paren. Wanneer bij +de reeds genoemde Vogels nog gevoegd worden de in geringer aantal +hier broedende Wilde Eenden, Tureluurs en Kemphanen, komt men tot +een totaal van omstreeks 20000 paren strand- en watervogels, die +op dit kleine eilandje broeden. Zoodra de jongen vliegen kunnen, +is het gewemel van de Vogels onbeschrijfelijk. Men kan zich hier +een goede voorstelling vormen van de wijze, waarop de guano-lagen +ontstaan. De uitwerpselen, de schelpen van de doorgeslikte zeedieren, +die door de Zilvermeeuwen als ballen weer uitgeworpen worden en zelfs +de lijken van tallooze jongen (eens zag ik n.l. door een hevigen +en lang aanhoudenden plasregen het geheele broedsel van de Groote +Zeezwaluwen vernietigd), alles hoopt zich op zulke gemeenschappelijke +nestplaatsen opeen. Hier in het duinzand worden deze meststoffen +schielijk door den vocht doorlatenden bodem opgenomen, ginds op +rotsen en klippen voegt de eene laag zich bij de andere. Hoewel +ook op de andere, naburige Noordzee-eilanden broedplaatsen van de +meeste der genoemde Vogelsoorten voorkomen, is toch Rottum als de +geboorteplaats te beschouwen vooral van de Zilvermeeuwen en Groote +Zeezwaluwen, die buiten den broedtijd de naburige kusten, zoowel van +'t vasteland als van de eilanden, verlevendigen (Altum). + + + +Door een buitengewone bekwaamheid in 't vliegen en duiken onderscheiden +zich de Sterns of Sterntjes (Sterninae). Zij zijn sterk gebouwd en +middelmatig groot of klein; de spitse, harde snavel is zoo lang als +de kop of nog iets langer en recht of nagenoeg recht; de korte pooten +hebben vier teenen, die met tamelijk scherpe, gekromde klauwen gewapend +zijn; de achterteen is meestal zeer kort; de zwemvliezen zijn meestal +kort en dikwijls diep uitgesneden; de vleugels zijn zeer lang, smal +en spits; hun eerste slagpen is langer dan de overige; de staart +is middelmatig lang, meer of minder diep gevorkt en uit 12 pennen +samengesteld; het vederenkleed is dicht, zacht, glad aanliggend en +grootendeels licht loodkleurig grijs, zwart en wit; het verschilt +weinig of niet bij 't mannetje en bij 't wijfje; duidelijk merkbaar +is echter het onderscheid tusschen het herfst- en het lentekleed, +niet minder dat tusschen de jongen en de volwassen Vogels. + +De Sterns bewonen alle aardgordels, leven in de nabijheid van de zee +of van het binnenwater en volgen bij het trekken de kust of den loop +der rivieren. Eenige soorten houden van het vlakke, kale zeestrand, +andere van water, dat rijk is aan planten; enkele houden zich bij +voorkeur op in de kustwouden der tropische gewesten. Alle leden +van deze onderfamilie zijn zeer onrustig van aard, houden veel van +beweging en zijn van 't opgaan tot aan 't ondergaan van de zon bijna +voortdurend werkzaam. Den nacht brengen zij aan den oever liggend, +den dag bijna uitsluitend vliegend door. + +Haar voedsel bestaat uit Visschen en Insecten; de grootste soorten +verslinden echter ook kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren +en Amphibiën, de zwakste soorten verschillende Wormen en allerlei +kleine zeedieren. Om haar buit te overmeesteren, vliegen zij op +geringe hoogte boven den waterspiegel, waarop zij voortdurend hare +scherpe blikken gevestigd houden, blijven, als zij een slachtoffer +ontdekken, met snelle vleugelbeweging eenige oogenblikken daarboven +zweven, om het goed in 't oog te vatten, storten zich dan schielijk +naar beneden en trachten het met den snavel te grijpen. + +Reeds eenige weken vóór het eierleggen verzamelen de Zeezwaluwen +zich op de broedplaats, ieder jaar zooveel mogelijk op dezelfde. Die +welke de zee bewonen, kiezen voor dit doel zandige landtongen, +kale eilanden, koraalbanken of mangle- en andere kustwouden; de +meer binnenlands levende soorten nestelen op soortgelijke, maar +minder kale plaatsen bij of in meren en moerassen. Alle viervoetige +roofdieren, die de broedplaatsen der Zeezwaluwen kunnen naderen, +azen, evenals de Raven en de groote Meeuwen, op de eieren en jongen, +de vlugste Roofvogels ook op de volwassen Sterns. Ook de mensch +treedt vijandig tegen haar op door het rooven van hare eieren, die +zeer smakelijk zijn. Overigens worden deze Vogels niet vervolgd, +omdat men zoomin hun vleesch als hunne veeren gebruiken en hen zelf +slechts gedurende korten tijd in de kooi in 't leven houden kan. + + + +Het soortenrijkste geslacht van de onderfamilie is dat der Zeezwaluwen +(Sterna). Deze hebben een rechten snavel met zwak gebogen rug en +rechte, niet haakvormige spits; het voorhoofd is tot aan de neusgaten +bevederd. De zwemvliezen zijn uitgesneden, d.w.z. hun voorrand vormt +een binnenwaarts gebogen lijn; de buik is wit. + + + +De grootste van alle soorten is de Reuzenstern (Sterna caspia). Zij +onderscheidt zich van hare verwanten door den snavel, die even lang +als de kop en betrekkelijk dik is, door de kortheid van den staart +en zijne 4 cM. lange gaffelspitsen, waarachter de vleugelspitsen ver +uitsteken. De bovenkop is in den zomer zwart, des winters zwart en +wit gevlekt, de mantel licht blauwachtig grijs, de zijden van den +hals, de onderdeelen en de bovenrug zijn schitterend wit; de toppen +van de slagpennen zijn donkerder, de staartpennen lichter van kleur +dan de overige veeren van de bovenzijde. Het oog is bruin, de snavel +koraalrood, de voet zwart. In het jeugdkleed hebben de veeren van +den rug bruine dwarsvlekken. Totale lengte 52, staartlengte 15 cM. + +De Reuzenstern behoort in Middel-Azië en in 't zuiden van Europa +thuis; kleine broedkoloniën van deze soort komen echter voor op de +Pommersche kust, op het eiland Sylt en op de Fransche kust. In ons land +is zij zeldzaam: kleine troepen van 3 à 4 stuks werden herhaaldelijk, +zelfs reeds in de tweede helft van Juni, bij Texel, aan den Maasmond +en zelfs langs de Zijl bij Leiden aangetroffen. + +Gewoonlijk ziet men haar op een hoogte van ongeveer 15 M. boven den +waterspiegel vliegen; zij houdt den kop met den van verre zichtbaren, +glanzig rooden snavel loodrecht naar onderen gericht, beweegt langzaam +de groote vleugels en ploft van tijd tot tijd op het water neer om +een prooi te grijpen. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit visch; +zij kan exemplaren van aanzienlijke grootte vangen en verzwelgen. Van +tijd tot tijd vallen haar echter ook strand- en watervogels ten buit, +vooral zwemmende exemplaren; het doorslikken van deze prooi kost aan +de Reuzenstern even weinig moeite als het verzwelgen van Insecten aan +kleinere Sterns. Schilling was de eerste, die haar verdacht, de eieren +van de aan 't strand broedende Vogels op te zoeken, omdat de Meeuwen +en de Zeezwaluwen uit de buurt bij haar nadering onder vreeselijk +geschreeuw opvlogen, woedend op haar neerschoten en haar trachtten +te verdrijven; andere waarnemingen hebben zijn vermoeden bevestigd. + +Naumann beschrijft de broedkolonie op Sylt, die zich op het +noordelijkste gedeelte van dit eiland bevindt, doch tegenwoordig +slechts zeer zwak bevolkt is. De eieren liggen op het kale zand in +een kleine uitholling, die door de Vogels zelf wordt uitgekrabd, +op een niet grooten afstand van 't water. Op plaatsen waar vele +nesten gevonden worden, zijn zij nauwelijks 60 cM. van elkander +verwijderd. Ieder nest bevat 2, zelden 3 eieren, nooit meer. Deze +komen in grootte en vorm nagenoeg overeen met die van Tamme Eenden. Zij +zijn geel- of bruinachtig wit met grauwe en zwartbruine vlekken en +stippen. Men neemt verscheidene malen eieren uit het nest en laat den +Vogel eerst 8 à 14 dagen vóór St. Jan broeden. Het broedende wijfje +wordt door het mannetje dikwijls met voedsel voorzien; de jongen +verlaten het nest korten tijd nadat zij uit den dop zijn gekomen en +worden door hunne ouders met vischjes groot gebracht. + +Voor de gevangenschap is deze Zeezwaluw niet geschikt, omdat zij +begint te kwijnen, zoodra haar de gelegenheid om te vliegen ontnomen +is en omdat zij niet graag doode visch eet. + + + +De Groote of Zwartbekkige Zeezwaluw of Kaugek, op Texel Groote Star, +in Groningen Groote Ikstern en Kliefstern, op Rottum Krijtstern, op +Ameland Klikstans genoemd (Sterna cantiaca), heeft een zeer slanken, +merkbaar gebogen snavel, die iets langer is dan de kop, kleine +voeten met sterk uitgesneden zwemvliezen, zeer lange vleugels, welker +spitsen echter slechts weinig verder reiken dan die van den 5 cM. diep +gevorkten, langen staart. De bovenkop en de nek zijn fluweelachtig +zwart, alle bovendeelen helder zilvergrijs, de hals en de onderdeelen +zijdeachtig wit met een flauw rozerood waas, de vleugelspitsen donker +aschgrauw, de laatste armpennen en de stuurpennen grijsachtig wit. In +het winterkleed is de kop wit tot aan het achterhoofd, en vertoont +dit zwarte vlekken; de onderdeelen zijn dan zuiver wit. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart met gele spits, de voet zwart. Totale +lengte 40, staartlengte 17 cM. + +De Groote Zeezwaluw, is een echte zeevogel; zij verlaat de kust +nagenoeg niet en bezoekt hoogstens bovendien de strandmeren, zeer +zelden echter binnenzeeën. Haar verbreidingsgebied strekt zich uit over +Middel- en Zuid-Europa, Afrika en Amerika, in zuidelijke richting tot +aan de Kaap de Goede Hoop en tot Brazilië. Aan onze Noordzeekusten +verschijnt zij op zijn vroegst tegen het einde van April; reeds in +Augustus, op zijn laatst in September trekt zij weder zuidwaarts, +om in de Middellandsche en Roode Zee, in den Indischen of in het +zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan te overwinteren. Zij +broedt in talrijke koloniën op eenzame, rustige plaatsen langs onze +duinen, b.v. in Zeeland, aan den Hoek van Holland, bij Calantsoog +en op de Noordzee-eilanden. Ieder nest bevat 2, hoogstens 3 eieren, +die op witten, roestgeelachtigen of groenachtig witten grond met +bleekviolette onder-, bruine middel- en donkerbruine bovenvlekken +van zeer verschillenden vorm geteekend zijn; het broeden duurt drie +weken; de jongen verlaten schielijk het nest. + +Naumann verhaalt, dat het eiland Norderoog, waar hij het broeden +der Groote Zeezwaluwen heeft nagegaan, op eenigen afstand beschouwd, +er uitzag, alsof het met sneeuw bedekt was, wegens het groot aantal +Vogels op het strand, en als een lange, witte streep scherp afstak +bij de donkere golven der zee. Door een man, die zich met eierenzoeken +bezig hield, opgeschrikt, vloog de geheele, ontelbare zwerm plotseling +op en vormde een onafzienbare wolk, welker bestanddeelen zich vlug +heen en weer bewogen en op vreemdsoortige wijze door elkander heen +wriemelden. Als men zich op de broedplaatsen begeeft, vliegen +de Vogels laag bij den grond langs om de rustverstoorders heen; +tallooze exemplaren verduisteren de lucht, men geraakt verbijsterd +door hunne doordringende, krijschende stemmen. Terwijl men langzaam +en voorzichtig met ter aarde gerichte blikken tusschen de dicht bij +elkander gelegen nesten doorgaat, en zich moeite geeft om op geen der +eieren te trappen, worden de Vogels zoo driest en fladderen zoo dicht +bij den onderzoeker langs, dat zijn hoed of hoofd niet zelden met hunne +vleugels in aanraking komt. Intusschen vallen hunne uitwerpselen zoo +dicht bij hem neer, dat zijne kleeren er later uitzien, alsof zij +met kalk bespat werden. De Vogels vliegen zoo dicht naast en boven +elkander, dat de vleugels van den eenen met hoorbaar geklepper tegen +die van de andere stuiten. + +Meer dan de andere inheemsche Zeezwaluwen gelijkt deze door aard en +levenswijze op de Reuzenstern, met dit onderscheid, dat zij alleen +op Visschen en niet op Vogels jacht maakt en ook hunne nesten niet +uitplundert. + + + +Het Vischdiefje, ook wel Splitstaart en Starre, op Texel Middelstar, in +Groningen Ikstern en Sterentje, in Friesland Stins, op Ameland Stans, +op Terschelling Kobus en Jacobus, bij Oirschot Groote Venkraai genoemd +(Sterna hirundo), heeft een dunnen, eenigszins gekromden, in dwarse +richting tamelijk afgeronden snavel, die niet langer is dan de kop, +zeer korte pooten met korte teenen en een 8 cM. diep gevorkten staart, +waarachter de vleugelspitsen uitsteken. De bovenkop en de nek zijn +zwart, de mantel en de schouders blauwachtig aschgrauw, de zijden van +den kop, de hals, de staartwortel en alle onderdeelen wit, de slag- +en stuurpennen op de buitenvlag blauwgrijs, op de binnenvlag wit. De +oogen zijn donkerbruin, de pooten en de snavel koraalrood, de rug +en de spits van den snavel zwartachtig of bruin. Totale lengte 40, +staartlengte 17 cM. + +Het vaderland van het Vischdiefje omvat Europa tot aan den poolcirkel +met een groot deel van Azië en van Noord-Amerika; zijne reizen strekken +zich tot in Zuid-Afrika uit; meer dan andere soorten bewoont deze +rivieren en zoetwatermeren. In ons land komt het Vischdiefje gemiddeld +20 April en vertrekt in September; het broedt koloniesgewijs in duinen, +lage moerassen, hooilanden en op de weilanden; men ziet het overal +langs de binnenwateren vliegen, zelfs boven de grachten der steden. + +In aard en levenswijze komt het Vischdiefje overigens met de andere +Zeezwaluwen overeen. Haar gewone geluid is het bekende "krieè"; +een zacht "kek" of "krek" geeft angst te kennen; deze klank wordt +dikwijls herhaald bij toenemend, en in "kreiïk" veranderd, bij afnemend +gevaar. Bij toorn roept het zoo dikwijls en haastig "krek", dat men de +afzonderlijke geluiden bijna niet meer onderscheiden kan. Als het bij +zijn nest verrast wordt, klinkt zijn geschreeuw als "snirrit snirrit". + +Het wijfje legt in het begin van Juni in een eenvoudige uitholling +van den grond 2 of 3 vuil rosachtig witte eieren, die met paarsachtig +grijze en rood- of zwartbruine vlekken en stippen geteekend zijn. Des +nachts worden zij door het wijfje, over dag tijdelijk ook door +het mannetje bebroed, in de middaguren echter aan de zonnestralen +blootgesteld. De jongen komen binnen 16 of 17 dagen uit den dop, +loopen spoedig uit het nest weg en verbergen zich bij gevaar tusschen +de grootste steenen van den grindgrond of andere oneffenheden; +alleen als de moeder door een schot gedood werd, verraden zij hun +aanwezigheid door een klagend gepiep; na twee weken kunnen zij reeds +fladderen en in de derde week hunne ouders vliegend volgen; eerst +later echter doen zij dit met de behendigheid van de volwassene Vogels. + + + +Enkele malen worden aan onze kust exemplaren gevangen van twee soorten, +die nauw aan het Vischdiefje verwant zijn: De Kustzeezwaluw (Sterna +paradisea Brünnich) komt in grootte nagenoeg geheel met de algemeen +bekende soort overeen, maar heeft een korteren loop (1.5 cM. in plaats +van 2 cM.), roode pooten en een geheel rooden bek. Zij broedt aan +de kusten van de Oostzee en op de Noordzee-eilanden, westwaarts tot +Borkum en bezoekt nimmer de binnenwateren; op hare jaarlijksche reizen +naar de Middellandsche zee en de westkust van Afrika, trekt zij langs +onze kusten, waarop zij bij hevigen noordwestenwind soms aanlandt. + +Dougall's Zeezwaluw (Sterna Dougalli), heeft een langeren, dieper +gevorkten staart. (Totale lengte 45, staartlengte 23 cM.). Zij heeft +gele of roodgele pooten; haar bek is zwart met een weinig kersrood +aan den wortel. Zij broedt aan de oostkust van Engeland, in Norfolk +en op de Farne-eilanden in Northumberland. Eénmaal (in October) zijn +eenige exemplaren van deze soort bij ruw weder aan de Friesche kust +in staltnetten gevangen (Albarda). + + + +Bij de Dwergzeezwaluw, op Texel Kleinstartje, Blauwwaterstartje of +Stare-Klikkie genoemd (Sterna minuta), zijn het voorhoofd tot aan +de oogen, de onderdeelen en de stuurpennen wit, de bovenkop en de +nek zwart, de mantel- en vleugelveeren aschgrauw. Het oog is bruin, +de snavel oranje met zwarte spits, de poot oranje. De vleugelspitsen +steken voorbij den staart uit en deze is 3 cM. diep gevorkt. Zij is de +kleinste soort van de geheele familie. Totale lengte 22, staartlengte +8 cM. + +Haar verbreidingskring strekt zich uit over vier werelddeelen: Azië, +Europa, Afrika en Amerika; noordwaarts tot ongeveer 58, zuidwaarts tot +ongeveer 24 N.B. Zij nestelt in Nederland aan den Hoek van Holland, +bij Calantsoog, op Texel, Ameland en andere eilanden, op groote, buiten +de duinen gelegen, droge zandbanken. Als zij in dezen tijd gestoord +wordt, klinkt haar geschreeuw als "retsj"; hare gewone geluiden komen +veel met die van het Vischdiefje overeen. In Augustus en September, na +den broedtijd, zwerft zij rond en bezoekt dan de binnenwateren, vooral +groote rivieren, zonder echter de zeekust geheel te vermijden. Haar +vertrek en haar aankomst hebben ongeveer ter zelfder tijd plaats als +die van het Vischdiefje. + + + +De Lachzeezwaluw (Gelochelidon anglica, Sterna nilotica), die een +gelijknamig geslacht vertegenwoordigt, vormt in sommige opzichten +een overgang van de Sterns tot de Meeuwen. Haar snavel is merkbaar +gebogen, even lang als de loop, korter dan de kop; de kleine, met +sterk uitgesneden zwemvliezen voorziene poot is slank en hoog, de +staart kort en betrekkelijk ondiep gevorkt. De bovenkop en de nek zijn +donker glanzig zwart, de mantel en de vleugeldekveeren licht aschgrauw, +de zijden van den hals en alle onderdeelen wit; de handpennen hebben +witte schaften, zijn op de buitenvlag licht, op de binnenvlag donker +aschgrauw, met breede witte randen; de armpennen, die van de eerste +tot de laatste lichter van kleur worden, zijn blauwachtig witgrijs, +aan de spits wit gezoomd; de staartveeren hebben dezelfde kleur; +de buitenste is op de buitenvlag bijna zuiver wit. Het oog is bruin, +de snavel en de pooten zijn zwart. In het winterkleed hebben kop en +nek een grijswitte kleur. Totale lengte 40, staartlengte 13 cM. + +De Lachzeezwaluw, hoewel alle werelddeelen bewonend, ontbreekt in +'t noorden geheel; hare broedplaatsen zijn uitsluitend in het midden +en het zuiden van de beide noordelijke faunistische Rijken gelegen; +in geringer aantal komt zij voor op kleine eilanden van de Oostzee +en sommige meren van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije, veelvuldig +echter in Zuid-Europa, Middel-Azië, Noord-Afrika, het zuiden van de +Vereenigde Staten en Middel-Amerika. De reizen, die zij ieder jaar +onderneemt, voeren haar naar het binnenland van Afrika, Zuid-Azië, +Australië en de zuidspits van Amerika. Meer dan eenige andere Zeezwaluw +is zij een landvogel, die ook wel van groote stroomen en zeekusten als +heerwegen gebruik maakt, maar toch zeer dikwijls het water verlaat en +ver in het binnenland rondzwerft. Op den trek bezoekt zij de steppen +en zelfs de woestijnen, evenals bij ons de velden en weiden. Tweemaal +(Aug. 1838 en Mei 1896) werd in Nederland een exemplaar van deze soort +gevangen (bij het Brazemermeer in Zuid Holland en te Kloosterburen +in Groningen). In vele opzichten herinnert haar levenswijze aan die +der Meeuwen en meer bepaaldelijk van de Kapmeeuw. Evenals deze kiest +zij tot broedplaats en winterverblijf de oevers van meren, moerassen +en dergelijke binnenwateren en gaat van hier op roof uit. Terwijl +zij afwisselend boven het water en boven het land zweeft, worden de +hals en de kop recht naar voren gestrekt en is de snavel dus niet +naar beneden gericht. Hoewel zij nu en dan een vischje buit maakt, +zijn toch Insecten, vooral Sprinkhanen, Libellen, Vlinders, groote +Kevers, de zittende zoowel als de vliegende, het hoofddoel van haar +jacht; zij volgt den ploegenden landman om engerlingen uit de voren +op te pikken; verschijnt met Valken, Wouwen, Berghanen (Helotarsus +ecaudatus), Bijenvreters, Vorkstaartpluvieren en Ooievaars vóór de +vuurlijn van den steppenbrand en stort zich hier, gelijk Heuglin heeft +opgemerkt, even behendig als vermetel door de dichtste rookwolken +heen op haar prooi; ook bezoekt zij de broedplaatsen der Strandvogels, +zelfs die van hare verwanten, en ontrooft hun, gelijk Schilling heeft +aangetoond, de eieren en de jongen. Dergelijke handelingen zou men +eerder van Meeuwen dan van Zeezwaluwen verwachten. Zelfs haar stem, +een lachend geschreeuw, dat als "hè, hè, hè" of "ef, ef, ef" klinkt, +herinnert aan die der Meeuwen. + + + +De Moeraszeezwaluwen (Hydrochelidon) zijn forsch gebouwd, maar +fraai van gestalte; zij hebben een zwakken snavel; lange teenen, +welker zwemvliezen diep uitgesneden zijn, zeer lange vleugels, +een betrekkelijk korten, ondiep gevorkten staart en een dicht, +zacht vederenkleed, dat al naar het jaargetijde en den leeftijd niet +onbelangrijk verschilt, maar waarin gedurende den broedtijd donker +fluweelachtig zwart de overhand heeft. + + + +De Zwarte Zeezwaluw of Rietzwaluw, in Groningen Zwarte Ikstern, +Bruinsteren en Zwartsteren, op Texel Zwarte star of Blauwstar, +in Friesland Blauwe Stins of Schierstins, in Zuid-Holland Zwarte +Vischdief, bij Oirschot Venkraai geheeten (Hydrochelidon nigra), +heeft den kop en den nek, de borst en het midden van den buik +fluweelachtig zwart, den mantel blauwgrijs. Het oog is bruin, de snavel +aan den wortel rood, overigens grauwzwart, de voet bruinrood. In het +winterkleed zijn alleen de achterkop en de nek zwart, het voorhoofd en +de overige onderdeelen echter wit; in het jeugdkleed hebben de veeren +van den mantel en de vleugeldekveeren roestgele zoomen. Totale lengte +26, staartlengte 8 cM. + + + +De Witvleugelige Moeraszeezwaluw (Hydrochelidon leucoptera) is +bijna even groot. De veeren van den romp zijn donker fluweelachtig +zwart, de vleugels van boven blauwgrijs (de schouder en de toppen +der armpennen echter grijswit), van onderen wit, de staartwortel +en de stuurpennen wit. De snavel is kersrood, aan de spits zwart, +de voet rood. Totale lengte 27, staartlengte 8 cM. + + + +De Witbaard-moeraszeezwaluw (Hydrochelidon hybrida) is de grootste +soort van haar geslacht (totale lengte 28, staartlengte 8 cM.). De +donkerzwarte bovenkop en nek zijn door een breede, witachtige +teugelstreep gescheiden van den donkergrijsblauwen onderhals; de +borst is zwart, de mantel lichtgrijs, de buik grijswit. + +Het broedgebied van al deze soorten is gelegen in de gematigde gewesten +van de beide noordelijke faunistische Rijken. De eerstgenoemde +broedt ook in ons land, terwijl de beide overige hier niet en in +Duitschland zelden voorkomen. De Rietzwaluw komt met de Zeezwaluwen +bij ons aan en trekt ongeveer terzelfder tijd naar 't zuiden; zij +vestigt zich echter niet aan de zeekust of aan rivieren en stroomen, +maar in uitgestrekte broeklanden en moerassen, dus uitsluitend bij +stilstaand water. Gedurende de reis vormt zij vluchten van 20 à 1000 +stuks, die de stroomen volgen; in hun nabijheid houdt zij zich geruimen +tijd op bij plaatsen, waar het water buiten de oevers getreden is en +het omliggende land in een moeras veranderd heeft; voor 't overige +vermijdt zij de zee en de rivieren. + +Van de andere Sterns onderscheiden de Moeraszeezwaluwen zich niet +alleen door haar woonplaats, maar ook door de wijze waarop zij +zich bewegen, voeden en voortplanten. Zij loopen even zelden en +even slecht als de overige, zwemmen zelden en niet beter dan zij, +vliegen minder onstuimig en niet zoo zwaaiend, maar zachter en losser, +daarom bevalliger en met meer afwisseling, zoodat zij een aangenaam +schouwspel opleveren. Hevige wind of storm maken haar het vliegen bijna +onmogelijk, omdat hare vleugels nog meer dan die van hare verwanten +buiten alle verhouding tot het kleine lichaam en de zwakke krachten +schijnen te staan. Hun voedsel bestaat uit allerlei water-insecten +en Spinnen. + +De Moeraszeezwaluwen nestelen te midden van het moeras; doch doen +dit steeds op een geheel andere wijze dan de overige Sternvogels. Zij +bouwen haar nest op zeer kunstlooze wijze van bladen, halmen, pluimen, +worteltjes enz. tusschen waterplanten, zoodat het veelal direct op +het water rust. In Juni legt de inheemsche soort hare drie eieren; +deze zijn op geel of groenachtig olijfkleurigen grond, bruingrijs, +rood en zwartbruin gevlekt. + +In Italië wordt ook op deze Vogels jacht gemaakt. + + + +Van de uitheemsche Sterns, die zich door haar levenswijze +onderscheiden, verdient de Feeënzeezwaluw (Gygis alba) vermelding, +de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht. Zij is slank gebouwd, +haar zilverwit kleed is als zijde zoo zacht, hare oogen zijn zwart, +de pooten saffraangeel; de snavel is aan den wortel donkerblauw, +aan de spits zwart. Totale lengte ongeveer 30, staartlengte 9 cM. + +Deze door schoonheid uitmuntende Vogel bewoont de tusschen de +tropen gelegen eilanden van Polynesië en van den Indischen Oceaan, +maar dwaalt soms af naar den Atlantischen Oceaan; ook hier echter +overschrijdt hij in den regel de keerkringen niet. Op de kusten +van alle eilanden binnen den genoemden aardgordel komt hij in +grooten getale voor. Aan de zuiver witte kleur van zijn kleed en +aan zijn bevallige wijze van vliegen dankt hij zijn naam. Ook zijn +levenswijze is merkwaardig. Tot rustplaats kiest hij bij voorkeur +dichte, schaduwrijke wouden, waar hij zich op boomen neerzet. Prachtig +steekt zijn wit gevederte af bij het donkergroene loover, wanneer hij +behendig tusschen de boomen rondvliegt, o.a. bij het vervolgen van +een indringer in zijn heiligdom. Het wijfje legt slechts één ei op +een horizontalen tak en wel op een plaats, die juist vlak genoeg is +om te voorkomen, dat de storm het legsel naar beneden werpt. Het jong +blijft op deze gevaarlijke plaats, totdat het heeft leeren fladderen, +voor zoover het ontkomt aan het niet zelden dreigend gevaar van, naar +beneden tuimelend, den dood te vinden. De jongen worden grootgebracht +met vischjes, misschien ook wel met Insecten en Spinnen, die in de +boomkroon gezocht zijn. + + + +In soortgelijke betrekking als de Uilen tot de Scharrelaars, staan de +Schaarbekken (Rhynchopsinae) tot de Sterns: zij zijn nachtvogels. Hun +snavel, welks onderkaak ver voorbij de bovenkaak uitsteekt, is reeds +bij den wortel zoo buitengewoon smal, dat de beide kaken met de beide +bladen van een schaar vergeleken kunnen worden. De betrekkelijk lange, +vettige veeren liggen dicht tegen het lichaam aan. + +Aan den middelloop en den bovenloop van den Nijl ontmoet men een soort, +die wij kortweg Schaarbek zullen noemen (Rhynchops flavirostris). Bij +dezen zijn het voorhoofd, het aangezicht, de staart en de onderdeelen +benevens de spitsen van de groote vleugeldekveeren wit, de bovenkop, de +achterhals, de nek en de mantel zwartbruin. Het oog is donkerbruin, de +snavel geel, de voet koraalrood. Totale lengte 45, staartlengte 7 cM. + +[Een andere soort (met gelen bek en witten halsband: Rhynchops +albicollis) bewoont Indië, de derde (met rooden, aan de spits zwarten +snavel: Rhynchops nigra) Amerika.] + +De Schaarbek vliegt over dag even goed als 's nachts, maar doet dit +alleen, wanneer hij opgeschrikt wordt. Gewoonlijk ligt hij bewegingloos +op een zandbank; meestal plat op den buik, zeldzamer op de kleine, +zwakke pootjes rustend. Tegen zonsondergang, bij donker weer ook +reeds in de late namiddaguren, wordt hij wakker, beweegt zich en rekt +zich uit, heft de vleugels op en begint heen en weer te trippelen +en te schreeuwen; als de nacht is aangevangen, vliegt hij uit om +voedsel te zoeken. Pechuel-Loesche zag hem trouwens in Neder-Guinea +hiermede ook over dag bezig. Met langzame vleugelslagen glijdt hij, +zonder gedruisch te maken, op korten afstand boven den waterspiegel, +van tijd tot tijd den ondersnavel verscheidene minuten achtereen in +'t water houdend en dit op deze wijze doorploegend; intusschen vangt +hij de Insecten, die aan de oppervlakte zwemmen; deze maken, althans +in de Nijllanden, zijn voornaamste voedsel uit. + + + +De Meeuwen (Larinae) zijn goed gebouwde krachtige Vogels van zeer +verschillende grootte, daar de kleinste soort nauwelijks een Kauw +in omvang overtreft, terwijl de grootste in dit opzicht een Arend +evenaart. Haar romp is forsch ontwikkeld, de snavel middelmatig lang, +zijdelings sterk samengedrukt, tot aan het midden van den rug recht, +van hier af flauw haakvormig naar beneden gebogen; de middelmatig hooge +voet heeft een slanken loop en zwemvliezen tusschen de voorteenen; +de vleugel is groot, lang en breed, hoewel smal toegespitst; de +middelmatig lange, breede staart bestaat uit 12 pennen en is aan +den top recht, zeldzamer ondiep uitgesneden; het zeer dichte, +maar zachte vederenkleed heeft op de onderdeelen het voorkomen +van een vacht; het vertoont teere en bevallige, over 't algemeen +overeenstemmende kleuren, die in den zomer en in den winter, bij +jongen en bij volwassenen meestal verschillen. + +Men onderscheidt ongeveer 85 soorten van Meeuwen, die over alle +deelen der aarde verbreid zijn, en alle zeeën verlevendigen. Weinige +soorten verwijderen zich ver van het land; zij die het doen, keeren +altijd spoedig weer terug; eigenlijk moet men ze dus als kustvogels +aanmerken. Voor den schipper zijn zij de betrouwbaarste voorboden +van het land: als zij om een vaartuig heenvliegen, is het land niet +meer veraf. Liever dan naar de open zee vliegen zij tot diep in +het binnenland, waarbij zij den loop van groote stroomen volgen, +of zich van het eene water naar het andere begeven. Enkele soorten +geven trouwens de voorkeur aan binnenwateren en kiezen deze tot +verblijfplaats, althans gedurende den voortplantingstijd. Vele +soorten behooren tot de trekvogels, verschijnen in hun noordelijk +gelegen vaderland, als de lente gekomen is, broeden en begeven zich +in 't najaar weer op de terugreis, andere zwerven meer of minder +geregeld rond. Deze veranderingen van verblijfplaats hangen ten nauwste +samen met de voeding. Voor alle Meeuwen zijn Visschen een zeer gewild +voedsel; vele van hen behooren echter tot de ijverigste insectenjagers; +juist deze zijn gedwongen om geregeld te trekken, terwijl de overige +op plaatsen, waar de zee niet met ijs bedekt wordt, ook 's winters +nog een welvoorzienen disch vinden. Behalve op deze beide voornaamste +voedingsmiddelen maken zij jacht op alle kleine dieren, die de zee +bewonen en zoeken allerlei andere dierlijke stoffen op. Zij eten +aas als de Gieren, vervolgen een levenden buit als de Roofvogels en +zoeken het op 't strand liggende voedsel bijeen als de Duiven of de +Hoenderen, kortom zij zijn even veelzijdig als de Raven, maar gretiger +en vraatzuchtiger dan deze; ook zij worden, naar 't schijnt, door +een voortdurenden honger gekweld en zijn letterlijk niet te verzadigen. + +Bevallig zijn haar gestalte en haar kleur, lieftallig hare bewegingen, +ook de werkzaamheid der Meeuwen is aantrekkelijk. Haar houding op den +vasten grond noemen wij edel, omdat zij een zekere fierheid verraadt; +zij gaan goed en betrekkelijk snel. Haar bekwaamheid in 't zwemmen +overtreft die van de meeste overige leden harer orde: licht als ballen +schuim rusten zij op de golven, met welker sombere tinten hare heldere +kleuren zulk een levendige tegenstelling vormen, dat de indruk, +dien het zeegezicht wekt, er niet weinig door verhoogd wordt. Zij +vliegen met langzame vleugelslagen, maar wisselen deze beweging +dikwijls af met een langdurig drijven op hare wieken; zij doen dit +zonder merkbare inspanning, als 't ware spelenderwijs, en herinneren +dan door lichtheid en schoonheid van houding aan de breedvleugelige +Valken. Minder goed dan de Zeezwaluwen verstaan zij de kunst om, +boven het water zwevend, den gewenschten buit op te sporen en, uit +de lucht er op neerschietend, hem te vangen. Wanluidend is haar stem, +welker krijschende en krassende tonen in verschillende toestanden met +meer of minder kracht uitgestooten en bij hevige gemoedsbewegingen +eindeloos vaak herhaald worden. Onder hare zintuigen zijn die van +het gezicht en van het gehoor het hoogst ontwikkeld. + +Alle Meeuwen zijn schrandere, verstandige Vogels, die de omstandigheden +goed weten te beoordeelen en hare handelingen hiervan laten afhangen; +alle zijn moedig bij ontmoetingen met andere dieren; zij toonen +zelfvertrouwen, eenige neiging tot heerschen, en een trouwe liefde +voor gade en kroost; zij zijn op het gezelschap hunner soortgenooten +gesteld, maar nijdig, afgunstig en wantrouwig jegens andere Vogels; +zonder aarzeling wordt de schijnbaar aanwezige vriendschap verbroken, +wanneer deze in strijd geraakt met de vraatzucht. Den mensch wantrouwen +zij allerwege en in alle omstandigheden; toch verschijnen zij telkens +weer in zijn nabijheid, bezoeken iedere haven, ieder dorp aan de +kust, vliegen om ieder schip, dat in zee gaat of het land nadert, en +wagen zich zoo ver, als in 't gegeven geval raadzaam schijnt, omdat +zij door ervaring geleerd hebben, dat het afval uit de huishouding +van den mensch voor hen nog veel bruikbaars bevat. Na veelvuldig +herhaalde bezoeken aan bewoonde oorden leeren zij niet slechts deze, +maar ook enkele daar levende personen onderscheiden. Zij toonen daarom +op plaatsen, waar zij dikwijls en ongestoord iets buit hebben gemaakt, +een zeer groote gemeenzaamheid of liever driestheid; daarentegen worden +die, waar zij een onaangename bejegening ondervonden, vermeden of met +groote omzichtigheid bezocht. Een Meeuw, die op een of andere wijze +benadeeld werd, is gewoon van zijn ervaring mededeeling te doen aan +al zijne metgezellen. Over 't algemeen heerscht onder hen de beste +verstandhouding, wanneer het er op aankomt zich te verzetten tegen +een gevaar, dat allen bedreigt: Roofvogels, Roofmeeuwen en Raven +of Kraaien worden door alle Meeuwen uit de buurt te gelijker tijd +aangevallen en gewoonlijk op de vlucht geslagen. + +Buiten den broedtijd kan het voorkomen, dat men oude Meeuwen +alleen ziet, gedurende den broedtijd echter vereenigen de leden +van iedere soort zich tot troepen, die niet zelden tot ontelbare +zwermen aangroeien. Reeds in Nederland en Noord-Duitschland vindt +men "meeuwenbergen", die door verscheidene honderden paren bewoond +worden; in noordelijker gewesten komen koloniën voor, waarvan het +aantal bewoners zelfs niet bij benadering te bepalen is. Ook hier +blijven de leden van groote soorten minder nauw aaneengesloten dan de +kleinere vertegenwoordigers van de familie; deze echter bedekken in +den letterlijken zin van 't woord geheele rotswanden of bergen, maken +gebruik van iedere hier aanwezige ruimte en plaatsen het eene nest +dicht bij het andere, zoodat de broedende ouders dicht opeengedrongen +zitten. De voorbereidende werkzaamheden verschillen in verband met de +plaatselijke gesteldheid; daar, waar geen gebrek is aan bouwstoffen, +wordt aan het nest eenige moeite besteed; het is dan van water- en +strandplanten los en kunsteloos samengevoegd; daar, waar zulke stoffen +ontbreken, is de inrichting zoo eenvoudig mogelijk. Het nest bevat, als +'t broeden begint, 2 à 4 groote eieren van gewonen vorm; hun dikke, +grofkorrelige schaal is op vuil-groenachtigen, bruingroenachtigen +of groenachtig bruinen grond aschgrauw en zwartbruin gevlekt. Het +mannetje en het wijfje broeden beurtelings gedurende 3 of 4 weken, +bij slecht weer ijveriger dan bij zonneschijn. Beide ouders toonen +een buitengewone gehechtheid aan hun kroost; zoodra het gevaar loopt, +vergeten zij de zorg voor eigen veiligheid. De jongen komen in een +dicht, gevlekt, donzig kleed uit de eischaal; op plaatsen, waar zulks +mogelijk is, verlaten zij reeds in de eerste levensdagen het nest en +houden zich verder op het strand op, waar zij zich ingeval van nood +tusschen de oneffenheden van den bodem verbergen, of in het water hun +toevlucht zoeken; zij, die op uitstekende punten van steile rotsen het +eerste levenslicht aanschouwden, moeten echter hier blijven, totdat +hunne slagpennen zich ontwikkeld hebben. Aanvankelijk krijgen de jongen +half verteerd voedsel, dat de ouders voor hen uitbraken; later worden +zij met versch gevangene of opgegaarde dierlijke stoffen gevoed. Na +het uitvliegen blijven zij nog eenigen tijd bij hunne ouders, verlaten +de broedplaatsen en verstrooien zich in alle richtingen. + +In het hooge noorden rekent men de Meeuwen niet slechts tot de +schoonste, maar ook tot de nuttigste Vogels der aarde. Voor eenige +grondeigenaars van Noorwegen bestaat een belangrijk deel van de +opbrengst hunner bezitting uit meeuweneieren; deze worden overal +heen verzonden en betrekkelijk duur betaald. Meeuwenveeren vervangen +bij de arme Nordlanders het eiderdons en de ganzeveeren, die door +de rijkere bewoners als vulsel van bedden worden gebruikt. Van het +vleesch der oude Meeuwen maken slechts eenige van de noordelijkste +volken gebruik. Jonge Meeuwen echter worden op Helgoland, IJsland +enz. gaarne gegeten en leveren na een behoorlijke toebereiding ook +werkelijk een smakelijk gerecht; overal echter wordt meer prijs gesteld +op de eieren en de veeren dan op het vleesch dezer Vogels. In eenige +streken worden ieder jaar groote meeuwenjachten gehouden, meer uit +moordlust, dan om het voordeel, dat deze dieren kunnen opleveren; +in de noordelijkere gewesten vervolgt men ze evenwel niet. Een omhoog +geworpen witte zakdoek is voldoende om een Meeuw aan te lokken. Als +men er eerst één heeft gedood, komen spoedig vele andere aanvliegen, +daar iedere Meeuw, die een wit voorwerp boven uit de lucht naar beneden +in 't water ziet storten, meent, dat op deze plek een goede vangst +te maken is; zij begeeft zich uit jaloezie naar hier om er een deel +van te verkrijgen. De vangst heeft op verschillende wijzen plaats: +men zet strikken op de zandbanken, voorziet netten met Visschen als +lokaas, werpt hoeklijnen uit, waaraan een stuk spijs bevestigd is en +bereikt op deze of op gene wijze het beoogde doel. De levend gevangen +Vogels kan men gemakkelijk in 't leven houden; zij zijn echter dure +kostgangers, daar men hen met Visschen of vleesch moet voeden om +hunne behoeften te bevredigen. Indien dit geschiedt, schikken zij zich +spoedig in hun lot, geraken gewoon aan de kooi en aan hun verzorger, +weten hem zeer goed te onderscheiden van andere menschen, begroeten +hem met vroolijk geschreeuw, zoodra hij zich vertoont, antwoorden, +wanneer hij hen roept, kortom, worden bijna even tam als een Raaf; +ook planten zij zich in de gevangenschap voort, wanneer men hun een +groote kooi tot woonplaats geeft. + + + +Het soortenrijkste geslacht van de geheele onderfamilie is dat der +Meeuwen i.e.z. (Larus). Deze hebben een forschen snavel zonder washuid +en met haakvormige spits, langwerpige, spleetvormige neusgaten in +'t midden van den bovensnavel; de eerste handpen is de langste, de +staart recht afgesneden, de loop bijna zoo lang als de middelste teen; +de achterteen is aanwezig.--Verreweg de meeste en tevens de grootste +en krachtigst ontwikkelde van de 60 leden van dit geslacht behooren +tot de groep der Zeemeeuwen. Bij deze is het verschil tusschen het +zomerkleed en het winterkleed gering; hun kop is zoowel 's zomers +als 's winters wit. De jongen zijn meestal bruinachtig van kleur, +de ouden wit met grijze of blauwachtig zwarte vleugels en rug. Zij +houden zich meer uitsluitend aan de zeekust op en verrichten hier met +de Stormvogels en de Albatrossen hetzelfde werk als de Gieren op het +land: zij verslinden n.l. allerlei dierlijke overblijfselen. + + + +Een der grootste soorten is de Burgemeester (Larus glaucus), die in +'t hooge noorden broedt, doch in December en Januari niet zeldzaam +is aan onze kust (voor 't meerendeel zijn dit Vogels in 't eerste +levensjaar). De mantel en de rug zijn teer blauwgrijs, de groote +slagpennen licht blauwachtig grijs, alle overige deelen wit. De +vleugels reiken bijna niet voorbij den staart. Het oog is stroogeel, +de snavel citroengeel, de hoek van de onderkaak met een roode, +overlangsche vlek versierd, de voet lichtgeel. Totale lengte 75, +staartlengte 22 cM. Het winterkleed is aan den hals flauw bruinachtig +gevlekt. + + + +De Kleine Burgemeester (Larus leucopterus), die 's winters zeer zelden +op onze kust voorkomt, verschilt van de vorige soort door geringere +grootte en langere vleugels (5 cM. voorbij den staart uitstekend), +voorts door de zuiver witte handpennen en de roodachtige voeten. Totale +lengte 65, staartlengte 19 cM. + + + +Van de beide vorige soorten verschilt de Zilvermeeuw, in Groningen +ook Kaap en Kobbe genoemd (Larus argentatus), door den iets donkerder +gekleurden, blauwachtig grijzen mantel; dezelfde kleur hebben de +vleugels. De schouderveeren en groote bovenvleugeldekveeren zijn echter +aan 't einde wit gezoomd, de beide eerste handpennen nagenoeg geheel +zwart en op de witte spits met een zwarten band geteekend, de volgende +grootendeels en in toenemende mate grijs, doch vóór de witte spits +zwart. De snavel is geel, de voet geelachtig vleeschkleurig. Totale +lengte 65, staartlengte 18 cM. In den winter zijn de kop en de hals +grijsbruin gevlekt. + +Het broedgebied van deze soort omvat bezuiden den evenaar de Poolzee +en in 't noorder halfrond deelen van de Oude en van de Nieuwe Wereld, +het reikt in Amerika van Labrador tot Cuba, in Europa van 71° N. B. tot +de Middellandsche Zee; talrijk broedt zij in Europa aan de kusten van +de Noordzee. Aan onze kust gedurende het geheele jaar zeer gemeen, +nestelt zij in de duinen, vooral van de Noordzee-eilanden en wel +het meest op Rottum; een dergelijke broedkolonie komt voor op het +eiland Sylt. Op haar winterreis bezoekt zij alle Europeesche kusten, +ook die van de Middellandsche en Zwarte Zee en dringt dikwijls ver in +'t binnenland door. In Noord-Amerika nestelen soms geheele koloniën op +boomen, soms wel 12 M. boven den grond. Hare eieren zijn olijfgroen, +met grijze en bruine vlekken. + + + +De Kleine Zeemeeuw, Stormmeeuw, Wintermeeuw of Zeekob (Larus canus) +broedt in 't Noorden van de Oude Wereld en is van October tot +April zeer talrijk op onze kust. Zij begeeft zich dan ook langs +de binnenwateren, zelfs ziet men haar langs de grachten der groote +steden vliegen. Bij stormachtig weer komt zij in groote vluchten diep +landwaarts, waar zij soms op boomen zittend wordt aangetroffen. Zij +volgt ook gaarne den ploeg, en verslindt zeer vele, zoowel levende als +doode Muizen in de weilanden. Te Amsterdam overwintert zij gewoonlijk +in grooten getale. Ook in het zomerhalfjaar is zij hier vrij gemeen, +zonder er echter te broeden. Vroeger broedde een kleine kolonie +op Texel, doch thans niet meer (Albarda). + +Zij heeft ongeveer dezelfde kleuren als de vorige soort, maar verschilt +er o.a. van door de verdeeling van het wit en het zwart over de eerste +handpennen (van de 1e en de 2e is de spits zwart). Totale lengte 45, +staartlengte 14 cM. Hare eieren zijn okergeel met grijze en bruine +vlekken. + + + +Van de Meeuwen met donkere bovendeelen is de Mantelmeeuw, in Groningen +Zeekaag, op Texel Kokmeeuw genoemd (Larus marinus), de grootste. De +kop, de hals en de nek, de geheele onderzijde, de onderrug en de +staart zijn schitterend wit, de bovenrug en de vleugels leikleurig +blauwzwart, de spitsen van de slagpennen wit. Het oog is zilvergrijs, +de oogring vermiljoenrood, de snavel geel met een hoogroode vlek aan +de onderkaak vóór de spits, de voet licht grijsgeel. Totale lengte 73, +staartlengte 20 cM. + +Het noorden van de aarde tusschen 60 en 70° N.B. is het vaderland van +deze Meeuw. Bij ons broedt zij niet. Gedurende den winter bezoekt zij +geregeld de kusten van de Noord- en Oostzee, zwerft langs de kust ook +naar Zuid-Europa en nog verder zuidwaarts. Van September tot Mei is +zij zeer algemeen aan onze kust; jonge Vogels vindt men hier reeds +gedurende den zomer, soms ook oude (waarschijnlijk zulke, welker in +noordelijker streken gelegen nest verstoord werd); zij broedt hier +echter niet. Onder hare verwanten is zij, in overeenstemming met +haar grootte, een van de ernstigste en bedaardste; toch kan men haar +zoomin naar het lichaam als naar den geest traag noemen; integendeel +zij houdt van beweging en bedrijvigheid. Haar stem klinkt diep en +heesch als "ach-ach-ach", in opgewonden toestand als "kjau", welk +geluid op zeer verschillende wijzen geïntoneerd kan worden. Visschen +van verschillende grootte maken haar voornaamste voedsel uit; lijken +van Zoogdieren zijn voor haar een zeer gewilde spijs; ook vangt zij +Lemmingen, jonge en zieke Vogels, rooft de eieren van de zwakkere +zeevogels en zoekt aan 't strand allerlei Wormen en andere kleine +dieren op. Als de schaal of schelp van haar buit te hard is, vliegt +zij er mede omhoog en laat hem van een aanzienlijke hoogte op de rotsen +te pletter vallen. In de gevangenschap geraakt zij spoedig gewoon aan +'t eten van brood en beschouwt dit ten slotte als een lekkernij. + + + +De Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus) gelijkt nagenoeg volkomen op de +vorige soort behalve wat de grootte betreft; de vleugels steken bij +haar iets verder voorbij den staart uit, de witte banden aan de spits +van de slagpennen zijn smaller, de pooten zijn geel. Totale lengte 60, +staartlengte 15 cM. + +Zij broedt in het noorden van Europa en zelfs in Groot-Britannië, +maar niet aan onze kusten, waar zij echter soms in menigte en reeds +in September aankomt om verder te trekken of hier te overwinteren. Ook +in de Zuiderzee komt zij voor en vergezelt er de haringscholen. + + + +Kapmeeuwen (Chroicocephalus) noemt men die soorten, welke in het +zomerkleed den kop en den bovenhals min of meer donker gekleurd +hebben. Zij houden zich bij voorkeur in de nabijheid van binnenwateren +op en maken dikwijls haar nest tusschen waterplanten. + +De verst verbreide en meest algemeen bekende soort van deze groep is +de Kokmeeuw, Kapmeeuw of Lachmeeuw, in Friesland Kob genaamd [Larus +(Chroicocephalus) ridibundus]. De bovenkop en de voorhals zijn +roetbruin, de nek, de onderdeelen, de staart en de slagpennen tot +dicht bij de spits wit, de mantelveeren licht blauwgrijs, de spitsen +van de slagpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de ooglidrand rood, +de snavel en de voet karmijnrood. In het winterkleed ontbreekt de +kap. Totale lengte 42, staartlengte 13 cM. + +Zij bewoont een groot deel van Europa, Azië en Afrika en houdt +zich hier te lande op van Maart tot October. Zij broedt in koloniën +op moerassige plaatsen, nabij meren en plassen, in Zeeland aan de +binnenzijde der duinen, alsmede op de eilanden. Na den broedtijd, +in September, verlaat zij het binnenland, overwintert in grooten +getale aan de kust en is in dit jaargetijde met de Kleine Zeemeeuw +talrijk boven de binnengrachten van Amsterdam (Albarda). + + + +De Kleine Kokmeeuw [Larus (Chroicocephalus) capistratus], misschien +slechts een verscheidenheid van de vorige soort, is een weinig kleiner +en zwakker dan deze, ook zijn de bek en de pooten donkerder rood. Nu +en dan komt zij op den voorjaarstrek in kleine vluchten tot ons over; +des zomers speelt zij de rol van onze Kokmeeuw in Schotland en Ierland. + +Een bekoorlijke Vogel is de Dwergmeeuw [Larus (Chroicocephalus) +minutus], de kleinste van alle bekende Meeuwen. Haar kop is donker +roetzwart, de mantel teer licht blauwgrijs, de nek wit, de onderzijde +wit met een rozerood waas, de staart wit; de licht blauwgrijze +slagpennen hebben breede, witte spitsen. In het winterkleed is de kap +slechts flauw te onderscheiden en de onderzijde wit. Het oog is bruin, +de snavel zwartachtig rood, de voet koraalrood. Totale lengte 28, +staartlengte 9 cM. + +Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en West-Siberië +aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter Zuid-Azië, +Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele exemplaren van +deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in enkele jaren, +vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, zonder er te +vertoeven. "Naar het schijnt, heeft deze soort vroeger aan den Hoek +van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan zee doet, zal het +waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar bestaand meertje, hetwelk +later is verdwenen. Al mijne pogingen om van daar, van Calantsoog +of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren vruchteloos, zoodat +ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot onze broedvogels +behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen meer in Europa, +dan westelijk van de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen." (Albarda). + + + +De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld +kan geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen, +wordt in Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen +aangetroffen. Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans: +de toenemende bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit +vele gewesten, die zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In +Zuid-Europa blijft zij het geheele jaar door bij hare broedplaatsen; +ons vaderland verlaat zij reeds in September om in Maart terug +te keeren uit het Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter +doorbrengt. De zee bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt +het zelden voor, dat de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust +broeden. Het liefst vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers +omgeven is. Steeds broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die +in den regel uit honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat +de nesten in een kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen +zijn. In Friesland worden in deze koloniën, "kobbevlechten" genaamd, +de eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels één +ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats verlaten (Albarda). + +De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de +binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats, +die ieder paar zal innemen, worden de nesten gebouwd op kleine, door +open water of door moerassig land omgeven pollen riet of biezen, +rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, soms ook in het +moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk toegankelijke +plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras een kuiltje +gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. opgehoopt en deze +met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 of 3, zelden +4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig olijfgroen en met +bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang in het begin +van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; 's nachts +zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de middaguren wordt de +zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 dagen uit den dop +komen, zijn drie à vier weken later in staat om te vliegen. Indien het +nest door water omgeven is, verlaten zij het in de eerste levensdagen +niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al spoedig naar buiten, +maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De jongen, die een +week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; in de tweede +week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen zij zich +tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate bezorgd +voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend gevaar. Iedere +Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, iedere Reiger +brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid geschreeuw +vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de nesten om met +de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan te wenden om +hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een Vos neer; +in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met ware +vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst +geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren. + +De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en +zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen, +volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en +akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar +niet bepaald snel en vliegt zacht, als 't ware op haar gemak. Hoewel +voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich gaarne +in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet onderzoek +naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In alle +buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee gelegen +zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: onbezorgd +oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand haar kwaad +zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt krijschend +als "krie"; "kek" en "sjerr" zijn de geluiden voor het gezellig +verkeer; woede wordt uitgedrukt door een krijschend "kerrekkektek," +of een heesch "gier," dat gewoonlijk door "krie" wordt gevolgd. + +Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het +voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en +ook van een kreng wordt partij getrokken. + +In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag tegen +de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een verdelgingsoorlog +tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het leven kost. Deze +nuttelooze slachting, die onder den naam van "meeuwenschieten" als +een soort van volksfeest wordt beschouwd, herinnert aan de ruwheid +van zeden der bewoners van Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te +verontschuldigen. + +Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, welke +jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch +gevoederd worden, maar geraken ook aan 't eten van brood gewoon, +zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel +met haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger +als een Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en +volgen hem later vliegend over 't erf, in den tuin en ook wel naar +buiten in 't veld. + + + +"Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg gezien +heeft," zegt Holböll, "kan zich zoomin van de schoonheid als van +het aantal dezer Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk +een meeuwenberg misschien kunnen vergelijken met een reusachtige +duiventil, bewoond door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg +Inoejoeatock is een kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer +of minder sterk bezet met verschillende soorten van Meeuwen en dit +tot op zulk een hoogte, dat de bovenste Vogels zich slechts als witte +puntjes vertoonen."--Korter en schilderachtiger drukt Faber zich +uit. "Op Grimsö's vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale, +dat zij bij hun opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten, +de rotsterrassen bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven +en in den broedtijd de groene kleur van de met lepelblad begroeide +rotsen in wit veranderen."--Toen ik gereed was om een reis naar +Lapland te doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen, +een juiste voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op +den voor mij onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het +voorgebergte Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst, +nadat mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot, +die mij overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen +op te jagen. Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond +als een reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei, +onmiddellijk na de losbranding van het geschut scheidden een aantal +van deze stipjes zich af van den donkeren achtergrond en werden +levend; het waren Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten +achtereen daalden zij naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt, +zoo aanhoudend, alsof er onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen, +die reusachtige vlokken uit de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige +minuten achtereen sneeuwde het Vogels, die een onafzienbaar deel van +de oppervlakte der zee bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd +bijna even dicht met stippen bedekt als vroeger. + + + +De Drieteenige Meeuw (Rissa tridactyla) vertegenwoordigt een +gelijknamig geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen +is, dat de achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet +genageld stompje vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop, +de hals, de onderrug, de staart en de onderdeelen schitterend wit, +de mantel is licht grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig +grijs, de spitsen van de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin, +de ooglidrand koraalrood, de snavel citroengeel, aan den mondhoek +bloedrood, de voet zwart. Totale lengte 43, staartlengte 13 cM. + +Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat +echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of +kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de +onze (het meest vroeg in 't voorjaar). Vooral bij stormweer en op +den doortrek dwaalt zij, den loop der stroomen en rivieren volgend, +soms ver naar het binnenland af, waar zij zich 's winters vaker en +in grootere troepen vertoont dan de eigenlijke Zeemeeuwen. In aard +en gewoonten verschilt zij van hare even groote verwanten misschien +alleen door haar grootere gezelligheid en schreeuwlust. + +Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen +rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte +aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de +Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien +heeft Holböll opgemerkt, dat gedurende haar broedtijd de Noordelijke +IJszee als 't ware gevuld is met Lodden (Mallotus villosus), dat de +Zeehonden, door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen, +de vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later +wel tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel +te verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering +over de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk +rijk de zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch +voorziet, bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald, +het binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls +dood aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt +deze volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de +zee verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert. + +Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen +terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen +en op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet +van den berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken; +ieder terras dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na +hun aankomst ziet men de paren naast elkander zitten, het mannetje +en het wijfje elkander in de bevalligste houdingen liefkoozend, als +Duiven trekkebekkend en elkander in de veeren pluizend, en hoort men +hun gekir. De berg is voortdurend omhuld door een wolk van Vogels, +die zonder ophouden door elkander heen wemelen en krioelen. Het nest +zelf bestaat hoofdzakelijk uit zeewieren, maar wordt in den loop der +jaren door den vogeldrek met hooge randen voorzien; het is voldoende, +dat het in den aanvang van den broedtijd een weinig hersteld wordt. De +jongen blijven tot het midden van Augustus in het nest, zijn intusschen +volkomen geschikt geworden voor het bedrijf hunner ouders en zwermen +nu naar buiten boven de open zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf +spreekt, naar vermogen hebben bijgedragen tot het oorverdoovende +geschreeuw, waaraan een vogelberg reeds op een afstand kenbaar is. + + + +Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den +Hoek van Holland) een exemplaar gevangen van de Vorkstaartmeeuw +(Xema Sabinei), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in Amerika +de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De oude +Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig zuidwaarts +te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de jongen in het +eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de kusten van de +Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot in Hongarijë) +af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze door den (ondiep) +gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. De bovenrug +en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen zwart met +witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige veeren +in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met zwarten +halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 cM. + + + +De gestalte en de kleur van de Roofmeeuwen of Jagers (Stereorariinae) +geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie +te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op +de Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel +betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings +samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid +bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden +gekromd, de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig +hoog; de betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen +aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels +gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang, +smal en spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange +staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel +voorbij de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht, +op de onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur +vertoont bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls +lichtere plekken. + +De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel; +meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den +voortplantingstijd echter in de toendra's der kusten en eilanden. Zij +loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de +Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale +richting. Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan +of staan; zij doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels, +maken koene, op velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke +zwenkingen, bewegen zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen +met snellen vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is +een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn +niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben +ook volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren +aan, die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze +groep kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven +buit aan haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan +zij de kunst om een in 't water waargenomen buit te vangen door er +van uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen +vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar +roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet +slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren +en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen +jonge lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel +open om er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor +hen eetbaar is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien +loeren zij op jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent +en dergelijke zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft, +schieten zij op den gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot +hij uit angst den reeds verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten +zij het vallende voedsel te grijpen, nog voor het den waterspiegel +bereikt heeft. Wegens deze onbeschaamde wijze van bedelen worden zij +ten zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in +hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen +zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden, +of vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig +op hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen +haar aan, de meer beschroomde vluchten. + +Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in het +zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 eieren, +die door haar en het mannetje beurtelings met groote zelfverloochening +bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen moedig tegen iederen +vijand en voederen hen gedurende verscheidene dagen in het nest met +halfverteerde, dierlijke stoffen, later met vastere vleeschspijzen. + +De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar +weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te +recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste +staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de +Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden +en voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren. + + + +De Groote Jager of Skoea (Stercorarius catarrhactes), de meest typische +soort van de onderfamilie, is bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze +soort hebben de middelste stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede +vlag en steken zoo weinig voorbij de overige uit, dat de staart aan +'t einde afgerond is; de loop is iets korter dan de middelste teen met +inbegrip van den nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de +onderzijde lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche +streepjes; aan den wortel van de donkere slagpennen komt een witte +vlek voor. Het oog is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig +grijs, aan de spits zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte +57, staartlengte 17 cM. + +Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel +tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën van den +zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij Fär-öer, +de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden en IJsland; in +kleinen getale zwerft hij 's winters langs de Engelsche, Duitsche, +Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren komen bij hevige +stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal een exemplaar +van deze vogelsoort geschoten, n.l. op Schollevaars-eiland (in de +Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; bij Hallum op Ameland +heeft men er één in een staltnet gevangen. De meeste Skoea's blijven +echter ook gedurende het koude jaargetijde in 't noorden, en zoeken +hun voedsel op plaatsen waar de zee open blijft. + +De Middelste Jager (Stercorarius pomarinus) heeft de grootte van een +Kraai; zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de +overige uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en +zijn dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer +dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte +en de zijden van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn +donker zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit, +de zijden van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige +dwarsstrepen vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op +de zijden van den romp voor; de handpennen hebben witte schaften en +zijn ook aan den wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den +wortel blauwgrijs, aan de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet +zwart. Totale lengte 55, staartlengte 23 cM. + +Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke werelddeelen, +maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle zeeën der aarde, +zelfs de kusten van Afrika en Australië. Menigvuldig is zij aan de +kusten van Groot-Britannië en komt, vooral bij stormen ook aan de +zuidkust der Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in 't binnenland +af. Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen. + + + +Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens +levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de +menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt +snel, zwemt flink en maakt bij 't vliegen bewonderenswaardig koene +en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. Zijn +stem is een diepe, als "ach ach" klinkende toon of een heesch "iïa"; +bij het aanvallen van een vijand hoort men van hem den diepen toon +"hoo". Van alle Zeevogels is hij de meest gevreesde; met geen zijner +klassegenooten leeft hij in vriendschappelijke verhouding; alle +Vogels haten hem; slechts de moedigste durven hem aanvallen. Welken +indruk zijn vermetelheid op de overige Vogels maakt, blijkt het +best uit het feit, dat zelfs de grootste en sterkste zeevogels, +die hem aan kracht verre schijnen te overtreffen, hem angstvallig +ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort uit een onverzadelijken +honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met de jacht bezig. Andere +vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, komt hij nader om +hen in 't oog te houden; zoodra één van hen een buit heeft gevangen, +schiet hij toe, toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid, +moed en vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld +wild stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven +verworven buit uitspuwt. + +Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: Graba +zag, dat hij met één houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte; +anderen hebben opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde, +verscheurde en verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee +drijven, worden steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot, +door onder te duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen +plundert hij op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels, +neemt de eieren en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. "Uit +duizend kelen," schrijft Naumann, "weerklinkt het angstgeschreeuw, +wanneer de vermetele roover zulk een broedplaats nadert; toch +durft geen der beangste bewoners zich krachtdadig verzetten tegen +zijne booze plannen. Hij pakt het eerste het beste jong en vliegt +er mede heen, zonder zich te storen aan de ongelukkige moeder, die, +luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar van pijn krimpend kind +omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen hulp kan bieden. Zoodra +hij geen stoornis meer behoeft te duchten, strijkt hij neer op den +waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, vliegt vervolgens naar +zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen uit." + + + +Beter dan alle overige soorten kent men den Kleinen Jager (Stercorarius +parasiticus), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet zelden +aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige soorten +en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het lichaam +zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. Zijn +totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen +(welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige +uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek +op het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin, +of op de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op +de onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met +dit verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart, +de washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart. + +Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst +verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke +streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn +broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland, +de Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, voorts op +Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van Ochotsk is hij +veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de zuidelijkste +kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar 't binnenland +af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, volstrekt niet +altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar ook, en naar +het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land verwijderd. + +De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die, +volgens Naumann, meer afwisseling aanbiedt dan bij eenigen anderen +Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende geruimen tijd op die +van een Valk, daar hij nu eens met langzame wiekslagen door de lucht +roeit, dan weer over een grooten afstand op zijne vleugels drijft en +af en toe met tamelijk steil naar boven gericht lichaam als een Toren +valk "wiekelt" of "bidt"; het is op eenigen afstand vaak moeielijk +hem van een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij +zich, na eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen, +langs een booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een +kronkelenden, uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen, +nogmaals met razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar +boven terug te keeren. In 't eene oogenblik schijnt hij afgemat en +verslapt, in 't volgende is hij als "door den duivel bezeten"; nu +eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend, +alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende +bewegingsvormen.--Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea gemeen, +maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men de +Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de broedplaatsen +echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne verwanten, in +elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder een bepaald +gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik nooit iets +anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, is mij +niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen vervolgen, +om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen buit. Nog meer +dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en de Zeekoeten op +deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen voedsel stellig +niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine Jagers; want, even +vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, merkt men hen in de +toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht op Lemmingen en ook +Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan het zeestrand, waar +zij dieren verslinden, die door de golven op de kust geworpen werden. + + + +De Kleinste Jager (Stercorarius cephus) stemt in kleur met de vorige +soort overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel +en veel langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15 +cM. voorbij de overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55, +staartlengte 30 cM. + +Ook deze Jager broedt in 't hooge noorden van 't oostelijk zoowel als +van 't westelijk halfrond. Enkele exemplaren dwalen naar zuidelijker +zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden komen +zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In Siberië +voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch ook met bessen. + + + +Alkvogels (Alcinae) noemt men een 30-tal over de noordelijke zeeën +verbreide, in 't duiken zeer ervaren zeevogels, die zich kenmerken +door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een dikken kop, een +middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten snavel, middelmatig +hooge, drieteenige voeten, die met groote zwemvliezen voorzien zijn, +korte, smalle (bij uitzondering voor 't vliegen ongeschikte) vleugels, +een korten staart en een zacht, meestal tweekleurig vederenkleed. + +Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede +samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den +poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek +geregeld overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen +van Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts +gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor 't overige echter +op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in het +zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel, +op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend +rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele +Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om +het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen +moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote +vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne, +maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan +glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk +voor 't zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het +duiken in 't water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij +hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt +niet zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het +oog verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich +op veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die +voor een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar +eenig voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig +en vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote +zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren +bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer +bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast +de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene +koloniën in 't zuiden van Groenland; hier zou hongersnood ontstaan, +indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde. + + + +Een der merkwaardigste zeevogels is de Papegaaiduiker of Zeepapegaai +(Fratercula arctica of Mormon articus), een middelmatig groote, +korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig gevormden +snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige gedaante, is +aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings buitengewoon sterk +samengedrukt, van achteren begrensd door een lijstvormig gezwollen +huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, verder naar voren +met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet bijzonder spits, maar +met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen voet, die tamelijk +lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts gekromde nagels +in 't oog. De vleugels zijn klein, smal, van achteren met afgeronde, +korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen en is zeer kort; het +vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en glad aanliggend, op +de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere veeren samengesteld, +alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De bovenkop, de rug en +een band om den hals zijn zwart, de wangen en de keel aschgrauw, +de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. Het oog is +donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden koraalrood; +het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte plek +onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek koraalrood, +aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. Totale lengte +31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een veel geringere +hoogte en ontbreekt de halskraag. + +De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den +Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B., komt derhalve aan +de Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten +voor; in 't noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een +verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze +kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge +voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden +eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger: +in de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor; +bij honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den +zomer alle geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht +uit de zee opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar +'t zuiden en zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den +voortplantingstijd, van den waterspiegel tot op een hoogte van +verscheidene honderden meters, dicht bezet met nesten. Op alle +terrassen, lijsten, uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt +naast en boven elkander, de eene soort van Alken laag, de andere +in de middelste streek, de derde boven aan. Tusschen deze broeden, +eveneens gordelsgewijs, Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver- +en Mantelmeeuwen. Dit zijn de beroemde noordsche "Vogelbergen", +waarvan de (thans nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland +als zuidelijkste, zeer zwakke voorposten moeten worden beschouwd, +maar die reeds op de Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van +Noorwegen en elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de +donkere rotsen teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen +gerangschikte, met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten +zich duidelijk af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun +strijd om de niet te ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele +individuen is natuurlijk slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een +afstand gezien schijnen deze met witte, horizontale lijnen geteekende +rotsen als door bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar +de Alken zich niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij +om weg te vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels +uitspreiden; aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert +hun snelheid, en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd +moeten zij op een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te +verheffen, hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel +en met kracht omhoog te stijgen. Graba beschrijft de Färö-vogelberg +op de volgende wijze: "In een diepe, huiveringwekkende kloof, die door +onbestijgbare rotswanden van 1000 voet hoogte begrensd wordt, maakten +wij halt. Hier was de vogelberg. Welken kant men ook uitkeek, overal +zag men Vogels en niets dan Vogels. Duizenden van Zeekoeten en Alken +zwommen in gezelschappen van verschillende grootte om onze boot, keken +ons nieuwsgierig aan en verdwenen plotseling onder den waterspiegel om +in de onmiddellijke nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten +(Uria grylle) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden staken hun +kop hoog boven het water uit, de schending van deze vrijplaats niet +begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en Drieteenige +Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en gedood +werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort te +voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw +te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar +aan alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval +van den vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde; +eindelijk werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en +door den roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in +zee te vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die, +welke op het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust, +maar waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De +lucht wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar +hunne eieren terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade +overlaten; sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou +kunnen houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men +ze met een stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke +domicilie van deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die +een weinig boven den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte +Aalscholvers, die hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en +angstig uitzien naar eenige Skoea's (Groote Jagers) boven hen. Dan +volgt de lijn der Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het +andere; samen vormen zij een lange reeks, die zich over de geheele +breedte van de rots uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in +bovenwaartsche richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels; +de lager gelegen rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig +hooger, op kleine vooruitstekende punten van de rots, staan Alken +en Zeekoeten dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de +witte borst naar de zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan, +zoodat er geen hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor +de ongewenschte bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor +zich alleen hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost +de andere, die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van +genegenheid op dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel, +beantwoordt. Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van +deze duizenden zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt +er soms eenige verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen +borst; plotseling komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij +heendringt, totdat hij zijn plaats heeft ingenomen en intusschen +eenige van zijne buren naar beneden stoot. De hoogste plaats nemen +de Papegaaiduikers in; zij zijn minder goed te onderscheiden, +behalve wanneer zij af en aan vliegen. Bij een vogelberg heerscht +zulk een oorverdoovend geraas, dat men de woorden van zijn buurman +niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid van de Drieteenige +Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men het eentonige +"orr" van den Alk en het met allerlei klinkers verbonden "rrrrrr" +der Zeekoeten. Nadat ik lang genoeg de bewegingen van het vogelenheir +had nagegaan, werd het verlangen naar het bezit van een met een kuif +prijkenden Aalscholver, die op 60 schreden afstands van onze boot +op een klip zat, mij te machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te +recht gekomen is, weet ik niet: de werking van mijn schot was te +hevig. De lucht werd verduisterd door de uit hun nest opgeschrikte +Vogels. Vele duizenden vluchtten onder ontzettend geraas uit de kloof; +waaiervormig breidde de zwerm zich over de zee uit. Waarheen wij onze +oogen wendden, zagen wij niets anders dan vliegende Alken, Zeekoeten +en Meeuwen. Verwonderd kwamen de Papegaaiduikers uit hunne holen te +voorschijn, keken met komische gebaren naar de algemeene verwarring en +lieten langzaam hun "orr" hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor +'t meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten +zich, door schrik bevangen, in zee."--In dezen tijd halen de bewoners +van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun vleesch- en +eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. Zij varen +er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten Vogels, +laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, of +beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit den +rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw verbonden +om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen en door +lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht. + +De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich 's winters +dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder en +verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen. + +Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer +merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven, +alsof hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er +slechts over voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als +de pooten dienst: de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de +andere, ongeveer als een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij +slaat met de vleugels en de pooten aanhoudend op het water, volgt de +gebogen vlakken der golven, beschrijft den eenen boog na den anderen, +en verplaatst zich op deze wijze, oogenschijnlijk met groote haast, +maar met nog grooter inspanning. De snavel snijdt intusschen door de +golven heen, zoodat deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die +van den Schaarbek. Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel +verheven heeft, vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet +dit zoo snel, dat de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds +achter den Vogel schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen +der overige leden van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk +op de golven, of daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel +af, zonder dat dit hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder +eenig gedruisch, blijft soms wel 3 minuten lang onder water en kan, +naar men zegt, een diepte van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat +hij trippelend en waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten; +vliegend kan hij van zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen +en na het vliegen zonder bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij +'t zitten rust hij gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart, +of gaat plat op den buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij +onophoudelijk den kop en den hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij +iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn +stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner +verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep +en gerekt als "orr orr," volgens Faber soms ook als het geluid, dat +een slaperig mensch bij 't geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard +met een knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje. + +Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze +voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men +zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad. + +In 't midden van April of in 't begin van Mei, al naar de sneeuw +vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen en +zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde, +weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de +Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet +alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij +voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in +het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan 't werk. De +nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo kort, +dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien +zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje +aan dezen arbeid deel; de werktuigen voor 't graven zijn de snavel +en de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven +of liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer +onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich terdege schoon. Het +wijfje legt niet meer dan één ei; dit is echter zeer groot, ongeveer +70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen schaal is aanvankelijk zuiver +wit van kleur, maar wordt door den veengrond zeer spoedig geelachtig, +later zelfs bruinachtig. Beide ouders broeden, naar men zegt, ongeveer +5 weken lang. Het jong komt met een dicht kleed van langbaardige, +koolzwarte en lichtgrijze donsveeren ter wereld, piept jammerlijk +gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt later een krachtiger stem, +maar leert het ratelende "orr" van den volwassen Vogel eerst na het +uitvliegen. De beide ouders brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij +soms van een afstand van vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich +zonder schroom aan gevaren bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid +van hun kind meenen te kunnen bevorderen; ook verdedigen zij het, +zoo noodig, door woedende beten met den snavel. + +De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in +den regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch +bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de +ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven, +voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten, +of ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de +Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is +hun het noodige voedsel te verschaffen. + + + +De Alken (Alca) vertoonen eenige overeenkomst met de Papegaaiduikers +door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, zeer smal en +hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een uitstekenden +kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel zijn gegroefd, +de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den bovensnavel is +haakvormig, die van den ondersnavel eveneens benedenwaarts gekromd. De +vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig en hebben een lange spits; +de korte staart bestaat uit 12 smalle pennen. + + + +Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt, +herbergen ook de Alk (Alca torda). Het bruiloftskleed is aan de +bovenzijde en aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den +snavel tot het oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van +den tweeden rang, de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin, +de snavel, met uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet +eveneens zwart. Totale lengte 42, staartlengte 9 cM. + +Door levenswijze, gewoonten en aard gelijkt de Alk zoozeer op den +Papegaaiduiker, dat bijna al wat van dezen gezegd is, ook van genen +geldt. Hij is in dezelfde mate zeevogel en bewoont jaar in jaar uit +nagenoeg hetzelfde oord; hij zwerft echter gaarne van het eene deel +van de zee naar het andere, bezoekt b.v. in den winter vaak alle +fjorden van Noorwegen, waar men hem 's zomers niet ziet, verschijnt +(in Augustus) ook tamelijk geregeld aan de Duitsche, Nederlandsche +en Fransche kusten, en keert in Maart naar het noorden terug. Op de +vogelbergen, waar de Alken in Mei komen om te broeden, zijn zij in den +regel even veelvuldig als de Papegaaiduikers en de Zeekoeten, die hier +te gelijker tijd aankomen. Boje zag een dicht opeengedrongen zwerm, +welks breedte hij op 1000 schreden schatte en die zoo lang was, dat +onze berichtgever, terwijl de Vogels over zijn boot vlogen, tienmaal +zijn geweer laden en schieten kon. In dezelfde zee heb ik herhaaldelijk +dergelijke vluchten gezien. Om na te gaan hoe diep een Alk duiken en +hoe lang hij onder water blijven kan, bond men hem een zeer langen, +dunnen draad aan den poot en wierp hem uit de boot in zee. De Vogel +verdween oogenblikkelijk onder water en rolde het 60 M. lange koord +geheel af; na verloop van 2-3/4 minuut ongeveer verscheen hij weder +aan de oppervlakte om lucht te scheppen, waarna hij opnieuw onderdook. + +De klank van zijn stem is vergelijkbaar met dien van den +Papegaaiduiker, maar iets zwaarder en heescher, ongeveer als "örr" +of "ar", soms ook miauwend als "arr err kwer kweör". + +Op de vogelbergen nestelt de Alk bij voorkeur in rotsspleten; ook +treft men wel eens enkele nesten onder steenen, dus eigenlijk in holen +aan. Het wijfje legt slechts één ei van zeer aanzienlijke groote (80 +mM. bij 50). Het jong komt ter wereld in een bruinzwart donskleed met +wit aangezicht; het springt in nauwelijks half volwassen toestand, +na lange aarzeling, aangespoord door het luid geschreeuw en druk +gebarenspel van de ouders van boven van de rotsen onmiddellijk in zee +of laat zich van den bergwand afrollen, totdat het in 't water aankomt; +de ouders volgen het na, zwemmen aan zijn zijde, leeren het duiken en +zijn voedsel zoeken; nadat het geleerd heeft voor zich zelf te zorgen, +begeleiden zij het nog eenigen tijd, zonder het te voederen. + + + +Een merkwaardige Vogel, die nog in het begin van deze eeuw het hooge +noorden bewoonde, is ten gevolge van de vervolgingen, die hij van den +mensch te verduren had, thans waarschijnlijk geheel uitgeroeid. Indien +het mocht blijken, dat deze Vogel op een ons onbekende plaats nog +leeft, kan men er, zegt Newton, staat op maken, dat hij kort na +zijn ontdekking verdwenen zal zijn. Vroeger voorzagen de bewoners +van IJsland en Groenland zich door het dooden van dezen Vogel met +wintervoorraad; tegenwoordig zou het vel van den Reuzenalk tegen goud +opgewogen worden. + + + +De Reuzenalk of Pingoeïn-alk [Plautus (Alca) impennis] wordt te recht +beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht. Hem +kenmerken, behalve de aanzienlijke grootte, vooral de rudimentaire +vleugels, die voor 't vliegen geheel ongeschikt zijn, hoewel alle +soorten van vleugelveeren, zij het dan ook in onvolkomen toestand, +aan de voorste ledematen voorkomen. De snavel is langwerpig, de +snavelrug maakt van den wortel tot aan de spits een flauwe bocht; +de ondersnavel is ondiep binnenwaarts uitgehold; de geheele snavel +zeer hoog, maar buitengewoon smal; de zijrand van den ondersnavel is +nagenoeg rechtlijnig van den mondhoek tot vóór het neusgat, verderop +een weinig naar boven gekromd en aan de spits weer benedenwaarts +gericht; de zijden van 't voorste deel van den snavel zijn boven +met 6 à 7, onder met 9 à 10 groeven voorzien. De pooten stemmen in +maaksel met die van de Alken overeen; het vederenkleed heeft dezelfde +eigenschappen; de staart bevat hetzelfde aantal pennen. De Reuzenalk +heeft ongeveer de grootte van een Gans; zijn lengte bedraagt ongeveer +90 cM.; de vleugel is 17 à 20, de staart 8 à 9 cM. lang. De veeren +van de bovendeelen zijn glanzig zwart, aan de keel zwartbruin; de +onderdeelen en de spitsen van de armpennen zijn wit, de snavel en de +pooten zwart. + +Lang heeft men gemeend, dat deze Vogel de zeeën van het noordelijkste +deel der aarde bewoonde of nog bewoont; uit Wolley's onderzoekingen +blijkt het tegendeel; Steenstrup's ontdekkingen bewijzen, dat de +Reuzenalk in den vóórhistorischen tijd in grooten getale aan de +Deensche kusten geleefd moet hebben. Er zijn geen bewijsstukken +gevonden voor de meening, dat hij ooit Spitsbergen bezocht heeft, +evenmin werd hij in 't hooge noorden van Amerika gevonden. Holböll +bericht, dat op de Groenlandsche kust bij Fiskernaes in het jaar +1815 de laatste Reuzenalk gevangen werd. Alle overige mededeelingen +bevestigen de stelling, dat deze Vogel eertijds zuidelijker gedeelten +van de IJszee bewoonde en waarschijnlijk in nog grooter aantal in +het noorden van den Atlantischen Oceaan of van de Noordzee gevonden +werd. Dat hij vroeger tot aan de Fär-öer als broedvogel afdaalde, +schijnt vast te staan, evenmin kan men in twijfel verkeeren over +zijne bezoeken aan de Hebriden. In het jaar 1790 werd een exemplaar +buit gemaakt in de haven van Kiel; in 1830 spoelde, volgens Naumann, +een doode Reuzenalk op de kust van Normandië aan. Het veelvuldigst +is hij waarschijnlijk ten allen tijde op IJsland en Newfoundland +geweest; het was echter niet op IJsland zelf, maar op de omliggende, +bijna voortdurend door een woedende branding omringde klippen en +kleine rotsachtige eilanden, dat deze Vogel veilige broedplaatsen en +tot in den laatsten tijd van zijn bestaan een nagenoeg ongenaakbaar +toevluchtsoord vond. + +Werkelijk veelvuldig schijnt de Reuzenalk hier reeds in de vorige +eeuw niet meer geweest te zijn. In een oud handschrift uit het begin +van de laatste helft van de vorige eeuw vonden Newton en Wolley een +beschrijving van de Alkklip van Reykjanes, waarin melding wordt gemaakt +van het wonderbaarlijk aantal Vogels op de daar aanwezige rotsen, +met de toevoeging echter, dat de Reuzenalk daar volstrekt niet zoo +veelvuldig voorkomt, als gezegd werd; de door hem in beslag genomen +ruimte werd op niet meer dan het 1/16e deel van de klip geschat; wegens +zijn ongeschiktheid tot vliegen kon hij de hooger gelegen rotsen niet +bereiken. Een deel van het handschrift is gewijd aan een nauwkeurige +beschrijving van den Reuzenalk en zijne eieren; ten overvloede is +er een teekening bijgevoegd, die de klip voorstelt met twee mannen, +welke zich met de vangst van Reuzenalken bezighouden. Olafsen, die +in het jaar 1458 op IJsland vertoefde, vernam, dat men in vroegeren +tijd booten vol eieren van de bedoelde klip weghaalde en dus geregeld +jachttochten daarheen ondernam. Naar het schijnt, is men hiermede +voortgegaan tot in het begin van deze eeuw; in Faber's tijd echter, +in het jaar 1822 dus, geschiedde dit niet meer en werden slechts +toevallig bezoeken aan de klip gebracht. Zoo kwam in den zomer van 1813 +een schip, dat van de Fär-öer naar IJsland zeilde om levensmiddelen +te halen, langs de klip, die toen met Vogels bedekt was; omdat het +weer gunstig was ging de bemanning aan land en doodde verscheidene +Reuzenalken, waarvan er eenige naar Reykiavik werden gebracht. Naar men +bericht, hebben deze zeelieden toen een geweldige slachting onder de +Vogels aangericht; hun buit bestond uit niet minder dan 24 Reuzenalken, +zonder te rekenen die, welke reeds ingezouten waren. Faber bericht, dat +in het jaar 1814 een boer op een kleine klip 7 Reuzenalken doodde. Van +1814 tot 1830 hebben stellig nog verscheidene exemplaren, maar geen +groote troepen, hetzelfde lot ondergaan. + +In het jaar 1830 ging een zekere Goudmundsson tweemaal ter jacht +naar Eldey of de "Meelzak"-klip; hij bemachtigde de eerste maal 12 +of 16, de andere keer 8 Reuzenalken, die voor 't meerendeel voor +verzamelingen behouden zijn gebleven. Bij een dergelijken tocht in +het volgende jaar werden 24 Reuzenalken buit gemaakt; sommige van +deze werden levend medegenomen en een tijdlang in 't leven gehouden, +alle werden ten slotte opgestopt. In 1833 ving men er dertien, +in 1834 negen, in 1840 of 1841 drie, in 1844 nog twee; deze beide, +de laatste exemplaren waarvan men berichten heeft, waren misschien +de laatste vertegenwoordigers van hun geslacht. + +Uit talrijke door Steenstrup verzamelde mededeelingen van zeelieden +uit vroegeren tijd en uit latere onderzoekingen is gebleken, +dat de Reuzenalken of "Pingoeïns" (zooals zij aan de westkust van +den Atlantischen Oceaan steeds genoemd worden) op Newfoundland en +eenige naburige klippen eveneens veelvuldig zijn geweest; zij waren +dit o. a. nog in de 16e eeuw. Hakluyt verhaalt in een brief van 18 +November 1578, dat men deze vogels over de loopplank in de boot +dreef, totdat het vaartuig vol was. "Wij kregen," schrijft hij, +"een eiland in 't zicht, dat Pingoeïn-eiland wordt genoemd, naar +een Vogel, die daar in ongelooflijke menigte broedt; de Pingoeïn +kan niet vliegen, zijne vleugels kunnen het lichaam niet opheffen; +hij is zeer groot, niet kleiner dan een Gans en buitengewoon vet. De +Franschen vangen dezen Vogel op genoemd eiland zonder moeite en zouten +hem in." De Noorsche onderzoeker Stuvitz vond bij een bezoek, dat +hij in 1841 bracht aan een groep van kleine klippen, die voor den +ingang van de Bonavista-baai liggen, de overblijfselen van muren, +uit opeengestapelde rotsklompen samengesteld, tot het begrenzen van +perken, waarin eertijds de Reuzenalken door hunne vervolgers gedreven +en afgemaakt werden. Ook vond hij hier hoopen van beenderen, die bij +nader onderzoek van den Reuzenalk afkomstig bleken te zijn. In het jaar +1863 kreeg een Amerikaan van de regeering verlof om de aarde van deze +rotsen weg te voeren en als mestspecie naar Boston te zenden. Bij het +opruimen van den half bevrozen grond werden, behalve vele beenderen, +op een zekere diepte ook verscheidene door de natuur gevormde mummiën +van den Reuzenalk gevonden. Twee van deze in veen en ijs voor bederf +bewaard gebleven exemplaren werden naar Engeland gezonden en stelden +Owen in de gelegenheid tot het schrijven van zijn beroemde verhandeling +over het beenderenstelsel van den Reuzenalk. + +Volgens een in 1883 door Blasius opgemaakte lijst bevatten de +Amerikaansche musea 3, de Europeesche 71 opgestopte exemplaren van +den Reuzenalk; van deze vindt men er 21 in Groot-Britannië, 20 in +Duitschland en 2 in Nederland (n.l. in het Rijksmuseum te Leiden en +in het museum van Natura artis magistra te Amsterdam). Een dergelijk +exemplaar vertegenwoordigt een waarde van 2000 à 2500 gulden. In +'t geheel zijn 65 eieren van deze vogelsoort in de verzamelingen +aanwezig. In 1888 werd zulk een ei verkocht voor f 2640. In het museum +van "Artis" is zulk een ei aanwezig. + +Eertijds kregen de IJslandsche visschers gedurende den zomer in +de zee zoo geregeld Reuzenalken te zien, dat aan deze Vogels geen +bijzondere aandacht werd geschonken. Volgens alle waarnemers zwommen +zij gewoonlijk met hoog opgeheven kop, maar ingetrokken nek en doken +steeds onder, als zij verontrust werden. Op de rotsen zaten zij +rechtop, in steiler houding dan de Zeekoeten en Alken. Zij gingen of +liepen met kleine, korte pasjes en hielden daarbij den romp verticaal +gelijk de mensch; als een gevaar hen bedreigde, stortten zij zich van +een hoogte van 4 à 5 M. naar beneden in de zee. Door een gedruisch +werden zij meer verschrikt dan door een verschijnsel, dat met de oogen +waargenomen wordt. Soms hoorde men van hen een zwak gekras. Nooit +heeft men opgemerkt, dat zij hunne eieren verdedigden; wanneer zij +zelf aangevallen werden, verweerden zij zich door hevig te bijten. + +Hun voedsel schijnt bestaan te hebben uit Visschen van verschillende +grootte. Fabricius bericht, dat hij bovendien in de maag van een jong +overblijfselen van planten vond. + +Het eenige ei, dat in ieder voortplantingsseizoen ontstond, werd in +Juni gelegd; het heeft dezelfde tolvormige gedaante als de eieren van +andere Alken, maar is veel grooter dan deze; het is grooter dan eenig +gevlekt ei, dat van een Europeeschen Vogel afkomstig is. De lengte is +120 à 130, de middellijn Op de dikste plaats 75 à 80 mM. De mannetjes +en de wijfjes hebben, zooals uit hunne broedplekken blijkt, om beurten +gebroed; hoe lang het duurde, voordat de jongen het ei verlieten, +weet men niet, misschien 6 à 7 weken. Het jong had bij de geboorte +een donkergrijs donskleed en werd zeer spoedig naar het water gebracht. + + + +De Zeekoeten (Uria) verschillen van de Alken door den vorm van +den snavel; deze is slank, recht, zijdelings weinig samengedrukt, +eenigszins priemvormig, ongeveer even lang als het overige deel van +den kop, tot op de langwerpige neusgaten bevederd; de bovensnavel +is op den rug flauw afgerond, alleen aan de spits een weinig naar +beneden gebogen, de scherpe zijranden zijn eenigszins ingetrokken, +de kinhoek is onduidelijk. De pooten zijn ver achterwaarts geplaatst, +de vleugels smal en spits met dikke slagpennen; de staart is kort en +afgerond, uit 12 à 14 pennen samengesteld; het vederenkleed van den +romp bestaat uit korte, losbaardige veeren, heeft op de onderdeelen +overeenkomst met een vacht en is bij ouden en jongen, in den zomer +en in den winter merkbaar verschillend. + + + +Bij de Kleine Zeekoet (Uria grylle) is het bruiloftskleed fluweelachtig +zwart met groenachtigen weerschijn; op de vleugels komt een wit veld +voor, het oog is bruin, de snavel zwart, de voet koraalrood. In den +winter zijn de onderdeelen wit en zwart gevlekt. Totale lengte 34, +staartlengte 5 cM. + +De Kleine Zeekoet behoort in 't hooge noorden thuis en broedt tusschen +80 en 58° N.B. Binnen deze grenzen is zij algemeen, hoewel men +haar zelden in zwermen, meestal slechts paarsgewijs en afzonderlijk +aantreft. In 't begin van den eigenlijken winter trekt zij meer of +minder geregeld zuidwaarts. Op de Duitsche kusten komt zij echter +zelden voor; bij ons werd zij nog niet waargenomen. + +Deze Vogel maakt steeds een aangenamen indruk, hetzij men hem op een +rotsblok ziet zitten, of hem bij 't zwemmen en duiken, of vliegen +bespiedt. Bij 't zitten is hij gewoon den geheelen loop op den grond +te laten rusten, den romp een nagenoeg verticalen stand te geven +en met bevallige kronkelingen van den hals den kop heen en weer +te bewegen. In 't zwemmen is hij zeer bedreven: lichter dan zijne +verwanten rust hij op het water, daar gewoonlijk slechts een klein +deel van den romp ingedompeld is. Bij 't roeien worden de fraaie, +roode voeten dikwijls zichtbaar. Om te duiken strekt hij beide pooten +met kracht achterwaarts, buitelt tevens zonder gedruisch over den kop, +breidt onder water dadelijk de vleugels uit en gebruikt ze tegelijk +met de voeten als roeiriemen. Na hoogstens twee minuten komt hij weer +boven om te ademen. Het vliegen schijnt hem betrekkelijk weinig moeite +te kosten, hoewel hij de vleugels zeer snel, als 't ware gonzend, +bewegen moet. Om van 't water op te vliegen, neemt hij een korten +aanloop; op een zekere hoogte gekomen, is zijn vlucht echter veel +sneller dan men aanvankelijk vermoed zou hebben; schielijk bereikt +hij een aanzienlijke hoogte, b.v. het hooge gedeelte van de rots, +waar zijn nest zich bevindt. Naar 't water terugkeerend, breidt +hij eenvoudig de vleugels uit, zonder ze eigenlijk te bewegen. De +Kleine Zeekoeten toonen een zachtzinnig, goedaardig, verdraagzaam +karakter. Op de broedplaatsen verschijnen zij in 't begin van Maart, op +een grooten vogelberg hoogstens een dertigtal, die zich om de overige +zeevogels niet schijnen te bekommeren, ieder paar steeds afgezonderd +te midden van millioenen Zeekoeten van andere soorten. Als een mensch +de broedplaats nadert, zal het paartje wachten, tot hij op een afstand +van slechts 15 à 10 schreden gekomen is en dan de vlucht nemen. De +broedende Vogel zit dikwijls zoo "vast", dat men hem met de hand kan +grijpen. De Groenlanders en IJslanders vangen Kleine Zeekoeten, zooveel +zij kunnen; de Noren ontnemen haar alleen de eieren. Haar vleesch +smaakt tranig, maar kan zoo toebereid worden, dat het eetbaar is; +in Lapland worden den reiziger dikwijls jonge Zeekoeten voorgediend, +die hij mettertijd als een smakelijk gerecht leert beschouwen. De +veeren worden gebruikt tot vulling van bedden. Het meest worden de +eieren geschat; wie gewend is aan hun eigenaardigen smaak, vindt ze +lekker. Zij worden (zelden voor het midden van April, dikwijls eerst in +Mei) ten getale van twee in een rotsspleet gelegd en zijn gemiddeld 6 +cM. lang en 4 cM. dik. Het mannetje en het wijfje broeden afwisselend +24 dagen lang en voederen hunne jongen aanvankelijk in het nest met +Zandpieren, Slijkvisschen, kleine Zandalen, enz., totdat zij geschikt +zijn om, evenals de volwassen Vogels, allerlei soorten van Visschen en +Schaaldieren te eten. De jongen in het donskleed kunnen wel zwemmen, +maar niet duiken. + + + +Bij de Gewone Zeekoet (Uria troïle of Uria lomvia) zijn de kop, de +voorhals en de bovendeelen fluweelachtig bruin, de spitsen van de +schouderveeren wit, waardoor op den vleugel een lichte band ontstaat; +de onderdeelen zijn wit, aan de zijden met bruine, overlangsche +strepen. In het winterkleed zijn ook de voorhals en een deel van de +achterwang wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig +grijs, aan de buitenzijde donkerder. Totale lengte 46, staartlengte +6 cM. + +De Bastaard-zeekoet (Uria hringvia), die, evenals de volgende vorm, +soms als een verscheidenheid van de vorige soort wordt beschouwd, +heeft in haar bruiloftskleed een witten ring om het oog, die in een +witte, tot aan den achterkop reikende streep uitloopt. Overigens +stemt zij nagenoeg geheel met de Gewone Zeekoet overeen. + +De Groote Zeekoet (Uria Brünnichii) onderscheidt zich van de Gewone +door den korteren, dikkeren snavel en de geelachtig witte streep langs +de bovenrand van de mondspleet, van den mondhoek tot aan het neusgat; +ook is zij ongeveer 3 cM. langer. + + + +Al deze soorten bewonen de noordelijke zeeën van beide werelden; +enkele exemplaren broeden echter in den gematigden gordel. Gedurende +den winter begeven zij zich geregeld naar zuidelijker zeeën en +komen dan ook in de nabijheid van onze kust; het meest vindt men +hier de eerstgenoemde soort (enkele exemplaren zelfs in den zomer), +het zeldzaamst de laatstgenoemde, hoewel deze op de Deensche kust +'s winters talrijk is. Het grootste deel van hun leven brengen zij +in de open zee door; de meeste blijven voortdurend in dezelfde +streek; slechts gedurende den voortplantingstijd komen zij aan +land. Zij zwemmen uitmuntend, waarbij de romp nagenoeg tot aan de +grens tusschen het witte en het zwarte deel van het vederenkleed +ingedompeld is; zij zijn meesters in het duiken, roeien zich onder +water met de vleugels en de pooten zeer snel en behendig voort +en kunnen verscheidene minuten achtereen onder water blijven. Zij +vliegen snel, met gonzende vleugelslagen, hoewel niet gaarne ver +in één tocht, op aanzienlijke hoogte alleen dan, wanneer zij zich +naar haar nest begeven, anders meestal dicht bij 't water langs. Van +verre gezien gelijken zij wegens de snelle beweging der vleugels op +groote Insecten; in den broedtijd komt men er onwillekeurig toe den +vogelberg, vooral wanneer deze kegelvormig is, met een door Bijen +omzwermden korf te vergelijken. Alleen wanneer zij zich van hunne +broedplaatsen op den vogelberg in het water storten, glijden zij +nagenoeg zonder vleugelslagen lijnrecht naar beneden. Daar de op- +en neervliegende Vogels dezelfde richting volgen, schijnt de berg +door een dak omgeven te zijn. Buiten den broedtijd ziet men ze nooit +op deze wijze vliegen; zij bepalen zich dan tot zwemmen en duiken, +of verheffen zich hoogstens voor een korte poos in de lucht, om +spoedig naar 't water terug te keeren. Gewoonlijk hebben zij een +glijdenden gang, plomp schuifelen zij met de geheele zool over den +grond; soms echter loopen zij, als 't ware dansend, op de teenen, maar +moeten dan van de vleugels gebruik maken om het evenwicht te bewaren, +zoodat deze wijze van beweging eerder gebrekkig vliegen dan loopen +kan heeten. Hun stem bestaat uit een langgerekt gesnater of geratel, +dat echter zeer verschillend geïntoneerd kan zijn en daarom soms als +"örr", soms als "err" schijnt te klinken; ook hoort men van hen wel +eens een huilenden of mauwenden toon. De jongen fluiten. + +Niemand zal na een bezoek aan een met Zeekoeten bedekten vogelberg zich +er over verwonderen, dat deze Vogels dom worden genoemd. Werkelijk +toonen zij zich buitengewoon onergdenkend en vol goed vertrouwen, +vooral wanneer zij zich te land bevinden: in 't water laten zij +een boot dikwijls dicht bij hen komen; hunne broedplaatsen kan men, +zonder hun argwaan te wekken, tot op een afstand van 6 à 4 schreden +naderen en hier gaan zitten kijken of zich met teekenen of schrijven +bezig houden, zonder dat zij wegvliegen. + +Wie hen wil leeren liefhebben, moet hen op hunne broedplaatsen +bezoeken. Hiertoe kiezen zij steil uit zee oprijzende klippen of +bepaalde rotswanden uit, welker voet door het water bespoeld wordt, die +rijk zijn aan terrassen, uitsteeksels en spleten en in welker nabijheid +zij met het best mogelijke gevolg kunnen visschen. Tegen het einde +van Maart of het begin van April verschijnen zij in meer of minder +groote zwermen op de vogelbergen. Dan worden deze weldra het tooneel +van een eigenaardig leven en gewemel. De vogelberg is voortdurend +door een wolk van Vogels omgeven; duizenden en honderdduizenden +zitten schijnbaar op rijen geplaatst met de witte borst naar de +zee gekeerd op alle uitsteeksels, hoekpunten, spitsen, terrassen, +kortom overal waar gelegenheid is om te zitten; honderdduizenden +vliegen intusschen van boven naar beneden of van beneden naar boven, +terwijl een niet minder groot aantal zich in de zee aan den voet van +den berg met visschen en duiken bezig houdt. Zelfs de grootste berg, +de meest uitgestrekte rotswand wordt overstelpt met bewoners, die +echter ieder met een kleine ruimte tevreden zijn, zoodat men nooit +strijd ziet ontstaan over de standplaatsen der nesten. Het mannetje +en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht; zij zitten, als de +eieren nog niet gelegd zijn, voortdurend naast elkander, vliegen +gelijktijdig naar zee, visschen gemeenschappelijk en keeren te zamen +naar het nest terug, waar zij later de zorg voor het broeden deelen. + +Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; het heeft +een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder vlekken +geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel afwisseling aan, +dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen gelijke zal +kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het wijfje +legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede te +bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te +krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij +deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs +treft men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan, +die zich met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet +zien, om het spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van +30 à 35 dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt +meer op een grauwzwarte prop wol, dan op een Vogel; het groeit +schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een +vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu verlaten +de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te begeven, +"welke verhuizing," zegt Naumann, "niet geheel vrij is van gevaar, +zooals duidelijk blijkt uit het in 't oogvallend, angstig heen en +weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van +deze gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met één +sprong van den kant van de rots in zee; voor de eerste maal met het +water in aanraking komend, duikt het, wederom gevolgd door de ouden, +dadelijk in de diepte; als allen weer boven gekomen zijn, dringt +het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de ouders aan, als +'t ware om bij hen bescherming te zoeken en op hun rug te klimmen; +het moet zich echter een nadere kennismaking met het natte élement +getroosten, waarmede het door herhaaldelijk met de ouden onder te +duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk is het dus in de +gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt gedrongen zich +met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich niet meer met +zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind om het tegen +gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; hier ziet +men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor 't meerendeel +slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige jonge +Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee +begeeft en valt zich op de steenen te pletter." + +De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en leveren, +al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er broedt een +meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De eerstgenoemde +worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen gezouten en +voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de vogelvangers een +afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen gevaar schuwen en +den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen zien, sterft er +ternauwernood één in zijn bed. Zij beklimmen de rotsen van onderen af, +of laten zich aan lange touwen naar beneden zakken, om vervolgens, +hieraan slingerend, een met broedende Vogels bedekte rotspunt +te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver verwijderd zijn: zij +zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks plaats genoeg is voor een +Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die ongelooflijk schijnen. In +Groenland schiet men 's winters duizenden Zeekoeten met het geweer; +ook krijgt men ze op de volgende zeer eigenaardige wijze in handen: De +Vogels zoeken hunne broedplaatsen op, voordat het kustijs losgeraakt +is en brengen hier den korten nacht slapend door. In dezen nacht +begeven de Groenlanders zich zoo stil mogelijk naar de vogelbergen, +om, zoodra zij hier gekomen zijn, de Vogels schrik aan te jagen door +plotseling te schreeuwen en te schieten. De arme Zeekoeten denken er +niet om, dat de zee aan den voet van de rots nog met ijs bedekt is +storten zich hals over kop naar beneden en vallen zich te pletter op +het ijs. Behalve door den mensch worden zij onophoudelijk vervolgd +door Roofvogels, Raven en Jagers; onder water loopen zij gevaar door +roofvisschen verslonden te worden. Ondanks deze vervolgingen neemt +hun aantal niet af. + +De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den +24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend, +in 't eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van +het eiland. + + + +De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle Zeekoeten, +van de Kleine Alk (Mergulus alle), den eenigen vertegenwoordiger +van het geslacht der Krabbenduikers, hebben nagegaan, noemen haar +eenstemmig een van de bevalligste kinderen der zee. Door den korten +en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij oude Vogels vóór de +eironde neusgaten nog flauwe groeven vertoont, houdt zij in zekeren +zin het midden tusschen de Alken en de Zeekoeten. Het vederenkleed +is op de bovendeelen donkerzwart, op den onderhals dofzwart, op de +overige onderdeelen wit; de handpennen en stuurpennen zijn zwart; de +armpennen hebben aan de spits een breeden, witten zoom. Het oog is +donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet blauwachtig zwart. In het +winterkleed is ook de keel witachtig en de hals donkergrijs. Totale +lengte 25, staartlengte 3 cM. + +De Groenlandvaarders noemen de Kleine Alk "IJsvogel", omdat men +gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa's, wanneer +zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij de +bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug gaat +zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig tusschen de +steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar bekwaamheid +in 't zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van haar familie +buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den waterspiegel +en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. In de +zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de +schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij +welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig +verheffen. Van 't water, evenals van 't land, vliegt zij vlug en zonder +merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten herinnert zij dan +aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine vleugels zeer snel moet +bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te bestaan uit kleine, +dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; slechts zelden vindt +men overblijfselen van Visschen in haar maag. + +De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd +ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen +hoort men, volgens Mallingren, nog op een halve mijl afstands +van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als 's nachts, van de +berghellingen, die zij tot woonplaats hebben uitgekozen, hun als +"trr, trr, tet, tet, tet" of als "gief" klinkend geschreeuw. Volgens +Faber broeden zij op IJsland slechts op één plaats, n.l. op de +noordelijkste spits van het eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt +diep onder de neergestorte steenklompen een geschikte plaats om te +nestelen; men vindt in dit hol één wit, blauwachtig getint, zelden +zwak roodachtig gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra +de jongen zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van +verschillende broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de +zeevaarders in het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen +hebben. In den winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan +de kusten van de Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze +dan dikwijls in menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van +Augustus. Bij ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands +in slooten en vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen +richten misschien onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan +dan de mensch. Naast het vleesch van het Rendier is dat van deze +zeevogels een van de grootste lekkernijen van het hooge noorden. Bij +duizenden worden zij gedood, soms meer dan 30 in één schot. + + + +De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten, +vooral van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam +stroomende wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied +aan eenige hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die Parra's heeten en een +afzonderlijke groep uitmaken (Parrae), die slechts één familie bevat +(Parridae). Men ontmoet ze in de keerkringslanden van de Oude zoowel +als van de Nieuwe Wereld. Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten, +die evenwel alle in levenswijze overeenkomen. Slechts bij uitzondering, +vooral in den broedtijd, verlaten zij hunne drijvende eilanden. + +In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch +volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt, +laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst +op 't laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen +en strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze +Vogels, die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk +een bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen, +hoewel hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige +meening, die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen +anderen Vogel van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger; +dit feit heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin +zij een rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich +onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen, +zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door +het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of +in het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen, +van andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een +vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet +slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een +waarschuwing tegen gevaar. + +Zij voeden zich gedurende een deel van 't jaar bijna uitsluitend met +de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar bovendien +ook met allerlei kleine dieren. + +Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en +hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte +door die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar +de gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot +vlak beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot, +drijvend blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang, +smal en spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld; +bij één soort echter (bij Parra sinensis, die ook op de Soenda-eilanden +gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen draadvormig verlengd. Het +vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, maar stijf en in den +regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, die bij de meeste +soorten voorkomt, is bij sommige--o. a. bij de Haantjesparra (Parra +cristata), die op Celebes en Noord-Australië thuis behoort--verlengd +tot een huidlel. Opmerkelijk is de stevige, meestal spitse, soms stompe +"doorn", waarmede het handgewricht gewapend is. + + + +Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke in +Brazilië Jassana, in Cayenne Chirurgien, in Suriname Kemphaan wordt +genoemd (Parra jaçana). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst +en de buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de +slagpennen geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen +donker roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de +spits geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan +den mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig +grijs, de doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is +(met zijn 24 mM. langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop; +de achterteen is 64 mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen. + +Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel stilstaand +water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende bladen bedekt +is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en laat haar +rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke nabijheid +van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; houdt zich +bovendien op in alle moerassige streken, op natte, moerassige weiden, +in de nabijheid van de kust, zoowel als in 't binnenland of te midden +van de oerwouden. Een prachtig schouwspel levert zij op te midden van +de prachtige waterleliën, welker kleuren door de hare in de schaduw +worden gesteld, pijlsnel loopend over de dicht dooreengegroeide, +groote, groene bladen, voortdurend bezig met het zoeken van haar +voedsel, dat vooral uit waterinsecten en hunne larven, doch ook uit +zaden bestaat. + +Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen van +waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen +hun moeder schielijk na. + + + +De Trappen en Grielen vereenigt Fürbringer in één groep, die der +Trapvogels (Otides). + +De Trappen (Otididae) zijn groote of middelmatig groote, zwaarlijvige +Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een tamelijk grooten +kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden samengedrukten, +overigens kegelvormigen, vóór de spits van de bovenkaak een weinig +gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is als de kop. De middelmatig +lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; van de stevige, breede +slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de onderzijde zacht +uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte staart bestaat +uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed is aan den +kop en den hals dikwijls verlengd ("baard") en steeds met levendige +kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter dan het wijfje en +gewoonlijk ook fraaier gekleurd. + +Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen, +vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele +opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de +Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven +zij den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun +voedsel, schreeuwen of vechten met elkander; des middags "gullen" zij +(baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den avond +zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige +plaats uit, om er 's nachts te rusten. Zij eten even graag zaden als +bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen zelf, +laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele kool +met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend worden; +later beschouwen zij het als een lekkernij. + +Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de +lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in +monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt +de hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt +er een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt +zij ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins +plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor +de veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen. + +De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver gejaagd, +omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het toonen +van zijn meerderheid. + + + +De Groote Trap of Trapgans, in Noord-brabant en Zeeland Wilde Kalkoen +genaamd (Otis tarda), is de grootste Europeesche landvogel. Haar +lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan +tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van den +bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond met +zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde +vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin, +aan de smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften +geelachtig wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai +roestrood, vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de +buitenste bijna geheel wit. De "baard" bestaat uit ongeveer 30 lange, +teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig. + +Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel +Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel +en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is zij +reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in +eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije, +in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in geheel +Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon veelvuldig +aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder van zwerven +dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de zuidelijke, +maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland en +Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal +dan thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst +in zoo groote menigte, dat (gelijk Merula in zijn "Vlugchtbedrijf" +bericht) geheele velden er mede bedekt waren. Ook thans echter +strekken enkele exemplaren hun tocht naar 't westen zoo ver en zelfs +tot in Groot-Britannië uit. Hun aantal is evenwel alleen dan van +eenige beteekenis, wanneer in Oost- en Middel-Europa een strenge +koude heerscht en veel sneeuw valt, gelijk het geval was in December +1890 en Januari 1891. In de meeste provinciën van Nederland zijn in +genoemden winter Trappen waargenomen, soms vluchten van 18 stuks; +10 exemplaren werden geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in +denzelfden tijd 7 bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in +Roemenië onder de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem +geen voedsel vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250 +à 400 passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid +van boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal +Trappen, dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat +men op niet minder dan 800 stuks (Albarda). + +In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden +bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote +Trap ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier +standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt; +zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en +Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus in +het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere +gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan +ook in beperkte mate. + +De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in +iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland +bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op +in velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, het meest dus in +akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit jaargetijde is zij, +zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, die haar in het +hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats verschaft. Des nachts +rust zij steeds op de meest afgelegen velden, meestal braakliggend +of stoppelland, die zij eerst in de schemering opzoekt en waar, naar +het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de veiligheid van het +geheele gezelschap moeten waken. + +De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan haar +voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan zij +echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite kan +inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen +bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel, +maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen +in de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij +zich zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen +een geoefend oog en een vaste hand moet hebben. + +Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht +gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel +duidelijk kan waarnemen. + +De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van +de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De +reuk schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen +scherp hooren. + +De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met +groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd +bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar +gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet +zij naar 't schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten van +kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast in +geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter +voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den +zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige +Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij +ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door, +tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de +dauwdroppels, die 's morgens aan het gras hangen. + +Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid; +zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven +staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige +zak aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo +dik schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats, +tot de zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten +voor de meening, dat de Trappen in monogamie leven. + +Bij 't kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van groote +voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter zorgvuldiger +dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is opgeschoten, dat +het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt zij een ondiep +kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge stoppels, +stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook wel drie, +niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een dikke, +grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig groenen +of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. Zij +nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk heen, +laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand bespeurt, +den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat op den +bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te worden, +door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, vliegt +zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in 't koren neder en loopt +dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de wollige, +bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog zijn +met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; wanneer +het gevaar loopt, fladdert zij angstig dichtbij den rustverstoorder +langs en neemt allerlei listen te baat om hem van 't spoor te brengen; +wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen terug, die +zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben gedrukt en in +de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van den bodem een +voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. Kleine Kevers, +Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door de moeder uit +den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes neergelegd worden, +maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn zij zeer onbeholpen; +hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren eerst laat zelf hun +voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig groen voer te eten. + +Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar volwassene +het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer ervaren +vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders gevonden zijn +en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De Trappen zijn +niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten 's zomers en +'s winters in de vrije natuur gelaten worden. + +De Trap wordt tot de "groote" jacht gerekend en overal ijverig +vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht +de zoogenaamde "karbuks", een echte helsche machine, die uit +vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar +zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren +jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en +dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als +een boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen +een kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij +berijden, of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild +verbergen. In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met +Windhonden "gehitst", in Azië "beit" men ze met Edelvalken of getemde +Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms nevelachtig, vriezend +weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de Trappen achterna; in +dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met een ijskorst bedekt +en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De vallen en strikken, +die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de gewenschte uitkomst. + + + +In 't zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde soort, +de Kleine Trap (Otis tetrax). Haar geringere grootte en afwijkende +kleur onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren +van bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij +het mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar +den gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden, +witten dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht +geelachtig met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond +in dwarse richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven- +en onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn +wit, de handpennen aan den wortel wit, aan de spits donkerbruin, +de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren wit, dichtbij +de spits met twee banden versierd. Het oog is licht- of bruingeel, +de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet stroogeel. Totale +lengte 50, staartlengte 13 cM. + +Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied begint, +waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar geschikte +verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en Zuid-Frankrijk; +van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over Turkije en +Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië (vooral +Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en Syrië), naar de andere zijde +over Italië, Spanje en Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische +steppen moet men als het brandpunt van haar verbreidingsgebied +beschouwen. Ook op Sardinië schijnt zij zeer veelvuldig te zijn, +terwijl zij in Spanje wel is waar niet in grooten getale voorkomt, +maar toch nergens ontbreekt. Na den broedtijd zwerft zij rond en trekt +vervolgens uit sommige landen naar zuidelijker streken. Gedurende hare +zwerftochten verdwaalt zij ook naar koudere gedeelten van Europa, +o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn hier (van September tot +Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort geschoten. Vóór 1870 +verscheen zij op deze wijze ook in Duitschland, zoowel in de lente +als in den herfst, bleef er altijd echter slechts korten tijd om zich +vervolgens hetzij naar het zuidwesten of naar het oosten van Europa +te begeven. Sedert het genoemde jaar heeft zij zich in het kale, +heuvelachtige, maar vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de +steden Weissense, Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen +is, en later ook in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort +de Kleine Trap in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de +groote zeldzaamheden. + +In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap, +zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral +met Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het +plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden, +maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar +als een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den +naam "Fazant" opgedischt. + + + +De Aziatische Kraagtrap [Otis (Houbara) Macqueenii], die door haar +grootte het midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten, +is in ons land geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist +geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn afgedwaalde +exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar aan haar +kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren bestaat, aan +den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten vederkraag aan +weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende dwarslijnen +op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en vleugels. + +De Hoebara [Otis (Houbara) undulata], die vaak met de Kraagtrap verward +werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver witte +kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels donkerder, +meer bruinachtig zijn. + + + +De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende +gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van +Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige +vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische +landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en Mesopotamië. + +De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de Middellandsche +Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet zeldzaam in +Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche kust zelfs +veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in het +Nijlgebied. + +Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige, +schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst +de echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke +liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad +oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde +Valken. + + + +Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige +woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn +niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels +naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin +begaven en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun +vlucht niet strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp +na het hooren van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag +ik bij het licht der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen +in den tuin, naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten +zij uit de oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij +gekomen waren. Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte +inlichting. Ik repte mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot +had geschoten, een Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een +Griel, den middelvorm tusschen de Trap en de Pluvier, de Nachttrap, +gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik gelegenheid genoeg om +den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik ontmoette hem of een +zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze hebben, in alle +landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik bezocht. + +De kenmerken van de Grielvogels (Oedicnemidae) zijn: een betrekkelijk +aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke +kop met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd verhoogde, aan de +spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de spits harde snavel, +hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, drieteenige voeten, +middelmatig lange vleugels, waarin de tweede slagpen de langste is, +een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 à 14 stuurpennen +samengestelde staart en een tamelijk dicht vederenkleed, welks +kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij ouden en jongen, +bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den winter nagenoeg +gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren uitsluitend tot +het oostelijk halfrond. + + + +Onze Griel, Doornsluiper, Scharluip of Scharlupen (Oedicnemus +crepitans), het kleinste lid en de eenige Europeesche vertegenwoordiger +van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 cM.); hij evenaart +dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde is als die van +een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig grijs en in het +midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek vóór het oog, +benevens een streep er boven en een er onder zijn wit, zoo ook een +streep op den bovenvleugel; de veeren van de onderzijde zijn geelachtig +wit, de slagpennen zwart, de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de +spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart, +de voet stroogeel. + +Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de +landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte +woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle +landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, Arabië, Indië +enz. komt hij in grooten getale voor. In Hongarije, Oostenrijk en +Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien ontmoet men hem in +Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het zuiden van Zweden. Bij +ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden voor; hij werd +broedend gevonden in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op +de duinachtige heidevelden bij Oirschot in Noordbrabant; ook op +de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek bezoekt hij gaarne +heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal woonplaatsen. + +De Griel houdt van de eenzaamheid, bekommert zich nagenoeg niet +om zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens +af. Over dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan +toevallig, want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert, +veel eerder gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte +effene vlakte zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij +zich plat op den bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn +aardkleurig vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt, +wordt hij roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk +fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich +spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke +hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die +men van hem niet verwacht zou hebben. + +Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en +andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild, +waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest +nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem +begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend +zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw +buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan, +stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken +en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook +de Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot bevordering van +de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove zandkorrels. + +In het einde van April vindt men in een kuiltje in 't zand, 3 of 4 +eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin +groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en +schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het +nest de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den +volgenden dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun +moeder voedsel zoeken. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een zeer lezenswaardig opstel van den Heer B. Boon, waarin "de +Kievit" in den voortplantingstijd op duidelijke wijze beschreven wordt, +komt voor in het tijdschrift "De Natuur in!", 1e Jaargang, pp. 49 enz. + +[2] "In de levende Natuur", II: 43. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 32834-0.txt or 32834-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/2/8/3/32834/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
\ No newline at end of file diff --git a/32834-0.zip b/32834-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..69f1e6a --- /dev/null +++ b/32834-0.zip diff --git a/32834-h.zip b/32834-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fd16dec --- /dev/null +++ b/32834-h.zip diff --git a/32834-h/32834-h.htm b/32834-h/32834-h.htm new file mode 100644 index 0000000..ac6f025 --- /dev/null +++ b/32834-h/32834-h.htm @@ -0,0 +1,6259 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> +<title>Het Leven der Dieren</title> + +<style type="text/css"> + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/***** Titlepage *****************************************************/ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/***** End Titlepage *****/ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +p.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +p.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/****** Tables ******/ +td.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/****** Poetry ******/ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/***** Drama *****/ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/***** End Drama *****/ +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/****** Font Styles and Colors *****/ +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} +.caps +{ +text-transform:uppercase; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/***** End Font Styles and Colors *****/ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +.titlePage +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} +sub, sup +{ +line-height: 0; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xd20e224width +{ +width:496px; +} +.xd20e563width +{ +width:720px; +} +.xd20e875width +{ +width:709px; +} +.xd20e1074width +{ +width:720px; +} +.xd20e1151width +{ +width:714px; +} +.xd20e1280width +{ +width:710px; +} +.xd20e1455width +{ +width:720px; +} +.xd20e1492width +{ +width:720px; +} +.xd20e1555width +{ +width:720px; +} +.xd20e1570width +{ +width:718px; +} +.xd20e1796width +{ +width:720px; +} +.xd20e2256width +{ +width:720px; +} +.xd20e2371width +{ +width:720px; +} +.xd20e2549width +{ +width:661px; +} +.xd20e2696width +{ +width:720px; +} +.xd20e2781width +{ +width:649px; +} +.xd20e2863width +{ +width:720px; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 7: De Pluviervogels + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: June 16, 2010 [EBook #32834] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + +</pre> + +<div class="body"> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e77" href="#xd20e77" name="xd20e77">419</a>]</span></p> +<div class="div1"> +<h2 class="main">Zevende Orde.</h2> +<h2 class="main">De Pluviervogels (<span class="letterspaced" lang="la-x-bio">Charadriornithes</span>).</h2> +<p class="firstpar">Tien familiën, die in vroegere stelsels over +verschillende orden verdeeld waren, heeft <span class="smallcaps">Fürbringer</span> op grond van anatomische +onderzoekingen samengevoegd tot de orde der <span class="letterspaced">Pluviervogels</span> of <span class="letterspaced">Speurvogels</span> (<i lang="la-x-bio">Charadriornithes</i>) met slechts één +(gelijknamige) onderorde (<i lang="la-x-bio">Charadriiformes</i>), die +drie groepen van familiën omvat: de <span class="letterspaced">Oevervogels</span> (<i lang="la-x-bio">Laro-limicolae</i>), de <span class="letterspaced">Parravogels</span> (<i lang="la-x-bio">Parrae</i>) en de +<span class="letterspaced">Trapvogels</span> (<i lang="la-x-bio">Otides</i>). Als vierde groep moeten hierbij misschien nog +gevoegd worden de uitgestorven <span class="letterspaced">Vischvogels</span> (<i lang="la-x-bio">Ichthyornithes</i>), die in de Krijt-periode leefden en goed +ontwikkelde vleugels hadden, maar zich van alle thans levende Vogels +onderscheidden door den biconcaven vorm der wervellichamen en het bezit +van een groot aantal echte, met wortels in tandkassen van beide kaken +bevestigde tanden. Zij hadden de grootte van een Duif.</p> +<hr class="tb"> +<p>De eerste van de 7 familiën der Oevervogels is die der +<span class="letterspaced">Pluvierachtigen</span> (<i lang="la-x-bio">Charadriidae</i>), die, volgens <span class="smallcaps">Fürbringer</span>, 2 onderfamiliën omvat: de +<span class="letterspaced">Snipvogels</span> (<i lang="la-x-bio">Scolopacinae</i>) en de echte <span class="letterspaced">Pluvieren</span> (<i lang="la-x-bio">Charadriinae</i>).</p> +<p>De <span class="letterspaced">Snipvogels</span> (<i lang="la-x-bio">Scolopacinae</i>) zijn kleine of middelmatig groote, +sierlijk gebouwde moerasvogels; de van boven afgeronde kop heeft een +plat voorhoofd, dat naar voren smaller wordt tot de plaats, waar het +zonder scherpe afscheiding overgaat in den steeds langen, dikwijls +zelfs buitengewoon langen snavel; deze is slank en zwak en heeft +stompe, ongetande zijranden; hij is steeds aan den wortel met een +zachte huid bekleed, die zich dikwijls zelfs tot bij de spits +uitstrekt. Van de fijne, spleetvormige neusgaten aan den snavelwortel +tot de spits neemt de snavel weinig in breedte en hoogte af; hij is +òf recht, òf een weinig naar beneden, òf naar +boven gekromd, niet zelden buigzaam. De zwakke, slanke voet heeft +gewoonlijk een langen loop; de drie voorteenen zijn middelmatig lang; +de zelden ontbrekende achterteen is kort en hooger ingeplant; bij +sommige soorten zijn de voorteenen vrij, bij andere door vliezen +vereenigd, die zich bij eenige aan één der teenen tot aan +den nagel uitstrekken, bij enkele zijn de teenen met een huidzoom +voorzien langs de zijden. De vleugels zijn middelmatig lang en spits, +aan den achterrand meer of minder sikkelvormig uitgesneden; zij reiken +tot, of voorbij de spits van den korten, uit 12 à 26 pennen +samengestelden staart. Het vederenkleed is bij mannetjes en wijfjes +meestal nagenoeg gelijk, bij jongen en ouden in den regel zeer +verschillend van kleur.—Zij bewonen vochtige en moerassige +oorden, waterkanten en de zeekust, leven in den zomer bij paren, welke +dikwijls bovendien tot grootere gezelschappen vereenigd zijn; ’s +winters vormen zij groote en gemengde troepen; zij zijn elkander, naar +het schijnt, genegen, verkeeren althans gaarne onderling. Hun voedsel +bestaat uit Insecten en hunne larven, Wormen en Schaaldieren, sommige +eten ook wel zaden. Bij nagenoeg alle soorten wordt het zeer +verschillende, doch meestal op den grond rustende nest door het +mannetje en het wijfje gezamenlijk gebouwd; beurtelings bebroeden zij +de vier peervormige, aardkleurige eieren; de jongen, die met dons +bekleed uit den dop komen en het nest zeer spoedig verlaten, worden, +totdat zij in staat zijn om zelfstandig voedsel te zoeken, door beide +ouders gehoed. Alle bij ons broedende soorten zijn trekvogels, die, +welke op lagere breedten leven, zwerfvogels. Zij trekken meestal +’s nachts, sommige afzonderlijk, de meeste tot zwermen vereenigd. +Zij bewonen de geheele aarde.</p> +<p>Om een gemakkelijker overzicht te geven van de talrijke, voor ons +gewichtige vormen, die tot deze onderfamilie behooren, splitsen wij +haar in vijf afdeelingen: Snippen, Strandloopers, Waterloopers, +Franjepooten en Kluiten.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Bij de <span class="letterspaced">Snippen</span> is de kop +zijdelings samengedrukt, het voorhoofd lang en hoog, de snavel recht, +langer dan het onbevederde deel van den poot, twee- of driemaal zoolang +als de kop, nagenoeg geheel met een zachte huid bekleed, alleen langs +den rand van de eenigszins verdikte bovensnavelspits hoornachtig; deze +spits omsluit die van den ondersnavel, daar zij niet slechts langer dan +deze, maar ook een weinig benedenwaarts gebogen is. Beide spitsen +vormen te zamen een zeer fijngevoelig tastorgaan: de in beenkanaaltjes +gelegen zenuwvezels, die in de huid van den snavel eindigen, zijn aan +de spits buitengewoon talrijk. Bij alle Vogels moet op het oogenblik, +dat de onderkaak naar beneden wordt bewogen, de bovenkaak in +tegengestelde richting draaien. (Dit geschiedt door de werking van het +vierkantsbeen, dat niet alleen met de onderkaak en den schedel, maar +ook door bemiddeling van andere beenderen met de bovenkaak beweeglijk +verbonden is.) Deze beweging is zeer duidelijk bij de Snippen, waar het +draaipunt van de bovenkaak ver naar voren ligt. Dit staat in verband +met het eigenaardige maaksel van den schedel, die als ’t ware een +verschuiving naar onderen en naar voren heeft ondergaan, <span class="pagenum">[<a id="xd20e172" href="#xd20e172" name="xd20e172">420</a>]</span>zoodat het achterhoofdsgat niet, zooals +gewoonlijk, naar achteren, maar naar onderen is gericht, terwijl de +gehooropeningen, in plaats van achter, onder de (hier grootere en +verder naar boven en naar achteren gelegen) oogen voorkomen. Dat de +geschiktheid van den snavel om als tast- en grijporgaan te dienen door +zijn vermeerderde beweeglijkheid belangrijk is toegenomen, ligt voor de +hand. De vleugels zijn middelmatig lang, doch breed, de pooten kort; +het onderbeen is tot dicht bij het spronggewricht bevederd; de +voorteenen zijn niet met elkander vereenigd, de middelste voorteen is +bijzonder lang, de achterteen kort en hoog ingeplant. De kleur van het +vederenkleed, hoewel bont gevlekt, loopt zeer weinig in ’t oog, +steekt zoo weinig af bij die van de verblijfplaats der Vogels, dat +deze, als zij zich tegen den bodem drukken, zeer moeilijk te vinden +zijn. In verband met de ligging van het achterhoofdsgat, houden zij den +snavel zoowel bij ’t loopen als bij ’t vliegen sterk naar +beneden gericht. Zij zijn meer in de schemering (of zelfs ’s +nachts) werkzaam dan over dag, bewonen in de noordelijke en gematigde +gewesten moerassen, broeklanden, veengronden en ook bosschen en voeden +zich met Wormen, Insecten en hunne larven, die zij met haar grijp- en +tastorgaan gemakkelijk in den weeken bodem opsporen en van een vrij +groote diepte aan de oppervlakte brengen kunnen. Daar de spits van den +bovensnavel die van den ondersnavel omsluit, kan de geheele spits +gemakkelijker in den grond gestoken worden. Men ontmoet ze bijna altijd +afzonderlijk; tot troepen of talrijke zwermen vereenigen zij zich +nooit; zelfs op den trek reizen zij alleen. In den paartijd hoort men +dikwijls haar stem en de mannetjes vertoonen dan dikwijls opmerkelijke +vliegkunstjes.—Ons vaderland wordt bewoond of althans bezocht +door vier algemeen bekende soorten van Snippen: één van +het geslacht der Houtsnippen, drie van het geslacht der +Watersnippen.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Bij de <span class="letterspaced">Houtsnippen</span> (<i lang="la-x-bio">Scolopax</i>) zijn alle eigenaardigheden van de Snippen het +duidelijkst waarneembaar. Het lichaam is plomp, de snavelspits +afgerond; de pooten zijn betrekkelijk zeer kort, hun bevedering strekt +zich van voren, doch niet van achteren, tot het spronggewricht uit; de +schaften van de 12 stuurpennen zijn naar binnen gekromd; de nagel van +den achterteen is stomp kegelvormig en steekt niet voorbij den teen +uit. Deze vogels bewonen uitsluitend de bosschen en wel op vochtige +plaatsen. Tot dit geslacht behooren één Europeesche en +drie Noord- en Middel-Aziatische soorten.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Houtsnip</span>, in Gelderland +<span class="letterspaced">Woudsnep</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Scolopax rusticola</i>), is voor op den kop grijs; de boven- +en achterkop en de nek zijn met vier bruine en vier roestgele +dwarsstrepen geteekend; overigens is de bovenzijde roestkleurig, +roestgrijs, roestgeel, grijsbruin en zwart gevlekt, op de keel +witachtig, op de overige onderdeelen met geelachtig grijze en bruine +golflijnen; de slagpennen zijn op bruinen, de stuurpennen op zwarten +grond met roestkleurige vlekken geteekend. Het zeer groote oog is +bruin, de snavel, zoowel als de voet, hoornkleurig grijs. Totale lengte +32, staartlengte 9, snavellengte <span class="corr" id="xd20e197" +title="Bron: 7.5">7,5</span> cM.</p> +<p>“De jagers noemen de groote, lichtgekleurde voorwerpen met +vleeschkleurige pooten, die men bij oostenwind soms reeds in het begin +van October vindt, <span class="letterspaced">Uilenkoppen</span>; de +kleinere met donkerder vederen en leikleurige pooten, die men veel +later, vooral in November, bij ruw, stormachtig weder en +noordwestenwind, aantreft, <span class="letterspaced">Blauwpootjes</span>. Sommigen zijn van meening, dat +eerstgenoemde wijfjes, laatstgenoemde mannetjes zijn, en in Duitschland +heeft men opgemerkt, dat in het voorjaar, wanneer deze Vogels aan paren +vliegen, de voorste altijd tot de grootere, de achterste tot de +kleinere behoort.” (<span class="smallcaps">Albarda</span>.)</p> +<p>Met uitzondering van eenige eilanden van het noorden heeft men de +Houtsnip in alle landen van Europa en ook in geheel Noord- en +Middel-Azië, voorts op Madeira, de Kanarische eilanden en de +Azoren aangetroffen; zelden dwaalt zij naar IJsland af, eenmaal heeft +men haar op Newfoundland ontmoet. In Nederland, Duitschland, Engeland, +Schotland en Ierland broeden betrekkelijk weinige Houtsnippen. In +bosschen, op moerassige plaatsen heeft men bij ons in Gelderland, +Zuid-Holland (Lisse), Friesland (Kuikhorne, Makkinga, Dantumawoude) en +de meeste andere provinciën enkele paren broedend aangetroffen. In +Duitschland werd het broeden van deze soort het meest waargenomen in de +middelgebergten en in het noorden. In Noord-Europa vindt men gedurende +den zomer in alle groote wouden Houtsnippen. Hoewel sommige in zachte +winters gedurende het geheele jaar op haar broedplaats blijven, reizen +de meeste iederen herfst naar het zuiden om in het zuidwesten van +Azië, in Zuid-Europa en in het noordwesten van Afrika den winter +door te brengen. In Griekenland komen enkele exemplaren reeds in het +midden van September aan.</p> +<p>Al naar de weersgesteldheid in het noorden komen de Houtsnippen hier +te lande vroeger of later. In den regel zijn zij in October en November +het menigvuldigst. In kleiner aantal bezoeken zij ons land in het +voorjaar. Gemiddeld begint men in het midden van Maart op doortrekkende +Houtsnippen te rekenen. Iets bepaalds kan hierover echter niet gezegd +worden, omdat juist deze Vogel den jager, die hem zoo nauwkeurig +mogelijk nagaat, ieder jaar nieuwe raadsels opgeeft. Ook de weg, dien +zij volgen, verschilt zeer; op een plaats, die aan alle eischen schijnt +te voldoen, en waar men in ’t eene jaar zeer vele Houtsnippen +aantreft, ziet men dit wild in een ander jaar nagenoeg in ’t +geheel niet. Wanneer het na een strengen winter te rechter tijd begint +te dooien en het weer daarna zacht blijft, heeft de voorjaarstrek op de +regelmatigste wijze plaats. Bovendien moet men in ’t oog houden, +dat de Snippen, evenals andere Vogels, niet gaarne voor den wind +trekken, bij voorkeur dus bij een niet te krachtigen tegenwind reizen. +Zeer donkere of stormachtige nachten verhinderen den trek; ook worden +de Vogels vaak door de verwachting van slecht weer, van late +sneeuwvlagen b.v., op hun verblijfplaats teruggehouden. In groote, +samenhangende wouden vindt men ze meer dan in kleine bosschen, hoogst +waarschijnlijk, omdat de groote wouden hun meer beschutting verschaffen +dan de kleine, die zij later gaarne bezoeken. In gewesten met weinig +houtgewas strijken zij niet neer, zelden zelfs in tuinen met vele +boomen of in alleenstaande kreupelboschjes.—“Zij trekt bij +nachttijd,” schrijft <span class="smallcaps">Schlegel</span>, +“ligt over dag verscholen in het hout en vliegt, indien zij +opgejaagd wordt, den bek benedenwaarts gericht, op niet zeer +aanzienlijke afstanden, om weder in het hout in te vallen. De trek +begint in October en er komen er dikwijls nog in December aan. Zij +vertoeft onder weg op gunstige plaatsen, dikwijls totdat er strenge +vorst invalt; hierdoor worden vele een prooi der jagers, die op dit +wild, hetzij omdat het een uitstekend gerecht levert, hetzij +<span class="pagenum">[<a id="xd20e219" href="#xd20e219" name="xd20e219">422</a>]</span>omdat het een op andermans grond +grootgebrachte vreemdeling is, zeer gretig zijn. In het voorjaar, +veelal reeds in Maart, keert zij meer rechtstreeks en spoedig naar hare +broedplaatsen terug en wordt alsdan in ons land weinig +aangetroffen.”—“In het najaar,” bericht Mr. +<span class="smallcaps">H. Albarda</span> ten aanzien van Friesland, +“menigvuldig op den doortrek, het meest in de woudstreken, doch +ook hier en daar op de klei, vooral aan de kust. Somtijds zelfs in het +vlakke veld, ver van alle boomen verwijderd, alsook in rietvelden. +Komt, vooral bij noordelijken wind, het meest voor in Gaasterland, waar +uitgestrekt bosch onmiddellijk aan zee is gelegen, en wordt aldaar met +laatvlouwen gevangen. Onder gunstige omstandigheden vangt men soms op +één dag, met 50 vlouwen, 200 stuks, welk getal +aanzienlijk is te noemen, indien men in aanmerking neemt, dat deze +vangst slechts gedurende een half uur vóór zonsopgang en +gedurende even zoo langen tijd na zonsondergang kan plaats hebben. In +sommige vochtige bosschen blijft een klein getal den winter over, zoo +deze niet al te streng is.”</p> +<div class="figure xd20e224width"><img src="images/p2421.jpg" alt="Houtsnip (Scolopax vusticola) 1/5 v. d. ware grootte." width="496" +height="720"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Houtsnip</span> +(<i lang="la-x-bio">Scolopax vusticola</i>) 1/5 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p>Naar het schijnt, geeft de Houtsnip aan geen enkele boomsoort de +voorkeur: men vindt haar in naaldboomwouden even dikwijls als in +bosschen met breedbladige boomen. Een hoofdvoorwaarde voor haar bestaan +is een vochtige, weeke boschgrond, waarin zij haar snavel kan steken. +De ontzaglijke wouden van het noorden, die voor ’t meerendeel uit +sparren bestaan, bevredigen hare eischen volkomen; armoedige +dennebosschen van zandstreken lokken haar daarentegen volstrekt niet +aan.</p> +<p>Haar dagelijksch of huiselijk leven is niet gemakkelijk na te gaan, +omdat zij zeer vreesachtig, wantrouwig en schuw is. Over dag vertoont +zij zich nooit in ’t open veld; wanneer zij een enkele maal +genoodzaakt is, hier neer te strijken, drukt zij zich plat op den +grond: haar vederenkleed is dan, evenmin als dat van de Patrijs, van +den bodem te onderscheiden. Als het in ’t woud zeer stil is, +loopt zij soms ook over dag rond; zij kiest dan echter altijd plaatsen +uit, waar zij zoo goed mogelijk verborgen en tegen het voor haar +waarschijnlijk hinderlijke, schelle licht beschut is. Eerst in de +schemering begint zij met opgewektheid rond te loopen. Als zij op haar +gemak is, trekt zij den hals in, houdt den romp waterpas, den snavel +met de spits naar den grond gericht. Zij loopt in gebogen houding, +sluipend, trippelend, niet zeer snel en niet lang achtereen; zij vliegt +echter in alle opzichten uitmuntend. Zij kan zich door de dichte +twijgen heenwringen, zonder ergens tegen aan te stooten, de snelheid +van ’t vliegen over ’t algemeen geheel naar de +omstandigheden wijzigen, haar nu eens bespoedigen dan weer vertragen; +zij maakt behendig wendingen in iedere richting, rijst of daalt naar +verkiezing, verheft zich echter, over dag althans, nooit in hooge +luchtlagen en vliegt, zoolang zij dit vermijden kan, nooit over een +open terrein. Als zij verschrikt werd gemaakt, hoort men bij ’t +opvliegen een dof geklepper, waaraan de jager haar steeds herkent, ook +als hij haar niet te zien krijgt. Als zij over dag vervolgd wordt en +vreesachtig geworden is, stijgt zij gewoonlijk ’s avonds in bijna +loodrechte richting omhoog en trekt zoo schielijk mogelijk verder. +Geheel anders is haar wijze van vliegen, wanneer zij, om een wijfje te +behagen, haar bekwaamheid toont. Zij zet dan hare veeren op, zoodat zij +veel grooter schijnt dan zij werkelijk is, komt zeer langzaam +aanvliegen, beweegt hare vleugels met doffe slagen en gelijkt meer op +een Uil dan op eenigen Moerasvogel of Steltlooper.</p> +<p>Bij oppervlakkige kennismaking met een levende Houtsnip komt men er +licht toe, haar voor een zeer dommen Vogel te houden; bij nader +onderzoek leert men haar niet slechts als een scherpzinnigen, maar ook, +en in veel hoogere mate dan men verwacht zou hebben, als een +schranderen of althans zeer listigen Vogel kennen; zij weet zeer goed, +hoe uitmuntend haar aard- of schorskleurig kleed haar beveiligt en +heeft er meesterlijk slag van om bij het “drukken” steeds +een plaats uit te kiezen, waar zij niet opgemerkt wordt. Een Snip, die +zonder zich te bewegen tusschen droge bladen, brokjes hout, naast een +op den grond gevallen stuk schors of een boven de oppervlakte +uitstekenden wortel ligt, wordt zelfs door het scherpzichtige oog van +den geoefenden en ervaren jager over ’t hoofd gezien, in ’t +gunstigste geval alleen aan de groote oogen herkend. Deze houding +blijft onveranderd, zoolang haar dit raadzaam voorkomt; vooral als zij +vervolgd wordt, laat zij den jager dikwijls tot op een afstand van +weinige schreden naderen, voordat zij plotseling opvliegt. Daarna +vliegt zij, nooit anders dan aan de tegenovergestelde zijde van het +boschje, naar buiten, altijd zorgend, dat zij door struikgewas en +boomen tegen den jager beveiligd is. Bij ’t neervallen beschrijft +zij dikwijls een grooten boog, maar strijkt, wanneer zij reeds het +dichte geboomte bereikt heeft, nog ver daarin voort, +“slaat” ook wel “een haak” en leidt op deze +wijze haar vijand niet zelden volkomen om den tuin; zeer te recht +rekent zij er dus op, dat men haar zal zoeken op de plaats, waar men +haar in ’t bosch heeft zien doordringen. Het pleit voor haar +verstandelijke ontwikkeling, dat zij haar wantrouwen jegens den mensch +langzamerhand aflegt, wanneer zij meer intiem met hem verkeert. Men kan +haar temmen; een Snip, die van jongs af met den mensch heeft omgegaan, +wordt zeer gemeenzaam. Haar stem mist alle welluidendheid; de geluiden, +die zij maakt, klinken heesch en dof als “katsj” of +“dak” en “eetsj”, maar ondergaan eenige +wijzigingen in den paartijd of door angst: in ’t eerstgenoemde +geval hoort men een kort afgebroken gefluit, dat als +“pssiep” klinkt en dikwijls het voorspel is van een dof, +schijnbaar diep uit de borst oprijzend “joerrk”; in +’t laatstgenoemde geval wordt haar geluid kwiekend en klinkt als +“sjeetsj”.</p> +<p>Als de avondschemering invalt, vliegt de Houtsnip naar breede +boschwegen, weiden en moerassige plaatsen in of in de nabijheid van het +woud, om voedsel te zoeken. Een zorgvuldig verborgen waarnemer, wiens +aanwezigheid zij niet vermoedt, kan zien, hoe zij haar langen snavel +onder de oude, afgevallen bladen steekt en deze bij hoopen tegelijk +omkeert, om de hieronder verborgen larven, Kevers en Wormen te +voorschijn te brengen, of hoe zij dit werktuig in den vochtigen, lossen +grond boort, het eene gat dicht bij het andere maakt, zoo diep als dit +met den zachten, buigzamen snavel kan geschieden. Op een dergelijke +wijze doorzoekt zij den verschen rundermest, die zeer spoedig vol +insectenlarven zit. Gewoonlijk blijft zij niet lang op dezelfde plaats, +maar vliegt van de eene naar de andere. Larven van de meest +verschillende Insecten en deze dieren zelf, kleine naakte Slakken, +vooral echter Regenwormen maken haar voedsel uit. In de gevangenschap +geraakt zij, wanneer men haar aanvankelijk rijkelijk met Regenwormen +voorziet, langzamerhand ook aan ’t eten van wittebrood en +mierenpoppen gewoon; ook leert zij spoedig het boren in de zachte +zoden, zelfs als zij zoo jong uit het nest genomen werd, dat zij niet +in de gelegenheid is geweest om deze wijze van kostwinnen van hare +ouders af te zien.</p> +<p>In eenzame, stille wouden kiest de Houtsnip om te <span class="pagenum">[<a id="xd20e243" href="#xd20e243" name="xd20e243">423</a>]</span>nestelen plaatsen uit, waar dicht onderhout +met vrije, open plekken afwisselt. Nadat het paartje tot +overeenstemming is gekomen, het mannetje met zijne buren weken lang +gekrakeeld heeft, zoekt het wijfje een geschikt plaatsje op achter een +kleinen struik of een ouden boomstomp, tusschen wortels, mos en +grassen; zij gebruikt hier een reeds aanwezig kuiltje in den grond als +nestplaats of graaft er zelf een, en bekleedt dit op gebrekkige en +kunstelooze wijze met een kleine hoeveelheid droge grassen, mos en +andere stoffen; zij legt hierop 4 tamelijk groote, kortbuikige, +gladschalige, glanslooze eieren, die op bleek roestgelen grond met +roodachtig grijze ondervlekken en donker roodachtige of geelbruine +bovenvlekken nu eens dichter dan weer minder dicht geteekend zijn, doch +welker grootte en kleur overigens veel verscheidenheid aanbiedt. Zij +broedt met den grootsten ijver 17 of 18 dagen lang, laat een mensch, +die eieren zoekt of toevallig in de nabijheid komt, tot op een afstand +van <span class="corr" id="xd20e245" title="Bron: weinge">weinige</span> schreden naderen, voordat zij opvliegt, +laat zich zelfs aanraken, vliegt gewoonlijk niet ver weg en keert zoo +schielijk mogelijk naar het nest terug; ook blijft zij broeden, wanneer +men haar een ei ontnomen heeft. Het mannetje bekommert zich, naar het +schijnt, weinig om zijn gade, komt echter weer bij haar, wanneer de +jongen de eischaal verlaten en uit het nest geloopen zijn. De beide +ouders zijn vol zorg voor hun kroost, vliegen bij het naderen van een +vijand angstig op en bewegen zich uit list op een schommelende en +slingerende wijze; onder het angstig geroep van “dak-dak” +beschrijven zij slechts kleine kringen in de lucht en vallen in de +nabijheid weder op den grond. Intusschen verbergen de jongen zich zoo +uitmuntend tusschen mos en grassen, dat men ze zonder Hond zelden +vindt. Vele jagers (waarbij zeer nauwgezette waarnemers waren) hebben +gezien, dat oude Houtsnippen hunne jongen bij groot gevaar in +veiligheid brachten, door ze met de klauwen aan te vatten, of met den +hals en den snavel tegen de borst te drukken, of in den snavel te +nemen, of tusschen de bovenschenkels te klemmen en vervolgens weg te +vliegen. In de derde week van hun leven beginnen de jongen te +fladderen; nog voordat zij behoorlijk hebben leeren vliegen, zorgen zij +voor zichzelf.</p> +<p>Vroeger meende men, dat de Houtsnip slechts eens in ’t jaar +broedt en hoogstens wanneer haar het eerste broedsel ontnomen werd, +voor een tweede begint te zorgen; uit latere berichten schijnt echter +te blijken, dat in gunstige jaren alle of althans de meeste paren +Houtsnippen tweemaal broeden.</p> +<p>Van Boschkatten en Huiskatten, Marters, Haviken en Sperwers, +Edelvalken, Vlaamsche Gaaien en Eksters hebben de Houtsnip en haar +kroost veel te lijden. Door den jager wordt zij alleen gedurende den +trek vervolgd, door de bewoners van zuidelijke landen ook in hare +winterkwartieren, hoewel haar vleesch dan dikwijls hard en taai is. De +snippenjacht is voor den liefhebber een bron van groot genoegen, zoowel +het jagen op den “aanstand” in den morgen of den avond, +terwijl de Vogels rondzwerven, als de drijfjacht.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Watersnippen</span>, de <span class="letterspaced">Bécassines</span> der Franschen en Duitschers +(<i lang="la-x-bio">Gallinago</i>), onderscheiden zich van de leden van +het vorige geslacht door het afgeplat zijn van de snavelspits; het +onderbeen is boven het spronggewricht zoowel van voren als van achteren +onbevederd; de nagel van den achterteen is gekromd en steekt voorbij +den teen uit; de staart bevat 12 à 26 pennen met rechte schaft. +Haar levenswijze komt met die van de Houtsnippen overeen; zij vermijden +echter het woud en in ’t algemeen ieder samenhangend gewelf van +planten boven zich; opene, moerassige, veenachtige laaglanden +verschaffen haar een woonplaats. Van de 24 ver verbreide soorten, die +dit geslacht vormen, zijn er 3 inheemsch.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De grootste van deze is de <span class="letterspaced">Poelsnip</span> of <span class="letterspaced">Dubbele +Snip</span>, in Noordbrabant <span class="letterspaced">Poelsnep</span>, in Gelderland <span class="letterspaced">Grasvogel</span> of <span class="letterspaced">Grassnep</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Gallinago +major</i>). De bovenkop is bruinachtig zwart met een smalle, +roestgeelachtige streep in het midden en een boven ieder oog; de +overige bovendeelen zijn zwartbruin met roestgele vlekken, de +vleugeldekveeren met witte, ook over de schaft zich uitstrekkende +topvlek, de eerste handpen bruin met lichte schaft en witten +buitenzoom; van de 16 stuurpennen hebben de drie buitenste een witte +eindhelft; de onderzijde is roestgeel met zwarte vlekken. Totale lengte +28, staartlengte 6 cM.</p> +<p>Zij broedt in de toendra van de Oude Wereld, waar zij de eenige +vertegenwoordiger is van haar geslacht. Reeds in Skandinavië +nestelt zij betrekkelijk zelden, nog zeldzamer in de verder zuidwaarts +gelegen gematigde gewesten van Europa; enkele paren zijn bij ons +broedende gevonden in moerassige streken van Limburg en Noordbrabant, +zeer enkele ook in andere provinciën (bij Suawoude in Friesland en +in Groningen). Zij heeft hare winterkwartieren in Afrika en +Zuidwest-Azië. Daar haar broedgebied eerst laat bevrijd is van +sneeuw en de winter er vroeg begint, begeeft zij zich in ’t +najaar vroegtijdig op reis en keert laat in ’t voorjaar terug. +Ons land wordt door haar op den trek slechts weinig bezocht, in +’t najaar ontmoet men haar hier veelal slechts van het laatst van +Juli tot September, in het voorjaar in April en Mei.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Beter bekend is hier te lande en in geheel Europa de <span class="letterspaced">Watersnip</span> (<i lang="la-x-bio">Gallinago +gallinago</i> of <i lang="la-x-bio">Gallinago caelestis</i>). De +bovenzijde is op bruinzwarten grond geteekend met een breede, roestgele +streep, die over het midden van den kop loopt en vier lange, roestgele +strepen, die zich over den rug en de schouders uitstrekken, bovendien +met roestkleurige vlekken en dwarsbanden op alle veeren; de onderzijde +is wit, de voorhals grijs en, evenals de bovenborst en de zijden, bruin +gevlekt. De staart bestaat uit 14 stuurpennen. Het oog is donkerbruin, +de snavel zwart, de voet vuil vleeschkleurig met groenblauwachtige +tint. Totale lengte 29, snavellengte ruim 7, staartlengte 6 cM.</p> +<p>Het noorden van Europa en Azië is het vaderland van de +Watersnip; zij broedt overal, waar groote moerassen zijn, +waarschijnlijk nog in het zuiden van Europa en misschien zelfs in +Noord-Afrika. In Nederland broedt zij algemeen op lage veenachtige +gronden, hier en daar ook op de klei. Voorts broedt zij in +Noord-Duitschland, Denemarken, Skandinavië, Lijfland, Finland en +Zuid-Siberië; in al deze landen is zij op geschikte plaatsen +buitengewoon veelvuldig. Op den trek bezoekt zij alle groote en kleine +moerassen, broeklanden en veengronden, die tusschen haar zomer- en haar +winterverblijf gelegen zijn. Het laatste is misschien nog uitgestrekter +dan het eerste, daar het van Zuid-China tot aan den Senegal (tusschen +45 en 10° N.B<span class="corr" id="xd20e306" title="Niet in bron">.</span>) reikt. Gedurende den trek is zij in ons +geheele land op lage, vochtige plaatsen zeer menigvuldig. De +najaarstrek heeft plaats van September totdat de vorst invalt, de +voorjaarstrek in Maart en April. In zachte winters blijven enkele +voorwerpen bij ons over op plaatsen <span class="pagenum">[<a id="xd20e309" href="#xd20e309" name="xd20e309">424</a>]</span>waar +stroomend water is. In Duitschland vindt men ze bij de zoogenaamde +warme bronnen zelfs in sneeuwrijke winters. Droge streken trekt zij zoo +schielijk mogelijk door. Men ontmoet haar uitsluitend in vochtige +laaglanden, sompen, moerassen, drasse weiden, kortom op plaatsen, die +in meerdere of mindere mate op het eigenlijke moeras gelijken. Zij +verlangt op haar verblijfplaats een bodem begroeid met grassen, zeggen, +riet en andere moerasplanten, die geen hinderpalen oplevert bij +’t boren met den snavel. In zulke oorden, die wij kortweg +moerassen zullen noemen, leeft zij, behalve in den broedtijd zoo stil, +dat men van haar aanwezigheid niets bespeurt. Ook zij arbeidt bij +voorkeur in de schemering, maar is toch veel meer dagvogel dan de +Houtsnip.</p> +<p>Haar buitengewoon snelle vlucht kenmerkt zich door den uit +verscheidene zigzaglijnen bestaanden weg, dien zij kort na het +opstijgen volgt en die eerst daarna recht wordt. Bijna iedere Watersnip +verheft zich plotseling in de lucht, ijlt met snelle vleugelslagen ver +weg, beschrijft een grooten boog, komt nagenoeg op de plaats van +uitgang terug, vouwt eensklaps de vleugels op en stort zich in +schuinsche richting weer in het moeras. Dat zij uitmuntend kan zwemmen +en deze kunst ook beoefent, zonder er door den nood toe gedwongen te +zijn, werd dikwijls waargenomen. In tijd van gevaar, vooral als zij +door een Roofvogel vervolgd wordt, tracht zij zich te redden door onder +te duiken.</p> +<p>Het geluid, dat zij gewoonlijk bij het opvliegen laat hooren, is een +heesch “ketsj”, dat soms verscheidene malen herhaald wordt. +In den trektijd hoort men van haar het heesche geluid “grek, gek +gè” en ook somtijds den hoogen toon +“tsiep”.</p> +<p>In vele opzichten verschilt haar aard van dien der beide reeds +genoemde Snippen. Wel is ook zij zeer schuw en vreesachtig, maar tevens +veel beter geschikt en meer geneigd om zich te bewegen; zij vliegt +dikwijls uitsluitend voor haar genoegen rond, zonder eenige andere +merkbare bedoeling; alleen als zij zeer vet geworden is, maakt zij +eenigszins den indruk van traag te zijn. Het mannetje en het wijfje +zijn zeer aan elkander gehecht en houden veel van hun kroost.</p> +<p>Haar voedsel bestaat uit Insecten, Wormen, kleine naakte Slakken en +Weekdieren met dunne schelp. Deze vangt zij in de schemering en den +nacht; men ziet haar n.l. alleen in dezen tijd van de eene plaats naar +de andere zwerven en plaatsen bezoeken, waar zij zich over dag niet +vertoont. Als zij rijkelijk voedsel kan vinden, wordt zij buitengewoon +vet.</p> +<p>Reeds lang voor het leggen beginnen de zeer merkwaardige +minnespelen. “Het mannetje,” schrijft <span class="smallcaps">Naumann</span>, “vliegt meestal bliksemsnel van zijn +zitplaats op, eerst in scheeve richting naar boven, daarna met groote +schroefvormige wendingen loodrecht omhoog, bij helder weder zoo ver, +dat slechts een geoefend oog hem nog als een Vogel herkent. Op deze +hoogte vliegt hij met fladderende vleugelbeweging in een kring rond en +schiet vervolgens met geheel uitgebreide, onbewogen wieken langs een +vertikalen boog beurtelings naar boven en naar beneden; dit geschiedt +met zooveel kracht, dat de snelle trillingen van de toppen der groote +slagpennen een gonzenden, knorrenden of brommenden toon doen ontstaan, +die zeer veel op het blaten van een Geit gelijkt, en aanleiding heeft +gegeven tot de in Duitschland gebruikelijke namen “Hemelgeit, +Haverbok,” enz. Later is men tot de overtuiging gekomen, dat niet +de slagpennen, maar de staartveeren het geluid veroorzaken.</p> +<p>De Watersnip is wegens haar verblijfplaats en haar groote +bekwaamheid in ’t vliegen aan minder gevaren blootgesteld dan de +Houtsnip. De Europeaan vervolgt haar wegens haar smakelijk vleesch, dat +stellig de voorkeur verdient boven dat van de Houtsnip; deze jacht +wordt echter niet overal met grooten ijver beoefend, omdat het +rondwaden in het moeras en het treffen van een Vogel in de vlucht niet +ieders zaak is. Zeer veel werk maken de Hongaren en de Europeanen in +Egypte en Indië van deze jacht; nergens levert zij trouwens betere +uitkomsten op dan in de door hen bewoonde landen.</p> +<p>Men kan ook Watersnippen in de kooi houden; het kost echter veel +moeite om haar aan de veranderde omstandigheden te doen gewennen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De kleinste soort van Snip is het <span class="letterspaced">Bokje</span>, in Zeeland <span class="letterspaced">Lapper</span>, in Noordbrabant <span class="letterspaced">Dooverik</span>, <span class="letterspaced">Halfke</span> en <span class="letterspaced">Pink</span>, +in Limburg <span class="letterspaced">Doover</span> en <span class="letterspaced">Kleine Watersnep</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Gallinago gallinula</i> of <i lang="la-x-bio">Limnocryptes +gallinula</i>): zij is slechts 16 cM. lang (staartlengte 4 cM.). De +teugel en een streep onder de wang, die achter de oorstreek langs weer +naar het oog gericht is, zijn bruin, twee strepen boven en onder het +oog roodgeelachtig, de mantelveeren zwartblauw met groenen en purperen +weerschijn en met vier roestgele, overlangsche strepen, de gorgel, de +krop en de zijden grijs met bruinachtige golflijnen en vlekken, de +onderdeelen overigens wit, de slagpennen en staartveeren dofzwart, deze +met roestgelen zoom. De staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide +middelste langer en spitser zijn.</p> +<p>Men ontmoet haar gedurende den herfst- en den voorjaarstrek op +dezelfde plaatsen als de Watersnip, doch iets later dan deze en nooit +in zoo grooten getale. Het is niet onmogelijk, dat deze soort hier +enkele malen broedt, zooals ook in Duitschland hier en daar geschiedt; +haar eigenlijk vaderland is echter Rusland en West-Siberië.</p> +<p>Haar houding komt met die van de overige Snippen overeen; zij loopt +ongeveer als deze over den grond, maar vliegt minder goed, n.l. minder +vast, hoewel zij behoorlijk snel voortschiet en de meest verschillende +zwenkingen kan uitvoeren; zij verheft zich niet gaarne hoog in de +lucht, maar fladdert soms letterlijk over het moeras heen, zoodat zij +aan een Vleermuis herinnert. Haar voedsel is in hoofdzaak gelijk aan +dat van de overige Watersnippen, vaker dan bij de andere soorten heeft +men echter in haar maag fijne zaden gevonden.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Bastaardsnippen</span> (<i lang="la-x-bio">Rhynchaea</i>) naderen tot de Watersnippen in levenswijze, +maar haar snavel is korter en harder en eenigszins gekromd. De 3 of 4 +soorten van dit geslacht worden gevonden in de tropische gewesten van +de Oude en de Nieuwe Wereld en van Australië. Een van +deze—de <span class="letterspaced">Goudsnip</span> (<i lang="la-x-bio">Rhynchaea capensis</i>)—bewoont als broedvogel een +groot deel van Afrika en Zuid-Azië (Japan, China, Indië en de +Soenda-eilanden) en begeeft zich op den trek naar Zuid-Australië. +In grootte komt zij met de Watersnip overeen. Zij houdt zich op in +moerassen, broeklanden en waterrijke velden, doch ook tusschen struiken +en in het riet; zij loopt zeer snel, doch vliegt slecht. Des nachts of +in de schemering zoekt zij haar voedsel; zooveel mogelijk vermijdt zij +het open veld. In ’t voorjaar leeft zij paarsgewijs, later in +kleine vluchten van 5 à 6 stuks. De wijfjes zijn grooter en +fraaier gekleurd dan de mannetjes. Bij beide zijn de slag- en +stuurpennen met goudgele vlekken versierd.</p> +<p class="tb"></p> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e384" href="#xd20e384" name="xd20e384">425</a>]</span></p> +<p>Onder den naam <span class="letterspaced">Strandloopers</span> +(<i lang="la-x-bio">Tringa</i>) vat men een 25-tal soorten van kleine +Moerasvogels samen, waarvan slechts enkele de grootte van een Lijster +bereiken. Gewoonlijk worden zij in een 6-tal ondergeslachten gesplitst, +waaraan men ook wel den rang van geslachten toekent. Hun voorkomen +herinnert in zoover aan dat der Snippen, dat hals en pooten ongeveer +dezelfde betrekkelijke lengte hebben. De kop en de oogen zijn echter +kleiner, de gehooropeningen verder naar achteren geplaatst. De snavel +is korter, hoewel nog steeds iets langer dan de kop, recht of aan de +spits flauw benedenwaarts gebogen, slank, zwak, zacht, doch aan de +eenigszins breedere spits harder; hij dient eveneens als tastorgaan, +maar is voor dit doel minder geschikt dan de snavel der Snippen. De +vleugels zijn middelmatig lang en spitser dan bij de Snippen; de lange +schouderveeren vormen een tweede vleugelspits. De voeten zijn +middelmatig lang; het onderbeen is verder onbevederd dan bij de +Snippen; de teenen zijn korter; de achterteen is klein, hooger +ingeplant en reikt niet tot op den grond. De veeren worden in den +herfst gewisseld; het winterkleed, dat dan voor den dag komt, is van +boven aschgrauw of blauwachtig aschkleurig en zonder teekening; de +onderdeelen zijn wit of witachtig. In de lente doemt op de rugveeren, +in de nabijheid van de schaft, een donkere vlek van onbepaalden vorm +allengs op; dit is de aanvang van de in korten tijd plaats hebbende +verkleuring, waarna deze Vogels door hun donker roodbruine en zwarte +teekening een geheel ander uitzicht vertoonen dan gedurende den +winter.</p> +<p>Zij bewonen de noordelijke gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld +tot op zeer hooge breedten. Hier broeden zij; de meeste vereenigen zich +vervolgens tot talrijke zwermen en reizen van het eene strand naar het +andere in zuidelijke richting. Tegen het einde van Augustus of in +September komen zij aan de kusten van de Oostzee en Noordzee, vormen +hier scharen van duizenden stuks en trekken daarna steeds bij de kusten +langs naar de Middellandsche Zee of zelfs naar de Kaap de Goede Hoop. +Zij reizen het meest in de schemering, en zoeken over dag hun voedsel. +Kort nadat zij het zuidelijkste punt van hun tocht bereikt hebben, +begeven zij zich weer op den terugweg. Vele komen echter in ’t +geheel niet in hun noordelijk vaderland terug, maar zwerven ver van +daar in hun fraai bruiloftskleed rond, zonder zich voort te planten. Er +is (behalve Juni) ter nauwernood een maand, waarin men geen +doortrekkende Strandloopers aan onze Noordzeekusten waarneemt. Nadat in +Mei de laatste exemplaren naar ’t noorden zijn vertrokken, ziet +men reeds in Juli weer eenige terugkeeren; dit aantal neemt in Augustus +sterk toe, terwijl in September alle kusten er mede bevolkt zijn. Hun +leven schijnt uit een aaneenschakeling van reizen te bestaan. Zij +vliegen meestal laag, eenige vormen kleine gezelschappen, andere op +wolken gelijkende zwermen. Op den bodem loopen zij meestal trippelend +rond; wanneer een gevaar hen bedreigt, “drukken” zij zich +niet neder, zooals de Snippen, maar maken dadelijk gebruik van hunne +uitmuntende vliegorganen. Hun stem bestaat meestal uit de eenigszins +trillende klanken “ti-i-i-i” of “triet-triet”. +Zij voeden zich met kleine Insecten, hunne larven, Wormen, Schaaldieren +en Weekdieren. De larven van Muggen, die in het hooge noorden in +ontzaglijke hoeveelheid voorkomen, verschaffen hun een overvloed van +voedsel; dit maakt de snelle ontwikkeling van de jongen mogelijk. Hunne +eieren zijn groot en gelijken op die van de Snippen.</p> +<p>Op de bovenstaande, grootendeels aan <span class="smallcaps">Altum</span> ontleende schets, laten wij een korte +beschrijving van de 9 hier te lande waargenomen soorten volgen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Als een overgangsvorm tusschen de Snippen en de eigenlijke +Strandloopers beschouwt men den <span class="letterspaced">Breedbekkigen Strandlooper</span> [<i lang="la-x-bio">Tringa (Limicola) platyrhyncha</i>], die in ons land +tweemaal (in 1862 en 1870) telkens in Augustus en aan den Hoek van +Holland, werd waargenomen (<span class="smallcaps">Albarda</span>). Hij +heeft ongeveer de grootte van een Musch en kenmerkt zich door het +ontbreken van den achterteen en door den snavel; deze is aan de spits +verbreed, duidelijk benedenwaarts gebogen en iets langer dan de kop. De +hoofdkleur is roestbruin met zwarte vlekken.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Eveneens drieteenig is de <span class="letterspaced">Zandlooper</span> [<i lang="la-x-bio">Tringa (Calidris) +arenaria</i>], wiens rechte snavel den kop in lengte evenaart; hij is +ongeveer zoo groot als een Kuifleeuwerik. De hoofdkleur van zijn +zomerkleed is witachtig, op de bovenzijde in de jeugd met zwartachtige, +op lateren leeftijd met zwartachtige en roestbruine teekeningen; het +winterkleed is eenvoudig blauwachtig aschkleurig. Op den trek bezoekt +hij, naar het schijnt, alle werelddeelen; men heeft hem zoowel op Java, +als in Chili en Zuid-Afrika gevonden. Reeds in September komen deze +Vogels in kleine vluchten langs ons zeestrand, waar zij zich dikwijls +aan de monden der rivieren en op de Wadden in tallooze menigte +verzamelen. Deze wintergasten blijven bij ons tot April, soms tot in +het begin van Mei.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Alle overige soorten zijn vierteenig. De grootste van deze is de +<span class="letterspaced">Kanoet-Strandlooper</span> [<i lang="la-x-bio">Tringa (Tringa) canutus</i>], in Friesland <span class="letterspaced">Mients</span> of <span class="letterspaced">Knot</span> +genoemd. (Van den laatsten, ook in Engeland gebruikelijken naam zijn de +beide eerstgemelde aanduidingen afgeleid). Hij evenaart in afmetingen +onze Groote Lijster. Zijn snavel is recht, langer dan de kop en dan de +loop, breeder en dikker wordend aan de spits. De loop is langer dan de +middelste voorteen met den nagel. De staart is flauw afgerond. Het +zomerkleed is aan de onderzijde donker bruinrood, aan de bovenzijde +zwart met groote, roestroode kantvlekken, witachtige vederspitsen en +roestgele zoomen. In het winterkleed is de onderzijde witachtig, aan +den krop met kleine, zwarte, overlangsche, op de zijden van den romp +met dwarse, grijsbruine vlekken; de bovendeelen zijn dan bruingrijs. +Van het laatst van Augustus of het begin van September af hoort men +gedurende een groot deel van den winter en van het voorjaar de zeer +schelle stem van deze Vogels langs ons strand, vooral aan de steenen +hoofden, op de Wadden, soms ook aan de oevers der rivieren en meren en +in de lage hooilanden. Zij worden hier vrij veelvuldig gevangen. +Behalve in Europa brengen zij den winter door in geheel Azië, een +groot deel van Amerika en Afrika; zelfs heeft men ze op Nieuw-Zeeland +aangetroffen. Op deze reizen verlaten zij slechts bij uitzondering de +zeekust om nabij gelegen binnenwateren te bezoeken, verder binnenslands +behooren zij steeds tot de zeldzaamheden. Op het zeestrand vormen zij +talrijke troepen, die gemeenschappelijk leven en werken.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Kleine Strandlooper</span>, in +Friesland <span class="letterspaced">Gril</span> of <span class="letterspaced">Griltje</span> genoemd [<i lang="la-x-bio">Tringa +(Limonites) minuta</i>], is zoo groot als een Musch en onderscheidt +zich bovendien van de vorige soort, doordat de eveneens rechte snavel +zoo lang is als de kop; de staart is dubbel <span class="pagenum">[<a id="xd20e455" href="#xd20e455" name="xd20e455">426</a>]</span>uitgesneden; de snavel en de voeten zijn +zwart, de buitenste staartpen is zuiver wit, de 2e en de 3e zijn +grootendeels wit. Het zomerkleed is aan de onderzijde wit, aan de +bovenzijde zwart, iedere veer met roestroode kanten. De onderdeelen +zijn ook in het winterkleed wit, de bovendeelen echter +aschgrauw.—De broedplaatsen van deze Vogels liggen binnen den +poolcirkel. Hun winterreis strekt zich tot Zuid-Afrika en de Molukken +uit. Op den trek bezoeken zij in grooten getale ons land; in het +voorjaar, in Mei en Juni, en in het najaar, van Augustus tot October, +zijn zij menigvuldig bij meren, poelen en plassen. Soms worden zij in +menigte onder het wilsternet gevangen, waarbij echter vele door de +mazen gaan (<span class="smallcaps">Albarda</span>). Hun stem klinkt +zacht en aangenaam als “duurrr” of +“duurruï,” soms ook als “dierriet”, zoo +ook die van de volgende soort.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Kleinste Strandlooper</span>, in +Friesland <span class="letterspaced">Kleine Gril</span> genoemd +[<i lang="la-x-bio">Tringa (Limonites) Temminckii</i>], die in grootte +een Roodborstje evenaart, heeft den snavel even lang als de kop, zeer +weinig gebogen, den staart wigvormig verlengd, den snavel en de voeten +zwart, de eerste groote handpen met witte schaft, de buitenste +staartveeren effen grijs. Des zomers zijn de onderdeelen wit met +uitzondering van de bruingrijze onderhals en krop, de bovendeelen +bruinachtig grijs met zwarte en roestkleurige vlekken. Van het +winterkleed is de onderzijde wit, op den krop echter bruinachtig grijs +met donkerder overslagsche streepjes, de bovenzijde bijna effen +bruinachtig aschgrauw. Deze soort wordt op dezelfde plaatsen en in +denzelfden tijd als de Kleine Strandlooper, doch in zeer kleinen getale +op den trek bij ons waargenomen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De drie overige inheemsche soorten onderscheiden zich door een flauw +benedenwaarts gekromden snavel. Zoo de <span class="letterspaced">Paarse</span> of <span class="letterspaced">Violette +Strandlooper</span> [<i lang="la-x-bio">Tringa (Arquatella) +maritima</i>], die de grootte heeft van een Spreeuw. Zijn snavel is +langer dan de kop; de loop evenaart in lengte de middelste voorteen +zonder den nagel; het onderbeen is boven het spronggewricht slechts +zeer weinig naakt; de loop en het achterste deel van den snavel zijn +geel; de staart is wigvormig. De bovenzijde is bruin- of grauwzwart met +witachtige vederkanten, de onderzijde heeft dezelfde kleur met +uitzondering van kin en buik, die wit zijn; de staart is aschgrauw; de +bovendekveeren van den staart zijn zwart met witten top, de +onderdekveeren wit met lange, donkere schaftvlekken. Het zomerkleed is +bruinachtiger.—Deze Vogel, die ook nog kenbaar is aan zijn helder +fluitend stemgeluid, bezoekt op den trek, die zich tot Middel-Afrika en +Australië uitstrekt in kleinen getale ook ons land; men ontmoet +hem in het voor- en najaar (soms nog in December) op de +steenglooiingen, hoofden en andere zeeweringen langs de kust.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Krombekstrandlooper</span> [<i lang="la-x-bio">Tringa (Ancylochilus) subarquata</i>] is een weinig kleiner +dan de vorige soort, hoewel hij een iets langeren staart heeft. Zijn +snavel is veel langer dan de kop en in ’t oogvallend naar beneden +gebogen. De loop is langer dan de middelste voorteen met den nagel. De +snavel en de loop zijn zwart, de staartwortel en de bovendekveeren van +den staart wit; de staart is dubbel uitgesneden, de middelste veeren +rondachtig toegespitst; de borst en de krop zijn ongevlekt of zeer +weinig gevlekt. Zijn kleur heeft overigens veel overeenkomst met die +van den Kanoetstrandlooper. De Krombekstrandloopers, die op den trek +Zuid-Azië en Zuid-Afrika bezoeken, vertoonen zich in den nazomer +en herfst, aan onze kust, op de eilanden en op de lage weilanden in de +nabijheid van de kust, soms in koppels, maar gewoonlijk in kleinen +getale. Op den trek volgen zij niet slechts de kust, maar (in Afrika +althans) ook den loop der groote rivieren; men heeft ze in den winter +aan den Witten en den Blauwen Nijl ontmoet.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Eveneens bezoekers (en zelfs bewoners) van het binnenland zijn de +beide volgende vormen, die gewoonlijk als verscheidenheden van +één soort worden aangemerkt. De <span class="letterspaced">Bonte Strandlooper</span> of het <span class="letterspaced">Strandbokje</span> [<i lang="la-x-bio">Tringa (Pelidna) +alpina</i>], die zoo groot is als een Veldleeuwerik, komt in nagenoeg +alle opzichten overeen met zijn merkbaar kleineren verwant, de +<span class="letterspaced">Kleine Bonte Strandlooper</span> of het +<span class="letterspaced">Kleine Strandbokje</span>, bij Oirschot +<span class="letterspaced">Fluitsnipje</span> genoemd [<i lang="la-x-bio">Tringa (Pelidna) alpina Schinzii</i>]. Merkwaardig is het, +dat het broedgebied van deze beide vormen zich verder zuidwaarts +uitstrekt, dan dat der overige Strandloopers. De eerstgenoemde broedt +in ons werelddeel nog in Skandinavië, de andere ook in +verschillende gewesten van Duitschland; zelfs werd hij broedend +waargenomen aan den Hoek van Holland; ook werd dit een paar malen in +Friesland (Boornbergum, Oudega, Suawoude) en te Vlijmen in Noordbrabant +opgemerkt (<span class="smallcaps">Albarda</span>). De snavel is langer +dan de kop en flauw benedenwaarts gebogen, de loop langer dan de +middelteen met den nagel; de snavel en de loop zijn zwart, de +staartwortel en de bovendekveeren van den staart zwart of donkerbruin; +de staart is dubbel uitgesneden en heeft de beide middelste veeren lang +toegespitst; de borst en de krop zijn sterk bezet met donkere +schaftvlekken. In ’t zomerkleed zijn de onderdeelen wit met +scherpe, zwarte schaftstrepen en een groot, zwart schild op de +onderborst en den buik; de bovendeelen hebben een roestroode kleur met +zwarte schaftvlekken. In het winterkleed is de onderzijde witachtig, de +bovenzijde aschgrauw met zeer fijne, donkere schaftstrepen. In het +voor- en najaar komen groote vluchten Strandbokjes op onze kusten en +ook in het binnenland bij poelen en plassen in moerassige en +veenachtige streken voor.</p> +<p>Hun trillend stemgeluid klinkt als “tititititi” of +“tututututu”.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Als een hoogpootige Strandlooper kan men den <span class="letterspaced">Kemphaan</span> (<i lang="la-x-bio">Machetes</i> of +<i lang="la-x-bio">Pavoncella pugnax</i>) beschouwen, den eenigen +vertegenwoordiger van zijn geslacht. In Groningen heet hij <span class="letterspaced">Kappertje</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Haantje</span>, in ’t Friesch <span class="letterspaced">Hoantsje</span> en <span class="letterspaced">Hintsje</span>, op Terschelling <span class="letterspaced">Kraagman</span>, op Texel <span class="letterspaced">Kragenmaker</span>. De snavel is zoo lang als de kop +(doch korter dan de loop), recht, aan de spits een weinig verlaagd en +niet verbreed, over zijn geheele lengte zacht, de voet is hoog en +slank, het onderbeen tot ver boven het spronggewricht naakt; van de +drie voorteenen is de middelste met de buitenste door een spanvlies +verbonden; de korte, hoog aangehechte achterteen raakt den grond niet; +de vleugels zijn middelmatig lang en spits; de staart is kort, uit 12 +pennen samengesteld, aan de spits flauw afgerond. Het bruiloftskleed +van het mannetje is getooid met een zeer groote, schildvormige +halskraag, die zich tot aan de zijden van den achterkop uitstrekt en +hier in twee oorvormige bundels van verlengde veeren overgaat. +Bovendien zijn de mannetjes <span class="pagenum">[<a id="xd20e561" +href="#xd20e561" name="xd20e561">427</a>]</span>aanmerkelijk grooter +dan de wijfjes en hebben in ’t voorjaar aan ’t gelaat +naakte, geelachtige wratjes; deze verdwijnen in den herfst, evenals de +kraag. Een algemeen geldige beschrijving van de kleur van ’t +vederenkleed is niet mogelijk. De bovenvleugel is donker bruingrijs; de +zes middelste veeren van den zwartgrijzen staart zijn zwart gevlekt; de +buik is wit; de overige veeren zijn echter zeer verschillend van kleur +en teekening. Dit laatste geldt vooral voor de stijve, ongeveer 5 cM. +lange veeren van den kraag. Deze is op zwartblauwen, zwarten, +zwartgroenen, donker roestbruinen, roodbruinen, roestgelen, witten of +anders gekleurden grond lichter of donkerder gevlekt, gestreept of op +een andere wijze geteekend, zoo verschillend, dat men bijna geen twee +mannetjes kan vinden, die aan elkander gelijk zijn. De ervaring heeft +geleerd, dat dezelfde kleuren en teekening zich in ’t volgende +jaar opnieuw bij den Vogel vertoonen. De veeren van borst en rug zijn +soms op dezelfde wijze geteekend als de kraag, soms anders van kleur. +Het oog is bruin, de snavel groenachtig of groenachtig geel; ook deze +kleur verschilt min of meer in verband met die van de veeren; de voet +is in den regel roodachtig geel. Totale lengte van het mannetje 29 +à 32 (van het wijfje 24 à 26), staartlengte 8 cM.</p> +<div class="figure xd20e563width"><img src="images/p2427.jpg" alt="Kemphanen (Machetes pugnax). 1/2 v. d. ware grootte." width="720" +height="591"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kemphanen</span> +(<i lang="la-x-bio">Machetes pugnax</i>). 1/2 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p>Het noorden van de Oude Wereld is het vaderland van den Kemphaan; +enkele malen heeft men echter in Noord-Amerika afgedwaalde exemplaren +van deze soort waargenomen. Op den trek bezoeken deze Vogels niet +slechts alle landen van Europa en Azië, maar ook geheel Afrika; +men heeft ze in het Kaapland zoowel als aan den Senegal en aan den +Boven-Nijl geschoten. De groote, moerassige vlakten, die door de +Kieviten als woonplaats worden gekozen, herbergen in den regel ook +Kemphanen; deze zijn echter niet zoo ver verbreid als gene. Zelfs in +ons land, waar deze Vogels algemeen bekend zijn, broeden zij veel +minder algemeen dan de Kieviten, Grutto’s en Tureluurs; in de +lage hooilanden zijn zij echter zeer gewone verschijningen. +Zuid-Duitschland bezoeken zij slechts op den trek; in Noord-Duitschland +broeden zij veelvuldig in de boomlooze, vochtige, met gras begroeide +kuststreken van de Noordzee; hoewel men hen dikwijls in de nabijheid +van de zee ziet, zijn zij geen strandvogels in den eigenlijken zin van +’t woord.</p> +<p>In Maart of April komen de Kemphanen in vluchten op hunne +broedplaatsen hier te lande terug, om in Augustus of September weer te +vertrekken. Evenals hunne verwanten reizen zij ’s nachts; altijd +vormen zij troepen; deze vliegen in den regel in ∧-vormige orde, de +mannetjes gescheiden van de wijfjes en de jongen; ook in de +winterkwartieren bestaat ieder gezelschap uit leden van +één sekse.</p> +<p>Evenals de Strandlooper kiest de Kemphaan steeds vlakten uit, die +een vrij uitzicht in alle richtingen toelaten. Hooge moerasplanten en +vooral houtgewas vermijdt hij angstvallig. Hij loopt op een bevallige +wijze, meer stappend dan trippelend en met een fiere houding, die van +zelfvertrouwen getuigt. Hij vliegt zeer snel, drijft dikwijls op zijne +wieken en maakt vlugge en sierlijke zwenkingen. Wegens de grootere +lengte van zijne pooten gelijkt zijn beweging op den grond meer, op die +van de Ruiters dan op die van de trippelende en snel rennende +Strandloopers; in allerlei opzichten vormt hij als ’t ware een +overgang tusschen deze beide geslachten.</p> +<p>Eigenaardig zijn de gevechten, waaraan de Kemphanen hun naam te +danken hebben. Tot aan den broedtijd kunnen zij het zeer goed met +elkander vinden, toonen een gezelligen aard en blijven trouw bijeen. +Evenals hunne verwanten, zijn zij reeds vóór het krieken +van den dag wakker en bedrijvig, en blijven dit tot laat in den nacht, +bij lichte maan zelfs gedurende den geheelen nacht; voor het slapen of +rusten zijn hoogstens alleen de middaguren bestemd. Des morgens en des +avonds zijn zij ijverig bezig met het zoeken van hun voedsel, dat uit +zeer verschillende waterdieren, maar ook uit Insecten, die op het land +leven, Wormen en velerlei zaden bestaat. Geheel anders wordt hun +gedrag, zoodra de paartijd aanvangt. De mannetjes vechten dan +aanhoudend, zonder dat voor hunne twisten voldoende redenen te vinden +zijn. Misschien is het niet eens om de wijfjes, dat de strijd +ontbrandt, maar om een Vlieg, een Kever, een Worm, <span class="pagenum">[<a id="xd20e580" href="#xd20e580" name="xd20e580">428</a>]</span>een zitplaats, in ’t kort, om alles en +om niets; zij vechten, zoowel wanneer er wijfjes in de nabijheid zijn, +als wanneer zij deze niet kunnen zien, om ’t even of zij zich in +de vrije natuur of in gevangenschap bevinden, of zij eerst voor weinige +uren hun vrijheid verloren of reeds jaren lang in de kooi geleefd +hebben; zij vechten op ieder uur van den dag, kortom in alle +omstandigheden. In ’t open veld komen zij bijeen op bepaalde +kampplaatsen (in Friesland “rid” of +“haantjerid” genoemd), die in streken, waar de Vogels +veelvuldig voorkomen, 500 à 600 schreden van elkander afliggen; +zij worden ieder jaar weer opgezocht en gebruikt; waarschijnlijk +onderscheiden zij zich van de omgeving in geen ander opzicht dan door +het gebruik dat er van gemaakt wordt. De kampplaats is een iets hooger +gelegen, maar toch vochtige, met kort gras begroeide plek van 1.5 +à 2 M. middellijn, die iederen dag door een zeker aantal +mannetjes herhaaldelijk bezocht wordt. Op dit toernooiveld, waar iedere +kampioen zijn tegenstander opwacht om met hem te strijden, verschijnt +de Kemphaan nooit, voordat de veeren van den kraag zich ontwikkeld +hebben; zoodra zijn bruiloftskleed gereed is, komt hij er geregeld en +toont van nu af een merkwaardige gehechtheid aan deze plek.</p> +<p>“Het mannetje, dat het eerst op het terrein aanwezig +is,” zegt <span class="smallcaps">Naumann</span>, “kijkt +verlangend uit naar een tweeden bezoeker; als deze toevallig geen lust +in ’t vechten heeft, wordt de komst van een derden, vierden enz. +afgewacht; weldra vangt dan de ruzie aan. Zoodra twee Vogels twist +gekregen hebben, schieten zij op elkander toe, vechten een poosje en +gaan dan uitgeput terug naar hun oorspronkelijke standplaats aan den +rand van het terrein, waar zij rusten om nieuwe krachten te verzamelen +voor het hervatten van den strijd. Op deze wijze voortgaande krijgen +zij eindelijk hun bekomst; dan verlaten zij de kampplaats, maar keeren +gewoonlijk na korten tijd terug. Hun gekibbel loopt altijd uit op een +tweegevecht, nooit heeft het een algemeenen strijd tusschen +verscheidene Kemphanen ten gevolge. Dikwijls komt het echter voor, dat +twee of drie paren te gelijk duelleeren en dat hunne vechtbanen +elkander kruisen; in dit geval levert het heen en weer rennen en tegen +elkander opspringen van de Vogels zulk een zonderlinge vertooning op, +dat de op eenigen afstand staande toeschouwer ze allicht voor dol en +bezeten zal houden. Als twee mannetjes in strijd geraken, ziet men hen +trillen en met den kop knikken, terwijl zij nog rechtop staan; daarna +buigen zij de borst zoo ver omlaag, dat het achterste deel van het +lichaam hooger komt te liggen, richten den snavel op elkander, zetten +tevens de groote borst- en rugveeren op, breiden den nekkraag +bovenwaarts uit en geven aan den halskraag den vorm van een schild. Zoo +uitgerust rennen en springen zij op elkander toe en gebruiken den +snavel als degen; de met wratten gepantserde kophuid dient als helm, de +dichte halskraag als een schild, dat de stooten opvangt; alle +bewegingen hebben zeer haastig plaats. De kampioenen zijn zoo +opgewonden, dat zij van woede beven, zooals duidelijk zichtbaar is in +de korte pauzen tusschen de telkens weer herhaalde, snel opeenvolgende +aanvallen. Het hangt van de meer of minder groote vechtlust van de +beide strijders af, hoeveel schermutselingen er op één +gang komen; deze wordt door een langere pauze gevolgd.</p> +<p>“Zij hebben geen ander wapen dan hun zachten, aan het einde +kolfvormigen, doch stomprandigen snavel, een zeer zwak werktuig, +waarmede zij elkander nooit kunnen kwetsen of zoo bijten, dat er bloed +vloeit; slechts zelden verliezen zij bij deze vechtpartijen eenige +veeren; het grootste ongeluk, dat een van de strijders overkomen kan, +is, dat zijn tegenpartij hem bij de tong pakt en een poos hierbij heen +en weer sleurt. Dat hun snavel bij zeer hevige stooten soms te sterk +gebogen wordt, is niet onwaarschijnlijk; het kan wel zijn, dat hierdoor +op de min of meer geknikte plaatsen de knobbelvormige opzwellingen of +uitwassen ontstaan, welke vooral bij oude Vogels, die de woedendste +vechtersbazen zijn, dikwijls aan den snavel voorkomen.”</p> +<p>Als de tijd van ’t eieren leggen nadert, ziet men +één mannetje in gezelschap van twee wijfjes, of omgekeerd +een wijfje vergezeld door verscheidene mannetjes soms ver van het +strijdperk, in de nabijheid van de plaats waar later het nest gevonden +wordt. Deze is zelden ver van het water verwijderd, dikwijls een iets +hoogere plek in het moeras. Het nest zelf bestaat uit een ondiep +kuiltje, dat met een gering aantal dorre halmpjes en grasstoppels +bekleed is. Het bevat gedurende den broedtijd 4, zeldzamer 3 eieren van +aanzienlijke grootte, die op olijfbruinachtigen of groenachtigen grond +roodachtig bruine of zwartachtige vlekken hebben, op het dikkere einde +gewoonlijk meer dan aan het spitsere. Het wijfje broedt alleen, 17 +à 19 dagen lang, houdt veel van haar kroost en gedraagt zich bij +haar nest geheel op de wijze van de andere Snipvogels; van de +levenswijze der jongen valt hetzelfde op te merken.</p> +<p>Geen der Snipvogels kan gemakkelijker gevangen worden, geen geraakt +spoediger aan de gevangenschap gewoon dan de Kemphaan. Zonder moeite +maakt men zich van de mannetjes meester door op de kampplaats strikken +te zetten; ook in het watersnippennet vangt men ze dikwijls in grooten +getale. Uit Friesland worden er vele naar Engeland verzonden.—Zij +schikken zich zeer goed in het leven in de kooi en eten dadelijk, wat +hun hier voorgezet wordt. Twee mannetjes zullen echter, zelfs wanneer +zij in een doek of net uren ver gedragen zijn, zoodra zij in een hok +geplaatst worden, nog eerder aan ’t vechten gaan dan aan ’t +eten. In een groote volière maken zij een allerliefste +vertooning en verschaffen den toeschouwer voortdurend tijdverdrijf, +althans zoolang de broedtijd duurt; iedere broodkruimel, die hun +toegeworpen wordt, brengt het geheele gezelschap in opschudding. Na den +paartijd leven zij in vrede met elkander, hoewel soms de eene of de +andere zich laat verleiden tot het aannemen van een dreigende +houding.</p> +<p>De eieren van de Kemphanen worden, evenals die van de Kievieten, +ingezameld en gegeten. Het vleesch van deze Vogels smaakt goed.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Waterloopers</span> (Oeverloopers en +Ruiters) zijn in den regel slanker dan de Strandloopers, hebben een +kleineren kop, een langeren snavel en staan hooger op de pooten. De +snavel is zoo lang als de kop of iets langer, van den wortel tot bij +het midden zacht, aan de spits hoornachtig; de voet is verschillend van +maaksel, soms hoog en dun, soms kort en krachtig, bij de meeste vier-, +bij enkele drieteenig; de buitenste en de middelste voorteen zijn door +een spanvlies verbonden; de vleugels zijn lang en smal, hun spits wordt +door de eerste handpen gevormd; de uit 12 pennen samengestelde staart +is kort, afgerond, trapvormig of wigvormig. De kleine veeren liggen +glad tegen het lichaam aan, hebben zeer bescheidene kleuren en worden +tweemaal ’s jaars gewisseld. Tusschen de mannetjes en wijfjes +bestaat een gering verschil in grootte, <span class="pagenum">[<a id="xd20e603" href="#xd20e603" name="xd20e603">429</a>]</span>weinig of +geen verschil van kleur. Kenmerkend voor deze groep is het ontbreken +van het tastorgaan aan de snavelspits.</p> +<p>Evenals de vroeger genoemde Vogels, behooren ook de Waterloopers +hoofdzakelijk in ’t noorden thuis; alle soorten trekken echter +geregeld en bezoeken dan de meest afgelegen landen. Zij houden zich op +aan de oevers van stroomend en stilstaand water, in moerassen en +broeklanden, minder vaak aan de zeekust. In de winterkwartieren +vereenigen zij zich met vele andere Vogels, die dikwijls tot zeer +verschillende soorten behooren, maar vormen zelden zulke groote zwermen +als de Strandloopers. Hun voorkomen is bevallig, hun gang sierlijk, +behendig en stappend; zij vliegen buitengewoon snel en zonder merkbare +inspanning; hun stem bestaat uit aangename, hooge, fluitende, ver +hoorbare tonen, die zooveel op elkander gelijken, dat de eene soort +niet zelden de roepstem van de andere volgt. Het nest rust meestal op +den grond, soms echter op boomen, en bevat, evenals bij de vorige +groep, vier betrekkelijk groote, peer- of tolvormige eieren, die op +olijfgroenen grond met bruingrijze vlekken geteekend zijn en door het +wijfje uitgebroed worden. De jongen loopen de ouden reeds op den +eersten levensdag na, verbergen zich, evenals hunne verwanten, bij +naderend gevaar zeer behendig op den bodem of in het gras, leeren +spoedig fladderen en gaan hun eigen weg, zoodra zij vliegen kunnen.</p> +<p>Alle Waterloopers zijn voorzichtig en schuw van aard; de groote +soorten nemen daarom overal, waar zij met andere strandvogels +samenleven, het leiderschap op zich. Zij zijn niet gemakkelijk te +jagen; de vangst biedt eveneens bezwaren aan. Spoedig geraken zij +gewoon aan ’t leven in de kooi, nemen eenvoudigen kost voor lief +en kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang als gevangenen in +’t leven gehouden worden.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Als een overgangsvorm tusschen de Strand- en de Waterloopers kan men +de <span class="letterspaced">Oeverloopers</span> (<i lang="la-x-bio">Actitis</i>) beschouwen, gekenmerkt door een rechten snavel, +die den loop in lengte evenaart en een afgeronde staart, die achter de +vleugelspitsen uitsteekt. De eenige soort van dit geslacht, die Europa +en ook ons vaderland bewoont—de <span class="letterspaced">Oeverlooper</span> of <span class="letterspaced">Steenvink</span> (<i lang="la-x-bio">Actitis</i> of +<i lang="la-x-bio">Tringoides hypoleucos</i>)—is aan de +bovenzijde olijfbruinachtig met groenachtigen of purperkleurigen +weerschijn, met zwarte, overlangsche en dwarse vlekken geteekend, aan +de onderzijde wit; de veeren van de zijden van den kop vormen een witte +streep boven en een witte plek onder het oog, doch zijn overigens +bruinachtig met donkerder schaften en overlangsche vlekken; de +slagpennen zijn bruinzwart; de armpennen hebben een witte wortelhelft +en spits, die met de witte vlekken der handpennen op den uitgespreiden +vleugel breede banden vormen; de middelste stuurpennen zijn grijsbruin +met zwarte schaft en roestgele kanten en vlekken, de overige meer of +minder wit met smalle, zwarte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel +grauwzwart, aan den wortel lichter, de voet loodkleurig grijs. Totale +lengte 21, staartlengte 6 cM.</p> +<p>Met uitzondering van het noordelijke deel van de Vereenigde Staten, +van Middel- en Zuid-Amerika en van Polynesië bewoont of bezoekt +deze Vogel de geheele aarde en nestelt ook bijna overal waar hij +voorkomt. Hij verlaat ons in October en komt in April terug; gedurende +den zomer treft men hem op de met zand of steentjes bedekte oevers van +rivieren en meren aan, vooral op plaatsen, die aan de landzijde door +een hoogen walkant beschut zijn; hij voedt zich met wormpjes, larven en +gevleugelde Insecten, vooral met Net- en Tweevleugeligen. Deze worden +van den grond opgepikt of in de vlucht gevangen, soms ook van de bladen +weggenomen. Om de zittende Vliegen, Muggen, Haften en Waterspinnen te +vangen, sluipt hij met ingetrokken kop en hals onhoorbaar en +voorzichtig naar hen toe; door ’t plotseling strekken van den +hals wordt de snavel uitgestoken en deze mist zelden zijn doel. Hij +loopt schielijk, zwemt en duikt als het zijn moet, vliegt uitmuntend en +laat vooral bij het opvliegen zijn stem hooren. Deze bestaat uit een +fijn, helder, hoog en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer als +“iediedied” klinkt en in den paartijd een zacht beginnenden +en eindigenden triller vormt, die zeer dikwijls herhaald wordt, doch +geen onaangenamen indruk maakt. Men ziet de mannetjes dan onrustig zeer +dicht langs den waterspiegel heen en weer vliegen. Het napvormige, met +hooi belegde nest, dat voor een Snipachtigen Vogel zeer goed gebouwd +mag heeten, rust op den grond tusschen de struiken op een plekje van +den oever, dat bij hoog water droog blijft. De 4 eieren, welke in +grootte met die van Patrijzen overeenkomen, hebben een somber roestgele +grondkleur met groenachtigen weerschijn; zij zijn grauw, paars en +roodbruin gevlekt en gestippeld.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Bij de <span class="letterspaced">Ruiters</span> (<i lang="la-x-bio">Totanus</i>) reiken de vleugelspitsen tot voorbij den +staart. Zij zijn in ons vaderland door vijf soorten +vertegenwoordigd.</p> +<p>De <span class="letterspaced">Groenpootige Ruiter</span> of +<span class="letterspaced">Groenpootstrandsnip</span> (<i lang="la-x-bio">Totanus glottis</i>), die soms als vertegenwoordiger van een +afzonderlijk geslacht, dat der <span class="letterspaced">Strandruiters</span> (<i lang="la-x-bio">Glottis</i>) +wordt beschouwd (en dan <i lang="la-x-bio">Glottis littoreus</i> heet), +onderscheidt zich van zijne verwanten door den vorm van den snavel, die +lang en smal, aan den wortel veel hooger dan breed en van het midden af +flauw bovenwaarts gekromd is. De bovenzijde is bruinzwart met witte +randen om de veeren; de onderrug en de staartwortel zijn zuiver wit; de +onderdeelen zijn wit met uitzondering van de borst, die met zwarte, +overlangsche vlekken en strepen geteekend is; de handpennen zijn +bruinzwart, hare schaften zwart met uitzondering van de eerste, die wit +is, de armpennen dofbruin, op de binnenvlag met witachtige wolkjes, de +middelste staartpennen grijs, de zijdelingsche wit en zwart gevlekt. In +het herfstkleed zijn de kop, de achterhals en de zijden van den hals +grauwzwart en wit gestreept, de mantelveeren donker aschgrauw met +zwarte schaften, zwarte vlekken en witachtige kanten, de zijden van den +onderhals en den krop met zwarte schaften en overlangsche strepen. Het +oog is bruin, de snavel groenachtig zwart, de voet grijsachtig groen. +Totale lengte 34, staartlengte 8 cM.</p> +<p>Deze Vogel werd in alle werelddeelen aangetroffen; zijn eigenlijk +vaderland is echter het noorden van de Oude Wereld. Ons vaderland +bezoekt hij op den trek in de lente en in den herfst (sommige komen in +Augustus en blijven tot Mei); broedend heeft men hem hier nog niet +waargenomen. Evenals zijne verwanten geeft hij aan zoetwatermeren en +moerassen duidelijk de voorkeur boven de zeekust. Wel ontmoet men hem +ook hier soms, maar dan in den regel op aanslibbingen en slechts +gedurende korten tijd; zoo vindt men hem “in den nazomer bij +Ameland en Schiermonnikoog en ook op de slibgronden in de Lauwerzee, +soms in groote vluchten” (<span class="smallcaps">Albarda</span>). De wintermaanden brengt hij door op +verscheidene eilanden <span class="pagenum">[<a id="xd20e670" href="#xd20e670" name="xd20e670">430</a>]</span>van den Griekschen Archipel +of in Noord-Afrika; zijne omzwervingen strekken zich echter nog veel +verder uit; hij bezoekt de landen tusschen de keerkringen en ook de +gematigde gewesten van het zuider halfrond, b.v. Zuid-Australië, +Tasmanië, Zuid-Afrika en de La-Plata-Staten. In zijne +winterkwartieren vestigt hij zich bij strandmeren, bij rivieren, die +buiten hare oevers treden, bij voorkeur echter in rijstvelden. +Gewoonlijk ziet men hem hier alleen, hoewel bijna altijd omringd door +verscheidene soorten van Strandloopers, Steltkluiten, Grutto’s en +zelfs Zwemvogels, vooral Eenden; naar het schijnt, treedt hij +bereidwillig als leider van deze Vogels op; zij volgen hem althans +blindelings.</p> +<p>De opgewektheid, behendigheid en beweeglijkheid, die aan alle +Ruiters eigen zijn, bezit hij in hooge mate; zijn houding is flink en +kan zelfs fier heeten; hij stapt met waterpas gerichten romp vlug en +luchtig over den vasten bodem, loopt graag in het water, trekt zwemmend +over een vrij breeden plas en doet dit zelfs zonder noodzaak, duikt +uitmuntend in tijd van gevaar, roeit onder water met de vleugels +verder, vliegt met rassche en krachtige wiekslagen snel en behendig +meestal recht op het doel af, zwenkt echter ook prachtig en schiet +vóór het neerstrijken in suizende vaart omlaag tot dicht +bij den grond om eerst hier door doelmatige vleugelbeweging zijn +snelheid te verminderen. Zijn stem is een hoog, helder en ver hoorbaar +gefluit, dat ongeveer als “tsjiea” klinkt en een zeer +aangenamen indruk maakt; hij lokt met een zacht “diek +diek”, toont angst door een krijschend “kruu kruu”, +en laat in den paartijd, doch uitsluitend gedurende het vliegen, een op +fluitspel gelijkend minnelied hooren, waarvan de vele malen herhaalde +klanken “dahudl dahudl dahudl” een voorstelling kunnen +geven. Boven al zijne verwanten uitstekend door schranderheid, +voorzichtigheid en schuwheid, is hij het best voor leider geschikt. +Zijn loktoon wordt door al zijne verwanten en ook door de Strandloopers +als een onfeilbaar teeken beschouwd, dat het oord niet veilig is; zijn +handelwijze dient allen ten richtsnoer.</p> +<p>Zijn voedsel komt in hoofdzaak overeen met dat van de andere +Waterloopers; het bestaat uit zeer verschillende waterdieren, +waarschijnlijk vooral uit Insecten en hunne larven, waarvan de Haften +en de Waterjuffers het eerst vermelding verdienen, voorts uit Wormen, +Schaaldieren en Weekdieren, meer bepaaldelijk die, welke de zee +bewonen, ook wel uit kikkerlarven en kleine Kikkers en eindelijk uit +jonge Visschen van allerlei soorten. <span class="smallcaps">Naumann</span> zag hen ijverig bezig met de vangst van +Draaikevertjes, die zij van den waterspiegel afzochten, en ook ver in +het water naliepen.</p> +<p>Hoewel de Groenpootige Ruiter reeds op Rugen en op de Deensche en +Zweedsche eilanden broedt, doet hij dit bij voorkeur in noordelijker +landen, het liefst in boomlooze gedeelten van de toendra, vooral in de +nabijheid van de zee en in open plekken van wouden, zooals door mij aan +den benedenloop van den Ob werd opgemerkt. Het nest wordt kunsteloos +van halmen gebouwd op een met gras begroeide verhevenheid, meestal +onder een struik.</p> +<p>De voorzichtigheid en de schuwheid van dezen Vogel maken zijn vangst +moeielijk. Door het nabootsen van zijn stem tracht men, dikwijls te +vergeefs, hem in het net te lokken. Men geeft zich deze moeite, omdat +hij gewoonlijk gevolgd wordt door de verwante strandvogels. Jaren lang +kan men hem in de kooi met het gewone voedsel der strandvogels in +’t leven houden: hij wordt spoedig tam en verschaft vooral in een +door verschillende Vogels bewoonde volière veel genoegen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De meest bekende van alle Ruiters is de <span class="letterspaced">Tureluur</span>, in Noord-Holland <span class="letterspaced">Tuut</span>, op Terschelling <span class="letterspaced">Tjuud</span>, op Texel <span class="letterspaced">Tjerkje</span>, in Groningen <span class="letterspaced">Tuutling</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Tjerk</span> (in ’t Friesch <span class="letterspaced">Tjirk</span>), in Zeeland <span class="letterspaced">Daak</span> en <span class="letterspaced">Daakje</span>, +bij Oirschot <span class="letterspaced">Witstaart</span>, in Limburg +<span class="letterspaced">Roodpootige Ruiter</span> genoemd [<i lang="la-x-bio">Totanus (Totanus) calidris</i>]. Bij dezen is de snavel +recht; de bovendeelen zijn grijsachtig bruin, de kop en de hals met +kleine langwerpige, de rug en de mantel met groote, ronde, zwarte +vlekken geteekend, de onderrug en de staartwortel wit, deze met zwarte +dwarsbanden; de zijden van den hals en de krop zijn geelachtig grijs +en, evenals de zijden van den romp, met zwarte, bruin gezoomde vlekken +bezet; de overige onderdeelen zijn wit, de handpennen bruin, de eerste +met witte schaft; wit zijn ook het wortelgedeelte van de binnenvlag en +op de laatste pennen de spits; de armpennen, die, met uitzondering van +de laatste, op de binnenvlag dwarsbanden hebben, zijn overigens bijna +geheel wit, waardoor een breede spiegel wordt gevormd; de +schouderveeren zijn donkerbruin met scherpe, roestroode dwarsvlekken, +de stuurpennen wit met donkerbruine, grijs uitvloeiende dwarsbanden. +Het oog is grijsbruin, de snavel aan den wortel rood, aan de spits +zwartbruin, de voet vermiljoenrood. Totale lengte 27, staartlengte 7 +cM. In den winter is de bovenzijde donkergrijs met zwarte +schaftvlekken, de onderzijde sterker gevlekt dan ’s zomers.</p> +<p>Deze Vogel broedt bij ons in groote getale in de moerassen en lage +landen der kuststreken en is op onze weilanden met den Kievit de meest +algemeene soort van moerasvogels; buitengewoon talrijk is hij op de +eilanden. In het begin van den herfst verdwijnt hij uit het binnenland; +aan de kust wordt hij bijna den geheelen winter door waargenomen. Een +aantal exemplaren verlaten ons land in Augustus en September en komen +in April terug. Zij reizen ’s nachts; in den herfst volgen zij +langzaam en op hun gemak den loop der rivieren of de kust, dikwijls +dagen lang rustend in streken, waar een overvloed van voedsel te vinden +is; in de lente trachten zij schielijker het doel van hun reis te +bereiken. Deze Vogel is evenmin zeldzaam in Noord-Duitschland, waar hij +op alle voor hem geschikte plaatsen broedt; nergens echter komt hij zoo +veelvuldig voor als in Skandinavië, Rusland, het zuiden van +Siberië en Toerkestan. Zijn broedgebied omvat geheel Europa +(misschien met uitzondering van IJsland en de Fär-öer), +voorts Klein-, Noord- en Middel-Azië. Zijn winterreis strekt zich +uit tot de Kaap de Goede Hoop en Indië met inbegrip van de +naburige eilanden. In de Nieuwe Wereld werd hij nog niet +waargenomen.</p> +<p>Zijn welluidende lokstem bestaat uit twee tonen, die men ongeveer +voorstellen kan door “dzjaü” of +“dzjnü”; zijn waarschuwend geschreeuw gelijkt op het +vorige geluid, maar is meer gerekt; teedere aandoeningen geeft hij, +evenals alle Waterloopers, te kennen door de klanken “duuk +duuk”; schrik ontlokt hem een onaangenaam gekrijsch; de +paringsroep, die altijd gedurende het vliegen weerklinkt, is een echt +jubelgezang, dat men door de teekens “dliedl, dliedl, +dliedl” ongeveer kan nabootsen. Hij is niet zeer gezellig van +aard, maar komt toch schreeuwend aanvliegen, als zijne soortgenooten in +gevaar en nood verkeeren, alsof hij hen helpen, raadgeven, waarschuwen +wil; ook hij treedt als leider van andere strandvogels op. Hij is even +schuw als de Groenpootige Ruiter, maar minder schrander en voorzichtig. +Hoewel onderscheid makend tusschen een jager en een herder, een man en +een kind, zal hij zich toch licht laten verschalken <span class="pagenum">[<a id="xd20e730" href="#xd20e730" name="xd20e730">431</a>]</span>en bij zijn broedplaats vermetel het leven in +de waagschaal stellen.</p> +<p>Zijn voedsel, dat in hoofdzaak wel gelijk zal zijn aan dat van den +Groenpootigen Ruiter, zoekt hij aan den waterkant of in het moeras; hij +waadt door het water, zoover zijne pooten zulks toelaten, duikt ook +dikwijls met het voorste deel van het lichaam om een dieper verborgen +buit te bereiken, maar houdt zich bovendien op akkers en droge weiden +met de insectenjacht bezig.</p> +<p>De Tureluurs komen meestal gepaard bij ons terug en beginnen +onmiddellijk te nestelen. Hun nest is een met weinige halmen bekleede +uitholling, die in den regel niet ver van den waterkant, zoo mogelijk +midden in het moeras tusschen biezen, zeggen en grassen ligt. +Gewoonlijk bevat het reeds in het midden van Mei het noodige aantal +eieren. Deze zijn tolvormig en iets kleiner dan die van den Kievit; de +gladde, fijnkorrelige, glanslooze schaal is op bleek bruinachtigen of +soms okergelen grond met talrijke, meer of minder dicht +bijeengeplaatste, grijsachtige, donkerbruine en purperbruine stippen, +vlekken en puntjes van verschillende grootte geteekend. Het wijfje +broedt alleen; de jongen komen na 14 of 15 dagen uit den dop en worden +dan door de moeder gebracht naar plaatsen, waar voedsel te vinden is; +zij bewaakt, leidt en onderricht hare kinderen, waagt haar leven om het +hunne tegen gevaar te beveiligen, tracht op de gewone wijze den vijand +te misleiden en geeft haar bezorgdheid te kennen door een angstig +geschreeuw; ook het mannetje schreeuwt dan luid, maar verliest niet zoo +vaak de zorg voor eigen veiligheid uit het oog. Ongeveer vier weken na +het verlaten van het ei zijn de jongen in staat om te vliegen en kort +daarna ook geschikt om zich zelf te redden; na dien tijd wordt de +innige band tusschen hen en hunne ouders spoedig losser.</p> +<p>De eieren van de Tureluurs zijn zeer smakelijk en worden, evenals +die van de Kieviten, Gruttos, Kemphanen en Wulpen, veelvuldig opgezocht +en in den handel gebracht. Ook op den Vogel zelf wordt jacht gemaakt, +hoewel hij geen uitmuntend wildbraad oplevert. In de gevangenschap +wordt hij even spoedig tam als zijne verwanten en gedraagt zich op +dezelfde wijze.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Zeer na verwant aan de zooeven beschreven soort is de <span class="letterspaced">Zwarte Ruiter</span> [<i lang="la-x-bio">Totanus +(Totanus) fuscus</i>], die 30 cM. lang wordt (staartlengte 7–1/2 +cM.); hij heeft donkerbruine pooten en een aan den wortel roodachtigen, +overigens bruinen bek. Behalve door zijn meerdere grootte onderscheidt +hij zich door zijn donkerder, in den zomer grootendeels leizwart +vederenkleed. Hij vervangt de Tureluur of vergezelt hem in het hooge +noorden van de Oude Wereld en bewoont ook IJsland en de +Fär-öer. Ons vaderland en de overige landen van Middel- en +Zuid-Europa bezoekt hij op den trek in het voor- en najaar; men treft +hem dan en gedurende den winter, van Augustus tot Mei, vooral op de +schorren en buitengronden aan. Zijn voedsel bestaat uit allerlei +waterdiertjes, vooral Wormen, Insecten en kikkerlarven, die hij veelal +zwemmend en met den kop onder water vangt. Zijn stem is een helder en +luid gefluit. Des nachts wordt hij niet zelden in steekgarens +gevangen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Het <span class="letterspaced">Witgatje</span>, in Friesland ook wel +<span class="letterspaced">Poolsche Snip</span> genoemd [<i lang="la-x-bio">Totanus (Heliodromas) ochropus</i>], heeft den kop en den +mantel donkerbruin met bronsgroenen weerschijn en met kleine, +witachtige vlekken, den hals, de keel en den krop wit met gelijkmatige, +donkerder, overlangsche strepen, die ook op den bruinachtigen nek +voorkomen, den vleugelrand effen donkerbruin, den staartwortel, evenals +de kin en de overige onderdeelen, zuiver wit; de slagpennen zijn +bruinzwart, de okselveeren donker bruingrijs met witte dwarsbanden, de +overigens zwarte staartpennen aan de wortelhelft wit, aan de tophelft +met drie of vier smalle, witte dwarsbanden geteekend. Het oog is +donkerbruin, de snavel groenachtig bruin, aan de spits donkerder, de +voet groenachtig loodgrijs<span class="corr" id="xd20e761" title="Niet in bron">.</span> In het herfstkleed zijn de witte vlekken zeer +klein en de zijden van den krop donkerder. Totale lengte 26, +staartlengte 4 cM.</p> +<p>De <span class="letterspaced">Boschruiter</span> [<i lang="la-x-bio"><span class="corr" id="xd20e771" title="Bron: Totauus">Totanus</span> (Rhyacophilus) glareola</i>], die in +Friesland ook wel eens “<span class="letterspaced">Witgatje</span>”, in Noord-Holland <span class="letterspaced">Liewietje</span> wordt genoemd, is kleiner dan de vorige +soort (totale lengte 22, staartlengte 5 cM.), van welke hij zich +onderscheidt door de meerdere grootte van de lichte vlekken der +bovendeelen, door de witte schaft van de eerste groote handpen, door de +zwarte en witte dwarsbanden van den staart, die niet alleen smaller en +veel talrijker zijn, maar bovendien reeds aan den wortel aanvangen, en +eindelijk door de groenachtig gele kleur van den voet.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Middel- en Noord-Europa benevens Middel- en Noord-Azië bevatten +de broedplaatsen der beide laatstgenoemde soorten van Ruiters; hun +verbreidingsgebied omvat nagenoeg geheel Europa, Azië en Afrika. +Op IJsland en de Fär-öer komen zij, naar ’t schijnt, +niet voor; in alle overige landen van Europa heeft men ze waargenomen. +De Poolsche Snip broedt in ons land niet, maar komt hier op den +najaarstrek, die van Augustus tot October (soms tot December) duurt en +houdt zich dan meestal op aan slootkanten in moerassige, hier en daar +met struiken begroeide, zandige landstreken. In April en Mei trekt hij +hier opnieuw door. De Boschruiter daarentegen vertoeft hier van April +tot Augustus en broedt op veengronden; zijn in het noorden broedende +soortgenooten, die hier in Augustus komen en soms veelvuldig aan poelen +en slooten waargenomen worden, trekken in October verder zuidwaarts. +Ten deele overwinteren beide soorten reeds in Zuid-Europa (enkele +Poolsche Snippen zelfs in Duitschland) andere exemplaren strekken hun +reis tot aan de Kaap de Goede Hoop en de Soenda-eilanden uit. Zij +leiden een verborgen leven: de Poolsche Snip geeft de voorkeur aan de +oevers van kleine waterstroomen, welker oevers met struikgewas begroeid +zijn; de Boschruiter houdt zich het liefst op in het eenzame, stille, +duistere woud; in Skandinavië en Siberië vond ik hem slechts +bij uitzondering op andere terreinen en heb ik hem dikwijls op de +twijgen van hooge boomen zien zitten, zelfs in den top. Afwijkingen van +dezen regel werden echter niet zelden waargenomen in streken, waar de +gewenschte terreinen ontbreken en andere omstandigheden heerschen.</p> +<p>Hun stem is buitengewoon hoog en luid, maar zoo zuiver en klankvol, +dat enkele tonen die van de beste Zangers bijna evenaren. In Augustus +hoort men hier te lande dikwijls kort na zonsondergang de trillers van +den Boschruiter.</p> +<p>De Poolsche Snip nestelt zoowel op den grond als op oude boomen in +daar reeds aanwezige nesten van Eekhoorns, Duiven, Gaaien en Lijsters, +zelfs in 10 M. boven den grond gelegen holten van stammen, in dit geval +echter steeds in de onmiddellijke nabijheid van het water. Voor den +Boschruiter, die volgens mijne ervaringen nog meer boomvogel is dan +zijn naaste <span class="pagenum">[<a id="xd20e789" href="#xd20e789" +name="xd20e789">432</a>]</span>verwant, geldt misschien hetzelfde; voor +zoover mij bekend is, zijn van deze soort echter nog geen nesten op +boomen gevonden. Bij ons maakt hij zijn nest nog steeds op den grond en +legt daarin vier bleek olijfgroene, met groote, olijfbruine vlekken en +paarsachtige stipjes bedekte, tolvormige eieren. Die van de Poolsche +Snip hebben op licht olijfgroenen grond kleine vlekken, vegen en +stippen, welker kleur van bruinachtig aschgrauw tot donker groenbruin +afwisselt. Na een bebroeding van ongeveer 15 dagen komen de jongen uit, +die het nest verlaten, zoodra zij droog geworden zijn en, als zij op +een boom het eerste levenslicht aanschouwden, zonder zich te +beschadigen naar beneden springen in het gras. Onder de trouwe, +zelfverloochenende leiding hunner ouders groeien zij schielijk en +worden even spoedig zelfstandig als de andere leden van hun +geslacht.</p> +<hr class="tb"> +<p>De <span class="letterspaced">Grutto’s</span> (<i lang="la-x-bio">Limosa</i>) zijn het naast verwant aan de Ruiters, hoewel +het niet te ontkennen valt, dat zij ook op de Wulpen gelijken en aan +den anderen kant ook aan de Snippen herinneren. Van deze onderscheiden +zij zich echter door de grootere lengte hunner pooten en vooral van het +naakte gedeelte der schenkels; voorts hebben zij minder groote oogen, +zijn nachtvogels in plaats van dagvogels en dragen een grijs +winterkleed, dat van het rosse zomerkleed zeer verschilt. Hun +grootendeels met een zachte huid bekleede snavel is langer dan de loop, +twee- à driemaal zoo lang als de kop, aan de harde spits +lepelvormig verbreed en zwak naar boven gebogen. De vleugels zijn meer +dan middelmatig lang, de eerste slagpen is de langste. De buitenste en +de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden (bij een enkele +soort ook de binnenste en de middelste); de achterteen is klein en niet +zeer hoog aangehecht. De staart is kort.</p> +<p>De zes soorten van dit geslacht broeden in het noordelijk halfrond, +maar strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en +Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten, +vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden, loopen hier, bedaard +stappend, rond, om hun voedsel te zoeken, dat uit kleine dieren +bestaat, richten zich bij ’t naderen van een gevaar op, blijven, +evenals de Ruiters, stokstijf staan, in plaats van zich te +“drukken”, gelijk de Snippen, en vliegen plotseling op, +terwijl hun vijand nog ver af is.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Grutto</span>, in Noord-Holland ook +<span class="letterspaced">Marel</span>, op Terschelling <span class="letterspaced">Griet</span>, in Limburg <span class="letterspaced">Oeversnip</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Schries</span>, <span class="letterspaced">Schrier</span> of <span class="letterspaced">Grieto</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Limosa +aegocephala</i>), is de grootste van de beide inheemsche soorten. Het +wijfje is 43 cM. lang, waarvan er 12 op den bek en 9 op den staart +komen. De lengte van het mannetje bedraagt 3 of 4 cM. minder. De pooten +zijn zwart, bij de jongen donkergrauw. De bek is vuil roodgeel, bij de +jongen vleeschkleurig, maar steeds bij de spits zwartbruin. De +slagpennen zijn zwartbruin, bij den wortel echter wit; de staart is +zwart, maar aan de kleinste wortelhelft wit. In den winter zijn alle +bovendeelen, de hals en de kop grijsbruin, de borst, de buik, de stuit +en een streep aan weerszijden van het voorhoofd wit. In den zomer heeft +het voorste gedeelte van het lichaam tot over de schouders, den rug en +de zijden van den romp een roestroode grondkleur; de rug en de vleugels +hebben dan zwarte, dwarse vlekken en banden.</p> +<p>De Grutto broedt op lage, vochtige of moerassige plaatsen van het +gematigde en warme Europa, op gelijke breedte ook in Azië en +Noord-Amerika; in het gure seizoen verhuist hij tot in Noord-Afrika. +Hij houdt zich het meest in de kustlanden op, maar is toch in de +moerassen van Hongarije zeer algemeen gedurende den zomer. Bij ons +behoort hij in vele oorden, op vochtige weilanden en in moerassige +streken, tot de zeer gewone Vogels; bij voorkeur nestelt hij in het +hooiland. Hij verlaat zijne broedplaatsen, zoodra de jongen behoorlijk +geoefend zijn in ’t vliegen, vertoeft gezellig nog eenigen tijd +op de banken aan de monden der rivieren, verlaat ook deze weldra (in +September) om zuidwaarts te trekken en keert in Maart naar zijn +zomerverblijf terug. Onze naam Grutto is aan het geluid ontleend, dat +hij vooral gedurende het vliegen laat hooren, zoowel in den paartijd, +als wanneer men zijn nest nadert. De vier eieren, die in het zeer +eenvoudige nest gevonden worden, zijn olijfgroen van kleur, met +donkerbruine en grijze vlekken en stippen bedekt. Daar zij grooter dan +kievietseieren en zeer smakelijk zijn, worden zij, evenals deze, +ijverig gezocht en voor hooge prijzen verkocht.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Rosse Grutto</span>, op Terschelling +<span class="letterspaced">Rosse Griet</span>, in Limburg <span class="letterspaced">Rosse Oeversnip</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Roode Schrier</span> en <span class="letterspaced">Hooiwulp</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Limosa +lapponica</i>), is op de kruin en in den nek licht roestrood met +bruine, overlangsche strepen, op den rug en de schouders zwart met +roestkleurige vlekken en randen; de keel, de zijden van den hals en de +onderdeelen zijn fraai donker roestrood, de zijden van de borst en de +onderdekveeren van den staart hebben zwarte, overlangsche vlekken, de +slagpennen zijn zwart, wit gemarmerd, de stuurpennen hebben grijze en +witte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel roodachtig, aan de spits +grauwzwart, de voet zwart. Totale lengte 41, staartlengte 7 cM.</p> +<p>Deze Vogel broedt in het noorden van Europa en van Azië; op den +trek bezoekt hij het grootste deel van Zuid-Azië, geheel +Zuid-Europa en Afrika tot Zuid-Nubië en de Gambia. Op deze reis +bezoekt hij in grooten getale de Duitsche en de Nederlandsche kusten. +In zachte winters blijven vele van Augustus tot Mei. Bij strenge vorst +overwinteren hier slechts enkele exemplaren. Tweemaal (bij Vlijmen en +aan den Hoek van Holland) heeft men deze soort broedend in ons land +aangetroffen. Op hun reis verwijderen de Rosse Grutto’s zich niet +gaarne van de zee, zoeken hun voedsel op de bij eb droogliggende +zandbanken en wadden, keeren bij intredenden vloed naar het vaste land +terug, zenden, als de eb aanvangt, boodschappers uit, vliegen, als deze +hun de gewenschte tijding gebracht hebben, onder oorverdoovend getier +naar den waterkant en volgen de terugwijkende golven.</p> +<p>Wormen, insectenlarven, volkomen Insecten, kleine Schelpdieren, +kleine Schaaldieren en Vischjes zijn het voedsel van de Grutto’s; +een grooteren buit kunnen zij niet verzwelgen. Of hun snavel werkelijk, +zooals gezegd wordt, zoo fijngevoelig is, dat zij, zonder gebruik te +maken van hun gezichtsorgaan, hun voedsel kunnen opsporen, moeten wij +in ’t midden laten. Het bij de Snippen voorkomende tastwerktuig +is bij hen niet aanwezig.</p> +<p>In de gevangenschap gedragen de Grutto’s zich als de andere +Waterloopers; zij eten, wat hun voorgezet wordt, geraken aan de +veranderde levensomstandigheden spoedig gewend, leeren hun verzorger +onderscheiden en blijven jaren lang gezond.</p> +<p class="tb">*</p> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e866" href="#xd20e866" name="xd20e866">433</a>]</span></p> +<p>De <span class="letterspaced">Wulpen</span> (<i lang="la-x-bio">Numenius</i>) zijn slank gebouwde Vogels met zeer langen, +zwak benedenwaarts gebogen, aan den wortel hoogen, naar voren +langzamerhand dunner wordende snavel; deze is, met uitzondering van de +hoornachtige spits met een zachte huid bekleed; de bovenkaak is iets +langer dan de onderkaak en een weinig er over heen gebogen. De pooten +zijn slank en hoog, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; alle +drie voorteenen zijn door duidelijke spanvliezen aaneenverbonden. In de +groote, spitse vleugels is de eerste slagpen de langste; de middelmatig +lange, uit twaalf pennen samengestelde staart is aan de spits afgerond. +Het harde, dicht aansluitende vederenkleed herinnert door zijn kleur +aan dat van den Leeuwerik en stemt bij de mannetjes en wijfjes +onderling en in de verschillende jaargetijden overeen.</p> +<div class="figure xd20e875width"><img src="images/p2433.jpg" alt="Wulp (Numenius arquatus). 1/4 v. d. ware grootte." width="709" height="590"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wulp</span> (<i lang="la-x-bio">Numenius arquatus</i>). 1/4 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Wulp</span> of <span class="letterspaced">Groote Wulp</span>, in Noord-Holland <span class="letterspaced">Drupen</span>, in Noordbrabant <span class="letterspaced">Heidetuter</span>, in Gelderland <span class="letterspaced">Tuter</span> en <span class="letterspaced">Zandtuter</span>, <span class="letterspaced">Regenfluiter</span> en <span class="letterspaced">Bergfluiter</span>, in Limburg <span class="letterspaced">Kliet</span>, in Groningen <span class="letterspaced">Wilp</span> en <span class="letterspaced">Groote +Wilp</span>, in ’t Friesch <span class="letterspaced">Wylp</span> +en <span class="letterspaced">Wettergulp</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Numenius arquatus</i>), is de grootste der drie in Europa en +ook bij ons inheemsche soorten. Zijn lengte bedraagt 70 à 75 +cM., waarvan 18 à 20 cM. op den staart komen. De veeren van de +bovenzijde zijn bruin met licht roestgele randen; de benedenrug is wit +met bruine schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn zwart +met witte kanten en vlekken, de drie eerste aan de binnenvlag wit +gezoomd, de overige met spitse, lichtere vlekken, de stuurpennen op +witten grond met zwartbruine banden. Het oog is donkerbruin, de snavel +zwart, aan den wortel van den ondersnavel olijfkleurig grijs, de voet +loodkleurig grijs.</p> +<p>Er is geen land in Europa, waar de Wulp nog niet waargenomen werd, +want hij broedt in het noorden en vertoeft in het zuiden, terwijl hij +trekt. Op dezelfde wijze treft men hem in het grootste deel van +Azië aan. Gedurende het winterhalfjaar doorreist hij Afrika even +geregeld, als hij Indië bezoekt: hij komt er in September en +blijft er tot Maart. Ook in het noordwesten van Amerika is hij geen +zeldzame verschijning. In ons land vertoeft hij van Maart tot September +en broedt in kleinen getale op de eilanden, op heidevelden en in lage +moerassige streken. Van alle Snipvogels is hij het minst exclusief, wat +de keuze van een verblijfplaats betreft. Elke landstreek acht hij +geschikt, de zeekust zoowel als de verschillende binnenwateren, vlakten +zoowel als heuvelachtige gewesten. Van het water vliegt hij soms naar +de dorste oorden, van deze naar velden en weiden, van hier weer naar +het water terug, geheel willekeurig. Zijne handelingen verraden steeds +een schuwen, voorzichtigen en wantrouwenden aard, zelfvertrouwen zoowel +als vreesachtigheid. Gezelliger dan vele andere Snipvogels, maakt hij +gaarne deel uit van kleine gezelschappen; wegens zijn waakzaamheid +verzamelen zich steeds een aantal minder schrandere strandvogels om hem +heen; hij bemoeit zich echter met dit gespuis niet meer, dan hem +goeddunkt. Zijn stem bestaat uit afgeronde, volle, klankrijke tonen, +die men door de lettergrepen “taü taü” en +“tlaüied tlaüied” kan nabootsen, volgens anderen +beter door “u lu lu, u lu lu”, “keloeje +keloeje” en “hoepe hoepe”. Hoewel hij ook in sommige +gewesten van Middel-Europa nestelt, moet men toch de noordelijke +landen, en van deze hoofdzakelijk de toendra, als zijn eigenlijk +broedgebied beschouwen. Men vindt het nest van dezen Vogel bij ons op +den grond tusschen hoog gras of heidekruid. Het is uit gras en +worteltjes van planten vervaardigd. De eieren, vier in getal, zijn +groot, olijfgroen en van groote, zwartbruine vlekken voorzien; zij +worden voor een groote lekkernij gehouden. Na den broedtijd verlaten de +Wulpen het binnenland en begeven zich naar moerassige plaatsen, slib- +of zandgronden aan de monden onzer rivieren. Zij en ook de Regenwulpen +blijven aan de kust in grooten getale den winter over en worden dan +veelvuldig in zoogenaamde “stalnetten”, een soort van +warflouwen, gevangen. Van beide soorten hoort men in de tweede helft +van Maart bij donker, regenachtig weer de fluitende lokstem dikwijls +den geheelen nacht door: vandaar hun naam.</p> +<p>Insecten van allerlei soort en in alle ontwikkelingstoestanden, +Wormen, Schelp- en Schaaldieren, ook <span class="pagenum">[<a id="xd20e939" href="#xd20e939" name="xd20e939">434</a>]</span>kleine +Visschen en Amphibiën, voorts velerlei plantaardige stoffen, +vooral bessen, vormen het voedsel van de volwassen Wulpen; de jongen +eten niet anders dan Insecten en in het hooge noorden uitsluitend +Muggen en hunne larven. Zij verdragen de gevangenschap goed, geraken +spoedig gewend aan het gewone kooivoedsel en aan hun verzorger, worden +zeer tam en geven ook hierdoor bewijzen van goede geestvermogens.</p> +<p>De jacht op deze Vogels is niet gemakkelijk; het toeval is daarbij +de beste helper van den jager. De vangst levert aan de broedplaatsen de +zekerste uitkomsten op en gelukt ook dikwijls met het watersnippennet. +In den ijverigen vogelvanger wekt de Wulp evenveel belangstelling als +de Auerhaan of het Hert in den jager. Als wild wordt deze Vogel +geschat, hoewel hij ver achterstaat bij de echte Snippen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Regenwulp</span>, <span class="letterspaced">Kleine Wulp</span> of <span class="letterspaced">Regenfluiter</span>, in Groningen <span class="letterspaced">Kleine Wilp</span> en <span class="letterspaced">Regenwilp</span>, in ’t Friesch <span class="letterspaced">Reinwylp</span>, <span class="letterspaced">Wetterwylp</span>, <span class="letterspaced">Litse +Wylp</span> geheeten (<i lang="la-x-bio">Numenius phaeopus</i>), is +veel kleiner dan de vorige soort (totale lengte 52, staart 11, snavel +11 cM.); zijn naar verhouding kortere snavel is sterker gekromd; zijn +kleur, hoewel in hoofdzaak gelijk, is somberder; de veeren van den kop +zijn donkerbruin, ongevlekt, met een witachtige, overlangsche streep +over de kruin; de flanken zijn wit met zwartbruine pijlvlekken en +dwarsstrepen, de staartveeren witachtig grijs, aan den wortel +aschgrauw, met 7 of 8 donkere, aan den rand uitvloeiende banden +versierd. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig +grijs.</p> +<p>Deze Vogels broeden uitsluitend in ’t hooge noorden, dringen +ver in de poolgewesten door, hebben den toendra en de hooge heidevelden +van Groenland, IJsland, het noorden van Skandinavië, de +Fär-öer en Siberië tot zomerverblijf en begeven zich op +den trek even ver zuidwaarts als hunne grootere verwanten. In den +nazomer en het najaar vindt men ze bij ons in vluchten in de +hooilanden, in de herfst- en wintermaanden aan de kust, in het voorjaar +vertoeven zij in vluchten van 20, 30 en meer stuks langen tijd op onze +weilanden, waar zij soms van Maart tot December blijven rondzwerven, +zonder dat hier ooit eieren van hen gevonden zijn. Gedurende het +vliegen brengen zij een opmerkelijk trillenden loktoon +(“hüüüüüüh”) voort.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Dunbekwulp</span> (<i lang="la-x-bio">Numenius tenuirostris</i>), die in de kustlanden van de +Middellandsche <span class="corr" id="xd20e987" title="Bron: zee">Zee</span>, vooral in Noord-Afrika (Egypte) en op +Sicilië, broedt en wiens reizen zich over een groot deel van +Azië en Afrika uitstrekken, dwaalt eene enkele maal naar ’t +noorden af; tot dusver werden 4 exemplaren van deze soort in ons +vaderland (Friesland, Noord-Holland, Zeeland) geschoten. In grootte +komt hij met den Regenwulp overeen, van wien hij zich vooral +onderscheidt door zijn aanmerkelijk dunneren snavel en de lichtere +kleur van zijn kleed.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Franjepooten</span> (<i lang="la-x-bio">Phalaropus</i> of <i lang="la-x-bio">Crymophilus</i>) zijn +kleine, Strandlooper-achtige Snipvogels, die zich van alle overige +leden hunner orde onderscheiden door een buitengewone geschiktheid voor +het zwemmen. Hunne voorteenen hebben, behalve een spanvlies een aan den +rand fijn getanden huidzoom, die dikwijls bij de teengewrichten +ingesneden is. Hun snavel is zoo lang als de kop, aan de wortelhelft +zacht, overigens hard, recht, zeer zwak, aan de spits een weinig +benedenwaarts gebogen of afgeplat. Zij hebben lange, spitse vleugels, +welker eerste slagpen de langste is, een korten, afgeronden, uit 12 +pennen samengestelden staart, sterk verlengde staartdekveeren en een +buitengewoon rijk vederenkleed. Hun vaderland is het hooge noorden van +de Oude en de Nieuwe Wereld; slechts bij uitzondering komen zij op +lagere breedten; want, als zij trekken, begeven zij zich niet naar +zuidelijker landen, maar naar de open zee.</p> +<p>Door hun levenswijze onderscheiden zij zich van alle bekende Vogels. +Zij zijn allerliefste schepsels, op het land even behendig als in +’t water. Hun gang komt overeen met die van de Strandloopers; het +zwemmen geschiedt zonder merkbare inspanning en op een buitengewoon +bevallige wijze, niet slechts op het effene watervlak der kleine +vijvers, aan welker oevers zij broeden en gedurende den zomer verblijf +houden, maar zelfs in de onstuimigste zee, bij hevige stormen, vele +mijlen van het land verwijderd. De zee is hun eigenlijke woonplaats; +aan het land komen zij slechts om eieren te leggen en hunne jongen +groot te brengen. Juist daarom komt hun levenswijze ons nog in vele +opzichten duister en raadselachtig voor.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De eenige soort van dit geslacht, die in Europa, n.l. in Lapland, +broedt, is de <span class="letterspaced">Aschgrauwe Franjepoot</span>, +de <span class="letterspaced">Odinshen</span> van de IJslanders +(<i lang="la-x-bio">Phalaropus hyperboreus</i>). De veeren van de +bovendeelen zijn zwartgrijs, die van den onderrug en de schouders zwart +met roestgele randen; de zijden van het achterste deel van den hals +zijn roestrood, de keel en de onderdeelen wit, de krop en de zijden van +den romp grijs. In den winter is de rug lichtgrijs met zwarte vlekken. +Totale lengte van het mannetje 18, van het wijfje 20 cM., staartlengte +5 cM.</p> +<p>In den zomer bewoont deze Vogel de kusten van Finmarken, IJsland, +Zuid-Groenland en waarschijnlijk ook den noordrand van de Aziatische +toendra; soms vliegt hij van hier naar zuidelijker gewesten: men heeft +hem herhaaldelijk in Amerika, Duitschland, Nederland (in den nazomer en +den herfst op de Hollandsche en Friesche kust) en Frankrijk, ja zelfs +in Spanje geschoten, ook wel op binnenwateren, die hij bereikte, door +met de Strandloopers langs de stroomen te trekken. In de maag van +gedoode exemplaren vond men larven van verschillende Insecten. Op +Spitsbergen voedt de Odinshen zich gedurende den zomer hoofdzakelijk +met een kleine Alge, die daar in de moerassen veelvuldig voorkomt.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Op nog hoogere breedten en verder westwaarts wordt de genoemde soort +vervangen door den iets grooteren <span class="letterspaced">Rossen +Franjepoot</span> (<i lang="la-x-bio">Phalaropus rufus</i>). Bij dezen +zijn de veeren van bovenkop, rug en schouders zwart met roestgele +randen, die van den achterhals en den staartwortel roestrood; de +benedenrug, de bovenste dekveeren van den vleugel en de zijden van den +staart zijn aschgrauw, de onderdeelen fraai roestrood. De handpennen +zijn zwartachtig grijs met witte schaften, aan den binnenrand en aan +den wortel wit, de armpennen donkergrijs met witte randen, de laatste +bijna geheel wit, de middelste stuurpennen zwartachtig, de volgende +donker leikleurig grijs, de beide buitenste aan de spits donker +bruinrood. Het oog is bruin, de snavel groenachtig geel, aan de spits +bruin, de voet grijsbruin. In het herfstkleed zijn de bovenkop en de +nek aschgrauw en geteekend met twee grijszwarte strepen, die langs de +zijden van den achterkop zich <span class="pagenum">[<a id="xd20e1031" +href="#xd20e1031" name="xd20e1031">435</a>]</span>uitstrekken; de rug- +en de schouderveeren zijn blauwgrijs met donkerder schaften, de veeren +van de onderzijde wit, in de flanken grijs.</p> +<p>Deze Vogel werd ’s winters eenige malen aan onze kust en ook +enkele malen aan de oevers van binnenwateren waargenomen.</p> +<hr class="tb"> +<p>De <span class="letterspaced">Steltkluiten</span> (<i lang="la-x-bio">Himantopus</i>), zoo genoemd wegens hunne zeer hooge pooten, +die ver boven het spronggewricht onbevederd zijn en waarvan de +buitengewoon lange loop slechts met schilden bekleed is, hebben een +langen, dunnen, alleen aan den wortel zachten, als balein buigbaren, +rechten, aan de spits afgeplatten snavel, zeer lange, smalle en spitse +vleugels, die voorbij den korten staart uitsteken; de buitenste en de +middelste voorteen zijn door een spanvlies vereenigd, de achterteen +ontbreekt.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Gewone Steltkluit</span> (<i lang="la-x-bio">Himantopus candidus</i>) bewoont alle landen om de +Middellandsche Zee; en is vooral in Noord-Afrika veelvuldig. Tot zijn +broedgebied behooren bovendien Zuid-Rusland, geheel Middel-Azië, +bezuiden de Siberische grens en Indië. In vrij grooten getale +broedt hij ook in Hongarije, enkele exemplaren ook in Duitschland. In +Indië, Perzië, Egypte en Noordwest-Afrika, zelfs op +Sardinië is hij standvogel; in de noordelijker gedeelten van zijn +broedgebied komt hij in Mei en blijft er hoogstens tot September. Op +den trek doorkruist hij geheel Afrika en Azië tot het eiland +Luçon. Jaren geleden (Augustus 1852) zijn twee exemplaren van +deze soort in Noordbrabant (bij Middelbeers) geschoten.</p> +<p>In het lentekleed zijn de achterkop, een smalle streep op den +achterhals en de mantel zwart, de laatstgenoemde met groenachtigen +glans; de vleugels zijn zwart; de staart is aschgrauw; alle overige +deelen zijn wit, op de voorzijde met een teere, rozeroode tint. Het oog +is prachtig karmijnrood, de snavel zwart, de voet bleek karmijn- of +rozerood. Totale lengte 38, staartlengte 8 cM.</p> +<p>De Steltkluiten houden zich gaarne op bij zout- en brakwater meren, +zonder zich tot deze te bepalen. Zeevogels kan men hen niet noemen. Wel +komen zij soms ook aan de zeekust voor in gezelschap van Kluiten en +Ruiters; gewoonlijk echter ontmoet men ze in kleine vijvers of plassen +gedurende den broedtijd in groote moerassen, waarvan het water zoet of +hoogstens brak is. Naar het schijnt, zijn zij gezelliger van aard dan +hunne naaste verwanten; bij paren ziet men ze niet anders dan gedurende +den voortplantingstijd; in andere tijden van het jaar steeds bij +troepen van 6 à 12 stuks en ’s winters in talrijke +zwermen.</p> +<p>Voor zoover men weet, eten zij niets anders dan Insecten. +Voortdurend houden zij zich met de vangst van deze dieren bezig, die +zij van den <span class="corr" id="xd20e1061" title="Bron: waterspiege">waterspiegel</span> afzoeken, uit de slib van den +bodem wegpikken of in de lucht ophappen.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Nevens de Steltkluiten verdienen de <span class="letterspaced">Kluiten</span> (<i lang="la-x-bio">Recurvirostra</i>) +een plaats. Deze zeer eigenaardige, hoogpootige Snipvogels hebben een +forsch gebouwden romp en een langen, zwakken, smallen snavel, welks +breedte de hoogte zeer overtreft, en die naar de spits aanmerkelijk +dunner wordt; hij is eenvoudig naar boven gekromd of onmiddellijk voor +het einde weder naar beneden gebogen, over zijn geheele lengte glad en +hard. De pooten hebben een buitengewoon langen loop en zijn tot ver +boven het spronggewricht onbevederd. De drie voorteenen zijn verbonden +door “halve” zwemvliezen, deze strekken zich tot aan den +nagel uit, maar zijn diep uitgesneden; de achterteen is klein, hooger +ingeplant en reikt niet tot op den bodem. Tusschen het mannetje en +wijfje en ook tusschen zomerkleed en winterkleed bestaat zeer weinig +verschil.</p> +<div class="figure xd20e1074width"><img src="images/p2435.jpg" alt="Kluit (Recurvirostra avocetta). 1/4 v. d. ware grootte." width="720" +height="575"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kluit</span> (<i lang="la-x-bio">Recurvirostra avocetta</i>). 1/4 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p class="tb"></p> +<p>De Gewone <span class="letterspaced">Kluit</span> of <span class="letterspaced">Kluut</span>, vroeger ook <span class="letterspaced">Sluijf</span> <span class="pagenum">[<a id="xd20e1096" +href="#xd20e1096" name="xd20e1096">436</a>]</span>genoemd (<i lang="la-x-bio">Recurvirostra avocetta</i>), is op eenvoudige, maar zeer +bevallige wijze geteekend. De bovenkop, de nek en de achterhals, de +schouders en het grootste gedeelte van de vleugels zijn zwart, twee +groote velden op de vleugels en het geheele overige vederenkleed zijn +wit. Het oog is roodachtig bruin, de snavel zwart, de voet donker +blauwgrijs. Totale lengte 43, staartlengte 7 cM.</p> +<p>Van Middel-Europa af is de Kluit bijna over de geheele Oude Wereld +verbreid. Hij bewoont de kusten van de Noordzee en de Oostzee zoowel +als de zoute meren van Hongarije; hij trekt van hier door Zuid-Europa +en Afrika tot aan het Kaapland; van Middel-Azië naar Zuid-China en +Indië. Daar waar men hem aantreft, komt hij meestal in grooten +getale voor. Hij verlaat ons vaderland in Augustus of September en komt +in het laatst van Maart of in het begin van April terug. In Nederland +werd hij vooral op Texel, bij Calantsoog (in Noord-Holland) en aan den +Hoek van Holland, doch ook op de andere eilanden, bij Vogelenzang en in +Zeeland broedend gevonden.</p> +<p>De Kluit is een echte zeevogel: hij verlaat de zeekust zelden; +wanneer hij dit al eens vrijwillig doet, geschiedt zulks met het doel +om een zout- of althans brakwatermeer op te zoeken. In het binnenland +behoort hij tot de zeldzaamheden. Hij is een van die zeevogels, welke +ieders aandacht trekken, omdat zij een sieraad zijn van het strand. +Zooals zijne zeer goed ontwikkelde zwemvliezen reeds doen vermoeden, +beweegt hij zich ook op plaatsen waar het water diep is; hij zwemt met +gemak en behendig en doet dit dikwijls zonder bepaalde +noodzakelijkheid. Zijn fluitend stemgeluid heeft een eenigszins +droefgeestigen, maar volstrekt niet onaangenamen klank: zijn loktoon +klinkt ongeveer als “kwie” of “duut”, zijn +paringswijsje is een klagend “klioe”, dat zoo dikwijls en +zoo schielijk achtereen herhaald wordt, dat het aan +“jodelen” doet denken. Aan dit geluid heeft hij zijn naam +te danken.</p> +<p>Gewoonlijk ziet men den Kluit in ’t water staan of langzaam +rondstappen en met voortdurende, knikkende en zijwaartsche beweging van +den kop voedsel opnemen, niet zelden ook den bodem van ’t water +onderzoeken, waarbij hij op de manier van een Eend min of meer op den +kop staat. Hij gebruikt zijn vreemdsoortigen snavel op een geheel +andere wijze dan de overige moerasvogels; hij “sabelt”, +gelijk <span class="smallcaps">Naumann</span> zegt, “maakt +tamelijk snel opeenvolgende, gymnastische bewegingen naar links en naar +rechts en grijpt intusschen het in ’t water zwevende voedsel, dat +door de lijsten aan de binnenste oppervlakte van den snavel wordt +teruggehouden.” Als men dicht bij een plaats komt, waar honderden +van deze Vogels ijverig bezig zijn voedsel op te sporen, bemerkt men, +dat alle bij het eerste waarschuwende sein onrustig worden, wadend of +zwemmend zich naar de diepere gedeelten van het water begeven, of +opvliegen en niet eerder rusten, voordat zij buiten schot zijn.</p> +<p>Korten tijd na hun terugkomst in ’t vaderland splitsen de +zwermen zich in paren, die geschikte nestplaatsen opzoeken, liefst op +een met kort gras bedekte vlakte. Het nest is een ondiepe uitholling +van den grond en met eenige droge halmpjes of worteltjes bekleed; er +worden in den regel 4, soms slechts 2 peer- of tolvormige eieren in +gelegd; deze hebben een fijne, glanslooze schaal, die op licht +roestgeelachtigen of geelachtig olijfkleurigen grond met een meer of +minder groot aantal grauwzwarte en violette vlekken en stippels +geteekend is. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten, zijn vol +zorg voor hun broedsel, vliegen onder klagend geschreeuw om den mensch, +die in de nabijheid van hun nest komt en brengen de jongen, zoodra deze +droog geworden zijn, naar een terrein, waar zij schuilplaatsen kunnen +vinden, later naar groote poelen en eindelijk, als zij hunne vleugels +beginnen te gebruiken, naar de open zee.</p> +<p>De gevangen Kluiten vereischen een zorgvuldige verpleging; hun +voedsel moet flink gekruid zijn met insectenlarven of mierenpoppen; zij +kunnen dan jaren lang in de kooi in ’t leven gehouden worden.</p> +<hr class="tb"> +<p>De echte <span class="letterspaced">Pluvieren</span> (<i lang="la-x-bio">Charadriinae</i>) zijn forsch gebouwde, korthalzige, +grootkoppige Vogels van geringe grootte. Hun snavel is meestal kort, +zijn lengte gaat zelden die van den overigen kop te boven; aan den +wortel is hij met een zachte, aan de spits met een harde huid bekleed; +de neusgaten zijn ovaal en bevinden zich aan het einde van het +achterste derde gedeelte (of van de achterste helft) van den snavel, +welks rug op deze plaats benedenwaarts gekromd is, doch nader bij de +spits zich weer verheft; zulk een snavel heet “kolfvormig” +gezwollen. De pooten zijn middelmatig hoog, slank, in ’t +spronggewricht een weinig verdikt, de voeten meestal drieteenig. De +vleugels zijn tamelijk groot, smal en spits; hun spits wordt door de +eerste of de tweede slagpen gevormd; de bovenarmpennen zijn tot een +zoogenaamden schoudervleugel verlengd. De korte of middelmatig lange, +uit 12 pennen samengestelde staart is aan den top flauw afgerond. Het +dichte en zachte, glad aanliggende vederenkleed biedt bij jongen en +ouden minder verschil aan, dan er tusschen het zomer- en het +winterkleed bestaat.</p> +<p>De echte Pluvieren zijn de bedrijvigste van alle moerasvogels. De +meeste maken weinig verschil tusschen den dag en den nacht; van den +morgen tot den avond, van den avond tot den morgen zijn zij ijverig in +de weer, een vasten slaaptijd, die misschien slechts eenige minuten +duurt, hebben zij niet; toch zijn sommige over dag, andere ’s +nachts het meest werkzaam. Zij loopen uitmuntend en vliegen met gemak +en snel, zonder door een dezer bewegingen spoedig vermoeid te worden. +Zij zwemmen niet gaarne, maar toonen zich in geval van nood ook +hiervoor geschikt. Bijna alle soorten hebben een luid klinkende, +fluitende stem en brengen gedurende den paartijd tot trillers +vereenigde tonen voort, die eenige aanspraak kunnen maken op den naam +van gezang. Hun nest is eenvoudig een kuiltje in den grond; zelden +wordt het met eenige halmen bekleed. Het dient tot berging van 3 of 4 +peer- of tolvormige, bont gevlekte eieren, nooit meer, nooit minder, +die altijd zoo gerangschikt zijn, dat de spitsen elkander in ’t +midden aanraken. De beide ouders broeden om beurten; door hen begeleid, +verlaten de jongen het nest, onmiddellijk nadat zij uit den dop gekomen +en droog geworden zijn; in den eersten tijd zoeken zij nu en dan +beschutting onder de vleugels van de moeder.</p> +<p>Deze Vogels voeden zich met Insecten en Weekdieren, Wormen en kleine +waterdieren; zij worden als wild hooggeschat en hebben daarom veel +vervolging te verduren.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Kievit</span>, in Overijsel +<span class="letterspaced">Kiefte</span>, in ’t Friesch +<span class="letterspaced">Ljiep</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Vanellus cristatus</i>), vertegenwoordigt een gelijknamig +geslacht, dat kenbaar is aan den zwak kolfvormig gezwollen snavel, aan +de vierteenige voeten, aan de stompe vleugels, welker spits gevormd +wordt <span class="pagenum">[<a id="xd20e1145" href="#xd20e1145" name="xd20e1145">437</a>]</span>door de derde handpen en aan de kuif, +waarmede de kop versierd is. De bovenkop, de voorhals, de bovenborst en +de achterste helft van den staart zijn glanzig donkerzwart, de veeren +van den mantel donkergroen met blauwen of purperen weerschijn, de +zijden van den hals, de onderborst, de buik en de wortelhelft van de +staartveeren wit, eenige boven- en alle onderdekveeren van den staart +donker roestgeel; de kuif bestaat uit lange, smalle veeren, die een +dubbele spits vormen. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet vuil +donkerrood. Totale lengte 34, staartlengte 10 cM.</p> +<p>Van den 81en graad N.B. tot Voor-Indië en Noord-Afrika heeft +men den Kievit in alle bekende landen van de Oude Wereld waargenomen. +Hij is op de voor hem geschikte plaatsen in China even algemeen als in +Groot-Britannië; tegen den winter trekt hij zuidwaarts naar de +tusschen Marokko en Noord-Indië gelegen landen, ook dwaalt hij wel +naar de Fär-öer en IJsland en zelfs naar Groenland af. Van +alle Europeesche landen is Nederland ongetwijfeld het rijkst aan +Kieviten: zij zijn voor ons land even karakteristiek als de kanalen, de +zwartbonte koeien, de windmolens en de door hooge boomen overschaduwde +buitenplaatsen en boerderijen. Ook in Duitschland zijn zij niet +zeldzaam.</p> +<p>De Kievit is een van de eerste lenteboden; evenals de Spreeuw en de +Leeuwerik verschijnt hij soms reeds in ’t vaderland, als de +winter er nog zijn schepter zwaait en hem gebrek doet lijden. Meer dan +van andere Vogels heeft men van den Kievit waargenomen, dat het +hoofdleger voorafgegaan wordt door enkele éclaireurs. Deze +worden dikwijls bitter teleurgesteld door een weersverandering. Late +sneeuwvlagen maken, dat zij geen voedsel kunnen vinden; vermoedelijk +worden zij door de hoop op een gunstigen keer van zaken weerhouden om +terug te keeren; zij dwalen van het eene veld naar het andere, wachten +en hopen, verkwijnen meer en meer en bezwijken. In het tijdperk 1879 +tot 1888 wisselde de tijd van aankomst der Kieviten in ons vaderland af +tusschen 10 Februari en 14 Maart (gemiddeld 2 Maart), de tijd, waarin +zij vertrokken of voor de laatste maal gezien werden, van 18 September +tot 6 December (gemiddeld 30 October). Hierbij moet echter in ’t +oog worden gehouden, dat na het vertrek van de Vogels, die hier gebroed +hebben en geboren zijn, andere, uit noordelijker streken komende +exemplaren doortrekken; dit duurt, totdat de vorst invalt; een enkele +maal is het gebeurd, dat Kieviten hier den winter overbleven.</p> +<div class="figure xd20e1151width"><img src="images/p2437.jpg" alt="Kievit (Vanellus cristatus). 1/3 v. d. ware grootte." width="714" +height="552"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kievit</span> +(<i lang="la-x-bio">Vanellus cristatus</i>). 1/3 v. d. ware +grootte.</p> +</div> +<p>Zoodra de Kieviten in hun vaderland teruggekomen zijn en hunne +gewone standplaatsen hebben opgezocht, begint hun zomerleven. De Kievit +houdt niet van de nabijheid van den mensch en vermijdt zooveel mogelijk +diens woonplaats, misschien met uitzondering van de lage, moerassige +kuststreken. Een voorwaarde, waaraan iedere broedplaats moet voldoen, +is de nabijheid van water. Wanneer, hetgeen zeldzaam geschiedt, de +Kieviten hoog gelegen bergvlakten opzoeken om er te nestelen, kan men +er vrij stellig op rekenen, dat de gewone nestplaatsen in den loop van +den zomer overstroomd zullen worden. Op deze nestplaatsen nu ziet of +hoort men den Kievit op iederen tijd van den dag<a class="noteref" id="xd20e1163src" href="#xd20e1163" name="xd20e1163src">1</a>. Bijna +voortdurend is hij in beweging. Gedeeltelijk is de oorzaak hiervan +gelegen in zijn waakzaamheid, daar hij ieder ander schepsel, misschien +met uitzondering van Runderen en Schapen, voor gevaarlijk houdt. Daar +hij liever vliegt dan loopt, bij voorkeur van zijne vleugels gebruik +maakt bij het toonen van liefde zoowel als van misnoegen en voor vele +spelen, welker reden ons niet volkomen duidelijk is, kan het niet +missen, dat men hem opmerkt. Het drukst beweegt hij zich, zoolang er +eieren in zijn nest liggen, of zijne jongen nog niet geschikt zijn om +aan een naderend gevaar vliegend te ontkomen. In dezen tijd vliegen zij +onder luid geschreeuw, dat als “kiewiet” klinkt, om iederen +mensch heen, die in de nabijheid van hun broedplaats komt. Zij doen dit +met een driestheid, die te recht verbazing wekt. De voor zijn kroost +beduchte Vogel schiet dikwijls zoo dicht bij het hoofd van den mensch +langs, dat deze de door ’t snelle vliegen veroorzaakte +luchtstrooming duidelijk voelen kan. Hij vliegt voortreffelijk en siert +zijn vluchtlijn als ’t ware op door velerlei zwenkingen. Alleen +als de weg van <span class="pagenum">[<a id="xd20e1172" href="#xd20e1172" name="xd20e1172">438</a>]</span>den Kievit dicht over den +waterspiegel heen leidt, vliegt hij met langzame vleugelslagen; zoodra +hij tot hoogere luchtlagen is opgestegen, begint hij kunsten te maken, +alsof hij iedere aandoening door een bepaalde beweging uitdrukken wil. +Wanneer een gevaar hem of zijne jongen bedreigt, maakt hij de koenste +wendingen, stort zich naar beneden tot dicht bij den grond, rijst +echter dadelijk weer in steile richting omhoog, slaat nu eens naar +deze, dan weer naar gene zijde over, daalt op den bodem af, trippelt +hier even rond, verheft zich opnieuw in de lucht en hervat het vorige +spel. Geen der andere inheemsche Vogels vliegt zooals hij, geen hunner +is in staat om op dezelfde wijze alle denkbare bewegingen met de +vleugels uit te voeren. Karakteristiek voor deze wijze van vliegen is +het eigenaardige gesuis en gewapper, dat door de snelle vleugelslagen +ontstaat, zoo zelfs, dat men hieraan Kieviten, die door de lucht +voorbijtrekken, in een duisteren nacht van alle andere Vogels +onderscheiden kan. Zijn gang is sierlijk en behendig; de snelheid van +’t loopen kan aanmerkelijk vermeerderd worden. Bovendien speelt +deze in ’t oogloopende Vogel zoowel onder ’t vliegen als +onder ’t gaan voortdurend met zijn kuif, die hij in ’t eene +oogenblik horizontaal neerlegt, in ’t andere hoog opricht. Van +zijn niet bijzonder buigzame stem maakt hij zeer dikwijls gebruik; de +weinige tonen, waaruit zij bestaat, weet hij op velerlei wijzen te +verbinden. Zijn loktoon, het reeds genoemde “kiewiet”, is +nu eens meer, dan weer minder gerekt; de verschillende intonaties +hebben ieder een bepaalde beteekenis; angst wordt te kennen gegeven +door “chrèiët”, de paringsroep bestaat uit een +reeks van nauw aaneenverbonden klanken, die men door de lettergrepen +“chèh kwerkhoiët kiewietkiewietkiewiet +kioeïeht” ongeveer kan aanduiden.</p> +<p>Hoe beter men den Kievit leert kennen, des te meer wordt men +overtuigd van zijn schranderheid. Zijn waakzaamheid, die den jager vaak +teleurstelling bereidt, strekt hem tot eer. Een onaangename ervaring +vergeet hij nooit, nog jaren lang herinnert hij zich het oord, waar een +zijner soortgenooten een ongeluk is overkomen. Met den felsten haat +bejegent hij alle roofdieren en toont daarbij grooten moed, zelfs ware +doodsverachting. Woedend schiet hij neer op den snuffelenden Hond, +dikwijls zoo dicht langs den kop van den verontwaardigden viervoeter, +dat deze zich genoopt ziet naar den aanvaller te happen. Reintje wordt +even ijverig bestookt, maar niet altijd overwonnen en verdreven; +integendeel deze grijpt niet zelden een van zijne vermetelste +tegenstanders en vermoordt hem voor de oogen van zijne kameraads, die +vol ontzetting in alle richtingen uiteenstuiven en ver van de +kampplaats gaan weeklagen over den verongelukten makker. Stoutmoedig +valt de Kievit Meeuwen, Reigers en Ooievaars aan, kortom alle +roofvogels, die minder goed vliegen dan hij; de gevederde roovers, die +hem in bekwaamheid overtreffen, gaat hij echter voorzichtig uit den +weg. De strandvogels zijn gewoon acht te geven op hetgeen de Kievit +doet en ontkomen door zijn voorzichtigheid aan vele gevaren. Daarom +draagt hij bij de Grieken den zeer eigenaardigen naam van “Goede +Moeder.”</p> +<p>Naar het schijnt, maken Regenwormen het voornaamste voedsel van den +Kievit uit; bovendien moeten als belangrijke bestanddeelen van zijn +maal allerlei Insectenlarven, Waterslakken, kleine Landslakken enz. +genoemd worden. Verscheidene malen in den loop van den dag gaat hij +drinken. Het baden is voor hem een levensbehoefte.</p> +<p>Het nest van den Kievit vindt men het veelvuldigst op uitgestrekte +grasvelden en vochtige akkers, zelden in de onmiddellijke nabijheid van +het water, nooit in het eigenlijke moeras. Het bestaat uit een ondiepe +holte, die soms met eenige dunne grashalmpjes en fijne worteltjes +sierlijk bekleed is. In gunstige jaren begint het leggen bij ons +omstreeks het midden van Maart, soms echter eerst in de laatste dagen +van deze maand of in de eerste dagen van April. De 4 betrekkelijk +groote eieren zijn peervormig en hebben een fijnkorrelige, gladde +schaal, die op dof olijfgroenachtigen of bruinachtigen grond met +donkerder, dikwijls zwarte stippels, vlekken en streepjes op zeer +verschillende wijzen geteekend is; zij liggen in het nest +zóó, dat hunne spitsen elkander in het midden aanraken en +worden door het wijfje altijd weder op deze wijze gerangschikt. Het +wijfje broedt de eieren in 16 dagen uit en brengt de jongen vervolgens +naar plaatsen, waar zij zich verbergen kunnen. De kleur van het jong, +dat zich bij naderend gevaar plotseling tegen den grond drukt, komt zoo +zeer met die van den grond overeen, dat men het voor een aardkluit zou +kunnen aanzien.</p> +<p>Bij ons en in Duitschland maakt men geen jacht op den Kievit, omdat +zijn vleesch te recht onsmakelijk wordt geacht. In Zuid-Europa is men +een andere meening toegedaan; hier worden de wintergasten even ijverig +vervolgd, als waren het Snippen. De eieren worden hier te lande ijverig +gezocht; er wordt een belangrijke handel in gedreven; vooral uit +Friesland worden groote hoeveelheden naar Engeland gezonden. In het +laatst van April is de hoeveelheid, die ter markt wordt gebracht, zeer +aanzienlijk. Toch is, tengevolge van den uitvoer naar Engeland, de +prijs, althans in de steden van Friesland, zelden lager dan 15 cents +per stuk. Voor de eerste eieren worden gewoonlijk zeer hooge prijzen +betaald. Over 20 jaren berekend, wordt in Friesland het eerste ei +gemiddeld op 23 Maart gevonden (<span class="smallcaps">Albarda</span>). Daar de Kievieten, welker eieren men +herhaaldelijk wegneemt, in het geheel niet meer zouden broeden, het +getal dezer Vogels derhalve van jaar tot jaar verminderen zou, is bij +de wet bepaald, wanneer het rapen van kievitseieren moet ophouden. Hier +te lande is het na den 30en April verboden; het vervoeren en verkoopen +van de eieren mag nog tot den 5en Mei plaats hebben.</p> +<p>De gevangen Kieviten zijn zeer gezellige Vogels; vooral als zij zeer +jong in de kooi komen, schikken zij zich spoedig in de veranderde +levensomstandigheden; zij worden tam en gemeenzaam met hun verzorger, +eten uit zijn hand, volgen hem ook wel een eind weegs, sluiten zelfs +vriendschap met Honden en Katten en matigen zich het oppergezag aan +over andere in de kooi levende strandvogels. Als men hun aanvankelijk +stuk gesneden Regenwormen voorwerpt, geraken zij licht gewoon aan het +voedsel, dat men hun gewoonlijk geeft, n.l. wittebrood; hiermede kan +men ze jaren lang in ’t leven houden; zij moeten echter tegen +koude beschut worden, zoodra de winter aanvangt.</p> +<p class="tb"></p> +<p>In Egypte wordt onze Kievit vervangen door den <span class="letterspaced">Spoorkievit</span>, wegens zijn geschreeuw ook +<span class="letterspaced">Sieksak</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Vanellus spinosus</i>). Deze kenmerkt zich door een echten +Kievitsnavel, slanke pooten met 3 teenen, een scherpe, aan de +vleugelbocht voorkomende spoor, betrekkelijk spitse vleugels en een +stompe kuif op den achterkop.</p> +<p>Van alle Egyptische Pluviervogels is deze de algemeenste. Men vindt +hem overal, waar de aanwezigheid van zoet water zijn verblijf mogelijk +maakt, want zelden of nooit begeeft hij zich op grooten afstand van +<span class="pagenum">[<a id="xd20e1202" href="#xd20e1202" name="xd20e1202">439</a>]</span>het water. Hij stelt zijne eischen echter +niet hoog, maar is tevreden met een veld, dat nu en dan onder water +wordt gezet. Hij schijnt de zeekust te vermijden, maar komt voor aan de +oevers der strandmeren, die deels brak, deels zout water bevatten.</p> +<p>In levenswijze komen de Spoorkieviten veel met onze Kieviten +overeen, hoewel zij minder gezellig schijnen te zijn en meer bij paren +leven. Het eene paar woont echter dicht bij het andere en de buren +komen gaarne voor korten tijd bijeen. Tegen Vogels maakt de Spoorkievit +van zijn wapen gebruik; hij stort zich plotseling op zijn tegenpartij +en tracht hem door een slag met den vleugel te kwetsen. Ongetwijfeld +kan hij met de spoor gevoelige wonden toebrengen; de Vogels, die er +kennis mede maken, toonen duidelijk hoe onaangenaam hun dit is.</p> +<p>Het voedsel van den Spoorkievit is ongeveer gelijk aan dat van zijn +inheemschen verwant. In Noord-Egypte begint zijn voortplanting +omstreeks het midden van Maart; de meeste nesten vindt men echter in +het midden van April, vele nog in Mei.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Pluvieren</span> i. e. z. (<i lang="la-x-bio">Charadrius</i>) hebben een middelmatig langen, kolfvormig +gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk hooge, +gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het +spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen de +langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de meeste +soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen het (bonte) +zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt de Pluvieren in +een aantal groepen, die soms als ondergeslachten, soms als geslachten +worden beschouwd.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Goudkievit</span>, in Friesland +<span class="letterspaced">Zeewilster</span>, <span class="letterspaced">Blanke Wilster</span> of <span class="letterspaced">Zilverpluvier</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Charadrius squatarola</i>) is de eenige vertegenwoordiger +van het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Zilverpluvieren</span> (<i lang="la-x-bio">Squatarola</i>), dat zich kenmerkt door het bezit van een +zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens in gestalte, kleur, aard +en levenswijze veel op de Goudpluvier en weinig op den Kievit. De +bovendeelen zijn bruinzwart met witte of bruinachtige vlekken; de +staartwortel is wit, de staart wit met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; +de onderstaartdekveeren zijn wit, de ondervleugeldekveeren wit, verder +achterwaarts grijs, de okselveeren zwart, de voorhoofdsrand, de teugel +en de onderdeelen zwart; in den winter zijn de onderdeelen witachtig +met donkere schaftvlekken. Totale lengte 30, staartlengte 9 cM.</p> +<p>Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze +echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen +het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland, +Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van hier +begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna de geheele +aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste landen van +Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer bepaaldelijk +het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral in den trektijd +wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale, waargenomen en met de +andere Pluvieren gevangen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Goudpluvier</span>, bij Oirschot +<span class="letterspaced">Tuter</span> en in Friesland <span class="letterspaced">Wilster</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Charadrius +pluvialis</i>), van het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Echte Pluvieren</span> (<i lang="la-x-bio">Charadrius</i>), heeft de kruin, den nek, den achterhals, +den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en +topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden van +hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep vormen; +dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den staart. De +handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met goudgroene +dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de +vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit, de +staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De +onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere +vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet +grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.</p> +<p>De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij +behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers tot +de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het geheele +noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden het +droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die men, al +naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren, kleine +troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het eene +paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels tot +buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond onafgebroken +bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen zij zeldzamer te +worden. In Nederland en Duitschland broeden zij slechts in kleinen +getale, bij ons op heidevelden van Gelderland, Noord-brabant en +Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen zij in April, om +in September weer te vertrekken. De exemplaren, die in noordelijker +gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder jaar in groote menigte +tweemaal op den trek; deze begint tegen het einde van September en +eindigt in Maart. In zachte winters blijven sommige in +Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich echter verder +zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de kustlanden van de +Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van Noord-Azië naar +Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar het zuiden +van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis wordt +gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk gedurende +den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer hoog, soms in +ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige rangorde, evenals de +Kranen.</p> +<p>In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar +geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel, die +voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt of +buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch even +stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af, wanneer +zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van het nest +vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en vliegkunsten. +Haar welluidend, helder gefluit, dat als “tluïe” +klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons eenigszins +zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot een triller +(“taluudl-taluudl-taluudl-taluudl”) verlengd. Hare +zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont zij +een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost en andere +goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de +hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna +uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek +Kevers, Slakken, Regenwormen <span class="pagenum">[<a id="xd20e1274" +href="#xd20e1274" name="xd20e1274">440</a>]</span>en dergelijke kleine +dieren; ook slikt zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels +door. Water om te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet +ontberen.</p> +<p>De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland +levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms +belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze +Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen, +dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks +bemachtigde.</p> +<p class="tb"></p> +<div class="figure xd20e1280width"><img src="images/p2440.jpg" alt="1) Morinelpluvier (Charadrius morinellus), 2) Goudpluvier (Charadrius pluvialis). 1/3 v. d. ware grootte." +width="710" height="720"> +<p class="figureHead">1) <span class="letterspaced">Morinelpluvier</span> (<i lang="la-x-bio">Charadrius +morinellus</i>),<br> +2) <span class="letterspaced">Goudpluvier</span> (<i lang="la-x-bio">Charadrius pluvialis</i>). 1/3 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p>Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de +Goudpluvier nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van +Azië en in ’t noorden van Amerika broedt en soms naar +Europa, o. a. naar Helgoland, afdwaalt. De <span class="letterspaced">Aziatische Goudpluvier</span> (<i lang="la-x-bio">Charadrius fulvus</i>) is iets kleiner dan de vorige soort, +hare vleugels zijn korter en de schenkels minder ver bevederd, de +vleugelspitsen strekken zich voorbij den staart uit, de staartveeren +hebben slechts 5 of 6 heldere dwarsbanden en de okselveeren zijn +bruinachtig grijs.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Morinelpluvier</span> [<i lang="la-x-bio">Charadrius (Eudromias) morinellus</i>], draagt een kleed, +dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een steenachtige +glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig, door de +roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze kleur van den +kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel van de borst +gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het midden zwart, de +buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede, lichte streep; deze +beide strepen komen in den nek samen. Het oog is donkerbruin, de snavel +zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte 22, staartlengte 7 +cM.</p> +<p>De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de hooge +toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar +broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van +Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste +deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en +Zuid-Siberië (op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den +zeespiegel liggen). De Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij +geregeld op den trek, van Augustus tot October en van April tot Mei. +Evenzoo bezoekt zij Duitschland, Frankrijk, Hongarije en +Noord-Italië. Zelden wordt de reis verder voortgezet dan tot de +landen om de Middellandsche Zee en de hiermede overeenkomende gewesten +van Middel-Azië; haar winterverblijf heeft zij dus reeds in +Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije en Perzië bereikt. +Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten.</p> +<p>De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer +familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig, +bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien dit +noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een zachte, +op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door de +klankteekens “duurr” of “duuru” ongeveer +weergeven kan. Zij is lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, +daar zij eenzame streken bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost +bezorgde moeder, verstaat meesterlijk de kunst om, als zij menschen +ziet, gebreken te veinzen, om hierdoor hare jongen de gelegenheid te +geven een schuilplaats te zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt +dicht voor de verstoorders van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende +een rendierenjacht in de gebergten van Noorwegen getuige was van dit +komediespel, werd het <span class="pagenum">[<a id="xd20e1320" href="#xd20e1320" name="xd20e1320">441</a>]</span>door de Lappen, die mij +vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden ijverig de oude en +zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen den grond aangedrukt +hadden, geheel over ’t hoofd. Vlak voor mij lagen zij alle drie, +den hals languit op den bodem gestrekt, ieder gedeeltelijk achter een +steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes geopend, onbeweeglijk, +zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht bij hen; zij verroerden +zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe langer hoe verder van +den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel terug naar de plaats +waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij mij daar zag staan en +geen van hare kinderen bespeurde, hervatte zij onmiddellijk haar listig +bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich gewillig lieten grijpen, in de +handen en toonde ze aan de moeder. In ’t zelfde oogenblik staakte +zij haar komediespel, kwam dicht bij mij, zoo dicht, dat ik haar +werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren op, bewoog trillend hare +vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn gemoed te verteederen. De +kleintjes liepen uit mijne handen weg op den grond: een +onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk, toen zij haar +kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door het herkrijgen +van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de kleintjes, die +vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en bleef +verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening +verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging van +hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een groot +genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor hen +mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te +handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover +anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in de +Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte, bijna +uitgeroeid is.</p> +<p>Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle +gevaren, die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads +vermoedende gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood +dan haar verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en +smakelijkheid van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven +de beste Snippen, de voorkeur.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Bontbekpluvier</span>, die in +Friesland <span class="letterspaced">Bonte Wilster</span> wordt genoemd +(<i lang="la-x-bio">Charadrius hiaticula</i>), behoort met de beide +volgende soorten tot het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Zandpluvieren</span> (<i lang="la-x-bio">Aegialites</i>), gekenmerkt door de betrekkelijk geringe +grootte, den zwakken snavel, de lange, spitse vleugels en het zeer +overeenstemmende vederenkleed, dat aan de bovenzijde zandkleurig, aan +de onderzijde wit en met een witten, ringvormigen halsband versierd is. +Zij houden zich niet in moerassen op, maar bewonen de zeekust en de met +grind of zand bedekte vlakten in de nabijheid van zuiver helder water, +zooals rivieroevers, zand- en grindbanken in stroomen enz.—De +Bontbekpluvier is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 19, +staartlengte 6 cM.) en kenbaar aan de oranjeroode kleur van de pooten +en van de wortelhelft van den snavel. Een smalle zoom aan den wortel +van den bovensnavel, het voorste deel van de kruin en een met beide +plekken samenhangende, breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer +breede dwarsband over den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte +plekken begrensde dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin +en de keel en een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, +ringvormige halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn +wit. De kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht +olijfkleurig bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den +wortel met breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te +beginnen) met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de +armpennen bruin met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en +vóór den breeden, witten eindrand het donkerst.</p> +<p>De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt +in Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der +Oostzee en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de +Duitsche en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de +zandige oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord +wordt, ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren +broeden op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn +enkele malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit +tot aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en +Australië. In het voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons +zeestrand, komen ten deele reeds in Augustus en blijven tot laat in het +voorjaar; soms worden zij ook wel binnenslands onder het wilsternet +gevangen (<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p class="tb"></p> +<p>Nevens de vorige soort ontmoet men de iets kleinere <span class="letterspaced">Strandpluvier</span>, op Texel <span class="letterspaced">Zandlooper</span> en <span class="letterspaced">Froukie</span>, op Terschelling <span class="letterspaced">Gultje</span>, op Ameland <span class="letterspaced">Kreuteltje</span> genoemd [<i lang="la-x-bio">Charadrius +(Aegialites) cantianus</i>]. Totale lengte 18, staartlengte 5–1/2 +cM. Zij heeft niet, zooals de vorige soort, een zwarten dwarsband over +den krop, wel aan weerszijden daarvan een zwarte vlek; voorts zijn bij +haar de snavel en de voet zwart en het voorhoofd zuiver wit; wit zijn +ook de schaften van de 4 à 6 eerste pennen. Haar +verbreidingsgebied omvat het grootste deel van de aarde, uitgezonderd +het hooge noorden, Australië en Amerika. Zij broedt aan de +zeekust, zelfs nog aan de oevers van de Middellandsche en de Roode Zee. +Bij ons houdt zij zich van Maart of April tot September op en broedt in +grooten getale in de duinen van onze eilanden en aan den Hoek van +Holland. Haar nest is een ondiep kommetje van ongeveer 1 dM. middellijn +in het harde zeezand. Eigenaardig is de wijze, waarop deze en andere +Pluvieren haar nest verfraaien, n.l. door 3 of 4 geheel gave, bijeen +gegroepeerde, helder gekleurde schelpjes vast in den bodem te drukken; +ook om het nest liggen dergelijke groepjes<a class="noteref" id="xd20e1372src" href="#xd20e1372" name="xd20e1372src">2</a>. Reeds in +Augustus begint zij hare broedplaatsen in noordelijker gewesten te +verlaten en keert derwaarts terug in Mei. Zij trekt dan ook in zeer +menigvuldige, kleine troepjes langs ons zeestrand.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Kleine Pluvier</span> [<i lang="la-x-bio">Charadrius (Aegialites) curonicus</i>] is nauwelijks grooter +dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op iederen +leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste deel van +den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar achteren +gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit; het voorhoofd +draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede, witte volgt, die +van achteren weer door een zwarten begrensd wordt; de teugels zijn +zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk breeden, gelen +ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5–1/2 cM.</p> +<p>Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel <span class="pagenum">[<a id="xd20e1387" href="#xd20e1387" name="xd20e1387">442</a>]</span>Afrika en ook in bijna geheel Azië +gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna uitsluitend aan de oevers +van binnenwateren, ver van de zee op; in hare winterkwartieren geeft +zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur, doch komt ook nu en dan aan +’t zeestrand voor. Bij ons is zij niet zeer menigvuldig op den +doortrek (Augustus en September): op het strand van Terschelling, in +Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland bij Diemen heeft men haar +opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend gevonden in de putten onder +Cromvoirt (<span class="corr" id="xd20e1389" title="Bron: Noordbrabant">Noord-brabant</span>) (<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p>Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook +in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Renvogels</span> (<i lang="la-x-bio">Cursorius</i>) zijn slank van gestalte, hebben een +middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten, aan +den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen loop +en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke +nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht, +glad vederenkleed.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Gewone Renvogel</span> (<i lang="la-x-bio">Cursorius gallicus</i>) dwaalt somtijds naar Europa af en is +een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in ’t +oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van 23 +cM., waarvan 7 cM. op den staart komen.</p> +<p>Noord-Afrika, van de Roode <span class="corr" id="xd20e1419" title="Bron: zee">Zee</span> tot aan de Kanarische Eilanden, en +West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, +vormen het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de +woestijnen, die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere +woestijndieren kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen +uit, die eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de +Renvogels daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun +dorheid en eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met +onvergelijkelijke snelheid ziet men deze Vogels paarsgewijs over de +vlakte rennen op ongeveer 15 schreden afstand van elkander (zelden meer +of minder). Zoolang de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet +zijne pooten; deze ontgaan door hun voortdurend heen- en +weerslingerende beweging geheel aan onze waarneming; men zou kunnen +meenen, dat de Vogel geen pooten heeft en door een onverklaarbare +kracht over den bodem wordt voortgedreven. Plotseling houdt de beweging +op; de renner staat stil, om door rond te kijken zich te overtuigen, +dat zijn veiligheid geen gevaar loopt, of misschien om een Insect op te +pikken, en schiet eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen +vervolgingen ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op +tamelijk korten afstand naderen; altijd echter weet hij de +tusschenruimte zoo groot te houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer +niet getroffen kan worden: zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij +zich genoodzaakt ziet te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid +noemt men hem op de Kanarische Eilanden “Kinderbedrieger”, +omdat onervaren knapen meenen, dat zij den Vogel, die van zijne +vleugels geen gebruik schijnt te maken, met de handen kunnen grijpen, +maar tot hun teleurstelling ondervinden, dat het dier met zijne +betrekkelijk korte pooten zich even snel kan bewegen als de mensch met +zijne langere beenen. Niet slechts de pooten, maar ook de vleugels van +den Renvogel zijn uitmuntend voor dit doel geschikt.</p> +<p>Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. +“Een groote, diepe schotel,” zegt <span class="smallcaps">Bolle</span>, “of een andere steenen pot wordt in een +schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van verre +zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is +vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt hij +toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf +pikt, valt de pan hem over den kop en is hij +gevangen.”—</p> +<p>“Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt,” +verhaalt <span class="smallcaps">Plinius</span> in navolging van +<span class="smallcaps">Herodotus</span>, “komt de Vogel +<span class="letterspaced">Trochilus</span> aanvliegen en sluipt hem in +den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt dit aangenaam en laat +daarom den Vogel begaan, opent den bek nog verder, opdat de +“Trochilus”, als hij er uit wil, zich niet zal kwetsen. +Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt zich in de +nabijheid van ’t water op en waarschuwt den Krokodil voor den +Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door +geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken.” Dit verhaal, +dat men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit +gegrond; wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den +Krokodil en zijn “Wachter”, gelijk de Arabieren den +bedoelden Vogel noemen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Krokodilwachter</span> (<i lang="la-x-bio">Cursorius aegyptius</i>) vormt in zekeren zin den overgang +van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader verwant is aan +gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep, welke zich in +den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek, een breede +borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug zijn zwart; een +wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en aan den achterkop +ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel, de gorgel en alle +overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de borst echter licht +roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren licht +leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen zwart, aan den wortel en +vóór de spits echter wit, waardoor twee breede banden +ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden vleugel. Totale +lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig kleiner dan het +mannetje.</p> +<p>De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen +dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank u +voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af +stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van den +Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats uit met +het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom hem +verdrijft.</p> +<p>Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, +behendige en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, +wanneer zij met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, +voortrennen, maar vallen nog meer in ’t oog, wanneer zij hunne +fraaie, wit en zwart gestreepte vleugels uitbreiden en over ’t +water vliegen. Zij doen dit zeer snel, zooals men reeds bij ’t +zien van de spitse vleugels zou verwachten, en zonder merkbare +inspanning; toch begeven zij zich in één vlucht zelden +ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den anderen; steeds scheren +zij dicht bij de oppervlakte van ’t water langs. Onder het +vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem hooren, deze +bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als “tsjiep +tsjiep hoit”. Maar ook gedurende het zitten en rondloopen +schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders +in hun omgeving <span class="pagenum">[<a id="xd20e1453" href="#xd20e1453" name="xd20e1453">443</a>]</span>voorvalt: de nadering van +ieder schip, van iederen mensch, van ieder Zoogdier, van iederen +grooten Vogel wordt door een luid geschreeuw aangekondigd. Op deze +wijze vervult de “Wachter” niet alleen bij den Krokodil, +maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol, die door zijn naam wordt +aangeduid. Hij onderscheidt zich door een merkwaardige sluwheid, een +scherp oordeel en een bewonderenswaardig geheugen: het is, alsof hij +geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en hun omvang weet te schatten. +Met den Krokodil leeft hij werkelijk in vriendschap, evenwel niet, +omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen is, maar, omdat de Vogel +door zijn schranderheid en behendigheid aan de boosaardige aanslagen +van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van de zandbanken, waarop +de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert, heeft hij van jongs af +met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden rug loopt hij even +onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er de Insecten en +Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil belust zijn; zelfs +ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen vriend schoon te +maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de tanden overgebleven +zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan het tandvleesch +vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw van den Vogel bij het +zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of gevaarlijk voorkomt, doet +den slapenden Krokodil ontwaken en noopt dezen zich naar de veilige +diepte te begeven.</p> +<div class="figure xd20e1455width"><img src="images/p2443.jpg" alt="Krokodilwachter (Cursorius aegyptius). 1/2 v. d. ware grootte." width="720" height="605"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Krokodilwachter</span> +(<i lang="la-x-bio">Cursorius aegyptius</i>). 1/2 v. d. ware +grootte.</p> +</div> +<p>Mogelijk is het, dat de Krokodilwachter met zijn spijs nu en dan +enkele zaden doorslikt; zijn gewone voedsel ontleent hij echter aan het +dierenrijk. Hij eet allerlei Insecten, vooral Zandkevers, Vliegen, +Waterspinnen, Wormen, kleine Schelpdieren, Visschen en, naar uit de +bovenstaande mededeelingen blijkt, ook stukjes vleesch van grootere +Gewervelde Dieren.</p> +<p>Het wijfje legt hare eieren in een kuiltje in den grond en bedekt ze +met zand, wanneer zij bij ’t broeden gestoord wordt. Slechts +toevallig komt men dus op het spoor van de broedplaats.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Steenloopers</span> (<i lang="la-x-bio">Arenaria</i>) zijn fraai geteekende, zeer beweeglijke +vogeltjes, die van de overige bevederde strandbewoners, behalve door +hun gestalte, ook in vele opzichten door hun levenswijze verschillen. +Men heeft ze nagenoeg over de geheele wereld verspreid gevonden, aan de +kusten van IJsland en Skandinavië, zoowel als aan die van +Griekenland, Zuid-Italië en Spanje, in Australië zoowel als +in Middel-Amerika en Brazilië, in Egypte en in het Kaapland, in +China zoowel als in Indië. Zij zijn dus wereldburgers in de +strengste beteekenis van het woord. Men ontmoet ze overal echter het +veelvuldigst aan de zeekust, slechts gedurende den trektijd, en ook dan +steeds in zeer kleinen getale, bij binnenwateren.</p> +<p>De Steenloopers zou men kunnen beschouwen als Pluvieren met dikke en +tamelijk korte pooten. Hun lichaam is forsch gebouwd, de kop +betrekkelijk groot, het voorhoofd hoog, de snavel recht, bijna zoo lang +als de kop, korter dan de loop, kegelvormig, aan de spits een weinig +naar boven gebogen en stomp, maar niet verdikt, op den rug afgeplat, +geheel met een harde huid bedekt; de neusgaten zijn aan den +snavelwortel gelegen; in de lange, spitse vleugels is de eerste handpen +de langste; de ternauwernood middelmatig lange staart is uit 12 pennen +samengesteld; de voorteenen zijn niet verbonden, de achterteen is klein +en hoog aangehecht; het vederenkleed is goed voorzien, maar glad +aanliggend en onderscheidt zich door levendige kleuren; de +schouderveeren zijn sterk verlengd.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Van de beide soorten van dit geslacht bewoont de eene de Nieuwe, de +andere de Oude Wereld. Bij deze—bij den <span class="letterspaced">Gewonen Steenlooper</span> (<i lang="la-x-bio">Arenaria +interpres</i>)—zijn in volwassen toestand en gedurende den zomer +het voorhoofd, de wangen, een breede band in den nek, de onderrug, de +keel en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit; een streep, die +op het voorhoofd begint, voor het oog langs en over den hals naar +beneden loopt, is zwart, evenals de <span class="pagenum">[<a id="xd20e1490" href="#xd20e1490" name="xd20e1490">444</a>]</span>onderhals +met het voorste deel en de zijden van de borst; de veeren van den +mantel zijn zwart en rood gevlekt, die van de kruin wit en zwart +overlangs gestreept, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood met zwarte +vlekken; over den staartwortel loopt een breede, bruine band; de +slagpennen zijn zwartachtig, de stuurpennen aan den wortel en aan de +spits wit, vóór de spits met een breeden, zwarten band +geteekend. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet oranjegeel. +Totale lengte 24, staartlengte 6 cM.</p> +<div class="figure xd20e1492width"><img src="images/p2444.jpg" alt="Steenlooper (Arenaria interpres). 1/2 v. d. ware grootte." width="720" +height="583"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Steenlooper</span> +(<i lang="la-x-bio">Arenaria interpres</i>). 1/2 v. d. ware +grootte.</p> +</div> +<p>De Steenlooper broedt in de koude streken van de Oude Wereld, in +Europa niet zuidelijker dan Jutland. Gedurende den winter werd hij op +Madeira en in Noord-Afrika, in Azië tot op Java waargenomen. Men +mag aannemen, dat hij vooral langs de zeekust trekt en daarom zoo +zelden in het binnenland gezien wordt. De komst van de Steenloopers in +Skandinavië, op IJsland en Groenland duurt van de laatste dagen +van April tot in het midden van Mei; reeds vóór het einde +van Augustus vertrekken zij. In deze maand ziet men ze, hoewel niet +talrijk, op onze kust verschijnen en ook aan de noordelijke en +zuidelijke oevers van de Middellandsche Zee. Die, welke zich naar ons +land begeven, blijven meestal den winter over en kiezen bij voorkeur de +steenen hoofden langs de kust tot rust- en verblijfplaatsen. De +Steenlooper houdt evenwel niet van rust; hoogstens verdroomt hij in de +middaguren eenige minuten. Gedurende den overigen tijd van den dag is +hij aanhoudend in beweging, van ’s morgens tot na zonsondergang, +dikwijls zelfs ’s nachts. Hij gaat trippelend en bij ’t +zoeken van voedsel tamelijk langzaam; maar kan zich ook rennend en +buitengewoon snel over groote afstanden verplaatsen, hoewel hij gewoon +is om, na als een pijl uit den boog een zekeren weg doorloopen te +hebben, op de een of andere verhevenheid een tijdlang stil te staan en +daarna opnieuw vooruit te schieten. In ’t vliegen is hij even +ervaren als zijne verwanten.</p> +<p>Zoolang hij in beweging is, houdt de zorg voor ’t voedsel hem +bezig. Hij eet allerlei kleine zeedieren, vooral Wormen en teere +Schelpdieren, maakt deze buit door met den snavel in ’t zand te +boren of door het omwentelen van steenen, en ontleent hieraan zijn +naam. De Insecten, die binnen de hoogwaterlijn komen, worden natuurlijk +ook opgepikt, voornamelijk is zijn proviand echter afkomstig uit de +kuststrook, die bij eb droog valt, waar Insecten tot de uitzonderingen +behooren.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Iedere bezoeker van de Noordzeekust zal er zeer zeker kennis maken +met een hier bijna overal voorkomenden Strandvogel, die men wegens zijn +eigenaardige levenswijze niet licht over het hoofd zal zien. De +<span class="letterspaced">Scholekster</span>, aan den Dollard +<span class="letterspaced">Slijkaakster</span>, op Texel <span class="letterspaced">Lieuw</span>, op Terschelling <span class="letterspaced">Bonte Piet</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Strandkievit</span>, <span class="letterspaced">Bonte +Lieuw</span> of <span class="letterspaced">Oostindische Kievit</span>, +in ’t Friesch <span class="letterspaced">Stranljiep</span>, in +Vlaanderen <span class="letterspaced">Zeeekster</span> genoemd +(<i lang="la-x-bio">Haematopus ostralegus</i>), valt ook door haar +gestalte in ’t oog en heeft behalve de leden van haar geslacht +geen verwanten, die veel op haar gelijken. Haar kenmerken een gedrongen +lichaamsbouw, een groote kop, die in een dubbel zoo langen, rechten, +naar voren zeer sterk samengedrukten, wigvormigen, harden snavel +eindigt, middelmatig hooge, krachtige voeten met drie korte en breede +teenen, waarvan de buitenste en de middelste door een groot spanvlies +vereenigd zijn, middelmatige lange, doch spitse vleugels en een uit 12 +pennen samengestelden, tamelijk korten, recht afgesneden staart. Op de +bovendeelen, den voorhals en den krop zijn de veeren zwart, een weinig +iriseerend, op den onderrug en den staartwortel, onder het oog, op de +borst en den buik wit; de hand- en stuurpennen zijn aan den wortel wit, +overigens zwart; de grootste vleugeldekveeren vormen over den vleugel +een witten band. Het oog is bloedrood, aan den rand oranjekleurig, een +naakte ring er omheen menierood. De bek is oranjerood, bij de jongen +roodachtig bruin, maar aan de spits geel. De pooten zijn donker +vleeschkleurig. Totale lengte 42, staartlengte 11 cM.</p> +<p>Van de Noordkaap of van de Finsche Golf tot aan Kaap Tarifa heeft +men de Scholekster aan alle Europeesche <span class="pagenum">[<a id="xd20e1543" href="#xd20e1543" name="xd20e1543">445</a>]</span>kusten +waargenomen, veelvuldig vooral op plaatsen waar de kust rotsachtig is. +Eveneens ontmoet men haar op de Noordzee-eilanden en aan alle kusten +van de Noordpoolzee, opmerkelijkerwijze ook bij de groote stroomen van +Noord-Azië, volgens onze waarnemingen o. a. aan den geheelen +benedenloop van den Ob. Zuid-Europa bezoekt zij ’s winters, +hoewel volstrekt niet in grooten getale; haar wijze van trekken is in +vele opzichten eigenaardig. Zoo verlaat zij vóór den +winter geregeld het strand van de Oostzee, terwijl zij op IJsland +eenvoudig van de noordkust naar de zuidkust trekt. De verklaring +hiervoor is niet moeielijk te geven. Daar waar de Golfstroom de kust +bespoelt, blijft deze Vogel gedurende het geheele jaar; op plaatsen +waar de zee ’s winters dichtvriest, is hij tot trekken +gedwongen.</p> +<p>Bij ons komen de Scholeksters in April en vertrekken in September. +Zij broeden overal in de duinen, maar ook uren ver van deze, in de +weilanden. Na den broedtijd trekken zij naar de kust, waar een groot +aantal overwinteren en steeds andere doortrekken, zoodat zij hier +voortdurend te vinden zijn en bijna den geheelen winter door in +steekgarens gevangen worden. Vooral op de Noordzee-eilanden zijn zij +zeer menigvuldig. Hoewel de Scholekster plomp en log van uiterlijk is, +kan zij zich toch uitstekend bewegen. Haar gang gelijkt op dien van den +Steenlooper; zij loopt bij rukken, gewoonlijk stappend of trippelend, +maar kan in geval van nood ook buitengewoon snel rennen; hare +breedzoolige voeten stellen haar in staat om zelfs op de weekste slib +te loopen. Zij zwemt voortreffelijk, ook wanneer zij er niet toe +genoodzaakt is en heeft een zeer krachtige en snelle vlucht; meestal +vliegt zij rechtuit, dikwijls echter ook in koene bogen en zwenkingen; +meer dan de meeste overige strandvogels drijft zij op hare wieken. Haar +stem, een als “hie iep” klinkend gefluit, laat zij bij +iedere gelegenheid hooren, soms met een lang gerekt +“kwierrr” als inleiding, dikwijls ook kort samengetrokken, +zoodat het geluid als “kwiek kwiek kewiek kewiek” klinkt. +De lang aanhoudende trillers, die zij in den paartijd voortbrengt, zijn +zeer welluidend en vol afwisseling. Vooral door haar levenswijze trekt +de Scholekster onze aandacht. Geen andere strandvogel is zoo bedrijvig, +onrustig, moedig, plaag- en strijdlustig en toch voortdurend zoo goed +geluimd. Als zij zich verzadigd en een weinig gerust heeft, begint zij +dadelijk met andere Vogels, althans met hare soortgenooten, te stoeien +en hen na te jagen; lang stil zitten, rustig op dezelfde plaats blijven +kan zij niet. Op dit gestoei volgt soms een ernstig gemeende twist, +daar zij iedere beleediging onmiddellijk tracht te wreken. Overal waar +Scholeksters zijn, spelen zij de eerste viool, regelen, plooien als +’t ware, het leven van alle strandbewoners naar hare +inzichten.</p> +<p>“Haar voedsel,” schrijft <span class="smallcaps">Schlegel</span>, “bestaat uit vischbroedsel, jonge +Garnalen en Wormen. Om het te zoeken boort zij, evenals de Snippen, +gaten in het zand of keert met haar bek de hoorns, schelpen en andere +op het strand liggende voorwerpen om; waarschijnlijk heeft men haar +hierom den naam <span class="letterspaced">Oestervisscher</span> +gegeven.” Dat de Scholekster nooit Oesters vischt, ligt voor de +hand. Wel eet zij graag kleine Weekdieren, of vreet een groot +Schelpdier leeg, dat dood aan het strand werd gespoeld; zij is echter +niet in staat om een levend Schelpdier te openen. Waarschijnlijk zijn +Strandpieren een hoofdbestanddeel van haar maal. Dat zij intusschen een +klein Schaaldier, een vischje en andere zeedieren niet versmaadt, +behoeft niet uitdrukkelijk gezegd te worden en evenmin, dat zij op +Insecten jacht maakt in de nabijheid van het vee, dat aan de kust +graast.</p> +<div class="figure xd20e1555width"><img src="images/p2445.jpg" alt="Scholekster (Haematopus ostralegus). 1/3 v. d. ware grootte." width="720" height="554"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Scholekster</span> +(<i lang="la-x-bio">Haematopus ostralegus</i>). 1/3 v. d. ware +grootte.</p> +</div> +<p>De Scholeksters, die als standvogels beschouwd kunnen worden, +beginnen omstreeks half April, die welke trekken, iets later haar nest +te bouwen. Het liefste doen zij dit op met kort gras begroeide vlakten +in de nabijheid van de zee; waar deze ontbreken, maken zij gebruik van +de wieren, die door hooge vloeden aan het strand worden geworpen. Het +nest is een ondiep kuiltje, dat het wijfje in den grond heeft +uitgekrabd; het bevat, als het broeden aanvangt, 3 (soms ook maar +<span class="pagenum">[<a id="xd20e1566" href="#xd20e1566" name="xd20e1566">446</a>]</span>2) zeer groote, spitse of zuiver eivormige +eieren, welker stevige, glanslooze schaal op licht bruinachtig +roestgelen grond een zeer varieerende teekening vertoont, die uit licht +paarse of donker grijsbruine en grauwzwarte vlekken en stippels, +strepen, krullen enz. bestaat. Het broeden duurt ongeveer 3 weken. De +jongen verlaten onmiddellijk het nest en worden geleid door de beide +ouders, die in dezen tijd voorzichtiger en stoutmoediger zijn dan ooit +te voren.</p> +<p>Het gemakkelijkst kan men de Scholekster verschalken, door haar op +te zoeken, terwijl zij haar middagslaapje houdt; dan moet men haar zeer +voorzichtig naderen, daar hare scherpe zintuigen zelfs zwakke +voetstappen van den mensch hooren of althans opmerken. Dat zij een zeer +flink schot kan verdragen, vergroot de moeielijkheid van deze +jacht.</p> +<div class="figure xd20e1570width"><img src="images/p2446.jpg" alt="Vorkstaartpluvier (Glareola pratincola). 1/2 v. d. ware grootte." +width="718" height="616"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Vorkstaartpluvier</span> (<i lang="la-x-bio">Glareola +pratincola</i>). 1/2 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Zwaluwpluvieren</span> (<i lang="la-x-bio">Glareolidae</i>) vereenigen als ’t ware de kenmerken +van verscheidene orden in zich. Haar snavel houdt ongeveer het midden +tusschen dien van een Hoen en dien van een Nachtzwaluw. De slanke, +boven het springgewricht naakte pooten hebben vier middelmatig lange, +smalle teenen met slanke, spitse, bijna rechte nagels; de buitenste en +de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden. De +overeenkomst van hare lange vleugels, welker eerste pen alle overige in +lengte overtreft, met die van de Zwaluwen heeft aanleiding gegeven tot +den naam van de familie. De tamelijk lange, recht afgesneden of +gaffelvormige staart is uit 14 pennen samengesteld. Het vederenkleed is +dicht en zacht, zeer overeenstemmend bij alle soorten, bij mannetjes en +bij wijfjes, in den herfst en in den zomer; maar biedt tamelijk veel +verschil aan bij ouden en bij jongen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>In alle landen, die de Middellandsche en de Zwarte Zee omgeven, +voorts in de laagvlakten van den Donau en van den Wolga alsook in de +steppen van Rusland en Siberië ontmoet men de <span class="letterspaced">Vorkstaartpluvier</span> (<i lang="la-x-bio">Glareola +pratincola</i>). Zij is 26 cM. lang, waarvan 10 cM. op den staart +komen. De veeren van de bovendeelen zijn olijfbruin, op de schouders en +de dekveeren met metaalachtigen weerschijn; de staartwortel, de +onderborst en de buik zijn wit; de roodachtig gele keel wordt door een +bruine ring omlijst. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, aan den +mondhoek koraalrood, de voet zwartbruin.</p> +<p>De Vorkstaartpluvier kan uitmuntend loopen, maar nog beter vliegen. +Zij loopt in korte rukken, op soortgelijke wijze als de Pluvier. Haar +wijze van vliegen gelijkt op die van de Zeezwaluw en kenmerkt zich door +groote snelheid, fraaie zwenkingen, plotselinge wendingen, kortom, zij +biedt velerlei afwisseling aan.</p> +<p>Gedurende den broedtijd ziet men deze sierlijke en onschadelijke +Vogels paarsgewijs, loopend of vliegend jacht maken op Insecten, +Kevers, Motten, Haften, Libellen en Sprinkhanen. Tijdelijk voeden zij +zich bijna uitsluitend met Sprinkhanen, die zij zoo wonderbaarlijk snel +verteren, dat reeds 10 minuten na het doorslikken van zulk een buit, +het als ’t ware uitgeperste, uitwendige skelet met den drek het +lichaam verlaat. Alle Insecten, die zij vangen, worden in hun geheel +verzwolgen, gelijk ook de Geitenmelker doet. <span class="smallcaps">Von der Mühle</span> vond in het spijskanaal van +Vorkstaartpluvieren, die hij op de jacht gedood had, zeldzame Kevers +geheel onbeschadigd, volkomen geschikt voor een insectenverzameling. +Evenals de Nachtzwaluwen, jagen de Vorkstaartpluvieren soms nog laat in +den avond; zij zijn over ’t geheel genomen eer schemeringvogels +dan dagvogels; dit blijkt uit hun slapen of rusten gedurende de +middaguren; in den voortplantingstijd doen zij dit in de nabijheid van +haar nest, in den trektijd ziet men ze op een eindelooze reeks, aan den +oever van een rivier of van een meer zitten.</p> +<p>Enkele voorwerpen, gewoonlijk jonge, verdwalen in den zomer naar +noordelijker streken; ook in Nederland, en wel in Noordbrabant (bij +’t meertje tusschen Vlijmen en Engelen), heeft men er eens (in +Juli 1892) één gevangen, in gezelschap van Kieviten, +Kemphanen enz. (<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p>In Hongarije en Rusland worden de eieren van de Vorkstaartpluvier +veelvuldig ingezameld; in Griekenland <span class="pagenum">[<a id="xd20e1613" href="#xd20e1613" name="xd20e1613">447</a>]</span>wordt +jacht gemaakt op den volwassen Vogel wegens zijn smakelijk vleesch, dat +vooral in den herfst zeer vet is. Voor de kooi wordt hij zelden +gevangen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Eenige afwijkende uitheemsche Vogels, die vroeger nu eens bij de +Hoenderachtigen, dan weer tot de Moerasvogels gerekend werden, brengt +<span class="smallcaps">Fürbringer</span> tot de groep der +Meeuwpluviervogels en vormt er drie kleine familiën van. Deze zijn +de <span class="letterspaced">Kluitsterns</span> (<i lang="la-x-bio">Dromadidae</i>), de <span class="letterspaced">IJshoenderen</span> (<i lang="la-x-bio">Chionidae</i>) +en de <span class="letterspaced">Kwartelsnippen</span> (<i lang="la-x-bio">Thinocoridae</i>).</p> +<p>De familie van de <span class="letterspaced">Kluitsterns</span> +bevat slechts één geslacht met één soort +(<i lang="la-x-bio">Dromas Ardeola</i>). Deze komt in grootte met een +Duif overeen, maar heeft pooten, welke door lengte en bevedering en +door de aanwezigheid van halve zwemvliezen tusschen de voorteenen aan +die van de Kluiten herinneren. Zij heeft een stevigen, lancetvormigen +snavel met eironde neusgaten. Door hare kleuren herinnert zij (zelfs in +het jeugdkleed) aan de Zeezwaluwen. Zij wordt aan de kust van de Roode +Zee en op het vasteland van Indië gevonden, waar zij, volgens +<span class="smallcaps">Von Heuglin</span>, in de duinen een diep, +schuins naar boven gericht hol graaft, dat als broedplaats dient. In +het najaar trekt zij langs de oostkust van Afrika zuidwaarts tot +Madagaskar.</p> +<hr class="tb"> +<p>De familie der <span class="letterspaced">IJshoenderen</span> +(<i lang="la-x-bio">Chionidae</i>) omvat twee soorten, die rotsachtige +eilanden in de koude zeeën van het zuidelijk halfrond bewonen en +op de wijze der Scholeksters hun voedsel verkrijgen. Beide zijn wit +bevederd. De kleinste bij de zeelieden onder den naam van <span class="letterspaced">Zuidpoolduif</span> bekend (<i lang="la-x-bio">Chionis +minor</i>), komt op Kerguelen-eiland voor; de andere—de +<span class="letterspaced">Zuidpoolkip</span> (<i lang="la-x-bio">Chionis alba</i>)—, die de grootte van een Patrijs +heeft, wordt gevonden op Statenland (bij Vuurland), de +Falklandsarchipel en andere naburige eilanden. Beide zijn gezocht +wegens hun smakelijk vleesch. Zij hebben tamelijk spitse vleugels, een +korten staart, pooten met onbevederd spronggewricht, een tamelijk +korten, dikken loop en vier teenen: de achterteen is klein, de +voorteenen zijn door spanvliezen verbonden. Merkwaardig is hun snavel, +welke op dien van een Hoen gelijkt, doch aan den wortel, waar de +neusgaten voorkomen, overwelfd wordt door een van voren getande, van +boven gegroefde hoornplaat.</p> +<hr class="tb"> +<p>De familie van de <span class="letterspaced">Kwartelsnippen</span> +(<i lang="la-x-bio">Thinocoridae</i>) omvat eenige tot de gematigde en +koude gewesten van Zuid-Amerika beperkte soorten, welker grootte +afwisselt tusschen die van een Duif en die van een Leeuwerik. Zij +hebben spitse vleugels, korte, vierteenige pooten met hoog ingeplanten +achterteen, een korten, nagenoeg kegelvormigen snavel en gelijken op de +IJshoenderen o.a. door het met veertjes begroeide vlies, dat hare +neusgaten overdekt. Zij komen niet aan de zeekust, maar in het +binnenland voor; sommige (<i lang="la-x-bio">Attagis</i>) zijn +kortstaartig, bewonen de bosschen der hooge gebergten en herinneren +door haar levenswijze aan de Sneeuwhoenderen; andere (<i lang="la-x-bio">Thinocorus</i>) hebben een langen staart, houden zich in +droge, met gras begroeide streken op en gelijken door hare gewoonten op +Kwartels en Patrijzen. Zij voeden zich met Insecten en plantaardige +stoffen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Alle zeeën en de meeste binnenwateren der aarde herbergen leden +van de familie der <span class="letterspaced">Meeuwvogels</span> +(<i lang="la-x-bio">Laridae</i>), waarvan ongeveer 150 soorten +beschreven zijn. Zij gelijken op elkander door den eerder gedrongen, +dan slanken romp, den korten hals en den middelmatig grooten kop; hun +snavel is middelmatig lang en zijdelings min of meer samengedrukt, de +zijranden en de spits zijn scherp, de beide kaken recht of de bovenste +gekromd, de onderste met duidelijken kinhoek; bij uitzondering is de +eene langer dan de andere; de neusgaten zijn spleetvormig, de drie +voorteenen door zwemvliezen verbonden, de vleugels lang en spits; de +staart is middelmatig lang, recht afgesneden of gaffelvormig, bij +uitzondering ook wel wigvormig; het vederenkleed is dicht en zacht en +vertoont weinig verscheidenheid van kleur. Hoewel de Meeuwen voor +’t meerendeel zeevogels zijn, behooren zij toch volstrekt niet in +de open zee, maar integendeel op de kusten thuis, sommigen leven +tijdelijk of voortdurend bij binnenwateren; op den trek volgen zij +dikwijls de rivieren. Om uit te rusten zetten zij zich gaarne op +banken, kusten en oevers, minder dikwijls op het water neer. Zij toonen +een sterke neiging tot gezelligheid en broeden meestal in +koloniën, die soms uit vele duizenden stuks bestaan; groepsgewijs +vermengen zij zich ook gaarne met andere soorten van zwemvogels, zoodat +b.v. op een beperkt terrein dicht bij elkander troepen van Zeezwaluwen, +Meeuwen, Scholeksters, Bergeenden enz. voorkomen. Een merkwaardig +voorbeeld van zulk een broedterrein levert het eilandje Rottum, waarop +slechts één menschengezin woont, n. l. dat van den voogd. +Door een boogvormige reeks van hooge duinen wordt het eiland aan de +westzijde tegen de golven beschut. Op het open strand aan de +noordwestzijde staande, ziet men in de verte boven de toppen der duinen +als ’t ware sneeuwvlokken dwarrelen, terwijl men hoog boven zich +in de blauwe lucht witte gestalten rustig ziet zweven. Nader komend, +merkt men op, dat de hoofdmassa van den zwerm uit Zilvermeeuwen en +Groote Zeezwaluwen bestaat. Als de wagen, waarmede de voogd ons van +’t strand afgehaald heeft, dicht bij een nestplaats langs rijdt, +ziet men alle Vogels, die op deze ongewone wijze gestoord worden, +opvliegen, men kan dan zonder overdrijving wegens de Vogels den hemel +niet zien. De prachtige Zilvermeeuwen, waarvan ongeveer 5000 paren hier +broeden, houden de hoefijzervormige duinenreeks bezet: De Groote +Zeezwaluwen, ten getale van minstens 6000 paren, broeden op slechts +drie hooge duinen, maar hier zoo dicht bijeen, dat op sommige plaatsen +het eene nest het andere raakt en men bijna geen voet verzetten kan, +zonder gevaar te loopen eieren of jongen te vertreden. Geen enkel paar +van deze soort broedt elders. Het kleinere Vischdiefje daarentegen is +meer over de geheele oppervlakte verspreid en is vooral in de nabijheid +van het huis buitengewoon talrijk. Men schat het aantal paren van deze +soort op minstens 8000. Minder veelvuldig zijn de Bergeenden en de +Scholeksters hoewel deze door hun kleur, gene door hun geschreeuw en +levenswijze zeer de aandacht trekken; van ieder dezer soorten broeden +hier ongeveer 400 paren. Wanneer bij de reeds genoemde Vogels nog +gevoegd worden de in geringer aantal hier broedende Wilde Eenden, +Tureluurs en Kemphanen, komt men tot een totaal van omstreeks 20000 +paren strand- en watervogels, die op dit kleine eilandje broeden. +Zoodra de jongen vliegen kunnen, is het gewemel van de Vogels +onbeschrijfelijk. Men kan zich hier een goede voorstelling vormen van +de wijze, waarop de guano-lagen ontstaan. De uitwerpselen, de schelpen +van de doorgeslikte zeedieren, die door de Zilvermeeuwen als ballen +weer uitgeworpen <span class="pagenum">[<a id="xd20e1702" href="#xd20e1702" name="xd20e1702">448</a>]</span>worden en zelfs de lijken +van tallooze jongen (eens zag ik n.l. door een hevigen en lang +aanhoudenden plasregen het geheele broedsel van de Groote Zeezwaluwen +vernietigd), alles hoopt zich op zulke gemeenschappelijke nestplaatsen +opeen. Hier in het duinzand worden deze meststoffen schielijk door den +vocht doorlatenden bodem opgenomen, ginds op rotsen en klippen voegt de +eene laag zich bij de andere. Hoewel ook op de andere, naburige +Noordzee-eilanden broedplaatsen van de meeste der genoemde Vogelsoorten +voorkomen, is toch Rottum als de geboorteplaats te beschouwen vooral +van de Zilvermeeuwen en Groote Zeezwaluwen, die buiten den broedtijd de +naburige kusten, zoowel van ’t vasteland als van de eilanden, +verlevendigen (<span class="smallcaps">Altum</span>).</p> +<hr class="tb"> +<p>Door een buitengewone bekwaamheid in ’t vliegen en duiken +onderscheiden zich de <span class="letterspaced">Sterns</span> of +<span class="letterspaced">Sterntjes</span> (<i lang="la-x-bio">Sterninae</i>). Zij zijn sterk gebouwd en middelmatig groot +of klein; de spitse, harde snavel is zoo lang als de kop of nog iets +langer en recht of nagenoeg recht; de korte pooten hebben vier teenen, +die met tamelijk scherpe, gekromde klauwen gewapend zijn; de achterteen +is meestal zeer kort; de zwemvliezen zijn meestal kort en dikwijls diep +uitgesneden; de vleugels zijn zeer lang, smal en spits; hun eerste +slagpen is langer dan de overige; de staart is middelmatig lang, meer +of minder diep gevorkt en uit 12 pennen samengesteld; het vederenkleed +is dicht, zacht, glad aanliggend en grootendeels licht loodkleurig +grijs, zwart en wit; het verschilt weinig of niet bij ’t mannetje +en bij ’t wijfje; duidelijk merkbaar is echter het onderscheid +tusschen het herfst- en het lentekleed, niet minder dat tusschen de +jongen en de volwassen Vogels.</p> +<p>De Sterns bewonen alle aardgordels, leven in de nabijheid van de zee +of van het binnenwater en volgen bij het trekken de kust of den loop +der rivieren. Eenige soorten houden van het vlakke, kale zeestrand, +andere van water, dat rijk is aan planten; enkele houden zich bij +voorkeur op in de kustwouden der tropische gewesten. Alle leden van +deze onderfamilie zijn zeer onrustig van aard, houden veel van beweging +en zijn van ’t opgaan tot aan ’t ondergaan van de zon bijna +voortdurend werkzaam. Den nacht brengen zij aan den oever liggend, den +dag bijna uitsluitend vliegend door.</p> +<p>Haar voedsel bestaat uit Visschen en Insecten; de grootste soorten +verslinden echter ook kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en +Amphibiën, de zwakste soorten verschillende Wormen en allerlei +kleine zeedieren. Om haar buit te overmeesteren, vliegen zij op geringe +hoogte boven den waterspiegel, waarop zij voortdurend hare scherpe +blikken gevestigd houden, blijven, als zij een slachtoffer ontdekken, +met snelle vleugelbeweging eenige oogenblikken daarboven zweven, om het +goed in ’t oog te vatten, storten zich dan schielijk naar beneden +en trachten het met den snavel te grijpen.</p> +<p>Reeds eenige weken vóór het eierleggen verzamelen de +Zeezwaluwen zich op de broedplaats, ieder jaar zooveel mogelijk op +dezelfde. Die welke de zee bewonen, kiezen voor dit doel zandige +landtongen, kale eilanden, koraalbanken of mangle- en andere +kustwouden; de meer binnenlands levende soorten nestelen op +soortgelijke, maar minder kale plaatsen bij of in meren en moerassen. +Alle viervoetige roofdieren, die de broedplaatsen der Zeezwaluwen +kunnen naderen, azen, evenals de Raven en de groote Meeuwen, op de +eieren en jongen, de vlugste Roofvogels ook op de volwassen Sterns. Ook +de mensch treedt vijandig tegen haar op door het rooven van hare +eieren, die zeer smakelijk zijn. Overigens worden deze Vogels niet +vervolgd, omdat men zoomin hun vleesch als hunne veeren gebruiken en +hen zelf slechts gedurende korten tijd in de kooi in ’t leven +houden kan.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Het soortenrijkste geslacht van de onderfamilie is dat der +<span class="letterspaced">Zeezwaluwen</span> (<i lang="la-x-bio">Sterna</i>). Deze hebben een rechten snavel met zwak gebogen +rug en rechte, niet haakvormige spits; het voorhoofd is tot aan de +neusgaten bevederd. De zwemvliezen zijn uitgesneden, d.w.z. hun +voorrand vormt een binnenwaarts gebogen lijn; de buik is wit.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De grootste van alle soorten is de <span class="letterspaced">Reuzenstern</span> (<i lang="la-x-bio">Sterna +caspia</i>). Zij onderscheidt zich van hare verwanten door den snavel, +die even lang als de kop en betrekkelijk dik is, door de kortheid van +den staart en zijne 4 cM. lange gaffelspitsen, waarachter de +vleugelspitsen ver uitsteken. De bovenkop is in den zomer zwart, des +winters zwart en wit gevlekt, de mantel licht blauwachtig grijs, de +zijden van den hals, de onderdeelen en de bovenrug zijn schitterend +wit; de toppen van de slagpennen zijn donkerder, de staartpennen +lichter van kleur dan de overige veeren van de bovenzijde. Het oog is +bruin, de snavel koraalrood, de voet zwart. In het jeugdkleed hebben de +veeren van den rug bruine dwarsvlekken. Totale lengte 52, staartlengte +15 cM.</p> +<p>De Reuzenstern behoort in Middel-Azië en in ’t zuiden van +Europa thuis; kleine broedkoloniën van deze soort komen echter +voor op de Pommersche kust, op het eiland Sylt en op de Fransche kust. +In ons land is zij zeldzaam: kleine troepen van 3 à 4 stuks +werden herhaaldelijk, zelfs reeds in de tweede helft van Juni, bij +Texel, aan den Maasmond en zelfs langs de Zijl bij Leiden +aangetroffen.</p> +<p>Gewoonlijk ziet men haar op een hoogte van ongeveer 15 M. boven den +waterspiegel vliegen; zij houdt den kop met den van verre zichtbaren, +glanzig rooden snavel loodrecht naar onderen gericht, beweegt langzaam +de groote vleugels en ploft van tijd tot tijd op het water neer om een +prooi te grijpen. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit visch; zij kan +exemplaren van aanzienlijke grootte vangen en verzwelgen. Van tijd tot +tijd vallen haar echter ook strand- en watervogels ten buit, vooral +zwemmende exemplaren; het doorslikken van deze prooi kost aan de +Reuzenstern even weinig moeite als het verzwelgen van Insecten aan +kleinere Sterns. <span class="smallcaps">Schilling</span> was de +eerste, die haar verdacht, de eieren van de aan ’t strand +broedende Vogels op te zoeken, omdat de Meeuwen en de Zeezwaluwen uit +de buurt bij haar nadering onder vreeselijk geschreeuw opvlogen, +woedend op haar neerschoten en haar trachtten te verdrijven; andere +waarnemingen hebben zijn vermoeden bevestigd.</p> +<p><span class="smallcaps">Naumann</span> beschrijft de broedkolonie op +Sylt, die zich op het noordelijkste gedeelte van dit eiland bevindt, +doch tegenwoordig slechts zeer zwak bevolkt is. De eieren liggen op het +kale zand in een kleine uitholling, die door de Vogels zelf wordt +uitgekrabd, op een niet grooten afstand van ’t water. Op plaatsen +waar vele nesten gevonden worden, zijn zij nauwelijks 60 cM. van +elkander verwijderd. Ieder nest bevat 2, zelden 3 eieren, nooit meer. +Deze komen in grootte en vorm <span class="pagenum">[<a id="xd20e1758" +href="#xd20e1758" name="xd20e1758">449</a>]</span>nagenoeg overeen met +die van Tamme Eenden. Zij zijn geel- of bruinachtig wit met grauwe en +zwartbruine vlekken en stippen. Men neemt verscheidene malen eieren uit +het nest en laat den Vogel eerst 8 à 14 dagen vóór +St. Jan broeden. Het broedende wijfje wordt door het mannetje dikwijls +met voedsel voorzien; de jongen verlaten het nest korten tijd nadat zij +uit den dop zijn gekomen en worden door hunne ouders met vischjes groot +gebracht.</p> +<p>Voor de gevangenschap is deze Zeezwaluw niet geschikt, omdat zij +begint te kwijnen, zoodra haar de gelegenheid om te vliegen ontnomen is +en omdat zij niet graag doode visch eet.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Groote</span> of <span class="letterspaced">Zwartbekkige Zeezwaluw</span> of <span class="letterspaced">Kaugek</span>, op Texel <span class="letterspaced">Groote Star</span>, in Groningen <span class="letterspaced">Groote Ikstern</span> en <span class="letterspaced">Kliefstern</span>, op Rottum <span class="letterspaced">Krijtstern</span>, op Ameland <span class="letterspaced">Klikstans</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Sterna +cantiaca</i>), heeft een zeer slanken, merkbaar gebogen snavel, die +iets langer is dan de kop, kleine voeten met sterk uitgesneden +zwemvliezen, zeer lange vleugels, welker spitsen echter slechts weinig +verder reiken dan die van den 5 cM. diep gevorkten, langen staart. De +bovenkop en de nek zijn fluweelachtig zwart, alle bovendeelen helder +zilvergrijs, de hals en de onderdeelen zijdeachtig wit met een flauw +rozerood waas, de vleugelspitsen donker aschgrauw, de laatste armpennen +en de stuurpennen grijsachtig wit. In het winterkleed is de kop wit tot +aan het achterhoofd, en vertoont dit zwarte vlekken; de onderdeelen +zijn dan zuiver wit. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart met gele +spits, de voet zwart. Totale lengte 40, staartlengte 17 cM.</p> +<p>De Groote Zeezwaluw, is een echte zeevogel; zij verlaat de kust +nagenoeg niet en bezoekt hoogstens bovendien de strandmeren, zeer +zelden echter binnenzeeën. Haar verbreidingsgebied strekt zich uit +over Middel- en Zuid-Europa, Afrika en Amerika, in zuidelijke richting +tot aan de Kaap de Goede Hoop en tot Brazilië. Aan onze +Noordzeekusten verschijnt zij op zijn vroegst tegen het einde van +April; reeds in Augustus, op zijn laatst in September trekt zij weder +zuidwaarts, om in de Middellandsche en Roode Zee, in den Indischen of +in het zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan te overwinteren. Zij +broedt in talrijke koloniën op eenzame, rustige plaatsen langs +onze duinen, b.v. in Zeeland, aan den Hoek van Holland, bij Calantsoog +en op de Noordzee-eilanden. Ieder nest bevat 2, hoogstens 3 eieren, die +op witten, roestgeelachtigen of groenachtig witten grond met +bleekviolette onder-, bruine middel- en donkerbruine bovenvlekken van +zeer verschillenden vorm geteekend zijn; het broeden duurt drie weken; +de jongen verlaten schielijk het nest.</p> +<div class="figure xd20e1796width"><img src="images/p2449.jpg" alt="Reuzenstern (Sterna carpia). 1/4 v. d. ware grootte." width="720" +height="603"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Reuzenstern</span> +(<i lang="la-x-bio">Sterna carpia</i>). 1/4 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p><span class="smallcaps">Naumann</span> verhaalt, dat het eiland +Norderoog, waar hij het broeden der Groote Zeezwaluwen heeft nagegaan, +op eenigen afstand beschouwd, er uitzag, alsof het met sneeuw bedekt +was, wegens het groot aantal Vogels op het strand, en als een lange, +witte streep scherp afstak bij de donkere golven der zee. Door een man, +die zich met eierenzoeken bezig hield, opgeschrikt, vloog de geheele, +ontelbare zwerm plotseling op en vormde een onafzienbare wolk, welker +bestanddeelen zich vlug heen en weer bewogen en op vreemdsoortige wijze +door elkander heen wriemelden. Als men zich op de broedplaatsen +begeeft, vliegen de Vogels laag bij den grond langs om de +rustverstoorders heen; tallooze exemplaren verduisteren de lucht, men +geraakt verbijsterd door hunne doordringende, krijschende stemmen. +Terwijl men langzaam en voorzichtig met ter aarde gerichte blikken +tusschen de dicht bij elkander gelegen nesten doorgaat, en zich moeite +geeft om op geen der eieren te trappen, worden de Vogels zoo driest en +fladderen zoo dicht bij den onderzoeker langs, dat zijn hoed of hoofd +niet zelden met hunne vleugels in aanraking komt. Intusschen vallen +hunne uitwerpselen zoo dicht bij hem neer, dat zijne kleeren er later +uitzien, alsof zij met kalk bespat werden. De Vogels vliegen zoo dicht +naast en boven elkander, dat de vleugels van den eenen met hoorbaar +geklepper tegen die van de andere stuiten.</p> +<p>Meer dan de andere inheemsche Zeezwaluwen gelijkt deze door aard en +levenswijze op de Reuzenstern, met <span class="pagenum">[<a id="xd20e1811" href="#xd20e1811" name="xd20e1811">450</a>]</span>dit +onderscheid, dat zij alleen op Visschen en niet op Vogels jacht maakt +en ook hunne nesten niet uitplundert.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Het <span class="letterspaced">Vischdiefje</span>, ook wel +<span class="letterspaced">Splitstaart</span> en <span class="letterspaced">Starre</span>, op Texel <span class="letterspaced">Middelstar</span>, in Groningen <span class="letterspaced">Ikstern</span> en <span class="letterspaced">Sterentje</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Stins</span>, op Ameland <span class="letterspaced">Stans</span>, op Terschelling <span class="letterspaced">Kobus</span> en <span class="letterspaced">Jacobus</span>, bij Oirschot <span class="letterspaced">Groote Venkraai</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Sterna hirundo</i>), heeft een dunnen, eenigszins gekromden, +in dwarse richting tamelijk afgeronden snavel, die niet langer is dan +de kop, zeer korte pooten met korte teenen en een 8 cM. diep gevorkten +staart, waarachter de vleugelspitsen uitsteken. De bovenkop en de nek +zijn zwart, de mantel en de schouders blauwachtig aschgrauw, de zijden +van den kop, de hals, de staartwortel en alle onderdeelen wit, de slag- +en stuurpennen op de buitenvlag blauwgrijs, op de binnenvlag wit. De +oogen zijn donkerbruin, de pooten en de snavel koraalrood, de rug en de +spits van den snavel zwartachtig of bruin. Totale lengte 40, +staartlengte 17 cM.</p> +<p>Het vaderland van het Vischdiefje omvat Europa tot aan den +poolcirkel met een groot deel van Azië en van Noord-Amerika; zijne +reizen strekken zich tot in Zuid-Afrika uit; meer dan andere soorten +bewoont deze rivieren en zoetwatermeren. In ons land komt het +Vischdiefje gemiddeld 20 April en vertrekt in September; het broedt +koloniesgewijs in duinen, lage moerassen, hooilanden en op de +weilanden; men ziet het overal langs de binnenwateren vliegen, zelfs +boven de grachten der steden.</p> +<p>In aard en levenswijze komt het Vischdiefje overigens met de andere +Zeezwaluwen overeen. Haar gewone geluid is het bekende +“krieè”; een zacht “kek” of +“krek” geeft angst te kennen; deze klank wordt dikwijls +herhaald bij toenemend, en in “kreiïk” veranderd, bij +afnemend gevaar. Bij toorn roept het zoo dikwijls en haastig +“krek”, dat men de afzonderlijke geluiden bijna niet meer +onderscheiden kan. Als het bij zijn nest verrast wordt, klinkt zijn +geschreeuw als “snirrit snirrit”.</p> +<p>Het wijfje legt in het begin van Juni in een eenvoudige uitholling +van den grond 2 of 3 vuil rosachtig witte eieren, die met paarsachtig +grijze en rood- of zwartbruine vlekken en stippen geteekend zijn. Des +nachts worden zij door het wijfje, over dag tijdelijk ook door het +mannetje bebroed, in de middaguren echter aan de zonnestralen +blootgesteld. De jongen komen binnen 16 of 17 dagen uit den dop, loopen +spoedig uit het nest weg en verbergen zich bij gevaar tusschen de +grootste steenen van den grindgrond of andere oneffenheden; alleen als +de moeder door een schot gedood werd, verraden zij hun aanwezigheid +door een klagend gepiep; na twee weken kunnen zij reeds fladderen en in +de derde week hunne ouders vliegend volgen; eerst later echter doen zij +dit met de behendigheid van de volwassene Vogels.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Enkele malen worden aan onze kust exemplaren gevangen van twee +soorten, die nauw aan het Vischdiefje verwant zijn: De <span class="letterspaced">Kustzeezwaluw</span> (<i lang="la-x-bio">Sterna +paradisea</i> <span class="smallcaps">Brünnich</span>) komt in +grootte nagenoeg geheel met de algemeen bekende soort overeen, maar +heeft een korteren loop (1.5 cM<span class="corr" id="xd20e1875" title="Niet in bron">.</span> in plaats van 2 cM.), roode pooten en een +geheel rooden bek. Zij broedt aan de kusten van de Oostzee en op de +Noordzee-eilanden, westwaarts tot Borkum en bezoekt nimmer de +binnenwateren; op hare jaarlijksche reizen naar de Middellandsche zee +en de westkust van Afrika, trekt zij langs onze kusten, waarop zij bij +hevigen noordwestenwind soms aanlandt.</p> +<p><span class="smallcaps">Dougall’s</span> <span class="letterspaced">Zeezwaluw</span> (<i lang="la-x-bio">Sterna +Dougalli</i>), heeft een langeren, dieper gevorkten staart. (Totale +lengte 45, staartlengte 23 cM.). Zij heeft gele of roodgele pooten; +haar bek is zwart met een weinig kersrood aan den wortel. Zij broedt +aan de oostkust van Engeland, in Norfolk en op de Farne-eilanden in +Northumberland. Eénmaal (in October) zijn eenige exemplaren van +deze soort bij ruw weder aan de Friesche kust in staltnetten gevangen +(<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p class="tb"></p> +<p>Bij de <span class="letterspaced">Dwergzeezwaluw</span>, op Texel +<span class="letterspaced">Kleinstartje</span>, <span class="letterspaced">Blauwwaterstartje</span> of <span class="letterspaced">Stare-Klikkie</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Sterna +minuta</i>), zijn het voorhoofd tot aan de oogen, de onderdeelen en de +stuurpennen wit, de bovenkop en de nek zwart, de mantel- en +vleugelveeren aschgrauw. Het oog is bruin, de snavel oranje met zwarte +spits, de poot oranje. De vleugelspitsen steken voorbij den staart uit +en deze is 3 cM. diep gevorkt. Zij is de kleinste soort van de geheele +familie. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.</p> +<p>Haar verbreidingskring strekt zich uit over vier werelddeelen: +Azië, Europa, Afrika en Amerika; noordwaarts tot ongeveer 58, +zuidwaarts tot ongeveer 24 N.B. Zij nestelt in Nederland aan den Hoek +van Holland, bij Calantsoog, op Texel, Ameland en andere eilanden, op +groote, buiten de duinen gelegen, droge zandbanken. Als zij in dezen +tijd gestoord wordt, klinkt haar geschreeuw als “retsj”; +hare gewone geluiden komen veel met die van het Vischdiefje overeen. In +Augustus en September, na den broedtijd, zwerft zij rond en bezoekt dan +de binnenwateren, vooral groote rivieren, zonder echter de zeekust +geheel te vermijden. Haar vertrek en haar aankomst hebben ongeveer ter +zelfder tijd plaats als die van het Vischdiefje.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Lachzeezwaluw</span> (<i lang="la-x-bio">Gelochelidon anglica</i>, <i lang="la-x-bio">Sterna +nilotica</i>), die een gelijknamig geslacht vertegenwoordigt, vormt in +sommige opzichten een overgang van de Sterns tot de Meeuwen. Haar +snavel is merkbaar gebogen, even lang als de loop, korter dan de kop; +de kleine, met sterk uitgesneden zwemvliezen voorziene poot is slank en +hoog, de staart kort en betrekkelijk ondiep gevorkt. De bovenkop en de +nek zijn donker glanzig zwart, de mantel en de vleugeldekveeren licht +aschgrauw, de zijden van den hals en alle onderdeelen wit; de +handpennen hebben witte schaften, zijn op de buitenvlag licht, op de +binnenvlag donker aschgrauw, met breede witte randen; de armpennen, die +van de eerste tot de laatste lichter van kleur worden, zijn blauwachtig +witgrijs, aan de spits wit gezoomd; de staartveeren hebben dezelfde +kleur; de buitenste is op de buitenvlag bijna zuiver wit. Het oog is +bruin, de snavel en de pooten zijn zwart. In het winterkleed hebben kop +en nek een grijswitte kleur. Totale lengte 40, staartlengte 13 cM.</p> +<p>De Lachzeezwaluw, hoewel alle werelddeelen bewonend, ontbreekt in +’t noorden geheel; hare broedplaatsen zijn uitsluitend in het +midden en het zuiden van de beide noordelijke faunistische Rijken +gelegen; in geringer aantal komt zij voor op kleine eilanden van de +Oostzee en sommige meren van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije, +veelvuldig echter in Zuid-Europa, Middel-Azië, Noord-Afrika, het +zuiden van de Vereenigde Staten en Middel-Amerika. De reizen, die zij +ieder jaar onderneemt, voeren haar naar het binnenland van Afrika, +Zuid-Azië, Australië en de zuidspits van <span class="pagenum">[<a id="xd20e1927" href="#xd20e1927" name="xd20e1927">451</a>]</span>Amerika. Meer dan eenige andere Zeezwaluw is +zij een landvogel, die ook wel van groote stroomen en zeekusten als +heerwegen gebruik maakt, maar toch zeer dikwijls het water verlaat en +ver in het binnenland rondzwerft. Op den trek bezoekt zij de steppen en +zelfs de woestijnen, evenals bij ons de velden en weiden. Tweemaal +(Aug. 1838 en Mei 1896) werd in Nederland een exemplaar van deze soort +gevangen (bij het Brazemermeer in Zuid Holland en te Kloosterburen in +Groningen). In vele opzichten herinnert haar levenswijze aan die der +Meeuwen en meer bepaaldelijk van de Kapmeeuw. Evenals deze kiest zij +tot broedplaats en winterverblijf de oevers van meren, moerassen en +dergelijke binnenwateren en gaat van hier op roof uit. Terwijl zij +afwisselend boven het water en boven het land zweeft, worden de hals en +de kop recht naar voren gestrekt en is de snavel dus niet naar beneden +gericht. Hoewel zij nu en dan een vischje buit maakt, zijn toch +Insecten, vooral Sprinkhanen, Libellen, Vlinders, groote Kevers, de +zittende zoowel als de vliegende, het hoofddoel van haar jacht; zij +volgt den ploegenden landman om engerlingen uit de voren op te pikken; +verschijnt met Valken, Wouwen, Berghanen (<i lang="la-x-bio">Helotarsus +ecaudatus</i>), Bijenvreters, Vorkstaartpluvieren en Ooievaars +vóór de vuurlijn van den steppenbrand en stort zich hier, +gelijk <span class="smallcaps">Heuglin</span> heeft opgemerkt, even +behendig als vermetel door de dichtste rookwolken heen op haar prooi; +ook bezoekt zij de broedplaatsen der Strandvogels, zelfs die van hare +verwanten, en ontrooft hun, gelijk <span class="smallcaps">Schilling</span> heeft aangetoond, de eieren en de jongen. +Dergelijke handelingen zou men eerder van Meeuwen dan van Zeezwaluwen +verwachten. Zelfs haar stem, een lachend geschreeuw, dat als +“hè, hè, hè” of “ef, ef, +ef” klinkt, herinnert aan die der Meeuwen.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Moeraszeezwaluwen</span> (<i lang="la-x-bio">Hydrochelidon</i>) zijn forsch gebouwd, maar fraai van +gestalte; zij hebben een zwakken snavel; lange teenen, welker +zwemvliezen diep uitgesneden zijn, zeer lange vleugels, een +betrekkelijk korten, ondiep gevorkten staart en een dicht, zacht +vederenkleed, dat al naar het jaargetijde en den leeftijd niet +onbelangrijk verschilt, maar waarin gedurende den broedtijd donker +fluweelachtig zwart de overhand heeft.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Zwarte Zeezwaluw</span> of +<span class="letterspaced">Rietzwaluw</span>, in Groningen <span class="letterspaced">Zwarte Ikstern</span>, <span class="letterspaced">Bruinsteren</span> en <span class="letterspaced">Zwartsteren</span>, op Texel <span class="letterspaced">Zwarte star</span> of <span class="letterspaced">Blauwstar</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Blauwe Stins</span> of <span class="letterspaced">Schierstins</span>, in Zuid-Holland <span class="letterspaced">Zwarte Vischdief</span>, bij Oirschot <span class="letterspaced">Venkraai</span> geheeten (<i lang="la-x-bio">Hydrochelidon nigra</i>), heeft den kop en den nek, de borst +en het midden van den buik fluweelachtig zwart, den mantel blauwgrijs. +Het oog is bruin, de snavel aan den wortel rood, overigens grauwzwart, +de voet bruinrood. In het winterkleed zijn alleen de achterkop en de +nek zwart, het voorhoofd en de overige onderdeelen echter wit; in het +jeugdkleed hebben de veeren van den mantel en de vleugeldekveeren +roestgele zoomen. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Witvleugelige Moeraszeezwaluw</span> +(<i lang="la-x-bio">Hydrochelidon leucoptera</i>) is bijna even groot. +De veeren van den romp zijn donker fluweelachtig zwart, de vleugels van +boven blauwgrijs (de schouder en de toppen der armpennen echter +grijswit), van onderen wit, de staartwortel en de stuurpennen wit. De +snavel is kersrood, aan de spits zwart, de voet rood. Totale lengte 27, +staartlengte 8 cM.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Witbaard-moeraszeezwaluw</span> +(<i lang="la-x-bio">Hydrochelidon hybrida</i>) is de grootste soort van +haar geslacht (totale lengte 28, staartlengte 8 cM.). De donkerzwarte +bovenkop en nek zijn door een breede, witachtige teugelstreep +gescheiden van den donkergrijsblauwen onderhals; de borst is zwart, de +mantel lichtgrijs, de buik grijswit.</p> +<p>Het broedgebied van al deze soorten is gelegen in de gematigde +gewesten van de beide noordelijke faunistische Rijken. De eerstgenoemde +broedt ook in ons land, terwijl de beide overige hier niet en in +Duitschland zelden voorkomen. De Rietzwaluw komt met de Zeezwaluwen bij +ons aan en trekt ongeveer terzelfder tijd naar ’t zuiden; zij +vestigt zich echter niet aan de zeekust of aan rivieren en stroomen, +maar in uitgestrekte broeklanden en moerassen, dus uitsluitend bij +stilstaand water. Gedurende de reis vormt zij vluchten van 20 à +1000 stuks, die de stroomen volgen; in hun nabijheid houdt zij zich +geruimen tijd op bij plaatsen, waar het water buiten de oevers getreden +is en het omliggende land in een moeras veranderd heeft; voor ’t +overige vermijdt zij de zee en de rivieren.</p> +<p>Van de andere Sterns onderscheiden de Moeraszeezwaluwen zich niet +alleen door haar woonplaats, maar ook door de wijze waarop zij zich +bewegen, voeden en voortplanten. Zij loopen even zelden en even slecht +als de overige, zwemmen zelden en niet beter dan zij, vliegen minder +onstuimig en niet zoo zwaaiend, maar zachter en losser, daarom +bevalliger en met meer afwisseling, zoodat zij een aangenaam schouwspel +opleveren. Hevige wind of storm maken haar het vliegen bijna +onmogelijk, omdat hare vleugels nog meer dan die van hare verwanten +buiten alle verhouding tot het kleine lichaam en de zwakke krachten +schijnen te staan. Hun voedsel bestaat uit allerlei water-insecten en +Spinnen.</p> +<p>De Moeraszeezwaluwen nestelen te midden van het moeras; doch doen +dit steeds op een geheel andere wijze dan de overige Sternvogels. Zij +bouwen haar nest op zeer kunstlooze wijze van bladen, halmen, pluimen, +worteltjes enz. tusschen waterplanten, zoodat het veelal direct op het +water rust. In Juni legt de inheemsche soort hare drie eieren; deze +zijn op geel of groenachtig olijfkleurigen grond, bruingrijs, rood en +zwartbruin gevlekt.</p> +<p>In Italië wordt ook op deze Vogels jacht gemaakt.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Van de uitheemsche Sterns, die zich door haar levenswijze +onderscheiden, verdient de <span class="letterspaced">Feeënzeezwaluw</span> (<i lang="la-x-bio">Gygis +alba</i>) vermelding, de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht. +Zij is slank gebouwd, haar zilverwit kleed is als zijde zoo zacht, hare +oogen zijn zwart, de pooten saffraangeel; de snavel is aan den wortel +donkerblauw, aan de spits zwart. Totale lengte ongeveer 30, +staartlengte 9 cM.</p> +<p>Deze door schoonheid uitmuntende Vogel bewoont de tusschen de tropen +gelegen eilanden van Polynesië en van den Indischen Oceaan, maar +dwaalt soms af naar den Atlantischen Oceaan; ook hier echter +overschrijdt hij in den regel de keerkringen niet. Op de kusten van +alle eilanden binnen den genoemden aardgordel komt hij in grooten +getale voor. Aan de zuiver witte kleur van zijn kleed en aan zijn +bevallige wijze van vliegen dankt hij zijn naam. Ook zijn levenswijze +is merkwaardig. Tot rustplaats kiest hij bij voorkeur dichte, +schaduwrijke wouden, waar hij zich op boomen <span class="pagenum">[<a id="xd20e2031" href="#xd20e2031" name="xd20e2031">452</a>]</span>neerzet. Prachtig steekt zijn wit gevederte +af bij het donkergroene loover, wanneer hij behendig tusschen de boomen +rondvliegt, o.a. bij het vervolgen van een indringer in zijn heiligdom. +Het wijfje legt slechts één ei op een horizontalen tak en +wel op een plaats, die juist vlak genoeg is om te voorkomen, dat de +storm het legsel naar beneden werpt. Het jong blijft op deze +gevaarlijke plaats, totdat het heeft leeren fladderen, voor zoover het +ontkomt aan het niet zelden dreigend gevaar van, naar beneden +tuimelend, den dood te vinden. De jongen worden grootgebracht met +vischjes, misschien ook wel met Insecten en Spinnen, die in de +boomkroon gezocht zijn.</p> +<hr class="tb"> +<p>In soortgelijke betrekking als de Uilen tot de Scharrelaars, staan +de <span class="letterspaced">Schaarbekken</span> (<i lang="la-x-bio">Rhynchopsinae</i>) tot de Sterns: zij zijn nachtvogels. Hun +snavel, welks onderkaak ver voorbij de bovenkaak uitsteekt, is reeds +bij den wortel zoo buitengewoon smal, dat de beide kaken met de beide +bladen van een schaar vergeleken kunnen worden. De betrekkelijk lange, +vettige veeren liggen dicht tegen het lichaam aan.</p> +<p>Aan den middelloop en den bovenloop van den Nijl ontmoet men een +soort, die wij kortweg <span class="letterspaced">Schaarbek</span> +zullen noemen (<i lang="la-x-bio">Rhynchops flavirostris</i>). Bij +dezen zijn het voorhoofd, het aangezicht, de staart en de onderdeelen +benevens de spitsen van de groote vleugeldekveeren wit, de bovenkop, de +achterhals, de nek en de mantel zwartbruin. Het oog is donkerbruin, de +snavel geel, de voet koraalrood. Totale lengte 45, staartlengte 7 +cM.</p> +<p>[Een andere soort (met gelen bek en witten halsband: <i lang="la-x-bio">Rhynchops albicollis</i>) bewoont Indië, de derde (met +rooden, aan de spits zwarten snavel: <i lang="la-x-bio">Rhynchops +nigra</i>) Amerika.]</p> +<p>De Schaarbek vliegt over dag even goed als ’s nachts, maar +doet dit alleen, wanneer hij opgeschrikt wordt. Gewoonlijk ligt hij +bewegingloos op een zandbank; meestal plat op den buik, zeldzamer op de +kleine, zwakke pootjes rustend. Tegen zonsondergang, bij donker weer +ook reeds in de late namiddaguren, wordt hij wakker, beweegt zich en +rekt zich uit, heft de vleugels op en begint heen en weer te trippelen +en te schreeuwen; als de nacht is aangevangen, vliegt hij uit om +voedsel te zoeken. <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> zag +hem trouwens in Neder-Guinea hiermede ook over dag bezig. Met langzame +vleugelslagen glijdt hij, zonder gedruisch te maken, op korten afstand +boven den waterspiegel, van tijd tot tijd den ondersnavel verscheidene +minuten achtereen in ’t water houdend en dit op deze wijze +doorploegend; intusschen vangt hij de Insecten, die aan de oppervlakte +zwemmen; deze maken, althans in de Nijllanden, zijn voornaamste voedsel +uit.</p> +<hr class="tb"> +<p>De <span class="letterspaced">Meeuwen</span> (<i lang="la-x-bio">Larinae</i>) zijn goed gebouwde krachtige Vogels van zeer +verschillende grootte, daar de kleinste soort nauwelijks een Kauw in +omvang overtreft, terwijl de grootste in dit opzicht een Arend +evenaart. Haar romp is forsch ontwikkeld, de snavel middelmatig lang, +zijdelings sterk samengedrukt, tot aan het midden van den rug recht, +van hier af flauw haakvormig naar beneden gebogen; de middelmatig hooge +voet heeft een slanken loop en zwemvliezen tusschen de voorteenen; de +vleugel is groot, lang en breed, hoewel smal toegespitst; de +middelmatig lange, breede staart bestaat uit 12 pennen en is aan den +top recht, zeldzamer ondiep uitgesneden; het zeer dichte, maar zachte +vederenkleed heeft op de onderdeelen het voorkomen van een vacht; het +vertoont teere en bevallige, over ’t algemeen overeenstemmende +kleuren, die in den zomer en in den winter, bij jongen en bij +volwassenen meestal verschillen.</p> +<p>Men onderscheidt ongeveer 85 soorten van Meeuwen, die over alle +deelen der aarde verbreid zijn, en alle zeeën verlevendigen. +Weinige soorten verwijderen zich ver van het land; zij die het doen, +keeren altijd spoedig weer terug; eigenlijk moet men ze dus als +kustvogels aanmerken. Voor den schipper zijn zij de betrouwbaarste +voorboden van het land: als zij om een vaartuig heenvliegen, is het +land niet meer veraf. Liever dan naar de open zee vliegen zij tot diep +in het binnenland, waarbij zij den loop van groote stroomen volgen, of +zich van het eene water naar het andere begeven. Enkele soorten geven +trouwens de voorkeur aan binnenwateren en kiezen deze tot +verblijfplaats, althans gedurende den voortplantingstijd. Vele soorten +behooren tot de trekvogels, verschijnen in hun noordelijk gelegen +vaderland, als de lente gekomen is, broeden en begeven zich in ’t +najaar weer op de terugreis, andere zwerven meer of minder geregeld +rond. Deze veranderingen van verblijfplaats hangen ten nauwste samen +met de voeding. Voor alle Meeuwen zijn Visschen een zeer gewild +voedsel; vele van hen behooren echter tot de ijverigste insectenjagers; +juist deze zijn gedwongen om geregeld te trekken, terwijl de overige op +plaatsen, waar de zee niet met ijs bedekt wordt, ook ’s winters +nog een welvoorzienen disch vinden. Behalve op deze beide voornaamste +voedingsmiddelen maken zij jacht op alle kleine dieren, die de zee +bewonen en zoeken allerlei andere dierlijke stoffen op. Zij eten aas +als de Gieren, vervolgen een levenden buit als de Roofvogels en zoeken +het op ’t strand liggende voedsel bijeen als de Duiven of de +Hoenderen, kortom zij zijn even veelzijdig als de Raven, maar gretiger +en vraatzuchtiger dan deze; ook zij worden, naar ’t schijnt, door +een voortdurenden honger gekweld en zijn letterlijk niet te +verzadigen.</p> +<p>Bevallig zijn haar gestalte en haar kleur, lieftallig hare +bewegingen, ook de werkzaamheid der Meeuwen is aantrekkelijk. Haar +houding op den vasten grond noemen wij edel, omdat zij een zekere +fierheid verraadt; zij gaan goed en betrekkelijk snel. Haar bekwaamheid +in ’t zwemmen overtreft die van de meeste overige leden harer +orde: licht als ballen schuim rusten zij op de golven, met welker +sombere tinten hare heldere kleuren zulk een levendige tegenstelling +vormen, dat de indruk, dien het zeegezicht wekt, er niet weinig door +verhoogd wordt. Zij vliegen met langzame vleugelslagen, maar wisselen +deze beweging dikwijls af met een langdurig drijven op hare wieken; zij +doen dit zonder merkbare inspanning, als ’t ware spelenderwijs, +en herinneren dan door lichtheid en schoonheid van houding aan de +breedvleugelige Valken. Minder goed dan de Zeezwaluwen verstaan zij de +kunst om, boven het water zwevend, den gewenschten buit op te sporen +en, uit de lucht er op neerschietend, hem te vangen. Wanluidend is haar +stem, welker krijschende en krassende tonen in verschillende toestanden +met meer of minder kracht uitgestooten en bij hevige gemoedsbewegingen +eindeloos vaak herhaald worden. Onder hare zintuigen zijn die van het +gezicht en van het gehoor het hoogst ontwikkeld.</p> +<p>Alle Meeuwen zijn schrandere, verstandige Vogels, die de +omstandigheden goed weten te beoordeelen en hare handelingen hiervan +laten afhangen; alle zijn moedig <span class="pagenum">[<a id="xd20e2081" href="#xd20e2081" name="xd20e2081">453</a>]</span>bij +ontmoetingen met andere dieren; zij toonen zelfvertrouwen, eenige +neiging tot heerschen, en een trouwe liefde voor gade en kroost; zij +zijn op het gezelschap hunner soortgenooten gesteld, maar nijdig, +afgunstig en wantrouwig jegens andere Vogels; zonder aarzeling wordt de +schijnbaar aanwezige vriendschap verbroken, wanneer deze in strijd +geraakt met de vraatzucht. Den mensch wantrouwen zij allerwege en in +alle omstandigheden; toch verschijnen zij telkens weer in zijn +nabijheid, bezoeken iedere haven, ieder dorp aan de kust, vliegen om +ieder schip, dat in zee gaat of het land nadert, en wagen zich zoo ver, +als in ’t gegeven geval raadzaam schijnt, omdat zij door ervaring +geleerd hebben, dat het afval uit de huishouding van den mensch voor +hen nog veel bruikbaars bevat. Na veelvuldig herhaalde bezoeken aan +bewoonde oorden leeren zij niet slechts deze, maar ook enkele daar +levende personen onderscheiden. Zij toonen daarom op plaatsen, waar zij +dikwijls en ongestoord iets buit hebben gemaakt, een zeer groote +gemeenzaamheid of liever driestheid; daarentegen worden die, waar zij +een onaangename bejegening ondervonden, vermeden of met groote +omzichtigheid bezocht. Een Meeuw, die op een of andere wijze benadeeld +werd, is gewoon van zijn ervaring mededeeling te doen aan al zijne +metgezellen. Over ’t algemeen heerscht onder hen de beste +verstandhouding, wanneer het er op aankomt zich te verzetten tegen een +gevaar, dat allen bedreigt: Roofvogels, Roofmeeuwen en Raven of Kraaien +worden door alle Meeuwen uit de buurt te gelijker tijd aangevallen en +gewoonlijk op de vlucht geslagen.</p> +<p>Buiten den broedtijd kan het voorkomen, dat men oude Meeuwen alleen +ziet, gedurende den broedtijd echter vereenigen de leden van iedere +soort zich tot troepen, die niet zelden tot ontelbare zwermen +aangroeien. Reeds in Nederland en Noord-Duitschland vindt men +“meeuwenbergen”, die door verscheidene honderden paren +bewoond worden; in noordelijker gewesten komen koloniën voor, +waarvan het aantal bewoners zelfs niet bij benadering te bepalen is. +Ook hier blijven de leden van groote soorten minder nauw aaneengesloten +dan de kleinere vertegenwoordigers van de familie; deze echter bedekken +in den letterlijken zin van ’t woord geheele rotswanden of +bergen, maken gebruik van iedere hier aanwezige ruimte en plaatsen het +eene nest dicht bij het andere, zoodat de broedende ouders dicht +opeengedrongen zitten. De voorbereidende werkzaamheden verschillen in +verband met de plaatselijke gesteldheid; daar, waar geen gebrek is aan +bouwstoffen, wordt aan het nest eenige moeite besteed; het is dan van +water- en strandplanten los en kunsteloos samengevoegd; daar, waar +zulke stoffen ontbreken, is de inrichting zoo eenvoudig mogelijk. Het +nest bevat, als ’t broeden begint, 2 à 4 groote eieren van +gewonen vorm; hun dikke, grofkorrelige schaal is op vuil-groenachtigen, +bruingroenachtigen of groenachtig bruinen grond aschgrauw en zwartbruin +gevlekt. Het mannetje en het wijfje broeden beurtelings gedurende 3 of +4 weken, bij slecht weer ijveriger dan bij zonneschijn. Beide ouders +toonen een buitengewone gehechtheid aan hun kroost; zoodra het gevaar +loopt, vergeten zij de zorg voor eigen veiligheid. De jongen komen in +een dicht, gevlekt, donzig kleed uit de eischaal; op plaatsen, waar +zulks mogelijk is, verlaten zij reeds in de eerste levensdagen het nest +en houden zich verder op het strand op, waar zij zich ingeval van nood +tusschen de oneffenheden van den bodem verbergen, of in het water hun +toevlucht zoeken; zij, die op uitstekende punten van steile rotsen het +eerste levenslicht aanschouwden, moeten echter hier blijven, totdat +hunne slagpennen zich ontwikkeld hebben. Aanvankelijk krijgen de jongen +half verteerd voedsel, dat de ouders voor hen uitbraken; later worden +zij met versch gevangene of opgegaarde dierlijke stoffen gevoed. Na het +uitvliegen blijven zij nog eenigen tijd bij hunne ouders, verlaten de +broedplaatsen en verstrooien zich in alle richtingen.</p> +<p>In het hooge noorden rekent men de Meeuwen niet slechts tot de +schoonste, maar ook tot de nuttigste Vogels der aarde. Voor eenige +grondeigenaars van Noorwegen bestaat een belangrijk deel van de +opbrengst hunner bezitting uit meeuweneieren; deze worden overal heen +verzonden en betrekkelijk duur betaald. Meeuwenveeren vervangen bij de +arme Nordlanders het eiderdons en de ganzeveeren, die door de rijkere +bewoners als vulsel van bedden worden gebruikt. Van het vleesch der +oude Meeuwen maken slechts eenige van de noordelijkste volken gebruik. +Jonge Meeuwen echter worden op Helgoland, IJsland enz. gaarne gegeten +en leveren na een behoorlijke toebereiding ook werkelijk een smakelijk +gerecht; overal echter wordt meer prijs gesteld op de eieren en de +veeren dan op het vleesch dezer Vogels. In eenige streken worden ieder +jaar groote meeuwenjachten gehouden, meer uit moordlust, dan om het +voordeel, dat deze dieren kunnen opleveren; in de noordelijkere +gewesten vervolgt men ze evenwel niet. Een omhoog geworpen witte +zakdoek is voldoende om een Meeuw aan te lokken. Als men er eerst +één heeft gedood, komen spoedig vele andere aanvliegen, +daar iedere Meeuw, die een wit voorwerp boven uit de lucht naar beneden +in ’t water ziet storten, meent, dat op deze plek een goede +vangst te maken is; zij begeeft zich uit jaloezie naar hier om er een +deel van te verkrijgen. De vangst heeft op verschillende wijzen plaats: +men zet strikken op de zandbanken, voorziet netten met Visschen als +lokaas, werpt hoeklijnen uit, waaraan een stuk spijs bevestigd is en +bereikt op deze of op gene wijze het beoogde doel. De levend gevangen +Vogels kan men gemakkelijk in ’t leven houden; zij zijn echter +dure kostgangers, daar men hen met Visschen of vleesch moet voeden om +hunne behoeften te bevredigen. Indien dit geschiedt, schikken zij zich +spoedig in hun lot, geraken gewoon aan de kooi en aan hun verzorger, +weten hem zeer goed te onderscheiden van andere menschen, begroeten hem +met vroolijk geschreeuw, zoodra hij zich vertoont, antwoorden, wanneer +hij hen roept, kortom, worden bijna even tam als een Raaf; ook planten +zij zich in de gevangenschap voort, wanneer men hun een groote kooi tot +woonplaats geeft.</p> +<hr class="tb"> +<p>Het soortenrijkste geslacht van de geheele onderfamilie is dat der +<span class="letterspaced">Meeuwen</span> i.e.z. (<i lang="la-x-bio">Larus</i>). Deze hebben een forschen snavel zonder washuid +en met haakvormige spits, langwerpige, spleetvormige neusgaten in +’t midden van den bovensnavel; de eerste handpen is de langste, +de staart recht afgesneden, de loop bijna zoo lang als de middelste +teen; de achterteen is aanwezig.—Verreweg de meeste en tevens de +grootste en krachtigst ontwikkelde van de 60 leden van dit geslacht +behooren tot de groep der <span class="letterspaced">Zeemeeuwen</span>. +Bij deze is het verschil tusschen het zomerkleed en het winterkleed +gering; hun kop is zoowel ’s zomers als ’s winters wit. De +jongen zijn meestal bruinachtig van kleur, de ouden wit met grijze of +blauwachtig zwarte <span class="pagenum">[<a id="xd20e2100" href="#xd20e2100" name="xd20e2100">454</a>]</span>vleugels en rug. Zij +houden zich meer uitsluitend aan de zeekust op en verrichten hier met +de Stormvogels en de Albatrossen hetzelfde werk als de Gieren op het +land: zij verslinden n.l. allerlei dierlijke overblijfselen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Een der grootste soorten is de <span class="letterspaced">Burgemeester</span> (<i lang="la-x-bio">Larus +glaucus</i>), die in ’t hooge noorden broedt, doch in December en +Januari niet zeldzaam is aan onze kust (voor ’t meerendeel zijn +dit Vogels in ’t eerste levensjaar). De mantel en de rug zijn +teer blauwgrijs, de groote slagpennen licht blauwachtig grijs, alle +overige deelen wit. De vleugels reiken bijna niet voorbij den +staart<span class="corr" id="xd20e2112" title="Niet in bron">.</span> +Het oog is stroogeel, de snavel citroengeel, de hoek van de onderkaak +met een roode, overlangsche vlek versierd, de voet lichtgeel. Totale +lengte 75, staartlengte 22 cM. Het winterkleed is aan den hals flauw +bruinachtig gevlekt.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Kleine Burgemeester</span> (<i lang="la-x-bio">Larus leucopterus</i>), die ’s winters zeer zelden op +onze kust voorkomt, verschilt van de vorige soort door geringere +grootte en langere vleugels (5 cM. voorbij den staart uitstekend), +voorts door de zuiver witte handpennen en de roodachtige voeten. Totale +lengte 65, staartlengte 19 cM.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Van de beide vorige soorten verschilt de <span class="letterspaced">Zilvermeeuw</span>, in Groningen ook <span class="letterspaced">Kaap</span> en <span class="letterspaced">Kobbe</span> +genoemd (<i lang="la-x-bio">Larus argentatus</i>), door den iets +donkerder gekleurden, blauwachtig grijzen mantel; dezelfde kleur hebben +de vleugels. De schouderveeren en groote bovenvleugeldekveeren zijn +echter aan ’t einde wit gezoomd, de beide eerste handpennen +nagenoeg geheel zwart en op de witte spits met een zwarten band +geteekend, de volgende grootendeels en in toenemende mate grijs, doch +vóór de witte spits zwart. De snavel is geel, de voet +geelachtig vleeschkleurig. Totale lengte 65, staartlengte 18 cM. In den +winter zijn de kop en de hals grijsbruin gevlekt.</p> +<p>Het broedgebied van deze soort omvat bezuiden den evenaar de Poolzee +en in ’t noorder halfrond deelen van de Oude en van de Nieuwe +Wereld, het reikt in Amerika van Labrador tot Cuba, in Europa van +71° N. B. tot de Middellandsche <span class="corr" id="xd20e2143" +title="Bron: zee">Zee</span>; talrijk broedt zij in Europa aan de +kusten van de Noordzee. Aan onze kust gedurende het geheele jaar zeer +gemeen, nestelt zij in de duinen, vooral van de Noordzee-eilanden en +wel het meest op Rottum; een dergelijke broedkolonie komt voor op het +eiland Sylt. Op haar winterreis bezoekt zij alle Europeesche kusten, +ook die van de Middellandsche en Zwarte Zee en dringt dikwijls ver in +’t binnenland door. In Noord-Amerika nestelen soms geheele +koloniën op boomen, soms wel 12 M. boven den grond. Hare eieren +zijn olijfgroen, met grijze en bruine vlekken.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Kleine Zeemeeuw</span>, <span class="letterspaced">Stormmeeuw</span>, <span class="letterspaced">Wintermeeuw</span> of <span class="letterspaced">Zeekob</span> (<i lang="la-x-bio">Larus canus</i>) +broedt in ’t Noorden van de Oude Wereld en is van October tot +April zeer talrijk op onze kust. Zij begeeft zich dan ook langs de +binnenwateren, zelfs ziet men haar langs de grachten der groote steden +vliegen. Bij stormachtig weer komt zij in groote vluchten diep +landwaarts, waar zij soms op boomen zittend wordt aangetroffen. Zij +volgt ook gaarne den ploeg, en verslindt zeer vele, zoowel levende als +doode Muizen in de weilanden. Te Amsterdam overwintert zij gewoonlijk +in grooten getale. Ook in het zomerhalfjaar is zij hier vrij gemeen, +zonder er echter te broeden. Vroeger broedde een kleine kolonie op +Texel, doch thans niet meer (<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p>Zij heeft ongeveer dezelfde kleuren als de vorige soort, maar +verschilt er o.a. van door de verdeeling van het wit en het zwart over +de eerste handpennen (van de 1e en de 2e is de spits zwart). Totale +lengte 45, staartlengte 14 cM. Hare eieren zijn okergeel met grijze en +bruine vlekken.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Van de Meeuwen met donkere bovendeelen is de <span class="letterspaced">Mantelmeeuw</span>, in Groningen<a id="xd20e2179" name="xd20e2179"></a> <span class="letterspaced">Zeekaag</span>, op Texel +<span class="letterspaced">Kokmeeuw</span> genoemd (<i lang="la-x-bio">Larus marinus</i>), de grootste. De kop, de hals en de nek, +de geheele onderzijde, de onderrug en de staart zijn schitterend wit, +de bovenrug en de vleugels leikleurig blauwzwart, de spitsen van de +slagpennen wit. Het oog is zilvergrijs, de oogring vermiljoenrood, de +snavel geel met een hoogroode vlek aan de onderkaak vóór +de spits, de voet licht grijsgeel. Totale lengte 73, staartlengte 20 +cM.</p> +<p>Het noorden van de aarde tusschen 60 en 70° N.B. is het +vaderland van deze Meeuw. Bij ons broedt zij niet. Gedurende den winter +bezoekt zij geregeld de kusten van de Noord- en Oostzee, zwerft langs +de kust ook naar Zuid-Europa en nog verder zuidwaarts. Van September +tot Mei is zij zeer algemeen aan onze kust; jonge Vogels vindt men hier +reeds gedurende den zomer, soms ook oude (waarschijnlijk zulke, welker +in noordelijker streken gelegen nest verstoord werd); zij broedt hier +echter niet. Onder hare verwanten is zij, in overeenstemming met haar +grootte, een van de ernstigste en bedaardste; toch kan men haar zoomin +naar het lichaam als naar den geest traag noemen; integendeel zij houdt +van beweging en bedrijvigheid. Haar stem klinkt diep en heesch als +“ach-ach-ach”, in opgewonden toestand als +“kjau”, welk geluid op zeer verschillende wijzen +geïntoneerd kan worden. Visschen van verschillende grootte maken +haar voornaamste voedsel uit; lijken van Zoogdieren zijn voor haar een +zeer gewilde spijs; ook vangt zij Lemmingen, jonge en zieke Vogels, +rooft de eieren van de zwakkere zeevogels en zoekt aan ’t strand +allerlei Wormen en andere kleine dieren op. Als de schaal of schelp van +haar buit te hard is, vliegt zij er mede omhoog en laat hem van een +aanzienlijke hoogte op de rotsen te pletter vallen. In de gevangenschap +geraakt zij spoedig gewoon aan ’t eten van brood en beschouwt dit +ten slotte als een lekkernij.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Kleine Mantelmeeuw</span> (<i lang="la-x-bio">Larus fuscus</i>) gelijkt nagenoeg volkomen op de vorige +soort behalve wat de grootte betreft; de vleugels steken bij haar iets +verder voorbij den staart uit, de witte banden aan de spits van de +slagpennen zijn smaller, de pooten zijn geel. Totale lengte 60, +staartlengte 15 cM.</p> +<p>Zij broedt in het noorden van Europa en zelfs in +Groot-Britannië, maar niet aan onze kusten, waar zij echter soms +in menigte en reeds in September aankomt om verder te trekken of hier +te overwinteren. Ook in de Zuiderzee komt zij voor en vergezelt er de +haringscholen.</p> +<p class="tb"></p> +<p><span class="letterspaced">Kapmeeuwen</span> (<i lang="la-x-bio">Chroicocephalus</i>) noemt men die soorten, welke in het +zomerkleed den kop en den bovenhals min of meer donker gekleurd hebben. +Zij houden zich bij voorkeur in de nabijheid van binnenwateren op en +maken dikwijls haar nest tusschen waterplanten.</p> +<p>De verst verbreide en meest algemeen bekende soort van deze groep is +de <span class="letterspaced">Kokmeeuw</span>, <span class="letterspaced">Kapmeeuw</span> <span class="pagenum">[<a id="xd20e2221" +href="#xd20e2221" name="xd20e2221">455</a>]</span>of <span class="letterspaced">Lachmeeuw</span>, in Friesland <span class="letterspaced">Kob</span> genaamd [<i lang="la-x-bio">Larus +(Chroicocephalus) ridibundus</i>]. De bovenkop en de voorhals zijn +roetbruin, de nek, de onderdeelen, de staart en de slagpennen tot dicht +bij de spits wit, de mantelveeren licht blauwgrijs, de spitsen van de +slagpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de ooglidrand rood, de snavel +en de voet karmijnrood. In het winterkleed ontbreekt de kap. Totale +lengte 42, staartlengte 13 cM.</p> +<p>Zij bewoont een groot deel van Europa, Azië en Afrika en houdt +zich hier te lande op van Maart tot October. Zij broedt in +koloniën op moerassige plaatsen, nabij meren en plassen, in +Zeeland aan de binnenzijde der duinen, alsmede op de eilanden. Na den +broedtijd, in September, verlaat zij het binnenland, overwintert in +grooten getale aan de kust en is in dit jaargetijde met de Kleine +Zeemeeuw talrijk boven de binnengrachten van Amsterdam (<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Kleine Kokmeeuw</span> [<i lang="la-x-bio">Larus (Chroicocephalus) capistratus</i>], misschien slechts +een verscheidenheid van de vorige soort, is een weinig kleiner en +zwakker dan deze, ook zijn de bek en de pooten donkerder rood. Nu en +dan komt zij op den voorjaarstrek in kleine vluchten tot ons over; des +zomers speelt zij de rol van onze Kokmeeuw in Schotland en Ierland.</p> +<p>Een bekoorlijke Vogel is de <span class="letterspaced">Dwergmeeuw</span> [<i lang="la-x-bio">Larus +(Chroicocephalus) minutus</i>], de kleinste van alle bekende Meeuwen. +Haar kop is donker roetzwart, de mantel teer licht blauwgrijs, de nek +wit, de onderzijde wit met een rozerood waas, de staart wit; de licht +blauwgrijze slagpennen hebben breede, witte spitsen. In het winterkleed +is de kap slechts flauw te onderscheiden en de onderzijde wit. Het oog +is bruin, de snavel zwartachtig rood, de voet koraalrood. Totale lengte +28, staartlengte 9 cM.</p> +<div class="figure xd20e2256width"><img src="images/p2455.jpg" alt="Kokmeeuw (Larus ridibundus). 1/4 v. d. ware grootte." width="720" +height="509"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kokmeeuw</span> +(<i lang="la-x-bio">Larus ridibundus</i>). 1/4 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p>Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en +West-Siberië aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter +Zuid-Azië, Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele +exemplaren van deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in +enkele jaren, vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, +zonder er te vertoeven. “Naar het schijnt, heeft deze soort +vroeger aan den Hoek van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan +zee doet, zal het waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar +bestaand meertje, hetwelk later is verdwenen. Al mijne pogingen om van +daar, van Calantsoog of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren +vruchteloos, zoodat ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot +onze broedvogels behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen +meer in Europa, dan westelijk van de Koerische Nehrung in +Oost-Pruisen.” (<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p class="tb"></p> +<p>De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld kan +geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen, wordt in +Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen aangetroffen. +Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans: de toenemende +bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit vele gewesten, die +zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In Zuid-Europa blijft zij +het geheele jaar door bij hare broedplaatsen; ons vaderland verlaat zij +reeds in September om in Maart terug te keeren uit het +Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter doorbrengt. De zee +bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt het zelden voor, dat +de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust broeden. Het liefst +vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers omgeven is. Steeds +broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die in den regel uit +honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat de nesten in een +kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen zijn. In Friesland +worden in deze koloniën, “kobbevlechten” genaamd, de +eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels +één ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats +verlaten (<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p>De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de +binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats, +die ieder <span class="pagenum">[<a id="xd20e2280" href="#xd20e2280" +name="xd20e2280">456</a>]</span>paar zal innemen, worden de nesten +gebouwd op kleine, door open water of door moerassig land omgeven +pollen riet of biezen, rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, +soms ook in het moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk +toegankelijke plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras +een kuiltje gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. +opgehoopt en deze met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 +of 3, zelden 4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig +olijfgroen en met bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang +in het begin van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; +’s nachts zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de +middaguren wordt de zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 +dagen uit den dop komen, zijn drie à vier weken later in staat +om te vliegen. Indien het nest door water omgeven is, verlaten zij het +in de eerste levensdagen niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al +spoedig naar buiten, maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De +jongen, die een week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; +in de tweede week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen +zij zich tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate +bezorgd voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend +gevaar. Iedere Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, +iedere Reiger brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid +geschreeuw vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de +nesten om met de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan +te wenden om hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een +Vos neer; in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met +ware vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst +geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren.</p> +<p>De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en +zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen, +volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en +akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar +niet bepaald snel en vliegt zacht, als ’t ware op haar gemak. +Hoewel voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich +gaarne in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet +onderzoek naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In +alle buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee +gelegen zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: +onbezorgd oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand +haar kwaad zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt +krijschend als “krie”; “kek” en +“sjerr” zijn de geluiden voor het gezellig verkeer; woede +wordt uitgedrukt door een krijschend “kerrekkektek,” of een +heesch “gier,” dat gewoonlijk door “krie” wordt +gevolgd.</p> +<p>Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het +voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en +ook van een kreng wordt partij getrokken.</p> +<p>In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag +tegen de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een +verdelgingsoorlog tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het +leven kost. Deze nuttelooze slachting, die onder den naam van +“meeuwenschieten” als een soort van volksfeest wordt +beschouwd, herinnert aan de ruwheid van zeden der bewoners van +Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te verontschuldigen.</p> +<p>Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, +welke jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch +gevoederd worden, maar geraken ook aan ’t eten van brood gewoon, +zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel met +haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger als een +Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en volgen hem +later vliegend over ’t erf, in den tuin en ook wel naar buiten in +’t veld.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>“Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg +gezien heeft,” zegt <span class="smallcaps">Holböll</span>, +“kan zich zoomin van de schoonheid als van het aantal dezer +Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk een meeuwenberg +misschien kunnen vergelijken met een reusachtige duiventil, bewoond +door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg Inoejoeatock is een +kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer of minder sterk bezet +met verschillende soorten van Meeuwen en dit tot op zulk een hoogte, +dat de bovenste Vogels zich slechts als witte puntjes +vertoonen.”—Korter en schilderachtiger drukt <span class="smallcaps">Faber</span> zich uit. “Op Grimsö’s +vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale, dat zij bij hun +opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten, de rotsterrassen +bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven en in den broedtijd de +groene kleur van de met lepelblad begroeide rotsen in wit +veranderen.”—Toen ik gereed was om een reis naar Lapland te +doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen, een juiste +voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op den voor mij +onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het voorgebergte +Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst, nadat +mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot, die mij +overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen op te jagen. +Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond als een +reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei, onmiddellijk +na de losbranding van het geschut scheidden een aantal van deze stipjes +zich af van den donkeren achtergrond en werden levend; het waren +Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten achtereen daalden zij +naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt, zoo aanhoudend, alsof er +onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen, die reusachtige vlokken uit +de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige minuten achtereen sneeuwde +het Vogels, die een onafzienbaar deel van de oppervlakte der zee +bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd bijna even dicht met +stippen bedekt als vroeger.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Drieteenige Meeuw</span> (<i lang="la-x-bio">Rissa tridactyla</i>) vertegenwoordigt een gelijknamig +geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen is, dat de +achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet genageld stompje +vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop, de hals, de onderrug, de +staart en de onderdeelen schitterend wit, de mantel is licht +grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig grijs, de spitsen van +de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin, de ooglidrand koraalrood, +de snavel citroengeel, aan den mondhoek bloedrood, de voet zwart. +Totale lengte 43, staartlengte 13 cM.</p> +<p>Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat +echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of +kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de onze +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2312" href="#xd20e2312" name="xd20e2312">457</a>]</span>(het meest vroeg in ’t voorjaar). +Vooral bij stormweer en op den doortrek dwaalt zij, den loop der +stroomen en rivieren volgend, soms ver naar het binnenland af, waar zij +zich ’s winters vaker en in grootere troepen vertoont dan de +eigenlijke Zeemeeuwen. In aard en gewoonten verschilt zij van hare even +groote verwanten misschien alleen door haar grootere gezelligheid en +schreeuwlust.</p> +<p>Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen +rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte +aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de +Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien heeft +<span class="smallcaps">Holböll</span> opgemerkt, dat gedurende +haar broedtijd de Noordelijke IJszee als ’t ware gevuld is met +Lodden (<i lang="la-x-bio">Mallotus villosus</i>), dat de Zeehonden, +door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen, de +vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later wel +tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel te +verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering over +de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk rijk de +zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch voorziet, +bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald, het +binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls dood +aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt deze +volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de zee +verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert.</p> +<p>Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen +terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen en +op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet van den +berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken; ieder terras +dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na hun aankomst ziet +men de paren naast elkander zitten, het mannetje en het wijfje elkander +in de bevalligste houdingen liefkoozend, als Duiven trekkebekkend en +elkander in de veeren pluizend, en hoort men hun gekir. De berg is +voortdurend omhuld door een wolk van Vogels, die zonder ophouden door +elkander heen wemelen en krioelen. Het nest zelf bestaat hoofdzakelijk +uit zeewieren, maar wordt in den loop der jaren door den vogeldrek met +hooge randen voorzien; het is voldoende, dat het in den aanvang van den +broedtijd een weinig hersteld wordt. De jongen blijven tot het midden +van Augustus in het nest, zijn intusschen volkomen geschikt geworden +voor het bedrijf hunner ouders en zwermen nu naar buiten boven de open +zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf spreekt, naar vermogen hebben +bijgedragen tot het oorverdoovende geschreeuw, waaraan een vogelberg +reeds op een afstand kenbaar is.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den Hoek +van Holland) een exemplaar gevangen van de <span class="letterspaced">Vorkstaartmeeuw</span> (<i lang="la-x-bio">Xema +Sabinei</i>), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in +Amerika de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De +oude Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig +zuidwaarts te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de +jongen in het eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de +kusten van de Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot +in Hongarijë) af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze +door den (ondiep) gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. +De bovenrug en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen +zwart met witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige +veeren in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met +zwarten halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 +cM.</p> +<hr class="tb"> +<p>De gestalte en de kleur van de <span class="letterspaced">Roofmeeuwen</span> of <span class="letterspaced">Jagers</span> (<i lang="la-x-bio">Stereorariinae</i>) +geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie +te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op de +Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel +betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings +samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid +bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden gekromd, +de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig hoog; de +betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen +aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels +gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang, smal en +spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange staart +bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel voorbij +de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht, op de +onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur vertoont +bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls lichtere +plekken.</p> +<p>De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel; +meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den +voortplantingstijd echter in de toendra’s der kusten en eilanden. +Zij loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de +Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale richting. +Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan of staan; zij +doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels, maken koene, op +velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke zwenkingen, bewegen +zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen met snellen +vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is +een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn +niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben ook +volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren aan, +die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze groep +kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven buit aan +haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan zij de +kunst om een in ’t water waargenomen buit te vangen door er van +uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen +vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar +roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet +slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren +en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen jonge +lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel open om +er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor hen eetbaar +is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien loeren zij op +jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent en dergelijke +zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft, schieten zij op den +gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot hij uit angst den reeds +verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten zij het vallende voedsel +te grijpen, nog voor het den waterspiegel bereikt heeft. Wegens deze +onbeschaamde wijze van bedelen worden <span class="pagenum">[<a id="xd20e2350" href="#xd20e2350" name="xd20e2350">458</a>]</span>zij ten +zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in +hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen +zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden, of +vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig op +hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen haar +aan, de meer beschroomde vluchten.</p> +<p>Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in +het zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 +eieren, die door haar en het mannetje beurtelings met groote +zelfverloochening bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen +moedig tegen iederen vijand en voederen hen gedurende verscheidene +dagen in het nest met halfverteerde, dierlijke stoffen, later met +vastere vleeschspijzen.</p> +<p>De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar +weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te +recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste +staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de +Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden en +voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Groote Jager</span> of <span class="letterspaced">Skoea</span> (<i lang="la-x-bio">Stercorarius +catarrhactes</i>), de meest typische soort van de onderfamilie, is +bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze soort hebben de middelste +stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede vlag en steken zoo weinig +voorbij de overige uit, dat de staart aan ’t einde afgerond is; +de loop is iets korter dan de middelste teen met inbegrip van den +nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de onderzijde +lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche streepjes; aan +den wortel van de donkere slagpennen komt een witte vlek voor. Het oog +is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig grijs, aan de spits +zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte 57, staartlengte 17 +cM.</p> +<p>Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel +tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën +van den zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij +Fär-öer, de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden +en IJsland; in kleinen getale zwerft hij ’s winters langs de +Engelsche, Duitsche, Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren +komen bij hevige stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal +een exemplaar van deze vogelsoort geschoten, n.l. op +Schollevaars-eiland (in de Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; +bij Hallum op Ameland heeft men er één in een staltnet +gevangen. De meeste Skoea’s blijven echter ook gedurende het +koude jaargetijde in ’t noorden, en zoeken hun voedsel op +plaatsen waar de zee open blijft.</p> +<div class="figure xd20e2371width"><img src="images/p2458.jpg" alt="Groote Jager (Stercorarius catarrhactes). 1/5 v. d. ware grootte." +width="720" height="640"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced"><span class="corr" id="xd20e2374" title="Bron: Groot">Groote</span> Jager</span> (<i lang="la-x-bio">Stercorarius catarrhactes</i>). 1/5 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Middelste Jager</span> (<i lang="la-x-bio">Stercorarius pomarinus</i>) heeft de grootte van een Kraai; +zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de overige +uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en zijn +dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer dan de +middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte en de zijden +van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn donker +zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit, de zijden +van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige dwarsstrepen +vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op de zijden van den +romp voor; de handpennen hebben witte schaften en zijn ook aan den +wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den wortel blauwgrijs, aan +de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet zwart. Totale lengte 55, +staartlengte 23 cM.</p> +<p>Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke +werelddeelen, maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle +zeeën der aarde, zelfs de kusten van Afrika en Australië. +Menigvuldig is zij aan de kusten van Groot-Britannië en komt, +vooral bij stormen <span class="pagenum">[<a id="xd20e2394" href="#xd20e2394" name="xd20e2394">459</a>]</span>ook aan de zuidkust der +Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in ’t binnenland af. +Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens +levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de +menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt +snel, zwemt flink en maakt bij ’t vliegen bewonderenswaardig +koene en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. +Zijn stem is een diepe, als “ach ach” klinkende toon of een +heesch “iïa”; bij het aanvallen van een vijand hoort +men van hem den diepen toon “hoo”. Van alle Zeevogels is +hij de meest gevreesde; met geen zijner klassegenooten leeft hij in +vriendschappelijke verhouding; alle Vogels haten hem; slechts de +moedigste durven hem aanvallen. Welken indruk zijn vermetelheid op de +overige Vogels maakt, blijkt het best uit het feit, dat zelfs de +grootste en sterkste zeevogels, die hem aan kracht verre schijnen te +overtreffen, hem angstvallig ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort +uit een onverzadelijken honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met +de jacht bezig. Andere vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, +komt hij nader om hen in ’t oog te houden; zoodra +één van hen een buit heeft gevangen, schiet hij toe, +toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid, moed en +vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld wild +stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven +verworven buit uitspuwt.</p> +<p>Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: +<span class="smallcaps">Graba</span> zag, dat hij met één +houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte; anderen hebben +opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde, verscheurde en +verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee drijven, worden +steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot, door onder te +duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen plundert hij +op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels, neemt de eieren +en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. “Uit duizend +kelen,” schrijft <span class="smallcaps">Naumann</span>, +“weerklinkt het angstgeschreeuw, wanneer de vermetele roover zulk +een broedplaats nadert; toch durft geen der beangste bewoners zich +krachtdadig verzetten tegen zijne booze plannen. Hij pakt het eerste +het beste jong en vliegt er mede heen, zonder zich te storen aan de +ongelukkige moeder, die, luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar +van pijn krimpend kind omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen +hulp kan bieden. Zoodra hij geen stoornis meer behoeft te duchten, +strijkt hij neer op den waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, +vliegt vervolgens naar zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen +uit.”</p> +<p class="tb"></p> +<p>Beter dan alle overige soorten kent men den <span class="letterspaced">Kleinen Jager</span> (<i lang="la-x-bio"><span class="corr" id="xd20e2417" title="Bron: Stereorarius">Stercorarius</span> +parasiticus</i>), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet +zelden aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige +soorten en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het +lichaam zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. +Zijn totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen +(welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige +uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek op +het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin, of op +de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op de +onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met dit +verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart, de +washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart.</p> +<p>Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst +verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke +streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn +broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland, de +Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, +voorts op Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van +Ochotsk is hij veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de +zuidelijkste kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar ’t +binnenland af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, +volstrekt niet altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar +ook, en naar het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land +verwijderd.</p> +<p>De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die, volgens +<span class="smallcaps">Naumann</span>, meer afwisseling aanbiedt dan +bij eenigen anderen Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende +geruimen tijd op die van een Valk, daar hij nu eens met langzame +wiekslagen door de lucht roeit, dan weer over een grooten afstand op +zijne vleugels drijft en af en toe met tamelijk steil naar boven +gericht lichaam als een Toren valk “wiekelt” of +“bidt”; het is op eenigen afstand vaak moeielijk hem van +een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij zich, na +eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen, langs een +booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een kronkelenden, +uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen, nogmaals met +razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar boven terug te +keeren. In ’t eene oogenblik schijnt hij afgemat en verslapt, in +’t volgende is hij als “door den duivel bezeten”; nu +eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend, +alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende +bewegingsvormen.—Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea +gemeen, maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men +de Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de +broedplaatsen echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne +verwanten, in elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder +een bepaald gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik +nooit iets anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, +is mij niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen +vervolgen, om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen +buit. Nog meer dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en +de Zeekoeten op deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen +voedsel stellig niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine +Jagers; want, even vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, +merkt men hen in de toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht +op Lemmingen en ook Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan +het zeestrand, waar zij dieren verslinden, die door de golven op de +kust geworpen werden.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Kleinste Jager</span> (<i lang="la-x-bio">Stercorarius cephus</i>) stemt in kleur met de vorige soort +overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel en veel +langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15 cM. voorbij de +overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55, staartlengte 30 +cM.</p> +<p>Ook deze Jager broedt in ’t hooge noorden van ’t +oostelijk zoowel als van ’t westelijk halfrond. Enkele +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2440" href="#xd20e2440" name="xd20e2440">460</a>]</span>exemplaren dwalen naar zuidelijker +zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden +komen zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In +Siberië voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch +ook met bessen.</p> +<hr class="tb"> +<p><span class="letterspaced">Alkvogels</span> (<i lang="la-x-bio">Alcinae</i>) noemt men een 30-tal over de noordelijke +zeeën verbreide, in ’t duiken zeer ervaren zeevogels, die +zich kenmerken door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een +dikken kop, een middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten +snavel, middelmatig hooge, drieteenige voeten, die met groote +zwemvliezen voorzien zijn, korte, smalle (bij uitzondering voor +’t vliegen ongeschikte) vleugels, een korten staart en een zacht, +meestal tweekleurig vederenkleed.</p> +<p>Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede +samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den +poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek geregeld +overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen van +Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts +gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor ’t overige +echter op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in +het zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel, +op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend +rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele +Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om +het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen +moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote +vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne, +maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan +glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk +voor ’t zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het +duiken in ’t water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij +hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt niet +zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het oog +verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich op +veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die voor +een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar eenig +voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig en +vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote +zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren +bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer +bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast +de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene +koloniën in ’t zuiden van Groenland; hier zou hongersnood +ontstaan, indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde.</p> +<hr class="tb"> +<p>Een der merkwaardigste zeevogels is de <span class="letterspaced">Papegaaiduiker</span> of <span class="letterspaced">Zeepapegaai</span> (<i lang="la-x-bio">Fratercula +arctica</i> of <i lang="la-x-bio">Mormon articus</i>), een middelmatig +groote, korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig +gevormden snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige +gedaante, is aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings +buitengewoon sterk samengedrukt, van achteren begrensd door een +lijstvormig gezwollen huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, +verder naar voren met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet +bijzonder spits, maar met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen +voet, die tamelijk lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts +gekromde nagels in ’t oog. De vleugels zijn klein, smal, van +achteren met afgeronde, korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen +en is zeer kort; het vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en +glad aanliggend, op de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere +veeren samengesteld, alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De +bovenkop, de rug en een band om den hals zijn zwart, de wangen en de +keel aschgrauw, de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. +Het oog is donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden +koraalrood; het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte +plek onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek +koraalrood, aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. +Totale lengte 31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een +veel geringere hoogte en ontbreekt de halskraag.</p> +<p>De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den +Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B<span class="corr" id="xd20e2471" title="Niet in bron">.</span>, komt derhalve aan de +Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten voor; +in ’t noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een +verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze +kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge +voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden +eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger: in +de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor; bij +honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den zomer alle +geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht uit de zee +opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar ’t zuiden en +zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den voortplantingstijd, +van den waterspiegel tot op een hoogte van verscheidene honderden +meters, dicht bezet met nesten. Op alle terrassen, lijsten, +uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt naast en boven elkander, +de eene soort van Alken laag, de andere in de middelste streek, de +derde boven aan. Tusschen deze broeden, eveneens gordelsgewijs, +Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver- en Mantelmeeuwen. Dit zijn +de beroemde noordsche “Vogelbergen”, waarvan de (thans +nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland als zuidelijkste, zeer +zwakke voorposten moeten worden beschouwd, maar die reeds op de +Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van Noorwegen en +elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de donkere rotsen +teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen gerangschikte, +met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten zich duidelijk +af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun strijd om de niet te +ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele individuen is natuurlijk +slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een afstand gezien schijnen +deze met witte, horizontale lijnen geteekende rotsen als door +bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar de Alken zich +niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij om weg te +vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels uitspreiden; +aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert hun snelheid, +en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd moeten zij op +een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te verheffen, +hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel en met +kracht omhoog te stijgen. <span class="smallcaps">Graba</span> +beschrijft de Färö-vogelberg op de <span class="pagenum">[<a id="xd20e2477" href="#xd20e2477" name="xd20e2477">461</a>]</span>volgende wijze: “In een diepe, +huiveringwekkende kloof, die door onbestijgbare rotswanden van 1000 +voet hoogte begrensd wordt, maakten wij halt. Hier was de vogelberg. +Welken kant men ook uitkeek, overal zag men Vogels en niets dan Vogels. +Duizenden van Zeekoeten en Alken zwommen in gezelschappen van +verschillende grootte om onze boot, keken ons nieuwsgierig aan en +verdwenen plotseling onder den waterspiegel om in de onmiddellijke +nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten (<i lang="la-x-bio">Uria grylle</i>) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden +staken hun kop hoog boven het water uit, de schending van deze +vrijplaats niet begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en +Drieteenige Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en +gedood werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort +te voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw +te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar aan +alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval van den +vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde; eindelijk +werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en door den +roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in zee te +vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die, welke op +het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust, maar +waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De lucht +wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar hunne eieren +terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade overlaten; +sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou kunnen +houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men ze met een +stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke domicilie van +deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die een weinig boven +den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte Aalscholvers, die +hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en angstig uitzien naar +eenige Skoea’s (Groote Jagers) boven hen. Dan volgt de lijn der +Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het andere; samen vormen +zij een lange reeks, die zich over de geheele breedte van de rots +uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in bovenwaartsche +richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels; de lager gelegen +rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig hooger, op kleine +vooruitstekende punten van de rots, staan Alken en Zeekoeten +dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de witte borst naar de +zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan, zoodat er geen +hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor de ongewenschte +bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor zich alleen +hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost de andere, +die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van genegenheid op +dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel, beantwoordt. +Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van deze duizenden +zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt er soms eenige +verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen borst; plotseling +komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij heendringt, totdat hij +zijn plaats heeft ingenomen en intusschen eenige van zijne buren naar +beneden stoot. De hoogste plaats nemen de Papegaaiduikers in; zij zijn +minder goed te onderscheiden, behalve wanneer zij af en aan vliegen. +Bij een vogelberg heerscht zulk een oorverdoovend geraas, dat men de +woorden van zijn buurman niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid +van de Drieteenige Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men +het eentonige “orr” van den Alk en het met allerlei +klinkers verbonden “rrrrrr” der Zeekoeten. Nadat ik lang +genoeg de bewegingen van het vogelenheir had nagegaan, werd het +verlangen naar het bezit van een met een kuif prijkenden Aalscholver, +die op 60 schreden afstands van onze boot op een klip zat, mij te +machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te recht gekomen is, weet ik +niet: de werking van mijn schot was te hevig. De lucht werd verduisterd +door de uit hun nest opgeschrikte Vogels. Vele duizenden vluchtten +onder ontzettend geraas uit de kloof; waaiervormig breidde de zwerm +zich over de zee uit. Waarheen wij onze oogen wendden, zagen wij niets +anders dan vliegende Alken, Zeekoeten en Meeuwen. Verwonderd kwamen de +Papegaaiduikers uit hunne holen te voorschijn, keken met komische +gebaren naar de algemeene verwarring en lieten langzaam hun +“orr” hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor ’t +meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten +zich, door schrik bevangen, in zee.”—In dezen tijd halen de +bewoners van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun +vleesch- en eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. +Zij varen er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten +Vogels, laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, +of beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit +den rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw +verbonden om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen +en door lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht.</p> +<p>De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich ’s +winters dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder +en verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen.</p> +<p>Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer +merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven, alsof +hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er slechts over +voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als de pooten dienst: +de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de andere, ongeveer als +een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij slaat met de vleugels en +de pooten aanhoudend op het water, volgt de gebogen vlakken der golven, +beschrijft den eenen boog na den anderen, en verplaatst zich op deze +wijze, oogenschijnlijk met groote haast, maar met nog grooter +inspanning. De snavel snijdt intusschen door de golven heen, zoodat +deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die van den Schaarbek. +Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel verheven heeft, +vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet dit zoo snel, dat +de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds achter den Vogel +schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen der overige leden +van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk op de golven, of +daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel af, zonder dat dit +hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder eenig gedruisch, blijft +soms wel 3 minuten lang onder water en kan, naar men zegt, een diepte +van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat hij trippelend en +waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten; vliegend kan hij van +zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen en na het vliegen zonder +bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij ’t zitten rust hij +gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart, of gaat plat op den +buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij onophoudelijk den kop +en den <span class="pagenum">[<a id="xd20e2487" href="#xd20e2487" name="xd20e2487">462</a>]</span>hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij +iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn +stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner +verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep +en gerekt als “orr orr,” volgens <span class="smallcaps">Faber</span> soms ook als het geluid, dat een slaperig +mensch bij ’t geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard met een +knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje.</p> +<p>Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze +voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men +zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad.</p> +<p>In ’t midden van April of in ’t begin van Mei, al naar +de sneeuw vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen +en zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde, +weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de +Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet +alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij +voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in +het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan ’t +werk. De nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo +kort, dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien +zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje aan +dezen arbeid deel; de werktuigen voor ’t graven zijn de snavel en +de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven of +liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer +onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich +terdege schoon. Het wijfje legt niet meer dan één ei; dit +is echter zeer groot, ongeveer 70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen +schaal is aanvankelijk zuiver wit van kleur, maar wordt door den +veengrond zeer spoedig geelachtig, later zelfs bruinachtig. Beide +ouders broeden, naar men zegt, ongeveer 5 weken lang. Het jong komt met +een dicht kleed van langbaardige, koolzwarte en lichtgrijze donsveeren +ter wereld, piept jammerlijk gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt +later een krachtiger stem, maar leert het ratelende “orr” +van den volwassen Vogel eerst na het uitvliegen. De beide ouders +brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij soms van een afstand van +vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich zonder schroom aan gevaren +bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid van hun kind meenen te kunnen +bevorderen; ook verdedigen zij het, zoo noodig, door woedende beten met +den snavel.</p> +<p>De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in den +regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch +bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de +ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven, +voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten, of +ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de +Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is hun +het noodige voedsel te verschaffen.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Alken</span> (<i lang="la-x-bio">Alca</i>) vertoonen eenige overeenkomst met de +Papegaaiduikers door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, +zeer smal en hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een +uitstekenden kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel +zijn gegroefd, de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den +bovensnavel is haakvormig, die van den ondersnavel eveneens +benedenwaarts gekromd. De vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig +en hebben een lange spits; de korte staart bestaat uit 12 smalle +pennen.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt, +herbergen ook de <span class="letterspaced">Alk</span> (<i lang="la-x-bio">Alca torda</i>). Het bruiloftskleed is aan de bovenzijde en +aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den snavel tot het +oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van den tweeden rang, +de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin, de snavel, met +uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet eveneens zwart. +Totale lengte 42, staartlengte 9 cM.</p> +<p>Door levenswijze, gewoonten en aard gelijkt de Alk zoozeer op den +Papegaaiduiker, dat bijna al wat van dezen gezegd is, ook van genen +geldt. Hij is in dezelfde mate zeevogel en bewoont jaar in jaar uit +nagenoeg hetzelfde oord; hij zwerft echter gaarne van het eene deel van +de zee naar het andere, bezoekt b.v. in den winter vaak alle fjorden +van Noorwegen, waar men hem ’s zomers niet ziet, verschijnt (in +Augustus) ook tamelijk geregeld aan de Duitsche, Nederlandsche en +Fransche kusten, en keert in Maart naar het noorden terug. Op de +vogelbergen, waar de Alken in Mei komen om te broeden, zijn zij in den +regel even veelvuldig als de Papegaaiduikers en de Zeekoeten, die hier +te gelijker tijd aankomen. <span class="smallcaps">Boje</span> zag een +dicht opeengedrongen zwerm, welks breedte hij op 1000 schreden schatte +en die zoo lang was, dat onze berichtgever, terwijl de Vogels over zijn +boot vlogen, tienmaal zijn geweer laden en schieten kon. In dezelfde +zee heb ik herhaaldelijk dergelijke vluchten gezien. Om na te gaan hoe +diep een Alk duiken en hoe lang hij onder water blijven kan, bond men +hem een zeer langen, dunnen draad aan den poot en wierp hem uit de boot +in zee. De Vogel verdween oogenblikkelijk onder water en rolde het 60 +M. lange koord geheel af; na verloop van 2–3/4 minuut ongeveer +verscheen hij weder aan de oppervlakte om lucht te scheppen, waarna hij +opnieuw onderdook.</p> +<p>De klank van zijn stem is vergelijkbaar met dien van den +Papegaaiduiker, maar iets zwaarder en heescher, ongeveer als +“örr” of “ar”, soms ook miauwend als +“arr err kwer kweör”.</p> +<p>Op de vogelbergen nestelt de Alk bij voorkeur in rotsspleten; ook +treft men wel eens enkele nesten onder steenen, dus eigenlijk in holen +aan. Het wijfje legt slechts één ei van zeer aanzienlijke +groote (80 mM. bij 50). Het jong komt ter wereld in een bruinzwart +donskleed met wit aangezicht; het springt in nauwelijks half volwassen +toestand, na lange aarzeling, aangespoord door het luid geschreeuw en +druk gebarenspel van de ouders van boven van de rotsen onmiddellijk in +zee of laat zich van den bergwand afrollen, totdat het in ’t +water aankomt; de ouders volgen het na, zwemmen aan zijn zijde, leeren +het duiken en zijn voedsel zoeken; nadat het geleerd heeft voor zich +zelf te zorgen, begeleiden zij het nog eenigen tijd, zonder het te +voederen.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Een merkwaardige Vogel, die nog in het begin van deze eeuw het hooge +noorden bewoonde, is ten gevolge van de vervolgingen, die hij van den +mensch te verduren had, thans waarschijnlijk geheel uitgeroeid. Indien +het mocht blijken, dat deze Vogel op een ons onbekende plaats nog +leeft, kan men er, zegt <span class="smallcaps">Newton</span>, staat op +maken, dat hij kort na zijn ontdekking verdwenen zal zijn. Vroeger +voorzagen de bewoners van <span class="pagenum">[<a id="xd20e2534" +href="#xd20e2534" name="xd20e2534">463</a>]</span>IJsland en Groenland +zich door het dooden van dezen Vogel met wintervoorraad; tegenwoordig +zou het vel van den Reuzenalk tegen goud opgewogen worden.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Reuzenalk</span> of <span class="letterspaced">Pingoeïn-alk</span> [<i lang="la-x-bio">Plautus +(Alca) impennis</i>] wordt te recht beschouwd als vertegenwoordiger van +een afzonderlijk geslacht. Hem kenmerken, behalve de aanzienlijke +grootte, vooral de rudimentaire vleugels, die voor ’t vliegen +geheel ongeschikt zijn, hoewel alle soorten van vleugelveeren, zij het +dan ook in onvolkomen toestand, aan de voorste ledematen voorkomen. De +snavel is langwerpig, de snavelrug maakt van den wortel tot aan de +spits een flauwe bocht; de ondersnavel is ondiep binnenwaarts +uitgehold; de geheele snavel zeer hoog, maar buitengewoon smal; de +zijrand van den ondersnavel is nagenoeg rechtlijnig van den mondhoek +tot vóór het neusgat, verderop een weinig naar boven +gekromd en aan de spits weer benedenwaarts gericht; de zijden van +’t voorste deel van den snavel zijn boven met 6 à 7, onder +met 9 à 10 groeven voorzien. De pooten stemmen in maaksel met +die van de Alken overeen; het vederenkleed heeft dezelfde +eigenschappen; de staart bevat hetzelfde aantal pennen. De Reuzenalk +heeft ongeveer de grootte van een Gans; zijn lengte bedraagt ongeveer +90 cM.; de vleugel is 17 à 20, de staart 8 à 9 cM. lang. +De veeren van de bovendeelen zijn glanzig zwart, aan de keel +zwartbruin; de onderdeelen en de spitsen van de armpennen zijn wit, de +snavel en de pooten zwart.</p> +<div class="figure xd20e2549width"><img src="images/p2463.jpg" alt="Reuzenalk (Plautus impennis). 1/6 v. d. ware grootte." width="661" +height="720"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Reuzenalk</span> +(<i lang="la-x-bio">Plautus impennis</i>)<span class="corr" id="xd20e2557" title="Niet in bron">.</span> 1/6 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p>Lang heeft men gemeend, dat deze Vogel de zeeën van het +noordelijkste deel der aarde bewoonde of nog bewoont; uit <span class="smallcaps">Wolley’s</span> onderzoekingen blijkt het tegendeel; +<span class="smallcaps">Steenstrup’s</span> ontdekkingen +bewijzen, dat de Reuzenalk in den vóórhistorischen tijd +in grooten getale aan de Deensche kusten geleefd moet hebben. Er zijn +geen bewijsstukken gevonden voor de meening, dat hij ooit Spitsbergen +bezocht heeft, evenmin werd hij in ’t hooge noorden van Amerika +gevonden. <span class="smallcaps">Holböll</span> bericht, dat op +de Groenlandsche kust bij Fiskernaes in het jaar 1815 de laatste +Reuzenalk gevangen werd. Alle overige mededeelingen bevestigen de +stelling, dat deze Vogel eertijds zuidelijker gedeelten van de IJszee +bewoonde en waarschijnlijk in nog grooter aantal in het noorden van den +Atlantischen Oceaan of van de Noordzee gevonden werd. Dat hij vroeger +tot aan de Fär-öer als broedvogel afdaalde, schijnt vast te +staan, evenmin kan men in twijfel verkeeren over zijne bezoeken aan de +Hebriden. In het jaar 1790 werd een exemplaar buit gemaakt in de haven +van Kiel; in 1830 spoelde, volgens <span class="smallcaps">Naumann</span>, een doode Reuzenalk op de kust van +Normandië aan. Het veelvuldigst is hij waarschijnlijk ten allen +tijde op IJsland en Newfoundland geweest; het was echter niet op +IJsland zelf, maar op de omliggende, bijna voortdurend door een +woedende branding omringde klippen en kleine rotsachtige eilanden, dat +deze Vogel veilige broedplaatsen <span class="pagenum">[<a id="xd20e2576" href="#xd20e2576" name="xd20e2576">464</a>]</span>en tot in +den laatsten tijd van zijn bestaan een nagenoeg ongenaakbaar +toevluchtsoord vond.</p> +<p>Werkelijk veelvuldig schijnt de Reuzenalk hier reeds in de vorige +eeuw niet meer geweest te zijn. In een oud handschrift uit het begin +van de laatste helft van de vorige eeuw vonden <span class="smallcaps">Newton</span> en <span class="smallcaps">Wolley</span> een +beschrijving van de Alkklip van Reykjanes, waarin melding wordt gemaakt +van het wonderbaarlijk aantal Vogels op de daar aanwezige rotsen, met +de toevoeging echter, dat de Reuzenalk daar volstrekt niet zoo +veelvuldig voorkomt, als gezegd werd; de door hem in beslag genomen +ruimte werd op niet meer dan het 1/16e deel van de klip geschat; wegens +zijn ongeschiktheid tot vliegen kon hij de hooger gelegen rotsen niet +bereiken. Een deel van het handschrift is gewijd aan een nauwkeurige +beschrijving van den Reuzenalk en zijne eieren; ten overvloede is er +een teekening bijgevoegd, die de klip voorstelt met twee mannen, welke +zich met de vangst van Reuzenalken bezighouden. <span class="smallcaps">Olafsen</span>, die in het jaar 1458 op IJsland vertoefde, +vernam, dat men in vroegeren tijd booten vol eieren van de bedoelde +klip weghaalde en dus geregeld jachttochten daarheen ondernam. Naar het +schijnt, is men hiermede voortgegaan tot in het begin van deze eeuw; in +<span class="smallcaps">Faber’s</span> tijd echter, in het jaar +1822 dus, geschiedde dit niet meer en werden slechts toevallig bezoeken +aan de klip gebracht. Zoo kwam in den zomer van 1813 een schip, dat van +de Fär-öer naar IJsland zeilde om levensmiddelen te halen, +langs de klip, die toen met Vogels bedekt was; omdat het weer gunstig +was ging de bemanning aan land en doodde verscheidene Reuzenalken, +waarvan er eenige naar Reykiavik werden gebracht. Naar men bericht, +hebben deze zeelieden toen een geweldige slachting onder de Vogels +aangericht; hun buit bestond uit niet minder dan 24 Reuzenalken, zonder +te rekenen die, welke reeds ingezouten waren. <span class="smallcaps">Faber</span> bericht, dat in het jaar 1814 een boer op een +kleine klip 7 Reuzenalken doodde. Van 1814 tot 1830 hebben stellig nog +verscheidene exemplaren, maar geen groote troepen, hetzelfde lot +ondergaan.</p> +<p>In het jaar 1830 ging een zekere <span class="smallcaps">Goudmundsson</span> tweemaal ter jacht naar Eldey of de +“Meelzak”-klip; hij bemachtigde de eerste maal 12 of 16, de +andere keer 8 Reuzenalken, die voor ’t meerendeel voor +verzamelingen behouden zijn gebleven. Bij een dergelijken tocht in het +volgende jaar werden 24 Reuzenalken buit gemaakt; sommige van deze +werden levend medegenomen en een tijdlang in ’t leven gehouden, +alle werden ten slotte opgestopt. In 1833 ving men er dertien, in 1834 +negen, in 1840 of 1841 drie, in 1844 nog twee; deze beide, de laatste +exemplaren waarvan men berichten heeft, waren misschien de laatste +vertegenwoordigers van hun geslacht.</p> +<p>Uit talrijke door <span class="smallcaps">Steenstrup</span> +verzamelde mededeelingen van zeelieden uit vroegeren tijd en uit latere +onderzoekingen is gebleken, dat de Reuzenalken of +“Pingoeïns” (zooals zij aan de westkust van den +Atlantischen Oceaan steeds genoemd worden) op Newfoundland en eenige +naburige klippen eveneens veelvuldig zijn geweest; zij waren dit o. a. +nog in de 16e eeuw. <span class="smallcaps">Hakluyt</span> verhaalt in +een brief van 18 November 1578, dat men deze vogels over de loopplank +in de boot dreef, totdat het vaartuig vol was. “Wij +kregen,” schrijft hij, “een eiland in ’t zicht, dat +Pingoeïn-eiland wordt genoemd, naar een Vogel, die daar in +ongelooflijke menigte broedt; de Pingoeïn kan niet vliegen, zijne +vleugels kunnen het lichaam niet opheffen; hij is zeer groot, niet +kleiner dan een Gans en buitengewoon vet. De Franschen vangen dezen +Vogel op genoemd eiland zonder moeite en zouten hem in.” De +Noorsche onderzoeker <span class="smallcaps">Stuvitz</span> vond bij +een bezoek, dat hij in 1841 bracht aan een groep van kleine klippen, +die voor den ingang van de Bonavista-baai liggen, de overblijfselen van +muren, uit opeengestapelde rotsklompen samengesteld, tot het begrenzen +van perken, waarin eertijds de Reuzenalken door hunne vervolgers +gedreven en afgemaakt werden. Ook vond hij hier hoopen van beenderen, +die bij nader onderzoek van den Reuzenalk afkomstig bleken te zijn. In +het jaar 1863 kreeg een Amerikaan van de regeering verlof om de aarde +van deze rotsen weg te voeren en als mestspecie naar Boston te zenden. +Bij het opruimen van den half bevrozen grond werden, behalve vele +beenderen, op een zekere diepte ook verscheidene door de natuur +gevormde mummiën van den Reuzenalk gevonden. Twee van deze in veen +en ijs voor bederf bewaard gebleven exemplaren werden naar Engeland +gezonden en stelden <span class="smallcaps">Owen</span> in de +gelegenheid tot het schrijven van zijn beroemde verhandeling over het +beenderenstelsel van den Reuzenalk.</p> +<p>Volgens een in 1883 door <span class="smallcaps">Blasius</span> +opgemaakte lijst bevatten de Amerikaansche musea 3, de Europeesche 71 +opgestopte exemplaren van den Reuzenalk; van deze vindt men er 21 in +Groot-Britannië, 20 in Duitschland en 2 in Nederland (n.l. in het +Rijksmuseum te Leiden en in het museum van <i lang="la-x-bio">Natura +artis magistra</i> te Amsterdam). Een dergelijk exemplaar +vertegenwoordigt een waarde van 2000 à 2500 gulden. In ’t +geheel zijn 65 eieren van deze vogelsoort in de verzamelingen aanwezig. +In 1888 werd zulk een ei verkocht voor f 2640. In het museum van +“Artis” is zulk een ei aanwezig.</p> +<p>Eertijds kregen de IJslandsche visschers gedurende den zomer in de +zee zoo geregeld Reuzenalken te zien, dat aan deze Vogels geen +bijzondere aandacht werd geschonken. Volgens alle waarnemers zwommen +zij gewoonlijk met hoog opgeheven kop, maar ingetrokken nek en doken +steeds onder, als zij verontrust werden. Op de rotsen zaten zij +rechtop, in steiler houding dan de Zeekoeten en Alken. Zij gingen of +liepen met kleine, korte pasjes en hielden daarbij den romp verticaal +gelijk de mensch; als een gevaar hen bedreigde, stortten zij zich van +een hoogte van 4 à 5 M. naar beneden in de zee. Door een +gedruisch werden zij meer verschrikt dan door een verschijnsel, dat met +de oogen waargenomen wordt. Soms hoorde men van hen een zwak gekras. +Nooit heeft men opgemerkt, dat zij hunne eieren verdedigden; wanneer +zij zelf aangevallen werden, verweerden zij zich door hevig te +bijten.</p> +<p>Hun voedsel schijnt bestaan te hebben uit Visschen van verschillende +grootte. <span class="smallcaps">Fabricius</span> bericht, dat hij +bovendien in de maag van een jong overblijfselen van planten vond.</p> +<p>Het eenige ei, dat in ieder voortplantingsseizoen ontstond, werd in +Juni gelegd; het heeft dezelfde tolvormige gedaante als de eieren van +andere Alken, maar is veel grooter dan deze; het is grooter dan eenig +gevlekt ei, dat van een Europeeschen Vogel afkomstig is. De lengte is +120 à 130, de middellijn Op de dikste plaats 75 à 80 mM. +De mannetjes en de wijfjes hebben, zooals uit hunne broedplekken +blijkt, om beurten gebroed; hoe lang het duurde, voordat de jongen het +ei verlieten, weet men niet, misschien 6 à 7 weken. Het jong had +bij de geboorte een donkergrijs donskleed en werd zeer spoedig naar het +water gebracht.</p> +<p class="tb">*</p> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e2633" href="#xd20e2633" name="xd20e2633">465</a>]</span></p> +<p>De <span class="letterspaced">Zeekoeten</span> (<i lang="la-x-bio">Uria</i>) verschillen van de Alken door den vorm van den +snavel; deze is slank, recht, zijdelings weinig samengedrukt, +eenigszins priemvormig, ongeveer even lang als het overige deel van den +kop, tot op de langwerpige neusgaten bevederd; de bovensnavel is op den +rug flauw afgerond, alleen aan de spits een weinig naar beneden +gebogen, de scherpe zijranden zijn eenigszins ingetrokken, de kinhoek +is onduidelijk. De pooten zijn ver achterwaarts geplaatst, de vleugels +smal en spits met dikke slagpennen; de staart is kort en afgerond, uit +12 à 14 pennen samengesteld; het vederenkleed van den romp +bestaat uit korte, losbaardige veeren, heeft op de onderdeelen +overeenkomst met een vacht en is bij ouden en jongen, in den zomer en +in den winter merkbaar verschillend.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Bij de <span class="letterspaced">Kleine Zeekoet</span> (<i lang="la-x-bio"><span class="corr" id="xd20e2650" title="Bron: Uriu">Uria</span> grylle</i>) is het bruiloftskleed +fluweelachtig zwart met groenachtigen weerschijn; op de vleugels komt +een wit veld voor, het oog is bruin, de snavel zwart, de voet +koraalrood. In den winter zijn de onderdeelen wit en zwart gevlekt. +Totale lengte 34, staartlengte 5 cM.</p> +<p>De Kleine Zeekoet behoort in ’t hooge noorden thuis en broedt +tusschen 80 en 58° N.B. Binnen deze grenzen is zij algemeen, hoewel +men haar zelden in zwermen, meestal slechts paarsgewijs en afzonderlijk +aantreft. In ’t begin van den eigenlijken winter trekt zij meer +of minder geregeld zuidwaarts. Op de Duitsche kusten komt zij echter +zelden voor; bij ons werd zij nog niet waargenomen.</p> +<p>Deze Vogel maakt steeds een aangenamen indruk, hetzij men hem op een +rotsblok ziet zitten, of hem bij ’t zwemmen en duiken, of vliegen +bespiedt. Bij ’t zitten is hij gewoon den geheelen loop op den +grond te laten rusten, den romp een nagenoeg verticalen stand te geven +en met bevallige kronkelingen van den hals den kop heen en weer te +bewegen. In ’t zwemmen is hij zeer bedreven: lichter dan zijne +verwanten rust hij op het water, daar gewoonlijk slechts een klein deel +van den romp ingedompeld is. Bij ’t roeien worden de fraaie, +roode voeten dikwijls zichtbaar. Om te duiken strekt hij beide pooten +met kracht achterwaarts, buitelt tevens zonder gedruisch over den kop, +breidt onder water dadelijk de vleugels uit en gebruikt ze tegelijk met +de voeten als roeiriemen. Na hoogstens twee minuten komt hij weer boven +om te ademen. Het vliegen schijnt hem betrekkelijk weinig moeite te +kosten, hoewel hij de vleugels zeer snel, als ’t ware gonzend, +bewegen moet. Om van ’t water op te vliegen, neemt hij een korten +aanloop; op een zekere hoogte gekomen, is zijn vlucht echter veel +sneller dan men aanvankelijk vermoed zou hebben; schielijk bereikt hij +een aanzienlijke hoogte, b.v. het hooge gedeelte van de rots, waar zijn +nest zich bevindt. Naar ’t water terugkeerend, breidt hij +eenvoudig de vleugels uit, zonder ze eigenlijk te bewegen. De Kleine +Zeekoeten toonen een zachtzinnig, goedaardig, verdraagzaam karakter. Op +de broedplaatsen verschijnen zij in ’t begin van Maart, op een +grooten vogelberg hoogstens een dertigtal, die zich om de overige +zeevogels niet schijnen te bekommeren, ieder paar steeds afgezonderd te +midden van millioenen Zeekoeten van andere soorten. Als een mensch de +broedplaats nadert, zal het paartje wachten, tot hij op een afstand van +slechts 15 à 10 schreden gekomen is en dan de vlucht nemen. De +broedende Vogel zit dikwijls zoo “vast”, dat men hem met de +hand kan grijpen. De Groenlanders en IJslanders vangen Kleine +Zeekoeten, zooveel zij kunnen; de Noren ontnemen haar alleen de eieren. +Haar vleesch smaakt tranig, maar kan zoo toebereid worden, dat het +eetbaar is; in Lapland worden den reiziger dikwijls jonge Zeekoeten +voorgediend, die hij mettertijd als een smakelijk gerecht leert +beschouwen. De veeren worden gebruikt tot vulling van bedden. Het meest +worden de eieren geschat; wie gewend is aan hun eigenaardigen smaak, +vindt ze lekker. Zij worden (zelden voor het midden van April, dikwijls +eerst in Mei) ten getale van twee in een rotsspleet gelegd en zijn +gemiddeld 6 cM. lang en 4 cM. dik. Het mannetje en het wijfje broeden +afwisselend 24 dagen lang en voederen hunne jongen aanvankelijk in het +nest met Zandpieren, Slijkvisschen, kleine Zandalen, enz., totdat zij +geschikt zijn om, evenals de volwassen Vogels, allerlei soorten van +Visschen en Schaaldieren te eten. De jongen in het donskleed kunnen wel +zwemmen, maar niet duiken.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Bij de <span class="letterspaced">Gewone Zeekoet</span> (<i lang="la-x-bio">Uria troïle</i> of <i lang="la-x-bio">Uria lomvia</i>) +zijn de kop, de voorhals en de bovendeelen fluweelachtig bruin, de +spitsen van de schouderveeren wit, waardoor op den vleugel een lichte +band ontstaat; de onderdeelen zijn wit, aan de zijden met bruine, +overlangsche strepen. In het winterkleed zijn ook de voorhals en een +deel van de achterwang wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet +loodkleurig grijs, aan de buitenzijde donkerder. Totale lengte 46, +staartlengte 6 cM.</p> +<p>De <span class="letterspaced">Bastaard-zeekoet</span> (<i lang="la-x-bio">Uria hringvia</i>), die, evenals de volgende vorm, soms als +een verscheidenheid van de vorige soort wordt beschouwd, heeft in haar +bruiloftskleed een witten ring om het oog, die in een witte, tot aan +den achterkop reikende streep uitloopt. Overigens stemt zij nagenoeg +geheel met de Gewone Zeekoet overeen.</p> +<p>De <span class="letterspaced">Groote Zeekoet</span> (<i lang="la-x-bio">Uria Brünnichii</i>) onderscheidt zich van de Gewone +door den korteren, dikkeren snavel en de geelachtig witte streep langs +de bovenrand van de mondspleet, van den mondhoek tot aan het neusgat; +ook is zij ongeveer 3 cM. langer.</p> +<p class="tb"></p> +<p>Al deze soorten bewonen de noordelijke zeeën van beide +werelden; enkele exemplaren broeden echter in den gematigden gordel. +Gedurende den winter begeven zij zich geregeld naar zuidelijker +zeeën en komen dan ook in de nabijheid van onze kust; het meest +vindt men hier de eerstgenoemde soort (enkele exemplaren zelfs in den +zomer), het zeldzaamst de laatstgenoemde, hoewel deze op de Deensche +kust ’s winters talrijk is. Het grootste deel van hun leven +brengen zij in de open zee door; de meeste blijven voortdurend in +dezelfde streek; slechts gedurende den voortplantingstijd komen zij aan +land. Zij zwemmen uitmuntend, waarbij de romp nagenoeg tot aan de grens +tusschen het witte en het zwarte deel van het vederenkleed ingedompeld +is; zij zijn meesters in het duiken, roeien zich onder water met de +vleugels en de pooten zeer snel en behendig voort en kunnen +verscheidene minuten achtereen onder water blijven. Zij vliegen snel, +met gonzende vleugelslagen, hoewel niet gaarne ver in één +tocht, op aanzienlijke hoogte alleen dan, wanneer zij zich naar haar +nest begeven, anders meestal dicht bij ’t water langs. Van verre +gezien gelijken zij wegens de snelle beweging der vleugels op groote +Insecten; in den broedtijd komt men er onwillekeurig toe den vogelberg, +vooral wanneer deze kegelvormig is, met een door Bijen omzwermden korf +te vergelijken. Alleen wanneer zij zich van hunne broedplaatsen op den +vogelberg in het water storten, glijden zij nagenoeg zonder +vleugelslagen lijnrecht naar beneden. Daar <span class="pagenum">[<a id="xd20e2692" href="#xd20e2692" name="xd20e2692">466</a>]</span>de op- en neervliegende Vogels dezelfde +richting volgen, schijnt de berg door een dak omgeven te zijn. Buiten +den broedtijd ziet men ze nooit op deze wijze vliegen; zij bepalen zich +dan tot zwemmen en duiken, of verheffen zich hoogstens voor een korte +poos in de lucht, om spoedig naar ’t water terug te keeren. +Gewoonlijk hebben zij een glijdenden gang, plomp schuifelen zij met de +geheele zool over den grond; soms echter loopen zij, als ’t ware +dansend, op de teenen, maar moeten dan van de vleugels gebruik maken om +het evenwicht te bewaren, zoodat deze wijze van beweging eerder +gebrekkig vliegen dan loopen kan heeten. Hun stem bestaat uit een +langgerekt gesnater of geratel, dat echter zeer verschillend +geïntoneerd kan zijn en daarom soms als “örr”, +soms als “err” schijnt te klinken; ook hoort men van hen +wel eens een huilenden of mauwenden toon. De jongen fluiten.</p> +<p>Niemand zal na een bezoek aan een met Zeekoeten bedekten vogelberg +zich er over verwonderen, dat deze Vogels dom worden genoemd. Werkelijk +toonen zij zich buitengewoon onergdenkend en vol goed vertrouwen, +vooral wanneer zij zich te land bevinden: in ’t water laten zij +een boot dikwijls dicht bij hen komen; hunne broedplaatsen kan men, +zonder hun argwaan te wekken, tot op een afstand van 6 à 4 +schreden naderen en hier gaan zitten kijken of zich met teekenen of +schrijven bezig houden, zonder dat zij wegvliegen.</p> +<div class="figure xd20e2696width"><img src="images/p2466.jpg" alt="Bastaard-zeekoet (Uria hringvia). 1/4 v. d. ware grootte." width="720" +height="596"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bastaard-zeekoet</span> (<i lang="la-x-bio">Uria +<span class="corr" id="xd20e2703" title="Bron: rhingvia">hringvia</span></i>). 1/4 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p>Wie hen wil leeren liefhebben, moet hen op hunne broedplaatsen +bezoeken. Hiertoe kiezen zij steil uit zee oprijzende klippen of +bepaalde rotswanden uit, welker voet door het water bespoeld wordt, die +rijk zijn aan terrassen, uitsteeksels en spleten en in welker nabijheid +zij met het best mogelijke gevolg kunnen visschen. Tegen het einde van +Maart of het begin van April verschijnen zij in meer of minder groote +zwermen op de vogelbergen. Dan worden deze weldra het tooneel van een +eigenaardig leven en gewemel. De vogelberg is voortdurend door een wolk +van Vogels omgeven; duizenden en honderdduizenden zitten schijnbaar op +rijen geplaatst met de witte borst naar de zee gekeerd op alle +uitsteeksels, hoekpunten, spitsen, terrassen, kortom overal waar +gelegenheid is om te zitten; honderdduizenden vliegen intusschen van +boven naar beneden of van beneden naar boven, terwijl een niet minder +groot aantal zich in de zee aan den voet van den berg met visschen en +duiken bezig houdt. Zelfs de grootste berg, de meest uitgestrekte +rotswand wordt overstelpt met bewoners, die echter ieder met een kleine +ruimte tevreden zijn, zoodat men nooit strijd ziet ontstaan over de +standplaatsen der nesten. Het mannetje en het wijfje zijn innig aan +elkander gehecht; zij zitten, als de eieren nog niet gelegd zijn, +voortdurend naast elkander, vliegen gelijktijdig naar zee, visschen +gemeenschappelijk en keeren te zamen naar het nest terug, waar zij +later de zorg voor het broeden deelen.</p> +<p>Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; +het heeft een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder +vlekken geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel +afwisseling aan, dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen +gelijke zal kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het +wijfje legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede +te bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te +krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij +deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs treft +men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan, die zich +met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet zien, om het +spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van 30 à 35 +dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt meer op een +grauwzwarte <span class="pagenum">[<a id="xd20e2711" href="#xd20e2711" +name="xd20e2711">467</a>]</span>prop wol, dan op een Vogel; het groeit +schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een +vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu +verlaten de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te +begeven, “welke verhuizing,” zegt <span class="smallcaps">Naumann</span>, “niet geheel vrij is van gevaar, +zooals duidelijk blijkt uit het in ’t oogvallend, angstig heen en +weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van deze +gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met +één sprong van den kant van de rots in zee; voor de +eerste maal met het water in aanraking komend, duikt het, wederom +gevolgd door de ouden, dadelijk in de diepte; als allen weer boven +gekomen zijn, dringt het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de +ouders aan, als ’t ware om bij hen bescherming te zoeken en op +hun rug te klimmen; het moet zich echter een nadere kennismaking met +het natte élement getroosten, waarmede het door herhaaldelijk +met de ouden onder te duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk +is het dus in de gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt +gedrongen zich met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich +niet meer met zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind +om het tegen gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; +hier ziet men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor ’t +meerendeel slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige +jonge Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee +begeeft en valt zich op de steenen te pletter.”</p> +<p>De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en +leveren, al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er +broedt een meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De +eerstgenoemde worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen +gezouten en voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de +vogelvangers een afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen +gevaar schuwen en den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen +zien, sterft er ternauwernood één in zijn bed. Zij +beklimmen de rotsen van onderen af, of laten zich aan lange touwen naar +beneden zakken, om vervolgens, hieraan slingerend, een met broedende +Vogels bedekte rotspunt te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver +verwijderd zijn: zij zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks +plaats genoeg is voor een Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die +ongelooflijk schijnen. In Groenland schiet men ’s winters +duizenden Zeekoeten met het geweer; ook krijgt men ze op de volgende +zeer eigenaardige wijze in handen: De Vogels zoeken hunne broedplaatsen +op, voordat het kustijs losgeraakt is en brengen hier den korten nacht +slapend door. In dezen nacht begeven de Groenlanders zich zoo stil +mogelijk naar de vogelbergen, om, zoodra zij hier gekomen zijn, de +Vogels schrik aan te jagen door plotseling te schreeuwen en te +schieten. De arme Zeekoeten denken er niet om, dat de zee aan den voet +van de rots nog met ijs bedekt is storten zich hals over kop naar +beneden en vallen zich te pletter op het ijs. Behalve door den mensch +worden zij onophoudelijk vervolgd door Roofvogels, Raven en Jagers; +onder water loopen zij gevaar door roofvisschen verslonden te worden. +Ondanks deze vervolgingen neemt hun aantal niet af.</p> +<p>De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den +24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend, in +’t eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van +het eiland.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle +Zeekoeten, van de <span class="letterspaced">Kleine Alk</span> +(<i lang="la-x-bio">Mergulus alle</i>), den eenigen vertegenwoordiger +van het geslacht der <span class="letterspaced">Krabbenduikers</span>, +hebben nagegaan, noemen haar eenstemmig een van de bevalligste kinderen +der zee. Door den korten en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij +oude Vogels vóór de eironde neusgaten nog flauwe groeven +vertoont, houdt zij in zekeren zin het midden tusschen de Alken en de +Zeekoeten. Het vederenkleed is op de bovendeelen donkerzwart, op den +onderhals dofzwart, op de overige onderdeelen wit; de handpennen en +stuurpennen zijn zwart; de armpennen hebben aan de spits een breeden, +witten zoom. Het oog is donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet +blauwachtig zwart. In het winterkleed is ook de keel witachtig en de +hals donkergrijs. Totale lengte 25, staartlengte 3 cM.</p> +<p>De Groenlandvaarders noemen de <span class="corr" id="xd20e2736" +title="Bron: kleine">Kleine</span> Alk “IJsvogel”, omdat +men gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa’s, +wanneer zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij +de bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug +gaat zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig +tusschen de steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar +bekwaamheid in ’t zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van +haar familie buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den +waterspiegel en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. +In de zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de +schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij +welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig +verheffen. Van ’t water, evenals van ’t land, vliegt zij +vlug en zonder merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten +herinnert zij dan aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine +vleugels zeer snel moet bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te +bestaan uit kleine, dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; +slechts zelden vindt men overblijfselen van Visschen in haar maag.</p> +<p>De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd +ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen +hoort men, volgens <span class="smallcaps">Mallingren</span>, nog op +een halve mijl afstands van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als +’s nachts, van de berghellingen, die zij tot woonplaats hebben +uitgekozen, hun als “trr, trr, tet, tet, tet” of als +“gief” klinkend geschreeuw. Volgens <span class="smallcaps">Faber</span> broeden zij op IJsland slechts op +één plaats, n.l. op de noordelijkste spits van het +eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt diep onder de neergestorte +steenklompen een geschikte plaats om te nestelen; men vindt in dit hol +één wit, blauwachtig getint, zelden zwak roodachtig +gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra de jongen +zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van verschillende +broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de zeevaarders in +het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen hebben. In den +winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan de kusten van de +Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze dan dikwijls in +menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van Augustus. Bij +ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands in slooten en +vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen richten misschien +onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan dan de mensch. Naast +het vleesch van het Rendier is dat van deze zeevogels een van de +grootste lekkernijen van het hooge noorden. <span class="pagenum">[<a id="xd20e2747" href="#xd20e2747" name="xd20e2747">468</a>]</span>Bij duizenden worden zij gedood, soms meer +dan 30 in één schot.</p> +<hr class="tb"> +<p>De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten, vooral +van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam stroomende +wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied aan eenige +hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die <span class="letterspaced">Parra’s</span> heeten en een afzonderlijke groep +uitmaken (<i lang="la-x-bio">Parrae</i>), die slechts één +familie bevat (<i lang="la-x-bio">Parridae</i>). Men ontmoet ze in de +keerkringslanden van de Oude zoowel als van de Nieuwe Wereld. Ieder +werelddeel heeft zijne eigene soorten, die evenwel alle in levenswijze +overeenkomen. Slechts bij uitzondering, vooral in den broedtijd, +verlaten zij hunne drijvende eilanden.</p> +<p>In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch +volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt, +laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst op +’t laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen en +strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze Vogels, +die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk een +bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen, hoewel +hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige meening, +die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen anderen Vogel +van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger; dit feit +heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin zij een +rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich +onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen, +zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door +het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of in +het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen, van +andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een +vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet +slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een +waarschuwing tegen gevaar.</p> +<p>Zij voeden zich gedurende een deel van ’t jaar bijna +uitsluitend met de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar +bovendien ook met allerlei kleine dieren.</p> +<p>Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en +hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte door +die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar de +gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot vlak +beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot, drijvend +blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang, smal en +spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld; bij +één soort echter (bij <i lang="la-x-bio"><span class="corr" id="xd20e2769" title="Bron: Para">Parra</span> sinensis</i>, die +ook op de Soenda-eilanden gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen +draadvormig verlengd. Het vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, +maar stijf en in den regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, +die bij de meeste soorten voorkomt, is bij sommige—o. a. bij de +<span class="letterspaced">Haantjesparra</span> (<i lang="la-x-bio">Parra cristata</i>), die op Celebes en Noord-Australië +thuis behoort—verlengd tot een huidlel. Opmerkelijk is de +stevige, meestal spitse, soms stompe “doorn”, waarmede het +handgewricht gewapend is.</p> +<p class="tb">*</p> +<div class="figure xd20e2781width"><img src="images/p2468.jpg" alt="Jassana (Parra jaçana). 1/2 v. d. ware grootte." width="649" +height="707"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Jassana</span> +(<i lang="la-x-bio">Parra jaçana</i>). 1/2 v. d. ware +grootte.</p> +</div> +<p>Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke +in Brazilië <span class="letterspaced">Jassana</span>, in Cayenne +<span class="letterspaced">Chirurgien</span>, in Suriname <span class="letterspaced">Kemphaan</span> wordt genoemd (<i lang="la-x-bio">Parra +jaçana</i>). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst en de +buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de slagpennen +geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen donker +roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de spits +geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan den +mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig grijs, de +doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is (met zijn 24 mM. +langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop; de achterteen is 64 +mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e2804" href="#xd20e2804" name="xd20e2804">469</a>]</span></p> +<p>Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel +stilstaand water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende +bladen bedekt is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en +laat haar rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke +nabijheid van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; +houdt zich bovendien op in alle moerassige streken, op natte, +moerassige weiden, in de nabijheid van de kust, zoowel als in ’t +binnenland of te midden van de oerwouden. Een prachtig schouwspel +levert zij op te midden van de prachtige waterleliën, welker +kleuren door de hare in de schaduw worden gesteld, pijlsnel loopend +over de dicht dooreengegroeide, groote, groene bladen, voortdurend +bezig met het zoeken van haar voedsel, dat vooral uit waterinsecten en +hunne larven, doch ook uit zaden bestaat.</p> +<p>Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen +van waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen +hun moeder schielijk na.</p> +<hr class="tb"> +<p>De Trappen en Grielen vereenigt <span class="smallcaps">Fürbringer</span> in één groep, die der +<span class="letterspaced">Trapvogels</span> (<i lang="la-x-bio">Otides</i>).</p> +<p>De <span class="letterspaced">Trappen</span> (<i lang="la-x-bio">Otididae</i>) zijn groote of middelmatig groote, +zwaarlijvige Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een +tamelijk grooten kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden +samengedrukten, overigens kegelvormigen, vóór de spits +van de bovenkaak een weinig gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is +als de kop. De middelmatig lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; +van de stevige, breede slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de +onderzijde zacht uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte +staart bestaat uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed +is aan den kop en den hals dikwijls verlengd (“baard”) en +steeds met levendige kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter +dan het wijfje en gewoonlijk ook fraaier gekleurd.</p> +<p>Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen, +vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele +opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de +Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven zij +den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun voedsel, +schreeuwen of vechten met elkander; des middags “gullen” +zij (baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den +avond zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige +plaats uit, om er ’s nachts te rusten. Zij eten even graag zaden +als bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen +zelf, laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele +kool met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend +worden; later beschouwen zij het als een lekkernij.</p> +<p>Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de +lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in +monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt de +hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt er +een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt zij +ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins +plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor de +veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen.</p> +<p>De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver +gejaagd, omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het +toonen van zijn meerderheid.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>De <span class="letterspaced">Groote Trap</span> of <span class="letterspaced">Trapgans</span>, in Noord-brabant en Zeeland +<span class="letterspaced">Wilde Kalkoen</span> genaamd (<i lang="la-x-bio">Otis tarda</i>), is de grootste Europeesche landvogel. Haar +lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan +tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van +den bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond +met zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde +vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin, aan de +smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften geelachtig +wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai roestrood, +vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de +buitenste bijna geheel wit. De “baard” bestaat uit ongeveer +30 lange, teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog +is donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig.</p> +<p>Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel +Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel +en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is +zij reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in +eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije, +in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in +geheel Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon +veelvuldig aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder +van zwerven dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de +zuidelijke, maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland +en Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal dan +thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst in zoo +groote menigte, dat (gelijk <span class="smallcaps">Merula</span> in +zijn “Vlugchtbedrijf” bericht) geheele velden er mede +bedekt waren. Ook thans echter strekken enkele exemplaren hun tocht +naar ’t westen zoo ver en zelfs tot in Groot-Britannië uit. +Hun aantal is evenwel alleen dan van eenige beteekenis, wanneer in +Oost- en Middel-Europa een strenge koude heerscht en veel sneeuw valt, +gelijk het geval was in December 1890 en Januari 1891. In de meeste +provinciën van Nederland zijn in genoemden winter Trappen +waargenomen, soms vluchten van 18 stuks; 10 exemplaren werden +geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in denzelfden tijd 7 +bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in Roemenië onder +de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem geen voedsel +vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250 à 400 +passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid van +boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal Trappen, +dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat men op niet +minder dan 800 stuks (<span class="smallcaps">Albarda</span>).</p> +<p>In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden +bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote Trap +ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier +standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt; +zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en +Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus +in het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere +gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan ook +in beperkte mate.</p> +<div class="figure xd20e2863width"><img src="images/p2470.jpg" alt="Groote Trap (Otis tarda). 1/10 v. d. ware grootte." width="720" +height="486"> +<p class="figureHead"><span class="letterspaced">Groote Trap</span> +(<i lang="la-x-bio">Otis tarda</i>). 1/10 v. d. ware grootte.</p> +</div> +<p>De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in +iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland +bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op in +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2874" href="#xd20e2874" name="xd20e2874">471</a>]</span>velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, +het meest dus in akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit +jaargetijde is zij, zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, +die haar in het hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats +verschaft. Des nachts rust zij steeds op de meest afgelegen velden, +meestal braakliggend of stoppelland, die zij eerst in de schemering +opzoekt en waar, naar het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de +veiligheid van het geheele gezelschap moeten waken.</p> +<p>De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan +haar voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan +zij echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite +kan inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen +bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel, +maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen in +de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij zich +zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen een +geoefend oog en een vaste hand moet hebben.</p> +<p>Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht +gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel +duidelijk kan waarnemen.</p> +<p>De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van +de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De reuk +schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen scherp +hooren.</p> +<p>De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met +groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd +bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar +gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet +zij naar ’t schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten +van kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast +in geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter +voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den +zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige +Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij +ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door, +tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de +dauwdroppels, die ’s morgens aan het gras hangen.</p> +<p>Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid; +zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven +staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige zak +aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo dik +schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats, tot de +zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten voor de +meening, dat de Trappen in monogamie leven.</p> +<p>Bij ’t kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van +groote voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter +zorgvuldiger dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is +opgeschoten, dat het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt +zij een ondiep kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge +stoppels, stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook +wel drie, niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een +dikke, grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig +groenen of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. +Zij nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk +heen, laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand +bespeurt, den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat +op den bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te +worden, door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, +vliegt zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in ’t koren neder en +loopt dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de +wollige, bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog +zijn met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; +wanneer het gevaar loopt, fladdert zij angstig <span class="corr" id="xd20e2889" title="Bron: dich bij">dichtbij</span> den rustverstoorder +langs en neemt allerlei listen te baat om hem van ’t spoor te +brengen; wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen +terug, die zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben +gedrukt en in de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van +den bodem een voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. +Kleine Kevers, Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door +de moeder uit den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes +neergelegd worden, maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn +zij zeer onbeholpen; hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren +eerst laat zelf hun voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig +groen voer te eten.</p> +<p>Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar +volwassene het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer +ervaren vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders +gevonden zijn en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De +Trappen zijn niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten +’s zomers en ’s winters in de vrije natuur gelaten +worden.</p> +<p>De Trap wordt tot de “groote” jacht gerekend en overal +ijverig vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht +de zoogenaamde “karbuks”, een echte helsche machine, die +uit vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar +zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren +jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en +dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als een +boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen een +kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij berijden, +of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild verbergen. +In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met Windhonden +“gehitst”, in Azië “beit” men ze met +Edelvalken of getemde Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms +nevelachtig, vriezend weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de +Trappen achterna; in dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met +een ijskorst bedekt en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De +vallen en strikken, die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de +gewenschte uitkomst.</p> +<p class="tb"></p> +<p>In ’t zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde +soort, de <span class="letterspaced">Kleine Trap</span> (<i lang="la-x-bio">Otis tetrax</i>). Haar geringere grootte en afwijkende kleur +onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren van +bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij het +mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar den +gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden, witten +dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht geelachtig +met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond in dwarse +richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven- en +onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2906" href="#xd20e2906" name="xd20e2906">472</a>]</span>wit, de handpennen aan den wortel wit, aan +de spits donkerbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de +staartveeren wit, dichtbij de spits met twee banden versierd. Het oog +is licht- of bruingeel, de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de +voet stroogeel<span class="corr" id="xd20e2908" title="Niet in bron">.</span> Totale lengte 50, staartlengte 13 cM.</p> +<p>Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied +begint, waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar +geschikte verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en +Zuid-Frankrijk; van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over +Turkije en Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië +(vooral Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en +Syrië), naar de andere zijde over Italië, Spanje en +Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische steppen moet men als het +brandpunt van haar verbreidingsgebied beschouwen. Ook op Sardinië +schijnt zij zeer veelvuldig te zijn, terwijl zij in Spanje wel is waar +niet in grooten getale voorkomt, maar toch nergens ontbreekt. Na den +broedtijd zwerft zij rond en trekt vervolgens uit sommige landen naar +zuidelijker streken. Gedurende hare zwerftochten verdwaalt zij ook naar +koudere gedeelten van Europa, o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn +hier (van September tot Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort +geschoten. Vóór 1870 verscheen zij op deze wijze ook in +Duitschland, zoowel in de lente als in den herfst, bleef er altijd +echter slechts korten tijd om zich vervolgens hetzij naar het +zuidwesten of naar het oosten van Europa te begeven. Sedert het +genoemde jaar heeft zij zich in het kale, heuvelachtige, maar +vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de steden Weissense, +Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen is, en later ook +in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort de Kleine Trap +in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de groote +zeldzaamheden.</p> +<p>In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap, +zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral met +Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het +plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden, +maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar als +een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den naam +“Fazant” opgedischt.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De <span class="letterspaced">Aziatische Kraagtrap</span> [<i lang="la-x-bio">Otis (Houbara) Macqueenii</i>], die door haar grootte het +midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten, is in ons land +geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist +geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn +afgedwaalde exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar +aan haar kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren +bestaat, aan den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten +vederkraag aan weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende +dwarslijnen op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en +vleugels.</p> +<p>De <span class="letterspaced">Hoebara</span> [<i lang="la-x-bio">Otis (Houbara) undulata</i>], die vaak met de Kraagtrap +verward werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver +witte kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels +donkerder, meer bruinachtig zijn.</p> +<p class="tb"></p> +<p>De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende +gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van +Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige +vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische +landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en +Mesopotamië.</p> +<p>De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de +Middellandsche Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet +zeldzaam in Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche +kust zelfs veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in +het Nijlgebied.</p> +<p>Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige, +schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst de +echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke +liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad +oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde +Valken.</p> +<hr class="tb"> +<p>Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige +woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn +niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels +naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin begaven +en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun vlucht niet +strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp na het hooren +van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag ik bij het licht +der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen in den tuin, +naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten zij uit de +oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij gekomen waren. +Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte inlichting. Ik repte +mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot had geschoten, een +Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een <span class="letterspaced">Griel</span>, den middelvorm tusschen de Trap en de +Pluvier, de Nachttrap, gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik +gelegenheid genoeg om den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik +ontmoette hem of een zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze +hebben, in alle landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik +bezocht.</p> +<p>De kenmerken van de <span class="letterspaced">Grielvogels</span> +(<i lang="la-x-bio">Oedicnemidae</i>) zijn: een betrekkelijk +aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke kop +met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd +verhoogde, aan de spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de +spits harde snavel, hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, +drieteenige voeten, middelmatig lange vleugels, waarin de tweede +slagpen de langste is, een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 +à 14 stuurpennen samengestelde staart en een tamelijk dicht +vederenkleed, welks kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij +ouden en jongen, bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den +winter nagenoeg gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren +uitsluitend tot het oostelijk halfrond.</p> +<p class="tb">*</p> +<p>Onze <span class="letterspaced">Griel</span>, <span class="letterspaced">Doornsluiper</span>, <span class="letterspaced">Scharluip</span> of <span class="letterspaced">Scharlupen</span> (<i lang="la-x-bio">Oedicnemus +crepitans</i>), het kleinste lid en de eenige Europeesche +vertegenwoordiger van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 +cM.); hij evenaart dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde +is als die van een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig +grijs en in het midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek +vóór het oog, benevens een streep er boven en een er +onder zijn wit, zoo ook een streep op den bovenvleugel; de veeren van +de onderzijde zijn geelachtig wit, de slagpennen zwart, <span class="pagenum">[<a id="xd20e2977" href="#xd20e2977" name="xd20e2977">473</a>]</span>de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de +spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart, de +voet stroogeel.</p> +<p>Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de +landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte +woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle +landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, +Arabië, Indië enz. komt hij in grooten getale voor. In +Hongarije, Oostenrijk en Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien +ontmoet men hem in Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het +zuiden van Zweden. Bij ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden +voor; hij werd broedend gevonden in de duinen van Noord- en +Zuid-Holland en op de duinachtige heidevelden bij Oirschot in +Noordbrabant; ook op de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek +bezoekt hij gaarne heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal +woonplaatsen.</p> +<p>De Griel houdt van de eenzaamheid, bekommert zich nagenoeg niet om +zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens af. Over +dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan toevallig, +want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert, veel eerder +gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte effene vlakte +zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij zich plat op den +bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn aardkleurig +vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt, wordt hij +roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk +fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich +spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke +hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die men +van hem niet verwacht zou hebben.</p> +<p>Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en +andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild, +waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest +nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem +begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend +zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw +buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan, +stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken +en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook de +Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot +bevordering van de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove +zandkorrels.</p> +<p>In het einde van April vindt men in een kuiltje in ’t zand, 3 +of 4 eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin +groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en +schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het nest +de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den volgenden +dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun moeder voedsel +zoeken.</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e1163" href="#xd20e1163src" name="xd20e1163">1</a></span> Een zeer +lezenswaardig opstel van den Heer <span class="smallcaps">B. +Boon</span>, waarin “de Kievit” in den voortplantingstijd +op duidelijke wijze beschreven wordt, komt voor in het tijdschrift +“<i lang="la-x-bio">De Natuur in!</i>”, 1e Jaargang, pp. 49 +enz.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e1372" href="#xd20e1372src" name="xd20e1372">2</a></span> +“In de levende Natuur”, II: 43.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="transcribernote"> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p class="firstpar">Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen +poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn hersteld.</p> +<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden +gebruikt, zijn deze gecodeerd met “. Geneste dubbele +aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele +aanhalingstekens.</p> +<p>Merk op dat de Latijnse namen in dit boek in veel gevallen kunnen +afwijken van de moderne zoölogische naamgeving.</p> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e197">420</a></td> +<td class="width40">7.5</td> +<td class="width40">7,5</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e245">423</a></td> +<td class="width40">weinge</td> +<td class="width40">weinige</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e306">423</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e761">431</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e771">431</a></td> +<td class="width40">Totauus</td> +<td class="width40">Totanus</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e987">434</a></td> +<td class="width40">zee</td> +<td class="width40">Zee</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1061">435</a></td> +<td class="width40">waterspiege</td> +<td class="width40">waterspiegel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1389">442</a></td> +<td class="width40">Noordbrabant</td> +<td class="width40">Noord-brabant</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1419">442</a></td> +<td class="width40">zee</td> +<td class="width40">Zee</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1875">450</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2112">454</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2143">454</a></td> +<td class="width40">zee</td> +<td class="width40">Zee</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2179">454</a></td> +<td class="width40">,</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2374">458</a></td> +<td class="width40">Groot</td> +<td class="width40">Groote</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2417">459</a></td> +<td class="width40">Stereorarius</td> +<td class="width40">Stercorarius</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2471">460</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2557">463</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2650">465</a></td> +<td class="width40">Uriu</td> +<td class="width40">Uria</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2703">466</a></td> +<td class="width40">rhingvia</td> +<td class="width40">hringvia</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2736">467</a></td> +<td class="width40">kleine</td> +<td class="width40">Kleine</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2769">468</a></td> +<td class="width40">Para</td> +<td class="width40">Parra</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2889">471</a></td> +<td class="width40">dich bij</td> +<td class="width40">dichtbij</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2908">472</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 32834-h.htm or 32834-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/2/8/3/32834/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/32834-h/images/p2421.jpg b/32834-h/images/p2421.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..73317ae --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2421.jpg diff --git a/32834-h/images/p2427.jpg b/32834-h/images/p2427.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..223d2a4 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2427.jpg diff --git a/32834-h/images/p2433.jpg b/32834-h/images/p2433.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..893c701 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2433.jpg diff --git a/32834-h/images/p2435.jpg b/32834-h/images/p2435.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e2b23cb --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2435.jpg diff --git a/32834-h/images/p2437.jpg b/32834-h/images/p2437.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7e04e0a --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2437.jpg diff --git a/32834-h/images/p2440.jpg b/32834-h/images/p2440.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c8af5f3 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2440.jpg diff --git a/32834-h/images/p2443.jpg b/32834-h/images/p2443.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..87c7589 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2443.jpg diff --git a/32834-h/images/p2444.jpg b/32834-h/images/p2444.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..caf9984 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2444.jpg diff --git a/32834-h/images/p2445.jpg b/32834-h/images/p2445.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..074b6cd --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2445.jpg diff --git a/32834-h/images/p2446.jpg b/32834-h/images/p2446.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0bc47bb --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2446.jpg diff --git a/32834-h/images/p2449.jpg b/32834-h/images/p2449.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8d07357 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2449.jpg diff --git a/32834-h/images/p2455.jpg b/32834-h/images/p2455.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2943b1e --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2455.jpg diff --git a/32834-h/images/p2458.jpg b/32834-h/images/p2458.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cca6b11 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2458.jpg diff --git a/32834-h/images/p2463.jpg b/32834-h/images/p2463.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4ef3d93 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2463.jpg diff --git a/32834-h/images/p2466.jpg b/32834-h/images/p2466.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..45f7cb4 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2466.jpg diff --git a/32834-h/images/p2468.jpg b/32834-h/images/p2468.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e410f37 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2468.jpg diff --git a/32834-h/images/p2470.jpg b/32834-h/images/p2470.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..410a0c7 --- /dev/null +++ b/32834-h/images/p2470.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..581a669 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #32834 (https://www.gutenberg.org/ebooks/32834) diff --git a/old/32834-8.txt b/old/32834-8.txt new file mode 100644 index 0000000..5481a9f --- /dev/null +++ b/old/32834-8.txt @@ -0,0 +1,5710 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 7: De Pluviervogels + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: June 16, 2010 [EBook #32834] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + +ZEVENDE ORDE. + +DE PLUVIERVOGELS (Charadriornithes). + + +Tien familiën, die in vroegere stelsels over verschillende +orden verdeeld waren, heeft Fürbringer op grond van anatomische +onderzoekingen samengevoegd tot de orde der Pluviervogels of +Speurvogels (Charadriornithes) met slechts één (gelijknamige) +onderorde (Charadriiformes), die drie groepen van familiën omvat: +de Oevervogels (Laro-limicolae), de Parravogels (Parrae) en de +Trapvogels (Otides). Als vierde groep moeten hierbij misschien nog +gevoegd worden de uitgestorven Vischvogels (Ichthyornithes), die in +de Krijt-periode leefden en goed ontwikkelde vleugels hadden, maar +zich van alle thans levende Vogels onderscheidden door den biconcaven +vorm der wervellichamen en het bezit van een groot aantal echte, met +wortels in tandkassen van beide kaken bevestigde tanden. Zij hadden +de grootte van een Duif. + + + +De eerste van de 7 familiën der Oevervogels is die der Pluvierachtigen +(Charadriidae), die, volgens Fürbringer, 2 onderfamiliën omvat: +de Snipvogels (Scolopacinae) en de echte Pluvieren (Charadriinae). + +De Snipvogels (Scolopacinae) zijn kleine of middelmatig groote, +sierlijk gebouwde moerasvogels; de van boven afgeronde kop heeft +een plat voorhoofd, dat naar voren smaller wordt tot de plaats, +waar het zonder scherpe afscheiding overgaat in den steeds langen, +dikwijls zelfs buitengewoon langen snavel; deze is slank en zwak en +heeft stompe, ongetande zijranden; hij is steeds aan den wortel met +een zachte huid bekleed, die zich dikwijls zelfs tot bij de spits +uitstrekt. Van de fijne, spleetvormige neusgaten aan den snavelwortel +tot de spits neemt de snavel weinig in breedte en hoogte af; hij +is òf recht, òf een weinig naar beneden, òf naar boven gekromd, +niet zelden buigzaam. De zwakke, slanke voet heeft gewoonlijk een +langen loop; de drie voorteenen zijn middelmatig lang; de zelden +ontbrekende achterteen is kort en hooger ingeplant; bij sommige +soorten zijn de voorteenen vrij, bij andere door vliezen vereenigd, +die zich bij eenige aan één der teenen tot aan den nagel uitstrekken, +bij enkele zijn de teenen met een huidzoom voorzien langs de zijden. De +vleugels zijn middelmatig lang en spits, aan den achterrand meer +of minder sikkelvormig uitgesneden; zij reiken tot, of voorbij de +spits van den korten, uit 12 à 26 pennen samengestelden staart. Het +vederenkleed is bij mannetjes en wijfjes meestal nagenoeg gelijk, bij +jongen en ouden in den regel zeer verschillend van kleur.--Zij bewonen +vochtige en moerassige oorden, waterkanten en de zeekust, leven in den +zomer bij paren, welke dikwijls bovendien tot grootere gezelschappen +vereenigd zijn; 's winters vormen zij groote en gemengde troepen; +zij zijn elkander, naar het schijnt, genegen, verkeeren althans +gaarne onderling. Hun voedsel bestaat uit Insecten en hunne larven, +Wormen en Schaaldieren, sommige eten ook wel zaden. Bij nagenoeg +alle soorten wordt het zeer verschillende, doch meestal op den grond +rustende nest door het mannetje en het wijfje gezamenlijk gebouwd; +beurtelings bebroeden zij de vier peervormige, aardkleurige eieren; +de jongen, die met dons bekleed uit den dop komen en het nest zeer +spoedig verlaten, worden, totdat zij in staat zijn om zelfstandig +voedsel te zoeken, door beide ouders gehoed. Alle bij ons broedende +soorten zijn trekvogels, die, welke op lagere breedten leven, +zwerfvogels. Zij trekken meestal 's nachts, sommige afzonderlijk, +de meeste tot zwermen vereenigd. Zij bewonen de geheele aarde. + +Om een gemakkelijker overzicht te geven van de talrijke, voor ons +gewichtige vormen, die tot deze onderfamilie behooren, splitsen +wij haar in vijf afdeelingen: Snippen, Strandloopers, Waterloopers, +Franjepooten en Kluiten. + + + +Bij de Snippen is de kop zijdelings samengedrukt, het voorhoofd +lang en hoog, de snavel recht, langer dan het onbevederde deel van +den poot, twee- of driemaal zoolang als de kop, nagenoeg geheel met +een zachte huid bekleed, alleen langs den rand van de eenigszins +verdikte bovensnavelspits hoornachtig; deze spits omsluit die van +den ondersnavel, daar zij niet slechts langer dan deze, maar ook een +weinig benedenwaarts gebogen is. Beide spitsen vormen te zamen een +zeer fijngevoelig tastorgaan: de in beenkanaaltjes gelegen zenuwvezels, +die in de huid van den snavel eindigen, zijn aan de spits buitengewoon +talrijk. Bij alle Vogels moet op het oogenblik, dat de onderkaak +naar beneden wordt bewogen, de bovenkaak in tegengestelde richting +draaien. (Dit geschiedt door de werking van het vierkantsbeen, +dat niet alleen met de onderkaak en den schedel, maar ook door +bemiddeling van andere beenderen met de bovenkaak beweeglijk +verbonden is.) Deze beweging is zeer duidelijk bij de Snippen, +waar het draaipunt van de bovenkaak ver naar voren ligt. Dit staat +in verband met het eigenaardige maaksel van den schedel, die als +'t ware een verschuiving naar onderen en naar voren heeft ondergaan, +zoodat het achterhoofdsgat niet, zooals gewoonlijk, naar achteren, +maar naar onderen is gericht, terwijl de gehooropeningen, in plaats +van achter, onder de (hier grootere en verder naar boven en naar +achteren gelegen) oogen voorkomen. Dat de geschiktheid van den +snavel om als tast- en grijporgaan te dienen door zijn vermeerderde +beweeglijkheid belangrijk is toegenomen, ligt voor de hand. De vleugels +zijn middelmatig lang, doch breed, de pooten kort; het onderbeen is +tot dicht bij het spronggewricht bevederd; de voorteenen zijn niet +met elkander vereenigd, de middelste voorteen is bijzonder lang, +de achterteen kort en hoog ingeplant. De kleur van het vederenkleed, +hoewel bont gevlekt, loopt zeer weinig in 't oog, steekt zoo weinig +af bij die van de verblijfplaats der Vogels, dat deze, als zij zich +tegen den bodem drukken, zeer moeilijk te vinden zijn. In verband met +de ligging van het achterhoofdsgat, houden zij den snavel zoowel bij +'t loopen als bij 't vliegen sterk naar beneden gericht. Zij zijn meer +in de schemering (of zelfs 's nachts) werkzaam dan over dag, bewonen +in de noordelijke en gematigde gewesten moerassen, broeklanden, +veengronden en ook bosschen en voeden zich met Wormen, Insecten +en hunne larven, die zij met haar grijp- en tastorgaan gemakkelijk +in den weeken bodem opsporen en van een vrij groote diepte aan de +oppervlakte brengen kunnen. Daar de spits van den bovensnavel die +van den ondersnavel omsluit, kan de geheele spits gemakkelijker in +den grond gestoken worden. Men ontmoet ze bijna altijd afzonderlijk; +tot troepen of talrijke zwermen vereenigen zij zich nooit; zelfs op den +trek reizen zij alleen. In den paartijd hoort men dikwijls haar stem en +de mannetjes vertoonen dan dikwijls opmerkelijke vliegkunstjes.--Ons +vaderland wordt bewoond of althans bezocht door vier algemeen bekende +soorten van Snippen: één van het geslacht der Houtsnippen, drie van +het geslacht der Watersnippen. + + + +Bij de Houtsnippen (Scolopax) zijn alle eigenaardigheden van de Snippen +het duidelijkst waarneembaar. Het lichaam is plomp, de snavelspits +afgerond; de pooten zijn betrekkelijk zeer kort, hun bevedering strekt +zich van voren, doch niet van achteren, tot het spronggewricht uit; +de schaften van de 12 stuurpennen zijn naar binnen gekromd; de nagel +van den achterteen is stomp kegelvormig en steekt niet voorbij den teen +uit. Deze vogels bewonen uitsluitend de bosschen en wel op vochtige +plaatsen. Tot dit geslacht behooren één Europeesche en drie Noord- +en Middel-Aziatische soorten. + + + +De Houtsnip, in Gelderland Woudsnep genoemd (Scolopax rusticola), +is voor op den kop grijs; de boven- en achterkop en de nek zijn met +vier bruine en vier roestgele dwarsstrepen geteekend; overigens +is de bovenzijde roestkleurig, roestgrijs, roestgeel, grijsbruin +en zwart gevlekt, op de keel witachtig, op de overige onderdeelen +met geelachtig grijze en bruine golflijnen; de slagpennen zijn op +bruinen, de stuurpennen op zwarten grond met roestkleurige vlekken +geteekend. Het zeer groote oog is bruin, de snavel, zoowel als de voet, +hoornkleurig grijs. Totale lengte 32, staartlengte 9, snavellengte +7,5 cM. + +"De jagers noemen de groote, lichtgekleurde voorwerpen met +vleeschkleurige pooten, die men bij oostenwind soms reeds in het begin +van October vindt, Uilenkoppen; de kleinere met donkerder vederen en +leikleurige pooten, die men veel later, vooral in November, bij ruw, +stormachtig weder en noordwestenwind, aantreft, Blauwpootjes. Sommigen +zijn van meening, dat eerstgenoemde wijfjes, laatstgenoemde mannetjes +zijn, en in Duitschland heeft men opgemerkt, dat in het voorjaar, +wanneer deze Vogels aan paren vliegen, de voorste altijd tot de +grootere, de achterste tot de kleinere behoort." (Albarda.) + +Met uitzondering van eenige eilanden van het noorden heeft men +de Houtsnip in alle landen van Europa en ook in geheel Noord- en +Middel-Azië, voorts op Madeira, de Kanarische eilanden en de Azoren +aangetroffen; zelden dwaalt zij naar IJsland af, eenmaal heeft men +haar op Newfoundland ontmoet. In Nederland, Duitschland, Engeland, +Schotland en Ierland broeden betrekkelijk weinige Houtsnippen. In +bosschen, op moerassige plaatsen heeft men bij ons in Gelderland, +Zuid-Holland (Lisse), Friesland (Kuikhorne, Makkinga, Dantumawoude) +en de meeste andere provinciën enkele paren broedend aangetroffen. In +Duitschland werd het broeden van deze soort het meest waargenomen +in de middelgebergten en in het noorden. In Noord-Europa vindt men +gedurende den zomer in alle groote wouden Houtsnippen. Hoewel sommige +in zachte winters gedurende het geheele jaar op haar broedplaats +blijven, reizen de meeste iederen herfst naar het zuiden om in het +zuidwesten van Azië, in Zuid-Europa en in het noordwesten van Afrika +den winter door te brengen. In Griekenland komen enkele exemplaren +reeds in het midden van September aan. + +Al naar de weersgesteldheid in het noorden komen de Houtsnippen hier te +lande vroeger of later. In den regel zijn zij in October en November +het menigvuldigst. In kleiner aantal bezoeken zij ons land in het +voorjaar. Gemiddeld begint men in het midden van Maart op doortrekkende +Houtsnippen te rekenen. Iets bepaalds kan hierover echter niet gezegd +worden, omdat juist deze Vogel den jager, die hem zoo nauwkeurig +mogelijk nagaat, ieder jaar nieuwe raadsels opgeeft. Ook de weg, +dien zij volgen, verschilt zeer; op een plaats, die aan alle eischen +schijnt te voldoen, en waar men in 't eene jaar zeer vele Houtsnippen +aantreft, ziet men dit wild in een ander jaar nagenoeg in 't geheel +niet. Wanneer het na een strengen winter te rechter tijd begint te +dooien en het weer daarna zacht blijft, heeft de voorjaarstrek op de +regelmatigste wijze plaats. Bovendien moet men in 't oog houden, dat +de Snippen, evenals andere Vogels, niet gaarne voor den wind trekken, +bij voorkeur dus bij een niet te krachtigen tegenwind reizen. Zeer +donkere of stormachtige nachten verhinderen den trek; ook worden de +Vogels vaak door de verwachting van slecht weer, van late sneeuwvlagen +b.v., op hun verblijfplaats teruggehouden. In groote, samenhangende +wouden vindt men ze meer dan in kleine bosschen, hoogst waarschijnlijk, +omdat de groote wouden hun meer beschutting verschaffen dan de kleine, +die zij later gaarne bezoeken. In gewesten met weinig houtgewas +strijken zij niet neer, zelden zelfs in tuinen met vele boomen +of in alleenstaande kreupelboschjes.--"Zij trekt bij nachttijd," +schrijft Schlegel, "ligt over dag verscholen in het hout en vliegt, +indien zij opgejaagd wordt, den bek benedenwaarts gericht, op niet +zeer aanzienlijke afstanden, om weder in het hout in te vallen. De +trek begint in October en er komen er dikwijls nog in December +aan. Zij vertoeft onder weg op gunstige plaatsen, dikwijls totdat +er strenge vorst invalt; hierdoor worden vele een prooi der jagers, +die op dit wild, hetzij omdat het een uitstekend gerecht levert, +hetzij omdat het een op andermans grond grootgebrachte vreemdeling +is, zeer gretig zijn. In het voorjaar, veelal reeds in Maart, keert +zij meer rechtstreeks en spoedig naar hare broedplaatsen terug en +wordt alsdan in ons land weinig aangetroffen."--"In het najaar," +bericht Mr. H. Albarda ten aanzien van Friesland, "menigvuldig op +den doortrek, het meest in de woudstreken, doch ook hier en daar op +de klei, vooral aan de kust. Somtijds zelfs in het vlakke veld, ver +van alle boomen verwijderd, alsook in rietvelden. Komt, vooral bij +noordelijken wind, het meest voor in Gaasterland, waar uitgestrekt +bosch onmiddellijk aan zee is gelegen, en wordt aldaar met laatvlouwen +gevangen. Onder gunstige omstandigheden vangt men soms op één dag, +met 50 vlouwen, 200 stuks, welk getal aanzienlijk is te noemen, +indien men in aanmerking neemt, dat deze vangst slechts gedurende +een half uur vóór zonsopgang en gedurende even zoo langen tijd na +zonsondergang kan plaats hebben. In sommige vochtige bosschen blijft +een klein getal den winter over, zoo deze niet al te streng is." + +Naar het schijnt, geeft de Houtsnip aan geen enkele boomsoort de +voorkeur: men vindt haar in naaldboomwouden even dikwijls als in +bosschen met breedbladige boomen. Een hoofdvoorwaarde voor haar +bestaan is een vochtige, weeke boschgrond, waarin zij haar snavel +kan steken. De ontzaglijke wouden van het noorden, die voor 't +meerendeel uit sparren bestaan, bevredigen hare eischen volkomen; +armoedige dennebosschen van zandstreken lokken haar daarentegen +volstrekt niet aan. + +Haar dagelijksch of huiselijk leven is niet gemakkelijk na te gaan, +omdat zij zeer vreesachtig, wantrouwig en schuw is. Over dag vertoont +zij zich nooit in 't open veld; wanneer zij een enkele maal genoodzaakt +is, hier neer te strijken, drukt zij zich plat op den grond: haar +vederenkleed is dan, evenmin als dat van de Patrijs, van den bodem +te onderscheiden. Als het in 't woud zeer stil is, loopt zij soms +ook over dag rond; zij kiest dan echter altijd plaatsen uit, waar +zij zoo goed mogelijk verborgen en tegen het voor haar waarschijnlijk +hinderlijke, schelle licht beschut is. Eerst in de schemering begint +zij met opgewektheid rond te loopen. Als zij op haar gemak is, +trekt zij den hals in, houdt den romp waterpas, den snavel met de +spits naar den grond gericht. Zij loopt in gebogen houding, sluipend, +trippelend, niet zeer snel en niet lang achtereen; zij vliegt echter +in alle opzichten uitmuntend. Zij kan zich door de dichte twijgen +heenwringen, zonder ergens tegen aan te stooten, de snelheid van +'t vliegen over 't algemeen geheel naar de omstandigheden wijzigen, +haar nu eens bespoedigen dan weer vertragen; zij maakt behendig +wendingen in iedere richting, rijst of daalt naar verkiezing, verheft +zich echter, over dag althans, nooit in hooge luchtlagen en vliegt, +zoolang zij dit vermijden kan, nooit over een open terrein. Als zij +verschrikt werd gemaakt, hoort men bij 't opvliegen een dof geklepper, +waaraan de jager haar steeds herkent, ook als hij haar niet te zien +krijgt. Als zij over dag vervolgd wordt en vreesachtig geworden is, +stijgt zij gewoonlijk 's avonds in bijna loodrechte richting omhoog +en trekt zoo schielijk mogelijk verder. Geheel anders is haar wijze +van vliegen, wanneer zij, om een wijfje te behagen, haar bekwaamheid +toont. Zij zet dan hare veeren op, zoodat zij veel grooter schijnt +dan zij werkelijk is, komt zeer langzaam aanvliegen, beweegt hare +vleugels met doffe slagen en gelijkt meer op een Uil dan op eenigen +Moerasvogel of Steltlooper. + +Bij oppervlakkige kennismaking met een levende Houtsnip komt men +er licht toe, haar voor een zeer dommen Vogel te houden; bij nader +onderzoek leert men haar niet slechts als een scherpzinnigen, maar +ook, en in veel hoogere mate dan men verwacht zou hebben, als een +schranderen of althans zeer listigen Vogel kennen; zij weet zeer goed, +hoe uitmuntend haar aard- of schorskleurig kleed haar beveiligt en +heeft er meesterlijk slag van om bij het "drukken" steeds een plaats +uit te kiezen, waar zij niet opgemerkt wordt. Een Snip, die zonder +zich te bewegen tusschen droge bladen, brokjes hout, naast een op den +grond gevallen stuk schors of een boven de oppervlakte uitstekenden +wortel ligt, wordt zelfs door het scherpzichtige oog van den geoefenden +en ervaren jager over 't hoofd gezien, in 't gunstigste geval alleen +aan de groote oogen herkend. Deze houding blijft onveranderd, zoolang +haar dit raadzaam voorkomt; vooral als zij vervolgd wordt, laat zij den +jager dikwijls tot op een afstand van weinige schreden naderen, voordat +zij plotseling opvliegt. Daarna vliegt zij, nooit anders dan aan de +tegenovergestelde zijde van het boschje, naar buiten, altijd zorgend, +dat zij door struikgewas en boomen tegen den jager beveiligd is. Bij +'t neervallen beschrijft zij dikwijls een grooten boog, maar strijkt, +wanneer zij reeds het dichte geboomte bereikt heeft, nog ver daarin +voort, "slaat" ook wel "een haak" en leidt op deze wijze haar vijand +niet zelden volkomen om den tuin; zeer te recht rekent zij er dus op, +dat men haar zal zoeken op de plaats, waar men haar in 't bosch heeft +zien doordringen. Het pleit voor haar verstandelijke ontwikkeling, +dat zij haar wantrouwen jegens den mensch langzamerhand aflegt, +wanneer zij meer intiem met hem verkeert. Men kan haar temmen; een +Snip, die van jongs af met den mensch heeft omgegaan, wordt zeer +gemeenzaam. Haar stem mist alle welluidendheid; de geluiden, die +zij maakt, klinken heesch en dof als "katsj" of "dak" en "eetsj", +maar ondergaan eenige wijzigingen in den paartijd of door angst: in +'t eerstgenoemde geval hoort men een kort afgebroken gefluit, dat als +"pssiep" klinkt en dikwijls het voorspel is van een dof, schijnbaar +diep uit de borst oprijzend "joerrk"; in 't laatstgenoemde geval +wordt haar geluid kwiekend en klinkt als "sjeetsj". + +Als de avondschemering invalt, vliegt de Houtsnip naar breede +boschwegen, weiden en moerassige plaatsen in of in de nabijheid van +het woud, om voedsel te zoeken. Een zorgvuldig verborgen waarnemer, +wiens aanwezigheid zij niet vermoedt, kan zien, hoe zij haar langen +snavel onder de oude, afgevallen bladen steekt en deze bij hoopen +tegelijk omkeert, om de hieronder verborgen larven, Kevers en Wormen te +voorschijn te brengen, of hoe zij dit werktuig in den vochtigen, lossen +grond boort, het eene gat dicht bij het andere maakt, zoo diep als dit +met den zachten, buigzamen snavel kan geschieden. Op een dergelijke +wijze doorzoekt zij den verschen rundermest, die zeer spoedig vol +insectenlarven zit. Gewoonlijk blijft zij niet lang op dezelfde +plaats, maar vliegt van de eene naar de andere. Larven van de meest +verschillende Insecten en deze dieren zelf, kleine naakte Slakken, +vooral echter Regenwormen maken haar voedsel uit. In de gevangenschap +geraakt zij, wanneer men haar aanvankelijk rijkelijk met Regenwormen +voorziet, langzamerhand ook aan 't eten van wittebrood en mierenpoppen +gewoon; ook leert zij spoedig het boren in de zachte zoden, zelfs als +zij zoo jong uit het nest genomen werd, dat zij niet in de gelegenheid +is geweest om deze wijze van kostwinnen van hare ouders af te zien. + +In eenzame, stille wouden kiest de Houtsnip om te nestelen plaatsen +uit, waar dicht onderhout met vrije, open plekken afwisselt. Nadat het +paartje tot overeenstemming is gekomen, het mannetje met zijne buren +weken lang gekrakeeld heeft, zoekt het wijfje een geschikt plaatsje op +achter een kleinen struik of een ouden boomstomp, tusschen wortels, mos +en grassen; zij gebruikt hier een reeds aanwezig kuiltje in den grond +als nestplaats of graaft er zelf een, en bekleedt dit op gebrekkige +en kunstelooze wijze met een kleine hoeveelheid droge grassen, mos +en andere stoffen; zij legt hierop 4 tamelijk groote, kortbuikige, +gladschalige, glanslooze eieren, die op bleek roestgelen grond met +roodachtig grijze ondervlekken en donker roodachtige of geelbruine +bovenvlekken nu eens dichter dan weer minder dicht geteekend zijn, doch +welker grootte en kleur overigens veel verscheidenheid aanbiedt. Zij +broedt met den grootsten ijver 17 of 18 dagen lang, laat een mensch, +die eieren zoekt of toevallig in de nabijheid komt, tot op een +afstand van weinige schreden naderen, voordat zij opvliegt, laat zich +zelfs aanraken, vliegt gewoonlijk niet ver weg en keert zoo schielijk +mogelijk naar het nest terug; ook blijft zij broeden, wanneer men haar +een ei ontnomen heeft. Het mannetje bekommert zich, naar het schijnt, +weinig om zijn gade, komt echter weer bij haar, wanneer de jongen +de eischaal verlaten en uit het nest geloopen zijn. De beide ouders +zijn vol zorg voor hun kroost, vliegen bij het naderen van een vijand +angstig op en bewegen zich uit list op een schommelende en slingerende +wijze; onder het angstig geroep van "dak-dak" beschrijven zij slechts +kleine kringen in de lucht en vallen in de nabijheid weder op den +grond. Intusschen verbergen de jongen zich zoo uitmuntend tusschen +mos en grassen, dat men ze zonder Hond zelden vindt. Vele jagers +(waarbij zeer nauwgezette waarnemers waren) hebben gezien, dat oude +Houtsnippen hunne jongen bij groot gevaar in veiligheid brachten, +door ze met de klauwen aan te vatten, of met den hals en den snavel +tegen de borst te drukken, of in den snavel te nemen, of tusschen de +bovenschenkels te klemmen en vervolgens weg te vliegen. In de derde +week van hun leven beginnen de jongen te fladderen; nog voordat zij +behoorlijk hebben leeren vliegen, zorgen zij voor zichzelf. + +Vroeger meende men, dat de Houtsnip slechts eens in 't jaar broedt +en hoogstens wanneer haar het eerste broedsel ontnomen werd, voor +een tweede begint te zorgen; uit latere berichten schijnt echter +te blijken, dat in gunstige jaren alle of althans de meeste paren +Houtsnippen tweemaal broeden. + +Van Boschkatten en Huiskatten, Marters, Haviken en Sperwers, +Edelvalken, Vlaamsche Gaaien en Eksters hebben de Houtsnip en haar +kroost veel te lijden. Door den jager wordt zij alleen gedurende +den trek vervolgd, door de bewoners van zuidelijke landen ook in +hare winterkwartieren, hoewel haar vleesch dan dikwijls hard en +taai is. De snippenjacht is voor den liefhebber een bron van groot +genoegen, zoowel het jagen op den "aanstand" in den morgen of den +avond, terwijl de Vogels rondzwerven, als de drijfjacht. + + + +De Watersnippen, de Bécassines der Franschen en Duitschers +(Gallinago), onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht +door het afgeplat zijn van de snavelspits; het onderbeen is boven +het spronggewricht zoowel van voren als van achteren onbevederd; de +nagel van den achterteen is gekromd en steekt voorbij den teen uit; +de staart bevat 12 à 26 pennen met rechte schaft. Haar levenswijze +komt met die van de Houtsnippen overeen; zij vermijden echter het +woud en in 't algemeen ieder samenhangend gewelf van planten boven +zich; opene, moerassige, veenachtige laaglanden verschaffen haar een +woonplaats. Van de 24 ver verbreide soorten, die dit geslacht vormen, +zijn er 3 inheemsch. + + + +De grootste van deze is de Poelsnip of Dubbele Snip, in Noordbrabant +Poelsnep, in Gelderland Grasvogel of Grassnep genoemd (Gallinago +major). De bovenkop is bruinachtig zwart met een smalle, +roestgeelachtige streep in het midden en een boven ieder oog; +de overige bovendeelen zijn zwartbruin met roestgele vlekken, de +vleugeldekveeren met witte, ook over de schaft zich uitstrekkende +topvlek, de eerste handpen bruin met lichte schaft en witten +buitenzoom; van de 16 stuurpennen hebben de drie buitenste een witte +eindhelft; de onderzijde is roestgeel met zwarte vlekken. Totale +lengte 28, staartlengte 6 cM. + +Zij broedt in de toendra van de Oude Wereld, waar zij de eenige +vertegenwoordiger is van haar geslacht. Reeds in Skandinavië +nestelt zij betrekkelijk zelden, nog zeldzamer in de verder +zuidwaarts gelegen gematigde gewesten van Europa; enkele paren +zijn bij ons broedende gevonden in moerassige streken van Limburg +en Noordbrabant, zeer enkele ook in andere provinciën (bij Suawoude +in Friesland en in Groningen). Zij heeft hare winterkwartieren in +Afrika en Zuidwest-Azië. Daar haar broedgebied eerst laat bevrijd is +van sneeuw en de winter er vroeg begint, begeeft zij zich in 't najaar +vroegtijdig op reis en keert laat in 't voorjaar terug. Ons land wordt +door haar op den trek slechts weinig bezocht, in 't najaar ontmoet +men haar hier veelal slechts van het laatst van Juli tot September, +in het voorjaar in April en Mei. + + + +Beter bekend is hier te lande en in geheel Europa de Watersnip +(Gallinago gallinago of Gallinago caelestis). De bovenzijde is op +bruinzwarten grond geteekend met een breede, roestgele streep, die +over het midden van den kop loopt en vier lange, roestgele strepen, +die zich over den rug en de schouders uitstrekken, bovendien met +roestkleurige vlekken en dwarsbanden op alle veeren; de onderzijde is +wit, de voorhals grijs en, evenals de bovenborst en de zijden, bruin +gevlekt. De staart bestaat uit 14 stuurpennen. Het oog is donkerbruin, +de snavel zwart, de voet vuil vleeschkleurig met groenblauwachtige +tint. Totale lengte 29, snavellengte ruim 7, staartlengte 6 cM. + +Het noorden van Europa en Azië is het vaderland van de Watersnip; zij +broedt overal, waar groote moerassen zijn, waarschijnlijk nog in het +zuiden van Europa en misschien zelfs in Noord-Afrika. In Nederland +broedt zij algemeen op lage veenachtige gronden, hier en daar ook +op de klei. Voorts broedt zij in Noord-Duitschland, Denemarken, +Skandinavië, Lijfland, Finland en Zuid-Siberië; in al deze landen is +zij op geschikte plaatsen buitengewoon veelvuldig. Op den trek bezoekt +zij alle groote en kleine moerassen, broeklanden en veengronden, die +tusschen haar zomer- en haar winterverblijf gelegen zijn. Het laatste +is misschien nog uitgestrekter dan het eerste, daar het van Zuid-China +tot aan den Senegal (tusschen 45 en 10° N.B.) reikt. Gedurende den +trek is zij in ons geheele land op lage, vochtige plaatsen zeer +menigvuldig. De najaarstrek heeft plaats van September totdat de +vorst invalt, de voorjaarstrek in Maart en April. In zachte winters +blijven enkele voorwerpen bij ons over op plaatsen waar stroomend +water is. In Duitschland vindt men ze bij de zoogenaamde warme bronnen +zelfs in sneeuwrijke winters. Droge streken trekt zij zoo schielijk +mogelijk door. Men ontmoet haar uitsluitend in vochtige laaglanden, +sompen, moerassen, drasse weiden, kortom op plaatsen, die in meerdere +of mindere mate op het eigenlijke moeras gelijken. Zij verlangt op +haar verblijfplaats een bodem begroeid met grassen, zeggen, riet en +andere moerasplanten, die geen hinderpalen oplevert bij 't boren +met den snavel. In zulke oorden, die wij kortweg moerassen zullen +noemen, leeft zij, behalve in den broedtijd zoo stil, dat men van +haar aanwezigheid niets bespeurt. Ook zij arbeidt bij voorkeur in de +schemering, maar is toch veel meer dagvogel dan de Houtsnip. + +Haar buitengewoon snelle vlucht kenmerkt zich door den uit verscheidene +zigzaglijnen bestaanden weg, dien zij kort na het opstijgen volgt +en die eerst daarna recht wordt. Bijna iedere Watersnip verheft +zich plotseling in de lucht, ijlt met snelle vleugelslagen ver weg, +beschrijft een grooten boog, komt nagenoeg op de plaats van uitgang +terug, vouwt eensklaps de vleugels op en stort zich in schuinsche +richting weer in het moeras. Dat zij uitmuntend kan zwemmen en deze +kunst ook beoefent, zonder er door den nood toe gedwongen te zijn, +werd dikwijls waargenomen. In tijd van gevaar, vooral als zij door +een Roofvogel vervolgd wordt, tracht zij zich te redden door onder +te duiken. + +Het geluid, dat zij gewoonlijk bij het opvliegen laat hooren, is +een heesch "ketsj", dat soms verscheidene malen herhaald wordt. In +den trektijd hoort men van haar het heesche geluid "grek, gek gè" +en ook somtijds den hoogen toon "tsiep". + +In vele opzichten verschilt haar aard van dien der beide reeds genoemde +Snippen. Wel is ook zij zeer schuw en vreesachtig, maar tevens veel +beter geschikt en meer geneigd om zich te bewegen; zij vliegt dikwijls +uitsluitend voor haar genoegen rond, zonder eenige andere merkbare +bedoeling; alleen als zij zeer vet geworden is, maakt zij eenigszins +den indruk van traag te zijn. Het mannetje en het wijfje zijn zeer +aan elkander gehecht en houden veel van hun kroost. + +Haar voedsel bestaat uit Insecten, Wormen, kleine naakte Slakken en +Weekdieren met dunne schelp. Deze vangt zij in de schemering en den +nacht; men ziet haar n.l. alleen in dezen tijd van de eene plaats +naar de andere zwerven en plaatsen bezoeken, waar zij zich over +dag niet vertoont. Als zij rijkelijk voedsel kan vinden, wordt zij +buitengewoon vet. + +Reeds lang voor het leggen beginnen de zeer merkwaardige +minnespelen. "Het mannetje," schrijft Naumann, "vliegt meestal +bliksemsnel van zijn zitplaats op, eerst in scheeve richting naar +boven, daarna met groote schroefvormige wendingen loodrecht omhoog, +bij helder weder zoo ver, dat slechts een geoefend oog hem nog +als een Vogel herkent. Op deze hoogte vliegt hij met fladderende +vleugelbeweging in een kring rond en schiet vervolgens met geheel +uitgebreide, onbewogen wieken langs een vertikalen boog beurtelings +naar boven en naar beneden; dit geschiedt met zooveel kracht, dat de +snelle trillingen van de toppen der groote slagpennen een gonzenden, +knorrenden of brommenden toon doen ontstaan, die zeer veel op het +blaten van een Geit gelijkt, en aanleiding heeft gegeven tot de in +Duitschland gebruikelijke namen "Hemelgeit, Haverbok," enz. Later +is men tot de overtuiging gekomen, dat niet de slagpennen, maar de +staartveeren het geluid veroorzaken. + +De Watersnip is wegens haar verblijfplaats en haar groote bekwaamheid +in 't vliegen aan minder gevaren blootgesteld dan de Houtsnip. De +Europeaan vervolgt haar wegens haar smakelijk vleesch, dat stellig de +voorkeur verdient boven dat van de Houtsnip; deze jacht wordt echter +niet overal met grooten ijver beoefend, omdat het rondwaden in het +moeras en het treffen van een Vogel in de vlucht niet ieders zaak +is. Zeer veel werk maken de Hongaren en de Europeanen in Egypte en +Indië van deze jacht; nergens levert zij trouwens betere uitkomsten +op dan in de door hen bewoonde landen. + +Men kan ook Watersnippen in de kooi houden; het kost echter veel +moeite om haar aan de veranderde omstandigheden te doen gewennen. + + + +De kleinste soort van Snip is het Bokje, in Zeeland Lapper, in +Noordbrabant Dooverik, Halfke en Pink, in Limburg Doover en Kleine +Watersnep genoemd (Gallinago gallinula of Limnocryptes gallinula): +zij is slechts 16 cM. lang (staartlengte 4 cM.). De teugel en een +streep onder de wang, die achter de oorstreek langs weer naar het +oog gericht is, zijn bruin, twee strepen boven en onder het oog +roodgeelachtig, de mantelveeren zwartblauw met groenen en purperen +weerschijn en met vier roestgele, overlangsche strepen, de gorgel, +de krop en de zijden grijs met bruinachtige golflijnen en vlekken, +de onderdeelen overigens wit, de slagpennen en staartveeren dofzwart, +deze met roestgelen zoom. De staart bestaat uit 12 pennen, waarvan +de beide middelste langer en spitser zijn. + +Men ontmoet haar gedurende den herfst- en den voorjaarstrek op dezelfde +plaatsen als de Watersnip, doch iets later dan deze en nooit in zoo +grooten getale. Het is niet onmogelijk, dat deze soort hier enkele +malen broedt, zooals ook in Duitschland hier en daar geschiedt; +haar eigenlijk vaderland is echter Rusland en West-Siberië. + +Haar houding komt met die van de overige Snippen overeen; zij +loopt ongeveer als deze over den grond, maar vliegt minder goed, +n.l. minder vast, hoewel zij behoorlijk snel voortschiet en de meest +verschillende zwenkingen kan uitvoeren; zij verheft zich niet gaarne +hoog in de lucht, maar fladdert soms letterlijk over het moeras heen, +zoodat zij aan een Vleermuis herinnert. Haar voedsel is in hoofdzaak +gelijk aan dat van de overige Watersnippen, vaker dan bij de andere +soorten heeft men echter in haar maag fijne zaden gevonden. + + + +De Bastaardsnippen (Rhynchaea) naderen tot de Watersnippen in +levenswijze, maar haar snavel is korter en harder en eenigszins +gekromd. De 3 of 4 soorten van dit geslacht worden gevonden +in de tropische gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld en van +Australië. Een van deze--de Goudsnip (Rhynchaea capensis)--bewoont +als broedvogel een groot deel van Afrika en Zuid-Azië (Japan, +China, Indië en de Soenda-eilanden) en begeeft zich op den trek naar +Zuid-Australië. In grootte komt zij met de Watersnip overeen. Zij +houdt zich op in moerassen, broeklanden en waterrijke velden, doch +ook tusschen struiken en in het riet; zij loopt zeer snel, doch +vliegt slecht. Des nachts of in de schemering zoekt zij haar voedsel; +zooveel mogelijk vermijdt zij het open veld. In 't voorjaar leeft zij +paarsgewijs, later in kleine vluchten van 5 à 6 stuks. De wijfjes zijn +grooter en fraaier gekleurd dan de mannetjes. Bij beide zijn de slag- +en stuurpennen met goudgele vlekken versierd. + + + +Onder den naam Strandloopers (Tringa) vat men een 25-tal soorten van +kleine Moerasvogels samen, waarvan slechts enkele de grootte van een +Lijster bereiken. Gewoonlijk worden zij in een 6-tal ondergeslachten +gesplitst, waaraan men ook wel den rang van geslachten toekent. Hun +voorkomen herinnert in zoover aan dat der Snippen, dat hals en pooten +ongeveer dezelfde betrekkelijke lengte hebben. De kop en de oogen zijn +echter kleiner, de gehooropeningen verder naar achteren geplaatst. De +snavel is korter, hoewel nog steeds iets langer dan de kop, recht +of aan de spits flauw benedenwaarts gebogen, slank, zwak, zacht, +doch aan de eenigszins breedere spits harder; hij dient eveneens +als tastorgaan, maar is voor dit doel minder geschikt dan de snavel +der Snippen. De vleugels zijn middelmatig lang en spitser dan bij de +Snippen; de lange schouderveeren vormen een tweede vleugelspits. De +voeten zijn middelmatig lang; het onderbeen is verder onbevederd +dan bij de Snippen; de teenen zijn korter; de achterteen is klein, +hooger ingeplant en reikt niet tot op den grond. De veeren worden in +den herfst gewisseld; het winterkleed, dat dan voor den dag komt, is +van boven aschgrauw of blauwachtig aschkleurig en zonder teekening; de +onderdeelen zijn wit of witachtig. In de lente doemt op de rugveeren, +in de nabijheid van de schaft, een donkere vlek van onbepaalden vorm +allengs op; dit is de aanvang van de in korten tijd plaats hebbende +verkleuring, waarna deze Vogels door hun donker roodbruine en zwarte +teekening een geheel ander uitzicht vertoonen dan gedurende den winter. + +Zij bewonen de noordelijke gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld +tot op zeer hooge breedten. Hier broeden zij; de meeste vereenigen +zich vervolgens tot talrijke zwermen en reizen van het eene strand +naar het andere in zuidelijke richting. Tegen het einde van Augustus +of in September komen zij aan de kusten van de Oostzee en Noordzee, +vormen hier scharen van duizenden stuks en trekken daarna steeds bij +de kusten langs naar de Middellandsche Zee of zelfs naar de Kaap +de Goede Hoop. Zij reizen het meest in de schemering, en zoeken +over dag hun voedsel. Kort nadat zij het zuidelijkste punt van hun +tocht bereikt hebben, begeven zij zich weer op den terugweg. Vele +komen echter in 't geheel niet in hun noordelijk vaderland terug, +maar zwerven ver van daar in hun fraai bruiloftskleed rond, zonder +zich voort te planten. Er is (behalve Juni) ter nauwernood een maand, +waarin men geen doortrekkende Strandloopers aan onze Noordzeekusten +waarneemt. Nadat in Mei de laatste exemplaren naar 't noorden zijn +vertrokken, ziet men reeds in Juli weer eenige terugkeeren; dit aantal +neemt in Augustus sterk toe, terwijl in September alle kusten er mede +bevolkt zijn. Hun leven schijnt uit een aaneenschakeling van reizen te +bestaan. Zij vliegen meestal laag, eenige vormen kleine gezelschappen, +andere op wolken gelijkende zwermen. Op den bodem loopen zij meestal +trippelend rond; wanneer een gevaar hen bedreigt, "drukken" zij zich +niet neder, zooals de Snippen, maar maken dadelijk gebruik van hunne +uitmuntende vliegorganen. Hun stem bestaat meestal uit de eenigszins +trillende klanken "ti-i-i-i" of "triet-triet". Zij voeden zich met +kleine Insecten, hunne larven, Wormen, Schaaldieren en Weekdieren. De +larven van Muggen, die in het hooge noorden in ontzaglijke hoeveelheid +voorkomen, verschaffen hun een overvloed van voedsel; dit maakt de +snelle ontwikkeling van de jongen mogelijk. Hunne eieren zijn groot +en gelijken op die van de Snippen. + +Op de bovenstaande, grootendeels aan Altum ontleende schets, laten +wij een korte beschrijving van de 9 hier te lande waargenomen soorten +volgen. + + + +Als een overgangsvorm tusschen de Snippen en de eigenlijke +Strandloopers beschouwt men den Breedbekkigen Strandlooper [Tringa +(Limicola) platyrhyncha], die in ons land tweemaal (in 1862 en 1870) +telkens in Augustus en aan den Hoek van Holland, werd waargenomen +(Albarda). Hij heeft ongeveer de grootte van een Musch en kenmerkt +zich door het ontbreken van den achterteen en door den snavel; deze +is aan de spits verbreed, duidelijk benedenwaarts gebogen en iets +langer dan de kop. De hoofdkleur is roestbruin met zwarte vlekken. + + + +Eveneens drieteenig is de Zandlooper [Tringa (Calidris) arenaria], +wiens rechte snavel den kop in lengte evenaart; hij is ongeveer zoo +groot als een Kuifleeuwerik. De hoofdkleur van zijn zomerkleed is +witachtig, op de bovenzijde in de jeugd met zwartachtige, op lateren +leeftijd met zwartachtige en roestbruine teekeningen; het winterkleed +is eenvoudig blauwachtig aschkleurig. Op den trek bezoekt hij, naar het +schijnt, alle werelddeelen; men heeft hem zoowel op Java, als in Chili +en Zuid-Afrika gevonden. Reeds in September komen deze Vogels in kleine +vluchten langs ons zeestrand, waar zij zich dikwijls aan de monden +der rivieren en op de Wadden in tallooze menigte verzamelen. Deze +wintergasten blijven bij ons tot April, soms tot in het begin van Mei. + + + +Alle overige soorten zijn vierteenig. De grootste van deze is de +Kanoet-Strandlooper [Tringa (Tringa) canutus], in Friesland Mients +of Knot genoemd. (Van den laatsten, ook in Engeland gebruikelijken +naam zijn de beide eerstgemelde aanduidingen afgeleid). Hij evenaart +in afmetingen onze Groote Lijster. Zijn snavel is recht, langer dan +de kop en dan de loop, breeder en dikker wordend aan de spits. De +loop is langer dan de middelste voorteen met den nagel. De staart is +flauw afgerond. Het zomerkleed is aan de onderzijde donker bruinrood, +aan de bovenzijde zwart met groote, roestroode kantvlekken, witachtige +vederspitsen en roestgele zoomen. In het winterkleed is de onderzijde +witachtig, aan den krop met kleine, zwarte, overlangsche, op de zijden +van den romp met dwarse, grijsbruine vlekken; de bovendeelen zijn dan +bruingrijs. Van het laatst van Augustus of het begin van September af +hoort men gedurende een groot deel van den winter en van het voorjaar +de zeer schelle stem van deze Vogels langs ons strand, vooral aan de +steenen hoofden, op de Wadden, soms ook aan de oevers der rivieren +en meren en in de lage hooilanden. Zij worden hier vrij veelvuldig +gevangen. Behalve in Europa brengen zij den winter door in geheel +Azië, een groot deel van Amerika en Afrika; zelfs heeft men ze op +Nieuw-Zeeland aangetroffen. Op deze reizen verlaten zij slechts bij +uitzondering de zeekust om nabij gelegen binnenwateren te bezoeken, +verder binnenslands behooren zij steeds tot de zeldzaamheden. Op het +zeestrand vormen zij talrijke troepen, die gemeenschappelijk leven +en werken. + + + +De Kleine Strandlooper, in Friesland Gril of Griltje genoemd [Tringa +(Limonites) minuta], is zoo groot als een Musch en onderscheidt zich +bovendien van de vorige soort, doordat de eveneens rechte snavel zoo +lang is als de kop; de staart is dubbel uitgesneden; de snavel en de +voeten zijn zwart, de buitenste staartpen is zuiver wit, de 2e en de +3e zijn grootendeels wit. Het zomerkleed is aan de onderzijde wit, aan +de bovenzijde zwart, iedere veer met roestroode kanten. De onderdeelen +zijn ook in het winterkleed wit, de bovendeelen echter aschgrauw.--De +broedplaatsen van deze Vogels liggen binnen den poolcirkel. Hun +winterreis strekt zich tot Zuid-Afrika en de Molukken uit. Op den +trek bezoeken zij in grooten getale ons land; in het voorjaar, in +Mei en Juni, en in het najaar, van Augustus tot October, zijn zij +menigvuldig bij meren, poelen en plassen. Soms worden zij in menigte +onder het wilsternet gevangen, waarbij echter vele door de mazen +gaan (Albarda). Hun stem klinkt zacht en aangenaam als "duurrr" of +"duurruï," soms ook als "dierriet", zoo ook die van de volgende soort. + + + +De Kleinste Strandlooper, in Friesland Kleine Gril genoemd [Tringa +(Limonites) Temminckii], die in grootte een Roodborstje evenaart, +heeft den snavel even lang als de kop, zeer weinig gebogen, den staart +wigvormig verlengd, den snavel en de voeten zwart, de eerste groote +handpen met witte schaft, de buitenste staartveeren effen grijs. Des +zomers zijn de onderdeelen wit met uitzondering van de bruingrijze +onderhals en krop, de bovendeelen bruinachtig grijs met zwarte en +roestkleurige vlekken. Van het winterkleed is de onderzijde wit, op den +krop echter bruinachtig grijs met donkerder overslagsche streepjes, +de bovenzijde bijna effen bruinachtig aschgrauw. Deze soort wordt op +dezelfde plaatsen en in denzelfden tijd als de Kleine Strandlooper, +doch in zeer kleinen getale op den trek bij ons waargenomen. + + + +De drie overige inheemsche soorten onderscheiden zich door een +flauw benedenwaarts gekromden snavel. Zoo de Paarse of Violette +Strandlooper [Tringa (Arquatella) maritima], die de grootte heeft van +een Spreeuw. Zijn snavel is langer dan de kop; de loop evenaart in +lengte de middelste voorteen zonder den nagel; het onderbeen is boven +het spronggewricht slechts zeer weinig naakt; de loop en het achterste +deel van den snavel zijn geel; de staart is wigvormig. De bovenzijde +is bruin- of grauwzwart met witachtige vederkanten, de onderzijde +heeft dezelfde kleur met uitzondering van kin en buik, die wit zijn; +de staart is aschgrauw; de bovendekveeren van den staart zijn zwart met +witten top, de onderdekveeren wit met lange, donkere schaftvlekken. Het +zomerkleed is bruinachtiger.--Deze Vogel, die ook nog kenbaar is aan +zijn helder fluitend stemgeluid, bezoekt op den trek, die zich tot +Middel-Afrika en Australië uitstrekt in kleinen getale ook ons land; +men ontmoet hem in het voor- en najaar (soms nog in December) op de +steenglooiingen, hoofden en andere zeeweringen langs de kust. + + + +De Krombekstrandlooper [Tringa (Ancylochilus) subarquata] is een weinig +kleiner dan de vorige soort, hoewel hij een iets langeren staart +heeft. Zijn snavel is veel langer dan de kop en in 't oogvallend +naar beneden gebogen. De loop is langer dan de middelste voorteen +met den nagel. De snavel en de loop zijn zwart, de staartwortel +en de bovendekveeren van den staart wit; de staart is dubbel +uitgesneden, de middelste veeren rondachtig toegespitst; de borst +en de krop zijn ongevlekt of zeer weinig gevlekt. Zijn kleur heeft +overigens veel overeenkomst met die van den Kanoetstrandlooper. De +Krombekstrandloopers, die op den trek Zuid-Azië en Zuid-Afrika +bezoeken, vertoonen zich in den nazomer en herfst, aan onze kust, +op de eilanden en op de lage weilanden in de nabijheid van de kust, +soms in koppels, maar gewoonlijk in kleinen getale. Op den trek volgen +zij niet slechts de kust, maar (in Afrika althans) ook den loop der +groote rivieren; men heeft ze in den winter aan den Witten en den +Blauwen Nijl ontmoet. + + + +Eveneens bezoekers (en zelfs bewoners) van het binnenland zijn de beide +volgende vormen, die gewoonlijk als verscheidenheden van één soort +worden aangemerkt. De Bonte Strandlooper of het Strandbokje [Tringa +(Pelidna) alpina], die zoo groot is als een Veldleeuwerik, komt in +nagenoeg alle opzichten overeen met zijn merkbaar kleineren verwant, +de Kleine Bonte Strandlooper of het Kleine Strandbokje, bij Oirschot +Fluitsnipje genoemd [Tringa (Pelidna) alpina Schinzii]. Merkwaardig is +het, dat het broedgebied van deze beide vormen zich verder zuidwaarts +uitstrekt, dan dat der overige Strandloopers. De eerstgenoemde broedt +in ons werelddeel nog in Skandinavië, de andere ook in verschillende +gewesten van Duitschland; zelfs werd hij broedend waargenomen +aan den Hoek van Holland; ook werd dit een paar malen in Friesland +(Boornbergum, Oudega, Suawoude) en te Vlijmen in Noordbrabant opgemerkt +(Albarda). De snavel is langer dan de kop en flauw benedenwaarts +gebogen, de loop langer dan de middelteen met den nagel; de snavel +en de loop zijn zwart, de staartwortel en de bovendekveeren van +den staart zwart of donkerbruin; de staart is dubbel uitgesneden en +heeft de beide middelste veeren lang toegespitst; de borst en de krop +zijn sterk bezet met donkere schaftvlekken. In 't zomerkleed zijn +de onderdeelen wit met scherpe, zwarte schaftstrepen en een groot, +zwart schild op de onderborst en den buik; de bovendeelen hebben +een roestroode kleur met zwarte schaftvlekken. In het winterkleed +is de onderzijde witachtig, de bovenzijde aschgrauw met zeer fijne, +donkere schaftstrepen. In het voor- en najaar komen groote vluchten +Strandbokjes op onze kusten en ook in het binnenland bij poelen en +plassen in moerassige en veenachtige streken voor. + +Hun trillend stemgeluid klinkt als "tititititi" of "tututututu". + + + +Als een hoogpootige Strandlooper kan men den Kemphaan (Machetes of +Pavoncella pugnax) beschouwen, den eenigen vertegenwoordiger van zijn +geslacht. In Groningen heet hij Kappertje, in Friesland Haantje, in +'t Friesch Hoantsje en Hintsje, op Terschelling Kraagman, op Texel +Kragenmaker. De snavel is zoo lang als de kop (doch korter dan de +loop), recht, aan de spits een weinig verlaagd en niet verbreed, over +zijn geheele lengte zacht, de voet is hoog en slank, het onderbeen +tot ver boven het spronggewricht naakt; van de drie voorteenen is de +middelste met de buitenste door een spanvlies verbonden; de korte, +hoog aangehechte achterteen raakt den grond niet; de vleugels +zijn middelmatig lang en spits; de staart is kort, uit 12 pennen +samengesteld, aan de spits flauw afgerond. Het bruiloftskleed van het +mannetje is getooid met een zeer groote, schildvormige halskraag, +die zich tot aan de zijden van den achterkop uitstrekt en hier in +twee oorvormige bundels van verlengde veeren overgaat. Bovendien +zijn de mannetjes aanmerkelijk grooter dan de wijfjes en hebben in 't +voorjaar aan 't gelaat naakte, geelachtige wratjes; deze verdwijnen +in den herfst, evenals de kraag. Een algemeen geldige beschrijving +van de kleur van 't vederenkleed is niet mogelijk. De bovenvleugel +is donker bruingrijs; de zes middelste veeren van den zwartgrijzen +staart zijn zwart gevlekt; de buik is wit; de overige veeren zijn +echter zeer verschillend van kleur en teekening. Dit laatste geldt +vooral voor de stijve, ongeveer 5 cM. lange veeren van den kraag. Deze +is op zwartblauwen, zwarten, zwartgroenen, donker roestbruinen, +roodbruinen, roestgelen, witten of anders gekleurden grond lichter +of donkerder gevlekt, gestreept of op een andere wijze geteekend, +zoo verschillend, dat men bijna geen twee mannetjes kan vinden, die +aan elkander gelijk zijn. De ervaring heeft geleerd, dat dezelfde +kleuren en teekening zich in 't volgende jaar opnieuw bij den Vogel +vertoonen. De veeren van borst en rug zijn soms op dezelfde wijze +geteekend als de kraag, soms anders van kleur. Het oog is bruin, de +snavel groenachtig of groenachtig geel; ook deze kleur verschilt min +of meer in verband met die van de veeren; de voet is in den regel +roodachtig geel. Totale lengte van het mannetje 29 à 32 (van het +wijfje 24 à 26), staartlengte 8 cM. + +Het noorden van de Oude Wereld is het vaderland van den Kemphaan; +enkele malen heeft men echter in Noord-Amerika afgedwaalde exemplaren +van deze soort waargenomen. Op den trek bezoeken deze Vogels niet +slechts alle landen van Europa en Azië, maar ook geheel Afrika; +men heeft ze in het Kaapland zoowel als aan den Senegal en aan den +Boven-Nijl geschoten. De groote, moerassige vlakten, die door de +Kieviten als woonplaats worden gekozen, herbergen in den regel ook +Kemphanen; deze zijn echter niet zoo ver verbreid als gene. Zelfs in +ons land, waar deze Vogels algemeen bekend zijn, broeden zij veel +minder algemeen dan de Kieviten, Grutto's en Tureluurs; in de lage +hooilanden zijn zij echter zeer gewone verschijningen. Zuid-Duitschland +bezoeken zij slechts op den trek; in Noord-Duitschland broeden zij +veelvuldig in de boomlooze, vochtige, met gras begroeide kuststreken +van de Noordzee; hoewel men hen dikwijls in de nabijheid van de zee +ziet, zijn zij geen strandvogels in den eigenlijken zin van 't woord. + +In Maart of April komen de Kemphanen in vluchten op hunne +broedplaatsen hier te lande terug, om in Augustus of September weer +te vertrekken. Evenals hunne verwanten reizen zij 's nachts; altijd +vormen zij troepen; deze vliegen in den regel in ∧-vormige +orde, de mannetjes gescheiden van de wijfjes en de jongen; ook in de +winterkwartieren bestaat ieder gezelschap uit leden van één sekse. + +Evenals de Strandlooper kiest de Kemphaan steeds vlakten uit, die +een vrij uitzicht in alle richtingen toelaten. Hooge moerasplanten en +vooral houtgewas vermijdt hij angstvallig. Hij loopt op een bevallige +wijze, meer stappend dan trippelend en met een fiere houding, die +van zelfvertrouwen getuigt. Hij vliegt zeer snel, drijft dikwijls +op zijne wieken en maakt vlugge en sierlijke zwenkingen. Wegens de +grootere lengte van zijne pooten gelijkt zijn beweging op den grond +meer, op die van de Ruiters dan op die van de trippelende en snel +rennende Strandloopers; in allerlei opzichten vormt hij als 't ware +een overgang tusschen deze beide geslachten. + +Eigenaardig zijn de gevechten, waaraan de Kemphanen hun naam te +danken hebben. Tot aan den broedtijd kunnen zij het zeer goed +met elkander vinden, toonen een gezelligen aard en blijven trouw +bijeen. Evenals hunne verwanten, zijn zij reeds vóór het krieken van +den dag wakker en bedrijvig, en blijven dit tot laat in den nacht, +bij lichte maan zelfs gedurende den geheelen nacht; voor het slapen +of rusten zijn hoogstens alleen de middaguren bestemd. Des morgens +en des avonds zijn zij ijverig bezig met het zoeken van hun voedsel, +dat uit zeer verschillende waterdieren, maar ook uit Insecten, die +op het land leven, Wormen en velerlei zaden bestaat. Geheel anders +wordt hun gedrag, zoodra de paartijd aanvangt. De mannetjes vechten +dan aanhoudend, zonder dat voor hunne twisten voldoende redenen te +vinden zijn. Misschien is het niet eens om de wijfjes, dat de strijd +ontbrandt, maar om een Vlieg, een Kever, een Worm, een zitplaats, in +'t kort, om alles en om niets; zij vechten, zoowel wanneer er wijfjes +in de nabijheid zijn, als wanneer zij deze niet kunnen zien, om 't +even of zij zich in de vrije natuur of in gevangenschap bevinden, +of zij eerst voor weinige uren hun vrijheid verloren of reeds jaren +lang in de kooi geleefd hebben; zij vechten op ieder uur van den dag, +kortom in alle omstandigheden. In 't open veld komen zij bijeen op +bepaalde kampplaatsen (in Friesland "rid" of "haantjerid" genoemd), die +in streken, waar de Vogels veelvuldig voorkomen, 500 à 600 schreden van +elkander afliggen; zij worden ieder jaar weer opgezocht en gebruikt; +waarschijnlijk onderscheiden zij zich van de omgeving in geen ander +opzicht dan door het gebruik dat er van gemaakt wordt. De kampplaats is +een iets hooger gelegen, maar toch vochtige, met kort gras begroeide +plek van 1.5 à 2 M. middellijn, die iederen dag door een zeker aantal +mannetjes herhaaldelijk bezocht wordt. Op dit toernooiveld, waar +iedere kampioen zijn tegenstander opwacht om met hem te strijden, +verschijnt de Kemphaan nooit, voordat de veeren van den kraag zich +ontwikkeld hebben; zoodra zijn bruiloftskleed gereed is, komt hij er +geregeld en toont van nu af een merkwaardige gehechtheid aan deze plek. + +"Het mannetje, dat het eerst op het terrein aanwezig is," zegt Naumann, +"kijkt verlangend uit naar een tweeden bezoeker; als deze toevallig +geen lust in 't vechten heeft, wordt de komst van een derden, vierden +enz. afgewacht; weldra vangt dan de ruzie aan. Zoodra twee Vogels twist +gekregen hebben, schieten zij op elkander toe, vechten een poosje en +gaan dan uitgeput terug naar hun oorspronkelijke standplaats aan den +rand van het terrein, waar zij rusten om nieuwe krachten te verzamelen +voor het hervatten van den strijd. Op deze wijze voortgaande krijgen +zij eindelijk hun bekomst; dan verlaten zij de kampplaats, maar +keeren gewoonlijk na korten tijd terug. Hun gekibbel loopt altijd uit +op een tweegevecht, nooit heeft het een algemeenen strijd tusschen +verscheidene Kemphanen ten gevolge. Dikwijls komt het echter voor, +dat twee of drie paren te gelijk duelleeren en dat hunne vechtbanen +elkander kruisen; in dit geval levert het heen en weer rennen en tegen +elkander opspringen van de Vogels zulk een zonderlinge vertooning op, +dat de op eenigen afstand staande toeschouwer ze allicht voor dol en +bezeten zal houden. Als twee mannetjes in strijd geraken, ziet men +hen trillen en met den kop knikken, terwijl zij nog rechtop staan; +daarna buigen zij de borst zoo ver omlaag, dat het achterste deel van +het lichaam hooger komt te liggen, richten den snavel op elkander, +zetten tevens de groote borst- en rugveeren op, breiden den nekkraag +bovenwaarts uit en geven aan den halskraag den vorm van een schild. Zoo +uitgerust rennen en springen zij op elkander toe en gebruiken den +snavel als degen; de met wratten gepantserde kophuid dient als +helm, de dichte halskraag als een schild, dat de stooten opvangt; +alle bewegingen hebben zeer haastig plaats. De kampioenen zijn zoo +opgewonden, dat zij van woede beven, zooals duidelijk zichtbaar is in +de korte pauzen tusschen de telkens weer herhaalde, snel opeenvolgende +aanvallen. Het hangt van de meer of minder groote vechtlust van de +beide strijders af, hoeveel schermutselingen er op één gang komen; +deze wordt door een langere pauze gevolgd. + +"Zij hebben geen ander wapen dan hun zachten, aan het einde +kolfvormigen, doch stomprandigen snavel, een zeer zwak werktuig, +waarmede zij elkander nooit kunnen kwetsen of zoo bijten, dat er bloed +vloeit; slechts zelden verliezen zij bij deze vechtpartijen eenige +veeren; het grootste ongeluk, dat een van de strijders overkomen kan, +is, dat zijn tegenpartij hem bij de tong pakt en een poos hierbij +heen en weer sleurt. Dat hun snavel bij zeer hevige stooten soms +te sterk gebogen wordt, is niet onwaarschijnlijk; het kan wel zijn, +dat hierdoor op de min of meer geknikte plaatsen de knobbelvormige +opzwellingen of uitwassen ontstaan, welke vooral bij oude Vogels, die +de woedendste vechtersbazen zijn, dikwijls aan den snavel voorkomen." + +Als de tijd van 't eieren leggen nadert, ziet men één mannetje in +gezelschap van twee wijfjes, of omgekeerd een wijfje vergezeld door +verscheidene mannetjes soms ver van het strijdperk, in de nabijheid +van de plaats waar later het nest gevonden wordt. Deze is zelden +ver van het water verwijderd, dikwijls een iets hoogere plek in het +moeras. Het nest zelf bestaat uit een ondiep kuiltje, dat met een +gering aantal dorre halmpjes en grasstoppels bekleed is. Het bevat +gedurende den broedtijd 4, zeldzamer 3 eieren van aanzienlijke grootte, +die op olijfbruinachtigen of groenachtigen grond roodachtig bruine +of zwartachtige vlekken hebben, op het dikkere einde gewoonlijk meer +dan aan het spitsere. Het wijfje broedt alleen, 17 à 19 dagen lang, +houdt veel van haar kroost en gedraagt zich bij haar nest geheel op +de wijze van de andere Snipvogels; van de levenswijze der jongen valt +hetzelfde op te merken. + +Geen der Snipvogels kan gemakkelijker gevangen worden, geen geraakt +spoediger aan de gevangenschap gewoon dan de Kemphaan. Zonder moeite +maakt men zich van de mannetjes meester door op de kampplaats strikken +te zetten; ook in het watersnippennet vangt men ze dikwijls in grooten +getale. Uit Friesland worden er vele naar Engeland verzonden.--Zij +schikken zich zeer goed in het leven in de kooi en eten dadelijk, +wat hun hier voorgezet wordt. Twee mannetjes zullen echter, zelfs +wanneer zij in een doek of net uren ver gedragen zijn, zoodra zij in +een hok geplaatst worden, nog eerder aan 't vechten gaan dan aan 't +eten. In een groote volière maken zij een allerliefste vertooning en +verschaffen den toeschouwer voortdurend tijdverdrijf, althans zoolang +de broedtijd duurt; iedere broodkruimel, die hun toegeworpen wordt, +brengt het geheele gezelschap in opschudding. Na den paartijd leven +zij in vrede met elkander, hoewel soms de eene of de andere zich laat +verleiden tot het aannemen van een dreigende houding. + +De eieren van de Kemphanen worden, evenals die van de Kievieten, +ingezameld en gegeten. Het vleesch van deze Vogels smaakt goed. + + + +De Waterloopers (Oeverloopers en Ruiters) zijn in den regel slanker +dan de Strandloopers, hebben een kleineren kop, een langeren snavel +en staan hooger op de pooten. De snavel is zoo lang als de kop of +iets langer, van den wortel tot bij het midden zacht, aan de spits +hoornachtig; de voet is verschillend van maaksel, soms hoog en dun, +soms kort en krachtig, bij de meeste vier-, bij enkele drieteenig; de +buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden; +de vleugels zijn lang en smal, hun spits wordt door de eerste handpen +gevormd; de uit 12 pennen samengestelde staart is kort, afgerond, +trapvormig of wigvormig. De kleine veeren liggen glad tegen het +lichaam aan, hebben zeer bescheidene kleuren en worden tweemaal 's +jaars gewisseld. Tusschen de mannetjes en wijfjes bestaat een gering +verschil in grootte, weinig of geen verschil van kleur. Kenmerkend +voor deze groep is het ontbreken van het tastorgaan aan de snavelspits. + +Evenals de vroeger genoemde Vogels, behooren ook de Waterloopers +hoofdzakelijk in 't noorden thuis; alle soorten trekken echter +geregeld en bezoeken dan de meest afgelegen landen. Zij houden zich +op aan de oevers van stroomend en stilstaand water, in moerassen +en broeklanden, minder vaak aan de zeekust. In de winterkwartieren +vereenigen zij zich met vele andere Vogels, die dikwijls tot zeer +verschillende soorten behooren, maar vormen zelden zulke groote +zwermen als de Strandloopers. Hun voorkomen is bevallig, hun gang +sierlijk, behendig en stappend; zij vliegen buitengewoon snel en +zonder merkbare inspanning; hun stem bestaat uit aangename, hooge, +fluitende, ver hoorbare tonen, die zooveel op elkander gelijken, dat de +eene soort niet zelden de roepstem van de andere volgt. Het nest rust +meestal op den grond, soms echter op boomen, en bevat, evenals bij de +vorige groep, vier betrekkelijk groote, peer- of tolvormige eieren, +die op olijfgroenen grond met bruingrijze vlekken geteekend zijn en +door het wijfje uitgebroed worden. De jongen loopen de ouden reeds +op den eersten levensdag na, verbergen zich, evenals hunne verwanten, +bij naderend gevaar zeer behendig op den bodem of in het gras, leeren +spoedig fladderen en gaan hun eigen weg, zoodra zij vliegen kunnen. + +Alle Waterloopers zijn voorzichtig en schuw van aard; de groote soorten +nemen daarom overal, waar zij met andere strandvogels samenleven, +het leiderschap op zich. Zij zijn niet gemakkelijk te jagen; de vangst +biedt eveneens bezwaren aan. Spoedig geraken zij gewoon aan 't leven +in de kooi, nemen eenvoudigen kost voor lief en kunnen bij behoorlijke +verzorging jaren lang als gevangenen in 't leven gehouden worden. + + + +Als een overgangsvorm tusschen de Strand- en de Waterloopers kan men de +Oeverloopers (Actitis) beschouwen, gekenmerkt door een rechten snavel, +die den loop in lengte evenaart en een afgeronde staart, die achter de +vleugelspitsen uitsteekt. De eenige soort van dit geslacht, die Europa +en ook ons vaderland bewoont--de Oeverlooper of Steenvink (Actitis +of Tringoides hypoleucos)--is aan de bovenzijde olijfbruinachtig met +groenachtigen of purperkleurigen weerschijn, met zwarte, overlangsche +en dwarse vlekken geteekend, aan de onderzijde wit; de veeren van +de zijden van den kop vormen een witte streep boven en een witte +plek onder het oog, doch zijn overigens bruinachtig met donkerder +schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn bruinzwart; de +armpennen hebben een witte wortelhelft en spits, die met de witte +vlekken der handpennen op den uitgespreiden vleugel breede banden +vormen; de middelste stuurpennen zijn grijsbruin met zwarte schaft +en roestgele kanten en vlekken, de overige meer of minder wit met +smalle, zwarte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel grauwzwart, +aan den wortel lichter, de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 21, +staartlengte 6 cM. + +Met uitzondering van het noordelijke deel van de Vereenigde Staten, +van Middel- en Zuid-Amerika en van Polynesië bewoont of bezoekt +deze Vogel de geheele aarde en nestelt ook bijna overal waar hij +voorkomt. Hij verlaat ons in October en komt in April terug; gedurende +den zomer treft men hem op de met zand of steentjes bedekte oevers van +rivieren en meren aan, vooral op plaatsen, die aan de landzijde door +een hoogen walkant beschut zijn; hij voedt zich met wormpjes, larven +en gevleugelde Insecten, vooral met Net- en Tweevleugeligen. Deze +worden van den grond opgepikt of in de vlucht gevangen, soms ook +van de bladen weggenomen. Om de zittende Vliegen, Muggen, Haften +en Waterspinnen te vangen, sluipt hij met ingetrokken kop en hals +onhoorbaar en voorzichtig naar hen toe; door 't plotseling strekken van +den hals wordt de snavel uitgestoken en deze mist zelden zijn doel. Hij +loopt schielijk, zwemt en duikt als het zijn moet, vliegt uitmuntend +en laat vooral bij het opvliegen zijn stem hooren. Deze bestaat +uit een fijn, helder, hoog en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer +als "iediedied" klinkt en in den paartijd een zacht beginnenden en +eindigenden triller vormt, die zeer dikwijls herhaald wordt, doch geen +onaangenamen indruk maakt. Men ziet de mannetjes dan onrustig zeer +dicht langs den waterspiegel heen en weer vliegen. Het napvormige, +met hooi belegde nest, dat voor een Snipachtigen Vogel zeer goed +gebouwd mag heeten, rust op den grond tusschen de struiken op een +plekje van den oever, dat bij hoog water droog blijft. De 4 eieren, +welke in grootte met die van Patrijzen overeenkomen, hebben een somber +roestgele grondkleur met groenachtigen weerschijn; zij zijn grauw, +paars en roodbruin gevlekt en gestippeld. + + + +Bij de Ruiters (Totanus) reiken de vleugelspitsen tot voorbij den +staart. Zij zijn in ons vaderland door vijf soorten vertegenwoordigd. + +De Groenpootige Ruiter of Groenpootstrandsnip (Totanus glottis), die +soms als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der +Strandruiters (Glottis) wordt beschouwd (en dan Glottis littoreus +heet), onderscheidt zich van zijne verwanten door den vorm van den +snavel, die lang en smal, aan den wortel veel hooger dan breed en van +het midden af flauw bovenwaarts gekromd is. De bovenzijde is bruinzwart +met witte randen om de veeren; de onderrug en de staartwortel zijn +zuiver wit; de onderdeelen zijn wit met uitzondering van de borst, +die met zwarte, overlangsche vlekken en strepen geteekend is; de +handpennen zijn bruinzwart, hare schaften zwart met uitzondering van +de eerste, die wit is, de armpennen dofbruin, op de binnenvlag met +witachtige wolkjes, de middelste staartpennen grijs, de zijdelingsche +wit en zwart gevlekt. In het herfstkleed zijn de kop, de achterhals en +de zijden van den hals grauwzwart en wit gestreept, de mantelveeren +donker aschgrauw met zwarte schaften, zwarte vlekken en witachtige +kanten, de zijden van den onderhals en den krop met zwarte schaften en +overlangsche strepen. Het oog is bruin, de snavel groenachtig zwart, +de voet grijsachtig groen. Totale lengte 34, staartlengte 8 cM. + +Deze Vogel werd in alle werelddeelen aangetroffen; zijn eigenlijk +vaderland is echter het noorden van de Oude Wereld. Ons vaderland +bezoekt hij op den trek in de lente en in den herfst (sommige komen +in Augustus en blijven tot Mei); broedend heeft men hem hier nog niet +waargenomen. Evenals zijne verwanten geeft hij aan zoetwatermeren +en moerassen duidelijk de voorkeur boven de zeekust. Wel ontmoet men +hem ook hier soms, maar dan in den regel op aanslibbingen en slechts +gedurende korten tijd; zoo vindt men hem "in den nazomer bij Ameland +en Schiermonnikoog en ook op de slibgronden in de Lauwerzee, soms +in groote vluchten" (Albarda). De wintermaanden brengt hij door op +verscheidene eilanden van den Griekschen Archipel of in Noord-Afrika; +zijne omzwervingen strekken zich echter nog veel verder uit; hij +bezoekt de landen tusschen de keerkringen en ook de gematigde gewesten +van het zuider halfrond, b.v. Zuid-Australië, Tasmanië, Zuid-Afrika +en de La-Plata-Staten. In zijne winterkwartieren vestigt hij zich bij +strandmeren, bij rivieren, die buiten hare oevers treden, bij voorkeur +echter in rijstvelden. Gewoonlijk ziet men hem hier alleen, hoewel +bijna altijd omringd door verscheidene soorten van Strandloopers, +Steltkluiten, Grutto's en zelfs Zwemvogels, vooral Eenden; naar +het schijnt, treedt hij bereidwillig als leider van deze Vogels op; +zij volgen hem althans blindelings. + +De opgewektheid, behendigheid en beweeglijkheid, die aan alle Ruiters +eigen zijn, bezit hij in hooge mate; zijn houding is flink en kan zelfs +fier heeten; hij stapt met waterpas gerichten romp vlug en luchtig over +den vasten bodem, loopt graag in het water, trekt zwemmend over een +vrij breeden plas en doet dit zelfs zonder noodzaak, duikt uitmuntend +in tijd van gevaar, roeit onder water met de vleugels verder, vliegt +met rassche en krachtige wiekslagen snel en behendig meestal recht op +het doel af, zwenkt echter ook prachtig en schiet vóór het neerstrijken +in suizende vaart omlaag tot dicht bij den grond om eerst hier door +doelmatige vleugelbeweging zijn snelheid te verminderen. Zijn stem is +een hoog, helder en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer als "tsjiea" +klinkt en een zeer aangenamen indruk maakt; hij lokt met een zacht +"diek diek", toont angst door een krijschend "kruu kruu", en laat in +den paartijd, doch uitsluitend gedurende het vliegen, een op fluitspel +gelijkend minnelied hooren, waarvan de vele malen herhaalde klanken +"dahudl dahudl dahudl" een voorstelling kunnen geven. Boven al zijne +verwanten uitstekend door schranderheid, voorzichtigheid en schuwheid, +is hij het best voor leider geschikt. Zijn loktoon wordt door al +zijne verwanten en ook door de Strandloopers als een onfeilbaar teeken +beschouwd, dat het oord niet veilig is; zijn handelwijze dient allen +ten richtsnoer. + +Zijn voedsel komt in hoofdzaak overeen met dat van de andere +Waterloopers; het bestaat uit zeer verschillende waterdieren, +waarschijnlijk vooral uit Insecten en hunne larven, waarvan de Haften +en de Waterjuffers het eerst vermelding verdienen, voorts uit Wormen, +Schaaldieren en Weekdieren, meer bepaaldelijk die, welke de zee +bewonen, ook wel uit kikkerlarven en kleine Kikkers en eindelijk uit +jonge Visschen van allerlei soorten. Naumann zag hen ijverig bezig met +de vangst van Draaikevertjes, die zij van den waterspiegel afzochten, +en ook ver in het water naliepen. + +Hoewel de Groenpootige Ruiter reeds op Rugen en op de Deensche en +Zweedsche eilanden broedt, doet hij dit bij voorkeur in noordelijker +landen, het liefst in boomlooze gedeelten van de toendra, vooral in +de nabijheid van de zee en in open plekken van wouden, zooals door +mij aan den benedenloop van den Ob werd opgemerkt. Het nest wordt +kunsteloos van halmen gebouwd op een met gras begroeide verhevenheid, +meestal onder een struik. + +De voorzichtigheid en de schuwheid van dezen Vogel maken zijn vangst +moeielijk. Door het nabootsen van zijn stem tracht men, dikwijls te +vergeefs, hem in het net te lokken. Men geeft zich deze moeite, omdat +hij gewoonlijk gevolgd wordt door de verwante strandvogels. Jaren +lang kan men hem in de kooi met het gewone voedsel der strandvogels +in 't leven houden: hij wordt spoedig tam en verschaft vooral in een +door verschillende Vogels bewoonde volière veel genoegen. + + + +De meest bekende van alle Ruiters is de Tureluur, in Noord-Holland +Tuut, op Terschelling Tjuud, op Texel Tjerkje, in Groningen +Tuutling, in Friesland Tjerk (in 't Friesch Tjirk), in Zeeland +Daak en Daakje, bij Oirschot Witstaart, in Limburg Roodpootige Ruiter +genoemd [Totanus (Totanus) calidris]. Bij dezen is de snavel recht; +de bovendeelen zijn grijsachtig bruin, de kop en de hals met kleine +langwerpige, de rug en de mantel met groote, ronde, zwarte vlekken +geteekend, de onderrug en de staartwortel wit, deze met zwarte +dwarsbanden; de zijden van den hals en de krop zijn geelachtig +grijs en, evenals de zijden van den romp, met zwarte, bruin gezoomde +vlekken bezet; de overige onderdeelen zijn wit, de handpennen bruin, +de eerste met witte schaft; wit zijn ook het wortelgedeelte van de +binnenvlag en op de laatste pennen de spits; de armpennen, die, +met uitzondering van de laatste, op de binnenvlag dwarsbanden hebben, +zijn overigens bijna geheel wit, waardoor een breede spiegel wordt +gevormd; de schouderveeren zijn donkerbruin met scherpe, roestroode +dwarsvlekken, de stuurpennen wit met donkerbruine, grijs uitvloeiende +dwarsbanden. Het oog is grijsbruin, de snavel aan den wortel rood, +aan de spits zwartbruin, de voet vermiljoenrood. Totale lengte 27, +staartlengte 7 cM. In den winter is de bovenzijde donkergrijs met +zwarte schaftvlekken, de onderzijde sterker gevlekt dan 's zomers. + +Deze Vogel broedt bij ons in groote getale in de moerassen en lage +landen der kuststreken en is op onze weilanden met den Kievit de +meest algemeene soort van moerasvogels; buitengewoon talrijk is hij +op de eilanden. In het begin van den herfst verdwijnt hij uit het +binnenland; aan de kust wordt hij bijna den geheelen winter door +waargenomen. Een aantal exemplaren verlaten ons land in Augustus en +September en komen in April terug. Zij reizen 's nachts; in den herfst +volgen zij langzaam en op hun gemak den loop der rivieren of de kust, +dikwijls dagen lang rustend in streken, waar een overvloed van voedsel +te vinden is; in de lente trachten zij schielijker het doel van hun +reis te bereiken. Deze Vogel is evenmin zeldzaam in Noord-Duitschland, +waar hij op alle voor hem geschikte plaatsen broedt; nergens echter +komt hij zoo veelvuldig voor als in Skandinavië, Rusland, het zuiden +van Siberië en Toerkestan. Zijn broedgebied omvat geheel Europa +(misschien met uitzondering van IJsland en de Fär-öer), voorts Klein-, +Noord- en Middel-Azië. Zijn winterreis strekt zich uit tot de Kaap +de Goede Hoop en Indië met inbegrip van de naburige eilanden. In de +Nieuwe Wereld werd hij nog niet waargenomen. + +Zijn welluidende lokstem bestaat uit twee tonen, die men ongeveer +voorstellen kan door "dzjaü" of "dzjnü"; zijn waarschuwend geschreeuw +gelijkt op het vorige geluid, maar is meer gerekt; teedere aandoeningen +geeft hij, evenals alle Waterloopers, te kennen door de klanken +"duuk duuk"; schrik ontlokt hem een onaangenaam gekrijsch; de +paringsroep, die altijd gedurende het vliegen weerklinkt, is een +echt jubelgezang, dat men door de teekens "dliedl, dliedl, dliedl" +ongeveer kan nabootsen. Hij is niet zeer gezellig van aard, maar komt +toch schreeuwend aanvliegen, als zijne soortgenooten in gevaar en nood +verkeeren, alsof hij hen helpen, raadgeven, waarschuwen wil; ook hij +treedt als leider van andere strandvogels op. Hij is even schuw als +de Groenpootige Ruiter, maar minder schrander en voorzichtig. Hoewel +onderscheid makend tusschen een jager en een herder, een man en een +kind, zal hij zich toch licht laten verschalken en bij zijn broedplaats +vermetel het leven in de waagschaal stellen. + +Zijn voedsel, dat in hoofdzaak wel gelijk zal zijn aan dat van den +Groenpootigen Ruiter, zoekt hij aan den waterkant of in het moeras; +hij waadt door het water, zoover zijne pooten zulks toelaten, duikt ook +dikwijls met het voorste deel van het lichaam om een dieper verborgen +buit te bereiken, maar houdt zich bovendien op akkers en droge weiden +met de insectenjacht bezig. + +De Tureluurs komen meestal gepaard bij ons terug en beginnen +onmiddellijk te nestelen. Hun nest is een met weinige halmen +bekleede uitholling, die in den regel niet ver van den waterkant, +zoo mogelijk midden in het moeras tusschen biezen, zeggen en grassen +ligt. Gewoonlijk bevat het reeds in het midden van Mei het noodige +aantal eieren. Deze zijn tolvormig en iets kleiner dan die van den +Kievit; de gladde, fijnkorrelige, glanslooze schaal is op bleek +bruinachtigen of soms okergelen grond met talrijke, meer of minder +dicht bijeengeplaatste, grijsachtige, donkerbruine en purperbruine +stippen, vlekken en puntjes van verschillende grootte geteekend. Het +wijfje broedt alleen; de jongen komen na 14 of 15 dagen uit den dop +en worden dan door de moeder gebracht naar plaatsen, waar voedsel te +vinden is; zij bewaakt, leidt en onderricht hare kinderen, waagt haar +leven om het hunne tegen gevaar te beveiligen, tracht op de gewone +wijze den vijand te misleiden en geeft haar bezorgdheid te kennen +door een angstig geschreeuw; ook het mannetje schreeuwt dan luid, +maar verliest niet zoo vaak de zorg voor eigen veiligheid uit het +oog. Ongeveer vier weken na het verlaten van het ei zijn de jongen +in staat om te vliegen en kort daarna ook geschikt om zich zelf te +redden; na dien tijd wordt de innige band tusschen hen en hunne ouders +spoedig losser. + +De eieren van de Tureluurs zijn zeer smakelijk en worden, evenals die +van de Kieviten, Gruttos, Kemphanen en Wulpen, veelvuldig opgezocht +en in den handel gebracht. Ook op den Vogel zelf wordt jacht gemaakt, +hoewel hij geen uitmuntend wildbraad oplevert. In de gevangenschap +wordt hij even spoedig tam als zijne verwanten en gedraagt zich op +dezelfde wijze. + + + +Zeer na verwant aan de zooeven beschreven soort is de Zwarte Ruiter +[Totanus (Totanus) fuscus], die 30 cM. lang wordt (staartlengte 7-1/2 +cM.); hij heeft donkerbruine pooten en een aan den wortel roodachtigen, +overigens bruinen bek. Behalve door zijn meerdere grootte onderscheidt +hij zich door zijn donkerder, in den zomer grootendeels leizwart +vederenkleed. Hij vervangt de Tureluur of vergezelt hem in het hooge +noorden van de Oude Wereld en bewoont ook IJsland en de Fär-öer. Ons +vaderland en de overige landen van Middel- en Zuid-Europa bezoekt hij +op den trek in het voor- en najaar; men treft hem dan en gedurende den +winter, van Augustus tot Mei, vooral op de schorren en buitengronden +aan. Zijn voedsel bestaat uit allerlei waterdiertjes, vooral Wormen, +Insecten en kikkerlarven, die hij veelal zwemmend en met den kop +onder water vangt. Zijn stem is een helder en luid gefluit. Des nachts +wordt hij niet zelden in steekgarens gevangen. + + + +Het Witgatje, in Friesland ook wel Poolsche Snip genoemd [Totanus +(Heliodromas) ochropus], heeft den kop en den mantel donkerbruin +met bronsgroenen weerschijn en met kleine, witachtige vlekken, +den hals, de keel en den krop wit met gelijkmatige, donkerder, +overlangsche strepen, die ook op den bruinachtigen nek voorkomen, +den vleugelrand effen donkerbruin, den staartwortel, evenals de kin +en de overige onderdeelen, zuiver wit; de slagpennen zijn bruinzwart, +de okselveeren donker bruingrijs met witte dwarsbanden, de overigens +zwarte staartpennen aan de wortelhelft wit, aan de tophelft met drie of +vier smalle, witte dwarsbanden geteekend. Het oog is donkerbruin, de +snavel groenachtig bruin, aan de spits donkerder, de voet groenachtig +loodgrijs. In het herfstkleed zijn de witte vlekken zeer klein en de +zijden van den krop donkerder. Totale lengte 26, staartlengte 4 cM. + +De Boschruiter [Totanus (Rhyacophilus) glareola], die in Friesland +ook wel eens "Witgatje", in Noord-Holland Liewietje wordt genoemd, +is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 22, staartlengte 5 +cM.), van welke hij zich onderscheidt door de meerdere grootte van de +lichte vlekken der bovendeelen, door de witte schaft van de eerste +groote handpen, door de zwarte en witte dwarsbanden van den staart, +die niet alleen smaller en veel talrijker zijn, maar bovendien reeds +aan den wortel aanvangen, en eindelijk door de groenachtig gele kleur +van den voet. + + + +Middel- en Noord-Europa benevens Middel- en Noord-Azië bevatten +de broedplaatsen der beide laatstgenoemde soorten van Ruiters; hun +verbreidingsgebied omvat nagenoeg geheel Europa, Azië en Afrika. Op +IJsland en de Fär-öer komen zij, naar 't schijnt, niet voor; in alle +overige landen van Europa heeft men ze waargenomen. De Poolsche Snip +broedt in ons land niet, maar komt hier op den najaarstrek, die van +Augustus tot October (soms tot December) duurt en houdt zich dan +meestal op aan slootkanten in moerassige, hier en daar met struiken +begroeide, zandige landstreken. In April en Mei trekt hij hier opnieuw +door. De Boschruiter daarentegen vertoeft hier van April tot Augustus +en broedt op veengronden; zijn in het noorden broedende soortgenooten, +die hier in Augustus komen en soms veelvuldig aan poelen en slooten +waargenomen worden, trekken in October verder zuidwaarts. Ten deele +overwinteren beide soorten reeds in Zuid-Europa (enkele Poolsche +Snippen zelfs in Duitschland) andere exemplaren strekken hun reis tot +aan de Kaap de Goede Hoop en de Soenda-eilanden uit. Zij leiden een +verborgen leven: de Poolsche Snip geeft de voorkeur aan de oevers van +kleine waterstroomen, welker oevers met struikgewas begroeid zijn; de +Boschruiter houdt zich het liefst op in het eenzame, stille, duistere +woud; in Skandinavië en Siberië vond ik hem slechts bij uitzondering +op andere terreinen en heb ik hem dikwijls op de twijgen van hooge +boomen zien zitten, zelfs in den top. Afwijkingen van dezen regel +werden echter niet zelden waargenomen in streken, waar de gewenschte +terreinen ontbreken en andere omstandigheden heerschen. + +Hun stem is buitengewoon hoog en luid, maar zoo zuiver en klankvol, +dat enkele tonen die van de beste Zangers bijna evenaren. In Augustus +hoort men hier te lande dikwijls kort na zonsondergang de trillers +van den Boschruiter. + +De Poolsche Snip nestelt zoowel op den grond als op oude boomen +in daar reeds aanwezige nesten van Eekhoorns, Duiven, Gaaien en +Lijsters, zelfs in 10 M. boven den grond gelegen holten van stammen, +in dit geval echter steeds in de onmiddellijke nabijheid van het +water. Voor den Boschruiter, die volgens mijne ervaringen nog meer +boomvogel is dan zijn naaste verwant, geldt misschien hetzelfde; +voor zoover mij bekend is, zijn van deze soort echter nog geen nesten +op boomen gevonden. Bij ons maakt hij zijn nest nog steeds op den +grond en legt daarin vier bleek olijfgroene, met groote, olijfbruine +vlekken en paarsachtige stipjes bedekte, tolvormige eieren. Die van +de Poolsche Snip hebben op licht olijfgroenen grond kleine vlekken, +vegen en stippen, welker kleur van bruinachtig aschgrauw tot donker +groenbruin afwisselt. Na een bebroeding van ongeveer 15 dagen komen de +jongen uit, die het nest verlaten, zoodra zij droog geworden zijn en, +als zij op een boom het eerste levenslicht aanschouwden, zonder zich +te beschadigen naar beneden springen in het gras. Onder de trouwe, +zelfverloochenende leiding hunner ouders groeien zij schielijk en +worden even spoedig zelfstandig als de andere leden van hun geslacht. + + + +De Grutto's (Limosa) zijn het naast verwant aan de Ruiters, hoewel +het niet te ontkennen valt, dat zij ook op de Wulpen gelijken +en aan den anderen kant ook aan de Snippen herinneren. Van deze +onderscheiden zij zich echter door de grootere lengte hunner pooten +en vooral van het naakte gedeelte der schenkels; voorts hebben zij +minder groote oogen, zijn nachtvogels in plaats van dagvogels en +dragen een grijs winterkleed, dat van het rosse zomerkleed zeer +verschilt. Hun grootendeels met een zachte huid bekleede snavel is +langer dan de loop, twee- à driemaal zoo lang als de kop, aan de harde +spits lepelvormig verbreed en zwak naar boven gebogen. De vleugels +zijn meer dan middelmatig lang, de eerste slagpen is de langste. De +buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden +(bij een enkele soort ook de binnenste en de middelste); de achterteen +is klein en niet zeer hoog aangehecht. De staart is kort. + +De zes soorten van dit geslacht broeden in het noordelijk halfrond, +maar strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en +Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten, +vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden, loopen hier, +bedaard stappend, rond, om hun voedsel te zoeken, dat uit kleine +dieren bestaat, richten zich bij 't naderen van een gevaar op, blijven, +evenals de Ruiters, stokstijf staan, in plaats van zich te "drukken", +gelijk de Snippen, en vliegen plotseling op, terwijl hun vijand nog +ver af is. + + + +De Grutto, in Noord-Holland ook Marel, op Terschelling Griet, in +Limburg Oeversnip, in Friesland Schries, Schrier of Grieto genoemd +(Limosa aegocephala), is de grootste van de beide inheemsche +soorten. Het wijfje is 43 cM. lang, waarvan er 12 op den bek en +9 op den staart komen. De lengte van het mannetje bedraagt 3 of 4 +cM. minder. De pooten zijn zwart, bij de jongen donkergrauw. De bek is +vuil roodgeel, bij de jongen vleeschkleurig, maar steeds bij de spits +zwartbruin. De slagpennen zijn zwartbruin, bij den wortel echter wit; +de staart is zwart, maar aan de kleinste wortelhelft wit. In den winter +zijn alle bovendeelen, de hals en de kop grijsbruin, de borst, de buik, +de stuit en een streep aan weerszijden van het voorhoofd wit. In den +zomer heeft het voorste gedeelte van het lichaam tot over de schouders, +den rug en de zijden van den romp een roestroode grondkleur; de rug +en de vleugels hebben dan zwarte, dwarse vlekken en banden. + +De Grutto broedt op lage, vochtige of moerassige plaatsen +van het gematigde en warme Europa, op gelijke breedte ook in +Azië en Noord-Amerika; in het gure seizoen verhuist hij tot in +Noord-Afrika. Hij houdt zich het meest in de kustlanden op, maar +is toch in de moerassen van Hongarije zeer algemeen gedurende den +zomer. Bij ons behoort hij in vele oorden, op vochtige weilanden en +in moerassige streken, tot de zeer gewone Vogels; bij voorkeur nestelt +hij in het hooiland. Hij verlaat zijne broedplaatsen, zoodra de jongen +behoorlijk geoefend zijn in 't vliegen, vertoeft gezellig nog eenigen +tijd op de banken aan de monden der rivieren, verlaat ook deze weldra +(in September) om zuidwaarts te trekken en keert in Maart naar zijn +zomerverblijf terug. Onze naam Grutto is aan het geluid ontleend, +dat hij vooral gedurende het vliegen laat hooren, zoowel in den +paartijd, als wanneer men zijn nest nadert. De vier eieren, die in +het zeer eenvoudige nest gevonden worden, zijn olijfgroen van kleur, +met donkerbruine en grijze vlekken en stippen bedekt. Daar zij +grooter dan kievietseieren en zeer smakelijk zijn, worden zij, +evenals deze, ijverig gezocht en voor hooge prijzen verkocht. + + + +De Rosse Grutto, op Terschelling Rosse Griet, in Limburg Rosse +Oeversnip, in Friesland Roode Schrier en Hooiwulp genoemd (Limosa +lapponica), is op de kruin en in den nek licht roestrood met +bruine, overlangsche strepen, op den rug en de schouders zwart met +roestkleurige vlekken en randen; de keel, de zijden van den +hals en de onderdeelen zijn fraai donker roestrood, de zijden van +de borst en de onderdekveeren van den staart hebben zwarte, +overlangsche vlekken, de slagpennen zijn zwart, wit gemarmerd, +de stuurpennen hebben grijze en witte dwarsbanden. Het oog +is bruin, de snavel roodachtig, aan de spits grauwzwart, de voet +zwart. Totale lengte 41, staartlengte 7 cM. + +Deze Vogel broedt in het noorden van Europa en van Azië; op den trek +bezoekt hij het grootste deel van Zuid-Azië, geheel Zuid-Europa en +Afrika tot Zuid-Nubië en de Gambia. Op deze reis bezoekt hij in grooten +getale de Duitsche en de Nederlandsche kusten. In zachte winters +blijven vele van Augustus tot Mei. Bij strenge vorst overwinteren hier +slechts enkele exemplaren. Tweemaal (bij Vlijmen en aan den Hoek van +Holland) heeft men deze soort broedend in ons land aangetroffen. Op +hun reis verwijderen de Rosse Grutto's zich niet gaarne van de zee, +zoeken hun voedsel op de bij eb droogliggende zandbanken en wadden, +keeren bij intredenden vloed naar het vaste land terug, zenden, als +de eb aanvangt, boodschappers uit, vliegen, als deze hun de gewenschte +tijding gebracht hebben, onder oorverdoovend getier naar den waterkant +en volgen de terugwijkende golven. + +Wormen, insectenlarven, volkomen Insecten, kleine Schelpdieren, +kleine Schaaldieren en Vischjes zijn het voedsel van de Grutto's; een +grooteren buit kunnen zij niet verzwelgen. Of hun snavel werkelijk, +zooals gezegd wordt, zoo fijngevoelig is, dat zij, zonder gebruik +te maken van hun gezichtsorgaan, hun voedsel kunnen opsporen, moeten +wij in 't midden laten. Het bij de Snippen voorkomende tastwerktuig +is bij hen niet aanwezig. + +In de gevangenschap gedragen de Grutto's zich als de andere +Waterloopers; zij eten, wat hun voorgezet wordt, geraken aan de +veranderde levensomstandigheden spoedig gewend, leeren hun verzorger +onderscheiden en blijven jaren lang gezond. + + + +De Wulpen (Numenius) zijn slank gebouwde Vogels met zeer langen, zwak +benedenwaarts gebogen, aan den wortel hoogen, naar voren langzamerhand +dunner wordende snavel; deze is, met uitzondering van de hoornachtige +spits met een zachte huid bekleed; de bovenkaak is iets langer dan de +onderkaak en een weinig er over heen gebogen. De pooten zijn slank en +hoog, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; alle drie voorteenen +zijn door duidelijke spanvliezen aaneenverbonden. In de groote, +spitse vleugels is de eerste slagpen de langste; de middelmatig lange, +uit twaalf pennen samengestelde staart is aan de spits afgerond. Het +harde, dicht aansluitende vederenkleed herinnert door zijn kleur aan +dat van den Leeuwerik en stemt bij de mannetjes en wijfjes onderling +en in de verschillende jaargetijden overeen. + +De Wulp of Groote Wulp, in Noord-Holland Drupen, in Noordbrabant +Heidetuter, in Gelderland Tuter en Zandtuter, Regenfluiter en +Bergfluiter, in Limburg Kliet, in Groningen Wilp en Groote Wilp, in 't +Friesch Wylp en Wettergulp genoemd (Numenius arquatus), is de grootste +der drie in Europa en ook bij ons inheemsche soorten. Zijn lengte +bedraagt 70 à 75 cM., waarvan 18 à 20 cM. op den staart komen. De +veeren van de bovenzijde zijn bruin met licht roestgele randen; de +benedenrug is wit met bruine schaften en overlangsche vlekken; de +slagpennen zijn zwart met witte kanten en vlekken, de drie eerste aan +de binnenvlag wit gezoomd, de overige met spitse, lichtere vlekken, +de stuurpennen op witten grond met zwartbruine banden. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart, aan den wortel van den ondersnavel +olijfkleurig grijs, de voet loodkleurig grijs. + +Er is geen land in Europa, waar de Wulp nog niet waargenomen werd, +want hij broedt in het noorden en vertoeft in het zuiden, terwijl +hij trekt. Op dezelfde wijze treft men hem in het grootste deel van +Azië aan. Gedurende het winterhalfjaar doorreist hij Afrika even +geregeld, als hij Indië bezoekt: hij komt er in September en blijft +er tot Maart. Ook in het noordwesten van Amerika is hij geen zeldzame +verschijning. In ons land vertoeft hij van Maart tot September en +broedt in kleinen getale op de eilanden, op heidevelden en in lage +moerassige streken. Van alle Snipvogels is hij het minst exclusief, +wat de keuze van een verblijfplaats betreft. Elke landstreek acht +hij geschikt, de zeekust zoowel als de verschillende binnenwateren, +vlakten zoowel als heuvelachtige gewesten. Van het water vliegt hij +soms naar de dorste oorden, van deze naar velden en weiden, van hier +weer naar het water terug, geheel willekeurig. Zijne handelingen +verraden steeds een schuwen, voorzichtigen en wantrouwenden aard, +zelfvertrouwen zoowel als vreesachtigheid. Gezelliger dan vele andere +Snipvogels, maakt hij gaarne deel uit van kleine gezelschappen; wegens +zijn waakzaamheid verzamelen zich steeds een aantal minder schrandere +strandvogels om hem heen; hij bemoeit zich echter met dit gespuis +niet meer, dan hem goeddunkt. Zijn stem bestaat uit afgeronde, volle, +klankrijke tonen, die men door de lettergrepen "taü taü" en "tlaüied +tlaüied" kan nabootsen, volgens anderen beter door "u lu lu, u lu lu", +"keloeje keloeje" en "hoepe hoepe". Hoewel hij ook in sommige gewesten +van Middel-Europa nestelt, moet men toch de noordelijke landen, en +van deze hoofdzakelijk de toendra, als zijn eigenlijk broedgebied +beschouwen. Men vindt het nest van dezen Vogel bij ons op den grond +tusschen hoog gras of heidekruid. Het is uit gras en worteltjes van +planten vervaardigd. De eieren, vier in getal, zijn groot, olijfgroen +en van groote, zwartbruine vlekken voorzien; zij worden voor een groote +lekkernij gehouden. Na den broedtijd verlaten de Wulpen het binnenland +en begeven zich naar moerassige plaatsen, slib- of zandgronden aan de +monden onzer rivieren. Zij en ook de Regenwulpen blijven aan de kust in +grooten getale den winter over en worden dan veelvuldig in zoogenaamde +"stalnetten", een soort van warflouwen, gevangen. Van beide soorten +hoort men in de tweede helft van Maart bij donker, regenachtig weer de +fluitende lokstem dikwijls den geheelen nacht door: vandaar hun naam. + +Insecten van allerlei soort en in alle ontwikkelingstoestanden, +Wormen, Schelp- en Schaaldieren, ook kleine Visschen en Amphibiën, +voorts velerlei plantaardige stoffen, vooral bessen, vormen het voedsel +van de volwassen Wulpen; de jongen eten niet anders dan Insecten en in +het hooge noorden uitsluitend Muggen en hunne larven. Zij verdragen de +gevangenschap goed, geraken spoedig gewend aan het gewone kooivoedsel +en aan hun verzorger, worden zeer tam en geven ook hierdoor bewijzen +van goede geestvermogens. + +De jacht op deze Vogels is niet gemakkelijk; het toeval is +daarbij de beste helper van den jager. De vangst levert aan de +broedplaatsen de zekerste uitkomsten op en gelukt ook dikwijls met het +watersnippennet. In den ijverigen vogelvanger wekt de Wulp evenveel +belangstelling als de Auerhaan of het Hert in den jager. Als wild wordt +deze Vogel geschat, hoewel hij ver achterstaat bij de echte Snippen. + + + +De Regenwulp, Kleine Wulp of Regenfluiter, in Groningen Kleine Wilp +en Regenwilp, in 't Friesch Reinwylp, Wetterwylp, Litse Wylp geheeten +(Numenius phaeopus), is veel kleiner dan de vorige soort (totale +lengte 52, staart 11, snavel 11 cM.); zijn naar verhouding kortere +snavel is sterker gekromd; zijn kleur, hoewel in hoofdzaak gelijk, +is somberder; de veeren van den kop zijn donkerbruin, ongevlekt, met +een witachtige, overlangsche streep over de kruin; de flanken zijn +wit met zwartbruine pijlvlekken en dwarsstrepen, de staartveeren +witachtig grijs, aan den wortel aschgrauw, met 7 of 8 donkere, +aan den rand uitvloeiende banden versierd. Het oog is donkerbruin, +de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. + +Deze Vogels broeden uitsluitend in 't hooge noorden, dringen ver in +de poolgewesten door, hebben den toendra en de hooge heidevelden van +Groenland, IJsland, het noorden van Skandinavië, de Fär-öer en Siberië +tot zomerverblijf en begeven zich op den trek even ver zuidwaarts als +hunne grootere verwanten. In den nazomer en het najaar vindt men ze +bij ons in vluchten in de hooilanden, in de herfst- en wintermaanden +aan de kust, in het voorjaar vertoeven zij in vluchten van 20, 30 en +meer stuks langen tijd op onze weilanden, waar zij soms van Maart +tot December blijven rondzwerven, zonder dat hier ooit eieren van +hen gevonden zijn. Gedurende het vliegen brengen zij een opmerkelijk +trillenden loktoon ("hüüüüüüh") voort. + + + +De Dunbekwulp (Numenius tenuirostris), die in de kustlanden van de +Middellandsche Zee, vooral in Noord-Afrika (Egypte) en op Sicilië, +broedt en wiens reizen zich over een groot deel van Azië en Afrika +uitstrekken, dwaalt eene enkele maal naar 't noorden af; tot dusver +werden 4 exemplaren van deze soort in ons vaderland (Friesland, +Noord-Holland, Zeeland) geschoten. In grootte komt hij met den +Regenwulp overeen, van wien hij zich vooral onderscheidt door zijn +aanmerkelijk dunneren snavel en de lichtere kleur van zijn kleed. + + + +De Franjepooten (Phalaropus of Crymophilus) zijn kleine, +Strandlooper-achtige Snipvogels, die zich van alle overige leden +hunner orde onderscheiden door een buitengewone geschiktheid voor +het zwemmen. Hunne voorteenen hebben, behalve een spanvlies een aan +den rand fijn getanden huidzoom, die dikwijls bij de teengewrichten +ingesneden is. Hun snavel is zoo lang als de kop, aan de wortelhelft +zacht, overigens hard, recht, zeer zwak, aan de spits een weinig +benedenwaarts gebogen of afgeplat. Zij hebben lange, spitse vleugels, +welker eerste slagpen de langste is, een korten, afgeronden, uit 12 +pennen samengestelden staart, sterk verlengde staartdekveeren en een +buitengewoon rijk vederenkleed. Hun vaderland is het hooge noorden +van de Oude en de Nieuwe Wereld; slechts bij uitzondering komen zij +op lagere breedten; want, als zij trekken, begeven zij zich niet naar +zuidelijker landen, maar naar de open zee. + +Door hun levenswijze onderscheiden zij zich van alle bekende +Vogels. Zij zijn allerliefste schepsels, op het land even behendig als +in 't water. Hun gang komt overeen met die van de Strandloopers; het +zwemmen geschiedt zonder merkbare inspanning en op een buitengewoon +bevallige wijze, niet slechts op het effene watervlak der kleine +vijvers, aan welker oevers zij broeden en gedurende den zomer verblijf +houden, maar zelfs in de onstuimigste zee, bij hevige stormen, vele +mijlen van het land verwijderd. De zee is hun eigenlijke woonplaats; +aan het land komen zij slechts om eieren te leggen en hunne jongen +groot te brengen. Juist daarom komt hun levenswijze ons nog in vele +opzichten duister en raadselachtig voor. + + + +De eenige soort van dit geslacht, die in Europa, n.l. in Lapland, +broedt, is de Aschgrauwe Franjepoot, de Odinshen van de IJslanders +(Phalaropus hyperboreus). De veeren van de bovendeelen zijn zwartgrijs, +die van den onderrug en de schouders zwart met roestgele randen; de +zijden van het achterste deel van den hals zijn roestrood, de keel +en de onderdeelen wit, de krop en de zijden van den romp grijs. In +den winter is de rug lichtgrijs met zwarte vlekken. Totale lengte +van het mannetje 18, van het wijfje 20 cM., staartlengte 5 cM. + +In den zomer bewoont deze Vogel de kusten van Finmarken, IJsland, +Zuid-Groenland en waarschijnlijk ook den noordrand van de Aziatische +toendra; soms vliegt hij van hier naar zuidelijker gewesten: men heeft +hem herhaaldelijk in Amerika, Duitschland, Nederland (in den nazomer +en den herfst op de Hollandsche en Friesche kust) en Frankrijk, ja +zelfs in Spanje geschoten, ook wel op binnenwateren, die hij bereikte, +door met de Strandloopers langs de stroomen te trekken. In de maag +van gedoode exemplaren vond men larven van verschillende Insecten. Op +Spitsbergen voedt de Odinshen zich gedurende den zomer hoofdzakelijk +met een kleine Alge, die daar in de moerassen veelvuldig voorkomt. + + + +Op nog hoogere breedten en verder westwaarts wordt de genoemde soort +vervangen door den iets grooteren Rossen Franjepoot (Phalaropus +rufus). Bij dezen zijn de veeren van bovenkop, rug en schouders zwart +met roestgele randen, die van den achterhals en den staartwortel +roestrood; de benedenrug, de bovenste dekveeren van den vleugel +en de zijden van den staart zijn aschgrauw, de onderdeelen fraai +roestrood. De handpennen zijn zwartachtig grijs met witte schaften, +aan den binnenrand en aan den wortel wit, de armpennen donkergrijs met +witte randen, de laatste bijna geheel wit, de middelste stuurpennen +zwartachtig, de volgende donker leikleurig grijs, de beide buitenste +aan de spits donker bruinrood. Het oog is bruin, de snavel groenachtig +geel, aan de spits bruin, de voet grijsbruin. In het herfstkleed zijn +de bovenkop en de nek aschgrauw en geteekend met twee grijszwarte +strepen, die langs de zijden van den achterkop zich uitstrekken; +de rug- en de schouderveeren zijn blauwgrijs met donkerder schaften, +de veeren van de onderzijde wit, in de flanken grijs. + +Deze Vogel werd 's winters eenige malen aan onze kust en ook enkele +malen aan de oevers van binnenwateren waargenomen. + + + +De Steltkluiten (Himantopus), zoo genoemd wegens hunne zeer hooge +pooten, die ver boven het spronggewricht onbevederd zijn en waarvan de +buitengewoon lange loop slechts met schilden bekleed is, hebben een +langen, dunnen, alleen aan den wortel zachten, als balein buigbaren, +rechten, aan de spits afgeplatten snavel, zeer lange, smalle en spitse +vleugels, die voorbij den korten staart uitsteken; de buitenste en de +middelste voorteen zijn door een spanvlies vereenigd, de achterteen +ontbreekt. + + + +De Gewone Steltkluit (Himantopus candidus) bewoont alle landen om +de Middellandsche Zee; en is vooral in Noord-Afrika veelvuldig. Tot +zijn broedgebied behooren bovendien Zuid-Rusland, geheel Middel-Azië, +bezuiden de Siberische grens en Indië. In vrij grooten getale broedt +hij ook in Hongarije, enkele exemplaren ook in Duitschland. In +Indië, Perzië, Egypte en Noordwest-Afrika, zelfs op Sardinië is hij +standvogel; in de noordelijker gedeelten van zijn broedgebied komt hij +in Mei en blijft er hoogstens tot September. Op den trek doorkruist +hij geheel Afrika en Azië tot het eiland Luçon. Jaren geleden +(Augustus 1852) zijn twee exemplaren van deze soort in Noordbrabant +(bij Middelbeers) geschoten. + +In het lentekleed zijn de achterkop, een smalle streep op den +achterhals en de mantel zwart, de laatstgenoemde met groenachtigen +glans; de vleugels zijn zwart; de staart is aschgrauw; alle overige +deelen zijn wit, op de voorzijde met een teere, rozeroode tint. Het +oog is prachtig karmijnrood, de snavel zwart, de voet bleek karmijn- +of rozerood. Totale lengte 38, staartlengte 8 cM. + +De Steltkluiten houden zich gaarne op bij zout- en brakwater meren, +zonder zich tot deze te bepalen. Zeevogels kan men hen niet noemen. Wel +komen zij soms ook aan de zeekust voor in gezelschap van Kluiten +en Ruiters; gewoonlijk echter ontmoet men ze in kleine vijvers of +plassen gedurende den broedtijd in groote moerassen, waarvan het water +zoet of hoogstens brak is. Naar het schijnt, zijn zij gezelliger van +aard dan hunne naaste verwanten; bij paren ziet men ze niet anders +dan gedurende den voortplantingstijd; in andere tijden van het jaar +steeds bij troepen van 6 à 12 stuks en 's winters in talrijke zwermen. + +Voor zoover men weet, eten zij niets anders dan Insecten. Voortdurend +houden zij zich met de vangst van deze dieren bezig, die zij van den +waterspiegel afzoeken, uit de slib van den bodem wegpikken of in de +lucht ophappen. + + + +Nevens de Steltkluiten verdienen de Kluiten (Recurvirostra) een +plaats. Deze zeer eigenaardige, hoogpootige Snipvogels hebben een +forsch gebouwden romp en een langen, zwakken, smallen snavel, welks +breedte de hoogte zeer overtreft, en die naar de spits aanmerkelijk +dunner wordt; hij is eenvoudig naar boven gekromd of onmiddellijk voor +het einde weder naar beneden gebogen, over zijn geheele lengte glad +en hard. De pooten hebben een buitengewoon langen loop en zijn tot ver +boven het spronggewricht onbevederd. De drie voorteenen zijn verbonden +door "halve" zwemvliezen, deze strekken zich tot aan den nagel uit, +maar zijn diep uitgesneden; de achterteen is klein, hooger ingeplant +en reikt niet tot op den bodem. Tusschen het mannetje en wijfje en +ook tusschen zomerkleed en winterkleed bestaat zeer weinig verschil. + +De Gewone Kluit of Kluut, vroeger ook Sluijf genoemd (Recurvirostra +avocetta), is op eenvoudige, maar zeer bevallige wijze geteekend. De +bovenkop, de nek en de achterhals, de schouders en het grootste +gedeelte van de vleugels zijn zwart, twee groote velden op de vleugels +en het geheele overige vederenkleed zijn wit. Het oog is roodachtig +bruin, de snavel zwart, de voet donker blauwgrijs. Totale lengte 43, +staartlengte 7 cM. + +Van Middel-Europa af is de Kluit bijna over de geheele Oude Wereld +verbreid. Hij bewoont de kusten van de Noordzee en de Oostzee zoowel +als de zoute meren van Hongarije; hij trekt van hier door Zuid-Europa +en Afrika tot aan het Kaapland; van Middel-Azië naar Zuid-China en +Indië. Daar waar men hem aantreft, komt hij meestal in grooten getale +voor. Hij verlaat ons vaderland in Augustus of September en komt in +het laatst van Maart of in het begin van April terug. In Nederland +werd hij vooral op Texel, bij Calantsoog (in Noord-Holland) en aan +den Hoek van Holland, doch ook op de andere eilanden, bij Vogelenzang +en in Zeeland broedend gevonden. + +De Kluit is een echte zeevogel: hij verlaat de zeekust zelden; wanneer +hij dit al eens vrijwillig doet, geschiedt zulks met het doel om een +zout- of althans brakwatermeer op te zoeken. In het binnenland behoort +hij tot de zeldzaamheden. Hij is een van die zeevogels, welke ieders +aandacht trekken, omdat zij een sieraad zijn van het strand. Zooals +zijne zeer goed ontwikkelde zwemvliezen reeds doen vermoeden, beweegt +hij zich ook op plaatsen waar het water diep is; hij zwemt met gemak +en behendig en doet dit dikwijls zonder bepaalde noodzakelijkheid. Zijn +fluitend stemgeluid heeft een eenigszins droefgeestigen, maar volstrekt +niet onaangenamen klank: zijn loktoon klinkt ongeveer als "kwie" of +"duut", zijn paringswijsje is een klagend "klioe", dat zoo dikwijls +en zoo schielijk achtereen herhaald wordt, dat het aan "jodelen" +doet denken. Aan dit geluid heeft hij zijn naam te danken. + +Gewoonlijk ziet men den Kluit in 't water staan of langzaam rondstappen +en met voortdurende, knikkende en zijwaartsche beweging van den kop +voedsel opnemen, niet zelden ook den bodem van 't water onderzoeken, +waarbij hij op de manier van een Eend min of meer op den kop staat. Hij +gebruikt zijn vreemdsoortigen snavel op een geheel andere wijze dan +de overige moerasvogels; hij "sabelt", gelijk Naumann zegt, "maakt +tamelijk snel opeenvolgende, gymnastische bewegingen naar links en +naar rechts en grijpt intusschen het in 't water zwevende voedsel, +dat door de lijsten aan de binnenste oppervlakte van den snavel wordt +teruggehouden." Als men dicht bij een plaats komt, waar honderden van +deze Vogels ijverig bezig zijn voedsel op te sporen, bemerkt men, +dat alle bij het eerste waarschuwende sein onrustig worden, wadend +of zwemmend zich naar de diepere gedeelten van het water begeven, +of opvliegen en niet eerder rusten, voordat zij buiten schot zijn. + +Korten tijd na hun terugkomst in 't vaderland splitsen de zwermen zich +in paren, die geschikte nestplaatsen opzoeken, liefst op een met kort +gras bedekte vlakte. Het nest is een ondiepe uitholling van den grond +en met eenige droge halmpjes of worteltjes bekleed; er worden in den +regel 4, soms slechts 2 peer- of tolvormige eieren in gelegd; deze +hebben een fijne, glanslooze schaal, die op licht roestgeelachtigen +of geelachtig olijfkleurigen grond met een meer of minder groot aantal +grauwzwarte en violette vlekken en stippels geteekend is. Het mannetje +en het wijfje broeden om beurten, zijn vol zorg voor hun broedsel, +vliegen onder klagend geschreeuw om den mensch, die in de nabijheid +van hun nest komt en brengen de jongen, zoodra deze droog geworden +zijn, naar een terrein, waar zij schuilplaatsen kunnen vinden, later +naar groote poelen en eindelijk, als zij hunne vleugels beginnen te +gebruiken, naar de open zee. + +De gevangen Kluiten vereischen een zorgvuldige verpleging; hun voedsel +moet flink gekruid zijn met insectenlarven of mierenpoppen; zij kunnen +dan jaren lang in de kooi in 't leven gehouden worden. + + + +De echte Pluvieren (Charadriinae) zijn forsch gebouwde, korthalzige, +grootkoppige Vogels van geringe grootte. Hun snavel is meestal +kort, zijn lengte gaat zelden die van den overigen kop te boven; +aan den wortel is hij met een zachte, aan de spits met een harde +huid bekleed; de neusgaten zijn ovaal en bevinden zich aan het +einde van het achterste derde gedeelte (of van de achterste helft) +van den snavel, welks rug op deze plaats benedenwaarts gekromd is, +doch nader bij de spits zich weer verheft; zulk een snavel heet +"kolfvormig" gezwollen. De pooten zijn middelmatig hoog, slank, in +'t spronggewricht een weinig verdikt, de voeten meestal drieteenig. De +vleugels zijn tamelijk groot, smal en spits; hun spits wordt door de +eerste of de tweede slagpen gevormd; de bovenarmpennen zijn tot een +zoogenaamden schoudervleugel verlengd. De korte of middelmatig lange, +uit 12 pennen samengestelde staart is aan den top flauw afgerond. Het +dichte en zachte, glad aanliggende vederenkleed biedt bij jongen +en ouden minder verschil aan, dan er tusschen het zomer- en het +winterkleed bestaat. + +De echte Pluvieren zijn de bedrijvigste van alle moerasvogels. De +meeste maken weinig verschil tusschen den dag en den nacht; van den +morgen tot den avond, van den avond tot den morgen zijn zij ijverig in +de weer, een vasten slaaptijd, die misschien slechts eenige minuten +duurt, hebben zij niet; toch zijn sommige over dag, andere 's nachts +het meest werkzaam. Zij loopen uitmuntend en vliegen met gemak en +snel, zonder door een dezer bewegingen spoedig vermoeid te worden. Zij +zwemmen niet gaarne, maar toonen zich in geval van nood ook hiervoor +geschikt. Bijna alle soorten hebben een luid klinkende, fluitende stem +en brengen gedurende den paartijd tot trillers vereenigde tonen voort, +die eenige aanspraak kunnen maken op den naam van gezang. Hun nest is +eenvoudig een kuiltje in den grond; zelden wordt het met eenige halmen +bekleed. Het dient tot berging van 3 of 4 peer- of tolvormige, bont +gevlekte eieren, nooit meer, nooit minder, die altijd zoo gerangschikt +zijn, dat de spitsen elkander in 't midden aanraken. De beide ouders +broeden om beurten; door hen begeleid, verlaten de jongen het nest, +onmiddellijk nadat zij uit den dop gekomen en droog geworden zijn; +in den eersten tijd zoeken zij nu en dan beschutting onder de vleugels +van de moeder. + +Deze Vogels voeden zich met Insecten en Weekdieren, Wormen en kleine +waterdieren; zij worden als wild hooggeschat en hebben daarom veel +vervolging te verduren. + + + +De Kievit, in Overijsel Kiefte, in 't Friesch Ljiep genoemd (Vanellus +cristatus), vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, dat kenbaar is +aan den zwak kolfvormig gezwollen snavel, aan de vierteenige voeten, +aan de stompe vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde +handpen en aan de kuif, waarmede de kop versierd is. De bovenkop, +de voorhals, de bovenborst en de achterste helft van den staart +zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den mantel donkergroen met +blauwen of purperen weerschijn, de zijden van den hals, de onderborst, +de buik en de wortelhelft van de staartveeren wit, eenige boven- en +alle onderdekveeren van den staart donker roestgeel; de kuif bestaat +uit lange, smalle veeren, die een dubbele spits vormen. Het oog is +bruin, de snavel zwart, de voet vuil donkerrood. Totale lengte 34, +staartlengte 10 cM. + +Van den 81en graad N.B. tot Voor-Indië en Noord-Afrika heeft men den +Kievit in alle bekende landen van de Oude Wereld waargenomen. Hij +is op de voor hem geschikte plaatsen in China even algemeen als in +Groot-Britannië; tegen den winter trekt hij zuidwaarts naar de tusschen +Marokko en Noord-Indië gelegen landen, ook dwaalt hij wel naar de +Fär-öer en IJsland en zelfs naar Groenland af. Van alle Europeesche +landen is Nederland ongetwijfeld het rijkst aan Kieviten: zij zijn voor +ons land even karakteristiek als de kanalen, de zwartbonte koeien, +de windmolens en de door hooge boomen overschaduwde buitenplaatsen +en boerderijen. Ook in Duitschland zijn zij niet zeldzaam. + +De Kievit is een van de eerste lenteboden; evenals de Spreeuw en de +Leeuwerik verschijnt hij soms reeds in 't vaderland, als de winter +er nog zijn schepter zwaait en hem gebrek doet lijden. Meer dan van +andere Vogels heeft men van den Kievit waargenomen, dat het hoofdleger +voorafgegaan wordt door enkele éclaireurs. Deze worden dikwijls bitter +teleurgesteld door een weersverandering. Late sneeuwvlagen maken, dat +zij geen voedsel kunnen vinden; vermoedelijk worden zij door de hoop op +een gunstigen keer van zaken weerhouden om terug te keeren; zij dwalen +van het eene veld naar het andere, wachten en hopen, verkwijnen meer +en meer en bezwijken. In het tijdperk 1879 tot 1888 wisselde de tijd +van aankomst der Kieviten in ons vaderland af tusschen 10 Februari +en 14 Maart (gemiddeld 2 Maart), de tijd, waarin zij vertrokken of +voor de laatste maal gezien werden, van 18 September tot 6 December +(gemiddeld 30 October). Hierbij moet echter in 't oog worden gehouden, +dat na het vertrek van de Vogels, die hier gebroed hebben en geboren +zijn, andere, uit noordelijker streken komende exemplaren doortrekken; +dit duurt, totdat de vorst invalt; een enkele maal is het gebeurd, +dat Kieviten hier den winter overbleven. + +Zoodra de Kieviten in hun vaderland teruggekomen zijn en hunne +gewone standplaatsen hebben opgezocht, begint hun zomerleven. De +Kievit houdt niet van de nabijheid van den mensch en vermijdt zooveel +mogelijk diens woonplaats, misschien met uitzondering van de lage, +moerassige kuststreken. Een voorwaarde, waaraan iedere broedplaats +moet voldoen, is de nabijheid van water. Wanneer, hetgeen zeldzaam +geschiedt, de Kieviten hoog gelegen bergvlakten opzoeken om er +te nestelen, kan men er vrij stellig op rekenen, dat de gewone +nestplaatsen in den loop van den zomer overstroomd zullen worden. Op +deze nestplaatsen nu ziet of hoort men den Kievit op iederen tijd +van den dag [1]. Bijna voortdurend is hij in beweging. Gedeeltelijk +is de oorzaak hiervan gelegen in zijn waakzaamheid, daar hij ieder +ander schepsel, misschien met uitzondering van Runderen en Schapen, +voor gevaarlijk houdt. Daar hij liever vliegt dan loopt, bij voorkeur +van zijne vleugels gebruik maakt bij het toonen van liefde zoowel als +van misnoegen en voor vele spelen, welker reden ons niet volkomen +duidelijk is, kan het niet missen, dat men hem opmerkt. Het drukst +beweegt hij zich, zoolang er eieren in zijn nest liggen, of zijne +jongen nog niet geschikt zijn om aan een naderend gevaar vliegend te +ontkomen. In dezen tijd vliegen zij onder luid geschreeuw, dat als +"kiewiet" klinkt, om iederen mensch heen, die in de nabijheid van +hun broedplaats komt. Zij doen dit met een driestheid, die te recht +verbazing wekt. De voor zijn kroost beduchte Vogel schiet dikwijls +zoo dicht bij het hoofd van den mensch langs, dat deze de door 't +snelle vliegen veroorzaakte luchtstrooming duidelijk voelen kan. Hij +vliegt voortreffelijk en siert zijn vluchtlijn als 't ware op door +velerlei zwenkingen. Alleen als de weg van den Kievit dicht over +den waterspiegel heen leidt, vliegt hij met langzame vleugelslagen; +zoodra hij tot hoogere luchtlagen is opgestegen, begint hij kunsten +te maken, alsof hij iedere aandoening door een bepaalde beweging +uitdrukken wil. Wanneer een gevaar hem of zijne jongen bedreigt, +maakt hij de koenste wendingen, stort zich naar beneden tot dicht +bij den grond, rijst echter dadelijk weer in steile richting omhoog, +slaat nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde over, daalt op +den bodem af, trippelt hier even rond, verheft zich opnieuw in de +lucht en hervat het vorige spel. Geen der andere inheemsche Vogels +vliegt zooals hij, geen hunner is in staat om op dezelfde wijze alle +denkbare bewegingen met de vleugels uit te voeren. Karakteristiek +voor deze wijze van vliegen is het eigenaardige gesuis en gewapper, +dat door de snelle vleugelslagen ontstaat, zoo zelfs, dat men hieraan +Kieviten, die door de lucht voorbijtrekken, in een duisteren nacht +van alle andere Vogels onderscheiden kan. Zijn gang is sierlijk en +behendig; de snelheid van 't loopen kan aanmerkelijk vermeerderd +worden. Bovendien speelt deze in 't oogloopende Vogel zoowel onder +'t vliegen als onder 't gaan voortdurend met zijn kuif, die hij in 't +eene oogenblik horizontaal neerlegt, in 't andere hoog opricht. Van +zijn niet bijzonder buigzame stem maakt hij zeer dikwijls gebruik; +de weinige tonen, waaruit zij bestaat, weet hij op velerlei wijzen te +verbinden. Zijn loktoon, het reeds genoemde "kiewiet", is nu eens meer, +dan weer minder gerekt; de verschillende intonaties hebben ieder een +bepaalde beteekenis; angst wordt te kennen gegeven door "chrèiët", de +paringsroep bestaat uit een reeks van nauw aaneenverbonden klanken, +die men door de lettergrepen "chèh kwerkhoiët kiewietkiewietkiewiet +kioeïeht" ongeveer kan aanduiden. + +Hoe beter men den Kievit leert kennen, des te meer wordt men +overtuigd van zijn schranderheid. Zijn waakzaamheid, die den jager +vaak teleurstelling bereidt, strekt hem tot eer. Een onaangename +ervaring vergeet hij nooit, nog jaren lang herinnert hij zich het +oord, waar een zijner soortgenooten een ongeluk is overkomen. Met +den felsten haat bejegent hij alle roofdieren en toont daarbij +grooten moed, zelfs ware doodsverachting. Woedend schiet hij neer +op den snuffelenden Hond, dikwijls zoo dicht langs den kop van den +verontwaardigden viervoeter, dat deze zich genoopt ziet naar den +aanvaller te happen. Reintje wordt even ijverig bestookt, maar niet +altijd overwonnen en verdreven; integendeel deze grijpt niet zelden +een van zijne vermetelste tegenstanders en vermoordt hem voor de +oogen van zijne kameraads, die vol ontzetting in alle richtingen +uiteenstuiven en ver van de kampplaats gaan weeklagen over den +verongelukten makker. Stoutmoedig valt de Kievit Meeuwen, Reigers +en Ooievaars aan, kortom alle roofvogels, die minder goed vliegen +dan hij; de gevederde roovers, die hem in bekwaamheid overtreffen, +gaat hij echter voorzichtig uit den weg. De strandvogels zijn +gewoon acht te geven op hetgeen de Kievit doet en ontkomen door zijn +voorzichtigheid aan vele gevaren. Daarom draagt hij bij de Grieken +den zeer eigenaardigen naam van "Goede Moeder." + +Naar het schijnt, maken Regenwormen het voornaamste voedsel van +den Kievit uit; bovendien moeten als belangrijke bestanddeelen van +zijn maal allerlei Insectenlarven, Waterslakken, kleine Landslakken +enz. genoemd worden. Verscheidene malen in den loop van den dag gaat +hij drinken. Het baden is voor hem een levensbehoefte. + +Het nest van den Kievit vindt men het veelvuldigst op uitgestrekte +grasvelden en vochtige akkers, zelden in de onmiddellijke nabijheid van +het water, nooit in het eigenlijke moeras. Het bestaat uit een ondiepe +holte, die soms met eenige dunne grashalmpjes en fijne worteltjes +sierlijk bekleed is. In gunstige jaren begint het leggen bij ons +omstreeks het midden van Maart, soms echter eerst in de laatste dagen +van deze maand of in de eerste dagen van April. De 4 betrekkelijk +groote eieren zijn peervormig en hebben een fijnkorrelige, gladde +schaal, die op dof olijfgroenachtigen of bruinachtigen grond met +donkerder, dikwijls zwarte stippels, vlekken en streepjes op zeer +verschillende wijzen geteekend is; zij liggen in het nest zóó, dat +hunne spitsen elkander in het midden aanraken en worden door het wijfje +altijd weder op deze wijze gerangschikt. Het wijfje broedt de eieren +in 16 dagen uit en brengt de jongen vervolgens naar plaatsen, waar zij +zich verbergen kunnen. De kleur van het jong, dat zich bij naderend +gevaar plotseling tegen den grond drukt, komt zoo zeer met die van +den grond overeen, dat men het voor een aardkluit zou kunnen aanzien. + +Bij ons en in Duitschland maakt men geen jacht op den Kievit, omdat +zijn vleesch te recht onsmakelijk wordt geacht. In Zuid-Europa is +men een andere meening toegedaan; hier worden de wintergasten even +ijverig vervolgd, als waren het Snippen. De eieren worden hier te lande +ijverig gezocht; er wordt een belangrijke handel in gedreven; vooral +uit Friesland worden groote hoeveelheden naar Engeland gezonden. In +het laatst van April is de hoeveelheid, die ter markt wordt gebracht, +zeer aanzienlijk. Toch is, tengevolge van den uitvoer naar Engeland, +de prijs, althans in de steden van Friesland, zelden lager dan +15 cents per stuk. Voor de eerste eieren worden gewoonlijk zeer +hooge prijzen betaald. Over 20 jaren berekend, wordt in Friesland +het eerste ei gemiddeld op 23 Maart gevonden (Albarda). Daar de +Kievieten, welker eieren men herhaaldelijk wegneemt, in het geheel +niet meer zouden broeden, het getal dezer Vogels derhalve van jaar +tot jaar verminderen zou, is bij de wet bepaald, wanneer het rapen +van kievitseieren moet ophouden. Hier te lande is het na den 30en +April verboden; het vervoeren en verkoopen van de eieren mag nog tot +den 5en Mei plaats hebben. + +De gevangen Kieviten zijn zeer gezellige Vogels; vooral als zij zeer +jong in de kooi komen, schikken zij zich spoedig in de veranderde +levensomstandigheden; zij worden tam en gemeenzaam met hun verzorger, +eten uit zijn hand, volgen hem ook wel een eind weegs, sluiten zelfs +vriendschap met Honden en Katten en matigen zich het oppergezag aan +over andere in de kooi levende strandvogels. Als men hun aanvankelijk +stuk gesneden Regenwormen voorwerpt, geraken zij licht gewoon aan het +voedsel, dat men hun gewoonlijk geeft, n.l. wittebrood; hiermede kan +men ze jaren lang in 't leven houden; zij moeten echter tegen koude +beschut worden, zoodra de winter aanvangt. + + + +In Egypte wordt onze Kievit vervangen door den Spoorkievit, wegens +zijn geschreeuw ook Sieksak genoemd (Vanellus spinosus). Deze kenmerkt +zich door een echten Kievitsnavel, slanke pooten met 3 teenen, een +scherpe, aan de vleugelbocht voorkomende spoor, betrekkelijk spitse +vleugels en een stompe kuif op den achterkop. + +Van alle Egyptische Pluviervogels is deze de algemeenste. Men vindt +hem overal, waar de aanwezigheid van zoet water zijn verblijf mogelijk +maakt, want zelden of nooit begeeft hij zich op grooten afstand van +het water. Hij stelt zijne eischen echter niet hoog, maar is tevreden +met een veld, dat nu en dan onder water wordt gezet. Hij schijnt de +zeekust te vermijden, maar komt voor aan de oevers der strandmeren, +die deels brak, deels zout water bevatten. + +In levenswijze komen de Spoorkieviten veel met onze Kieviten overeen, +hoewel zij minder gezellig schijnen te zijn en meer bij paren +leven. Het eene paar woont echter dicht bij het andere en de buren +komen gaarne voor korten tijd bijeen. Tegen Vogels maakt de Spoorkievit +van zijn wapen gebruik; hij stort zich plotseling op zijn tegenpartij +en tracht hem door een slag met den vleugel te kwetsen. Ongetwijfeld +kan hij met de spoor gevoelige wonden toebrengen; de Vogels, die er +kennis mede maken, toonen duidelijk hoe onaangenaam hun dit is. + +Het voedsel van den Spoorkievit is ongeveer gelijk aan dat van +zijn inheemschen verwant. In Noord-Egypte begint zijn voortplanting +omstreeks het midden van Maart; de meeste nesten vindt men echter in +het midden van April, vele nog in Mei. + + + +De Pluvieren i. e. z. (Charadrius) hebben een middelmatig langen, +kolfvormig gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk +hooge, gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het +spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen +de langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de +meeste soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen +het (bonte) zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt +de Pluvieren in een aantal groepen, die soms als ondergeslachten, +soms als geslachten worden beschouwd. + + + +De Goudkievit, in Friesland Zeewilster, Blanke Wilster of Zilverpluvier +genoemd (Charadrius squatarola) is de eenige vertegenwoordiger van +het ondergeslacht der Zilverpluvieren (Squatarola), dat zich kenmerkt +door het bezit van een zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens +in gestalte, kleur, aard en levenswijze veel op de Goudpluvier en +weinig op den Kievit. De bovendeelen zijn bruinzwart met witte +of bruinachtige vlekken; de staartwortel is wit, de staart wit +met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveeren zijn wit, de +ondervleugeldekveeren wit, verder achterwaarts grijs, de okselveeren +zwart, de voorhoofdsrand, de teugel en de onderdeelen zwart; in den +winter zijn de onderdeelen witachtig met donkere schaftvlekken. Totale +lengte 30, staartlengte 9 cM. + +Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze +echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen +het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland, +Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van +hier begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna +de geheele aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste +landen van Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer +bepaaldelijk het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral +in den trektijd wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale, +waargenomen en met de andere Pluvieren gevangen. + + + +De Goudpluvier, bij Oirschot Tuter en in Friesland Wilster genoemd +(Charadrius pluvialis), van het ondergeslacht der Echte +Pluvieren (Charadrius), heeft de kruin, den nek, den achterhals, +den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en +topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden +van hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep +vormen; dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den +staart. De handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met +goudgroene dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de +vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit, +de staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De +onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere +vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet +grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM. + +De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij +behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers +tot de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het +geheele noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden +het droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die +men, al naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren, +kleine troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het +eene paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels +tot buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond +onafgebroken bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen +zij zeldzamer te worden. In Nederland en Duitschland broeden zij +slechts in kleinen getale, bij ons op heidevelden van Gelderland, +Noord-brabant en Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen +zij in April, om in September weer te vertrekken. De exemplaren, +die in noordelijker gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder +jaar in groote menigte tweemaal op den trek; deze begint tegen het +einde van September en eindigt in Maart. In zachte winters blijven +sommige in Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich +echter verder zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de +kustlanden van de Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van +Noord-Azië naar Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar +het zuiden van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis +wordt gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk +gedurende den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer +hoog, soms in ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige +rangorde, evenals de Kranen. + +In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar +geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel, +die voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt +of buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch +even stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af, +wanneer zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van +het nest vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en +vliegkunsten. Haar welluidend, helder gefluit, dat als "tluïe" +klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons +eenigszins zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot +een triller ("taluudl-taluudl-taluudl-taluudl") verlengd. Hare +zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont +zij een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost +en andere goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de +hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna +uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek +Kevers, Slakken, Regenwormen en dergelijke kleine dieren; ook slikt +zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door. Water om +te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet ontberen. + +De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland +levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms +belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze +Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen, +dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks bemachtigde. + +Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de Goudpluvier +nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van Azië en +in 't noorden van Amerika broedt en soms naar Europa, o. a. naar +Helgoland, afdwaalt. De Aziatische Goudpluvier (Charadrius fulvus) +is iets kleiner dan de vorige soort, hare vleugels zijn korter en +de schenkels minder ver bevederd, de vleugelspitsen strekken zich +voorbij den staart uit, de staartveeren hebben slechts 5 of 6 heldere +dwarsbanden en de okselveeren zijn bruinachtig grijs. + + + +De Morinelpluvier [Charadrius (Eudromias) morinellus], draagt een +kleed, dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een +steenachtige glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig, +door de roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze +kleur van den kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel +van de borst gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het +midden zwart, de buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede, +lichte streep; deze beide strepen komen in den nek samen. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte +22, staartlengte 7 cM. + +De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de +hooge toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar +broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van +Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste +deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en Zuid-Siberië +(op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den zeespiegel liggen). De +Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij geregeld op den trek, +van Augustus tot October en van April tot Mei. Evenzoo bezoekt zij +Duitschland, Frankrijk, Hongarije en Noord-Italië. Zelden wordt de +reis verder voortgezet dan tot de landen om de Middellandsche Zee en de +hiermede overeenkomende gewesten van Middel-Azië; haar winterverblijf +heeft zij dus reeds in Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije +en Perzië bereikt. Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten. + +De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer +familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig, +bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien +dit noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een +zachte, op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door +de klankteekens "duurr" of "duuru" ongeveer weergeven kan. Zij is +lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, daar zij eenzame streken +bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost bezorgde moeder, verstaat +meesterlijk de kunst om, als zij menschen ziet, gebreken te veinzen, +om hierdoor hare jongen de gelegenheid te geven een schuilplaats te +zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt dicht voor de verstoorders +van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende een rendierenjacht in de +gebergten van Noorwegen getuige was van dit komediespel, werd het door +de Lappen, die mij vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden +ijverig de oude en zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen +den grond aangedrukt hadden, geheel over 't hoofd. Vlak voor mij +lagen zij alle drie, den hals languit op den bodem gestrekt, ieder +gedeeltelijk achter een steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes +geopend, onbeweeglijk, zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht +bij hen; zij verroerden zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe +langer hoe verder van den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel +terug naar de plaats waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij +mij daar zag staan en geen van hare kinderen bespeurde, hervatte +zij onmiddellijk haar listig bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich +gewillig lieten grijpen, in de handen en toonde ze aan de moeder. In +'t zelfde oogenblik staakte zij haar komediespel, kwam dicht bij mij, +zoo dicht, dat ik haar werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren +op, bewoog trillend hare vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn +gemoed te verteederen. De kleintjes liepen uit mijne handen weg op +den grond: een onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk, +toen zij haar kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door +het herkrijgen van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de +kleintjes, die vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en +bleef verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening +verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging +van hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een +groot genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor +hen mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te +handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover +anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in +de Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte, +bijna uitgeroeid is. + +Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle gevaren, +die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads vermoedende +gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood dan haar +verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en smakelijkheid +van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven de beste +Snippen, de voorkeur. + + + +De Bontbekpluvier, die in Friesland Bonte Wilster wordt genoemd +(Charadrius hiaticula), behoort met de beide volgende soorten tot +het ondergeslacht der Zandpluvieren (Aegialites), gekenmerkt door +de betrekkelijk geringe grootte, den zwakken snavel, de lange, +spitse vleugels en het zeer overeenstemmende vederenkleed, dat aan +de bovenzijde zandkleurig, aan de onderzijde wit en met een witten, +ringvormigen halsband versierd is. Zij houden zich niet in moerassen +op, maar bewonen de zeekust en de met grind of zand bedekte vlakten +in de nabijheid van zuiver helder water, zooals rivieroevers, zand- +en grindbanken in stroomen enz.--De Bontbekpluvier is kleiner dan +de vorige soort (totale lengte 19, staartlengte 6 cM.) en kenbaar +aan de oranjeroode kleur van de pooten en van de wortelhelft van +den snavel. Een smalle zoom aan den wortel van den bovensnavel, het +voorste deel van de kruin en een met beide plekken samenhangende, +breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer breede dwarsband over +den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte plekken begrensde +dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin en de keel en +een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, ringvormige +halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn wit. De +kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht olijfkleurig +bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den wortel met +breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te beginnen) +met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de armpennen bruin +met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en vóór den breeden, +witten eindrand het donkerst. + +De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt in +Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der Oostzee +en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de Duitsche +en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de zandige +oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord wordt, +ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren broeden +op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn enkele +malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit tot +aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en Australië. In het +voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons zeestrand, komen ten deele +reeds in Augustus en blijven tot laat in het voorjaar; soms worden +zij ook wel binnenslands onder het wilsternet gevangen (Albarda). + + + +Nevens de vorige soort ontmoet men de iets kleinere Strandpluvier, +op Texel Zandlooper en Froukie, op Terschelling Gultje, op Ameland +Kreuteltje genoemd [Charadrius (Aegialites) cantianus]. Totale lengte +18, staartlengte 5-1/2 cM. Zij heeft niet, zooals de vorige soort, +een zwarten dwarsband over den krop, wel aan weerszijden daarvan een +zwarte vlek; voorts zijn bij haar de snavel en de voet zwart en het +voorhoofd zuiver wit; wit zijn ook de schaften van de 4 à 6 eerste +pennen. Haar verbreidingsgebied omvat het grootste deel van de aarde, +uitgezonderd het hooge noorden, Australië en Amerika. Zij broedt +aan de zeekust, zelfs nog aan de oevers van de Middellandsche en de +Roode Zee. Bij ons houdt zij zich van Maart of April tot September +op en broedt in grooten getale in de duinen van onze eilanden en aan +den Hoek van Holland. Haar nest is een ondiep kommetje van ongeveer +1 dM. middellijn in het harde zeezand. Eigenaardig is de wijze, +waarop deze en andere Pluvieren haar nest verfraaien, n.l. door 3 of +4 geheel gave, bijeen gegroepeerde, helder gekleurde schelpjes vast +in den bodem te drukken; ook om het nest liggen dergelijke groepjes +[2]. Reeds in Augustus begint zij hare broedplaatsen in noordelijker +gewesten te verlaten en keert derwaarts terug in Mei. Zij trekt dan +ook in zeer menigvuldige, kleine troepjes langs ons zeestrand. + + + +De Kleine Pluvier [Charadrius (Aegialites) curonicus] is nauwelijks +grooter dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op +iederen leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste +deel van den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar +achteren gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit; +het voorhoofd draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede, +witte volgt, die van achteren weer door een zwarten begrensd wordt; +de teugels zijn zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk +breeden, gelen ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5-1/2 cM. + +Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel Afrika en ook +in bijna geheel Azië gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna +uitsluitend aan de oevers van binnenwateren, ver van de zee op; in +hare winterkwartieren geeft zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur, +doch komt ook nu en dan aan 't zeestrand voor. Bij ons is zij niet +zeer menigvuldig op den doortrek (Augustus en September): op het +strand van Terschelling, in Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland +bij Diemen heeft men haar opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend +gevonden in de putten onder Cromvoirt (Noord-brabant) (Albarda). + +Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook +in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen. + + + +De Renvogels (Cursorius) zijn slank van gestalte, hebben een +middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten, +aan den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen +loop en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke +nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht, +glad vederenkleed. + + + +De Gewone Renvogel (Cursorius gallicus) dwaalt somtijds naar Europa af +en is een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in +'t oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van +23 cM., waarvan 7 cM. op den staart komen. + +Noord-Afrika, van de Roode Zee tot aan de Kanarische Eilanden, en +West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, vormen +het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de woestijnen, +die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere woestijndieren +kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen uit, die +eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de Renvogels +daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun dorheid en +eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met onvergelijkelijke snelheid +ziet men deze Vogels paarsgewijs over de vlakte rennen op ongeveer +15 schreden afstand van elkander (zelden meer of minder). Zoolang +de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet zijne pooten; +deze ontgaan door hun voortdurend heen- en weerslingerende beweging +geheel aan onze waarneming; men zou kunnen meenen, dat de Vogel geen +pooten heeft en door een onverklaarbare kracht over den bodem wordt +voortgedreven. Plotseling houdt de beweging op; de renner staat stil, +om door rond te kijken zich te overtuigen, dat zijn veiligheid geen +gevaar loopt, of misschien om een Insect op te pikken, en schiet +eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen vervolgingen +ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op tamelijk korten +afstand naderen; altijd echter weet hij de tusschenruimte zoo groot te +houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer niet getroffen kan worden: +zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij zich genoodzaakt ziet +te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid noemt men hem op de +Kanarische Eilanden "Kinderbedrieger", omdat onervaren knapen meenen, +dat zij den Vogel, die van zijne vleugels geen gebruik schijnt te +maken, met de handen kunnen grijpen, maar tot hun teleurstelling +ondervinden, dat het dier met zijne betrekkelijk korte pooten zich even +snel kan bewegen als de mensch met zijne langere beenen. Niet slechts +de pooten, maar ook de vleugels van den Renvogel zijn uitmuntend voor +dit doel geschikt. + +Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. "Een +groote, diepe schotel," zegt Bolle, "of een andere steenen pot wordt +in een schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van +verre zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is +vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt +hij toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf pikt, +valt de pan hem over den kop en is hij gevangen."-- + +"Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt," verhaalt +Plinius in navolging van Herodotus, "komt de Vogel Trochilus aanvliegen +en sluipt hem in den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt +dit aangenaam en laat daarom den Vogel begaan, opent den bek nog +verder, opdat de "Trochilus", als hij er uit wil, zich niet zal +kwetsen. Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt +zich in de nabijheid van 't water op en waarschuwt den Krokodil voor +den Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door +geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken." Dit verhaal, dat +men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit gegrond; +wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den Krokodil +en zijn "Wachter", gelijk de Arabieren den bedoelden Vogel noemen. + + + +De Krokodilwachter (Cursorius aegyptius) vormt in zekeren zin den +overgang van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader +verwant is aan gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep, +welke zich in den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek, +een breede borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug +zijn zwart; een wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en +aan den achterkop ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel, +de gorgel en alle overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de +borst echter licht roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en +de schouderveeren licht leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen +zwart, aan den wortel en vóór de spits echter wit, waardoor twee +breede banden ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden +vleugel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig +kleiner dan het mannetje. + +De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen +dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank +u voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af +stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van +den Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats +uit met het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom +hem verdrijft. + +Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, behendige +en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, wanneer zij +met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, voortrennen, +maar vallen nog meer in 't oog, wanneer zij hunne fraaie, wit en zwart +gestreepte vleugels uitbreiden en over 't water vliegen. Zij doen +dit zeer snel, zooals men reeds bij 't zien van de spitse vleugels +zou verwachten, en zonder merkbare inspanning; toch begeven zij zich +in één vlucht zelden ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den +anderen; steeds scheren zij dicht bij de oppervlakte van 't water +langs. Onder het vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem +hooren, deze bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als +"tsjiep tsjiep hoit". Maar ook gedurende het zitten en rondloopen +schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders +in hun omgeving voorvalt: de nadering van ieder schip, van iederen +mensch, van ieder Zoogdier, van iederen grooten Vogel wordt door een +luid geschreeuw aangekondigd. Op deze wijze vervult de "Wachter" niet +alleen bij den Krokodil, maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol, +die door zijn naam wordt aangeduid. Hij onderscheidt zich door een +merkwaardige sluwheid, een scherp oordeel en een bewonderenswaardig +geheugen: het is, alsof hij geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en +hun omvang weet te schatten. Met den Krokodil leeft hij werkelijk in +vriendschap, evenwel niet, omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen +is, maar, omdat de Vogel door zijn schranderheid en behendigheid aan de +boosaardige aanslagen van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van +de zandbanken, waarop de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert, +heeft hij van jongs af met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden +rug loopt hij even onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er +de Insecten en Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil +belust zijn; zelfs ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen +vriend schoon te maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de +tanden overgebleven zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan +het tandvleesch vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw +van den Vogel bij het zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of +gevaarlijk voorkomt, doet den slapenden Krokodil ontwaken en noopt +dezen zich naar de veilige diepte te begeven. + +Mogelijk is het, dat de Krokodilwachter met zijn spijs nu en dan +enkele zaden doorslikt; zijn gewone voedsel ontleent hij echter aan +het dierenrijk. Hij eet allerlei Insecten, vooral Zandkevers, Vliegen, +Waterspinnen, Wormen, kleine Schelpdieren, Visschen en, naar uit de +bovenstaande mededeelingen blijkt, ook stukjes vleesch van grootere +Gewervelde Dieren. + +Het wijfje legt hare eieren in een kuiltje in den grond en bedekt ze +met zand, wanneer zij bij 't broeden gestoord wordt. Slechts toevallig +komt men dus op het spoor van de broedplaats. + + + +De Steenloopers (Arenaria) zijn fraai geteekende, zeer beweeglijke +vogeltjes, die van de overige bevederde strandbewoners, behalve +door hun gestalte, ook in vele opzichten door hun levenswijze +verschillen. Men heeft ze nagenoeg over de geheele wereld verspreid +gevonden, aan de kusten van IJsland en Skandinavië, zoowel als aan +die van Griekenland, Zuid-Italië en Spanje, in Australië zoowel +als in Middel-Amerika en Brazilië, in Egypte en in het Kaapland, in +China zoowel als in Indië. Zij zijn dus wereldburgers in de strengste +beteekenis van het woord. Men ontmoet ze overal echter het veelvuldigst +aan de zeekust, slechts gedurende den trektijd, en ook dan steeds in +zeer kleinen getale, bij binnenwateren. + +De Steenloopers zou men kunnen beschouwen als Pluvieren met dikke +en tamelijk korte pooten. Hun lichaam is forsch gebouwd, de kop +betrekkelijk groot, het voorhoofd hoog, de snavel recht, bijna zoo +lang als de kop, korter dan de loop, kegelvormig, aan de spits een +weinig naar boven gebogen en stomp, maar niet verdikt, op den rug +afgeplat, geheel met een harde huid bedekt; de neusgaten zijn aan +den snavelwortel gelegen; in de lange, spitse vleugels is de eerste +handpen de langste; de ternauwernood middelmatig lange staart is +uit 12 pennen samengesteld; de voorteenen zijn niet verbonden, de +achterteen is klein en hoog aangehecht; het vederenkleed is goed +voorzien, maar glad aanliggend en onderscheidt zich door levendige +kleuren; de schouderveeren zijn sterk verlengd. + + + +Van de beide soorten van dit geslacht bewoont de eene de Nieuwe, de +andere de Oude Wereld. Bij deze--bij den Gewonen Steenlooper (Arenaria +interpres)--zijn in volwassen toestand en gedurende den zomer het +voorhoofd, de wangen, een breede band in den nek, de onderrug, de +keel en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit; een streep, +die op het voorhoofd begint, voor het oog langs en over den hals +naar beneden loopt, is zwart, evenals de onderhals met het +voorste deel en de zijden van de borst; de veeren van den mantel +zijn zwart en rood gevlekt, die van de kruin wit en zwart overlangs +gestreept, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood met zwarte vlekken; +over den staartwortel loopt een breede, bruine band; de slagpennen zijn +zwartachtig, de stuurpennen aan den wortel en aan de spits wit, vóór +de spits met een breeden, zwarten band geteekend. Het oog is bruin, de +snavel zwart, de voet oranjegeel. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM. + +De Steenlooper broedt in de koude streken van de Oude Wereld, in Europa +niet zuidelijker dan Jutland. Gedurende den winter werd hij op Madeira +en in Noord-Afrika, in Azië tot op Java waargenomen. Men mag aannemen, +dat hij vooral langs de zeekust trekt en daarom zoo zelden in het +binnenland gezien wordt. De komst van de Steenloopers in Skandinavië, +op IJsland en Groenland duurt van de laatste dagen van April tot in +het midden van Mei; reeds vóór het einde van Augustus vertrekken +zij. In deze maand ziet men ze, hoewel niet talrijk, op onze kust +verschijnen en ook aan de noordelijke en zuidelijke oevers van de +Middellandsche Zee. Die, welke zich naar ons land begeven, blijven +meestal den winter over en kiezen bij voorkeur de steenen hoofden +langs de kust tot rust- en verblijfplaatsen. De Steenlooper houdt +evenwel niet van rust; hoogstens verdroomt hij in de middaguren eenige +minuten. Gedurende den overigen tijd van den dag is hij aanhoudend +in beweging, van 's morgens tot na zonsondergang, dikwijls zelfs +'s nachts. Hij gaat trippelend en bij 't zoeken van voedsel tamelijk +langzaam; maar kan zich ook rennend en buitengewoon snel over groote +afstanden verplaatsen, hoewel hij gewoon is om, na als een pijl uit +den boog een zekeren weg doorloopen te hebben, op de een of andere +verhevenheid een tijdlang stil te staan en daarna opnieuw vooruit te +schieten. In 't vliegen is hij even ervaren als zijne verwanten. + +Zoolang hij in beweging is, houdt de zorg voor 't voedsel hem +bezig. Hij eet allerlei kleine zeedieren, vooral Wormen en teere +Schelpdieren, maakt deze buit door met den snavel in 't zand te +boren of door het omwentelen van steenen, en ontleent hieraan zijn +naam. De Insecten, die binnen de hoogwaterlijn komen, worden natuurlijk +ook opgepikt, voornamelijk is zijn proviand echter afkomstig uit de +kuststrook, die bij eb droog valt, waar Insecten tot de uitzonderingen +behooren. + + + +Iedere bezoeker van de Noordzeekust zal er zeer zeker kennis +maken met een hier bijna overal voorkomenden Strandvogel, die men +wegens zijn eigenaardige levenswijze niet licht over het hoofd zal +zien. De Scholekster, aan den Dollard Slijkaakster, op Texel Lieuw, +op Terschelling Bonte Piet, in Friesland Strandkievit, Bonte Lieuw of +Oostindische Kievit, in 't Friesch Stranljiep, in Vlaanderen Zeeekster +genoemd (Haematopus ostralegus), valt ook door haar gestalte in 't oog +en heeft behalve de leden van haar geslacht geen verwanten, die veel op +haar gelijken. Haar kenmerken een gedrongen lichaamsbouw, een groote +kop, die in een dubbel zoo langen, rechten, naar voren zeer sterk +samengedrukten, wigvormigen, harden snavel eindigt, middelmatig hooge, +krachtige voeten met drie korte en breede teenen, waarvan de buitenste +en de middelste door een groot spanvlies vereenigd zijn, middelmatige +lange, doch spitse vleugels en een uit 12 pennen samengestelden, +tamelijk korten, recht afgesneden staart. Op de bovendeelen, den +voorhals en den krop zijn de veeren zwart, een weinig iriseerend, +op den onderrug en den staartwortel, onder het oog, op de borst +en den buik wit; de hand- en stuurpennen zijn aan den wortel wit, +overigens zwart; de grootste vleugeldekveeren vormen over den vleugel +een witten band. Het oog is bloedrood, aan den rand oranjekleurig, +een naakte ring er omheen menierood. De bek is oranjerood, bij de +jongen roodachtig bruin, maar aan de spits geel. De pooten zijn donker +vleeschkleurig. Totale lengte 42, staartlengte 11 cM. + +Van de Noordkaap of van de Finsche Golf tot aan Kaap Tarifa heeft men +de Scholekster aan alle Europeesche kusten waargenomen, veelvuldig +vooral op plaatsen waar de kust rotsachtig is. Eveneens ontmoet men +haar op de Noordzee-eilanden en aan alle kusten van de Noordpoolzee, +opmerkelijkerwijze ook bij de groote stroomen van Noord-Azië, +volgens onze waarnemingen o. a. aan den geheelen benedenloop van +den Ob. Zuid-Europa bezoekt zij 's winters, hoewel volstrekt niet +in grooten getale; haar wijze van trekken is in vele opzichten +eigenaardig. Zoo verlaat zij vóór den winter geregeld het strand van +de Oostzee, terwijl zij op IJsland eenvoudig van de noordkust naar de +zuidkust trekt. De verklaring hiervoor is niet moeielijk te geven. Daar +waar de Golfstroom de kust bespoelt, blijft deze Vogel gedurende +het geheele jaar; op plaatsen waar de zee 's winters dichtvriest, +is hij tot trekken gedwongen. + +Bij ons komen de Scholeksters in April en vertrekken in September. Zij +broeden overal in de duinen, maar ook uren ver van deze, in de +weilanden. Na den broedtijd trekken zij naar de kust, waar een +groot aantal overwinteren en steeds andere doortrekken, zoodat zij +hier voortdurend te vinden zijn en bijna den geheelen winter door in +steekgarens gevangen worden. Vooral op de Noordzee-eilanden zijn zij +zeer menigvuldig. Hoewel de Scholekster plomp en log van uiterlijk +is, kan zij zich toch uitstekend bewegen. Haar gang gelijkt op dien +van den Steenlooper; zij loopt bij rukken, gewoonlijk stappend of +trippelend, maar kan in geval van nood ook buitengewoon snel rennen; +hare breedzoolige voeten stellen haar in staat om zelfs op de weekste +slib te loopen. Zij zwemt voortreffelijk, ook wanneer zij er niet +toe genoodzaakt is en heeft een zeer krachtige en snelle vlucht; +meestal vliegt zij rechtuit, dikwijls echter ook in koene bogen en +zwenkingen; meer dan de meeste overige strandvogels drijft zij op +hare wieken. Haar stem, een als "hie iep" klinkend gefluit, laat zij +bij iedere gelegenheid hooren, soms met een lang gerekt "kwierrr" als +inleiding, dikwijls ook kort samengetrokken, zoodat het geluid als +"kwiek kwiek kewiek kewiek" klinkt. De lang aanhoudende trillers, +die zij in den paartijd voortbrengt, zijn zeer welluidend en vol +afwisseling. Vooral door haar levenswijze trekt de Scholekster +onze aandacht. Geen andere strandvogel is zoo bedrijvig, onrustig, +moedig, plaag- en strijdlustig en toch voortdurend zoo goed geluimd. +Als zij zich verzadigd en een weinig gerust heeft, begint zij +dadelijk met andere Vogels, althans met hare soortgenooten, te stoeien +en hen na te jagen; lang stil zitten, rustig op dezelfde plaats blijven +kan zij niet. Op dit gestoei volgt soms een ernstig gemeende twist, +daar zij iedere beleediging onmiddellijk tracht te wreken. Overal waar +Scholeksters zijn, spelen zij de eerste viool, regelen, plooien als +'t ware, het leven van alle strandbewoners naar hare inzichten. + +"Haar voedsel," schrijft Schlegel, "bestaat uit vischbroedsel, jonge +Garnalen en Wormen. Om het te zoeken boort zij, evenals de Snippen, +gaten in het zand of keert met haar bek de hoorns, schelpen en andere +op het strand liggende voorwerpen om; waarschijnlijk heeft men haar +hierom den naam Oestervisscher gegeven." Dat de Scholekster nooit +Oesters vischt, ligt voor de hand. Wel eet zij graag kleine Weekdieren, +of vreet een groot Schelpdier leeg, dat dood aan het strand werd +gespoeld; zij is echter niet in staat om een levend Schelpdier te +openen. Waarschijnlijk zijn Strandpieren een hoofdbestanddeel van +haar maal. Dat zij intusschen een klein Schaaldier, een vischje en +andere zeedieren niet versmaadt, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd +te worden en evenmin, dat zij op Insecten jacht maakt in de nabijheid +van het vee, dat aan de kust graast. + +De Scholeksters, die als standvogels beschouwd kunnen worden, beginnen +omstreeks half April, die welke trekken, iets later haar nest te +bouwen. Het liefste doen zij dit op met kort gras begroeide vlakten in +de nabijheid van de zee; waar deze ontbreken, maken zij gebruik van de +wieren, die door hooge vloeden aan het strand worden geworpen. Het nest +is een ondiep kuiltje, dat het wijfje in den grond heeft uitgekrabd; +het bevat, als het broeden aanvangt, 3 (soms ook maar 2) zeer groote, +spitse of zuiver eivormige eieren, welker stevige, glanslooze schaal +op licht bruinachtig roestgelen grond een zeer varieerende teekening +vertoont, die uit licht paarse of donker grijsbruine en grauwzwarte +vlekken en stippels, strepen, krullen enz. bestaat. Het broeden +duurt ongeveer 3 weken. De jongen verlaten onmiddellijk het nest en +worden geleid door de beide ouders, die in dezen tijd voorzichtiger +en stoutmoediger zijn dan ooit te voren. + +Het gemakkelijkst kan men de Scholekster verschalken, door haar op +te zoeken, terwijl zij haar middagslaapje houdt; dan moet men haar +zeer voorzichtig naderen, daar hare scherpe zintuigen zelfs zwakke +voetstappen van den mensch hooren of althans opmerken. Dat zij een zeer +flink schot kan verdragen, vergroot de moeielijkheid van deze jacht. + +De Zwaluwpluvieren (Glareolidae) vereenigen als 't ware de kenmerken +van verscheidene orden in zich. Haar snavel houdt ongeveer het midden +tusschen dien van een Hoen en dien van een Nachtzwaluw. De slanke, +boven het springgewricht naakte pooten hebben vier middelmatig lange, +smalle teenen met slanke, spitse, bijna rechte nagels; de buitenste +en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden. De +overeenkomst van hare lange vleugels, welker eerste pen alle overige +in lengte overtreft, met die van de Zwaluwen heeft aanleiding gegeven +tot den naam van de familie. De tamelijk lange, recht afgesneden of +gaffelvormige staart is uit 14 pennen samengesteld. Het vederenkleed is +dicht en zacht, zeer overeenstemmend bij alle soorten, bij mannetjes +en bij wijfjes, in den herfst en in den zomer; maar biedt tamelijk +veel verschil aan bij ouden en bij jongen. + + + +In alle landen, die de Middellandsche en de Zwarte Zee omgeven, +voorts in de laagvlakten van den Donau en van den Wolga alsook in +de steppen van Rusland en Siberië ontmoet men de Vorkstaartpluvier +(Glareola pratincola). Zij is 26 cM. lang, waarvan 10 cM. op den staart +komen. De veeren van de bovendeelen zijn olijfbruin, op de schouders +en de dekveeren met metaalachtigen weerschijn; de staartwortel, de +onderborst en de buik zijn wit; de roodachtig gele keel wordt door +een bruine ring omlijst. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, +aan den mondhoek koraalrood, de voet zwartbruin. + +De Vorkstaartpluvier kan uitmuntend loopen, maar nog beter vliegen. Zij +loopt in korte rukken, op soortgelijke wijze als de Pluvier. Haar +wijze van vliegen gelijkt op die van de Zeezwaluw en kenmerkt zich +door groote snelheid, fraaie zwenkingen, plotselinge wendingen, +kortom, zij biedt velerlei afwisseling aan. + +Gedurende den broedtijd ziet men deze sierlijke en onschadelijke +Vogels paarsgewijs, loopend of vliegend jacht maken op Insecten, +Kevers, Motten, Haften, Libellen en Sprinkhanen. Tijdelijk voeden zij +zich bijna uitsluitend met Sprinkhanen, die zij zoo wonderbaarlijk +snel verteren, dat reeds 10 minuten na het doorslikken van zulk een +buit, het als 't ware uitgeperste, uitwendige skelet met den drek +het lichaam verlaat. Alle Insecten, die zij vangen, worden in hun +geheel verzwolgen, gelijk ook de Geitenmelker doet. Von der Mühle +vond in het spijskanaal van Vorkstaartpluvieren, die hij op de jacht +gedood had, zeldzame Kevers geheel onbeschadigd, volkomen geschikt +voor een insectenverzameling. Evenals de Nachtzwaluwen, jagen de +Vorkstaartpluvieren soms nog laat in den avond; zij zijn over 't geheel +genomen eer schemeringvogels dan dagvogels; dit blijkt uit hun slapen +of rusten gedurende de middaguren; in den voortplantingstijd doen zij +dit in de nabijheid van haar nest, in den trektijd ziet men ze op een +eindelooze reeks, aan den oever van een rivier of van een meer zitten. + +Enkele voorwerpen, gewoonlijk jonge, verdwalen in den zomer naar +noordelijker streken; ook in Nederland, en wel in Noordbrabant (bij 't +meertje tusschen Vlijmen en Engelen), heeft men er eens (in Juli 1892) +één gevangen, in gezelschap van Kieviten, Kemphanen enz. (Albarda). + +In Hongarije en Rusland worden de eieren van de Vorkstaartpluvier +veelvuldig ingezameld; in Griekenland wordt jacht gemaakt op den +volwassen Vogel wegens zijn smakelijk vleesch, dat vooral in den +herfst zeer vet is. Voor de kooi wordt hij zelden gevangen. + + + +Eenige afwijkende uitheemsche Vogels, die vroeger nu eens bij de +Hoenderachtigen, dan weer tot de Moerasvogels gerekend werden, brengt +Fürbringer tot de groep der Meeuwpluviervogels en vormt er drie kleine +familiën van. Deze zijn de Kluitsterns (Dromadidae), de IJshoenderen +(Chionidae) en de Kwartelsnippen (Thinocoridae). + +De familie van de Kluitsterns bevat slechts één geslacht met één soort +(Dromas Ardeola). Deze komt in grootte met een Duif overeen, maar +heeft pooten, welke door lengte en bevedering en door de aanwezigheid +van halve zwemvliezen tusschen de voorteenen aan die van de Kluiten +herinneren. Zij heeft een stevigen, lancetvormigen snavel met eironde +neusgaten. Door hare kleuren herinnert zij (zelfs in het jeugdkleed) +aan de Zeezwaluwen. Zij wordt aan de kust van de Roode Zee en op +het vasteland van Indië gevonden, waar zij, volgens Von Heuglin, +in de duinen een diep, schuins naar boven gericht hol graaft, dat +als broedplaats dient. In het najaar trekt zij langs de oostkust van +Afrika zuidwaarts tot Madagaskar. + + + +De familie der IJshoenderen (Chionidae) omvat twee soorten, die +rotsachtige eilanden in de koude zeeën van het zuidelijk halfrond +bewonen en op de wijze der Scholeksters hun voedsel verkrijgen. Beide +zijn wit bevederd. De kleinste bij de zeelieden onder den naam +van Zuidpoolduif bekend (Chionis minor), komt op Kerguelen-eiland +voor; de andere--de Zuidpoolkip (Chionis alba)--, die de grootte +van een Patrijs heeft, wordt gevonden op Statenland (bij Vuurland), +de Falklandsarchipel en andere naburige eilanden. Beide zijn gezocht +wegens hun smakelijk vleesch. Zij hebben tamelijk spitse vleugels, +een korten staart, pooten met onbevederd spronggewricht, een +tamelijk korten, dikken loop en vier teenen: de achterteen is klein, +de voorteenen zijn door spanvliezen verbonden. Merkwaardig is hun +snavel, welke op dien van een Hoen gelijkt, doch aan den wortel, waar +de neusgaten voorkomen, overwelfd wordt door een van voren getande, +van boven gegroefde hoornplaat. + + + +De familie van de Kwartelsnippen (Thinocoridae) omvat eenige tot +de gematigde en koude gewesten van Zuid-Amerika beperkte soorten, +welker grootte afwisselt tusschen die van een Duif en die van een +Leeuwerik. Zij hebben spitse vleugels, korte, vierteenige pooten met +hoog ingeplanten achterteen, een korten, nagenoeg kegelvormigen snavel +en gelijken op de IJshoenderen o.a. door het met veertjes begroeide +vlies, dat hare neusgaten overdekt. Zij komen niet aan de zeekust, +maar in het binnenland voor; sommige (Attagis) zijn kortstaartig, +bewonen de bosschen der hooge gebergten en herinneren door haar +levenswijze aan de Sneeuwhoenderen; andere (Thinocorus) hebben een +langen staart, houden zich in droge, met gras begroeide streken op +en gelijken door hare gewoonten op Kwartels en Patrijzen. Zij voeden +zich met Insecten en plantaardige stoffen. + + + + +Alle zeeën en de meeste binnenwateren der aarde herbergen leden van +de familie der Meeuwvogels (Laridae), waarvan ongeveer 150 soorten +beschreven zijn. Zij gelijken op elkander door den eerder gedrongen, +dan slanken romp, den korten hals en den middelmatig grooten kop; hun +snavel is middelmatig lang en zijdelings min of meer samengedrukt, de +zijranden en de spits zijn scherp, de beide kaken recht of de bovenste +gekromd, de onderste met duidelijken kinhoek; bij uitzondering is de +eene langer dan de andere; de neusgaten zijn spleetvormig, de drie +voorteenen door zwemvliezen verbonden, de vleugels lang en spits; +de staart is middelmatig lang, recht afgesneden of gaffelvormig, bij +uitzondering ook wel wigvormig; het vederenkleed is dicht en zacht +en vertoont weinig verscheidenheid van kleur. Hoewel de Meeuwen voor +'t meerendeel zeevogels zijn, behooren zij toch volstrekt niet in +de open zee, maar integendeel op de kusten thuis, sommigen leven +tijdelijk of voortdurend bij binnenwateren; op den trek volgen zij +dikwijls de rivieren. Om uit te rusten zetten zij zich gaarne op +banken, kusten en oevers, minder dikwijls op het water neer. Zij +toonen een sterke neiging tot gezelligheid en broeden meestal in +koloniën, die soms uit vele duizenden stuks bestaan; groepsgewijs +vermengen zij zich ook gaarne met andere soorten van zwemvogels, +zoodat b.v. op een beperkt terrein dicht bij elkander troepen van +Zeezwaluwen, Meeuwen, Scholeksters, Bergeenden enz. voorkomen. Een +merkwaardig voorbeeld van zulk een broedterrein levert het eilandje +Rottum, waarop slechts één menschengezin woont, n. l. dat van den +voogd. Door een boogvormige reeks van hooge duinen wordt het eiland +aan de westzijde tegen de golven beschut. Op het open strand aan de +noordwestzijde staande, ziet men in de verte boven de toppen der duinen +als 't ware sneeuwvlokken dwarrelen, terwijl men hoog boven zich in +de blauwe lucht witte gestalten rustig ziet zweven. Nader komend, +merkt men op, dat de hoofdmassa van den zwerm uit Zilvermeeuwen en +Groote Zeezwaluwen bestaat. Als de wagen, waarmede de voogd ons van +'t strand afgehaald heeft, dicht bij een nestplaats langs rijdt, +ziet men alle Vogels, die op deze ongewone wijze gestoord worden, +opvliegen, men kan dan zonder overdrijving wegens de Vogels den hemel +niet zien. De prachtige Zilvermeeuwen, waarvan ongeveer 5000 paren +hier broeden, houden de hoefijzervormige duinenreeks bezet: De Groote +Zeezwaluwen, ten getale van minstens 6000 paren, broeden op slechts +drie hooge duinen, maar hier zoo dicht bijeen, dat op sommige plaatsen +het eene nest het andere raakt en men bijna geen voet verzetten +kan, zonder gevaar te loopen eieren of jongen te vertreden. Geen +enkel paar van deze soort broedt elders. Het kleinere Vischdiefje +daarentegen is meer over de geheele oppervlakte verspreid en is +vooral in de nabijheid van het huis buitengewoon talrijk. Men schat +het aantal paren van deze soort op minstens 8000. Minder veelvuldig +zijn de Bergeenden en de Scholeksters hoewel deze door hun kleur, +gene door hun geschreeuw en levenswijze zeer de aandacht trekken; +van ieder dezer soorten broeden hier ongeveer 400 paren. Wanneer bij +de reeds genoemde Vogels nog gevoegd worden de in geringer aantal +hier broedende Wilde Eenden, Tureluurs en Kemphanen, komt men tot +een totaal van omstreeks 20000 paren strand- en watervogels, die +op dit kleine eilandje broeden. Zoodra de jongen vliegen kunnen, +is het gewemel van de Vogels onbeschrijfelijk. Men kan zich hier +een goede voorstelling vormen van de wijze, waarop de guano-lagen +ontstaan. De uitwerpselen, de schelpen van de doorgeslikte zeedieren, +die door de Zilvermeeuwen als ballen weer uitgeworpen worden en zelfs +de lijken van tallooze jongen (eens zag ik n.l. door een hevigen +en lang aanhoudenden plasregen het geheele broedsel van de Groote +Zeezwaluwen vernietigd), alles hoopt zich op zulke gemeenschappelijke +nestplaatsen opeen. Hier in het duinzand worden deze meststoffen +schielijk door den vocht doorlatenden bodem opgenomen, ginds op +rotsen en klippen voegt de eene laag zich bij de andere. Hoewel +ook op de andere, naburige Noordzee-eilanden broedplaatsen van de +meeste der genoemde Vogelsoorten voorkomen, is toch Rottum als de +geboorteplaats te beschouwen vooral van de Zilvermeeuwen en Groote +Zeezwaluwen, die buiten den broedtijd de naburige kusten, zoowel van +'t vasteland als van de eilanden, verlevendigen (Altum). + + + +Door een buitengewone bekwaamheid in 't vliegen en duiken onderscheiden +zich de Sterns of Sterntjes (Sterninae). Zij zijn sterk gebouwd en +middelmatig groot of klein; de spitse, harde snavel is zoo lang als +de kop of nog iets langer en recht of nagenoeg recht; de korte pooten +hebben vier teenen, die met tamelijk scherpe, gekromde klauwen gewapend +zijn; de achterteen is meestal zeer kort; de zwemvliezen zijn meestal +kort en dikwijls diep uitgesneden; de vleugels zijn zeer lang, smal +en spits; hun eerste slagpen is langer dan de overige; de staart +is middelmatig lang, meer of minder diep gevorkt en uit 12 pennen +samengesteld; het vederenkleed is dicht, zacht, glad aanliggend en +grootendeels licht loodkleurig grijs, zwart en wit; het verschilt +weinig of niet bij 't mannetje en bij 't wijfje; duidelijk merkbaar +is echter het onderscheid tusschen het herfst- en het lentekleed, +niet minder dat tusschen de jongen en de volwassen Vogels. + +De Sterns bewonen alle aardgordels, leven in de nabijheid van de zee +of van het binnenwater en volgen bij het trekken de kust of den loop +der rivieren. Eenige soorten houden van het vlakke, kale zeestrand, +andere van water, dat rijk is aan planten; enkele houden zich bij +voorkeur op in de kustwouden der tropische gewesten. Alle leden +van deze onderfamilie zijn zeer onrustig van aard, houden veel van +beweging en zijn van 't opgaan tot aan 't ondergaan van de zon bijna +voortdurend werkzaam. Den nacht brengen zij aan den oever liggend, +den dag bijna uitsluitend vliegend door. + +Haar voedsel bestaat uit Visschen en Insecten; de grootste soorten +verslinden echter ook kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren +en Amphibiën, de zwakste soorten verschillende Wormen en allerlei +kleine zeedieren. Om haar buit te overmeesteren, vliegen zij op +geringe hoogte boven den waterspiegel, waarop zij voortdurend hare +scherpe blikken gevestigd houden, blijven, als zij een slachtoffer +ontdekken, met snelle vleugelbeweging eenige oogenblikken daarboven +zweven, om het goed in 't oog te vatten, storten zich dan schielijk +naar beneden en trachten het met den snavel te grijpen. + +Reeds eenige weken vóór het eierleggen verzamelen de Zeezwaluwen +zich op de broedplaats, ieder jaar zooveel mogelijk op dezelfde. Die +welke de zee bewonen, kiezen voor dit doel zandige landtongen, +kale eilanden, koraalbanken of mangle- en andere kustwouden; de +meer binnenlands levende soorten nestelen op soortgelijke, maar +minder kale plaatsen bij of in meren en moerassen. Alle viervoetige +roofdieren, die de broedplaatsen der Zeezwaluwen kunnen naderen, +azen, evenals de Raven en de groote Meeuwen, op de eieren en jongen, +de vlugste Roofvogels ook op de volwassen Sterns. Ook de mensch +treedt vijandig tegen haar op door het rooven van hare eieren, die +zeer smakelijk zijn. Overigens worden deze Vogels niet vervolgd, +omdat men zoomin hun vleesch als hunne veeren gebruiken en hen zelf +slechts gedurende korten tijd in de kooi in 't leven houden kan. + + + +Het soortenrijkste geslacht van de onderfamilie is dat der Zeezwaluwen +(Sterna). Deze hebben een rechten snavel met zwak gebogen rug en +rechte, niet haakvormige spits; het voorhoofd is tot aan de neusgaten +bevederd. De zwemvliezen zijn uitgesneden, d.w.z. hun voorrand vormt +een binnenwaarts gebogen lijn; de buik is wit. + + + +De grootste van alle soorten is de Reuzenstern (Sterna caspia). Zij +onderscheidt zich van hare verwanten door den snavel, die even lang +als de kop en betrekkelijk dik is, door de kortheid van den staart +en zijne 4 cM. lange gaffelspitsen, waarachter de vleugelspitsen ver +uitsteken. De bovenkop is in den zomer zwart, des winters zwart en +wit gevlekt, de mantel licht blauwachtig grijs, de zijden van den +hals, de onderdeelen en de bovenrug zijn schitterend wit; de toppen +van de slagpennen zijn donkerder, de staartpennen lichter van kleur +dan de overige veeren van de bovenzijde. Het oog is bruin, de snavel +koraalrood, de voet zwart. In het jeugdkleed hebben de veeren van +den rug bruine dwarsvlekken. Totale lengte 52, staartlengte 15 cM. + +De Reuzenstern behoort in Middel-Azië en in 't zuiden van Europa +thuis; kleine broedkoloniën van deze soort komen echter voor op de +Pommersche kust, op het eiland Sylt en op de Fransche kust. In ons land +is zij zeldzaam: kleine troepen van 3 à 4 stuks werden herhaaldelijk, +zelfs reeds in de tweede helft van Juni, bij Texel, aan den Maasmond +en zelfs langs de Zijl bij Leiden aangetroffen. + +Gewoonlijk ziet men haar op een hoogte van ongeveer 15 M. boven den +waterspiegel vliegen; zij houdt den kop met den van verre zichtbaren, +glanzig rooden snavel loodrecht naar onderen gericht, beweegt langzaam +de groote vleugels en ploft van tijd tot tijd op het water neer om +een prooi te grijpen. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit visch; +zij kan exemplaren van aanzienlijke grootte vangen en verzwelgen. Van +tijd tot tijd vallen haar echter ook strand- en watervogels ten buit, +vooral zwemmende exemplaren; het doorslikken van deze prooi kost aan +de Reuzenstern even weinig moeite als het verzwelgen van Insecten aan +kleinere Sterns. Schilling was de eerste, die haar verdacht, de eieren +van de aan 't strand broedende Vogels op te zoeken, omdat de Meeuwen +en de Zeezwaluwen uit de buurt bij haar nadering onder vreeselijk +geschreeuw opvlogen, woedend op haar neerschoten en haar trachtten +te verdrijven; andere waarnemingen hebben zijn vermoeden bevestigd. + +Naumann beschrijft de broedkolonie op Sylt, die zich op het +noordelijkste gedeelte van dit eiland bevindt, doch tegenwoordig +slechts zeer zwak bevolkt is. De eieren liggen op het kale zand in +een kleine uitholling, die door de Vogels zelf wordt uitgekrabd, +op een niet grooten afstand van 't water. Op plaatsen waar vele +nesten gevonden worden, zijn zij nauwelijks 60 cM. van elkander +verwijderd. Ieder nest bevat 2, zelden 3 eieren, nooit meer. Deze +komen in grootte en vorm nagenoeg overeen met die van Tamme Eenden. Zij +zijn geel- of bruinachtig wit met grauwe en zwartbruine vlekken en +stippen. Men neemt verscheidene malen eieren uit het nest en laat den +Vogel eerst 8 à 14 dagen vóór St. Jan broeden. Het broedende wijfje +wordt door het mannetje dikwijls met voedsel voorzien; de jongen +verlaten het nest korten tijd nadat zij uit den dop zijn gekomen en +worden door hunne ouders met vischjes groot gebracht. + +Voor de gevangenschap is deze Zeezwaluw niet geschikt, omdat zij +begint te kwijnen, zoodra haar de gelegenheid om te vliegen ontnomen +is en omdat zij niet graag doode visch eet. + + + +De Groote of Zwartbekkige Zeezwaluw of Kaugek, op Texel Groote Star, +in Groningen Groote Ikstern en Kliefstern, op Rottum Krijtstern, op +Ameland Klikstans genoemd (Sterna cantiaca), heeft een zeer slanken, +merkbaar gebogen snavel, die iets langer is dan de kop, kleine +voeten met sterk uitgesneden zwemvliezen, zeer lange vleugels, welker +spitsen echter slechts weinig verder reiken dan die van den 5 cM. diep +gevorkten, langen staart. De bovenkop en de nek zijn fluweelachtig +zwart, alle bovendeelen helder zilvergrijs, de hals en de onderdeelen +zijdeachtig wit met een flauw rozerood waas, de vleugelspitsen donker +aschgrauw, de laatste armpennen en de stuurpennen grijsachtig wit. In +het winterkleed is de kop wit tot aan het achterhoofd, en vertoont +dit zwarte vlekken; de onderdeelen zijn dan zuiver wit. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart met gele spits, de voet zwart. Totale +lengte 40, staartlengte 17 cM. + +De Groote Zeezwaluw, is een echte zeevogel; zij verlaat de kust +nagenoeg niet en bezoekt hoogstens bovendien de strandmeren, zeer +zelden echter binnenzeeën. Haar verbreidingsgebied strekt zich uit over +Middel- en Zuid-Europa, Afrika en Amerika, in zuidelijke richting tot +aan de Kaap de Goede Hoop en tot Brazilië. Aan onze Noordzeekusten +verschijnt zij op zijn vroegst tegen het einde van April; reeds in +Augustus, op zijn laatst in September trekt zij weder zuidwaarts, +om in de Middellandsche en Roode Zee, in den Indischen of in het +zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan te overwinteren. Zij +broedt in talrijke koloniën op eenzame, rustige plaatsen langs onze +duinen, b.v. in Zeeland, aan den Hoek van Holland, bij Calantsoog +en op de Noordzee-eilanden. Ieder nest bevat 2, hoogstens 3 eieren, +die op witten, roestgeelachtigen of groenachtig witten grond met +bleekviolette onder-, bruine middel- en donkerbruine bovenvlekken +van zeer verschillenden vorm geteekend zijn; het broeden duurt drie +weken; de jongen verlaten schielijk het nest. + +Naumann verhaalt, dat het eiland Norderoog, waar hij het broeden +der Groote Zeezwaluwen heeft nagegaan, op eenigen afstand beschouwd, +er uitzag, alsof het met sneeuw bedekt was, wegens het groot aantal +Vogels op het strand, en als een lange, witte streep scherp afstak +bij de donkere golven der zee. Door een man, die zich met eierenzoeken +bezig hield, opgeschrikt, vloog de geheele, ontelbare zwerm plotseling +op en vormde een onafzienbare wolk, welker bestanddeelen zich vlug +heen en weer bewogen en op vreemdsoortige wijze door elkander heen +wriemelden. Als men zich op de broedplaatsen begeeft, vliegen +de Vogels laag bij den grond langs om de rustverstoorders heen; +tallooze exemplaren verduisteren de lucht, men geraakt verbijsterd +door hunne doordringende, krijschende stemmen. Terwijl men langzaam +en voorzichtig met ter aarde gerichte blikken tusschen de dicht bij +elkander gelegen nesten doorgaat, en zich moeite geeft om op geen der +eieren te trappen, worden de Vogels zoo driest en fladderen zoo dicht +bij den onderzoeker langs, dat zijn hoed of hoofd niet zelden met hunne +vleugels in aanraking komt. Intusschen vallen hunne uitwerpselen zoo +dicht bij hem neer, dat zijne kleeren er later uitzien, alsof zij +met kalk bespat werden. De Vogels vliegen zoo dicht naast en boven +elkander, dat de vleugels van den eenen met hoorbaar geklepper tegen +die van de andere stuiten. + +Meer dan de andere inheemsche Zeezwaluwen gelijkt deze door aard en +levenswijze op de Reuzenstern, met dit onderscheid, dat zij alleen +op Visschen en niet op Vogels jacht maakt en ook hunne nesten niet +uitplundert. + + + +Het Vischdiefje, ook wel Splitstaart en Starre, op Texel Middelstar, in +Groningen Ikstern en Sterentje, in Friesland Stins, op Ameland Stans, +op Terschelling Kobus en Jacobus, bij Oirschot Groote Venkraai genoemd +(Sterna hirundo), heeft een dunnen, eenigszins gekromden, in dwarse +richting tamelijk afgeronden snavel, die niet langer is dan de kop, +zeer korte pooten met korte teenen en een 8 cM. diep gevorkten staart, +waarachter de vleugelspitsen uitsteken. De bovenkop en de nek zijn +zwart, de mantel en de schouders blauwachtig aschgrauw, de zijden van +den kop, de hals, de staartwortel en alle onderdeelen wit, de slag- +en stuurpennen op de buitenvlag blauwgrijs, op de binnenvlag wit. De +oogen zijn donkerbruin, de pooten en de snavel koraalrood, de rug +en de spits van den snavel zwartachtig of bruin. Totale lengte 40, +staartlengte 17 cM. + +Het vaderland van het Vischdiefje omvat Europa tot aan den poolcirkel +met een groot deel van Azië en van Noord-Amerika; zijne reizen strekken +zich tot in Zuid-Afrika uit; meer dan andere soorten bewoont deze +rivieren en zoetwatermeren. In ons land komt het Vischdiefje gemiddeld +20 April en vertrekt in September; het broedt koloniesgewijs in duinen, +lage moerassen, hooilanden en op de weilanden; men ziet het overal +langs de binnenwateren vliegen, zelfs boven de grachten der steden. + +In aard en levenswijze komt het Vischdiefje overigens met de andere +Zeezwaluwen overeen. Haar gewone geluid is het bekende "krieè"; +een zacht "kek" of "krek" geeft angst te kennen; deze klank wordt +dikwijls herhaald bij toenemend, en in "kreiïk" veranderd, bij afnemend +gevaar. Bij toorn roept het zoo dikwijls en haastig "krek", dat men de +afzonderlijke geluiden bijna niet meer onderscheiden kan. Als het bij +zijn nest verrast wordt, klinkt zijn geschreeuw als "snirrit snirrit". + +Het wijfje legt in het begin van Juni in een eenvoudige uitholling +van den grond 2 of 3 vuil rosachtig witte eieren, die met paarsachtig +grijze en rood- of zwartbruine vlekken en stippen geteekend zijn. Des +nachts worden zij door het wijfje, over dag tijdelijk ook door +het mannetje bebroed, in de middaguren echter aan de zonnestralen +blootgesteld. De jongen komen binnen 16 of 17 dagen uit den dop, +loopen spoedig uit het nest weg en verbergen zich bij gevaar tusschen +de grootste steenen van den grindgrond of andere oneffenheden; +alleen als de moeder door een schot gedood werd, verraden zij hun +aanwezigheid door een klagend gepiep; na twee weken kunnen zij reeds +fladderen en in de derde week hunne ouders vliegend volgen; eerst +later echter doen zij dit met de behendigheid van de volwassene Vogels. + + + +Enkele malen worden aan onze kust exemplaren gevangen van twee soorten, +die nauw aan het Vischdiefje verwant zijn: De Kustzeezwaluw (Sterna +paradisea Brünnich) komt in grootte nagenoeg geheel met de algemeen +bekende soort overeen, maar heeft een korteren loop (1.5 cM. in plaats +van 2 cM.), roode pooten en een geheel rooden bek. Zij broedt aan +de kusten van de Oostzee en op de Noordzee-eilanden, westwaarts tot +Borkum en bezoekt nimmer de binnenwateren; op hare jaarlijksche reizen +naar de Middellandsche zee en de westkust van Afrika, trekt zij langs +onze kusten, waarop zij bij hevigen noordwestenwind soms aanlandt. + +Dougall's Zeezwaluw (Sterna Dougalli), heeft een langeren, dieper +gevorkten staart. (Totale lengte 45, staartlengte 23 cM.). Zij heeft +gele of roodgele pooten; haar bek is zwart met een weinig kersrood +aan den wortel. Zij broedt aan de oostkust van Engeland, in Norfolk +en op de Farne-eilanden in Northumberland. Eénmaal (in October) zijn +eenige exemplaren van deze soort bij ruw weder aan de Friesche kust +in staltnetten gevangen (Albarda). + + + +Bij de Dwergzeezwaluw, op Texel Kleinstartje, Blauwwaterstartje of +Stare-Klikkie genoemd (Sterna minuta), zijn het voorhoofd tot aan +de oogen, de onderdeelen en de stuurpennen wit, de bovenkop en de +nek zwart, de mantel- en vleugelveeren aschgrauw. Het oog is bruin, +de snavel oranje met zwarte spits, de poot oranje. De vleugelspitsen +steken voorbij den staart uit en deze is 3 cM. diep gevorkt. Zij is de +kleinste soort van de geheele familie. Totale lengte 22, staartlengte +8 cM. + +Haar verbreidingskring strekt zich uit over vier werelddeelen: Azië, +Europa, Afrika en Amerika; noordwaarts tot ongeveer 58, zuidwaarts tot +ongeveer 24 N.B. Zij nestelt in Nederland aan den Hoek van Holland, +bij Calantsoog, op Texel, Ameland en andere eilanden, op groote, buiten +de duinen gelegen, droge zandbanken. Als zij in dezen tijd gestoord +wordt, klinkt haar geschreeuw als "retsj"; hare gewone geluiden komen +veel met die van het Vischdiefje overeen. In Augustus en September, na +den broedtijd, zwerft zij rond en bezoekt dan de binnenwateren, vooral +groote rivieren, zonder echter de zeekust geheel te vermijden. Haar +vertrek en haar aankomst hebben ongeveer ter zelfder tijd plaats als +die van het Vischdiefje. + + + +De Lachzeezwaluw (Gelochelidon anglica, Sterna nilotica), die een +gelijknamig geslacht vertegenwoordigt, vormt in sommige opzichten +een overgang van de Sterns tot de Meeuwen. Haar snavel is merkbaar +gebogen, even lang als de loop, korter dan de kop; de kleine, met +sterk uitgesneden zwemvliezen voorziene poot is slank en hoog, de +staart kort en betrekkelijk ondiep gevorkt. De bovenkop en de nek zijn +donker glanzig zwart, de mantel en de vleugeldekveeren licht aschgrauw, +de zijden van den hals en alle onderdeelen wit; de handpennen hebben +witte schaften, zijn op de buitenvlag licht, op de binnenvlag donker +aschgrauw, met breede witte randen; de armpennen, die van de eerste +tot de laatste lichter van kleur worden, zijn blauwachtig witgrijs, +aan de spits wit gezoomd; de staartveeren hebben dezelfde kleur; +de buitenste is op de buitenvlag bijna zuiver wit. Het oog is bruin, +de snavel en de pooten zijn zwart. In het winterkleed hebben kop en +nek een grijswitte kleur. Totale lengte 40, staartlengte 13 cM. + +De Lachzeezwaluw, hoewel alle werelddeelen bewonend, ontbreekt in +'t noorden geheel; hare broedplaatsen zijn uitsluitend in het midden +en het zuiden van de beide noordelijke faunistische Rijken gelegen; +in geringer aantal komt zij voor op kleine eilanden van de Oostzee +en sommige meren van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije, veelvuldig +echter in Zuid-Europa, Middel-Azië, Noord-Afrika, het zuiden van de +Vereenigde Staten en Middel-Amerika. De reizen, die zij ieder jaar +onderneemt, voeren haar naar het binnenland van Afrika, Zuid-Azië, +Australië en de zuidspits van Amerika. Meer dan eenige andere Zeezwaluw +is zij een landvogel, die ook wel van groote stroomen en zeekusten als +heerwegen gebruik maakt, maar toch zeer dikwijls het water verlaat en +ver in het binnenland rondzwerft. Op den trek bezoekt zij de steppen +en zelfs de woestijnen, evenals bij ons de velden en weiden. Tweemaal +(Aug. 1838 en Mei 1896) werd in Nederland een exemplaar van deze soort +gevangen (bij het Brazemermeer in Zuid Holland en te Kloosterburen +in Groningen). In vele opzichten herinnert haar levenswijze aan die +der Meeuwen en meer bepaaldelijk van de Kapmeeuw. Evenals deze kiest +zij tot broedplaats en winterverblijf de oevers van meren, moerassen +en dergelijke binnenwateren en gaat van hier op roof uit. Terwijl +zij afwisselend boven het water en boven het land zweeft, worden de +hals en de kop recht naar voren gestrekt en is de snavel dus niet +naar beneden gericht. Hoewel zij nu en dan een vischje buit maakt, +zijn toch Insecten, vooral Sprinkhanen, Libellen, Vlinders, groote +Kevers, de zittende zoowel als de vliegende, het hoofddoel van haar +jacht; zij volgt den ploegenden landman om engerlingen uit de voren +op te pikken; verschijnt met Valken, Wouwen, Berghanen (Helotarsus +ecaudatus), Bijenvreters, Vorkstaartpluvieren en Ooievaars vóór de +vuurlijn van den steppenbrand en stort zich hier, gelijk Heuglin heeft +opgemerkt, even behendig als vermetel door de dichtste rookwolken +heen op haar prooi; ook bezoekt zij de broedplaatsen der Strandvogels, +zelfs die van hare verwanten, en ontrooft hun, gelijk Schilling heeft +aangetoond, de eieren en de jongen. Dergelijke handelingen zou men +eerder van Meeuwen dan van Zeezwaluwen verwachten. Zelfs haar stem, +een lachend geschreeuw, dat als "hè, hè, hè" of "ef, ef, ef" klinkt, +herinnert aan die der Meeuwen. + + + +De Moeraszeezwaluwen (Hydrochelidon) zijn forsch gebouwd, maar +fraai van gestalte; zij hebben een zwakken snavel; lange teenen, +welker zwemvliezen diep uitgesneden zijn, zeer lange vleugels, +een betrekkelijk korten, ondiep gevorkten staart en een dicht, +zacht vederenkleed, dat al naar het jaargetijde en den leeftijd niet +onbelangrijk verschilt, maar waarin gedurende den broedtijd donker +fluweelachtig zwart de overhand heeft. + + + +De Zwarte Zeezwaluw of Rietzwaluw, in Groningen Zwarte Ikstern, +Bruinsteren en Zwartsteren, op Texel Zwarte star of Blauwstar, +in Friesland Blauwe Stins of Schierstins, in Zuid-Holland Zwarte +Vischdief, bij Oirschot Venkraai geheeten (Hydrochelidon nigra), +heeft den kop en den nek, de borst en het midden van den buik +fluweelachtig zwart, den mantel blauwgrijs. Het oog is bruin, de snavel +aan den wortel rood, overigens grauwzwart, de voet bruinrood. In het +winterkleed zijn alleen de achterkop en de nek zwart, het voorhoofd en +de overige onderdeelen echter wit; in het jeugdkleed hebben de veeren +van den mantel en de vleugeldekveeren roestgele zoomen. Totale lengte +26, staartlengte 8 cM. + + + +De Witvleugelige Moeraszeezwaluw (Hydrochelidon leucoptera) is +bijna even groot. De veeren van den romp zijn donker fluweelachtig +zwart, de vleugels van boven blauwgrijs (de schouder en de toppen +der armpennen echter grijswit), van onderen wit, de staartwortel +en de stuurpennen wit. De snavel is kersrood, aan de spits zwart, +de voet rood. Totale lengte 27, staartlengte 8 cM. + + + +De Witbaard-moeraszeezwaluw (Hydrochelidon hybrida) is de grootste +soort van haar geslacht (totale lengte 28, staartlengte 8 cM.). De +donkerzwarte bovenkop en nek zijn door een breede, witachtige +teugelstreep gescheiden van den donkergrijsblauwen onderhals; de +borst is zwart, de mantel lichtgrijs, de buik grijswit. + +Het broedgebied van al deze soorten is gelegen in de gematigde gewesten +van de beide noordelijke faunistische Rijken. De eerstgenoemde +broedt ook in ons land, terwijl de beide overige hier niet en in +Duitschland zelden voorkomen. De Rietzwaluw komt met de Zeezwaluwen +bij ons aan en trekt ongeveer terzelfder tijd naar 't zuiden; zij +vestigt zich echter niet aan de zeekust of aan rivieren en stroomen, +maar in uitgestrekte broeklanden en moerassen, dus uitsluitend bij +stilstaand water. Gedurende de reis vormt zij vluchten van 20 à 1000 +stuks, die de stroomen volgen; in hun nabijheid houdt zij zich geruimen +tijd op bij plaatsen, waar het water buiten de oevers getreden is en +het omliggende land in een moeras veranderd heeft; voor 't overige +vermijdt zij de zee en de rivieren. + +Van de andere Sterns onderscheiden de Moeraszeezwaluwen zich niet +alleen door haar woonplaats, maar ook door de wijze waarop zij +zich bewegen, voeden en voortplanten. Zij loopen even zelden en +even slecht als de overige, zwemmen zelden en niet beter dan zij, +vliegen minder onstuimig en niet zoo zwaaiend, maar zachter en losser, +daarom bevalliger en met meer afwisseling, zoodat zij een aangenaam +schouwspel opleveren. Hevige wind of storm maken haar het vliegen bijna +onmogelijk, omdat hare vleugels nog meer dan die van hare verwanten +buiten alle verhouding tot het kleine lichaam en de zwakke krachten +schijnen te staan. Hun voedsel bestaat uit allerlei water-insecten +en Spinnen. + +De Moeraszeezwaluwen nestelen te midden van het moeras; doch doen +dit steeds op een geheel andere wijze dan de overige Sternvogels. Zij +bouwen haar nest op zeer kunstlooze wijze van bladen, halmen, pluimen, +worteltjes enz. tusschen waterplanten, zoodat het veelal direct op +het water rust. In Juni legt de inheemsche soort hare drie eieren; +deze zijn op geel of groenachtig olijfkleurigen grond, bruingrijs, +rood en zwartbruin gevlekt. + +In Italië wordt ook op deze Vogels jacht gemaakt. + + + +Van de uitheemsche Sterns, die zich door haar levenswijze +onderscheiden, verdient de Feeënzeezwaluw (Gygis alba) vermelding, +de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht. Zij is slank gebouwd, +haar zilverwit kleed is als zijde zoo zacht, hare oogen zijn zwart, +de pooten saffraangeel; de snavel is aan den wortel donkerblauw, +aan de spits zwart. Totale lengte ongeveer 30, staartlengte 9 cM. + +Deze door schoonheid uitmuntende Vogel bewoont de tusschen de +tropen gelegen eilanden van Polynesië en van den Indischen Oceaan, +maar dwaalt soms af naar den Atlantischen Oceaan; ook hier echter +overschrijdt hij in den regel de keerkringen niet. Op de kusten +van alle eilanden binnen den genoemden aardgordel komt hij in +grooten getale voor. Aan de zuiver witte kleur van zijn kleed en +aan zijn bevallige wijze van vliegen dankt hij zijn naam. Ook zijn +levenswijze is merkwaardig. Tot rustplaats kiest hij bij voorkeur +dichte, schaduwrijke wouden, waar hij zich op boomen neerzet. Prachtig +steekt zijn wit gevederte af bij het donkergroene loover, wanneer hij +behendig tusschen de boomen rondvliegt, o.a. bij het vervolgen van +een indringer in zijn heiligdom. Het wijfje legt slechts één ei op +een horizontalen tak en wel op een plaats, die juist vlak genoeg is +om te voorkomen, dat de storm het legsel naar beneden werpt. Het jong +blijft op deze gevaarlijke plaats, totdat het heeft leeren fladderen, +voor zoover het ontkomt aan het niet zelden dreigend gevaar van, naar +beneden tuimelend, den dood te vinden. De jongen worden grootgebracht +met vischjes, misschien ook wel met Insecten en Spinnen, die in de +boomkroon gezocht zijn. + + + +In soortgelijke betrekking als de Uilen tot de Scharrelaars, staan de +Schaarbekken (Rhynchopsinae) tot de Sterns: zij zijn nachtvogels. Hun +snavel, welks onderkaak ver voorbij de bovenkaak uitsteekt, is reeds +bij den wortel zoo buitengewoon smal, dat de beide kaken met de beide +bladen van een schaar vergeleken kunnen worden. De betrekkelijk lange, +vettige veeren liggen dicht tegen het lichaam aan. + +Aan den middelloop en den bovenloop van den Nijl ontmoet men een soort, +die wij kortweg Schaarbek zullen noemen (Rhynchops flavirostris). Bij +dezen zijn het voorhoofd, het aangezicht, de staart en de onderdeelen +benevens de spitsen van de groote vleugeldekveeren wit, de bovenkop, de +achterhals, de nek en de mantel zwartbruin. Het oog is donkerbruin, de +snavel geel, de voet koraalrood. Totale lengte 45, staartlengte 7 cM. + +[Een andere soort (met gelen bek en witten halsband: Rhynchops +albicollis) bewoont Indië, de derde (met rooden, aan de spits zwarten +snavel: Rhynchops nigra) Amerika.] + +De Schaarbek vliegt over dag even goed als 's nachts, maar doet dit +alleen, wanneer hij opgeschrikt wordt. Gewoonlijk ligt hij bewegingloos +op een zandbank; meestal plat op den buik, zeldzamer op de kleine, +zwakke pootjes rustend. Tegen zonsondergang, bij donker weer ook +reeds in de late namiddaguren, wordt hij wakker, beweegt zich en rekt +zich uit, heft de vleugels op en begint heen en weer te trippelen +en te schreeuwen; als de nacht is aangevangen, vliegt hij uit om +voedsel te zoeken. Pechuel-Loesche zag hem trouwens in Neder-Guinea +hiermede ook over dag bezig. Met langzame vleugelslagen glijdt hij, +zonder gedruisch te maken, op korten afstand boven den waterspiegel, +van tijd tot tijd den ondersnavel verscheidene minuten achtereen in +'t water houdend en dit op deze wijze doorploegend; intusschen vangt +hij de Insecten, die aan de oppervlakte zwemmen; deze maken, althans +in de Nijllanden, zijn voornaamste voedsel uit. + + + +De Meeuwen (Larinae) zijn goed gebouwde krachtige Vogels van zeer +verschillende grootte, daar de kleinste soort nauwelijks een Kauw +in omvang overtreft, terwijl de grootste in dit opzicht een Arend +evenaart. Haar romp is forsch ontwikkeld, de snavel middelmatig lang, +zijdelings sterk samengedrukt, tot aan het midden van den rug recht, +van hier af flauw haakvormig naar beneden gebogen; de middelmatig hooge +voet heeft een slanken loop en zwemvliezen tusschen de voorteenen; +de vleugel is groot, lang en breed, hoewel smal toegespitst; de +middelmatig lange, breede staart bestaat uit 12 pennen en is aan +den top recht, zeldzamer ondiep uitgesneden; het zeer dichte, +maar zachte vederenkleed heeft op de onderdeelen het voorkomen +van een vacht; het vertoont teere en bevallige, over 't algemeen +overeenstemmende kleuren, die in den zomer en in den winter, bij +jongen en bij volwassenen meestal verschillen. + +Men onderscheidt ongeveer 85 soorten van Meeuwen, die over alle +deelen der aarde verbreid zijn, en alle zeeën verlevendigen. Weinige +soorten verwijderen zich ver van het land; zij die het doen, keeren +altijd spoedig weer terug; eigenlijk moet men ze dus als kustvogels +aanmerken. Voor den schipper zijn zij de betrouwbaarste voorboden +van het land: als zij om een vaartuig heenvliegen, is het land niet +meer veraf. Liever dan naar de open zee vliegen zij tot diep in +het binnenland, waarbij zij den loop van groote stroomen volgen, +of zich van het eene water naar het andere begeven. Enkele soorten +geven trouwens de voorkeur aan binnenwateren en kiezen deze tot +verblijfplaats, althans gedurende den voortplantingstijd. Vele +soorten behooren tot de trekvogels, verschijnen in hun noordelijk +gelegen vaderland, als de lente gekomen is, broeden en begeven zich +in 't najaar weer op de terugreis, andere zwerven meer of minder +geregeld rond. Deze veranderingen van verblijfplaats hangen ten nauwste +samen met de voeding. Voor alle Meeuwen zijn Visschen een zeer gewild +voedsel; vele van hen behooren echter tot de ijverigste insectenjagers; +juist deze zijn gedwongen om geregeld te trekken, terwijl de overige +op plaatsen, waar de zee niet met ijs bedekt wordt, ook 's winters +nog een welvoorzienen disch vinden. Behalve op deze beide voornaamste +voedingsmiddelen maken zij jacht op alle kleine dieren, die de zee +bewonen en zoeken allerlei andere dierlijke stoffen op. Zij eten +aas als de Gieren, vervolgen een levenden buit als de Roofvogels en +zoeken het op 't strand liggende voedsel bijeen als de Duiven of de +Hoenderen, kortom zij zijn even veelzijdig als de Raven, maar gretiger +en vraatzuchtiger dan deze; ook zij worden, naar 't schijnt, door +een voortdurenden honger gekweld en zijn letterlijk niet te verzadigen. + +Bevallig zijn haar gestalte en haar kleur, lieftallig hare bewegingen, +ook de werkzaamheid der Meeuwen is aantrekkelijk. Haar houding op den +vasten grond noemen wij edel, omdat zij een zekere fierheid verraadt; +zij gaan goed en betrekkelijk snel. Haar bekwaamheid in 't zwemmen +overtreft die van de meeste overige leden harer orde: licht als ballen +schuim rusten zij op de golven, met welker sombere tinten hare heldere +kleuren zulk een levendige tegenstelling vormen, dat de indruk, +dien het zeegezicht wekt, er niet weinig door verhoogd wordt. Zij +vliegen met langzame vleugelslagen, maar wisselen deze beweging +dikwijls af met een langdurig drijven op hare wieken; zij doen dit +zonder merkbare inspanning, als 't ware spelenderwijs, en herinneren +dan door lichtheid en schoonheid van houding aan de breedvleugelige +Valken. Minder goed dan de Zeezwaluwen verstaan zij de kunst om, +boven het water zwevend, den gewenschten buit op te sporen en, uit +de lucht er op neerschietend, hem te vangen. Wanluidend is haar stem, +welker krijschende en krassende tonen in verschillende toestanden met +meer of minder kracht uitgestooten en bij hevige gemoedsbewegingen +eindeloos vaak herhaald worden. Onder hare zintuigen zijn die van +het gezicht en van het gehoor het hoogst ontwikkeld. + +Alle Meeuwen zijn schrandere, verstandige Vogels, die de omstandigheden +goed weten te beoordeelen en hare handelingen hiervan laten afhangen; +alle zijn moedig bij ontmoetingen met andere dieren; zij toonen +zelfvertrouwen, eenige neiging tot heerschen, en een trouwe liefde +voor gade en kroost; zij zijn op het gezelschap hunner soortgenooten +gesteld, maar nijdig, afgunstig en wantrouwig jegens andere Vogels; +zonder aarzeling wordt de schijnbaar aanwezige vriendschap verbroken, +wanneer deze in strijd geraakt met de vraatzucht. Den mensch wantrouwen +zij allerwege en in alle omstandigheden; toch verschijnen zij telkens +weer in zijn nabijheid, bezoeken iedere haven, ieder dorp aan de +kust, vliegen om ieder schip, dat in zee gaat of het land nadert, en +wagen zich zoo ver, als in 't gegeven geval raadzaam schijnt, omdat +zij door ervaring geleerd hebben, dat het afval uit de huishouding +van den mensch voor hen nog veel bruikbaars bevat. Na veelvuldig +herhaalde bezoeken aan bewoonde oorden leeren zij niet slechts deze, +maar ook enkele daar levende personen onderscheiden. Zij toonen daarom +op plaatsen, waar zij dikwijls en ongestoord iets buit hebben gemaakt, +een zeer groote gemeenzaamheid of liever driestheid; daarentegen worden +die, waar zij een onaangename bejegening ondervonden, vermeden of met +groote omzichtigheid bezocht. Een Meeuw, die op een of andere wijze +benadeeld werd, is gewoon van zijn ervaring mededeeling te doen aan +al zijne metgezellen. Over 't algemeen heerscht onder hen de beste +verstandhouding, wanneer het er op aankomt zich te verzetten tegen +een gevaar, dat allen bedreigt: Roofvogels, Roofmeeuwen en Raven +of Kraaien worden door alle Meeuwen uit de buurt te gelijker tijd +aangevallen en gewoonlijk op de vlucht geslagen. + +Buiten den broedtijd kan het voorkomen, dat men oude Meeuwen +alleen ziet, gedurende den broedtijd echter vereenigen de leden +van iedere soort zich tot troepen, die niet zelden tot ontelbare +zwermen aangroeien. Reeds in Nederland en Noord-Duitschland vindt +men "meeuwenbergen", die door verscheidene honderden paren bewoond +worden; in noordelijker gewesten komen koloniën voor, waarvan het +aantal bewoners zelfs niet bij benadering te bepalen is. Ook hier +blijven de leden van groote soorten minder nauw aaneengesloten dan de +kleinere vertegenwoordigers van de familie; deze echter bedekken in +den letterlijken zin van 't woord geheele rotswanden of bergen, maken +gebruik van iedere hier aanwezige ruimte en plaatsen het eene nest +dicht bij het andere, zoodat de broedende ouders dicht opeengedrongen +zitten. De voorbereidende werkzaamheden verschillen in verband met de +plaatselijke gesteldheid; daar, waar geen gebrek is aan bouwstoffen, +wordt aan het nest eenige moeite besteed; het is dan van water- en +strandplanten los en kunsteloos samengevoegd; daar, waar zulke stoffen +ontbreken, is de inrichting zoo eenvoudig mogelijk. Het nest bevat, als +'t broeden begint, 2 à 4 groote eieren van gewonen vorm; hun dikke, +grofkorrelige schaal is op vuil-groenachtigen, bruingroenachtigen +of groenachtig bruinen grond aschgrauw en zwartbruin gevlekt. Het +mannetje en het wijfje broeden beurtelings gedurende 3 of 4 weken, +bij slecht weer ijveriger dan bij zonneschijn. Beide ouders toonen +een buitengewone gehechtheid aan hun kroost; zoodra het gevaar loopt, +vergeten zij de zorg voor eigen veiligheid. De jongen komen in een +dicht, gevlekt, donzig kleed uit de eischaal; op plaatsen, waar zulks +mogelijk is, verlaten zij reeds in de eerste levensdagen het nest en +houden zich verder op het strand op, waar zij zich ingeval van nood +tusschen de oneffenheden van den bodem verbergen, of in het water hun +toevlucht zoeken; zij, die op uitstekende punten van steile rotsen het +eerste levenslicht aanschouwden, moeten echter hier blijven, totdat +hunne slagpennen zich ontwikkeld hebben. Aanvankelijk krijgen de jongen +half verteerd voedsel, dat de ouders voor hen uitbraken; later worden +zij met versch gevangene of opgegaarde dierlijke stoffen gevoed. Na +het uitvliegen blijven zij nog eenigen tijd bij hunne ouders, verlaten +de broedplaatsen en verstrooien zich in alle richtingen. + +In het hooge noorden rekent men de Meeuwen niet slechts tot de +schoonste, maar ook tot de nuttigste Vogels der aarde. Voor eenige +grondeigenaars van Noorwegen bestaat een belangrijk deel van de +opbrengst hunner bezitting uit meeuweneieren; deze worden overal +heen verzonden en betrekkelijk duur betaald. Meeuwenveeren vervangen +bij de arme Nordlanders het eiderdons en de ganzeveeren, die door +de rijkere bewoners als vulsel van bedden worden gebruikt. Van het +vleesch der oude Meeuwen maken slechts eenige van de noordelijkste +volken gebruik. Jonge Meeuwen echter worden op Helgoland, IJsland +enz. gaarne gegeten en leveren na een behoorlijke toebereiding ook +werkelijk een smakelijk gerecht; overal echter wordt meer prijs gesteld +op de eieren en de veeren dan op het vleesch dezer Vogels. In eenige +streken worden ieder jaar groote meeuwenjachten gehouden, meer uit +moordlust, dan om het voordeel, dat deze dieren kunnen opleveren; +in de noordelijkere gewesten vervolgt men ze evenwel niet. Een omhoog +geworpen witte zakdoek is voldoende om een Meeuw aan te lokken. Als +men er eerst één heeft gedood, komen spoedig vele andere aanvliegen, +daar iedere Meeuw, die een wit voorwerp boven uit de lucht naar beneden +in 't water ziet storten, meent, dat op deze plek een goede vangst +te maken is; zij begeeft zich uit jaloezie naar hier om er een deel +van te verkrijgen. De vangst heeft op verschillende wijzen plaats: +men zet strikken op de zandbanken, voorziet netten met Visschen als +lokaas, werpt hoeklijnen uit, waaraan een stuk spijs bevestigd is en +bereikt op deze of op gene wijze het beoogde doel. De levend gevangen +Vogels kan men gemakkelijk in 't leven houden; zij zijn echter dure +kostgangers, daar men hen met Visschen of vleesch moet voeden om +hunne behoeften te bevredigen. Indien dit geschiedt, schikken zij zich +spoedig in hun lot, geraken gewoon aan de kooi en aan hun verzorger, +weten hem zeer goed te onderscheiden van andere menschen, begroeten +hem met vroolijk geschreeuw, zoodra hij zich vertoont, antwoorden, +wanneer hij hen roept, kortom, worden bijna even tam als een Raaf; +ook planten zij zich in de gevangenschap voort, wanneer men hun een +groote kooi tot woonplaats geeft. + + + +Het soortenrijkste geslacht van de geheele onderfamilie is dat der +Meeuwen i.e.z. (Larus). Deze hebben een forschen snavel zonder washuid +en met haakvormige spits, langwerpige, spleetvormige neusgaten in +'t midden van den bovensnavel; de eerste handpen is de langste, de +staart recht afgesneden, de loop bijna zoo lang als de middelste teen; +de achterteen is aanwezig.--Verreweg de meeste en tevens de grootste +en krachtigst ontwikkelde van de 60 leden van dit geslacht behooren +tot de groep der Zeemeeuwen. Bij deze is het verschil tusschen het +zomerkleed en het winterkleed gering; hun kop is zoowel 's zomers +als 's winters wit. De jongen zijn meestal bruinachtig van kleur, +de ouden wit met grijze of blauwachtig zwarte vleugels en rug. Zij +houden zich meer uitsluitend aan de zeekust op en verrichten hier met +de Stormvogels en de Albatrossen hetzelfde werk als de Gieren op het +land: zij verslinden n.l. allerlei dierlijke overblijfselen. + + + +Een der grootste soorten is de Burgemeester (Larus glaucus), die in +'t hooge noorden broedt, doch in December en Januari niet zeldzaam +is aan onze kust (voor 't meerendeel zijn dit Vogels in 't eerste +levensjaar). De mantel en de rug zijn teer blauwgrijs, de groote +slagpennen licht blauwachtig grijs, alle overige deelen wit. De +vleugels reiken bijna niet voorbij den staart. Het oog is stroogeel, +de snavel citroengeel, de hoek van de onderkaak met een roode, +overlangsche vlek versierd, de voet lichtgeel. Totale lengte 75, +staartlengte 22 cM. Het winterkleed is aan den hals flauw bruinachtig +gevlekt. + + + +De Kleine Burgemeester (Larus leucopterus), die 's winters zeer zelden +op onze kust voorkomt, verschilt van de vorige soort door geringere +grootte en langere vleugels (5 cM. voorbij den staart uitstekend), +voorts door de zuiver witte handpennen en de roodachtige voeten. Totale +lengte 65, staartlengte 19 cM. + + + +Van de beide vorige soorten verschilt de Zilvermeeuw, in Groningen +ook Kaap en Kobbe genoemd (Larus argentatus), door den iets donkerder +gekleurden, blauwachtig grijzen mantel; dezelfde kleur hebben de +vleugels. De schouderveeren en groote bovenvleugeldekveeren zijn echter +aan 't einde wit gezoomd, de beide eerste handpennen nagenoeg geheel +zwart en op de witte spits met een zwarten band geteekend, de volgende +grootendeels en in toenemende mate grijs, doch vóór de witte spits +zwart. De snavel is geel, de voet geelachtig vleeschkleurig. Totale +lengte 65, staartlengte 18 cM. In den winter zijn de kop en de hals +grijsbruin gevlekt. + +Het broedgebied van deze soort omvat bezuiden den evenaar de Poolzee +en in 't noorder halfrond deelen van de Oude en van de Nieuwe Wereld, +het reikt in Amerika van Labrador tot Cuba, in Europa van 71° N. B. tot +de Middellandsche Zee; talrijk broedt zij in Europa aan de kusten van +de Noordzee. Aan onze kust gedurende het geheele jaar zeer gemeen, +nestelt zij in de duinen, vooral van de Noordzee-eilanden en wel +het meest op Rottum; een dergelijke broedkolonie komt voor op het +eiland Sylt. Op haar winterreis bezoekt zij alle Europeesche kusten, +ook die van de Middellandsche en Zwarte Zee en dringt dikwijls ver in +'t binnenland door. In Noord-Amerika nestelen soms geheele koloniën op +boomen, soms wel 12 M. boven den grond. Hare eieren zijn olijfgroen, +met grijze en bruine vlekken. + + + +De Kleine Zeemeeuw, Stormmeeuw, Wintermeeuw of Zeekob (Larus canus) +broedt in 't Noorden van de Oude Wereld en is van October tot +April zeer talrijk op onze kust. Zij begeeft zich dan ook langs +de binnenwateren, zelfs ziet men haar langs de grachten der groote +steden vliegen. Bij stormachtig weer komt zij in groote vluchten diep +landwaarts, waar zij soms op boomen zittend wordt aangetroffen. Zij +volgt ook gaarne den ploeg, en verslindt zeer vele, zoowel levende als +doode Muizen in de weilanden. Te Amsterdam overwintert zij gewoonlijk +in grooten getale. Ook in het zomerhalfjaar is zij hier vrij gemeen, +zonder er echter te broeden. Vroeger broedde een kleine kolonie +op Texel, doch thans niet meer (Albarda). + +Zij heeft ongeveer dezelfde kleuren als de vorige soort, maar verschilt +er o.a. van door de verdeeling van het wit en het zwart over de eerste +handpennen (van de 1e en de 2e is de spits zwart). Totale lengte 45, +staartlengte 14 cM. Hare eieren zijn okergeel met grijze en bruine +vlekken. + + + +Van de Meeuwen met donkere bovendeelen is de Mantelmeeuw, in Groningen +Zeekaag, op Texel Kokmeeuw genoemd (Larus marinus), de grootste. De +kop, de hals en de nek, de geheele onderzijde, de onderrug en de +staart zijn schitterend wit, de bovenrug en de vleugels leikleurig +blauwzwart, de spitsen van de slagpennen wit. Het oog is zilvergrijs, +de oogring vermiljoenrood, de snavel geel met een hoogroode vlek aan +de onderkaak vóór de spits, de voet licht grijsgeel. Totale lengte 73, +staartlengte 20 cM. + +Het noorden van de aarde tusschen 60 en 70° N.B. is het vaderland van +deze Meeuw. Bij ons broedt zij niet. Gedurende den winter bezoekt zij +geregeld de kusten van de Noord- en Oostzee, zwerft langs de kust ook +naar Zuid-Europa en nog verder zuidwaarts. Van September tot Mei is +zij zeer algemeen aan onze kust; jonge Vogels vindt men hier reeds +gedurende den zomer, soms ook oude (waarschijnlijk zulke, welker in +noordelijker streken gelegen nest verstoord werd); zij broedt hier +echter niet. Onder hare verwanten is zij, in overeenstemming met +haar grootte, een van de ernstigste en bedaardste; toch kan men haar +zoomin naar het lichaam als naar den geest traag noemen; integendeel +zij houdt van beweging en bedrijvigheid. Haar stem klinkt diep en +heesch als "ach-ach-ach", in opgewonden toestand als "kjau", welk +geluid op zeer verschillende wijzen geïntoneerd kan worden. Visschen +van verschillende grootte maken haar voornaamste voedsel uit; lijken +van Zoogdieren zijn voor haar een zeer gewilde spijs; ook vangt zij +Lemmingen, jonge en zieke Vogels, rooft de eieren van de zwakkere +zeevogels en zoekt aan 't strand allerlei Wormen en andere kleine +dieren op. Als de schaal of schelp van haar buit te hard is, vliegt +zij er mede omhoog en laat hem van een aanzienlijke hoogte op de rotsen +te pletter vallen. In de gevangenschap geraakt zij spoedig gewoon aan +'t eten van brood en beschouwt dit ten slotte als een lekkernij. + + + +De Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus) gelijkt nagenoeg volkomen op de +vorige soort behalve wat de grootte betreft; de vleugels steken bij +haar iets verder voorbij den staart uit, de witte banden aan de spits +van de slagpennen zijn smaller, de pooten zijn geel. Totale lengte 60, +staartlengte 15 cM. + +Zij broedt in het noorden van Europa en zelfs in Groot-Britannië, +maar niet aan onze kusten, waar zij echter soms in menigte en reeds +in September aankomt om verder te trekken of hier te overwinteren. Ook +in de Zuiderzee komt zij voor en vergezelt er de haringscholen. + + + +Kapmeeuwen (Chroicocephalus) noemt men die soorten, welke in het +zomerkleed den kop en den bovenhals min of meer donker gekleurd +hebben. Zij houden zich bij voorkeur in de nabijheid van binnenwateren +op en maken dikwijls haar nest tusschen waterplanten. + +De verst verbreide en meest algemeen bekende soort van deze groep is +de Kokmeeuw, Kapmeeuw of Lachmeeuw, in Friesland Kob genaamd [Larus +(Chroicocephalus) ridibundus]. De bovenkop en de voorhals zijn +roetbruin, de nek, de onderdeelen, de staart en de slagpennen tot +dicht bij de spits wit, de mantelveeren licht blauwgrijs, de spitsen +van de slagpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de ooglidrand rood, +de snavel en de voet karmijnrood. In het winterkleed ontbreekt de +kap. Totale lengte 42, staartlengte 13 cM. + +Zij bewoont een groot deel van Europa, Azië en Afrika en houdt +zich hier te lande op van Maart tot October. Zij broedt in koloniën +op moerassige plaatsen, nabij meren en plassen, in Zeeland aan de +binnenzijde der duinen, alsmede op de eilanden. Na den broedtijd, +in September, verlaat zij het binnenland, overwintert in grooten +getale aan de kust en is in dit jaargetijde met de Kleine Zeemeeuw +talrijk boven de binnengrachten van Amsterdam (Albarda). + + + +De Kleine Kokmeeuw [Larus (Chroicocephalus) capistratus], misschien +slechts een verscheidenheid van de vorige soort, is een weinig kleiner +en zwakker dan deze, ook zijn de bek en de pooten donkerder rood. Nu +en dan komt zij op den voorjaarstrek in kleine vluchten tot ons over; +des zomers speelt zij de rol van onze Kokmeeuw in Schotland en Ierland. + +Een bekoorlijke Vogel is de Dwergmeeuw [Larus (Chroicocephalus) +minutus], de kleinste van alle bekende Meeuwen. Haar kop is donker +roetzwart, de mantel teer licht blauwgrijs, de nek wit, de onderzijde +wit met een rozerood waas, de staart wit; de licht blauwgrijze +slagpennen hebben breede, witte spitsen. In het winterkleed is de kap +slechts flauw te onderscheiden en de onderzijde wit. Het oog is bruin, +de snavel zwartachtig rood, de voet koraalrood. Totale lengte 28, +staartlengte 9 cM. + +Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en West-Siberië +aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter Zuid-Azië, +Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele exemplaren van +deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in enkele jaren, +vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, zonder er te +vertoeven. "Naar het schijnt, heeft deze soort vroeger aan den Hoek +van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan zee doet, zal het +waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar bestaand meertje, hetwelk +later is verdwenen. Al mijne pogingen om van daar, van Calantsoog +of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren vruchteloos, zoodat +ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot onze broedvogels +behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen meer in Europa, +dan westelijk van de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen." (Albarda). + + + +De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld +kan geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen, +wordt in Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen +aangetroffen. Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans: +de toenemende bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit +vele gewesten, die zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In +Zuid-Europa blijft zij het geheele jaar door bij hare broedplaatsen; +ons vaderland verlaat zij reeds in September om in Maart terug +te keeren uit het Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter +doorbrengt. De zee bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt +het zelden voor, dat de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust +broeden. Het liefst vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers +omgeven is. Steeds broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die +in den regel uit honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat +de nesten in een kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen +zijn. In Friesland worden in deze koloniën, "kobbevlechten" genaamd, +de eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels één +ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats verlaten (Albarda). + +De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de +binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats, +die ieder paar zal innemen, worden de nesten gebouwd op kleine, door +open water of door moerassig land omgeven pollen riet of biezen, +rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, soms ook in het +moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk toegankelijke +plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras een kuiltje +gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. opgehoopt en deze +met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 of 3, zelden +4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig olijfgroen en met +bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang in het begin +van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; 's nachts +zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de middaguren wordt de +zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 dagen uit den dop +komen, zijn drie à vier weken later in staat om te vliegen. Indien het +nest door water omgeven is, verlaten zij het in de eerste levensdagen +niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al spoedig naar buiten, +maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De jongen, die een +week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; in de tweede +week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen zij zich +tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate bezorgd +voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend gevaar. Iedere +Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, iedere Reiger +brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid geschreeuw +vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de nesten om met +de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan te wenden om +hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een Vos neer; +in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met ware +vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst +geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren. + +De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en +zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen, +volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en +akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar +niet bepaald snel en vliegt zacht, als 't ware op haar gemak. Hoewel +voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich gaarne +in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet onderzoek +naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In alle +buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee gelegen +zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: onbezorgd +oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand haar kwaad +zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt krijschend +als "krie"; "kek" en "sjerr" zijn de geluiden voor het gezellig +verkeer; woede wordt uitgedrukt door een krijschend "kerrekkektek," +of een heesch "gier," dat gewoonlijk door "krie" wordt gevolgd. + +Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het +voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en +ook van een kreng wordt partij getrokken. + +In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag tegen +de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een verdelgingsoorlog +tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het leven kost. Deze +nuttelooze slachting, die onder den naam van "meeuwenschieten" als +een soort van volksfeest wordt beschouwd, herinnert aan de ruwheid +van zeden der bewoners van Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te +verontschuldigen. + +Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, welke +jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch +gevoederd worden, maar geraken ook aan 't eten van brood gewoon, +zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel +met haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger +als een Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en +volgen hem later vliegend over 't erf, in den tuin en ook wel naar +buiten in 't veld. + + + +"Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg gezien +heeft," zegt Holböll, "kan zich zoomin van de schoonheid als van +het aantal dezer Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk +een meeuwenberg misschien kunnen vergelijken met een reusachtige +duiventil, bewoond door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg +Inoejoeatock is een kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer +of minder sterk bezet met verschillende soorten van Meeuwen en dit +tot op zulk een hoogte, dat de bovenste Vogels zich slechts als witte +puntjes vertoonen."--Korter en schilderachtiger drukt Faber zich +uit. "Op Grimsö's vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale, +dat zij bij hun opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten, +de rotsterrassen bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven +en in den broedtijd de groene kleur van de met lepelblad begroeide +rotsen in wit veranderen."--Toen ik gereed was om een reis naar +Lapland te doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen, +een juiste voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op +den voor mij onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het +voorgebergte Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst, +nadat mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot, +die mij overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen +op te jagen. Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond +als een reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei, +onmiddellijk na de losbranding van het geschut scheidden een aantal +van deze stipjes zich af van den donkeren achtergrond en werden +levend; het waren Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten +achtereen daalden zij naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt, +zoo aanhoudend, alsof er onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen, +die reusachtige vlokken uit de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige +minuten achtereen sneeuwde het Vogels, die een onafzienbaar deel van +de oppervlakte der zee bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd +bijna even dicht met stippen bedekt als vroeger. + + + +De Drieteenige Meeuw (Rissa tridactyla) vertegenwoordigt een +gelijknamig geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen +is, dat de achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet +genageld stompje vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop, +de hals, de onderrug, de staart en de onderdeelen schitterend wit, +de mantel is licht grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig +grijs, de spitsen van de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin, +de ooglidrand koraalrood, de snavel citroengeel, aan den mondhoek +bloedrood, de voet zwart. Totale lengte 43, staartlengte 13 cM. + +Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat +echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of +kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de +onze (het meest vroeg in 't voorjaar). Vooral bij stormweer en op +den doortrek dwaalt zij, den loop der stroomen en rivieren volgend, +soms ver naar het binnenland af, waar zij zich 's winters vaker en +in grootere troepen vertoont dan de eigenlijke Zeemeeuwen. In aard +en gewoonten verschilt zij van hare even groote verwanten misschien +alleen door haar grootere gezelligheid en schreeuwlust. + +Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen +rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte +aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de +Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien +heeft Holböll opgemerkt, dat gedurende haar broedtijd de Noordelijke +IJszee als 't ware gevuld is met Lodden (Mallotus villosus), dat de +Zeehonden, door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen, +de vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later +wel tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel +te verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering +over de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk +rijk de zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch +voorziet, bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald, +het binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls +dood aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt +deze volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de +zee verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert. + +Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen +terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen +en op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet +van den berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken; +ieder terras dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na +hun aankomst ziet men de paren naast elkander zitten, het mannetje +en het wijfje elkander in de bevalligste houdingen liefkoozend, als +Duiven trekkebekkend en elkander in de veeren pluizend, en hoort men +hun gekir. De berg is voortdurend omhuld door een wolk van Vogels, +die zonder ophouden door elkander heen wemelen en krioelen. Het nest +zelf bestaat hoofdzakelijk uit zeewieren, maar wordt in den loop der +jaren door den vogeldrek met hooge randen voorzien; het is voldoende, +dat het in den aanvang van den broedtijd een weinig hersteld wordt. De +jongen blijven tot het midden van Augustus in het nest, zijn intusschen +volkomen geschikt geworden voor het bedrijf hunner ouders en zwermen +nu naar buiten boven de open zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf +spreekt, naar vermogen hebben bijgedragen tot het oorverdoovende +geschreeuw, waaraan een vogelberg reeds op een afstand kenbaar is. + + + +Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den +Hoek van Holland) een exemplaar gevangen van de Vorkstaartmeeuw +(Xema Sabinei), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in Amerika +de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De oude +Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig zuidwaarts +te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de jongen in het +eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de kusten van de +Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot in Hongarijë) +af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze door den (ondiep) +gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. De bovenrug +en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen zwart met +witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige veeren +in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met zwarten +halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 cM. + + + +De gestalte en de kleur van de Roofmeeuwen of Jagers (Stereorariinae) +geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie +te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op +de Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel +betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings +samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid +bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden +gekromd, de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig +hoog; de betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen +aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels +gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang, +smal en spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange +staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel +voorbij de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht, +op de onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur +vertoont bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls +lichtere plekken. + +De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel; +meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den +voortplantingstijd echter in de toendra's der kusten en eilanden. Zij +loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de +Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale +richting. Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan +of staan; zij doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels, +maken koene, op velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke +zwenkingen, bewegen zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen +met snellen vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is +een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn +niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben +ook volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren +aan, die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze +groep kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven +buit aan haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan +zij de kunst om een in 't water waargenomen buit te vangen door er +van uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen +vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar +roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet +slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren +en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen +jonge lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel +open om er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor +hen eetbaar is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien +loeren zij op jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent +en dergelijke zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft, +schieten zij op den gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot +hij uit angst den reeds verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten +zij het vallende voedsel te grijpen, nog voor het den waterspiegel +bereikt heeft. Wegens deze onbeschaamde wijze van bedelen worden zij +ten zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in +hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen +zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden, +of vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig +op hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen +haar aan, de meer beschroomde vluchten. + +Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in het +zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 eieren, +die door haar en het mannetje beurtelings met groote zelfverloochening +bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen moedig tegen iederen +vijand en voederen hen gedurende verscheidene dagen in het nest met +halfverteerde, dierlijke stoffen, later met vastere vleeschspijzen. + +De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar +weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te +recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste +staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de +Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden +en voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren. + + + +De Groote Jager of Skoea (Stercorarius catarrhactes), de meest typische +soort van de onderfamilie, is bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze +soort hebben de middelste stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede +vlag en steken zoo weinig voorbij de overige uit, dat de staart aan +'t einde afgerond is; de loop is iets korter dan de middelste teen met +inbegrip van den nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de +onderzijde lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche +streepjes; aan den wortel van de donkere slagpennen komt een witte +vlek voor. Het oog is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig +grijs, aan de spits zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte +57, staartlengte 17 cM. + +Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel +tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën van den +zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij Fär-öer, +de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden en IJsland; in +kleinen getale zwerft hij 's winters langs de Engelsche, Duitsche, +Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren komen bij hevige +stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal een exemplaar +van deze vogelsoort geschoten, n.l. op Schollevaars-eiland (in de +Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; bij Hallum op Ameland +heeft men er één in een staltnet gevangen. De meeste Skoea's blijven +echter ook gedurende het koude jaargetijde in 't noorden, en zoeken +hun voedsel op plaatsen waar de zee open blijft. + +De Middelste Jager (Stercorarius pomarinus) heeft de grootte van een +Kraai; zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de +overige uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en +zijn dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer +dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte +en de zijden van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn +donker zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit, +de zijden van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige +dwarsstrepen vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op +de zijden van den romp voor; de handpennen hebben witte schaften en +zijn ook aan den wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den +wortel blauwgrijs, aan de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet +zwart. Totale lengte 55, staartlengte 23 cM. + +Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke werelddeelen, +maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle zeeën der aarde, +zelfs de kusten van Afrika en Australië. Menigvuldig is zij aan de +kusten van Groot-Britannië en komt, vooral bij stormen ook aan de +zuidkust der Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in 't binnenland +af. Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen. + + + +Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens +levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de +menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt +snel, zwemt flink en maakt bij 't vliegen bewonderenswaardig koene +en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. Zijn +stem is een diepe, als "ach ach" klinkende toon of een heesch "iïa"; +bij het aanvallen van een vijand hoort men van hem den diepen toon +"hoo". Van alle Zeevogels is hij de meest gevreesde; met geen zijner +klassegenooten leeft hij in vriendschappelijke verhouding; alle +Vogels haten hem; slechts de moedigste durven hem aanvallen. Welken +indruk zijn vermetelheid op de overige Vogels maakt, blijkt het +best uit het feit, dat zelfs de grootste en sterkste zeevogels, +die hem aan kracht verre schijnen te overtreffen, hem angstvallig +ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort uit een onverzadelijken +honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met de jacht bezig. Andere +vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, komt hij nader om +hen in 't oog te houden; zoodra één van hen een buit heeft gevangen, +schiet hij toe, toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid, +moed en vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld +wild stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven +verworven buit uitspuwt. + +Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: Graba +zag, dat hij met één houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte; +anderen hebben opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde, +verscheurde en verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee +drijven, worden steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot, +door onder te duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen +plundert hij op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels, +neemt de eieren en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. "Uit +duizend kelen," schrijft Naumann, "weerklinkt het angstgeschreeuw, +wanneer de vermetele roover zulk een broedplaats nadert; toch +durft geen der beangste bewoners zich krachtdadig verzetten tegen +zijne booze plannen. Hij pakt het eerste het beste jong en vliegt +er mede heen, zonder zich te storen aan de ongelukkige moeder, die, +luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar van pijn krimpend kind +omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen hulp kan bieden. Zoodra +hij geen stoornis meer behoeft te duchten, strijkt hij neer op den +waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, vliegt vervolgens naar +zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen uit." + + + +Beter dan alle overige soorten kent men den Kleinen Jager (Stercorarius +parasiticus), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet zelden +aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige soorten +en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het lichaam +zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. Zijn +totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen +(welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige +uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek +op het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin, +of op de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op +de onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met +dit verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart, +de washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart. + +Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst +verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke +streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn +broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland, +de Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, voorts op +Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van Ochotsk is hij +veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de zuidelijkste +kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar 't binnenland +af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, volstrekt niet +altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar ook, en naar +het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land verwijderd. + +De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die, +volgens Naumann, meer afwisseling aanbiedt dan bij eenigen anderen +Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende geruimen tijd op die +van een Valk, daar hij nu eens met langzame wiekslagen door de lucht +roeit, dan weer over een grooten afstand op zijne vleugels drijft en +af en toe met tamelijk steil naar boven gericht lichaam als een Toren +valk "wiekelt" of "bidt"; het is op eenigen afstand vaak moeielijk +hem van een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij +zich, na eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen, +langs een booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een +kronkelenden, uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen, +nogmaals met razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar +boven terug te keeren. In 't eene oogenblik schijnt hij afgemat en +verslapt, in 't volgende is hij als "door den duivel bezeten"; nu +eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend, +alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende +bewegingsvormen.--Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea gemeen, +maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men de +Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de broedplaatsen +echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne verwanten, in +elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder een bepaald +gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik nooit iets +anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, is mij +niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen vervolgen, +om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen buit. Nog meer +dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en de Zeekoeten op +deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen voedsel stellig +niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine Jagers; want, even +vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, merkt men hen in de +toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht op Lemmingen en ook +Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan het zeestrand, waar +zij dieren verslinden, die door de golven op de kust geworpen werden. + + + +De Kleinste Jager (Stercorarius cephus) stemt in kleur met de vorige +soort overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel +en veel langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15 +cM. voorbij de overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55, +staartlengte 30 cM. + +Ook deze Jager broedt in 't hooge noorden van 't oostelijk zoowel als +van 't westelijk halfrond. Enkele exemplaren dwalen naar zuidelijker +zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden komen +zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In Siberië +voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch ook met bessen. + + + +Alkvogels (Alcinae) noemt men een 30-tal over de noordelijke zeeën +verbreide, in 't duiken zeer ervaren zeevogels, die zich kenmerken +door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een dikken kop, een +middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten snavel, middelmatig +hooge, drieteenige voeten, die met groote zwemvliezen voorzien zijn, +korte, smalle (bij uitzondering voor 't vliegen ongeschikte) vleugels, +een korten staart en een zacht, meestal tweekleurig vederenkleed. + +Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede +samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den +poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek +geregeld overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen +van Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts +gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor 't overige echter +op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in het +zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel, +op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend +rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele +Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om +het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen +moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote +vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne, +maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan +glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk +voor 't zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het +duiken in 't water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij +hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt +niet zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het +oog verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich +op veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die +voor een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar +eenig voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig +en vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote +zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren +bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer +bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast +de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene +koloniën in 't zuiden van Groenland; hier zou hongersnood ontstaan, +indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde. + + + +Een der merkwaardigste zeevogels is de Papegaaiduiker of Zeepapegaai +(Fratercula arctica of Mormon articus), een middelmatig groote, +korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig gevormden +snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige gedaante, is +aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings buitengewoon sterk +samengedrukt, van achteren begrensd door een lijstvormig gezwollen +huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, verder naar voren +met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet bijzonder spits, maar +met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen voet, die tamelijk +lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts gekromde nagels +in 't oog. De vleugels zijn klein, smal, van achteren met afgeronde, +korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen en is zeer kort; het +vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en glad aanliggend, op +de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere veeren samengesteld, +alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De bovenkop, de rug en +een band om den hals zijn zwart, de wangen en de keel aschgrauw, +de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. Het oog is +donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden koraalrood; +het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte plek +onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek koraalrood, +aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. Totale lengte +31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een veel geringere +hoogte en ontbreekt de halskraag. + +De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den +Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B., komt derhalve aan +de Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten +voor; in 't noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een +verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze +kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge +voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden +eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger: +in de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor; +bij honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den +zomer alle geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht +uit de zee opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar +'t zuiden en zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den +voortplantingstijd, van den waterspiegel tot op een hoogte van +verscheidene honderden meters, dicht bezet met nesten. Op alle +terrassen, lijsten, uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt +naast en boven elkander, de eene soort van Alken laag, de andere +in de middelste streek, de derde boven aan. Tusschen deze broeden, +eveneens gordelsgewijs, Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver- +en Mantelmeeuwen. Dit zijn de beroemde noordsche "Vogelbergen", +waarvan de (thans nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland +als zuidelijkste, zeer zwakke voorposten moeten worden beschouwd, +maar die reeds op de Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van +Noorwegen en elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de +donkere rotsen teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen +gerangschikte, met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten +zich duidelijk af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun +strijd om de niet te ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele +individuen is natuurlijk slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een +afstand gezien schijnen deze met witte, horizontale lijnen geteekende +rotsen als door bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar +de Alken zich niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij +om weg te vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels +uitspreiden; aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert +hun snelheid, en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd +moeten zij op een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te +verheffen, hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel +en met kracht omhoog te stijgen. Graba beschrijft de Färö-vogelberg +op de volgende wijze: "In een diepe, huiveringwekkende kloof, die door +onbestijgbare rotswanden van 1000 voet hoogte begrensd wordt, maakten +wij halt. Hier was de vogelberg. Welken kant men ook uitkeek, overal +zag men Vogels en niets dan Vogels. Duizenden van Zeekoeten en Alken +zwommen in gezelschappen van verschillende grootte om onze boot, keken +ons nieuwsgierig aan en verdwenen plotseling onder den waterspiegel om +in de onmiddellijke nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten +(Uria grylle) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden staken hun +kop hoog boven het water uit, de schending van deze vrijplaats niet +begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en Drieteenige +Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en gedood +werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort te +voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw +te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar +aan alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval +van den vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde; +eindelijk werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en +door den roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in +zee te vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die, +welke op het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust, +maar waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De +lucht wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar +hunne eieren terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade +overlaten; sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou +kunnen houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men +ze met een stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke +domicilie van deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die +een weinig boven den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte +Aalscholvers, die hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en +angstig uitzien naar eenige Skoea's (Groote Jagers) boven hen. Dan +volgt de lijn der Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het +andere; samen vormen zij een lange reeks, die zich over de geheele +breedte van de rots uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in +bovenwaartsche richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels; +de lager gelegen rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig +hooger, op kleine vooruitstekende punten van de rots, staan Alken +en Zeekoeten dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de +witte borst naar de zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan, +zoodat er geen hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor +de ongewenschte bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor +zich alleen hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost +de andere, die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van +genegenheid op dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel, +beantwoordt. Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van +deze duizenden zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt +er soms eenige verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen +borst; plotseling komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij +heendringt, totdat hij zijn plaats heeft ingenomen en intusschen +eenige van zijne buren naar beneden stoot. De hoogste plaats nemen +de Papegaaiduikers in; zij zijn minder goed te onderscheiden, +behalve wanneer zij af en aan vliegen. Bij een vogelberg heerscht +zulk een oorverdoovend geraas, dat men de woorden van zijn buurman +niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid van de Drieteenige +Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men het eentonige +"orr" van den Alk en het met allerlei klinkers verbonden "rrrrrr" +der Zeekoeten. Nadat ik lang genoeg de bewegingen van het vogelenheir +had nagegaan, werd het verlangen naar het bezit van een met een kuif +prijkenden Aalscholver, die op 60 schreden afstands van onze boot +op een klip zat, mij te machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te +recht gekomen is, weet ik niet: de werking van mijn schot was te +hevig. De lucht werd verduisterd door de uit hun nest opgeschrikte +Vogels. Vele duizenden vluchtten onder ontzettend geraas uit de kloof; +waaiervormig breidde de zwerm zich over de zee uit. Waarheen wij onze +oogen wendden, zagen wij niets anders dan vliegende Alken, Zeekoeten +en Meeuwen. Verwonderd kwamen de Papegaaiduikers uit hunne holen te +voorschijn, keken met komische gebaren naar de algemeene verwarring en +lieten langzaam hun "orr" hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor +'t meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten +zich, door schrik bevangen, in zee."--In dezen tijd halen de bewoners +van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun vleesch- en +eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. Zij varen +er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten Vogels, +laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, of +beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit den +rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw verbonden +om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen en door +lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht. + +De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich 's winters +dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder en +verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen. + +Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer +merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven, +alsof hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er +slechts over voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als +de pooten dienst: de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de +andere, ongeveer als een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij +slaat met de vleugels en de pooten aanhoudend op het water, volgt de +gebogen vlakken der golven, beschrijft den eenen boog na den anderen, +en verplaatst zich op deze wijze, oogenschijnlijk met groote haast, +maar met nog grooter inspanning. De snavel snijdt intusschen door de +golven heen, zoodat deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die +van den Schaarbek. Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel +verheven heeft, vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet +dit zoo snel, dat de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds +achter den Vogel schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen +der overige leden van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk +op de golven, of daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel +af, zonder dat dit hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder +eenig gedruisch, blijft soms wel 3 minuten lang onder water en kan, +naar men zegt, een diepte van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat +hij trippelend en waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten; +vliegend kan hij van zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen +en na het vliegen zonder bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij +'t zitten rust hij gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart, +of gaat plat op den buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij +onophoudelijk den kop en den hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij +iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn +stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner +verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep +en gerekt als "orr orr," volgens Faber soms ook als het geluid, dat +een slaperig mensch bij 't geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard +met een knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje. + +Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze +voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men +zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad. + +In 't midden van April of in 't begin van Mei, al naar de sneeuw +vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen en +zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde, +weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de +Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet +alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij +voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in +het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan 't werk. De +nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo kort, +dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien +zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje +aan dezen arbeid deel; de werktuigen voor 't graven zijn de snavel +en de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven +of liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer +onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich terdege schoon. Het +wijfje legt niet meer dan één ei; dit is echter zeer groot, ongeveer +70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen schaal is aanvankelijk zuiver +wit van kleur, maar wordt door den veengrond zeer spoedig geelachtig, +later zelfs bruinachtig. Beide ouders broeden, naar men zegt, ongeveer +5 weken lang. Het jong komt met een dicht kleed van langbaardige, +koolzwarte en lichtgrijze donsveeren ter wereld, piept jammerlijk +gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt later een krachtiger stem, +maar leert het ratelende "orr" van den volwassen Vogel eerst na het +uitvliegen. De beide ouders brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij +soms van een afstand van vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich +zonder schroom aan gevaren bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid +van hun kind meenen te kunnen bevorderen; ook verdedigen zij het, +zoo noodig, door woedende beten met den snavel. + +De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in +den regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch +bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de +ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven, +voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten, +of ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de +Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is +hun het noodige voedsel te verschaffen. + + + +De Alken (Alca) vertoonen eenige overeenkomst met de Papegaaiduikers +door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, zeer smal en +hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een uitstekenden +kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel zijn gegroefd, +de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den bovensnavel is +haakvormig, die van den ondersnavel eveneens benedenwaarts gekromd. De +vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig en hebben een lange spits; +de korte staart bestaat uit 12 smalle pennen. + + + +Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt, +herbergen ook de Alk (Alca torda). Het bruiloftskleed is aan de +bovenzijde en aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den +snavel tot het oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van +den tweeden rang, de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin, +de snavel, met uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet +eveneens zwart. Totale lengte 42, staartlengte 9 cM. + +Door levenswijze, gewoonten en aard gelijkt de Alk zoozeer op den +Papegaaiduiker, dat bijna al wat van dezen gezegd is, ook van genen +geldt. Hij is in dezelfde mate zeevogel en bewoont jaar in jaar uit +nagenoeg hetzelfde oord; hij zwerft echter gaarne van het eene deel +van de zee naar het andere, bezoekt b.v. in den winter vaak alle +fjorden van Noorwegen, waar men hem 's zomers niet ziet, verschijnt +(in Augustus) ook tamelijk geregeld aan de Duitsche, Nederlandsche +en Fransche kusten, en keert in Maart naar het noorden terug. Op de +vogelbergen, waar de Alken in Mei komen om te broeden, zijn zij in den +regel even veelvuldig als de Papegaaiduikers en de Zeekoeten, die hier +te gelijker tijd aankomen. Boje zag een dicht opeengedrongen zwerm, +welks breedte hij op 1000 schreden schatte en die zoo lang was, dat +onze berichtgever, terwijl de Vogels over zijn boot vlogen, tienmaal +zijn geweer laden en schieten kon. In dezelfde zee heb ik herhaaldelijk +dergelijke vluchten gezien. Om na te gaan hoe diep een Alk duiken en +hoe lang hij onder water blijven kan, bond men hem een zeer langen, +dunnen draad aan den poot en wierp hem uit de boot in zee. De Vogel +verdween oogenblikkelijk onder water en rolde het 60 M. lange koord +geheel af; na verloop van 2-3/4 minuut ongeveer verscheen hij weder +aan de oppervlakte om lucht te scheppen, waarna hij opnieuw onderdook. + +De klank van zijn stem is vergelijkbaar met dien van den +Papegaaiduiker, maar iets zwaarder en heescher, ongeveer als "örr" +of "ar", soms ook miauwend als "arr err kwer kweör". + +Op de vogelbergen nestelt de Alk bij voorkeur in rotsspleten; ook +treft men wel eens enkele nesten onder steenen, dus eigenlijk in holen +aan. Het wijfje legt slechts één ei van zeer aanzienlijke groote (80 +mM. bij 50). Het jong komt ter wereld in een bruinzwart donskleed met +wit aangezicht; het springt in nauwelijks half volwassen toestand, +na lange aarzeling, aangespoord door het luid geschreeuw en druk +gebarenspel van de ouders van boven van de rotsen onmiddellijk in zee +of laat zich van den bergwand afrollen, totdat het in 't water aankomt; +de ouders volgen het na, zwemmen aan zijn zijde, leeren het duiken en +zijn voedsel zoeken; nadat het geleerd heeft voor zich zelf te zorgen, +begeleiden zij het nog eenigen tijd, zonder het te voederen. + + + +Een merkwaardige Vogel, die nog in het begin van deze eeuw het hooge +noorden bewoonde, is ten gevolge van de vervolgingen, die hij van den +mensch te verduren had, thans waarschijnlijk geheel uitgeroeid. Indien +het mocht blijken, dat deze Vogel op een ons onbekende plaats nog +leeft, kan men er, zegt Newton, staat op maken, dat hij kort na +zijn ontdekking verdwenen zal zijn. Vroeger voorzagen de bewoners +van IJsland en Groenland zich door het dooden van dezen Vogel met +wintervoorraad; tegenwoordig zou het vel van den Reuzenalk tegen goud +opgewogen worden. + + + +De Reuzenalk of Pingoeïn-alk [Plautus (Alca) impennis] wordt te recht +beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht. Hem +kenmerken, behalve de aanzienlijke grootte, vooral de rudimentaire +vleugels, die voor 't vliegen geheel ongeschikt zijn, hoewel alle +soorten van vleugelveeren, zij het dan ook in onvolkomen toestand, +aan de voorste ledematen voorkomen. De snavel is langwerpig, de +snavelrug maakt van den wortel tot aan de spits een flauwe bocht; +de ondersnavel is ondiep binnenwaarts uitgehold; de geheele snavel +zeer hoog, maar buitengewoon smal; de zijrand van den ondersnavel is +nagenoeg rechtlijnig van den mondhoek tot vóór het neusgat, verderop +een weinig naar boven gekromd en aan de spits weer benedenwaarts +gericht; de zijden van 't voorste deel van den snavel zijn boven +met 6 à 7, onder met 9 à 10 groeven voorzien. De pooten stemmen in +maaksel met die van de Alken overeen; het vederenkleed heeft dezelfde +eigenschappen; de staart bevat hetzelfde aantal pennen. De Reuzenalk +heeft ongeveer de grootte van een Gans; zijn lengte bedraagt ongeveer +90 cM.; de vleugel is 17 à 20, de staart 8 à 9 cM. lang. De veeren +van de bovendeelen zijn glanzig zwart, aan de keel zwartbruin; de +onderdeelen en de spitsen van de armpennen zijn wit, de snavel en de +pooten zwart. + +Lang heeft men gemeend, dat deze Vogel de zeeën van het noordelijkste +deel der aarde bewoonde of nog bewoont; uit Wolley's onderzoekingen +blijkt het tegendeel; Steenstrup's ontdekkingen bewijzen, dat de +Reuzenalk in den vóórhistorischen tijd in grooten getale aan de +Deensche kusten geleefd moet hebben. Er zijn geen bewijsstukken +gevonden voor de meening, dat hij ooit Spitsbergen bezocht heeft, +evenmin werd hij in 't hooge noorden van Amerika gevonden. Holböll +bericht, dat op de Groenlandsche kust bij Fiskernaes in het jaar +1815 de laatste Reuzenalk gevangen werd. Alle overige mededeelingen +bevestigen de stelling, dat deze Vogel eertijds zuidelijker gedeelten +van de IJszee bewoonde en waarschijnlijk in nog grooter aantal in +het noorden van den Atlantischen Oceaan of van de Noordzee gevonden +werd. Dat hij vroeger tot aan de Fär-öer als broedvogel afdaalde, +schijnt vast te staan, evenmin kan men in twijfel verkeeren over +zijne bezoeken aan de Hebriden. In het jaar 1790 werd een exemplaar +buit gemaakt in de haven van Kiel; in 1830 spoelde, volgens Naumann, +een doode Reuzenalk op de kust van Normandië aan. Het veelvuldigst +is hij waarschijnlijk ten allen tijde op IJsland en Newfoundland +geweest; het was echter niet op IJsland zelf, maar op de omliggende, +bijna voortdurend door een woedende branding omringde klippen en +kleine rotsachtige eilanden, dat deze Vogel veilige broedplaatsen en +tot in den laatsten tijd van zijn bestaan een nagenoeg ongenaakbaar +toevluchtsoord vond. + +Werkelijk veelvuldig schijnt de Reuzenalk hier reeds in de vorige +eeuw niet meer geweest te zijn. In een oud handschrift uit het begin +van de laatste helft van de vorige eeuw vonden Newton en Wolley een +beschrijving van de Alkklip van Reykjanes, waarin melding wordt gemaakt +van het wonderbaarlijk aantal Vogels op de daar aanwezige rotsen, +met de toevoeging echter, dat de Reuzenalk daar volstrekt niet zoo +veelvuldig voorkomt, als gezegd werd; de door hem in beslag genomen +ruimte werd op niet meer dan het 1/16e deel van de klip geschat; wegens +zijn ongeschiktheid tot vliegen kon hij de hooger gelegen rotsen niet +bereiken. Een deel van het handschrift is gewijd aan een nauwkeurige +beschrijving van den Reuzenalk en zijne eieren; ten overvloede is +er een teekening bijgevoegd, die de klip voorstelt met twee mannen, +welke zich met de vangst van Reuzenalken bezighouden. Olafsen, die +in het jaar 1458 op IJsland vertoefde, vernam, dat men in vroegeren +tijd booten vol eieren van de bedoelde klip weghaalde en dus geregeld +jachttochten daarheen ondernam. Naar het schijnt, is men hiermede +voortgegaan tot in het begin van deze eeuw; in Faber's tijd echter, +in het jaar 1822 dus, geschiedde dit niet meer en werden slechts +toevallig bezoeken aan de klip gebracht. Zoo kwam in den zomer van 1813 +een schip, dat van de Fär-öer naar IJsland zeilde om levensmiddelen +te halen, langs de klip, die toen met Vogels bedekt was; omdat het +weer gunstig was ging de bemanning aan land en doodde verscheidene +Reuzenalken, waarvan er eenige naar Reykiavik werden gebracht. Naar men +bericht, hebben deze zeelieden toen een geweldige slachting onder de +Vogels aangericht; hun buit bestond uit niet minder dan 24 Reuzenalken, +zonder te rekenen die, welke reeds ingezouten waren. Faber bericht, dat +in het jaar 1814 een boer op een kleine klip 7 Reuzenalken doodde. Van +1814 tot 1830 hebben stellig nog verscheidene exemplaren, maar geen +groote troepen, hetzelfde lot ondergaan. + +In het jaar 1830 ging een zekere Goudmundsson tweemaal ter jacht +naar Eldey of de "Meelzak"-klip; hij bemachtigde de eerste maal 12 +of 16, de andere keer 8 Reuzenalken, die voor 't meerendeel voor +verzamelingen behouden zijn gebleven. Bij een dergelijken tocht in +het volgende jaar werden 24 Reuzenalken buit gemaakt; sommige van +deze werden levend medegenomen en een tijdlang in 't leven gehouden, +alle werden ten slotte opgestopt. In 1833 ving men er dertien, +in 1834 negen, in 1840 of 1841 drie, in 1844 nog twee; deze beide, +de laatste exemplaren waarvan men berichten heeft, waren misschien +de laatste vertegenwoordigers van hun geslacht. + +Uit talrijke door Steenstrup verzamelde mededeelingen van zeelieden +uit vroegeren tijd en uit latere onderzoekingen is gebleken, +dat de Reuzenalken of "Pingoeïns" (zooals zij aan de westkust van +den Atlantischen Oceaan steeds genoemd worden) op Newfoundland en +eenige naburige klippen eveneens veelvuldig zijn geweest; zij waren +dit o. a. nog in de 16e eeuw. Hakluyt verhaalt in een brief van 18 +November 1578, dat men deze vogels over de loopplank in de boot +dreef, totdat het vaartuig vol was. "Wij kregen," schrijft hij, +"een eiland in 't zicht, dat Pingoeïn-eiland wordt genoemd, naar +een Vogel, die daar in ongelooflijke menigte broedt; de Pingoeïn +kan niet vliegen, zijne vleugels kunnen het lichaam niet opheffen; +hij is zeer groot, niet kleiner dan een Gans en buitengewoon vet. De +Franschen vangen dezen Vogel op genoemd eiland zonder moeite en zouten +hem in." De Noorsche onderzoeker Stuvitz vond bij een bezoek, dat +hij in 1841 bracht aan een groep van kleine klippen, die voor den +ingang van de Bonavista-baai liggen, de overblijfselen van muren, +uit opeengestapelde rotsklompen samengesteld, tot het begrenzen van +perken, waarin eertijds de Reuzenalken door hunne vervolgers gedreven +en afgemaakt werden. Ook vond hij hier hoopen van beenderen, die bij +nader onderzoek van den Reuzenalk afkomstig bleken te zijn. In het jaar +1863 kreeg een Amerikaan van de regeering verlof om de aarde van deze +rotsen weg te voeren en als mestspecie naar Boston te zenden. Bij het +opruimen van den half bevrozen grond werden, behalve vele beenderen, +op een zekere diepte ook verscheidene door de natuur gevormde mummiën +van den Reuzenalk gevonden. Twee van deze in veen en ijs voor bederf +bewaard gebleven exemplaren werden naar Engeland gezonden en stelden +Owen in de gelegenheid tot het schrijven van zijn beroemde verhandeling +over het beenderenstelsel van den Reuzenalk. + +Volgens een in 1883 door Blasius opgemaakte lijst bevatten de +Amerikaansche musea 3, de Europeesche 71 opgestopte exemplaren van +den Reuzenalk; van deze vindt men er 21 in Groot-Britannië, 20 in +Duitschland en 2 in Nederland (n.l. in het Rijksmuseum te Leiden en +in het museum van Natura artis magistra te Amsterdam). Een dergelijk +exemplaar vertegenwoordigt een waarde van 2000 à 2500 gulden. In +'t geheel zijn 65 eieren van deze vogelsoort in de verzamelingen +aanwezig. In 1888 werd zulk een ei verkocht voor f 2640. In het museum +van "Artis" is zulk een ei aanwezig. + +Eertijds kregen de IJslandsche visschers gedurende den zomer in +de zee zoo geregeld Reuzenalken te zien, dat aan deze Vogels geen +bijzondere aandacht werd geschonken. Volgens alle waarnemers zwommen +zij gewoonlijk met hoog opgeheven kop, maar ingetrokken nek en doken +steeds onder, als zij verontrust werden. Op de rotsen zaten zij +rechtop, in steiler houding dan de Zeekoeten en Alken. Zij gingen of +liepen met kleine, korte pasjes en hielden daarbij den romp verticaal +gelijk de mensch; als een gevaar hen bedreigde, stortten zij zich van +een hoogte van 4 à 5 M. naar beneden in de zee. Door een gedruisch +werden zij meer verschrikt dan door een verschijnsel, dat met de oogen +waargenomen wordt. Soms hoorde men van hen een zwak gekras. Nooit +heeft men opgemerkt, dat zij hunne eieren verdedigden; wanneer zij +zelf aangevallen werden, verweerden zij zich door hevig te bijten. + +Hun voedsel schijnt bestaan te hebben uit Visschen van verschillende +grootte. Fabricius bericht, dat hij bovendien in de maag van een jong +overblijfselen van planten vond. + +Het eenige ei, dat in ieder voortplantingsseizoen ontstond, werd in +Juni gelegd; het heeft dezelfde tolvormige gedaante als de eieren van +andere Alken, maar is veel grooter dan deze; het is grooter dan eenig +gevlekt ei, dat van een Europeeschen Vogel afkomstig is. De lengte is +120 à 130, de middellijn Op de dikste plaats 75 à 80 mM. De mannetjes +en de wijfjes hebben, zooals uit hunne broedplekken blijkt, om beurten +gebroed; hoe lang het duurde, voordat de jongen het ei verlieten, +weet men niet, misschien 6 à 7 weken. Het jong had bij de geboorte +een donkergrijs donskleed en werd zeer spoedig naar het water gebracht. + + + +De Zeekoeten (Uria) verschillen van de Alken door den vorm van +den snavel; deze is slank, recht, zijdelings weinig samengedrukt, +eenigszins priemvormig, ongeveer even lang als het overige deel van +den kop, tot op de langwerpige neusgaten bevederd; de bovensnavel +is op den rug flauw afgerond, alleen aan de spits een weinig naar +beneden gebogen, de scherpe zijranden zijn eenigszins ingetrokken, +de kinhoek is onduidelijk. De pooten zijn ver achterwaarts geplaatst, +de vleugels smal en spits met dikke slagpennen; de staart is kort en +afgerond, uit 12 à 14 pennen samengesteld; het vederenkleed van den +romp bestaat uit korte, losbaardige veeren, heeft op de onderdeelen +overeenkomst met een vacht en is bij ouden en jongen, in den zomer +en in den winter merkbaar verschillend. + + + +Bij de Kleine Zeekoet (Uria grylle) is het bruiloftskleed fluweelachtig +zwart met groenachtigen weerschijn; op de vleugels komt een wit veld +voor, het oog is bruin, de snavel zwart, de voet koraalrood. In den +winter zijn de onderdeelen wit en zwart gevlekt. Totale lengte 34, +staartlengte 5 cM. + +De Kleine Zeekoet behoort in 't hooge noorden thuis en broedt tusschen +80 en 58° N.B. Binnen deze grenzen is zij algemeen, hoewel men +haar zelden in zwermen, meestal slechts paarsgewijs en afzonderlijk +aantreft. In 't begin van den eigenlijken winter trekt zij meer of +minder geregeld zuidwaarts. Op de Duitsche kusten komt zij echter +zelden voor; bij ons werd zij nog niet waargenomen. + +Deze Vogel maakt steeds een aangenamen indruk, hetzij men hem op een +rotsblok ziet zitten, of hem bij 't zwemmen en duiken, of vliegen +bespiedt. Bij 't zitten is hij gewoon den geheelen loop op den grond +te laten rusten, den romp een nagenoeg verticalen stand te geven +en met bevallige kronkelingen van den hals den kop heen en weer +te bewegen. In 't zwemmen is hij zeer bedreven: lichter dan zijne +verwanten rust hij op het water, daar gewoonlijk slechts een klein +deel van den romp ingedompeld is. Bij 't roeien worden de fraaie, +roode voeten dikwijls zichtbaar. Om te duiken strekt hij beide pooten +met kracht achterwaarts, buitelt tevens zonder gedruisch over den kop, +breidt onder water dadelijk de vleugels uit en gebruikt ze tegelijk +met de voeten als roeiriemen. Na hoogstens twee minuten komt hij weer +boven om te ademen. Het vliegen schijnt hem betrekkelijk weinig moeite +te kosten, hoewel hij de vleugels zeer snel, als 't ware gonzend, +bewegen moet. Om van 't water op te vliegen, neemt hij een korten +aanloop; op een zekere hoogte gekomen, is zijn vlucht echter veel +sneller dan men aanvankelijk vermoed zou hebben; schielijk bereikt +hij een aanzienlijke hoogte, b.v. het hooge gedeelte van de rots, +waar zijn nest zich bevindt. Naar 't water terugkeerend, breidt +hij eenvoudig de vleugels uit, zonder ze eigenlijk te bewegen. De +Kleine Zeekoeten toonen een zachtzinnig, goedaardig, verdraagzaam +karakter. Op de broedplaatsen verschijnen zij in 't begin van Maart, op +een grooten vogelberg hoogstens een dertigtal, die zich om de overige +zeevogels niet schijnen te bekommeren, ieder paar steeds afgezonderd +te midden van millioenen Zeekoeten van andere soorten. Als een mensch +de broedplaats nadert, zal het paartje wachten, tot hij op een afstand +van slechts 15 à 10 schreden gekomen is en dan de vlucht nemen. De +broedende Vogel zit dikwijls zoo "vast", dat men hem met de hand kan +grijpen. De Groenlanders en IJslanders vangen Kleine Zeekoeten, zooveel +zij kunnen; de Noren ontnemen haar alleen de eieren. Haar vleesch +smaakt tranig, maar kan zoo toebereid worden, dat het eetbaar is; +in Lapland worden den reiziger dikwijls jonge Zeekoeten voorgediend, +die hij mettertijd als een smakelijk gerecht leert beschouwen. De +veeren worden gebruikt tot vulling van bedden. Het meest worden de +eieren geschat; wie gewend is aan hun eigenaardigen smaak, vindt ze +lekker. Zij worden (zelden voor het midden van April, dikwijls eerst in +Mei) ten getale van twee in een rotsspleet gelegd en zijn gemiddeld 6 +cM. lang en 4 cM. dik. Het mannetje en het wijfje broeden afwisselend +24 dagen lang en voederen hunne jongen aanvankelijk in het nest met +Zandpieren, Slijkvisschen, kleine Zandalen, enz., totdat zij geschikt +zijn om, evenals de volwassen Vogels, allerlei soorten van Visschen en +Schaaldieren te eten. De jongen in het donskleed kunnen wel zwemmen, +maar niet duiken. + + + +Bij de Gewone Zeekoet (Uria troïle of Uria lomvia) zijn de kop, de +voorhals en de bovendeelen fluweelachtig bruin, de spitsen van de +schouderveeren wit, waardoor op den vleugel een lichte band ontstaat; +de onderdeelen zijn wit, aan de zijden met bruine, overlangsche +strepen. In het winterkleed zijn ook de voorhals en een deel van de +achterwang wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig +grijs, aan de buitenzijde donkerder. Totale lengte 46, staartlengte +6 cM. + +De Bastaard-zeekoet (Uria hringvia), die, evenals de volgende vorm, +soms als een verscheidenheid van de vorige soort wordt beschouwd, +heeft in haar bruiloftskleed een witten ring om het oog, die in een +witte, tot aan den achterkop reikende streep uitloopt. Overigens +stemt zij nagenoeg geheel met de Gewone Zeekoet overeen. + +De Groote Zeekoet (Uria Brünnichii) onderscheidt zich van de Gewone +door den korteren, dikkeren snavel en de geelachtig witte streep langs +de bovenrand van de mondspleet, van den mondhoek tot aan het neusgat; +ook is zij ongeveer 3 cM. langer. + + + +Al deze soorten bewonen de noordelijke zeeën van beide werelden; +enkele exemplaren broeden echter in den gematigden gordel. Gedurende +den winter begeven zij zich geregeld naar zuidelijker zeeën en +komen dan ook in de nabijheid van onze kust; het meest vindt men +hier de eerstgenoemde soort (enkele exemplaren zelfs in den zomer), +het zeldzaamst de laatstgenoemde, hoewel deze op de Deensche kust +'s winters talrijk is. Het grootste deel van hun leven brengen zij +in de open zee door; de meeste blijven voortdurend in dezelfde +streek; slechts gedurende den voortplantingstijd komen zij aan +land. Zij zwemmen uitmuntend, waarbij de romp nagenoeg tot aan de +grens tusschen het witte en het zwarte deel van het vederenkleed +ingedompeld is; zij zijn meesters in het duiken, roeien zich onder +water met de vleugels en de pooten zeer snel en behendig voort +en kunnen verscheidene minuten achtereen onder water blijven. Zij +vliegen snel, met gonzende vleugelslagen, hoewel niet gaarne ver +in één tocht, op aanzienlijke hoogte alleen dan, wanneer zij zich +naar haar nest begeven, anders meestal dicht bij 't water langs. Van +verre gezien gelijken zij wegens de snelle beweging der vleugels op +groote Insecten; in den broedtijd komt men er onwillekeurig toe den +vogelberg, vooral wanneer deze kegelvormig is, met een door Bijen +omzwermden korf te vergelijken. Alleen wanneer zij zich van hunne +broedplaatsen op den vogelberg in het water storten, glijden zij +nagenoeg zonder vleugelslagen lijnrecht naar beneden. Daar de op- +en neervliegende Vogels dezelfde richting volgen, schijnt de berg +door een dak omgeven te zijn. Buiten den broedtijd ziet men ze nooit +op deze wijze vliegen; zij bepalen zich dan tot zwemmen en duiken, +of verheffen zich hoogstens voor een korte poos in de lucht, om +spoedig naar 't water terug te keeren. Gewoonlijk hebben zij een +glijdenden gang, plomp schuifelen zij met de geheele zool over den +grond; soms echter loopen zij, als 't ware dansend, op de teenen, maar +moeten dan van de vleugels gebruik maken om het evenwicht te bewaren, +zoodat deze wijze van beweging eerder gebrekkig vliegen dan loopen +kan heeten. Hun stem bestaat uit een langgerekt gesnater of geratel, +dat echter zeer verschillend geïntoneerd kan zijn en daarom soms als +"örr", soms als "err" schijnt te klinken; ook hoort men van hen wel +eens een huilenden of mauwenden toon. De jongen fluiten. + +Niemand zal na een bezoek aan een met Zeekoeten bedekten vogelberg zich +er over verwonderen, dat deze Vogels dom worden genoemd. Werkelijk +toonen zij zich buitengewoon onergdenkend en vol goed vertrouwen, +vooral wanneer zij zich te land bevinden: in 't water laten zij +een boot dikwijls dicht bij hen komen; hunne broedplaatsen kan men, +zonder hun argwaan te wekken, tot op een afstand van 6 à 4 schreden +naderen en hier gaan zitten kijken of zich met teekenen of schrijven +bezig houden, zonder dat zij wegvliegen. + +Wie hen wil leeren liefhebben, moet hen op hunne broedplaatsen +bezoeken. Hiertoe kiezen zij steil uit zee oprijzende klippen of +bepaalde rotswanden uit, welker voet door het water bespoeld wordt, die +rijk zijn aan terrassen, uitsteeksels en spleten en in welker nabijheid +zij met het best mogelijke gevolg kunnen visschen. Tegen het einde +van Maart of het begin van April verschijnen zij in meer of minder +groote zwermen op de vogelbergen. Dan worden deze weldra het tooneel +van een eigenaardig leven en gewemel. De vogelberg is voortdurend +door een wolk van Vogels omgeven; duizenden en honderdduizenden +zitten schijnbaar op rijen geplaatst met de witte borst naar de +zee gekeerd op alle uitsteeksels, hoekpunten, spitsen, terrassen, +kortom overal waar gelegenheid is om te zitten; honderdduizenden +vliegen intusschen van boven naar beneden of van beneden naar boven, +terwijl een niet minder groot aantal zich in de zee aan den voet van +den berg met visschen en duiken bezig houdt. Zelfs de grootste berg, +de meest uitgestrekte rotswand wordt overstelpt met bewoners, die +echter ieder met een kleine ruimte tevreden zijn, zoodat men nooit +strijd ziet ontstaan over de standplaatsen der nesten. Het mannetje +en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht; zij zitten, als de +eieren nog niet gelegd zijn, voortdurend naast elkander, vliegen +gelijktijdig naar zee, visschen gemeenschappelijk en keeren te zamen +naar het nest terug, waar zij later de zorg voor het broeden deelen. + +Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; het heeft +een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder vlekken +geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel afwisseling aan, +dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen gelijke zal +kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het wijfje +legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede te +bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te +krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij +deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs +treft men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan, +die zich met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet +zien, om het spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van +30 à 35 dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt +meer op een grauwzwarte prop wol, dan op een Vogel; het groeit +schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een +vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu verlaten +de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te begeven, +"welke verhuizing," zegt Naumann, "niet geheel vrij is van gevaar, +zooals duidelijk blijkt uit het in 't oogvallend, angstig heen en +weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van +deze gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met één +sprong van den kant van de rots in zee; voor de eerste maal met het +water in aanraking komend, duikt het, wederom gevolgd door de ouden, +dadelijk in de diepte; als allen weer boven gekomen zijn, dringt +het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de ouders aan, als +'t ware om bij hen bescherming te zoeken en op hun rug te klimmen; +het moet zich echter een nadere kennismaking met het natte élement +getroosten, waarmede het door herhaaldelijk met de ouden onder te +duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk is het dus in de +gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt gedrongen zich +met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich niet meer met +zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind om het tegen +gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; hier ziet +men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor 't meerendeel +slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige jonge +Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee +begeeft en valt zich op de steenen te pletter." + +De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en leveren, +al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er broedt een +meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De eerstgenoemde +worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen gezouten en +voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de vogelvangers een +afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen gevaar schuwen en +den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen zien, sterft er +ternauwernood één in zijn bed. Zij beklimmen de rotsen van onderen af, +of laten zich aan lange touwen naar beneden zakken, om vervolgens, +hieraan slingerend, een met broedende Vogels bedekte rotspunt +te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver verwijderd zijn: zij +zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks plaats genoeg is voor een +Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die ongelooflijk schijnen. In +Groenland schiet men 's winters duizenden Zeekoeten met het geweer; +ook krijgt men ze op de volgende zeer eigenaardige wijze in handen: De +Vogels zoeken hunne broedplaatsen op, voordat het kustijs losgeraakt +is en brengen hier den korten nacht slapend door. In dezen nacht +begeven de Groenlanders zich zoo stil mogelijk naar de vogelbergen, +om, zoodra zij hier gekomen zijn, de Vogels schrik aan te jagen door +plotseling te schreeuwen en te schieten. De arme Zeekoeten denken er +niet om, dat de zee aan den voet van de rots nog met ijs bedekt is +storten zich hals over kop naar beneden en vallen zich te pletter op +het ijs. Behalve door den mensch worden zij onophoudelijk vervolgd +door Roofvogels, Raven en Jagers; onder water loopen zij gevaar door +roofvisschen verslonden te worden. Ondanks deze vervolgingen neemt +hun aantal niet af. + +De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den +24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend, +in 't eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van +het eiland. + + + +De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle Zeekoeten, +van de Kleine Alk (Mergulus alle), den eenigen vertegenwoordiger +van het geslacht der Krabbenduikers, hebben nagegaan, noemen haar +eenstemmig een van de bevalligste kinderen der zee. Door den korten +en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij oude Vogels vóór de +eironde neusgaten nog flauwe groeven vertoont, houdt zij in zekeren +zin het midden tusschen de Alken en de Zeekoeten. Het vederenkleed +is op de bovendeelen donkerzwart, op den onderhals dofzwart, op de +overige onderdeelen wit; de handpennen en stuurpennen zijn zwart; de +armpennen hebben aan de spits een breeden, witten zoom. Het oog is +donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet blauwachtig zwart. In het +winterkleed is ook de keel witachtig en de hals donkergrijs. Totale +lengte 25, staartlengte 3 cM. + +De Groenlandvaarders noemen de Kleine Alk "IJsvogel", omdat men +gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa's, wanneer +zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij de +bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug gaat +zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig tusschen de +steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar bekwaamheid +in 't zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van haar familie +buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den waterspiegel +en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. In de +zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de +schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij +welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig +verheffen. Van 't water, evenals van 't land, vliegt zij vlug en zonder +merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten herinnert zij dan +aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine vleugels zeer snel moet +bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te bestaan uit kleine, +dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; slechts zelden vindt +men overblijfselen van Visschen in haar maag. + +De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd +ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen +hoort men, volgens Mallingren, nog op een halve mijl afstands +van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als 's nachts, van de +berghellingen, die zij tot woonplaats hebben uitgekozen, hun als +"trr, trr, tet, tet, tet" of als "gief" klinkend geschreeuw. Volgens +Faber broeden zij op IJsland slechts op één plaats, n.l. op de +noordelijkste spits van het eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt +diep onder de neergestorte steenklompen een geschikte plaats om te +nestelen; men vindt in dit hol één wit, blauwachtig getint, zelden +zwak roodachtig gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra +de jongen zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van +verschillende broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de +zeevaarders in het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen +hebben. In den winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan +de kusten van de Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze +dan dikwijls in menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van +Augustus. Bij ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands +in slooten en vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen +richten misschien onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan +dan de mensch. Naast het vleesch van het Rendier is dat van deze +zeevogels een van de grootste lekkernijen van het hooge noorden. Bij +duizenden worden zij gedood, soms meer dan 30 in één schot. + + + +De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten, +vooral van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam +stroomende wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied +aan eenige hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die Parra's heeten en een +afzonderlijke groep uitmaken (Parrae), die slechts één familie bevat +(Parridae). Men ontmoet ze in de keerkringslanden van de Oude zoowel +als van de Nieuwe Wereld. Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten, +die evenwel alle in levenswijze overeenkomen. Slechts bij uitzondering, +vooral in den broedtijd, verlaten zij hunne drijvende eilanden. + +In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch +volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt, +laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst +op 't laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen +en strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze +Vogels, die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk +een bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen, +hoewel hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige +meening, die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen +anderen Vogel van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger; +dit feit heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin +zij een rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich +onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen, +zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door +het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of +in het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen, +van andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een +vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet +slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een +waarschuwing tegen gevaar. + +Zij voeden zich gedurende een deel van 't jaar bijna uitsluitend met +de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar bovendien +ook met allerlei kleine dieren. + +Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en +hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte +door die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar +de gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot +vlak beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot, +drijvend blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang, +smal en spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld; +bij één soort echter (bij Parra sinensis, die ook op de Soenda-eilanden +gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen draadvormig verlengd. Het +vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, maar stijf en in den +regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, die bij de meeste +soorten voorkomt, is bij sommige--o. a. bij de Haantjesparra (Parra +cristata), die op Celebes en Noord-Australië thuis behoort--verlengd +tot een huidlel. Opmerkelijk is de stevige, meestal spitse, soms stompe +"doorn", waarmede het handgewricht gewapend is. + + + +Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke in +Brazilië Jassana, in Cayenne Chirurgien, in Suriname Kemphaan wordt +genoemd (Parra jaçana). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst +en de buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de +slagpennen geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen +donker roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de +spits geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan +den mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig +grijs, de doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is +(met zijn 24 mM. langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop; +de achterteen is 64 mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen. + +Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel stilstaand +water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende bladen bedekt +is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en laat haar +rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke nabijheid +van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; houdt zich +bovendien op in alle moerassige streken, op natte, moerassige weiden, +in de nabijheid van de kust, zoowel als in 't binnenland of te midden +van de oerwouden. Een prachtig schouwspel levert zij op te midden van +de prachtige waterleliën, welker kleuren door de hare in de schaduw +worden gesteld, pijlsnel loopend over de dicht dooreengegroeide, +groote, groene bladen, voortdurend bezig met het zoeken van haar +voedsel, dat vooral uit waterinsecten en hunne larven, doch ook uit +zaden bestaat. + +Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen van +waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen +hun moeder schielijk na. + + + +De Trappen en Grielen vereenigt Fürbringer in één groep, die der +Trapvogels (Otides). + +De Trappen (Otididae) zijn groote of middelmatig groote, zwaarlijvige +Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een tamelijk grooten +kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden samengedrukten, +overigens kegelvormigen, vóór de spits van de bovenkaak een weinig +gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is als de kop. De middelmatig +lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; van de stevige, breede +slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de onderzijde zacht +uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte staart bestaat +uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed is aan den +kop en den hals dikwijls verlengd ("baard") en steeds met levendige +kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter dan het wijfje en +gewoonlijk ook fraaier gekleurd. + +Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen, +vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele +opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de +Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven +zij den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun +voedsel, schreeuwen of vechten met elkander; des middags "gullen" zij +(baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den avond +zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige +plaats uit, om er 's nachts te rusten. Zij eten even graag zaden als +bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen zelf, +laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele kool +met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend worden; +later beschouwen zij het als een lekkernij. + +Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de +lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in +monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt +de hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt +er een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt +zij ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins +plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor +de veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen. + +De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver gejaagd, +omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het toonen +van zijn meerderheid. + + + +De Groote Trap of Trapgans, in Noord-brabant en Zeeland Wilde Kalkoen +genaamd (Otis tarda), is de grootste Europeesche landvogel. Haar +lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan +tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van den +bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond met +zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde +vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin, +aan de smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften +geelachtig wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai +roestrood, vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de +buitenste bijna geheel wit. De "baard" bestaat uit ongeveer 30 lange, +teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig. + +Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel +Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel +en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is zij +reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in +eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije, +in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in geheel +Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon veelvuldig +aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder van zwerven +dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de zuidelijke, +maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland en +Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal +dan thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst +in zoo groote menigte, dat (gelijk Merula in zijn "Vlugchtbedrijf" +bericht) geheele velden er mede bedekt waren. Ook thans echter +strekken enkele exemplaren hun tocht naar 't westen zoo ver en zelfs +tot in Groot-Britannië uit. Hun aantal is evenwel alleen dan van +eenige beteekenis, wanneer in Oost- en Middel-Europa een strenge +koude heerscht en veel sneeuw valt, gelijk het geval was in December +1890 en Januari 1891. In de meeste provinciën van Nederland zijn in +genoemden winter Trappen waargenomen, soms vluchten van 18 stuks; +10 exemplaren werden geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in +denzelfden tijd 7 bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in +Roemenië onder de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem +geen voedsel vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250 +à 400 passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid +van boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal +Trappen, dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat +men op niet minder dan 800 stuks (Albarda). + +In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden +bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote +Trap ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier +standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt; +zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en +Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus in +het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere +gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan +ook in beperkte mate. + +De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in +iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland +bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op +in velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, het meest dus in +akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit jaargetijde is zij, +zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, die haar in het +hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats verschaft. Des nachts +rust zij steeds op de meest afgelegen velden, meestal braakliggend +of stoppelland, die zij eerst in de schemering opzoekt en waar, naar +het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de veiligheid van het +geheele gezelschap moeten waken. + +De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan haar +voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan zij +echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite kan +inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen +bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel, +maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen +in de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij +zich zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen +een geoefend oog en een vaste hand moet hebben. + +Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht +gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel +duidelijk kan waarnemen. + +De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van +de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De +reuk schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen +scherp hooren. + +De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met +groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd +bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar +gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet +zij naar 't schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten van +kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast in +geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter +voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den +zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige +Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij +ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door, +tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de +dauwdroppels, die 's morgens aan het gras hangen. + +Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid; +zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven +staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige +zak aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo +dik schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats, +tot de zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten +voor de meening, dat de Trappen in monogamie leven. + +Bij 't kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van groote +voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter zorgvuldiger +dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is opgeschoten, dat +het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt zij een ondiep +kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge stoppels, +stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook wel drie, +niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een dikke, +grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig groenen +of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. Zij +nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk heen, +laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand bespeurt, +den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat op den +bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te worden, +door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, vliegt +zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in 't koren neder en loopt +dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de wollige, +bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog zijn +met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; wanneer +het gevaar loopt, fladdert zij angstig dichtbij den rustverstoorder +langs en neemt allerlei listen te baat om hem van 't spoor te brengen; +wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen terug, die +zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben gedrukt en in +de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van den bodem een +voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. Kleine Kevers, +Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door de moeder uit +den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes neergelegd worden, +maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn zij zeer onbeholpen; +hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren eerst laat zelf hun +voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig groen voer te eten. + +Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar volwassene +het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer ervaren +vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders gevonden zijn +en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De Trappen zijn +niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten 's zomers en +'s winters in de vrije natuur gelaten worden. + +De Trap wordt tot de "groote" jacht gerekend en overal ijverig +vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht +de zoogenaamde "karbuks", een echte helsche machine, die uit +vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar +zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren +jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en +dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als +een boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen +een kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij +berijden, of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild +verbergen. In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met +Windhonden "gehitst", in Azië "beit" men ze met Edelvalken of getemde +Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms nevelachtig, vriezend +weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de Trappen achterna; in +dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met een ijskorst bedekt +en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De vallen en strikken, +die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de gewenschte uitkomst. + + + +In 't zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde soort, +de Kleine Trap (Otis tetrax). Haar geringere grootte en afwijkende +kleur onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren +van bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij +het mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar +den gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden, +witten dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht +geelachtig met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond +in dwarse richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven- +en onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn +wit, de handpennen aan den wortel wit, aan de spits donkerbruin, +de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren wit, dichtbij +de spits met twee banden versierd. Het oog is licht- of bruingeel, +de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet stroogeel. Totale +lengte 50, staartlengte 13 cM. + +Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied begint, +waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar geschikte +verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en Zuid-Frankrijk; +van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over Turkije en +Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië (vooral +Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en Syrië), naar de andere zijde +over Italië, Spanje en Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische +steppen moet men als het brandpunt van haar verbreidingsgebied +beschouwen. Ook op Sardinië schijnt zij zeer veelvuldig te zijn, +terwijl zij in Spanje wel is waar niet in grooten getale voorkomt, +maar toch nergens ontbreekt. Na den broedtijd zwerft zij rond en trekt +vervolgens uit sommige landen naar zuidelijker streken. Gedurende hare +zwerftochten verdwaalt zij ook naar koudere gedeelten van Europa, +o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn hier (van September tot +Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort geschoten. Vóór 1870 +verscheen zij op deze wijze ook in Duitschland, zoowel in de lente +als in den herfst, bleef er altijd echter slechts korten tijd om zich +vervolgens hetzij naar het zuidwesten of naar het oosten van Europa +te begeven. Sedert het genoemde jaar heeft zij zich in het kale, +heuvelachtige, maar vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de +steden Weissense, Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen +is, en later ook in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort +de Kleine Trap in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de +groote zeldzaamheden. + +In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap, +zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral +met Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het +plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden, +maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar +als een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den +naam "Fazant" opgedischt. + + + +De Aziatische Kraagtrap [Otis (Houbara) Macqueenii], die door haar +grootte het midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten, +is in ons land geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist +geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn afgedwaalde +exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar aan haar +kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren bestaat, aan +den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten vederkraag aan +weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende dwarslijnen +op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en vleugels. + +De Hoebara [Otis (Houbara) undulata], die vaak met de Kraagtrap verward +werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver witte +kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels donkerder, +meer bruinachtig zijn. + + + +De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende +gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van +Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige +vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische +landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en Mesopotamië. + +De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de Middellandsche +Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet zeldzaam in +Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche kust zelfs +veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in het +Nijlgebied. + +Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige, +schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst +de echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke +liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad +oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde +Valken. + + + +Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige +woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn +niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels +naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin +begaven en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun +vlucht niet strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp +na het hooren van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag +ik bij het licht der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen +in den tuin, naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten +zij uit de oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij +gekomen waren. Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte +inlichting. Ik repte mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot +had geschoten, een Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een +Griel, den middelvorm tusschen de Trap en de Pluvier, de Nachttrap, +gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik gelegenheid genoeg om +den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik ontmoette hem of een +zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze hebben, in alle +landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik bezocht. + +De kenmerken van de Grielvogels (Oedicnemidae) zijn: een betrekkelijk +aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke +kop met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd verhoogde, aan de +spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de spits harde snavel, +hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, drieteenige voeten, +middelmatig lange vleugels, waarin de tweede slagpen de langste is, +een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 à 14 stuurpennen +samengestelde staart en een tamelijk dicht vederenkleed, welks +kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij ouden en jongen, +bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den winter nagenoeg +gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren uitsluitend tot +het oostelijk halfrond. + + + +Onze Griel, Doornsluiper, Scharluip of Scharlupen (Oedicnemus +crepitans), het kleinste lid en de eenige Europeesche vertegenwoordiger +van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 cM.); hij evenaart +dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde is als die van +een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig grijs en in het +midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek vóór het oog, +benevens een streep er boven en een er onder zijn wit, zoo ook een +streep op den bovenvleugel; de veeren van de onderzijde zijn geelachtig +wit, de slagpennen zwart, de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de +spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart, +de voet stroogeel. + +Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de +landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte +woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle +landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, Arabië, Indië +enz. komt hij in grooten getale voor. In Hongarije, Oostenrijk en +Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien ontmoet men hem in +Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het zuiden van Zweden. Bij +ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden voor; hij werd +broedend gevonden in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op +de duinachtige heidevelden bij Oirschot in Noordbrabant; ook op +de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek bezoekt hij gaarne +heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal woonplaatsen. + +De Griel houdt van de eenzaamheid, bekommert zich nagenoeg niet +om zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens +af. Over dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan +toevallig, want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert, +veel eerder gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte +effene vlakte zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij +zich plat op den bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn +aardkleurig vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt, +wordt hij roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk +fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich +spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke +hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die +men van hem niet verwacht zou hebben. + +Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en +andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild, +waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest +nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem +begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend +zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw +buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan, +stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken +en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook +de Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot bevordering van +de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove zandkorrels. + +In het einde van April vindt men in een kuiltje in 't zand, 3 of 4 +eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin +groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en +schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het +nest de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den +volgenden dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun +moeder voedsel zoeken. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een zeer lezenswaardig opstel van den Heer B. Boon, waarin "de +Kievit" in den voortplantingstijd op duidelijke wijze beschreven wordt, +komt voor in het tijdschrift "De Natuur in!", 1e Jaargang, pp. 49 enz. + +[2] "In de levende Natuur", II: 43. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 32834-8.txt or 32834-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/2/8/3/32834/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/32834-8.zip b/old/32834-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9efb314 --- /dev/null +++ b/old/32834-8.zip |
