diff options
Diffstat (limited to '34261-0.txt')
| -rw-r--r-- | 34261-0.txt | 15480 |
1 files changed, 15480 insertions, 0 deletions
diff --git a/34261-0.txt b/34261-0.txt new file mode 100644 index 0000000..fe84579 --- /dev/null +++ b/34261-0.txt @@ -0,0 +1,15480 @@ +The Project Gutenberg EBook of Vanden Vos Reinaerde, by Unknown + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Vanden Vos Reinaerde + Uitgegeven en Toegelicht + +Author: Unknown + +Editor: Willem Jozef Andries Jonckbloet + +Release Date: November 9, 2010 [EBook #34261] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VANDEN VOS REINAERDE *** + + + + +Produced by Clog, Branko Collin, Jason Isbell and the +marvelous Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net for Project Gutenberg; +celebrating the 19,000th title of Distributed Proofreaders +and the 500th dutch title at Project Gutenberg. + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | De in het boek genoemde verbeteringen en bijvoegsels zijn | + | zonder verdere vermelding doorgevoerd. | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht | + | van deze aangebrachte correcties. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | + | #uitgespatieerd#; | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | + | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | + | „aanhalingstekens”. | + | De ganzenvoetjes(») zijn gebruikt als in het origineel. | + | | + | De illustratie is beschikbaar bij de html-versie van dit | + | e-boek op https://www.gutenberg.org | + | | + | Van VANDEN VOS REINAERDE zijn bij Project Gutenberg ook | + | versies als e-boek beschikbaar in het duits en het frans: | + | Goethe's Reineke Fuchs (e-boek no. 2228) en de vertaling | + | Le renard (e-boek no. 17509). | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + +VANDEN VOS REINAERDE. + + +[Illustratie: Van den vos reynaerde + + Willem die vele bouke maecte + Daer hi dicken om̄e waecte + Hem vernoyde so haerde + Dat die auonture van reynaerde + In dietsche onghemaket bleuē + Die willem niet heuet vulscreuē + Dat hi die vijte van reynaerde souckē + En̄ hise na dē walschē bouckē + In dietsche dus heuet begonnē + God moete ons ziere hulpē jonnē + Nu keert hem daer toe mijn zin + Dat ic bidde in dit beghin + + Lith v:d: Weyer Gr:] + + + + + VANDEN VOS REINAERDE, + + UITGEGEVEN EN TOEGELICHT + + DOOR + + + W. J. A. JONCKBLOET. + + + TE GRONINGEN, BIJ + J. B. WOLTERS. + + 1856. + + + + + AAN + JACOB GRIMM + TOEGEWIJD. + + +_Gij waart de eerste die onzen _Reinaert_ leesbaar hebt gemaakt; Gij +hebt ons den weg der wetenschap gewezen en de grondslagen voor onze +kritiek gelegd; aan U komt van rechtswege de opdracht dezer uitgave +toe, die ik het wage U aan te bieden, niet zoozeer ten bewijze, dat men +ook in Nederland uwe lessen waardeert, als om U openlijk een blijk te +geven mijner innige dankbaarheid voor al wat ik aan uwe werken en uwe +vriendschap verplicht ben._ + + GRONINGEN, 1 November 1855. + + JONCKBLOET. + + + + +INLEIDING. + + +I. + +Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling +in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie, +den uitmuntenden _Reinaert_, blijkbaar is toegenomen, en dat WILLEMS' +voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog +niet geheel is ten einde geloopen.” + +De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig +houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van +den _Reinaert_ en de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te +beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde +van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit +vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer +middeneeuwsche letterkunde. + +GRIMM stelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking +ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw[1]. +WILLEMS plaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór +1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders[2], vrij +algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijne _Geschiedenis der Mnl. Dichtkunst_ +voor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de +veertiende eeuw gesteld[3]. De jongere SERRURE is daartegen opgekomen. +Volgens zijne meening »werd het eerste boek des _Reinaerts_ tusschen de +jaren 1200 en 1220 geschreven”[4], en aangaande den leeftijd van den +omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling van +WILLEMS de meest aannemelijke[5]. + +Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn +nog duister of worden althans betwist. + +Nu is de _Reinaert_ in zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel +in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op +nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van +dit dichtstuk te beproeven. + +Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke +uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig +tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene +eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelen _Reinaert_ bezitten; dat +de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend +is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken, +waaruit het vonnis moet worden opgemaakt. + +Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudste +_Reinaert_ reeds driemaal is gedrukt[6], tweemaal kritisch behandeld, +en dus, zoo als KAUSLER zich uitdrukt[7], »durch die kritischen +ausgaben.... von GRIMM und WILLEMS hinreichend bekannt” is. + +Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen +rechtvaardigen. + +De oudste _Reinaert_ is ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde +Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard. GRIMM +achtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben”[8]; +maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift door KAUSLER +leert ons, dat het gedeelte dat den _Reinaert_ omvat, eerst omstreeks +het jaar 1400 is te boek gesteld[9]. Het afschrift is dus betrekkelijk +zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische +naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel +misstellingen en uitlatingen[10], als willekeurige veranderingen en +invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het ouder +handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de +ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht. + +Dien _Reinaert_ liet GRÄTER voor de eerste maal in 1812 afdrukken +in het vijfde deel der _Braga und Hermode_, en wel, naar KAUSLERS +woorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss +der Sprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig.” Die +gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, dat GRÄTER ter +naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit +het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het +handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is. + +Vs. 113 wronghene _voor_ wroughene; 115 ghesaet-ghesciet; 157 +l'pelen-spelen; 176, 543, 767 sullren-sulken; 184 hnighe-hinghe; 198 +sonde-soude; 201 landen-tanden; 202 coude-conde; 218 ret-vet; 237 +ghenimt-ghemint; 269 hinit, 741 hunt-huut; 275 cene-eene; 290; 961 mi-nu +(1041 _omgekeerd_); 292 fée-sere; 294 Thinc-Ghinc; 308 drenen-dreven; +309 dronghen-droughen; 414 zIIIIer-zuver; 947 crIIIIe-crune; 476 +bruue-brune; 488 houen-honen; 494 oni-om; 671 omiroet-onvroet; 605 +ghenen-gheven; 768 enme-cume; 802 abscale-abstale; 848 onner-ouver; +856 vloutte-vloucte; 993 diet-dier; 1007 niene-menne; 1023 salue-salne; +1073 nene-neve; 1081 lijue-lijne; 1091 braet-vraet; 1214 vmdise-vindise; +1220 sander hu saense-sauder hu saeuse; 1225, 1234 niet-met (1531 +_omgekeerd_); 1344, 1376 waernen-waerven; 1355 wanc-wane; 1419 +rollel-rossel; 1589 verbouden-verbonden; 1625 ghenouch-ghevouch; 1747 +dien-die ic; 2032 ghenruch-ghenouch; 2157 vernaert-vervaert; 2275 +vine-vive; 2302 (2298) oer-oec; [2328 hodenare-hodevare]; 2372 (2396) +vore-vote; 2573 (2597) hi-bi; 2591 (2615) rijkelijn-rijkelijc; 2607 +(2651) sat-scat; 2633 (2657) dier-dies; 2734 (2754) mitte-nutte; 2764 +(2784) waernen-waerven; 2798, 2956 vernaert-vervaert; 2935 (2955) +spacus-spaeus; 2947 (2967) dine-dinc; 3329 (3349) cumen-rumen. + +Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels +als R gelezen; b.v. 165 Raetti _voor_ Laetti; 424 Revic-Levic; 721 +Riept-Liept; 791 Raghen-Laghen; 793 Rudmoer-Ludmoer; 796 Rudolf-Ludolf; +815 Ramfroit-Lamfroit; 838 Rieten-Lieten; 863 Rach-Lach; 1299 Raet-Laet; +1367 Raghen-Laghen; 1387 Rachterlike-Lachterlike. + +Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten +uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn, +werden in den druk van GRIMM bijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker +recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger +te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir +herausgegebene hs.”[11]. Maar wij weten[12] dat GRÄTERS tekst GRIMM +tot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung +der hs.” plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet van GRIMMS uitgave +medegedeelde varianten, die blijkbaar die van GRÄTERS tekst zijn en niet +direkt van het handschrift. + +GRIMMS meerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche +lezingen; maar het zal ons niet verwonderen dat zoo nu en dan iets aan +zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in +den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs. 94 swighis _voor_ swighic; +347 Riepen-Liepen; 804 houtmakigge-houtmakerigge; 1948 voden-roden; 2324 +(2350) ghescoort-ghestoort. + +Hoezeer GRIMM vele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst +nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij +gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den +codex, niet minder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich +om de orthographie van het stuk te verbeteren[13], zonder den versbouw +te herstellen. + +Twee jaren na GRIMMS uitgave zag, in 1836, die van WILLEMS het licht. +Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van +een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel +dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry +gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys, +waarvoor het was verkregen,” gelijk WILLEMS zelf getuigde[14]. + +Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden +getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in +het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel +samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek +was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het +tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den, +volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij +daaromtrent rekenschap geeft: + +»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade +geworden het by GRIMM afgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende, +als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift +onder dien text. Doch de aldus opgeteekende _variae lectiones_ waren +zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen +dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken, +hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en van +woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als _variante_ heb laten +gelden wat werkelijk _verandering_ was, of wat my toescheen van de +kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen. + +»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den +ouden _Reinaert_ der twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg +bevat, in de dertiende eeuw geschreven.” + +Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant van BARNUMS Syrene; en +de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles +eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans +werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren.” + +Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeî WILLEMS: »De oude +prosavertaling, de fragmenten in GRÄTERS _Odina und Teutona_, en in +GRIMMS _Reinhart Fuchs_ medegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling +(_Reineke_), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven +vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen +en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer +regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch +behandelden text aen het publiek te leveren.” + +Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het +tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeft WILLEMS zich +niet geheel aan den tekst van GRIMM gehouden. Vooral in de spelling +heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig +gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de +vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele +malen heeft WILLEMS ook meer eigenlijke wijzigingen in GRIMMS tekst +aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit +opzicht als in de tekstverklaring, ziet men de duidelijkste sporen van +de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder: +in de maand Mei ontving WILLEMS den last om »er eene uitgave van voor +te bereiden;” hij zette zich »met iever aen het werk”[15]--en het +voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is +gedagteekend den 20 Augustus! + +Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt +dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave +geene poging werd gedaan, zal men WILLEMS allerminst tot een verwijt +mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft +van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat +men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de +voorkeur gaf, zoodat WILLEMS werkelijk meer geleverd heeft dan men van +het standpunt der toenmalige--ik zeg niet wetenschap, maar--beoefenaars +van het vak kon verwachten. + +Had WILLEMS het geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave +van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in +zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den +onveranderden herdruk door SNELLAERT in 1850 in het licht gegeven. + +Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende +bewerking is toch niet te veel”[16]. Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave +van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo +innig mede verbonden is,” ik kan daarom nog niet toestemmen, dat +SNELLAERT »aen de nagedachtenis van den vriend verschuldigd” was +in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende +wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden. WILLEMS +zocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker +geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van +veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van +onzen vriend SNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt. + +Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer +te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken, +onmogelyk een anderen text geven kon[17].” + +Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst” te leveren, en ik hoop +toch geen »wangedrocht”; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige +nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen. + +Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen +trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in +het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop +ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten. + +In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene +afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte; +want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene +werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het +ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend. + +Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste +plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit, +wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient +en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de +bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn, +daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en +geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch +verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen. + +Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten in GRIMMS uitgave vergeleken, +en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het +Comburger handschrift door bemiddeling van KAUSLERS onuitputtelijke +bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing +te herstellen. + +Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den +voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel. +Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen +twijfel wegnemen. + +Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing +eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan +des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal +aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen: + +Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so +gheladen” heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt +later bij GRIMM en WILLEMS, 568: + + versscer honichraten + Hebbic _commer_ harde groot, + +dat WILLEMS verklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche +honigraten.” Intusschen is kommer _gebrek_, waarvan hier natuurlijk +geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bij GRIMM staat voor +het _commer_ van den tekst: _coiiiier_, en dat is blijkbaar _couuer_, +_couver_, _coever_, daar in den codex steeds onze tweeklank _oe_ door +_ou_ wordt uitgedrukt. _Coever_ nu is een bekend woord, dat _overvloed_ +beteekent. + +Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het 1208: + + Tibert moeste roepen doe + Ende _wronghede_ hem selven dor den noot: + Hi makede een gheroep so groot, + Dat Reinaert hoorde up der straten. + +Dit _wronghede_ verklaart GRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren,” +en WILLEMS met »verwrong.” Maar _wronghede_ veronderstelt een ww. +_wronghen_, dat niet bestaat; aan _wringen_ valt niet te denken, hoewel +de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben. +Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat +er een woord moet staan, dat _zich verraden_, of iets dergelijks +beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechts +_wroughede_, _wroeghede_. + +Vs. 1222 leest GRIMM: + + Tibert, ghi singhet _ni lanc so bet_, + +hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe +weiss.” + +WILLEMS veranderde _je lanc so bet_; maar eenvoudiger is te lezen _in +lanc so bet_, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking +is. + +Vs. 1306 leest WILLEMS met GRIMM: + + Doe _hiefsene_ op met haerre cracht. + +De variant bij GRIMM geeft _hieffene_, dat de ware lezing is, mits men +voor _Doe_ leze _Soe_. Dat de kapitale _D_ en _S_ licht te verwisselen +waren leert het facsimile. + +Vs. 1988 gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten: + + No dor goet, no dor miede, + No dor _nijt_, no dor noot. + +Uit _nijd_ kon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en +buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalve _nijd_ toedroeg. +De variant bij GRIMM heeft: _no dor met_, hetgeen blijkbaar verkeerd +gelezen is voor _niet_, d.i. _welwillendheid_, _genegenheid_, hetgeen +alleen een gezonden zin geeft. + +Vs. 1947 bij Gr. en W. + + Ghi sult doden + Reinaert, uwen neve, den fellen _voden_. + +WILLEMS verklaarde: »_voden_; nog overig in _hondsvot_, een obsceen +woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan.” GRIMM leerde, +p. 278: »_vode_, lump, lumpenkerl. KILIAN schreibt _vodde_, MAERL. 3, +418 steht _vuden_. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist, +forderte _vode_, es scheint also adj.” + +In de plaats die GRIMM uit MAERLANT aanhaalt, schuilt eene drukfout, +daar men blijkbaar voor _vuden_ het bekende _ruden_ moet lezen: dezelfde +letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar _rasten_ +moet gelezen worden voor _vasten_. + +Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde +plaats uit den _Reinaert_ dezelfde verwisseling is ingeslopen, en dat +het onbekende _voden_ moet plaats maken voor het hier zeer gewone: _den +fellen roden_. + +Vs. 2094 leest GRIMM: + + Ende verbeet _hanen_ ende hoender, + +hetgeen WILLEMS willekeurig veranderde in: + + Ende verbeet _vogel_ ende hoener, + +niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallen _vogelen_ te +bespringen. De variant bij GRIMM geeft de juiste lezing aan: _haenden_, +d. i. _eenden_, zoo als ons MAERLANTS _Naturen Bloeme_ leert. + +Vs. 3114 (3134) leest men bij GrW.: + + Die welpkine liepen _ten brase_, + +hetgeen GRIMM (p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause: _braes_ +epulae, _brassen_ epulari.” Intusschen is het »vermuthete” _braes_ +nergens aan te wijzen. WILLEMS zegt: »_Brase_, bras; om te brassen.” +GRIMMS variant geeft _ten base_, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig +is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voor _ten +hase_, d. i. met de Vlaamsche adspiratie _ten ase_, dat ook de omwerking +heeft. De _h_ en _b_ worden ook elders verwisseld, b.v. 2572 (2597) +waar uit het hs. gelezen werd _hi avonture_, hetgeen blijkbaar is _bi +avonture_, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat, _die avonture_. + +Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan +eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo +waren de volgende onverstaanbaar. + +Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de +aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi, 124: + + Hets recht dat omberet si + Die claghe die Cortois doet. + +Daartegen verzet zich Pancer, de bever, 126: + + Dinct u goet, + Tibert, dat men die claghe ombere? + Reinaert es een recht mordenere, _enz._ + +En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij, 135: + + Wat sechdi _van ere laghe_? + En dedi ghistren _enz._ + +GRIMM noch WILLEMS geven hier eenige verklaring, die echter bij die +plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is +immers van eene _laghe_ (hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft, +volgens WILLEMS' variant, _van eenre sagen_, hetgeen evenmin een +gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften +aan, te verbeteren: + + Wat sechdi van _omberen claghe_? + +Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af. + +Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt +bij onder anderen, 1022: + + En comt hi niet, hets hem quaet, + Men salne _drie werven daghen_, + Te lachtre allen sinen maghen. + +Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts +magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal +gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht +met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove +verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt, 1070: + + Die coninc dreicht u an u leven + Ne comdi te hove niet met mi, + +dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze: + + Men salne _hanghen sonder daghen_, + +gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447: + + Dites moi le rox deputaire + Qu'il me viengne en ma cort droit faire + En la présence de ma gent; + Si n'i aport or ne argent, + Ne parole por soi deffendre, + Mès la hart à sa gole pendre. + +Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in +het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft +Grimbert hem de absolutie, en daarna, 1683: + + Riet hi hem goet te wesene, + .......................... + Ende dat hi vort alle sine daghe + _Behendelike_ soude gheneren. + +Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zich +_behendelike_ te genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen worden +_bescedelike_, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een +slordig geschreven codex lichtelijk met _behendelike_ kon verwisseld +worden, bij de overeenkomst der letters _sc_ en _h_. + +Vs. 1692 leest men: + + Nu moet hi pleghen siere selen, + +dat WILLEMS vertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen.” De +lezing is door GRIMM in den tekst gebracht, daar C. heeft: + + Nu moet hi siere sielen pleghen, + +hetgeen GRIMM verwierp omdat _pleghen_ niet rijmde op _stelen_. Beter +ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woord _selen_. De +afschrijver had hier denkelijk vs. 428 in het hoofd: + + God moet haerre siele pleghen, + +met het rijmwoord _versleghen_. Dat 692 alleen het rijmwoord te +veranderen was, leert de vergelijking met 381: + + Ic moet miere siele _telen_, + +welk _telen_ of _ghetelen_ ook nog 2333 (2359) voorkomt. Men leze dus +1692: + + Nu moet hi siere siele telen. + +Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onze +_Reinaert_ eene kritische behandeling noodig had om daarvan een +verstaanbaren tekst te leveren. + +Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen +van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een +voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat +een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar +ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik +nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur +van den _Reinaert_ was, niet zou voldaan hebben aan de eischen van +welluidendheid en verzifikatie. + +Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen +aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter +vs. 2276, en 2634 (bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag +om de 30 verzen na 2308 (bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar +zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van +het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen +is als het vervolg er mede is opgevuld. + +Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een +onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen. +Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan +te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëzie _zooveel +mogelijk_ in zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zeg +_zooveel mogelijk_, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door +eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger +vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of +onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen. +Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomen _ghi_, _u_, in de +plaats getreden van het enkelvoudige _du_, _di_, zoo als schijnt te +blijken uit 2856-7 (2876-7). WILLEMS noemt[18] »het woord _bedi_, door +den auteur van het eerste boek _zoo gaerne_ gebezigd;” nu komt dat +woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin van +_doordien_, _daarom_ (2892, 2975), driemaal in de beteekenis van _want_ +(2331, 3110, 3162). Overal elders leest men daarvoor: _dor dat_ (111, +216, 884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede +gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het +eerste, te meer daar er na vs. 2170, dus juist in dat gedeelte dat, +gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog +andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden +worden, als _altoos_, _als ende als_, _bedraghen_, _beghaen_, _bliken_, +_erre_, _iet_, _indien_, _claren_, _wout_ enz. Maar een zeer omstandig +onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd. + +Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze +aangebracht, vs. 6, 103, 138, 193, 447, 453, 611, 914-5, 1404, 1440, +1470, 1593, 2162, 3161-2, 3177, 3425. + +Evenzoo is het met de allitererende formulen; 13, 33, _dorpren ende +doren_, 66 _dor edelheit ende dor ere_, 668 _onteert ende ontervet_, +1284 _scade ende scande_, 1563 _leet ofte lief_, 1606 _stene ende +struke_, 1685 _vasten ende vieren_, 1970 _nichten ende neven_, 1989 +_no dor niede no dor noot_, 2073 _vrient no viant_, 2094 _haenden ende +hoener_, 2150 _lief no leet_, 2238 _hout van herten_, 2346 _droghe ende +diep_, 2855 _struke ende stene_. + +Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische +uitdrukkingen waarop GRIMM de aandacht gevestigd heeft[19] als _stal +ende nam_, _pine ende onghemac_, _hermite oft clusenare_, _bejach no +ghewin_, _owi ende wee_, _diefte ende roof_, enz. enz., b.v. 42, 97, +103, 106, 230, 264-5, 268, 276, 306, 308, 326, 333, 350, 358, 405, 435, +484, 485, 516-7, 531, 597, 613, 666, 690, 693, 701, 743, 770, 933, 1046, +1108, 1174, 1182, 1426, 1438, 1449, 1532-3, 1591, 1597, 1678, 1691, +1787, 1816, 1842, 1878, 1894-5, 1988, 2041, 2043, 2054, 2064, 2075, +2086, 2093, 2097, 2114, 2118, 2120, 2173, 2191, 2251, 2272-3, 2308, +2309, 2315, 2336, 2342, 2362, 2462, 2485, 2496, 2507, 2512, 2588, 2697, +2860, 2894-5, 3000, 3045-6, 3071, 3079, 3205, 3345, 3366, 3420. + +Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door, +b.v. 229, 359, 985, 1315, 1361, 1578, 1731, 2250, 2339, 2360, 2439, +3243, 3244, 3327, 3332, 3435. + +In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v. 105 _man_, _nam_, +_gram_, _began_, 451 _graf_, _was_, 795 _swinghen_, _vingheren_, 2101 +_Isengrijn_, _rijm_, 2113 _doe_, _vro_, 2129 _Hersinde_, _kindren_, +3359 _trac_, _dat_(?), 3431 _verbijt_, _dit_, 2851 _omberen_, _varen_, +2913 _snoeren_, _te voren_, en misschien 3027 _voeten_, _grote_. + +Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden +rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging +van vier zuivere rijmwoorden, b.v. 139 _ghedede_, _vrede_, _ghelede_, +_crede_; 261 _an_, _can_, _man_, _ban_; 267 _ware_, _clusenare_, _hare_, +_jare_; 367 _niemare_, _ware_, _clusenare_, _twaren_; 459 _boecstave_, +_grave_, _begraven_, _scraven_; 945 _prihore_, _ore_, _bescoren_, +_verloren_; 1233 _ghestaen_, _ghevaen_, _wane_, _hane_; 1307 _waert_, +_Reinaert_, _waert_, _vervaert_; 1333 _rade_, _dade_, _daet_, _raet_; +1501 _begheven_, _leven_, _gheven_, _leven_; 1737 _ghelaet_, _vraet_, +_gaet_, _quaet_; 2065 _man_, _an_, _dan_, _man_; 2295 _vrouwe_, +_trouwe_, _soude_, _woude_; 2299 _waer_, _haer_, _vare_, _openbare_; +2725 _vaert_, _claert_, _Reinaert_, _waert_; 2761 _lede_, _vrede_, +_crede_, _mede_.[20] + +Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote +assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht +door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele +voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste +helft van het gedicht hier af te schrijven. + +Vs. 21 _weten_, _heten_, _leven_, _begeven_; 101 _man_, _nam_, _gram_, +_began_; 155 _begeven_, _gheheven_, _spele_, _vele_; 699 _dat_, _sat_, +_sal_, _al_; 711 _ghevaen_, _staen_, _haest_, _naest_; 3315 _ram_, +_quam_, _middach_, _ghesach_; 3401 _pine_, _Beline_, _gheliet_, +_verriet_; 3433 _mesdaet_, _quaet_, _maghen_, _bejaghen_. + +Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes: 901 +_verslaghen_, _ghedraghen_, _ghevaren_, _daren_, _daghe_, _claghe_, 1275 +_vader_, _gader_, _jare_, _ware_, _scame_, _name_; zoo ook 1331, 1693, +1767, 2215, 2323, 2867, 2915, 3307, 3377. Acht, b.v. 291 _gaende_, +_slaende_, _bare_, _mare_, _Cantaert_, _waert_, _hane_, _wane_; 395 +_saghe_, _haghe_, _ondergaen_, _saen_, _ghetale_, _male_, _nakede_, +_smakede_; zoo ook 1239, 1749, 2621, 3229, 3291. + +En zelfs _tien_: b.v. 447 _lanc_, _sanc_, _las_, _was_, _graf_, _was_, +_gras_, _was_, _sach_, _lach_; 1091 _vraet_, _ghelaet_, _overstaerc_, +_maerc_, _bestaen_, _waen_, _dagheraet_, _raet_, _ghedaen_, _gaen_; 1451 +_Reinaert_, _herwaert_, _gheraden_, _ghenaden_, _mesdaet_, _verstaet_, +_mater_, _cater_, _mesdaen_, _dwaen_. + +Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het +niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog +nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op +denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik +had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance +terug: 127 _ombere_, _mordenere_ (_dief_, _lief_), _here_, _ere_; +187 _angaen_, _ontfaen_, (_gherne_, _wernen_), _mesdaen_, _staen_; +_Isengrijn_, _pijn_ (_ghevoech_, _onghevoech_), _wijf_, _lijf_; enz. +enz. + +Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal: 1407 _wijf_, _lijf_, +_ontgaen_, _gaen_, _hermeline_, _mine_, _nu_, _u_, _Reinaerdine_, +_gaerdeline_, _al_, _sal_, _dief_, _lief_; 3097 _hermeline_, +_pine_, _gram_, _vernam_, _vlien_, _ghescien_, _ondergaen_, _saen_, +_mordadelike_, _ghenadelike_, _sidi_, _mi_; 539 _Reinaert_, _waert_, +_haghedochte_, _ghedochte_, _raet_, _vraet_, _driven_, _bliven_, _lanc_, +_danc_, _vrient_, _gedient_, _ganc_, _lanc_, _bestaen_, _ghegaen_, +_gheraden_, _gheladen_, _wise_, _spise_, _gaen_, _ghestaen_, _sat_, +_wat_, _have_, _grave_, _weten_, _eten_, _aten_, _honichraten_. + +Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle +andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van +het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn +zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons +hebben. + +Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten +aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de +afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen. + +Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden, +lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het +gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht +te vestigen[21]. + +Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie +de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden +kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die van +GRÄTER terug. + +Vooral de verwerping van de fabel na 2308 (2304) dwong mij tot eene +vernummering der verzen, zoodat de telling na vs. 2274 niet meer met die +der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal +dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen +heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers +der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst. + +In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen +schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed. +Terwijl in GRIMMS uitgave »das flämische anlautende _h_ in huut, hete, +hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für +ghehoorsam, geflissentlich bewahrt” werden[22], heb ik, even als +WILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer +moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik +bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit +de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen. + +_Maerghen_ voor _morghen_ heb ik behouden, maar niet _ou_ voor _oe_, in +de woorden _drouch_, _slouch_, enz., noch ook _lust_ voor _list_, daar +de rijmen 2602 (2626) en 2376 (2400) juist _list_ hebben. + +Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met +betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke +buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen +zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig +mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen[23]. +Kortheidshalve heb ik daarbij slechts in de allernoodzakelijkste +gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de +overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen. + +Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den +regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het +lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet +regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht +werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek +zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen. + +Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer +uitgave heb gegeven, kunnen wij overgaan tot de overweging van de nog +niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den +ouderdom van den Reinaert. + + +II. + +Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzen _Reinaert_, +hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de +proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van +den omwerker? + +WILLEMS beweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de +eerste regels van den proloog aldus aan: + + WILLEM, die Madock maecte, + Daer hi dicke om waecte + Hem jamerde seer haerde + Dat die geeste van Reinaerde + Niet te recht en is gescreven: + Een deel is daer after gebleven: + Daeromme dede hi die vite soeken + Ende heeftse, uten walscen boeken + In duutse aldus begonnen. + +Dan gaat hij voort: WILLEM heeft niet den oudsten Vlaamschen _Reinaert_ +opgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niet _te recht gescreven_ +oordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik het +_aldus begonnen_ van dit laetste vers; doch om geheel de _vite_ of +levensbeschryving van _Reinaert_ te doen kennen heeft hy datgene, +hetwelk _after gebleven_ was, door middel van _walsche_, dat is, door +_fransche_ boeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver +van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste +boek. + +»De nedersaksische vertaling van _Reineke_ en de oude prosadrukken van +Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs. 41 +aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy +van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste _Reinaert_ +begon met vs. 11. + + Nu keert hem daer toe mijn sin, _enz._ + +»Hoe men dit dan ook beschouwe, _het aldus begonnen_ van vs. 9 steekt +altoos zeer sterk af tegen vs. 40: + + Nu hoort hoe ic hier beginne; + +want, zie daer een dubbel _begin_! Er is ook eene dubbele bedoeling. +WILLEM verklaert zyne taek aentevangen _om dat het hem zeer jammerde_ +dat er nog zoo veel aen de historie van _Reinaert_ ontbrak; terwyl de +oorspronglyke dichter slechts daerom _de avonturen van Reinaert_ MAEKTE, +om dat zekere dame, _die in groter hovescheden gerne hare saken keert_, +_hem daer toe bad_ (vs. 26-31). Deze beweegreden _alleen_ gaf hem de pen +in de hand; anders had hy _stil gezwegen_ (vs. 26). + +»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk +van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de +handschriften der _Brabantsche Yeesten_ staet er een van verschillenden +inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum. + +»Indien WILLEM het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld, +dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der +vertaling van _Heinrich der Glichsenaere_, _Hersant_ en niet _Hersint_ +of _Erswinde_ heeten; dan zou de naem van den hond, _Cortois_, in de +fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt er _Roonel_, _Rooniax_ +of _Morout_ genoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de +behandeling van het onderwerp (vs. 100, 1461-1463 enz.) niet zoo +eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk +in de fransche _Renarts_ eenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een +voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen +straks zien, dat de trouveres geen ouder _fransch_ gedicht kennen, dan +dat van PERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze +bylagen bl. 302-341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene +letterlyke vertaling van _onzen Reinaert_ is. + +»Beschouwt men daerentegen WILLEM voor den hermaker en vervolger van het +gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk] +vindt men, _voor eerst_, eene omdichting van het eerste boek,.... en, +_ten andere_, een vervolg van dit oorspronglyk gedeelte, meest uit +fransche poëten of uit de _Fabulae extravagantes_ samengeraept”[24]. + +Tegen die redenering is het een en ander in te brengen: + +Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste +redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus: + + WILLEM die vele bouke maecte, + Daer hi dicken omme waecte, + Hem vernoyde so haerde, + Dat die avonture van Reinaerde + In Dietsche onghemaket bleven, + Die WILLEM _niet_ hevet vulscreven, + Dat hi die vijte van Reynaerde soucken + Ende hise naden Walschen boucken + In Dietsche dus hevet begonnen[25]. + +Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts +in GRÄTERS uitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is +intusschen onverklaarbaar, dat GRIMM niet de minste poging heeft gedaan +om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den +omwerker in de plaats stelde. WILLEMS schijnt zich hoofdzakelijk aan +den tekst van GRIMM gehouden te hebben zonder altijd veel acht te +slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet +verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in +de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, met +GRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in +Nederland geheel onbekend raakte. + +Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen. + +De grootste zwarigheid levert zeker vs. 6 op; maar juist hier is het +niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven. _Niet_ is in +tegenspraak met al het overige; maar dat _niet_ is juist bedorven. +De varianten bij GRIMM doen zien, dat soms de _r_ en _t_ niet goed te +onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit +ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven. +Zoo las GRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs. 993, voor +_dat felle dier_ (_:lier_), _dat felle diet_; 2372 (2396) _voere_ +in plaats van _voete_. Bedenkt men daarbij dat de _n_ lichtelijk in +sommige handschriften met de _h_ kan verwisseld worden, dan zal het wel +geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbe _hier_, +in steê van dat onbegrijpelijke _niet_. En zoo kunnen wij, met geringe +verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen: + + WILLEM, die den Madoc[26] maecte, + Daer hi dicke omme waecte, + Hem vernoyede so haerde + Dat davonturen van Reinaerde + _In Dietsce onghemaket bleven_, + (Die hi hier hevet vulscreven), + Dat hi die vite [dede] soeken, + Ende hise na den walscen boeken + In Dietsce dus hevet begonnen. + +Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin +heet het niet, dat de historie niet _te recht_ is geschreven, of dat er +_een deel_ van is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert +(verg. vs. 31) waren in het geheel in het Dietsch _ongemaakt_: dit was +hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het +Dietsch overbracht. + +De tusschenzin van vs. 6 moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel +opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het +geheele gedicht door voorkomen, zie boven bl. XXIII. En juist daarin +vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het +oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht +treedt. + +Het eerste gedeelte van WILLEMS' betoog vervalt door deze eenvoudige +opmerking vanzelf[27]. + +Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van +persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo als WILLEMS zelf +reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de +eerste _Reinaert_ met vs. 11 begon. + +Steekt nu werkelijk vs. 9 zoo sterk af bij vs. 40, + + Nu hoort hoe ic hier beghinne? + +Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen +uit eene dubbele bedoeling is te verklaren? + +Maar men lette wel op, dat als men met vs. 11 den ouden tekst laat +aanvangen, men daar terstond leest: + + Nu keert hem daer toe mijn sin, + Dat ic bidde _in dit begin_, enz. + +zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den +geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen +aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door +gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naar JAN VAN +HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de +eerste regels zijn boek aan MARGARETA van Engeland aanbiedt; dan heet +het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs. +69) + + En hadde gedaen van Ingelant + Vrouwe Margriete, alsic thant + _Int beghin_ sprac overluut. + +En dan wederom in het slot der inleiding, vs. 78: + + Nu helpe my God, _ic saels beginnen_[28]. + +Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel +aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen +der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de +ontleening? GRIMM neemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als +overtuigend bewijs aan[29], en ook wij behoeven er niet aan te +twijfelen[30]. + +Want niemand zal wel met WILLEMS' betuiging tevreden zijn: »De dichter +van den _Reinaert_ schynt.... een _grand clerc_, zoowel in het Fransch +als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy +sommige namen, als _Cortois_, _Malpertuis_, _Malcrois_ en _Pinte_, uit +eerstgenoemde tael ontleende”[31]. + +Ja maar, zegt men wellicht met WILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet +de wolvin _Hersant_ en niet, zoo als bij ons, _Hersint_! + +Sedert WILLEMS schreef gelukte het GRIMM een groot fragment van den +oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen[32], en +daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem +uitgegeven gedicht, _Hersant_, maar, even als in onzen _Reinaert_, +_Hersint_, zie b.v. vs. 608, 627, 870, 877, enz.--ergo. + +Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der +gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich +begrijpen, als men weet, dat de _Reinaert_ niet in allen deele strikt +vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging, +gelijk wij nader zullen aantoonen. + +Alvorens WILLEMS' laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van +een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker +kan zijn. + +Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst +het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde. +Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke +verandering, zoo als WILLEMS zelf opmerkt[33]. In den oudsten tekst +namelijk verlaat Reinaert met de zijnen zijn kasteel, om zich in de +wildernis te verbergen, vs. 3311 (3331): + + Si daden hem alle up die vaert: + Ermeline ende here Reinaert, + Ende hare jonghe welpkine, + Dese anevaerden die woestine; + +welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere +gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen. + +Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger +codex niet van eene omwerking wist. + +WILLEMS is natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de +afschryver van het codex Comburgensis den _ouderen_ text van _Reinaert_ +kopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te +leveren”[34]. + +Den grond voor die meening geeft hij aldus aan[35]: + +»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds +met vs. 3395 [ons 3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe +personnagie, met name _Firapeel_, de luipaerd, die den koning tot het +besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en +om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen: + + _Daerna_ sullen wi alle lopen + Na Reinaerde, ende sulne vangen, + Ende bi sine kele hangen; + +een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag +krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien +hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglyke +_Reinaert_ met vs. 3394 sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel +gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs. 3395 eene groote versierde +voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende +dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint. +Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd, +noch passend.” + +Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs. 3374 +(3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men +eerst bij vs. 3454 (3474) bereikt heeft. + +Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de +later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij +navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech” een +geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel +beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige +fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag +genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in den _Renart Le +Nouvel_, in MÉONS vierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men +later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet +volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een +epos. + +En wat de groote aanvangsletter bij vs. 3375 (3395) betreft, die kon +misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten +zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is +het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het +vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de +oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten, +ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in +het origineel 't welk hij voor zich had voorkwam, zoo als wij later +zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar +was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel +waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van +zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs. 3454 +zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit +vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing +gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet +aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht +verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter. +En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift +zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe +alinea, gelijk eene welwillende mededeeling van KAUSLER mij verzekert; +zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in +rook verdwijnt. + +Dat het gedicht met vs. 3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten +wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zal +GRIMM toestemmen, die juist wat WILLEMS als overgangsregels beschouwde, +genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel”[36]. + +Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, dat WILLEMS op eene +andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den +omwerker zegt hij[37]: »Hy noemt den leeuw _Lioen_, in plaets van +_Nobel_.” + +Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking +de leeuw slechts één enkel maal _Lioen_ heet, vs. 3757: + + Ist dat ic coninc heet Lioen; + +maar integendeel vs. 3625 van WILLEMS' uitgaaf, evenzeer genoemd wordt +_Nobel die coninc_. Maar juist in de verzen die WILLEMS als +overgangsinlapsel beschouwt lezen wij: + + Hi sprac: »Here, coninc lioen, vs. 3378 + Dit biet u die coninc lioen. vs. 3444 + +Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen +van den oudsten schrijver vloeiden? + +Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot +twijfel; maar ziet, vs. 1837 lees ik dezelfde benaming: + + Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen, + Wien twifelt des, ghine moghet doen? + +Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de +Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg +dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog +het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte +geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die +voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen, +gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het +vijfde vers volgens de echte lezing. + +Ik vertrouw dat de heer C. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering, +mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk” zal vinden[38]. Volgens +hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen +is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen +eigenen verzwegen zou hebben.” Ik antwoord: hoe moeyelijk ook te +veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het +geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ook WILLEM heette, maar +zich dan toch nooit den _Madoc_ kon toeëigenen), zijn diefstal alleen +bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nog _ongemaakt_ kon heeten, +blootelijk te veranderen in _niet te recht geschreven_. + +Voorts zegt SERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de +oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een +kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven +hebben.” + +Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt +verwezen naar de inleiding van WILLEMS, bl. XXXVIII, die zich beroept op +vs. 444 en 2953-2969. In het eerste vers heette het dat men begon te +zingen + + Dat placebo Domino; + +en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet” +aangehaald (dien men gewoonlijk voor Godfredus Andagavendis houdt), +waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis +verwerven. + +Met de aanwijzing der plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging +van WILLEMS geleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van +een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus +communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een +geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien +dat gevoelen te weêrspreken. + +Maar ook al aangenomen dat de schrijver van den _Reinaert_ een +geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde +van eene vrouw schreef, dan dat de pastoor HEIN VAN AKEN zich dit +veroorloofde, die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald +had[39]? + +Zoo het verder bij SERRURE heet: »zeker was zulk kundig en vernuftig +dichter als de opsteller van het eerste boek des _Reinaerts_, niet +in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te +berymen,” dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar +ik noch bij SERRURE het betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf +de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en +onbeduidend is, tenzij men met WILLEMS _malsch_ vs. 19 vertale door +_week_! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van den +_Floris_ stellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op +hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta van +SERRURE tegenspreekt. + +Zoo WILLEMS en die hem volgen dien proloog met alle geweld den +omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de +oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent +dat hij »naden walscen boeken” gearbeid heeft. De waarheid heeft +intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die +rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de +verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zoo WILLEM al walsche +bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel +zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo +verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat +hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding +daartoe in den vreemde gevonden was. + +Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden +dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hij WILLEM +geheeten was, en vroeger reeds den _Madoc_ geschreven had; 2) dat hij +naar fransche geschreven bronnen (_walsce boeken_) gewerkt heeft. + +Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te +sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de +fransche gedichten betreffende de dierensage. + + +III. + +In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud[40]. In de _Chanson des +Lorrains_, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij +ons bekend is[41], heet het van BERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in +een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed +(II. 53), + + Renart resenble qu'en la taisnière est mis, + +hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van +Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van +den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeen +bekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten +vos op het oog had. GRIMM heeft eene plaats aangehaald van GUIBERT +DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de +verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in +Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter +lupinam speciem” Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen +begrepen worden[42]. Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een +menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden +der elfde eeuw (1050) voorkwam. + +Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of +prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar +wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons +gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus[43] zegt onder anderen: + + Tout cil qui en content sans rime + Ne sevent pas vers moi la dîme: + Il le vous content à l'envers; + +waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop +waren[44], die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn +opgeschreven, althans niet tot ons gekomen. + +Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks +van gedichten die te samen meer dan 30,000 verzen bevatten, alle takken +(_branches_) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in +verschillende tijden bewerkt. + +Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave van MÉON, +slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de +voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig +gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling +van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegt GRIMM[45]: »abgefasst sind die +frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des +zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der +gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach +überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar +dem 14. jh. zufallen.” + +Ongeveer op dezelfde wijze oordeelt ROTHE[46]: »Bien qu'il soit +impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que, +dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie +ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes, +selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous +aujourd'hui le _Roman de Renart_ datent du treizième siècle. Quelques +uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du +quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au +nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne, +celle des trouvères”[47]. + +FAURIEL erkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder +stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar +karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères +op het ouder stuk hebben uitgeoefend[48], dat zij »reprirent pour +ainsi dire en sous-œuvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent, +l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées +et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle, +eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français.” Dit +had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une +forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre +fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables.” + +Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches van MÉON, die niet +de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige +schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles +herinnert aan het weelderige tijdperk waarin CHRESTIENS DE TROIES +bloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder +kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag +of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige +juistheid aan te geven. GRIMM zelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot +zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn +uitstekend werk zoo hoog schat als iemand[49], geloof ik toch dat het +plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder +slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is +voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert. + +Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg +slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen +weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden. + + * * * * * + +In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig +is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de +verzameling van MÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke; +maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk, +welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de +twintigste branche van MÉON[50], welke wederom in hare eerste helft zoo +met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging +gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is. + +Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft, +nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben. + +Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is de _Reinhart_ van _Heinrîch der +Glichesære_. + +Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeft GRIMM betoogd uit +de onduitsche vormen van sommige eigennamen als _Birtîn_, _Hersant_, +_Isengrîn_, _Schanteklêr_ en _Pinte_; terwijl _Uebelloch_ blijkbaar eene +vertaling is van _Malpertuis_. Ook het woord _villân_, »hätte nicht +leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht[51].” Voorts haalt hij +ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woorden _cous_ en _bordûz_ +aan om zijn gevoelen te staven[52]. + +ROTHE erkent dan ook[53] dat de duitsche dichter »connaissant +_infailliblement_ un poëme antérieur de Renart en français, et profitant +de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans +l'ancienne langue allemande.” + +En FAURIEL getuigt uitdrukkelijk[54]: »Le Reinhart, tel qu'il nous +reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme +l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute +n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les +rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter +jusqu'à un certain point la substance et la suite.” + +Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in +de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste, +vs. 1239-2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e (16e) fransche +branche. + +Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet +bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de +woorden: + + Ce dist l'estoire ès premiers vers. + +Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze +verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al +vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen +uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de +fransche branches het geval was, voelde ROTHE reeds[55]. FAURIEL is het +met hem eens, als hij zegt[56]: »Les trouvères combinèrent de la manière +la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des +fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y +aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du +caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de +Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort +délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter.” + +Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde +terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot den _Reinhart_ ook FAURIEL +aanneemt[57], dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot +elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen, +niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une +sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble +résultant d'une simple juxtaposition de récits divers.” + +Of nu GLICHESÆRE de verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of +hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te +maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788: + + Heinrich + Der hât diu buoch zesamene geleit + Von Isengrînes arbeit: + +daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de +verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex +leest men die plaats aldus: + + Heinrich + Er hât daz buoch gedichtôt + Umbe Isengrînes nôt; + +zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven. + +Zooveel is zeker, dat HEINRICH DER GLICHESÆRE omstreeks 1150 leefde[58], +zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de +eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen +moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde +eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van +omstreeks het jaar 1100[59]. + +Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de +mnl. _Reinaert_ af, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en +niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen +hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij +eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan den _Reinhart_ +ten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit +het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing +aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het +andere werd bewerkt? + +ROTHE schijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche +gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk +verklaart. Eerst zegt hij[60]: »Les deux tiers de la vingtième +branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers +chapitres du premier livre du _Reineke Fuchs_ [en dus ook van onzen +_Reinaert_]. Pour le reste seulement, cette branche du _Roman de Renart_ +diffère entièrement de la fin du premier livre de _Reineke_.” En twee +bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième +siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie.” + +Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat. + +GRIMM neemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het +origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn[61]. WILLEMS gaat veel +verder. Hij beweert dat de _estoire_, _l'escrit_, dat het fransche stuk +als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan +onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet +deswege geen twyfel over[62].” + +Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels. + +Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het +andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het +vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet +omgekeerd. + +Maar WILLEMS heeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja, +wat meer is,” roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs het +_vlaemsche_ woord _willecome_ staen, op dezelfde plaets waer hy het in +den _Reinaert_ aentrof, vs. 1073.... Kan er wel een sprekender bewys van +navolging gevonden worden?” + +En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen, +heet het vs. 1072: + + Tibert, helet vri, + Neve, ghi sijt mi _willecome_! + +En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493: + + Tybert, fet li Renarz, _villecome_! + +Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe, +zoo dit slechts schijn ware? + +Vooreerst staat het woord _willekome_ ook in den _Reinhart_, vs. 1663: + + Er sprach: »_Willekome_, sippebluot!” + +waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo +het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra +ook in het Fransch opgenomen. + +Vooreerst in den in Vlaanderen geschreven _Renart Le Nouvel_ (MÉON, tom. +IV), leest men: + + S'irai al apostole à Roume, 1361 + Et as legas, ki _wilecoume_, + Diront à moi. + Convoitise vo fille ainsnée, 1371 + Ki moult sera _walecoumée_ + As cardounaus et au clergié. + En flament haut le salua: 3366 + „Goude jonkhiere, goudendast,” + Tibiert li respont en soumat: + „Goude kenape _willeconme_!” + +In de 27e (22e) branche, waarmede MÉONS derde deel aanvangt, leest men, +vs. 20026: + + Ysengrins a le chief levé, + Si a Renart aparcéu: + „_Willecome_, bien veigne-tu, + Renart, qar vos venez séoir!” + +Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers +in de _Chroniques de Normandie_ van BENOIT (ed. FRANC. MICHEL, tom. II, +pag. 112) leest, vs. 18608: + + Là vunt les lices desfermer, + Si receivre, si _welcumier_, + +waar MICHEL het ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue +à quelqu'un.” + +Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20 +(16) dit woord t. a. pl. reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het +hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men +mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche +woorden die hij gebruikt. + +Het betoog van WILLEMS kan dus voor ons geene bewijskracht hebben, en +wij moeten trachten de zaak op nieuw te onderzoeken. + +Er is werkelijk een toetssteen, en wel een die zoo voor de hand ligt, +dat het ons verwondert, hem nog ongebruikt te zien. Immers als men het +vlaamsche gedicht en de fransche branche doorloopend vergelijkt met den +mhd. _Reinhart_, die het oudere fransche origineel vertegenwoordigt, dan +moet er wel licht opgaan; want het stuk dat in den regel nader aan het +oorspronkelijke komt, in plaatsen waar het andere er van afwijkt, moet +noodzakelijk de middenterm uitmaken. + +Zien wij dan tot welke uitkomsten zoodanige vergelijking leidt. + +In de beschrijving van den hofdag verschillen de drie stukken +aanmerkelijk van elkander. De eigenaardige aanleiding tot dien hofdag +vindt men alleen in het mhd. gedicht, en wordt evenmin in het fransche +als vlaamsche stuk aangetroffen, zoodat dit waarschijnlijk een +toevoegsel van den GLICHESÆRE is, daar het toch niet aannemelijk schijnt +dat dit in het oude fransche origineel zou hebben gestaan, als GRIMM +gist[63], dewijl er nergens in de jonger fransche branches eenige +toespeling op voorkomt. + +Overigens staat toch ook zelfs hier de fransche branche nader aan het +Mhd. dan onze _Reinaert_. In het Mhd. heet het, vs. 1366: + + Do suochte reht her Isengrîn, + Eins vorsprechen er gerte, + Der künic in eines gewerte: + Daz muose Brûn der bere sîn. + +En Brûn doet dan ook de aanklacht namens zijn kliënt. Dat alles heeft +in de beide andere stukken geen plaats, maar in het fransche mengt Bruns +li Ors zich toch in het geding (9705), hetgeen wel een uitvloeisel +van de vroegere voorstelling kon zijn. Buitendien vinden wij nog +andere overeenkomst. In het Mhd. wendt zich Krimel, de das, in zijne +verdediging van Reinhart tot Hersant, en zegt, vs. 1396: + + Ver Hersant, nu seget wie + Iuch iwer man bringt ze mære: + Daz magiu wesen swære, + +nadat hij eerst heeft aangetoond dat Reinhart haar, die veel grooter is, +onmogelijk tegen haren wil heeft kunnen verkrachten. + +In het Fransch zegt Grimbers li tessons evenzoo, vs. 9761: + + N'i ot force fète + Ne huis brisié, ne trive frète; + +en ook daar wendt hij zich vervolgens tot Hersent, vs. 9779: + + Haï! quel clamor et quel plet + Vos a hui vostres mari fet + A tantes bestes regarder! + ...................... + Il ne vos crient ne ne resoigne. + +Als later de moord aan Coppe gepleegd, bekend raakt, wordt in het Mhd. +des konings »zornege muot” (vs. 1474) uitdrukkelijk vermeld; hij sprak: + + „Sam mir mîn bart, + Sô muoz der fuhs Reinhart + Gewislîchen rûmen diz lant, + Odr er hât den tôt an der hant.” + +En hij gebaarde daarbij zoo woedend, dat de haas van schrik de koorts +kreeg, vs. 1484: + + Vor vorhten bestuont in der rite. + +Ook in de fransche branche wordt 's konings woede geschilderd, vs. +10041: + + Et qant li rois vit Chantecler, + Pitié li prist du bacheler, + Un soupir a fait de parfont, + Ne s'en tenist por l'or du mont. + Par mautalent drece la teste, + One n'i ot si hardie beste, + Ors ne sangler qui péor n'ait + Qant lor sire sospire et brait. + Tel péor ot Coarz li lièvres + Que il en ot deus jors les fièvres, _etc._ + +Van dat alles vindt men nu in onzen vlaamschen _Reinaert_ niets. + +Als later Coppe begraven wordt, zegt het Mhd. vs. 1485: + + Der künec hiez singen gân + Hern Brûnen, sinen kapelân, + Und ander sîne lêreknaben; + Der tôte wart schiere begraben. + +hetgeen in het Fransch, vs. 10090 aldus luidt: + + „Sire Bruns, prenez une estole, + Et vos, sire Bruians li tors, + Commandez l'ame de cest cors; + Là sus enmi cele costure + Me fètes une sépouture + Entre ce plain et ce jardin, + Si parleron d'autre Martin.” + --„Sire, fait Bruns, vostre plaisir.” + Atant va l'estole saisir, + Et non mie tant solement, + Mès li rois el commencement, + Et tuit li autre dou concile + Ont commenciée la vigile. + Sire Tardis, li limaçons, + Chanta por cele trois leçons, + Et Rooniax chanta li vers, + Et il et Brichemers, li cers, + Et Bruns, li ors, dist l'oroison, + Que Diex gart l'ame de prison. + Qant la vegile fu chantée, + Et ce vint a la matinée, + Le cors portèrent enterrer, _etc._ + +Dit is blijkbaar eene uitbreiding van het Mhd. In den _Reinaert_ leest +men alleen dat Nobel aan Cantecleer zegt, vs. 431: + + [Wi] sullen onse vigilien singhen: + Daerna sullen wise bringhen, + Den lichame, ter eerden met ere. + .......................... + Dat hi gheboot was sciere ghedaen. + Doe mochtemen horen aneslaen + Ende beghinnen, harde ho, + Dat Placebo Domino, + Ende die verse, die daer toe horden. + _Ic seide ooc, in waren worden, + Neware het ware ons te lanc, + Wie daer der siele vers sanc, + Ende wie die sielelesse las._ + Doe die vigilie ghehent was, + Doe leidemen Coppen in dat graf, _enz._ + +Men heeft deze plaatsen maar te vergelijken, om zich te overtuigen dat +de fransche branche onmogelijk naar den _Reinaert_ kan bewerkt zijn, +daar in het laatstgenoemde stuk Bruun niet genoemd wordt als zanger van +den lijkdienst. Daarentegen pleiten de kursief gedrukte regels veeleer +voor de tegenovergestelde opvatting. + +In het Mhd. volgt dan het verhaal hoe de haas zich op het graf van Coppe +te slapen legt en daar van zijne koorts genezen wordt, waaruit blijkt +dat de verslagene eene heilige martelares was, hetgeen aanleiding geeft, +dat allen op Reinhart woedend worden. + + Der hase leit sich ûf daz grap: 1489. + Ze kurzen wîlen er entswap, + Als ich iu sagen muoz, + Dô wart im des riten buoz. + Der hase ûf erschrihte + Fürn künec gienger enrihte, + Und sagt im vremdiu mære, + Daz daz huon wære + Heilec vor gotes gesihte, _etc._ + +Hetzelfde verhaal vindt men in het Fransch terug, hoewel het daar niet +op zijne juiste plaats staat, daar Bruin reeds vertrokken is. + + .... mesire Coars, li lièvres, 10149. + Qui de péor trembloit les fièvres, + Deus jors les avoit jà éues, + Merci Dieu, or les a perdues + Sor la tombe dame Copée: + Car qant ele fu enterrée, + Onc ne se volt d'iloc partir, + Ainçois dormir sor le martir. + +En dan wordt er nog bijgevoegd, dat ook Ysengrin zich op het graf legt, +voorgevende kiespijn te hebben, waarvan hij ook beweert genezen te +worden, hoewel niemand aan zijn zeggen geloof hecht. + +Dit laatste nu is stellig een inlapsel van den franschen trouvère, +die Nobel voorstelt als den vos niet ongenegen, waarom Isengrim alle +middelen te baat neemt om den koning tegen zijn vijand op te zetten; +misschien is het zelfs alleen het werk van een afschrijver. Maar +in allen gevalle kan het geheele mirakelverhaal hier niet uit den +_Reinaert_ zijn overgenomen, omdat het daar in het geheel niet voorkomt. + +Het gezantschap van Bruun wijkt in de voorstelling van de beide jongere +stukken nog al af van het Mhd.; maar ook hier hebben wij twee plaatsen +die bewijzen, dat het Fransch onmogelijk naar het Vlaamsch kan vertaald +zijn, wel omgekeerd. + +Als Bruun Reinaert uitnoodigt om met hem ten hove te gaan, zegt deze, in +de fransche branche, dat hij vanzelf reeds op weg zou zijn, zoo hij niet +eerst had willen eten, en wel (vs. 10204) + + D'un merveilleus mengier françois; + +want ten hove worden de rijke lieden goed ontvangen, en hun zet men een +goed maal voor, maar den arme noodigt men niet ten disch. + + „Por tel afère con ge di, 10231. + Biau sire, avoie dès mardi + Mon lart et mes pois aünez; + Dont je me sui desjéunez, + Et s'ai bien mengié deus denrées + De novel miel en fresches rées. + +Die lofspraak op den honing, dien hij ook later, vs. 10252 noemt »cest +bon miel frès et novel”, is hier geheel op hare plaats, en dient om den +beer begeerig te maken naar die lekkernij. + +De Vlaming behandelt de zaak anders: hij laat Reinaert zeggen, dat hij +naar het hof zou zijn gegaan indien hij niet zooveel van »ere vremder +niewer spise” gegeten had, dat hij niet kon loopen; en toch was het maar +eene onedele spijs, »cranke have,” want arme lieden moeten eten wat zij +bij de hand hebben en niet wat zij zouden wenschen. Dien honing, + + „Die moetic eten dor den noot + Als ic el niet mach ghewinnen.” + +Men ziet hier duidelijk het plan van den vos om de spijs te smalen, ten +einde den beer des te beter om den tuin te leiden. Vandaar dat Bruin dan +ook antwoordt (vs. 575): + + Helpe, lieve Vos Reinaert, + Hebdi honich dus onwaert? + +Daarbij steekt nu sterk af dat hij ter zelfder plaatse die verachtelijke +spijs noemt (vs. 568) + + _Goede_ versche honichraten. + +Men kan alleen begrijpen hoe deze in den samenhang niet passende +uitdrukking in den vlaamschen tekst gekomen is, als men daarin eene +ondoordachte vertaling ziet van het fransche »bon miel frès et novel.” + +Als verder Reinhart den beer in 't ongeluk gebracht heeft doet +GLICHESÆRE hem naar zijne burcht trekken: dáár voor de deur zittende +ziet hij den mishandelden Brûn voorbijloopen, dien hij zijn bijtenden +spot achterna zendt. + + Her Brûn vor zorne nicht ensprach 1605. + Wan daz ern übellich ane sach. + +Evenzoo heet het in het fransche gedicht van Renart, vs. 10402, + + Qant il oï Brun de loing plaindre, + Si s'est mis parmi une adrece + à Malpertuis sa forterece, + Où il ne crient ost ne agait. + Au trespasser que Bruns a fait + Li a Renarz deus gaz lanciez. + ........................ + Li ors estoit si adolez + Qu'il ne li pot respondre mot, + Fuiant s'en vet plus que le trot. + +In den vlaamschen _Reinaert_ nu raakt de beer in 't water, en aan den +oever der rivier ontmoet hem de vos, die zich wilde gaan baden. GRIMM +meent dat ook des beeren vlucht door de rivier in het verloren ouder +fransche gedicht kan gestaan hebben[64]; maar dit is onwaarschijnlijk, +daar de nieuwere branche zich geheel aan het Mhd. houdt; en waar dit +het geval is kan deze branche wederom onmogelijk naar den _Reinaert_ +vertaald zijn, die zich zoo ver van het Mhd. verwijdert. + +Het gezantschap van Tibert zal ons geen punt van vergelijking opleveren, +omdat in het Mhd., volgens GRIMMS opmerking »der ganze vortrag hier eine +leidige zusammenziehung verräth, und bedeutende abweichung von der +andern recension[65].” + +De biecht komt in het Mhd. niet voor. Maar als Reinaert zich opmaakt +naar het hof, zegt GLICHESÆRE, vs. 1831: + + Ein criuze machter für sich, + Er sprach: »Got bewar nu mich + Vor bœsen lügenæren, + Daz si mich nicht beswæren. + +En zoo ook in het Fransch, vs. 10866: + + Lors se coucha adenz à terre, + Et trois foiz se rendi copables, + Puis se seigna por les déables, + Et por dant Noble, le lion, + Moult fu en grant afflicion. + +En dit ontbreekt in het vlaamsche stuk. + +Als Reinaert ten hove is gekomen loopen de drie stukken weder geheel +uit een, zoodat hier de vergelijking ophoudt. + +Uit de overweging der plaatsen die wij tegen elkander hebben gehouden +blijkt dunkt mij onwedersprekelijk, dat de fransche branche onmogelijk +naar onzen vlaamschen _Reinaert_ kan zijn vertaald, zoo als WILLEMS als +bewezen aannam; want herhaaldelijk troffen wij in het Fransch plaatsen +aan afwijkend van het vlaamsche gedicht maar gelijkluidend met het mhd. +of ouder fransche stuk. + +Er is, dunkt mij, nog een ander bewijs voor den gedeeltelijken oorsprong +van den _Reinaert_ uit het Fransch. Ik druk niet op de enkele fransche +woorden, als morseel, museel, enz. die er in voorkomen, ik laat zelfs +hier het woord _male_ buiten rekening, dat vs. 400 en 889 in de +overdrachtelijke beteekenis van _maag_ of _muil_ wordt gebruikt, even +als in het Fransch vs. 18004 + + Et Tybert differma sa _male_. + +Maar ik moet wijzen op eene uitdrukking, die alleen door vergelijking +met het Fransch verstaanbaar wordt. Vs. 130 heet het: + + Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief, + _No_ den coninc, minen here, + Hine wilde dat hi lijf ende ere + Verlore, mocht hire ane winnen. + +Nu weet ik niet dat in eenig mnl. stuk _no_ wordt aangetroffen in de +beteekenis van _zelfs_, _zelfs niet_, die hier geëischt wordt. Alleen +het fransche _néis_ kan hier licht geven. B.v. vs. 10467 waar R. genoemd +wordt: + + .... beste de put conroi, + _Néis_ à Dex ne porte foi. + +Of vs. 11529, waar R. alle dieren verschalkt: + + Renarz a bien chascun lié + Ou par la coue ou par le pié; + Moult par a fet grant deablie: + A chascun arbre le suen lie, + _Néis_ le roi lia par la coue (_sic_). + +Laten wij er nog bijvoegen, dat de behandeling in den vlaamschen +_Reinaert_ veel voortreffelijker is dan in de fransche branche, zoowel +wat de geheele opvatting betreft als de bijzonderheden in de enkele +tafreeltjes. Is het nu te verwachten, dat de minder voortreffelijke +redaktie eene navolging zou zijn van het betere? Het verschil is zoo +groot, dat dit reeds genoegsaam zou zijn om de stelling van WILLEMS als +onaannemelijk, als onmogelijk te doen verwerpen. + +Maar volgt daaruit dat onze Reinaert _naar deze branche_ is vertaald? De +afwijkingen in beide teksten waren voor WILLEMS geen hinderpaal om aan +te nemen dat het eene naar het andere werd bewerkt, omdat er in beiden +zoovele regels zijn, die blijkbaar letterlijk met elkander overeenkomen; +maar het zou niet onmogelijk zijn dat de _Reinaert_ eene navolging ware +van een ouder stuk dan de bekende fransche branche; aan een jonger valt +wel niet te denken, daar er dan wel iets van ter onzer kennisse zou +gekomen zijn. + +A priori is dit echter niet waarschijnlijk, daar men zou moeten aannemen +dat er drie fransche redaktiën van hetzelfde verhaal zouden hebben +bestaan: 1) de oudste, wier inhoud ons GLICHESÆRE heeft bewaard, 2) de +eerste omwerking, waaruit dan 3) de ons bekende, minder goede, branche +en de _Reinaert_ zouden zijn voortgevloeid. + +Intusschen kan alleen eene nadere vergelijking der verschillende +plaatsen van beide teksten tot eene bepaalde uitkomst leiden. Ten einde +die zoo doeltreffend mogelijk te maken, moeten wij eerst iets naders +trachten te weten van den franschen trouvère die de 20e (16e) branche +bewerkte. + + +IV. + +Zijn naam is ons niet bekend: wij weten echter zeer zeker dat het PIERRE +DE SAINT CLOUD niet geweest is, vooreerst omdat deze in den proloog +genoemd wordt als juist dit onderwerp niet hebbende behandeld, terwijl +het in de tweede plaats duidelijk blijkt uit een zeer in het oog loopend +onderscheid. Onze dichter geeft zijnen dieren ridderlijke zeden en +laat ze b.v. altijd op paarden of muilezels rijden, hetgeen in de 11e +(7e) branche die aan PIERRE wordt toegeschreven, nimmer plaats grijpt. + +Zoo nu al 's dichters naam ons onbekend is, zijn geboorteland is niet +twijfelachtig. Boven wezen wij reeds op het vlaamsche woord _villecome_; +ik voeg er bij de uitdrukkingen: _fère let_ voor _leed doen_, vs. 10975; +_eschames_, 10032, voor _schamels_, die alle naar Fransch-Vlaanderen +verwijzen, zoo als wij later nog nader zullen bevestigd zien. + +GRIMM schijnt niet ongeneigd, deze branche aan twee dichters toe te +schrijven, althans hij zegt[66]: »vielleicht schloss mit 11368 die +ursprüngliche branche;.... nun folgen aber fortsetzungen.” ROTHE maakt +ter naauwernood, en ter loops[67], gewag van dit onderscheid, dat hij +in den regel uit het oog verliest; FAURIEL spreekt er in 't geheel +niet van[68]; maar het komt mij ook voor, dat men moet toegeven, dat +werkelijk in de laatste helft een nieuw verhaal begint, en dat dit niet +aan den dichter van het eerste deel der branche kan worden toegekend, +hoewel de navolger waarschijnlijk niet veel jonger dan de eerste +dichter moet gesteld worden, met wien hij hetzelfde vaderland gemeen +heeft. + +Vooreerst zullen wij zien, dat de schrijver van den vlaamschen +_Reinaert_ ook dit gedeelte heeft gekend en gebruikt. Voorts treffen wij +hier hetzelfde spraakgebruik, dezelfde zinswendingen aan als in het +eerste gedeelte. Zoo wordt hier, vs. 11447, de uitdrukking gebruikt: + + Qu'iroie-ge fesant lonc coute? + +even als vroeger, vs. 10849: + + Que vos iroie-ge disant? + +vs. 11604 heet het: + + Puis parleron d'autre Bernart, + +waarvoor vs. 10096: + + Si parleron d'autre Martin. + +De taal in beide deelen is die van Fransch-Vlaanderen. + +Bovendien, vs. 11728 wordt Arras genoemd, hetgeen ons, in verband met de +taal, wel recht schijnt te geven beide dichters in Artois te plaatsen. + +Maar uit die overeenkomst van taal- en spraakwendingen volgt nog in het +geheel niet, dat beide stukken van dezelfde hand zijn; want het valt +niet te ontkennen, dat er een merkbaar onderscheid in de behandeling van +het eerste en laatste gedeelte is waar te nemen. + +Het geheele karakter, de toon, de wijze van voorstelling en +zedeschildering van beide deelen verschilt daartoe te veel. Buitendien +zijn er bij naauwkeuriger vergelijking nog enkele verschilpunten, die +geen twijfel overlaten. + +En toch, zegt men wellicht, niet alleen in beide deelen rijden de dieren +die tot de hofhouding behooren te paard, maar gelijk in het laatste +gedeelte de dieren als ridderlijke strijders worden voorgesteld, zoo is +dit ook reeds op het eind van de eerste helft der branche het geval. +Immers, als de mannen des konings Reinaert najagen, heet het, vs. +11313: + + Li limaçons porte l'enseigne, + Bien les conduit par la campaigne[69], + +even als wij in het laatste gedeelte vinden, vs. 11558: + + .... Dans Tardis li limaçon + Qui seut porter le gonfanon; + +en zoo ook nog vs. 11617. Daaruit blijkt immers, dat ook den schrijver +van het eerste gedeelte dezelfde wijze van voorstelling niet vreemd is. + +De opmerking is juist; maar alleen in zooverre, als men met GRIMM +aanneemt, dat de omwerking eerst met vs. 11368 aanvangt. Maar wanneer +zij eens al bij vs. 11297 begon? of althans wanneer de regels +11297-11319 een inschuifsel waren, waarvan alleen moest blijven staan: + + Renarz regarde arère soi + Et voit qu'il viegnent sans deloi. + Ne set conseil que fère doie _etc._? + +De eerste zestien regels toch, de opsomming der dieren bevattende, zijn +eene bloote herhaling van de regels 10159-11070, waar grootendeels +dezelfde personen worden opgenoemd: die herhaling kan onmogelijk van den +eersten dichter afkomstig zijn, evenmin als de navolging van Chanteclers +aanklacht op het einde van het gedicht[70]. + +Neemt men nu eene interpolatie aan, dan loopt het verhaal geleidelijk +af, en het eind komt dan overeen met het slot der 10e branche, of der +26e b.v.; en voor die opvatting zou ook pleiten, dat nog vs. 11353 een +van Reinaerts zonen _Roviax_ genoemd wordt, even als vs. 10251 _Rovel_ +(in dativo), terwijl hij later, vs. 11729 _Rousel_ heet (in dat.). + +Neemt men niet eene interpolatie aan, maar schrijft men het geheele +stuk, van vs. 11297 af, aan den navolger toe, dan ware er geen slot aan +de oorspronkelijke branche.... Zou het dan zoo onmogelijk zijn, dat het +oorspronkelijke slot hier was weggelaten, en bij het aanhechten van het +tweede gedeelte door een ander vervangen? De vergelijking met den mnl. +_Reinaert_ schijnt dit vermoeden in de hand te werken; en niemand zal +ontkennen, dat deze vergelijking zeer geschikt is om medetewerken ter +verkrijging van een vasteren bodem voor de kritiek van de fransche +branches, welke tot nochtoe grootendeels in de lucht zweefde. + +Is nu het karakteristieke onderscheid in beide deelen der branche niet +te ontkennen, wij kunnen ook nog eenige andere bewijspunten aanvoeren. + +Alleen in het eerste gedeelte wordt de leeuw soms genoemd _l'emperère_, +b.v. vs. 9693, 10059, 10081, 10137, 10663, 11021; nimmer in het laatste. + +Alleen in het eerste deel vindt men de uitdrukking _por le cor bieu_, +b.v. vs. 9945, 10243, 10986, 11231, 11293, die ook in de 10e (6e) +branche, vs. 4641, 4573, en eens in 23e (18e) branche, vs. 13240, +terugkeert, maar nimmer in het laatste stuk der 20e (16e). + +In het eerste gedeelte wordt alleen teruggewezen op een ouder verhaal: +nog vs. 10036 heet het: + + Si comme en escrit le trovon, + +en vs. 10595. + + Si com nos trovons en l'estoire. + +Later komt zoodanig beroep niet meer voor. Intusschen is dit deel toch +waarschijnlijk ook eene omwerking van een ouder gedicht, waarop +misschien wel eene toespeling voorkomt juist in de eerste helft van +onze branche, vs. 10803-10817. + +Het is daarom niet twijfelachtig of het tweede gedeelte der 20e (16e) +branche is een toevoegsel van een ander dichter, die intusschen ongeveer +een tijdgenoot van den eersten zal geweest zijn. + + * * * * * + +Op de 20e branche volgt in alle handschriften eene andere, die ten +onrechte in tweeën gesplitst is[71], en die wij 21-22 zullen noemen. Zij +hangt blijkbaar met de voorgaande samen, gelijk ook GRIMM opmerkte[72]; +maar of dit ons recht geeft om daaruit te besluiten, dat beiden door +denzelfden dichter, namelijk dien van 20_a_, zouden zijn bewerkt, blijft +de vraag. Terwijl sommigen dit aannemen, heeft ROTHE het ontkend; +maar op gronden die weêrlegbaar schijnen, en die wij eerst zullen +onderzoeken, hetgeen ons noodzakelijk zal leiden tot eene beantwoording +der vraag zelve. + +Ziehier zijn betoog. »Malgré les traits de ressemblance évidents et +incontestables entre cette branche et la précédente, sans doute elles +sont dues à divers auteurs[73].” Vestigt men zijne aandacht op de +sterke bewoordingen van het eerste gedeelte dier uitspraak, dan zal +men zeker wel sprekende bewijzen verwachten om het tweede gedeelte +te rechtvaardigen. Die bewijzen nu komen hier op neêr: »Le caractère +général y diffère; le récit est moins piquant, moins varié, plus plat +ici que dans la vingtième branche.” + +Wat het laatste gedeelte dier bewijsvoering aangaat, zij rust geheel op +subjektive beschouwing, en ik twijfel sterk of de zienswijs van ROTHE +wel veel bijval zal vinden. Wat het verschillend karakter aangaat, hij +heeft daarvoor hier slechts één bewijs aangehaald, dat echter zeer +weinig afdoet. + +De vos, die zich door indompeling in eene kuip met geele verw onkenbaar +gemaakt heeft, geeft zich voor een bretonschen jongleur uit: hij weet +het speeltuig meester te worden, dat tot zijn beroep behoort, en dan +heet het, vs. 12515: + + Moult s'esbaudist, moult se conforte + Por la viele qu'il enporte: + ...................... + Tant fist Renarz denz quinze dis + Fu bien de la viele apris: + Sages en fu et escolez. + +Dit geeft ROTHE aanleiding om te zeggen[74]: »Renart _se divertit_ +pendant quinze jours _avec la vielle_ qui lui a été donnée. Il y a en +cela quelque chose de poétique, mais aussi d'assez contraire au naturel +de Renart, tel qu'il est caractérisé par le reste.” + +Maar de geleerde schrijver heeft hier den tekst verkeerd opgevat. Er +staat niet _moult s'esbaudist_ DE _la viele_, maar POR _la viele_; +hetgeen eenvoudig beteekent, dat hij zich verheugde over het bezit van +het speeltuig. Zoo hij er zich veertien dagen meê bezig hield, het was +eenvoudig om het te leeren behandelen, ten einde later zijne rol te +kunnen spelen. Men ziet dus dat ROTHES opvatting, die alleen op een +misverstand berust, geen gewicht in de schaal van ons oordeel kan +leggen. + +Pag. 262 heet het wederom: »Les branches 21 et 22 n'en forment guère +qu'une; elles ont beaucoup de conformité de style et de caractère, mais +sous ce rapport, elles diffèrent essentiellement de la branche 20.” +Later, pag. 264-265 ontwikkelt hij zijn begrip omtrent het verschil van +karakter. Ik moet duidelijkheidshalve de geheele plaats aanhalen. + +»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement +de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère +de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous +les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs +individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages +conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent +avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que +quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des +poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse +des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs +interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de +naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme +primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des +compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les mœurs +et dans les idées, aux temps où le sujet n'a pas encore été épuisé, où +les versificateurs et leur public n'ont pas encore été blasés sur les +tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable.” + +Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet +opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot +de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en +toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en +Ysengrin bedoeld worden. In de 13e (9e) branche leest men, vs. 6910: + + Se il fust pris devant Halape + Ne fust-il pas si adolez, + +hetgeen herinnert aan _Renart Le Nouvel_, vs. 2884: + + Ne cuit mie jusqu'en Halape + Ait nul home qui le vousist. + +Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der +dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.--Over de +karakteristiek handelen wij weldra. + +»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent +encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent +plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des +contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en +scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent. + +»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité, +des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une +couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du +reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité, +et retracent les mœurs, les usages et le langage de la chevalerie. +Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent +conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis, +montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers, +parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se +battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces, +à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne +laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en +maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières, +elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre +différent.” + +Ik heb bij herhaling de fransche branches gelezen en herlezen alvorens +ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot +hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de +moeite wil getroosten de drie eerste deelen van MÉON te doorbladeren, +zal lichtelijk ontwaren, dat ROTHE ter gunste van een systeem een +willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de +achttien eerste branches van MÉON niet alle tot de oudsten behooren; het +behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige, +dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable,” maar +evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés.” + +Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere +kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester +bedriegen; naar de elfde, die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, en +die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd +wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt; +enz., enz. + +Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions +à la chevalerie et à la féodalité”? + +Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v. +heet het vs. 568 van Renart: + + Ainz ne fina d'esperoner. + +In de tweede, vs. 893: + + Car il (R.) a trop ignel cheval. + +In de 13e (9), vs. 6541: + + Onques ne fa ses frains tenuz. + +In de branche aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven zegt de vos tot +Nobel, vs. 5618: + + Miex amez la grant baronie + De vostre cort avecques vos, + Si con est sire Bruns li ors.... + N'avez cure de povre gent. + +Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736: + + A la cort Noble le lion + Tient-on les plès et les oiances + De mortiez guerres et de tences, + Là nos irons de lui clamer. + +Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen: + + .... S'om me laissoit esconduire + Par sairement et par joïse, + Je'l feroie par del devise + C'om me féist ardoir ou pendre + Se ne m'en poïsse desfendre. + +Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding door +ROTHE gemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet +veel verschillen[75]. Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste +de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e (16e) branche zich +op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die van PIERRE DE +SAINT-CLOUD heet te zijn, vs. 4938: + + Que se li livres nos dit voir + Où je trouve l'estoire escrite; + +vs. 5753: + + Que se l'estoire ne nos ment. + +Zoo ook de 5e (3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk +van PIERRE voorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384: + + Trover le poez en l'estoire. + +Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van +hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene +wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel +hielden. Zoo zagen wij in de 11e branche b.v. met een enkelen trek de +koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van +zijne dierhelden te paard te laten rijden. + +Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der +20e (16e) branche, en ook de 19e waar de dieren gewapend met lans en +speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de +onderscheiding van ROTHE op. + +Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het +karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1-7, 21-22 en 20_a_ +niet bestaat in dien zin waarin ROTHE het opvatte, en die hem aanleiding +gaf de branches 20 en 21-22 aan verschillende dichters toe te schrijven. +Wij zullen dan ook later zien, dat de 20e branche, die volgens ROTHE tot +de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans, +waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden. + +Keeren wij thans tot de branche 21-22 meer bepaald terug. + +FAURIEL was daaromtrent van een andere meening dan ROTHE. Hij noemt +de beide branches[76]: »Renart teint en jaune et Renart jongleur .... +deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour être +_indubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid_ +(20).” + +Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in +zijn artikel over den _Roman du Renard_ te veel misslagen begaan om hem +op zijn woord te gelooven[77]; wij moeten daarom een eigen onderzoek +instellen. + +In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op +het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot +gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt +gestoord. + +Nu zegt reeds in de voorgaande, 20e branche, vs. 11745 vlg., de vos tot +den das: + + .... Se ma fame se marie, + Tolez li quanque je li lès, + Et si tenez ma terre en pès, + Qar moult m'aura tost oblié + Puis que me saura devié; + Ainz que Tibaut soit crestiens + En metra un en ses liens: + Qar qant li hons gist en la bière, + Sa fame esgarde par derière + S'ele voit home à son plaisir; + Ne puet pas son voloir taisir, + Con plus se pasme et vet tremblant, + Qu'il ne li face aucun semblant. + Tot autretel fera la moie, + Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie. + +Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld. +Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v. +vs. 12165-8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20e +branche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679: + + A une liue d'iloc ot, + Si que Renarz moult bien le sot, + Une tombe d'une martire, + Dont vos m'avez bien oï dire, + De Coupée qui là gisoit: + Tretoz li mondes le disoit + Qu'ele fesoit apertement + Vertuz à toz conmunalment. + Nus hons n'i vient, tant soit enfers, + Ou soit moignes, on lais ou clers, + De tot le mal que il éust, + Que meintenant gariz ne fust. + +Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat +Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op +wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt. + +Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt: + + Dont vos m'avez bien oï dire, + +zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer +stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter +zijn. ROTHE wil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te +redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on +osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons +aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un +original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une +et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec +cet ancien original de la vingtième[78].” + +Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene +hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt door ROTHES onkritische +beschouwing der 20e branche, waarin hij geene twee verschillende handen +opmerkte. + +De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling +uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21-22e branche in hare +oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het +algemeen als waar aangenomen worden. + +Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelte der 20e branche, in +welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de +21-22e moeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst +later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude +overlevering schijnt te bevatten[79]. + +Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter +niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de +identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in +het eerste gedeelte der 20e branche, en wel te midden van het verhaal, +en onder nadrukkelijke verklaring + + Dont VOS M' _avez bien oï dire_. + +ROTHE is ook op dien regel gestuit. »_Le vos m'avez bien oï dire_”, zegt +hij[80], »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux +branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la +supposer.” + +Die andere »considérations” meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben, +zoodat ROTHES eenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht +hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22e +branche _a pu_ chanter cela ailleurs, et non pas dans la 20e branche +précisément.” + +Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft +voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook +bij ons kan opkomen. + +Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20e en 21-22e branche +aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver +van het tweede gedeelte der 20e branche, aan wien deze aaneenhechting +wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine verandering in den tekst +had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben: + + Dont vos avez bien oï dire, + +zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft. + +En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit +aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te +bieden dan die welke MÉON gevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders +dan eene waarschijnlijke konjektuur. + +Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de +naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand +te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in +'t algemeen in het ouder gedicht sprake was. + +De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons +bepaaldelijk deze branche aan 20_a_ vast te knoopen, waar Reinaert +juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om +de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20_b_ +noodzakelijk. + +Dat in alle handschriften de branches 20, 21-22 terstond achter elkander +volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat +de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen. + +Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20e branche tweemaal eene +onloochenbare toespeling voorkomt op de _Chanson de Guillaume au cort +nez_, dit gedicht juist in de 21-22e branche niet vermeld wordt, waar +van de _Chansons de geste_ alleen genoemd worden, vs. 12623: + + Chanson d'Ogier, + Et de Rolant et d'Olivier, + Et de Charlon le ber chanu, + +waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijver dezer branche ook de +auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het +gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had +gezweefd, toen hij de 20e branche schreef. + +Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit +blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis +behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of +althans de aanhechting der 21-22e branche aan den schrijver van 20_b_ +mogen toeschrijven. + +Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen. + +Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch +râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106: + + Ez-vos Renart qui le salue: + „_Godehelpe!_ fet-il, bel sire.” + +Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin: + + Et sez-tu le lai Dam Iset?” + --„Ja, Ja, dist-il, godistonet(?), + Je fot saver, dist-il, trestouz. + +Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan +de vossin: + + Mespris avez en tel manière + Qu'en vos en tient à chamberière, + Qui conmunaus est à garçons: + Trestuit _li entrent ès arçons_. + +Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br. +20_a_, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt: + + Que dans Renars, cis fox garçons + Vos _entra_ onques _ès arçons_. + +Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te +kennen, of moet men hier aan overneming denken? + +Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden, +die tot de 20e in zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een +woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste. + +Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende +stukken samengeflanst, gelijk GRIMM reeds heeft aangetoond[81]. Het +eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw +verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt. + +De inhoud dier branche 1_b_ hangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár +toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de +20e ten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1_b_ +geeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te +beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan. + +De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1_b_ +vindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2e en 6e bij ROTHE +geanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste +nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20e +branche wordt voorbereid[82], en ik weet niet of zij wel in ROTHES hss. +2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la +dernière moitié de la branche première”[83]. + +Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoorden +schijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten. +Branche 1_b_ kan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden +beschouwd. + +Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen +dit stuk en 20_a_. + +De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding +tot hetgeen later in 20_a_ volgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar +echtgenoot: + + „Sire, fait-ele, vos diroiz + Corociez estes, n'est pas droiz + Que vos mostrez ici vostre ire; + Que s'om me laissait esconduire + Par sairement et par joïse, + Je'l feroie par tel devise, + C'om me féist ardoir ou pendre + Se ne m'en poïsse desfendre.” + +Dit hangt samen met br. 20_a_, vs. 9790, waar Hersent zegt: + + „J'amasse miex assez la pès + Entre mon seignor et Renart, + Voir qui en moi n'ot onques part, + En tel manière n'en tel guise, + Si que j'en feroie une juise, + Ou de froide ève ou de fer chant. + Mès mon escondire que vaut!” _etc._ + +Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier +reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1_b_ is blijkbaar _après +coup_ gemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen +wat in de 20e branche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van +de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit +door den schrijver van 20_a_ zelf zou geschied zijn, is a priori reeds +onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn +eerste werk zou hebben opgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de +20e branche den aanhefsregel + + Ce dist l'estoire _ès premiers vers_, + +wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1_b_ ook +branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20_a_ +is bearbeid. + +Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf: + + Ne forfis rien à vostre fame, + Et por moi et por lui desfandre + Tot par là où le vodrez prendre, + Un sairement vos aramis + Au los de voz meillors amis. + +Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die +in de 19e branche omstandig verhaald wordt. + +Met die 19e heeft ook 1_b_ nog dat gemeen, dat in beiden Ysengrin +_conestable_ genoemd wordt[84], b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521. + +De branche 1_b_ kan dus niet van den dichter van 20_a_ zijn. Treffen wij +dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen +aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij +lezen: + + .... Renars cix rous, cix puanz, + Cix viz lechierres, cix garçons, + Vos _monta onques ès arçons_. + +Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21-22 nog +niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20_a_ +moet zijn bewerkt. + +Br. 1_b_ schijnt nog eene uitdrukking met 20_a_ gemeen te hebben. Vs. +632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd: + + Par Dieu, beau sire, ne'l créez, + Que nules riens i aie faites, + _Ne dras levez, ne braies traites_; + Ains par cest cors ne par ceste ame! + Ne forfis rien à vostre fame.” + +In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft +geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geen _dras +levez_, noch bij mij zelf _braie traite_. + +In de 20e branche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging: + + „Et puis qu'i _n'i ot braies traites_, + Ne huis brisiez, ne portes fraites, + S'ele m'a chier, et ele m'aime, + Cix faus jalous de coi se claime?” + +Hier is intusschen de uitdrukking _traire braies_ niet op hare plaats; +zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit +de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd +lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden: + + Et puis que n'i ot _force fète_, + Ne huis brisiez, ne porte frète, + +even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt: + + „Et puis qu'il n'i ot force fète, + Ne huis brisié, ne trive frète, + Se Renars le fist par amors, + N'i afiert ire ne clamors. + +Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is +meer dan waarschijnlijk. + +Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij +van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan +één hol heeft. Behalve _Malpertuis_, wordt ook nog _Malcrues_ genoemd. +Zoo b.v. in de 19e branche, vs. 5972: + + Et il se r'est en _Malcrues_ mis, + +en vs. 8932: + + Droit à _Malcrues_ son repère, + +zoo als een der codices leest[85], maar waarvoor de uitgave van MÉON +terecht leest _Malpertuis_, zoo als de rhythmus leert. + +Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20_a_ +(16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene +vorige belegering van zijne burcht sprekende, + + Qant li ost[86] fu devant _mon crues_, + ........................ + Tuit furent batu et ploié. + +Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam +van Reinaerts burcht verwachten, en lezen: _devant Malcrues_? + +Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden +afschrijver, ook in branche 1_b_, vs. 568 voorkomt, waar het heet: + + Ainz ne fina d'esperoner + Jusqu'a l'entrée _d'un mal crues_, + +waar blijkbaar _de Malcrues_ moet gelezen worden, daar weinige verzen +later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt: + + Li chastiaus estoit auques fort. + +Daar nu dezelfde naam ook in de 19e branche voorkomt, behoeft het geen +betoog, dat zij in de 1e er niet toe kan leiden om deze aan den dichter +der 20e toe te schrijven. + +De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche +20_a_ eenmaal op zichzelf stond, en dat daaraan _iets later_ door den +schrijver van 20_b_ ook de branche 21-22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk +heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de +19e branche bijgedicht. + +Zoowel ROTHE[87], als GRIMM[88] hebben reeds opgemerkt, dat het begin +der 20e (16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald +wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op +het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene +hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689: + + Quant li saint furent aporté, + Il se retraist mout tost arière, + Si se féri en sa taisnière. + +En evenzoo in den mnl. _Reinaert_, vs. 82: + + Also saen + Alse die heleghe waren brocht, + Was hi andersins bedocht, + Ende ontfoer in sine veste. + +Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat +evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij +nemen die stelling aan, hoewel zij ons bij ROTHE vreemd klinkt om de +opvallende overeenkomst in karakter met branche 20_b_, die hij niet van +20_a_ scheidt. + +Dat de 19e branche reeds op de 20e voorbereidt, bewijst slechts dat men +er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in +het slot tot den wolf, vs. 9635: + + „.... por Renart.......... + Alez à cort, ne fètes noise: + De rien i a de mesprison, + Là vos en fera-il reson.” + Dist Ysengrins: »Je m'i acort: + Quel part que la parole tort, + Ouen en Mai ferai mon claim: + A mon seignor, que je moult aim, + Me clamerai del traïteur” _etc._ + +Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden +schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een +Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken. + +Immers vs. 9202 zegt hij: + + Anuit aurez moult bon herbert, + +wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak van _herberc_, ons +_herberg_, en dus verschilt van het gewone _héberge_. + +Vs. 9147 leest men nog bepaalder: + + Grimbert respont: »Ja, ja.” + +De schrijver kende de geheele 20e branche, zoowel het oorspronkelijke +deel als het toevoegsel. + +Uit het eerste nam hij, vs. 9267, de namen _Goubert_ (br. 20_a_, vs. +10371), en vs. 9261, _dame Poufile_ (br. 20_a_, vs. 10378). + +Uit het tweede den banierdrager, daar hij, vs. 9045, schrijft: + + Cel jor porta le confanon + Li putoiz qui Foinez ot non. + +In de 20e branche is _li limaçons_ de banierdrager, vs. 11313, 11558, +11617; maar juist uit de bijvoeging _cel jor_ blijkt, dat de schrijver +zich van de afwijking bewust was, en dus 20_b_ kende. + +In br. 20_b_ zien wij de dieren, als ware ridders, met lans en speer +tegen Reinaerts burcht optrekken. In dit opzicht gaat de schrijver van +br. 19 nog verder, daar hij zelfs van een hond, die niet tot de edeler +dieren der hofhouding behoort, en die Reinaert najaagt, zegt, vs. 9481: + + Primes i cort, ainz que li autre, + _Lance levée sor le fautre_, + Rooniax li chiens. + +Dat dit alles ontleend is, blijkt nog uit kleinigheden. Zoo b.v. noemt +de schrijver van branche 19 zelden de namen der edeler dieren: in den +regel heet bij hem de koning slechts _li lions_, vs. 8346, 8383, 8476, +8876, 8907, 9021; de beer, _li ors_, vs. 8745, 8774, enz. + +Eenmaal bestond er zeer zeker een streven om de branches 19, 20, 21-22 +met elkander in verband te brengen[89]: door wien, en wanneer is nu die +vereenigingsband om deze gedichten geslagen? + +Mij dunkt dit heeft ongeveer in de tweede helft der dertiende eeuw +moeten plaats hebben, toen wellicht de branches 1_b_, 19, 20, 21-22 als +een zeker geheel werden aangemerkt. + +In de veertiende eeuw schijnt deze band weêr te zijn verbroken, daar men +bij de bijeenzameling van meerdere branches eene andere rangregeling +moest aannemen om de gebeurtenissen elkander zoo regelmatig mogelijk te +laten opvolgen. + +Zoo werd b.v. de eerste branche in het handschrift, dat MÉON tot +grondslag van zijne uitgave legde, geheel vooraan geplaatst, en dit hs. +is het eenige waarin branche 19 onmiddellijk aan de 20e voorafgaat, +terwijl zij in al de anderen verre daarvan verwijderd staat. + +Die vereeniging had echter eerst plaats nadat reeds 20_a_ en _b_ waren +tesamengesmolten, en wellicht ook 21-22 daaraan toegevoegd, maar nog +niet de 19e; want het is opmerkelijk, dat de schrijver van onzen +_Reinaert_ de personagie van Roonel den hond, die toch in de 20e branche +voorkomt, in 't geheel niet noemt, waaruit men zou mogen opmaken, dat +hij het verhaal, waarin deze eene hoofdrol speelt, niet gekend heeft. + + +V. + +Nu wij ons eenigsins hebben bekend gemaakt met de fransche branche, die +wij als de mogelijke bron van onzen _Reinaert_ aanzien, kunnen wij er +toe overgaan om door eene nadere vergelijking de waarheid van ons +beweren te staven. + +Wij zullen punten van overeenkomst aantreffen die treffend zijn, maar +ook zeer merkwaardige afwijkingen. Om dus de verhouding van ons gedicht +tot het fransche aan te wijzen, om eenig meerder licht te verspreiden +over het ontstaan van den _Reinaert_, en een duidelijker inzicht te +verkrijgen in zijne kunstwaarde, moeten wij zoowel de overeenstemming +als de afwijking in bijzonderheden nagaan. + +WILLEMS heeft reeds de rangnummers van vele overeenkomstige verzen van +beide teksten naast elkander geplaatst[90], maar om de letterlijke +overeenkomst recht duidelijk in het oog te doen vallen, om allen +mogelijken twijfel weg te nemen, moeten wij de voornaamste letterlijk +eensluidende plaatsen nevens elkander den lezer voor oogen stellen. + +Na eene inleiding van weinige verzen begint het fransche gedicht aldus, +vs. 9659: + + Ce dist l'estoire ès premiers vers, + Que jà estoit passez yvers, + Et l'aube-espine florisoit, + Et que la rose espanisoit, + Et pres fu de l'Acension, + Que sire Noble, le lyon, + Toutes les bestes fist venir + En son palès por cort tenir. + Onques n'i ot beste tant ose, + Qui se tardast por nule chose, + Qu'ele n'i viengne hastivement, + Fors dans Renars tant solement. + Le mal baron, le sodoiant, + Que tuit li autre vont huiant, + Et encusant devant le roi, + Par son engin, par son desroi. + +Evenzoo vangt, na eene inleiding, onze _Reinaert_ aan, vs. 41: + + Het was in enen Sinxendaghe, + Dat beide bosch ende haghe + Met groenen loveren waren bevaen. + Nobel, die coninc, hadde ghedaen + Sijn hof craieren over al, + Dat hi waende, hadde hijs gheval, + Houden te wel groten love. + Doe quamen tes coninx hove + Alle die diere, groot ende clene, + Sonder vos Reinaert allene: + Hi hadde te hove so vele mesdaen, + Dat hire niet ne dorste gaen. + .................... + Doe al dat hof versamet was + Was daer niemen.......... + Hine hadde te claghene over Reinaerde + Den fellen, metten roden baerde. + + * * * * * + + Et conpissa toz mes loviax. 9685. + Ende mine kindre so mesvoert, _Rein._ 74. + Dat hise besekede. + + * * * * * + + Renarz prist jor de l'escondire 9687. + Qu'il n'avoit pas fait l'avoutire. + Quant li saint furent apporté, + Ne sai qui li ot enorté, + Il se retraist mout tost arière, + Si se féri en sa taisnière. + Het was sint so verre comen, _Rein._ 79. + Datter een dach af was ghenomen, + Ende Reinaert soude hebben ghedaen + Sine onsculde: ende also saen + Alse die heleghe waren brocht, + Was hi andersins bedocht, + Ende ontvoer in sine veste. + + * * * * * + + Quant la vegile fu chantée 10109. + Le cors portèrent enterrer; + Mès ainçois le firent serrer + En un moult bel vessel de plon, + Ains plus riches ne vit nus hon; + Puis l'enfoïrent soz un arbre, + Et par desus mistrent un marbre, + S'i ont escrit le non la dame. + Doe die vigilie ghehent was, _Rein._ 450. + Doe leidemen Coppen in dat graf, + Dat bi engiene ghemaket was, + (Onder die linde, in een gras,) + Van maerberstene, die slecht was: + Die letteren, die men daer ane sach, + Ane den sarc, die daer up lach, + Deden ane tgraf bekinnen, + Wie daer lach begraven binnen[91] + + * * * * * + + S'estoit devant la barbaquane. 10179. + Doe ghinc hi vor die barbecane _Rein._ 522. + Sitten over sinen staert. + + * * * * * + + Je sui Brun, mesagier le roi. 10190. + Ic bem Brune, des coninx bode. _Rein._ 525. + + * * * * * + + Renarz qui tot le mont engane, 10180. + Por reposer s'est tret arière + Enmi le fonz de sa tesnière. + .................... + Renarz set bien ce est li ors, + Reconnéu l'avoit au cors (_sic_): + Lors se commence à porpenser + Conment son cors porra tenser: + En grant paine est d'estudier + Conment le puisse conchier. + Bi der tale, die Brune heeft begonnen, _Rein._ 538. + Bekenden altehant Reinaert, + Ende tart bet te dalewaert, + In sine donkerste haghedochte: + Menichfout was sijn ghedochte, + Hoe hi vonde sulken raet, + Dat hi Brune, den fellen vraet, + Te scerne mede mochte driven, + Ende selve bi siere ere bliven. + + * * * * * + + Brun, fet Renarz, biax doz amiz, 10199. + En moult grant paine vos a mis + Qui çà vos a fet avaler! + Ge m' en devoie là aler.... + Here Bruun, wel soete vrient, _Rein._ 549. + Hi hevet u qualike ghedient, + Die u beriet desen ganc, + Ende u desen berch lanc + Over te lopene dede bestaen; + Ic soude te hove sijn ghegaen.... + + * * * * * + + Nomine Pastre, Christum file! 10237. + +In den _Reinaert_ komt deze uitroep niet hier voor, maar wordt later, +vs. 1824, den vos in den mond gelegd: + + Nomine Patrum, Christum file! + + * * * * * + + Cel miel, 10239. + Jà est-ce la chose du monde + Que je miex aim et plus desirre. + Qar m'i menez, biau très doz sire! + Honich es ene soete spise, _Rein._ 577. + Die ic vore allen gherechten prise, + Ende vore allen gerechten minne. + Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne! + + * * * * * + + Atant se mettent à la voie, 10276. + Onques n'i ot resne tenu, + De si à tant qu'il sont venu...... + Ende liepen daer si lopen wilden, _Rein._ 1165. + Dat si nie toghel uphilden + Eer si quamen............ + + * * * * * + + Un chesne ot commencié à fendre: 10282. + Deus coins de chiesne toz entiers + I avoit mis. + Ene eke _Rein._ 651. + Die hi ontwee clieven soude, + Ende hadde twee wegghen daerin ghesleghen. + + * * * * * + + Or del mengier, puis irons boire. 10290. + Haddi gheten, so soudi drinken. _Rein._ 706. + + * * * * * + + Et Bruns i mist lors son musel, 10292. + El chesne, et les deus piez devant. + (Bruun) thooft over die oren _Rein._ 678. + Ende die verdere voete in stac. + + * * * * * + + De loing esta, si le ramposne. 10316. + .... hi sijn oom ghine rampineren. _Rein._ 703. + + * * * * * + + Qui portent tinel, et qui hache, 10338. + Qui flael, qui baston d'espine. + Sulc was, die enen bessem brochte, _Rein._ 722. + Sulc enen vleghel, sulc een rake; + Sulc quam ghelopen met enen stake. + + * * * * * + + .... Lanfroi 10356. + Qui devant vint à une hache. + Vore hem allen guam gheronnen _Rein._ 734. + Lamfroit met ere scaerper acx. + + * * * * * + + Onc nus ne vit si lede beste! 10364. + Nie maecte God so lelic dier! _Rein._ 746. + + * * * * * + + Cil qui fet pingnes et lanternes. 10393. + Ene houtmakerigge van laternen. _Rein._ 804. + + * * * * * + + De quel ordre volez-vos estre, 10414. + Qui roge chaperon avez? + In wat ordinen wildi u doen, _Rein._ 943. + Dat ghi draghet root capproen? + +Zie wegens de overeenkomst van vs. 10416 en _Rein._ 952-3 de varianten +op dit vers. + + Dist li rois: Bruns, qui t'a ce fet? 10429. + Ai God, wie heeften so mesmaect? _Rein._ 987. + + * * * * * + + Rois, fet-il, si m'a mal-bailli 10434. + Renarz, com vos povez véoir. + Ende hevet mi ghemaect alse ghi siet. _Rein._ 997. + + * * * * * + + A véu l'oisel Saint-Martin. 10472. + Sach hi _Rein._ 1046. + Sente Martins voghel, ende quam ghevloghen + + * * * * * + + Assez si le hucha à destre: 10473. + Et li oisiax vint a sénestre. + „Vliech te miere rechter hant!” _Rein._ 1051. + Die voghel vlooch.......... + .................... + Ende vlooch Tibert ter luchter siden. + + * * * * * + + Tybert, fet li Renarz, villecome. 10493. + Neve, ghi sijt mi willecome. _Rein._ 1073. + + * * * * * + + Mès sa parole que li coste? 10498. + Wat cost Reinaerde scone tale? _Rein._ 1077. + + * * * * * + + Martinet 10564. + Avoit au trou deus laz tenduz, + Por Renart prendre, le gorpil, + ...................... + Et Renarz l'enging savoit bien. + Martinet _Rein._ 1175. + ... hadde vor dat gat gheset + Een strec, den vos mede te vane: + .................. + Dit wiste Reinaert, dat felle dier. + + * * * * * + + Je t'atendré au trou çà fors. 10573. + Ende sal u hier buten beiden. _Rein._ 1187. + + * * * * * + + Tybert s'en eschape, li chaz, 10605. + Qu'il ot as denz mengié les laz. + So dat hi metten tanden sinen _Rein._ 1316. + Die pese midden beet ontwee. + + * * * * * + + A tot le mains en sa paroche 10631. + Ne puet soner c'à une cloche. + en es gheen lachter, _Rein._ 1300. + Dat hi ludet met ere clockn. + + * * * * * + + Alez donc tost, si l'amenez, 10653. + Gardez sanz lui que revenez. + Gaet, ende eer ghi wederkeert, _Rein._ 1016. + Besiet, dat Reinaert met u come. + + * * * * * + + Qar je n'i voi prestre plus près. 10744. + Hier nes ander pape bi. _Rein._ 1442. + + * * * * * + + Se je muir, si serai toz sax. 10730. + Mine siele sal te claerre wesen. _Rein._ 1445. + + * * * * * + + Or s'en vont li baron à cort. 10871. + Die heren hebben den wech bestaen _Rein._ 1696. + Tote des conincs hovewaert. + + * * * * * + + Vers cele cort à ces gelines, 10888. + Là est la voie que lessons. + Te ghenen hovewaert _Rein._ 1706. + So leghet onse rechte strate. + + * * * * * + + Fet-il, je l'avoie oblié. 10896. + Ic hads vergheten, lieve neve. _Rein._ 1725. + + * * * * * + + Et nequedent sovent colie 10912. + Vers les gelines cele part, + Moult est dolent quant il s'en part; + Et qui la teste li coupast, + As gelines tantost alast. + Hoe dicke sach Reinaert achter rugghe _Rein._ 1730. + Weder, daer die hoenre ginghen! + Hine conste hem niet bedwinghen, + Hine moeste siere seden pleghen: + Hadde men hem thooft af gesleghen, + Het ware ten hoenrewaert ghevloghen. + + * * * * * + + Et Bruns qui la teste ot vermeille. 10938. + Brune, _Rein._ 1820. + Dien noch bloedich es die crune + + * * * * * + + Rois, fet Renarz, je vos salu 10943. + Con cil qui plus vos a valu + Que tuit li baron de l'empire. + Ic groet u, coninc, ende hebbes recht; _Rein._ 1777. + En hadde nie coninc enen cnecht + So ghetrouwe jeghen hem + Als ic oit was ende bem. + + * * * * * + + Qar cil sont serf par nature. 10960. + Die scalcheit es hem binnen gheboren. _Rein._ 1795. + + * * * * * + + Renart, Renart, dist l'emperère, 11021. + .................... + Bien savez parler et plaidier, + Mès ce que vaut? n'i à mestier; + N'en partirez en nule guise + Que de vos n'en face justise. + Die coninc sprac: »Owi Reinaert, _Rein._ 1800. + Owi Reinaert, onreine quaet, + Wat condi al scone ghelaet! + Dat en can u ghehelpen niet een caf. + Nu comt uwes smekens af: + In werde bi smekene niet u vrient. + + * * * * * + + Se Bruns..... 10978. + Et li vilains le ledenja, + Et il por coi ne se venja? + Was hi (Br.) teblouwen oft versproken, _Rein._ 1827. + Waer hi goet, het ware ghewroken. + + * * * * * + + Et si me face ardoir ou pendre, 11015. + Qar ne me puis vers lui deffendre. + Wildi mi sieden, ofte braden, _Rein._ 1842. + Ofte hanghen, ofte blenden, + Ic ne mach u niet ontwenden. + + * * * * * + + Mès ce seroit povre venjance. 11018. + Dat ware ene cranke wrake. _Rein._ 1849. + + * * * * * + + Ez-vos Renart le pelerin 11169. + Escherpe au col, bordon fresnin. + Nu wart Reinaert pelgrijn, _Rein._ 2997. + .................... + Scerpe ende palster omme den hals. + + * * * * * + + Dame, fet-il, vostre proière 11189. + Devroie-ge avoir moult chière; + Moult par devroit estre haitiez + Por qui proier daingneriez. + Bidt vor mi, edele vrouwe, _Rein._ 2745. + Dat ic u met lieve weder scouwe. + +Opmerkelijk is ook nog dat de eigenaardige fransche vocativus[92] (vs. +10445): + + Où estes-vos, Tyberz li chaz? + +evenzoo in den Comburger codex (vs. 421) gevonden wordt: + + Die coninc sprac: Grimbert die das, + U oom _enz._ + +Al die plaatsen komen zoo letterlijk overeen, dat er geen twijfel over +kan blijven, of het eene stuk is eene vertaling van het andere. Maar +ziet, er komen nu zoo vele afwijkingen in beiden voor, dat men weder +begint te twijfelen en naar een ander origineel omziet. Men zal daarbij +echter met omzichtigheid moeten te werk gaan. + + +VI. + +Wat zou dat andere origineel kunnen zijn? Het ouder gedicht dat aan de +fransche branche ten grondslag ligt? Men zou misschien geneigd zijn dit +aan te nemen, als men durfde gissen, dat de veelvuldige gelijkluidende +assonancen in den _Reinaert_ (zie boven, bl. XXV vlg.), ontstaan waren +uit navolging van een fransch stuk dat in _tirades monorimes_ geschreven +was, hetgeen dan noodzakelijk ouder zou moeten zijn dan de 20e branche, +die in _rimes plates_ is geschreven. Maar vooreerst is er geen spoor +over van een fransch gedicht in tiensylbige regels uit dezen cyclus[93]; +en buitendien bewijst de eigenaardigheid van het vlaamsche gedicht +niets, daar in geene andere vertaling van tiensylbige fransche verzen +met assonnance eenig spoor van des oorspronkelijken versbouw over is. +Overigens hebben wij reeds betoogd, dat juist de bekende fransche tekst +veel nader aan dat origineel staat dan onze vlaamsche _Reinaert_[94]. +Dus eene andere omwerking van dien ouderen tekst misschien? Maar is +het mogelijk aan eene andere fransche omwerking te denken, daar de +_Reinaert_ juist met MÉONS branche zoo vele afwijkingen van het +origineel gemeen heeft, en, gelijk wij zagen, niet slechts in het +algemeen denzelfden geest als deze ademt, maar ook grootendeels +denzelfden gang heeft, en daarenboven in een aantal plaatsen eene +letterlijke, in een grooter aantal eene meer vrije navolging daarvan +levert? + +Om alle onderstellingen uit te putten vragen wij nog: kan het ook eene +omwerking der branche van MÉON geweest zijn? Maar ook dit is onmogelijk; +daar zeer zeker een zoo voortreffelijk stuk veeleer zou zijn bewaard, +dan het minder afgewerkte, waarvoor het in de plaats trad. + +Voegen wij er thans nog bij, dat de eigenaardigheid in het rijmsysteem +van het vlaamsche stuk ook teruggevonden wordt in onze fransche branche, +welke overeenkomst zeker geene toevallige kan zijn, en wel in rekening +gebracht mag worden om de filiatie dezer twee stukken te betoogen[95]. + +Vestigen wij voorts onze aandacht op dat gedeelte van ons vlaamsch +gedicht dat het meest van het Fransch afwijkt, dan blijkt ons dit zoo +eigenaardig Vlaamsch, dat het ons reeds terstond veel waarschijnlijker +moet voorkomen, dat dit een zelfstandig, onvertaald, oorspronkelijk +opgevat en bewerkt stuk moet zijn, gelijk ons later nog duidelijker zal +blijken. + +Dit voert reeds tot het vermoeden, dat de overige afwijkingen van het +Fransch ook wel een anderen grond konden hebben dan een ons onbekend +ander origineel. + +Trouwens, heeft de vlaamsche dichter ook wel uitsluitend willen +vertalen? Slaan wij het oog op hetgeen hij zelf zegt in den aanhef van +zijn werk. + +Hij kende »davonturen van Reinaerde,” daar het hem immers anders niet +had kunnen »vernoyen”, dat zij + + In Dietsce onghemaket bleven. + +Het »vernoyede” hem zoo zeer, + + Dat hi die vite dede soeken, + +dat hij zich de levensbeschrijving verschafte, + + Ende hise na den Walschen boeken + in Dietsce...... hevet begonnen. + +Hij zocht dus, of deed zoeken, de geheele vite, en bewerkte zijn gedicht +niet naar _één boek_, maar volgens DE _fransche_ BOEKEN. + +Dat hij zich hoofdzakelijk bepaalde tot dat gedeelte der sage dat, +blijkens de verschillende navolgingen, reeds in 's dichters tijd voor +het beste gehouden werd, en ook thans nog door alle beoordeelaars als de +uitstekendste aller branches wordt aangemerkt[96], is hoogstnatuurlijk; +maar slaafsche navolging hebben wij daarbij niet te wachten: +verbeteringen, aanvullingen, die dan waarschijnlijk geput zullen zijn òf +uit de andere fransche branches, òf uit de overlevering, die den dichter +bekend was[97]. Zien wij dit in de bijzonderheden. + +De grootste afwijking bestaat in het verhaal van hetgeen er ten hove +gebeurde, nadat Reinaert er verschenen was. In het Fransch schenkt de +koning den vos vergiffenis op bloote voorspraak van Grimbert, zonder dat +die genade gemotiveerd is, en alleen op voorwaarde dat Reinaert als +pelgrim het heilige land zal bezoeken. Naauwelijks heeft hij genade +verworven, en is hij buiten 's konings macht, of hij ontdoet zich, vs. +11262 + + Et du bordon et de l'escherpe: + Son cul en tert, volant les bestes, + Puis si lor giete sor les testes. + +Nu stormt het geheele gevolg des konings hem na en jaagt hem binnen +Malpertuis, waar hij veilig is, + + Où il ne crient ost ne asaut. + +Dan volgt een toevoegsel. Reinaerts burcht wordt belegerd: van zijne +tinnen beschimpt de vos zijne belagers, en schoffeert zelfs op zekeren +nacht de koningin. Maar bij die gelegenheid wordt de bedrieger gevangen +genomen, die nu zou worden gehangen. Ter goeder ure kwamen echter +Reinaerts echtgenoot en kinderen, en brachten + + Un somier tot chargié d'avoir, + +dat zij den koning aanboden. + + Rois Nobles choisi le tresor, Vs. 11817. + Qu'est devant li, d'argent et d'or; + De l'avoir fu moult covoitos. + +Geen wonder dan ook, dat hij gaarne voor dien schat Reinaert op nieuw +genade schonk. + +En dan volgt er (vs. 11853) waarschijnlijk een nieuw toevoegsel, waarbij +wij ons niet zullen ophouden. + +Nu behoeft men den _Reinaert_ van vs. 1873 af tot aan het einde slechts +vluchtig te doorloopen, om zich van de meerdere voortreffelijkheid van +het vlaamsche stuk boven zijn origineel te overtuigen. Alles is hier +met uitnemende kunst behandeld: eenheid en samenhang zijn treffend +behouden, omdat elke bijzonderheid goed en natuurlijk is gemotiveerd. + +En toch vond de dichter de aanleiding tot zijne hoofdmomenten in het +fransche stuk. Reeds bij de derde indaging van Renart doet de koning hem +daar weten dat hij met den strop zal gestraft worden; hij moet zich ten +hove komen verantwoorden, en behoeft geld noch goede woorden meê te +brengen (vs. 10724), + + Si n'i aport or ne argent[98]; + +Als Reinaert voorts van de koningin een ring erlangt, zegt hij haar, vs. +11197: + + Redonrai vos de mes joiax + Tant que vaura bien cent aniax; + +en later wordt hij werkelijk, onder bemiddeling der koningin, door een +grooten schat van den dood vrijgekocht. Dit laatste heeft ook in den +_Reinaert_ plaats, maar onder zeer gewijzigde omstandigheden; en ROTHE +heeft er reeds op gewezen, dat de schat, waardoor in het Fransch 's +konings toorn gestild wordt, »rappelle l'idée générale d'un trésor qui +influe sur la résolution du souverain. Mais”--voegt hij er bij--»il +y a fort loin de là au trésor imaginaire de _Reineke_”[99]. Hoe groot +het onderscheid ook zij, de overeenkomst van het gronddenkbeeld is +onloochenbaar, gelijk wij ook later onder het frissche vleesch van onzen +_Reinaert_ het gebeente der fransche branche zullen kunnen tasten. + +De schat van koning Hermelinc wordt in het vlaamsche stuk zoo natuurlijk +mogelijk in het verhaal gebracht, en heeft het dubbele voordeel, dat +Reinaert daardoor niet alleen 's konings gunst verwerft, maar ook dat +hij, vs. 2175, + + Brune ende Isengrijn bede + In veten ende in ongheval + Jeghen den coninc bringhen sal. + +Maar hoe kwam de dichter op de gedachte om op die wijze zijn voorbeeld +te wijzigen? Blijkbaar putte hij die uit de traditie: »Dass Ermenrich +in die erzählung gemengt ist,” zegt GRIMM[100], »verräth einen uralten +Deutschen zug; wahrscheinlich ist eine flandrische tradition mit dabei +im spiel.” En hij haalt daarbij eene plaats aan uit de _Miracula Sti +Bavonis_, in de tiende eeuw geschreven, waaruit blijkt, dat men koning +Hermenrijk voor den stichter der burcht te Gent hield, waar hij groote +schatten vergaderd had[101]. + +Het geheele denkbeeld van eene biecht kon hij uit de fransche 20e +(16e) branche ontleend hebben, waarin zij althans met een woord wordt +aangestipt; vs. 11717 raadt Grimbert den vos, die op 't punt stond van +gehangen te worden, + + Or vos déussiez confesser, + +en wat later, vs. 11807, komt zijne vrouw met den schat aan + + Ançois qu'il ait dit sa confesse. + +Het denkbeeld om zich op den beer en den wolf te wreken, en hen van een +deel van hunne huid te berooven, is niet aan de 20e branche ontleend; +maar het was blijkbaar oud. In het Fransch zoowel als in de latijnsche +gedichten[102] vindt men dit incident in de verhalen waarin de kranke +leeuw door den vos genezen wordt[103]. En hetgeen merkwaardiger is, is +dit, dat zoowel in den _Isengrimus_, den mhd. _Reinhart_, als in de 26e +(21e) fransche branche, die wraakoefening voorafgegaan wordt van den +hofdag waar Reinaert wordt aangeklaagd. + +Blijkbaar schijnt intusschen op den hofdag bij den kranken koning de +aanklacht tegen den vos maar weinig plaats te hebben beslagen, gelijk de +_Isengrimus_ leert. Of dit tafreel van lieverlede meer in het breede is +uitgewerkt, om eindelijk als zelfstandig verhaal te worden behandeld, +dan of de afzonderlijke ding-dag aanleiding gaf tot meerder uitbreiding +van soortgelijk verhaal in het eerste deel der branche van de genezing +des konings, is niet licht uit te maken. Ik zou intusschen niet +ongeneigd zijn het eerste aan te nemen. Daarvoor pleit, dunkt mij, +vooreerst de samenvoeging in den mhd. _Reinhart_; maar ten anderen ook +de 26e (21e) fransche branche. + +Zij begint ook met een hofdag op den Pinksterdag. + + Ce fu entor la Pantecoste, Vs. 17885. + Que dant Nobles tenoit sa feste: + Asanblée i ot mainte beste; + .................... + Mais li chastelains de Val-gris, + Dans Renarz, de qui toz max sort, + N'ert pas adonc venu a cort. + +Isengrim begint ook hier de aanklacht tegen zijnen vijand, die echter +door Tybert verdedigd wordt. Hoewel hij reeds herhaaldelijk gedaagd is, + + Plus de dis foiz, voire de vint, + +wordt hij opnieuw opgeroepen, eerst door den hond Roonel, wiens vrouw +hem echter waarschuwt, zeggende, vs. 18172: + + Manbre-vos de Tybert le chat, + A qui fist panre tant mal mors. + Et de Belin, et de Brun l'ors, + A qui il fist perdre la pel + Des orailles dusc'au musel. + +Roonel volbrengt intusschen zijne boodschap, maar wordt door den vos in +'t ongeluk gestort. Dan volbrengt het hert de tweede indaging, en ook +deze bode komt slecht van de reis. De koning wordt daardoor zoo +vertoornd, dat hij de koorts krijgt. Daarop begeeft Grimbert zich naar +Reinaert om hem deze boodschap te brengen; waarop dan de geschiedenis +der genezing des konings door den vos begint. + +Men ziet duidelijk, dat dit eene navolging is van de driedubbele daging +uit onzen _Reinaert_, gelijk reeds door GRIMM is opgemerkt[104], die er +echter op laat volgen: »gewis gab es ein älteres, mehr zu dem deutschen +stimmendes franz. gedicht.” Hij zegt dit vooral met betrekking tot het +laatste gedeelte der branche; maar wellicht geldt het evenzeer van het +eerste stuk, dat zeer zeker »einen spätern umarbeiter verräth.” + +Daar hij nu een ouder gedicht omwerkte, kan _zijne_ inleiding daarin +niet voorhanden geweest zijn: hij heeft dus hier zijn voorbeeld +veranderd. Hoe kwam hij daartoe? en waarom deed hij het juist zoo? Mij +dunkt, het ligt voor de hand om aan te nemen, dat hij dat ouder eerste +gedeelte niet opnam, omdat dit tot een zelfstandig gedicht verwerkt was. +En dat dit juist het onze is geweest, is niet onwaarschijnlijk, omdat +dit juist het best verklaart hoe hij juist eene blijkbare navolging van +dit stuk voor het oorspronkelijke in de plaats schoof. + +Waarschijnlijk kende de dichter van den _Reinaert_ dien ouderen +vorm, hetzij dan uit een der latijnsche stukken, den _Isengrimus_ +of _Reinardus_, hetzij uit de mondelinge overlevering, daar hij +waarschijnlijk het ouder fransche gedicht niet gekend heeft; en zoo kwam +hij misschien op het denkbeeld om tot op eene zekere hoogte den draad +weder op te vatten die zijn fransch voorbeeld had laten schieten. + +De mishandeling, het dooden van Cuwaert, hoewel in het Vlaamsch geheel +anders verhaald, moet ook uit het Fransch ontleend zijn, en wel uit +de 20e branche. Daar heet het, vs. 11209 vlg., dat Renart na zijne +begenadiging den haas, die zich in eene haag verborgen had, overweldigt +en hem meêsleept: + + En quide bien livroison fère Vs. 11246. + A ses faonz sans demorance. + +Maar het gelukte Couart den moordenaar te ontsnappen (vs. 11272), en zoo +gewond en mishandeld als hij was + + (Les costez a toz pertuisiez, Vs. 11279. + Que li bordons i fu fichiez; + Et la pel des piez et des mains + A rompue, n'est mie sains.) + +zich voor 's konings voeten te werpen en om hulp te smeeken, waarop +Noble, verontwaardigd over het verraad van Renart, beveelt hem na te +zetten. + +Dat er werkelijk ontleening uit de fransche branche plaats had, mag ook +daaruit worden opgemaakt, dat in 't Vlaamsch de misdaad aan Cuwaert +gepleegd, niet gemotiveerd is; daar deze integendeel den vos, hoewel +door angst gedreven, nog een dienst had gedaan, zie vs. 2628 vlg. + +Daarentegen had in 't Fransch de haas zich zijn ongeval op den hals +gehaald; want toen men Renart ter galg voerde, en alle dieren hem te +lijf gingen, had Couart hem van verre, + + De loing, que pas ne l'aprochoit, Vs. 11106. + +met een steen geworpen; en juist omdat + + En a crollé le chief Renart, + +had de lafaard zich weggemaakt, + + Que onques puis ne fu véuz. + +en in de haag, waar hij zich verscholen had, ontdekt hem later Renart, +die zich nu over den hoon hem aangedaan wil wreken. + +Eindelijk komen wij tot het slottafreel van onzen _Reinaert_, dat +WILLEMS als een overgang tot het tweede boek beschouwde[105]. Over de +optreding van Firapeel hebben wij reeds gesproken[106]: het is hier de +plaats om een enkel woord te zeggen over de regels die hoofdzakelijk den +grondslag van WILLEMS' argument uitmaken; namelijk dat Firapeel zegt, +vs. 3406: + + Ende daer na sullen wi alle lopen + Na Reinaerde, ende sulne vanghen, + Ende bi siere kelen hanghen. + +Zijn deze woorden uit de fransche branche ontleend, dan vervalt +natuurlijk de stelling van WILLEMS zonder eenige tegenspraak. Welnu, als +Cuwaert den koning Reinaerts nieuw verraad ontdekt heeft, roept Nobel +uit, vs. 11290: + + Or sai bien q'à mavès me tient. + _Seignor, fet-il, or après tuit!_ + Que je le voi où il s'enfuit: + Par le cuer bé, s'il vos estort, + Vos estes tuit pendu u mort, + Et cil de vos qui le prendra, + Toz ses lignages frans sera. + +De aanhaling zal genoegsaam zijn om te overtuigen, dat werkelijk de +aangetogen woorden van onzen _Reinaert_ uit de pen vloeiden van den +oudsten schrijver, en niet van den omwerker. + +In het origineel geven de mannen des konings gehoor aan zijne stem en +jagen den verrader na, die zich eindelijk op zijne burcht bergt. In onze +navolging kon dit niet, omdat Reinaert zich reeds te Malpertuis bevond, +vanwaar hij zich buitendien met al de zijnen in de woestijn terug trok +(vs. 3310-4). + +De laatst aangewezen plaats snijdt de mogelijkheid af om te denken aan +een plan om later in het gedicht uitvoering te geven aan Firapeels +belofte om Reinaert te vangen en te hangen. + +Heeft intusschen de dichter van den _Reinaert_ het laatste gedeelte der +branche waarin het beleg van Maupertuis beschreven wordt gekend? + +Het antwoord op die vraag kan niet anders dan bevestigend uitvallen. + +Het eerste gedeelte van het verhaal der gebeurtenissen na Reinaerts +komst ten hove, tot aan zijne veroordeeling ter dood, _Rein._ vs. +1756-1890 stemt volmaakt overeen met vs. 10931-11094 van branche 20_a_; +maar dan verlaat ons gedicht dit eerste gedeelte om zich nader aan 20_b_ +aan te sluiten. + +_Rein._ vs. 1892 ziet men Grimbert met Reinaerts magen het hof verlaten, +want + + Sine consten niet verdraghen + No sine consten niet ghedoghen, + Dat men Reinaert vor haren oghen + Soude hanghen alse een dief. + +Zoo iets wordt in 20_a_ niet gevonden; maar later wordt in 20_b_ +Grimberts smart aangestipt, vs. 11635: + + Por Dant Renart que l'en devoure + Ploure Grinbert et prie et oure: + Ses parenz ert et ses amis, + Liez le voit et entrepris, + Ne set conment il le reqoe. + Que la force n'est mie soe. + +_Reinaert_ vs. 1908 zegt de koning, die verlangt een einde aan de zaak +te maken: + + Twi sidi traech, + Isengrijn ende here Bruun? + .................... + Salmen hanghen, twine doetment dan? + +En ook 20_b_ zegt Nobel tot Isengrin, vs. 11787: + + Ce dist li rois, pensez del pendre, + Que je ne voil mès plus atendre. + +In den _Reinaert_ bereiden zich zijne drie vijanden, de wolf, de beer en +de kater toe om zelf den valschen moordenaar te hangen. In 20_a_ heet +het alleen, vs. 11095: + + Sor un haut mont en un rochier + Fet li rois les forches drecier + Por Renart pendre, le gorpil; + +zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar +bij de tweede veroordeeling, in 20_b_, worden de dieren genoemd die zich +van hem meester maakten, vs. 11605: + + Lors Isengrin en piez se drece, + S'aert Renart par la chevesce; + Dou poing li done tel bufet, + Del cul li fait saillir un pet. + Et Brun l'aert par le chaignon, + Les denz li met dusqu'au braon; + .................... + Tybert li chaz giete les denz + Et les ongles, qu'il ot poignanz, + Saisist Renart au peliçon, + Bien li valut une friçon. + +En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd: + + Si anemi + La hart li ont ja el col mise. + +Eerst in 20_b_ wordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in den _Reinaert_ +zoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert: + + Or vos déussiez confesser. + +Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor +Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx +schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te +trekken. + +_Reinaert_ vs. 1851 vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des +aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats +is ontleend aan 20_a_, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren +komt ook voor, vs. 1868: + + Dat foret, Clene-bejach. + +welk diertje niet in 20_a_ genoemd wordt, maar in de navolging der +eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd, +vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vinden + + Et Petit-porchaz li Fuirons. + +Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs. 1419 _Rosseel_: in 20_a_ +_Rouviel_, maar eerst vs. 11729, dus in 20_b_, _Rousel_. + +Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20_a_ +en -_b_ reeds had plaats gehad vóór dat onze _Reinaert_ werd geschreven, +welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier +branche is bekend geweest. + +Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de +laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de +beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche +doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en +stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat de _Reinaert_ naar +de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch +nagevolgd is. + +De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de +uitstekendste der fransche branches genomen, en hoewel hij dit stuk +voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door +zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen, +door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een +kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in +ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel +aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op +dien van meesterlijk kunstprodukt. + + +VII. + +Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor +dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben +beschouwd. + +Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van +Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den +Vlaming terstond een toevoegsel, vs. 16-97, waaruit blijkt, dat hij zeer +vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan +ook dadelijk. + +De klacht van Cortois, vs. 97-106, komt niet in br. 20_a_ voor: +waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen +dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minste CHABAILLE heeft +in zijn _Supplément_ een klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst +voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt[107], +gelijk ook hier, vs. 107-125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't +bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist +Tibert den vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der +6e branche van MÉON, vs. 2219 vlg. + +Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs. 107-125. Dit +heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om +Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche +gedichten niet onbekend. In de 20e branche zelve heet het iets later +nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169: + + .... Grimbert + Qui por Renart parole et plaide + Entre lui et Tybert le chat; + +en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires,” waar +Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs. +17999-18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht. + +Wij zagen boven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal +van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt: +door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht +en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd; +maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche +branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten, +daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den +eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat +hij dien uit de 26e (21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze +alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had, +zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten. + +Pancers beschuldiging, vs. 126-169, weet ik nergens aan vast te knoopen, +wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben. + +Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20_a_ +overeen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat +Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten +aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan: +vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen” van de kar +afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets +anders over te laten + + sonder allene een pladisengraet, + +dien hijzelf niet mocht (vs. 208-216). + +De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had, +en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche +gedichten verteld, br. 2, vs. 749-916 en br. 10, vs. 3919 vlg. +Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de +visschen op de kar ook »pladisen” genoemd worden, vs. 3941: + + De poisson chargiez estoient, + Si comme harenz et plaïz. + +Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde +branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons +niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827, +te Arras of in Artois geschreven was. + +Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos +bedrogen had betrekkelijk »enen bake,” waarvan hij hem tot zijn deel +alleen + + Die wisse daer die bake an hinc + +overgelaten had (vs. 217-225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld +wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698-7970. Maar noch in +het Fransch noch in den _Reinardus_, I, 186 sqq., waarmeê de fransche +branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op +laat volgen: + + Reinarde was lettel te bet, + Dat hi den goeden bake ghewan, + In sulker sorghe, dattene een man + Vinc, ende warp in sinen sac. + +Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen +advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen +voorkomen. + +Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik +zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan den +_Reinardus_ staat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef +voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt +of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In den _Reinardus_ +daarentegen heet het I, vs. 11: + + Dicebat patruum falso Reinardus, ut ille + Tamquam cognato crederet usque suo. + +En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te +hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat +verdraayen, vs. 2101: + + Daer na quam ic ende Isengrijn; + .................... + Hi rekende dat hi ware mijn oom, + Ende began ene sibbe tellen. + +Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne +vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen. + +Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid +dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee +afwijkingen van den tekst der 20e branche. + +Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene +schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen +leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. In het +Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den +koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het +vlaamsche gedicht, waar vs. 320 in C. gelezen wordt: + + Ende _minen sustren_ die hier staen, + +hetgeen GRIMM terecht veranderde in _minen kindren_. Eindelijk was de +vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem +een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in +de fransche 20e branche, maar is overigens in de sage niet onbekend. +_Reinardus_ III, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors +in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan; +maar de list mislukt[108]. In de 6e fransche branche daarentegen, +getiteld: _Le desputement de la mesange avec Renart_ (MÉON, I, pag. 66), +tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van +den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden +rijksvrede, vs. 1748: + + Si a danz Nobles li lions + Novelement la pès jurée, + Se Diex plaist, qui aura durée. + Par sa terre l'a fait jurer, + Et a ses barons afier, + Qu'ele ert gardée et maintenue. + +In den mhd. _Reinhart_, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs. +177-216, komt deze bijzonderheid niet voor. + +Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschen _Renardus_, +of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche +branches. + +Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het +Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowel in den mhd. _Reinhart_, dus in +het oudere fransche gedicht, als in de 20e branche bij MÉON, heeft er +op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat +graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen +werd. Die trek is blijkbaar oud en echt[109], en er moet eene reden zijn +waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat. + +Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen; +want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor +Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn. + +Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste +jaren na den moord van den vlaamschen graaf KAREL DEN GOEDE (1126), +dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf +had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer +vader”[110], die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op +wiens graf terstond mirakelen plaats grepen[111]. Maar wij zullen zien, +dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren. + +Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van +den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En +die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den +logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel +wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den +geleidelijken gang van het verhaal stoorde. Eene vergelijking van het +duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk +het geval is. + +Bij GLICHESÆRE wordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart +aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de +koorts kreeg, + + (Von vorhten bestuont in der rite. Vs. 1483) + +Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en +geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den +koning de »vremdiu mære” verkondigen, er bij voegende, vs. 1496: + + Daz daz huon wære + Heilec vor gotes gesihte. + +Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken +gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar, +roepende, vs. 1508: + + „Reinhart soldez vermiten hân, + Daz er âan alle missetât + Disen heiligen gemartirt hât. + +En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te +gaan om hem voor het gerecht te dagen. + +Geheel anders is de toedracht der zaak in MÉONS 20e branche. Als Copée +begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen +over + + „Cel gloton, + Qui tantes guiles nos a fetes + Et tantes pès nos a enfrètes.” (vs. 10134.) + +De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143) + + Atant se met en l'ambléure + Parmi le val d'une costure, + Que il ne siet ne ne repose. + +En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde +(vs. 10146): + + Lors avint à cort une chose: + Endementiers que Bruns s'en vet + Renart empira moult son plot: + Quar mesire Coars li lièvres, + Qui de péor trembloit les fièvres, + (Deus jors les avoit ja éues,) + +maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich +de koorts op den hals had gehaald;-- + + Merci Dieu, or les a perdues + Sor la tombe dame Copée. + Car qant ele fu enterrée, + Onc ne se volt d'iloc partir, + Ainçois dormi sor le martir. + ...................... + Qant à la cort vint la novele, + A tiex i ot qu'ele fu bele; + Mès à Grinbert fut-ele lède, + Qui por Renart parole et plaide + Entre lui et Tybert le chat. + S'or ne set Renarz de barat, + Mar est bailliz, s'il est tenuz, + Qar Bruns li ors est jà venuz + A Malpertuis _etc._ + +'t Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste +beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige +martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit +geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch +daarentegen heet Copée reeds _martir_ vóór dat er iets op het graf had +plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht +het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'œuvre is, ter kwader +ure wordt afgebroken. + +De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo +dikwerf plaats heeft[112], de feiten uit zijn origineel dooreen +gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke +voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de +vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk +ging, dit hors-d'œuvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden, +uit zijne omwerking verwierp? + +Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk +de branche van MÉON tot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder +fransche gedicht niet gekend heeft. + +Ik heb boven (bl. LIX-LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide +teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam +onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt +wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't +Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20e +branche niet wordt aangetroffen. + +Bruun, door angst gedreven, springt, vs. 821, + + In enen trop van ouden wiven, + +waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf” in de rivier +werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen +jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente +ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen. + +Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien +heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het +denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21-22 is Isengrijn +door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339, + + Et ses parenz et ses cosins, + +zetten den wolf na, vs. 12345, + + A cuinnies et à maçues, + +waarop, vs. 12347, + + Entre la porte et le vilein + Fet Ysengrin un saut à plein: + Si fort le hurte qu'il l'abat + En une fange trestot plat. + .................... + Par les vileins s'en va fuiant, + Et cil le vont après huiant. + Le vilein trovent en la boë + Grant et parfonde, si qu'il noë; + Fors l'en ont tret a moult grant paine; + +en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen. + +Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald +te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men +aanwijzen, dat onze WILLEM deze branche gekend had, dan werd het reeds +waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs. + +_Reinaert_ vs. 1290 lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat +Tibert in zijne angst den priester had toegebracht, + + Hi loech, dat hem bachten scorde, + Ende hem crakede die taverne. + +De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar +soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen[113]. + +WILLEMS zegt in de aanteekening op die plaats: »_Taverne_, kroeg; +doch hier figuurlijk _raeskamer_.” Die verklaring is niet heel en al +bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord +gebruikte. _Taverne_ is eene kroeg, dat is eene plaats, die voor jan +en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21-22 het +woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen +levenswijze, en zegt, vs. 12903: + + „Moult par estes de mavès estre: + De poior ne poiez-vos estre, + Qar plus estes pute que moche + Qui en esté la gent entoche: + Qui que viegne ne qui que aut, + _Vostre taverne ne li faut_.” + +Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en +hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een +aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet +onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor. + +In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige +toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf +geschonden heeft, voorts, vs. 10759: + + Ysengrin ai-je tant forfet, + Que nel' puis nier à nul plet: + Trois foiz l'ai fet metre en prison.” + +(1) Hij heeft hem in een wolfsval (_lovière_) gelokt, waar hij danig is +afgerost. + +(2) Hij heeft hem in een »lardier” gebracht, waar drie baken lagen, +waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon: + + N'en pot issir, tant fu ventrez, + Par le pertuis où fu entrez. + +Verder, vs. 10777: + + (3) Gel' fis séoir en la gelée + Tant qu'il ot la qeue engelée; + (4) Gel' fis peschier en la fontaine + Par nuit quant la lune estoit plaine: + De l'ombre de la blanche image + Cuida, por voir, ce fust fromage; + (5) Et si refu par moi traïz + Devant la charete as plaïz. + ................ + (6) Par fine force de barat + Li fis-ge tant que il fu moines. + Pais dist que il seroit chanoines: + Qant on li vit la char mengier, + Fox fu qui de lui fist berchier. + +Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte, +en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens +belegerden, had aangedaan. + +Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens +alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en +Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs. 1477, + + Die coninc en es mi niet ontgaen: + Ic hebbe hem toren ooc ghedaen, + Ende mesprijs der coninghinne, + +hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20_b_ eerst +verhaald wordt. + +Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem +oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;” daar had hij hem +aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men +meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men +den wolf bijna van het leven beroofde. + +Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6) +plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis +ongeveer zoo als zij in den _Reinardus_ verhaald wordt[114]. Daar is van +klokkengelui geene spraak: wel in de 9e fransche branche _Comme Renart +fist Primaut prestre_, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest +te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm[115], want er bestaat +afwijking in de détails[116], hoewel het niet onmogelijk is dat dit +verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door +den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan +een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10e branche, +die eigenlijk het tweede deel der 9e is, was hem bekend, althans haar +inhoud. + +In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij +de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had, +hetgeen herinnert aan de 3e fransche branche: _si comme Renart fist +Ysengrin moine_. + +Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het +Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20e +branche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9-10e branche wordt dit +geval ook in het breede verhaald, vs. 4333-4555, maar met afwijkende +omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van +Vermendois[117] (Rein., vs. 1514), noch van het kapoen dat de vos den +priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet +bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is, +beduidt de vos hem »d'aller prendre des oies _chez un prêtre_,” zoo +als ROTHE zegt[118]. Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder +de hoede van een man, die vs. 4630 _le pastor_ genoemd wordt, welke +uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting van ROTHE, +die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan.” +Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld +van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met +eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken. + +In de 18e branche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel +overeenkomst heeft met het mnl. verhaal. + +Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik +mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben; +en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde. + +Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel, +dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde, +maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige +karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering, +of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de +laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar +de 26e branche werd omgewerkt en de 9-10e branche, hetzij dan in haar +tegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten +grondslag lag[119]. + +Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr +terugbrachten tot de 20e branche, zoodat daardoor het vermoeden geheel +en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch +stuk, het origineel zou zijn waarnaar onze _Reinaert_ werd bewerkt. + +En zoo vinden wij dan genoegsame reden om in den _Reinaert_, ondanks +het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal, +zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door +het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,--een echt nationaal +kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem +mag dragen. + +Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed +zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht. + + +VIII. + +Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onze _Reinaert_ werd +bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek +de 20e (16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw +geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden +innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van +hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen. +Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het +oorspronkelijke gedeelte van den _Reinaert_ te ontleenen, en wij +zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze +beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht +moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo als +GRIMM dacht[120], »schon in WILLEMS quelle gestanden haben, folglich +nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen.” + +Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20e branche van +MÉON, mag zijn. + +GAUTIER DE COINSI, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef, +en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de +Reinart-sage in Frankrijk was[121]; ja hij maakt eene toespeling +waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft. + + Plus volontiers oient un conte, + Ou une trufe, c'on lor conte, + Si con Tardius li limeçons + Lut et chanta les trois leçons + Sor la bière dame Coupée, + Que Renarz avoit escoupée[122]; + +nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20e branche, vs. 10103 lezen: + + Sire Tardis li limaçons + Chanta por cele trois leçons, + +namelijk voor Copée, die begraven werd. + +Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij +haar ouderdom niet nader kunnen bepalen. + +De proloog van dat stuk luidt aldus: + + Perroz qui son engin et s'art + Mist en vers fère de Renart + Et d'Ysengrin son chier conpère, + Lessa le miex de sa matère, + Quant il entr'oblia les plez + Et le jugement qui fu fez + En la cort Noble, le lion, + De la grant fornication + Que Renarz fist, qui toz max cove, + Envers dame Hersent, la love. + +Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene +andere branche bekend was dan die, welke PIERRE DE SAINT-CLOUD bewerkt +had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn, hoewel men +uit de eerste regels zou kunnen opmaken, dat PIERRE reeds gestorven was +toen de 20e branche in zijn trant werd omgewerkt. + +Omtrent PIERRE DE SAINT-CLOUD is weinig bekend. GRIMM schrijft: »über +seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn +des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche des _Roman d'Alexandre_, +nemlich das testament, verfasst haben[123].” + +WILLEMS zegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde[124].” + +FAURIEL, de jongste schrijver over den _Roman du Renart_, in Frankrijk, +laat zich daaromtrent aldus uit[125]: + +»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du +Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps +où vécut PIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir +la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées +avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée, +on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIe +siècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du +XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne, +du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage +fréquemment cité de GAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne. +Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous +apprend rien de précis relativement à la date des premières productions +de PIERRE DE SAINT-CLOUD sur le sujet de Renart. Il n'est pas impossible +qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIe siècle; mais elles ne +sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il que PIERRE DE +SAINT-CLOUD est le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé +au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme +l'inventeur.” + +Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe +nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch +komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld. + +Tusschen 1150 en 1160 zag de _Roman du Rou_ het licht, en daarin heet +het: + + Alisandres fu rois poissans, + Doze règnes prist en doze ans: + Mult out terres, mult ot aveir, + Et rois fu de mult grant poeir; + Mez cil cunquest poi li valu, + Enveminez fu, si moru. + +Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de +Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en +wordt ook algemeen aangenomen[126]. + +Op het Latijnsche gedicht van GAUTIER DE CHATILLON kunnen zij onmogelijk +doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven[127]. + +Een der branches der chanson d'Alexandre, en wel zoo als PARIS +zegt[128], »l'une des meilleures branches de tout le récit,” heeft tot +titel: _Signification de la mort d'Alexandre_, waarvan de inhoud aldus +door denzelfden geleerde wordt opgegeven[129]: + +Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement +du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre est _empoisonné_.” +Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek van +MAERLANTS _Alexander_[130]. + +Nu moet het verwonderen, dat PAULIN PARIS ook deze branche rangschikt +onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et +demi,” van het oorspronkelijke werk van LAMBERT LI CORS en ALEXANDRE DE +PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst[131], zoodat +deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven[132]. Dit +oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de +eenige waarin de vergiftiging van ALEXANDER wordt verhaald, in de +aangehaalde verzen van den _Roman du Rou_ bedoeld, en valt dus stellig +vóór 1150. + +De schrijver nu dier branche was PIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in +de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet +veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn. + +Had hij reeds vóór de branche van den _Alexander_ een gedeelte der +Reinaertsage bewerkt? In den _Alexander_ immers leest men: + + Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal, + Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal[133]. + +In de 11e (17e) branche bij MÉON, waarin PIERRE als de schrijver genoemd +staat, wordt vs. 4935-5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan +meester maakt.... + +Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken. +Vooreerst heet daar de haan nimmer _li gal_, maar altijd _li cos_, _le +coc_, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al +gewaagd wordt, vs. 4988, + + De Chantecler qui cline l'ueil; + +zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311, + + Si le me baille par le col; + +toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling +in den _Alexander_ moet geluid hebben. + +Maar ook de 5e (3e) branche van MÉON behandelt hetzelfde onderwerp als +de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt +Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmer _li gals_, maar _li cos_ +heet, dat zij »cosin germain” zijn: hij weidt uit in den lof van +Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en +die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij +geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle +bijzonderheden bevat waarop de _Alexander_ zinspeelt: + + Dist Chanteclers: »Renart, cosin, 1571. + Volez me prendre _par engin_.” + --„Certes, ce dist Renars, non voil, + Mès or chantez, _si clingniez l'oil_; + D'une char somes et d'un sanc, + Miex vodroie estre d'un pié manc + Que vos mesface tant ne qant, + Que tu es trop près mon parent.” + Dist Chanteclers: »Pas ne te croi: + Un poi detrai en sus de moi, 1580. + Et je dirai une chançon; + N'aura voisin ci environ + Qui bien n'entende mon fauset.” + Lors s'en est souriz Renardet, + Et dist Renars: »Chante, cousins: + Je sauré bien se Chanteclins, + Mes oncles, s'il vos fu noient.” + Lors encommence hautement, + Lors chanta Chanteclers un vers: + _L'un oil ot clos et lautre overs_, 1590. + Car moult forment cremoit Renart; + Sovent regarde cele part. + Ce dist Renars: »Ce n'est noient. + Chanteclins chantoit autrement, + A un lonc tret, à eulz cligniez, + C'on l'ooit d'outre les plessiez.” + Chanteclers cuide que voir die: + Lors commence sa melodie, + _Les eulz cligniez_ par grant aïr. + Lors ne volt plus Renart soffrir, 1600. + Par de desus un rouge chol + _Le prent Renart parmi le col._ + +Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd. _Reinhart_, +vs. 11-176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast +aan het oude gedicht houdt[134], waarop het zich dan ook beroept, + + Trover le poez en l'estoire, 1384. + +evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen: + + Que se li livres nos dit voir + Où je trouve l'estoire escrite. + +Het schijnt dus, dat de toespeling uit den _Alexander_ niet op het +gedicht van PIERRE DE SAINT-CLOUD ziet. Maar is werkelijk die 11e +branche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin +en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon. + + Pierres qui de Saint-Clost _fu nez_, 4851. + S'est tant traveilliez et penez + Par proière de ses amis, + Que il nos a en rime mis + Une risée et un gabet + De Renart, qui tant set d'abet, + Le puant nain, le descréu, + Par qui out esté decéu + Tant baron que n'en sai le conte, + Dès or _commencerai_ le conte: + Se il est qui i voille entendre, + Sachiez moult i porra aprendre, + Si com _je cuit_ et com _je pens_, + Se à escouter met son sens. + +het slot luidt: + + Ici fait Pierres remanoir + Le conte où se _volt_ traveillier, + Et lesse Renart conseillier. + +Of in een ander handschrift: + + Chi fait Perrins remanoir + Le livre de Renart pour voir + Duquel s'est volus travillier: + Ysengrin laist à conseillier (_sic_); + Se par ce meschiet Ysengrin + Li blames en ert sus Perrin. + +Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de +afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste +eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten +wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken, +dat van PIERRE steeds in den derden persoon, en in den verleden tijd +gesproken wordt, _fu nez_, _volt traveillier_, terwijl terstond daarop +de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt +aan te duiden. + +ROTHE zegt[135]: »D'abord, à la vérité, l'auteur semble parler de +PIERRE DE SAINT-CLOUD à la troisième personne; mais le reste prouve +assez que cette onzième branche est _précisément le poëme_ entier et +isolé _de ce même_ PIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné +ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart.” + +Dat wij hier den inhoud van PIERRES gedicht hebben, geef ik gereedelijk +toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moeten +_bewezen_ worden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van +dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in +den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van +een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de +geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt +is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29e branche (MÉON, III, pag. 82): + + Une estoire vueil commencier. + Qui durement fet à prisier; + Et grant bien i porriez aprendre + Se il vos i plest à entendre. + Or m'escotez sanz noise fère, + Que nus contes ne porroit plère + A home qui est trop noisous, + Mès de l'oïr soit covoitous: + Celi qui oïr le vorra, + Sachiez, grant profit i penra. + +En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten dat PIERRE DE SAINT-CLOUD +zijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven dan +WILLEMS het stelde. Dat de 11e branche een werk van de eerste helft der +twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br. +5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook +ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft. +Waarschijnlijk heeft juist _le livre_, dat in de slotvariant genoemd +wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk van PIERRE +bevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn, +dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit den _Alexander_ op PIERRES +gedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam van _le gal_ zal zijn +genoemd. + +Of PIERRE meer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene +branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de +inleiding tot de 20e branche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen +dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang, + + Son engin et s'art + Mist en vers fère de Renart + _Et d'Ysengrin_, + +welke laatste in de besproken branche geene rol vervult. + +Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid, +die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een +rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere +branche uitdrukkelijk aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven. In de +plaats bij CHABAILLE[136] voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd. +LE GRAND D'AUSSY en RAYNOUARD kennen hem ook nog, volgens GRIMM[137], de +branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe; FAURIEL meent dat hij buiten de 11e alleen +nog de 1e branche geschreven heeft[138]. Van de eerste en de vijfde is +het stellig te bewijzen dat PIERRE die niet kan geschreven hebben. De 5e +is misschien eene omwerking van zijn vroeger gedicht, gelijk wij reeds +zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide +deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1_b_ +weêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven +dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668: + + Que vos ice que ne savez, + _Fors seulement par oï dire_, + Li portez ne corroz ne ire. + +In branche 1 _ziet_ juist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br. +11 beklaagt. + +De geheele redenering van FAURIEL berust op het niet goed begrijpen van +de inleiding tot de eerste branche. + +Al wat wij dus van PIERRE DE SAINT-CLOUD weten, is, dat hij in de eerste +helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons +is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel. + +Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn +dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven +hebben. Zien wij, of wij de 20e branche zoo hoog kunnen opvoeren. + +GRIMM zegt van al de fransche branches[139]: »Sprache und ausdrucksweise +tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh.” +Intusschen leert de vergelijking met de werken van CHRESTIEN DE TROIES, +dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der +twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het +geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt +ondersteund. + +Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953: + + „Or ont tant fet li losengier, + Qui de moi se volent vengier, + Que vos m'avoz jugié à mort; + Mès puis, sire, que rois s'amort + A croire les mauvès larrons, + Et il lesse les bons barons, + Et gerpist le chief por la qeue + Lors vet la terre à male veue.” + +Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op den _Guillaume +d'Orange_. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeft _Li +Moniages Guillaume_, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle +deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende +verwijt, vs. 5159: + + „Rois, nus frans homs ne vos devroit amer, + Ne hennor fère, ne homage porter, + Quar les prodomes avez toz adosez + Et fors de France et chaciez et gitez, + Tolu lor terres et toz deshéritez: + Foui s'en sont de la terre esgarez, + Et lor enfant chétis et désertez; + Cil vos séussent le bon conseil doner, + Quar li preudome font lor seignor douter. + Mès li glouton, li losengier prové, + Li pautonnier, cil sont à vos remés, + Por lor losange les tenez en chierté; + Li losangier font les rois décliner + Et les hauz homes par lor bordes blasmer. + Rois, tu les as montez et alevez, + Or es por euls honiz et vergondez, + Ne jà por euls ne seroiz amontez. + Ne doit rois estre, ne corone porter, + Qui à garçon fet son conseil privé, + Mès les preudomes i doit-en apeler.” + +En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd: + + „Tu as la terre empirée forment + Des gentix homes, des sages, des vaillanz, + Qu'ensus de toi as chacié laidement: + Désertez as les pères des enfanz. + Par les frans homes est li sires poissanz: + Tu n'en as nul de gentix ne de frans, + Perduz les as tot par ton malvès sens, + Dont tote France est tornée à torment.” + +Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met + + „Les losangiers et les faus médisanz, + Les traïteurs et les glouz malcuidanz, + Ceus qui te servent de mençonges contant, + Que entor toi as tenu longuement. + Tu as doné t'onor et ton argent: + Por lor conseil seras-tu recréant, + Se Dex ne'l fet par son digne comment. + Qui bordes croit et losangier sovent + Au chief de tor, par mon chief, s'en repent.” + +De vergelijking van de uitdrukkingen in den _Renard_ en de aangehaalde +regels uit den _Moniage_ zullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft +in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht +plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van +den _Renard_. + +Van den _Moniage Guillaume_ bestaan twee redaktiën, waarvan de oudste +tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt[140]. De +jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen +stellen omstreeks 1160[141]. De schrijver van de 20e branche van den +_Renard_ had stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit +aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van +den _Renard_ komen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudste +lezing[142]. Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks +hetzelfde landschap, waar de dichter der 20e branche leefde, zoo als +de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één +voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug, _Moniage_, +vs. 5672: + + D'autre Martin lor convendra chanter[143] + +en _Renard_, vs. 10096, + + Si parleron d'autre Martin. + +Veel jonger dan deze redaktie van den _Moniage_, schijnt zelfs het +tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt. +Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woord _geste_ +in de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk[144], +en toch vinden wij het nog aldus gebezigd, _Renard_, vs. 11781: + + Qui larron de pendre areste, + Toz jors het mès lui et sa jeste. + +Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespeling op dezelfde +chanson de geste voor, vs. 11751: + + Ainz que Tibaut soit crestiens, + +waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen +Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in +eene andere branche, vs. 16136, voorkomt[145]. + +Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste +tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de +fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen. + +Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br. +20_a_ zegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267: + + Saluz te mande Noradins + Par moi qui sui bons pelerins, + Si te criément li paien tuit, + A pou que chascuns ne s'en fuit. + +Sultan Noureddin bloeide van 1149-1171, en stierf in 1173[146]. Mag men +nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene +satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen +in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147-1149, kort +daarna, althans vóór den derden tocht, 1189-1193, geschreven werd, +toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde? +Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa +verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor +Orientis, ac nostrorum terror,”[147] is het ondenkbaar, dat men zijn +naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en +onmogelijk kan daarom onze 20e branche na Saladijns optreden het licht +hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn +tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om +de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van +dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als +men de betrekking tot PIERRE DE SAINT-CLOUD in het oog houdt, en het +verband met den _Guillaume d'Orange_, dan zal het niet te gewaagd zijn +de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En +meent men den schrijver van 20_b_ nog zekere tijdruimte te moeten gunnen +voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan +zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175 +of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn. + +Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20_a_ in het derde, den +schrijver van 20_b_, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het +laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de +grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid +van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekkingen +en veronderstellingen opgerezen; maar ik vertrouw, dat men daaraan +eene hooge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontzeggen; en ik aarzel +niet de hoop te uiten, dat mijne uitkomsten, die bij eene bloote lezing +van mijn betoog wellicht voor eene subjektive opvatting kunnen worden +aangezien, bij eigen aanschouwing en naauwkeurige toetsing der bronnen +ook door anderen niet zullen worden gewraakt. + +Zien wij thans, wat wij omtrent den ouderdom der vlaamsche navolging van +het fransche gedicht kunnen vaststellen. + + +IX. + +Als de fransche branche, die kennelijk den vlaamschen _Reinaert_ tot +model diende, eerst omstreeks het jaar 1180 is ontstaan, dan kan de +navolging natuurlijk niet »omtrent den jare 1170” zijn geschreven, zoo +als WILLEMS aannam[148], en ik vroeger op zijn voetspoor zocht te +betoogen[149]. + +WILLEMS zelf had die stelling eigenlijk al moeten opgeven, daar zij +in strijd is met eene andere gissing door hem geopperd, en die veel +waarschijnlijkheid heeft. De dichter van den _Reinaert_ had vroeger +reeds den _Madoc_ geschreven, en WILLEMS vraagt, of men daarbij »niet +zou mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc, zoon van +Owen Guynnedd, prins van Wallis, die _omtrent den jare 1170_ America +ontdekte?” en wiens wonderlijk verhaal van eene andere wereld men +wellicht voor droomerijen hield[150]. + +Maar zoo wij al het jaar 1170 moeten opgeven, het blijft de vraag, of +wij thans geene andere tijdsbepaling kunnen vaststellen? + +SERRURE meent dat ons gedicht »tusschen de jaren 1200 en 1220 +geschreven” werd[151], maar geeft geene bepaalde reden op, waarom hij +juist dit tijdperk aanneemt. + +Zoo ons ergens een licht kan opgaan omtrent den leeftijd van den +vlaamschen dichter, dan moet het vooral zijn in de eigenaardige +toevoegsels waarmede hij zijn origineel verrijkte. Toetsen wij daarom +nogmaals de gronden die daaraan te ontleenen zijn. + +De namen van den deken Herman, die vs. 2717 (2737) voorkomt, of van +meester Jufroet, vs. 2937 (2957), laat ik buiten rekening. WILLEMS +ziet in den laatsten »_ongetwyfeld_ Godfredus Andegavensis, die in +de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde[152];” maar dat _ongetwijfeld_ +is toch wat sterk, daar de woorden die Jufroet worden toegeschreven, +niet in de werken van den genoemden Godfridus worden aangetroffen[153]. +En wat den eersten betreft, zegt WILLEMS zelf[154] alleen maar dat +»GRIMM _vermoedt_ dat hier _kan bedoeld zijn_ Herman, abt van St. +Marten te Doornik, een beroemd schryver van den aenvang der twaelfde +eeuw.” Hoe dit vermoeden »veel waerschynlykheid” kan hebben, »daer paus +Innocentius II met dezen Herman meermaels in onderhandeling geweest +is”[155], verklaar ik niet te begrijpen. Ik meen, dat het verstandiger +is GRIMMS slotopmerking[156] in het oog te houden: »aber es kann viele +geistliche und decane dieses namens gegeben haben;” te gereeder, daar +het vreemd zou zijn, dat de dichter, die zich, volgens WILLEMS' eigen +opmerking[157], steeds binnen de grenzen van Vlaanderen beweegt, hier +zou gedacht hebben aan een Doorniksch prelaat. + +De toespeling op een valschen munter, Reinout de Vries, vs. 2652 (2672) +is te onbepaald om er bij stil te staan[158], hetgeen te meer is te +betreuren, omdat wij hier waarschijnlijk eene kostbare aanwijzing zouden +mogen vermoeden. + +In navolging van WILLEMS[159] heb ik[160] groot gewicht gelegd op de +vermelding van Hulsterloo als gelegen in zoo groot eene wildernis, dat +men in zes maanden er geen schepsel ontmoette, vs. 2565 (2589). SERRURE +meent, dat er dit in den tekst ook niet staat, maar alleen »dat er _by +Hulsterloo_ een bosch was[161].” Intusschen staat er duidelijk, vs. 2553 +(2578), + + Int oostende van Vlaendren staet + Een bosch, ende heet Hulsterlo. + .................... + Een borne, heet Kriekepit, + Gaet suutwest niet verre dane; + .................... + Dats een die meeste wildernesse, + Die men hevet in enich rike. + Ic segghe u ooc ghewaerlike, + Dat somwilen es een half jaer, + Dat toten borne comet daer + No weder man nochte wijf, + No creature die hevet lijf. + +Wat beteekent dit nu? Er is een bosch dat Hulsterloo heet, d.i. het +_Hulster bosch_; niet ver van daar staat eene bron: dat is de grootste +wildernis, welke laatste woorden natuurlijk niet op de bron van +toepassing zijn, maar op de streek _niet verre dane_. Met die opvatting +strijdt ook niet, dat er later, vs. 2644 (2664), van dien Kriekepit +gezegd wordt: + + Ne staet hi niet bi Hulsterlo, + Up dien moer, in die woestine! + +Men ziet, hier is nog geene spraak van »een dorp,” waarvan ook in den +giftbrief van Dirk van den Elzas van 1136 geen gewag gemaakt wordt, waar +alleen staat »_illum locum_ qui dicitur Hulsterloe[162],” en in een +document van 1139 wordt dit zelfs alleen genoemd »nonnulla terra in +circuitu” van Saleghem[163]. Eerst in een brief van paus Innocentius +II van 1141 wordt gewaagd van de »curtes et villas.... Hulst et +Hulsterloe[164].” Blijkbaar was dus omstreeks 1141 Hulsterloo bewoond, +en in 1156 wordt er kerkelijke dienst gedaan en begraven[165]. Daar het +nu niemand zal invallen den Reinaert ouder dan 1140 te maken, daar hij +minstens veertig jaren jonger is, blijkt het, dat de dichter, die van +Hulsterloo spreekt als van een onbewoond, woest oord, hier geen toestand +uit zijn eigen tijd heeft geschilderd. Waarschijnlijk maakte hij hier +gebruik van eene bekende overlevering, die gewaagde van de woestenij van +Hulsterloo ten tijde dat de valsche munter Reinout er huisde. Hoe lang +kan zoodanige lokale overlevering, die minstens in het eerste kwart +der twaalfde eeuw ontstaan schijnt[166], in levendig aandenken zijn +gebleven? Dat is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar toch meen ik uit +haar voortbestaan te mogen opmaken, dat de vlaamsche dichter niet zeer +lang na de bekendwording van de fransche branche zijne navolging heeft +vervaardigd. + +Tot dezelfde uitkomst schijnt men ook te geraken door de overweging, die +WILLEMS het eerst bekend maakte[167], dat in den _Reinaert_ Vermandois +tot Vlaanderen gerekend wordt, hetgeen eene waarheid was van 1163 tot +1186, daar in dat tijdvak Filips van den Elsas gehuwd was met Isabella, +erfdochter van Vermandois, waardoor dit laatste graafschap met +Vlaanderen vereenigd werd tot op Isabella's dood. + +SERRURE merkt daarbij op[168]: »Indien die vereeniging der twee landen +tot deze aenspeling (_sic_) aenleiding gaf, dan kon dit zoo wel by +herinnering twintig of dertig jaren later, dan 1186 (tydstip der +scheiding) geschieden.” Dit komt mij echter niet zeer waarschijnlijk +voor. Ik geef toe, dat de herinnering aan het feit nog eenigen tijd kon +voortduren; maar toch kon dit, dunkt mij, niet wel meer na den dood van +Filips, die in 1191 voorviel, plaats grijpen; te minder, daar terstond +daarop juist eene drieledige splitsing van Filips' nalatenschap plaats +had[169]; waarbij het zuidelijk gedeelte van het graafschap, Atrecht, +enz., van het noordelijke afgescheurd werd. + +Die vermelding dus van het land van Vermandois als binnen de grenzen van +Vlaanderen gelegen, schijnt recht te geven om het ontstaan van onzen +_Reinaert_ niet na 1191 te stellen; zoodat wij, in verband met het +tijdperk waarin de fransche 20e branche in het licht verscheen, dat +ontstaan tusschen de jaren 1180 en 1190 meenen te mogen stellen. + +Ik heb met WILLEMS[170] een bewijs voor de oudheid van onzen _Reinaert_ +meenen te vinden in de omstandigheid, dat een priester er als wettig +gehuwd in wordt voorgesteld, welk gebruik omstreeks de helft der +twaalfde eeuw verboden werd. SERRURE meent dat dit »geen stellig bewys” +oplevert; »want,” zegt hij[171], »al is het waer, dat dit gebruik rond +1150 eindigde, dan bestaet er toch een fransche fabliau, _Constant du +Hamel_, welk men aen ENGUERRAND D'OISY toeschryft, en in allen gevalle +tot de XIIIe eeuw behoort, waerin insgelyks van het wyf eens priesters +gewaegd wordt.” + +De juiste ouderdom van dat fablel had moeten worden betoogd; want eene +eenvoudige verwijzing naar DINAUX' _Trouvères Artésiens_ is niet +voldoende. + +De eenige reden waarom DINAUX vermoedt dat het fablel van _Constant +du Hamel_ aan ENGUERRAND D'OISY kon worden toegeschreven, is deze, dat +hij overeenkomst van onderwerp, denkbeelden en stijl meent gevonden +te hebben in dit gedicht en het aan gemelden trouvère toegekende +stuk getiteld: _Le meunier d'Arleux_[172]. Die meening wordt echter +door niets gestaafd, en er bestaat geen reden, om het oordeel en de +naauwkeurigheid van DINAUX zonder nader bewijs te vertrouwen[173]. + +Maar behoort dan werkelijk dat gedicht »in allen gevalle tot de XIIIe +eeuw”? Hoe stellig die verzekering ook moge klinken, zij mist toch +allen grond. Zoowel de inhoud als de stijl van het stuk[174] schijnt +eer naar het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te verwijzen. Als ik +mij niet bedrieg, heeft het verschillende familietrekken gemeen met +sommige branches van den _Roman du Renard_, vooral met br. 20_a_. De +overeenkomst van taal b.v. springt vooral in het oog, en ik wijs hier +slechts op de uitdrukking »por le cor bieu,” vs. 354, 860, 863, die wij +ook in br. 20_a_ aantroffen[175]. + +Dat de schrijver met de dierensage bekend was, mag men opmaken uit de +omstandigheid, dat hij aan een zijner personaadjes laat toevoegen, vs. +355: + + Tu sambles miex leu qu'autre beste, + De bras, de jambes et de teste; + +hetgeen op eene merkwaardige wijze herinnert aan de plaats uit GUIBERT +DE NOGENT, vroeger aangehaald[176]. + +Voor die bekendheid pleit ook de naam van den _vilain_ naar wien het +geheele fablel genoemd is, _Constant_, met den bijnaam _du Hamel_. +_Constant_ toch is de generieke naam voor de dorpers die eene rol in den +franschen _Renart_ spelen. + +In de 5e (3e) branche heet hij _Constant des Noes_, vs. 1274, en evenzoo +in de 19e (15e), vs. 8623; en de persoon zoowel als zijn rijkdom schijnt +algemeen bekend geweest te zijn, daar er in de 26e (20e) branche, vs. +15328 gesproken wordt van + + Un vilain + Plus que Constanz des Noes riches. + +In de 4e (2e) branche, vs. 1190, heet hij: + + Mesire Constans des Granges, + Uns vavasors bien aaisiez. + +Ook in het fablel _La vache au prestre_, bij MÉON, tom. III, Pag. 25, +vs. 31, komt die naam voor[177]. + +Meestal houdt men het er voor, dat de toenaam ontleend is aan den naam +van het dorp waar die Constant leefde. Zoo denkt GRIMM aan »_les Noes_, +ein alter ort in Champagne”[178]. DINAUX zoekt evenzoo in den naam _du +Hamel_ dien van »une ancienne commune sur les confins de l'Artois et du +Cambrésis”[179]. + +Hier is het tegendeel duidelijk te bewijzen, daar het vs. 497 heet: + + Tant qu'il entra enz où _hamel_. + +Uit den samenhang blijkt duidelijk, dat hier niet gedacht kan worden aan +een »village, hameau bâti au milieu des champs,” zoo als ROQUEFORT het +woord vertaalde; maar wel aan eene »habitation, petite ferme, maison de +campagne seule dans les champs”[180]. Ik kies deze woorden, omdat het +die zijn, waarmede ROQUEFORT het woord _mesnil_ verklaart, en dat woord +in de 5e (3e) branche gebezigd wordt ter nadere aanduiding van Constants +vrouw, die aldaar heet, vs. 1621: + + La bone dame del mesnil. + +Wat nu den toenaam _Des Noes_ aangaat, ook die behoeft niet noodzakelijk +aan een plaatsnaam ontleend te zijn. _Noes_ of _noue_ vertaalt ROQUEFORT +door »eaux stagnantes, terrain bas et creux où l'eau séjourne; terres +nouvellement mises en prés, pâturage ou prairie marécageuse.” Het komt +dus geheel overeen met ons _Maerlant_[181], en _Constant_ kan even goed +naar het terrein dat hij bewoonde zijn genoemd, als naar zijne woning. +En blijkbaar is er slechts één persoon gemeend, die beurtelings heet +_des Noes (du Mesnil), des Granges_ of _du Hamel_, van welke namen de +drie laatste in beteekenis niet veel verschillen. + +Men ziet daaruit, dat het fablel door SERRURE als bewijs aangehaald, +geschreven schijnt in den tijd waarin verschillende, en daaronder van +de oudste, branches van den _Renart_ vallen, hetgeen veeleer naar de +laatste helft der twaalfde dan naar de dertiende eeuw verwijst. + +Ook het gedicht _Du provoire qui menga les mores_ (LE GRAND D'AUSSY, +tom. I, pag. 26*), waar in vs. 62 »la feme au prestre” voorkomt, is van +geen jonger oorsprong, daar de dichter zelf verklaart dat hij het aan +een voorganger, GUERINS, ontleent. + +Dit alles te samen trekkende, komt het ons nog altijd voor, dat de +vlaamsche _Reinaert_ tot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet +gebracht worden. + +Wij mogen intusschen geene vraag achterwege laten, wier beantwoording +licht over ons onderwerp kan verspreiden. + +_Reinaert_ vs. 3347 (3367) wordt gewaagd van + + Botsaerde, sconinx clerc: + Dat was hi, die hantwerc + Bet conste dan iemen die daer was. + Botsaert plach emmer dat hi las + Die lettren, die te hove quamen. + +GRIMM gist, dat »damit vielleicht auf einen Bochard von Avesnes gezielt +wird, der um 1218 starb”[182]. + +'t Is waar, Bouchard van Avesnes was _clerc_, en in zijne jeugd beroemd +om zijne geleerdheid[183], en toch is 't niet mogelijk dat hij bedoeld +kan zijn; want niemand zijner vrienden zelfs wist dat hij te Orleans tot +den geestelijken stand was overgegaan; en toen dit omstreeks 1214 bekend +werd, had hij te veel roem als wereldlijk ridder verworven, en bleek hij +_een te groot zondaar_, daar hij den geestelijken stand ontloopen was, +om nog als een wijze en geleerde klerk te worden voorgesteld. + +Bij het vermelden van Bouchards naam mocht iemand wellicht eenige +overeenkomst vermoeden tusschen zijne geschiedenis en enkele trekken uit +het laatste gedeelte van den _Reinaert_; maar bij eenige oplettendheid +zal die overeenkomst in rook verdwijnen. + +Bouchard had den geestelijken stand verzaakt, en was met de vlaamsche +gravendochter gehuwd. Paus INNOCENTIUS III leî hem tot boete op een +pelgrimstocht naar Jerusalem te doen, en de gravin weêr aan hare +bloedverwanten terug te geven. Bouchard volbracht het eerste deel van +dat bevel; maar toen hij zijne vrouw en twee zonen terugzag, zegt men +dat hij uitriep, zich liever in stukken te laten houwen dan het offer te +volbrengen. Door den paus in den ban gedaan, kwam hij later in handen +der wereldlijke macht, en werd in 1218 te Rupelmonde onthoofd. + +Ook Reinaert geeft althans voor »in vollen seende” gebannen te zijn, vs. +2718 (2738) omdat hij Isengrijn geholpen had in het vaarwel zeggen van +den geestelijken stand, bij zijne vlucht uit het klooster: daarom is hij +»in spaeus ban,” vs. 2700 (2720), en hij wil naar Rome en »over see” om +aflaat. Ook het terugzien van zijne vrouw en twee zonen schijnt hem van +het opgevatte voornemen af te brengen, en hij besluit 's konings wraak +te trotseren. + +Moet men niet erkennen, dat de overeenkomst tusschen het gedicht en de +geschiedenis van Bouchard van Avennes hoogst gering is, waar de schijn +van overeenkomst alleen geboren wordt als men alle karakteristieke +bijzonderheden over het hoofd ziet? Ik voor mij aarzel geen oogenblik, +alle toespeling op Bouchard van Avennes als hersenschimmig terug te +wijzen, en als het meest waarschijnlijk aan te nemen, dat de vlaamsche +_Reinaert_ tusschen de jaren 1180 en 1190 is ontstaan, gedurende de +regering van Filips van den Elzas, aan wiens tijd de geheele toon van +het stuk over het algemeen herinnert. + +Wil men volstrekt in den kapellaan Botsaert een historischen naam zien, +dan vraag ik, of het niet de bisschop van Kamerijk van dien naam kan +wezen, die tot op het jaar 1133 den bisschoppelijken zetel bekleedde, en +herhaaldelijk in de diplomata bij MIRÆUS voorkomt? + + * * * * * + +Thans moeten wij nog kortelijk onderzoeken, of uit het gedicht zelf +geene aanwijzing te putten is, waar het werd geschreven. GRIMM was +reeds getroffen door de »ganz flandrische färbung”[184] die er de +eigenaardigheid van uitmaakt; op zijne vraag, of de mnl. dichter »die +schon in seinem original vorfand, oder aus einheimischer tradition der +thiersage hineinbrachte”? hebben, zoo ik hoop, de voorgaande bladzijden +het antwoord gegeven. + +Maar in welk gedeelte van Vlaanderen ontstond dat uitstekend kunstwerk? +SNELLAERT zegt: »Geheel het gedicht, zoowel het eerste als het tweede +boek, moet in West-Vlaenderen zyn opgesteld”[185]. Met betrekking tot +het gedeelte dat ons hier bezig houdt, haalt hij ten bewijze van den +west-vlaamschen tongval aan de woorden _eeke_, _wulf_, _ghi dinct_ en +_vroet_[186]. Maar is die uitspraak alleen aan West-Vlaanderen eigen? +Mij dunkt, de oude schrijvers beantwoorden die vraag ontkennend. Er is +echter meer. Zou een West-Vlaming het tooneel van zijn gedicht zoo bij +voorkeur in Oost-Vlaanderen gelegd hebben? Zou hij met zulke voorliefde +van het »soete lant van Waes” (vs. 2263) gesproken hebben? Hulsterloo, +Absdal, Besele[187] liggen alle in dit »oostende van Vlaendren;” Hyfte, +»thans geen dorp meer maer een gehucht by Desteldonk en Loochristy,” +dat met Gent genoemd wordt, pleit evenzeer voor Oost- en niet voor +West-Vlaanderen, zoowel als de abdij van Elmare, waar de wolf monnik zou +worden. Is dit alles niet veel eer geschikt om de stelling aannemelijk +te maken, dat ons gedicht op dien bodem is ontstaan? + +Wie de schrijver was, zal wel immer een geheim voor ons blijven, tenzij +eenmaal de _Madoc_ werd terug gevonden, waaruit ons misschien eenig +licht over zijn persoon mocht opgaan. Thans weten wij alleen, dat hij +WILLEM heette, vroeger nog een gedicht had vervaardigd, wellicht »vele +boeke,” en dat hij den _Reinaert_ op verzoek eener hoofsche vrouwe heeft +gedicht. + +Het is te betreuren, dat er niet meer licht over zijne persoonlijkheid +kan worden verspreid, daar hij zeker de voortreffelijkste dichter mag +genoemd worden, die het graafschap Vlaanderen heeft opgeleverd; een +dichter, begaafd met eene scheppende fantazie, en toegerust met een +smaak zoo als maar zelden in de middeneeuwen, althans op het gebied van +onze letterkunde, gevonden wordt. + +__________ + +VOETNOTEN + +[1] _Reinhart Fuchs_, p. CL en CLXIII. + +[2] Zie ROTHE, _Les Romans du Renard examinés, analysés et comparés_, +pag. 62 suiv. + +[3] I Dl., bl. 185-189. Verg. ook III Dl., bl. 584. + +[4] _Geschiedenis der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, bl. 143. + +[5] T. a. p. bl. 148-149. + +[6] Ik reken hier de uitgave van SNELLAERT niet eens meê, die slechts +een herdruk van dien van WILLEMS is. + +[7] _Denkmäler altniederl. Sprache und Litteratur_, I, XXIX. + +[8] _R. F._, pag. CLIV. + +[9] _Denkmäler_, I, XLII in verband met XXXIV. + +[10] Over de uitlatingen zie men de kollatie bij onzen tekst. GRIMM +neemt er ook achter 2470 (2494) eene aan (_R. F._, p. CLIV en 281), en +werkelijk vindt men in de omwerking vier regels meer; maar het is niet +waarschijnlijk dat zij ook in het ouder gedicht gestaan hebben, waar aan +den zin niets ontbreekt. + +[11] _R. F._, bl. CXLIX. + +[12] _R. F._, bl. CLIV. + +[13] _R. F._, bl. CLIV: „Die vocalverhältnisse, womit es kaum eine mnl. +hs. genau nimmt, habe ich nach grammatik und reimen festgesetzt.” + +[14] _Reinaert de Vos_, Voorbericht, bl. VIII. + +[15] Voorbericht, bl. VII. + +[16] Tweede uitgave, Nabericht, bl. 353. + +[17] „De drukfouten en verbeteringen, door W. aangegeven, zyn, op de +behoorlyke plaetsen, de eenen geweerd, de anderen tusschen de noten +ingevoegd. Hier en daer heb ik gemeend voor W. te moeten handelen +namelyk.... op de vs. 1123, 1965, 3078.” Zoo leest men t. a. pl. (Ik +bepaal mij tot den tekst van het oudste gedeelte.) Maar ook SNELLAERT +schijnt niet zonder overhaasting te werk gegaan te zijn, want de +verbetering op vs. 2091 door WILLEMS zelf aangegeven, „_bockine_, lees +_hoekine_, dat is _bokjens_, en vergelyk MEYER'S _Leven van Jesus_, bl. +336,” is vergeten op te nemen in de nieuwe uitgave. Zoo had ik gewild +dat ook verbeterd waren de volgende stootende drukfouten: 1187 _leiden_ +(_beiden_), 1377 _vermerrende_, 1449 _en allen_, 1965 _dine[n] oge_, +om van andere minder in het oog vallende niet te spreken. Stilzwijgend +heeft SNELLAERT nog verbeterd 2252 _bi_ in _hi_, 2548 _wancost_ in +_wanconst_; maar ook 861 _Dar_ in _Daer_, hetgeen blijkbaar _Dat_ had +moeten zijn. + +[18] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXXI. + +[19] _Rechts Alterthümer_, bl. 14 vlgg. Zie ook NOORDEWIER, _Nederd. +Regtsoudheden_, bl. 4-5. + +[20] Daaruit zou men mogen opmaken dat ook in de volgende plaatsen +werkelijk een regel is uitgevallen: 1075 _wale_, (....), _tale_, _wale_; +1085 _daghe_, _saghe_, (....), _maghe_; 1161 _Reinaert_, (....), +_vaert_, _Reinaert_; 1861 _Bruneel_, (....), _butseel_, _Rosseel_; +en dat het niet zijn „blykbaer drieregelige rymen, dergelyke men by +onze ouden op meer plaetsen ontmoet,” zoo als WILLEMS aannam in het +voorbericht op den _Reinaert_, bl. IX en ikzelf ook vroeger beaamde, +_Mnl. Versbouw_, bl. 170. + +[21] Slechts op één punt ben ik daarvan afgeweken, namelijk in plaats +van het pleonastische aanwijzend voornaamwoord _die_ achter het +zelfstandig naamwoord, heb ik naar den mnl. regel het persoonlijke +voornaamwoord gesteld, b.v. 107 Tibert die [hi] wart gram; 1079 sine +herte die [soe] es; 1914, 1964, 2628 (2652), 2732 (2772), 2795 (2815), +2999 (3019), 3093 (3113), 3352 (3372). Zoo heeft het hs. naar den regel: +1246 _hi was gheraect_; 1644 _si riepen_. + +[22] _R. F._, pag. CLV. + +[23] Waar geen letter voor de lezing staat komt zij zoowel in het +Comburgsche hs. (C) of bij GRÄTER, als in de uitgaven van GRIMM en +WILLEMS voor. Gr. beteekent de uitgave van GRIMM, W. die van WILLEMS. +Waar des laatsten voorletter ontbreekt is de verbetering reeds door hem +aangebracht. + +[24] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXVI-XXVIII. + +[25] Zie het facsimile, dat KAUSLER met de wellevendste bereidwilligheid +voor mij deed vervaardigen. + +[26] C. heeft, gelijk wij zagen: _die vele bouke maecte_; maar KAUSLER +zegt, _Altniederl. Denkm._, Th. I, s. XLII: „Die Worte _vele bouke_ sind +von einer spätern Hand an die Stelle eines ausgekratzten Wortes gesetzt, +das, wie deutlich zu erkennen ist, kürzer war als die Interpolation, +weshalb auch der Raum für diese nicht ganz reichen wollte.” Men ziet dit +ook duidelijk in ons facsimile. Ik geef daarom in mijn tekst de voorkeur +aan de lezing van den omwerker, waarvoor ook andere redenen pleiten; zie +mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 189. In plaats van het +_die Madock maecte_ van den omwerker, heb ik gesteld _die den Madoc +maecte_, nadat ik naauwkeurig op het handschrift had uitgemeten dat het +enkele woord _Madoc_ de plaats van het uitgewischte niet aanvulde, die +juist wordt ingenomen door de woorden _dē Madoc_, in het schrift van den +codex. + +[27] Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik herroep de geheele redenering +die ik vroeger op den tekst van GRIMM en WILLEMS bouwde, _Gesch. der +Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 191; gelijk ik alles terug neem wat daar over +dit onderwerp staat, voor zoover het in strijd is met de rezultaten van +mijn vernieuwd, dieper onderzoek, die ik in deze inleiding heb +neêrgelegd. + +[28] Evenzoo heeft men een dubbel begin _Floris ende Blanc._ vs. 1 en +28; maar de eerste 34 verzen van dat gedicht zijn waarschijnlijk het +werk van een afschrijver. + +[29] _R. F._, pag. CVIII. + +[30] Verg. ROTHE, _Les Romans du Renard_, pag. 63. + +[31] Inleiding, bl. XLVI. + +[32] Uitgegeven onder den titel: _Sendschreiben an_ KARL LACHMANN, +_ueber Reinhart Fuchs_, Leipzig 1840. + +[33] Inleiding, bl. XXXV. + +[34] Inleiding, bl. XXXV. + +[35] Bl. XXXIV. Vergelijk ook zijn Voorbericht, bl. VIII. + +[36] _R. F._, pag. CLI. + +[37] Inleiding, bl. XXXI. + +[38] Zie zijne _Geschiedenis der Letterkunde in het graefschap +Vlaenderen_, bl. 147. + +[39] Verg. mijne _Gesch. der Mnl. Dichtk._, III Dl., bl. 358-359, in +verband met bl. 361-363. + +[40] GRIMM heeft uit de beteekenis van den naam Reinaert (Raginohard), +het vermoeden afgeleid, „dass die thierfabel vom fuchs und wolf den +Franken bereits im 4. 5. 6. jh. bekannt war” (_R. F._, pag. CCXLII). +Komt dit vermoeden niet te goede, dat reeds in de Salische wet de +vossennaam als scheldwoord vermeld staat? In den XXX titel (bij MERKEL, +pag. 17), _de conviciis_, heet het: „Si quis alterum _vulpe_ clamaverit, +120 dinarios, qui faciunt solidos 3, culpabilis iudicetur.” + +[41] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, II Dl., bl. 61. + +[42] _R. F._, pag. CXCV-CXCVI. + +[43] Bij CHABAILLE, _Supplément au Roman du Renart_, pag. 1; zie ook +ROTHE, _Les Romans du Renard_, pag. 150. + +[44] FAURIEL trekt ook uit de aangehaalde regels het natuurlijk besluit, +dat „on traitait en prose des parties du cycle poétique de Renart.” +_Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 941. Verg. ook GRIMM, _R. +F._, pag. CXXXVIII. + +[45] _R. F._, pag. CXXI. + +[46] _Les Romans du Renard_, pag. 109-110. + +[47] Later, pag. 268-269 heet het nog sterker: „Il n'est guère douteux +qu'il n'y ait eu des branches perdues entièrement et dont l'existence ne +nous est révélée que par les allusions qui se trouvent dans ce que nous +connaissons; il n'est guère douteux non plus que plusieurs des branches, +ou des parties de quelques unes des branches du _Roman de Renart_ +ne soient que des reproductions, des réminiscences de compositions +analogues antérieures, négligées et perdues dès qu'elles ont été +remplacées par les versions plus récentes. Quoique nous soyons dans +l'impossibilité de préciser exactement la date d'aucune des branches, +quelques indices nous font cependant regarder les unes comme plus +anciennes que les autres, et certes _il y en a un bon nombre qui +remontent au douzième siècle_.” + +[48] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 906-907. + +[49] FAURIEL zegt er van, _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 891, dat het +bevat: „des recherches qui n'ont laissé à désirer que ce qu'il était +impossible de découvrir,...... une sagacité de critique qu'il est plus +facile d'admirer que d'égaler.” + +[50] GRIMM volgt eene andere verdeeling: bij hem is de 20e branche de +16e. Ik zal in het vervolg steeds de indeeling van MÉON en ROTHE volgen +en de nummers van GRIMM er tusschen haakjes bijvoegen. + +[51] _R. F._, pag. CVIII. + +[52] _Sendschreiben an_ KARL LACHMANN, pag. 64. + +[53] _Les Romans du Renard_, pag. 61. + +[54] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 905. + +[55] _Les Romans du Renard_, pag. 260: „Parmi ces morceaux quelques uns +se composent distinctement de deux parties, ce qui peut faire supposer +qu'ils n'ont pas été faits d'un seul jet ni par un seul auteur, qu'une +partie a pu être écrite antérieurement à l'autre, et que le dernier +auteur n'a fait qu'une continuation, ou bien qu'il s'est borné à lier +ensemble deux compositions antérieures.” Verg. ook GRIMMS _R. F._, pag. +CL, in fine. + +[56] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 940. + +[57] _L. l._, pag. 903. + +[58] GRIMM, _R. F._, pag. CIX. + +[59] GRIMM stelt, _R. F._, pag. CXL, het oude fransche origineel „bald +nach der mitte des 12 jh.,” maar ik ben overtuigd dat het veeleer ouder +is, zoo als ons ook later nog zal blijken. GRIMM zelf stelt het Mhd. +gedicht elders, _R. F._, pag. CCLV, iets ouder en wel „in das zweite, +oder doch dritte viertel des 12 jh.” + +[60] _Les Romans du Renard_, pag. 70. + +[61] _R. F._, pag. CLI: „Wenigstens hat keins der jetzt erhaltenen +franz. gedichte ansprüche darauf zu machen sein original zu sein.” +En pag. CLVI zegt hij: „WILLAM schöpfte..... eingeständig aus franz. +quelle, die uns untergegangen ist, selbst aber in der nähe des +flämischen dichters, vielleicht in franz. Flandern und Artois +entsprungen sein könnte.” + +[62] _Reinaert_, Inleiding, bl. XLII. + +[63] _R. F._, pag. CXXXIX. + +[64] _R. F._, pag. CXXXIX. + +[65] _R. F._, pag. CXLV. + +[66] _R. F._, pag. CXXVII. + +[67] _Les Romans du Renard_, pag. 261, cf. 173 suiv. + +[68] _Hist. Litter. de la France_, tom. XXII, pag. 917. + +[69] Een paar regels later heet het ook dat „Tardif les chadele.” Men +ziet dat de vaandeldrager de aanvoerder is. Dit moge een nieuw bewijs +zijn voor mijne stelling voorgedragen _Guillaume d'Orange_, tom. II, +pag. 23, noot 4. + +[70] GRIMM noemde dit reeds: „nachahmung der todten henne,” _R. F._, +pag. CXXVII. + +[71] Verg. ROTHE, pag. 183. + +[72] _R. F._, pag. CXXVIII. Verg. ook pag. CXXXVIII. + +[73] _Les Romans du Renard_, pag. 179-180. Verg. ook pag. 183. + +[74] L. c., pag. 184. + +[75] De grondfout van ROTHE bestaat daarin, dat hij geen onderscheid +maakt tusschen de twee deelen der 20e (16e) branche; vandaar, dat hij +tot een geheel verkeerd rezultaat kwam, omdat hij een verkeerden +maatstaf aanlegde bij zijne redenering. + +[76] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 926. + +[77] Ziehier een paar staaltjes, die later nog met een sterksprekend +zullen vermeerderd worden. + +Pag. 898 zegt hij van onzen oudsten Reinaert: „Cette rédaction.... ne +paroît être que du XIVe siècle.... et elle ne peut guère avoir été +fondée que sur des traditions orales venues d'ailleurs.” + +Pag. 899 heet het van den oudsten mhd. tekst van GLICHESÆRE, door +GRIMM in zijn _Sendschreiben an_ LACHMANN uitgegeven: „Si ce fragment +appartient à l'ouvrage perdu de GLICHESÆRE, ou à quelque autre, c'est +un point que l'éditeur laisse dans l'incertitude(!!). Il ne dit rien +non plus de l'époque où l'on peut en supposer la rédaction(!!).” + +Wellicht was hij in de war gebracht door de noot op pag. 61 van ROTHES +werk, maar dat hij het _Sendschreiben_ zelf gelezen had durf ik stellig +ontkennen. + +Hij geeft dikwerf ROTHES opmerkingen als zijne eigene beschouwingen. Zoo +b.v. doet hij pag. 943 zien, dat het paard niet als handelende persoon +in de gedichten over Renart voorkomt, omdat de andere dieren in den +regel te paard rijden. Hetzelfde had ROTHE reeds gezegd, pag. 266. + +Over den _Couronnement_ handelende, doet hij pag. 936 zien, dat slechts +eene verkeerde opvatting dit werk aan MARIE DE FRANCE toeschrijft, maar +ROTHE had dit reeds duidelijk gemaakt, pag. 348. + +Dat de graaf van Vlaanderen, ter eere van wien de _Couronnement_ werd +geschreven, WILLEM VAN DAMPIERRE is geweest, lijdt geen twijfel, en ook +dit had ROTHE aangetoond vóór FAURIEL; maar als de laatste zegt, pag. +936, dat op het punt van zijn dood in een steekspel, de dichter „nous +en apprend quelque chose de plus que l'histoire,” dan heeft hij zijn +voorganger niet goed ingezien, die pag. 340 de plaatsen der historici +aanhaalt, waar van zijn ongelukkigen dood in een tornooi wordt gewaagd. +Hetzelfde had hij kunnen vinden in WARNKŒNIGS _Hist. de la Flandre_, +tom. I, pag. 252. En reeds de Vlaamsche Kronijk door KAUSLER uitgegeven, +zegt vs. 5845: + + Dese Willem was vul der edelheden, + Ende bleeft antierende twapenspel; + Maer harde curt het hem mesvel: + Want te Trengis in den tornoy + Waert doot ghedroomt die rudder moy, + Dies menich adde zwaer verdriet, + Dat hi dus vander weerelt sciet. + +[78] _Les Romans du Renard_, pag. 183. + +[79] GRIMM zegt, _R. F._, pag. CXXVIII: „Diese ganze branche von dem +gelben fuchs und der gestörten hochzeit scheint mir uralt.” + +[80] _Les Romans du Renard_, pag. 182, note. + +[81] _R. F._, pag. CXXI. GRIMMS onderscheiding rust hoofdzakelijk op +de opmerking, dat in het eerste gedeelte vos en wolf als oom en neef +voorkomen: in het tweede heeten zij elkander „compère.” Ik voeg er bij, +dat 353-4 Renart Isengrins hol niet kent, terwijl hij 241-336 +herhaaldelijk des wolfs woning bezocht had. + +[82] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CXXI. + +[83] _Les Romans du Renard_, pag. 297, note 1; cf. pag. 284, note 4. + +[84] Ook nog in eene jongere branche komt deze titel voor, vs. 13939. + +[85] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CLVIII, in fine. + +[86] Bij MÉON staat _li ors_, dat klinkklare onzin is. + +[87] _Les Romans du Renard_, pag. 174-175. + +[88] _R. F._, pag. CXXVI. + +[89] In een enkel handschrift is ook de 19e nog door eenige +overgangsregels aan de 18e verbonden, zie ROTHE, pag. 285, note 1. + +[90] _Reinaert_, Inleiding, bl. XLII-XLIII. + +[91] De overeenkomst is niet geheel letterlijk, maar 't schijnt +ontwijfelbaar dat de afschrijver hier knoeide, zoo als de rijmen en onze +varianten uitwijzen. + +[92] Zoo b.v. ook GARIN, II, pag. 26: + + Plévissez-moi, li Allemans Oris, + Et vous Girars _etc._ + +Pag. 69: + + Venez avant, li fis au duc Hervin, + Tenez ma nièce. + +[93] GRIMM, _R. F._, pag. CXLI. + +[94] Boven, bl. LIII-LXI. + +[95] Dezelfde eigenaardigheid treft men aan in de branches 20_a_-_b_ en +21-22; niet in 19. + +Hetzelfde verschijnsel heeft ook ALF. ROCHAT opgemerkt in den +_Percheval_ van CHRESTIENS DE TROIES; zie zijn boek getiteld: _Ueber +einen bisher unbekannten Percheval li Galois_, pag. 179. + +[96] ROTHE, _les Romans du Renard_, zegt pag. 184: „Plusieurs +considérations portent à faire regarder la vingtième branche comme la +principale de toutes les rapsodies sur le sujet du Renard, comme le +noyau du cycle, pour ainsi dire.” + +[97] Men lette op vers 648, waar het heet: _so men mi seide_. + +[98] Wellicht is echter dit en het voorgaande vers een inschuifsel. + +[99] _Les Romans du Renard_, pag. 176. + +[100] _R. F._, pag. CLII. + +[101] L. l. Zie ook WILLEMS, _Reinaert_, bl. 90, in de noot op vs. 2247. + +[102] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I D., bl. 139. + +[103] Ook in de branche die het derde deel van MÉON opent, komt +hetzelfde denkbeeld, hoewel gewijzigd, voor. + +[104] _R. F._, pag. CXXXII. + +[105] Boven, bl. XXXVII. + +[106] Boven, bl. XXXVIII. + +[107] Verg. ROTHE, l. l., pag. 122. + +[108] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. LXXIV. + +[109] Het gebeurde met den wolf, vs. 10157-10166, houd ik voor een +jonger toevoegsel, dat niet veel beteekent; ik kan dit niet met GRIMM, +_R. F._, pag. CXXXIX, onder de „treffenden zügen” rekenen. + +[110] _Rijmkronijk van Vlaenderen_, uitg. door KAUSLER, vs. 3384. + +[111] Zie de aangehaalde _Rijmkronijk_, pag. 137 volg. + +[112] Verg. Dr. C. HOFMAN, _Ueber ein Fragment des Guillaume d'Orange_, +pag. 42. + +[113] Zoo b.v. branche 20_b_, vs. 11607: + + Dou poing li done tel bufet, + Del cul li fet saillir un pet. + +[114] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. LXXIV-LXXV. + +[115] Dat de 9e branche eene omwerking is blijkt vs. 3260, waar het +heet: + + Si con nos trovons en l'estoire. + +[116] Vs. 1498 echter, waarin gezegd wordt dat men + + Waende dat die duvel ware, + +herinnert bepaaldelijk aan de fransche branche. Het vastbinden aan het +klokkenzeel herinnert aan de 28e branche, waar Reinaert hetzelfde met +Tibert doet. + +[117] In de 28e branche zegt R., vs. 20504: + + Ge vois ou bois de _veneroi_, + +dat is, zoo als ROTHE (p. 217) terecht zegt: „aunaie, lieu planté +d'aunes, autrefois appelés _vernes_.” Zou ons _Vermendois_ ook aan +eene verwisseling met _veneroi_ kunnen doen denken? Ik acht dit noch +aannemelijk noch waarschijnlijk. + +[118] _Les Romans du Renard_, pag. 137. + +[119] De 9-10e branche heeft zeer merkwaardige punten van overeenkomst +met 20_a_. Zij schijnt in Artois geschreven (vs. 3827), de dichter +zweert bij _le cuer bé_, vs. 4641, 4573. Intusschen heet de wolf daar +niet _Ysengrin_, maar _Primaut_. Dat in het oudere stuk, waarop vs. +3260 verwezen wordt, echter Ysengrin de hoofdrol vervulde, is zeer +waarschijnlijk. Nog in de omwerking, vs. 3545, noemt Primaut Hersent +_ma fame_, waarmeê ROTHE (pag. 134) geen weg wist. Zeer duidelijk blijkt +de waarschijnlijkheid onzer stelling ook nog uit eene andere plaats. Vs. +4555 heet het bij MÉON: + + Vers la forez s'en va _le cors_: + +de daarop volgende regel, + + Si a trouvé Renart _le rous_, + +leert dat het eerste rijmwoord moet zijn niet _le cors_, maar _li cous_; +en dit is de gewone bijnaam van Ysengrin, die op Primaut niet van +toepassing is. Ook in branche 23 (18) zegt de wolvin, vs. 13321: + + Sire Ysengrin............ + Or te pués vengier de ton pié, + +en dit is juist eene toespeling op een verhaal uit de 9-10e branche. +Merkwaardig is het intusschen, dat ook hier de naam Primaut met dien +van Ysengrin verwisseld wordt, b.v. vs. 13287, 13366, 13375. Dat er ook +overeenkomst in andere uitdrukkingen tusschen beide branches is zagen +wij boven (bl. LXVI). + +[120] _R. F._, pag. CLIX-CLX. + +[121] Zie de plaatsen bij MÉON, tom. I, pag. V, en bij GRIMM _R. F._, +pag. CXCVII-CXCVIII. + +[122] Bij GRIMM, _R. F._, pag. CXCVIII. + +[123] _R. F._, pag. CXXXIX. + +[124] _Reinaert_, _Inleiding_, bl. XL. + +[125] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 907. + +[126] PAULIN PARIS, _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 95-96. + +[127] Zie _Hist. Litt. de la France_, tom. XV, pag. 100. + +[128] _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 102. + +[129] L. l., pag. 107. + +[130] Verg. mijne _Geschied, der Mnl. Dichtk._, II Dl., bl. 427-432. + +[131] Onmogelijk kan de _Alexander_ eerst tusschen 1180 en 1184 +geschreven zijn, zoo als dit heet in de _Hist. Litt. de la France_, tom. +XV, pag. 121, 122, 163. Als met de _Isabella_, die in dat gedicht een +verciersel voor Alexanders tent borduurt, gelijk men meent werkelijk de +dochter van Boudewijn van Henegouwen bedoeld is, die in 1180 met den +franschen koning Filips-Augustus huwde, dan schijnt dit latere omwerking +of interpolatie te verraden. + +[132] _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 101. + +[133] Aangehaald bij GRIMM, _R. F._, pag. CXCVII. + +[134] GRIMM noemt de 5e (3e) branche terecht „vortreflich erzählt,” (_R. +F._, pag. CXXII), en ik begrijp niet hoe ROTHE kon zeggen (pag. 127): +„Le récit est un peu traînant.” + +[135] _Les Romans du Renard_, pag. 140. + +[136] _Supplément au Roman de Renart_, pag. 1; verg. ROTHE, pag. 150. + +[137] _R. F._, pag. CXXXIX. + +[138] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 908, 909, 910, 911. + +[139] _R. F._, pag. CXLI. + +[140] Zie mijn _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 178. + +[141] T. a. p., pag. 160. + +[142] Daar heet het, vs. 892, bij HOFFMANN, _Ueber ein fragment des +Guillaume d'Orange_, s. 36: + + Loeys fu à Paris sa maison: + Là se deduist à guise de bricon. + N'ot aveuc lui ne conte ne baron, + Ne duc ne prince, chevalier ne garson + Qui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton. + ........................ + Les frans linages ot arrière boutés, + Et de sa terre et de sa cort osté, + Et des estranges ot-il fait ses privés: + Malvais conseil li ont tous jors doné, + Et son avoir et tolu et emblé; + Et si baron l'ont trestout adossé, + Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel, + Et sor tout chou li est mal encontré. + +[143] Ook in de _Chanson d'Herviz de Metz_ komt dezelfde uitdrukking +voor, zie _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 596. + +[144] _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 185. + +[145] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. CXLI. + +[146] VON RAUMER, _Gesch. der Hohenstaufen_, II, pag. 319. + +[147] MEYERUS, _Annal. Flandriae_, Lib. VII, pag. 60. + +[148] _Reinaert_, Inleiding, pag. XVI. + +[149] _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 192-198. + +[150] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXIII-XXXIV. + +[151] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 143. + +[152] Aanteekening op vs. 2957, pag. 120 zijner uitgave. + +[153] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CLIX. + +[154] Aanteekening op vs. 2737, pag. 111 zijner uitgave. + +[155] T. l. a. pl. + +[156] _R. F._, pag. CLIX. + +[157] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXV. + +[158] Zie overigens GRIMM, _R. F._, pag. CLX. + +[159] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXVI-XXXVII. + +[160] _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 193 vlg. + +[161] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 142. + +[162] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 193, noot 2. + +[163] _Corpus Chronicorum Flandriae_, tom. I, pag. 709. + +[164] L. l., pag. 709. + +[165] Zie het verlof daartoe in mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I +Dl., bl. 194, noot 1. + +[166] Werkelijk ontbrak het toen in Vlaanderen niet aan valsche munters. +MEYERUS verhaalt, hoe Boudewijn Hapkin in 1111 allerlei misdadigers +strafte, onder anderen ook „adolescens quidam nobilis,” die beesten +gestolen had; „hunc arreptum una cum _duobus falsis monetariis_ in +ferventem tinctoris lebetem dedit praecipitem.” + +[167] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXXV-XXXVI. Verg. mijne _Geschied. der +Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 192-193. + +[168] _Geschied. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 141. + +[169] WARNKÖNIG, _Histoire de la Flandre_, tom. I, pag. 203-204. + +[170] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXIX; verg. mijne _Geschied. der Mnl. +Dichtk._, I Dl., bl. 194. + +[171] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 143. + +[172] _Trouvères Artésiens_, pag. 150 en 154. + +[173] Een enkel, maar doorslaand bewijs. In hetzelfde werk, pag. +293-299, schrijft hij, op voorgang van BARBAZAN en LE GRAND D'AUSSY, +acht gedichten toe aan zekeren JEHAN DE BOVES, die, volgens den tekst +van een dier gedichten zelf, er blijkbaar de schrijver _niet_ van was. + +In het fablel _des deux Chevaux_, bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 197, +lezen wij: + + Cil qui trova de Morteruel, + Et del mort vilain de Bailleul, + +en dan volgt de verdere opsomming der stukken aan JEHAN DE BOVES +toegekend, waarop het dan verder heet: + + (Cil) + D'un autre fablel s'entremet, + Qu'il ne cuida jà entreprendre; + Ne por mestre Jehan reprendre + De Boves, qui dist bien et bel, + N'entreprent-il pas cest fablel, + Quar assez sont si dit resnable; + Mès qui de fablel fet grant fable + N'a pas de trover sens legier. + +Dit kan nu wel niets anders beteekenen dan dit: „Hij, die de acht +opgenoemde stukken geschreven heeft, waagt zich aan een ander gedicht, +dat bij nooit gedacht had te zullen maken. Hij doet dit niet om het +meester JEHAN DE BOVES te verbeteren (die dus blijkbaar hetzelfde +onderwerp reeds behandeld had), want zijne sproken (_dit_) zijn vol pit; +maar die zich op dichten toelegt kan niet altijd eene nieuwe stof vinden +(_trover_).” + +DINAUX haalt alleen de vier eerste verzen aan (pag. 295), en wel om te +bewijzen, dat de dichter „lui-même se rend assez ingénûment justice”! +Buitendien vergeet hij zelfs van het vijfde der in die inleiding +vermelde gedichten te gewagen. + +Wie nu de schrijver dier stukken is, weten wij niet, daar zijn naam met +voordacht uit den codex door MÉON gevolgd schijnt te zijn weggelaten, +zoo als blijkt uit den aanhef van het stuk _Dou lou et de l'oue_, l. l., +pag. 55, en evenzeer uit dien van _Brunain la vache au prestre_, l. l., +pag. 25. + +DINAUX' geheele redeneering op bl. 150 is ook eenvoudig maar uit LE +GRAND D'AUSSY overgenomen, _Fabliaux ou Contes_, 3 éd., tom. IV, pag. +256, en wel met overhaasting. LE GRAND zegt van de vrouw des priesters: +»Dans le fabliau _du curé qui mangea des mûres_, il a été fait mention +aussi de ces femmes de prêtres. Celle dont il s'agit ici (in den +_Constant du Hamel_), quelques vers plus bas, est nommée _la +prêtresse_.” DINAUX zegt: „Ce n'est point seulement dans ce fabliau +qu'il est question des femmes des prêtres de cette époque; dans celui +intitulé, _le curé qui mangea des mûres_, cette même singularité se +représente, _et comme ici_, la femme du prêtre est appelée prêtresse.” +Intusschen komt in 't stuk _du Curé_ etc., in de _Choix et extraits_ +achter LE GRANDS eerste deel, pag. 26, de uitdrukking niet voor. Dit is +eene kleinigheid, maar men leert er de slordigheid van dat werk uit +kennen. + +[174] Bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 296-326. + +[175] Zie boven, bl. LXVI. + +[176] Boven, bl. XLIV. + +[177] Daar heet de priester dien naam te dragen, maar de plaats schijnt +niet geheel zuiver, en waarschijnlijk is er de vilain meê bedoeld. +Dezelfde dichter kende ook den naam _Gombert_, die in de 19e en 20e +branche van _Renart_ voorkomt, zie boven, pag. LXXXVI. + +[178] _R. F._, pag. CXLV. + +[179] _Les Trouvères Artésiens_, pag. 149. + +[180] Het is duidelijk ons _ham_, bij KILIAEN: domus, habitatio, maar +dat ook, even als het fransche _hameau_, de beteekenis van dorp of +gehucht gekregen heeft; verg. NOORDEWIER, _Regtsoudheden_, bl. 210. + +[181] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, III Dl., bl. 9-10. + +[182] _R. F._, pag. CCLVIII. + +[183] Verg. WARNKÖNIG, _Hist. de la Flandre_, tom. I, pag. 240. + +[184] _R. F._, pag. CLVI. + +[185] _Reinaert_, 2e druk, Nabericht, bl. 356. + +[186] _Vroet_, vs. 1899, verklaart hij door _verwoed_, _dol_; maar hoe +zulk eene verklaring hier in den samenhang past, is mij volstrekt +onbegrijpelijk. + +[187] GRIMM meende, _R. F._, pag. CLVII, ten onrechte, dat STOKE, II +Dl., pag. 229, 238, 249, dezelfde plaats _Barsele_ noemde: de +hollandsche schrijver heeft blijkbaar _Borselen_ op 't oog. + + + + +VANDEN VOS REINAERDE. + + +VANDEN VOS REINAERDE. + + + WILLEM, die den Madoc maecte, + Daer hi dicke omme waecte, + Hem vernoyede so haerde, + Dat davonturen van Reinaerde + In Dietsce onghemaket bleven, 5 + (Die hi hier hevet vulscreven) + Dat hi die vite dede soeken, + Ende hise naden walscen boeken + In Dietsce dus hevet begonnen. + God moete ons siere hulpe onnen! 10 + Nu keret hem daer toe mijn sin, + Dat ic bidde in dit beghin, + Beide den dorpren enten doren, + Oft si comen daer si horen + Dese rime ende dese wort, 15 + Die hem onnutte sijn ghehort, + Dat sise laten ombescaven. + Te vele slachten si den raven, + Die emmer es al even malsc: + Si maken sulke rime valsc, 20 + Daer si niet meer af en weten + Dan ic doe, hoe dat si heten, + Die nu in Babilonien leven. + Daetsi wel, si souts begheven. + Dan segghic niet dor minen wille; 25 + Mijns dichtens ware een ghestille, + Ne hads mi ene niet ghebeden, + Die in groter hoveschede + Gherne keret hare saken: + Soe bat mi, dat ic soude maken 30 + Dese avonture van Reinaerde. + Al begripic die grongaerde + Ende die dorpren entie doren, + Ic wille dat die ghene horen, + Die gherne pleghen der ere, 35 + Ende haren sin daer toe keren, + Dat si leven hoofschelike, + Sijn si arem, sijn si rike, + Diet verstaen met goeden sinne. + Nu hort, hoe ic hier beghinne. 40 + Het was in enen Sinxendaghe + Dat beide bosch ende haghe + Met groenen loveren waren bevaen: + Nobel, die coninc, hadde ghedaen + Sijn hof craieren over al, 45 + Dat hi waende, hadde hijs gheval, + Houden te wel groten love. + Doe quamen tes coninx hove + Alle die diere, groot ende clene, + Sonder vos Reinaert allene. 50 + Hi hadde te hove so vele mesdaen, + Dat hire niet ne dorste gaen: + Die hem besculdich kent ontsiet. + Also was Reinaerde ghesciet; + Ende hier omme scuwedi sconinx hof, 55 + Daer hi in hadde cranken lof. + Doe al dat hof versamet was, + Was daer niemen, sonder die das, + Hine hadde te claghene over Reinaerde, + Den fellen metten roden baerde. 60 + Nu gaet hier up ene claghe. + Isengrijn ende sine maghe + Ghinghen vor den coninc staen. + Isengrijn begonste saen + Ende sprac: »Coninc here, 65 + Dor edelheit ende dor ere, + Dor recht, ende dor ghenade, + Ontfermt u miere scade, + Die mi Reinaert heeft ghedaen, + Daer ic af dicke hebbe ontfaen 70 + Groten lachter ende verlies. + Vor al dandre ontferme u dies, + Dat hi mijn wijf hevet verhoert, + Ende mine kindre so mesvoert, + Dat hise besekede, daer si laghen, 75 + Datter twee noint meer ne saghen, + Ende si worden staerblint: + Nochtan honedi mi sint. + Het was sint so verre comen, + Datter een dach af was ghenomen, 80 + Ende Reinaert soude hebben ghedaen + Sine onsculde: ende also saen + Alse die heleghe waren brocht, + Was hi andersins bedocht, + Ende ontvoer in sine veste. 85 + Here, dit kennen noch die beste + Die te hove sijn comen hier: + Mi hevet Reinaert, dat felle dier, + So vele te lede gedaen, + Ic weet wel, al sonder waen, 90 + Ware al tlaken perkement, + Dat men maket nu te Ghent, + Inne ghescreeft niet daer an. + Dies swijghic nochtan; + Neware mijns wives lachter 95 + Ne mach niet bliven achter + Onghebetert, no onghewroken.” + Doe Isengrijn dit hadde ghesproken, + Stont op een hondekijn, hiet Cortois, + Ende claghede den coninc in Fransois, 100 + Hoet so aerm was, wilen ere, + Dat alles goets en hadde mere, + In enen wintre, in enen vorst, + Dan allene ene worst, + Ende hem Reinaert, die felle man, 105 + Die selve worst stal ende nam. + Tibert, die cater, hi wart gram: + Aldus hi sine tale began, + Ende spranc midden in den rinc, + Ende seide: »Here coninc, 110 + Dor dat ghi Reinaerde sijt onhout, + So en es hier jonc no out, + Hine hebbe te wroeghene jeghen u. + Dat Cortois claghet nu, + Dats over menich jaer ghesciet: 115 + Die worst was mine, al en claghic niet. + Ic hadse bi miere list ghewonnen, + Daer ic bi nachte quam gheronnen + Omme bejach in ene molen, + Daer ic die worst in hadde ghestolen 120 + Enen slapenden molenman. + Hadder Cortois iewet an, + Dat was bi niemene dan bi mi. + Hets recht dat omberet si + Die claghe, die Cortois doet.” 125 + Pancer sprac: »Dinct u goet, + Tibert, dat men die claghe ombere? + Reinaert es een recht mordenere, + Ende een trekere, ende een dief: + Hine heeft ooc niemene so lief, 130 + No den coninc, minen here, + Hine wilde dat hi lijf ende ere + Verlore, mocht hire ane winnen + Een vet morseel van ere hinnen. + Wat sechdi van omberen claghe? 135 + En dedi ghistren in den daghe + Ene die meeste overdaet + An Cuwaerde, die hier staet, + Die noit enich dier ghedede? + Want hine, binnen sconinx vrede 140 + Ende binnen sconinx ghelede, + Ghelovede te leerne sinen crede, + Ende soudene maken capelaen. + Doe dedine sitten gaen + Vaste tusschen sine been: 145 + Doe begonstsi over een + Spellen ende lesen bede, + Ende lude singhen crede. + Mi gheviel, dat ic tien tiden + Ter selver stede soude liden. 150 + Doe hoordic haerre beider sanc, + Ende maecte daerwaert minen ganc + Met ere harde snelre vaert: + Doe vandic daer meester Reinaert, + Die siere lesse hadde begheven, 155 + Die hi te voren up hadde gheheven, + Ende diende van sinen ouden spele, + Ende hadde Cuwaerde bi der kelen, + Ende soude hem thooft hebben ghenomen, + Waer ic hem niet te hulpe comen 160 + Bi aventure in dien stonden. + Siet hier noch die verssce wonden + Ende die tekine, her coninc, + Die Cuwaert van hem ontfinc. + Laetti dit bliven onghewroken, 165 + Dat u verde es dus tebroken, + Ghine wreket, alse u manne wisen, + Men salt uwen kindren noch mesprisen + Hier naer, over wel menich jaer.” + --»Bi Gode, Pancer, ghi secht waer! 170 + Sprac Isengrijn, daer hi stoet: + Waer Reinaert doot, het waer ons goet, + Also behoude mi God mijn leven! + Neware, wert hem dit vergheven, + Hi sal noch honen binder maent 175 + Sulken, dies niet ne bewaent.” + Doe spranc up Grimbert, die das, + Die Reinaerts broeder sone was, + Met ere verbolghenlike tale: + »Here Isengrijn, men weet dat wale, 180 + Ende hets een out bispel: + Viants mont seit selden wel. + Verstaet, nemt miere tale goom: + Ic wilde, hi hinghe an enen boom + Bi siere kelen, alse een dief, 185 + Die andren heeft ghedaen meest grief. + Here Isengrijn, wildi anegaen + Soendinc, ende dat ontfaen, + Daer toe willic helpen gherne: + Mijn oom en salt ooc niet wernen; 190 + Entie meest andren heeft mesdaen + Sal den andren in bate staen, + Van minen oom ende van u. + Al ne comt hi niet claghen nu, + Ware mijn oom wel te hove, 195 + Ende stonde in sconincx love, + Here Isengrijn, als ghi doet, + En soude niemen dinken goet, + Ende ghine bleves onbegrepen, + Dat ghi sijn vel so hebt ghenepen 200 + Dicwile met uwen scerpen tanden, + Dat hi niet ne conde gheanden.” + Isengrijn sprac: »Hebdi gheleert + An uwen oom dus lieghen apeert?” + --»In hebbe daer an niet gheloghen. 205 + Ghi hebt minen oom bedroghen + Harde dicke in menegher wise: + Ghi misleettene vanden pladisen, + Die hi u warp vander kerren, + Doe ghi hem volghedet van verre, 210 + Ende ghi die pladise uplaset; + Doe ghi u daer ane hadt versadet, + Ghine gaeft hem no goet no quaet, + Sonder allene een pladisengraet, + Die ghi hem te jeghen brochtet, 215 + Dor dat ghine niet ne mochtet. + Sint hoondine van enen bake, + Die vet was, ende van goeder smake, + Dien ghi leit in uwen museel. + Doe Reinaert eschede sijn deel, 220 + Antwordi hem in scerne: + »U deel willic u gheven gherne, + Reinaert, scone jonghelinc: + Die wisse, daer die bake an hinc, + Becnause, soe es so vet.” 225 + Reinaerde was lettel te bet, + Dat hi den goeden bake ghewan, + In sulker sorghe dattene een man + Vinc, ende warp in sinen sac: + Dese pine ende dit onghemac 230 + Hevet hi leden dor Isengrine, + Ende hondert werven mere pine. + Ghi heren, dinct u dit ghevoech + Nochtan, oft meer onghevoech, + Dat hi claghet om sijn wijf, 235 + Die Reinaert hevet al haer lijf + Ghemint? so doet hi hare; + Al ne maecten sijt niet mare, + Ic dart wel segghen over waer, + Dat langher es dan VII jaer, 240 + Dat Reinaert hevet hare trouwe. + Om dat Hersint, die scone vrouwe, + Dor minne ende dor quade sede + Reinaerde sinen wille dede, + Wattan? soe was sciere ghenesen: 245 + Wat talen mach daer omme wesen! + Nu maket hier Cuwaert, die hase, + Ene claghe van ere blase; + Oft hi den Crede niet wel en las, + Reinaert, die sijn meester was, 250 + Mochte in sinen clerc niet blouwen? + Dat ware onrecht, entrouwen! + Cortois claghet om ene worst, + Die hi verloos in enen vorst: + Die claghe ware bet verholen. 255 + En hoordi dat soe was ghestolen? + Male quesite male perdite: + Om recht wert men qualic quite + Dat men hevet qualic ghewonnen. + Wie sal Reinaerde dat veronnen, 260 + Dat hi ghestolen goet ghinc an? + Niemen die recht versceden can. + Reinaert es een gherecht man: + Sint dat die coninc sinen ban + Hevet gheboden, ende sinen vrede, 265 + So wetic wel, dat hine dede + Dinc neghene, dan oft hi ware + Hermite ofte clusenare. + Naest siere huut draecht hi die hare. + Binnen desen naesten jare 270 + Sone at hi vleesc, no wilt no tam; + Dat seide die ghistren dane quam. + Malcrois hevet hi begheven + Sijn casteel, ende hevet up heven + Ene cluse, daer hi leghet in. 275 + Ander bejach, no ander ghewin + So wanic wel dat hine hevet, + Dan caritate, die men hem ghevet. + Hijs bleec ende magher vander pine; + Hongher, dorst, scerpe carine 280 + Doghet hi vor sinen sonden + Recht te desen selven stonden.” + Doe Grimbert stont in deser tale, + Saghen si van berghe te dale + Canticleer comen ghevaren, 285 + Ende brochte up ere bare + Ene dode hinne, hiet Coppe, + Dier Reinaert hadde bi den croppe + Hooft ende hals af ghebeten. + Dit moeste nu die coninc weten. 290 + Cantecleer quam vore gaende, + Sine vederen sere slaende. + In wedersiden vander bare + Ghinc ene hane wide mare: + Die een hiet Cantaert, 295 + Daer wilen na gheheten waert + Vrouwe Alenten goede hane; + Die ander hiet, na minen wane, + Die goede hane Craiant, + Die scoonste diemen vant 300 + Tusschen Portaengen ende Polanen. + Elkerlijc van desen hanen + Droech een bernende stallecht, + Dat lanc was ende recht. + Daer waren Coppen broeders twee, 305 + Die riepen owi ende wee. + Om haerre suster Coppen doot + Dreven si claghe ende jamer groot. + Pinte ende Sproete droeghen die bare: + Hem was te moede harde sware 310 + Vander suster, die si hadden verloren. + Men mocht harde verre horen + Haerre tweer caerminghe. + Dus sijn si comen int ghedinghe. + Cantecleer spranc in den rinc, 315 + Ende seide: »Here coninc, + Dor God ende dor ghenade, + Nu ontfarmet miere scade, + Die mi Reinaert heeft ghedaen, + Ende minen kindren, die hier staen 320 + Sere tharen onwille. + Ten ingane van Aprille, + Doe die winter was vergaen, + Ende men sach die bloemen staen + Over al die velde groene, 325 + Doe was ic fier ende coene + Van minen groten gheslachte: + Ic hadde jongher sonen achte, + Ende jongher dochtren sevene, + Dien wel luste te levene, 330 + Die mi Rode die vroede + Hadde brocht tenen broede. + Si waren alle vet ende starc, + Ende ghinghen in een sconen parc, + Dat was beloken in ere mure; 335 + Hier binnen stoet ene scure, + Daer vele honden toe horden. + Dat si menich dier fel scorden, + Dies waren mine kindre onvervaert. + Dit benijdde dus Reinaert, 340 + Dat sire waren so vaste binnen, + Dat hire negheen ne conste ghewinnen. + Want Reinaert, die felle ghebure, + Hoe dicke ghinc hi om die mure + Ende leide ons sine laghen! 345 + Alsene dan die honde saghen, + Liepen si na met haerre cracht. + Ene warf wart hi uptie gracht + Bi avonture daer belopen, + Dat ic hem sach een deel becopen 350 + Sine diefte ende sinen roof, + Dat hem die pelse sere stoof. + Nochtan quam hi bi barate + Dane; dattene God verwate! + Doe waerwi sijns langhe quijt. 355 + Sint quam hi als een hermijt, + Die moordadeghe dief, + Ende brochte mi seghele ende brief + Te lesene, here coninc, + Daer u seghele ane hinc. 360 + Doe ic die letteren lesen began. + Dochte mi ghescreven daer an, + Dat ghi haddet coninclike + Over al uwen rike + Allen dieren gheboden vrede, 365 + Ende ooc allen voghelen mede. + Ooc brochte hi ander niemare, + Ende seide, dat hi ware + Een begheven clusenare, + Ende hadde ghedoghet, twaren, 370 + Vor sinen sonden meneghe pine; + Hi toochde mi palster ende slavine, + Die hi brochte vander Elmare, + Daer onder ene scerpe hare. + Doe sprac hi: »Here Cantecleer, 375 + Nu moghedi wel vorwaertmeer + Van mi sonder hoede leven: + Ic hebbe bi der scole vergheven + Al vleesc ende vleeschsmout. + Ic bem vortmeer so out, 380 + Ic moet miere siele telen. + Gode willic u bevelen! + Ic ga daer ic hebbe te doene: + Ic hebbe middach ende noene + Ende prime te segghene vanden daghe.” 385 + Doe nam hi neven ere haghe + Sinen wech, ende tien ghescede + Ghinc hi lesen sinen crede. + Ic wart blide ende onvervaert, + Ende ghinc te minen kindrenwaert, 390 + Ende was so wel al sonder hoede, + Dat ic ghinc met minen broede + Sonder sorghe al buten mure: + Daer gheviel mi quade avonture; + Want Reinaert, die felle saghe, 395 + Was ghecropen dor die haghe, + Ende hadde die porte ondergaen: + Doe waert miere kindre saen + Een ghepronden uten ghetale, + Dat leide Reinaert in sine male. 400 + Mesval mi doe nakede: + Want sint dat hise smakede + In sinen ghiereghen mont, + Ne conste ons wachtre nochte hont + No bewachten, no bescaermen. 405 + Here, des laet u ontfaermen! + Reinaert leide sine laghe + Beide bi nachte ende bi daghe, + Ende roofde emmer mine kindre; + So vele es tghetal nu mindre, 410 + Dant ghewone was te sine, + Dat die XV kindre mine + Sijn ghedeghen al tote viere, + So suver heeftse die onghiere + Reinaert in sinen mont verslonden: 415 + Noch ghistren wart hem metten honden + Ontjaghet Coppe, die hinne mare, + Die hier leghet up deser bare. + Dit claghic u met groten sere: + Ontfaermt u mijns, wel soete here!” 420 + Die coninc sprac: »Grimbaert + U oom, die clusenare waert, + Hi hevet ghedaen so goede carine! + Levic een jaer, het sal hem scinen. + Nu hort hier, Cantecleer, 425 + Wat sal der talen meer? + U dochter leghet alhier verslegen: + (God moet haerre siele pleghen!) + Wine moghense niet langher houden, + (God moeter af ghewouden!) 430 + Ende sullen onse vigilien singhen; + Daerna sullen wise bringhen, + Den lichame, ter eerden met ere. + Dan sullen wi met desen heren + Ons beraden ende bespreken, 435 + Hoe wi ons best ghewreken + An Reinaerde van deser mort.” + Doe hi ghesprac dese wort, + Beval hi jonghen ende ouden, + Dat si vigilien singhen souden. 440 + Dat hi gheboot was sciere ghedaen. + Doe mochtemen horen ane slaen + Ende beghinnen, harde ho, + Dat placebo Domino, + Ende die verse die daer toe horden. 445 + Ic seide ooc, in waren worden, + Neware het ware ons te lanc, + Wie daer der siele vers sanc, + Ende wie die sielelesse las. + Doe die vigilie ghehent was, 450 + Doe leidemen Coppen in dat graf, + Dat bi engiene ghemaket was, + (Onder die linde in een gras,) + Van marberstene, die slecht was: + Die letteren, die men daer ane sach, 455 + Ane den sarc, die daer up lach, + Deden ane tgraf bekinnen, + Wie daer lach begraven binnen. + Dus spraken die boecstave + Anden sarc upten grave: 460 + »Hier leghet Coppe begraven, + Die so wale conste scraven, + Die die vos Reinaert verbeet, + Ende haren gheslachte was te wreet.” + Nu leghet Coppe onder moude. 465 + Die coninc sprac te sinen ouden, + Dat si hem alle bespraken, + Hoe si alrebest ghewraken + Dese grote overdade. + Doe wartsi alle te rade 470 + Dat si den coninc rieden, + Dat hine soude ombieden, + Dat hi te hove soude comen; + No dor scade, no dor vrome + Ne liete, hine quame int ghedinghe, 475 + Ende men Brunen van dien dinghe + Die bodscap soude laden. + Dies was hi sciere beraden, + Dat hi dus sprac te Bruun den bere: + »Here Bruun, dit segghic vor dit here, 480 + Dat ghi dese bodscap doet: + Ooc biddic u, dat ghi sijt vroet, + Dat ghi u wacht van baraet; + Reinaert es fel ende quaet: + Hi sal u smeken ende lieghen, 485 + Mach hi, hi sal u bedrieghen + Met valscen worden ende met sconen; + Mach hi, bi Gode, hi sal u honen.” + --»Here, seit hi, laet u castien! + So moete mi God vermalendien, 490 + Oft mi Reinaert so sal honen, + Inne salt hem wederlonen, + Dat hijs an den dulsten si; + Nu ne sorghet niet om mi!” + Nu nemt hi orlof, ende sal naken 495 + Daer hi sere sal mesraken. + Nu es Brune uptie vaert, + Ende hevet in siere herten onwaert, + Ende het dochte hem overdaet, + Dat iemen soude sijn so quaet, 500 + Ende hem Reinaert honen soude. + Dor den keer van enen woude + Quam hi ghelopen in ene woestine, + Daer Reinaert hadde die pade sine + Ghesleghen crom ende menichfoude, 505 + Also als hi uten woude + Hadde ghelopen om sijn bejach. + Beneden der woestinen lach + Een berch, hooch ende lanc, + Daer moeste Brune sinen ganc 510 + Te middewaerde over maken, + Sal hi te Maupertuus gheraken. + Reinaert hadde so menich huus; + Maer die casteel van Maupertuus + Was die beste van sinen borghen: 515 + Daer trac hi in, als hi in sorghe + Ende in node was bevaen. + Nu es Brune die bere ghegaen + Dat hi te Maupertuus es comen. + Doe hi die porte hevet vernomen, 520 + Daer Reinaert ute plach te gane, + Doe ghinc hi vor die barbecane + Sitten over sinen staert, + Ende sprac: »Sidi in huus, Reinaert? + Ic bem Brune, des coninx bode, 525 + Die hevet ghesworen bi sinen goden, + Ne comdi niet ten ghedinghe, + Ende ic u niet vor mi bringhe, + Recht te nemene ende te ghevene, + Ende in vrede vort te levene, 530 + Hi doet u breken ende raden. + Reinaert, doet dat ic u rade, + Ende gaet met mi te hovewaert.” + Dit verhorde al nu Reinaert, + Die vor sine porte lach, 535 + Daer hi vele te ligghene plach + Dor warmhede vander sonnen. + Bi der tale, die Brune heeft begonnen, + Bekenden altehant Reinaert, + Ende tart bet te dalewaert, 540 + In sine donkerste haghedochte: + Menichfout was sijn ghedochte, + Hoe hi vonde sulken raet, + Daer hi Brune, den fellen vraet, + Te scerne mede mochte driven, 545 + Ende selve bi siere ere bliven. + Doe sprac Reinaert over lanc: + »Uus goets raets hebbet danc, + Here Bruun, wel soete vrient; + Hi hevet u qualike ghedient, 550 + Die u beriet desen ganc, + Ende u desen berch lanc + Over te lopene dede bestaen; + Ic soude te hove sijn ghegaen, + Al haddet ghi mi niet gheraden; 555 + Maer mi es die buuc so gheladen + In so utermaten wise, + Met ere vremder niewer spise, + Ic vruchte, in sal niet moghen gaen: + Inne mach sitten no ghestaen, 560 + Ic bem so utermaten sat.” + --»Reinaert, wat aetstu? wat?” + --»Here Brune, ic at cranke have, + Arem man dannes gheen grave: + Dat moghedi bi mi wel weten. 565 + Wi arme liede, wi moeten eten, + Hadden wijs raet, dat wi node aten: + Goeder versscer honichraten + Hebbic coever harde groot: + Die moetic eten, dor den noot, 570 + Als ic el niet mach ghewinnen. + Nochtan als icse hebbe binnen + Hebbicker af pine ende onghemac.” + Dit horde Brune, ende sprac: + »Helpe, lieve vos Reinaert, 575 + Hebdi honich dus onwaert? + Honich es ene soete spise, + Die ic vore allen gherechten prise, + Ende vore allen gherechten minne. + Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne! 580 + Edele Reinaert, soete neve, + Also langhe als ic sal leven + Willic u daer omme minnen: + Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne!” + --»Ghewinnen, Bruun? ghi hout u spot!” 585 + --»In doe, Reinaert; so waric sot, + Hildic spot; neen ic niet.” + Reinaert sprac: »Bruun, mochtijs iet? + Oft ghi honich moghet eten, + Bi uwer trouwe, laet mi weten; 590 + Mochtijs iet, ic souts u saden. + Ic sals u also vele beraden, + Ghine atet niet met u tiene, + Waendic u hulde daer met verdienen.” + --»Met mi tiene? hoe mach dat wesen? 595 + Reinaert, hout uwen mont van desen; + Ende sijts seker ende ghewes, + Haddic al thonich, dat nu es + Tusscen hier ende Portegale, + Ic aet al up, tenen male.” 600 + Reinaert sprac: »Wat sechdi? + Een dorper, heet Lamfroit, woont hier bi, + Hevet honich so vele, te waren, + Ghine atet niet in VII jaren. + Dat soudic gheven in u ghewout, 605 + Here Bruun, wildi mi wesen hout, + Ende vor mi dinghen te hove.” + Doe quam Brune, ende ghinc gheloven + Ende sekerde Reinaerde dat, + Wildine honichs maken sat, 610 + (Des hi cume ombiten sal) + Hi wilde wesen over al + Ghestade vrient ende goet gheselle. + Hier omme loech Reinaert, die felle, + Ende sprac: »Bruun, helet mare, 615 + Vergave God, dat mi nu ware + Also bereit een goet gheval, + Alse u dit honich wesen sal, + Al wildijs hebben VII amen!” + Dese wort sijn hem bequame, 620 + Bruun, ende daden hem so sochte! + Hi loech, dat hi nemmee ne mochte. + Doe peinsde Reinaert, daer hi stoet: + Bruun, es mi davonture goet, + Ic wane u daer noch heden laten, 625 + Daer ghi lachen sult te maten.” + Na dit peinsen ghinc hi uut, + Ende sprac al overluut: + »Oom Bruun, gheselle, willecome! + Het staet so, suldi hebben vrome, 630 + Hier ne mach sijn gheen langher staen. + Volghet mi, ic sal vore gaen: + Wi houden desen crommen pat. + Ghi sult noch heden werden sat: + Salt na minen wille gaen, 635 + Ghi sult noch hebben, sonder waen, + Also vele alse ghi moghet ghedraghen.” + Reinaert meende van groten slaghen: + Dit was dat hi hem beriet. + Die keitijf ne wiste niet 640 + Waer hem Reinaerts tale keerde, + Die hem honich stelen leerde, + Dat hi wel sere sal becopen. + Al sprekende quam dus ghelopen + Reinaert met sinen gheselle Brunen, 645 + Tote Lamfroits, bi den tune. + Wildi horen van Lamfreide? + Dat was, eist waer so men mi seide, + Een temmerman van goeden love, + Ende hadde bi sinen hove 650 + Ene eke brocht uten woude, + Die hi ontwee clieven soude, + Ende hadde twee wegghen daer in ghesleghen + Also temmermans noch pleghen. + Die eke was ontaen wel wide, 655 + Dies was Reinaert harde blide. + Te Brunen sprac hi, ende loech: + »Siet hier u grote ghevoech, + Brune, ende nemt wel goom! + Hier in desen selven boom 660 + Es honichs utermaten vele; + Proeft, oft ghijs in uwe kele + Ende in uwen buuc moghet bringhen. + Nochtan suldi u selven dwinghen, + Al dinket u goet die honichrate; 665 + Etet te seden, ende te maten, + Dat ghi u selven niene verdervet: + Ic ware onteert ende ontervet, + Wel soete oom, mesquame u iet.” + Bruun sprac: »Reinaert, ne sorghet niet. 670 + Waendi dat ic bem onvroet? + Mate es tallen spelen goet.” + --»Ghi secht waer, sprac Reinaert, + Waer omme bem ic ooc vervaert? + Gaet toe, ende cruupter in!” 675 + Bruun peinsde om sijn ghewin, + Ende liet hem so verdoren, + Dat hire thooft over die oren + Ende die vordere voete in stac. + Reinaert poghede, dat hi brac 680 + Die wegghen beide uter eken. + Dien hi te voren ghinc so smeken, + Hi bleef ghevanghen in den boom. + Nu hevet die neve sinen oom + Met looshede brocht in sulker achte, 685 + Dat hi met liste, no met crachte, + In ghere wijs ne can ontgaen, + Ende bi den hoofde staet ghevaen. + Wat raeddi Brunen te doene? + Dat hi was sterc ende coene 690 + Sal hem niet ghehelpen moghen. + Hi sach wel, hi was bedroghen: + Hi began briesscen ende dulen; + Hi was begrepen bi siere mulen + So vaste, ende bi den voeten vore, 695 + Al dat hi pijnde was verloren; + Hine waende nemmermeer ontgaen. + Van verre was Reinaert ghestaen + Ende sach Lamfroit comen onsochte, + Die up sinen hals brochte 700 + Een scarpe aex, ene baerde. + Hier moghedi horen van Reinaerde, + Hoe hi sijn oom ghinc rampineren: + »Oom Brune, vaste gaet mineren! + Hier comt Lamfroit, ende sal u scinken; 705 + Haddi gheten, so soudi drinken.” + Na der tale so ghinc Reinaert + Weder te sinen castelewaert, + Sonder orlof; ende mettien + Hevet Lamfroit den bere versien, 710 + Ende vernam, dat hi was ghevaen. + Doe ne was daer gheen langer staen, + Hine liep wech metter haest + Daer hi die hulpe wiste naest, + Daer dat naeste dorp stont, 715 + Ende dede hem allen cont, + Dat daer stont ghevaen een bere. + Doe volchde hem een mekel here. + Int dorp ne bleef man no wijf: + Den bere te nemene sijn lijf 720 + Liept al dat lopen mochte. + Sulc was, die enen bessem brochte, + Sulc enen vleghel, sulc een rake; + Sulc quam ghelopen met enen stake, + So si quamen van haren werke. 725 + Selve die pape vander kerken + Brochte enen cruusstaf, + Die hem die coster node gaf. + Die coster droech ene vane, + Mede te stekene ende te slane. 730 + Des papen wijf, vrouwe Julocke, + Quam ghelopen met haren rocke, + Daer soe omme hadde ghesponnen. + Vore hem allen quam gheronnen + Lamfroit met ere scarper aex. 735 + Al hadde Brune lettel ghemaex, + Hi ontsach meer ongheval, + Ende sette al jeghen al + Doe hi dat geruchte horde. + Hi spranc up, so dat hem scorde 740 + Van sinen ansichte al die huut. + Al brochte Brune dat hooft uut + Met arbeide ende met pine, + Nochtan liet hire vanden sinen + Een ore, ende beide sine lier. 745 + Nie maecte God so lelic dier! + Hoe mochte hi seerre sijn mesrocht? + Al haddi thooft ute brocht, + Eer hi die voete conste ghewinnen, + Blever al die claeuwen binnen, 750 + Ende sine hanscoen bede: + Dus gherochte hi uut met lede. + Hoe mochte hi sijn onteert meer? + Die voete waren hem so seer, + Dat hi tlopen niene conste ghedoghen. 755 + Dat bloet liep hem over die oghen, + Dat hi niet wel ne conste ghesien: + Hine dorste bliven nochte vlien. + Hi sach, suut onder die sonne, + Lamfroit comen gheronnen; 760 + Daer na die priester, die here, + Hi quam ghelopen vele sere; + Daer na die coster metter vane, + Daer na alle die prochiane, + Die oude liede metten jonghen. 765 + Daer quam up haren stap ghespronghen + Sulke quene, die van oude + Cume een tant hadde behouden. + Wie so wille wachte hem dies; + Die scade hevet oft verlies 770 + Ende groot ongheval, + Over hem so willet al. + Dit sceen aerm man Brunen wel: + Sulc dreichden nu an sijn vel, + Die des ghesweghen hadde stille, 775 + Hadde Brune ghestaen tsinen wille. + Dit was beneden ere rivieren, + Dat Brune, onsalichst alre diere, + Van meneghen dorper was beringhet. + Doe was daer lettel ghedinghet. 780 + Hem naecte groot onghemac: + Die een sloech, die ander stac, + Die een sloech, die ander warp: + Lamfroit was hem alte scarp. + Een, hiet Lottram lancvoet, 785 + Hi droech enen verboorden cloet, + Ende stacken emmer na dat oghe; + Vrouwe Vulmaerte scerpe loghe + Ghinken koken met enen stave; + Abel Quac ende vrouwe Bave 790 + Laghen beide onder voete, + Ende streden beide om enen cloete. + Ludmoer metter langer nese + Droech een loodwapper an een pese, + Ende ghincker met al omme swinghen. 795 + Ludolf metten crommen vingheren + Dede hem allen te voren; + Want hi was best gheboren, + Sonder Lamfroit allene; + Hughe metten crommen benen 800 + Was sijn vader, wet men wale, + Ende was gheboren van Absdale, + Ende was sone vrouwe Oghernen, + Ere houtmakerigge van lanternen. + Ander wijf ende ander man, 805 + Meer dan ic ghenoemen can, + Daden Bruun groot onghemac, + So dat hem dbloet uut lac. + Brune ontfinc al sulc paiment + Als hem elc gaf daer omtrent. 810 + Die pape liet den cruusstaf + Ghedichte gaen, slach in slach; + Ende die coster metter vane + Ghinc hem vastelike ane. + Lamfroit quam ter selver wile 815 + Met ere scerper bilen, + Ende sloechene tusscen hals ende hooft, + Dat Brune wart sere verdooft, + Dat hi verspranc vanden slaghe + Tusscen der rivieren enter haghe, 820 + In enen trop van ouden wiven, + Ende warper een ghetal van vive + In die riviere, die daer liep, + Die wel wijt was ende diep. + Des papen wijf wasser ene: 825 + Des was spapen bliscap clene. + Doe hij sijn wijf sach in die vliet, + Doene luste hem langher niet + Brune te stekene no te slane. + Hi riep: »Siet, edele prochiane, 830 + Ghinder vlot vrouwe Julocke, + Beide met spillen ende met rocke. + Nu toe! die haer helpen mach, + Ic gheve hem jaer ende dach + Vul pardoen ende aflaet 835 + Van alre sondeliker daet.” + Beide man ende wijf + Lieten den armen keitijf + Brune ligghen over doot, + Ende ghinghen daer die pape gheboot, 840 + Beide met stringhen ende met haken. + Die wile si die vrouwe uuttraken, + So quam Brune in die riviere + Ende ontswam hem allen sciere. + Die dorperen waren alle gram: 845 + Si saghen, dat hem Brune ontswam, + Dat si hem niene mochten volghen; + Upt oever stonden si verbolghen, + Ende ghinghen na hem rampinieren. + Bruun, die lach in der rivieren, 850 + Daer hi vant den meesten stroom, + Al drivende bat, dat God den boom + Moeste verdoemen ende verwaten, + Daer hi sijn ore in hadde ghelaten, + Ende beide sine lier. 855 + Vort vloecte hi dat felle dier, + Den bosen vos Reinaerde, + Diene met sinen brunen baerde + So diepe in die eke dede crupen; + Daer na Lamfroit, vanden stupen, 860 + Dat hi hem so lede dede. + In aldustanen ghebede + Lach Brune also langhe wile, + Dat hi wel ene halve mile + Vander stede was ghedreven, 865 + Daer die dorpers waren bleven. + Hi was verpinet ende moede, + Ende ondercomen vanden bloede, + So dat hi hadde cranke vaert. + Doe swam hi te landewaert, 870 + Ende croop ligghen in dat oever. + Ghine saghet noint droever + Negheen dier, no ghenen man. + Hi lach jammerlike ende stan, + Ende sloech met beiden sinen lanken: 875 + Des mochte hi al Reinaerde danken. + Nu hort wat Reinaert heeft ghedaen: + Hi hadde een vet hoen ghevaen, + Bi Lamfroits, ander heiden, + Eer hi danen was versceiden: 880 + Hi hadt up enen berch ghedreghen, + Verre uut allen weghen, + Daer het eenlic was ghenoech. + Dat was wel sijn ghevoech, + Dor dat daer was niemens ganc, 885 + Ende hi dor niemens bedwanc + Sine proie dorste rumen. + Doe hi dat hoen toten plumen + Hadde gheleit in sine male, + Doe ghinc hi nederwaert te dale 890 + Enen verholenliken pat. + Hi was utermaten sat; + Dat weder was scone ende heet: + Hi hadde ghelopen, dat hem tsweet + Neder seep neven die liere: 895 + Daer omme liep hi ter rivieren, + Dor dat hi hem vercoelen soude. + In bliscap harde menichfoude + Was sine herte doe bevaen: + Hi hopede wel, al sonder waen, 900 + Dat Lamfroit hadde den bere versleghen, + Ende hine thuuswaert hadde ghedreghen. + Doe sprac hi: »Hets mi wel ghevaren: + Die mi te hove meest soude daren, + Dien hebbic doot in desen daghe; 905 + Nochtan wanic sonder claghe + Ende sonder wanconst bliven: + Ic mach te rechte bliscap driven.” + Doe Reinaert was in deser tale, + Sach hi nederwaert te dale, 910 + Ende vernam Brune, daer hi lach; + Ende teerst, als hine sach, + Hadde hijs rouwe ende toren + (Daer die bliscap was te voren + Daer sach men toren ende nijt), 915 + Ende sprac: »Vermalendijt, + Lamfroit, moet dine herte sijn: + Du best dulre dan een swijn, + Lamfroit, erger puten sone, + Lettel ere bistu ghewone. 920 + Hoe es di dese bere ontgaen, + Die di te voren was ghevaen? + Hoe menich morseel leghet daer an, + Dat gherne etet menich man! + Owi, Lamfroit, verscroven druut, 925 + Hoe rikelike een berehuut + Heefstu heden verloren, + Die di ghewonnen was te voren!” + Dit scelden hevet Reinaert ghelaten, + Ende ghinc neder bi der strate, 930 + Dor te siene hoet Brunen stoet. + Doe hine sach ligghen, al een bloet, + Ende siec ende onghesont, + Den armen bere, te dier stont, + (Dat sach Reinaert harde gherne) 935 + Doe bescalt hine te sinen scerne: + »Sire priester, dieu vo saut! + Kendi Reinaert, den ribaut? + Wildine scouwen? Sieten hier, + Den roden scalc, den fellen ghier! 940 + Secht mi, priester, soete vrient, + Bi den here, dien ghi dient, + In wat ordinen wildi u doen, + Dat ghi draghet root capproen? + Sidi abt, so prihore? 945 + Hi ghinc u harde na den oren, + Die u die crune hevet bescoren! + Ghi hebt uwen top verloren; + Ghi hebt u hanscoen af ghedaen: + Ic wane, ghi wilt singhen gaen 950 + Van uwen complete dat ghetide.” + Dit horde Brune, ende wart onblide, + Want hine conste hem niet ghewreken + Hem dochte sine herte breken, + Ende sloech weder in die riviere. 955 + Hine wilde vanden fellen diere + Nemmee horen tale. + Hi liet hem neder te dale + Metten strome driven te hant, + Ende ghinc ligghen up dat sant. 960 + Hoe sal nu Brune te hove comen? + Al mocht hem al die werelt vromen, + Hine ghinghe niet over sinen voeten. + Hi was ghenoopt so onsoete + In die eke, daer hi te voren 965 + Van tween voeten hadde verloren + Alle die claeuwen, ende dat vel, + Hine conste niet ghepeinsen wel, + Hoe hi best ten coninc gaet. + Nu hort hoe hi die vaert bestaet. 970 + Hi sat over sinen hamen, + Ende began, met groter scame, + Rutsen over sinen staert; + Ende als hi dus moede waert, + So wentelde hi dan ene wile. 975 + Dus dreef hi meer dan ene mile, + Eer hi tes coninx hove quam. + Doe men Brune daer vernam + In derre wijs van verre comen, + Wart getwifelt van hem somen 980 + Wat daer quam ghewentelt so. + Dien coninc wart die herte onvro, + Die Brune bekende te hant, + Ende sprac: »Dits mijn seriant + Brune, hem es dat hooft so root, 985 + Hi es ghewont toter doot; + Ai God, wie heeften so mesmaect?” + Bindesen so was Brune ghenaect, + Dat hi den coninc claghen mochte. + Hi stan, ende versuchte onsochte, 990 + Ende sprac: »Coninc, edel here, + Wreket mi dor uus selves ere + Over Reinaert, dat felle dier, + Die mi mine scone lier + Met siere list verliesen dede, 995 + Ende daer toe mine oren mede, + Ende hevet mi ghemaect alse ghi siet!” + Die coninc sprac: »Oft ic dit niet + Ne wreke so moetic sijn verdoemt!” + Ende hier na so hevet hi ghenoemt 1000 + Alle die hogheste bi namen, + Ende omboot, dat si quamen + Alle gader an sinen raet, + Ende rieden hem hoe dese daet + Best werde gherecht, tes coninx ere. 1005 + Doe rieden daer die meeste heren, + Dat menne twee waerf daghen soude, + Reinaert, oft die coninc woude, + Ende horen tale ende wedertale. + Ooc seiden si, si wilden wale 1010 + Dat Tibert soude van desen + Te Reinaerde bode wesen: + Al ware hi cranc, hi ware vroet. + Dese raet dinct den coninc goet. + Doe sprac die coninc: »Here Tibeert, 1015 + Gaet; ende eer ghi weder keert, + Besiet, dat Reinaert met u come! + Dese heren segghen some, + Al es Reinaert andren dieren fel, + Hi ghelovet u so wel, 1020 + Dat hi gherne doet u raet. + En comt hi niet, hets hem quaet: + Men salne hanghen sonder daghen, + Te lachtre allen sinen maghen. + Gaet Tibert, dit secht hem!” 1025 + --»Ai here, sprac Tibert, ic bem + Een arem wicht, een clene dier. + Here Brune, die sterc was ende fier, + Ne conste Reinaert niet ghewinnen: + In welker wijs sal ics beghinnen?” 1030 + Doe sprac die coninc: »Here Tibeert, + Ghi sijt wijs, ende wel gheleert; + Al sidi niet groot, wattan? + Hets menich, die met liste can + Dat werken, ende met goeden rade, 1035 + Dat hi met crachte niet ne dade. + Gaet, doet sciere mijn ghebod.” + Tibert sprac: »Nu helpe God, + Dat het mi moete wel vergaen! + Ic sal ene vaert bestaen, 1040 + Die mi doet swaer in minen moet: + God ghevere mi af al goet!” + Nu moet Tibert doen die vaert, + Die sere es droeve ende vervaert. + Ende als hi upten wech quam, 1045 + Sach hi van verre ende vernam + Sente Martins voghel, ende quam ghevloghen. + Doe wart hi vro, ende in hoghen, + Ende riep: »Al heil! edel voghel! + Kere herwaert dine vloghel, 1050 + Ende vliech te miere rechter hant!” + Die voghel vlooch daer hi vant + Ene haghe, daer hi in wilde liden, + Ende vlooch Tibert ter luchter siden. + Dit tekin ende dit ghemoet 1055 + Dochte Tibert niet wesen goet. + Hadde hi ghesien den voghel liden + Scone tsiere rechter siden, + So waendi hebben goet gheval; + Nu was hi dies onthopet al. 1060 + Nochtan maecte hi hem selven moet, + Ende gheliet hem, alse menich doet, + Bet dan hem te moede was. + Dus liep hi henen sinen pas, + Tes hi quam te Maupertuus, 1065 + Ende vant Reinaert in sijn huus + Allene staen, verwendelike. + Tibert sprac: »God, die rike, + Moete u goeden avont gheven! + Die coninc dreicht u an u leven, 1070 + Ne comedi te hove niet met mi!” + Reinaert sprac: »Tibert, helet vri, + Neve, ghi sijt mi willecome; + God gheve u ere ende vrome: + Bi Gode, ic ans u harde wale! 1075 + .................... + Wat cost Reinaerde scone tale? + Al seghet sine tonghe wale, + Sine herte soe es binnen fel. + Dit wert Tibert ghetoghet wel, 1080 + Eer die line wert ghelesen + Tende; ende met desen + Sprac Reinaert: »Neve, ic wille dat ghi + Tavont herberghe hebt met mi, + Ende maerghen wilwi metten daghe 1085 + Te hovewaert, sonder saghe. + .................... + In hebbe onder allen minen maghen + Niemen, Tibert, daer ic mi nu + Bet up verlate, dan up u 1090 + Hier was comen Bruun, die vraet, + Hi toochde mi so fel gelaet, + Ende dochte mi so overstarc, + Dat ic omme dusent marc + Den wech met hem niet hadde bestaen: 1095 + Dat sal ic met u, al sonder waen, + Maerghin metter dagheraet.” + Tibert sprac: »Hets beter raet, + Ende het dinct mi bet ghedaen, + Dat wi noch tavont te hove gaen, 1100 + Dan wi tote maerghin beiden. + Die mane scinet ander heiden + Also claer alse die dach: + Ic wane niemen noint ne sach + Beteren tijt tote onser vaert.” 1105 + --»Neen, lieve neve, sprac Reinaert, + Sulc mochte ons bi daghe ghemoeten, + Hi soude ons quedden ende groeten, + Die ons nemmer dade goet, + Quame hi snachts in ons ghemoet. 1110 + Herberghet tameer met mi.” + Tibert sprac: »Wat souden wi + Eten, Reinaert, oft ic bleve?” + --»Daer omme sorghe ic, lieve neve. + Hets der spisen quade tijt: 1115 + Ghi moghet eten, begheerdijt, + Een stic van ere honichraten, + Die bequamelic es te mate; + Wat sechdi, moghedi shonichs iet?” + Tibert sprac: »Mi ne roekes niet. 1120 + Hebdi el niet in huus? + Gavedi mi ene vette muus, + Daer mede lietic u ghewaert.” + --»Ene vette muus? sprac Reinaert, + Soete neve, wat sechdi? 1125 + Hier woont noch een pape bi, + Een scure staet an sijn huus, + Daer in es meneghe vette muus: + Ic waense niet ghedroeghe een waghen. + So dicke hordic den pape claghen, 1130 + Dat sine driven uten huse.” + --»Reinaert, sijn daer so vette muse? + Vergave God, waer ic nu daer!” + --»Tibert (seit hi) sechdi waer? + Wildi muse?”--»Oft icse wille? 1135 + Reinaert, doet dies een ghestille! + Ic minne muse vor allen saken. + Wetti niet, dat muse smaken + Bet dan enich venisoen? + Wildi minen wille doen, 1140 + Dat ghi mi leet daer si sijn, + Daer mede mochti die hulde mijn + Hebben, al haddi minen vader + Doot, ende mijn gheslachte algader!” + --»Neve, houdi uwen spot?” 1145 + --»Nenic, also helpe mi God!” + --»Weet God, Tibert, wistic dat, + Ghi soutter sijn noch tavont sat.” + --»Sat, Reinaert? Dat ware vele.” + --»Tibert, dat sechdi tuwen spele!” 1150 + --»In doe, Reinaert, bi miere wet! + Haddic een muus, ende waer soe vet, + In gaefse niet omme een bisant!” + --»Tibert, gaet met mi te hant, + Ic leide u daer, ter selver stat, 1155 + Daer icker u sal maken sat, + Eer ic nemmer van u sceide!” + --»Jaic, Reinaert, up die gheleide + Ghinghe ic met u te Mompelier.” + --»So gawi dan; wi sijn hier 1160 + Al te langhe,” sprac Reinaert. + .............. + Doe so namen si up die vaert, + Tibert ende sijn oom Reinaert, + Ende liepen daer si lopen wilden, 1165 + Dat si nic toghel up hilden + Eer si quamen tes papen scure, + Dic met cen erdinen mure + Al omme ende omme was beloken, + Daer Reinaert in was ghebroken 1170 + Des ander daghes daer te voren, + Doe die pape hadde verloren + Enen hane, die hi hem nam. + Hier omme was tornich ende gram + Des papen sone Martinet, 1175 + Ende hadde vor dat gat gheset + Een strec, den vos mede te vane: + Dus gherne wrake hi den hane. + Dit wiste Reinaert, dat felle dier, + Ende sprac: »Neve Tibert, hier 1180 + Crupet in dit selve gat: + Ne weset traghe nochte lat; + Gaet al omme ende omme gripen. + Hort, hoe die muse pipen. + Keert weder uut als ghi sijt sat: 1185 + Ic sal hier bliven vor dit gat, + Ende sal u hier buten beiden; + Wine moghen niet tavont sceiden: + Maerghin gaen wi te hovewaert. + Siet, dat ghi niet en spaert, 1190 + Gaet eten, ende laet ons keren + Te miere herberghen met ere: + Mijn wijf sal ons wel ontfaen.” + --»Willic te desen gate ingaen? + Wat sechdi, Reinaert, eist u raet? 1195 + Die papen connen vele baraet: + Ic besteecse harde node.” + --»Owi, Tibert, twi sidi blode? + Waen quam uwer herten dese wanc?” + Tibert scaemde hem, ende spranc 1200 + Daer hi vant groot ongherec; + Want eer hijt wiste was hem tstrec + Omme sinen hals, harde vast. + Dus hoonde Reinaert sinen gast. + Alse Tibert gheware waert 1205 + Des strecs, wart hi vervaert, + Ende spranc vort; dat strec liep toe. + Tibert moeste roepen doe, + Ende wroeghede hem selven, dor den noot: + Hi makede een gheroep so groot, 1210 + Met enen jamerliken ghelate, + Dat Reinaert horde upter strate, + Buten, daer hi allene stoet, + Ende riep: »Vindise goet, + Die muse, Tibert, ende vet? 1215 + Wiste nu dat Martinet, + Dat ghi ter taflen satet, + Ende dit wiltbraet atet, + Dat ghi verteert, in weet hoe, + Hi souder u saeuse maken toe: 1220 + So hovesc een cnape es Martinet. + Tibert, ghi singhet inlanc so bet: + Pleecht men tes coninx hove des? + Vergave God, die gheweldich es, + Dat Isengrijn daer met u ware, 1225 + Die felle dief, die mordenare, + In sulker bliscap als ghi sijt!” + Dus heeft Reinaert groot delijt + Dor Tiberts ongheval; + Ende Tibert stont ende gal 1230 + So lude, dat Martinet ontspranc, + Ende riep: »Ha ha, God danc! + Ter goeder tijt heeft nu ghestaen + Mijn strec: ic hebber met ghevaen + Den hoenredief, na minen wane. 1235 + Nu toe! gelden wi hem den hane!” + Mettesen wart hi toten viere, + Ende ontstac enen stroewisc sciere, + Ende wecte moeder ende vader, + Ende die kindre allegader, 1240 + Ende riep: »Nu toe! hi es ghevaen!” + Doe mochtemen sien porren saen + Alle die in den huse waren; + Selve die pape ne wilde niet sparen, 1245 + Quam uten bedde moedernaect. + Martinet, hi was gheraect + Tote Tibert, ende riep: »Hijs hier!” + Die pape spranc an dat vier + Ende ghegreep sijns wijfs rocke; + Een offerkersse nam vrouwe Julocke 1250 + Ende ontstacse metter haest. + Die pape liep Tibert naest, + Ende ghinken metten rocke slaen. + Doe moeste Tibert daer ontfaen + Wel meneghen slach, al in een. 1255 + Die pape stont, als hem wel sceen, + Al naect, ende sloech slach in slach + Up Tibert, die vor hem lach. + Daer ne spaerde haer negheen. + Martinet ghegreep een steen, 1260 + Ende warp Tibert een oghe uut; + Die pape stont al bloter huut, + Ende hief up een groten slach. + Alse Tibert dat ghesach, + Dat hi emmer sterven soude, 1265 + Doe dedi een deel als die boude, + Dat dien pape verghinc te scande: + Beide met claeuwen ende met tanden + Dedi hem pant, alsoet wel sceen, + Ende spranc dien pape tusschen die been, 1270 + In die burse al sonder naet, + Daermen dien beiaert mede slaet. + Dat dinc viel neder up den vloer. + Die vrouwe was serich, ende swoer + Bi der siele van haren vader, 1275 + Soe wilde wel, om algader + Die offerande van enen jare, + Dat niet den pape ghevallen ware + Dit vernoi ende dese scame. + Soe sprac: »In sleets duvels name 1280 + Moeste dit strec sijn gheset! + Siet, lieve sone Martinet, + Dit was van uwes vader ghewande; + Siet hier mijn scade ende mine scande + Emmervort, in allen stonden. 1285 + Al ghenase hi vander wonde, + Hi blivet ten soeten spele mat!” + Reinaert stont nochtoe vor tgat: + Doe hi dese tale horde, + Hi loech, dat hem bachten scorde, 1290 + Ende hem crakede die taverne. + Doe sprac hi te haren scerne: + »Swighet, Julocke, soete vrouwe, + Ende laet sinken desen rouwe, + Ende laet bliven uwen toren. 1295 + Wattan? al hevet u here verloren + Enen vanden clippelen sinen, + Al te mere so sal hi pinen. + Laet bliven dese tale achter; + Gheneset die pape, en es gheen lachter 1300 + Dat hi ludet met ere clocken.” + Dus trooste Reinaert vrouwe Julocken, + Die haer harde sere mesliet. + Die pape ne mochte langher niet + Ghestaen; hi viel in onmacht. 1305 + Soe hieffene up met haerre cracht, + Ende droechene recht te beddewaert. + Hier binnen keerde Reinaert + Allene ter herberghewaert, + Ende liet Tibert sere vervaert, 1310 + Ende in sorghe vander doot. + Al was Tiberts sorghe groot, + Doe hise alle onledich sach + Over dien pape, die daer lach + Ghewont, doe ghinc hi hem pinen, 1315 + So dat hi metten tanden sinen + Die pese midden beet ontwee. + Doe ne wildi letten nemmee + Ende spranc weder uten gate, + Ende dede hem uptie rechte strate, 1320 + Die tes coninxwaert ghelach. + Eer hi daer quam so waest dach, + Ende die sonne begonste risen. + In eens arems siecs wise + Quam Tibert in thof gheronnen, 1325 + Die tes papen hadde ghewonnen + Dat hi langhe claghen mach. + Alse die coninc dit versach, + Dat hi hadde dat oghe verloren, + Doe mochte men vreselike horen 1330 + Dreighen den dief Reinaert. + Die coninc doe niet langher ne spaert, + Hine riep sine baroene te rade, + Ende vraechde, wat hi best dade + Jeghen Reinaerts overdaet? 1335 + Doe wart ghindre menich raet, + Hoe men te reden brochte, + Die dese overdaet wrochte. + Doe sprac Grimbert die das, + Die Reinaerts broeder sone was: 1340 + »Ghi heren, ghi hebt meneghen raet; + Al ware mijn oom noch also quaet, + Sal men vri recht vort draghen, + Men salne drie waerve daghen, + Also men doet een vrien man; 1345 + Ende en comt hi niet dan, + So es hi sculdech alre dinc, + Daer af hi vor den coninc + Van desen heren es beclaghet.” + --»Wie wildi, Grimbert, datten daghet? 1350 + Sprac die coninc, wie es hier + Die sijn oghe, ofte sijn lier + Wille setten in avonture + Omme ene felle creature? + Ic wane, hier niemen nes so sot.” 1355 + Grimbert sprac: »Selp mi God! + Siet mi hier, ic bem so coene, + Dat ic wel dar bestaen te doene + Dese bodscap, ghebiedijt.” + --»Grimbert, gaet, ende sijt 1360 + Vroet, ende wacht u jeghen mesval!” + Hi sprac: »Coninc here, ic sal.” + Dus gaet Grimbert te Maupertuus. + Als hire quam, vant hi in huus + Sinen oom, ende vrouwe Ermelinen, 1365 + Die bi haren welpekinen + Laghen in die haghedochte; + Ende teerst dat Grimbert mochte + Groete hi sijn oom, ende siere moien. + Hi sprac: »En sal u niet vernoien 1370 + Des onrechts, daer ghi in sijt? + Dinket u noch niet wesen tijt, + Dat ghi trect, oom Reinaert, + Tote des coninx hovewaert, + Daer ghi wel sere sijt beclaghet 1375 + Ghi sijt drie waerve ghedaghet. + Vermerredi maerghin den dach, + So sorghic, dat u ne mach + Neghene ghenade mee ghescien. + Ghi sult ten derden daghe sien 1380 + U casteel bestormen, Maupertuus; + Ghi sult gherecht sien vor u huus + Ene galghe ofte een rat. + Over waer segghic u dat, + Beide u kindre ende u wijf 1385 + Sullen verliesen haren lijf, + Lachterlike, al sonder waen; + Ghine moghet selve niet ontgaen. + Daer omme es u die beste raet, + Dat ghi met mi te hove gaet: 1390 + Hets messelic, hoet ghevallen mach. + U es dicke up enen dach + Vremder avonture ghevallen, + Dat ghi noch quite van hem allen + Met des coninx orlove 1395 + Nochtan sciet uten hove.” + Reinaert seide: »Ghi secht waer. + Nochtan, Grimbert, come ic daer, + Onder des coninx ghesinde, + Dat ic binden hove vinde, 1400 + Es up mi verbolghen al; + Quame ic dane, het ware gheval. + Nochtan dinct mi beter wesen + (Ghenese oft ic mach ghenesen,) + Dat ic met u te hove vare, 1405 + Dan het al verloren ware, + Casteel, kindre ende wijf, + Ende daer toe mijns selves lijf. + In mach den coninc niet ontgaen; + Alse ghi wilt, so willic gaen. 1410 + Hort, vrouwe Hermeline, + Ic bevele u die kindre mine, + Dat ghire wale pleghet nu: + Vor allen dandren bevelic u + Minen sone Reinaerdine: 1415 + Hem staen wel die gaerdeline + An sijn muulkijn over al: + Ic hope, dat hi mi slachten sal. + Hier es Rosseel, een scone dief, + Die hebbic nochtan alse lief, 1420 + Als iemen sine kindre doet; + Al eist, dat ic nu henen moet, + Ic salt mi nemen harde na, + Up dat ic mach, dat ic ontga. + Grimbert, neve, God moet u lonen.” 1425 + Met hoofscen worden ende met sconen + Nam Reinaert an den sinen orlof, + Ende rumede sijns selves hof. + Ai hoe droeve bleef vrouwe Hermeline, + Ende hare clene welpekine, 1430 + Doe Reinaert sciet uut Maupertuus, + Ende hi hof liet ende huus + Aldus omberaden staen! + Nu horet, wat hi heeft ghedaen. + Teerst dat hi quam ander heiden, 1435 + Hi sprac te Grimbert, ende seide: + »Grimbert, scone wel soete neve, + Van sorghe suchtic ende beve. + Lieve neve, ic wille gaen + (Nu hort mine redene saen,) 1440 + Te biechte hier te di: + Hier nes ander pape bi. + Hebbic mine biechte ghedaen, + Hoe so die saken mijn vergaen, + Mine siele sal te claerre wesen.” 1445 + Grimbert antworde na desen: + »Oom, wildi te biechte gaen, + So moetti dan verloven saen + Alle diefte ende allen roof; + Oft en diet u niet een loof!” 1450 + --»Dat wetic wel, sprac Reinaert, + Grimbert, nu hort haerwaert, + Ende vandet mi gheraden; + Siet, ic come u te ghenade, + Van algader miere mesdaet: 1455 + Nu hort, Grimbert, ende verstaet: + Confiteor pater, mater, + Dat ic den otter ende den cater + Ende allen dieren hebbe mesdaen; + Daer af willic mi in biechte dwaen.” 1460 + Grimbert sprac: »Oom, walschedi? + Oft ghi wilt, sprect jeghen mi + In Dietsche, dat ict mach verstaen.” + Doe sprac Reinaert: »Ic hebbe mesdaen + Jeghen allen dieren, die nu leven; 1465 + Bidt Gode, dat hijt mi vergheve! + Ic dede minen oom Brunen + Al bloedich maken sine crune. + Tibert dede ic muse vaen + (Daer ickene sere dede slaen,) 1470 + Tes papen, daer hi spranc int strec. + Ic hebbe ghedaen groot ongherec + Cantecleer, ende sinen kindren, + Waren si meerre ofte mindre, + Dicke makedicse los: 1475 + Dor recht beclaghet hi den vos. + Die coninc en es mi niet ontgaen; + Ic hebbe hem toren ooc ghedaen, + Ende mesprijs der coninghinne, + Dat si spade sullen verwinnen 1480 + Also vele ere van mi. + Ooc hebbic, dat segghic di, + Grimbert, liede mee bedroghen, + Dan ic di soude ghesegghen moghen. + Ende Isengrijn, dat verstaet, 1485 + Hiet ic oom, dor baraet; + Ic maecten monc ter Elmare: + Dat wi beide begheven waren, + Dat wart hem al te siere pine. + Ic dede hem an dien clockelinen 1490 + Binden beide sine voete: + Dat luden wart hem doe so soete, + Dat hijt emmer wilde leren: + Dat verghinc hem tonnere: + Want hi luudde so utermaten, 1495 + Dat alle die ghinghen bi der strate, + Ende waren binder Elmare, + Waenden dat die duvel ware, + Ende liepen daer si luden horden. + Eer hi doe conste in corten worden 1500 + Ghespreken: »Ic wille mi begheven,” + Hadsi hem na ghenomen tleven. + Sint dedic hem die crune gheven: + Hem machs ghedinken al sijn leven, + Dat wetic wel over waer. 1505 + Ic dede hem bernen af dat haer, + So dat hem die swaerde cramp. + Sint dedic hem meerren scamp + Upt ijs, daer icken leerde visscen, + Daer hi niene conste ontwisscen: 1510 + Hi ontfinker meneghen slach. + Sint leiddicken up enen dach + Tote des papen van ... blois. + In al dat lant van Vermendois + Sone woonde gheen pape riker. 1515 + Die selve pape hadde enen spiker, + Daer menich vet bake in lach; + Des haddic dicke goet ghelach. + Onder dien spiker haddic een gat + Verhohenlike ghemaect: in dat 1520 + Dedic Isengrijn incrupen; + Daer vant hi rentvleesc in cupen, + Ende baken hanghende vele. + Daer dedi dor sine kele + So vele gheliden utermaten, 1525 + Als hi weder uten gate + Waende keren, uter noot, + Hem was die lede buuc so groot, + Dat hi beclaghede sijn ghewin. + Daer hi was comen hongherich in, 1530 + Ne condi sat niet comen uut. + Ic liep, ic maecte groot gheluut + Int dorp, ende maecte groot gherochte; + Nu hort, wat ic daer toebrochte. + Ic liep al daer die pape sat 1535 + Te siere taflen ende at. + Die pape hadde een cappoen: + Dat was dat alrebeste hoen + Dat men in al dat lant vant: + Hi was ghewent al toter hant. 1540 + Dien prandic in minen mont + Vor die tafle, daer hi stont, + Al daert die pape toesach. + Doe riep die pape: »Nu vanc! slach! + Helpe, wie sach dit wonder nie? 1545 + Die vos comt, daer ic toesie, + Ende rooft mi in mijns selves huus; + So helpe mi sancta spiritus! + Te wers hem, dat hire quam!” + Dat tafelmes hi upnam, 1550 + Ende stac die tafle, dat soe vlooch + Verre boven mi harde hooch, + In middewaerde upten vloer. + Hi vloecte sere ende swoer, + Ende riep lude: »Slach ende va!” 1555 + Ende ic vore, ende hi na. + Sijn tafelmes haddi verheven, + Ende brochte mi ghedreven + Up Isengrijn, daer hi stont: + Ic hadde dat hoen in minen mont, 1560 + Dat harde groot was ende swaer; + Dat so moestic laten daer, + Wast mi leet ofte lief. + Doe riep die pape: »Ai, here dief, + Ghi moet den roof laten!” 1565 + Ende ic ghinc miere strate + Dane, daer ic wesen woude. + Alse die pape upheffen soude + Dat hoen, sach hi Isengrine. + Doe naecte hem ene grote pine; 1570 + Hi warpene int oghe metten messe. + Den pape volgheden si sesse, + Die alle met groten staven quamen: + Ende als si Isengrijn vernamen + Doe maecten si een groot gheluut, 1575 + Ende die ghebure quamen uut, + Ende maecten grote niemare + Manlic andren, dat daer ware + In spapen spiker een wulf ghevaen, + Die hem selven hadde ghedaen 1580 + Bi den buke in dat gat. + Als die ghebure ghevreischten dat, + Liepen si dat wonder bescouwen. + Aldaer wart Isengrijn teblouwen, + So dat hem ghinc al uten spele; 1585 + Want hi ontfinker harde vele + Groter slaghe, ende groter worpe. + Daer quamen die kindre vanden dorpe, + Ende verbonden hem die oghen: + Het stont hem so, hi moest ghedoghen. 1590 + So sere sloechsi ende staken, + Dat sine uten gate traken, + (Doe ghedoghedi vele onghevals) + Ende bonden hem an sinen hals + Enen steen, ende lieten gaen, 1595 + Ende lietene dien honden saen, + Diene ghinghen bassen ende jaghen. + Ooc diende men hem met groten slaghen + So langhe, dat hi ghelove was. + Doe viel hi neder up dat gras 1600 + Oft hi ware al steendoot. + Doe was dier kindre bliscap groot. + Ghindre was grote niemare. + Si leidene up ene bare, + Ende droeghene met groten ghehuke 1605 + Over stene ende over struke. + Buten dorpe, in ene gracht, + Bleef hi ligghende al dien nacht: + Inne weet hoe hi dane voer. + Sint verwarvic, dat hi mi swoer 1610 + Sine hulde een jaer al omtrent. + Dat dede hi up sulc convent, + Dat icken soude maken hoenre sat. + Doe leiddicken in ene stat, + Daer ic hem dede te verstane, 1615 + Datter hinnen ende een hane + In een groot huus, an ere strate, + Up enen haenbalke saten. + Recht ere valdore bi, + Daer dedic Isengrijn bi mi 1620 + Up dat huus clemmen boven: + Ic seide, ic wilde hem gheloven, + Wildi crupen in die valdore, + Dat hire soude vinden vore + Van vetten hoenren sijn ghevoech. 1625 + Ter valdore ghinc hi ende loech, + Ende croop daer in met vare, + Ende began tasten harentare. + Hi taste, ende als hi niet en vant + Sprac hi: »Neve, hets hier bewant 1630 + Te sorghe: ic ne vinder niet.” + Ic sprac: »Oom, wats ghesciet, + Cruupter een lettel bet in: + Men moet wel pinen omme ghewin; + Ic hebse wech, diere saten vore.” 1635 + Dus so liet hi hem verdoren, + Dat hi die hoenre te verre sochte. + Ic sach, dat icken honen mochte, + Ende hoonden so, dat hi voer + Vant dac boven upten vloer, 1640 + Ende gaf enen groten val, + Dat si ontspronghen overal, + Die daer in den huse sliepen. + Die bi den viere laghen, si riepen + Dat ware in huus, sine wisten wat, 1645 + Ghevallen dor dat viwergat. + Si worden up, ende ontstaken lecht: + Doe sine daer saghen, echt + Wart hi ghewont toter doot. + Ic hebben brocht in menegher noot, 1650 + Meer dan ic ghesegghen mochte. + Nochtan, al dat ic nie ghewrochte + Jeghen hem, so ne roeke ic niet + So sere, als dat ic verriet + Vrouwe Hersinde, sijn scone wijf, 1655 + Die hi liever dan sijns selfs lijf + Hadde: God moet mi vergheven! + Haer dedic, dat mi liever bleven + Ware te doene, dant es ghedaen.” + Grimbert sprac: »Oft ghi wilt gaen 1660 + Claerlike te biechte tote mi, + Ende sijn van uwen sonden vri, + So suldi spreken ombedect. + In weet, werwaert ghi dit trect: + »Ic hebbe jeghen sijn wijf mesdaen.” 1665 + Oom, dat en can ic niet verstaen, + Waer ghi dese tale keert.” + Reinaert sprac: »Neve Grimbeert, + Ware dat hoofschede groot, + Oft ic hadde gheseit al bloot: 1670 + Ic hebbe gheslapen bi miere moien? + Ghi sijt mijn maech, u souts vernoien, + Seidic eneghe dorperheit. + Grimbert, nu hebbic gheseit + Al dat mi mach ghedinken nu: 1675 + Geeft mi aflaet, biddic u, + Ende settet mi dat u dinct goet.” + Grimbert was wijs ende vroet: + Hi brac een rijs van ere haghe, + Ende gaffer hem mede XL slaghe 1680 + Over alle sine mesdade. + Daerna, in gherechten rade, + Riet hi hem goet te wesene, + Te wakene, ende te lesene, + Te vastene, ende te vierne, 1685 + Ende te weghe waert te stierne + Die hi buten weghe saghe: + Ende hi vort alle sine daghe + Bescedenlike hem soude gheneren. + Hierna so dedi hem versweren 1690 + Beide roven ende stelen. + Nu moet hi siere siele telen, + Reinaert, bi Grimberts rade, + Ende ghinc te hove, up ghenade. + Nu es die biechte daer ghedaen. 1695 + Die heren hebben den wech bestaen + Tote des conincs hovewaert. + Nu was, buter rechter vaert, + Die si te gane hadden begonnen, + Een prioreit van swarten nonnen, 1700 + Daer meneghe gans ende menich hoen, + Meneghe hinne, menich cappoen, + Plaghen te wedene, buten mure. + Dit wiste die felle creature, + Die onghetrouwe Reinaert, 1705 + Ende sprac: »Te ghenen hovewaert + So leghet onse rechte strate.” + Met dusdanen barate + Leidde hi Grimbert bi der scure, + Daer die hoenre buten mure 1710 + Ghinghen weden harentare. + Der hoenre wart Reinaert gheware: + Sine oghen begonsten omme te gane. + Buten den andren ghinc een hane, + Die harde vet was ende jonc: 1715 + Daerna gaf Reinaert enen spronc, + So dat dien hane die plume stoven. + Grimbert sprac: »Ghi dinct mi doven, + Onsalich man, wat wildi doen? + Wildi noch om een hoen 1720 + In alle die grote sonden slaen, + Daer ghi te biechte af sijt ghegaen? + Dat moet u wel sere rouwen!” + Reinaert sprac: »Bi rechter trouwe, + Ic hads vergheten, lieve neve; 1725 + Bit Gode, dat hijt mi vergheve. + Het ne ghesciet mi nemmermeer.” + Doe daden si enen wederkeer + Over ene smale brugghe. + Hoe dicke sach Reinaert achter rugghe 1730 + Weder, daer die hoenre ghinghen! + Hine conste hem niet bedwinghen, + Hine moeste siere seden pleghen: + Hadde men hem thooft af ghesleghen, + Het ware ten hoenrenwaert ghevloghen, 1735 + Also verre alst hadde ghemoghen. + Grimbert sach dit ghelaet + Ende seide: »Onreine vraet, + Dat u dat oghe so omme gaet!” + Reinaert andworde: »Ghi doet quaet, 1740 + Dat ghi mine herte so becoort, + Ende mine bede dus verstoort: + Laet mi doch lesen een pater nooster, + Der hoenre sielen vanden clooster, + Ende den gansen te ghenade, 1745 + Die ic dicke hebbe verraden, + Die ic desen heleghen nonnen + Met miere list hebbe af ghewonnen.” + Grimbert balch, newaer Reinaert + Hadde emmer doghen achterwaert, 1750 + Tes si quamen ter rechter strate. + Doe began hem droeve ghelaten, + Ende harde sere beefde Reinaert, + Dat si keerden te hove waert, + Daer hi waende sere mesraken. 1755 + Doe hi began den hove naken, + Ende in sconinx hof was vernomen, + Dat Reinaert ware te hove comen, + Met Grimbert den das, + Ic wane daer niemen was 1760 + So aerm, no van so cranken maghen, + Hine gherede hem up een claghen: + Dit was al jeghen Reinaerde. + Nochtan dedi als donvervaerde, + Hoe so hem te moede was; 1765 + Ende sprac te Grimbeert den das: + »Leidet ons die hoochste strate!” + Reinaert ghinc in dien ghelate, + Ende in al so bouden ghebare, + Oft hi sconinx sone ware, 1770 + Ende hi niet en hadde mesdaen. + Boudelike ghinc hi staen + Vor Nobele, dien coninc, + Ende sprac: »God, die alle dinc + Gheboot, hi gheve u, coninc here, 1775 + Langhe bliscap ende ere. + Ic groet u, coninc, ende hebbes recht: + En hadde nie coninc enen cnecht + So ghetrouwe jeghen hem, + Als ic oit was ende bem: 1780 + Dat es dicke worden anscijn: + Nochtan die sulke, die hier sijn, + Souden mi herde gherne roven + Uwer hulde, wildi hem gheloven; + Maer neen ghi niet; God moet u lonen! 1785 + Het ne betaemt niet der crone, + Dat soe den scalken ende den fellen + Te lichte ghelove dat si vertellen. + Nochtan willics Gode claghen: + Dier es te vele in onsen daghen, 1790 + Der scalke, die wroeghen connen, + Die die vorder hant hebben ghewonnen + Over al, in riken hoven, + Dien sal men niet gheloven: + Die scalcheit es hem binnen gheboren; 1795 + Dat si den goeden beraden toren, + Dat wreke God up haer leven, + Ende moete hem ewelike gheven + Al sulken loon, als si sijn waert!” + Die coninc sprac: »Owi Reinaert, 1800 + Owi Reinaert, onreine quaet, + Wat condi al scone ghelaet! + Dat en can u ghehelpen niet een caf. + Nu comt uwes smekens af: + In werde bi smekene niet u vrient. 1805 + Hets waer, ghi sout mi hebben ghedient + Van ere sake in den woude, + Daer ghi qualic in hebt ghehouden + Die vrede, die ic hadde ghesworen.” + --»Owi, wat hebbic al verloren!” 1810 + Riep Canticleer, die daer stont. + Die coninc sprac: »Hout uwen mont, + Here Canticleer, nu laet mi spreken: + Laet mi antworden sinen treken. + Ai, here dief, Reinaert, 1815 + Dat ghi mi lief hebt ende waert, + Dat hebdi, sonder uwe pine, + Minen boden laten scinen, + Aerm man Tibert, here Brunen, + Dien noch bloedich es die crune! 1820 + Ic ne sal u niet vele scelden: + Ic waent u kele sal ontghelden + Noch heden, al up ene wile.” + --»Nomine Patrum, Christum File! + Sprac Reinaert, oft mijn here Brunen 1825 + Noch al bloedich es die crune, + Was hi teblouwen, oft versproken, + Waer hi goet, het ware ghewroken, + Eer hi noint vlo int water. + Banderside Tibert die cater, 1830 + Dien ic herberghede ende ontfinc, + Oft hi ute om stelen ghinc + Tes papen, sonder minen raet, + Ende hem die pape dede quaet, + Bi Gode, soudic dat ontghelden, 1835 + So mochtic mijn gheluc wel scelden!” + Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen, + Wien twifelt des, ghine moghet doen + Dat ghi ghebiet over mi? + Hoe goet mine sake si, 1840 + Ghi moghet mi vromen ende scaden; + Wildi mi sieden, ofte braden, + Ofte hanghen, ofte blenden, + Ic ne mach u niet ontwenden; + Alle diere sijn in u bedwanc. 1845 + Ghi sijt groot, ende ic bem cranc; + Mine hulp es clene, ende duwe groot: + Bi Gode, al sloeghedi mi doot, + Dat ware ene cranke wrake; + Lichte men daer ave hilde sprake.” 1850 + Doe spranc up Belijn, die ram, + Ende sine hie, die met hem quam, + Dat was dame Hawi: + Belijn sprac: »Gawi + Alle vort met onser claghe!” 1855 + Brune spranc up, met sinen maghen, + Ende Tibeert die felle, + Ende Isengrijn sijn gheselle, + Forcondet dat everswijn, + Ende die raven Tiecelijn, 1860 + Pancer die bever, ooc Bruneel, + .............. + Dat watervar, dat butseel, + Ende dat eencoren, here Rosseel, + Dieweline, die vrouwe fine, 1865 + Cantecleer ende die kindre sine, + Makende groten vederslach, + Dat foret, Clenebejach, + Liepen alle in dese scare: + Alle dese ghinghen openbare 1870 + Vor haren here, den coninc, staen, + Ende daden Reinaert vaen. + Nu ghinct ghindre up een plaidieren. + Nie horde man van dieren + So scone tale als nu es hier 1875 + Tusscen Reinaerde ende dandre dier; + Vort bringhen dat men seide daer, + Het ware mi pijnlic ende swaer; + Daer omme corte ic u die wort. + Die beste reden ghinghen vort. 1880 + Die claghen, die die diere ontbonden, + Proefden si met orconden, + Als si sculdich waren te doene. + Die coninc dreef die hoghe baroene + Te vonnesse, van Reinaerts sake. 1885 + Doe wijstsi, dat men soude maken + Ene galghe, sterc ende vast, + Ende men Reinaert, den fellen gast, + Daer an hinghe, bi siere kele. + Nu gaet Reinaerde al uten spele. 1890 + Doe Reinaert verordeelt was, + Orlof nam Grimbert die das, + Met Reinaerts naesten maghen: + Sine consten niet verdraghen, + No sine consten niet ghedoghen, 1895 + Dat men Reinaert vor haren oghen + Soude hanghen alse enen dief. + Nochtan wast hem somen lief. + Die coninc, die was harde vroet, + Doe hi mercte ende verstoet, 1900 + Dat so menich jonghelinc + Met Grimbert uten hove ghinc, + Die Reinaerde na bestoet, + Doe peinsdi in sinen moet: + Hier mach in lopen ander raet. 1905 + Al es Reinaert selve quaet, + Hi hevet meneghen goeden maech. + Doe sprac hi: »Twi sidi traech, + Isengrijn ende here Bruun? + Reinaerde es cont menich tuun, 1910 + Ende hets den avonde bi; + Hier es Reinaert, ontsprinct hi, + Comt hi III voete uter noot, + Sine list soe es so groot, + Ende hi weet so meneghen keer, 1915 + Hine wert ghevanghen saermeer. + Salmen hanghen, twine doet ment dan? + Eer men nu ghereden can + Ene galge, so eist nacht.” + Isengrijn was wel bedacht, 1920 + Ende sprac: »Hier es een galghe bi.” + Ende met dien worde versuchte hi. + Doe sprac die cater, here Tibeert: + »Here Isengrijn, u es verseert + U herte, in wancans u niet; 1925 + Nochtan Reinaert di tal beriet, + Ende selve mede ghinc, + Daermen u twee broeders hinc, + Rume ende Widelanke. + Hets tijt, wildijs hem danken. 1930 + Waerdi goet, het ware ghedaen; + Hine ware niet noch onverdaen.” + Isengrijn sprac tote Tibeert: + »Wat ghi ons al gader leert! + Ne ghebrake ons niet een strop, 1935 + Langhe heden wiste sijn crop + Wat sijn achterende mochte weghen.” + Reinaert, die langhe hadde ghesweghen, + Sprac: »Ghi heren, cort mine pine. + Tibert heeft ene vaste line, 1940 + Die hi bejaghede an sine kele + Daer hi vernois hadde vele, + Int huus daer hi den pape beet, + Die vor hem stont al sonder cleet. + Here Isengrijn, nu maect u vore! 1945 + En sidi niet daertoe vercoren, + Ende ghi Brune, dat ghi sult doden + Reinaert, uwen neve, den fellen roden?” + Doe sprac hi ten coninc saen; + »Doet Tibert mede gaen; 1950 + Hi mach clemmen, hi mach die line + Updraghen, sonder uwe pine. + Tibert, gaet, ende maect ghereet! + Dat ghi iet let, dats mi leet.” + Doe sprac Isengrijn tote Brunen: 1955 + »So helpe mi die cloostercrune, + Die boven up mijn hoofd staet! + In horde nie so goeden raet, + Alse Reinaert selve ghevet hier. + Hem langhet omme cloosterbier: 1960 + Nu gawi ende bruwen hem!” + Brune sprac: »Neve Tibert, nem + Die line; du sels mede lopen. + Reinaert hi sal nu becopen, + Mijn scone liere, ende dijn oghe! 1965 + Gawi, ende hanghene so hoghe + Dats lachter hebben al sine vrient!” + --»Gawi, hi hevets wel verdient,” + Sprac Tibert, ende nam die line, + »Inne dede nie so lieve pine.” 1970 + Nu waren die drie heren ghereet. + .............. + Dats Isengrijn ende Tibeert + Ende her Bruun, die hadde gheleert + Honich stelen tsiere scade. 1975 + Isengrijn was so beraden, + Eer hi vanden hove sciet, + Hine wilde des laten niet, + Hine vermaende nichten ende neven, + Ende alle die binden hove bleven, 1980 + Beide ghebure ende gaste, + Dat si Reinaert hilden vaste. + Vrouwe Hersinde sinen wive + Beval hi, bi haren live, + Dat soe stonde bi Reinaerde, 1985 + Ende soene name biden baerde, + Ende van hem niet ne sciede, + No dor goet, no dor miede, + No dor niede, no dor noot, + No dor sorghe vander doot. 1990 + Reinaert antworde in corten worden, + Dat alle die daer waren horden: + »Here Isengrijn, half ghenade! + Al ware u lief mijn grote scade, + Ende al brincti mi in vernoie, 1995 + Ic weet wel, soude miere moien, + Te rechte ghedinken ouder daet, + Soene dade mi nemmer quaet. + Her Isengrijn, soete oom, + Ghi nemt uwes neven cranken goom, 2000 + Ende here Brune ende here Tibeert, + Dat ghi mi dus hebt onneert. + Ghi drie ghi hebbet ghedaen al, + Dat men mi ontliven sal. + Daer toe hebdi ghemaket, 2005 + Dat so wie mi ghenaket, + Sceldet mi dief, oft hevet leet. + Daer omme moetti, God weet, + Geonneert werden alle drie, + Ghine haest, dat ghescie 2010 + Al dat ghi begheert te doene. + Mi es die herte noch also coene: + Ic dar wel sterven ene warf. + Ne wart mijn vader, doe hi starf, + Van allen sinen sonden vri? 2015 + Gaet, ghereet die galghe hier bi: + Een twint mi langher niet ne spaert + (Oft varen moetti hinderwaert) + Alle uwe voete ende uwe been!” + Doe sprac Isengrijn: »Ameen! 2020 + Amen, ende hinderwaert + Moet hi varen, die langher spaert!” + Tibert sprac: »Nu haestewi!” + Ende met dien worden spronghen si, + Ende liepen vort harde blide, 2025 + Ende pijnden hem te stride + Te springhene over meneghen tuun, + Isengrijn ende here Bruun. + Tibert volghede hem naer: + Hem was die voet een lettel swaer 2030 + Vander linen, die hi droech; + Nochtan was hi rasch ghenoech: + Dat dede hem al die goede wille. + Reinaert stont ende sweech al stille, + Ende sach sine viande lopen, 2035 + Die hem dat strec an waenden cnopen. + --»Maer het sal bliven,” sprac Reinaert, + Die stoet ende scouwede derwaert + Hoe si springhen ende keren. + Hi peinsde: »Deus, wat joncheren! 2040 + Nu laetse springhen ende lopen: + Levic, si sullent noch becopen, + Hare overdaet ende hare scampie, + Mine ghebreke reinaerdie; + Nochtanne sijn si mi 2045 + Liever verre danne bi, + Die ghene die ic meest ontsach. + Nu willic proeven, dat ic mach + Te hove bringhen een baraet, + Dat ic, vor die dagheraet, 2050 + In groter sorghe vant te nacht. + Hevet mine list sulke cracht + Als ic noch hope dat soe doet, + Al es hi listich ende vroet, + Ic wane den coninc noch verdoren.” 2055 + Die coninc dede blasen enen horen, + Ende hiet Reinaert uutwaert leden + Reinaert sprac: »Laet teerst ghereden + Die galghe, daer ic an hanghen sal; + Ende daer binnen so salic al 2060 + Den volke mine biechte conden, + In verlanesse van minen sonden. + Hets beter, dat al tfolc verstaet + Mine diefte ende mine ondaet, + Dan si namaels eneghen man 2065 + Mine overdaet teghen an.” + Die coninc sprac: »Nu segghet dan!” + Reinaert stont als een droeve man, + Ende sach al omme, harentare. + Dus so sprac hi al openbare: 2070 + »Helpe, seit hi, Dominus! + Nu nes hier niemen in dit huus, + No vrient no viant, ic ne bem + Een deel mesdadich jeghen hem. + Nochtan, horet alle, ghi heren: 2075 + Laet u wisen ende leren, + Hoe ic Reinaert, aerminc, + Eerst die boosheit anevinc. + In allen tiden, spade ende vroe, + Was ic een hovesc kint nochtoe. 2080 + Doe men mi spaende vander mammen, + Ghinc ic spelen metten lammen, + Dor te horne dat ghebleet; + So langhe, dat ic een verbeet: + Ten eersten lapedic dat bloet: 2085 + Het smaecte so wel, het was so goet, + Dat ic dat vleesc mede ontgan. + Daer leerdic leckernie an + So vele, dat ic ghinc ten gheten + Int wout, daer icse horde bleten: 2090 + Daer verbetic hoekine twee. + So dedic derdes daghes mee, + Ende ic wart bouder ende coener, + Ende verbeet haenden ende hoener, + Ende gansen, daer icse vant. 2095 + Doe mi bloedich wart mijn tant, + Was ic so fel ende so wreet, + Dat ic suver up verbeet + Al dat ic vant, ende wat mi dochte + Dat mi bequam, ende ic vermochte. 2100 + Daer na quam ic ende Isengrijn, + Te wintre in enen couden rijm, + Bi Besele onder enen boom: + Hi rekende hi ware mijn oom, + Ende began ene sibbe tellen. 2105 + Aldaer worden wi ghesellen. + Dat mach mi te rechte rouwen! + Daer gheloofden wi, bi trouwe, + Recht gheselscap manlic andren. + Doe begonsten wi te gader wandren. 2110 + Hi stal tgrote, ende ic dat clene: + Dat wi bejaechden wart ghemene; + Ende als wi delen souden doe, + Ic was in hoghen ende vro + Mochtic mijn deel hebben half. 2115 + Alse Isengrijn bejaghede een calf + Oft een weder, oft een ram, + So grongierdi, ende maecte hem gram, + Ende toochde mi ghelaet, + Dat so suur was ende quaet, 2120 + Dat hi mi met van hem verdreef, + Ende hem mijn deel al gader bleef; + Nochtan achtic niet van dien. + So menich warve hebbic versien, + Alse wi een grote proie lagheden, 2125 + Die ic ende mijn oom bejagheden, + Enen osse, oft enen bake, + So ghinc hi sitten met ghemake + Met sinen wive, vrouwe Harsinde, + Ende met sinen VII kindren; 2130 + Sone mocht ic cume dene hebben + Vanden alreminsten rebben, + Die sine kindre en wouden cnaghen. + Dus nauwe hebbic mi bedraghen. + Nochtan dat was mi lettel noot; 2135 + Ne waer dat mijn sin so groot + Die lieve droech te minen oom, + Die mijns nemet cranken goom, + Ic hadde wel ghewonnen tetene. + Coninc, dit doe ic u te wetene: 2140 + Ic hebbe noch selver ende gout, + Dat al es in miere ghewout, + So vele, dat cume een waghen + Te VII werven soude ghedraghen.” + Alse die coninc dit verhorde, 2145 + Gaf hi Reinaerde selke andworde: + »Reinaert, waen quam u dese scat?” + Reinaert andworde: »Ic segghe u dat, + Wildijt weten, alse ict weet: + No dor lief, no dor leet 2150 + Sone salt danne bliven verholen. + Coninc, die scat was bestolen: + Ne waer hi ooc ghestolen niet, + Daer ware die mort bi ghesciet + Ane u lijf, in rechter trouwe, 2155 + Dat uwen vrienden mochte rouwen.” + Die coninghinne wart vervaert + Ende sprac: »Owi, Reinaert! + Owi, Reinaert! owi! owi! + Owi, Reinaert, wat sechdi? 2160 + Ic mane u bi der selver vaert, + Dat ghi ons secht, Reinaert, + Die u siele varen sal, + Dat ghi ons secht die waerheit al + Openbare, ende bringhet vort: 2165 + Oft ghi weet van enegher mort, + Oft enen mordeliken raet, + Die jeghen minen here gaet, + Dat laet hier openbare horen!” + Nu hort, hoe Reinaert sal verdoren 2170 + Den coninc entie coninghinne, + Ende hi bewerven sal met sinne + Des coninx vrientscap ende hulde; + Ende hoe hi buten haerre sculde + Brune en Isengrijn bede 2175 + Up hief in groten ongherede, + Ende in veten ende in ongheval + Jeghen den coninc bringhen sal. + Dien heren, die nu waren so fier, + Dat si Reinaerde waenden bier 2180 + Te sinen lachter hebben ghebrouwen, + Ic wane wel, in rechter trouwe, + Dat hi sal weder mede blanden, + Dien si drinken sullen met scande. + In enen ghelate van droeven sinne 2185 + Sprac Reinaert: »Edele coninghinne, + Al haddi mi nu niet ghemaent, + Ic bem een die sterven waent: + In laet niet ligghen up mine siele; + Ende waert so, dat mi gheviele, 2190 + Mi stonder omme in der helle te sine, + Daer torment es ende pine. + Indien dat die coninc milde + Een ghestille maken wilde, + Ic soude segghen, met ghenade, 2195 + Hoe jammerlike hi was verraden, + Te mordene van sinen lieden. + Nochtan, diet alre meest berieden, + Sijn som van minen liefsten maghen, + Die ic node soude bedraghen, 2200 + Ne daet die sorghe vander helle, + Daer men seit, dat si in quellen, + Die hier sterven, ende mort + Weten, sine brincse vort.” + Dien coninc wart die herte swaer, 2205 + Ende sprac: »Reinaert, sechstu mi waer!” + --»Waer?” sprac Reinaert, »vraechdi des? + Jane weet ghi niet hoet met mi es? + Ne bewaent niet, edel coninc, + Al bem ic een aerminc, 2210 + Hoe mochtic sulke mort ghetemen? + Waendi, dat ic wille nemen + Ene loghene uptie langhe vaert? + In trouwe neenic,” sprac Reinaert. + Bi der coninghinne rade, 2215 + Die sere ontsach des coninx scade, + Gheboot die coninc openbare, + Dat niemen daer so coene en ware, + Dat hi een wordekijn iet sprake, + Tottien, dat Reinaert met ghemake 2220 + Hadde volseit al sinen wille. + Doe sweghen si alle gader stille. + Die coninc hiet Reinaerde spreken. + Reinaert was van fellen treken: + Hem dochte scone sijn gheval, 2225 + Hi sprac: »Nu swighet over al, + Na dien dat es den coninc lief: + Ic sal u lesen, sonder brief, + Die verradenesse openbare, + So dat ic niemene en spare, 2230 + Dien ic te wroeghene sculdich bem. + Dies lachter hevet, scaems hem!” + Nu vernemt alle gader, + Hoe Reinaert sinen ertscen vader + Met verradenesse sal bedraghen, 2235 + Ende een van sinen liefsten maghen, + (Dat was Grimbert, die das,) + Die hem hout van herten was. + Dat dede Reinaert omme dat, + Dat hi wilde, dat men te bat 2240 + Sinen worden gheloven soude, + Van sinen vianden, oft hi woude + Dien verranesse tien an. + Nu hort, hoe hi dies began: + »Wilen tere stonde 2245 + Hadde mijn here vonden + Des coninx Hermelinx scat, + In ere verholenre stat. + Doe mijn vader hadde vonden + Den scat, wart hi in corten stonden 2250 + So overdadich, ende so fier, + Dat hi veronwerde alle dier, + Die sine ghenote te voren waren. + Hi dede Tibert, den cater, varen + In Ardennen, dat wilde lant, 2255 + Aldaer hi Brune den bere vant: + Hi ontboot Brunen Gods houde, + Ende in Vlaendren comen soude, + Oft hi coninc wilde wesen. + Brune wart vro van desen, 2260 + Hi hadt meneghen dach begheert: + Doe maecte hi hem te Vlaendrenweert + Ende quam in Waes, int soete lant, + Daer hi minen vader vant. + Mijn vader omboot Grimberte, den wisen, 2265 + Ende Isengrine, den grisen, + (Tibert, die cater, was die vijfte) + Ende quamen tenen dorpe, hiet Hijfte. + Tusscen Hijfte ende Ghent + Hilden si haer parlement, 2270 + In ere belokenre nacht; + Daer quamen si bi sduvels cracht + Ende bi des duvels ghewelt, + Ende swoeren daer an twoeste velt + Alle vive, des coninx doot. 2275 + Nu horet wonder harde groot: + [Si swoeren up Isengrijns crune, + Alle vive, datsi Brune + Coninc ende here souden maken, + Ende settene in den stoele tAken,] 2280 + Ende hi crone soude draghen. + Wilde iemen van des coninx maghen + Dat wedersegghen, mijn vader soude + Met sinen selvere ende sinen goude + So den ghenen steken achter, 2285 + Dat sijs souden hebben lachter. + Dit wetic, ende segghe u hoe. + Eens maerghins harde vroe + Gheviel, dat mijn neve, die das, + Van wine een lettel dronken was, 2290 + Ende dien verholnen raet minen + Wive, vrouwe Harmelinen, + Al van pointe te pointe seide, + Daer si liepen an der heiden. + Mijn wijf es ene vremde vrouwe, 2295 + Ende gaf Grimberte hare trouwe, + Dat verholen bliven soude. + Ten eersten dat soe quam te woude, + Daer ic was, ende soe mi vant, + So telde soet mi te hant: 2300 + Newaer het was al stillekine. + Ooc seide soe mi sulke lijctekine, + Die ic kende al so waer, + Dat mi alle mine haer + Upwaert stonden, van groten vare. 2305 + Mine herte wart mi openbare + Also cout alse een ijs. + Dies sijt seker ende wijs, + Ic kinde Brune valsc ende quaet, + Ende vul van alre overdaet. 2310 + Ic peinsde: worde hi onse here, + Dat ontvruchtic harde sere, + Dat wi alle waren verloren. + Ic kinde den coninc so wel gheboren, + Ende soete, ende goedertiere, 2315 + Ende ghenadich allen dieren. + Het dochte mi bi allen dinghen + Eene quade manghelinghe, + Die ons ne mochte comen + No tere, no te vrome; 2320 + Mine herte grote sorghe doghede. + Hier omme pijndic ende poghede + Hoe so erge ene sake, + Testoret worde, ende ic brake + Mijns vader bosen raet, 2325 + Die een dorper, enen vraet, + Coninc ende here maken waende. + Emmer badic Gode, ende maende, + Dat hi den coninc, minen here, + Behilde sine wareltere. 2330 + Bedi ic kinde wale dat, + Behilde mijn vader sinen scat, + Si souden wel des raets ghetelen, + Onder hem ende sinen ghespelen, + Dat die coninc worde verstoten. 2335 + In diepen ghepeinsen ende in groten + Was ic dicke, hoe ic die stat + Soude vinden, waer die scat + Lach, die hi hadde vonden. + Ic wachte nauwe tallen stonden 2340 + Minen vader, ende leiden laghen + In meneghen bosch, in menegher haghe, + Beide in velde ende in woude, + Waer mijn vader, die listighe oude, + Henen trac ende henen liep: 2345 + Was het droghe, was het diep, + Wast bi nachte, wast bi daghe, + Ic was emmer in die laghe; + Wast bi daghe, wast bi nachte, + Ic was emmer in die wachte. 2350 + Up ene stont gheviel daer nare, + Dat ic mi decte met groten vare, + Ende lach ghestrect neven derde, + Ende vanden scatte, die ic begherde, + Gherne iewet hadde vernomen: 2355 + Doe saghic minen vader comen + Ute enen hole ghelopen. + Doe began ic ten scatte hopen + Bi den barate die ic hem sach + Driven, als ic u segghen mach: 2360 + Want doe hi uten holen quam, + Sach ic wel, ende vernam, + Dat hi omme sach. Doe merkedi, + Oft hem iemene ware bi; + Ende als hi niemene en sach, 2365 + Doe queddi den sconen dach, + Ende stoppede dat hol met sande, + Ende maectet ghelijc den andren lande. + Dat ic dat sach ne wiste hi niet. + Doe saghic, eer hi dane sciet, 2370 + Dat hi den steert liet nedergaen + Daer sine voete hadden ghestaen, + Ende decte sijn spore metter moude. + Daer leerdic an den vroeden ouden + Een lettel meesterliker liste, 2375 + Die ic te voren niet ne wiste. + Aldus voer mijn vader dane + Ten dorpewaert, daer die hanen + Ende die vette hinnen waren. + Teerst dat ic mi dorste baren, 2380 + Spranc ic up, en liep ten hole: + Ic wilde niet langher sijn in dole, + Ende ic gheraecter toe te hant. + Sciere scraefdic up dat sant + Met minen voeten, ende croop in 2385 + Aldaer ic vant groot ghewin; + Daer vandic selver ende gout: + Hier nes niemen nu so out, + Dies nie so vele te gader sach. + Doe ne spaerdic nacht no dach, 2390 + In ghinc trecken ende draghen, + Sonder kerre ende sonder waghen, + Over dach ende over nacht, + Met algader miere cracht. + Mi halp mijn wijf, vrouwe Hermeline: 2395 + Des dogheden wi grote pine, + Eer wi den overgroten scat + Brochten in een ander gat, + Daer hi bet lach tonsen ghelaghe. + Wi droeghene onder ene haghe 2400 + In een hol verholenlike: + Doe was ic van scatte rike. + Nu hort, wat si hier binnen daden, + Die den coninc hadden verraden. + Brune, die bere, sendde uut 2405 + Verholenlike sijn saluut + Achter lande, ende omboot + Al den ghenen rijcheit groot, + Die dienen wilden omme tsout: + Hi beloofde hem selver ende gout 2410 + Te ghevene met milder hant. + Mijn vader liep in al dat lant, + Ende droech des Brunen brieve: + Hoe lettel wiste hi, dat die dieve + Te sinen scatte waren gheraect, 2415 + Dies hem quite hadden ghemaect. + En ware die scat niet ontgonnen, + Hi hadder met die stat van Lonnen + Al te gader moghen copen. + Dus wan hi an sijn omme lopen. 2420 + Doe mijn vader, al omme ende omme, + Tusscen dier Elve entier Somme + Hadde ghelopen al dat lant, + Ende hi meneghen seriant + Hadde ghewonnen met sinen goude, 2425 + Die hem te hulpe comen soude, + Alse die somer quame int lant, + Keerde mijn vader daer hi vant + Brune entie ghesellen sine. + Doe teldi die grote pine 2430 + Ende die menichfoude sorghe, + Die hi vor den hoghen borghen + Int lant van Sassen hadde leden, + Daer die jagheren na hem reden + Alle daghe met haren honden, 2435 + Die hem vervaerden te menegher stonde. + Dit telde hi te spele al gader. + Daer na so toghede mijn vader + Brieve, die Brunen wel bequamen, + Daer XII.c al bi namen 2440 + Ser Isengrijns maghe in stonden, + Met scerpen claeuwen, met diepen monden; + Sonder die catten, ende die baren, + Die alle in Bruuns soude waren, + Ende die vosse metten dassen 2445 + Van Doringen ende van Sassen. + Dese hadden alle ghesworen, + Indien dat men hem te voren + Van XX daghen gave haer sout, + Si souden Brunen met ghewout 2450 + Seker wesen tsinen ghebode. + Dit benam ic al, danc Gode! + Doe mijn vader hadde ghedaen + Sine bodscap, soude hi gaen + Ende scouwen sinen scat; 2455 + Ende als hi quam ter selver stat, + Daer hine ghelaten hadde te voren, + Was die scat al verloren, + Ende sijn hol was uptebroken. + Wat holpe vele hier af ghesproken? 2460 + Doe mijn vader dat vernam, + Wart hi serich ende gram, + Dat hi van torne hem selven hinc. + Dus bleef achter Brunen dinc + Bi miere behendichede al. 2465 + Nu merct hier mijn ongheval: + Here Isengrijn ende Brune, die vraet, + Hebben nu den nauwen raet + Metten coninc openbare, + Ende arm man Reinaert es die blare!” 2470 + Die coninc ende die coninghinne, + Die beide hopeden ten ghewinne, + Si leden Reinaert buten te rade, + Ende baden hem, dat hi wel dade, + Ende hi hem wijsde sinen scat. 2475 + Ende alse Reinaert hoorde dat + Sprac hi: »Wijsdic u mijn goet, + Here coninc, die mi hanghen doet, + So waer ic ute minen sinne.” + --»Neen Reinaert, sprac die coninghinne, 2480 + Mijn here sal u laten leven, + Ende sal u vriendelike vergheven + Algader sinen evelen moet; + Ende ghi sult vortmeer sijn vroet + Ende goet, ende ghetrouwe.” 2485 + Reinaert sprac: »Dit doe ic, vrouwe, + Indien dat mi die coninc nu + Vaste ghelove, hier vore u, + Dat hi mi gheve sine hulde, + Ende Brune alle mine sculde 2490 + Wille vergheven; ende omme dat + So willic hem wisen minen scat, + Den coninc, al daer hi leghet.” + Die coninc sprac: »Ic ware ontweghet, + Wildic Reinaerde vele gheloven: 2495 + Hem es dat stelen ende dat roven + Ende dat lieghen gheboren int been.” + Die coninghinne sprac: »Here, neen, + Ghi moghet Reinaerde gheloven wel: + Al was hi hier te voren fel, 2500 + Hi nes nu niet dat hi was. + Ghi hebt ghehort, hoe hi den das + Ende sinen vader hevet bedreghen + Met morde, die hi wel beteghen + Mochte hebben andren dieren, 2505 + Wildi meer sijn arghertiere + Ofte fel, ofte onghetrouwe.” + Doe sprac die coninc: »Gentel vrouwe, + Al waendic dat mi soude scaden, + Eist dat ghijt mi dorret raden, 2510 + So willict laten up u ghenent, + Dese vorworde ende dit covent, + Up Reinaerts trouwe staen: + Newaer, ic segghe hem, sonder waen, + Doet hi meer archede, 2515 + Alle die hem ten tienden lede + Sijn belanc, sullent becopen!” + Reinaert sach den coninc belopen, + Ende wart blide in sinen moet, + Ende sprac: »Here, ic ware onvroet, 2520 + Ne gheloofdic niet also.” + Doe nam die coninc een stro + Ende vergaf Reinaerde algader + Die wanconst van sinen vader, + Ende sijns selves mesdaet toe. 2525 + Al was Reinaert blide doe, + Dan dinct mi gheen wonder wesen: + Jane was hi vander doot ghenesen! + Doe Reinaert quite was ghelaten, + Was hi blide utermaten, 2530 + Ende sprac: »Coninc, edel here, + God moete u lonen al der ere + Die ghi mi doet, ende mine vrouwe. + Ic secht u wel, bi miere trouwe, + Dat ghi mi vele ere doet: 2535 + So grote ere, ende so groot goet, + Dat niemen nes onder die sonne, + Dien ic alse wale soude onnen + Mijns scats ende miere trouwe, + Als ic u doe, ende miere vrouwe.” 2540 + Reinaert nam een stro vor hem + Ende sprac: »Here coninc, nem, + Hier geve ic di up den scat + Die wilen Ermelinc besat.” + Die coninc ontfinc dat stro, 2545 + Ende dancte Reinaerde so, + Als quansijs: »Dese maect mi here!” + Reinarts herte loech so sere, + Dat ment wel na an hem vernam, + Doe die coninc so gehorsam 2550 + Algader was te sinen wille. + Hi sprac: »Here, swighet stille; + Merket, waer mine redene gaet: + Int oostende van Vlaendren staet + Een bosch, ende heet Hulsterlo. 2555 + Coninc, ghi moghet wesen vro, + Mochti onthouden dit: + Een borne, heet Kriekepit, + Gaet suutwest niet verre dane; + Here coninc, ghine dorft niet wanen, 2560 + Dat ic u der waerheit iet messe: + Dats een die meeste wildernesse, + Die men hevet in enich rike. + Ic segghe u ooc ghewaerlike, + Dat somwilen es een half jaer, 2565 + Dat toten borne comet daer + No weder man nochte wijf, + No creature die hevet lijf, + Sonder die ule entie scuvuut, + Die daer nestelen in dat cruut, 2570 + Oft enich ander voghelijn + Dat daerwaert gherne wilde sijn, + Ende daer bi avonture lidet: + Daer in leghet mijn scat ghehidet. + Verstaet wel ditte, hets u nutte: 2575 + Die stede hetet Kriekeputte. + Ghi sult daer gaen, ende mine vrouwe; + Ne weset ooc niemene so ghetrouwe, + Die ghi sult laten wesen u bode, + Verstaet mi wel, coninc, dor Gode, 2580 + Maer gaet daer selve. Ende alse ghi + Dien selven putte comet bi, + Ghi sult vinden jonghe berken. + Here coninc, dit suldi merken: + Die alrenaest den putte staet, 2585 + Coninc, tote dier berken gaet: + Daer leghet die scat onder begraven. + Daer suldi delven ende scraven + Een lettel mos an ene side: + Daer suldi vinden menich ghesmide 2590 + Van goude, rikelijc ende scone: + Daer suldi vinden ooc die crone, + Die Ermelinc die coninc droech, + Ende ander chierheit ghenoech, + Edele stene, guldijn werc: 2595 + Men cocht niet omme dusent merc. + Ai coninc, als ghi hebt dat goet, + Hoe suldi peinsen in uwen moet: + Ai, Reinaert, ghetrouwe vos, + Die hier groeves in dit mos, 2600 + Desen scat bi dijnre list, + God gheve di goet, waer du bist!” + Doe andworde die coninc saen: + »Reinaert, sal ic die vaert bestaen, + Ghi moet sijn mede in die vaert, 2605 + Ende ghi moet ons, Reinaert, + Helpen den scat ontdelven. + Ic ne wane bi mi selven + Aldaer nemmermeer gheraken; + Ic hebbe ghehort noemen Aken 2610 + Ende Parijs, eist daer iet na? + Ende also als ic versta, + So smekedi, Reinaert, ende roemt; + Kriekeputte, dat ghi hier noemt, + Wanic, es een gheveinsde name.” 2615 + Dit was Reinaerde ombequame, + Ende verbalch hem, ende seide: »Ja, + Coninc, ghi sijter also na, + Alse van Colne tote Meie; + Waendi, dat ic u die Leie 2620 + Wille wisen in dien flume Jordane? + Ic sal u wel toghen, dat ic wane, + Orconde ghenoech, al openbare.” + Lude riep hi: »Cuwaert, comt hare, + Comet vor den coninc, Cuwaert!” 2625 + Die diere saghen dese vaert: + Hem allen wonderde, wat daer ware, + Cuwaert hi ghinc met vare: + Hem wonderde, wat die coninc woude. + Reinaert sprac: »Cuwaert, hebdi coude? 2630 + Ghi bevet; sijt blide al sonder vaer, + Ende secht minen here den coninc waer, + Dies mane ic u, bi der trouwe + Die ghi sijt sculdich miere vrouwe, + [Van al dat ic u sal vraghen.” 2635 + --»Al sout mi gaen an mine craghe, + Sprac Cuwaert, ic u niet en loghe; + Ghi hebt mi ghemaent also hoghe, + Dat ict te segghene sculdich bem.”] + Doe sprac Reinaert: »So secht hem: 2640 + Weetstu waer Kriekeputte steet?” + Cuwaert sprac: »Oft ict weet? + Jaic, hoene sout wesen so? + Ne staet hi niet bi Hulsterlo, + Up dien moer, in die woestine! 2645 + Ic hebber ghedoget grote pine, + Ende meneghen hongher, menich coude, + Ende armoede so menichfoude, + Up Kriekeputte, so menighen dach, + Dat ics vergheten niet ne mach. 2650 + Hoe mochte ic vergheten dies, + Dat aldaer Reinout die Vries + Die valsche penninghe sloech, + Daer hi hem mede bedroech + Entie ghesellen sine? 2655 + Dat was eer ic met Rine + Mijn gheselscap makede vast, + Die mi gequijtte meneghen last.” + --»Owi, sprac Reinaert, soete Rijn, + Lieve gheselle, scoon hondekijn, 2660 + Vergave God, waerdi nu hier, + Ghi sout toghen weder dese dier, + Met uwen sone, waers te doene, + Dat ic noint wart so coene, + Dat ic eneghe sake dede, 2665 + Daer ic den coninc mochte mede + Te miwaert belghen doen met rechte. + Gaet weder onder ghene cnechte, + (Sprac Reinaert) haestelic, Cuwaert; + Mijn here die coninc ne heeft tuwaert 2670 + Neghene sake te sprekene meer.” + Cuwaert dede een wederkeer, + Ende ghinc van sconinx rade daer. + Reinaert sprac: »Coninc, eist waer + Dat ic seide?”--»Reinaert, jaet, 2675 + Verghevet mi, ic dede quaet, + Dat ic u mestroude iet: + Reinaert, goede vrient, nu siet + Den raet, dat ghi met ons gaet + Ten putte, al daer die berke staet, 2680 + Daer die scat leghet begraven onder.” + Reinaert sprac: »Ghi secht wonder: + Waendi in waers harde vro, + Coninc, oft mi stonde also, + Dat ic met u wandelen mochte, 2685 + Also als ons beiden dochte, + Ende ghi waert al sonder sonde? + Neent, hets alse ic u orconde, + Ende ict u segghe, al eist scame: + Doe Isengrijn in sduvels name 2690 + In dordine ghinc hier te voren, + Ende hi te monke wart bescoren, + Doene conste hem niet ghenoeghen, + Daer VI monke hem bi bedroeghen. + Hi claghede ende kermede 2695 + So sere, dats mi ontfermede. + Doe hi cranc wart ende traech, + Doe haddics rouwe, als een sijn maech, + Ende gaf hem raet, dat hi ontran: + Daer omme bem ic in spaeus ban. 2700 + Maerghin, als die sonne up gaet, + Willic te Rome om aflaet; + Van Rome willic over see: + Dane en keric nemmermee, + Eer ic so vele hebbe ghedaen, 2705 + Coninc, dat ic met u mach gaen, + Tuwer ere, ende tuwer vrome, + Oft ic te lande weder come. + Het ware een onscone dinc, + Soudi, here coninc, 2710 + Maken uwe wandelinghe + Met enen verwaten ballinghe, + Als ic nu bem, God betere mi!” + Die coninc sprac: »Reinaert, sidi + Iet langhe verbannen?” Doe sprac Reinaert: 2715 + »Jaic, hets III jaer, dat ic waert + Vor den deken Hermanne + In vollen seende tebannen.” + Die coninc sprac: »Nadat ghi sijt + Tebannen, men souts mi doen verwijt 2720 + Lietic u met mi wanderen: + Ic sal Cuwaert ofte enen andren + Toten scatte doen gaen met mi; + Ende ic rade u, Reinaert, dat ghi + Niet ne laet, ghine vaert, 2725 + Dat ghi u vanden banne claert.” + --»Sone doe ic, sprac Reinaert, + Ic ga maerghin te Romewaert, + Gaet na den wille mijn!” + Die coninc sprac: »Ghi dinct mi sijn 2730 + Bevaen in harde goeden dinghen; + God onne u, dat ghijt moet vulbringhen, + Reinaert, alse u ende mi + Ende ons allen nutte si!” + Doe dese redene was ghedaen, 2735 + Doe ghinc Nobel, die coninc, staen + Up ene hoghe staghe van stene, + Daer hi up plach te stane allene + Als hi sat int hof te dinghe. + Die diere saten tenen ringhe 2740 + Al omme ende omme in dat gras, + Nadien dat elc gheboren was. + Reinaert stont bi der coninghinne, + Ende sprac met enen bliden sinne: + »Bidt vor mi, edele vrouwe, 2745 + Dat ic u met lieve weder scouwe.” + Soe sprac: »Die here, daert al an staet, + Doe u van sonden vul aflaet!” + Die coninc entie coninghinne + Ghinghen met enen bliden sinne 2750 + Vor haer diere, arme ende rike. + Die coninc hi sprac vriendelike: + »Reinaert es hier comen te hove, + Ende wille, dies ic Gode love, + Hem betren met al sinen sinne; 2755 + Ende mijn vrouwe die coninghinne + Hevet so vele ghedaen dor hem, + Dat ic sijn vrient worden bem, + Ende hi versoent es jeghen mi, + Ende ic hem hebbe ghegheven vri 2760 + Beide lijf ende lede: + Reinaerde ghebiedic vullen vrede; + Anderwaerf ghebiedic hem vrede; + Ende derde waerve mede: + Ende ghebiede u allen, bi uwen live, 2765 + Dat ghi Reinaerde, ende sinen wive + Ende sinen kindren ere doet, + Waer si comen in u ghemoet, + Sijt bi nachte, sijt bi daghe; + In wille meer neghene claghe 2770 + Van Reinaerts dinghen horen. + Al was hi roekeloos hier vore + Hi wille hem betren, ic segghe u hoe: + Reinaert wille maerghin vroe + Palster ende scerpe ontfaen, 2775 + Ende wille te Rome gaen, + Ende van Rome wille hi over see, + Ende dane comen nemmermee, + Eer hi heeft vul aflaet + Van alre sondeliker daet.” 2780 + Dese tale hevet Ticcelijn vernomen + Ende vlooch, dane hi es comen, + Ende hi vant die III ghesellen; + Nu hort, wat hi hem sal tellen: + Hi sprac: »Keitive, wat doedi hier? 2785 + Reinaert es meester bottelgier + Int hof, ende moghende utermaten; + Die coninc heeftene quite ghelaten + Van allen sinen mesdaden, + Ende ghi sijt alle III verraden.” 2790 + Isengrijn began andworden + Ticeline met corten worden: + »Ic wane, ghi lieghet, here raven!” + Mettien worde began hi scaven, + Ende Brune, hi volchde mede: 2795 + Si ghinghen recken hare lede + Lopende ten conincwaert. + Tibert was sere vervaert, + Ende bleef sittende up die galghe. + Hi was van sinen ruwen balghe 2800 + In sorghe groot, so utermaten, + Dat hi gherne wilde laten + Sijn oghe varen over niet, + Dat hi in spapen scure liet, + Indien dat hi versoent ware. 2805 + Hine wiste wat doen van vare + Dan hi ghinc sitten up die micke. + Hi claechde vele ende harde dicke, + Dat hi Reinaert nie bekinde. + Isengrijn quam met gheninde 2810 + Ghedronghen vore die coninghinne, + Ende sprac met enen fellen sinne + Te Reinaertwaert, so verre, + Dat die coninc wart al erre, + Ende hiet Isengrijn vaen, 2815 + Ende Brune. Also saen + Wortsi ghevanghen ende ghebonden: + Ghine saghet nie verwoeden honden + Doen meer lachters dan men dede + Isengrine ende Brunen mede. 2820 + Men voerese alse lede gaste, + Men bantse beide daer so vaste, + Dat si binder nacht + Met gheenrande cracht + Een let niet en mochten roeren. 2825 + Nu hort, hoe hise vort sal voeren, + Reinaert, die hem was te wreet: + Hi dede, dat men Brunen sneet + Van sinen rugghe een velspot af, + Dat men hem tere scerpen gaf, 2830 + Voets lanc ende voets breet. + Nu ware Reinaert al ghereet, + Haddi versce scoen. + Nu hort wat hi sal doen, + Hoe hi sal scoen ghewinnen. 2835 + Hi ruunde toter coninghinne: + »Vrouwe, ic hem u pelgrijn: + Hier es mijn oom Isengrijn, + Hi hevet II vaste scoen, + Helpt mi, dat icse an mach doen. 2840 + Ic neme u siele in mine plecht: + Het es pelgrijns recht, + Dat hi ghedenke in sinen ghebeden + Al tgoet dat men hem noit dede; + Ghi moghet u siele an mi scoien. 2845 + Doet Harsinde miere moien + Gheven twee van haren scoen. + Dit moghedi wel met ere doen: + Soe blivet thuus in haer ghemac.” + --»Gherne (die coninghinne sprac); 2850 + Reinaert, ghine mochtes niet omberen + Ghine hebt scoen; ghi moet varen + Uten lande in Gods ghewout, + Over berghe ende int wout, + Ende terden struke ende stene: 2855 + Dine arbeit wert niet clene, + Hets di noot dattu hebs scoen; + Ic wilre mine macht toe doen. + Die Isengrijns waren u ghemicke, + Si sijn so vaste ende so dicke 2860 + Die hi draghet ende sijn wijf: + Al sout hem gaen an haer lijf, + Elkerlijc moet u gheven scoen, + Daer ghi mede u vaert moet doen.” + Dus hevet die valsce pelgrijn 2865 + Beworven, dat der Isengrijn + Al toten cnien hevet verloren + Van beiden sinen voeten voren + Dat vel al gader toten claeuwen. + Ghine saecht noint voghel braeuwen, 2870 + Die stilre hilt al sine lede, + Dan Isengrijn die sine dede, + Doe men so jamerlike ontscoeide, + Dat hem dat bloet ten teen af vloeide. + Doe Isengrijn ontscoeit was, 2875 + Moeste gaen ligghen up dat gras + Vrouwe Hersint, die wulvinne, + Met enen wel droeven sinne; + Ende liet haer afdoen dat vel, + Ende die claeuwen also wel, 2880 + Van beiden haren voeten bachten. + Dese daet dede wale sachten + Reinaerde sinen droeven moet. + Nu hort, wat claghen hi noch doet: + »Moie, seit hi, lieve moie, 2885 + In hoe meneghen vernoie + Hebdi dor minen wille ghewesen! + Dats mi al leet; sonder van desen + Eist mi lief, ic segghe u twi: + Ghi sijt, des ghelovet mi, 2890 + Een die liefste van minen maghen, + Bedi sal ic u scoen an draghen. + God weet, dats al uwe bate! + Ghi sult an hoghen aflate + Delen, ende an alt pardoen, 2895 + Lieve moie, dat ic in u scoen + Sal bejaghen over see.” + Vrouwe Hersinde was so wee, + Dat soe cume mochte spreken. + --»Ai Reinaert, God moete wreken, 2900 + Dat ghi over ons siet uwen wille!” + Isengrijn balch, ende sweech stille, + Ende sijn gheselle Brune; neware + Hem was te moede harde sware; + Si laghen ghebonden ende ghewont. 2905 + Hadde ooc doe ter selver stont + Tibert die cater ghewesen daer, + Ic dar wel segghen, over waer, + Hi hadde so vele ghedaen te voren, + Hine waers niet bleven sonder toren. 2910 + Wat halpt, dat ict u maecte lanc? + Des anderdaghes vor sonnenupganc + Dede Reinaert sine scoen snoeren, + Die Isengrijns waren te voren, + Ende sijns wijfs vrouwe Hersinden, 2915 + Ende hadse vaste ghedaen binden + Om sine voete, ende ghinc + Daer hi vant den coninc, + Ende sijn wijf, die coninghinne. + Hi sprac met enen soeten sinne: 2920 + »Here, God gheve u goeden dach, + Ende miere vrouwe, die ic mach + Prijs gheven wel met rechte: + Nu doet gheven uwen cnechte, + Palster ende scerpe, ende laet mi gaen.” 2925 + Doe dede die coninc haesten saen + Den capelaen, Belijn den ram; + Ende als hi bi den coninc quam + Sprac die coninc: »Hier es + Dese pelgrijn; leest hem een gheles, 2930 + Ende ghevet hem scerpe ende staf!” + Belijn den coninc antworde gaf: + »Here, in dar des doen niet: + Reinaert hevet selve begiet, + Dat hi es in spaeus ban.” 2935 + Die coninc sprac: »Belijn, wattan? + Meester Jufroet doet ons verstaen: + »Hadde een man allene ghedaen + Also vele sonden alse alle die leven, + Ende wildi archeit al begheven, 2940 + Ende daer af te biechte gaen, + Ende penitencie ooc ontfaen, + Dat hi over see wille varen, + Hi mochte wel hem selve claren.” + Belijn sprac ten coninc echt: 2945 + »Ic en doere toe crom no recht, + Van gheesteliker dinc altoos, + Ghine wilt mi quiten scadeloos + Jeghen den bisscop, ende den deken.” + Die coninc sprac: »In VIII weken 2950 + Sone wane ic u bidden so vele; + Ooc haddic liever, dat uwe kele + Hinghe, dan ic u heden bat!” + Ende alse Belijn horde dat, + Dat die coninc balch te hemwaert, 2955 + Wart Belijn so vervaert, + Dat hi bevede van vare, + Ende ghinc ghereden sinen autare, + Ende beghan singhen ende lesen + Al dat hem goed dochte wesen. 2960 + Doe Belijn die capelaen + Omoedelike hadde ghedaen + Dat ghetide vanden daghe, + Doe hinc hi an Reinaerts craghe + Ene scerpe van Bruuns velle; 2965 + Ooc gaf hi den fellen gheselle + Den palster in die hant daer bi, + Te sinen ghevoeghe. Doe was hi + Al ghereet te siere vaert. + Doe sach hi ten conincwaert: 2970 + Hem liepen die gheveinsde trane + Neder neven sine granen, + Alse oft hi jammer in siere herte + Van rouwe hadde ende grote smerte! + Dit was bedi, ende anders niet, 2975 + Dat hi hem allen, die hi daer liet, + Niet hadde beraden al sulke pine, + Alse Brunen ende Isengrine + Van hem hadde moghen ghevallen. + Nochtan stont hi, ende bat hem allen, 2980 + Dat si over hem bidden souden, + Also ghetrouwelike als si wouden + Dat hi over hem allen bade. + Dat orlof nemen dochte hem spade, + Want hi gherne dane ware: 2985 + Hi was altoos sere in vare, + Als die hem selven sculdich weet. + Doe sprac die coninc: »Mi es leet, + Reinaert, dat ghi dus haestich sijt.” + --»Neen, here, het es tijt: 2990 + Men sal neghene weldaet sparen. + Uwen orlof: ic wille varen.” + Die coninc sprac: »Gods orlof.” + Doe gheboot hi al dat hof + Met Reinaerde uut te gane, 2995 + Sonder allene die ghevane. + Nu wart Reinaert pelgrijn, + Ende sijn oom Isengrijn + Ende Brune si ligghen ghebonden, + Ende siec van seren wonden. 3000 + Mi dinct, ende ic wane das, + Dat niemen so onspellic was + Tusscen Pollanen ende Scouden, + Die hem van lachene hadde onthouden, + Sowat rouwe so hem mochte ghescien, 3005 + Hadde hi Reinaert doe ghesien, + Hoe wonderlijc hi henen ghinc, + Ende hoe ghemackelijc dat hem hinc + Scerpe ende palster omme den hals, + Ende die scoen als ende als, 3010 + Die hi droech an sinen been + Ghebonden, so dat hi sceen + Een pelgrijn licht ghenoech. + Reinaerts herte binnen loech, + Dor dat si alle met hem ghinghen 3015 + Met so groter sameninghe, + Die hem te voren waren wreet. + Doe sprac hi: »Coninc, mi es leet, + Dat ghi so verre met mi gaet: + Ic vruchte, het mach u wesen quaet! 3020 + Ghi hebt ghevaen II mordenaren: + Ghevalt, dat si u ontfaren, + Ghi hebt u te wachtene meer + Dan ghi noint hadt eer. + Blijft ghesont, ende laet mi gaen.” 3025 + Na deser tale ghinc hi staen + Up sinen achtersten benen, + Ende maende grote ende clene, + Dat si alle vor hem baden, + Oft si van allen weldaden 3030 + Recht deel nemen wouden. + Si seiden alle, dat si souden + Sijns ghedinken in haer ghebeden. + Nu hort vort wat Reinaert dede: + Daer hi vanden coninc sciet, 3035 + So droevelic hi hem gheliet, + Dat hem somen sere ontfaremde. + Cuwaert den hase hi becaremde: + »Owi, Cuwaert, sullen wi sceiden! + Oft ghi wilt, ghi sult mi gheleiden, 3040 + Ende mijn vrient Belijn die ram: + Ghi twee, ghine daet mi noint gram. + Ghi moet mi bet vort bringhen! + Ghi sijt van soeter wandelinghe, + Ende omberocht, ende goedertiere, 3045 + Ende ombeclaghet van allen dieren. + Ghestade es uwer beider sede, + Als ic doe ten tiden dede. + Als ic clusenare was; + Hebdi lovere ende gras, 3050 + Ghine doet neghenen eesch + Nochte om broot nochte om vleesch, + Nochte om sonderlingher spise.” + Met aldus ghedanen prise + Hevet Reinaert dese II verdoort, 3055 + Dat si met hem ghinghen voort, + Tote dat hi quam vor sijn huus, + Ende vor die porte van Maupertuus. + Alse Reinaert vor die porte quam, + Hi sprac: »Belijn, neve ram, 3060 + Ghi moet allene buten staen: + Ic moet in mine veste gaen. + Cuwaert sal in gaen met mi. + Here Belijn, bidt hem, dat hi + Trooste wel vrouwe Hermelinen, 3065 + Met haren clenen welpkinen, + Als ic orlof an hem neme.” + Belijn sprac: »Ic bids heme, + Dat hise alle trooste wale.” + Reinaert ghinc met scoonre tale 3070 + So smeken ende losengieren + In so menegher maniere, + Dat hi bi barate brochte + Cuwaert in sine haghedochte. + Als si in dat hol quamen, 3075 + Cuwaert ende Reinaert tsamen, + Doe vontsi vrouwe Hermelinen + Met haren clenen welpkinen, + Die was in sorghe ende in vare; + Want soe waent, dat Reinaert ware 3080 + Verhanghen. Ende als soe vernam, + Dat hi weder thuuswaert quam, + Ende palster ende scerpe droech, + Dit dochte haer wonders ghenoech. + Soe was blide ende sprac saen: 3085 + »Reinaert, hoe sidi ontgaen?” + --»Ic bem worden pelgrijn. + Here Brune ende here Isengrijn + Sijn worden ghisele over mi: + Die coninc hevet, danc hebbe hi, 3090 + Cuwaert ghegheven in rechter soene, + Al onsen wille mede te doene. + Die coninc hi liede das, + Dat Cuwaert die eerste was, + Die ons verriet jeghen hem: 3095 + Ende bi der trouwe, die ic bem + Sculdich u, vrouwe Hermeline! + Cuwaerde naket grote pine; + Ic bem up hem met rechte gram.” + Ende alse dat Cuwaert vernam, 3100 + Keerdi hem omme, ende waende vlien; + Maer dat ne conste niet ghescien; + Want Reinaert hadde hem ondergaen + Die porte, ende ghegrepene saen + Bi der kelen mordelike. 3105 + Ende Cuwaert riep ghenadelike: + »Helpt mi, Belijn, waer sidi? + Dese pelgrijn verbijt mi!” + Dat roepen sciere was ghedaen, + Bedi Reinaert hadde saen 3110 + Sine kele ontwee ghebeten. + Doe sprac hi: »Nu gawi eten + Desen goeden vetten hase!” + Die welpkine liepen ten ase: + Ende ghinghen eten al ghemene. 3115 + Hare rouwe was wel clene, + Dat Cuwaert hadde verloren tlijf: + Ermeline, Reinaerts wijf, + At dat vleesch, ende dranc dat bloet. + Ai, hoe dicke bat soe goet 3120 + Den coninc, die dor sine doghet + Die clene welpkine hadde verhoghet + So wel met enen goeden male. + Reinaert sprac: »Hi ans u wale: + Ic weet wel, moet die coninc leven, 3125 + Hi soude ons gherne ghiften gheven, + Die hi selve niet ne woude + Hebben, om VII mare van goude.” + --»Wat ghiften es dat?” sprac Hermeline. + Reinaert sprac: »Hets ene line, 3130 + Ende ene vorst, ende twee micken; + Maer maghic, ic sals ontscricken, + Hopic, eer liden daghe twee, + Dat ic omme sijn dreighen mee + Ne gave, dan hi omme tmijn.” 3135 + Soe sprac: »Reinaert, wat mach dat sijn?” + Reinaert sprac: »Vrouwe, ic secht u. + Ic weet een wildernesse nu + Van langhen haghen, ende van heiden, + Ende dier so nes niet onghereide, 3140 + Van goeden ligghene ende van spisen; + Daer wonen hoenre ende partrisen, + Ende menegherande vogheline. + Wildi doen, vrouwe Ermeline, + Dat ghi gaen wilt met mi daer, 3145 + Wi moghen daer wel VII jaer, + Willen wi, wandelen onder die scade, + Ende hebben grote ghenade, + Eer wi worden daer bespiet. + Al seidic meer, in loghe niet.” 3150 + --»Ai, Reinaert, sprac vrouwe Hermeline, + Dit dinct mi wesen ene pine, + Die al gader ware verloren: + Ne hebdi dit lant versworen + In te wonen nemmermee, 3155 + Eer ghi comt van over see? + En hebdi palster ende scerpe ontfaen?” + Reinaert antworde vele saen: + »So meer ghesworen, so meer verloren, + Mi seide een goet man hier te voren, 3160 + (In rade dat hijt mi riet, + Bedi neghene trouwe diet) + Al vuldade ic dese vaert, + En holpe mi niet (sprac Reinaert); + In waers een ei niet te bat: 3165 + Ic hebbe den coninc enen scat + Belovet, die mi es onghereet; + Ende als hi des die waerheit weet, + Dat ic hem al hebbe gheloghen, + Ende hi bi mi es bedroghen, 3170 + Sal hi mi haten vele mere, + Dan hi noint dede ere. + Daer bi peinsic in minen moet, + Dat varen es mi also goet + Alse dat bliven (sprac Reinaert); 3175 + Ende Godsat hebbe mijn rode baert, + (Ghedoe hoe ic ghedoe) + Oft mi troostet mee daer toe + No die cater no die das, + No Bruun, die na mijn oom was, 3180 + Dat ic in des coninx ghenade + No dor ghewin, no dor scade, + Ne come; dat ic leve lancst, + Ic hebbe leden so meneghen anxt!” + So sere balch die ram Belijn, 3185 + Dat Cuwaert, die gheselle sijn, + In dat hol so langhe merrede, + Hi riep, als die hem sere errede: + »Cuwaert, laets den duvel wouden! + Hoe langhe sal u Reinaert houden? 3190 + Twine comdi uut, ende laet ons gaen?” + Alse Reinaert dit hadde verstaen, + Doe ghinc hi ute, tote Beline, + Ende sprac al stillekine: + »Ai here, twi so belghedi? 3195 + Al sprac Cuwaert jeghen mi + Ende jeghen sire moien, + Waer omme mach di des vernoien? + Cuwaert dede mi verstaen, + Ghi moghet wel sachte vore gaen, 3200 + Ne wildi hier niet langher sijn; + Hi moet hier merren een lettelkijn + Met siere moien Hermelinen, + Ende met haren welpkinen, + Die sere wenen ende mesbaren, 3205 + Om dat ic hem sal ontfaren.” + Belijn sprac: »Nu secht mi, + Her Reinaert, wat hebdi + Cuwaerde te lede ghedaen? + Also als ic conste verstaen 3210 + So riep hi harde hulpe up mi.” + Reinaert sprac: »Wat sechdi! + Belijn, God moete u beraden! + Ic segghe u, wat wi daden: + Doe ic in huus gheganghen quam, 3215 + Ende Ermeline an mi vernam, + Dat ic wilde varen over see, + Ten eersten wart haer so wee, + Dat soe langhe in onmacht lach: + Ende alse Cuwaert dat ghesach, 3220 + Doe riep hi lude: »Helet vri, + Comt hare, ende helpet mi! + Mine moie soes in ommacht.” + So riep hi met groter cracht: + Dit waren die worde, ende niet el.” 3225 + --»Entrouwe, ic verstont ooc wel, + Dat Cuwaert dreef groot mesbare: + Ic waende hem iet mesvallen ware.” + Reinaert sprac: »Belijn, neent niet: + Mi ware liever, mesquame hier iet 3230 + Minen kindren ofte minen wive, + Dan mijns neven Cuwaerts live!” + Reinaert sprac: »Vernaemdi iet, + Dat mi die coninc ghistren hiet + Vor harde vele hogher liede, 3235 + Als ic uten lande sciede, + Dat ic hem een paer lettren screve? + Suldijt hem draghen, Belijn neve? + Hets ghescreven ende al ghereet.” + Belijn sprac: »Ic ne weet; 3240 + Reinaert, wistic u ghedichte, + Dat ghetrouwe ware, ghi mochtet lichte + Ghebieden, dat iet ten coninc + Droeghe, haddic eneghe dinc, + Daer ict mochte in steken.” 3245 + Hi sprac: »U ne sal niet ghebreken; + Eer des coninx lettren bleven, + Ic soude u dese scerpe gheven, + Here Belijn, die ic draghe, + Ende hanghense an uwe craghe, 3250 + Ende des coninx lettren daer in. + Ghi sulter af hebben groot ghewin, + Des conincs danc, ende groot ere! + Ghi sult den coninc minen here + Harde willecome sijn.” 3255 + Dit lovede mijn here Belijn. + Reinaert ghinc in die haghedochte, + Ende keerde weder, ende brochte + Sinen vrient Beline jeghen + Dat hovet van Cuwaerde ghedreghen: 3260 + In die scerpe haddijt ghesteken, + Ende hinc bi sinen quaden treken + Die scerpe Beline an den hals, + Ende beval hem als ende als, + Dat hi die lettren niet ne soude 3265 + Besien, oft hi gherne woude + Den coninc tenen vriende maken; + Ende seide hem, dat die lettren staken + In die scerpe verholenlike; + Ende oft hi wesen wilde rike, 3270 + Ende sine ere hadde lief, + Dat hi seide, dat dese brief + Bi hem allene ware ghescreven, + Ende hiere raet toe hadde ghegheven: + Die coninc souts hem weten danc. 3275 + Dat horde Belijn, ende spranc + Vander stede up, daer hi stoet, + Meer dan enen halven voet, + So blide was hi vander dinc, + Die hem te torne sint verghinc. 3280 + Doe sprac Belijn: »Reinaert, here, + Nu wetic wel, dat ghi doet ere + Mi selven, ende die sijn int hof! + Men sals mi spreken groten lof, + Als men weet, dat ic can dichten 3285 + Met sconen worden ende met lichten; + Al si dat ics niet ne can. + Men seit, hets dicke menich man + Grote ere ghesciet, dat hem God onste, + Van dinghen, die hi lettel conste.” 3290 + Hier na sprac Belijn: »Reinaert, + Wats u raet? wille Cuwaert + Met mi weder te hove gaen?” + --»Neen hi (sprac Reinaert); hi sal saen + Volghen bi dien selven pade: 3295 + Hine hevet noch neghene stade. + Nu gaet vore met ghemake! + Ic sal Cuwaerde sulke sake + Ontdecken, die noch es verholen.” + --»Reinaert, so blivet Gode volen!” 3300 + Mettien hi dede hem up die vaert. + Nu hort, wat hi doet, Reinaert: + Hi keerde in sine haghedochte + Ende sprac: »Hier naect ons groot gherochte, + Bliven wi hier, ende grote pine: 3305 + Ghereet u, vrouwe Hermeline, + Ende mine kindre also algader; + Volghet mi, ic bem u vader, + Ende pinewi ons, dat wi ontfaren.” + Doene was daer gheen langher sparen: 3310 + Si daden hem alle up die vaert: + Ermeline ende here Reinaert, + Ende hare jonghe welpkine, + Dese anevaerden die woestine. + Nu hevet Belijn, die ram, 3315 + So ghelopen, dat hi quam + Te hove, een lettel na middach. + Als die coninc Belijn ghesach, + Die die scerpe weder brochte, + Daer Brune die bere so onsochte 3320 + Te voren omme was ghedaen, + Doe sprac hi te Beline saen: + »Here Belijn, waen comedi? + Waer es Reinaert? hoe comt, dat hi + Dese scerpe niet en draghet?” 3325 + Belijn sprac: »Coninc, ic maghet + U segghen also alse ict weet. + Doe Reinaert al was ghereet, + Ende hi tcasteel rumen soude, + Doe seide hi mi, dat hi u woude 3330 + Een paer lettren, coninc vri, + Senden; ende doe bat hi mi, + Dat icse droeghe dor uwe lieve. + Ic seide, meer dan VII brieve + Soudic dor uwen wille draghen. 3335 + Doe ne conste Reinaert niet bejaghen + Daer ic die brieve in draghen mochte: + Dese scerpe hi mi brochte + Ende die lettren daer in ghesteken. + Coninc, ghine horet noint spreken 3340 + Van betren dichtre dan ic bem: + Dese lettren dichte ic hem, + Gaet mi te goede, oft te quade; + Dese lettren sijn bi minen rade + Aldus ghemaect ende ghescreven.” 3345 + Doe hiet hem dien coninc gheven + Den brief Botsaerde, sinen clerc: + Dat was hi, die hantwerc + Bet conste dan iemen die daer was. + Botsaert plach emmer dat hi las 3350 + Die lettren, die te hove quamen. + Bruneel ende hi si namen + Die scerpe vanden halse Beline, + Die bi der dompheit sine + Hier toe hadde gheseit so verre, 3355 + Des hi snieme sal worden erre. + Die scerpe ontfinc Botsaert, die clerc. + Doe moeste bliken Reinaerts werc. + Alse hi dat hovet vort trac, + Botsaert, ontsach dat, ende sprac: 3360 + »Helpe, wat lettren sijn dit! + Here coninc, bi miere wit, + Dit es dat hovet van Cuwaerde! + Owach, dat ghi noint Reinaerde, + Coninc, ghetrouwedet so verre!” 3365 + Doe mochtemen droeve sien ende erre + Dien coninc entie coninghinne. + Die coninc stont in droeven sinne, + Ende sloech sijn hovet neder. + Over lanc verhief hijt weder 3370 + Ende begonste werpen uut + Een dat vreselijcste gheluut, + Dat noint van diere ghehort waert. + Ghene diere waren vervaert. + Doe spranc vort Firapeel, 3375 + Die lupaert: hi was een deel + Des coninx maech, hi mocht wel doen; + Hi sprac: »Here, coninc lioen + Twi drijfdi dus groot onghevoech? + Ghi mesliet u ghenoech 3380 + Al ware die coninghinne doot. + Doet wel ende wijsheit groot, + Ende slaect uwen rouwe een deel.” + Die coninc sprac: »Her Firapeel, + Mi hevet een quaet wicht so verre 3385 + Bedroghen, dat ics bem erre, + Ende int strec gheleet bi barate, + Dat ic recht mi selven hate, + Ende ic mine ere hebbe verloren. + Die mine vriende waren te voren, 3390 + Die stoute Brune, ende Isengrijn, + Die rovet mi een valse pelgrijn: + Dat gaet miere herten na so sere, + Dat het gaen sal an mine ere, + Ende an mijn leven: het es recht!” 3395 + Doe sprac Firapeel echt: + »Es daer mesdaen, men salt soenen. + Men sal den wulf ende Bruun den coenen, + Ende vrouwe Hersinde also wel, + Betren hare mesdaet snel; 3400 + Ende haren toren, ende hare pine + Versoenen met den ram Beline, + Na dat hi selve heeft gheliet, + Dat hi Cuwaerde verriet; + Hi heeft mesdaen, hi moet becopen. 3405 + Ende daer na sullen wi alle lopen + Na Reinaerde, ende sulne vanghen, + Ende bi siere kelen hanghen, + Sonder vonnesse, hets recht.” + Doe andworde die coninc echt: 3410 + »Owi, here Firapeel, + Mochte dit ghescien, so ware een deel + Ghesocht die rouwe, die mi slaet!” + Firapeel sprac: »Here, jaet, + Ic wille maken gaen die soene.” 3415 + Doe ghinc Firapeel, die coene, + Daer hi die ghevane vant: + Ic wane dat hise eerst ontbant, + Ende daer na sprac: »Ghi heren beide, + Ic bringhe u vrede ende vast gheleide: 3420 + Mijn here die coninc groet u, + Ende hem berouwet sere nu, + Dat hi jeghen u heeft mesdaen. + Hi biet u, wildijt ontfaen, + (Wie so blide si ofte gram,) 3425 + Hi wille u gheven Belijn den ram, + Ende alle ser Belijns maghe, + Van nu toten doemsdaghe: + Eist int velt, eist int wout, + Hebse alle in u ghewout, 3430 + Ende ghise gheweldelike verbit: + Die coninc ombiet u vor al dit, + Dat ghi moghet sonder mesdaet, + Reinaerde toren ende quaet + Doen, ende allen sinen maghen, 3435 + Waer so ghise moghet belaghen. + Dese grote vriheden + Wille u die coninc gheven heden + Te vrien lene, ewelike; + Ende hier binnen wilt die coninc rike, 3440 + Dat ghi hem sweret vaste hulde. + Hine wille ooc bi sinen sculden + Nemmer jeghen u mesdoen. + Dit biet u die coninc lioen. + Dit nemt, ende leeft mit ghenade: 3445 + Bi Gode, ic dart u wel raden!” + Isengrijn sprac toten bere: + »Wat sechdire toe, Brune here?” + --»Ic hebbe liever in die risere, + Dan hier te ligghene int isere: 3450 + Laet ons toten coninc gaen, + Ende sinen pais daer ontfaen.” + Met Firapeel dat si ghinghen, + Ende maecten pais van allen dinghen. + +__________ + +VERSNOTEN + +Vs. 1-9: Zie de Inleiding, § II. + +Vs. 2: _Dicken_, en zoo gewoonlijk, b.v. 70, 344, 1130, 1392, 1475, + 1518, 1730, 1746, 1781, 2337, 3288. + +Vs. 10: _hulpen jonnen_ + +Vs. 11: _keert_ + +Vs. 14: _Ofte_ + +Vs. 24: _Daden si wel si soudens b._ Mijne verandering rust op Mnl. + Versbouw, bl. 120 en 138. + +Vs. 25: _Dat en s._ + +Vs. 28: _hovescheden_ + +Vs. 29: _keert_ + +Vs. 35: _eren_ + +Vs. 36: L. _Ende haer daer toe keren?_ Opdat even als het voorgaande vs. + ook dit slechts drie verheffingen hebbe? + +Vs. 39: C. _sinnen_ + +Vs. 41: C. _tsinxen_, Gr. _pinxen_ + +Vs. 47: _ten wel gr. l._ Moet men dit en het volgende vers ook met drie + arses lezen? aldus: _Houden te groten love. Doe quam tes coninx + hove?_ + +Vs. 52: _ne_ invoegsel van mij + +Vs. 60: C. _metten grisen b._; doch zie 3176, en verg. 940, 3745, 3771. + _Grijs_ daarentegen heet de wolf, 2266. + +Vs. 66: _Dor u ed. ende dor u ere_ + +Vs. 67: _Ende dor r. e. d. ghenaden_ + +Vs. 68: _miere_, dus CGr.; W. verandert: _der groter_; maar verg. 318. + +Vs. 74: W. _minen kindren_. + +Vs. 76: _meer_, invoegsel van WILLEMS. + +Vs. 78: _hoondi_ + +Vs. 79: CGr. _sint_, dat W. blootelijk wegwerpt. + +Vs. 80: _enen_ + +Vs. 85: _ontvoer ons in_. Maar het Fr. heeft 9691: _Il se retraist mout + tost arière, Si se féri en sa taisnière._ + +Vs. 93: _Inne_, dus C. bij GrW. _Ine_. Zoo ook 492, 560, 1609. + +Vs. 97: _Onghebetert no onghewroken_. CGrW. _No onverswegen, no + ongewr._, hetgeen met den voorgaanden regel geen zin oplevert. De + omwerking gaf de verbetering aan de hand. Bij het lezen moet _no + ongewr._ samenvloeyen. Zoo vs. 404 _no onse_; doch zie mijne + verbetering aldaar. + +Vs. 100: Moet men lezen: _Ende claghede_ in Fr.? + +Vs. 101: _arem_ + +Vs. 107: _die wart gram_ + +Vs. 119: W. _enen_. + +Vs. 124: _omberet_ C. Gr. _omberecht_; maar zie 127. + +Vs. 126: _Pancer de bever sprac_; mijne uitlating, door den versbouw + gevorderd, steunt op de omwerking. Men leest intusschen vs. 107: + _Tibert die cater_; 138: _Cuwaerde den hase_, en 177: _Grimbert + die das_ in het rijm; evenzoo vs. 247, 479, enz. + +Vs. 133: CGr. _mochtire_. CGrW. _an_. + +Vs. 135: _Wat sechdi van omberen claghe_; ik meen aldus den onzin van + het hs. te moeten herstellen, waar men leest: _Wat sechdi van eere + lage_. Tibert had immers van geene _lage_ gesproken; wel van eene + _claghe_, en bepaaldelijk van het _omberen_ (achterlaten) der clage + van Cortois. De verbetering van den omwerker (_van eenre sagen_) was + niet gelukkig. + +Vs. 136: _in_ W. _aen_. + +Vs. 138: _An Cuwaerde den hase d. h. st._; doch zie op vs. 126. + +Vs. 139-140: Moet men ook lezen: _ghederde_: _verde_? Dan zou _die_ + slaan op _overdaet_ en niet op _Cuwaerde_. Ook vs. 166 leest men + _verde_ voor _vrede_; maar wederom 266 _vrede_ in 't rijm. + +Vs. 140: _hi hem_ + +Vs. 141: _des coninx_ + +Vs. 145-6: _sine beene_: _over eene_; doch _been_ in 't meervoud is naar + den regel. + +Vs. 146: _begonsten si_ + +Vs. 149: _te dien_ + +Vs. 153-4: _vaerde_: _Reinaerde_ + +Vs. 155: _lessen_ + +Vs. 158: _kele_ + +Vs. 159: _thooft af hebben genomen_, in strijd met rhythmus en oud + spraakgebruik. + +Vs. 160: _te hulpen_ + +Vs. 161: _aventuren_ + +Vs. 163: _here_ + +Vs. 166: _dus es_; GrW. _vrede_ + +Vs. 167: _als uwe mannen_ + +Vs. 168: _noch_ invoegsel van mij. + +Vs. 172: _Here, waer R. doot_; de vocativus is hier echter geheel + ongepast, daar niemand in 't bijzonder wordt toegesproken; hij + bederft slechts het vers. + +Vs. 175: _binnen eere_. De zin zoowel als de versmaat eischt de + verbetering; _binnen de_, _binnen deze maand_ is krachtiger en + gepaster. + +Vs. 183: _talen_ + +Vs. 185: _als_ + +Vs. 187: _angaen_. Moet men naar de hedendaagsche vlaamsche uitspraak + lezen: _wilde anegaen_? + +Vs. 191-4: Men konstruere aldus: Entie, van minen oom ende van u, meest + andren heeft mesdaen, sal den andren in bate staen. + +Vs. 192: _baten_ + +Vs. 194: _ne_ invoegsel van mij. + +Vs. 198: _En soude den coninc niet d. g._ + +Vs. 199: _bleves heden onb._ Blijkbaar een inlapsel, dat zelfs de + omwerker niet heeft. Gr. en W. veranderen _blevets_, maar hoewel + duidelijker, is de invoeging der _t_ onnoodig. + +Vs. 201: Moet _Dicwile_ niet worden veranderd in _Dicke_, wegens den + valschen klemtoon? Verg. 207. + +Vs. 207: _wisen_ + +Vs. 210: _volghedet_, C. _volghet_; bij Gr. en W. _volchdet_--_van + verren_. + +Vs. 211: _die beste pladise_; maar vs. 213 leert dat hij niet alleen _de + beste_, maar alle visschen opslokte. + +Vs. 212: _Daer ghi u ane h. vers._ + +Vs. 214: _een_ l. _eens_? + +Vs. 215: _Dat ghi_, doch 216 leest men _dat ghine_, bij Gr W. verandert + in _ghijt_. In de taal van 't dagelijksch leven is in Holland _grat_ + (_graat_) echter nog onzijdig. + +Vs. 225: L. _soe's so_ + +Vs. 228: _sorghe_ + +Vs. 229: _warpene_ + +Vs. 231: _dor Isengrijm_ + +Vs. 232: _meer dan ic u rijm_. De omwerking wees de verbetering aan. + +Vs. 233: _genoegh_; maar ook 1625 leest CGr. _ghenoech_ voor _ghevoech_, + gelijk GRÄTER ontelbare malen de _n_ en de _v_ verwart. + +Vs. 234: C. _Nochtan ō meer_; GrW. _Nochtan om meer_. + +Vs. 236: _Reinaerde_ + +Vs. 238: _makedent_ + +Vs. 244: _Reinaert_ + +Vs. 246: _talen_; bij W. _tale_, maar achter _wat_ volgt meestal een + genit. plur. Zie _Walewein_ II D., bl. 239, en voeg er bij _Ferg._ + 2036 _wat saken_; en hier 2884 _wat claghen_, 3129 _wat ghiften_. + +Vs. 247: _maket here Cuwaert_ + +Vs. 249: C. _Credo_ + +Vs. 252: W. _in trouwen_ + +Vs. 256: CGr. _Ende hoordi_ + +Vs. 258: _qualike_. C. heeft _Onrecht_: de verbetering is van Gr., die + haar verklaart »jure, mit recht”. Reineke heeft ook 262 _mit + rechte_. + +Vs. 260: _verjonnen_; ik kies hier de ouder vorm. + +Vs. 269: _een hare_. + +Vs. 272: _danen_; CGr. _seidi_ + +Vs. 274: _Sinen_ + +Vs. 279: _Bleec es hi ende mager van pinen_ + +Vs. 280: _carinen_ + +Vs. 281: _sine_ + +Vs. 283: _dese_ + +Vs. 286: _ene_ + +Vs. 287: C. _ende hiet Coppe_ + +Vs. 288: _Dier_: W. leest met C. _Die_; en Gr. _Der_ + +Vs. 291: _voor die bare_; maar dat dit eene interpolatie is leert de + versmaat en de omwerking. + +Vs. 293: Gr. _ieweder siden_; C. _baren_. + +Vs. 295: _Die een hane hiet Cr._; doch verg. 298. + +Vs. 296: _na_ ontbr. in C.; reeds door Gr. ingevoegd. + +Vs. 297: _goeden_ + +Vs. 300: _Die scoonste hane diemen v._ + +Vs. 301: _Tusschen Portaengen ende Polanen_. WILLEMS vertaalde: + »tusschen Britanje en Polen.” De omwerker heeft: _Tusschen Hollant + ende Ordanen_. Vs. 3023 _Tusschen Pollanen ende Scouden_; 599 + _Tusschen hier ende Portugale_. + +Vs. 303: C. _berrende_ De verandering is van Gr. + +Vs. 307: _sustre_ + +Vs. 311: _Van haerre suster_ + +Vs. 318: C. _scaden_ + +Vs. 320: C. _mine sustren_ + +Vs. 321: _Ende sere hebben haren onwille_. + +Vs. 324: CGr. _men siet_ + +Vs. 332: _te dien broede_ + +Vs. 334: _scone_ + +Vs. 335: W. _eenen_, CGr. _ene_ + +Vs. 337: _honden_ + +Vs. 338: CGr. _dierfel_ l. _dier-vel_? + +Vs. 342: _ne_ ontbreekt. + +Vs. 344: _om de mure_ l. _ombe mure_? verg. VELTH, bl. 55, en zie hier + vs. 393, 1710 + +Vs. 345: _om ons_ + +Vs. 347: _Riepen si_ maar uit 349 blijkt dat er _liepen_ moet staan. + Herhaaldelijk is uit C. de kapitale _L_ kwalijk als _R_ gelezen: + b.v. 721 ook _Riept_ voor _Liept_, en verder 165, 424, 791, 793, + 796, 815, 838, 863, 1299, 1367, 1387. Zie GRIMMS Kollatie.--_si_ l. + _siere_ (_Liepsiere_)? + +Vs. 349: _avonturen_ + +Vs. 353: _baraten_ + +Vs. 354: _Dattene God moete verwaten_. De omwerking gaf de verbetering + aan de hand. + +Vs. 357: _Reinaert die m. d._ Blijkbaar is de eigennaam een glosseem van + een afschrijver, die terugdeinsde voor de betooning: Dié mordádège + diéf, waarover zie Mnl. Vsb. bl. 76-78 en 69. + +Vs. 361-2: _began lesen, Dochte mi daer an ghescreven wesen_; doch + _wesen_ ontbr. in C. door Gr. aangevuld. + +Vs. 364: _alle_ + +Vs. 365: C. _Alle_ + +Vs. 367: _hi mi ander_. Men zou ook kunnen lezen: _mi and'r niemáre_, + maar ook vs. 1577, 1603 is de betooning _niémáre_. + +Vs. 370: _Ende hi hadde ghedaen vele sware_, hetgeen met het volgende + vers geen zin oplevert. De stoplap _te waren_ vindt men ook 603. + +Vs. 371: _sine_ + +Vs. 376: _moogdi_ + +Vs. 381: _sielen_ + +Vs. 385: C. _priemen_ GrW. _primen_ + +Vs. 387: _te dien_ + +Vs. 392: _Dat ic al met m. br._ + +Vs. 393: _Sonder s. ginc b._ + +Vs. 397: _hadde ons die p._ + +Vs. 398: W. _kindren_ + +Vs. 401: _Mesval mi doe nakede_. Het eerste woord is aan de omwerking + ontleend, CGrW. _Quade avonture mi d. n._, hetgeen vijf voeten aan + het vers geeft, dat er, om het volgende, maar drie duldt. + +Vs. 404: _no onse hont_; maar het voorgaande _ons_ is de acc.; + buitendien waren er meer honden, zie 346. + +Vs. 406: _dat laet_, doch zie vs. 318, 420. + +Vs. 413: _vieren_ + +Vs. 417: _hinne_ ontbreekt bij CGrW. + +Vs. 418: _dese_ + +Vs. 421-2: _Die c. spr. Grimbert die das_ (:_was_), hetgeen in voc. + onmogelijk is. Dat dit echter de oude lezing is, leert de omwerking. + Evenzoo heeft het Fr. 10445: »_Où estes-vos, Tyber li chaz?_” + +Vs. 425: _hier_, W. _heer_ + +Vs. 428: _sielen_ + +Vs. 430: _moeter al gh._ + +Vs. 432: _wise_, beter _wine_? Dit slaat dan niet op _dochter_ (427), + maar op _lichame_. + +Vs. 437: _dese_ + +Vs. 439: C. _jonghe_ + +Vs. 445: C. _horen_. + +Vs. 447: _Neware_, met C. en Gr., bij W. _Ne mare_; doch zie vs. 95, + 174, 1749. + +Vs. 448 en 9: _sielen_ + +Vs. 451: _Coppen_, dus C., maar Gr. en W. veranderen _Coppe_. + +Vs. 455: CGr. _daer an sach_; W. _daer sach_ + +Vs. 456: CGr. _Die saerc_; W. _An den s._ + +Vs. 457: _Dede an_ + +Vs. 463: _Reinaert die vos_ + +Vs. 465: _mouden_. + +Vs. 466: _te sinen_ dus GrW., C. heeft _tsinen_. + +Vs. 470: _waren si_ + +Vs. 471: _si daar den_ + +Vs. 472: _hine dan soude_ + +Vs. 474-5: _No dor scade ... ne liete._ Zie over de elliptische + spreekwijs DE VRIES, _Brief over Karel den Gr._, bl. 17. Voor + _liete_ heeft C. _lette_. GRIMM gaf de aanvankelijke verbetering aan + de hand, lezende _lete_, waarschijnlijk naar Reineke 454. + +Vs. 474: _vromen_ + +Vs. 476: _Brunen_, CGrW. lezen _Brune_, maar zijn in het gebruik van + dezen eigennaam zeer onregelmatig. Ik vind: N. Bruun, vs. 510, + 525, 776, 850. G. Bruuns, vs. 2444. D. Brune, vs. 476, 645, 2257. + A. Bruun, vs. 544, 911. Maar ook volgens GRIMMS paradigma, Gram. I, + 772-773: N. Brune, vs. 497, 518, 574, 608, 809, 818, 839, 843, 863, + 952, 961, 988, 3391. G. Brunen, vs. 2413. D. Brunen, vs. 657, 773, + 807, 2439, 2450, 2820; Bruun, 479, 931. A. Brune, vs. 978, 983, + 2256, 2309, 2816. Ik heb de zwakke vorm voorgetrokken. + +Vs. 478: _was die coninc sc. b._ + +Vs. 480: _vor dit here_. Ook het Fr. heeft 10450 _En la presence de ma + gent_. + +Vs. 483: Gr. _waecht_ + +Vs. 495: _ende hi sal naken_ + +Vs. 501: _Ende dat hem_ + +Vs. 503: _in_ CGrW. _dor_ + +Vs. 514: _van_ ontbr. + +Vs. 516: _sorghen_ + +Vs. 520: CGr. _Daer hi_ + +Vs. 526: _bi sinen goden_, CGrW. _gode_ + +Vs. 528: _vor mi bringhe_. Bij den eersten opslag zou men twijfelen of + er ook moet gelezen worden: _vor hem_, n.l. den koning. De omwerking + heeft: _myt mi_. De lezing schijnt echter echt, en te beteekenen: + _voor mij uit_; + +Vs. 529: _te nemen_ + +Vs. 530: _vreden_ + +Vs. 546: _eren_ + +Vs. 550: _qualic_ + +Vs. 556: _den buuc so gh._ + +Vs. 557: _Ende in so ut. w._ + +Vs. 561: L. _Ic bem so ute sat?_ + +Vs. 565: C. _mooghdi_, GrW. _moogdi_. + +Vs. 566: _wie moeten_ + +Vs. 567: CGr. _wie node_ + +Vs. 568: _Goeder_ levert geen gezonden zin, daar uit het voorgaande + blijkt, dat Reinaert met die versche honichraten niet veel ophad. + Zie over den oorsprong dezer onoverdachte lezing de inleiding, § + III. + +Vs. 569: Gr. en W. beiden lezen hier: _Hebbic commer harde groot_, dat + W. trachtte te verklaren door: »Ik heb grooten kommer wegens goede + versche honigraten”; hetgeen evenwel niet veel opheldert, daar R. + blijkbaar geen _kommer_ had, maar overvloed. Trouwens, _commer_, + staat ook niet in C. Men leest daar, volgens de kollatie van GRIMM, + _coiiiier_, dat blijkbaar slecht gelezen is voor _couuer_. Nu drukt + het hs. overal den tweeklank _oe_ uit door _ou_. Zoo b.v. 233 + _ghenouch_, 234 _onghevouch_, 324 _bloumen_, 459 _bouc_, 614 + _louch_, 658 _ghevouch_, 662 _prouft_, 848 _ouuer_ (oever), 1429 + _drouve_. Blijkbaar is dus _couuer_ het bekende _coever_, dat + voorraad, overvloed, copia beteekent, en Flor. 1843, Limb. I, 2674 + voorkomt. Verg. DE VRIES, _Woordenlijst_, op den Lsp. i. v. + _vercoeveren_. Zoo wordt de zin zeer verstaanbaar. + +Vs. 574: De nieuwe alinea begint bij CGrW. eerst een vers later. + +Vs. 578: _voor alle_ + +Vs. 579: _Ende icse voor alle g. m._ + +Vs. 585: W. _Gewinne_ + +Vs. 587: _spot met u, neen_ + +Vs. 590: _trouwen_ + +Vs. 592: _u so vele_ + +Vs. 593, 5: _tienen_ + +Vs. 594: _daer met_ l. _daer an_? + +Vs. 601: _R. sp._: _Bruun wat sechdi_ + +Vs. 605: _soudic u g._ + +Vs. 615: _helt_ + +Vs. 618: _Also_; Zoo ook later dikwerf. + +Vs. 622: _nemmee_, dus C. bij GrW. _nemmeer_ + +Vs. 624: _es mine avonture g._ + +Vs. 626: _sult lachen_ + +Vs. 627: _ghinc Reinaert_; doch zie Mnl. Versbouw, bl. 153. + +Vs. 632: CGrW. _voeren gaen_ + +Vs. 636: _Gi sult noch heden hebben, s. w._ + +Vs. 637: _als ghi_ + +Vs. 640: _Die keitijf Bruun n. w. n._; maar zie alweder Mnl. Vsb., bl. + 152 + +Vs. 641: _Waer hem Reinaert die tale keerde_ + +Vs. 645: _Brune_ + +Vs. 646: _Tote_, W. _Tot_ + +Vs. 648: C. _Dat waer was eist so_. De omzetting is van GRIMM. + +Vs. 654: _Also_, l. _Alse_?--_temmermans_, het gewone meervoud. + +Vs. 655: _ontdaen_ + +Vs. 659: _nemet_ + +Vs. 667: _niet verdervet_ + +Vs. 670: _Brune sprac: R. ne. s. niet_ + +Vs. 672: _spele_ + +Vs. 675: _crupet daer in_ + +Vs. 678: _Dat hi th._ + +Vs. 679: _die twee voordere v._; maar verg. 695, en zie het Fransch + 10293. + +Vs. 682-3: _Die daer te voren ginc so smeken, Bruun bleef_ enz. Maar + niet Bruun, wel Reinaert had den ander gesmeekt, d. i. gefleemd. + _Bruun_ heb ik wegens de maat in _Hi_ veranderd; zie Mnl. Vsb., bl. + 153. + +Vs. 685: _brocht_ (GrW.), C. _bracht_ + +Vs. 685: _In boosheden brocht met sulker achte_. De omwerking heeft: + _Gebrocht myt loosheit in sulker achten_ + +Vs. 693: _dulen_, door SNELLAERT in de tweede uitgave bl. 353 ten + onrechte veranderd in _hulen_; het komt evenzoo voor Wal. 9714, waar + ik verkeerdelijk schreef _huulde_. Zoo ook Lanc. 3, 3805. + +Vs. 694: _ghegrepen bi sier mulen_ + +Vs. 699-700: _Ende sach comen Lamfreide, Die up sinen hals brochte + beide._ Maar _Lamfreide_ in acc. is niet te dulden, verg. 860; ook + _beide_ kan de ware lezing niet zijn, want in 701: _Een scarpe haex + ende ene baerde_ (CGrW.) is _ende_ blijkbaar geïnterpoleerd, daar + het woord _baerde_ alleen de verklaring is van _haex_, waarvoor vs. + 716 gelezen wordt _bile_. De timmerman droeg geen twee aexen, zoo + als ook blijkt uit vs. 735.--Het _onzochte_, dat ik in den tekst + bracht, vindt men ook 990 en 3320. + +Vs. 702: _moogdi_ + +Vs. 703: _sinen oom_ + +Vs. 705: Dit herinnert aan het Lodewijkslied, waar het heet: _Her + skancta ce hanton Sinan fianton Bitteres lides_. + +Vs. 707: _talen_ + +Vs. 713: _Hi liep_, maar verg. 1333. + +Vs. 725: _quamen_, lees _quam_, zie op vs. 48. + +Vs. 726: _kerke_ + +Vs. 734: _Voor_ + +Vs. 738: _al jeghen al_, W. _alle jegen al_. + +Vs. 740: De nieuwe alinea heb ik een regel lager geplaatst. + +Vs. 741: _al_ werpt W. uit + +Vs. 744: _hi daer van den_ + +Vs. 750: _alle_ + +Vs. 751: _Ende sine twee h. b._ + +Vs. 755: _niet conste_ + +Vs. 757: _ne_ is door mij ingevoegd. + +Vs. 758: _no vlien_. + +Vs. 765: _lieden_ + +Vs. 766: _Daer na quam_ + +Vs. 767: _ouden_ + +Vs. 768: _enen_ + +Vs. 773: _arem_ + +Vs. 777: _riviere_ + +Vs. 784: _al te scarp_, CGrW. _alre scarpst_. Het rijm eischt de + verandering. _Al te_ in de beteekenis van _zeer_, _bijzonder_, is + bekend. Zoo b.v. Wal. 10711. + +Vs. 788: _scerpe loghe_, niet in één woord zoo als in de vorige + uitgaven. KAUSLER heeft het eerst die plaats terecht gebracht in + zijne _Altniederl. Denkm._ II, bl. XXII. + +Vs. 789: _Ghinkene_ + +Vs. 790: _ende mijn vrouwe Bave_; maar _mijn vrouwe_ is een jonger vorm: + _mijn_ ontbreekt ook in de omwerking. + +Vs. 791: _onder die voete_; wij kiezen de meest gebruikelijke vorm, zie + GRIMMS _D. Gramm._, IV, 427 en 413. + +Vs. 792: _ene cloete_ + +Vs. 795: _ghinc met_ + +Vs. 797: _hem alles te voren_ + +Vs. 800: _Huge_ CGrW. _Hugelin_; maar ook de omwerking heeft + _Huge_.--_beene_ + +Vs. 801: _dat weet men wale_ + +Vs. 803: W. _vrouwen_ + +Vs. 804: _Eens houtmakigge_; maar blijkbaar is het teeken voor _er_ over + het hoofd gezien. Zoo leest men ook Ferg. 74 _scepsterigge_; Rose + 6319 _tavernierigghe_. + +Vs. 808: _sijn bloet_ + +Vs. 811-12: _liet.... ghedichte gaen_, C. _l. ghestichte slaen_; maar + _ghestichte_ heeft Gr. reeds verbeterd. + +Vs. 815: _wilen_ + +Vs. 819: _verspranc_ Gr. wil ten onrechte lezen _ver spranc_ + +Vs. 820: _riviere_ + +Vs. 822: _viven_ + +Vs. 823: W. _rivier_ + +Vs. 842: _Die wile dat si... uuttraken_; maar achter _die wile_ kan + _dat_ ontbreken. Zie b.v. Gloss. Lsp. op _Wile_; Kar. Gr. I, 1055. + +Vs. 847: _niet mochten_ + +Vs. 850: _in die riviere_ + +Vs. 852: _bat hi dat_ + +Vs. 853: _verdoemen_ (Gr.), _verdrouven_ (C.) + +Vs. 860: _vander_ + +Vs. 861: _Dat_, CGrW. _Dar_ (?) + +Vs. 864: _een_ + +Vs. 873: _Gheen dier_ + +Vs. 874: _jamerlik_ + +Vs. 880: _danen_, C. _dannen_ + +Vs. 887: (_rumen_ GZ?) + +Vs. 890: _nederwaert_, CGrW. _neder_; maar verg. 910. + +Vs. 894: _dat sweet_ + +Vs. 895: _Neder liep_ + +Vs. 896: _riviere_ + +Vs. 899: _sijn herte_ + +Vs. 905: _Die hebbic_ + +Vs. 909: _in dese_ + +Vs. 912: CGr. _Enten eersten_; W. _Ende ten eersten_ + +Vs. 915: _Daer lach in (m̄?) toren_ + +Vs. 917: _dijn_ + +Vs. 920: _eren_ + +Vs. 930: _straten_ + +Vs. 932: _al een bloet_, niet met den klemtoon op _een_, als thans. + +Vs. 934: _bere_, dus C. waarvoor GrW. _beren_. + +Vs. 939: _so siettene_ + +Vs. 944: _roden_ + +Vs. 945: _So weder sidi abd_ + +Vs. 946: _ore_ + +Vs. 947: _dese crune_ + +Vs. 953: _hem_, C. _const doe_; GrW. _conste doe_. Moet men lezen: _Dat + hine conste niet ghespreken?_ Verg. de var. bij WILLEMS, en het + Fransch, 10416: _L'ors estoit si asolez qu'il ne li pot respondre + mot_. + +Vs. 954: _hem so d. sijn herte_ + +Vs. 957: _nemmeer horen die tale_ + +Vs. 958: _neder daer te d._ + +Vs. 963: _sine voete_ + +Vs. 971: _sine_ + +Vs. 972: _scamen_ + +Vs. 978: _daer_ door mij ingevoegd. + +Vs. 982: _die_, W. _dat_ + +Vs. 983: L. _hadde bekent?_ + +Vs. 984: _Ende seide dit es_ + +Vs. 988: _Binnen desen_ + +Vs. 992: _u selves._ + +Vs. 997: _als_ + +Vs. 1001: _hoechste_. Moet men ook lezen _hoochste baroene_? verg. 1005, + 1333. + +Vs. 1004: _Doe rieden si hoe d. d._ schrijffout ontstaan uit verzien van + vs. 1006. + +Vs. 1006: _daer_, invoegsel van mij; _meesten_. + +Vs. 1007: _Dat menne_ (C. _niene_; W. _men_) _twee werven_ + +Vs. 1011: _Dat Tibert die cater van desen_ + +Vs. 1012: _Tote R. bode soude wesen_ + +Vs. 1016: _Gaet wech eer_; maar blijkbaar moet _wech_ hier worden + verworpen, (verg. 1025, 1037) even als vs. 1360, waar het tegen de + maat strijdt, en ook niet in de omwerking gevonden wordt. + +Vs. 1021: _uwen_ + +Vs. 1023: _Men salne drie werven dagen_. Blijkbaar valsche lezing; want + vooreerst kon het zijnen magen niet tot schande strekken (vs. 1024) + als hij naar de wet driemaal werd ingedaagd. Bovendien had de Koning + gezegd (1022): komt hij op deze tweede indaging niet, het zal niet + goed met hem afloopen. De gemaakte verandering is nu ook in + overeenstemming met 1070, en met het Fransch 10452. + +Vs. 1024: _alle_ + +Vs. 1033: _groot nochtan_. De omwerking, die _wats dan_ heeft, gaf de + verbetering aan de hand. _Wattan_ leest men ook vs. 245, 1296. + +Vs. 1038: _helpe mi God;_ + +Vs. 1039: _het nu moete_ + +Vs. 1042: CGr. _nu af_ + +Vs. 1047: _ende quam_, dus C., bij GrW. _die quam_ + +Vs. 1048: _wart Tibert vro_ + +Vs. 1049: GrW. _Ende riep al heil! wil God edel vogel._ Deze en de + volgende regel worden in C. vervangen door dezen eenen: _Ende riep + an sinte Martins voghel._ GRIMM herstelde den tekst naar den + prozadruk. Ik heb niet geaarzeld de woorden _wil God_ weg te werpen, + die ook _Reineke_ 943 niet heeft. + +Vs. 1051: C. _Nu vliech_, de verand. is van Gr. + +Vs. 1058: _ter rechter_ + +Vs. 1059: C. _waende hi_ + +Vs. 1062: _als_ + +Vs. 1066: _Reinaerde_ + +Vs. 1069: W. _moet_ + +Vs. 1071: _niet te hove_ + +Vs. 1075: Ik mistrouw dezen geheelen regel; maar in allen gevalle kan + men niet lezen met CGrW.: _Bi Gode dat jan ic u wale_. Het ww. + _onnen_ regeert den GZ. + +Vs. 1077: _coste_ + +Vs. 1079: _die es_ + +Vs. 1082: _Ten ende_ + +Vs. 1085: _willen wi_ + +Vs. 1088: _ooc onder alle mine mage_ + +Vs. 1097: C. _Maerghin_, zoo ook 1377, 1396. + +Vs. 1098: _beteren raet_. + +Vs. 1099: _beter ghedaen_ + +Vs. 1104: _noint_ door mij ingevoegd. + +Vs. 1105: _beter_ + +Vs. 1107: _bi daghe_, verbetering van WILLEMS; CGr. _daer_ + +Vs. 1109: CGr. _nemmermee_; W. _nemmermeer_ + +Vs. 1111: _Gi moet herbergen tavont met mi_, dat mij voor geene scansie + vatbaar schijnt. _Távont_ in _taméer_ te veranderen scheen de + klemtoon te eischen: het woord is goed vlaamsch, en komt b.v. in den + _Ferguut_ voor vs. 744 en 751, waar de uitgaaf leest _te meer_. Zie + overigens mijn artikel in den _K. en L.bode_, 1845, no. 36. + +Vs. 1113: _of ic hier bleve_ + +Vs. 1115: _Hier es d. sp. quaden t._ + +Vs. 1116: _mocht_ + +Vs. 1118: _utermaten_, maar _te mate_ is beter in de maat, en meer + overeenkomstig met vs. 1115. + +Vs. 1119: _moochdi_ + +Vs. 1121: _el_ ontbreekt in 't hs., waar men leest: _Reinaert hebdi mi + i. h._, hetgeen Gr. behield; maar W. wierp den eigennaam uit en + laschte in _anders_; maar verg. vs. 571, 3225. + +Vs. 1123: _lietic_, zoo als GRIMM met C. heeft. WILLEMS veranderde het + in _lictic_, dat wel geen drukfout is, zoo als men uit zijne + verklaring van _gewaerd_ mag afleiden. + +Vs. 1125: _Soete Tibert_ + +Vs. 1130: _hordic_, C. _hoere ic_, GrW. _hore ic_ + +Vs. 1137: _alle_ + +Vs. 1143: _al haddi minen vader doot_; Epische uitdrukking, zie _Wal._ + II, 281. + +Vs. 1145: _Reinaert sprac: neve h. uwen spot_ + +Vs. 1146: _Neenic, Reinaert a. h. m. G._ + +Vs. 1153: _enen_ + +Vs. 1157: _nemmer meer_ + +Vs. 1160: _gaen wi_ + +Vs. 1168: _enen_ + +Vs. 1182: _no lat_ + +Vs. 1187: _beiden_, W. _leiden_ + +Vs. 1190: _Tibert siet_ + +Vs. 1192: _eren_ + +Vs. 1199: _Wanen ---- desen wanc_ + +Vs. 1202: _een strec_, maar er was vs. 1177 reeds van gesproken. + +Vs. 1209: _wroeghede_, C. _wronghede_, dat WILLEMS verklaarde + _verwrong_, en GRIMM evenzoo; maar uit den voorgaanden en volgenden + regel blijkt, dat er een woord moet staan, dat _zich verraden_, + _aanklagen_, beteekent. Nu is het vreemd, dat Gr. noch W. hier de + verbetering aanbrachten, die toch 113 was aangewend, waar men in het + hs. had gelezen _wronghene_, voor _wroughene_, d.i. _wroeghene_. + Evenzoo 1605 las Gr. terecht _droeghene_, waar zijne kollatie heeft + _dronghene_, d.i. _droughene_. Over het gebruik van _ou_ voor _oe_ + zie op 569.--In denzelfden zin wordt overigens _wroeghen_ wel meer + gebruikt. + +Vs. 1218: _dus atet_ + +Vs. 1222: _inlanc so bet_. Zoo leest C., waarvoor bij Gr. _ni lanc_, + waarmede hij natuurlijk geen weg wist. W. verbeterde _je lanc_, maar + _inlanc_ is de oorspronkelijke vorm + +Vs. 1225-6: De lezing is van W. die dus het blijkbaar bedorven hs. + herstelde, dat heeft: _Dat_, _Tibert_, _daer m. u ware_, _Isengrijn + die m._ + +Vs. 1232: _Martinet riep_ + +Vs. 1243: W. _in huus_ + +Vs. 1245: _ute sinen bedde_ + +Vs. 1253: W. _rocken_ + +Vs. 1259: _spaerdene_; maar _sparen_ beteekent hier niet _parcere_, maar + _morari_. Zoo vs. 1244. Verg. verder _Car. en Eleg._ gloss. + +Vs. 1260: _enen_. Zoo ook 1263. + +Vs. 1267: _scanden_ + +Vs. 1275: _sielen_ + +Vs. 1276: _sine wilde_ + +Vs. 1280: _Int sleets_ + +Vs. 1282: _sone_, dus W.; bij CGr. _neve_. + +Vs. 1284: _mijn scande_ + +Vs. 1285: _Emmermeer voort in a. st._ + +Vs. 1286: _wonden_ + +Vs. 1287: _ten_ C. _den_, reeds verbeterd door Gr. + +Vs. 1288: _noch doe_ + +Vs. 1292: _sinen scerne_ + +Vs. 1298: _te mere_, CGrW. _te min_ + +Vs. 1304: _ne_ ontbr. + +Vs. 1306: GrW. _Doe hiefsene_; maar C. heeft duidelijk _hieffene_: _Doe_ + is blijkbaar bedorven uit _Soe_. + +Vs. 1311, 12: _sorghen_ + +Vs. 1316: C. _sine_ + +Vs. 1319: _ute ten_ + +Vs. 1324: _wisen_ + +Vs. 1331: _Den coninc dreigen_; maar twee verzen achter elkander met + hetzelfde appellatief te laten aanvangen, ging niet; blijkbaar staat + _men_ in vs. 1330 voor _menne_. Of _dreigen_ wel het echte woord is? + +Vs. 1337: _Hoe men Reinaert ter redenen brochte_ + +Vs. 1344: _waerven_ + +Vs. 1345: _enen_ + +Vs. 1348: _Daer hi af_ + +Vs. 1350: _dattene_ + +Vs. 1355: _niemene en es_ + +Vs. 1356: _So helpe_ + +Vs. 1360: _gaet wech ende sijt_ + +Vs. 1362: _Grimbert sprac_ + +Vs. 1368: _ten eersten_. Doch zie hier vs. 1435, 2058, en verg. _Wal._ + 1533 _eerst_; 8875 _van eerst_. + +Vs. 1369: _sinen_. _Groeten_ met DP.? Verg. _Gram._ IV, 606. Of ellipt. + genit.? + +Vs. 1376: _waerven_ + +Vs. 1377: _vermerrendi_ + +Vs. 1380: _inden derden_ + +Vs. 1381: _Uwen casteel_ + +Vs. 1386: C. _haer_ l. _hare_? + +Vs. 1390: W. _ten hove_ + +Vs. 1393: _avonturen_ + +Vs. 1396: _Maerghin_ (W. _Morgen_) _sciet_; doch verg. _Reineke_ 1308. + +Vs. 1400: _binnen den_ + +Vs. 1411: _Hoort, seit hi_ + +Vs. 1414: _alle dandre_ + +Vs. 1417: _sine muulkine_ + +Vs. 1420: _harde lief_; doch verg. _Reineke_ 1362. + +Vs. 1421: _Ja als_ + +Vs. 1422: _van hier moet_ + +Vs. 1427: _de sine_ + +Vs. 1428: _ruumde_ + +Vs. 1434: _hoort_ + +Vs. 1436: _met Grimberte_ + +Vs. 1436: _seide_, dus C.; GrW. _seiden_ + +Vs. 1438: _sorghen_ + +Vs. 1441: _te biechten_ + +Vs. 1444: _sijn vergaen_; doch zie _Reineke_ 1382. + +Vs. 1447: _te biechten_ + +Vs. 1449: W. _Alle de diefte en a. r._ + +Vs. 1454: _te ghenaden_ + +Vs. 1455: _algader_, C. _allegader minen mesdaden_, de twee laatste + woorden reeds door Gr. verbeterd. + +Vs. 1459: CGr. _alle diere_ + +Vs. 1462: _Of gi iet wilt_ + +Vs. 1465: _alle diere die leven_ + +Vs. 1466: _mi moete vergheven_ + +Vs. 1467: _Brune_ + +Vs. 1471: _Tes papen huus, daer hi spranc int net._ De uitlating van + _huus_ behoeft geene verdediging. Dat _net_ door _strec_ moet worden + vervangen, bewijst zoowel het rijmwoord, als de vergelijking met vs. + 1177, 1202, 1234, 1281. + +Vs. 1472: _ongherec_. Zoo ook 1201. Bij WILLEMS _ongeret_, en in de + verklarende aant. _ongerect_. In C. werd kwalijk gelezen _ongeret_, + dat Gr. verbeterde. + +Vs. 1473: _sine kindre_ + +Vs. 1477: _mi ooc niet_. Het middelste woord schijnt hier uit den + volgenden regel ingeslopen. + +Vs. 1479: GrW. _coninghinnen_ + +Vs. 1480: C. _verwinne_ + +Vs. 1481: _eren_ + +Vs. 1483: C. _mee liede_; GrW. _meer liede_ + +Vs. 1487: _maectene_--_Elmaren_ + +Vs. 1488: _Daer wi b._ + +Vs. 1489: _al te sere te pinen_ + +Vs. 1490: _die_ (l. _der clocke-line?_) + +Vs. 1494: GrW. _toneren_, C. _tonneeren_ + +Vs. 1496: _straten_ + +Vs. 1497: _binnen der_ + +Vs. 1503: _die_ is een invoegsel van mij; verg. 947. + +Vs. 1506: _af bernen_ + +Vs. 1510: CGr. _Daer hi nu_ [_mi_] _conste_; W. _hi niet conste_ + +Vs. 1512: _leeddickene_. + +Vs. 1513: Ik volg de lezing van GRIMM, waarvoor W. _Vianois_ stelt, dat + hij voor een »uitgedachte naem” houdt. Ik weet niet met zekerheid + waarop die verandering steunt; waarschijnlijk op de omwerking, maar + in de variant is die plaats niet opgenomen. + +Vs. 1515: _Sone woonde_. Gr. _Son en woonde_. W. _Son woonde_ + +Vs. 1521: _Daer dedic I. in crupen_; doch _daer_ is overtollig, wegens + het voorgaande _in dat_. Voor _incrupen_ wellicht beter _doe + crupen_. + +Vs. 1523: l. _hanghen vele_? + +Vs. 1524: _Des vleesch dedi_. Het vers eischt slechts drie verheffingen. + Misschien kon men ook lezen: _Des dedi_, hoewel ik de voorkeur geef + aan _daer_. + +Vs. 1528: _dien leden b._ + +Vs. 1531: _sat_, invoegsel van WILLEMS; _niet_ C. _met_. + +Vs. 1537: _enen_ + +Vs. 1540: W. _wast_ + +Vs. 1544: CGr. _nu vant slach_, blijkbaar min juist gelezen, want de + verklaring _vant_ = _va ende_, (bl. 276) gaat niet op. W. wilde + lezen: _vanc ende slach_.--Of zou men mogen verstaan: _nu vant + slach_ = _slaghen_? Volgens Mnl. Vsb. p. 129 + +Vs. 1547: _selves_ ontbr. in C. + +Vs. 1565: _roof hier laten_ + +Vs. 1566: _Hi riep, ende ic ginc m. straten_. Maar het vorige vers heeft + ook maar drie verheffingen. + +Vs. 1570: De nieuwe alinea begint eerst hij den volgenden regel. + +Vs. 1572: _volchden_ + +Vs. 1582: _gevreesscheden_ + +Vs. 1587: _Grote -- grote_ + +Vs. 1588: _Dus quamen_. Hoe licht men _d_9 voor _d_' las is bekend. + +Vs. 1595: _lietene_ + +Vs. 1596: C. _diene_ + +Vs. 1599: _ghelove_, door WILLEMS ten onrechte veranderd in _gelovet_. + Verg. _Wal._ II, D. bl. 333 vlgg. + +Vs. 1604: _Si namene ende leidene_ + +Vs. 1607: _Buten den_; maar dit wordt samengetrokken tot _buten_ + +Vs. 1609: GrW. _Ine_ + +Vs. 1610: C. _verwervic_ + +Vs. 1612: _dedi_ + +Vs. 1614: _leiddickene_ + +Vs. 1616: _Dat twee h. ende enen hane_; maar nergens is sprake van + slechts _twee_ hennen. + +Vs. 1617: _stralen_ + +Vs. 1619: _teere_, maar _te_ wordt door _bi_ uitgesloten. Wellicht stond + in 't oorspronkelijk: _Rechte ere_ + +Vs. 1625: W. _vette_; CGr. _ghenoech_, door W. verbeterd. + +Vs. 1628: C. _taste_; W. _begon_ + +Vs. 1631: _Te sorgen_; maar het is geen ww., en het zstnw. is stvr. + +Vs. 1632: _wats u ghesciet_ + +Vs. 1634: _om_ + +Vs. 1639: _hoondene_ + +Vs. 1640: W. _van daer boven_; CGr. _von dat boven_ + +Vs. 1643: _daer_ is een invoegsel van mij. + +Vs. 1644: _lagen_ moet eensylbig gelezen worden, tenzij men _si_ zou + willen delgen. + +Vs. 1646: C. _vijvergat_. De verandering is van Gr. Zoo heeft ook het + mhd. _viwerstat_, b.v. Nib. 884,4, 885,2. + +Vs. 1647: _worden_. Lees int metrum _Si wort up_ + +Vs. 1652: _nie_ met C., bij GrW. _ie_ + +Vs. 1655: _Harswenden_. Maar de nom. luidt 242 _Harsint_, en 2877 + _Hersunt_. De acc. 3399 _Hersinde_. De zwakke vormen in dat. 1983, + 2129, 2846, 2898 en hier ter plaatse zijn fouten. + +Vs. 1656: _liever hadde dan_ + +Vs. 1657: _God die moet mi_ + +Vs. 1658: _liever ware bleven_ + +Vs. 1659: _Te doene dan_ + +Vs. 1661: _te biechten_ + +Vs. 1676: _dat biddic u_ + +Vs. 1680: _hem_ invoegsel van W. + +Vs. 1681: C. _mesdaden_ + +Vs. 1682: C. _raden_ + +Vs. 1684 en 1685: _Ende te wakene (vastene)_; maar het vers eischt hier + drie arses zonder voorslag. + +Vs. 1687: _Alle die hi_, maar _Alle_ is blijkbaar te ontberen. + +Vs. 1688: _Ende dat hi voort_ + +Vs. 1689: _Behendelike soude generen_. _Behendicheit_ gold niet slechts + voor _sagacitas_, _ars_, _sollertia_, maar ook voor _fraus_, + _dolus_, _machinatio_; men zie CLIGNETTS _Bijdrage_, bl. 311-312. + Dat men Reinaerts behendigheid natuurlijk in geen goeden zin + opvatte, leert de 13 fabel uit den _Esopet_, vs. 16-17. Onmogelijk + kon daarom hier in den tekst _behendelike_ geduld worden, hoewel dit + zeer duidelijk in het handschrift staat. _Behendelike_ kon licht uit + _Bescedelike_ gelezen worden. Dat dit het juiste woord moet zijn, + leert de vergelijking met _Flor._ 187; zie vooral ook de + woordenlijst op den Lsp. + +Vs. 1692: C. _Nu moet hi siere stelen pleghen_, bij WGr. _Nu moet hi + plegen siere selen_. De ware lezing gaf 381 aan de hand. Vs. 428 + leest men _pleghen_, dat den afschrijver in de war bracht. + +Vs. 1695: _daer_ is een invoegsel van mijne hand. + +Vs. 1713: _begonden_ + +Vs. 1717: _plumen_ + +Vs. 1718: _Gr. sp. Oom gi d. m. d._ + +Vs. 1720: _een_ + +Vs. 1722: _te biechten_ + +Vs. 1724: _trouwen_ + +Vs. 1734: _Al hadde men_, dat onzin is; verg. _Reineke_ 1663. + +Vs. 1741: _verdoort_, C. _versmaet_ + +Vs. 1742: _verstoort_, C. _verstorbeert_. De verbetering is van Gr. + +Vs. 1743: II _pater_ + +Vs. 1745: _ghenaden_ + +Vs. 1748: _af hebbe_ + +Vs. 1750: _sine ogen_ + +Vs. 1752-4: C. leest: + + Doe began hem drouve ghelaten + ende arde zeere beefde Reynaert + doe keerde si te hove waert + doe hi began den hove naken + daer hi waende seere mesraken + Doe in sconinx hof was vernomen, enz. + GRIMM zegt, p. 276: »Die sichtbar vom nachhelfenden schreiber her + rührende verwirrung der hs. ist nach der prosa und nach Reinke + beseitigt worden.” Hij leest namelijk, en met hem W.: + + Die si te voren hadden ghelaten: + Daer keerden si ten hove waert. + Aerde (W. Harde) sere beefde Reinaert + Doe hi began den hove naken, + Daer hi waende sere mesraken. + Doe in sconinx hof was vernomen, enz. + + Er is blijkbaar in het hs. geknoeid, maar minder dan Gr. vermoedde. + Vs. 1752 is stellig echt: _ghelaten_ in dien zin is geheel + overeenkomstig met _gelaet toonen_, enz. dat men hier herhaaldelijk + aantreft, b.v. 1737, 1768, 1802, 2119, 2185. En de verandering + van GRIMM is lam.--Dat ik midden tusschen twee rijmen eene nieuwe + periode laat aanvangen, is geheel overeenkomstig met de manier des + dichters. Zie b.v. 107, 263, 998, 1288 (waar de afschrijver echter + de nieuwe afdeeling eerst met 1289 begon, evenzoo 1850, 2048, zoo + als hij die ook 777 een regel te laat begonnen was), 1692, 2048, + 2067, 2498, 2518, 3396. + +Vs. 1759: _Grimberde_ + +Vs. 1760: _niemene ne was_ + +Vs. 1764: _die onvervaerde_ + +Vs. 1766: _Ende hi sprac_ + +Vs. 1770: _Gelijc of hi_ + +Vs. 1772: _boudeliken_ + +Vs. 1777: CGr. _hebbe_; W. veranderde naar de omwerk. + +Vs. 1783: CGr. _mi nochtan gherne_; W. _mi gerne_ + +Vs. 1784: _hulden wilde gi_ + +Vs. 1785-6: _lonen: crone_. Men zou kunnen vragen of _crone_ niet eene + te moderne figuur is; te meer, daar C. verder leest _dat si..... + gheloven_, welk laatste woord GRIMM veranderde in _ghelove_, WILLEMS + in _ghelovet_. Wellicht zou men wenschen te verbeteren: _hoeden_, + _vroeden_, gedachtig aan _Reineke_, 1711: »_Juwe rât is vrôt.... gy + loven nicht draden.... wat ju dessen valschen alle vorelesen._” Ook + hier 1899 wordt de koning _vroet_ genoemd. + + Maar het Fransch heeft, 10956: + + »Mès puis, sire, que _rois_ s'amort + à croire les mauvès larrons, + ................. + lors vet la terre à male veue.” + + Het zal dus het zekerst zijn de lezing van C. te behouden, en 1787 + _si_ in _soe_, 1788 _gheloven_ in _ghelove_ te veranderen, tenzij + men voor _der crone_ zou willen stellen _den cronen_.--Moet het ook + zijn _den conen_ (_coenen_)? + +Vs. 1787: _Dat si_ + +Vs. 1788: C. _gheloven_; W. _ghelovet_ + +Vs. 1792: _Die niet te rechter h. h. g._ De omwerking gaf de verbetering + aan. + +Vs. 1793: _rike hove_ + +Vs. 1796: _Den goeden lieden doen t._ Ik heb de lezing van den omwerker + voorgetrokken. + +Vs. 1802: _condi_ l. _toondi_? + +Vs. 1803: _niet ghehelpen_ + +Vs. 1807: _saken_ + +Vs. 1808: _qualic in_. Dus C. door GrW. veranderd in _qualiken_. + +Vs. 1809: C. leest: _Die eede die ic hadde gesworen._ Gr. veranderde + _eede_ in _vrede_, waarschijnlijk volgens _Reineke_, 1720, die de + omwerking volgt, welke ironisch den koning veel beter de volgende + woorden in den mond legt: + + Dat gi my dicwijl hebt gedient, + Dat wart u nu te recht gegouden. + Gy hebt den vrede wel gehouden, + Dien ic geboot ende had gesworen. + +Vs. 1818: _laten aenscinen_ + +Vs. 1820: _es sijn crune_, doch verg. 1827. + +Vs. 1821: _vele_ is een invoegsel van WILLEMS. + +Vs. 1828: CGr. _hi ware gewroken_, dat W. veranderde in: _haddet gew._; + doch verg. 1931. + +Vs. 1830: C. _Rander side_, door GrW. veranderd in _Tander side_ + +Vs. 1840: _groot mine saken_ + +Vs. 1848: _sloechdi_ + +Vs. 1850: _Recht in dese selve sprake_. In C. vangt het volgende vers + met eene kapitale letter aan, intusschen laten GRIMM en W., die + overigens de lezing van C. behouden, de nieuwe alinea met 1850 + beginnen. In de aant. p. 276 zegt GRIMM: »Wenn dieser vers noch von + Reinaert gesprochen wird (vgl. _Reineke_ 1762,63), wozu der grosse + buchstabe der hs. bei 1851 stimmen konnte; so fehlen zwei verse + vorher. die prosa ist für die gewahlte abteilung.” + + De zin schijnt intusschen gewrongen, als men wil lezen: + + Recht in dese selve sprake + Doe spranc up Belijn, die ram. + + 1850 moet wel degelijk tot de vorige periode behooren. Dat er in + geknoeid is valt terstond in 't oog; maar is het zoo noodzakelijk + met GRIMM aan te nemen, dat er _twee verzen zijn uitgevallen_? Het + Fransch geeft hier licht. Er is de grootste overeenstemming tusschen + onze verzen 1837-1850 en Br. 20 11014-20, waar men leest: + + Or sui devant lui [mesire], si me tiegne, + Et si me face ardoir ou pendre, + Qar ne me puis vers lui deffendre. + Ge ne suis pas de grant puissance, + Mès ce seroit povre venjance, + _S'en parleroient meinte gent + Se l'en sanz jugement me pent._ + + Het woord _sprake_ in C. 1850 wijst duidelijk aan, dat er iets moet + gestaan hebben overeenkomende met de twee laatste Fransche verzen. + _Recht_ ontstond uit de verwisseling van de kapitale _L_ en _R_ (zie + op 347), en _in_ kan eene vergissing zijn voor _m̄_, verg. 915. + +Vs. 1862: Dit vers is door WILLEMS uit de omwerking aldus ingevuld: _Die + gans, dat tijtsel ende tlampreel_ + +Vs. 1867: CGr. _Makeden_ + +Vs. 1872: _Reinaerde_ + +Vs. 1874: _man_ dus CGr., WILLEMS las _men_ + +Vs. 1875: W. werpt _es_ uit, dat CGr. hebben. + +Vs. 1877: CGr. _Vort bringen die men brochte daer_. WILLEMS heeft _die_ + in _dan_ veranderd. Dat hij met die plaats geen weg wist, blijkt uit + de zonderlinge interpunctie. Ook GRIMM was er meê verlegen. Zie + zijne aant. p. 277. + +Vs. 1880: _besten redenen g. daer voort_ + +Vs. 1881: C. _dieren_ + +Vs. 1882: _met goeden orconden_ + +Vs. 1885: _saken_ + +Vs. 1886: _wijstsi_ voor _wijsden si_, dat men in C. leest. GrW. + veranderden: _wijsten si_ + +Vs. 1888: _Reinaerde_ + +Vs. 1893: _naeste_ + +Vs. 1896: _Reinaerde_ + +Vs. 1905: _andren_ + +Vs. 1906: CGr. _Reinaerde_ + +Vs. 1908: W. vond »verkieslijker” te lezen: _Tibert sprac_; maar de + woorden zijn blijkbaar den koning in den mond gelegd. + +Vs. 1914: _Sinen l. die es_ + +Vs. 1916: Gr. en W. stellen _tjaer meer_, terwijl C. heeft _tsiaer + meer_. Doch zie mijn artikel over _saermeer_ in den _K. en L.bode_, + van 1845, no. 35. + +Vs. 1925: _wancans_, verbetering van Gr. voor _wanconst_, dat C. heeft. + +Vs. 1926: _Nochtan eist R. diet al b._ zoo lezen GrW., maar _eist_ vindt + men niet in C. Eenvoudiger verandere men _die_ in _di_; in allen + gevalle had men niet mogen stellen _eist_, maar dan ten minste + _wast_. + +Vs. 1928: _uwe_ + +Vs. 1929: C. _Rumen ende wijde lancken_. Verg. GRIMMS aant. p. 277. + +Vs. 1932: _noch niet_ + +Vs. 1936: W. _Langeleden_ + +Vs. 1942: W. _vernois om hadde_ + +Vs. 1943: W. _papen_ + +Vs. 1946: CGr. _Ende sidi nu daer toe_, l. _En sidi mi_? + +Vs. 1948: _fellen voden_, doch verg. 3745 en 3771 der uitg. van WILLEMS. + GRIMM haalt p. 278 uit MAERL. 3, 318 een _vuden_ aan, dat echter + blijkbaar bedorven is uit _ruden_. Dezelfde letters worden daar meer + verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar _rasten_ moet gelezen worden + voor _vasten_.--Ook de woorden _uwen neve_ komen mij verdacht voor; + maar ik heb ze behouden, omdat ook de omwerking _u neve_ heeft. + +Vs. 1949: _Doe so sprac die coninc saen_; maar de verbetering volgt uit + vs. 1958-9. Door GRIMMS aant. p. 278, wordt de lezing van C. kwalijk + verdedigd of verklaard. + +Vs. 1950: _Tiberte_ + +Vs. 1953: _gaet voren_ + +Vs. 1961: _Nu gaen wi voren ende b. h._ + +Vs. 1963: _du selt_ + +Vs. 1964: _die salt_, W. _sal_ + +Vs. 1965: CGr. _dine_ W. _en dine_ + +Vs. 1970: _Hine dede_ + +Vs. 1973: _Dat was de wulf ende T._ + +Vs. 1975: _te sinen scaden_, dat blijkbaar alleen om 't zuivere rijm + _scaden_ dus staat. + +Vs. 1980: _binnen den_ + +Vs. 1982: _Reinaerde_ + +Vs. 1989: _dor niede_, C. _dor met_, dat blijkbaar slecht gelezen is + voor _niet_, zoo als ook 1531 het geval was. Gr. en W. stellen + daarvoor _nijt_; maar de wolf had geen reden te veronderstellen, dat + _nijt_ (haat) Hersinde jegens Reinaert bezielde, verg. 243, terwijl + buitendien _nijt_ geen reden kon zijn om hem te doen ontsnappen, + maar juist het tegendeel. _Niet_, in dat. _niede_ is een bekend + woord, dat hier juist aan zijne plaats is: Ohd. _niot_, door GRAFF, + II, 1048, terecht door _desiderium_ vertaald. Verg. vooral de + woordenlijst op den Lsp. + +Vs. 1995: _brincdi_ + +Vs. 1996: _mijn moie;_ doch verg. 1504, 1675. + +Vs. 1998: _nemmermeer_ + +Vs. 1999: _Maer her_ + +Vs. 2002, 2009: _onneert_, dus C.; Gr. en W. _oneert_. + +Vs. 2006: _wie die mi_ + +Vs. 2012: _dat herte_ + +Vs. 2015: _alle_ + +Vs. 2016: _galge of gi_ + +Vs. 2019: W. _Met uwe v._ De geheele plaats 2015-19 komt mij verdacht + voor. + +Vs. 2021: _Amen, sprac Brune, ende h.;_ het inlapsel vloeide voort uit + het niet verstaan der herhaling _Amen, Amen!_ Dit blijkt ook uit de + omwerking. + +Vs. 2023: _haesten wi_ + +Vs. 2024: _woorde_ + +Vs. 2026: _ten stride_; maar _te stride_ beteekent _om strijd_. + +Vs. 2029: _volchde_ + +Vs. 2031: GrW. _line_ + +Vs. 2036: _strec_, GrW. _strop_, maar C. heeft _stroc_, dat slecht + gelezen is. + +Vs. 2038: CGr. _scauwet_ + +Vs. 2039: _Ende si spr._ CGr. heeft buitendien: _ende si keren_, dat W. + stilzwijgend veranderde. + +Vs. 2042: W. _sullen_ + +Vs. 2051: _sorghen_ + +Vs. 2055: Gr. _Ic ware_, drukf. + +Vs. 2057: _Reinaerde_ + +Vs. 2062: _verlanessen_ + +Vs. 2068: De nieuwe alinea begint bij CGrW. reeds bij het voorgaande + vers. + +Vs. 2070: W. _Dan so_; CGr. _Daer so_; C. heeft waarschijnlijk _d_' voor + _d_9 gelezen. + +Vs. 2073: _Nu en es_ + +Vs. 2076: _u_ ontbr. in C., de invoeging is van Gr. + +Vs. 2080: _noch doe_ + +Vs. 2081: C. _mannen_ + +Vs. 2091: _hoekine_; dus C.; bij Gr. _bockine_; doch zie MEIJERS + Aanteek. op het _Leven van Jesus_, p. 356. + +Vs. 2092: _derdes_, dus C.; bij GrW. _des derdes_. + +Vs. 2094: C. heeft _haenden_, waarvoor Gr. gaf _hanen_, dat W. weder + verving door _vogel_. Dat C. de ware lezing geeft blijkt uit de + _Nat. Bloeme_, aangeh. _Gesch. der Mnl. Dk._, III, 17. + +Vs. 2100: _ende dat ic vermochte_. Bij dit vers teekent Gr. aan: + »_lücke._” Er schijnt echter in den zamenhang niets te ontbreken. + +Vs. 2101: _ende_, dus C., en ook beter dan de verandering (_met_) + door Gr. in den tekst gebracht; want zij kwamen niet samen, maar + ontmoetten elkander. Hij zelf gaf p. 278 de ware lezing aan, maar + verkoos _met_ omdat C. heeft _Isengrine_ (: _rime_). + +Vs. 2103: _Besele_, zoo C. en GRIMM; WILLEMS verbeterde _Basele_ (»by + Dendermonde”). Moet men ook lezen _Belsele_? Zie het Charter van + 1139, uit het _Corpus Chron. Flandriae_ aangehaald in mijne _Gesch. + der Mnl. Dk._ I, 193, noot 2. Doch verg. GRIMM p. CLVII. + +Vs. 2104: _dat hi ware_ + +Vs. 2108: _trouwen_ + +Vs. 2110: C. _wandelen_ + +Vs. 2114: _vroe_ + +Vs. 2117: _Of enen w. of enen r._ + +Vs. 2119: _mi een g._ + +Vs. 2120: _ende so qu._ + +Vs. 2121: _mi daer met van hem_ + +Vs. 2124: _warven_ + +Vs. 2127: CGrW. _ene bake_ + +Vs. 2128: _Doe ginc_ + +Vs. 2130: W. _kinden_ + +Vs. 2133: _Die sine k. en wouden cnaghen_, omdat zij de »alreminste” + was. CGrW.: _Die sine k. hadden gecnaget_; maar in den volgenden + regel, die in het hs. luidt: _Dus nauwe hebbic mi bejaget_, moet het + laatste woord blijkbaar veranderd worden in _bedraghen_ (verg. 2654, + 2694), en ik durfde daarop niet laten rijmen het part. _gecnagen_, + zoo als de omwerking doet, die leest: + + Nochtan eer ic dat mochte hebben, + Hadden sy tvleysch al off geknagen: + Hier op most ic my doe gedragen. + + Buitendien komt onze lezing beter overeen met het voorgaande vers. + +Vs. 2139: _gewonnen wel_ + +Vs. 2146: _Gaf hi R. felle antw._; maar waartoe dat _felle_, bij de + bloote nieuwsgierige vraag? + +Vs. 2147: _wanen.... die sc._ + +Vs. 2149: _also_ + +Vs. 2152: _dien scat_ + +Vs. 2155: _An.... trouwen_ + +Vs. 2156: _alle uwe_ + +Vs. 2158: _owi lieve R._ + +Vs. 2162: C. _ghi mi ons s._; GrW. _ghi mi s._ + +Vs. 2165: _brinct_ + +Vs. 2173: _ende sine hulde_ + +Vs. 2176: W. _groote_ + +Vs. 2177: W. _Ende die in v._ + +Vs. 2179: _Die heren_ + +Vs. 2182: _trouwen_ + +Vs. 2184: _sullen drinken met scanden_ + +Vs. 2185: _gelate met droeven sinne_ + +Vs. 2189: _mijn_ + +Vs. 2191: _de helle_ + +Vs. 2192: _Daer die t. es entie p._ + +Vs. 2193: _Indien dat_. Ik zou wenschen te lezen: _Ocht hier_ + +Vs. 2195: _ghenaden_ + +Vs. 2201: _daet_, dus C.; bij Gr. _doet_; W. _deedt_ + +Vs. 2205: W. _dat herte_, doch zie 1079, 1741, 2306; en verg. _Gram._ I, + 693. + +Vs. 2204: _bringhene_ + +Vs. 2207: _vraechdi mi des_ + +Vs. 2208: _gi wel hoet_ + +Vs. 2213: _up mine_ + +Vs. 2214: _trouwen_ + +Vs. 2215: _coninghinnen_ + +Vs. 2218: _daer niemen_ + +Vs. 2220: _Tote dien_ + +Vs. 2229: CGr. _verraderen_; doch zie 2243. Moet men ook lezen + _verranesse_ (verg. 2243), en in het volgende vs. _niemen spare_, + beiden met drie toonverheffingen? + +Vs. 2235: _Met verradenessen sal bedrieghen_; doch verg. 2200, 2503. + +Vs. 2236: _enen.... maghen lieghen_ + +Vs. 2237: C. _Grimberte den d._ + +Vs. 2242: W. _Van s. v. waer af hi woude_ + +Vs. 2243: _Die_ + +Vs. 2245: _Reinaert sprac wilen teer st._ + +Vs. 2246: _m. h. mijn vader v._ + +Vs. 2247: _Hermelinx_, C. _heymeliken_; doch zie vs. 2544-5 + +Vs. 2248: C. _eene_; CGrW. _verholnen_; doch verg. 2271. + +Vs. 2249: C. _Die mijn v._ + +Vs. 2254: _Tiberte_ + +Vs. 2255: C. _arttinen_, Gr. _Aertinen_ + +Vs. 2256: C. _Brunen_ + +Vs. 2257: _Brune grote Gods h._ + +Vs. 2258: W. _Ende dat hi in Vl._; CGr. _Ende hi in_. Maar verg. over + den ellips. DE VRIES, _Brief over Kar. Gr._, bl. 17-18, waar op vs. + 2268 wordt gewezen, waar hetzelfde is waar te nemen. + +Vs. 2260: CGrW. _Bruun_ + +Vs. 2262: _Doe_, CGrW. _Daer_ + +Vs. 2266: _Isingrijn_ + +Vs. 2273: _sduvels_ + +Vs. 2276: _alle gr._ voor _arde gr._ + +Vs. 2277: De vier tusschen teksthaken geplaatste regels vindt men niet + in C., waar men leest: + + Nu hoort wonder alle groot + Wat si noch over een draghen + Wilde iemen van sconinx maghen + Dat wedersegghen _enz._ + + GRIMM, die deze lezing behield, en daarin door WILLEMS gevolgd + werd, merkt echter op, dat er achter den tweeden dezer regels + iets ontbreekt (p. 280), gelijk hem de vergelijking met den ouden + prozadruk leerde. Blijkbaar is tot den samenhang noodig, dat + Reinaert niet alleen zegt dat de saamgezworenen den koning wilden + vermoorden; maar ook, dat zij Bruin in zijne plaats wilden kroonen. + Van 's konings magen toch behoefde men niet te vreezen dat zij zich + zouden verzetten tegen Nobels dood, die wel zonder hunne voorkennis + zou plaats grijpen; maar zij konden »wedersegghen” dat hij door den + beer werd opgevolgd. Ik heb daarom die vier regels uit de omwerking + overgenomen, waar dan deze regel volgt: + + Op sijn hooft die croon van goude, + + waarvoor ik heb in de plaats gesteld: + + Ende hi crone soude draghen, + + waaruit denkelijk in C. de regel verbasterd is: + + Wat si noch over een draghen. + + Dat deze verzen werkelijk in den ouden tekst behoorden, mag men ook + opmaken uit de vergelijking van 2327. + +Vs. 2282: _sconinx_ + +Vs. 2284: _ende met sinen goude_ + +Vs. 2291-3: + + Ende liet in verholnen rade minen + Wive, miere vrouwe Harmelinen, + Ende al van pointe te pointe seide + + W. las alleen den laatsten regel: _Die hijt al v. p._ Dat die verzen + gebrekkig zijn springt in het oog, en zoo als GRIMM zegt (p. 280), + »auch hier verrathen ungefüge worte und mangelhafter sinn den + zusammenziehenden abschreiber.” Hij neemt aan, dat hier, even als + in de omwerking, de das het verhaal eerst aan zijne eigene vrouw + deed, die het wederom aan de vossin verried; hij stelt daarom als + waarschijnlijk, dat die tirade aldus begon: + + Ende in verholnen rade + Sinen wive Slopecade. + + Daar intusschen vrouw Slupecade nergens in het oudere gedicht + terugkeert, is het niet onmogelijk dat zij hier eerst door den + omwerker zij ingevoegd, gelijk men ook uit vs. 2296 mag opmaken. Ik + heb mij daarom bepaald tot die veranderingen die een verstaanbaren + zin opleveren. Het enjambement _minen.... wive_ kan geene zwarigheid + maken, zie de inleiding § I. Misschien moet men ook lezen: + + Ende dien verholnen raet sinen + minen wive, vrouwe Harmelinen, + + Wegens die konstruktie zie men 412, 1297, 1316, 1866, 2655, 2729, + 3186. De vergelijking van 2325 schijnt mede onze lezing te + bevestigen. + +Vs. 2302: _Ooc s. soet bi sulken l._ Doch verg. _Reineke_ 2397. Moet men + ook lezen: _Ooc proefde soet bi lyctekinen?_ + +Vs. 2303: _al_, invoegsel van mij. + +Vs. 2305: _stonden_, l. _stoet?_ + +Vs. 2308: Achter dit vers volgen in C. 30 regels die blijkbaar een + inlapsel zijn. Het is de fabel die ook elders afzonderlijk voorkomt, + b.v. _Esopet_, fab. XXV, bij CLIGNETT bl. 146. Het inlasschen + van fabelen is geheel en al in strijd met den geest van het oude + gedicht, en de gerekte vergelijking is in de omstandigheden waarin + Reinaert zich bevindt geheel en al te onpas aangebracht. Deze wil + ook in 't geheel niet werken op de »heren arme ende rike,” zoo + als op het slot der interpolatie, maar alleen op het vorstelijk + echtpaar. Dit reeds is genoegsaam om de inlassching uit te + monsteren. Overigens loopt de zin veel geleidelijker door, als + men die 30 verzen wegwerpt, gelijk ik heb gewaagd te doen. Dat de + interpolatie intusschen oud is, leert de vergelijking met de lezing + in den _Esopet_, terwijl ook de omwerker haar in zijn voorbeeld + vond. Ik geef het uit den tekst weggeworpene hier naar de uitgave + van GRIMM (GrW. 2305): + + Die pude wilen waren vri + ende ooc so beclaechden hem si + datsi waren sonder bedwanc: + ende si maecten een ghemanc, + ende so groot ghecrai up Gode, + dat hi hem gave, bi sinen ghebode + enen coninc, diese dwonghe. + Dies baden die oude entie jonghe + met groten ghecraie, met groten ghelude. + God ghehorede die pude + tenen tide vanden jare, + ende sende hem den coninc Odevare, + diese verbeet ende verslant + in allen landen, daer hise vant. + Beide in water ende in velt, + daer hise vant in sine ghewelt, + hi dede hem emmer onghenade. + Doe claechden si: het was te spade. + Het was te spade, ic segghe u twi: + Si die voren waren vri, + sullen sonder wederkeer + sijn eighin bliven emmermeer, + ende leven ewelike in vare + vanden coninc Odevare. + Ghi heren, arme ende rike, + ic vruchte ooc dies ghelike, + dat nu van u soude ghevallen. + Doe droeghic sorghe vor ons allen. + Dus hebbic ghesorghet vor u: + dies dancti mi lettel nu. + + Men lette nog op de herhaling in vs. 19, die geheel van de + schrijfwijze van onzen dichter afwijkt, zoo ook vs. 2 _beclaechden + hem si_, dat niet overeenstemt met _merkedi_ vs. 2363 (2387). + +Vs. 2309: _Ic kenne_; C. _Brunen_ + +Vs. 2312: W. _Dan_ + +Vs. 2314: C. _Ic kennen so w. g._ GRIMM verbeterde: _Ic kenne den + coninc_; maar ook hier wordt het imperf. geëischt. + +Vs. 2320: _Noch theeren noch te vromen_ + +Vs. 2321: _doghede_, bij Gr. _gedoghede_, C. _ende ghedoghede_. Dit en + het volg. vers in verkeerde volgorde. + +Vs. 2322: _pijndic_ door W. uit de omwerking opgenomen. CGr. _peinsdic_ + +Vs. 2324: _Datso gescoort worde_. De uitwerping van _Datso_ gebood de + samenhang. In _gescoort_ is blijkbaar eene _c_ kwalijk gelezen voor + _t_, zoo als meermalen. De invulling van _ic_ gaf de omwerking aan + de hand. + +Vs. 2326: _enen dorper_ + +Vs. 2331: _wel_ + +Vs. 2336: _ghepeinse_ + +Vs. 2337: _hoe ic dat_ + +Vs. 2339: _die mijn vader hadde_ + +Vs. 2341: C. _leide laghen_; GrW. _leide lage_ + +Vs. 2342: C. _meneghe haghen_; GrW. _meneghe haghe_ + +Vs. 2351: W. _enen st._ + +Vs. 2355: C. _yewer_ + +Vs. 2357: _l. gheslopen?_ + +Vs. 2358: _te sc._, doch verg. 2472. + +Vs. 2359: _als ic hem_ + +Vs. 2360: W. _Driven dat ic_ + +Vs. 2361: _doe_ ingevoegd door W. + +Vs. 2363: CGrW. _sach ende merkedi_ + +Vs. 2371: _mede gaen_; Reineke 2265 heeft: _lêt overgân_ + +Vs. 2373: _mouden_ + +Vs. 2374: GrW. _vroeden bouden_, maar blijkbaar moet het hs. hebben + _houden_. Verg. 2344. + +Vs. 2375: _meesterlike_ + +Vs. 2383: CGr. _gheraecte doe_; bij W. _genaecte doe_ + +Vs. 2386: _Aldaer vandic_ + +Vs. 2389: _nie_, dus C.; bij GrW. _ie_ + +Vs. 2391: _Ic en_ + +Vs. 2392: het tweede _sonder_, invoegsel van W. + +Vs. 2400: _enen_ + +Vs. 2416: _hem so quite_ + +Vs. 2424: _m. coenen s._ + +Vs. 2426: _hulpen_ + +Vs. 2427: _quame_, dus C.; bij GrW. _quam_. Gr. veranderde hier, omdat + in C. met dat vers eene nieuwe afdeeling begint, die echter + blijkbaar met 2421 moet aanvangen, verg. _Reineke_ vs. 2305. + +Vs. 2431: _menechfoudeghe_, doch verg. 505, 542, 898. + +Vs. 2434: _na hem reden_ uit de omwerking, in plaats van: _hadden + geleden_ + +Vs. 2435: _daghen_ + +Vs. 2436: _meneghen stonden_ + +Vs. 2441: C. _Sheere_, GrW. _Sheren_. Zie over de apocope HUYD. op + _Stoke_, 2 D., bl. 150. + +Vs. 2443: _catte_ + +Vs. 2452: _danct_ + +Vs. 2454: _hi soude_ + +Vs. 2473: _leedden Reinaerde_. WILLEMS werpt _te_ weg; doch verg. 2673. + +Vs. 2475: _wijsde_ met C., GrW. _wijste_ + +Vs. 2477: _soudic u wisen_ + +Vs. 2479: _uut_ + +Vs. 2481: C. _Mine_ + +Vs. 2483: _Allegader_ + +Vs. 2485: _ghetrouwe_, dus CGr. W. las willekeurig _gehouwe_. + +Vs. 2488: _voor_ + +Vs. 2489: C. _ghi mi_ + +Vs. 2490: C. _Ende Bruun alle mine onsculde_. GrW. lezen met _Reineke_: + _Ende alle mine broke ende sculde_; maar uit 2493 blijkt dat Bruun + hier op zijne plaats is. + +Vs. 2506: C. _argentieren_; GrW. _argertieren_ + +Vs. 2512: W. _Ende dese v._ + +Vs. 2517: _belanct_, doch zie de voorbeelden bijgebracht _Heim._ bl. + 369. + +Vs. 2521: _Ne gh. u niet_ + +Vs. 2524: _wancost_ bij W. is drukfout. + +Vs. 2527: _Dat en d._ + +Vs. 2532: _die ere_ + +Vs. 2533: _mijn_ + +Vs. 2535: _eren_ + +Vs. 2536: _groot_ + +Vs. 2538: _wale jonne_; maar dan behoorde het te zijn _anne_. Blijkbaar + heeft de afschrijver den infinitivus verworpen om een schijnbaar + zuiverder rijm te verkrijgen; doch zie Mnl. Vsb. bl. 113 en 168-9. + +Vs. 2539: _trouwen_ + +Vs. 2540: _vrouwen_ + +Vs. 2550: W. _Hoe die coninc_ + +Vs. 2552: _Reinaert spr._ + +Vs. 2561: _de waerheit_ + +Vs. 2567: _no wijf_ + +Vs. 2573: GrW. _die avonture_. _Die_ bracht Gr. in den tekst omdat men + in C. gelezen had _hi avonture_, waar echter wel _bi_ zal staan, dat + den natuurlijksten zin geeft. + +Vs. 2574: C. _ghehidelt_ + +Vs. 2575: W. _tes_, CGr. _es_ + +Vs. 2577: _mijn_ + +Vs. 2578: _weset_, W. _wetic_, Gr. _wetet_, zoo als men meende in C. + te lezen. Merkwaardig is de uitdrukking _getrouwe wesen_, voor het + gewone ww. _ghetrouwen_, dat b.v. 3365 staat. Moet men ook lezen: + _Ne wilt ooc niemen so ghetrouwen_? als _Wal._ 8584? Verg. dan + aldaar 2 D. bl. 207. + +Vs. 2579: W. _sout laten_ + +Vs. 2589: _in dene side_; maar de beteek. zal toch wel zijn: _aan kant_, + _wegdoen_. Zie daarover _Wal._ 2 D. bl. 205. + +Vs. 2592: _ooc_ door mij ingevoegd uit _Reineke_ 2468. + +Vs. 2598: _Hoe dicken suldi_ + +Vs. 2608: CGr. _wanen_ + +Vs. 2617: _ja, ja_ + +Vs. 2621: _die_ + +Vs. 2633: _Dies maent hi u bi der trouwen_ (:_vrouwen_) + +Vs. 2635: De vijf tusschen teksthaken geplaatste verzen, gedeeltelijk + uit de omwerking genomen, vervangen dit enkele, dat C. heeft: + _Ende die ic den coninc sculdich bem._ Dat er hier iets ontbrak + was duidelijk, en ook reeds door GRIMM aangewezen, bl. 283. + +Vs. 2647: _ende menich coude_ + +Vs. 2652: _die ries_, doch zie GRIMM, pag. CLX. + +Vs. 2656: _was te voren eer_ + +Vs. 2658: _last_, dus W. naar de omwerking; CGr. _past_ + +Vs. 2660: _scone_ + +Vs. 2662: C. _wee desen_ + +Vs. 2663: _sone_ (WILLEMS: _tone_), _Rijn, waers te d._ + +Vs. 2665: _saken_ + +Vs. 2671: _Ghene_ + +Vs. 2672: _enen_ + +Vs. 2680: _berke_, C. _burne_, Gr. _borne_. De verbetering is van + WILLEMS. + +Vs. 2683: _ine_ + +Vs. 2687: _ghi here waert_ + +Vs. 2688: _het es also_ + +Vs. 2689: WILLEMS wilde lezen: _al eist mijn scame_ + +Vs. 2693: _hem de provende niet ghenoegen_ + +Vs. 2695: _Hi cl. van hongere ende k._; maar het rhythmus van het + volgende vers leert dat _van hongere_ hier niets dan een glosseem + is. + +Vs. 2697: _Doe hi kermede ende wart traech_. Ik heb de voorkeur gegeven + aan de lezing van de omwerking. + +Vs. 2707: _eren.... vromen_ + +Vs. 2712: _verwatenen_; doch zie Mnl. Vsb., bl. 132-3 + +Vs. 2718: en 20 GrW. _te banne_ + +Vs. 2719: _sp. Reinaert nadat g. s._ + +Vs. 2721: _Reinaert lietic u_ + +Vs. 2722: _Cuwaerde.... enen_, dus CGr. bij W. _een_ + +Vs. 2726: W. _Daer gi_ + +Vs. 2732: _jonne_ + +Vs. 2733: C. _hi ende mi_ + +Vs. 2735: _rede_ + +Vs. 2739: _in sijn hof_ + +Vs. 2743: alleen bij W. _coninghinnen_ + +Vs. 2744: Deze regel ontbreekt in het hs. en is van mijne vinding. + WILLEMS laschte in: _Die hi te recht wel mochte minnen_, en in het + volgende vers, achter _mi_ de woorden: _sprac hi_. + +Vs. 2746: L. _met live_? + +Vs. 2755: _sinnen_ + +Vs. 2757: _vele ghebeden vor hem_ + +Vs. 2764: _waerven_ + +Vs. 2770: _ghene_ + +Vs. 2777: W. _Ende dan wille hi_; CGr. _Ende v. R. danen wille hi_ + +Vs. 2780: W. _sonderliker_, drukfout. + +Vs. 2789: _alle_ + +Vs. 2792: _Te Tic._ + +Vs. 2797: _tes coninx waert_ + +Vs. 2798: _Tib. bleef sere_ + +Vs. 2799: _Ende hi bleef_ + +Vs. 2801: _sorgen so groot_ + +Vs. 2803: _sine_ + +Vs. 2804: _Die hi_ + +Vs. 2809: _Reinaerde ie_ + +Vs. 2810: _met groten gheninde_ + +Vs. 2811: _voor_ + +Vs. 2817: _Worden si_ + +Vs. 2818: _verwoede_ + +Vs. 2819: _dan men hem dede_ + +Vs. 2821: _voerese_, dus C. bij GrW. _voerdese_. CGrW. _als_ + +Vs. 2823: _binnen ere nacht_ + +Vs. 2826: De alinea begint eerst bij het volg. vers. + +Vs. 2833: Hadd. IIII v. sc. + +Vs. 2835: _sal_ IIII _scoen_ + +Vs. 2836: _coninghinnen_ + +Vs. 2839: IIII + +Vs. 2840: CGr. _Helpt nu_ + +Vs. 2843: _sine_ + +Vs. 2848: _eren_ + +Vs. 2852: _moetet_ + +Vs. 2853: _des Gods_ + +Vs. 2856: _Dinen_ + +Vs. 2857: _Hets dijn n._ + +Vs. 2858: _wilre gherne mijn m._ + +Vs. 2859: _u wel ghem._ + +Vs. 2861: _Isengrijn dr._ + +Vs. 2863: _gheven twee soen_ + +Vs. 2864: _u vaert mede_ + +Vs. 2866: _dher_ + +Vs. 2868: _beide sine_ + +Vs. 2871: W. _hielt_; C. _leden_ + +Vs. 2881: _Bachten van beide haren voeten_ + +Vs. 2882: _wel soeten_; doch verg. 621, 3413 + +Vs. 2885: _lieve_, invoegsel van W. uit de omw. + +Vs. 2895: _al dat_ + +Vs. 2900: _moete mi wr._ + +Vs. 2903: _neware_, dus C.; bij GrW. _te ware_ + +Vs. 2911: _helpt.... ic_ + +Vs. 2912: _vor de sonne_ + +Vs. 2913: _sijn_ + +Vs. 2917: _voeten_ + +Vs. 2922: _vrouwen_ + +Vs. 2923: _wel_ is een invoegsel van mijne hand. + +Vs. 2924: _Nu doet Reinaert g. u. cn._ + +Vs. 2926: W. _naesten_, dat ik nimmer aantrof. + +Vs. 2936: _wats dan_ + +Vs. 2941: _daer af_, invoegsel van mij. + +Vs. 2942: _pen. daer af ontfaen_ + +Vs. 2944: _hem wel_ + +Vs. 2947: W. _geesterliker_ + +Vs. 2949: _Jeghen bisscop ende jeghen den deken_--CGr. _dat ic u_ + +Vs. 2954: _also_ + +Vs. 2957: _beefde_ + +Vs. 2958: _sine autare_ + +Vs. 2964: _Reinaerts_, CGr. _sine_ + +Vs. 2971: _tranen_ + +Vs. 2973: _jammerlike in sine herte_; doch verg. _Reineke_ 2753. + +Vs. 2974: _Van rouwe hadde grote sm._ + +Vs. 2979: _Haddet m. g._ + +Vs. 2982: C. _hi woude_ + +Vs. 2984: _hem_, C. _hi_ + +Vs. 2991: _ghene_ + +Vs. 2992: _Uwen_, W. _Geeft mi_ + +Vs. 2994: _gheboot die coninc_; doch zie de omwerking. + +Vs. 2995: _uut_ CGrW. _uutwaert_ + +Vs. 3005: W. _Wat rouwe hem_; CGr. _Die rauwe die hem_ + +Vs. 3006: _Reinaerde_ + +Vs. 3011: _sine_ + +Vs. 3016: _sameninghen_ + +Vs. 3026: _dese_ + +Vs. 3027: _sine_ II _achterste voeten_ + +Vs. 3028: _maende die diere cl. ende gr._ + +Vs. 3030: _alle_; in C. ontbr. _van_ + +Vs. 3033: _ghebede_ + +Vs. 3040: _ghi_ CGrW. _God_ + +Vs. 3044: _wandelinghen_ + +Vs. 3045: _onberoepen ende goedertieren_. Verg. wegens _onberocht v. d. + Houte_, Gloss. op _berocht_, en DE VRIES, _Brief over Kar. Gr._, + bl. 6. + +Vs. 3048: W. _tide_ + +Vs. 3050: W. _loveren_ + +Vs. 3053: _sonderlinghe_ + +Vs. 3058: W. _Aen dat casteel van M._ + +Vs. 3060: _Doe sprac hi_ + +Vs. 3072: _manieren_; W. _menegen_ + +Vs. 3077: _vonden si_ + +Vs. 3079: _sorghen_ + +Vs. 3081: _als_ is een invoegsel van mij. + +Vs. 3084: W. _wonder_ + +Vs. 3091: _Cuwaerde_ + +Vs. 3093: C. _lyende_ + +Vs. 3096: _trouwen_ + +Vs. 3098: _ene gr. p._ + +Vs. 3105: _mordadelike_ + +Vs. 3106: W. _C. riep doe g._ + +Vs. 3107: W. _Help_ + +Vs. 3109: _was sciere_ + +Vs. 3112: _gaen wi_ + +Vs. 3114: GrW. _ten brase_, van welk woord ik geen tweede voorbeeld + weet. C. heet te lezen _base_, maar er zal wel staan _hase_, d.i. + zonder de Vlaamsche adspiratie, die in dat hs. voorkomt, _ase_, van + _aes_. Dat _h_ en _b_ te verwisselen zijn, blijkt, daar b.v. 2577 + (2597) door GRAETER _hi_ voor _bi_ gelezen werd. + +Vs. 3116: _Haren_ + +Vs. 3120: _dancte_, waarvoor ik _bat_ uit de omwerking nam; CGr. _goets_ + +Vs. 3124: _jans_ + +Vs. 3132: _sal_ + +Vs. 3133: _daghen_ + +Vs. 3134: _sijn daghen mee_ + +Vs. 3139: _hede_ + +Vs. 3140: _Ende die_ + +Vs. 3146: _daer wonen_ VII + +Vs. 3147: _l. wand. sonder sc.?_ + +Vs. 3148: _hebben daer gr._ + +Vs. 3150: C. _en loghe_ + +Vs. 3154: _Nu hebdi_ + +Vs. 3156: _van_, invoegsel van mij. + +Vs. 3157: _Ende hebt p._ + +Vs. 3160: W. _seidet_ + +Vs. 3161: _dat hi mi_ + +Vs. 3162: _diedet niet_ + +Vs. 3169-70: staan in C. in omgekeerde orde. + +Vs. 3175: _Alse dit_ + +Vs. 3181-2: in omgekeerde volgorde. + +Vs. 3189: _lates_ + +Vs. 3190: _u daer R. h._ + +Vs. 3191: W. _comdi niet_ + +Vs. 3198: _di des_; CGr. _hi dus_; W. _hi di_ + +Vs. 3208: _Here_ + +Vs. 3214: CGr. _wi doe daden_ + +Vs. 3220: _also_ + +Vs. 3222: _helpt_ + +Vs. 3223: _Miere moien_ + +Vs. 3224: CGr. _Doe riep_ + +Vs. 3230: _liever_, C. _leet_; CGrW. _hem iet_ + +Vs. 3231: W. _Dattet minen k._ + +Vs. 3235: _hoghe_ + +Vs. 3239: _Het es_ + +Vs. 3240: CGr. _ende ic ne w._ + +Vs. 3242: C. _waret_ + +Vs. 3243: CGr. _Ghebidden_; W. _ic_; CGrW. _den c._ + +Vs. 3246: _Reinaert sprac._ W. werpt _ne_ uit. + +Vs. 3247: _hier bleven_ + +Vs. 3256: _loofde_ + +Vs. 3260: CGrW. _hooft_; zoo ook 3359. + +Vs. 3261: _haddijt_, invoegsel van mij. + +Vs. 3263: _Belijn_ + +Vs. 3271: _Ende sinen here die coninc h. l._ + +Vs. 3272: _desen_ + +Vs. 3277: _stede daer hi up stoet_ + +Vs. 3280: W. _Dat hem_ + +Vs. 3281: _Reinaert Belijn_, doch zie de omwerking. Uit 3287 blijkt + duidelijk dat Belijn spreekt + +Vs. 3283: _U selven_ + +Vs. 3284: CGr. _sals hu sp._ + +Vs. 3285: CGr. _dat ghi cont d._ + +Vs. 3288: _dicke hets_ + +Vs. 3289: _jonste_ + +Vs. 3294: _sal u saen_ + +Vs. 3295: _desen selven_ + +Vs. 3300: W. _bevolen_ + +Vs. 3301: _Sprac Belijn ende dede h._ + +Vs. 3304: _groot_ ontbr. + +Vs. 3309: _pinen wi_ + +Vs. 3310: CGr. _daer doe gheen_ + +Vs. 3321: W. _om_ + +Vs. 3322: _Belijn_ + +Vs. 3323: _wanen_ + +Vs. 3327: _alse_, invoegsel van mij + +Vs. 3329: GrW. _ten casteel comen_; C. _den casteel cumen_, welk + laatste woord stellig slecht gelezen is, zoo als ook blijkt + uit de omwerking, die heeft: _Ende hi henen sceiden soude_ + +Vs. 3337: W. _brieven_ + +Vs. 3338: W. _De sc._ + +Vs. 3344: _letteren dichte ic bi m. r._ + +Vs. 3348: C. _ant werc_ + +Vs. 3353-4: _Belijns_ (_: sijns_) + +Vs. 3356: _Dat hi sn._ + +Vs. 3360: CGr. _B. ende sach dat_ [_hi sprac_ (_W._)] + +Vs. 3365: CGr. _ghetrauwet_ + +Vs. 3366: _sien_, invoegsel van GRIMM + +Vs. 3367: _Die coninc_ + +Vs. 3370: _hief_ + +Vs. 3371: _Up ende_ + +Vs. 3374: GrW. _Alle dieren_ + +Vs. 3376: _lubaert_ + +Vs. 3377: W. _mochtet_ + +Vs. 3382: _ende_ met C., bij GrW. _een_ + +Vs. 3384: _Here_ + +Vs. 3391: _Die st. here Br. ende here I._ Doch verg. _Reineke_ 3157 + +Vs. 3397: _Es ghedaen mesdaet_, gewijzigd naar _Reineke_ 3171 + +Vs. 3398: CW. _wulf enten bere doen comen_, Gr. _doen coenen_. Reineke + 3173 gaf de verbetering aan de hand + +Vs. 3400: _Ende betren hem h. m. s._ + +Vs. 3401: _Ende over h. t. ende over h. p._ + +Vs. 3408: CGr. _Ende sullen sine k._ W. _Ende bi sine kele._ + +Vs. 3413: _den rouwe_ + +Vs. 3415: _gaen maken_ + +Vs. 3417: _ghevanghene_, doch verg. 2996. + +Vs. 3418: _teerst_ + +Vs. 3419: _sprac hi_ + +Vs. 3420: _vast_ ontbr. en is door mij uit _Reineke_ 3207 ontleend. + +Vs. 3421: C. _Mine_ + +Vs. 3427: CGr. _shere_, W. _sheren_ + +Vs. 3431: _ghewilleclike_ + +Vs. 3433-4: _Dat gi sonder eneghe mesdaet R. moghet t. ende q._ + +Vs. 3435: _alle_ + +Vs. 3436: _belaghen_ l. _bejaghen_? met omw. + +Vs. 3437: _Dese twee gr. vreden_. Ik volg de omw. + +Vs. 3441: _sweert_ + +Vs. 3443: _Nemmermeer_ + +Vs. 3445: _ghenaden_ + +Vs. 3449: _Brune sprac ic_ + + + + +VERKLARENDE WOORDENLIJST. + + +VERKLARENDE WOORDENLIJST. + + +A. + +#Achte#, 685, _gevangenschap_, _hechtenis_, _beklemming_. + +#Achter bliven#, 96, 2464, _achterwege blijven_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Achter lande#, 2407, _door het land heen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., +bl. 20; _Lsp. gloss._ _Ferg._, 1423. Zoo ook _achter straten_, aldaar +727. + +#Achter rugghe#, 1730, _achterwaarts_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. +219. + +#Aerminc#, 2077, 2210, _arm man_, _ongelukkige_. Verg. HUYD. op _Stoke_, +1 Dl., bl. 418. + +#Aes#, 3114, _spijs_. Zie KIL. en verg. _Velthem_, bl. 268, 279. + +#Aex#, 701, 735, _bijl_, _akst_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 178-180. +_Lanc._ 21632 heeft _hache_. + +#Af#, 21, 1042, 1348, _van_. + +#Afbernen#, 1506, _afbranden_. + +#Al#, 741, 932, 1257, _geheel_. + +#Al in een#, 1255, _aanhoudend_, _voortdurend_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Al te#, 784; 2827 alleen #te#; _zeer_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Altehant#, 539, _terstond_. + +#Aldusghedaen#, 3054; #aldustaen#, 862, _zoodanig_. + +#Algader#, 1276, 1455, _geheel en al_. + +#Alghemene#, 3115, _te samen_. + +#Alnaect#, 1257, _moedernaakt_. + +#Als ende als#, 3010, 3264, _geheel en al_; in de tweede plaats zooveel +als _dringend_. + +#Also#, of #noch also#, bij een adject. _meer_, b.v. 1342, #noch also +quaet#, _boozer_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 169. + +#Also#, 1345, _als_, _zoo als_. + +#Altoos#, 2947, 2986, _altijd_. Zie _Floris, gloss._ In de eerste plaats +meer in den zin van _immers_, zoo als wij het nog wel gebruiken. + +#An#, zie #Onnen#. + +#An#, duidt in 't algemeen de betrekking aan, die wij nu eens door +_aan_, dan door _op_, _in_, _tot_, _bij_, _naar_, _nabij_ uitdrukken; +93, 1003, 1102, 1127, 1248, 1435, 2274. De werkwoorden die op een of +andere wijze eene ontleening van elders aanduiden, hebben in 't Mnl. den +persoon van wien ontleend wordt met _an_ verbonden bij zich: b.v. 204, +1427. Verg. _Lsp. gloss._ Daarmeê komt overeen het _delen an hoghen +aflate_, 2894; en _versaden ane_, 212. + +#Andersins#, 84, _in anderen zin_, _anders_. Ietwat afwijkend is de +beteekenis _Floris_ 1374, 3947. + +#Aneslaen#, 442, _beginnen te zingen_. Zie _Lsp. gloss._ Nog van het +zingen der vogels en het bassen der honden in gebruik. + +#Anevaerden#, 3314, _de vaart ergens heen ondernemen_; _aggredi_ (KIL.). + +#Angaen#, 187, _ondernemen_, _aanvangen_, _suscipere_. + +#Angaen#, 814, _aanvallen_; 261, _tot zich nemen_, _zich meester maken +van iets_, _aanvaarden_. + +#Anscijn worden#, 1781, _blijken_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. +168-170. + +#Antien#, 2066, _aantijgen_. Zie _Lsp. gloss._ op _Tien_. Zie ook hier +op dat woord. + +#Apeert#, 204, _openlijk_, _blijkbaar_, _onbeschaamd_. + +#Arbeit#, 743, 2856, _moeite_. + +#Archede#, 2515, #Archeit#, 2940, _kwaad_, _boosheid_, _ondeugd_. Zie +_Lsp. gloss._ + +#Arghertiere#, 2506, _boos_, _ondeugend_. + +#Avonture#, 624, _de fortuin_, _het geluk_ (_als persoon voorgesteld_). +#Bi aventure#, 161, 349, 2573, _bij toeval_. 1393, 401 var., _ongeval_. +4, 31, _verhaal van gebeurde zaken_, _geschiedenis_. #In avonture +setten#, 1353, _in de waagschaal stellen_, _op het spel zetten_. Verg. +GRIMMS uitstekende monografie over dit woord in de verschillende +beteekenissen die het doorloopen heeft. + + +B. + +#Bachten#, 1290, 2881, _van achter_, _aan den achterkant_. Verg. +CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 374-375. + +#Baerde#, 701, _bijl_. Nog over in _hellebaard_. + +#Bake#, 217, 227, 1517, 1523, 2127, _varken_. + +#Balch#, 2800, _ligchaam_, _buik_, eigenl. een _huidenzak_. + +#Balch#, zie #Belghen#. + +#Ban#, 264, KIL.: _proclamatio_, _edictum publicum_. + +#Ban#, 2700, _banvloek_, KIL.: _Dira proscriptio_, _anathema_. Zie nog +andere beteekenissen van dit woord in de woordenlijsten op de +_Doctrinale_ en de _Mnlp._ + +#Banderside#, 1830, _ter andere zijde_. Zie het _gloss._ op de +_Lorreinen_. + +#Baraet#, 353, 483, 1196, 1486, 1708, 2049, 2359, 3073, 3387, _bedrog_. +Het is het fransche _barat_, en komt veel voor; zie HUYD. op _Stoke_, 2 +Dl., bl. 210-211, en CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 349-350. + +#Barbecane#, 522, _voorwerk eener vesting_; fransch woord, bij vlaamsche +schrijvers niet ongewoon, b.v. _Troj. Orl._ (_O. Vl. Ged._ I), 3003. +_Rose_, 3784, vindt men het ww. _barbelcanen_, in de beteekenis van: +_met een voormuur omgeven_. + +#Baren#, 2380, _zich vertoonen_. Verg. _Lorreinen gloss._ + +#Bassen#, 1597, _aanblaffen_. Gewoonlijk wordt het intrans. gebruikt; +zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 157-159. + +#Bat#, in 't rijm voor #Bet#. + +#Bate#, 2893, _voordeel_. Maar _bate_ is eigenlijk _betering_, +_herstel_, vandaar _in bate staen_, 192, _beteren_, _boeten_. Zie +_Lorreinen gloss._ + +#Bedi#, 2975, 3162, _omdat_; 2331, 2892, 3110, _want_. Eigenlijk een +oude instrumentaalvorm. Zie voorbeelden in de plaatsen aangehaald +_Doctr. gloss._ + +#Bedocht sijn#, 84, _bedacht zijn_, _besluiten_. + +#Bedraghen# (#Hem#), 2134, 2654, 2694, _zich onderhouden_, _zich_ (_met +iets_) _behelpen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Bedraghen#, 2200, 2235; part. #bedreghen#, 2503, _beschuldigen_, +_aanklagen_. Zie DE JAGER, _Nalezing op 't gloss. van Prof._ LULOFS, bl. +14-16. + +#Bedwanc#, 886, 1845, _dwang_, _overmacht_. Zie _Floris_, 345, 2848. +_Car. en Eleg._, 372, 1187. + +#Begheven#, 24, 155, 2940, _nalaten_; 273, _verlaten_. + +#Begheven#, 1501, _de wereld voor het klooster verlaten_; het part. +#begheven#, 369, 1488, _van de wereld afgezonderd_, _geordend_. + +#Beghien#, part. #beghiet#, 2934, _erkennen_. MAERL., _Sp. Hist._, 3 +Dl., bl. 257. Zie DE JAGER, _Verscheidenheden_, bl. 278-282. + +#Beghinnen#, 3 p. sing. praet. #begonste#, 64, 146, 1323 (2110). MAERL., +_Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 186, 286. Zie ook _Lsp. gloss._ op _began_; +HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 41, 97; 2 Dl., bl. 487. + +#Begripen#, 32, _berispen_. Zie _gloss._ op _Doctr._ en _Lsp._ + +#Behendichede#, 2465, _beleid_, _slimheid_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. +311-312. + +#Beiaert#, 1272, _frequentamentum tintinnabulorum_ (KIL.). #Den beiaert +slaen#, _de klok luiden_. + +#Beide#, 681, 745, 1491, _beide_, _alle twee_. Maar als _beide_ voorop +staat, en gevolgd wordt door twee of drie verschillende zelfst. nw. +beteekent het _zoowel -- als_, b.v. 13, 42, 151, 408, 837, 1268, 1385, +1691, 1981, 2308*, 2761, 2881. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 65. De +eigenlijke schrijfwijs in ons dichtstuk schijnt _bede_ geweest te zijn, +dat 147 in 't rijm voorkomt. Zoo ook _Ferg._, 4947; _Stoke_, 1 B., 607. + +#Beiden#, 1101, 1187, _wachten_. + +#Bejach#, 119, 276, 507, _prooi_, _wat men door najagen verkrijgt_. + +#Bejaghen#, 1941, 2112, 2897, 3336, (_door jagen_) _bemachtigen_, +_verwerven_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Becarmen#, 3038, _weeklagen over iets_. + +#Bekinnen#, #bekennen#, 2809, _kennen_; 457, 539, _kennen_, _erkennen_; +983, _herkennen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Beclaghen#, 1349, 1375, _aanklagen_, _verklagen_; 1529, _beklagen_ in +de tegenwoordige beteekenis. + +#Becnouwen#, 225, _beknagen_, _afknagen_. + +#Becomen#, 2100, 2439, _behagen_, _aangenaam zijn_. Zie HUYD. op +_Stoke_, 2 Dl., bl. 400. + +#Belanc sijn#, 2517, _verwant zijn_. Zie over de grondbeteekenis van het +woord _Lsp. gloss._ + +#Belghen# (#Hem#), praet. #balch#, 1749, 2902, 2955, 3185, _boos +worden_, _zich vertoornen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Beloken#, 335, 1169, 2271, _besloten_; eigenlijk part. van _beluken_. + +#Belopen#, 349, _achterhalen_; 2518, _overwonnen_ (_ingepakt_). + +#Bem# (#Ic#), 525, 1026, 1357, 1780, 2073, 2188, 3096, regelmatige 1 +pers. sing. praes. van _sijn_. + +#Beneden#, 777; moet men niet lezen _beneven_? Vs. 820 vlg. schijnt dit +vermoeden in de hand te werken. _Beneven_ vindt men o. a. _Troj. Orl._, +bij BLOMMAERT, _OVl. Ged._, 2 Dl., bl. 88, vs. 1154. + +#Benemen#, 2452, _verhinderen_, _beletten_. Zie _Lorreinen gloss._ + +#Beniden#, 340, _ergens nijd_, _afgunst over gevoelen_. Verg. _Tr. Orl._ +(BLOMMAERT I, bl. 18) vs. 1460. + +#Bequame#, 620, _aangenaam_. Verg. #becomen#. + +#Bequamelic#, 1118, _aangenaam_, _wel smakend_. + +#Beraden#, #beriet#, #beraden#. _Beraden_ is eigenlijk den raad tot +iets geven, hetzij aan zichzelven of anderen. Vandaar _het initiatief +tot iets nemen_, _iets bewerken_, in verschillende schakeringen van +beteekenis, afhankelijk van het doel waarmede iets _beraden_ wordt. Ten +goede gaat de beteekenis licht over in die van _helpen_, _verzorgen_, +_iets verschaffen_; ten kwade, in die van _berokkenen_, _op den hals +halen_. De persoon ten wiens behoeve, ten wiens voor- of nadeel dit +geschiedt, staat in den dat., die _beraden_ wordt in acc. Zoo komt dit +ww. in dit gedicht voor: 435, 551, 592, 639, 1926, 2198, 2977, 3213. Het +part. #beraden#, 478, 1976, is eigenlijk: _tot een besluit gekomen_, +_besloten_, en wordt met den genit. gekonstr. of door _so_, _also_, +nader bepaald.--Verg. hier #raet#. + +#Beringhen#, 779, _omringen_, _insluiten_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., +bl. 453. + +#Bernen#, 303, 1506, _branden_; nog over in ons _barnen_. + +#Bescedenlike#, 1689, _met maat en ingetogenheid_. Zie _Lsp. gloss._ de +geheele bl. 377. + +#Bescelden#, praet. #bescalt#, 936, _schelden_, _hoonen_. Verg. +#scelden#. + +#Besceren#, part. #bescoren#, 2692, (_de kruin_) _scheeren_. + +#Bescouwen#, 1583, _aanschouwen_, _bezien_. + +#Besculdich#, 53, _schuldig_. In den _Lanc._ leest men _besculdicht_ in +denzelfden zin. + +#Beseken#, praet. #besekede#, 75, _bepissen_. + +#Besien#, 1017, _toezien_. + +#Bespreken# (#Hem#), 435, 467, _overleggen_, _beraadslagen_. Zie _Mnlp. +gloss._ + +#Bessem#, 722, _bezem_. Dezelfde uitspraak van het woord hoort men nog +in sommige provinciale dialekten, b.v. in Overijssel. + +#Best# (#Du#), #du bist#, 920, 2602, tweede pers sing. van _ic bem_. + +#Best#, 969, 1005, 1334, adverb. _op de beste_, _de geschiktste wijze_. + +#Beste# (#Die#), 86, _de edelste_, _de voornaamste_. Verg. _Mnlp. +gloss._ + +#Bestgheboren#, 798, _de voornaamste door geboorte_. Zoo ook MAERL., +_Sp. Hist._, 1 Dl., bl. 383; _Lanc._ 4485. Verg. hier 2742. + +#Bestaen#, intr. met DP., 1903, _vermaagschapt zijn_. Zie _Lorreinen_, +I, 615; _Ferg._, 343, en niet 1413, zoo als _Lorr. gloss._ verkeerd +wordt opgegeven. + +#Bestaen#, trans. met den acc., 553, 970, 1040, 1095, 1696, 2604, +_ondernemen_, _aanvaarden_; eigenlijk _aanvallen_ (verg. _aggredi_). + +#Besteken#, 1197, _aanranden_; KIL. _machinari_, _moliri_. + +#Bestolen#, 2152, part. van #bestelen#, _gestolen_. + +#Bet#, #Bat#, 255, 540, 1063, 1633, 2240, 2399, 3043, 3349, adverb. +_beter_. #Te bat sijn#, 226, 3165, _voordeel_, _nut van iets hebben_, +met den DP. en GZ. Verg. _Lsp. gloss._ in _bat_. + +#Betegen#, part. van #betien#, 2504, _aantijgen_, met den DP. en AZ. +Verg. _Belg. Mus._, IV, 330. + +#Betren#, 3400, _vergoeden_, _boeten_. Zie _Lorreinen_ en _Doctr. +gloss._ + +#Bevaen#, 2731, _bevangen_; #met node bev.#, 517; #in bliscap bev.#, +899; #bevaen in goeden dinghen#, 2731; #met loveren bevaen#, 43 +(_omgeven_, _bedekt_). Verg. _Lsp. gloss._ en _Ferg._ 1546. + +#Bevelen#, 382, 1412, _aanbevelen in de hoede van iemand_, met DP. en +AZ. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Bewachten#, 405, _bewaken_. + +#Bewanen#, 2209, _wanen_, _meenen_; 176, _verwachten_. _Ferg._ 2004. + +#Bewant sijn#, 1630 van #bewenden#, _wenden_, _keeren_, _in eenigen +toestand of gesteldheid zijn_. Zie _Mnlp. gloss._ + +#Bewerven#, 2172, 2866, _verwerven_. _Flor._ 1202, 2862; _Doctr._ II, +3293. Verg. HUYD., _Proeve_, 1 Dl., bl. 139. + +#Bi#, 117, 123, 378, 2154, 2573, 2608, 3170, _door_; 565, #bi mi#, _door +mijn voorbeeld_. + +#Bi#, _bij_, _in_, _tot_, _met_; #bi der siele#, 1275; #bi siere eren#, +546; #bi name#, 1001; #bi den buke#, 1581. + +#Bi#, 694, 1889, _aan_, _met_. + +#Bi#, 602, 650, 879, 1366, 1620, 1671, 1709, 1911, 2046, 2364, _bij_, +_nabij_. + +#Bi#, 646, 1496, 3295, _bij_, _langs_. + +#Bile#, 816, _bijl_. + +#Bindesen#, 988, vul aan: _bin desen worden_, dus: _intusschen_, +_inmiddels_. #Bin# ook buiten samenstelling is niet ongewoon, b.v. +_Wal._ 121, 202, 995. + +#Binnen# (#Hier)#, 1308, 2403, 3440, _intusschen_, _inmiddels_. + +#Binnen gheboren#, 1795, _aangeboren_. _Mnlp._ heeft _ingeboren_. + +#Bisant#, 1153, _bysantijnsch goudstuk_. _Flor._ 2614, 2620, 2698, 2734, +enz. _Velth._ bl. 256. + +#Bispel#, 181, _spreekwoord_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 107. _Flor._ +2147. + +#Blanden#, 2183, _mengen_. Het _mede blanden_ staat tegenover het _bier +brouwen_ vs. 2180-1, verg. 1960-1. De deensche liederen op Grimhilde +beginnen met: hun lader _miöden blande_, hun lader baade brygge og +_blande_. Zie GRIMM, _R. F._, bl. 279-280. KIL. kent het woord _blanden_ +alleen in de beteekenis van _smeeken_, _blandiri_; maar het Eng. heeft +nog _to blend_. + +#Blare#, 2470, _de blare koe_, _de bonte koe_, _de bête noire_, _de +zondebok_. Zie _Lsp. gloss._ op _blaer_. + +#Blenden#, 1843, _de oogen uitsteken_. _Mnlp._ I, 213. + +#Bleten#, 2090, _blaten_, van geiten en lammeren. _Esopet_, Fab. 30, +vs. 2. + +#Bleven# voor #ghebleven#, zie #Bliven#. + +#Bliken#, 3358, _blijken_, _aan den dag komen_, _zich vertoonen_. +_Flor._ 1795. + +#Bliven#, #bleef#, (#ghe#)#bleven#, 866, 1658, 2037, 3247, +_achterblijven_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 26. + +#Bliven laten#, 1295, 1299, _laten varen_, _nalaten_. + +#Bloet# (#Al een#), 932, _een bloed en al_. + +#Bloot# (#Al#), 1670, _openlijk_, _onbedekt_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Bloterhuut#, 1262, _in (zijne) bloote huid_, _naakt_. Verg. _bloots +hoofds_, _ghetrects swerts_ (HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 352). + +#Blouwen#, part. #ghe-# of #teblouwen#, 251, 1584, 1827, _slaan_. Zie +HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 172, en CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 118-19. + +#Bodscap#, 477, 481, 1359, 2454, _boodschap_. _Troj. Orl._, in +BLOMMAERTS _OudVl. Ged._, I, bl. 43, vs. 37. + +#Boecstaef#, 459, _letter_. Zie KILIAEN, en verg. GRIMM, _Deutsches +Wörterbuch_ II, bl. 479. + +#Borch#, 515, _kasteel_, _burcht_. + +#Borne#, 2558, 2566, _bron_. + +#Bottelgier#, 2786, _schenker_; _Flor._ 663, 3893; #meester bottelgier#, +_opperschenker_, eene der voornaamste bedieningen ook aan het vlaamsche +hof, zie WARNKOENIG, _Hist. de la Flandre_, tom. II, pag. 89. De +toespeling op het bijbelsch verhaal van bakker en schenker behoeft geene +nadere aanwijzing. + +#Boudelike#, 1772, _stoutmoedig_, _Flor._ 2653, waar HOFFMANN het ten +onrechte vertaalt _schnell_. + +#Bout#, 1266, 1769, _stoutmoedig_. + +#Braeuwen#, 2870, _breeuwen_, eigenlijk van het kalfateren van schepen +gebruikt, en door KIL. ook vertaald: _infarcire_. Hier gebezigd voor het +opstoppen van den vogel die gemest wordt, en die onbewegelijk is omdat +hij op een plank wordt vastgespijkerd. + +#Breken#, 2324, _verbreken_, _te niet doen_. #Breken ende raden#, 531, +_radbraken_. _Breken_ in dien zin leest men ook _Stoke_, 5 B., 480; +gewoonlijk heet het _radebraken_; verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. +378-379. + +#Brief#, _elk geschreven dokument_, zie _Wal._ 2 Dl., bl. 127, 339. +#Lesen sonder brief#, 2228 beteekent: _uit het hoofd mededeelen, maar +zoo naauwkeurig als of ik het geschreven voor mij had_. Evenzoo leest +men _Troj. Orl._ (_Oudvl. Ged._, I, bl. 44), vs. 123: + + Vare ende brinc dinen here te voren + Van minen monde, _sonder brief_: + In haten niet. + +Verg. ook _Mnlp. gloss._ + +#Briesscen#, 693, _brullen_. KIL. vertaalt het _Rugire_ et _Hinnire_; +wij gebruiken het alleen in de laatste beteekenis. + +#Brocht#, 83, 651, 748, 1650, voor #ghebrocht#, part. van #bringhen#, +_brengen_. + +#Broet#, 332, _broedsel_; 392, _gebroed_, _kroost_. Zie CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 80. + +#Bruwen#, 1961, _brouwen_. + +#Buten#, 1714, (_verwijderd van_). + +#Butseel#, 1863, GRIMM, _R. F._, bl. 277, denkt aan den bunsing; WILLEMS +meent er een _busaert_, _accipitris genus_ (KIL.) in te mogen zien. + +#Buuc#, 1581, _buik_; #bi den buke#, _(kruipende) op den buik_. + + +C. zie K. + + +D. + +#Dach nemen#, 80, _een dag bepalen_. + +#Daertoe#, 996, 1408, _daarbij_, _daarenboven_. Verg. #Toe#. + +#Daet#, 3042, tweede pers. plur. imperf. van #doen#. + +#Daghen#, 1007, 1344, 1350, 1376, _indagen_, _voor 't gerecht dagen_. +Zie _Lorreinen gloss._ + +#Daghen#, 1023, _verdagen_, _uitstellen_. _Velth._, bl. 116. + +#Dale# (#Te#), 540, 890, 910, 958, _nederwaarts_. + +#Dame#, 1853, _vrouwe_. + +#Dane#, 272, 880, 1402, 1567, 1609, 2370, 2377, 2559, 2704, 2985, +_vandaar_. + +#Dar# (#Ic#), 239, 1358, 2013, 2908, 2933, 1 pers. praes. ind. van het +ww. #dorren#, _durven_; #Dorret#, 2510, tweede pers. plur. praes. ind.; +praet. #dorste#, 52, 758, 2380. + +#Daren#, 904, _deren_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Dat#, 861, _omdat_. + +#Dat#, 350, 352, 519, _zoodat_. + +#Deel# (#Een#), 1266, 2074, 3376, 3383, 3412, _voor een gedeelte_, +_ongeveer_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 129. + +#Delijt#, 1228, _vermaak_, _genoegen_. _Ferg._ 3171. + +#Derre#, 979, _dezer_. Zie _Lorreinen gloss._ + +#Des#, 1223, tweede naamval van #dat#, afhangende van _pleghen_. + +#Deus#, 2040, _God_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 259, _Ferg. +gloss._ + +#Di#, 1441, 2543, derde naamval van 't pron. _du_. + +#Dic#, (#Dicke#), 2, 70, 1392, 1518, 1730, 1746, 3288, _dikmaals_. + +#Dichten#, 3285, 3342, _een geschrift opstellen_. Verg. V. WIJN, op +_Heelu_, bl. 1. + +#Dichter#, 3341, _schrijver_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Dieden#, 1450, 3162, _helpen_, _baten_, _van nut zijn_. _Ferg._ 3152; +_Wal._ 1394, 2772; _Stoke_ 7 B., vs. 1134. Verg. _Doct. gloss._ + +#Dief#, 1419, „in der alten guten bedeutung von _tyro_, _juvenis_,” +GRIMM, _R. F._, bl. 275. + +#Dief#, 129, 357, 1815, 2007, _boosdoener_, _deugniet_. _Wal._ 8304, +9221. Zie vooral CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 176-177. + +#Diefte#, 351, 1449, 2064, _diefstal_. _Ferg._ 2951. _Flor._ 3517. +_Lanc._ 2, 15433. _Lsp. gloss._ + +#Dienen#, in de spreekwijze: _Hi diende van sinen ouden spele_, vs. 157; +of, _Ooc diende men hem met groten slaghen_, vs. 1598. GRIMM verklaart +de eerste plaats aldus, _R. F._, bl. 269: „bediente sich seines alten +spiels, aber es ist wol zu lesen: _diendem_ = _diende hem_.” Niet geheel +juist. _Iemand dienen met iets_, is nog iemand iets aanbieden dat hem +aangenaam is; maar zoo absoluut als in de eerstaangehaalde plaats wordt +het niet meer gebruikt. De spreekwijs was in Vlaanderen niet ongewoon. +Zoo _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._ 1 Dl., bl. 20), vs. 1701: _Hi heeft hem +metten scachte ghedient_; 2 Dl., bl. 88, vs. 1201: _Men diendem van +groten slaghen_; bl. 89, vs. 1283: _Daer diendi hem van groten slaghen_. + +#Dietse#, 9, 1463, _Nederlandsch_; eigenl. _de volkstaal_. Verg. GRIMM, +_D. Gramm._, I3, bl. 12-20. + +#Dighen#, #deech#, #ghedeghen#, 413, _verminderen_, _vergaan_. Zoo +_Stoke_, 1 B., vs. 1275: Grave Philips, _die deech te niete_, hetgeen +HUYD. vertaalt: „Graaf Philips storf zonder kinderen.” + +#Dinc#, 476, 2464, 2771, 3244, _zaak_, _aangelegenheid_. Verg. _gloss._ +op _Flor._ en _Mnlp._ + +#Dinc#, 2739, _geding_, in de spreekwijs: _sitten te dinghe_. Zoo +_Ferg._ 4286. + +#Dinghen#, 607, 780, _pleiten_. _Wal._ 3871. Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 +Dl., bl. 40. + +#Dinken#, 126, 198, 665, 1014, 1099, 1718; met DP. praet. #dochte#, 362, +499, 954, 1056, 2225, _dunken_. + +#Doe#, passim, _toen_. + +#Doemsdach#, 3428, _oordeelsdag_. _Wal._ 3844, 8893. + +#Doen#, 2828, _bewerken_. Verg. _Mnlp. gloss._ + +#Doen die vaert#, 1043, _varen_, _gaan_. Zoo _pongijs doen_ voor +_pongieren_, HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 504-505. + +#Doen hem up die strate# (#up die vaert#), 1320, 3301, 3311, _zich op +weg_ enz. _begeven_. + +#Doen te verstane#, 1615, _te verstaan geven_. + +#Doen te voren#, zie #Voren#. + +#Doere#, 2946, samentrekking voor: #doe er#. + +#Doghen#, 281, 2321, 2396, 2646, trans. _lijden_. + +#Doghet#, 3121, _goedheid_. + +#Dole#, 2382, _onzekerheid_. Dit schijnt de echte oude beteekenis te +zijn. Zoo ook _Esopet_, Fab. 12, vs. 14. + +#Doot#, vr., 1311, 1990. Zoo gewoonlijk, b.v. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, +1 Dl., bl. 13), vs. 1067. + +#Doot hebben#, 905, 1144, „niet geheel hetzelfde als _gedood hebben_, +maer veeleer ziende op het gelukken van den wensch naar iemands dood” +(_Lsp. gloss._). Zoo _Ferg._ 3620, 3849. Met betrekking tot vs. 1144 +vergelijke men _Wal._ 2 Dl., bl. 281, de aant. op vs. 5270. + +#Dor#, 231, 1209, 1486, 3121, _door_; 25, 66, 243, 317, 474, 931, 992, +1229, 1476, 2083, 2150, 2580, 2887, _om_, _wegens_; #dor dat#, 111, 216, +885, 3015, _omdat_; #dor dat#, 897, _opdat_. + +#Dore#, 13, 33, _dwaas_. _Flor._ 66, 1010. _Doctr._ III, 1127. Verg. +_Lsp. gloss._ + +#Dorft#, ww. #dorven#, #derven#, 2560, _noodig hebben_, _behoeven_. +_Ferg._ 3802. _Flor._ 82. _Lsp._ en _Lorr. gloss._--Praet. #dorste#, +887. + +#Dorper#, 602, 779, 845, 866, _dorpeling_; 13, 33, 2326, _onbeschaafd_, +_slecht mensch_; met denzelfden overgang van beteekenis die in +_villanus_ (van _villa_), _vilain_ is op te merken. Verg. ook _scalc_. + +#Dorperheit#, 1673, _onkieschheid_, _onbetamelijkheid_, „wat tegen de +eerbaarheid strijdt.” Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 532-535. + +#Dorste#, zie #Dar# en #Dorft#. + +#Doven#, 1718, _razen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 428-430. + +#Draghen lieve#, 2137, _liefde toedragen_, _beminnen_; #Draghen sorghe#, +2308*, _bezorgd zijn_, _vreezen_. + +#Driven#, _bedrijven_; met een subst. verbonden meestal te samen door +één ww. te vertalen. #Dr. claghe#, 308; #bliscap#, 908; #baraet#, 2360; +#mesbare#, 3227; #onghevoech#, 3379. Verg. _Flor._ en _Mnlp. gloss._ + +#Driven#, 1558, _voor zich heen drijven_; #driven te vonnesse#, 1884, +_aansporen om het vonnis te vellen_; #driven te scerne#, 545, _te +schande brengen_; zie op #sceren#. + +#Driven uut#, 1131, _verdrijven_. + +#Druut#, 925, _deugniet_. Zie _Wap. Mart._ K. 52; _Mnlp._ II, 4105. +Verg. GRIMM, _D. M._, bl. 586. + +#Dul#, comp. #dulre#, 918, _dom_, _dwaas_. #Sijn an den dulsten#, 493, +_aan het kortste eind zijn_. In de beteekenis van: _gering_, _arm_, +leest men _dul_, _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._ 1 Dl., bl. 11), vs. 932. + +#Dulen#, 693, _brullen_ (Het Fr. _uller_). Wal. 9714. _Lanc._ 3, 3805. + +#Dusdaen#, 1708, _zoodanig_. _Ferg._ 3427, 3573. _Flor._ 560, 581, 3512. +Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 215. + +#Dwaen#, 1460, _wasschen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Dwinghen#, 664, 2308*, _bedwingen_ (verg. 1732). + + +E. + +#Echt#, 1648, 2945, 3396, 3410, _wederom_, _andermaal_. _Flor._ 2718. +_Ferg._ 106, 1669. Zie _Lsp. ploss._ + +#Edelheit#, 66, _edelmoedigheid_. Verg. _Flor. gloss._ + +#Eencoren#, onz., 1864, _eekhoren_. + +#Eenlic#, 883, _eenzaam_. + +#Eerden# (#Bringhen ter#), 433, _begraven_. + +#Eesch#, 3051, _eisch_. + +#Eighin#, 2308*, _eigenhoorig_, _slaafs onderworpen_. + +#Eke#, zw. 651, 681, 859, _eikeboom_. + +#El#, 571, 1121, 3225, _ander(s)_. + +#Elkerlijc#, 302, 2863, _elk._ Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 189. + +#Emmer#, 1265, 1493 (2308*), _in 't vervolg_, _nu_. + +#Emmervort#, 1285, _voortaan_. + +#Engien#, 452, _kunst_; waarvoor _Flor._ 935, 1542, 2372, _meestrie_ +heeft. + +#Entie#, 191, samengetr. voor _Ende die_. + +#Entrouwen#, 252, 3226, #in trouwe#, 2214, _voorwaar_. + +#Erch#, 919, 2323, _boos_, _slecht_. + +#Ere#, 134, 1301, samengetr. voor _eenre_, _ener_. + +#Erre#, 2814, 3356, 3366, 3386, _gram_, boos. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, +bl. 240. + +#Erren#, 3188, _gram worden_. + +#Evele moet#, 2483, _gramschap_. Men verg. omtrent de spreekwijs _Wal._ +10009. _Lanc._ II, 5506, 9277, 15321, 31622; IV, 5827, 6798. _Theoph._ +692, 1607. _Rijmkr. bij_ KAUSLER, 3419. _v. d. Feeste_, 99, 375. _Wap. +Mart._ 69, vs. 7. _Ferg._ 2855, 4867. _Rose_ 6244. _Doct._ II, 3698. +_Esopet_ bl. 181. Zie ook de keur bij KLUIT, _Hist. Crit._, II, 2, 656. + +#Everswijn#, 1859, _wild zwijn_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 95-97. + + +F. + +#Fel#, 60, 88, 105, 343, 484, 544, 614, 856, 940, 993, 1019, 1079, 1704, +1787, 2500, 2507, 2812, _wreed, nijdig, boosaardig_. + +#Fijn#, 1865, _schoon_, _bevallig_. Zie _Lorr. gloss._ en vooral _Lsp. +gloss._ + +#Flume#, 2621, _rivier_. Verg. _Flor. gloss._ + +#Fransois#, 100, _fransch_; #in fransois#, _in het Fr._ + + +G. + +#Gaen ant lijf#, met DP., 2862, _het leven kosten_. + +#Gaerdelijn#, 1416. Ik mistrouw dat woord: _gaerde_ beteekent een +_rijs_, een _takje_, maar wordt, zoover ik weet, nooit voor _baardhaar_, +_knevelbaard_ aangetroffen. Daarvoor is zeer gewoon _granen_, het Fr. +_guernon_, dat hier 2972; MAERL., _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 266, _Rose_ +764, _Lanc._ II, 36969, voorkomt, en nog bij KIL. bekend is. Moet nu in +vs. 1416 niet gelezen worden _granekijn_, of _granelijn_? + +#Gal#, 1230, praet. van #gellen#, _gillen_. + +#Ganc#, 551, 885, _gang, liet gaan_. #Ganc maken#, 152, _gaan_. + +#Gast#, 1981, _vreemdeling;_ 1204, _gastvriend_, _hospes_; voorts +beteekent dit woord in 't algemeen, een _onbekend_ en dus _onbemind_ +persoon, terwijl de juiste beteekenis nader door het adject. wordt +bepaald, b.v. 1888, #felle g.#, 2821, lede g. Zoo _Troj. Orl._ (_Ovl. +Ged._, 2 Dl., bl. 85), vs. 869, _wrede gast_. + +#Gheanden#, 202, _wreken_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 453-454. + +#Ghebare#, 1769, _uiterlijk voorkomen_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., +bl. 33-34. + +#Ghebieden#, 840, 2217, 2762, 3243, _bevelen_; 1839, _lusten_, _willen_. +Zoo _Lorr._, I, 611; _Wal._ 2771. In de elliptische spreekwijs, _God, +die alle dinc gheboot_, 1774, moet men aanvullen: _te leven_, _te zijn_. +Zie _Wal._ 2 Dl., bl. 292. + +#Ghebleet#, 2083, _geblaat_. Verg. #Bleten#. + +#Gheboren int been# (#Sijn#), 2497, _sedert de geboorte in merg en been +zitten_. Verg. #Binnen gheboren#. + +#Ghebreken#, 1935, intr. met DP. _ontbreken_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghebure#, 1981, _buurman_; 343, in meer algemeenen zin, _die felle +ghebure_. Verg. het fransche spreekwoord aangehaald _Doctr._ II, 919. +Zie ook _Lorr. gloss._, pag. 333. + +#Ghedeghen#, zie #Dighen#. + +#Ghedichte#, 3241, _opstel_, _geschrift_. Verg. #dichten#, #dichter#. + +#Ghedichte#, 812, adv. _dicht op een_. _Ferg._ 4227. _Wal._ 2139, 3119, +3706, 3784. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghedinghe#, 314, 475, 527, _geding_, _terechtzitting_. + +#Ghedinken#, 1504, 1675, 1997, impers. DP. GZ., _zich herinneren_, +_gedenken_. + +#Ghedochte#, 542, _gedachte_, _de daad van het denken_. _Ferg._ 1198. +_Flor._ 207 (?), 1654. + +#Ghedoen#, 139, _doen_; 3177, #Ghedoe hoe ic ghedoe#, _het ga mij zoo +het wil_. Bekend is de spreekwijs: #Wat doedi?# _Hoe vaart gij?_ (_how +do you do?_) b.v. _Lanc._ II, 11415, 14097, 14223, 12545, 30702, 30828. +_Limb._ IV, 305; VI, 493. _Velth._, bl. 363. Verg. _Lsp. gloss._ i. v. +_doen_. + +#Ghedoghen#, 755, 1590, 1593, 1895, _verdragen_, _lijden_, _doorstaan_. +Verg. _Flor. gloss._ + +#Ghedraghen#, 637, 1129, _dragen_. + +#Gheganghen#, part. van #ganghen#, 3215, _gegaan_. Verg. MAERL. I, 100. +_Ferg._ 1650. _Stoke_ 7 B., vs. 466, en HUYD. aldaar 2 Dl., bl. 347. + +#Ghegripen#, praet. #ghegreep#, 1249, 1260, 3104, _grijpen_, +_aangrijpen_. _Ferg._ 1213. + +#Ghehelpen#, 691, _helpen_, _baten_. + +#Ghehent#, 450, _geëindigd_; part. van #enden#, _eindigen_. + +#Ghehidet#, 2574, _verborgen_. Verg. het Eng. _to hide_. + +#Ghehorsam#, 2550, _gehoorzaam_. Verg. _Lsp. gloss._ op _ghehoren_. + +#Ghehuuc#, 1605, _geschreeuw_. _Wal._ 10601, 10631, 10721. Verg. HUYD. +op _Stoke_, 1 Dl., bl. 382. + +#Ghecrai#, 2308* (_bis_), _geschreeuw_. + +#Ghelach#, 1518, _gelag_, _spijs of drank_, _waarmeê men zich vrolijk +maakt_. + +#Ghelach#, 2399, _gemak_ (eigenl. _wat goed gelegen is_). Zoo heeft KIL. +nog het adj. _ghelaeghsaem_, dat hij een Vlaamsch woord noemt, en +verklaart _wel gheleghen_. + +#Ghelaet#, 1092, 1211, 1737, 1768, 1802, 2119, 2185, _uiterlijk +voorkomen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghelaten# (#Hem#). 1062, 3036, _zich aanstellen_, _zich voordoen_. +Verg. _Flor. gloss._ MAERL., _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 294, 312. _Ferg._ +4209. + +#Ghelden#, 1236, _betalen_, _vergelden_. + +#Gheles#, 2930, _gebed_, _zegenspreuk_. Verg. MAERL., _Sp. Hist._, 3 +Dl., bl. 241, vs. 50, 63. + +#Gheliden#, 1525, _glijden_. + +#Gheliet#, part. van #lien#, 3403, _bekennen_. Zie _Lorr. gloss._ op +_liet_. + +#Gheligghen#, praet. #ghelach#, 1321, _liggen_, _zich uitstrekken_. + +#Ghelove#, 1599, _geheel afgefoold_. Zie _Wal._ 2 Dl., bl. 332-7. + +#Gheloven#, 1020, 1784, 2495, _gelooven_, _vertrouwen_. Zie _Lorr. +gloss._ + +#Gheloven#, 142, 608, 1622, 2488, _beloven_, _verzekeren_. _Lsp. gloss._ + +#Gheloven#, 2521, _goedkeuren_, _toestemmen_. Zie _Lorr. gloss._ i. v. +_loven_. Zoo gebruikten ook de Franschen _louer_, b.v. GARIN, I, 116; +II, 42. + +#Gheluut#, 1532, 1575, 2308*, 3372, _geschreeuw_, _geraas_, _gebrul_. +_Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 15), vs. 1268. + +#Ghemac#, 736, 2128, 2220, 2849, 3297, _rust_, _genoegen_, +_tevredenheid_. + +#Ghemackelijc#, 3008, _rustig_. In den zin van _bedaard_, _gerust_, komt +het herhaaldelijk voor. _Flor._ 2018. _Lanc._ II, 29519, 31255, 35886, +36854. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 95), vs. 211. + +#Ghemanc#, 2308*, _oploop_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghemene#, 2112, _gemeenschappelijk_. + +#Ghemick#, 2859, _van pas_, _passend_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghemoet#, 1055, 1110, 2768, _ontmoeting_. + +#Ghemoeten#, 1107, _ontmoeten_. Zie over dit en het voorgaande woord, +_Lorr. gloss._; CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 228. + +#Ghenade#, 67, 317, 1745, _genade_, _gunst_; #leven mit ghenade#, 3445, +_onder Gods bescherming leven_; #met ghenade#, 2195, _met (uwe) +toestemming_; #grote ghenade hebben#, 3148, _gerustheid hebben_, _gerust +leven_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 528 en 512. + +#Ghenadich#, 2316, _welwillend_, _toegenegen_. + +#Ghenaken#, 2006, _in iemands nabijheid komen_. + +#Ghenent#, #gheninde#, 2511, _vertrouwen_, _moed_; #met gheninde#, 2810, +_met drift_, _haastig_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Gheneren# (#Hem#), 1689, _zich voeden_, _den kost winnen_. _Troj. Orl._ +(_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 13), vs. 1109. _Wal._ 326. Verg. _Mnlp._ en +_Lsp. gloss._ + +#Ghenesen#, 1404, intr. _behouden blijven_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghenesen#, 245, _(van een kind) bevallen_, _verlost worden_. Zie +t. l. a. p. + +#Ghenoopt#, part. van #nopen#, 964, eigenlijk _aanraken_, _slaan_ (zie +_Lsp. gloss._), hier _pijnigen_. + +#Ghenoot#, 2253, _gelijke_, _pair_. Zie _Lorr. gloss._ + +#Gentel#, 2508, _beminnelijk_, _gentille_. Zie KIL. op _Ghent_. + +#Gheonneert#, 2009, _te schande gebracht_, Fr. _honni_. _Lorr._ II, +3813. + +#Ghepronden#, zie #Prenden#. + +#Ghequiten#, 2658, _vrij maken van iets_. + +#Gheraden#, 1453, _raden_, _raad geven_. + +#Gheraect sijn tot iemen#, 1246, _tot iemand genaderd_, _doorgedrongen +zijn_. Verg. _Mnlp. gloss._ + +#Ghereden#, 1918, 2958, _bereiden_, _toebereiden_; 1762, #hem ghereden +up#, _iets beginnen_. + +#Ghere#, 687, samentr. van #ghener#. + +#Gherochte#, 1533, _gerucht_, _geraas_; 3304, „_tumultus_, _murmur_, +_turbatio_,” KIL. + +#Gherocht uut#, praet. van #gheraken uut#, 752. + +#Gheronnen comen#, 118, 734, 760, 1325, _komen aangeloopen_. #Gheronnen# +is het part. van #rennen#, waarover zie _Lsp. gloss._ + +#Ghesegghen#, 1651, _zeggen_, _verhalen_. + +#Gheselle#, 613, 629, 645, 2106, _gezel_, _wapenbroeder_, _vriend_. Over +de compagnons of frères d'armes, zie vooral DU CANGE op JOINVILLE. + +#Gheselscap#, 2109, _trouwe hulp en vriendschap_. + +#Ghesien#, 1264, _zien_. + +#Ghesinde#, 1399, _gezin_, _hofgezin_, _gevolg_. _Carl. El._ 1174. +_Mnlp. gloss._ + +#Ghesceet#, 387, _scheiding_. _Flor._ 1582, 3111. + +#Ghescriven#, 93, _schrijven_. + +#Ghesleghen#, part. van #slaen#, 653; #pade slaen#, 505, _door heen en +weêr loopen paden vormen_. Vandaar #slaghe#, #voetslaghe#, in den zin +van _voetstapgen_, _voetspoor_, _spoor_. + +#Ghesmide#, 2590, _allerlei cieraad, dat van eenig metaal gesmeed +wordt_; CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 224-225. + +#Ghesocht#, zie #Sochten#. + +#Ghespreken#, 438, _spreken_. Het imperf. _ghesprac_ staat hier als +dikwerf in het Mnl. en Oud- en Mhd. voor het plusquamperf. + +#Ghestade#, 613, _standvastig_, _getrouw_; 3047, _ingetogen_, _niet door +hartstochten hèen en weêr geslingerd_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghestaen#, 560, 1305, _staan_; zoo ook #ghestaen sijn#, 698, waarover +zie _Lsp. Gloss._ op _ghestaen_. + +#Ghesteken#, part. van #steken#, 3261, 3339. + +#Ghestille#, 26, 1136, 2194, _stilzwijgen_, _stilte_. _Ferg._ 681, 5556; +_Flor. gloss._ + +#Ghetelen#, zie op #Telen#. + +#Ghetemen#, 2211, _gedoogen_. Zie vooral HUYD. op _Stoke_, 2 Dl. bl. +432-433; en verg. MAERL. III, 149; _Wal._ 8566, 9426, 7740; _Lanc._ +3 B., vs. 14983, 23149; _Rose_, 3365; _Mnlp._ 3 B., vs. 593. Zie ook +_Limb. gloss._ + +#Ghetide#, 951, „_ghetyd-ghebeden_; _horariae preces_, _preces +canonicae_” (KIL.); de gebeden die elk priester op _bepaalde tijden_ +van den dag moest lezen, en waarvan de _complete_ het laatste is. + +#Ghetoghet#, 1080, part. van #toghen#, _aantoonen_, _toonen_. Wat +_ghetoghet_ is, _blijkt_, is _duidelijk_. + +#Ghetrouwe#, 2485, 3242, _eerlijk_, _oprecht_. + +#Ghetrouwe sijn# (?), 2578, _vertrouwen_. + +#Ghetrouwen#, 3365, _vertrouwen_, _betrouwen_. Verg. _Mnlp. gloss._ + +#Ghevaen#, zie #Vaen#. + +#Gheval#, 46, 2225, _geluk_; maar die beteekenis is er slechts bij +toepassing aan gegeven, daarom 617, 1059, vol-uit #goet gheval#. + +#Ghevallen#, intr. DP., 149, 1278, 1393, 2190, 2289, 2308*, 2351, +_gebeuren_; 1391, _uitvallen_. + +#Ghevane#, 2996, 3417, _de gevangenen_. Eigenl. part. van _vaen_. + +#Ghevaren#, zie #Varen#. + +#Gheven een val#, 1641, #enen spronc#, 1716, _vallen_, _springen_. + +#Ghevoech#, 233, 658, 884, 1625, 2968, eigenlijk _wat voegt, of te pas +komt_ (dus 233); _wat dienstig of nuttig is_. Vandaar: _voordeel_, +_gemak_, enz. Zie _Lsp. gloss._ + +#Ghevreiscen#, 1582, _vernemen_. Verg. _Flor. gloss._ + +#Ghewaerlike#, 2564, _waarlijk_, _waarachtig_. + +#Ghewaert laten#, 1123. WILLEMS verklaart #ghewaert# als _verzekerd_, +_vrij_, d. i. _waerschap of genoegdoening verstrekt hebbende_; maar +die verklaring zal wel niemand bevredigen. Blijkbaar beteekent het _met +rust laten_, van het goth. _gavairthi_, d. i. _vrede_, _rust_. Verg. +HOLTZMANN, _Unters. über das Nibelungenlied_, bl. 85. Vanhier het +bekende #ghew(a)erden#. + +#Ghewande#, 1283, _ingewand_. De omwerking heeft _ghewade_: _scade_; +is dat ook de ware lezing? _Stoke_, 2 B., vs. 963, heeft _ghewade_. + +#Gheware worden#, met GZ., 1712. + +#Gheweldelike#, 3431, _met geweld_, _overmachtig_. + +#Gheweldich#, 1224, _machtig_. + +#Ghewelt#, 2308*, _macht_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghewent#, 1540, _gekeerd_. + +#Ghewin#, 1634, 3182, 3252, _winst_. + +#Ghewinnen#, #ghewan#, #ghewonnen#, 227, 342, 571, 580, 1326, +_verkrijgen_, _verwerven_, _machtig worden_; 749, _de vrije beschikking +krijgen_; 1029, _overhalen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Ghewouden#, 430; ook alleen #wouden#, 3189, _macht oefenen_, +_beschikken over iets_, _beschermen_. _Wal._ 3298, 3895, 5221; _Limb._, +_Mnlp. gloss._ + +#Ghewout#, 605, 2142, 2450, 2853, 3430, _macht_. Verg. CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 361. + +#Ghewreken#, #ghewrac#, 436, 468, _wreken_. + +#Ghewrochte#, imperf. van #ghewerken#, 1652, _werken_, _bewerken_. Zie +_Lsp. gloss._ + +#Ghier#, 940, _vraet_, _slokop_. Eigenlijk een adj. _begeerig_, +_hebzuchtig_. Verg. _Lsp._ en _Mnlp. gloss._ + +#Ghierech#, 403, _begeerig_, _inhalig_, _gulzig_. + +#Ghendre#, 831, 1336, 1603, _gints_, _ginder_. + +#Ghisel#, 3089, _gijzelaar_. + +#Godevolen#, 3300, _Gode bevolen_. Zie _Beatrijs gloss._ + +#Godsat hebben#, 3176, _gevloekt zijn_; eigenlijk _Gods haat hebben_. +MAERL. I, p. 62. _Ferg._ 2304, 4702, waar het hs. _Godsat_ heeft. Zie +HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 350-351. + +#God gheve u goedendach!# 2921, gewone zegenwensch, _God zegene, +bescherme u!_ _Ferg._ 4572. Het tegenovergestelde, een _quaden dach_ +wenschen, vindt men evenzeer, b.v. _Velth._ bl. 42; _Ferg._ 3214, 3492. + +#Goedertiere#, 2315, 3045, _goedaardig_. _Wal._ 9172, 9238, 9346. Verg. +_Flor. gloss._ + +#Goet#, 1988, _goed_, (_geschenk_). + +#Goom nemen#, 183, 659, 2000, 2138, met GZ., _acht geven_. _Ferg._ 734, +1202; _Velth._ bl. 182, 184, 186, enz. Verg. _Flor._ en _Mnlp. gloss._ + +#Gram#, 2462, _verdrietig_; 3099; _toornig_. In de eerste beteek. +_Ferg._ 103, 1528; _Flor._ 550; in de tweede _Ferg._ 1925. Verg. HUYD. +op _Stoke_, 3 Dl., bl. 264. + +#Gram doen#, 3042, _verdrietig maken_, _leed aandoen_. + +#Granen#, 2972, _knevels_. _Flor._ 3284; _Lanc._ II, 36969; _Rose_ 764. + +#Graven#, #groef#, 2600, _begraven_. _Lorr. gloss._ + +#Grief doen#, 186, _leed doen_, van het fransche _grief_. + +#Grongaert#, 32, het fr. _grognard_. + +#Grongieren#, 2118, _brommen_, 't fr. _grogner_. + + +H. + +#Haenbalc#, 1618, _hanebalk_, _bovenste balk van 't dak_. + +#Haerwaert#, 1452, _herwaarts_. + +#Haghe#, 42, 386, 396, 820, 1053, 2400, 3139, _heg_, _kreupelhout_. + +#Haghedochte#, 541, 1367, 3074, 3257, _krocht_, _hol_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Half ghenade#, 1993, (_spottende uitdrukking_). + +#Hame#, 971, ons _ham_, eigenlijk _de buiging der achterbeenen_. KIL. +_poples_. In den _Ferg._ heet het van twee ridders, die op elkander +inrenden, 2347: + + So sere si te gadere quamen, + Dien orsen boghen die hamen. + +#Hant# (#Te#), zie op #Te#. + +#Hantwerc#, 3348, _schrijfkunst_, eigenlijk _handwerk_. + +#Harde#, #haerde#, 3, 153, 207, 312, 569, 656, enz. Adv. _zeer_. + +#Hare#, 269, 374, _haren kleed_, fr. _haire_. Zie _Beatrijs gloss._ + +#Hare#, #Haer#, 2624, 3222, _hier_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 22. + +#Harentare#, 1628, 1711, 2069, _hier en daar_. Zie _Lsp. gloss._ op +_haer_. + +#Have#, 563, _zaak_, eigenl. _bezitting_, van _hebben_. Verg. _Lsp._ +3 Dl., bl. 139, vs. 113; _Ferg._ 1068; _Flor. gloss._ + +#Hebben ghedaen#, met een infin. 44, 2916, gewone spraakvorm. + +#Heleghe#, 83, _reliquien der heiligen_. _Lorr._ II, 161. Verg. ZIEMANN +op _heilic_. + +#Helet#, 615, 1072, 3221, _held_. De Oud-Saksische vorm is _Helith_, +_Helid_. Zie _Heliand_, 3650, 6270 (ed. KÖNE). + +#Helpe#, 575, 1545, 2071, 3361, uitroeping van verbazing, _God helpe +mij!_ MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 84, 255. + +#Hem#, 716, _hun_; 769, 958, _zich_. + +#Henen#, 2345, _van hier_, _weg_. + +#Here#, 2246, _vader_. _Lanc._ 3 B., vs. 26460. _Limb._ X, 310. + +#Herte#, vr. subst. 899, 917, 982, 1079, 1199, 1741, 1925, _hart_. + +#Heten#, #hiet#, #gheheten#, 2223, 2815, 3234, 3346, _bevelen_. + +#Hie#, 1852, _echtgenoot_; Ohd. _hiwa_, GRAFF, IV, 1066. Verg. KÖNES +_Heliand_, bl. 369. + +#Hinderwaert#, 2018, 2021, _achterwaarts_. _Hinderwaert varen_, hier, +_abire in malam partem_. _Wal._ 1600. + +#Hine#, 963, samentr. van _hi ne_ = _hi en_. + +#Hinne#, 134, 287, _hen_. + +#Hire#, 52, _hij er_. + +#Ho#, 443, _hard op_, _met luider stemme_, eigenlijk _hoog_. Verg. HUYD. +op _Stoke_, 3 Dl., bl. 142. + +#Hoe so#, 1444, 1765, _hoe_. + +#Hoede# (#Sonder#), 377, 391, „_onbekommerd_, zonder telkens _op zijne +hoede_ te moeten zijn”. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 381. + +#Hoekijn#, 2091, _bokje_. + +#Hoen#, plur. #hoener#, 1538, 1560, 1613, 1637, 1701, 2094, „Etsi _hoen_ +pro gallina fere usurpetur, tamen commune est nomen ad omne +gallinaceorum genus.” KIL. + +#Hof#, 45, 48, 51, 55, 554, _hofdag_, _cour plénière_; 650, _hofstede_. + +#Hoghen# (#Sijn in#), 1048, 2114, _verheugd zijn_. Zie HUYD. op _Stoke_, +3 Dl., bl. 263-264. + +#Hondekijn#, 99, _hondje_. + +#Honen#, 78, 175, 217, 488, 491, 501, 1204, 1638, _bedriegen_. Zie +_Doct. gloss._ + +#Hoofschelike#, 37, _fatsoenlijk_, _op hoofsche wijze_. Verg. +_Beatrijs_, bl. 38. + +#Hopen ten ghewinne#, 2472, _verlangen naar de winst, het voordeel_. + +#Houden#, 633, _volgen_. Verg. _Ferg._ 179. + +#Hout#, 606, 2238, _genegen_. Zie _Doct. gloss._ + +#Houtmakerigghe#, 804, _houtwerkster_. Zie over den vorm HUYD. op +_Stoke_, 1 Dl., bl. 72. + +#Hovesc#, 1221, _heusch_, _beleefd_. Verg. _Beatrijs_, bl. 38. + +#Hoveschede#, 28, 1669, _beleefdheid_, _welopgevoedheid_. + +#Hulde#, 594, 1142, 1784, 2173, 2489, _welwillendheid_, _genegenheid_, +_gunst_. Zie _Doct._ en _Lorr. gloss._ + +#Hulde#, 1611, 3441, _trouw_. + + +I. J. + +#Jamer#, 308, _jammerklacht_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 13 of +387. + +#Jane#, 2208, 2528, _ei_ (_Ja en_), bij eene vraag. HUYD. op _Stoke_, 2 +Dl., bl. 358. + +#Iemen#, 500, _iemand_. + +#Iet#, 2219, 2611, 2715, _eenigsins_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. +379. + +#Iewet#, 122, 2355, _iets_, _ietwat_. + +#Jeghen#, 113, 1335, 1361, 1653, 1763, 3095, _tegen_. Verg. _Lsp. +gloss._ + +#Jeghen# (#Brenghen te#), 215, 3259, _geven_, _ter hand stellen_, +eigenlijk _toevoeren_. + +#In#, 136, _op_; #in den daghe#, gewoonlijk _an d. d._ + +#Indien#, steeds gevolgd door dat, 2193, 2448, 2487, 2805, _wanneer_. + +#Inne#, 93, enz., _ic en_. + +#Ingaen#, 322, _beginnen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#In lanc so bet#, 1222, _hoe langer zoo beter_. MAERL. _Sp. Hist._, 1 +Dl., bl. 93. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Inlopen#, 1905, _beginnen_, _gebeuren_. + +#Inslaen#, 955, 1721, _zich driftig in iets werpen_. + + +C. K. + +#Caerminghe#, 313, _gekerm_, _weegeklag_. + +#Caf#, 1803, _het allerminste_, _zoo goed als niets_. Zie _Lsp. gloss._ +Verg. #Loof#. + +#Capproen#, 944, _hoofdbedeksel_, _kapje_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Carine# (#toghen#, #doen#), 280, 423, _straf_, _boete_, vooral die men +zich door _vasten_ en _ligchaamskastijding_ opleî. Verder in 't algemeen +_smart_. Het woord komt dikwerf voor: _Wal._ 2115, 7699; _Ferg._ 2167; +_Lanc._ II, 45605; III, 17621; _Brandaen_ II, 688; _Kausler_ I, 7575; +_Stoke_ 3 B., vs. 463. Ook in de fragm. van _Aubry de borg_. Evenzoo in +'t Mhd., b.v. _Werner v. Niederr._, bl. 7, 75. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 +Dl., bl. 146-147. Het Ohd. heeft _chara_, _passio_, _poenitentia_ (GRAFF +IV, 164), het Oudsaks. _kara_ (KÖNES _Heliand_, bl. 387) in dezelfde +beteekenis; waarschijnlijk stamt daarvan af het mlat. _carena_, dat +ZIEMANN verklaart door „quadragena, busze durch vierzigtägiges fasten +oder 40 geiszelhiebe.” + +#Caritate#, 278, hier _aalmoes_ in den zin van het fr. _faire la +charité_. Het is het Lat. _caritas_. + +#Castien#, 489, _vermanen_, _terecht wijzen_. Verg. _Flor._ 1231. _Lsp. +gloss._ + +#Keer#, 502, 1915, _wending_, _draai_. + +#Keitijf#, 640, 838, 2785, _arm_, _ongelukkig_, _ellendig_. Verg. +_cativo_ en _chétif_, en zie _Lsp._ en _Beatr. gloss._ + +#Keren# (#in# of #tot iets#), 11, 29, 36, _streven naar iets_; #die +tale keren#, trans. en intr. 641, 1667, _bedoelen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Kennen#, 86, _weten_. Zie t. a. p. + +#Kerre#, 209, _kar_. + +#Chierheit#, 2594, _kostbaarheid_. Zie _Doct. gloss._ + +#Claer#, 1103, _helder_; #claerre#, 1445, is de compar., ons _klaerder_, +waar #claer#, _onbesmet_ beteekent. + +#Claerlike#, 1661, _verstaanbaar_, _openhartig_. + +#Claghe#, 61, 125, 135, 248, 2770, _aanklacht_. + +#Claghen#, 2695, _klachten uiten_, _jammeren_; #claghen over#, #om#, 59, +235, _zich beklagen over iemand_; 100, 114, 194, 1762, 1789, _eene +aanklacht doen_, _aanklagen_. + +#Claren#, 2726, 2944, _zuiveren_. + +#Clerc#, 3357, _geestelijke_, _geleerde_; 251, _leerling_. „Clerke als +si eerst ter schole gaan,” zoo als het heet _D. Catoen_, 24-25, zijn +natuurlijk _schooljongens_. Verg. _Flor. gloss._ + +#Clippel#, 1297, _klepel_. + +#Clockelijn#, 1490, _klokje_; doch zie de aanteekening aldaar. + +#Cloet#, 786, 792, _lange stok_, _polsstok_. Zie KIL. + +#Cluse#, 275, _kluis_. + +#Coever#, 569, _overvloed_. Zie _Lsp. gloss._ op _vercoeveren_. + +#Colne# (#Van --#) #tote Meie#, 2619. GRIMM zegt, _R. F._, bl. XCII, +„Scherzhaft wird _örtliche_ und _zeitliche_ bestimmung _gemischt_; +noch heute hört man in Oberdeutschland „zwischen _pfingsten_ und +_Strassburg_.” Dieser witzige ausdruck reicht also schon in das +12 jh. hinauf. „Inter _pascha Remisque_,” _Reinardus_ II, 690; +„inter _Cluniacum_ et _sancti festa Johannis_ obit”, IV, 970...... +In den Niederlanden: „van _Aken tot paschen_ (TUINMAN, _Spreekw._, +I, 334); wahrscheinlich ist auch „van _Colne_ tote _Meie_” so zu +nehmen.”--WILLEMS voert nog de fransche spreekwijs aan: „Cela s'est +passé entre _Maubeuge_ et la _Pentecôte_.” + +#Comen#, part. van #comen#, 87, 314, 1091, _gekomen_. + +#Complete#, 951, _de laatste kerkdienst van den dag_, „met welke alle de +diensten van den dag _vervuld_ en besloten werden.” Zie _Lsp. gloss._ en +den daar aangehaalden HUYDECOPER. + +#Conden#, 2061, _verkondigen_, _bekend maken_. + +#Conste#, praet. van #connen#, _kunnen_, 462, 757, 953, 1500, 1510, +1894, 3349. + +#Cont#, 1910, _bekend_. Zie _Doctr. gloss._ + +#Convent#, #covent#, 1612, 2512, _voorwaarde_. + +#Corten#, 1879, 1939, _kort maken_, _bekorten_. + +#Coude#, 2647, _koude_; 2630, _koortskoû_, _koorts_. Verg. WILLEMS, +_Inleid. op Reinaert_, bl. LXIV, en zie KIL. + +#Cracht#, 347, #met haerre cracht#, _uit al hunne macht_. + +#Craghe#, 2636, 2964, 3250, _hals_ (welk woord intusschen ook, 1594, +3263 voorkomt). _Ferg._ 2657; verg. KIL. + +#Craieren#, 45, _uitroepen_; _Flor._ 166; _Ferg._ (2502), 5067, 5129. + +#Cramp#, praet. van #crimpen#, 1507. + +#Cranc#, 56, 563, 869, 1013, 1761, 1846, 2000, 2138, _zwak_. + +#Creature#, 1354, 1704, 2568, _schepsel_; met het bijvoegsel _fel_, +meest in verachtelijken zin. + +#Crede#, 142, 148, 249, 388, _het Credo_, _de belijdenis des geloofs_. + +#Crone#, 1786, _de kroon_, voor den _kroondrager_. Doch zie de aanteek. +aldaar. Terecht wordt MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 12, vs. 2, _crone_ +verbeterd in _coninc_, zoo als blijkt uit vs. 6. _Crone_ voor +_regering_, is bij MAERLANT niet ongewoon, zie 3 Dl., bl. 13, 314. + +#Crop#, 1936, _strot_, _keel_. Verg. KIL. + +#Crune#, 947, 1468, 1503, 1820, _het geschoren bovenste gedeelte van +'t hoofd bij de geestelijken_, waardoor slechts eene _corona_ van haren +werd overgelaten; _de kruin_. _Ferg._ 2405; MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., +bl. 49, 71, 185, 227. + +#Cruusstaf#, 727, 811, _geestelijke herderstaf_, van boven met een kruis +voorzien. + +#Cume#, 611, 768, 2131, 2143, 2899, _naauwelijks_. _Ferg._ 471, 561, +2509. _Flor. gloss._ + + +L. + +#Lachter#, 71, 95, 1024, 1300, 1967, 2181, 2232, 2286, _schande_. + +#Lachterlike#, 1387, _schandelijk_. + +#Laden#, 477, _opladen_, _belasten met iets_. Verg. _Lorr. gloss._ +MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 192. + +#Laghen#, 2125, _belagen_, _beloeren_. + +#Lac#, 808, praet. van #leken#, _vloeyen_. _Lsp. gloss._ + +#Langhen#, 1960, impers. DP. _verlangen_. _Wal._ 5448, 5773. _Lanc._ II, +11059, 28142; III, 3823. _Rose_ 2256. _Limb._ V, 1768, 1823. + +#Lanc# (#Over#), zie #Over#. + +#Lanc# (#Den berch --#), 552, _over de geheele lengte van den berg_. + +#Lanken#, 875, _de zijden_. _Flor._ 216; _Ferg._ 326. + +#Lapen#, 2085, _lekken_. _Velth._ bl. 256. _Limb._ VIII, 70. + +#Lat#, 1182, _traag_. Zie _Doct. gloss._; _Beatr._ 31; _Wal._ 5502, +7756, 8606. + +#Laten#, 958, 1595, 2802, _laten_, _toelaten_, steeds met een daarop +volgend werkwoord. #Gedichte laten gaen#, 812, is _bij herhaling op en +neder laten (doen) gaan_. + +#Laten#, 1596, AZ. en DP. _overlaten_; 489, 625, 929, 1310, 2804, +_nalaten_, _achterlaten_; 1432, _verlaten_. + +#Leden#, praet. van #liden#, 231, 2433, _geleden_. + +#Leet#, 89, 752, _onaangenaamheid_, _verdriet_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, +bl. 117. + +#Leet#, 1280, 1528, 2821, adj. het tegenovergestelde van _lief_, dus +_onaangenaam_, _gehaat_, _verwenscht_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Leet hebben#, 2007, _haten_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 198-201. + +#Leie#, 2620, _de rivier de Leye_. De spreekwijs beteekent: „Meent gij +dat ik u van den weg wil afbrengen, om den tuin leiden?” + +#Leckernie#, 2088, _slechtheid_. _Rose_, 3852, waarvoor _Lanc._ II, +7619, _leckeringhe_. + +#Lesen#, 147, _lezen_; maar 1684, _bidden_. Verg. _Beatr. gloss._ + +#Lesse#, 155, _les_; 449, _gebed._ Verg. #gheles#. + +#Lettel#, 226, 736, 780, 920, 1633, 2375, adv. en adj. het laatste met +GZ., _weinig_, _luttel_. + +#Lettelkijn#, 3202, _een weinigje_. + +#Letten#, 1318, 1954, intr. _vertoeven_, _verwijlen_, _vertragen_. Verg. +_Lsp. gloss._; _Wal._ 6922, 9471, 9492; _Lanc._ II, 13190; _Stoke_ VII, +698; IX, 212, 888. + +#Licht#, 3013, _vlug_, KIL.: „_licht_, _locht_, _velox_.” + +#Liden#, 150, 1053, 1057, 2573, 3133, _langsgaan_, _voorbijgaan_, het +Fr. _passer_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Liden#, zie #Leden#. + +#Lief#, 1970, 2227, _aangenaam_. + +#Lieghen#, 485, met AP., _beliegen_. + +#Lien#, #liede#, #gheliet#, 3093, 3403, _erkennen_, _bekennen_. Verg. +_Lorr._ en _Lsp. gloss._ + +#Lier#, 745, 855, 994, 1352, 1965, _wang_; _Flor. gloss._; CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 74-78. + +#Lieve#, 2137, 2746, 3333, _liefde_; _Lsp. gloss._ + +#Ligghen#, 1707, _zich uitstrekken_, _loopen_. Verg. #Gheligghen#. + +#Lijf#, 132, 236, 720, 1386, 1408, 1984, 2568, _leven_. Zie _Lsp. +gloss._ + +#Lijcteken#, 2302, _merkteeken_, _herkenningsteeken_. _Wal._ 2687, 6424, +6487, enz.; _Lanc._ II, 16443; MAERL. _Sp. Hist._, 1 Dl., bl. 397. Verg. +CLARISSE op de _Natuurkunde_, bl. 409. + +#Line# (1490), 1940, 1951, 2031, 3130, _touw._ Verg. MAERL. III, 315, +321; _Stoke_ IX, 874; _Limb._ VI, 275. + +#Line#, 1081, _lijn_, _regel_. _Eer die line wert ghelesen tende_, bet. +_in den kortst mogelijken tijd_. In gelijken zin leest men, _Lanc._ III, +22574: + + Maer _eer die rime _(line?)_ wert ghelesen_, + So sal hi ondervinden wel, + Oft hem iet beteren sal sijn spel. + +De redenering van prof. BORMANS, _Christina de Wonderb._, bl. 235, +behoeft geene wederlegging. + +#Lof#, _prijs_, _eer_; #te love#, 47, _tot zijne eer_; #lof hebben#, 56, +_geprezen_, _geacht worden_; #in iemens love staen#, 196, _door iemand +geacht_, _geëerd worden_; #van goeden love#, 649, _goed befaamd_. + +#Loghe#, 788, _loog_. + +#Lonen#, 1425, _beloonen_. + +#Loodwapper#, 794. Een _wapper_ is een wapentuig dat men om zich heen +zwaaide; zie _Velthem_ bl. 159; _Heelu_ 5462; de laatste schrijver noemt +het ook _cluppel_, waarvoor ik _Lanc._ II, 29802 lees: _loetcloppel_, +d. i. een _cluppel_ of _knuppel met lood_ beslagen. + +#Loof#, 1450, _de minste kleinigheid_. Verg. #caf#. Eigenl. is #loof# +een blad (zie _Car. El._ 403), welks meerv. #lover#, 43 voorkomt. + +#Lopen#, 2423, met acc. in den zin van _beloopen_. + +#Losengieren#, 3071, _loos bedriegen_, het Fr. _losengier_. Het adj. +_losengier_ vindt men _Rose_ 2521, en _Rijmkr._ bij KAUSLER, 6361, +7009. + +#Los maken#, 1475, _wegnemen_, _verlossen_? #Los# in den zin van +_kwijt_, _verloren_, vermeldt HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 301. Men +verg. ons _lozen_, _verlossen_, en het Eng. _to lose_. + +#Loven#, 3256, _goedkeuren_, _toestemmen_. Zie _Lorr. gloss._ + +#Luchter#, 1054, _linker_. MAERL. III, 171, 207; _Ferg._ 1084, 3601; +_Flor. gloss._ + +#Lude#, 148, _luide_, _hard op_. + +#Lusten#, 330, 828, met DP. _lust hebben_. + + +M. + +#Maerghen#, 1085, 1377, 2774, _morgen_. MAERL. 3 Dl., bl. 62, 91. + +#Maken#, 30, _vervaardigen_; #los maken#, 1475, _verlossen_; #valsc +maken#, 20, _voor onwaar uitkrijten_. + +#Maken hem te....#, 1945, 2262, _zich ergens heen begeven_. + +#Male#, 400, 889, _maag_, eigenl. _zak_, _reiszak_, _koffer_, zie MAERL. +_Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 68, vs. 93. Verg. _Flor. gloss._ + +#Male#, 600, 3123, _maaltijd_. + +#Malsc#, 19. WILLEMS vertaalde dit _week_, en zelfs schijnt GRIMM die +verklaring niet geheel te verwerpen (_R. F._ bl. 268), hoewel hij, +_Gram._ I2, 499 er de beteekenis van _vorax_, in de derde uitgave, bl. +264, er die van _superbus_ aan geeft. Ziehier een paar voorbeelden. +_Ferg._ 108: + + Die jaghers waren herde _ghemalsch_. + +_Wal._ 2152: + + Hi deder sulken over hals + Tumen, die hem herde _mals_ + Maecte, eer dat Walewein quam. + +_Parthen._ (ed. MASSMANN), bl. 73, vs. 23: + + Al sidi hier nu soe _ghemalsch_, + Ende segghet al dat ghi beghert. + +Men ziet uit die voorbeelden, dat noch de verklaring van WILLEMS, noch +die van Prof. VISSCHER, opgaat, „_zacht_, _week_, _bedaard_.” Blijkbaar +beduidt het woord: _overmoedig_, _trotsch_, _laatdunkend_, in welken zin +reeds het Oud-Saks. _malsc_ in den _Heiland_ voorkomt. Verg. GRIMM +_R. F._, bl. 268, en _Parthen. gloss._ + +#Mamme#, 2081, _borst_. + +#Man#, 167, _leenman_. + +#Manen#, 2161, 2187, 2328, 2633, 3028, _toespreken_, _verzoeken_, +_bidden_. + +#Manghelinghe#, 2318, _verandering_, _wisseling_. Zie KIL. Verg. _Rose_, +2194. + +#Manlic andren#, 1578, 2109, _elk den ander_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3 +Dl., bl. 60. + +#Mare#, 294, 417, 615, _bekend_, _vermaard_; #mare maken#, 238, _bekend +maken_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#St. Martins voghel#, 1047, _de kraai_. Verg. GRIMM _D. Sp._, bl. 984. + +#Mat#, 1287, _zwak_; KIL. _pauper_, _miser_. + +#Mate#, 672, _matiging_, _matigheid_. + +#Maten# (#Te#), 626, _naar de juiste maat_, _niet te veel_, _matig_. +Verg. _Lsp. gloss._ + +#Mede#, 2183, _meê_, _jonge wijn_. + +#Mee#, 1379, 2092, 3178, _meer_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Meeste#, 2562, _grootste_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 266-268. + +#Mekel#, 718, _groot_. Verg. MAERL. _Sp. Hist._, 2 Dl., bl. 176; aant. +bl. 87. _Wal._ 3931. + +#Menechfout#, 505, 542, 898, 2431, _menigvuldig_, _veelvuldig_. + +#Menen#, 638, _bedoelen_. + +#Merken#, 2363, 2466, 2553, 2584, _oplettend gadeslaan_, _opmerken_. + +#Merren#, 3187, 3202, _dralen_, _verwijlen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Mesbaer#, 3227, _het uiterlijk rouwbetoon_, _gejammer_. _Ferg._ 4309, +4403; _Wal._ 9165. + +#Mesbaren#, 3205, _jammeren_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 403. + +#Mesdaet#, 3400, _misdaad_, _kwade handeling die iemand aangedaan +wordt_. + +#Mescomen#, praet. #mesquam#, 669, 3230, intr. met den dat. _iets kwaads +overkomen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Meslaten#, 1303, 3380, _jammeren_, _zich bedroefd aanstellen_. _Ferg._ +497, 1127; _Flor._ 825, 2292. + +#Mesleden#, 208, _misleiden_, _bedriegen_. + +#Mesmaken#, 987, _kwalijk toerichten_, _toetakelen_. + +#Mesprijs#, 1479, _schande_. + +#Mesprisen#, 168, _tot schande aanrekenen_. + +#Mesraken#, 496, 1755, part. #mesrocht#, 747 (verg. #gherocht#), _in 't +ongeluk raken_, _te schande komen_. + +#Messen#, 2561, _achterwege laten_, _delinquere_ (KIL.). + +#Mesval#, 1361, _ongeval_. + +#Mesvallen#, 3228, impers. met DP. _een ongeluk overkomen_. Verg. _Lsp. +gloss._ + +#Mesvoeren#, 74, _mishandelen_. _Ferg._ 2403; _Wal._ 5625; _Rose_ 3903. + +#Met#, 1234, 2121, _mede_. + +#Mettien#, 709, _terstond_; eigenl. #mettien worde# of #worden#. Verg. +1922, 2024. + +#Micke#, 2807, 3131, eigenl. _een vork die tot rustpunt dient voor iets +dat er over gelegd wordt_; hier de _rechtopgaande stijl van de galg_. + +#Middewaert#, 511, 1553, _midden_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. +35-36. + +#Miede#, 1988, _gift_, _belooning_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 52-55. + +#Miere#, 117, 318, 1051, _mijner_. + +#Mineren#, 704, terecht door GRIMM, bl. 270 vertaald: „_eingraben_, +_minieren_,” en niet „_verminderen_” gelijk WILLEMS dacht, die het +geheele vers verklaarde: „_Houw _(sic)_ toch wat op._” Zoo leest men +ook, MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 120, van een man die zekeren „tempel +soude breken”, die + + stoet in vaster stat, + Viercante, ende adde vier pilaren + In viere ziden oec te waren, + Met colummen scone ende groot. + Elc portael hem selven sloot + Vaste in des tempels masieren. + Daer ginc die man onder _minieren_, + Ende nam hem haer fundament. + +Voorts beteekende het, zoo als hier, _zich verbergen in eene gegraven +opening_. Zoo b.v. _Destructie van Jerus._, cap. 120: + + Hi was in enen pit ghevloen + .......................... + Daer waende hi hem in _minieren_ + Ende ontslupen onder die erde. + +#Minne#, 243, _liefde_, _min_. + +#Misselic#, 1391, eigenl. _wat missen of falen kan_, dus _onzeker_, +_twijfelachtig_. Zie DE JAGER, _Taalk. Mag._, IV, bl. 353. + +#Moedernaect#, 1245. Over de middeneeuwsche gewoonte om naakt te slapen, +zie _Beatr._, bl. 50. Verg. over het woord HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. +113. + +#Moer#, 2645, _moeras_. Verg. _Ferg._ 3554. + +#Moet#, 1041, 1904, 2519, 2598, 2883, 3173, _gemoed_, _het binnenste_; +1061, _moed_ (_courage_). #Te moede#, 1063, 1765, 2904, _in zijn +binnenste_, _in het gemoed_. + +#Moeten#, 566, 570, _moeten_, _genoodzaakt zijn_. + +#Moeten#, 490, 999, 1069, 1657, 1798, 2900, 3125, _mogen_, vooral bij +wenschen. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Moghen#, 486, 488, 559, 560, 595, 622, 637, 663, 691, 702, 721, 747, +753, 876, 989, 1107, 1327, 1368, 1388, 1391, 1484, 1638, 1651, 1675, +1844, 1937, 2360, 2840, 2851, _vermogen_, _kunnen_. Part. #ghemoghen#, +1736. + +#Moghen#, 1951, _licere_. + +#Moghen#, 588, 1119, _lusten_. Verg. _Ferg._ 5041. + +#Moghende#, 2787, _machtig_, _vermogend_. + +#Molenman#, 121, _molenaar_. + +#Monc#, 1487, 2692, _monnik_. + +#Mordadich#, 357, _misdadig_. _Flor._ 1178. Verg. #Mort#. + +#Mordelike#, 3105, _moorddadig_; 2167, _misdadig_. + +#Morseel#, 134, 923, _stuk_ (_morceau_). _Ferg._ 2644, 4786; _Wal._ +8050. + +#Mort#, 2166, _doodschuldige_, _zware misdaad_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Moude#, 465, 2373, _stof_, _zand_, _aarde_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 +Dl., bl. 418-20; CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 38. + +#Mule#, 694, _muil_. + +#Museel#, 219, _muil_; 't Fr. _museau_. + +#Muulkijn#, 1417, _muiltje_, _snoetje_. + + +N. + +#Na#, 1502, _bijna_, _welna_. Zoo ook _Wal._ 8670, 10747. + +#Na#, 946, 1903, _nabij_. + +#Na# (#Gaen#), 3393, _treffen_, _leed doen_. _Ferg._ 4310. Verg. 942. +Vanhier het adj. _naghinghel_, _Ferg._ 664. + +#Na#, in de spreekw. #hem nemen harde na#, 1423, _ter harte nemen_. + +#Naest#, 269, 714, _zoo nabij mogelijk_. #Naest lopen#, met DP., 1252, +_dicht op de hielen zitten_. + +#Naken#, met DP., 781, 1570, 3098, _genaken_, _overkomen_. _Flor._ +3005.--495, 988, _ergens heenkomen_. + +#Namaels#, 2065, _later_, _naderhand_. _Lsp. gloss._ + +#Nauw#, adj. 2468, _innig_ (_intiem_). + +#Nauwe#, adv. 2340, _naauwkeurig_. _Lsp. gloss._ + +#Negheen#, 1259, _geen_ (_nullus_). + +#Nemmee#, 1318; #Nemmeer#, 622, 957, _niet meer_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Nes#, 1442, samentr. voor #ne es#, #en es#. Zoo 564 #dannes#, voor #dat +en es#. Verg. _Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 78, vs. 293, #ennes#, en bl. 83, +vs. 695: #hennes#. + +#Nese#, 793, _neus_. Vanwaar #neselocken#, _Ferg._ 2226; #nesebant#, +_Wal._ 1632, 2088. + +#Neven#, 386, 2353, _naast_, _langs_. + +#Neware#, #newaer#, 95, 174, 447, 1749, 2301, 2514, 2903, _maar_. _Wal._ +9357, 9465. Verg. hier 2136, en zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 193. + +#Nie#, 746, 1778, 1874, _nooit_. „Ook als negatie, waar wij het +bevestigende _ooit_ gebruiken.” (_Lsp. gloss._) 1545, 2389, 2809. Zoo +b.v. _Flor._ 523, 657. Verg. hier #Noint#. + +#Niemare#, 367, 1577, 1603, _nieuws_, _tijding_, _gerucht_. _Lsp. +gloss._ + +#Niemen#, 58, 123, 130, 885, 1089, 1355, enz., _niemand_. + +#Niet#, 1989, _genegenheid_. Zie vooral over dit woord _Lsp. gloss._ op +#niede#. Bij de daar aangehaalde voorbeelden uit den _Ferg._ is nog te +voegen 3408, waar #nide# voor #niede# staat om het rijm; zoo ook _Troj. +Orl._ (bij BLOMMAERT, _Ovl. Ged._, 1 Dl.) vs. 1460, 1525, en _Lanc._ IV, +11768. + +#No#, 112, 2568, _noch_. + +#No#, 131, _zelfs niet_, het Fr. _neis_; zie de Inleiding, bl. LXI. + +#No weder -- noch#, 2567, _geen van beiden_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 +Dl., bl. 25. _Flor._, 985; _Troj. Oorl._ (1 Dl., bl. 15), vs. 1255. + +#Nochtan#, 78, 94, 234, 353, 572, 664, enz., _nochtans_, _evenwel_. + +#Nochtoe#, 1288, 2080, _nog_, _toen nog_. _Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 78, +vs. 272; bl. 89, vs. 1270. _Wal._ 9850, 10021; _Lanc._ III, 879; en IV +passim. Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 140, 364. + +#Node#, 567, 728, 1197, 2200, _ongaarne_, eigenl. _niet gemakkelijk_. +Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 290. + +#Noene#, 384, „eigenl. (_hora_) _nona_.... de benaming van de dienst die +in de R. C. Kerk, op dat uur verrigt werd.” _Lsp. gloss._, waar het +geheele artikel verdient nageslagen te worden. + +#Noint#, 76, 872, 2664, 3024, _nimmer_, _nooit_. Ook als negatie waar +wij _ooit_ gebruiken (verg. #Nie#), 1829, 2844, 3172. Zie over den vorm +GRIMM _D.Gr._, III, 225. + +#Noot#, 517, 570, 1527, 1650, 1913, _nood_, _dwang_. #Noot sijn#, met +DP., 2857, _noodzakelijk zijn_. + +#Nopen#, 964, _raken_, _aanraken_, _stooten_, _kwetsen_. Verg. _Lsp. +gloss._ + +#Nu toe#, 833, 1236, 1241, _voort_ (_allons_). _Wal._ 9470. Verg. HUYD. +op _Stoke_, 3 Dl., bl. 30-31. + + +O. + +#Odevare#, 2308*, _ooijevaar_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 191-192. + +#Oft#, #Ofte#, 14, 491, 998, 1008, 3030, 3040, _indien_. + +#Oit#, 1780, _immer_, _altijd_. + +#Om recht#, 258, _terecht_. + +#Ombe#, 344(?), _om_; zie de var. op bl. 14. + +#Ombeclaghet#, 3046, _onaangeklaagd_. + +#Ombequame#, 2616, _onaangenaam_. _Ferg._ 568. + +#Omberaden#, 1433, _onverzorgd_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 213. + +#Omberen#, 124, 127, 135, eigenl. _ontberen_, _achterlaten_. Zie over de +uitlating der _t_, HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 254. + +#Omberocht#, 3045, eigenl. _niet aangeklaagd_, _ter goeder naam +staande_. Zie de var. op bl. 116. + +#Ombescaven#, 17, _onaangevochten_. + +#Ombieden#, 472, _aanzeggen_, _doen weten_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Ombiten#, 611, _nuttigen_, _gebruiken_. _Lsp. gloss._ + +#Omme gaen#, 1713, 1739, _zich omkeeren_. + +#Omtrent#, 810, _rondom_, _in de rondte_. Verg. _Lsp. gloss._ _Lanc._ +II, 15248, 15252, 15400. + +#Onbegrepen#, 199, _onberispt_. Verg. #Begripen#. + +#Onblide#, 952, _treurig_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 42. + +#Ondaet#, 2064, _misdaad_. _Wal._ 3712. + +#Onder -- ende#, 2334, _beide -- en_, _zoowel -- als_. Zie DE VRIES, +_Lsp. gloss._ en vooral DE JAGER'S _Archief_, 1 Dl., bl. 69-72. + +#Onder die sonne#, 759, _van den kant daar de zon stond_. Zoo zeggen wij +nog, _onder den wind_. + +#Onder voete#, 791, _onder den voet_, _op den grond_. + +#Ondergaen#, 397, 3103, _den toegang afsnijden_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 +Dl., bl. 92-93; 2 Dl., bl. 503. + +#Ondercomen#, intr., 868, _verzwakken_. Het act. #is ondergaen#, dat +_Ferg._ 2055 voorkomt, of #onderdoen#, waarover zie _Lorr. gloss._ + +#Onghebetert#, 97, _onhersteld_, _onvergoed_, _ongeboet_. + +#Onghemac#, 230, 573, 781, 807, _leed_, _last_. Verg. HUYD. op _Stoke_, +2 Dl., bl. 99-100. + +#Onghenade doen#, 2308*, _slecht behandelen_. + +#Ongherede#, 2176, _ongeluk_. + +#Onghereet sijn#, 3140, 3167, _niet voorhanden zijn_. Verg. de plaatsen +aangehaald _Lsp. gloss._ + +#Ongherec#, 1201, 1472, _ongeluk_. Verg. _Lsp._ en _Flor. gloss._ + +#Onghetrouw#, 1705, 2507, _trouwloos_, _slecht_. + +#Ongheval#, 737, 771, 1593, 2177, 2466, _ongeluk_, _ramp_. + +#Onghevoech#, 234, 3379, _wat niet past_, _niet betaamt_. #Onghevoech +driven#, _zich onbehoorlijk aanstellen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Onghier#, 414, _wreedaard_; eigenl. _de vreesselijke_, _de +schrikwekkende_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Onhout#, 111, _ongenegen_, _vijandig_. Verg. #Hout#. + +#Onledich#, 1313, _drok bezig_. Verg. _Lsp. gloss._ in #Onlede#. + +#Onnen#, #ic an#, met GZ., 10, 1075, 3124, _gunnen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Onnéren#, part. #onneert#, 2002, #gheonneert#, 2009, _schande aandoen_, +_onteeren_ (_honnir_). + +#Onrein#, 1738, 1801, _besmet_ (_met zonden_). + +#Onsalech#, 778, 1719, _ongelukkig_, _ellendig_. + +#Onscone#, 2709, _schandelijk_ (_onbetamelijk_). _Stoke_, 1 B., vs. 803. +Verg. _Lsp. gloss._ + +#Onsculde doen#, 82, _zijne onschuld bewijzen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Onsochte#, 990, _jammerlijk_, _op hevige wijze_. + +#Onsoete#, 964, _op onzachte_, _harde wijze_. + +#Onspellic#, 3002, _ernstig_. + +#Ontaen# (#ontdaen#), part. van #ont(d)oen#, 655, _geopend_. Zie _Lsp. +gloss._ + +#Ontbieden#, zie #Ombieden#. + +#Ontbinden#, 1881, _ontvouwen_, _openbaren_. _Ferg._ 3166; _Flor._ 384. + +#Ontdelven#, 2607, _opgraven_. + +#Ontervet werden#, 668, _zijn erf verliezen_ (_hier door een vonnis_). + +#Ontfaen#, 70, 188, 1193, 1254, _ontvangen_. + +#Ontfaren#, 85, 3022, 3206, 3309, _haastig ontgaan_, _ontvluchten_. + +#Ontfermen#, 68, 72, 318, 406, 2696, met GZ. _zich erbarmen_, +_medelijden hebben_. + +#Ontgaen#, 697, 921, 1388, 1409, 1424, 1477, _ontgaan_, _vrijkomen_. + +#Ontghelden#, 1822, 1835, _betalen_, _boeten_. + +#Ontghinnen#, 2087, 2417, eigenl. _openen_; in de eerste plaats +_verbijten_, in de tweede _opdelven_. Verg. _Ferg._ 3461, 3565; _Limb._ +6 B., vs. 2007. + +#Onthopet sijn#, met GZ., 1060, _de hoop opgegeven hebben_, _hopeloos +zijn_, _wanhopen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Ontliven#, 2004, _dooden_, _van het leven_ (_lijf_) _berooven_. + +#Ontrennen#, 2699, _ontvluchten_. + +#Ontsien#, intr. 53; trans. 737, 2047, 2216, _vreezen_. Zie HUYD. op +_Stoke_, 2 Dl., bl. 406, 503. + +#Ontscricken#, 3132, _ontloopen_. #Scricken# vertaalt CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 103, terecht door _met wijde schreden voortgaan_. Zie +_Ferg._ 3544. + +#Ontspringhen#, 1912, _ontvluchten_. + +#Ontspringhen#, 1231, 1642, _ontwaken_, eigenl. _uit den slaap +opspringen_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 392. + +#Ontvruchten#, 2312, _vreezen_. _Flor._ 3259; _Lanc._ 4 B., vs. 8476. + +#Ontwee#, 652, 1317, 3111, _in stukken_, _kapot_. Zie CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 123, en _Lsp. gloss._ + +#Ontweghet#, 2494, _van den weg af_, _het spoor bijster_. Verg. _Lsp. +gloss._, en zie _Lanc._ II, 13331, 13718. + +#Ontwenden#, 1844, _ontgaan_ (_met moeite_, _hoe men zich ook wendt_). + +#Ontwisschen#, 1510, _ontvluchten_; Hoogd. _entwisschen_. Van +_wisschen_, dat men b.v. vindt _Lanc._ II, 22024, 22368, 24855, 29819. +Zie ook _N. Werken der Leidsche Maatsch._, VI, bl. 169. + +#Onverdaen#, 1932, _ongedood_, _onvermoord_; van #verdoen#, waarover zie +mijn _Specimen_. + +#Onvervaert#, 389, _moedig_. + +#Onvro#, 982, _treurig_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Onvroet#, 671, _onverstandig_, _dwaas_. + +#Onwaert hebben#, 498, 576, _verachten_. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 145. + +#Onwille# (#Sijn te sinen#), 321, _in 't verdriet zijn_. Verg. _Lsp. +gloss._ + +#Ordine#, 943, 2691, _orde_, _kloosterorde_. + +#Orlof#, 495, 709, 1395, 1427, 1892, 2984, eigenl. _verlof om te +vertrekken_, _afscheid_. + +#Orconde#, 1882, 2623, _getuigenis_. Zie _Lsp._ en _Doct. gloss._ + +#Orconden#, 2688, _betuigen_, _vermelden_. + +#Oude#, 767, _ouderdom_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 173, en verg. _Lsp. +gloss._ + +#Over#, in de beteekenis van ons _voor_, het Lat. _pro_, 839, 2803, +#over niet# = _om niet_; 1681, 2981, 3089; en in de adverb. uitdr. #over +waer#, 239, 1384, 1505, 2908.--In de beteekenis van _op_, _over_, +_super_, 523, 963, 971, 973, 993. Zoo ook in de spreekwijs, #over hem +so willet# al, 772, _op hem wil alles neêrploffen_; #over iemen onledich +sijn#, 1314, _met iemand bezig zijn_. Verg. vooral _Lsp. gloss._ + +#Over een#, 146, _met elkander_, _te samen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Over lanc#, 547, 3370, _na langen tijd (van beraad)_. Verg. _Lanc._ II, +44029; III, 4633; _Flor._ 2723; _Franc._ 2835. _Limb._ VI, 1576, leest +men: #over iet lanc#. + +#Overdadich#, 2251, _trotsch_, eigenl. _die meer doet dan een ander_, of +ook, _dan betamelijk is_. Verg. _Ferg._ 4295, 4779. + +#Overdaet#, 137, 469, 499, 2043, 2066, 2310, _ondaad_, _misdaad_. Zie +CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 281. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Overgroot#, 2397, _zeer groot_. + +#Overstarc#, 1093, _zeer sterk_. Zoo komt #over# dikwerf in +samenstelling met adjectiva voor: b. v. #overveel#, _Lanc._ II, 34030; +#overhovesch#, _Lanc._ II, 38309; #oversoet#, Rose 71; #overscoon#, +_Rose_ 615; #overmoghen#, _Rose_ 628; #overmoedich#, _Rose_ 1385; +#overgroot#, _Rose_ 1641; #overvast#, _Rose_ 4662; enz. enz. + +#Owach#, 3364, _helaas_. + +#Owi#, 306, 925, 1800, 1810, 2158, 2659, 3039, _helaas_. + + +P. + +#Paer#, drukt de vereeniging uit van verschillende deelen tot een +geheel, als #een paer letteren#, 3237, 3331, _een brief_. Zie _Wal._ 2 +Dl., bl. 221-222. + +#Paiment#, 809, _betaling_. + +#Palster#, 372, 2775, 2925, 2967, _pelgrimsstaf_, _staf_. Zie CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 173. + +#Pant doen#, 1269, _leed doen_, _schade toebrengen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Pape#, 726, 811, 825, 1126, _priester_. + +#Pardoen#, 2895, _vergiffenis_. + +#Parc#, 334, _afgesloten ruimte_. Verg. _Wal._ 9927, 8703; _Lanc._ II, +45094; IV, 4637. + +#Parlement#, 2270, _samenspreking_, _bijeenkomst_. Zie HUYD. op _Stoke_, +2 Dl., bl. 80, 387; 3 Dl., bl. 103, 395. + +#Partrijs#, 3142, _patrijs_. Men behoort dus t. a. pl. te lezen: +_partrise_ (: _spise_). + +#Pat#, manl., 633, 3295, _pad_, _voetpad_. + +#Pelgrijn#, 2837, 2842, 2865, _pelgrim_. + +#Pelse#, 352, _het haar van het vel_. (Verg. _Ferg._ 3599, 3911). Zoo +heet het ook in de voorrede tot _Heelu_, vs. 545, van vogels: _dat hen +die plume stoven_. Verg. hier 1717. + +#Pese#, 794, 1317, _touw_. + +#Pijnlic#, 1878, _moeyelijk_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. +475-476. + +#Pine#, 230, 371, 573, 743, 1817, 1939, 1952, 1970, 2646, 2977, +_moeite_, _overlast_, _ongemak_. + +#Pinen#, 696, 1298, 1315, 1634, 2322, _moeite doen_, _arbeiden_. + +#Pladijs#, 208, 211, 214, _platvisch_. De vorm is uit het Fr. +overgenomen. Zie Inleid. bl. CXII. + +#Plaidieren#, 1873, _pleiten_, _over en weêr praten_. + +#Plecht#, 2841, _voorspraak_, _bescherming_. Verg. _Theoph._ 932; +_Vander Sielen_, 134. KIL. kent nog _plechten_ in den zin van _lites +agere_. Verg. daarbij V. WIJN op _Heelu_, bl. 30 en 11. + +#Pleghen#, intr., 521, 536, 1223, 2738, 3350, _gewoon zijn_. + +#Pleghen#, trans. met GZ. #Der ere pleghen#, 35, _zich op de eer +toeleggen_, _de eer ter harte nemen_. #Der siele pleghen#, 428, _de ziel +verzorgen_. #Der kindre pleghen#, 1413, _de kinderen verzorgen_. #Siere +seden pleghen#, 1733, _zijne gewoonte in acht nemen_, _opvolgen_. Zie V. +WIJN op _Heelu_, bl. 8-13. + +#Plume#, 1717, _pluimen_, _veêren_. Zie op #Pelse#. + +#Poghen#, 680, 2322, _zijn best doen_. Verg. _Wal._ 2 Dl., bl. 253 in +fine, en _Lsp. gloss._ + +#Point#, 2293, _punt_. #Van pointe te pointe#, _van stukje tot beetje_, +_geheel en al_. + +#Porren#, 1242, _zich in beweging stellen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., +bl. 397-399 en 585, of V. WIJN op _Heelu_, bl. 200. + +#Prenden#, part. #ghepronden#, 399, 1541, _aangrijpen_, _rooven_. Zie +_Lsp. gloss._ + +#Prijs#, 2923, 3054, _lof_, _lofspraak_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Prihore#, 945, _prior van een klooster_. + +#Prioreit#, 1700, _klooster_ (_prieuré_). + +#Prime#, 385, _morgengebed_. Verg. #Noene#, en zie _Ovl. Ged._, 2 Dl., +bl. 95, vs. 220. + +#Prisen#, 578, _schatten_, _achten_. Zie KILIAEN. + +#Prochiaen#, 764, 830, _die tot eene parochie behoort_, _leek_. + +#Proeven#, 1882, _probare_, _bewijzen_. + +#Proeven#, 662, 2048, _beproeven_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Pute#, 919, _hoer_. #Putensone#, zeer gebruikelijk scheldwoord; zoo ook +in het Oud-Fransch. + +#Puut#, plur. #Pude#, 2308*, _kikvorsch_. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 174. + + +QU. + +#Quaet#, adj., 484, 500, 1906, _slecht_, _verdorven_, _misdadig_. + +#Quaet#, subst., 1801, _booswicht_. Zie _Lsp. gloss._, waar echter ten +onrechte wordt beweerd, dat het plur. #quadien# is. Verg. LEENDERTZ' +beoordeeling van mijn _Epische Versb._, bl. 59-62. + +#Qualic#, adv., 259, 550, _op slechte wijze_. + +#Quansijs# (#Alse#), 2547, „_als dacht hij bij zich selven, als wilde +hij zeggen._” Zie de breedvoerige verklaring van DE VRIES in DE JAGERS +_Archief_, 1 Dl., bl. 72-76. + +#Quedden#, 1108, 2366, _groeten_, „ahd. #quetian#; alts. #queddian#; +eigentlich _anreden_, und von #quëden# (loqui) abgeleitet” (GRIMM, _R. +F._, bl. 273). Zoo ook _Flor._ 2064: „van al den goden _quedde_ hine +overluut,” waar het Fransch, vs. 1579, heeft: „De tous les Diex _l'a +salué_.” Zoo begint ook het charter van 1249, bij SERRURE, _Geschied. +der Letterk. in het Graefsch. Vlaenderen_, bl. 88: „De scepenen van +Bochouta _quedden_ alle degene die dese lettren siyn (_sic_) selen in +onsen Here.” + +#Quellen#, 2202, _in kwelling zijn_, _lijden_. Zoo _Ferg._ 4464. Verg. +_Lsp. gloss._ + +#Quene#, 767, _oude vrouw_. + +#Quite#, met #van# of den gen., 1394, _vrij_, _ontslagen van_. #Quite +worden#, 258, _kwijt worden_, _verliezen_. #Quite sijn#, 355, +_ontslagen_, _verlost zijn van_. #Quite maken#, 2416, _ontrooven_. +#Quite laten#, 2529, 2788, _ontslaan_, _vrij spreken_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Quiten scadeloos#, 2948, _vrijmaken van schade_. + + +R. + +#Raden#, 531, _radbraken_. + +#Raden#, #riet#, #gheraden#, 471, 332, 555, 689, _aanraden_. + +#Raet#, doorloopt verschillende beteekenissen. 548, 1195, _raad_, +_raadgeving_. #In gherechten rade#, 1682, _in goeden gemoede_. 2325, _de +vrucht der beraadslaging_, _voornemen_, _opzet_. #Raet vinden#, 543, +_iets bedenken_ (_Ferg._ 4254). #Te rade worden#, 470, _besluiten_. +#Raet hebben#, met GZ., 567, _in zijne keus hebben_. #Hets beter raet#, +1098, _het is beter_. #U es die beste raet#, 1389, _het is 't best voor +u_. #Hier mach in lopen ander raet#, 1905, _hier kan iets anders +gebeuren_. Maar #Raet# is ook _de daad van het raadgeven_. Vandaar: #te +rade roepen#, 1333, _ter beraadslaging bijeen roepen_; #te rade leden#, +2473, _ter beraadslaging heenleiden_. Verg. 2673. Dit geschiedt in +afzondering, in 't geheim, vandaar: #in rade#, 3161, _in 't geheim_. +Verg. hier #Beraden#, en verg. _Flor. gloss._ in #raet#. + +#Rake#, 723, _hark_. KIL. vertaalt het woord door _Rastrum_ et +_Rutabulum_, _Sarculum_. Het Eng. heeft _rake_ in dezelfde bet. + +#Rampineren#, 703, 849, _bespotten_; het Fr. _ramposner_. MAERL. _Sp. +Hist._, 3 Dl., bl. 141, 314; _Lanc._ II, 39273. + +#Rasch#, 2032, _sterk_ (verg. het Eng. _harsh_). _Wal._ 10090; _Lanc._ +IV, 9592, 10056; _Troj. Orl._ (BLOMMAERT, 2 Dl., bl. 95) vs. 194. + +#Raven#, 18, 1860, 2793, _raaf_. _Wal._ 9689. + +#Recht#, adj., 1698, 1707, 1751, _recht_ (van een weg gebezigd: _de +naaste_); 128, 3031, _waar_, _eigenlijk_, _juist_. + +#Recht#, adv., 282, _juist_; 1307, _regelrecht_ (_direkt_). + +#Recht nemen ende gheven#, 529, _zich onderwerpen aan de uitspraak des +regters_. + +#Rechten#, 1382, _oprichten_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Reden# (#Brenghen te#), 1337, eigenl. _tot redelijkheid_, _billijkheid +brengen_. + +#Reinardie#, 2044, _sluwheid_. Zoo ook in 't Fr. _Renart_, 11032, 17035. + +#Rekenen#, 2104, _voorrekenen_, _vertellen_. MAERL. 3 Dl., bl. 158, 182. +Reeds in den _Heliand_: _reckian_. + +#Rentvleesc#, 1522, _rundvleesch_. + +#Ribaut#, 938, _deugniet_. _Wal._ 8141, 9211; _Ferg._ 519. CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 162, en mijn _Specimen_, bl. 126. + +#Rijc#, 1068, _machtig_. Gewoon epitheton van God, zie _Ferg._ 4010, +4400, 4855, 4869. Verg. _D. Gram._ II, 297. + +#Rijcheit#, 2408, _rijkdom_, _schatten_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Rijm#, 2102, _vorst_. _Esopet_, fab. 10, vs. 1; _Rose_ 10274. + +#Rijs#, pl. #risere#, 1679, 3449, _takje_, in 't meervoud _het woud_. +Zie _Lorr. gloss._ of _Specimen_, bl. 124. + +#Rikelijc#, 926, _kostbaar_, _prachtig_. Verg. _Flor. gloss._ + +#Rinc#, 109, 315, 2740, _kring_. _Ferg._ 5307, 5342. + +#Rocke#, 732, 832, 1249, _spinrokken_. + +#Roekeloos#, 2772, roekeloos is hij, die zich om niets bekreunt, +_gewetenloos_. + +#Roeken#, 1120, 1653, _zich om iets bekommeren_, _bekreunen_. + +#Roemen#, 2613, _bluffen_. Zoo heet de winderige hopman bij BREÊROO nog +_Roemer_. + +#Rumen#, 887, 1428, _ontruimen_, _verlaten_, _laten varen_. _Ferg._ +1148; _Flor._ 705. + +#Runen#, 2836, _fluisteren_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Rutsen#, 973, _voortschuiven_; het Hoogd. _rutschen_. + + +S. + +#Sachten#, 2882, _verzachten_, _temperen_. MAERL. 3 Dl., bl. 316. + +#Saden#, 591, _verzadigen_, van #sat#. + +#Saen#, 64, 82, 398, 1242, 1440, 1448, 1596, 1949, 2603, 3085, +_spoedig_. + +#Saermeer#, 1916, _in 't vervolg_. Zie mijn art. in den _Konst- en +Letterbode_ van 1845, no. 35. + +#Saghe# (#Sonder#), 1086, _voorzeker_. #Saghe# is een _sprookje_, en de +geheele spreekwijs een der in dit gedicht zoo zeldzaam voorkomende +stoplappen. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Saghe#, 395; zoo wordt REINAERT ook genoemd in het Mhd. gedicht, vs. +1482: dô wand der _zage_ sîn verlorn. #Saghe# is _koorts_, zie CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 46. WILLEMS neemt het hier in den zin van _booze pest_, +maar blijkbaar staat het in dien van _lafaard_, _verachtelijk wezen_, in +welke beteekenis het ook in het Mhd. gebruikelijk is, b.v. _Nib. (L.)_, +225, 4; 930, 1; 1523, 2; 1785, 2; 2080, 1. + +#Sake#, 2323, 2665, 2671, _zaak_; 1840, 1885, _rechtszaak_. + +#Saluut#, 2406, _groet_. + +#Sameninghe#, 3016, _verzameling_, _menigte_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Sat#, 561, 610, 634, 1531, 1613, _verzadigd_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, +bl. 369. + +#Scade#, 3147, _schaduw_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 30. + +#Scade#, 68, 318, 474, 770, 1284, 1975, _schade_, _verlies_. + +#Scaden#, 1841, _schade veroorzaken_, _benadeelen_. + +#Scalc#, 940, 1787, _loos_, _bedriegelijk_, _slecht_; in beide plaatsen +substantive gebruikt. Zie _Lsp. gloss._ + +#Scalcheit#, 1795, _ondeugd_. _B. van Vergi_, vs. 70. + +#Scame#, 972, 1279, 2689, _schaamte_, _schande_. + +#Scamp#, 1508, _smaad_, _schandelijke bejegening_. _Wal._ 1459, 1468, +2710, 9001. Hetzelfde beteekent + +#Scampie#, 2043. Zie over beiden _Lorr. gloss._ + +#Scare#, 1869, _verzameling_. + +#Scaven#, 2794, _in stilte wegsluipen_. _Stoke_, 2 B, vs. 222; MAERL. 1 +Dl., bl. 285; 3 Dl., bl. 236. + +#Scelden#, 1821, _berispen_; 929, _smaden_; 1836, _verwenschen_; 2007, +_uitschelden_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Sceren#, _schertsen_, _spotten_, doorgaans als substantivum, gewoonlijk +in den dat. #in# of #te scerne#, _in scherts_, _tot spot_, 221, 545, +936, 1292. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Scerp#, 735, 816, _scherpsnijdend_; 374, 788, _prikkelend_, _ruw_; 784, +_nijdig_. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 217, 218, 227. + +#Scerpe#, 2775, 2830, 2925, 2931, 2965, _reiszak_. Zie MEYER, _Leven van +Jezus_, bl. 378, en verg. MAERL. 3 Dl., bl. 333. + +#Sciere#, 245, 441, 478, 844, 1037, 1238, 2384, 3109, _spoedig_. + +#Sciet#, praet. van #Sceden# (_scheiden_), _vertrekken_, 1431, 1977, +1987. _Ferg._ 702, 1557, 1970, 5312, 5396. Het praesens aldaar 2511. +_Flor._ 3731. + +#Scinen#, 424, 773, 1256, 1269, 1818, _blijken_. Verg. HUYD. op _Stoke_, +2 Dl., bl. 168. + +#Scoien#, 2845, _schoeyen_. WILLEMS noemt dit hier terecht „eene stoute +maer fraeie figuer.” + +#Scole#, 378, bedorven lezing. Misschien _binder sc._, hoewel ik meen, +dat de fout in _scole_ steekt. + +#Scoren#, 338, 740, trans. en intr. _scheuren_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Scouwen#, 939, 2038, 2455, _zien_, _bezien_, _aanschouwen_. Verg. _Lsp. +gloss._ + +#Scraven#, 462, 2384, 2588, _krabben_. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 336. + +#Sculdich#, 1347, _schuldig_ (_strafbaar_); 1883, _schuldig_ +(_verplicht_). + +#Scuvuut#, 2569, _nachtuil_. MAERL. 2 Dl., bl. 323, 348. + +#Scuwen#, 55, _schuwen_, _ontwijken_. + +#Sede#, 243, 3047, _gewoonte_. _Ferg._ 905, 2098. #Te seden#, 666, +eigenl. naar gewoonte, dus _niet buiten de maat, matig_. + +#Seent#, 2718, _synode_. MAERL. 3 Dl., bl. 57. Zie _Lsp. gloss._ + +#Seep#, 895, praet. van #sipen#, _druipen_, dat ook _Ferg._ 731 +voorkomt. Ik meen echter thans de voorkeur te moeten geven aan de lezing +van C. #Liep#. + +#Seer#, 419, _droefheid_. + +#Seer#, adj., 754, 3000, _smartelijk_. + +#Seer#, #sere#, adv. 1375, _zeer_. De compar. is #seerre#, 747. Bij +werkw. van beweging bet. het _hard_, _snel_, b.v. 762. Verg. _Ferg._ +1756, 2341, 2782, 3714, 3807. + +#Seker#, 2451, eigenl. _vast verbonden_, _getrouw_. Verg. HUYD. op +_Stoke_, 3 Dl., bl. 416, en VAN WIJN op _Heelu_, bl. 65. + +#Sekeren#, 609, _toezeggen_, _zweeren_. + +#Selp mij#, 1356, _zoo helpe mij!_ Gewone samensmelting. In het 4 B. van +den _Lanc._: _als hulpe mi_, 1291; _alsulp mi_, 1685, 3723, 4708. + +#Selves# (#Mijns#, #sijns#), 1408, 1428, 1547, 1656, 2525. Versterking +van het possessivum #mijn#, #dijn#. Zoo ook MAERL. 3 Dl., bl. 112, 212. + +#Seriant#, 984, 2424, _dienaar_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 314. + +#Serich#, 1274, 2462, _bedroefd_. + +#Setten#, met DP. 1677, _opleggen_. + +#Setten al jeghen al#, 738, _het uiterste wagen_, _alle krachten +inspannen_; Fr. _mettre le tout pour le tout_. + +#Sibbe#, 2105, _bloedverwantschap_. Zie _Teuthonista_, Voorr. bl. 33 en +_Mnlp. gloss._ + +#Side# (#An ene#), 2589, _aan kant_, _weg_. Verg. _Wal._ 2 Dl., bl. 205. + +#Siec ende onghesont#, 933. Zie nog andere zoodanige tautologische +uitdrukkingen aangewezen, Inleiding, bl. XXIV. + +#Sien den raet#, 2678, _schikken_, _overleggen_. Verg. #Raet#. + +#Siere#, 10, _zijner_. + +#Sin#, 11, 36, 39, 2136, 2172, 2185, 2479, 2750, 2755, 2812, 2878, 2920, +3368. Een woord van ruime beteekenis, gebruikt voor „den zetel van het +_denken_ zoowel als van het _gevoelen_, van het _weten_, zoowel als van +het _willen_, dus _hoofd_ en _hart_ beiden.” _Lsp. gloss._ + +#Sinken laten#, 1294, _laten vallen_, _laten varen_. + +#Sint#, 78, 264, 356, 1503, _sedert_. + +#Sinxendach#, 41, _Pinksterdag_. + +#Sire priester, Dieu vo saut#, 937; _Sire prestre, Diex vos saut; Heer +priester, dat God u behoede!_ + +#Slach in slach#, 812, 1257, _slag op slag_. Verg. _Lorr. gloss._ + +#Slachten#, 18, 1418, eigenl. _van hetzelfde geslacht zijn_, _gelijken +van gemoed_. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 110. + +#Slaen#, 3413, _treffen_, _neêrdrukken_. + +#Slaen in#, zie #Inslaen#. + +#Slaken#, 3383, terecht door GRIMM, _R. F._, bl. 286, vertaald door +„_remittere_, _laxare_.” Wij gebruiken 't alleen nog van banden en +boeyen. + +#Slavine#, 372, pelgrimskleed. WILLEMS haalt uit DU CANGE het volgende +citaat aan: „Pedes incedens in habitu peregrini, qui vulgo dicitur +_slavina_.” Het woord komt ook voor _Lorr._ I, 1017, 1257; MAERL. 1 Dl., +bl. 340. + +#Slecht#, 454, _effen_, _vlak_, _glad_. _Ferg._ 1185, 1571, 1574. Verg. +CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 128. + +#Sleets#, 1280, samentr. van #des leets#, zie op #Leet#. + +#Smeken#, 485, 682, 1804, 2613, 3071, _goede woorden geven_, _fleemen_, +_fraai praten_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 312. + +#Snieme#, 3356, _spoedig_, _weldra_. _Ferg._ 4670, waar het hs. _snieme_ +heeft, zonder _n_; _Flor._ 1203; _Wal._ 8205, 9496, 10250. Verg. HUYD. +op Stoke, 3 Dl., bl. 309-310; MAERL. _Sp. Hist._, 1 Dl., aant. bl. 40. + +#Snoeren#, 2913, _toesnoeren_, _toerijgen_. + +#So#, 648, 725, _alzoo_, _gelijk_; 682, _aldus_. + +#So#, 945, bij eene vraag, _of_; gewoonlijk herhaald: #so -- so#, ook +wel #weder -- so#, en denkelijk ook, zoo als C. heeft, #so weder -- so#. +Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 24-25, 44; _Flor. gloss._ op #so# en +#weder#; en _Lsp. gloss._ op weder. + +#Sochte doen#, 621, _streelen_. #Sochte# is de vlaamsche vorm voor +#sacht#. Zie b.v. _Flor. gloss._ en MAERL. 3 Dl., bl. 147, 156. + +#Sochten#, part. #ghesocht#, 3413, _bedaren_, _verzachten_. Verg. MAERL. +3 Dl., bl. 316. Intrans. komt het voor _Stoke_, IX, vs. 634. + +#Soe#, 30, 225, 733, 2747, 2849, 3080, _zij_. _Ferg._ 1523, 1526, 1529, +2124. Verg. _Flor. gloss._ + +#Soendinc#, 188, _plechtige verzoening_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., +bl. 261. + +#Soenen#, 3397, _verzoenen_, _vergoeden_. + +#Soet#, 2300, samentr. van #soe dat#, _zij het_. + +#Soet#, 577, 1287, 3044, _lief en aangenaam_, _lekker_, in verschillende +nuances; 2263, #tsoete lant van Waes#, even als in de Oudfr. gedichten +_doulce France_; 2315, _vriendelijk_. Hoe ruim de beteekenis van #soet# +was, zie men bij CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 369. Zoo wordt het bij +toespraak van personen gebruikt, waar wij _lieve_ gebruiken: #soete +vrient#, #neve#, #oom#, enz., b. v. 549, 581, 941, 1125, 1293, 1999; of +nog sterker: #wel soete#, 669, 1437. Verg. het Eng. _sweet_. + +#Soete werden#, met DP., 1492, _aangenaam worden_, _bevallen_. + +#Some#, #som#, 980, 1018, 1898, 2199, _sommige_. + +#Sondelijc#, 836, 2780, _zondig_. + +#Sonder#, adv. 1833, 1944, _zonder_; 50, 214, 799, 2569, 2996, +_uitgezonderd_; conj. 2888 het Hd. _sondern_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Sonderlingh#, 3053, _bijzonder_. + +#Sone#, 1515, 2727, #so en#, d. i. _aldus niet_. + +#Sorghe#, 228, 393, 516, 1311, 1438, 1631, 1990, 2201, _vrees_. + +#Sorghen#, 494, 670, 1114, 1378, _bezorgd zijn_, _vreezen_. Verg. _Lsp. +gloss._ + +#Sorghe# en #sorghen# komen in het slot der na 2308 uitgeworpen plaats +voor in den zin van _voorzorg_ en _verzorgen_. + +#Sout#, 2409, 2444, _soldij_. _Ferg._ 543, 1424. Verg. VAN WIJN op +_Heelu_, bl. 46-48. + +#Spade#, 1480, 2079, 2308*, 2984, _laat_. + +#Spanen#, 2081, _spenen_. + +#Sparen#, 2017, 2991, _sparen_, _achterwege houden of laten_; 1190, +1244, 1332, 2022, 2390, 3310, waar _tijd_ onder verstaan wordt, +_dralen_, _wachten_. Verg. _Ferg._ 2002, 4154. + +#Spel#, _spel_, _jokkernij_. #Te spele tellen#, 2437, _voor eene +kleinigheid achten_. #Uten spele gaen#, met DP., 1585, 1890, _ernst +worden_, _ophouden gekheid te zijn_, _slecht afloopen_, _er erg aan toe +zijn_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Spiker#, 1516, 1519, 1579, _voorraadschuur_. + +#Spille#, 832, _spil van het spintoestel_. Zie _St. Franciscus_, 10054. + +#Spot#, zie #Velspot#. + +#Stade#, zie #Stat#. + +#Staen# in verschillende spreekwijzen, als: #Het staet so#, 630, 1590, +_het is zooverre gekomen_; #Mi staet#, 2191, 2684, _ik moet_, _ik mag_; +#Staen ghevaen#, 688, 717, _gevangen zijn_; #Staen in bate#, 192, +_boeten_, _vergoeden_; #Staen in love#, 196, _geacht worden_; #Staen in +tale#, 283, _spreken_, waarvoor 909, #Sijn in tale#.--Voorts met het +bijdenkbeeld van voortduring: 631, 712, _staan blijven_, _stand houden_. +Verg. _Lsp. gloss._ Zie verder #Stoet# en #Stont#. + +#Staerblint#, 77, _stekeblind_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Staf#, 789, 1573, 2931, _stok_. _Wal._ 9235; _Heelu_, 9247; _Velth._ +bl. 248, 249, 251, 254, 257, enz. + +#Stage#, 2737, _staanplaats_. + +#Stac#, praet. van #steken#, 1551, _stooten_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Stallecht#, 303, _toorts_, _waschkaars_ (eigenl. _standlicht_). _Wal._ +4511, 4761; _Lanc._ II, 29470; III, 2677, 10384, waar het vs. 10393 +verwisseld wordt met _kersse_. + +#Stan#, praet. van #stenen#, 874, 990, _steunen_, _kermen_. Verg. _Lsp. +gloss._ Het ww. wordt ook zwak verbogen _Lanc._ II, 40919. + +#Stap#, 766, _kruk_. + +#Starc#, #sterc#, 690, 1028, _sterk_, _krachtig_; 333, _vet?_ zoo als +nog in het Hd. + +#Stat#, in gebogen naamv. #stede#, 150, 1614, 2248, _plaats_. #Stade +hebben#, 3296, _gelegenheid hebben_. + +#Steendoot#, 1601, _morsdood_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Steken achter#, 2285, eigenl. _achteruit stooten_, dus _overwinnen_. +Verg. _Lsp. gloss._ op #Steken#. + +#Stieren#, 1686, _sturen_, _richten_. Vandaar #stierman#, _Wal._ 9509. +Zie ook #Stieren#, _Parthen. gloss._ + +#Stic#, 1117, _stuk_, _brok_. + +#Stoel#, 2280, _troon_. Verg. _Lodewijks lied_, vs. 6: _stual hier in +Vrankon_. + +#Stoet#, praet. van #staen#, 171, 336, 623, 1213, 2038, _stond_. Impers. +met DP. 931, _gesteld zijn_. Men vindt echter ook het praet.: + +#Stont#, 1256, 1559, 2034. Men lette op de uitdrukking: #hi stont ende +sweech; ende scouwede# (2034, 2038), voor _hij zweeg_, _hij zag_. + +#Strec#, onz. 1202, 1207, 1281, 3387. Verg. _Rose_ 4859, en zie HUYD. op +_Stoke_, 2 Dl., bl. 228. + +#Stringhe#, 841, _touw_, _koord_. MAERL. 3 Dl., bl. 253. + +#Stupe#, 860, slag. Zie KIL. + +#Stuven#, (#stoof#, #ghestoven#) 352, 1717, _uit een stuiven_. Zie op +#Pelse# en #Plume#. + +#Sulc# (beter #selc#?), 176, 722, 1107, _zoodanig een_, _deze -- gene_, +het Fr. _tel_. Gewoonlijk wordt het door _sommige_ vertaald, zie +CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 68-69, en _Lsp. gloss._ + +#Sullen#, praet. #soude#, 706, _moeten_. + +#Suver op#, 2098, _geheel en al_, _zoodat er niets overblijft_. + +#Swaer sijn#, 2030, _smerten_. Verg. KIL. op #swaren#; zoo ook in de +uitdr. #mi es die herte swaer#, 2205, _ik heb harteleed_, _verdriet_. +Zoo de spreekwijs #mi es sware te moede#, 310, 2904, _ik heb verdriet_; +evenzoo #swaer doen#, 1041, _verdrieten_. #Pijnlic ende swaer#, 1878, is +in één woord _moeyelijk_. + +#Swaerde#, 1507, _zwoerd_, _de huid van een varken_. Zie KIL. De +verachtelijke uitdrukking door R. gebezigd, is geheel in overeenstemming +met het feit dat hij herinnert; hij had immers den wolf de haren laten +wegschroeyen door middel van kokend water, even als met de varkens +geschiedt. Verg. omtrent de geheele uitdr. MAERL. 3 Dl., bl. 212. + +#Sweren#, 1610, 2274, _zweeren_; 1809, _bezweeren_. #Sweren ende +vloeken#, 1554, _vloeken_. + +#Swinghen#, 795, _slingeren_. Verg. _Mnlp. gloss._ en _Lanc._ II, +13397. + + +T. + +#Tale#, 108, 179, 183, 246, 283, 426, 538, 641, 707, 909, 957, 1009, +1289, 1875, 2781, _spraak_, _gezegde_, _verhaal_. Verg. _Ferg._ 607, +1276, 2132; _Flor._ 20, enz. + +#Tam#, 271, _het vleesch van huisdieren_, in tegenoverstelling van wild. +Zoo _Lanc._ II, 44214. _Wal._ 8784, heeft _them_. + +#Tameer#, 1111, _heden_. Zoo _Ferg._ 744, 751 (waar de uitgave beide +malen #te meer# leest); _Wal._ 1984, 8783, 8785, 10175. Verg. mijn +artikel over #Saermeer#, in den _Letterbode_ van 1845, no. 35. + +#Taverne#, 1291, _herberg_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 20; en zie de +beschrijving bij MAERLANT, _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 117. + +#Te#, bij participia met de kracht van ons #ge# of #ver#. #Teblouwen#, +1584, 1827, _geslagen_; #tebroken#, 166, _ge- of verbroken_; #testoort#, +2324, _verstoord_, _vernietigd_. + +#Te hant#, 959, 983, 2300, _terstond_. Zie KIL. + +#Teerst#, 2058, 2380, _terstond_, _zoodra_. + +#Teken#, 163, _litteeken_. + +#Telen# of #Ghetelen#. Het Gothisch kent reeds een ww. _gatilon_, dat +_verkrijgen_ τυγχἁνειν beteekent, en het AS. heeft het zw. ww. _tilian_, +dat BOSWORTH in de eerste beteekenis verklaart als: _to prepare_, +_procure_, _obtain_, _supply_, _seek_. Het grondwoord is in het Goth. +_tils_, dat DIEFENBACH (_Vergleich. Wörterb._, II, 666) verklaart: +„_passend_, _geschickt_,” zoo als BOSWORTH het AS. _til_ vertaalt: +„_good,.... leading to an end;_” wier verwantschap met het HD. _ziel_ in +het oog valt. GRAFF, V, 556 heeft _zilên_, _zilôn_, _gazilôn_, in de +beteekenis van: _niti_, _studere_, _curare_, _parare_, _procurare_, +_quaerere_, _petere_. Ook in het Mnl. beteekent #ghetelen# vooreerst: +_bedoelen_, _zoeken_; dan: _bereiken_, _verwerven_, _vinden_. Zoo hier +2333: #des raets ghetelen#, d.i. _het zoo overleggen_ (verg. #Raet +vinden#). Zoo _Wal._ 6533: + + Weten alle den raet ghesien + Ende _ghetelen_ dat wi ontvlien. + +Met _raet_, hoewel in den acc., staat het ook verbonden, _Mnlp._ II, +3572: + + (Si) _teelden_ enen corten raet. + +Ziehier nog eenige voorbeelden, waaruit deze beteekenis van #ghetelen# +duidelijk in het oog springt. _Franciscus_, 767: + + Dus es hi metter cruce bewaert, + Datti zine siele ter langer vaert + Sonde der crucen bevelen, + Ende hi daerbi soude getelen + Datti uter werelt scame + Seker sceide, ende zonder blame. + +_Lanc._ II, 16485: + + Ic soude gerne des _getelen_, + Dat ic ten tornoye mochte wesen, + +_Lanc._ III, 8375 (van Adam en Eva): + + Ene stemme henlieden (sprac) toe, + Dat si vergaderen souden doe + Beidegadere alse wijf ende man: + Ende hen quam so grote scamenesse an, + Sine wisten hoe dat _getelen_, + Datsi alsoe daer souden spelen, + Daer elc anderen soude sien an. + +De overgang tot de beteekenis van _voortbrengen_ is niet moeyelijk, zoo +gebruiken wij het ww. nog, en reeds _Mnlp._ II, 352, heet het: + + Als dat die juffrou heeft vernomen, + Die yammerscrey, die sy daer _teelde_, + Ende dien rouw, dien sy daer dreef. + +KILIAEN kent het ww. #telen#, niet alleen in de laatste beteekenis, +maar ook in die van _colere agrum_, _exercere tellurem_. De toepassing +op den akker schijnt willekeurig, want in den zin van _verzorgen_ komt +#telen# in den _Reinaert_ voor, en wel met den genit., even als in de +voorbeelden bij GRAFF, b.v. 381, 1692, #miere siele telen#, hetgeen +geheel overeenkomt met 428; #God moet haerre siele pleghen#.--Nog in +eene andere beteekenis vindt men het woord bij _Velthem_, bl. 125: + + Daer ombe onse gepense groet + En bescieten ons niet jeghen die doot. + Wi pensen vore, dit selewi doen, + Ende geven ons daertoe ocsoen, + Dat wi dat volbringen selen; + Dan comt daventure, die niet _getelen_ + En wilt dat die dinc gescie. + +Hier schijnt het _gehengen_ te beteekenen, tenzij men meene, dat #wilt# +in #laet# moet worden veranderd. + +#Tellen#, 2784, _zeggen_, _vertellen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Temmermans#, 654, _timmerlieden_. Hetzelfde plur. leest men ook _Lanc._ +III, 8623. + +#Terden#, praet. #tart#, 540, 2855, _treden_, in de laatste pl. +_betreden_, welke active beteek. de werkw. die _gaan_ enz. beteekenen +alle aannemen. + +#Tere#, 2245, samentr. voor #te ere#, #te eenre#, #te ener#. + +#Tes#, 1065, 1751, conj. #te des#, _totdat_. + +#Tes papen#, 1833, #te des p.# (#huse#), _in des priesters huis_. + +#Tien# (#teech#, #gheteghen#) #an#, 2066, 2243, _aantijgen_, _te laste +leggen_. Zie _Lsp. gloss._; _Wal._ 5583, 5813. + +#Toe#, 2383, (_ergens_) _heen_; #daer toe gheraken#, _er heen komen_. + +#Toe#, 2525, _daarenboven_. KAUSLER, I, 1119. + +#Toebringhen#, 1534, _tot stand brengen_, _verrichten_, _veroorzaken_. +Zie _Lsp. gloss._ + +#Toegaen#, 675, _ergens op los gaan_. Verg. #Nu toe#. + +#Toghel#, 1166, _teugel_. _Ferg._ 333, 2473. De uitdrukking hier +gebruikt is eene epische formule, in de Oudfransche gedichten dikwerf +voorkomende: _Onques n'i ot resne tenu._ + +#Toghen#, 372, 1092, 2119, 2622, _toonen_. Vs. 2662 moet wellicht +#tughen# gelezen worden, dat men b.v. in den _Mnlp._ leest voor +_getuigen_. + +#Top#, 948, eigenl. het bovenste gedeelte van iets, KIL. _fastigium_, +_cacumen_, hier _de kruin_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Toren#, 913, 915, 1295, 1796, 2910, _verdriet_, _leed_. Verg. CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 16. + +#Torment#, 2192, _pijniging_. + +#Treke#, 1814, 2224, 3262, _booze streek_, _bedriegelijke handelwijs_. +Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 309, en _Flor. gloss._ + +#Trekere#, 129, _bedrieger_. + +#Trecken#, 1664, #In weet werwaert ghi dit trect#, _ik weet niet waar +gij daarmeê heen wilt_. Zie verschillende spreekwijzen waarin #trecken# +gebruikt wordt, _Lsp. gloss._ + +#Troosten#, 3178, _vertrouwen inboezemen_. Zie _Lorr. gloss._ + +#Trouwe#. #Bi uwer trouwe#, 590, _bij het vertrouwen dat gij in mij +stellen moogt_; 1724, 2155, #Bi (in) rechter trouwe#, _in waarheid_; +ongeveer hetzelfde als #entrouwen#, 252. + +#Tuun#, 646, 2027, _heg_. Verg. _Heelu_, 2078. + +#Tuun#, 1910, _zangwijs_ (Eng. _tune_). Hier spreekwoordelijk gebruikt, +even als _Reinhart_ 1979: Reinhart kunde manegen dôn. + +#Tuwaert#, 2670, _tot u_. + +#Tweer#, 313, gen. van #twee#. + +#Twi#, 1198, 1908, 1917, 2308*, 2889, 3191, _waarom_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Twifelen#, impers. met DP. en GZ., 1838. Verg. _Doct. gloss._ + +#Twint niet#, 2017, _in 't geheel niet_. Zie DE JAGER, _Verscheid._, bl. +251-259. + + +U. + +#Up#, _op_, als plaats- en tijdsbepaling: 1621, 1640; #up ene wile#, +1823, _op het oogenblik_; #up Isengrijn#, 1559, _tot bij Is._--2o. Als +betrekking tusschen personen of zaken: #hem ghereden up een claghen#, +1762, _zich gereed maken tot klagen_; #wreken up haer leven#, 1797; #up +ghenade#, 1694, _in hope van genade_. Zie _Lsp. gloss._ in #Op#. + +#Up dat#, 1424, _indien maar_. Zie _Lsp. gloss._ in #Op dat#. + +#Upgaen#, 61, _beginnen_. + +#Upgheven#, 2543, _overleveren_, _opgeven_. + +#Upheffen#, 1568, _opheffen_; 156, 274, 1263, _verheffen_, _beginnen_. +Verg. _Wal._ 2 Dl., bl. 189, en zie _Rose_ 38; _Lanc._ III, 6452, 6603. +Het #uphief# vs. 2176, komt mij te verdacht voor om eene verklaring er +van te beproeven. + +#Uplesen#, 211, eigenl. _opzoeken_, vandaar _wegnemen_. Zie _Flor._ +2259. + +#Up werden#, 1647, _haastig opschieten_. _Ferg._ 247, 253, 1536, 2259. +Zoo #worden jeghen#. MAERL. 3 Dl., bl. 222. + +#Uutleken# (#uutlac#), 808, _uitlekken_, _uitvloeyen_. Zie op #Lac#. + + +V. + +#Va#, imperat. van #vaen#, 1555; waarvoor 1544 #vanc#, over welke +laatste vorm zie DE JAGER, _Taalk. Mag._, IV, 691. + +#Vaen# (#vinc#, #ghevaen#), 688, 711, 878, 922, 1234, 1469, 1579, 1872, +_vangen_. + +#Vaer#, #vare#, 1627, 2305, 2308*, 2631, 2957, _vrees_. Zie CLIGNETT, +_Bijdr._, bl. 166. + +#Vaert#, 153, 869, 970, 1040, 1043, 1105, 2161, 2604, 2626, _gang_, +_beweging_, _reis_; 1698, _weg_; #uptie vaert#, 497, 3301, _op weg_. +Verg. _Lsp. gloss._ + +#Vandet mi gheraden#, 1453, _raad mij_, _geef mij raad_. Zoo wordt +de imperat. van #vanden# dikwerf bij een infinitivus gevoegd om den +optativus of imperativus aan te duiden. B. v. _Wal._ 1527, 1530, 2185, +2758, 4024, 4243, 4246, 4691, 4838, 4900. 5574. Verg. HUYD. op _Stoke_, +2 Dl., bl. 557-558, en _Lsp. gloss._ Het ww. #vanden# is afgeleid van +#vinden#, en komt gewoonlijk voor in den zin van #gaen vinden#, d. i. +#bezoeken#, zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 137-140. Zoo wordt het reeds +gebruikt in het Oud-Saksisch, zie KÖNES _Heliand_, bl. 430. ZIEMANN +wijst op een Mhd. #vanten#, Oud-Hd. #fanton#, in de beteek. van +_tentare_, gelijk ook BOSWORTH het AS. #fandian# verklaart: _to try_, +_tempt_. Dit is de eigenlijke kracht van ons #vant#, #vandet#. De +conjunct, #hi vande# komt voor _Wal._ 5613 en 5617, in welk gedicht ook +de infinit. wordt aangetroffen, 5019: + + Ic sal over al + _Vanden_ proeven mijn gheval. + +#Vane#, 729, 763, 813, _vaan_, _vaandel_. + +#Varen# (#voer#, #ghevaren#), 285, 1609, 1639, 2018, 2022, 2254, 3174, +_gaan_. #Hets mi wel ghevaren#, 903, _het is mij goed gegaan_, _ik heb +geluk_. + +#Vast#, adj. en adv., 145, 695, 1203, 1887, 1940, 2657, 2839, 2860, +3441, _stevig_; 341, _gedurig_, _zonder van plaats te veranderen_. + +#Vaste#, adv., 704, _spoedig_. Verg. _Wal._ 9495, 9751. + +#Vastelike#, adv., 814, _snel_, en dus _met kracht_. + +#Vederslach#, 1867, _het slaan met de vederen_. Van menschen heet het +#hantgheslach#. Zie b.v. MAERL. 1 Dl., bl. 300; _Wal._ 9835, 10822. + +#Veel#, met GZ., 1942. + +#Vele#, bij adv. in de bet. van ons _zeer_ (_admodum_), #vele sere#, +762; #vele saen#, 3158. + +#Velspot#, 2829, _stuk van het vel_. Verg. het Eng. _spot of ground_. + +#Verbelghen# (#Hem#), (#verbalch#, #verbolghen#), 2617, _zich belgen_, +_opstuiven_. _Francisc._ 5455. + +#Verbolghenlike#, 179, verbolgen, driftig. + +#Verbiten#, 463, 2091, 2098, 2308*, 3108, 3431, _dood bijten_. Zie _Lsp. +gloss._ + +#Verboort#, 786, _verbeurd_, _verboden_. + +#Verderven#, 667, _bederven_, _in 't verderf brengen_, hier _ziek +maken_. + +#Verdooft#, 818, _bedwelmd_, _verbijsterd_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Verdoren#, 677, 1636, 2055, 2170, 3055, _begekken_. 1741 is de lezing +#verdoort#, door GR. in den tekst gebracht, stellig af te keuren. Moet +men daar ook lezen #becoort#? van #becoren#, _in verzoeking brengen_. + +#Vergaen#, impers. met DP., _geschieden_, in de spreekw. #wel#, #te +scande#, #tonnere vergaen#, 1039, 1267, 1494, 3280. Verg. _Flor._ 168, +835. + +#Vergaen#, 323, _te niet gaan_. + +#Vergheten#, met GZ., 2650. + +#Vergheven#, 616, 1224, 2661, vooral in den wensch: #vergave God!# +_geven_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Vergheven#, 378, _afstand van iets doen_. Verg. #Begheven#, en zie +ZIEMANN op #Vergeben#. + +#Vergheven#, met DP. en AZ., 2523, _vergiffenis schenken_. + +#Verhanghen#, 3081, _door ophanging ter dood brengen_. + +#Verheven#, 1557, praet. van #verheffen#, _opheffen_. + +#Verhoeren#, 73, _tot hoer maken_. _Theoph._ 1432. + +#Verhoghen#, 3122, _verheugd maken_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Verhelen# (#verhal#, #verholen#), 255, _verzwijgen_, _geheim houden_. +Vandaar: + +#Verholen#, 2151, 2248, 2291, _heimelijk_, _geheim_. + +#Verholenlike#, adj. en adv., 891, 1520, 2401, 2406, 3269, _heimelijk_. + +#Verhoren#, 534, 2145, _hooren_, _vernemen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Verlanesse#, 2062, samentr. van #verlatenesse#, _vergiffenis_. Verg. +_Lsp. gloss._ Het ww. #verlaten# in den zin van _kwijtschelden_, MAERL. +3 Dl., bl. 8. + +#Verloos#, 254, praet. van #verliesen#. + +#Verloren#, 696, _verloren_, in den zin van _te vergeefs_. + +#Verloven#, 1448, eigenl. het tegenovergestelde van #beloven#, dus +_belooven niet te doen_, en zoo komt het ook voor _Lorr._ II, 2988; +verg. ook ZIEMANN op #Verloben#. Vandaar _met eede belooven iets niet te +doen_, _afzweeren_. Zoo is het hier gebezigd, en zoo komt het ook voor +_Limb._ V, 152. + +#Vermalendien#, 490, part. #vermalendijt#, 916, _vervloeken_, +_verdoemen_. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 175, 229; _Ferg._ 3164; en zie +_Lsp. gloss._ + +#Vermanen#, 1979, _verzoeken_, _aanmanen_. Verg. _Lorr. gloss._ + +#Vermerren#, 1377, _met marren, toeven, laten voorbijgaan_. + +#Vermoghen#, 2100, _aan kunnen_, _sterker zijn dan iemand_. _Troj. Orl._ +(_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 18), vs. 1524; _Lorr._ II, 4263. + +#Vernemen# (#vernam#, #vernomen#), 520, 711, 911, 978, 1046, 1574, 2362, +2461, 2549, 3233, _waarnemen (met de oogen)_, _zien_; 3081, 3216, +_vernemen_, _hooren_. + +#Vernoi#, 1279, 1942, 1995, 2886, _verdriet_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Vernoien#, 3, 1370, 1672, _verdrieten_, _leed doen_; 3198 meer in den +zin van _beangstigen_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 467. + +#Veronnen#, 260, _ten kwade duiden_. _Lorr._ I, 2032. Verg. HUYD. op +_Stoke_, 3 Dl., bl. 310. + +#Veronwerden#, 2252, _verachten_. _St. Franc._ 8214. + +#Verpinen#, 867, _afmatten_, _tot het uiterste vermoeyen_. Zie _Flor._ +1853. + +#Verraden#, 1654, 1746, 2196, 2790, 3095, _arglistig ten val brengen_. +_Ferg._ 2944. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 312. + +#Verre#, 2813, 3355, 3365, 3385, _lang_, _veel_. Verg. KIL. + +#Versaden#, 212, _verzadigen_. Verg. #Sat#. + +#Versamet#, 57, praet. van #versamen#, _zich verzamelen_. Zie _Lsp. +gloss._, en verg. _Mnl. Versb._, bl. 132-133. + +#Versach#, zie #Versien#. + +#Verseren#, 1924, _bedroeven_. Verg. #Sere#. + +#Versceden#, trans. 262, _scheiden_, _uit een doen_, _ontwarren_; 880, +intr. _scheiden_, _weggaan_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Verscroven#, 925, _ellendig_, _gemeen_. Zie _Lsp. gloss._; MAERL. 3 +Dl., bl. 40, vs. 113. + +#Versien# (#versach#), 710, 1328, 2124, _zien_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 +Dl., bl. 104. + +#Verslant#, 2308*, praet. van #verslenden#, d. i. _verslinden_. MAERL. 3 +Dl., bl. 223, 233, 312. + +#Versoenen#, 3402, _verzoenen_, _vergoeden_. Verg. #Soenen#. + +#Verspreken#, 1827, _beschimpen_. _Ferg._ 1030, 4733. Verg. HUYD. op +_Stoke_, 2 Dl., bl. 491. + +#Verspringhen#, 819, _wegspringen_. + +#Verstoet#, praet. van #verstaen#, 1900, _vernemen_. + +#Verstoten#, 2335, _omverstooten_, _verdrijven_. _Flor._ 1723. +Gebruikelijker is #Versteken# in dien zin, zie _Lorr. gloss._ + +#Versuchten#, 990, _zuchten_. _Ferg._ 1360: Si verscoet (dus 't hs.) +dicke ende _versochte_. Verg. _Flor. gloss._ + +#Versweren#, 1690, 3154, _afzweren_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. +545. + +#Verwaten#, 354, 853, 2712, _vervloeken_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., +bl. 231, en _Proeve_, 3 Dl., bl. 91-93. + +#Verwendelic#, 1067, _overmoedig_. Zie _Lsp. gloss._ op #Verweenthede#. + +#Verwinnen#, 1480, _overwinnen_, _te boven komen_. _Flor._ 816. + +#Vete#, 2177, _vijandschap_. + +#Vier#, 1237, 1248, _vuur_. + +#Vieren#, 1685, _rusten_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 55. + +#Vigilie#, 431, 440, 450, _lijkdienst_, „_funeralia, cantus feralis_” +KIL. _Franc._ 8419, 9312. + +#Vinden# (#Raet#), 543, zie #Raet#. + +#Vite#, 7, _levensbeschrijving_. Verg. DE JAGERS _Taalk. Mag._, 4 Dl., +bl. 75. + +#Viwergat#, 1646, _schoorsteen_. Verg. de aant. bl. 61. + +#Vleeschsmout#, 379, _vet_. + +#Vleghel#, 723, _dorschvlegel_. + +#Vlien#, 758, _vlieden_. Zie _Lsp. gloss._ op #Vloe#. + +#Vliet#, 827, _vliet_, _vloeyend water_. + +#Vloeken#, 856, _vervloeken_, _verwenschen_. + +#Vloghel#, 1050, _vleugel_. + +#Vlotten#, 831, _in 't water drijven_. + +#Voghelijn#, 2571, 3143, _vogeltje_. _Ferg._ 1099, waar in 't hs. de +tweede _l_ ontbr. + +#Vordere#, 679, _de voorste_. Het is eigenl. de compar. van _voor_. + +#Vorderhant hebben#, 1792, _in aanzien staan_. MAERL. 3 Dl., bl. 122. + +#Voren# (#Te#), 922, 928, _vooraf_ (_zonder dat het u eenige moeite +heeft gekost_). + +#Voren# (#Doen te#), 797, _overtreffen_. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1 +Dl., bl. 33), vs. 2774; bl. 98, vs. 486, 500. #Te voren# in den zin van +_bij uitnemendheid_, leest men MAERL. 3 Dl., bl. 190. + +#Vorst#, 103, 254, _winterkoude_. + +#Vorst#, 3131, _bovenste dwarsbalk (van de galg)_. + +#Vort#, 1688, _voorts_. + +#Vortbringhen#, 1877, 2165, 2204, _voor den dag brengen_, _mededeelen_. +Zie _Lsp. gloss._ Verg. wegens de samentr. #brincse# _Mnl. Versb._, bl. +119 vlgg. + +#Vortdraghen#, 1343, _doen voortgaan_, _in stand houden_. + +#Vortmeer#, 2484, _in 't vervolg_; 380, _nu_. Zie mijn art. over +_Saren_, enz. in den _Letterb._ van 1845, no. 35. + +#Vorwaertmeer#, 376, _voortaan_, _van nu af_. Zie t. l. a. pl. + +#Vorttrecken#, 3359, _voor den dag halen_. + +#Vorworde#, 2512, _voorwaarde_, _het vooraf bepaalde_. + +#Vreischen#, 1582, _vernemen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 264-265. + +#Vremt#, 2295, _zonderling_. Verg. _Flor._ 2503, 277. + +#Vri#, 1072, 3221, _edel_. Zie V. WIJN op _Heelu_, bl. 159-161. + +#Vrihede#, 3437, _privilegie_. + +#Vroe#, 2288, _vroeg_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Vro#, 1048, 2260, 2556, 2683, _verblijd_, _verheugd_, _vrolijk_. + +#Vrome#, 474, 630, 1074, 2320, _voordeel_, _baat_, _nut_. Zie _Lsp. +gloss._ + +#Vromen#, 962, 1841, _baten_, _tot voordeel strekken_. + +#Vrouwe#, 297, 831, 1865, _vrouw_, _domina_, eeretitel, even als #heer# +voor mannen. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 52. + +#Vruchten#, 559, 2308*, 3020, _vreezen_, _duchten_. + +#Vulsegghen#, 2221, _uitspreken_, _voluit zeggen_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Vulscriven#, 6, _volledig beschreven_. + + +W. + +#Wachten#, 2340, _bewaken_, _gadeslaan_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Waen#, in de spreekwijzen: #na minen wane#, 298, 1235, _naar mijne +meening_; en #sonder waen#, 90, 636, 900, 1096, 1387, 2514, _met +zekerheid_, _stellig_, gewone verzekeringsformule. + +#Waen#, 1199, 2147, _van waar_. Correllativum van #waer#. Zie GRIMM, +_D.Gr._, 3 Dl., bl. 193 vlgg. + +#Waert#, in samenstelling met substantiva, voorafgegaan door te, geeft +de beweging te kennen naar het voorwerp door het subst. uitgedrukt: #te +beddewaert#, #te hovewaert#, enz., b. v. 533, 540, 708, 870, 1307, 1321, +1374, 1686, 2797. In samenstelling met adverbia ontbreekt #te#, als +#nederwaert#, 890, _naar beneden_. + +#Waert hebben#, 1816, _hoogschatten_, _vereeren_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Wale#, adv., 180, 462, 801, 1010, 1078, 3124, _wel_. + +#Walsc#, 8, _Fransch_. + +#Walschen#, 1461, _Fransch spreken, brabbelen_. Verg. de aant. van HUYD. +op _Stoke_, 2 Dl., bl. 435. + +#Wanen#, 46, 277, 594, 625, 671, 697, 906, 950, 1059, 1104, 1129, 1498, +1527, 1760, 1822, 2036, 2188, 2327, 3001, _meenen_, _glooven_. + +#Wanc#, 1199, _weifeling_, _wankelmoedigheid_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Wanconnen#, met GZ., 1925, _misduiden_, _boos zijn over iets_. _Flor._ +1147, 1168; _Wal._ 5252; _Lanc._ II, 15507. + +#Wanconst#, 907, 2524, _toorn_, _vijandschap_. Zie _Lorr. gloss._ Zie +over de konstruktie der laatste plaats _Lsp. gloss._ op #Vergheven#. + +#Wandelinghe#, 2711, 3044, _omgang_. _Lorr._ I, 1977; _Ferg._ 1040. + +#Wandren#, 2110, 2721, _loopen_, _verkeeren_. _St. Franc._ 1424; MAERL. +3 Dl., bl. 235. + +#Wareltere#, 2330, _wereltsch (uiterlijk) aanzien_. _Wal._ 8009, 8061; +_Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 33) vs. 2815. + +#Waren# (#Te --#), 603, #twaren#, 370, _voorzeker_. + +#Warf#, bij getalsnamen ons _keer_ of _maal_; b.v. 348, 1007. + +#Warmhede#, 537, _warmte_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Wart#, praet van #werden#, 107, 818, 1048, 1336, 2112; in 't rijm +#waert#, 974, 1205. + +#Wart#, in de spreekw. #Hi wart toten viere#, 1237, _hij snelde naar het +vuur_. Verg. #Up werden#. + +#Wat#, met G., 943, _welk_. MAERL. 3 Dl., bl. 86. Over de konstr. zie +_Wal._ 2 Dl., bl. 239. Zoo ook MAERL. 3 Dl., bl. 281, 298. + +#Watervar#, 1863 (_zeker dier, maar welk?_) + +#Wattan#, 245, 1033, 1296, 2936, _wat dan_, _welnu_. _Limb._ III, 570; +V, 341; _Velth._ bl. 72; _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 89) vs. +1281. + +#Weden#, 1703, 1711, _weiden_. + +#Weder#, 2117, _schaap_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 269. + +#Weder#, 708, 1319, 1526, 1731, 2668, _wederom_. + +#Weder#, adv., 2662, _tegen_. MAERL. 3 Dl., bl. 255, 256, 264. + +#Wederkeer# (#Sonder --#), 2308*, _onveranderlijk_. + +#Wederkeer# (#Doen enen#), 1728, 2672, _terugkeeren_. + +#Wederlonen#, 492, _vergelden_. + +#Wedersegghen#, 2283, _tegenspreken_, _zich verzetten_. _Lsp. gloss._ + +#Wederscouwen#, 2746 _terugzien_. Verg. #Scouwen#. + +#Wedertale# (#Tale ende --#), 1009, _hetgeen over en weêr gezegd wordt_. +#Wedertale# is _antwoord_. + +#Wee worden#, met DP., 3218, _smartelijk aangedaan worden_. + +#Wegghe#, 653, 681, _wig_ (_cuneus_). + +#Wel sijn#, 195, _in gunst staan_. + +#Welgheboren#, 2314, _edel_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 126. Het +is eigenl. het Fr. _debonnaire_. + +#Welpekijn#, 1366, 1430, 3066, 3204, _welpje_. Zie over #welp#, +CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 56-57. + +#Wentelen#, 975, 981, _buitelen_. + +#Werelt#. #Al mocht hem al die werelt vromen#, 962, _al mocht hij er +zooveel baat bij hebben als de wereld groot is_. _Troj. Orl._ (_Ovl. +Ged._, 1 Dl., bl. 29) vs. 2443. + +#Wernen#, 190, _weigeren_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Wers#, _slechter_. #Te wers hem#, 1549, is het Fr. _tant pis pour lui_. +Verg. _Ferg._ 2360; _Car. El._ 1324. Zie het woord _Lanc._ II, 15394, +15515; _Lorr._ I, 1117; en verg. _Heim. der Heim._, bl. 329. + +#Werwaert#, 1664, _waarheen_, _werwaarts_. + +#Wet#, #wit#, 1151, 3362, _godsdienst_. Verg. _Flor._ 195, 243. De +uitdr. #Bi miere wet#, _bij al wat mij heilig is!_ Verg. HOFFMANN, op +_Car. El._, bl. 61 in fine. + +#Wicht#, 1027, 3385, eigenl. _kind_. Het adj. wijzigt de beteekenis. +Verg. _Stoke_, 7 B., vs. 59; 10 B., vs. 342; SERRURE, _Vadert. Mus._, +1 Dl., bl. 68; _Ferg._ 3511. + +#Wide#, 294, _wijd_, _alom_; #wide mare#, _wijd beroemd_. + +#Wie so#, 769, _wie_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 44. + +#Wijf#, 73, 95, 235, enz. _vrouw_, _uxor_. + +#Wile#, 815, 863, 975, 1823, _wijl_, _tijdsruimte_. #Die wile#, 842, +_terwijl_. Verg. _Lsp. gloss._ + +#Wilen#, adv., 296, 2544; #wilen eer#, 101, _eertijds_, _weleer_. + +#Wille# (#Staen te sinen#), zie #Staen#. + +#Willecome#, 629, 1073, 3255, _welkom_, eigenl. _welgekomen_. + +#Willen#, 583, _zullen_. Verg. de verwisseling in 't Eng. + +#Wiltbraet#, 1218, _wild_, het Hd. _Wiltprett_. + +#Winnen# (#wan#, #ghewonnen#), 1792, _verwerven_. + +#Wise#, _wijze_, in de spreekw. #In eens arems siecs wise#, 1324, die +beteekent: _met het voorkomen van een armen zieke_. Even zoo gebruikt +het Oudfransch _En guise de_. + +#Wisen# (praet. #wijsde#), 2475, _aanwijzen_. + +#Wisen ende leren#, 2076, _onderrichten_. De spreekwijs is zeer gewoon, +b.v. _Lorr._ I, 1695. Zie voorts CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 8, of _Flor. +gloss._ + +#Wisen# (praet. #wijsde#), 167, 1886, _uitwijzen_. Zie _Lsp. gloss._ + +#Wisse#, 224, _een touw_, _een strop_ (_restis_ KIL.). _Parth._ (ed. +MASSMANN), bl. 42, vs. 24. + +#Woestine#, 503, 508, 2645, _eenzame, onbewoonde plaats_. _Ferg._ 1048. + +#Wonderen#, impers. met DP., 2627, #mi wondert#, _het verwondert mij_. +Zie _Lsp. gloss._ + +#Wordekijn#, 2219, _woordje_. + +#Wouden#, zie #Ghewouden#. + +#Wout#, 2090, 2298, 2854, _bosch_, _woud_. + +#Wrake#, 1849, _gerechtelijke genoegdoening_, _straf_. Zie ZIEMANN op +#Rache#. + +#Wreet#, 2097, 3017, _moorddadig_, _gebeten op iemand_. _Flor._ 3522. + +#Wrochte#, praet. van #werken#, 1338, #bewerkte#, _Ferg._ 1216; de vorm +#wrochte# schijnt de gewone, zie _Parthen._ 68, vs. 4, en _Lorr._, +_Lsp._, _Franc. gloss._ + +#Wroeghen#, 113, 1791, 2231, _beschuldigen_, _aanklagen_; 1209, _bekend +maken_, _verraden_. Zoo _Lanc._ II, 13294: Hi seide: „Ne _wroeget_ niet +mi wie ic ben”, waar het Fransch heeft: „ne dites mon non, ne ne feites +savoir qui je sui.” + + + + +VERBETERINGEN EN BIJVOEGSELS. + + +IN DEN TEKST. + + Vs. 113 _bebbe_ lees _hebbe_ + „ 255 _het_ l. _bet_ + „ 1126 _eene_ l. _een_ + „ 1689 l. _Besc. hem soude ghen._ + „ 1741 _verdoort_ l. _becoort_(?) + „ 3141-2 l. _spise: partrise_ + + +IN HET GLOSSARIUM. + +#Cloet#, 786, 792, _lange stok_, _polsstok_. Zie KIL. + +#Colne# (#Van --#) #tote Meie#, 2619. GRIMM zegt, _R. F._, bl. XCII, +„Scherzhaft wird _örtliche_ und _zeitliche_ bestimmung _gemischt_; +noch heute hört man in Oberdeutschland „zwischen _pfingsten_ und +_Strassburg_.” Dieser witzige ausdruck reicht also schon in das +12 jh. hinauf. „Inter _pascha Remisque_,” _Reinardus_ II, 690; +„inter _Cluniacum_ et _sancti festa Johannis_ obit”, IV, 970...... +In den Niederlanden: „van _Aken tot paschen_ (TUINMAN, _Spreekw._, +I, 334); wahrscheinlich ist auch „van _Colne_ tote _Meie_” so zu +nehmen.”--WILLEMS voert nog de fransche spreekwijs aan: „Cela s'est +passé entre _Maubeuge_ et la _Pentecôte_.” + +#Leie#, 2620, _de rivier de Leye_. De spreekwijs beteekent: „Meent gij +dat ik u van den weg wil afbrengen, om den tuin leiden?” + + + + + +---------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: niet verwonderen zoo nu en dan | + | C: niet verwonderen dat zoo nu en dan | + | B: gegeven, kunnnen wij overgaan tot | + | C: gegeven, kunnen wij overgaan tot | + | B: Met de annwijzing der plaatse | + | C: Met de aanwijzing der plaatse | + | B: hier duideijk het plan | + | C: hier duidelijk het plan | + | B: laatze b.v. altijd op paarden | + | C: laat ze b.v. altijd op paarden | + | B: le sujet n'à pas encore | + | C: le sujet n'a pas encore | + | B: beschuldiging, vs. 125-169, weet ik | + | C: beschuldiging, vs. 126-169, weet ik | + | B: hem in een »lardier gebracht, | + | C: hem in een »lardier” gebracht, | + | B: cosin, 1517. | + | C: cosin, 1571. | + | B: bloeide van 1449-1171, en stierf | + | C: bloeide van 1149-1171, en stierf | + | B: [22] R. F., pag. CLV. | + | C: [22] _R. F._, pag. CLV. | + | B: que du XIV siècle.... | + | C: que du XIVe siècle.... | + | B: Onmogelijk kan _de Alexander_ eerst | + | C: Onmogelijk kan de _Alexander_ eerst | + | B: Nu laetste springhen ende | + | C: Nu laetse springhen ende | + | B: Dat hi mi van hem verdreef, | + | C: Dat hi mi met van hem verdreef, | + | B: waen quam u dese scat? | + | C: waen quam u dese scat?” | + | B: sechstu mi waer! | + | C: sechstu mi waer!” | + | B: --»Waer? sprac Reinaert, vraechdi | + | C: --»Waer?” sprac Reinaert, »vraechdi | + | B: cater_; 138 _Cuwaerde | + | C: cater_; 138: _Cuwaerde | + | B: Vs. 381: _sine_ | + | C: Vs. 281: _sine_ | + | B: estes-vos, Tyber li chaz?_ | + | C: estes-vos, Tyber li chaz?_” | + | B: G. Bruuns, vs. 2468. D. Brune, | + | C: G. Bruuns, vs. 2444. D. Brune, | + | B: 961, 988, 3390. G. Brunen, | + | C: 961, 988, 3391. G. Brunen, | + | B: doch zie vs. 2544-4 | + | C: doch zie vs. 2544-5 | + | B: 2761, 2882. Zie HUYD. op | + | C: 2761, 2881. Zie HUYD. op | + | B: 2198, 2977, 2313. Het | + | C: 2198, 2977, 3213. Het | + | B: 540, 1063, 1623, 2240, 2399, | + | C: 540, 1063, 1633, 2240, 2399, | + | B: 2154, 2573, 2806, 3170, _door_; | + | C: 2154, 2573, 2608, 3170, _door_; | + | B: K. 52; _Mlnp._ II, 4105. | + | C: K. 52; _Mnlp._ II, 4105. | + | B: Verg. GRIMM, D. M., bl. 586. | + | C: Verg. GRIMM, _D. M._, bl. 586. | + | B: #Ghedichte#, 813, adv. _dicht | + | C: #Ghedichte#, 812, adv. _dicht | + | B: 4227. _Wal._ 2139. 3119, | + | C: 4227. _Wal._ 2139, 3119, | + | B: _Stoke_ 7 B, vs. 466, en | + | C: _Stoke_ 7 B., vs. 466, en | + | B: t. l. a p. | + | C: t. l. a. p. | + | B: #Ghestille#, 25, 1136, | + | C: #Ghestille#, 26, 1136, | + | B: _stilte_. Ferg. 681, | + | C: _stilte_. _Ferg._ 681, | + | B: #Gheven een val#, 1631, #enen | + | C: #Gheven een val#, 1641, #enen | + | B: #Helet#, 615, 1071, 3121, _held_. | + | C: #Helet#, 615, 1072, 3221, _held_. | + | B: #Henen#, 2246, _van hier_, | + | C: #Henen#, 2345, _van hier_, | + | B: 1199, 1741, 1926, _hart_. | + | C: 1199, 1741, 1925, _hart_. | + | B: #Honen#, 78, 176, 217, 488, | + | C: #Honen#, 78, 175, 217, 488, | + | B: #Hoveschede#, 28, 2238, _beleefdheid_, | + | C: #Hoveschede#, 28, 1669, _beleefdheid_, | + | B: #Keitijf#, 680, 838, 2785, | + | C: #Keitijf#, 640, 838, 2785, | + | B: #claerre#, 1145, is de compar., | + | C: #claerre#, 1445, is de compar., | + | B: 2181, 2232, 2386, _schande_. | + | C: 2181, 2232, 2286, _schande_. | + | B: _achterlaten_; 1431, _verlaten_. | + | C: _achterlaten_; 1432, _verlaten_. | + | B: #Lettelkijn#, 2302 | + | C: #Lettelkijn#, 3202 | + | B: #Lier#, 745, 855, 894, 1352 | + | C: #Lier#, 745, 855, 994, 1352 | + | B: #mesrocht#, 447 (verg. | + | C: #mesrocht#, 747 (verg. | + | B: #Moet#, 1041, 1904, 2519, 2596, | + | C: #Moet#, 1041, 1904, 2519, 2598, | + | B: #Te moede#, 1063, 1785, 2904, | + | C: #Te moede#, 1063, 1765, 2904, | + | B: harde na#, 1432, _ter harte | + | C: harde na#, 1423, _ter harte | + | B: #Noot#, 517, 571, 1527, | + | C: #Noot#, 517, 570, 1527, | + | B: DP., 2827, _noodzakelijk | + | C: DP., 2857, _noodzakelijk | + | B: #Nu toe#; 833, | + | C: #Nu toe#, 833, | + | B: 998, 1018, 3030, 3049, _indien_. | + | C: 998, 1008, 3030, 3040, _indien_. | + | B: #Ombeclaghet#, 3047, _onaangeklaagd_. | + | C: #Ombeclaghet#, 3046, _onaangeklaagd_. | + | B: 1800, 1810, 2155, 2659, 3039, | + | C: 1800, 1810, 2158, 2659, 3039, | + | B: #Saen#, 64, 82, 98, 398, | + | C: #Saen#, 64, 82, 398, | + | B: #Staf#, 789, 1573, 2930, | + | C: #Staf#, 789, 1573, 2931, | + | B: #swaer doen#, 1040, _verdrieten_. | + | C: #swaer doen#, 1041, _verdrieten_. | + | B: #Taverne#, 2191, _herberg_. | + | C: #Taverne#, 1291, _herberg_. | + | B: 1639, 2018, 2021, 2254, 3174, | + | C: 1639, 2018, 2022, 2254, 3174, | + | B: en #sonder waen#, 99, 636, 900, | + | C: en #sonder waen#, 90, 636, 900, | + | B: #nederwaert#, 1321, _naar beneden_. | + | C: #nederwaert#, 890, _naar beneden_. | + | | + +---------------------------------------------+ + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Vanden Vos Reinaerde, by Unknown + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VANDEN VOS REINAERDE *** + +***** This file should be named 34261-0.txt or 34261-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/4/2/6/34261/ + +Produced by Clog, Branko Collin, Jason Isbell and the +marvelous Online Distributed Proofreading Team at <a +href="https://www.pgdp.net">https://www.pgdp.net</a> for <a +href="https://www.gutenberg.org">Project Gutenberg</a>; +celebrating the 19,000th title of Distributed Proofreaders +and the 500th dutch title at Project Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
