summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/34261-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '34261-0.txt')
-rw-r--r--34261-0.txt15480
1 files changed, 15480 insertions, 0 deletions
diff --git a/34261-0.txt b/34261-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..fe84579
--- /dev/null
+++ b/34261-0.txt
@@ -0,0 +1,15480 @@
+The Project Gutenberg EBook of Vanden Vos Reinaerde, by Unknown
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Vanden Vos Reinaerde
+ Uitgegeven en Toegelicht
+
+Author: Unknown
+
+Editor: Willem Jozef Andries Jonckbloet
+
+Release Date: November 9, 2010 [EBook #34261]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VANDEN VOS REINAERDE ***
+
+
+
+
+Produced by Clog, Branko Collin, Jason Isbell and the
+marvelous Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net for Project Gutenberg;
+celebrating the 19,000th title of Distributed Proofreaders
+and the 500th dutch title at Project Gutenberg.
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | De in het boek genoemde verbeteringen en bijvoegsels zijn |
+ | zonder verdere vermelding doorgevoerd. |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht |
+ | van deze aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
+ | #uitgespatieerd#; |
+ | |
+ | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
+ | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
+ | „aanhalingstekens”. |
+ | De ganzenvoetjes(») zijn gebruikt als in het origineel. |
+ | |
+ | De illustratie is beschikbaar bij de html-versie van dit |
+ | e-boek op https://www.gutenberg.org |
+ | |
+ | Van VANDEN VOS REINAERDE zijn bij Project Gutenberg ook |
+ | versies als e-boek beschikbaar in het duits en het frans: |
+ | Goethe's Reineke Fuchs (e-boek no. 2228) en de vertaling |
+ | Le renard (e-boek no. 17509). |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+VANDEN VOS REINAERDE.
+
+
+[Illustratie: Van den vos reynaerde
+
+ Willem die vele bouke maecte
+ Daer hi dicken om̄e waecte
+ Hem vernoyde so haerde
+ Dat die auonture van reynaerde
+ In dietsche onghemaket bleuē
+ Die willem niet heuet vulscreuē
+ Dat hi die vijte van reynaerde souckē
+ En̄ hise na dē walschē bouckē
+ In dietsche dus heuet begonnē
+ God moete ons ziere hulpē jonnē
+ Nu keert hem daer toe mijn zin
+ Dat ic bidde in dit beghin
+
+ Lith v:d: Weyer Gr:]
+
+
+
+
+ VANDEN VOS REINAERDE,
+
+ UITGEGEVEN EN TOEGELICHT
+
+ DOOR
+
+
+ W. J. A. JONCKBLOET.
+
+
+ TE GRONINGEN, BIJ
+ J. B. WOLTERS.
+
+ 1856.
+
+
+
+
+ AAN
+ JACOB GRIMM
+ TOEGEWIJD.
+
+
+_Gij waart de eerste die onzen _Reinaert_ leesbaar hebt gemaakt; Gij
+hebt ons den weg der wetenschap gewezen en de grondslagen voor onze
+kritiek gelegd; aan U komt van rechtswege de opdracht dezer uitgave
+toe, die ik het wage U aan te bieden, niet zoozeer ten bewijze, dat men
+ook in Nederland uwe lessen waardeert, als om U openlijk een blijk te
+geven mijner innige dankbaarheid voor al wat ik aan uwe werken en uwe
+vriendschap verplicht ben._
+
+ GRONINGEN, 1 November 1855.
+
+ JONCKBLOET.
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+I.
+
+Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling
+in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie,
+den uitmuntenden _Reinaert_, blijkbaar is toegenomen, en dat WILLEMS'
+voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog
+niet geheel is ten einde geloopen.”
+
+De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig
+houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van
+den _Reinaert_ en de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te
+beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde
+van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit
+vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer
+middeneeuwsche letterkunde.
+
+GRIMM stelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking
+ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw[1].
+WILLEMS plaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór
+1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders[2], vrij
+algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijne _Geschiedenis der Mnl. Dichtkunst_
+voor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de
+veertiende eeuw gesteld[3]. De jongere SERRURE is daartegen opgekomen.
+Volgens zijne meening »werd het eerste boek des _Reinaerts_ tusschen de
+jaren 1200 en 1220 geschreven”[4], en aangaande den leeftijd van den
+omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling van
+WILLEMS de meest aannemelijke[5].
+
+Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn
+nog duister of worden althans betwist.
+
+Nu is de _Reinaert_ in zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel
+in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op
+nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van
+dit dichtstuk te beproeven.
+
+Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke
+uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig
+tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene
+eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelen _Reinaert_ bezitten; dat
+de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend
+is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken,
+waaruit het vonnis moet worden opgemaakt.
+
+Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudste
+_Reinaert_ reeds driemaal is gedrukt[6], tweemaal kritisch behandeld,
+en dus, zoo als KAUSLER zich uitdrukt[7], »durch die kritischen
+ausgaben.... von GRIMM und WILLEMS hinreichend bekannt” is.
+
+Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen
+rechtvaardigen.
+
+De oudste _Reinaert_ is ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde
+Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard. GRIMM
+achtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben”[8];
+maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift door KAUSLER
+leert ons, dat het gedeelte dat den _Reinaert_ omvat, eerst omstreeks
+het jaar 1400 is te boek gesteld[9]. Het afschrift is dus betrekkelijk
+zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische
+naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel
+misstellingen en uitlatingen[10], als willekeurige veranderingen en
+invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het ouder
+handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de
+ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht.
+
+Dien _Reinaert_ liet GRÄTER voor de eerste maal in 1812 afdrukken
+in het vijfde deel der _Braga und Hermode_, en wel, naar KAUSLERS
+woorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss
+der Sprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig.” Die
+gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, dat GRÄTER ter
+naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit
+het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het
+handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is.
+
+Vs. 113 wronghene _voor_ wroughene; 115 ghesaet-ghesciet; 157
+l'pelen-spelen; 176, 543, 767 sullren-sulken; 184 hnighe-hinghe; 198
+sonde-soude; 201 landen-tanden; 202 coude-conde; 218 ret-vet; 237
+ghenimt-ghemint; 269 hinit, 741 hunt-huut; 275 cene-eene; 290; 961 mi-nu
+(1041 _omgekeerd_); 292 fée-sere; 294 Thinc-Ghinc; 308 drenen-dreven;
+309 dronghen-droughen; 414 zIIIIer-zuver; 947 crIIIIe-crune; 476
+bruue-brune; 488 houen-honen; 494 oni-om; 671 omiroet-onvroet; 605
+ghenen-gheven; 768 enme-cume; 802 abscale-abstale; 848 onner-ouver;
+856 vloutte-vloucte; 993 diet-dier; 1007 niene-menne; 1023 salue-salne;
+1073 nene-neve; 1081 lijue-lijne; 1091 braet-vraet; 1214 vmdise-vindise;
+1220 sander hu saense-sauder hu saeuse; 1225, 1234 niet-met (1531
+_omgekeerd_); 1344, 1376 waernen-waerven; 1355 wanc-wane; 1419
+rollel-rossel; 1589 verbouden-verbonden; 1625 ghenouch-ghevouch; 1747
+dien-die ic; 2032 ghenruch-ghenouch; 2157 vernaert-vervaert; 2275
+vine-vive; 2302 (2298) oer-oec; [2328 hodenare-hodevare]; 2372 (2396)
+vore-vote; 2573 (2597) hi-bi; 2591 (2615) rijkelijn-rijkelijc; 2607
+(2651) sat-scat; 2633 (2657) dier-dies; 2734 (2754) mitte-nutte; 2764
+(2784) waernen-waerven; 2798, 2956 vernaert-vervaert; 2935 (2955)
+spacus-spaeus; 2947 (2967) dine-dinc; 3329 (3349) cumen-rumen.
+
+Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels
+als R gelezen; b.v. 165 Raetti _voor_ Laetti; 424 Revic-Levic; 721
+Riept-Liept; 791 Raghen-Laghen; 793 Rudmoer-Ludmoer; 796 Rudolf-Ludolf;
+815 Ramfroit-Lamfroit; 838 Rieten-Lieten; 863 Rach-Lach; 1299 Raet-Laet;
+1367 Raghen-Laghen; 1387 Rachterlike-Lachterlike.
+
+Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten
+uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn,
+werden in den druk van GRIMM bijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker
+recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger
+te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir
+herausgegebene hs.”[11]. Maar wij weten[12] dat GRÄTERS tekst GRIMM
+tot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung
+der hs.” plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet van GRIMMS uitgave
+medegedeelde varianten, die blijkbaar die van GRÄTERS tekst zijn en niet
+direkt van het handschrift.
+
+GRIMMS meerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche
+lezingen; maar het zal ons niet verwonderen dat zoo nu en dan iets aan
+zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in
+den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs. 94 swighis _voor_ swighic;
+347 Riepen-Liepen; 804 houtmakigge-houtmakerigge; 1948 voden-roden; 2324
+(2350) ghescoort-ghestoort.
+
+Hoezeer GRIMM vele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst
+nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij
+gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den
+codex, niet minder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich
+om de orthographie van het stuk te verbeteren[13], zonder den versbouw
+te herstellen.
+
+Twee jaren na GRIMMS uitgave zag, in 1836, die van WILLEMS het licht.
+Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van
+een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel
+dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry
+gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys,
+waarvoor het was verkregen,” gelijk WILLEMS zelf getuigde[14].
+
+Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden
+getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in
+het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel
+samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek
+was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het
+tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den,
+volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij
+daaromtrent rekenschap geeft:
+
+»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade
+geworden het by GRIMM afgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende,
+als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift
+onder dien text. Doch de aldus opgeteekende _variae lectiones_ waren
+zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen
+dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken,
+hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en van
+woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als _variante_ heb laten
+gelden wat werkelijk _verandering_ was, of wat my toescheen van de
+kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen.
+
+»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den
+ouden _Reinaert_ der twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg
+bevat, in de dertiende eeuw geschreven.”
+
+Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant van BARNUMS Syrene; en
+de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles
+eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans
+werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren.”
+
+Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeî WILLEMS: »De oude
+prosavertaling, de fragmenten in GRÄTERS _Odina und Teutona_, en in
+GRIMMS _Reinhart Fuchs_ medegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling
+(_Reineke_), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven
+vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen
+en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer
+regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch
+behandelden text aen het publiek te leveren.”
+
+Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het
+tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeft WILLEMS zich
+niet geheel aan den tekst van GRIMM gehouden. Vooral in de spelling
+heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig
+gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de
+vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele
+malen heeft WILLEMS ook meer eigenlijke wijzigingen in GRIMMS tekst
+aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit
+opzicht als in de tekstverklaring, ziet men de duidelijkste sporen van
+de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder:
+in de maand Mei ontving WILLEMS den last om »er eene uitgave van voor
+te bereiden;” hij zette zich »met iever aen het werk”[15]--en het
+voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is
+gedagteekend den 20 Augustus!
+
+Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt
+dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave
+geene poging werd gedaan, zal men WILLEMS allerminst tot een verwijt
+mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft
+van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat
+men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de
+voorkeur gaf, zoodat WILLEMS werkelijk meer geleverd heeft dan men van
+het standpunt der toenmalige--ik zeg niet wetenschap, maar--beoefenaars
+van het vak kon verwachten.
+
+Had WILLEMS het geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave
+van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in
+zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den
+onveranderden herdruk door SNELLAERT in 1850 in het licht gegeven.
+
+Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende
+bewerking is toch niet te veel”[16]. Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave
+van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo
+innig mede verbonden is,” ik kan daarom nog niet toestemmen, dat
+SNELLAERT »aen de nagedachtenis van den vriend verschuldigd” was
+in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende
+wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden. WILLEMS
+zocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker
+geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van
+veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van
+onzen vriend SNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt.
+
+Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer
+te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken,
+onmogelyk een anderen text geven kon[17].”
+
+Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst” te leveren, en ik hoop
+toch geen »wangedrocht”; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige
+nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen.
+
+Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen
+trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in
+het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop
+ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten.
+
+In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene
+afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte;
+want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene
+werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het
+ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend.
+
+Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste
+plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit,
+wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient
+en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de
+bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn,
+daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en
+geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch
+verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen.
+
+Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten in GRIMMS uitgave vergeleken,
+en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het
+Comburger handschrift door bemiddeling van KAUSLERS onuitputtelijke
+bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing
+te herstellen.
+
+Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den
+voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel.
+Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen
+twijfel wegnemen.
+
+Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing
+eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan
+des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal
+aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen:
+
+Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so
+gheladen” heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt
+later bij GRIMM en WILLEMS, 568:
+
+ versscer honichraten
+ Hebbic _commer_ harde groot,
+
+dat WILLEMS verklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche
+honigraten.” Intusschen is kommer _gebrek_, waarvan hier natuurlijk
+geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bij GRIMM staat voor
+het _commer_ van den tekst: _coiiiier_, en dat is blijkbaar _couuer_,
+_couver_, _coever_, daar in den codex steeds onze tweeklank _oe_ door
+_ou_ wordt uitgedrukt. _Coever_ nu is een bekend woord, dat _overvloed_
+beteekent.
+
+Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het 1208:
+
+ Tibert moeste roepen doe
+ Ende _wronghede_ hem selven dor den noot:
+ Hi makede een gheroep so groot,
+ Dat Reinaert hoorde up der straten.
+
+Dit _wronghede_ verklaart GRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren,”
+en WILLEMS met »verwrong.” Maar _wronghede_ veronderstelt een ww.
+_wronghen_, dat niet bestaat; aan _wringen_ valt niet te denken, hoewel
+de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben.
+Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat
+er een woord moet staan, dat _zich verraden_, of iets dergelijks
+beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechts
+_wroughede_, _wroeghede_.
+
+Vs. 1222 leest GRIMM:
+
+ Tibert, ghi singhet _ni lanc so bet_,
+
+hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe
+weiss.”
+
+WILLEMS veranderde _je lanc so bet_; maar eenvoudiger is te lezen _in
+lanc so bet_, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking
+is.
+
+Vs. 1306 leest WILLEMS met GRIMM:
+
+ Doe _hiefsene_ op met haerre cracht.
+
+De variant bij GRIMM geeft _hieffene_, dat de ware lezing is, mits men
+voor _Doe_ leze _Soe_. Dat de kapitale _D_ en _S_ licht te verwisselen
+waren leert het facsimile.
+
+Vs. 1988 gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten:
+
+ No dor goet, no dor miede,
+ No dor _nijt_, no dor noot.
+
+Uit _nijd_ kon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en
+buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalve _nijd_ toedroeg.
+De variant bij GRIMM heeft: _no dor met_, hetgeen blijkbaar verkeerd
+gelezen is voor _niet_, d.i. _welwillendheid_, _genegenheid_, hetgeen
+alleen een gezonden zin geeft.
+
+Vs. 1947 bij Gr. en W.
+
+ Ghi sult doden
+ Reinaert, uwen neve, den fellen _voden_.
+
+WILLEMS verklaarde: »_voden_; nog overig in _hondsvot_, een obsceen
+woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan.” GRIMM leerde,
+p. 278: »_vode_, lump, lumpenkerl. KILIAN schreibt _vodde_, MAERL. 3,
+418 steht _vuden_. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist,
+forderte _vode_, es scheint also adj.”
+
+In de plaats die GRIMM uit MAERLANT aanhaalt, schuilt eene drukfout,
+daar men blijkbaar voor _vuden_ het bekende _ruden_ moet lezen: dezelfde
+letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar _rasten_
+moet gelezen worden voor _vasten_.
+
+Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde
+plaats uit den _Reinaert_ dezelfde verwisseling is ingeslopen, en dat
+het onbekende _voden_ moet plaats maken voor het hier zeer gewone: _den
+fellen roden_.
+
+Vs. 2094 leest GRIMM:
+
+ Ende verbeet _hanen_ ende hoender,
+
+hetgeen WILLEMS willekeurig veranderde in:
+
+ Ende verbeet _vogel_ ende hoener,
+
+niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallen _vogelen_ te
+bespringen. De variant bij GRIMM geeft de juiste lezing aan: _haenden_,
+d. i. _eenden_, zoo als ons MAERLANTS _Naturen Bloeme_ leert.
+
+Vs. 3114 (3134) leest men bij GrW.:
+
+ Die welpkine liepen _ten brase_,
+
+hetgeen GRIMM (p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause: _braes_
+epulae, _brassen_ epulari.” Intusschen is het »vermuthete” _braes_
+nergens aan te wijzen. WILLEMS zegt: »_Brase_, bras; om te brassen.”
+GRIMMS variant geeft _ten base_, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig
+is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voor _ten
+hase_, d. i. met de Vlaamsche adspiratie _ten ase_, dat ook de omwerking
+heeft. De _h_ en _b_ worden ook elders verwisseld, b.v. 2572 (2597)
+waar uit het hs. gelezen werd _hi avonture_, hetgeen blijkbaar is _bi
+avonture_, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat, _die avonture_.
+
+Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan
+eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo
+waren de volgende onverstaanbaar.
+
+Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de
+aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi, 124:
+
+ Hets recht dat omberet si
+ Die claghe die Cortois doet.
+
+Daartegen verzet zich Pancer, de bever, 126:
+
+ Dinct u goet,
+ Tibert, dat men die claghe ombere?
+ Reinaert es een recht mordenere, _enz._
+
+En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij, 135:
+
+ Wat sechdi _van ere laghe_?
+ En dedi ghistren _enz._
+
+GRIMM noch WILLEMS geven hier eenige verklaring, die echter bij die
+plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is
+immers van eene _laghe_ (hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft,
+volgens WILLEMS' variant, _van eenre sagen_, hetgeen evenmin een
+gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften
+aan, te verbeteren:
+
+ Wat sechdi van _omberen claghe_?
+
+Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af.
+
+Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt
+bij onder anderen, 1022:
+
+ En comt hi niet, hets hem quaet,
+ Men salne _drie werven daghen_,
+ Te lachtre allen sinen maghen.
+
+Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts
+magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal
+gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht
+met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove
+verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt, 1070:
+
+ Die coninc dreicht u an u leven
+ Ne comdi te hove niet met mi,
+
+dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze:
+
+ Men salne _hanghen sonder daghen_,
+
+gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447:
+
+ Dites moi le rox deputaire
+ Qu'il me viengne en ma cort droit faire
+ En la présence de ma gent;
+ Si n'i aport or ne argent,
+ Ne parole por soi deffendre,
+ Mès la hart à sa gole pendre.
+
+Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in
+het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft
+Grimbert hem de absolutie, en daarna, 1683:
+
+ Riet hi hem goet te wesene,
+ ..........................
+ Ende dat hi vort alle sine daghe
+ _Behendelike_ soude gheneren.
+
+Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zich
+_behendelike_ te genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen worden
+_bescedelike_, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een
+slordig geschreven codex lichtelijk met _behendelike_ kon verwisseld
+worden, bij de overeenkomst der letters _sc_ en _h_.
+
+Vs. 1692 leest men:
+
+ Nu moet hi pleghen siere selen,
+
+dat WILLEMS vertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen.” De
+lezing is door GRIMM in den tekst gebracht, daar C. heeft:
+
+ Nu moet hi siere sielen pleghen,
+
+hetgeen GRIMM verwierp omdat _pleghen_ niet rijmde op _stelen_. Beter
+ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woord _selen_. De
+afschrijver had hier denkelijk vs. 428 in het hoofd:
+
+ God moet haerre siele pleghen,
+
+met het rijmwoord _versleghen_. Dat 692 alleen het rijmwoord te
+veranderen was, leert de vergelijking met 381:
+
+ Ic moet miere siele _telen_,
+
+welk _telen_ of _ghetelen_ ook nog 2333 (2359) voorkomt. Men leze dus
+1692:
+
+ Nu moet hi siere siele telen.
+
+Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onze
+_Reinaert_ eene kritische behandeling noodig had om daarvan een
+verstaanbaren tekst te leveren.
+
+Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen
+van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een
+voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat
+een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar
+ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik
+nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur
+van den _Reinaert_ was, niet zou voldaan hebben aan de eischen van
+welluidendheid en verzifikatie.
+
+Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen
+aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter
+vs. 2276, en 2634 (bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag
+om de 30 verzen na 2308 (bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar
+zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van
+het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen
+is als het vervolg er mede is opgevuld.
+
+Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een
+onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen.
+Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan
+te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëzie _zooveel
+mogelijk_ in zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zeg
+_zooveel mogelijk_, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door
+eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger
+vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of
+onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen.
+Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomen _ghi_, _u_, in de
+plaats getreden van het enkelvoudige _du_, _di_, zoo als schijnt te
+blijken uit 2856-7 (2876-7). WILLEMS noemt[18] »het woord _bedi_, door
+den auteur van het eerste boek _zoo gaerne_ gebezigd;” nu komt dat
+woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin van
+_doordien_, _daarom_ (2892, 2975), driemaal in de beteekenis van _want_
+(2331, 3110, 3162). Overal elders leest men daarvoor: _dor dat_ (111,
+216, 884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede
+gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het
+eerste, te meer daar er na vs. 2170, dus juist in dat gedeelte dat,
+gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog
+andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden
+worden, als _altoos_, _als ende als_, _bedraghen_, _beghaen_, _bliken_,
+_erre_, _iet_, _indien_, _claren_, _wout_ enz. Maar een zeer omstandig
+onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd.
+
+Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze
+aangebracht, vs. 6, 103, 138, 193, 447, 453, 611, 914-5, 1404, 1440,
+1470, 1593, 2162, 3161-2, 3177, 3425.
+
+Evenzoo is het met de allitererende formulen; 13, 33, _dorpren ende
+doren_, 66 _dor edelheit ende dor ere_, 668 _onteert ende ontervet_,
+1284 _scade ende scande_, 1563 _leet ofte lief_, 1606 _stene ende
+struke_, 1685 _vasten ende vieren_, 1970 _nichten ende neven_, 1989
+_no dor niede no dor noot_, 2073 _vrient no viant_, 2094 _haenden ende
+hoener_, 2150 _lief no leet_, 2238 _hout van herten_, 2346 _droghe ende
+diep_, 2855 _struke ende stene_.
+
+Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische
+uitdrukkingen waarop GRIMM de aandacht gevestigd heeft[19] als _stal
+ende nam_, _pine ende onghemac_, _hermite oft clusenare_, _bejach no
+ghewin_, _owi ende wee_, _diefte ende roof_, enz. enz., b.v. 42, 97,
+103, 106, 230, 264-5, 268, 276, 306, 308, 326, 333, 350, 358, 405, 435,
+484, 485, 516-7, 531, 597, 613, 666, 690, 693, 701, 743, 770, 933, 1046,
+1108, 1174, 1182, 1426, 1438, 1449, 1532-3, 1591, 1597, 1678, 1691,
+1787, 1816, 1842, 1878, 1894-5, 1988, 2041, 2043, 2054, 2064, 2075,
+2086, 2093, 2097, 2114, 2118, 2120, 2173, 2191, 2251, 2272-3, 2308,
+2309, 2315, 2336, 2342, 2362, 2462, 2485, 2496, 2507, 2512, 2588, 2697,
+2860, 2894-5, 3000, 3045-6, 3071, 3079, 3205, 3345, 3366, 3420.
+
+Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door,
+b.v. 229, 359, 985, 1315, 1361, 1578, 1731, 2250, 2339, 2360, 2439,
+3243, 3244, 3327, 3332, 3435.
+
+In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v. 105 _man_, _nam_,
+_gram_, _began_, 451 _graf_, _was_, 795 _swinghen_, _vingheren_, 2101
+_Isengrijn_, _rijm_, 2113 _doe_, _vro_, 2129 _Hersinde_, _kindren_,
+3359 _trac_, _dat_(?), 3431 _verbijt_, _dit_, 2851 _omberen_, _varen_,
+2913 _snoeren_, _te voren_, en misschien 3027 _voeten_, _grote_.
+
+Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden
+rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging
+van vier zuivere rijmwoorden, b.v. 139 _ghedede_, _vrede_, _ghelede_,
+_crede_; 261 _an_, _can_, _man_, _ban_; 267 _ware_, _clusenare_, _hare_,
+_jare_; 367 _niemare_, _ware_, _clusenare_, _twaren_; 459 _boecstave_,
+_grave_, _begraven_, _scraven_; 945 _prihore_, _ore_, _bescoren_,
+_verloren_; 1233 _ghestaen_, _ghevaen_, _wane_, _hane_; 1307 _waert_,
+_Reinaert_, _waert_, _vervaert_; 1333 _rade_, _dade_, _daet_, _raet_;
+1501 _begheven_, _leven_, _gheven_, _leven_; 1737 _ghelaet_, _vraet_,
+_gaet_, _quaet_; 2065 _man_, _an_, _dan_, _man_; 2295 _vrouwe_,
+_trouwe_, _soude_, _woude_; 2299 _waer_, _haer_, _vare_, _openbare_;
+2725 _vaert_, _claert_, _Reinaert_, _waert_; 2761 _lede_, _vrede_,
+_crede_, _mede_.[20]
+
+Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote
+assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht
+door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele
+voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste
+helft van het gedicht hier af te schrijven.
+
+Vs. 21 _weten_, _heten_, _leven_, _begeven_; 101 _man_, _nam_, _gram_,
+_began_; 155 _begeven_, _gheheven_, _spele_, _vele_; 699 _dat_, _sat_,
+_sal_, _al_; 711 _ghevaen_, _staen_, _haest_, _naest_; 3315 _ram_,
+_quam_, _middach_, _ghesach_; 3401 _pine_, _Beline_, _gheliet_,
+_verriet_; 3433 _mesdaet_, _quaet_, _maghen_, _bejaghen_.
+
+Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes: 901
+_verslaghen_, _ghedraghen_, _ghevaren_, _daren_, _daghe_, _claghe_, 1275
+_vader_, _gader_, _jare_, _ware_, _scame_, _name_; zoo ook 1331, 1693,
+1767, 2215, 2323, 2867, 2915, 3307, 3377. Acht, b.v. 291 _gaende_,
+_slaende_, _bare_, _mare_, _Cantaert_, _waert_, _hane_, _wane_; 395
+_saghe_, _haghe_, _ondergaen_, _saen_, _ghetale_, _male_, _nakede_,
+_smakede_; zoo ook 1239, 1749, 2621, 3229, 3291.
+
+En zelfs _tien_: b.v. 447 _lanc_, _sanc_, _las_, _was_, _graf_, _was_,
+_gras_, _was_, _sach_, _lach_; 1091 _vraet_, _ghelaet_, _overstaerc_,
+_maerc_, _bestaen_, _waen_, _dagheraet_, _raet_, _ghedaen_, _gaen_; 1451
+_Reinaert_, _herwaert_, _gheraden_, _ghenaden_, _mesdaet_, _verstaet_,
+_mater_, _cater_, _mesdaen_, _dwaen_.
+
+Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het
+niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog
+nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op
+denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik
+had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance
+terug: 127 _ombere_, _mordenere_ (_dief_, _lief_), _here_, _ere_;
+187 _angaen_, _ontfaen_, (_gherne_, _wernen_), _mesdaen_, _staen_;
+_Isengrijn_, _pijn_ (_ghevoech_, _onghevoech_), _wijf_, _lijf_; enz.
+enz.
+
+Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal: 1407 _wijf_, _lijf_,
+_ontgaen_, _gaen_, _hermeline_, _mine_, _nu_, _u_, _Reinaerdine_,
+_gaerdeline_, _al_, _sal_, _dief_, _lief_; 3097 _hermeline_,
+_pine_, _gram_, _vernam_, _vlien_, _ghescien_, _ondergaen_, _saen_,
+_mordadelike_, _ghenadelike_, _sidi_, _mi_; 539 _Reinaert_, _waert_,
+_haghedochte_, _ghedochte_, _raet_, _vraet_, _driven_, _bliven_, _lanc_,
+_danc_, _vrient_, _gedient_, _ganc_, _lanc_, _bestaen_, _ghegaen_,
+_gheraden_, _gheladen_, _wise_, _spise_, _gaen_, _ghestaen_, _sat_,
+_wat_, _have_, _grave_, _weten_, _eten_, _aten_, _honichraten_.
+
+Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle
+andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van
+het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn
+zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons
+hebben.
+
+Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten
+aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de
+afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen.
+
+Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden,
+lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het
+gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht
+te vestigen[21].
+
+Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie
+de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden
+kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die van
+GRÄTER terug.
+
+Vooral de verwerping van de fabel na 2308 (2304) dwong mij tot eene
+vernummering der verzen, zoodat de telling na vs. 2274 niet meer met die
+der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal
+dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen
+heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers
+der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst.
+
+In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen
+schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed.
+Terwijl in GRIMMS uitgave »das flämische anlautende _h_ in huut, hete,
+hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für
+ghehoorsam, geflissentlich bewahrt” werden[22], heb ik, even als
+WILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer
+moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik
+bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit
+de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen.
+
+_Maerghen_ voor _morghen_ heb ik behouden, maar niet _ou_ voor _oe_, in
+de woorden _drouch_, _slouch_, enz., noch ook _lust_ voor _list_, daar
+de rijmen 2602 (2626) en 2376 (2400) juist _list_ hebben.
+
+Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met
+betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke
+buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen
+zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig
+mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen[23].
+Kortheidshalve heb ik daarbij slechts in de allernoodzakelijkste
+gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de
+overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen.
+
+Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den
+regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het
+lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet
+regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht
+werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek
+zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen.
+
+Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer
+uitgave heb gegeven, kunnen wij overgaan tot de overweging van de nog
+niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den
+ouderdom van den Reinaert.
+
+
+II.
+
+Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzen _Reinaert_,
+hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de
+proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van
+den omwerker?
+
+WILLEMS beweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de
+eerste regels van den proloog aldus aan:
+
+ WILLEM, die Madock maecte,
+ Daer hi dicke om waecte
+ Hem jamerde seer haerde
+ Dat die geeste van Reinaerde
+ Niet te recht en is gescreven:
+ Een deel is daer after gebleven:
+ Daeromme dede hi die vite soeken
+ Ende heeftse, uten walscen boeken
+ In duutse aldus begonnen.
+
+Dan gaat hij voort: WILLEM heeft niet den oudsten Vlaamschen _Reinaert_
+opgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niet _te recht gescreven_
+oordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik het
+_aldus begonnen_ van dit laetste vers; doch om geheel de _vite_ of
+levensbeschryving van _Reinaert_ te doen kennen heeft hy datgene,
+hetwelk _after gebleven_ was, door middel van _walsche_, dat is, door
+_fransche_ boeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver
+van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste
+boek.
+
+»De nedersaksische vertaling van _Reineke_ en de oude prosadrukken van
+Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs. 41
+aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy
+van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste _Reinaert_
+begon met vs. 11.
+
+ Nu keert hem daer toe mijn sin, _enz._
+
+»Hoe men dit dan ook beschouwe, _het aldus begonnen_ van vs. 9 steekt
+altoos zeer sterk af tegen vs. 40:
+
+ Nu hoort hoe ic hier beginne;
+
+want, zie daer een dubbel _begin_! Er is ook eene dubbele bedoeling.
+WILLEM verklaert zyne taek aentevangen _om dat het hem zeer jammerde_
+dat er nog zoo veel aen de historie van _Reinaert_ ontbrak; terwyl de
+oorspronglyke dichter slechts daerom _de avonturen van Reinaert_ MAEKTE,
+om dat zekere dame, _die in groter hovescheden gerne hare saken keert_,
+_hem daer toe bad_ (vs. 26-31). Deze beweegreden _alleen_ gaf hem de pen
+in de hand; anders had hy _stil gezwegen_ (vs. 26).
+
+»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk
+van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de
+handschriften der _Brabantsche Yeesten_ staet er een van verschillenden
+inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.
+
+»Indien WILLEM het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld,
+dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der
+vertaling van _Heinrich der Glichsenaere_, _Hersant_ en niet _Hersint_
+of _Erswinde_ heeten; dan zou de naem van den hond, _Cortois_, in de
+fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt er _Roonel_, _Rooniax_
+of _Morout_ genoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de
+behandeling van het onderwerp (vs. 100, 1461-1463 enz.) niet zoo
+eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk
+in de fransche _Renarts_ eenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een
+voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen
+straks zien, dat de trouveres geen ouder _fransch_ gedicht kennen, dan
+dat van PERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze
+bylagen bl. 302-341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene
+letterlyke vertaling van _onzen Reinaert_ is.
+
+»Beschouwt men daerentegen WILLEM voor den hermaker en vervolger van het
+gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk]
+vindt men, _voor eerst_, eene omdichting van het eerste boek,.... en,
+_ten andere_, een vervolg van dit oorspronglyk gedeelte, meest uit
+fransche poëten of uit de _Fabulae extravagantes_ samengeraept”[24].
+
+Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:
+
+Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste
+redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:
+
+ WILLEM die vele bouke maecte,
+ Daer hi dicken omme waecte,
+ Hem vernoyde so haerde,
+ Dat die avonture van Reinaerde
+ In Dietsche onghemaket bleven,
+ Die WILLEM _niet_ hevet vulscreven,
+ Dat hi die vijte van Reynaerde soucken
+ Ende hise naden Walschen boucken
+ In Dietsche dus hevet begonnen[25].
+
+Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts
+in GRÄTERS uitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is
+intusschen onverklaarbaar, dat GRIMM niet de minste poging heeft gedaan
+om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den
+omwerker in de plaats stelde. WILLEMS schijnt zich hoofdzakelijk aan
+den tekst van GRIMM gehouden te hebben zonder altijd veel acht te
+slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet
+verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in
+de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, met
+GRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in
+Nederland geheel onbekend raakte.
+
+Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.
+
+De grootste zwarigheid levert zeker vs. 6 op; maar juist hier is het
+niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven. _Niet_ is in
+tegenspraak met al het overige; maar dat _niet_ is juist bedorven.
+De varianten bij GRIMM doen zien, dat soms de _r_ en _t_ niet goed te
+onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit
+ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven.
+Zoo las GRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs. 993, voor
+_dat felle dier_ (_:lier_), _dat felle diet_; 2372 (2396) _voere_
+in plaats van _voete_. Bedenkt men daarbij dat de _n_ lichtelijk in
+sommige handschriften met de _h_ kan verwisseld worden, dan zal het wel
+geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbe _hier_,
+in steê van dat onbegrijpelijke _niet_. En zoo kunnen wij, met geringe
+verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:
+
+ WILLEM, die den Madoc[26] maecte,
+ Daer hi dicke omme waecte,
+ Hem vernoyede so haerde
+ Dat davonturen van Reinaerde
+ _In Dietsce onghemaket bleven_,
+ (Die hi hier hevet vulscreven),
+ Dat hi die vite [dede] soeken,
+ Ende hise na den walscen boeken
+ In Dietsce dus hevet begonnen.
+
+Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin
+heet het niet, dat de historie niet _te recht_ is geschreven, of dat er
+_een deel_ van is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert
+(verg. vs. 31) waren in het geheel in het Dietsch _ongemaakt_: dit was
+hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het
+Dietsch overbracht.
+
+De tusschenzin van vs. 6 moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel
+opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het
+geheele gedicht door voorkomen, zie boven bl. XXIII. En juist daarin
+vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het
+oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht
+treedt.
+
+Het eerste gedeelte van WILLEMS' betoog vervalt door deze eenvoudige
+opmerking vanzelf[27].
+
+Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van
+persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo als WILLEMS zelf
+reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de
+eerste _Reinaert_ met vs. 11 begon.
+
+Steekt nu werkelijk vs. 9 zoo sterk af bij vs. 40,
+
+ Nu hoort hoe ic hier beghinne?
+
+Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen
+uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?
+
+Maar men lette wel op, dat als men met vs. 11 den ouden tekst laat
+aanvangen, men daar terstond leest:
+
+ Nu keert hem daer toe mijn sin,
+ Dat ic bidde _in dit begin_, enz.
+
+zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den
+geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen
+aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door
+gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naar JAN VAN
+HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de
+eerste regels zijn boek aan MARGARETA van Engeland aanbiedt; dan heet
+het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs.
+69)
+
+ En hadde gedaen van Ingelant
+ Vrouwe Margriete, alsic thant
+ _Int beghin_ sprac overluut.
+
+En dan wederom in het slot der inleiding, vs. 78:
+
+ Nu helpe my God, _ic saels beginnen_[28].
+
+Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel
+aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen
+der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de
+ontleening? GRIMM neemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als
+overtuigend bewijs aan[29], en ook wij behoeven er niet aan te
+twijfelen[30].
+
+Want niemand zal wel met WILLEMS' betuiging tevreden zijn: »De dichter
+van den _Reinaert_ schynt.... een _grand clerc_, zoowel in het Fransch
+als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy
+sommige namen, als _Cortois_, _Malpertuis_, _Malcrois_ en _Pinte_, uit
+eerstgenoemde tael ontleende”[31].
+
+Ja maar, zegt men wellicht met WILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet
+de wolvin _Hersant_ en niet, zoo als bij ons, _Hersint_!
+
+Sedert WILLEMS schreef gelukte het GRIMM een groot fragment van den
+oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen[32], en
+daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem
+uitgegeven gedicht, _Hersant_, maar, even als in onzen _Reinaert_,
+_Hersint_, zie b.v. vs. 608, 627, 870, 877, enz.--ergo.
+
+Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der
+gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich
+begrijpen, als men weet, dat de _Reinaert_ niet in allen deele strikt
+vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging,
+gelijk wij nader zullen aantoonen.
+
+Alvorens WILLEMS' laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van
+een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker
+kan zijn.
+
+Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst
+het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde.
+Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke
+verandering, zoo als WILLEMS zelf opmerkt[33]. In den oudsten tekst
+namelijk verlaat Reinaert met de zijnen zijn kasteel, om zich in de
+wildernis te verbergen, vs. 3311 (3331):
+
+ Si daden hem alle up die vaert:
+ Ermeline ende here Reinaert,
+ Ende hare jonghe welpkine,
+ Dese anevaerden die woestine;
+
+welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere
+gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.
+
+Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger
+codex niet van eene omwerking wist.
+
+WILLEMS is natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de
+afschryver van het codex Comburgensis den _ouderen_ text van _Reinaert_
+kopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te
+leveren”[34].
+
+Den grond voor die meening geeft hij aldus aan[35]:
+
+»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds
+met vs. 3395 [ons 3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe
+personnagie, met name _Firapeel_, de luipaerd, die den koning tot het
+besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en
+om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen:
+
+ _Daerna_ sullen wi alle lopen
+ Na Reinaerde, ende sulne vangen,
+ Ende bi sine kele hangen;
+
+een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag
+krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien
+hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglyke
+_Reinaert_ met vs. 3394 sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel
+gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs. 3395 eene groote versierde
+voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende
+dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint.
+Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd,
+noch passend.”
+
+Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs. 3374
+(3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men
+eerst bij vs. 3454 (3474) bereikt heeft.
+
+Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de
+later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij
+navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech” een
+geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel
+beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige
+fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag
+genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in den _Renart Le
+Nouvel_, in MÉONS vierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men
+later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet
+volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een
+epos.
+
+En wat de groote aanvangsletter bij vs. 3375 (3395) betreft, die kon
+misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten
+zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is
+het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het
+vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de
+oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten,
+ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in
+het origineel 't welk hij voor zich had voorkwam, zoo als wij later
+zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar
+was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel
+waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van
+zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs. 3454
+zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit
+vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing
+gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet
+aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht
+verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter.
+En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift
+zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe
+alinea, gelijk eene welwillende mededeeling van KAUSLER mij verzekert;
+zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in
+rook verdwijnt.
+
+Dat het gedicht met vs. 3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten
+wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zal
+GRIMM toestemmen, die juist wat WILLEMS als overgangsregels beschouwde,
+genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel”[36].
+
+Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, dat WILLEMS op eene
+andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den
+omwerker zegt hij[37]: »Hy noemt den leeuw _Lioen_, in plaets van
+_Nobel_.”
+
+Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking
+de leeuw slechts één enkel maal _Lioen_ heet, vs. 3757:
+
+ Ist dat ic coninc heet Lioen;
+
+maar integendeel vs. 3625 van WILLEMS' uitgaaf, evenzeer genoemd wordt
+_Nobel die coninc_. Maar juist in de verzen die WILLEMS als
+overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:
+
+ Hi sprac: »Here, coninc lioen, vs. 3378
+ Dit biet u die coninc lioen. vs. 3444
+
+Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen
+van den oudsten schrijver vloeiden?
+
+Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot
+twijfel; maar ziet, vs. 1837 lees ik dezelfde benaming:
+
+ Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen,
+ Wien twifelt des, ghine moghet doen?
+
+Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de
+Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg
+dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog
+het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte
+geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die
+voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen,
+gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het
+vijfde vers volgens de echte lezing.
+
+Ik vertrouw dat de heer C. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering,
+mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk” zal vinden[38]. Volgens
+hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen
+is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen
+eigenen verzwegen zou hebben.” Ik antwoord: hoe moeyelijk ook te
+veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het
+geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ook WILLEM heette, maar
+zich dan toch nooit den _Madoc_ kon toeëigenen), zijn diefstal alleen
+bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nog _ongemaakt_ kon heeten,
+blootelijk te veranderen in _niet te recht geschreven_.
+
+Voorts zegt SERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de
+oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een
+kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven
+hebben.”
+
+Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt
+verwezen naar de inleiding van WILLEMS, bl. XXXVIII, die zich beroept op
+vs. 444 en 2953-2969. In het eerste vers heette het dat men begon te
+zingen
+
+ Dat placebo Domino;
+
+en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet”
+aangehaald (dien men gewoonlijk voor Godfredus Andagavendis houdt),
+waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis
+verwerven.
+
+Met de aanwijzing der plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging
+van WILLEMS geleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van
+een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus
+communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een
+geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien
+dat gevoelen te weêrspreken.
+
+Maar ook al aangenomen dat de schrijver van den _Reinaert_ een
+geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde
+van eene vrouw schreef, dan dat de pastoor HEIN VAN AKEN zich dit
+veroorloofde, die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald
+had[39]?
+
+Zoo het verder bij SERRURE heet: »zeker was zulk kundig en vernuftig
+dichter als de opsteller van het eerste boek des _Reinaerts_, niet
+in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te
+berymen,” dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar
+ik noch bij SERRURE het betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf
+de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en
+onbeduidend is, tenzij men met WILLEMS _malsch_ vs. 19 vertale door
+_week_! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van den
+_Floris_ stellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op
+hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta van
+SERRURE tegenspreekt.
+
+Zoo WILLEMS en die hem volgen dien proloog met alle geweld den
+omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de
+oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent
+dat hij »naden walscen boeken” gearbeid heeft. De waarheid heeft
+intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die
+rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de
+verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zoo WILLEM al walsche
+bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel
+zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo
+verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat
+hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding
+daartoe in den vreemde gevonden was.
+
+Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden
+dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hij WILLEM
+geheeten was, en vroeger reeds den _Madoc_ geschreven had; 2) dat hij
+naar fransche geschreven bronnen (_walsce boeken_) gewerkt heeft.
+
+Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te
+sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de
+fransche gedichten betreffende de dierensage.
+
+
+III.
+
+In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud[40]. In de _Chanson des
+Lorrains_, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij
+ons bekend is[41], heet het van BERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in
+een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed
+(II. 53),
+
+ Renart resenble qu'en la taisnière est mis,
+
+hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van
+Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van
+den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeen
+bekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten
+vos op het oog had. GRIMM heeft eene plaats aangehaald van GUIBERT
+DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de
+verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in
+Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter
+lupinam speciem” Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen
+begrepen worden[42]. Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een
+menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden
+der elfde eeuw (1050) voorkwam.
+
+Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of
+prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar
+wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons
+gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus[43] zegt onder anderen:
+
+ Tout cil qui en content sans rime
+ Ne sevent pas vers moi la dîme:
+ Il le vous content à l'envers;
+
+waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop
+waren[44], die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn
+opgeschreven, althans niet tot ons gekomen.
+
+Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks
+van gedichten die te samen meer dan 30,000 verzen bevatten, alle takken
+(_branches_) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in
+verschillende tijden bewerkt.
+
+Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave van MÉON,
+slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de
+voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig
+gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling
+van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegt GRIMM[45]: »abgefasst sind die
+frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des
+zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der
+gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach
+überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar
+dem 14. jh. zufallen.”
+
+Ongeveer op dezelfde wijze oordeelt ROTHE[46]: »Bien qu'il soit
+impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que,
+dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie
+ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes,
+selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous
+aujourd'hui le _Roman de Renart_ datent du treizième siècle. Quelques
+uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du
+quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au
+nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne,
+celle des trouvères”[47].
+
+FAURIEL erkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder
+stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar
+karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères
+op het ouder stuk hebben uitgeoefend[48], dat zij »reprirent pour
+ainsi dire en sous-œuvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent,
+l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées
+et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle,
+eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français.” Dit
+had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une
+forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre
+fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables.”
+
+Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches van MÉON, die niet
+de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige
+schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles
+herinnert aan het weelderige tijdperk waarin CHRESTIENS DE TROIES
+bloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder
+kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag
+of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige
+juistheid aan te geven. GRIMM zelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot
+zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn
+uitstekend werk zoo hoog schat als iemand[49], geloof ik toch dat het
+plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder
+slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is
+voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert.
+
+Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg
+slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen
+weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden.
+
+ * * * * *
+
+In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig
+is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de
+verzameling van MÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke;
+maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk,
+welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de
+twintigste branche van MÉON[50], welke wederom in hare eerste helft zoo
+met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging
+gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is.
+
+Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft,
+nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben.
+
+Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is de _Reinhart_ van _Heinrîch der
+Glichesære_.
+
+Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeft GRIMM betoogd uit
+de onduitsche vormen van sommige eigennamen als _Birtîn_, _Hersant_,
+_Isengrîn_, _Schanteklêr_ en _Pinte_; terwijl _Uebelloch_ blijkbaar eene
+vertaling is van _Malpertuis_. Ook het woord _villân_, »hätte nicht
+leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht[51].” Voorts haalt hij
+ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woorden _cous_ en _bordûz_
+aan om zijn gevoelen te staven[52].
+
+ROTHE erkent dan ook[53] dat de duitsche dichter »connaissant
+_infailliblement_ un poëme antérieur de Renart en français, et profitant
+de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans
+l'ancienne langue allemande.”
+
+En FAURIEL getuigt uitdrukkelijk[54]: »Le Reinhart, tel qu'il nous
+reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme
+l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute
+n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les
+rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter
+jusqu'à un certain point la substance et la suite.”
+
+Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in
+de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste,
+vs. 1239-2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e (16e) fransche
+branche.
+
+Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet
+bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de
+woorden:
+
+ Ce dist l'estoire ès premiers vers.
+
+Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze
+verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al
+vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen
+uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de
+fransche branches het geval was, voelde ROTHE reeds[55]. FAURIEL is het
+met hem eens, als hij zegt[56]: »Les trouvères combinèrent de la manière
+la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des
+fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y
+aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du
+caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de
+Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort
+délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter.”
+
+Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde
+terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot den _Reinhart_ ook FAURIEL
+aanneemt[57], dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot
+elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen,
+niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une
+sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble
+résultant d'une simple juxtaposition de récits divers.”
+
+Of nu GLICHESÆRE de verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of
+hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te
+maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788:
+
+ Heinrich
+ Der hât diu buoch zesamene geleit
+ Von Isengrînes arbeit:
+
+daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de
+verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex
+leest men die plaats aldus:
+
+ Heinrich
+ Er hât daz buoch gedichtôt
+ Umbe Isengrînes nôt;
+
+zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven.
+
+Zooveel is zeker, dat HEINRICH DER GLICHESÆRE omstreeks 1150 leefde[58],
+zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de
+eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen
+moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde
+eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van
+omstreeks het jaar 1100[59].
+
+Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de
+mnl. _Reinaert_ af, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en
+niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen
+hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij
+eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan den _Reinhart_
+ten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit
+het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing
+aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het
+andere werd bewerkt?
+
+ROTHE schijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche
+gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk
+verklaart. Eerst zegt hij[60]: »Les deux tiers de la vingtième
+branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers
+chapitres du premier livre du _Reineke Fuchs_ [en dus ook van onzen
+_Reinaert_]. Pour le reste seulement, cette branche du _Roman de Renart_
+diffère entièrement de la fin du premier livre de _Reineke_.” En twee
+bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième
+siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie.”
+
+Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat.
+
+GRIMM neemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het
+origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn[61]. WILLEMS gaat veel
+verder. Hij beweert dat de _estoire_, _l'escrit_, dat het fransche stuk
+als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan
+onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet
+deswege geen twyfel over[62].”
+
+Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels.
+
+Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het
+andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het
+vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet
+omgekeerd.
+
+Maar WILLEMS heeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja,
+wat meer is,” roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs het
+_vlaemsche_ woord _willecome_ staen, op dezelfde plaets waer hy het in
+den _Reinaert_ aentrof, vs. 1073.... Kan er wel een sprekender bewys van
+navolging gevonden worden?”
+
+En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen,
+heet het vs. 1072:
+
+ Tibert, helet vri,
+ Neve, ghi sijt mi _willecome_!
+
+En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493:
+
+ Tybert, fet li Renarz, _villecome_!
+
+Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe,
+zoo dit slechts schijn ware?
+
+Vooreerst staat het woord _willekome_ ook in den _Reinhart_, vs. 1663:
+
+ Er sprach: »_Willekome_, sippebluot!”
+
+waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo
+het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra
+ook in het Fransch opgenomen.
+
+Vooreerst in den in Vlaanderen geschreven _Renart Le Nouvel_ (MÉON, tom.
+IV), leest men:
+
+ S'irai al apostole à Roume, 1361
+ Et as legas, ki _wilecoume_,
+ Diront à moi.
+ Convoitise vo fille ainsnée, 1371
+ Ki moult sera _walecoumée_
+ As cardounaus et au clergié.
+ En flament haut le salua: 3366
+ „Goude jonkhiere, goudendast,”
+ Tibiert li respont en soumat:
+ „Goude kenape _willeconme_!”
+
+In de 27e (22e) branche, waarmede MÉONS derde deel aanvangt, leest men,
+vs. 20026:
+
+ Ysengrins a le chief levé,
+ Si a Renart aparcéu:
+ „_Willecome_, bien veigne-tu,
+ Renart, qar vos venez séoir!”
+
+Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers
+in de _Chroniques de Normandie_ van BENOIT (ed. FRANC. MICHEL, tom. II,
+pag. 112) leest, vs. 18608:
+
+ Là vunt les lices desfermer,
+ Si receivre, si _welcumier_,
+
+waar MICHEL het ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue
+à quelqu'un.”
+
+Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20
+(16) dit woord t. a. pl. reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het
+hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men
+mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche
+woorden die hij gebruikt.
+
+Het betoog van WILLEMS kan dus voor ons geene bewijskracht hebben, en
+wij moeten trachten de zaak op nieuw te onderzoeken.
+
+Er is werkelijk een toetssteen, en wel een die zoo voor de hand ligt,
+dat het ons verwondert, hem nog ongebruikt te zien. Immers als men het
+vlaamsche gedicht en de fransche branche doorloopend vergelijkt met den
+mhd. _Reinhart_, die het oudere fransche origineel vertegenwoordigt, dan
+moet er wel licht opgaan; want het stuk dat in den regel nader aan het
+oorspronkelijke komt, in plaatsen waar het andere er van afwijkt, moet
+noodzakelijk de middenterm uitmaken.
+
+Zien wij dan tot welke uitkomsten zoodanige vergelijking leidt.
+
+In de beschrijving van den hofdag verschillen de drie stukken
+aanmerkelijk van elkander. De eigenaardige aanleiding tot dien hofdag
+vindt men alleen in het mhd. gedicht, en wordt evenmin in het fransche
+als vlaamsche stuk aangetroffen, zoodat dit waarschijnlijk een
+toevoegsel van den GLICHESÆRE is, daar het toch niet aannemelijk schijnt
+dat dit in het oude fransche origineel zou hebben gestaan, als GRIMM
+gist[63], dewijl er nergens in de jonger fransche branches eenige
+toespeling op voorkomt.
+
+Overigens staat toch ook zelfs hier de fransche branche nader aan het
+Mhd. dan onze _Reinaert_. In het Mhd. heet het, vs. 1366:
+
+ Do suochte reht her Isengrîn,
+ Eins vorsprechen er gerte,
+ Der künic in eines gewerte:
+ Daz muose Brûn der bere sîn.
+
+En Brûn doet dan ook de aanklacht namens zijn kliënt. Dat alles heeft
+in de beide andere stukken geen plaats, maar in het fransche mengt Bruns
+li Ors zich toch in het geding (9705), hetgeen wel een uitvloeisel
+van de vroegere voorstelling kon zijn. Buitendien vinden wij nog
+andere overeenkomst. In het Mhd. wendt zich Krimel, de das, in zijne
+verdediging van Reinhart tot Hersant, en zegt, vs. 1396:
+
+ Ver Hersant, nu seget wie
+ Iuch iwer man bringt ze mære:
+ Daz magiu wesen swære,
+
+nadat hij eerst heeft aangetoond dat Reinhart haar, die veel grooter is,
+onmogelijk tegen haren wil heeft kunnen verkrachten.
+
+In het Fransch zegt Grimbers li tessons evenzoo, vs. 9761:
+
+ N'i ot force fète
+ Ne huis brisié, ne trive frète;
+
+en ook daar wendt hij zich vervolgens tot Hersent, vs. 9779:
+
+ Haï! quel clamor et quel plet
+ Vos a hui vostres mari fet
+ A tantes bestes regarder!
+ ......................
+ Il ne vos crient ne ne resoigne.
+
+Als later de moord aan Coppe gepleegd, bekend raakt, wordt in het Mhd.
+des konings »zornege muot” (vs. 1474) uitdrukkelijk vermeld; hij sprak:
+
+ „Sam mir mîn bart,
+ Sô muoz der fuhs Reinhart
+ Gewislîchen rûmen diz lant,
+ Odr er hât den tôt an der hant.”
+
+En hij gebaarde daarbij zoo woedend, dat de haas van schrik de koorts
+kreeg, vs. 1484:
+
+ Vor vorhten bestuont in der rite.
+
+Ook in de fransche branche wordt 's konings woede geschilderd, vs.
+10041:
+
+ Et qant li rois vit Chantecler,
+ Pitié li prist du bacheler,
+ Un soupir a fait de parfont,
+ Ne s'en tenist por l'or du mont.
+ Par mautalent drece la teste,
+ One n'i ot si hardie beste,
+ Ors ne sangler qui péor n'ait
+ Qant lor sire sospire et brait.
+ Tel péor ot Coarz li lièvres
+ Que il en ot deus jors les fièvres, _etc._
+
+Van dat alles vindt men nu in onzen vlaamschen _Reinaert_ niets.
+
+Als later Coppe begraven wordt, zegt het Mhd. vs. 1485:
+
+ Der künec hiez singen gân
+ Hern Brûnen, sinen kapelân,
+ Und ander sîne lêreknaben;
+ Der tôte wart schiere begraben.
+
+hetgeen in het Fransch, vs. 10090 aldus luidt:
+
+ „Sire Bruns, prenez une estole,
+ Et vos, sire Bruians li tors,
+ Commandez l'ame de cest cors;
+ Là sus enmi cele costure
+ Me fètes une sépouture
+ Entre ce plain et ce jardin,
+ Si parleron d'autre Martin.”
+ --„Sire, fait Bruns, vostre plaisir.”
+ Atant va l'estole saisir,
+ Et non mie tant solement,
+ Mès li rois el commencement,
+ Et tuit li autre dou concile
+ Ont commenciée la vigile.
+ Sire Tardis, li limaçons,
+ Chanta por cele trois leçons,
+ Et Rooniax chanta li vers,
+ Et il et Brichemers, li cers,
+ Et Bruns, li ors, dist l'oroison,
+ Que Diex gart l'ame de prison.
+ Qant la vegile fu chantée,
+ Et ce vint a la matinée,
+ Le cors portèrent enterrer, _etc._
+
+Dit is blijkbaar eene uitbreiding van het Mhd. In den _Reinaert_ leest
+men alleen dat Nobel aan Cantecleer zegt, vs. 431:
+
+ [Wi] sullen onse vigilien singhen:
+ Daerna sullen wise bringhen,
+ Den lichame, ter eerden met ere.
+ ..........................
+ Dat hi gheboot was sciere ghedaen.
+ Doe mochtemen horen aneslaen
+ Ende beghinnen, harde ho,
+ Dat Placebo Domino,
+ Ende die verse, die daer toe horden.
+ _Ic seide ooc, in waren worden,
+ Neware het ware ons te lanc,
+ Wie daer der siele vers sanc,
+ Ende wie die sielelesse las._
+ Doe die vigilie ghehent was,
+ Doe leidemen Coppen in dat graf, _enz._
+
+Men heeft deze plaatsen maar te vergelijken, om zich te overtuigen dat
+de fransche branche onmogelijk naar den _Reinaert_ kan bewerkt zijn,
+daar in het laatstgenoemde stuk Bruun niet genoemd wordt als zanger van
+den lijkdienst. Daarentegen pleiten de kursief gedrukte regels veeleer
+voor de tegenovergestelde opvatting.
+
+In het Mhd. volgt dan het verhaal hoe de haas zich op het graf van Coppe
+te slapen legt en daar van zijne koorts genezen wordt, waaruit blijkt
+dat de verslagene eene heilige martelares was, hetgeen aanleiding geeft,
+dat allen op Reinhart woedend worden.
+
+ Der hase leit sich ûf daz grap: 1489.
+ Ze kurzen wîlen er entswap,
+ Als ich iu sagen muoz,
+ Dô wart im des riten buoz.
+ Der hase ûf erschrihte
+ Fürn künec gienger enrihte,
+ Und sagt im vremdiu mære,
+ Daz daz huon wære
+ Heilec vor gotes gesihte, _etc._
+
+Hetzelfde verhaal vindt men in het Fransch terug, hoewel het daar niet
+op zijne juiste plaats staat, daar Bruin reeds vertrokken is.
+
+ .... mesire Coars, li lièvres, 10149.
+ Qui de péor trembloit les fièvres,
+ Deus jors les avoit jà éues,
+ Merci Dieu, or les a perdues
+ Sor la tombe dame Copée:
+ Car qant ele fu enterrée,
+ Onc ne se volt d'iloc partir,
+ Ainçois dormir sor le martir.
+
+En dan wordt er nog bijgevoegd, dat ook Ysengrin zich op het graf legt,
+voorgevende kiespijn te hebben, waarvan hij ook beweert genezen te
+worden, hoewel niemand aan zijn zeggen geloof hecht.
+
+Dit laatste nu is stellig een inlapsel van den franschen trouvère,
+die Nobel voorstelt als den vos niet ongenegen, waarom Isengrim alle
+middelen te baat neemt om den koning tegen zijn vijand op te zetten;
+misschien is het zelfs alleen het werk van een afschrijver. Maar
+in allen gevalle kan het geheele mirakelverhaal hier niet uit den
+_Reinaert_ zijn overgenomen, omdat het daar in het geheel niet voorkomt.
+
+Het gezantschap van Bruun wijkt in de voorstelling van de beide jongere
+stukken nog al af van het Mhd.; maar ook hier hebben wij twee plaatsen
+die bewijzen, dat het Fransch onmogelijk naar het Vlaamsch kan vertaald
+zijn, wel omgekeerd.
+
+Als Bruun Reinaert uitnoodigt om met hem ten hove te gaan, zegt deze, in
+de fransche branche, dat hij vanzelf reeds op weg zou zijn, zoo hij niet
+eerst had willen eten, en wel (vs. 10204)
+
+ D'un merveilleus mengier françois;
+
+want ten hove worden de rijke lieden goed ontvangen, en hun zet men een
+goed maal voor, maar den arme noodigt men niet ten disch.
+
+ „Por tel afère con ge di, 10231.
+ Biau sire, avoie dès mardi
+ Mon lart et mes pois aünez;
+ Dont je me sui desjéunez,
+ Et s'ai bien mengié deus denrées
+ De novel miel en fresches rées.
+
+Die lofspraak op den honing, dien hij ook later, vs. 10252 noemt »cest
+bon miel frès et novel”, is hier geheel op hare plaats, en dient om den
+beer begeerig te maken naar die lekkernij.
+
+De Vlaming behandelt de zaak anders: hij laat Reinaert zeggen, dat hij
+naar het hof zou zijn gegaan indien hij niet zooveel van »ere vremder
+niewer spise” gegeten had, dat hij niet kon loopen; en toch was het maar
+eene onedele spijs, »cranke have,” want arme lieden moeten eten wat zij
+bij de hand hebben en niet wat zij zouden wenschen. Dien honing,
+
+ „Die moetic eten dor den noot
+ Als ic el niet mach ghewinnen.”
+
+Men ziet hier duidelijk het plan van den vos om de spijs te smalen, ten
+einde den beer des te beter om den tuin te leiden. Vandaar dat Bruin dan
+ook antwoordt (vs. 575):
+
+ Helpe, lieve Vos Reinaert,
+ Hebdi honich dus onwaert?
+
+Daarbij steekt nu sterk af dat hij ter zelfder plaatse die verachtelijke
+spijs noemt (vs. 568)
+
+ _Goede_ versche honichraten.
+
+Men kan alleen begrijpen hoe deze in den samenhang niet passende
+uitdrukking in den vlaamschen tekst gekomen is, als men daarin eene
+ondoordachte vertaling ziet van het fransche »bon miel frès et novel.”
+
+Als verder Reinhart den beer in 't ongeluk gebracht heeft doet
+GLICHESÆRE hem naar zijne burcht trekken: dáár voor de deur zittende
+ziet hij den mishandelden Brûn voorbijloopen, dien hij zijn bijtenden
+spot achterna zendt.
+
+ Her Brûn vor zorne nicht ensprach 1605.
+ Wan daz ern übellich ane sach.
+
+Evenzoo heet het in het fransche gedicht van Renart, vs. 10402,
+
+ Qant il oï Brun de loing plaindre,
+ Si s'est mis parmi une adrece
+ à Malpertuis sa forterece,
+ Où il ne crient ost ne agait.
+ Au trespasser que Bruns a fait
+ Li a Renarz deus gaz lanciez.
+ ........................
+ Li ors estoit si adolez
+ Qu'il ne li pot respondre mot,
+ Fuiant s'en vet plus que le trot.
+
+In den vlaamschen _Reinaert_ nu raakt de beer in 't water, en aan den
+oever der rivier ontmoet hem de vos, die zich wilde gaan baden. GRIMM
+meent dat ook des beeren vlucht door de rivier in het verloren ouder
+fransche gedicht kan gestaan hebben[64]; maar dit is onwaarschijnlijk,
+daar de nieuwere branche zich geheel aan het Mhd. houdt; en waar dit
+het geval is kan deze branche wederom onmogelijk naar den _Reinaert_
+vertaald zijn, die zich zoo ver van het Mhd. verwijdert.
+
+Het gezantschap van Tibert zal ons geen punt van vergelijking opleveren,
+omdat in het Mhd., volgens GRIMMS opmerking »der ganze vortrag hier eine
+leidige zusammenziehung verräth, und bedeutende abweichung von der
+andern recension[65].”
+
+De biecht komt in het Mhd. niet voor. Maar als Reinaert zich opmaakt
+naar het hof, zegt GLICHESÆRE, vs. 1831:
+
+ Ein criuze machter für sich,
+ Er sprach: »Got bewar nu mich
+ Vor bœsen lügenæren,
+ Daz si mich nicht beswæren.
+
+En zoo ook in het Fransch, vs. 10866:
+
+ Lors se coucha adenz à terre,
+ Et trois foiz se rendi copables,
+ Puis se seigna por les déables,
+ Et por dant Noble, le lion,
+ Moult fu en grant afflicion.
+
+En dit ontbreekt in het vlaamsche stuk.
+
+Als Reinaert ten hove is gekomen loopen de drie stukken weder geheel
+uit een, zoodat hier de vergelijking ophoudt.
+
+Uit de overweging der plaatsen die wij tegen elkander hebben gehouden
+blijkt dunkt mij onwedersprekelijk, dat de fransche branche onmogelijk
+naar onzen vlaamschen _Reinaert_ kan zijn vertaald, zoo als WILLEMS als
+bewezen aannam; want herhaaldelijk troffen wij in het Fransch plaatsen
+aan afwijkend van het vlaamsche gedicht maar gelijkluidend met het mhd.
+of ouder fransche stuk.
+
+Er is, dunkt mij, nog een ander bewijs voor den gedeeltelijken oorsprong
+van den _Reinaert_ uit het Fransch. Ik druk niet op de enkele fransche
+woorden, als morseel, museel, enz. die er in voorkomen, ik laat zelfs
+hier het woord _male_ buiten rekening, dat vs. 400 en 889 in de
+overdrachtelijke beteekenis van _maag_ of _muil_ wordt gebruikt, even
+als in het Fransch vs. 18004
+
+ Et Tybert differma sa _male_.
+
+Maar ik moet wijzen op eene uitdrukking, die alleen door vergelijking
+met het Fransch verstaanbaar wordt. Vs. 130 heet het:
+
+ Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief,
+ _No_ den coninc, minen here,
+ Hine wilde dat hi lijf ende ere
+ Verlore, mocht hire ane winnen.
+
+Nu weet ik niet dat in eenig mnl. stuk _no_ wordt aangetroffen in de
+beteekenis van _zelfs_, _zelfs niet_, die hier geëischt wordt. Alleen
+het fransche _néis_ kan hier licht geven. B.v. vs. 10467 waar R. genoemd
+wordt:
+
+ .... beste de put conroi,
+ _Néis_ à Dex ne porte foi.
+
+Of vs. 11529, waar R. alle dieren verschalkt:
+
+ Renarz a bien chascun lié
+ Ou par la coue ou par le pié;
+ Moult par a fet grant deablie:
+ A chascun arbre le suen lie,
+ _Néis_ le roi lia par la coue (_sic_).
+
+Laten wij er nog bijvoegen, dat de behandeling in den vlaamschen
+_Reinaert_ veel voortreffelijker is dan in de fransche branche, zoowel
+wat de geheele opvatting betreft als de bijzonderheden in de enkele
+tafreeltjes. Is het nu te verwachten, dat de minder voortreffelijke
+redaktie eene navolging zou zijn van het betere? Het verschil is zoo
+groot, dat dit reeds genoegsaam zou zijn om de stelling van WILLEMS als
+onaannemelijk, als onmogelijk te doen verwerpen.
+
+Maar volgt daaruit dat onze Reinaert _naar deze branche_ is vertaald? De
+afwijkingen in beide teksten waren voor WILLEMS geen hinderpaal om aan
+te nemen dat het eene naar het andere werd bewerkt, omdat er in beiden
+zoovele regels zijn, die blijkbaar letterlijk met elkander overeenkomen;
+maar het zou niet onmogelijk zijn dat de _Reinaert_ eene navolging ware
+van een ouder stuk dan de bekende fransche branche; aan een jonger valt
+wel niet te denken, daar er dan wel iets van ter onzer kennisse zou
+gekomen zijn.
+
+A priori is dit echter niet waarschijnlijk, daar men zou moeten aannemen
+dat er drie fransche redaktiën van hetzelfde verhaal zouden hebben
+bestaan: 1) de oudste, wier inhoud ons GLICHESÆRE heeft bewaard, 2) de
+eerste omwerking, waaruit dan 3) de ons bekende, minder goede, branche
+en de _Reinaert_ zouden zijn voortgevloeid.
+
+Intusschen kan alleen eene nadere vergelijking der verschillende
+plaatsen van beide teksten tot eene bepaalde uitkomst leiden. Ten einde
+die zoo doeltreffend mogelijk te maken, moeten wij eerst iets naders
+trachten te weten van den franschen trouvère die de 20e (16e) branche
+bewerkte.
+
+
+IV.
+
+Zijn naam is ons niet bekend: wij weten echter zeer zeker dat het PIERRE
+DE SAINT CLOUD niet geweest is, vooreerst omdat deze in den proloog
+genoemd wordt als juist dit onderwerp niet hebbende behandeld, terwijl
+het in de tweede plaats duidelijk blijkt uit een zeer in het oog loopend
+onderscheid. Onze dichter geeft zijnen dieren ridderlijke zeden en
+laat ze b.v. altijd op paarden of muilezels rijden, hetgeen in de 11e
+(7e) branche die aan PIERRE wordt toegeschreven, nimmer plaats grijpt.
+
+Zoo nu al 's dichters naam ons onbekend is, zijn geboorteland is niet
+twijfelachtig. Boven wezen wij reeds op het vlaamsche woord _villecome_;
+ik voeg er bij de uitdrukkingen: _fère let_ voor _leed doen_, vs. 10975;
+_eschames_, 10032, voor _schamels_, die alle naar Fransch-Vlaanderen
+verwijzen, zoo als wij later nog nader zullen bevestigd zien.
+
+GRIMM schijnt niet ongeneigd, deze branche aan twee dichters toe te
+schrijven, althans hij zegt[66]: »vielleicht schloss mit 11368 die
+ursprüngliche branche;.... nun folgen aber fortsetzungen.” ROTHE maakt
+ter naauwernood, en ter loops[67], gewag van dit onderscheid, dat hij
+in den regel uit het oog verliest; FAURIEL spreekt er in 't geheel
+niet van[68]; maar het komt mij ook voor, dat men moet toegeven, dat
+werkelijk in de laatste helft een nieuw verhaal begint, en dat dit niet
+aan den dichter van het eerste deel der branche kan worden toegekend,
+hoewel de navolger waarschijnlijk niet veel jonger dan de eerste
+dichter moet gesteld worden, met wien hij hetzelfde vaderland gemeen
+heeft.
+
+Vooreerst zullen wij zien, dat de schrijver van den vlaamschen
+_Reinaert_ ook dit gedeelte heeft gekend en gebruikt. Voorts treffen wij
+hier hetzelfde spraakgebruik, dezelfde zinswendingen aan als in het
+eerste gedeelte. Zoo wordt hier, vs. 11447, de uitdrukking gebruikt:
+
+ Qu'iroie-ge fesant lonc coute?
+
+even als vroeger, vs. 10849:
+
+ Que vos iroie-ge disant?
+
+vs. 11604 heet het:
+
+ Puis parleron d'autre Bernart,
+
+waarvoor vs. 10096:
+
+ Si parleron d'autre Martin.
+
+De taal in beide deelen is die van Fransch-Vlaanderen.
+
+Bovendien, vs. 11728 wordt Arras genoemd, hetgeen ons, in verband met de
+taal, wel recht schijnt te geven beide dichters in Artois te plaatsen.
+
+Maar uit die overeenkomst van taal- en spraakwendingen volgt nog in het
+geheel niet, dat beide stukken van dezelfde hand zijn; want het valt
+niet te ontkennen, dat er een merkbaar onderscheid in de behandeling van
+het eerste en laatste gedeelte is waar te nemen.
+
+Het geheele karakter, de toon, de wijze van voorstelling en
+zedeschildering van beide deelen verschilt daartoe te veel. Buitendien
+zijn er bij naauwkeuriger vergelijking nog enkele verschilpunten, die
+geen twijfel overlaten.
+
+En toch, zegt men wellicht, niet alleen in beide deelen rijden de dieren
+die tot de hofhouding behooren te paard, maar gelijk in het laatste
+gedeelte de dieren als ridderlijke strijders worden voorgesteld, zoo is
+dit ook reeds op het eind van de eerste helft der branche het geval.
+Immers, als de mannen des konings Reinaert najagen, heet het, vs.
+11313:
+
+ Li limaçons porte l'enseigne,
+ Bien les conduit par la campaigne[69],
+
+even als wij in het laatste gedeelte vinden, vs. 11558:
+
+ .... Dans Tardis li limaçon
+ Qui seut porter le gonfanon;
+
+en zoo ook nog vs. 11617. Daaruit blijkt immers, dat ook den schrijver
+van het eerste gedeelte dezelfde wijze van voorstelling niet vreemd is.
+
+De opmerking is juist; maar alleen in zooverre, als men met GRIMM
+aanneemt, dat de omwerking eerst met vs. 11368 aanvangt. Maar wanneer
+zij eens al bij vs. 11297 begon? of althans wanneer de regels
+11297-11319 een inschuifsel waren, waarvan alleen moest blijven staan:
+
+ Renarz regarde arère soi
+ Et voit qu'il viegnent sans deloi.
+ Ne set conseil que fère doie _etc._?
+
+De eerste zestien regels toch, de opsomming der dieren bevattende, zijn
+eene bloote herhaling van de regels 10159-11070, waar grootendeels
+dezelfde personen worden opgenoemd: die herhaling kan onmogelijk van den
+eersten dichter afkomstig zijn, evenmin als de navolging van Chanteclers
+aanklacht op het einde van het gedicht[70].
+
+Neemt men nu eene interpolatie aan, dan loopt het verhaal geleidelijk
+af, en het eind komt dan overeen met het slot der 10e branche, of der
+26e b.v.; en voor die opvatting zou ook pleiten, dat nog vs. 11353 een
+van Reinaerts zonen _Roviax_ genoemd wordt, even als vs. 10251 _Rovel_
+(in dativo), terwijl hij later, vs. 11729 _Rousel_ heet (in dat.).
+
+Neemt men niet eene interpolatie aan, maar schrijft men het geheele
+stuk, van vs. 11297 af, aan den navolger toe, dan ware er geen slot aan
+de oorspronkelijke branche.... Zou het dan zoo onmogelijk zijn, dat het
+oorspronkelijke slot hier was weggelaten, en bij het aanhechten van het
+tweede gedeelte door een ander vervangen? De vergelijking met den mnl.
+_Reinaert_ schijnt dit vermoeden in de hand te werken; en niemand zal
+ontkennen, dat deze vergelijking zeer geschikt is om medetewerken ter
+verkrijging van een vasteren bodem voor de kritiek van de fransche
+branches, welke tot nochtoe grootendeels in de lucht zweefde.
+
+Is nu het karakteristieke onderscheid in beide deelen der branche niet
+te ontkennen, wij kunnen ook nog eenige andere bewijspunten aanvoeren.
+
+Alleen in het eerste gedeelte wordt de leeuw soms genoemd _l'emperère_,
+b.v. vs. 9693, 10059, 10081, 10137, 10663, 11021; nimmer in het laatste.
+
+Alleen in het eerste deel vindt men de uitdrukking _por le cor bieu_,
+b.v. vs. 9945, 10243, 10986, 11231, 11293, die ook in de 10e (6e)
+branche, vs. 4641, 4573, en eens in 23e (18e) branche, vs. 13240,
+terugkeert, maar nimmer in het laatste stuk der 20e (16e).
+
+In het eerste gedeelte wordt alleen teruggewezen op een ouder verhaal:
+nog vs. 10036 heet het:
+
+ Si comme en escrit le trovon,
+
+en vs. 10595.
+
+ Si com nos trovons en l'estoire.
+
+Later komt zoodanig beroep niet meer voor. Intusschen is dit deel toch
+waarschijnlijk ook eene omwerking van een ouder gedicht, waarop
+misschien wel eene toespeling voorkomt juist in de eerste helft van
+onze branche, vs. 10803-10817.
+
+Het is daarom niet twijfelachtig of het tweede gedeelte der 20e (16e)
+branche is een toevoegsel van een ander dichter, die intusschen ongeveer
+een tijdgenoot van den eersten zal geweest zijn.
+
+ * * * * *
+
+Op de 20e branche volgt in alle handschriften eene andere, die ten
+onrechte in tweeën gesplitst is[71], en die wij 21-22 zullen noemen. Zij
+hangt blijkbaar met de voorgaande samen, gelijk ook GRIMM opmerkte[72];
+maar of dit ons recht geeft om daaruit te besluiten, dat beiden door
+denzelfden dichter, namelijk dien van 20_a_, zouden zijn bewerkt, blijft
+de vraag. Terwijl sommigen dit aannemen, heeft ROTHE het ontkend;
+maar op gronden die weêrlegbaar schijnen, en die wij eerst zullen
+onderzoeken, hetgeen ons noodzakelijk zal leiden tot eene beantwoording
+der vraag zelve.
+
+Ziehier zijn betoog. »Malgré les traits de ressemblance évidents et
+incontestables entre cette branche et la précédente, sans doute elles
+sont dues à divers auteurs[73].” Vestigt men zijne aandacht op de
+sterke bewoordingen van het eerste gedeelte dier uitspraak, dan zal
+men zeker wel sprekende bewijzen verwachten om het tweede gedeelte
+te rechtvaardigen. Die bewijzen nu komen hier op neêr: »Le caractère
+général y diffère; le récit est moins piquant, moins varié, plus plat
+ici que dans la vingtième branche.”
+
+Wat het laatste gedeelte dier bewijsvoering aangaat, zij rust geheel op
+subjektive beschouwing, en ik twijfel sterk of de zienswijs van ROTHE
+wel veel bijval zal vinden. Wat het verschillend karakter aangaat, hij
+heeft daarvoor hier slechts één bewijs aangehaald, dat echter zeer
+weinig afdoet.
+
+De vos, die zich door indompeling in eene kuip met geele verw onkenbaar
+gemaakt heeft, geeft zich voor een bretonschen jongleur uit: hij weet
+het speeltuig meester te worden, dat tot zijn beroep behoort, en dan
+heet het, vs. 12515:
+
+ Moult s'esbaudist, moult se conforte
+ Por la viele qu'il enporte:
+ ......................
+ Tant fist Renarz denz quinze dis
+ Fu bien de la viele apris:
+ Sages en fu et escolez.
+
+Dit geeft ROTHE aanleiding om te zeggen[74]: »Renart _se divertit_
+pendant quinze jours _avec la vielle_ qui lui a été donnée. Il y a en
+cela quelque chose de poétique, mais aussi d'assez contraire au naturel
+de Renart, tel qu'il est caractérisé par le reste.”
+
+Maar de geleerde schrijver heeft hier den tekst verkeerd opgevat. Er
+staat niet _moult s'esbaudist_ DE _la viele_, maar POR _la viele_;
+hetgeen eenvoudig beteekent, dat hij zich verheugde over het bezit van
+het speeltuig. Zoo hij er zich veertien dagen meê bezig hield, het was
+eenvoudig om het te leeren behandelen, ten einde later zijne rol te
+kunnen spelen. Men ziet dus dat ROTHES opvatting, die alleen op een
+misverstand berust, geen gewicht in de schaal van ons oordeel kan
+leggen.
+
+Pag. 262 heet het wederom: »Les branches 21 et 22 n'en forment guère
+qu'une; elles ont beaucoup de conformité de style et de caractère, mais
+sous ce rapport, elles diffèrent essentiellement de la branche 20.”
+Later, pag. 264-265 ontwikkelt hij zijn begrip omtrent het verschil van
+karakter. Ik moet duidelijkheidshalve de geheele plaats aanhalen.
+
+»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement
+de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère
+de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous
+les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs
+individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages
+conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent
+avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que
+quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des
+poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse
+des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs
+interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de
+naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme
+primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des
+compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les mœurs
+et dans les idées, aux temps où le sujet n'a pas encore été épuisé, où
+les versificateurs et leur public n'ont pas encore été blasés sur les
+tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable.”
+
+Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet
+opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot
+de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en
+toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en
+Ysengrin bedoeld worden. In de 13e (9e) branche leest men, vs. 6910:
+
+ Se il fust pris devant Halape
+ Ne fust-il pas si adolez,
+
+hetgeen herinnert aan _Renart Le Nouvel_, vs. 2884:
+
+ Ne cuit mie jusqu'en Halape
+ Ait nul home qui le vousist.
+
+Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der
+dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.--Over de
+karakteristiek handelen wij weldra.
+
+»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent
+encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent
+plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des
+contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en
+scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent.
+
+»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité,
+des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une
+couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du
+reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité,
+et retracent les mœurs, les usages et le langage de la chevalerie.
+Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent
+conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis,
+montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers,
+parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se
+battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces,
+à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne
+laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en
+maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières,
+elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre
+différent.”
+
+Ik heb bij herhaling de fransche branches gelezen en herlezen alvorens
+ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot
+hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de
+moeite wil getroosten de drie eerste deelen van MÉON te doorbladeren,
+zal lichtelijk ontwaren, dat ROTHE ter gunste van een systeem een
+willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de
+achttien eerste branches van MÉON niet alle tot de oudsten behooren; het
+behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige,
+dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable,” maar
+evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés.”
+
+Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere
+kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester
+bedriegen; naar de elfde, die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, en
+die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd
+wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt;
+enz., enz.
+
+Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions
+à la chevalerie et à la féodalité”?
+
+Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v.
+heet het vs. 568 van Renart:
+
+ Ainz ne fina d'esperoner.
+
+In de tweede, vs. 893:
+
+ Car il (R.) a trop ignel cheval.
+
+In de 13e (9), vs. 6541:
+
+ Onques ne fa ses frains tenuz.
+
+In de branche aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven zegt de vos tot
+Nobel, vs. 5618:
+
+ Miex amez la grant baronie
+ De vostre cort avecques vos,
+ Si con est sire Bruns li ors....
+ N'avez cure de povre gent.
+
+Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736:
+
+ A la cort Noble le lion
+ Tient-on les plès et les oiances
+ De mortiez guerres et de tences,
+ Là nos irons de lui clamer.
+
+Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen:
+
+ .... S'om me laissoit esconduire
+ Par sairement et par joïse,
+ Je'l feroie par del devise
+ C'om me féist ardoir ou pendre
+ Se ne m'en poïsse desfendre.
+
+Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding door
+ROTHE gemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet
+veel verschillen[75]. Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste
+de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e (16e) branche zich
+op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die van PIERRE DE
+SAINT-CLOUD heet te zijn, vs. 4938:
+
+ Que se li livres nos dit voir
+ Où je trouve l'estoire escrite;
+
+vs. 5753:
+
+ Que se l'estoire ne nos ment.
+
+Zoo ook de 5e (3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk
+van PIERRE voorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384:
+
+ Trover le poez en l'estoire.
+
+Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van
+hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene
+wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel
+hielden. Zoo zagen wij in de 11e branche b.v. met een enkelen trek de
+koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van
+zijne dierhelden te paard te laten rijden.
+
+Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der
+20e (16e) branche, en ook de 19e waar de dieren gewapend met lans en
+speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de
+onderscheiding van ROTHE op.
+
+Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het
+karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1-7, 21-22 en 20_a_
+niet bestaat in dien zin waarin ROTHE het opvatte, en die hem aanleiding
+gaf de branches 20 en 21-22 aan verschillende dichters toe te schrijven.
+Wij zullen dan ook later zien, dat de 20e branche, die volgens ROTHE tot
+de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans,
+waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden.
+
+Keeren wij thans tot de branche 21-22 meer bepaald terug.
+
+FAURIEL was daaromtrent van een andere meening dan ROTHE. Hij noemt
+de beide branches[76]: »Renart teint en jaune et Renart jongleur ....
+deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour être
+_indubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid_
+(20).”
+
+Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in
+zijn artikel over den _Roman du Renard_ te veel misslagen begaan om hem
+op zijn woord te gelooven[77]; wij moeten daarom een eigen onderzoek
+instellen.
+
+In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op
+het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot
+gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt
+gestoord.
+
+Nu zegt reeds in de voorgaande, 20e branche, vs. 11745 vlg., de vos tot
+den das:
+
+ .... Se ma fame se marie,
+ Tolez li quanque je li lès,
+ Et si tenez ma terre en pès,
+ Qar moult m'aura tost oblié
+ Puis que me saura devié;
+ Ainz que Tibaut soit crestiens
+ En metra un en ses liens:
+ Qar qant li hons gist en la bière,
+ Sa fame esgarde par derière
+ S'ele voit home à son plaisir;
+ Ne puet pas son voloir taisir,
+ Con plus se pasme et vet tremblant,
+ Qu'il ne li face aucun semblant.
+ Tot autretel fera la moie,
+ Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.
+
+Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld.
+Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v.
+vs. 12165-8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20e
+branche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679:
+
+ A une liue d'iloc ot,
+ Si que Renarz moult bien le sot,
+ Une tombe d'une martire,
+ Dont vos m'avez bien oï dire,
+ De Coupée qui là gisoit:
+ Tretoz li mondes le disoit
+ Qu'ele fesoit apertement
+ Vertuz à toz conmunalment.
+ Nus hons n'i vient, tant soit enfers,
+ Ou soit moignes, on lais ou clers,
+ De tot le mal que il éust,
+ Que meintenant gariz ne fust.
+
+Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat
+Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op
+wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt.
+
+Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt:
+
+ Dont vos m'avez bien oï dire,
+
+zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer
+stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter
+zijn. ROTHE wil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te
+redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on
+osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons
+aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un
+original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une
+et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec
+cet ancien original de la vingtième[78].”
+
+Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene
+hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt door ROTHES onkritische
+beschouwing der 20e branche, waarin hij geene twee verschillende handen
+opmerkte.
+
+De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling
+uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21-22e branche in hare
+oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het
+algemeen als waar aangenomen worden.
+
+Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelte der 20e branche, in
+welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de
+21-22e moeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst
+later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude
+overlevering schijnt te bevatten[79].
+
+Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter
+niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de
+identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in
+het eerste gedeelte der 20e branche, en wel te midden van het verhaal,
+en onder nadrukkelijke verklaring
+
+ Dont VOS M' _avez bien oï dire_.
+
+ROTHE is ook op dien regel gestuit. »_Le vos m'avez bien oï dire_”, zegt
+hij[80], »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux
+branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la
+supposer.”
+
+Die andere »considérations” meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben,
+zoodat ROTHES eenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht
+hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22e
+branche _a pu_ chanter cela ailleurs, et non pas dans la 20e branche
+précisément.”
+
+Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft
+voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook
+bij ons kan opkomen.
+
+Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20e en 21-22e branche
+aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver
+van het tweede gedeelte der 20e branche, aan wien deze aaneenhechting
+wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine verandering in den tekst
+had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben:
+
+ Dont vos avez bien oï dire,
+
+zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft.
+
+En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit
+aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te
+bieden dan die welke MÉON gevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders
+dan eene waarschijnlijke konjektuur.
+
+Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de
+naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand
+te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in
+'t algemeen in het ouder gedicht sprake was.
+
+De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons
+bepaaldelijk deze branche aan 20_a_ vast te knoopen, waar Reinaert
+juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om
+de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20_b_
+noodzakelijk.
+
+Dat in alle handschriften de branches 20, 21-22 terstond achter elkander
+volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat
+de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen.
+
+Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20e branche tweemaal eene
+onloochenbare toespeling voorkomt op de _Chanson de Guillaume au cort
+nez_, dit gedicht juist in de 21-22e branche niet vermeld wordt, waar
+van de _Chansons de geste_ alleen genoemd worden, vs. 12623:
+
+ Chanson d'Ogier,
+ Et de Rolant et d'Olivier,
+ Et de Charlon le ber chanu,
+
+waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijver dezer branche ook de
+auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het
+gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had
+gezweefd, toen hij de 20e branche schreef.
+
+Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit
+blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis
+behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of
+althans de aanhechting der 21-22e branche aan den schrijver van 20_b_
+mogen toeschrijven.
+
+Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen.
+
+Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch
+râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106:
+
+ Ez-vos Renart qui le salue:
+ „_Godehelpe!_ fet-il, bel sire.”
+
+Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin:
+
+ Et sez-tu le lai Dam Iset?”
+ --„Ja, Ja, dist-il, godistonet(?),
+ Je fot saver, dist-il, trestouz.
+
+Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan
+de vossin:
+
+ Mespris avez en tel manière
+ Qu'en vos en tient à chamberière,
+ Qui conmunaus est à garçons:
+ Trestuit _li entrent ès arçons_.
+
+Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br.
+20_a_, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt:
+
+ Que dans Renars, cis fox garçons
+ Vos _entra_ onques _ès arçons_.
+
+Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te
+kennen, of moet men hier aan overneming denken?
+
+Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden,
+die tot de 20e in zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een
+woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste.
+
+Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende
+stukken samengeflanst, gelijk GRIMM reeds heeft aangetoond[81]. Het
+eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw
+verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt.
+
+De inhoud dier branche 1_b_ hangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár
+toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de
+20e ten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1_b_
+geeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te
+beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan.
+
+De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1_b_
+vindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2e en 6e bij ROTHE
+geanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste
+nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20e
+branche wordt voorbereid[82], en ik weet niet of zij wel in ROTHES hss.
+2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la
+dernière moitié de la branche première”[83].
+
+Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoorden
+schijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten.
+Branche 1_b_ kan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden
+beschouwd.
+
+Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen
+dit stuk en 20_a_.
+
+De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding
+tot hetgeen later in 20_a_ volgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar
+echtgenoot:
+
+ „Sire, fait-ele, vos diroiz
+ Corociez estes, n'est pas droiz
+ Que vos mostrez ici vostre ire;
+ Que s'om me laissait esconduire
+ Par sairement et par joïse,
+ Je'l feroie par tel devise,
+ C'om me féist ardoir ou pendre
+ Se ne m'en poïsse desfendre.”
+
+Dit hangt samen met br. 20_a_, vs. 9790, waar Hersent zegt:
+
+ „J'amasse miex assez la pès
+ Entre mon seignor et Renart,
+ Voir qui en moi n'ot onques part,
+ En tel manière n'en tel guise,
+ Si que j'en feroie une juise,
+ Ou de froide ève ou de fer chant.
+ Mès mon escondire que vaut!” _etc._
+
+Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier
+reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1_b_ is blijkbaar _après
+coup_ gemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen
+wat in de 20e branche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van
+de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit
+door den schrijver van 20_a_ zelf zou geschied zijn, is a priori reeds
+onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn
+eerste werk zou hebben opgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de
+20e branche den aanhefsregel
+
+ Ce dist l'estoire _ès premiers vers_,
+
+wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1_b_ ook
+branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20_a_
+is bearbeid.
+
+Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf:
+
+ Ne forfis rien à vostre fame,
+ Et por moi et por lui desfandre
+ Tot par là où le vodrez prendre,
+ Un sairement vos aramis
+ Au los de voz meillors amis.
+
+Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die
+in de 19e branche omstandig verhaald wordt.
+
+Met die 19e heeft ook 1_b_ nog dat gemeen, dat in beiden Ysengrin
+_conestable_ genoemd wordt[84], b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521.
+
+De branche 1_b_ kan dus niet van den dichter van 20_a_ zijn. Treffen wij
+dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen
+aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij
+lezen:
+
+ .... Renars cix rous, cix puanz,
+ Cix viz lechierres, cix garçons,
+ Vos _monta onques ès arçons_.
+
+Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21-22 nog
+niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20_a_
+moet zijn bewerkt.
+
+Br. 1_b_ schijnt nog eene uitdrukking met 20_a_ gemeen te hebben. Vs.
+632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd:
+
+ Par Dieu, beau sire, ne'l créez,
+ Que nules riens i aie faites,
+ _Ne dras levez, ne braies traites_;
+ Ains par cest cors ne par ceste ame!
+ Ne forfis rien à vostre fame.”
+
+In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft
+geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geen _dras
+levez_, noch bij mij zelf _braie traite_.
+
+In de 20e branche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging:
+
+ „Et puis qu'i _n'i ot braies traites_,
+ Ne huis brisiez, ne portes fraites,
+ S'ele m'a chier, et ele m'aime,
+ Cix faus jalous de coi se claime?”
+
+Hier is intusschen de uitdrukking _traire braies_ niet op hare plaats;
+zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit
+de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd
+lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden:
+
+ Et puis que n'i ot _force fète_,
+ Ne huis brisiez, ne porte frète,
+
+even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt:
+
+ „Et puis qu'il n'i ot force fète,
+ Ne huis brisié, ne trive frète,
+ Se Renars le fist par amors,
+ N'i afiert ire ne clamors.
+
+Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is
+meer dan waarschijnlijk.
+
+Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij
+van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan
+één hol heeft. Behalve _Malpertuis_, wordt ook nog _Malcrues_ genoemd.
+Zoo b.v. in de 19e branche, vs. 5972:
+
+ Et il se r'est en _Malcrues_ mis,
+
+en vs. 8932:
+
+ Droit à _Malcrues_ son repère,
+
+zoo als een der codices leest[85], maar waarvoor de uitgave van MÉON
+terecht leest _Malpertuis_, zoo als de rhythmus leert.
+
+Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20_a_
+(16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene
+vorige belegering van zijne burcht sprekende,
+
+ Qant li ost[86] fu devant _mon crues_,
+ ........................
+ Tuit furent batu et ploié.
+
+Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam
+van Reinaerts burcht verwachten, en lezen: _devant Malcrues_?
+
+Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden
+afschrijver, ook in branche 1_b_, vs. 568 voorkomt, waar het heet:
+
+ Ainz ne fina d'esperoner
+ Jusqu'a l'entrée _d'un mal crues_,
+
+waar blijkbaar _de Malcrues_ moet gelezen worden, daar weinige verzen
+later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt:
+
+ Li chastiaus estoit auques fort.
+
+Daar nu dezelfde naam ook in de 19e branche voorkomt, behoeft het geen
+betoog, dat zij in de 1e er niet toe kan leiden om deze aan den dichter
+der 20e toe te schrijven.
+
+De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche
+20_a_ eenmaal op zichzelf stond, en dat daaraan _iets later_ door den
+schrijver van 20_b_ ook de branche 21-22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk
+heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de
+19e branche bijgedicht.
+
+Zoowel ROTHE[87], als GRIMM[88] hebben reeds opgemerkt, dat het begin
+der 20e (16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald
+wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op
+het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene
+hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689:
+
+ Quant li saint furent aporté,
+ Il se retraist mout tost arière,
+ Si se féri en sa taisnière.
+
+En evenzoo in den mnl. _Reinaert_, vs. 82:
+
+ Also saen
+ Alse die heleghe waren brocht,
+ Was hi andersins bedocht,
+ Ende ontfoer in sine veste.
+
+Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat
+evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij
+nemen die stelling aan, hoewel zij ons bij ROTHE vreemd klinkt om de
+opvallende overeenkomst in karakter met branche 20_b_, die hij niet van
+20_a_ scheidt.
+
+Dat de 19e branche reeds op de 20e voorbereidt, bewijst slechts dat men
+er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in
+het slot tot den wolf, vs. 9635:
+
+ „.... por Renart..........
+ Alez à cort, ne fètes noise:
+ De rien i a de mesprison,
+ Là vos en fera-il reson.”
+ Dist Ysengrins: »Je m'i acort:
+ Quel part que la parole tort,
+ Ouen en Mai ferai mon claim:
+ A mon seignor, que je moult aim,
+ Me clamerai del traïteur” _etc._
+
+Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden
+schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een
+Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken.
+
+Immers vs. 9202 zegt hij:
+
+ Anuit aurez moult bon herbert,
+
+wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak van _herberc_, ons
+_herberg_, en dus verschilt van het gewone _héberge_.
+
+Vs. 9147 leest men nog bepaalder:
+
+ Grimbert respont: »Ja, ja.”
+
+De schrijver kende de geheele 20e branche, zoowel het oorspronkelijke
+deel als het toevoegsel.
+
+Uit het eerste nam hij, vs. 9267, de namen _Goubert_ (br. 20_a_, vs.
+10371), en vs. 9261, _dame Poufile_ (br. 20_a_, vs. 10378).
+
+Uit het tweede den banierdrager, daar hij, vs. 9045, schrijft:
+
+ Cel jor porta le confanon
+ Li putoiz qui Foinez ot non.
+
+In de 20e branche is _li limaçons_ de banierdrager, vs. 11313, 11558,
+11617; maar juist uit de bijvoeging _cel jor_ blijkt, dat de schrijver
+zich van de afwijking bewust was, en dus 20_b_ kende.
+
+In br. 20_b_ zien wij de dieren, als ware ridders, met lans en speer
+tegen Reinaerts burcht optrekken. In dit opzicht gaat de schrijver van
+br. 19 nog verder, daar hij zelfs van een hond, die niet tot de edeler
+dieren der hofhouding behoort, en die Reinaert najaagt, zegt, vs. 9481:
+
+ Primes i cort, ainz que li autre,
+ _Lance levée sor le fautre_,
+ Rooniax li chiens.
+
+Dat dit alles ontleend is, blijkt nog uit kleinigheden. Zoo b.v. noemt
+de schrijver van branche 19 zelden de namen der edeler dieren: in den
+regel heet bij hem de koning slechts _li lions_, vs. 8346, 8383, 8476,
+8876, 8907, 9021; de beer, _li ors_, vs. 8745, 8774, enz.
+
+Eenmaal bestond er zeer zeker een streven om de branches 19, 20, 21-22
+met elkander in verband te brengen[89]: door wien, en wanneer is nu die
+vereenigingsband om deze gedichten geslagen?
+
+Mij dunkt dit heeft ongeveer in de tweede helft der dertiende eeuw
+moeten plaats hebben, toen wellicht de branches 1_b_, 19, 20, 21-22 als
+een zeker geheel werden aangemerkt.
+
+In de veertiende eeuw schijnt deze band weêr te zijn verbroken, daar men
+bij de bijeenzameling van meerdere branches eene andere rangregeling
+moest aannemen om de gebeurtenissen elkander zoo regelmatig mogelijk te
+laten opvolgen.
+
+Zoo werd b.v. de eerste branche in het handschrift, dat MÉON tot
+grondslag van zijne uitgave legde, geheel vooraan geplaatst, en dit hs.
+is het eenige waarin branche 19 onmiddellijk aan de 20e voorafgaat,
+terwijl zij in al de anderen verre daarvan verwijderd staat.
+
+Die vereeniging had echter eerst plaats nadat reeds 20_a_ en _b_ waren
+tesamengesmolten, en wellicht ook 21-22 daaraan toegevoegd, maar nog
+niet de 19e; want het is opmerkelijk, dat de schrijver van onzen
+_Reinaert_ de personagie van Roonel den hond, die toch in de 20e branche
+voorkomt, in 't geheel niet noemt, waaruit men zou mogen opmaken, dat
+hij het verhaal, waarin deze eene hoofdrol speelt, niet gekend heeft.
+
+
+V.
+
+Nu wij ons eenigsins hebben bekend gemaakt met de fransche branche, die
+wij als de mogelijke bron van onzen _Reinaert_ aanzien, kunnen wij er
+toe overgaan om door eene nadere vergelijking de waarheid van ons
+beweren te staven.
+
+Wij zullen punten van overeenkomst aantreffen die treffend zijn, maar
+ook zeer merkwaardige afwijkingen. Om dus de verhouding van ons gedicht
+tot het fransche aan te wijzen, om eenig meerder licht te verspreiden
+over het ontstaan van den _Reinaert_, en een duidelijker inzicht te
+verkrijgen in zijne kunstwaarde, moeten wij zoowel de overeenstemming
+als de afwijking in bijzonderheden nagaan.
+
+WILLEMS heeft reeds de rangnummers van vele overeenkomstige verzen van
+beide teksten naast elkander geplaatst[90], maar om de letterlijke
+overeenkomst recht duidelijk in het oog te doen vallen, om allen
+mogelijken twijfel weg te nemen, moeten wij de voornaamste letterlijk
+eensluidende plaatsen nevens elkander den lezer voor oogen stellen.
+
+Na eene inleiding van weinige verzen begint het fransche gedicht aldus,
+vs. 9659:
+
+ Ce dist l'estoire ès premiers vers,
+ Que jà estoit passez yvers,
+ Et l'aube-espine florisoit,
+ Et que la rose espanisoit,
+ Et pres fu de l'Acension,
+ Que sire Noble, le lyon,
+ Toutes les bestes fist venir
+ En son palès por cort tenir.
+ Onques n'i ot beste tant ose,
+ Qui se tardast por nule chose,
+ Qu'ele n'i viengne hastivement,
+ Fors dans Renars tant solement.
+ Le mal baron, le sodoiant,
+ Que tuit li autre vont huiant,
+ Et encusant devant le roi,
+ Par son engin, par son desroi.
+
+Evenzoo vangt, na eene inleiding, onze _Reinaert_ aan, vs. 41:
+
+ Het was in enen Sinxendaghe,
+ Dat beide bosch ende haghe
+ Met groenen loveren waren bevaen.
+ Nobel, die coninc, hadde ghedaen
+ Sijn hof craieren over al,
+ Dat hi waende, hadde hijs gheval,
+ Houden te wel groten love.
+ Doe quamen tes coninx hove
+ Alle die diere, groot ende clene,
+ Sonder vos Reinaert allene:
+ Hi hadde te hove so vele mesdaen,
+ Dat hire niet ne dorste gaen.
+ ....................
+ Doe al dat hof versamet was
+ Was daer niemen..........
+ Hine hadde te claghene over Reinaerde
+ Den fellen, metten roden baerde.
+
+ * * * * *
+
+ Et conpissa toz mes loviax. 9685.
+ Ende mine kindre so mesvoert, _Rein._ 74.
+ Dat hise besekede.
+
+ * * * * *
+
+ Renarz prist jor de l'escondire 9687.
+ Qu'il n'avoit pas fait l'avoutire.
+ Quant li saint furent apporté,
+ Ne sai qui li ot enorté,
+ Il se retraist mout tost arière,
+ Si se féri en sa taisnière.
+ Het was sint so verre comen, _Rein._ 79.
+ Datter een dach af was ghenomen,
+ Ende Reinaert soude hebben ghedaen
+ Sine onsculde: ende also saen
+ Alse die heleghe waren brocht,
+ Was hi andersins bedocht,
+ Ende ontvoer in sine veste.
+
+ * * * * *
+
+ Quant la vegile fu chantée 10109.
+ Le cors portèrent enterrer;
+ Mès ainçois le firent serrer
+ En un moult bel vessel de plon,
+ Ains plus riches ne vit nus hon;
+ Puis l'enfoïrent soz un arbre,
+ Et par desus mistrent un marbre,
+ S'i ont escrit le non la dame.
+ Doe die vigilie ghehent was, _Rein._ 450.
+ Doe leidemen Coppen in dat graf,
+ Dat bi engiene ghemaket was,
+ (Onder die linde, in een gras,)
+ Van maerberstene, die slecht was:
+ Die letteren, die men daer ane sach,
+ Ane den sarc, die daer up lach,
+ Deden ane tgraf bekinnen,
+ Wie daer lach begraven binnen[91]
+
+ * * * * *
+
+ S'estoit devant la barbaquane. 10179.
+ Doe ghinc hi vor die barbecane _Rein._ 522.
+ Sitten over sinen staert.
+
+ * * * * *
+
+ Je sui Brun, mesagier le roi. 10190.
+ Ic bem Brune, des coninx bode. _Rein._ 525.
+
+ * * * * *
+
+ Renarz qui tot le mont engane, 10180.
+ Por reposer s'est tret arière
+ Enmi le fonz de sa tesnière.
+ ....................
+ Renarz set bien ce est li ors,
+ Reconnéu l'avoit au cors (_sic_):
+ Lors se commence à porpenser
+ Conment son cors porra tenser:
+ En grant paine est d'estudier
+ Conment le puisse conchier.
+ Bi der tale, die Brune heeft begonnen, _Rein._ 538.
+ Bekenden altehant Reinaert,
+ Ende tart bet te dalewaert,
+ In sine donkerste haghedochte:
+ Menichfout was sijn ghedochte,
+ Hoe hi vonde sulken raet,
+ Dat hi Brune, den fellen vraet,
+ Te scerne mede mochte driven,
+ Ende selve bi siere ere bliven.
+
+ * * * * *
+
+ Brun, fet Renarz, biax doz amiz, 10199.
+ En moult grant paine vos a mis
+ Qui çà vos a fet avaler!
+ Ge m' en devoie là aler....
+ Here Bruun, wel soete vrient, _Rein._ 549.
+ Hi hevet u qualike ghedient,
+ Die u beriet desen ganc,
+ Ende u desen berch lanc
+ Over te lopene dede bestaen;
+ Ic soude te hove sijn ghegaen....
+
+ * * * * *
+
+ Nomine Pastre, Christum file! 10237.
+
+In den _Reinaert_ komt deze uitroep niet hier voor, maar wordt later,
+vs. 1824, den vos in den mond gelegd:
+
+ Nomine Patrum, Christum file!
+
+ * * * * *
+
+ Cel miel, 10239.
+ Jà est-ce la chose du monde
+ Que je miex aim et plus desirre.
+ Qar m'i menez, biau très doz sire!
+ Honich es ene soete spise, _Rein._ 577.
+ Die ic vore allen gherechten prise,
+ Ende vore allen gerechten minne.
+ Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne!
+
+ * * * * *
+
+ Atant se mettent à la voie, 10276.
+ Onques n'i ot resne tenu,
+ De si à tant qu'il sont venu......
+ Ende liepen daer si lopen wilden, _Rein._ 1165.
+ Dat si nie toghel uphilden
+ Eer si quamen............
+
+ * * * * *
+
+ Un chesne ot commencié à fendre: 10282.
+ Deus coins de chiesne toz entiers
+ I avoit mis.
+ Ene eke _Rein._ 651.
+ Die hi ontwee clieven soude,
+ Ende hadde twee wegghen daerin ghesleghen.
+
+ * * * * *
+
+ Or del mengier, puis irons boire. 10290.
+ Haddi gheten, so soudi drinken. _Rein._ 706.
+
+ * * * * *
+
+ Et Bruns i mist lors son musel, 10292.
+ El chesne, et les deus piez devant.
+ (Bruun) thooft over die oren _Rein._ 678.
+ Ende die verdere voete in stac.
+
+ * * * * *
+
+ De loing esta, si le ramposne. 10316.
+ .... hi sijn oom ghine rampineren. _Rein._ 703.
+
+ * * * * *
+
+ Qui portent tinel, et qui hache, 10338.
+ Qui flael, qui baston d'espine.
+ Sulc was, die enen bessem brochte, _Rein._ 722.
+ Sulc enen vleghel, sulc een rake;
+ Sulc quam ghelopen met enen stake.
+
+ * * * * *
+
+ .... Lanfroi 10356.
+ Qui devant vint à une hache.
+ Vore hem allen guam gheronnen _Rein._ 734.
+ Lamfroit met ere scaerper acx.
+
+ * * * * *
+
+ Onc nus ne vit si lede beste! 10364.
+ Nie maecte God so lelic dier! _Rein._ 746.
+
+ * * * * *
+
+ Cil qui fet pingnes et lanternes. 10393.
+ Ene houtmakerigge van laternen. _Rein._ 804.
+
+ * * * * *
+
+ De quel ordre volez-vos estre, 10414.
+ Qui roge chaperon avez?
+ In wat ordinen wildi u doen, _Rein._ 943.
+ Dat ghi draghet root capproen?
+
+Zie wegens de overeenkomst van vs. 10416 en _Rein._ 952-3 de varianten
+op dit vers.
+
+ Dist li rois: Bruns, qui t'a ce fet? 10429.
+ Ai God, wie heeften so mesmaect? _Rein._ 987.
+
+ * * * * *
+
+ Rois, fet-il, si m'a mal-bailli 10434.
+ Renarz, com vos povez véoir.
+ Ende hevet mi ghemaect alse ghi siet. _Rein._ 997.
+
+ * * * * *
+
+ A véu l'oisel Saint-Martin. 10472.
+ Sach hi _Rein._ 1046.
+ Sente Martins voghel, ende quam ghevloghen
+
+ * * * * *
+
+ Assez si le hucha à destre: 10473.
+ Et li oisiax vint a sénestre.
+ „Vliech te miere rechter hant!” _Rein._ 1051.
+ Die voghel vlooch..........
+ ....................
+ Ende vlooch Tibert ter luchter siden.
+
+ * * * * *
+
+ Tybert, fet li Renarz, villecome. 10493.
+ Neve, ghi sijt mi willecome. _Rein._ 1073.
+
+ * * * * *
+
+ Mès sa parole que li coste? 10498.
+ Wat cost Reinaerde scone tale? _Rein._ 1077.
+
+ * * * * *
+
+ Martinet 10564.
+ Avoit au trou deus laz tenduz,
+ Por Renart prendre, le gorpil,
+ ......................
+ Et Renarz l'enging savoit bien.
+ Martinet _Rein._ 1175.
+ ... hadde vor dat gat gheset
+ Een strec, den vos mede te vane:
+ ..................
+ Dit wiste Reinaert, dat felle dier.
+
+ * * * * *
+
+ Je t'atendré au trou çà fors. 10573.
+ Ende sal u hier buten beiden. _Rein._ 1187.
+
+ * * * * *
+
+ Tybert s'en eschape, li chaz, 10605.
+ Qu'il ot as denz mengié les laz.
+ So dat hi metten tanden sinen _Rein._ 1316.
+ Die pese midden beet ontwee.
+
+ * * * * *
+
+ A tot le mains en sa paroche 10631.
+ Ne puet soner c'à une cloche.
+ en es gheen lachter, _Rein._ 1300.
+ Dat hi ludet met ere clockn.
+
+ * * * * *
+
+ Alez donc tost, si l'amenez, 10653.
+ Gardez sanz lui que revenez.
+ Gaet, ende eer ghi wederkeert, _Rein._ 1016.
+ Besiet, dat Reinaert met u come.
+
+ * * * * *
+
+ Qar je n'i voi prestre plus près. 10744.
+ Hier nes ander pape bi. _Rein._ 1442.
+
+ * * * * *
+
+ Se je muir, si serai toz sax. 10730.
+ Mine siele sal te claerre wesen. _Rein._ 1445.
+
+ * * * * *
+
+ Or s'en vont li baron à cort. 10871.
+ Die heren hebben den wech bestaen _Rein._ 1696.
+ Tote des conincs hovewaert.
+
+ * * * * *
+
+ Vers cele cort à ces gelines, 10888.
+ Là est la voie que lessons.
+ Te ghenen hovewaert _Rein._ 1706.
+ So leghet onse rechte strate.
+
+ * * * * *
+
+ Fet-il, je l'avoie oblié. 10896.
+ Ic hads vergheten, lieve neve. _Rein._ 1725.
+
+ * * * * *
+
+ Et nequedent sovent colie 10912.
+ Vers les gelines cele part,
+ Moult est dolent quant il s'en part;
+ Et qui la teste li coupast,
+ As gelines tantost alast.
+ Hoe dicke sach Reinaert achter rugghe _Rein._ 1730.
+ Weder, daer die hoenre ginghen!
+ Hine conste hem niet bedwinghen,
+ Hine moeste siere seden pleghen:
+ Hadde men hem thooft af gesleghen,
+ Het ware ten hoenrewaert ghevloghen.
+
+ * * * * *
+
+ Et Bruns qui la teste ot vermeille. 10938.
+ Brune, _Rein._ 1820.
+ Dien noch bloedich es die crune
+
+ * * * * *
+
+ Rois, fet Renarz, je vos salu 10943.
+ Con cil qui plus vos a valu
+ Que tuit li baron de l'empire.
+ Ic groet u, coninc, ende hebbes recht; _Rein._ 1777.
+ En hadde nie coninc enen cnecht
+ So ghetrouwe jeghen hem
+ Als ic oit was ende bem.
+
+ * * * * *
+
+ Qar cil sont serf par nature. 10960.
+ Die scalcheit es hem binnen gheboren. _Rein._ 1795.
+
+ * * * * *
+
+ Renart, Renart, dist l'emperère, 11021.
+ ....................
+ Bien savez parler et plaidier,
+ Mès ce que vaut? n'i à mestier;
+ N'en partirez en nule guise
+ Que de vos n'en face justise.
+ Die coninc sprac: »Owi Reinaert, _Rein._ 1800.
+ Owi Reinaert, onreine quaet,
+ Wat condi al scone ghelaet!
+ Dat en can u ghehelpen niet een caf.
+ Nu comt uwes smekens af:
+ In werde bi smekene niet u vrient.
+
+ * * * * *
+
+ Se Bruns..... 10978.
+ Et li vilains le ledenja,
+ Et il por coi ne se venja?
+ Was hi (Br.) teblouwen oft versproken, _Rein._ 1827.
+ Waer hi goet, het ware ghewroken.
+
+ * * * * *
+
+ Et si me face ardoir ou pendre, 11015.
+ Qar ne me puis vers lui deffendre.
+ Wildi mi sieden, ofte braden, _Rein._ 1842.
+ Ofte hanghen, ofte blenden,
+ Ic ne mach u niet ontwenden.
+
+ * * * * *
+
+ Mès ce seroit povre venjance. 11018.
+ Dat ware ene cranke wrake. _Rein._ 1849.
+
+ * * * * *
+
+ Ez-vos Renart le pelerin 11169.
+ Escherpe au col, bordon fresnin.
+ Nu wart Reinaert pelgrijn, _Rein._ 2997.
+ ....................
+ Scerpe ende palster omme den hals.
+
+ * * * * *
+
+ Dame, fet-il, vostre proière 11189.
+ Devroie-ge avoir moult chière;
+ Moult par devroit estre haitiez
+ Por qui proier daingneriez.
+ Bidt vor mi, edele vrouwe, _Rein._ 2745.
+ Dat ic u met lieve weder scouwe.
+
+Opmerkelijk is ook nog dat de eigenaardige fransche vocativus[92] (vs.
+10445):
+
+ Où estes-vos, Tyberz li chaz?
+
+evenzoo in den Comburger codex (vs. 421) gevonden wordt:
+
+ Die coninc sprac: Grimbert die das,
+ U oom _enz._
+
+Al die plaatsen komen zoo letterlijk overeen, dat er geen twijfel over
+kan blijven, of het eene stuk is eene vertaling van het andere. Maar
+ziet, er komen nu zoo vele afwijkingen in beiden voor, dat men weder
+begint te twijfelen en naar een ander origineel omziet. Men zal daarbij
+echter met omzichtigheid moeten te werk gaan.
+
+
+VI.
+
+Wat zou dat andere origineel kunnen zijn? Het ouder gedicht dat aan de
+fransche branche ten grondslag ligt? Men zou misschien geneigd zijn dit
+aan te nemen, als men durfde gissen, dat de veelvuldige gelijkluidende
+assonancen in den _Reinaert_ (zie boven, bl. XXV vlg.), ontstaan waren
+uit navolging van een fransch stuk dat in _tirades monorimes_ geschreven
+was, hetgeen dan noodzakelijk ouder zou moeten zijn dan de 20e branche,
+die in _rimes plates_ is geschreven. Maar vooreerst is er geen spoor
+over van een fransch gedicht in tiensylbige regels uit dezen cyclus[93];
+en buitendien bewijst de eigenaardigheid van het vlaamsche gedicht
+niets, daar in geene andere vertaling van tiensylbige fransche verzen
+met assonnance eenig spoor van des oorspronkelijken versbouw over is.
+Overigens hebben wij reeds betoogd, dat juist de bekende fransche tekst
+veel nader aan dat origineel staat dan onze vlaamsche _Reinaert_[94].
+Dus eene andere omwerking van dien ouderen tekst misschien? Maar is
+het mogelijk aan eene andere fransche omwerking te denken, daar de
+_Reinaert_ juist met MÉONS branche zoo vele afwijkingen van het
+origineel gemeen heeft, en, gelijk wij zagen, niet slechts in het
+algemeen denzelfden geest als deze ademt, maar ook grootendeels
+denzelfden gang heeft, en daarenboven in een aantal plaatsen eene
+letterlijke, in een grooter aantal eene meer vrije navolging daarvan
+levert?
+
+Om alle onderstellingen uit te putten vragen wij nog: kan het ook eene
+omwerking der branche van MÉON geweest zijn? Maar ook dit is onmogelijk;
+daar zeer zeker een zoo voortreffelijk stuk veeleer zou zijn bewaard,
+dan het minder afgewerkte, waarvoor het in de plaats trad.
+
+Voegen wij er thans nog bij, dat de eigenaardigheid in het rijmsysteem
+van het vlaamsche stuk ook teruggevonden wordt in onze fransche branche,
+welke overeenkomst zeker geene toevallige kan zijn, en wel in rekening
+gebracht mag worden om de filiatie dezer twee stukken te betoogen[95].
+
+Vestigen wij voorts onze aandacht op dat gedeelte van ons vlaamsch
+gedicht dat het meest van het Fransch afwijkt, dan blijkt ons dit zoo
+eigenaardig Vlaamsch, dat het ons reeds terstond veel waarschijnlijker
+moet voorkomen, dat dit een zelfstandig, onvertaald, oorspronkelijk
+opgevat en bewerkt stuk moet zijn, gelijk ons later nog duidelijker zal
+blijken.
+
+Dit voert reeds tot het vermoeden, dat de overige afwijkingen van het
+Fransch ook wel een anderen grond konden hebben dan een ons onbekend
+ander origineel.
+
+Trouwens, heeft de vlaamsche dichter ook wel uitsluitend willen
+vertalen? Slaan wij het oog op hetgeen hij zelf zegt in den aanhef van
+zijn werk.
+
+Hij kende »davonturen van Reinaerde,” daar het hem immers anders niet
+had kunnen »vernoyen”, dat zij
+
+ In Dietsce onghemaket bleven.
+
+Het »vernoyede” hem zoo zeer,
+
+ Dat hi die vite dede soeken,
+
+dat hij zich de levensbeschrijving verschafte,
+
+ Ende hise na den Walschen boeken
+ in Dietsce...... hevet begonnen.
+
+Hij zocht dus, of deed zoeken, de geheele vite, en bewerkte zijn gedicht
+niet naar _één boek_, maar volgens DE _fransche_ BOEKEN.
+
+Dat hij zich hoofdzakelijk bepaalde tot dat gedeelte der sage dat,
+blijkens de verschillende navolgingen, reeds in 's dichters tijd voor
+het beste gehouden werd, en ook thans nog door alle beoordeelaars als de
+uitstekendste aller branches wordt aangemerkt[96], is hoogstnatuurlijk;
+maar slaafsche navolging hebben wij daarbij niet te wachten:
+verbeteringen, aanvullingen, die dan waarschijnlijk geput zullen zijn òf
+uit de andere fransche branches, òf uit de overlevering, die den dichter
+bekend was[97]. Zien wij dit in de bijzonderheden.
+
+De grootste afwijking bestaat in het verhaal van hetgeen er ten hove
+gebeurde, nadat Reinaert er verschenen was. In het Fransch schenkt de
+koning den vos vergiffenis op bloote voorspraak van Grimbert, zonder dat
+die genade gemotiveerd is, en alleen op voorwaarde dat Reinaert als
+pelgrim het heilige land zal bezoeken. Naauwelijks heeft hij genade
+verworven, en is hij buiten 's konings macht, of hij ontdoet zich, vs.
+11262
+
+ Et du bordon et de l'escherpe:
+ Son cul en tert, volant les bestes,
+ Puis si lor giete sor les testes.
+
+Nu stormt het geheele gevolg des konings hem na en jaagt hem binnen
+Malpertuis, waar hij veilig is,
+
+ Où il ne crient ost ne asaut.
+
+Dan volgt een toevoegsel. Reinaerts burcht wordt belegerd: van zijne
+tinnen beschimpt de vos zijne belagers, en schoffeert zelfs op zekeren
+nacht de koningin. Maar bij die gelegenheid wordt de bedrieger gevangen
+genomen, die nu zou worden gehangen. Ter goeder ure kwamen echter
+Reinaerts echtgenoot en kinderen, en brachten
+
+ Un somier tot chargié d'avoir,
+
+dat zij den koning aanboden.
+
+ Rois Nobles choisi le tresor, Vs. 11817.
+ Qu'est devant li, d'argent et d'or;
+ De l'avoir fu moult covoitos.
+
+Geen wonder dan ook, dat hij gaarne voor dien schat Reinaert op nieuw
+genade schonk.
+
+En dan volgt er (vs. 11853) waarschijnlijk een nieuw toevoegsel, waarbij
+wij ons niet zullen ophouden.
+
+Nu behoeft men den _Reinaert_ van vs. 1873 af tot aan het einde slechts
+vluchtig te doorloopen, om zich van de meerdere voortreffelijkheid van
+het vlaamsche stuk boven zijn origineel te overtuigen. Alles is hier
+met uitnemende kunst behandeld: eenheid en samenhang zijn treffend
+behouden, omdat elke bijzonderheid goed en natuurlijk is gemotiveerd.
+
+En toch vond de dichter de aanleiding tot zijne hoofdmomenten in het
+fransche stuk. Reeds bij de derde indaging van Renart doet de koning hem
+daar weten dat hij met den strop zal gestraft worden; hij moet zich ten
+hove komen verantwoorden, en behoeft geld noch goede woorden meê te
+brengen (vs. 10724),
+
+ Si n'i aport or ne argent[98];
+
+Als Reinaert voorts van de koningin een ring erlangt, zegt hij haar, vs.
+11197:
+
+ Redonrai vos de mes joiax
+ Tant que vaura bien cent aniax;
+
+en later wordt hij werkelijk, onder bemiddeling der koningin, door een
+grooten schat van den dood vrijgekocht. Dit laatste heeft ook in den
+_Reinaert_ plaats, maar onder zeer gewijzigde omstandigheden; en ROTHE
+heeft er reeds op gewezen, dat de schat, waardoor in het Fransch 's
+konings toorn gestild wordt, »rappelle l'idée générale d'un trésor qui
+influe sur la résolution du souverain. Mais”--voegt hij er bij--»il
+y a fort loin de là au trésor imaginaire de _Reineke_”[99]. Hoe groot
+het onderscheid ook zij, de overeenkomst van het gronddenkbeeld is
+onloochenbaar, gelijk wij ook later onder het frissche vleesch van onzen
+_Reinaert_ het gebeente der fransche branche zullen kunnen tasten.
+
+De schat van koning Hermelinc wordt in het vlaamsche stuk zoo natuurlijk
+mogelijk in het verhaal gebracht, en heeft het dubbele voordeel, dat
+Reinaert daardoor niet alleen 's konings gunst verwerft, maar ook dat
+hij, vs. 2175,
+
+ Brune ende Isengrijn bede
+ In veten ende in ongheval
+ Jeghen den coninc bringhen sal.
+
+Maar hoe kwam de dichter op de gedachte om op die wijze zijn voorbeeld
+te wijzigen? Blijkbaar putte hij die uit de traditie: »Dass Ermenrich
+in die erzählung gemengt ist,” zegt GRIMM[100], »verräth einen uralten
+Deutschen zug; wahrscheinlich ist eine flandrische tradition mit dabei
+im spiel.” En hij haalt daarbij eene plaats aan uit de _Miracula Sti
+Bavonis_, in de tiende eeuw geschreven, waaruit blijkt, dat men koning
+Hermenrijk voor den stichter der burcht te Gent hield, waar hij groote
+schatten vergaderd had[101].
+
+Het geheele denkbeeld van eene biecht kon hij uit de fransche 20e
+(16e) branche ontleend hebben, waarin zij althans met een woord wordt
+aangestipt; vs. 11717 raadt Grimbert den vos, die op 't punt stond van
+gehangen te worden,
+
+ Or vos déussiez confesser,
+
+en wat later, vs. 11807, komt zijne vrouw met den schat aan
+
+ Ançois qu'il ait dit sa confesse.
+
+Het denkbeeld om zich op den beer en den wolf te wreken, en hen van een
+deel van hunne huid te berooven, is niet aan de 20e branche ontleend;
+maar het was blijkbaar oud. In het Fransch zoowel als in de latijnsche
+gedichten[102] vindt men dit incident in de verhalen waarin de kranke
+leeuw door den vos genezen wordt[103]. En hetgeen merkwaardiger is, is
+dit, dat zoowel in den _Isengrimus_, den mhd. _Reinhart_, als in de 26e
+(21e) fransche branche, die wraakoefening voorafgegaan wordt van den
+hofdag waar Reinaert wordt aangeklaagd.
+
+Blijkbaar schijnt intusschen op den hofdag bij den kranken koning de
+aanklacht tegen den vos maar weinig plaats te hebben beslagen, gelijk de
+_Isengrimus_ leert. Of dit tafreel van lieverlede meer in het breede is
+uitgewerkt, om eindelijk als zelfstandig verhaal te worden behandeld,
+dan of de afzonderlijke ding-dag aanleiding gaf tot meerder uitbreiding
+van soortgelijk verhaal in het eerste deel der branche van de genezing
+des konings, is niet licht uit te maken. Ik zou intusschen niet
+ongeneigd zijn het eerste aan te nemen. Daarvoor pleit, dunkt mij,
+vooreerst de samenvoeging in den mhd. _Reinhart_; maar ten anderen ook
+de 26e (21e) fransche branche.
+
+Zij begint ook met een hofdag op den Pinksterdag.
+
+ Ce fu entor la Pantecoste, Vs. 17885.
+ Que dant Nobles tenoit sa feste:
+ Asanblée i ot mainte beste;
+ ....................
+ Mais li chastelains de Val-gris,
+ Dans Renarz, de qui toz max sort,
+ N'ert pas adonc venu a cort.
+
+Isengrim begint ook hier de aanklacht tegen zijnen vijand, die echter
+door Tybert verdedigd wordt. Hoewel hij reeds herhaaldelijk gedaagd is,
+
+ Plus de dis foiz, voire de vint,
+
+wordt hij opnieuw opgeroepen, eerst door den hond Roonel, wiens vrouw
+hem echter waarschuwt, zeggende, vs. 18172:
+
+ Manbre-vos de Tybert le chat,
+ A qui fist panre tant mal mors.
+ Et de Belin, et de Brun l'ors,
+ A qui il fist perdre la pel
+ Des orailles dusc'au musel.
+
+Roonel volbrengt intusschen zijne boodschap, maar wordt door den vos in
+'t ongeluk gestort. Dan volbrengt het hert de tweede indaging, en ook
+deze bode komt slecht van de reis. De koning wordt daardoor zoo
+vertoornd, dat hij de koorts krijgt. Daarop begeeft Grimbert zich naar
+Reinaert om hem deze boodschap te brengen; waarop dan de geschiedenis
+der genezing des konings door den vos begint.
+
+Men ziet duidelijk, dat dit eene navolging is van de driedubbele daging
+uit onzen _Reinaert_, gelijk reeds door GRIMM is opgemerkt[104], die er
+echter op laat volgen: »gewis gab es ein älteres, mehr zu dem deutschen
+stimmendes franz. gedicht.” Hij zegt dit vooral met betrekking tot het
+laatste gedeelte der branche; maar wellicht geldt het evenzeer van het
+eerste stuk, dat zeer zeker »einen spätern umarbeiter verräth.”
+
+Daar hij nu een ouder gedicht omwerkte, kan _zijne_ inleiding daarin
+niet voorhanden geweest zijn: hij heeft dus hier zijn voorbeeld
+veranderd. Hoe kwam hij daartoe? en waarom deed hij het juist zoo? Mij
+dunkt, het ligt voor de hand om aan te nemen, dat hij dat ouder eerste
+gedeelte niet opnam, omdat dit tot een zelfstandig gedicht verwerkt was.
+En dat dit juist het onze is geweest, is niet onwaarschijnlijk, omdat
+dit juist het best verklaart hoe hij juist eene blijkbare navolging van
+dit stuk voor het oorspronkelijke in de plaats schoof.
+
+Waarschijnlijk kende de dichter van den _Reinaert_ dien ouderen
+vorm, hetzij dan uit een der latijnsche stukken, den _Isengrimus_
+of _Reinardus_, hetzij uit de mondelinge overlevering, daar hij
+waarschijnlijk het ouder fransche gedicht niet gekend heeft; en zoo kwam
+hij misschien op het denkbeeld om tot op eene zekere hoogte den draad
+weder op te vatten die zijn fransch voorbeeld had laten schieten.
+
+De mishandeling, het dooden van Cuwaert, hoewel in het Vlaamsch geheel
+anders verhaald, moet ook uit het Fransch ontleend zijn, en wel uit
+de 20e branche. Daar heet het, vs. 11209 vlg., dat Renart na zijne
+begenadiging den haas, die zich in eene haag verborgen had, overweldigt
+en hem meêsleept:
+
+ En quide bien livroison fère Vs. 11246.
+ A ses faonz sans demorance.
+
+Maar het gelukte Couart den moordenaar te ontsnappen (vs. 11272), en zoo
+gewond en mishandeld als hij was
+
+ (Les costez a toz pertuisiez, Vs. 11279.
+ Que li bordons i fu fichiez;
+ Et la pel des piez et des mains
+ A rompue, n'est mie sains.)
+
+zich voor 's konings voeten te werpen en om hulp te smeeken, waarop
+Noble, verontwaardigd over het verraad van Renart, beveelt hem na te
+zetten.
+
+Dat er werkelijk ontleening uit de fransche branche plaats had, mag ook
+daaruit worden opgemaakt, dat in 't Vlaamsch de misdaad aan Cuwaert
+gepleegd, niet gemotiveerd is; daar deze integendeel den vos, hoewel
+door angst gedreven, nog een dienst had gedaan, zie vs. 2628 vlg.
+
+Daarentegen had in 't Fransch de haas zich zijn ongeval op den hals
+gehaald; want toen men Renart ter galg voerde, en alle dieren hem te
+lijf gingen, had Couart hem van verre,
+
+ De loing, que pas ne l'aprochoit, Vs. 11106.
+
+met een steen geworpen; en juist omdat
+
+ En a crollé le chief Renart,
+
+had de lafaard zich weggemaakt,
+
+ Que onques puis ne fu véuz.
+
+en in de haag, waar hij zich verscholen had, ontdekt hem later Renart,
+die zich nu over den hoon hem aangedaan wil wreken.
+
+Eindelijk komen wij tot het slottafreel van onzen _Reinaert_, dat
+WILLEMS als een overgang tot het tweede boek beschouwde[105]. Over de
+optreding van Firapeel hebben wij reeds gesproken[106]: het is hier de
+plaats om een enkel woord te zeggen over de regels die hoofdzakelijk den
+grondslag van WILLEMS' argument uitmaken; namelijk dat Firapeel zegt,
+vs. 3406:
+
+ Ende daer na sullen wi alle lopen
+ Na Reinaerde, ende sulne vanghen,
+ Ende bi siere kelen hanghen.
+
+Zijn deze woorden uit de fransche branche ontleend, dan vervalt
+natuurlijk de stelling van WILLEMS zonder eenige tegenspraak. Welnu, als
+Cuwaert den koning Reinaerts nieuw verraad ontdekt heeft, roept Nobel
+uit, vs. 11290:
+
+ Or sai bien q'à mavès me tient.
+ _Seignor, fet-il, or après tuit!_
+ Que je le voi où il s'enfuit:
+ Par le cuer bé, s'il vos estort,
+ Vos estes tuit pendu u mort,
+ Et cil de vos qui le prendra,
+ Toz ses lignages frans sera.
+
+De aanhaling zal genoegsaam zijn om te overtuigen, dat werkelijk de
+aangetogen woorden van onzen _Reinaert_ uit de pen vloeiden van den
+oudsten schrijver, en niet van den omwerker.
+
+In het origineel geven de mannen des konings gehoor aan zijne stem en
+jagen den verrader na, die zich eindelijk op zijne burcht bergt. In onze
+navolging kon dit niet, omdat Reinaert zich reeds te Malpertuis bevond,
+vanwaar hij zich buitendien met al de zijnen in de woestijn terug trok
+(vs. 3310-4).
+
+De laatst aangewezen plaats snijdt de mogelijkheid af om te denken aan
+een plan om later in het gedicht uitvoering te geven aan Firapeels
+belofte om Reinaert te vangen en te hangen.
+
+Heeft intusschen de dichter van den _Reinaert_ het laatste gedeelte der
+branche waarin het beleg van Maupertuis beschreven wordt gekend?
+
+Het antwoord op die vraag kan niet anders dan bevestigend uitvallen.
+
+Het eerste gedeelte van het verhaal der gebeurtenissen na Reinaerts
+komst ten hove, tot aan zijne veroordeeling ter dood, _Rein._ vs.
+1756-1890 stemt volmaakt overeen met vs. 10931-11094 van branche 20_a_;
+maar dan verlaat ons gedicht dit eerste gedeelte om zich nader aan 20_b_
+aan te sluiten.
+
+_Rein._ vs. 1892 ziet men Grimbert met Reinaerts magen het hof verlaten,
+want
+
+ Sine consten niet verdraghen
+ No sine consten niet ghedoghen,
+ Dat men Reinaert vor haren oghen
+ Soude hanghen alse een dief.
+
+Zoo iets wordt in 20_a_ niet gevonden; maar later wordt in 20_b_
+Grimberts smart aangestipt, vs. 11635:
+
+ Por Dant Renart que l'en devoure
+ Ploure Grinbert et prie et oure:
+ Ses parenz ert et ses amis,
+ Liez le voit et entrepris,
+ Ne set conment il le reqoe.
+ Que la force n'est mie soe.
+
+_Reinaert_ vs. 1908 zegt de koning, die verlangt een einde aan de zaak
+te maken:
+
+ Twi sidi traech,
+ Isengrijn ende here Bruun?
+ ....................
+ Salmen hanghen, twine doetment dan?
+
+En ook 20_b_ zegt Nobel tot Isengrin, vs. 11787:
+
+ Ce dist li rois, pensez del pendre,
+ Que je ne voil mès plus atendre.
+
+In den _Reinaert_ bereiden zich zijne drie vijanden, de wolf, de beer en
+de kater toe om zelf den valschen moordenaar te hangen. In 20_a_ heet
+het alleen, vs. 11095:
+
+ Sor un haut mont en un rochier
+ Fet li rois les forches drecier
+ Por Renart pendre, le gorpil;
+
+zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar
+bij de tweede veroordeeling, in 20_b_, worden de dieren genoemd die zich
+van hem meester maakten, vs. 11605:
+
+ Lors Isengrin en piez se drece,
+ S'aert Renart par la chevesce;
+ Dou poing li done tel bufet,
+ Del cul li fait saillir un pet.
+ Et Brun l'aert par le chaignon,
+ Les denz li met dusqu'au braon;
+ ....................
+ Tybert li chaz giete les denz
+ Et les ongles, qu'il ot poignanz,
+ Saisist Renart au peliçon,
+ Bien li valut une friçon.
+
+En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd:
+
+ Si anemi
+ La hart li ont ja el col mise.
+
+Eerst in 20_b_ wordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in den _Reinaert_
+zoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert:
+
+ Or vos déussiez confesser.
+
+Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor
+Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx
+schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te
+trekken.
+
+_Reinaert_ vs. 1851 vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des
+aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats
+is ontleend aan 20_a_, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren
+komt ook voor, vs. 1868:
+
+ Dat foret, Clene-bejach.
+
+welk diertje niet in 20_a_ genoemd wordt, maar in de navolging der
+eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd,
+vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vinden
+
+ Et Petit-porchaz li Fuirons.
+
+Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs. 1419 _Rosseel_: in 20_a_
+_Rouviel_, maar eerst vs. 11729, dus in 20_b_, _Rousel_.
+
+Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20_a_
+en -_b_ reeds had plaats gehad vóór dat onze _Reinaert_ werd geschreven,
+welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier
+branche is bekend geweest.
+
+Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de
+laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de
+beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche
+doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en
+stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat de _Reinaert_ naar
+de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch
+nagevolgd is.
+
+De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de
+uitstekendste der fransche branches genomen, en hoewel hij dit stuk
+voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door
+zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen,
+door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een
+kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in
+ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel
+aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op
+dien van meesterlijk kunstprodukt.
+
+
+VII.
+
+Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor
+dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben
+beschouwd.
+
+Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van
+Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den
+Vlaming terstond een toevoegsel, vs. 16-97, waaruit blijkt, dat hij zeer
+vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan
+ook dadelijk.
+
+De klacht van Cortois, vs. 97-106, komt niet in br. 20_a_ voor:
+waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen
+dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minste CHABAILLE heeft
+in zijn _Supplément_ een klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst
+voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt[107],
+gelijk ook hier, vs. 107-125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't
+bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist
+Tibert den vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der
+6e branche van MÉON, vs. 2219 vlg.
+
+Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs. 107-125. Dit
+heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om
+Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche
+gedichten niet onbekend. In de 20e branche zelve heet het iets later
+nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169:
+
+ .... Grimbert
+ Qui por Renart parole et plaide
+ Entre lui et Tybert le chat;
+
+en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires,” waar
+Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs.
+17999-18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht.
+
+Wij zagen boven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal
+van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt:
+door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht
+en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd;
+maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche
+branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten,
+daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den
+eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat
+hij dien uit de 26e (21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze
+alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had,
+zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten.
+
+Pancers beschuldiging, vs. 126-169, weet ik nergens aan vast te knoopen,
+wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben.
+
+Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20_a_
+overeen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat
+Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten
+aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan:
+vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen” van de kar
+afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets
+anders over te laten
+
+ sonder allene een pladisengraet,
+
+dien hijzelf niet mocht (vs. 208-216).
+
+De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had,
+en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche
+gedichten verteld, br. 2, vs. 749-916 en br. 10, vs. 3919 vlg.
+Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de
+visschen op de kar ook »pladisen” genoemd worden, vs. 3941:
+
+ De poisson chargiez estoient,
+ Si comme harenz et plaïz.
+
+Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde
+branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons
+niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827,
+te Arras of in Artois geschreven was.
+
+Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos
+bedrogen had betrekkelijk »enen bake,” waarvan hij hem tot zijn deel
+alleen
+
+ Die wisse daer die bake an hinc
+
+overgelaten had (vs. 217-225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld
+wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698-7970. Maar noch in
+het Fransch noch in den _Reinardus_, I, 186 sqq., waarmeê de fransche
+branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op
+laat volgen:
+
+ Reinarde was lettel te bet,
+ Dat hi den goeden bake ghewan,
+ In sulker sorghe, dattene een man
+ Vinc, ende warp in sinen sac.
+
+Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen
+advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen
+voorkomen.
+
+Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik
+zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan den
+_Reinardus_ staat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef
+voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt
+of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In den _Reinardus_
+daarentegen heet het I, vs. 11:
+
+ Dicebat patruum falso Reinardus, ut ille
+ Tamquam cognato crederet usque suo.
+
+En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te
+hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat
+verdraayen, vs. 2101:
+
+ Daer na quam ic ende Isengrijn;
+ ....................
+ Hi rekende dat hi ware mijn oom,
+ Ende began ene sibbe tellen.
+
+Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne
+vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen.
+
+Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid
+dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee
+afwijkingen van den tekst der 20e branche.
+
+Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene
+schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen
+leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. In het
+Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den
+koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het
+vlaamsche gedicht, waar vs. 320 in C. gelezen wordt:
+
+ Ende _minen sustren_ die hier staen,
+
+hetgeen GRIMM terecht veranderde in _minen kindren_. Eindelijk was de
+vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem
+een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in
+de fransche 20e branche, maar is overigens in de sage niet onbekend.
+_Reinardus_ III, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors
+in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan;
+maar de list mislukt[108]. In de 6e fransche branche daarentegen,
+getiteld: _Le desputement de la mesange avec Renart_ (MÉON, I, pag. 66),
+tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van
+den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden
+rijksvrede, vs. 1748:
+
+ Si a danz Nobles li lions
+ Novelement la pès jurée,
+ Se Diex plaist, qui aura durée.
+ Par sa terre l'a fait jurer,
+ Et a ses barons afier,
+ Qu'ele ert gardée et maintenue.
+
+In den mhd. _Reinhart_, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs.
+177-216, komt deze bijzonderheid niet voor.
+
+Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschen _Renardus_,
+of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche
+branches.
+
+Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het
+Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowel in den mhd. _Reinhart_, dus in
+het oudere fransche gedicht, als in de 20e branche bij MÉON, heeft er
+op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat
+graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen
+werd. Die trek is blijkbaar oud en echt[109], en er moet eene reden zijn
+waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat.
+
+Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen;
+want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor
+Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn.
+
+Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste
+jaren na den moord van den vlaamschen graaf KAREL DEN GOEDE (1126),
+dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf
+had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer
+vader”[110], die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op
+wiens graf terstond mirakelen plaats grepen[111]. Maar wij zullen zien,
+dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren.
+
+Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van
+den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En
+die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den
+logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel
+wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den
+geleidelijken gang van het verhaal stoorde. Eene vergelijking van het
+duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk
+het geval is.
+
+Bij GLICHESÆRE wordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart
+aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de
+koorts kreeg,
+
+ (Von vorhten bestuont in der rite. Vs. 1483)
+
+Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en
+geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den
+koning de »vremdiu mære” verkondigen, er bij voegende, vs. 1496:
+
+ Daz daz huon wære
+ Heilec vor gotes gesihte.
+
+Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken
+gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar,
+roepende, vs. 1508:
+
+ „Reinhart soldez vermiten hân,
+ Daz er âan alle missetât
+ Disen heiligen gemartirt hât.
+
+En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te
+gaan om hem voor het gerecht te dagen.
+
+Geheel anders is de toedracht der zaak in MÉONS 20e branche. Als Copée
+begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen
+over
+
+ „Cel gloton,
+ Qui tantes guiles nos a fetes
+ Et tantes pès nos a enfrètes.” (vs. 10134.)
+
+De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143)
+
+ Atant se met en l'ambléure
+ Parmi le val d'une costure,
+ Que il ne siet ne ne repose.
+
+En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde
+(vs. 10146):
+
+ Lors avint à cort une chose:
+ Endementiers que Bruns s'en vet
+ Renart empira moult son plot:
+ Quar mesire Coars li lièvres,
+ Qui de péor trembloit les fièvres,
+ (Deus jors les avoit ja éues,)
+
+maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich
+de koorts op den hals had gehaald;--
+
+ Merci Dieu, or les a perdues
+ Sor la tombe dame Copée.
+ Car qant ele fu enterrée,
+ Onc ne se volt d'iloc partir,
+ Ainçois dormi sor le martir.
+ ......................
+ Qant à la cort vint la novele,
+ A tiex i ot qu'ele fu bele;
+ Mès à Grinbert fut-ele lède,
+ Qui por Renart parole et plaide
+ Entre lui et Tybert le chat.
+ S'or ne set Renarz de barat,
+ Mar est bailliz, s'il est tenuz,
+ Qar Bruns li ors est jà venuz
+ A Malpertuis _etc._
+
+'t Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste
+beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige
+martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit
+geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch
+daarentegen heet Copée reeds _martir_ vóór dat er iets op het graf had
+plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht
+het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'œuvre is, ter kwader
+ure wordt afgebroken.
+
+De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo
+dikwerf plaats heeft[112], de feiten uit zijn origineel dooreen
+gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke
+voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de
+vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk
+ging, dit hors-d'œuvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden,
+uit zijne omwerking verwierp?
+
+Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk
+de branche van MÉON tot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder
+fransche gedicht niet gekend heeft.
+
+Ik heb boven (bl. LIX-LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide
+teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam
+onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt
+wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't
+Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20e
+branche niet wordt aangetroffen.
+
+Bruun, door angst gedreven, springt, vs. 821,
+
+ In enen trop van ouden wiven,
+
+waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf” in de rivier
+werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen
+jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente
+ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen.
+
+Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien
+heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het
+denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21-22 is Isengrijn
+door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339,
+
+ Et ses parenz et ses cosins,
+
+zetten den wolf na, vs. 12345,
+
+ A cuinnies et à maçues,
+
+waarop, vs. 12347,
+
+ Entre la porte et le vilein
+ Fet Ysengrin un saut à plein:
+ Si fort le hurte qu'il l'abat
+ En une fange trestot plat.
+ ....................
+ Par les vileins s'en va fuiant,
+ Et cil le vont après huiant.
+ Le vilein trovent en la boë
+ Grant et parfonde, si qu'il noë;
+ Fors l'en ont tret a moult grant paine;
+
+en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen.
+
+Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald
+te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men
+aanwijzen, dat onze WILLEM deze branche gekend had, dan werd het reeds
+waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs.
+
+_Reinaert_ vs. 1290 lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat
+Tibert in zijne angst den priester had toegebracht,
+
+ Hi loech, dat hem bachten scorde,
+ Ende hem crakede die taverne.
+
+De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar
+soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen[113].
+
+WILLEMS zegt in de aanteekening op die plaats: »_Taverne_, kroeg;
+doch hier figuurlijk _raeskamer_.” Die verklaring is niet heel en al
+bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord
+gebruikte. _Taverne_ is eene kroeg, dat is eene plaats, die voor jan
+en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21-22 het
+woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen
+levenswijze, en zegt, vs. 12903:
+
+ „Moult par estes de mavès estre:
+ De poior ne poiez-vos estre,
+ Qar plus estes pute que moche
+ Qui en esté la gent entoche:
+ Qui que viegne ne qui que aut,
+ _Vostre taverne ne li faut_.”
+
+Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en
+hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een
+aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet
+onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor.
+
+In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige
+toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf
+geschonden heeft, voorts, vs. 10759:
+
+ Ysengrin ai-je tant forfet,
+ Que nel' puis nier à nul plet:
+ Trois foiz l'ai fet metre en prison.”
+
+(1) Hij heeft hem in een wolfsval (_lovière_) gelokt, waar hij danig is
+afgerost.
+
+(2) Hij heeft hem in een »lardier” gebracht, waar drie baken lagen,
+waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon:
+
+ N'en pot issir, tant fu ventrez,
+ Par le pertuis où fu entrez.
+
+Verder, vs. 10777:
+
+ (3) Gel' fis séoir en la gelée
+ Tant qu'il ot la qeue engelée;
+ (4) Gel' fis peschier en la fontaine
+ Par nuit quant la lune estoit plaine:
+ De l'ombre de la blanche image
+ Cuida, por voir, ce fust fromage;
+ (5) Et si refu par moi traïz
+ Devant la charete as plaïz.
+ ................
+ (6) Par fine force de barat
+ Li fis-ge tant que il fu moines.
+ Pais dist que il seroit chanoines:
+ Qant on li vit la char mengier,
+ Fox fu qui de lui fist berchier.
+
+Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte,
+en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens
+belegerden, had aangedaan.
+
+Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens
+alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en
+Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs. 1477,
+
+ Die coninc en es mi niet ontgaen:
+ Ic hebbe hem toren ooc ghedaen,
+ Ende mesprijs der coninghinne,
+
+hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20_b_ eerst
+verhaald wordt.
+
+Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem
+oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;” daar had hij hem
+aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men
+meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men
+den wolf bijna van het leven beroofde.
+
+Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6)
+plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis
+ongeveer zoo als zij in den _Reinardus_ verhaald wordt[114]. Daar is van
+klokkengelui geene spraak: wel in de 9e fransche branche _Comme Renart
+fist Primaut prestre_, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest
+te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm[115], want er bestaat
+afwijking in de détails[116], hoewel het niet onmogelijk is dat dit
+verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door
+den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan
+een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10e branche,
+die eigenlijk het tweede deel der 9e is, was hem bekend, althans haar
+inhoud.
+
+In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij
+de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had,
+hetgeen herinnert aan de 3e fransche branche: _si comme Renart fist
+Ysengrin moine_.
+
+Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het
+Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20e
+branche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9-10e branche wordt dit
+geval ook in het breede verhaald, vs. 4333-4555, maar met afwijkende
+omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van
+Vermendois[117] (Rein., vs. 1514), noch van het kapoen dat de vos den
+priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet
+bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is,
+beduidt de vos hem »d'aller prendre des oies _chez un prêtre_,” zoo
+als ROTHE zegt[118]. Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder
+de hoede van een man, die vs. 4630 _le pastor_ genoemd wordt, welke
+uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting van ROTHE,
+die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan.”
+Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld
+van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met
+eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken.
+
+In de 18e branche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel
+overeenkomst heeft met het mnl. verhaal.
+
+Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik
+mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben;
+en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde.
+
+Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel,
+dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde,
+maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige
+karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering,
+of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de
+laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar
+de 26e branche werd omgewerkt en de 9-10e branche, hetzij dan in haar
+tegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten
+grondslag lag[119].
+
+Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr
+terugbrachten tot de 20e branche, zoodat daardoor het vermoeden geheel
+en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch
+stuk, het origineel zou zijn waarnaar onze _Reinaert_ werd bewerkt.
+
+En zoo vinden wij dan genoegsame reden om in den _Reinaert_, ondanks
+het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal,
+zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door
+het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,--een echt nationaal
+kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem
+mag dragen.
+
+Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed
+zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht.
+
+
+VIII.
+
+Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onze _Reinaert_ werd
+bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek
+de 20e (16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw
+geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden
+innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van
+hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen.
+Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het
+oorspronkelijke gedeelte van den _Reinaert_ te ontleenen, en wij
+zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze
+beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht
+moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo als
+GRIMM dacht[120], »schon in WILLEMS quelle gestanden haben, folglich
+nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen.”
+
+Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20e branche van
+MÉON, mag zijn.
+
+GAUTIER DE COINSI, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef,
+en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de
+Reinart-sage in Frankrijk was[121]; ja hij maakt eene toespeling
+waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft.
+
+ Plus volontiers oient un conte,
+ Ou une trufe, c'on lor conte,
+ Si con Tardius li limeçons
+ Lut et chanta les trois leçons
+ Sor la bière dame Coupée,
+ Que Renarz avoit escoupée[122];
+
+nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20e branche, vs. 10103 lezen:
+
+ Sire Tardis li limaçons
+ Chanta por cele trois leçons,
+
+namelijk voor Copée, die begraven werd.
+
+Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij
+haar ouderdom niet nader kunnen bepalen.
+
+De proloog van dat stuk luidt aldus:
+
+ Perroz qui son engin et s'art
+ Mist en vers fère de Renart
+ Et d'Ysengrin son chier conpère,
+ Lessa le miex de sa matère,
+ Quant il entr'oblia les plez
+ Et le jugement qui fu fez
+ En la cort Noble, le lion,
+ De la grant fornication
+ Que Renarz fist, qui toz max cove,
+ Envers dame Hersent, la love.
+
+Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene
+andere branche bekend was dan die, welke PIERRE DE SAINT-CLOUD bewerkt
+had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn, hoewel men
+uit de eerste regels zou kunnen opmaken, dat PIERRE reeds gestorven was
+toen de 20e branche in zijn trant werd omgewerkt.
+
+Omtrent PIERRE DE SAINT-CLOUD is weinig bekend. GRIMM schrijft: ȟber
+seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn
+des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche des _Roman d'Alexandre_,
+nemlich das testament, verfasst haben[123].”
+
+WILLEMS zegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde[124].”
+
+FAURIEL, de jongste schrijver over den _Roman du Renart_, in Frankrijk,
+laat zich daaromtrent aldus uit[125]:
+
+»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du
+Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps
+où vécut PIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir
+la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées
+avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée,
+on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIe
+siècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du
+XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne,
+du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage
+fréquemment cité de GAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne.
+Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous
+apprend rien de précis relativement à la date des premières productions
+de PIERRE DE SAINT-CLOUD sur le sujet de Renart. Il n'est pas impossible
+qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIe siècle; mais elles ne
+sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il que PIERRE DE
+SAINT-CLOUD est le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé
+au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme
+l'inventeur.”
+
+Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe
+nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch
+komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld.
+
+Tusschen 1150 en 1160 zag de _Roman du Rou_ het licht, en daarin heet
+het:
+
+ Alisandres fu rois poissans,
+ Doze règnes prist en doze ans:
+ Mult out terres, mult ot aveir,
+ Et rois fu de mult grant poeir;
+ Mez cil cunquest poi li valu,
+ Enveminez fu, si moru.
+
+Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de
+Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en
+wordt ook algemeen aangenomen[126].
+
+Op het Latijnsche gedicht van GAUTIER DE CHATILLON kunnen zij onmogelijk
+doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven[127].
+
+Een der branches der chanson d'Alexandre, en wel zoo als PARIS
+zegt[128], »l'une des meilleures branches de tout le récit,” heeft tot
+titel: _Signification de la mort d'Alexandre_, waarvan de inhoud aldus
+door denzelfden geleerde wordt opgegeven[129]:
+
+Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement
+du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre est _empoisonné_.”
+Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek van
+MAERLANTS _Alexander_[130].
+
+Nu moet het verwonderen, dat PAULIN PARIS ook deze branche rangschikt
+onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et
+demi,” van het oorspronkelijke werk van LAMBERT LI CORS en ALEXANDRE DE
+PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst[131], zoodat
+deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven[132]. Dit
+oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de
+eenige waarin de vergiftiging van ALEXANDER wordt verhaald, in de
+aangehaalde verzen van den _Roman du Rou_ bedoeld, en valt dus stellig
+vóór 1150.
+
+De schrijver nu dier branche was PIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in
+de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet
+veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn.
+
+Had hij reeds vóór de branche van den _Alexander_ een gedeelte der
+Reinaertsage bewerkt? In den _Alexander_ immers leest men:
+
+ Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal,
+ Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal[133].
+
+In de 11e (17e) branche bij MÉON, waarin PIERRE als de schrijver genoemd
+staat, wordt vs. 4935-5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan
+meester maakt....
+
+Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken.
+Vooreerst heet daar de haan nimmer _li gal_, maar altijd _li cos_, _le
+coc_, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al
+gewaagd wordt, vs. 4988,
+
+ De Chantecler qui cline l'ueil;
+
+zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311,
+
+ Si le me baille par le col;
+
+toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling
+in den _Alexander_ moet geluid hebben.
+
+Maar ook de 5e (3e) branche van MÉON behandelt hetzelfde onderwerp als
+de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt
+Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmer _li gals_, maar _li cos_
+heet, dat zij »cosin germain” zijn: hij weidt uit in den lof van
+Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en
+die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij
+geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle
+bijzonderheden bevat waarop de _Alexander_ zinspeelt:
+
+ Dist Chanteclers: »Renart, cosin, 1571.
+ Volez me prendre _par engin_.”
+ --„Certes, ce dist Renars, non voil,
+ Mès or chantez, _si clingniez l'oil_;
+ D'une char somes et d'un sanc,
+ Miex vodroie estre d'un pié manc
+ Que vos mesface tant ne qant,
+ Que tu es trop près mon parent.”
+ Dist Chanteclers: »Pas ne te croi:
+ Un poi detrai en sus de moi, 1580.
+ Et je dirai une chançon;
+ N'aura voisin ci environ
+ Qui bien n'entende mon fauset.”
+ Lors s'en est souriz Renardet,
+ Et dist Renars: »Chante, cousins:
+ Je sauré bien se Chanteclins,
+ Mes oncles, s'il vos fu noient.”
+ Lors encommence hautement,
+ Lors chanta Chanteclers un vers:
+ _L'un oil ot clos et lautre overs_, 1590.
+ Car moult forment cremoit Renart;
+ Sovent regarde cele part.
+ Ce dist Renars: »Ce n'est noient.
+ Chanteclins chantoit autrement,
+ A un lonc tret, à eulz cligniez,
+ C'on l'ooit d'outre les plessiez.”
+ Chanteclers cuide que voir die:
+ Lors commence sa melodie,
+ _Les eulz cligniez_ par grant aïr.
+ Lors ne volt plus Renart soffrir, 1600.
+ Par de desus un rouge chol
+ _Le prent Renart parmi le col._
+
+Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd. _Reinhart_,
+vs. 11-176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast
+aan het oude gedicht houdt[134], waarop het zich dan ook beroept,
+
+ Trover le poez en l'estoire, 1384.
+
+evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen:
+
+ Que se li livres nos dit voir
+ Où je trouve l'estoire escrite.
+
+Het schijnt dus, dat de toespeling uit den _Alexander_ niet op het
+gedicht van PIERRE DE SAINT-CLOUD ziet. Maar is werkelijk die 11e
+branche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin
+en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon.
+
+ Pierres qui de Saint-Clost _fu nez_, 4851.
+ S'est tant traveilliez et penez
+ Par proière de ses amis,
+ Que il nos a en rime mis
+ Une risée et un gabet
+ De Renart, qui tant set d'abet,
+ Le puant nain, le descréu,
+ Par qui out esté decéu
+ Tant baron que n'en sai le conte,
+ Dès or _commencerai_ le conte:
+ Se il est qui i voille entendre,
+ Sachiez moult i porra aprendre,
+ Si com _je cuit_ et com _je pens_,
+ Se à escouter met son sens.
+
+het slot luidt:
+
+ Ici fait Pierres remanoir
+ Le conte où se _volt_ traveillier,
+ Et lesse Renart conseillier.
+
+Of in een ander handschrift:
+
+ Chi fait Perrins remanoir
+ Le livre de Renart pour voir
+ Duquel s'est volus travillier:
+ Ysengrin laist à conseillier (_sic_);
+ Se par ce meschiet Ysengrin
+ Li blames en ert sus Perrin.
+
+Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de
+afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste
+eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten
+wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken,
+dat van PIERRE steeds in den derden persoon, en in den verleden tijd
+gesproken wordt, _fu nez_, _volt traveillier_, terwijl terstond daarop
+de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt
+aan te duiden.
+
+ROTHE zegt[135]: »D'abord, à la vérité, l'auteur semble parler de
+PIERRE DE SAINT-CLOUD à la troisième personne; mais le reste prouve
+assez que cette onzième branche est _précisément le poëme_ entier et
+isolé _de ce même_ PIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné
+ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart.”
+
+Dat wij hier den inhoud van PIERRES gedicht hebben, geef ik gereedelijk
+toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moeten
+_bewezen_ worden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van
+dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in
+den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van
+een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de
+geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt
+is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29e branche (MÉON, III, pag. 82):
+
+ Une estoire vueil commencier.
+ Qui durement fet à prisier;
+ Et grant bien i porriez aprendre
+ Se il vos i plest à entendre.
+ Or m'escotez sanz noise fère,
+ Que nus contes ne porroit plère
+ A home qui est trop noisous,
+ Mès de l'oïr soit covoitous:
+ Celi qui oïr le vorra,
+ Sachiez, grant profit i penra.
+
+En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten dat PIERRE DE SAINT-CLOUD
+zijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven dan
+WILLEMS het stelde. Dat de 11e branche een werk van de eerste helft der
+twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br.
+5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook
+ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft.
+Waarschijnlijk heeft juist _le livre_, dat in de slotvariant genoemd
+wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk van PIERRE
+bevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn,
+dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit den _Alexander_ op PIERRES
+gedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam van _le gal_ zal zijn
+genoemd.
+
+Of PIERRE meer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene
+branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de
+inleiding tot de 20e branche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen
+dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang,
+
+ Son engin et s'art
+ Mist en vers fère de Renart
+ _Et d'Ysengrin_,
+
+welke laatste in de besproken branche geene rol vervult.
+
+Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid,
+die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een
+rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere
+branche uitdrukkelijk aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven. In de
+plaats bij CHABAILLE[136] voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd.
+LE GRAND D'AUSSY en RAYNOUARD kennen hem ook nog, volgens GRIMM[137], de
+branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe; FAURIEL meent dat hij buiten de 11e alleen
+nog de 1e branche geschreven heeft[138]. Van de eerste en de vijfde is
+het stellig te bewijzen dat PIERRE die niet kan geschreven hebben. De 5e
+is misschien eene omwerking van zijn vroeger gedicht, gelijk wij reeds
+zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide
+deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1_b_
+weêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven
+dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668:
+
+ Que vos ice que ne savez,
+ _Fors seulement par oï dire_,
+ Li portez ne corroz ne ire.
+
+In branche 1 _ziet_ juist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br.
+11 beklaagt.
+
+De geheele redenering van FAURIEL berust op het niet goed begrijpen van
+de inleiding tot de eerste branche.
+
+Al wat wij dus van PIERRE DE SAINT-CLOUD weten, is, dat hij in de eerste
+helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons
+is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel.
+
+Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn
+dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven
+hebben. Zien wij, of wij de 20e branche zoo hoog kunnen opvoeren.
+
+GRIMM zegt van al de fransche branches[139]: »Sprache und ausdrucksweise
+tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh.”
+Intusschen leert de vergelijking met de werken van CHRESTIEN DE TROIES,
+dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der
+twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het
+geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt
+ondersteund.
+
+Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953:
+
+ „Or ont tant fet li losengier,
+ Qui de moi se volent vengier,
+ Que vos m'avoz jugié à mort;
+ Mès puis, sire, que rois s'amort
+ A croire les mauvès larrons,
+ Et il lesse les bons barons,
+ Et gerpist le chief por la qeue
+ Lors vet la terre à male veue.”
+
+Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op den _Guillaume
+d'Orange_. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeft _Li
+Moniages Guillaume_, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle
+deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende
+verwijt, vs. 5159:
+
+ „Rois, nus frans homs ne vos devroit amer,
+ Ne hennor fère, ne homage porter,
+ Quar les prodomes avez toz adosez
+ Et fors de France et chaciez et gitez,
+ Tolu lor terres et toz deshéritez:
+ Foui s'en sont de la terre esgarez,
+ Et lor enfant chétis et désertez;
+ Cil vos séussent le bon conseil doner,
+ Quar li preudome font lor seignor douter.
+ Mès li glouton, li losengier prové,
+ Li pautonnier, cil sont à vos remés,
+ Por lor losange les tenez en chierté;
+ Li losangier font les rois décliner
+ Et les hauz homes par lor bordes blasmer.
+ Rois, tu les as montez et alevez,
+ Or es por euls honiz et vergondez,
+ Ne jà por euls ne seroiz amontez.
+ Ne doit rois estre, ne corone porter,
+ Qui à garçon fet son conseil privé,
+ Mès les preudomes i doit-en apeler.”
+
+En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd:
+
+ „Tu as la terre empirée forment
+ Des gentix homes, des sages, des vaillanz,
+ Qu'ensus de toi as chacié laidement:
+ Désertez as les pères des enfanz.
+ Par les frans homes est li sires poissanz:
+ Tu n'en as nul de gentix ne de frans,
+ Perduz les as tot par ton malvès sens,
+ Dont tote France est tornée à torment.”
+
+Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met
+
+ „Les losangiers et les faus médisanz,
+ Les traïteurs et les glouz malcuidanz,
+ Ceus qui te servent de mençonges contant,
+ Que entor toi as tenu longuement.
+ Tu as doné t'onor et ton argent:
+ Por lor conseil seras-tu recréant,
+ Se Dex ne'l fet par son digne comment.
+ Qui bordes croit et losangier sovent
+ Au chief de tor, par mon chief, s'en repent.”
+
+De vergelijking van de uitdrukkingen in den _Renard_ en de aangehaalde
+regels uit den _Moniage_ zullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft
+in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht
+plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van
+den _Renard_.
+
+Van den _Moniage Guillaume_ bestaan twee redaktiën, waarvan de oudste
+tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt[140]. De
+jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen
+stellen omstreeks 1160[141]. De schrijver van de 20e branche van den
+_Renard_ had stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit
+aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van
+den _Renard_ komen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudste
+lezing[142]. Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks
+hetzelfde landschap, waar de dichter der 20e branche leefde, zoo als
+de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één
+voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug, _Moniage_,
+vs. 5672:
+
+ D'autre Martin lor convendra chanter[143]
+
+en _Renard_, vs. 10096,
+
+ Si parleron d'autre Martin.
+
+Veel jonger dan deze redaktie van den _Moniage_, schijnt zelfs het
+tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt.
+Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woord _geste_
+in de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk[144],
+en toch vinden wij het nog aldus gebezigd, _Renard_, vs. 11781:
+
+ Qui larron de pendre areste,
+ Toz jors het mès lui et sa jeste.
+
+Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespeling op dezelfde
+chanson de geste voor, vs. 11751:
+
+ Ainz que Tibaut soit crestiens,
+
+waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen
+Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in
+eene andere branche, vs. 16136, voorkomt[145].
+
+Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste
+tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de
+fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen.
+
+Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br.
+20_a_ zegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267:
+
+ Saluz te mande Noradins
+ Par moi qui sui bons pelerins,
+ Si te criément li paien tuit,
+ A pou que chascuns ne s'en fuit.
+
+Sultan Noureddin bloeide van 1149-1171, en stierf in 1173[146]. Mag men
+nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene
+satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen
+in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147-1149, kort
+daarna, althans vóór den derden tocht, 1189-1193, geschreven werd,
+toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde?
+Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa
+verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor
+Orientis, ac nostrorum terror,”[147] is het ondenkbaar, dat men zijn
+naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en
+onmogelijk kan daarom onze 20e branche na Saladijns optreden het licht
+hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn
+tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om
+de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van
+dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als
+men de betrekking tot PIERRE DE SAINT-CLOUD in het oog houdt, en het
+verband met den _Guillaume d'Orange_, dan zal het niet te gewaagd zijn
+de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En
+meent men den schrijver van 20_b_ nog zekere tijdruimte te moeten gunnen
+voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan
+zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175
+of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn.
+
+Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20_a_ in het derde, den
+schrijver van 20_b_, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het
+laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de
+grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid
+van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekkingen
+en veronderstellingen opgerezen; maar ik vertrouw, dat men daaraan
+eene hooge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontzeggen; en ik aarzel
+niet de hoop te uiten, dat mijne uitkomsten, die bij eene bloote lezing
+van mijn betoog wellicht voor eene subjektive opvatting kunnen worden
+aangezien, bij eigen aanschouwing en naauwkeurige toetsing der bronnen
+ook door anderen niet zullen worden gewraakt.
+
+Zien wij thans, wat wij omtrent den ouderdom der vlaamsche navolging van
+het fransche gedicht kunnen vaststellen.
+
+
+IX.
+
+Als de fransche branche, die kennelijk den vlaamschen _Reinaert_ tot
+model diende, eerst omstreeks het jaar 1180 is ontstaan, dan kan de
+navolging natuurlijk niet »omtrent den jare 1170” zijn geschreven, zoo
+als WILLEMS aannam[148], en ik vroeger op zijn voetspoor zocht te
+betoogen[149].
+
+WILLEMS zelf had die stelling eigenlijk al moeten opgeven, daar zij
+in strijd is met eene andere gissing door hem geopperd, en die veel
+waarschijnlijkheid heeft. De dichter van den _Reinaert_ had vroeger
+reeds den _Madoc_ geschreven, en WILLEMS vraagt, of men daarbij »niet
+zou mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc, zoon van
+Owen Guynnedd, prins van Wallis, die _omtrent den jare 1170_ America
+ontdekte?” en wiens wonderlijk verhaal van eene andere wereld men
+wellicht voor droomerijen hield[150].
+
+Maar zoo wij al het jaar 1170 moeten opgeven, het blijft de vraag, of
+wij thans geene andere tijdsbepaling kunnen vaststellen?
+
+SERRURE meent dat ons gedicht »tusschen de jaren 1200 en 1220
+geschreven” werd[151], maar geeft geene bepaalde reden op, waarom hij
+juist dit tijdperk aanneemt.
+
+Zoo ons ergens een licht kan opgaan omtrent den leeftijd van den
+vlaamschen dichter, dan moet het vooral zijn in de eigenaardige
+toevoegsels waarmede hij zijn origineel verrijkte. Toetsen wij daarom
+nogmaals de gronden die daaraan te ontleenen zijn.
+
+De namen van den deken Herman, die vs. 2717 (2737) voorkomt, of van
+meester Jufroet, vs. 2937 (2957), laat ik buiten rekening. WILLEMS
+ziet in den laatsten »_ongetwyfeld_ Godfredus Andegavensis, die in
+de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde[152];” maar dat _ongetwijfeld_
+is toch wat sterk, daar de woorden die Jufroet worden toegeschreven,
+niet in de werken van den genoemden Godfridus worden aangetroffen[153].
+En wat den eersten betreft, zegt WILLEMS zelf[154] alleen maar dat
+»GRIMM _vermoedt_ dat hier _kan bedoeld zijn_ Herman, abt van St.
+Marten te Doornik, een beroemd schryver van den aenvang der twaelfde
+eeuw.” Hoe dit vermoeden »veel waerschynlykheid” kan hebben, »daer paus
+Innocentius II met dezen Herman meermaels in onderhandeling geweest
+is”[155], verklaar ik niet te begrijpen. Ik meen, dat het verstandiger
+is GRIMMS slotopmerking[156] in het oog te houden: »aber es kann viele
+geistliche und decane dieses namens gegeben haben;” te gereeder, daar
+het vreemd zou zijn, dat de dichter, die zich, volgens WILLEMS' eigen
+opmerking[157], steeds binnen de grenzen van Vlaanderen beweegt, hier
+zou gedacht hebben aan een Doorniksch prelaat.
+
+De toespeling op een valschen munter, Reinout de Vries, vs. 2652 (2672)
+is te onbepaald om er bij stil te staan[158], hetgeen te meer is te
+betreuren, omdat wij hier waarschijnlijk eene kostbare aanwijzing zouden
+mogen vermoeden.
+
+In navolging van WILLEMS[159] heb ik[160] groot gewicht gelegd op de
+vermelding van Hulsterloo als gelegen in zoo groot eene wildernis, dat
+men in zes maanden er geen schepsel ontmoette, vs. 2565 (2589). SERRURE
+meent, dat er dit in den tekst ook niet staat, maar alleen »dat er _by
+Hulsterloo_ een bosch was[161].” Intusschen staat er duidelijk, vs. 2553
+(2578),
+
+ Int oostende van Vlaendren staet
+ Een bosch, ende heet Hulsterlo.
+ ....................
+ Een borne, heet Kriekepit,
+ Gaet suutwest niet verre dane;
+ ....................
+ Dats een die meeste wildernesse,
+ Die men hevet in enich rike.
+ Ic segghe u ooc ghewaerlike,
+ Dat somwilen es een half jaer,
+ Dat toten borne comet daer
+ No weder man nochte wijf,
+ No creature die hevet lijf.
+
+Wat beteekent dit nu? Er is een bosch dat Hulsterloo heet, d.i. het
+_Hulster bosch_; niet ver van daar staat eene bron: dat is de grootste
+wildernis, welke laatste woorden natuurlijk niet op de bron van
+toepassing zijn, maar op de streek _niet verre dane_. Met die opvatting
+strijdt ook niet, dat er later, vs. 2644 (2664), van dien Kriekepit
+gezegd wordt:
+
+ Ne staet hi niet bi Hulsterlo,
+ Up dien moer, in die woestine!
+
+Men ziet, hier is nog geene spraak van »een dorp,” waarvan ook in den
+giftbrief van Dirk van den Elzas van 1136 geen gewag gemaakt wordt, waar
+alleen staat »_illum locum_ qui dicitur Hulsterloe[162],” en in een
+document van 1139 wordt dit zelfs alleen genoemd »nonnulla terra in
+circuitu” van Saleghem[163]. Eerst in een brief van paus Innocentius
+II van 1141 wordt gewaagd van de »curtes et villas.... Hulst et
+Hulsterloe[164].” Blijkbaar was dus omstreeks 1141 Hulsterloo bewoond,
+en in 1156 wordt er kerkelijke dienst gedaan en begraven[165]. Daar het
+nu niemand zal invallen den Reinaert ouder dan 1140 te maken, daar hij
+minstens veertig jaren jonger is, blijkt het, dat de dichter, die van
+Hulsterloo spreekt als van een onbewoond, woest oord, hier geen toestand
+uit zijn eigen tijd heeft geschilderd. Waarschijnlijk maakte hij hier
+gebruik van eene bekende overlevering, die gewaagde van de woestenij van
+Hulsterloo ten tijde dat de valsche munter Reinout er huisde. Hoe lang
+kan zoodanige lokale overlevering, die minstens in het eerste kwart
+der twaalfde eeuw ontstaan schijnt[166], in levendig aandenken zijn
+gebleven? Dat is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar toch meen ik uit
+haar voortbestaan te mogen opmaken, dat de vlaamsche dichter niet zeer
+lang na de bekendwording van de fransche branche zijne navolging heeft
+vervaardigd.
+
+Tot dezelfde uitkomst schijnt men ook te geraken door de overweging, die
+WILLEMS het eerst bekend maakte[167], dat in den _Reinaert_ Vermandois
+tot Vlaanderen gerekend wordt, hetgeen eene waarheid was van 1163 tot
+1186, daar in dat tijdvak Filips van den Elsas gehuwd was met Isabella,
+erfdochter van Vermandois, waardoor dit laatste graafschap met
+Vlaanderen vereenigd werd tot op Isabella's dood.
+
+SERRURE merkt daarbij op[168]: »Indien die vereeniging der twee landen
+tot deze aenspeling (_sic_) aenleiding gaf, dan kon dit zoo wel by
+herinnering twintig of dertig jaren later, dan 1186 (tydstip der
+scheiding) geschieden.” Dit komt mij echter niet zeer waarschijnlijk
+voor. Ik geef toe, dat de herinnering aan het feit nog eenigen tijd kon
+voortduren; maar toch kon dit, dunkt mij, niet wel meer na den dood van
+Filips, die in 1191 voorviel, plaats grijpen; te minder, daar terstond
+daarop juist eene drieledige splitsing van Filips' nalatenschap plaats
+had[169]; waarbij het zuidelijk gedeelte van het graafschap, Atrecht,
+enz., van het noordelijke afgescheurd werd.
+
+Die vermelding dus van het land van Vermandois als binnen de grenzen van
+Vlaanderen gelegen, schijnt recht te geven om het ontstaan van onzen
+_Reinaert_ niet na 1191 te stellen; zoodat wij, in verband met het
+tijdperk waarin de fransche 20e branche in het licht verscheen, dat
+ontstaan tusschen de jaren 1180 en 1190 meenen te mogen stellen.
+
+Ik heb met WILLEMS[170] een bewijs voor de oudheid van onzen _Reinaert_
+meenen te vinden in de omstandigheid, dat een priester er als wettig
+gehuwd in wordt voorgesteld, welk gebruik omstreeks de helft der
+twaalfde eeuw verboden werd. SERRURE meent dat dit »geen stellig bewys”
+oplevert; »want,” zegt hij[171], »al is het waer, dat dit gebruik rond
+1150 eindigde, dan bestaet er toch een fransche fabliau, _Constant du
+Hamel_, welk men aen ENGUERRAND D'OISY toeschryft, en in allen gevalle
+tot de XIIIe eeuw behoort, waerin insgelyks van het wyf eens priesters
+gewaegd wordt.”
+
+De juiste ouderdom van dat fablel had moeten worden betoogd; want eene
+eenvoudige verwijzing naar DINAUX' _Trouvères Artésiens_ is niet
+voldoende.
+
+De eenige reden waarom DINAUX vermoedt dat het fablel van _Constant
+du Hamel_ aan ENGUERRAND D'OISY kon worden toegeschreven, is deze, dat
+hij overeenkomst van onderwerp, denkbeelden en stijl meent gevonden
+te hebben in dit gedicht en het aan gemelden trouvère toegekende
+stuk getiteld: _Le meunier d'Arleux_[172]. Die meening wordt echter
+door niets gestaafd, en er bestaat geen reden, om het oordeel en de
+naauwkeurigheid van DINAUX zonder nader bewijs te vertrouwen[173].
+
+Maar behoort dan werkelijk dat gedicht »in allen gevalle tot de XIIIe
+eeuw”? Hoe stellig die verzekering ook moge klinken, zij mist toch
+allen grond. Zoowel de inhoud als de stijl van het stuk[174] schijnt
+eer naar het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te verwijzen. Als ik
+mij niet bedrieg, heeft het verschillende familietrekken gemeen met
+sommige branches van den _Roman du Renard_, vooral met br. 20_a_. De
+overeenkomst van taal b.v. springt vooral in het oog, en ik wijs hier
+slechts op de uitdrukking »por le cor bieu,” vs. 354, 860, 863, die wij
+ook in br. 20_a_ aantroffen[175].
+
+Dat de schrijver met de dierensage bekend was, mag men opmaken uit de
+omstandigheid, dat hij aan een zijner personaadjes laat toevoegen, vs.
+355:
+
+ Tu sambles miex leu qu'autre beste,
+ De bras, de jambes et de teste;
+
+hetgeen op eene merkwaardige wijze herinnert aan de plaats uit GUIBERT
+DE NOGENT, vroeger aangehaald[176].
+
+Voor die bekendheid pleit ook de naam van den _vilain_ naar wien het
+geheele fablel genoemd is, _Constant_, met den bijnaam _du Hamel_.
+_Constant_ toch is de generieke naam voor de dorpers die eene rol in den
+franschen _Renart_ spelen.
+
+In de 5e (3e) branche heet hij _Constant des Noes_, vs. 1274, en evenzoo
+in de 19e (15e), vs. 8623; en de persoon zoowel als zijn rijkdom schijnt
+algemeen bekend geweest te zijn, daar er in de 26e (20e) branche, vs.
+15328 gesproken wordt van
+
+ Un vilain
+ Plus que Constanz des Noes riches.
+
+In de 4e (2e) branche, vs. 1190, heet hij:
+
+ Mesire Constans des Granges,
+ Uns vavasors bien aaisiez.
+
+Ook in het fablel _La vache au prestre_, bij MÉON, tom. III, Pag. 25,
+vs. 31, komt die naam voor[177].
+
+Meestal houdt men het er voor, dat de toenaam ontleend is aan den naam
+van het dorp waar die Constant leefde. Zoo denkt GRIMM aan »_les Noes_,
+ein alter ort in Champagne”[178]. DINAUX zoekt evenzoo in den naam _du
+Hamel_ dien van »une ancienne commune sur les confins de l'Artois et du
+Cambrésis”[179].
+
+Hier is het tegendeel duidelijk te bewijzen, daar het vs. 497 heet:
+
+ Tant qu'il entra enz où _hamel_.
+
+Uit den samenhang blijkt duidelijk, dat hier niet gedacht kan worden aan
+een »village, hameau bâti au milieu des champs,” zoo als ROQUEFORT het
+woord vertaalde; maar wel aan eene »habitation, petite ferme, maison de
+campagne seule dans les champs”[180]. Ik kies deze woorden, omdat het
+die zijn, waarmede ROQUEFORT het woord _mesnil_ verklaart, en dat woord
+in de 5e (3e) branche gebezigd wordt ter nadere aanduiding van Constants
+vrouw, die aldaar heet, vs. 1621:
+
+ La bone dame del mesnil.
+
+Wat nu den toenaam _Des Noes_ aangaat, ook die behoeft niet noodzakelijk
+aan een plaatsnaam ontleend te zijn. _Noes_ of _noue_ vertaalt ROQUEFORT
+door »eaux stagnantes, terrain bas et creux où l'eau séjourne; terres
+nouvellement mises en prés, pâturage ou prairie marécageuse.” Het komt
+dus geheel overeen met ons _Maerlant_[181], en _Constant_ kan even goed
+naar het terrein dat hij bewoonde zijn genoemd, als naar zijne woning.
+En blijkbaar is er slechts één persoon gemeend, die beurtelings heet
+_des Noes (du Mesnil), des Granges_ of _du Hamel_, van welke namen de
+drie laatste in beteekenis niet veel verschillen.
+
+Men ziet daaruit, dat het fablel door SERRURE als bewijs aangehaald,
+geschreven schijnt in den tijd waarin verschillende, en daaronder van
+de oudste, branches van den _Renart_ vallen, hetgeen veeleer naar de
+laatste helft der twaalfde dan naar de dertiende eeuw verwijst.
+
+Ook het gedicht _Du provoire qui menga les mores_ (LE GRAND D'AUSSY,
+tom. I, pag. 26*), waar in vs. 62 »la feme au prestre” voorkomt, is van
+geen jonger oorsprong, daar de dichter zelf verklaart dat hij het aan
+een voorganger, GUERINS, ontleent.
+
+Dit alles te samen trekkende, komt het ons nog altijd voor, dat de
+vlaamsche _Reinaert_ tot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet
+gebracht worden.
+
+Wij mogen intusschen geene vraag achterwege laten, wier beantwoording
+licht over ons onderwerp kan verspreiden.
+
+_Reinaert_ vs. 3347 (3367) wordt gewaagd van
+
+ Botsaerde, sconinx clerc:
+ Dat was hi, die hantwerc
+ Bet conste dan iemen die daer was.
+ Botsaert plach emmer dat hi las
+ Die lettren, die te hove quamen.
+
+GRIMM gist, dat »damit vielleicht auf einen Bochard von Avesnes gezielt
+wird, der um 1218 starb”[182].
+
+'t Is waar, Bouchard van Avesnes was _clerc_, en in zijne jeugd beroemd
+om zijne geleerdheid[183], en toch is 't niet mogelijk dat hij bedoeld
+kan zijn; want niemand zijner vrienden zelfs wist dat hij te Orleans tot
+den geestelijken stand was overgegaan; en toen dit omstreeks 1214 bekend
+werd, had hij te veel roem als wereldlijk ridder verworven, en bleek hij
+_een te groot zondaar_, daar hij den geestelijken stand ontloopen was,
+om nog als een wijze en geleerde klerk te worden voorgesteld.
+
+Bij het vermelden van Bouchards naam mocht iemand wellicht eenige
+overeenkomst vermoeden tusschen zijne geschiedenis en enkele trekken uit
+het laatste gedeelte van den _Reinaert_; maar bij eenige oplettendheid
+zal die overeenkomst in rook verdwijnen.
+
+Bouchard had den geestelijken stand verzaakt, en was met de vlaamsche
+gravendochter gehuwd. Paus INNOCENTIUS III leî hem tot boete op een
+pelgrimstocht naar Jerusalem te doen, en de gravin weêr aan hare
+bloedverwanten terug te geven. Bouchard volbracht het eerste deel van
+dat bevel; maar toen hij zijne vrouw en twee zonen terugzag, zegt men
+dat hij uitriep, zich liever in stukken te laten houwen dan het offer te
+volbrengen. Door den paus in den ban gedaan, kwam hij later in handen
+der wereldlijke macht, en werd in 1218 te Rupelmonde onthoofd.
+
+Ook Reinaert geeft althans voor »in vollen seende” gebannen te zijn, vs.
+2718 (2738) omdat hij Isengrijn geholpen had in het vaarwel zeggen van
+den geestelijken stand, bij zijne vlucht uit het klooster: daarom is hij
+»in spaeus ban,” vs. 2700 (2720), en hij wil naar Rome en »over see” om
+aflaat. Ook het terugzien van zijne vrouw en twee zonen schijnt hem van
+het opgevatte voornemen af te brengen, en hij besluit 's konings wraak
+te trotseren.
+
+Moet men niet erkennen, dat de overeenkomst tusschen het gedicht en de
+geschiedenis van Bouchard van Avennes hoogst gering is, waar de schijn
+van overeenkomst alleen geboren wordt als men alle karakteristieke
+bijzonderheden over het hoofd ziet? Ik voor mij aarzel geen oogenblik,
+alle toespeling op Bouchard van Avennes als hersenschimmig terug te
+wijzen, en als het meest waarschijnlijk aan te nemen, dat de vlaamsche
+_Reinaert_ tusschen de jaren 1180 en 1190 is ontstaan, gedurende de
+regering van Filips van den Elzas, aan wiens tijd de geheele toon van
+het stuk over het algemeen herinnert.
+
+Wil men volstrekt in den kapellaan Botsaert een historischen naam zien,
+dan vraag ik, of het niet de bisschop van Kamerijk van dien naam kan
+wezen, die tot op het jaar 1133 den bisschoppelijken zetel bekleedde, en
+herhaaldelijk in de diplomata bij MIRÆUS voorkomt?
+
+ * * * * *
+
+Thans moeten wij nog kortelijk onderzoeken, of uit het gedicht zelf
+geene aanwijzing te putten is, waar het werd geschreven. GRIMM was
+reeds getroffen door de »ganz flandrische färbung”[184] die er de
+eigenaardigheid van uitmaakt; op zijne vraag, of de mnl. dichter »die
+schon in seinem original vorfand, oder aus einheimischer tradition der
+thiersage hineinbrachte”? hebben, zoo ik hoop, de voorgaande bladzijden
+het antwoord gegeven.
+
+Maar in welk gedeelte van Vlaanderen ontstond dat uitstekend kunstwerk?
+SNELLAERT zegt: »Geheel het gedicht, zoowel het eerste als het tweede
+boek, moet in West-Vlaenderen zyn opgesteld”[185]. Met betrekking tot
+het gedeelte dat ons hier bezig houdt, haalt hij ten bewijze van den
+west-vlaamschen tongval aan de woorden _eeke_, _wulf_, _ghi dinct_ en
+_vroet_[186]. Maar is die uitspraak alleen aan West-Vlaanderen eigen?
+Mij dunkt, de oude schrijvers beantwoorden die vraag ontkennend. Er is
+echter meer. Zou een West-Vlaming het tooneel van zijn gedicht zoo bij
+voorkeur in Oost-Vlaanderen gelegd hebben? Zou hij met zulke voorliefde
+van het »soete lant van Waes” (vs. 2263) gesproken hebben? Hulsterloo,
+Absdal, Besele[187] liggen alle in dit »oostende van Vlaendren;” Hyfte,
+»thans geen dorp meer maer een gehucht by Desteldonk en Loochristy,”
+dat met Gent genoemd wordt, pleit evenzeer voor Oost- en niet voor
+West-Vlaanderen, zoowel als de abdij van Elmare, waar de wolf monnik zou
+worden. Is dit alles niet veel eer geschikt om de stelling aannemelijk
+te maken, dat ons gedicht op dien bodem is ontstaan?
+
+Wie de schrijver was, zal wel immer een geheim voor ons blijven, tenzij
+eenmaal de _Madoc_ werd terug gevonden, waaruit ons misschien eenig
+licht over zijn persoon mocht opgaan. Thans weten wij alleen, dat hij
+WILLEM heette, vroeger nog een gedicht had vervaardigd, wellicht »vele
+boeke,” en dat hij den _Reinaert_ op verzoek eener hoofsche vrouwe heeft
+gedicht.
+
+Het is te betreuren, dat er niet meer licht over zijne persoonlijkheid
+kan worden verspreid, daar hij zeker de voortreffelijkste dichter mag
+genoemd worden, die het graafschap Vlaanderen heeft opgeleverd; een
+dichter, begaafd met eene scheppende fantazie, en toegerust met een
+smaak zoo als maar zelden in de middeneeuwen, althans op het gebied van
+onze letterkunde, gevonden wordt.
+
+__________
+
+VOETNOTEN
+
+[1] _Reinhart Fuchs_, p. CL en CLXIII.
+
+[2] Zie ROTHE, _Les Romans du Renard examinés, analysés et comparés_,
+pag. 62 suiv.
+
+[3] I Dl., bl. 185-189. Verg. ook III Dl., bl. 584.
+
+[4] _Geschiedenis der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, bl. 143.
+
+[5] T. a. p. bl. 148-149.
+
+[6] Ik reken hier de uitgave van SNELLAERT niet eens meê, die slechts
+een herdruk van dien van WILLEMS is.
+
+[7] _Denkmäler altniederl. Sprache und Litteratur_, I, XXIX.
+
+[8] _R. F._, pag. CLIV.
+
+[9] _Denkmäler_, I, XLII in verband met XXXIV.
+
+[10] Over de uitlatingen zie men de kollatie bij onzen tekst. GRIMM
+neemt er ook achter 2470 (2494) eene aan (_R. F._, p. CLIV en 281), en
+werkelijk vindt men in de omwerking vier regels meer; maar het is niet
+waarschijnlijk dat zij ook in het ouder gedicht gestaan hebben, waar aan
+den zin niets ontbreekt.
+
+[11] _R. F._, bl. CXLIX.
+
+[12] _R. F._, bl. CLIV.
+
+[13] _R. F._, bl. CLIV: „Die vocalverhältnisse, womit es kaum eine mnl.
+hs. genau nimmt, habe ich nach grammatik und reimen festgesetzt.”
+
+[14] _Reinaert de Vos_, Voorbericht, bl. VIII.
+
+[15] Voorbericht, bl. VII.
+
+[16] Tweede uitgave, Nabericht, bl. 353.
+
+[17] „De drukfouten en verbeteringen, door W. aangegeven, zyn, op de
+behoorlyke plaetsen, de eenen geweerd, de anderen tusschen de noten
+ingevoegd. Hier en daer heb ik gemeend voor W. te moeten handelen
+namelyk.... op de vs. 1123, 1965, 3078.” Zoo leest men t. a. pl. (Ik
+bepaal mij tot den tekst van het oudste gedeelte.) Maar ook SNELLAERT
+schijnt niet zonder overhaasting te werk gegaan te zijn, want de
+verbetering op vs. 2091 door WILLEMS zelf aangegeven, „_bockine_, lees
+_hoekine_, dat is _bokjens_, en vergelyk MEYER'S _Leven van Jesus_, bl.
+336,” is vergeten op te nemen in de nieuwe uitgave. Zoo had ik gewild
+dat ook verbeterd waren de volgende stootende drukfouten: 1187 _leiden_
+(_beiden_), 1377 _vermerrende_, 1449 _en allen_, 1965 _dine[n] oge_,
+om van andere minder in het oog vallende niet te spreken. Stilzwijgend
+heeft SNELLAERT nog verbeterd 2252 _bi_ in _hi_, 2548 _wancost_ in
+_wanconst_; maar ook 861 _Dar_ in _Daer_, hetgeen blijkbaar _Dat_ had
+moeten zijn.
+
+[18] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXXI.
+
+[19] _Rechts Alterthümer_, bl. 14 vlgg. Zie ook NOORDEWIER, _Nederd.
+Regtsoudheden_, bl. 4-5.
+
+[20] Daaruit zou men mogen opmaken dat ook in de volgende plaatsen
+werkelijk een regel is uitgevallen: 1075 _wale_, (....), _tale_, _wale_;
+1085 _daghe_, _saghe_, (....), _maghe_; 1161 _Reinaert_, (....),
+_vaert_, _Reinaert_; 1861 _Bruneel_, (....), _butseel_, _Rosseel_;
+en dat het niet zijn „blykbaer drieregelige rymen, dergelyke men by
+onze ouden op meer plaetsen ontmoet,” zoo als WILLEMS aannam in het
+voorbericht op den _Reinaert_, bl. IX en ikzelf ook vroeger beaamde,
+_Mnl. Versbouw_, bl. 170.
+
+[21] Slechts op één punt ben ik daarvan afgeweken, namelijk in plaats
+van het pleonastische aanwijzend voornaamwoord _die_ achter het
+zelfstandig naamwoord, heb ik naar den mnl. regel het persoonlijke
+voornaamwoord gesteld, b.v. 107 Tibert die [hi] wart gram; 1079 sine
+herte die [soe] es; 1914, 1964, 2628 (2652), 2732 (2772), 2795 (2815),
+2999 (3019), 3093 (3113), 3352 (3372). Zoo heeft het hs. naar den regel:
+1246 _hi was gheraect_; 1644 _si riepen_.
+
+[22] _R. F._, pag. CLV.
+
+[23] Waar geen letter voor de lezing staat komt zij zoowel in het
+Comburgsche hs. (C) of bij GRÄTER, als in de uitgaven van GRIMM en
+WILLEMS voor. Gr. beteekent de uitgave van GRIMM, W. die van WILLEMS.
+Waar des laatsten voorletter ontbreekt is de verbetering reeds door hem
+aangebracht.
+
+[24] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXVI-XXVIII.
+
+[25] Zie het facsimile, dat KAUSLER met de wellevendste bereidwilligheid
+voor mij deed vervaardigen.
+
+[26] C. heeft, gelijk wij zagen: _die vele bouke maecte_; maar KAUSLER
+zegt, _Altniederl. Denkm._, Th. I, s. XLII: „Die Worte _vele bouke_ sind
+von einer spätern Hand an die Stelle eines ausgekratzten Wortes gesetzt,
+das, wie deutlich zu erkennen ist, kürzer war als die Interpolation,
+weshalb auch der Raum für diese nicht ganz reichen wollte.” Men ziet dit
+ook duidelijk in ons facsimile. Ik geef daarom in mijn tekst de voorkeur
+aan de lezing van den omwerker, waarvoor ook andere redenen pleiten; zie
+mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 189. In plaats van het
+_die Madock maecte_ van den omwerker, heb ik gesteld _die den Madoc
+maecte_, nadat ik naauwkeurig op het handschrift had uitgemeten dat het
+enkele woord _Madoc_ de plaats van het uitgewischte niet aanvulde, die
+juist wordt ingenomen door de woorden _dē Madoc_, in het schrift van den
+codex.
+
+[27] Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik herroep de geheele redenering
+die ik vroeger op den tekst van GRIMM en WILLEMS bouwde, _Gesch. der
+Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 191; gelijk ik alles terug neem wat daar over
+dit onderwerp staat, voor zoover het in strijd is met de rezultaten van
+mijn vernieuwd, dieper onderzoek, die ik in deze inleiding heb
+neêrgelegd.
+
+[28] Evenzoo heeft men een dubbel begin _Floris ende Blanc._ vs. 1 en
+28; maar de eerste 34 verzen van dat gedicht zijn waarschijnlijk het
+werk van een afschrijver.
+
+[29] _R. F._, pag. CVIII.
+
+[30] Verg. ROTHE, _Les Romans du Renard_, pag. 63.
+
+[31] Inleiding, bl. XLVI.
+
+[32] Uitgegeven onder den titel: _Sendschreiben an_ KARL LACHMANN,
+_ueber Reinhart Fuchs_, Leipzig 1840.
+
+[33] Inleiding, bl. XXXV.
+
+[34] Inleiding, bl. XXXV.
+
+[35] Bl. XXXIV. Vergelijk ook zijn Voorbericht, bl. VIII.
+
+[36] _R. F._, pag. CLI.
+
+[37] Inleiding, bl. XXXI.
+
+[38] Zie zijne _Geschiedenis der Letterkunde in het graefschap
+Vlaenderen_, bl. 147.
+
+[39] Verg. mijne _Gesch. der Mnl. Dichtk._, III Dl., bl. 358-359, in
+verband met bl. 361-363.
+
+[40] GRIMM heeft uit de beteekenis van den naam Reinaert (Raginohard),
+het vermoeden afgeleid, „dass die thierfabel vom fuchs und wolf den
+Franken bereits im 4. 5. 6. jh. bekannt war” (_R. F._, pag. CCXLII).
+Komt dit vermoeden niet te goede, dat reeds in de Salische wet de
+vossennaam als scheldwoord vermeld staat? In den XXX titel (bij MERKEL,
+pag. 17), _de conviciis_, heet het: „Si quis alterum _vulpe_ clamaverit,
+120 dinarios, qui faciunt solidos 3, culpabilis iudicetur.”
+
+[41] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, II Dl., bl. 61.
+
+[42] _R. F._, pag. CXCV-CXCVI.
+
+[43] Bij CHABAILLE, _Supplément au Roman du Renart_, pag. 1; zie ook
+ROTHE, _Les Romans du Renard_, pag. 150.
+
+[44] FAURIEL trekt ook uit de aangehaalde regels het natuurlijk besluit,
+dat „on traitait en prose des parties du cycle poétique de Renart.”
+_Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 941. Verg. ook GRIMM, _R.
+F._, pag. CXXXVIII.
+
+[45] _R. F._, pag. CXXI.
+
+[46] _Les Romans du Renard_, pag. 109-110.
+
+[47] Later, pag. 268-269 heet het nog sterker: „Il n'est guère douteux
+qu'il n'y ait eu des branches perdues entièrement et dont l'existence ne
+nous est révélée que par les allusions qui se trouvent dans ce que nous
+connaissons; il n'est guère douteux non plus que plusieurs des branches,
+ou des parties de quelques unes des branches du _Roman de Renart_
+ne soient que des reproductions, des réminiscences de compositions
+analogues antérieures, négligées et perdues dès qu'elles ont été
+remplacées par les versions plus récentes. Quoique nous soyons dans
+l'impossibilité de préciser exactement la date d'aucune des branches,
+quelques indices nous font cependant regarder les unes comme plus
+anciennes que les autres, et certes _il y en a un bon nombre qui
+remontent au douzième siècle_.”
+
+[48] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 906-907.
+
+[49] FAURIEL zegt er van, _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 891, dat het
+bevat: „des recherches qui n'ont laissé à désirer que ce qu'il était
+impossible de découvrir,...... une sagacité de critique qu'il est plus
+facile d'admirer que d'égaler.”
+
+[50] GRIMM volgt eene andere verdeeling: bij hem is de 20e branche de
+16e. Ik zal in het vervolg steeds de indeeling van MÉON en ROTHE volgen
+en de nummers van GRIMM er tusschen haakjes bijvoegen.
+
+[51] _R. F._, pag. CVIII.
+
+[52] _Sendschreiben an_ KARL LACHMANN, pag. 64.
+
+[53] _Les Romans du Renard_, pag. 61.
+
+[54] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 905.
+
+[55] _Les Romans du Renard_, pag. 260: „Parmi ces morceaux quelques uns
+se composent distinctement de deux parties, ce qui peut faire supposer
+qu'ils n'ont pas été faits d'un seul jet ni par un seul auteur, qu'une
+partie a pu être écrite antérieurement à l'autre, et que le dernier
+auteur n'a fait qu'une continuation, ou bien qu'il s'est borné à lier
+ensemble deux compositions antérieures.” Verg. ook GRIMMS _R. F._, pag.
+CL, in fine.
+
+[56] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 940.
+
+[57] _L. l._, pag. 903.
+
+[58] GRIMM, _R. F._, pag. CIX.
+
+[59] GRIMM stelt, _R. F._, pag. CXL, het oude fransche origineel „bald
+nach der mitte des 12 jh.,” maar ik ben overtuigd dat het veeleer ouder
+is, zoo als ons ook later nog zal blijken. GRIMM zelf stelt het Mhd.
+gedicht elders, _R. F._, pag. CCLV, iets ouder en wel „in das zweite,
+oder doch dritte viertel des 12 jh.”
+
+[60] _Les Romans du Renard_, pag. 70.
+
+[61] _R. F._, pag. CLI: „Wenigstens hat keins der jetzt erhaltenen
+franz. gedichte ansprüche darauf zu machen sein original zu sein.”
+En pag. CLVI zegt hij: „WILLAM schöpfte..... eingeständig aus franz.
+quelle, die uns untergegangen ist, selbst aber in der nähe des
+flämischen dichters, vielleicht in franz. Flandern und Artois
+entsprungen sein könnte.”
+
+[62] _Reinaert_, Inleiding, bl. XLII.
+
+[63] _R. F._, pag. CXXXIX.
+
+[64] _R. F._, pag. CXXXIX.
+
+[65] _R. F._, pag. CXLV.
+
+[66] _R. F._, pag. CXXVII.
+
+[67] _Les Romans du Renard_, pag. 261, cf. 173 suiv.
+
+[68] _Hist. Litter. de la France_, tom. XXII, pag. 917.
+
+[69] Een paar regels later heet het ook dat „Tardif les chadele.” Men
+ziet dat de vaandeldrager de aanvoerder is. Dit moge een nieuw bewijs
+zijn voor mijne stelling voorgedragen _Guillaume d'Orange_, tom. II,
+pag. 23, noot 4.
+
+[70] GRIMM noemde dit reeds: „nachahmung der todten henne,” _R. F._,
+pag. CXXVII.
+
+[71] Verg. ROTHE, pag. 183.
+
+[72] _R. F._, pag. CXXVIII. Verg. ook pag. CXXXVIII.
+
+[73] _Les Romans du Renard_, pag. 179-180. Verg. ook pag. 183.
+
+[74] L. c., pag. 184.
+
+[75] De grondfout van ROTHE bestaat daarin, dat hij geen onderscheid
+maakt tusschen de twee deelen der 20e (16e) branche; vandaar, dat hij
+tot een geheel verkeerd rezultaat kwam, omdat hij een verkeerden
+maatstaf aanlegde bij zijne redenering.
+
+[76] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 926.
+
+[77] Ziehier een paar staaltjes, die later nog met een sterksprekend
+zullen vermeerderd worden.
+
+Pag. 898 zegt hij van onzen oudsten Reinaert: „Cette rédaction.... ne
+paroît être que du XIVe siècle.... et elle ne peut guère avoir été
+fondée que sur des traditions orales venues d'ailleurs.”
+
+Pag. 899 heet het van den oudsten mhd. tekst van GLICHESÆRE, door
+GRIMM in zijn _Sendschreiben an_ LACHMANN uitgegeven: „Si ce fragment
+appartient à l'ouvrage perdu de GLICHESÆRE, ou à quelque autre, c'est
+un point que l'éditeur laisse dans l'incertitude(!!). Il ne dit rien
+non plus de l'époque où l'on peut en supposer la rédaction(!!).”
+
+Wellicht was hij in de war gebracht door de noot op pag. 61 van ROTHES
+werk, maar dat hij het _Sendschreiben_ zelf gelezen had durf ik stellig
+ontkennen.
+
+Hij geeft dikwerf ROTHES opmerkingen als zijne eigene beschouwingen. Zoo
+b.v. doet hij pag. 943 zien, dat het paard niet als handelende persoon
+in de gedichten over Renart voorkomt, omdat de andere dieren in den
+regel te paard rijden. Hetzelfde had ROTHE reeds gezegd, pag. 266.
+
+Over den _Couronnement_ handelende, doet hij pag. 936 zien, dat slechts
+eene verkeerde opvatting dit werk aan MARIE DE FRANCE toeschrijft, maar
+ROTHE had dit reeds duidelijk gemaakt, pag. 348.
+
+Dat de graaf van Vlaanderen, ter eere van wien de _Couronnement_ werd
+geschreven, WILLEM VAN DAMPIERRE is geweest, lijdt geen twijfel, en ook
+dit had ROTHE aangetoond vóór FAURIEL; maar als de laatste zegt, pag.
+936, dat op het punt van zijn dood in een steekspel, de dichter „nous
+en apprend quelque chose de plus que l'histoire,” dan heeft hij zijn
+voorganger niet goed ingezien, die pag. 340 de plaatsen der historici
+aanhaalt, waar van zijn ongelukkigen dood in een tornooi wordt gewaagd.
+Hetzelfde had hij kunnen vinden in WARNKŒNIGS _Hist. de la Flandre_,
+tom. I, pag. 252. En reeds de Vlaamsche Kronijk door KAUSLER uitgegeven,
+zegt vs. 5845:
+
+ Dese Willem was vul der edelheden,
+ Ende bleeft antierende twapenspel;
+ Maer harde curt het hem mesvel:
+ Want te Trengis in den tornoy
+ Waert doot ghedroomt die rudder moy,
+ Dies menich adde zwaer verdriet,
+ Dat hi dus vander weerelt sciet.
+
+[78] _Les Romans du Renard_, pag. 183.
+
+[79] GRIMM zegt, _R. F._, pag. CXXVIII: „Diese ganze branche von dem
+gelben fuchs und der gestörten hochzeit scheint mir uralt.”
+
+[80] _Les Romans du Renard_, pag. 182, note.
+
+[81] _R. F._, pag. CXXI. GRIMMS onderscheiding rust hoofdzakelijk op
+de opmerking, dat in het eerste gedeelte vos en wolf als oom en neef
+voorkomen: in het tweede heeten zij elkander „compère.” Ik voeg er bij,
+dat 353-4 Renart Isengrins hol niet kent, terwijl hij 241-336
+herhaaldelijk des wolfs woning bezocht had.
+
+[82] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CXXI.
+
+[83] _Les Romans du Renard_, pag. 297, note 1; cf. pag. 284, note 4.
+
+[84] Ook nog in eene jongere branche komt deze titel voor, vs. 13939.
+
+[85] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CLVIII, in fine.
+
+[86] Bij MÉON staat _li ors_, dat klinkklare onzin is.
+
+[87] _Les Romans du Renard_, pag. 174-175.
+
+[88] _R. F._, pag. CXXVI.
+
+[89] In een enkel handschrift is ook de 19e nog door eenige
+overgangsregels aan de 18e verbonden, zie ROTHE, pag. 285, note 1.
+
+[90] _Reinaert_, Inleiding, bl. XLII-XLIII.
+
+[91] De overeenkomst is niet geheel letterlijk, maar 't schijnt
+ontwijfelbaar dat de afschrijver hier knoeide, zoo als de rijmen en onze
+varianten uitwijzen.
+
+[92] Zoo b.v. ook GARIN, II, pag. 26:
+
+ Plévissez-moi, li Allemans Oris,
+ Et vous Girars _etc._
+
+Pag. 69:
+
+ Venez avant, li fis au duc Hervin,
+ Tenez ma nièce.
+
+[93] GRIMM, _R. F._, pag. CXLI.
+
+[94] Boven, bl. LIII-LXI.
+
+[95] Dezelfde eigenaardigheid treft men aan in de branches 20_a_-_b_ en
+21-22; niet in 19.
+
+Hetzelfde verschijnsel heeft ook ALF. ROCHAT opgemerkt in den
+_Percheval_ van CHRESTIENS DE TROIES; zie zijn boek getiteld: _Ueber
+einen bisher unbekannten Percheval li Galois_, pag. 179.
+
+[96] ROTHE, _les Romans du Renard_, zegt pag. 184: „Plusieurs
+considérations portent à faire regarder la vingtième branche comme la
+principale de toutes les rapsodies sur le sujet du Renard, comme le
+noyau du cycle, pour ainsi dire.”
+
+[97] Men lette op vers 648, waar het heet: _so men mi seide_.
+
+[98] Wellicht is echter dit en het voorgaande vers een inschuifsel.
+
+[99] _Les Romans du Renard_, pag. 176.
+
+[100] _R. F._, pag. CLII.
+
+[101] L. l. Zie ook WILLEMS, _Reinaert_, bl. 90, in de noot op vs. 2247.
+
+[102] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I D., bl. 139.
+
+[103] Ook in de branche die het derde deel van MÉON opent, komt
+hetzelfde denkbeeld, hoewel gewijzigd, voor.
+
+[104] _R. F._, pag. CXXXII.
+
+[105] Boven, bl. XXXVII.
+
+[106] Boven, bl. XXXVIII.
+
+[107] Verg. ROTHE, l. l., pag. 122.
+
+[108] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. LXXIV.
+
+[109] Het gebeurde met den wolf, vs. 10157-10166, houd ik voor een
+jonger toevoegsel, dat niet veel beteekent; ik kan dit niet met GRIMM,
+_R. F._, pag. CXXXIX, onder de „treffenden zügen” rekenen.
+
+[110] _Rijmkronijk van Vlaenderen_, uitg. door KAUSLER, vs. 3384.
+
+[111] Zie de aangehaalde _Rijmkronijk_, pag. 137 volg.
+
+[112] Verg. Dr. C. HOFMAN, _Ueber ein Fragment des Guillaume d'Orange_,
+pag. 42.
+
+[113] Zoo b.v. branche 20_b_, vs. 11607:
+
+ Dou poing li done tel bufet,
+ Del cul li fet saillir un pet.
+
+[114] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. LXXIV-LXXV.
+
+[115] Dat de 9e branche eene omwerking is blijkt vs. 3260, waar het
+heet:
+
+ Si con nos trovons en l'estoire.
+
+[116] Vs. 1498 echter, waarin gezegd wordt dat men
+
+ Waende dat die duvel ware,
+
+herinnert bepaaldelijk aan de fransche branche. Het vastbinden aan het
+klokkenzeel herinnert aan de 28e branche, waar Reinaert hetzelfde met
+Tibert doet.
+
+[117] In de 28e branche zegt R., vs. 20504:
+
+ Ge vois ou bois de _veneroi_,
+
+dat is, zoo als ROTHE (p. 217) terecht zegt: „aunaie, lieu planté
+d'aunes, autrefois appelés _vernes_.” Zou ons _Vermendois_ ook aan
+eene verwisseling met _veneroi_ kunnen doen denken? Ik acht dit noch
+aannemelijk noch waarschijnlijk.
+
+[118] _Les Romans du Renard_, pag. 137.
+
+[119] De 9-10e branche heeft zeer merkwaardige punten van overeenkomst
+met 20_a_. Zij schijnt in Artois geschreven (vs. 3827), de dichter
+zweert bij _le cuer bé_, vs. 4641, 4573. Intusschen heet de wolf daar
+niet _Ysengrin_, maar _Primaut_. Dat in het oudere stuk, waarop vs.
+3260 verwezen wordt, echter Ysengrin de hoofdrol vervulde, is zeer
+waarschijnlijk. Nog in de omwerking, vs. 3545, noemt Primaut Hersent
+_ma fame_, waarmeê ROTHE (pag. 134) geen weg wist. Zeer duidelijk blijkt
+de waarschijnlijkheid onzer stelling ook nog uit eene andere plaats. Vs.
+4555 heet het bij MÉON:
+
+ Vers la forez s'en va _le cors_:
+
+de daarop volgende regel,
+
+ Si a trouvé Renart _le rous_,
+
+leert dat het eerste rijmwoord moet zijn niet _le cors_, maar _li cous_;
+en dit is de gewone bijnaam van Ysengrin, die op Primaut niet van
+toepassing is. Ook in branche 23 (18) zegt de wolvin, vs. 13321:
+
+ Sire Ysengrin............
+ Or te pués vengier de ton pié,
+
+en dit is juist eene toespeling op een verhaal uit de 9-10e branche.
+Merkwaardig is het intusschen, dat ook hier de naam Primaut met dien
+van Ysengrin verwisseld wordt, b.v. vs. 13287, 13366, 13375. Dat er ook
+overeenkomst in andere uitdrukkingen tusschen beide branches is zagen
+wij boven (bl. LXVI).
+
+[120] _R. F._, pag. CLIX-CLX.
+
+[121] Zie de plaatsen bij MÉON, tom. I, pag. V, en bij GRIMM _R. F._,
+pag. CXCVII-CXCVIII.
+
+[122] Bij GRIMM, _R. F._, pag. CXCVIII.
+
+[123] _R. F._, pag. CXXXIX.
+
+[124] _Reinaert_, _Inleiding_, bl. XL.
+
+[125] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 907.
+
+[126] PAULIN PARIS, _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 95-96.
+
+[127] Zie _Hist. Litt. de la France_, tom. XV, pag. 100.
+
+[128] _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 102.
+
+[129] L. l., pag. 107.
+
+[130] Verg. mijne _Geschied, der Mnl. Dichtk._, II Dl., bl. 427-432.
+
+[131] Onmogelijk kan de _Alexander_ eerst tusschen 1180 en 1184
+geschreven zijn, zoo als dit heet in de _Hist. Litt. de la France_, tom.
+XV, pag. 121, 122, 163. Als met de _Isabella_, die in dat gedicht een
+verciersel voor Alexanders tent borduurt, gelijk men meent werkelijk de
+dochter van Boudewijn van Henegouwen bedoeld is, die in 1180 met den
+franschen koning Filips-Augustus huwde, dan schijnt dit latere omwerking
+of interpolatie te verraden.
+
+[132] _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 101.
+
+[133] Aangehaald bij GRIMM, _R. F._, pag. CXCVII.
+
+[134] GRIMM noemt de 5e (3e) branche terecht „vortreflich erzählt,” (_R.
+F._, pag. CXXII), en ik begrijp niet hoe ROTHE kon zeggen (pag. 127):
+„Le récit est un peu traînant.”
+
+[135] _Les Romans du Renard_, pag. 140.
+
+[136] _Supplément au Roman de Renart_, pag. 1; verg. ROTHE, pag. 150.
+
+[137] _R. F._, pag. CXXXIX.
+
+[138] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 908, 909, 910, 911.
+
+[139] _R. F._, pag. CXLI.
+
+[140] Zie mijn _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 178.
+
+[141] T. a. p., pag. 160.
+
+[142] Daar heet het, vs. 892, bij HOFFMANN, _Ueber ein fragment des
+Guillaume d'Orange_, s. 36:
+
+ Loeys fu à Paris sa maison:
+ Là se deduist à guise de bricon.
+ N'ot aveuc lui ne conte ne baron,
+ Ne duc ne prince, chevalier ne garson
+ Qui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton.
+ ........................
+ Les frans linages ot arrière boutés,
+ Et de sa terre et de sa cort osté,
+ Et des estranges ot-il fait ses privés:
+ Malvais conseil li ont tous jors doné,
+ Et son avoir et tolu et emblé;
+ Et si baron l'ont trestout adossé,
+ Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel,
+ Et sor tout chou li est mal encontré.
+
+[143] Ook in de _Chanson d'Herviz de Metz_ komt dezelfde uitdrukking
+voor, zie _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 596.
+
+[144] _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 185.
+
+[145] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. CXLI.
+
+[146] VON RAUMER, _Gesch. der Hohenstaufen_, II, pag. 319.
+
+[147] MEYERUS, _Annal. Flandriae_, Lib. VII, pag. 60.
+
+[148] _Reinaert_, Inleiding, pag. XVI.
+
+[149] _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 192-198.
+
+[150] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXIII-XXXIV.
+
+[151] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 143.
+
+[152] Aanteekening op vs. 2957, pag. 120 zijner uitgave.
+
+[153] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CLIX.
+
+[154] Aanteekening op vs. 2737, pag. 111 zijner uitgave.
+
+[155] T. l. a. pl.
+
+[156] _R. F._, pag. CLIX.
+
+[157] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXV.
+
+[158] Zie overigens GRIMM, _R. F._, pag. CLX.
+
+[159] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXVI-XXXVII.
+
+[160] _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 193 vlg.
+
+[161] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 142.
+
+[162] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 193, noot 2.
+
+[163] _Corpus Chronicorum Flandriae_, tom. I, pag. 709.
+
+[164] L. l., pag. 709.
+
+[165] Zie het verlof daartoe in mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I
+Dl., bl. 194, noot 1.
+
+[166] Werkelijk ontbrak het toen in Vlaanderen niet aan valsche munters.
+MEYERUS verhaalt, hoe Boudewijn Hapkin in 1111 allerlei misdadigers
+strafte, onder anderen ook „adolescens quidam nobilis,” die beesten
+gestolen had; „hunc arreptum una cum _duobus falsis monetariis_ in
+ferventem tinctoris lebetem dedit praecipitem.”
+
+[167] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXXV-XXXVI. Verg. mijne _Geschied. der
+Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 192-193.
+
+[168] _Geschied. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 141.
+
+[169] WARNKÖNIG, _Histoire de la Flandre_, tom. I, pag. 203-204.
+
+[170] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXIX; verg. mijne _Geschied. der Mnl.
+Dichtk._, I Dl., bl. 194.
+
+[171] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 143.
+
+[172] _Trouvères Artésiens_, pag. 150 en 154.
+
+[173] Een enkel, maar doorslaand bewijs. In hetzelfde werk, pag.
+293-299, schrijft hij, op voorgang van BARBAZAN en LE GRAND D'AUSSY,
+acht gedichten toe aan zekeren JEHAN DE BOVES, die, volgens den tekst
+van een dier gedichten zelf, er blijkbaar de schrijver _niet_ van was.
+
+In het fablel _des deux Chevaux_, bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 197,
+lezen wij:
+
+ Cil qui trova de Morteruel,
+ Et del mort vilain de Bailleul,
+
+en dan volgt de verdere opsomming der stukken aan JEHAN DE BOVES
+toegekend, waarop het dan verder heet:
+
+ (Cil)
+ D'un autre fablel s'entremet,
+ Qu'il ne cuida jà entreprendre;
+ Ne por mestre Jehan reprendre
+ De Boves, qui dist bien et bel,
+ N'entreprent-il pas cest fablel,
+ Quar assez sont si dit resnable;
+ Mès qui de fablel fet grant fable
+ N'a pas de trover sens legier.
+
+Dit kan nu wel niets anders beteekenen dan dit: „Hij, die de acht
+opgenoemde stukken geschreven heeft, waagt zich aan een ander gedicht,
+dat bij nooit gedacht had te zullen maken. Hij doet dit niet om het
+meester JEHAN DE BOVES te verbeteren (die dus blijkbaar hetzelfde
+onderwerp reeds behandeld had), want zijne sproken (_dit_) zijn vol pit;
+maar die zich op dichten toelegt kan niet altijd eene nieuwe stof vinden
+(_trover_).”
+
+DINAUX haalt alleen de vier eerste verzen aan (pag. 295), en wel om te
+bewijzen, dat de dichter „lui-même se rend assez ingénûment justice”!
+Buitendien vergeet hij zelfs van het vijfde der in die inleiding
+vermelde gedichten te gewagen.
+
+Wie nu de schrijver dier stukken is, weten wij niet, daar zijn naam met
+voordacht uit den codex door MÉON gevolgd schijnt te zijn weggelaten,
+zoo als blijkt uit den aanhef van het stuk _Dou lou et de l'oue_, l. l.,
+pag. 55, en evenzeer uit dien van _Brunain la vache au prestre_, l. l.,
+pag. 25.
+
+DINAUX' geheele redeneering op bl. 150 is ook eenvoudig maar uit LE
+GRAND D'AUSSY overgenomen, _Fabliaux ou Contes_, 3 éd., tom. IV, pag.
+256, en wel met overhaasting. LE GRAND zegt van de vrouw des priesters:
+»Dans le fabliau _du curé qui mangea des mûres_, il a été fait mention
+aussi de ces femmes de prêtres. Celle dont il s'agit ici (in den
+_Constant du Hamel_), quelques vers plus bas, est nommée _la
+prêtresse_.” DINAUX zegt: „Ce n'est point seulement dans ce fabliau
+qu'il est question des femmes des prêtres de cette époque; dans celui
+intitulé, _le curé qui mangea des mûres_, cette même singularité se
+représente, _et comme ici_, la femme du prêtre est appelée prêtresse.”
+Intusschen komt in 't stuk _du Curé_ etc., in de _Choix et extraits_
+achter LE GRANDS eerste deel, pag. 26, de uitdrukking niet voor. Dit is
+eene kleinigheid, maar men leert er de slordigheid van dat werk uit
+kennen.
+
+[174] Bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 296-326.
+
+[175] Zie boven, bl. LXVI.
+
+[176] Boven, bl. XLIV.
+
+[177] Daar heet de priester dien naam te dragen, maar de plaats schijnt
+niet geheel zuiver, en waarschijnlijk is er de vilain meê bedoeld.
+Dezelfde dichter kende ook den naam _Gombert_, die in de 19e en 20e
+branche van _Renart_ voorkomt, zie boven, pag. LXXXVI.
+
+[178] _R. F._, pag. CXLV.
+
+[179] _Les Trouvères Artésiens_, pag. 149.
+
+[180] Het is duidelijk ons _ham_, bij KILIAEN: domus, habitatio, maar
+dat ook, even als het fransche _hameau_, de beteekenis van dorp of
+gehucht gekregen heeft; verg. NOORDEWIER, _Regtsoudheden_, bl. 210.
+
+[181] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, III Dl., bl. 9-10.
+
+[182] _R. F._, pag. CCLVIII.
+
+[183] Verg. WARNKÖNIG, _Hist. de la Flandre_, tom. I, pag. 240.
+
+[184] _R. F._, pag. CLVI.
+
+[185] _Reinaert_, 2e druk, Nabericht, bl. 356.
+
+[186] _Vroet_, vs. 1899, verklaart hij door _verwoed_, _dol_; maar hoe
+zulk eene verklaring hier in den samenhang past, is mij volstrekt
+onbegrijpelijk.
+
+[187] GRIMM meende, _R. F._, pag. CLVII, ten onrechte, dat STOKE, II
+Dl., pag. 229, 238, 249, dezelfde plaats _Barsele_ noemde: de
+hollandsche schrijver heeft blijkbaar _Borselen_ op 't oog.
+
+
+
+
+VANDEN VOS REINAERDE.
+
+
+VANDEN VOS REINAERDE.
+
+
+ WILLEM, die den Madoc maecte,
+ Daer hi dicke omme waecte,
+ Hem vernoyede so haerde,
+ Dat davonturen van Reinaerde
+ In Dietsce onghemaket bleven, 5
+ (Die hi hier hevet vulscreven)
+ Dat hi die vite dede soeken,
+ Ende hise naden walscen boeken
+ In Dietsce dus hevet begonnen.
+ God moete ons siere hulpe onnen! 10
+ Nu keret hem daer toe mijn sin,
+ Dat ic bidde in dit beghin,
+ Beide den dorpren enten doren,
+ Oft si comen daer si horen
+ Dese rime ende dese wort, 15
+ Die hem onnutte sijn ghehort,
+ Dat sise laten ombescaven.
+ Te vele slachten si den raven,
+ Die emmer es al even malsc:
+ Si maken sulke rime valsc, 20
+ Daer si niet meer af en weten
+ Dan ic doe, hoe dat si heten,
+ Die nu in Babilonien leven.
+ Daetsi wel, si souts begheven.
+ Dan segghic niet dor minen wille; 25
+ Mijns dichtens ware een ghestille,
+ Ne hads mi ene niet ghebeden,
+ Die in groter hoveschede
+ Gherne keret hare saken:
+ Soe bat mi, dat ic soude maken 30
+ Dese avonture van Reinaerde.
+ Al begripic die grongaerde
+ Ende die dorpren entie doren,
+ Ic wille dat die ghene horen,
+ Die gherne pleghen der ere, 35
+ Ende haren sin daer toe keren,
+ Dat si leven hoofschelike,
+ Sijn si arem, sijn si rike,
+ Diet verstaen met goeden sinne.
+ Nu hort, hoe ic hier beghinne. 40
+ Het was in enen Sinxendaghe
+ Dat beide bosch ende haghe
+ Met groenen loveren waren bevaen:
+ Nobel, die coninc, hadde ghedaen
+ Sijn hof craieren over al, 45
+ Dat hi waende, hadde hijs gheval,
+ Houden te wel groten love.
+ Doe quamen tes coninx hove
+ Alle die diere, groot ende clene,
+ Sonder vos Reinaert allene. 50
+ Hi hadde te hove so vele mesdaen,
+ Dat hire niet ne dorste gaen:
+ Die hem besculdich kent ontsiet.
+ Also was Reinaerde ghesciet;
+ Ende hier omme scuwedi sconinx hof, 55
+ Daer hi in hadde cranken lof.
+ Doe al dat hof versamet was,
+ Was daer niemen, sonder die das,
+ Hine hadde te claghene over Reinaerde,
+ Den fellen metten roden baerde. 60
+ Nu gaet hier up ene claghe.
+ Isengrijn ende sine maghe
+ Ghinghen vor den coninc staen.
+ Isengrijn begonste saen
+ Ende sprac: »Coninc here, 65
+ Dor edelheit ende dor ere,
+ Dor recht, ende dor ghenade,
+ Ontfermt u miere scade,
+ Die mi Reinaert heeft ghedaen,
+ Daer ic af dicke hebbe ontfaen 70
+ Groten lachter ende verlies.
+ Vor al dandre ontferme u dies,
+ Dat hi mijn wijf hevet verhoert,
+ Ende mine kindre so mesvoert,
+ Dat hise besekede, daer si laghen, 75
+ Datter twee noint meer ne saghen,
+ Ende si worden staerblint:
+ Nochtan honedi mi sint.
+ Het was sint so verre comen,
+ Datter een dach af was ghenomen, 80
+ Ende Reinaert soude hebben ghedaen
+ Sine onsculde: ende also saen
+ Alse die heleghe waren brocht,
+ Was hi andersins bedocht,
+ Ende ontvoer in sine veste. 85
+ Here, dit kennen noch die beste
+ Die te hove sijn comen hier:
+ Mi hevet Reinaert, dat felle dier,
+ So vele te lede gedaen,
+ Ic weet wel, al sonder waen, 90
+ Ware al tlaken perkement,
+ Dat men maket nu te Ghent,
+ Inne ghescreeft niet daer an.
+ Dies swijghic nochtan;
+ Neware mijns wives lachter 95
+ Ne mach niet bliven achter
+ Onghebetert, no onghewroken.”
+ Doe Isengrijn dit hadde ghesproken,
+ Stont op een hondekijn, hiet Cortois,
+ Ende claghede den coninc in Fransois, 100
+ Hoet so aerm was, wilen ere,
+ Dat alles goets en hadde mere,
+ In enen wintre, in enen vorst,
+ Dan allene ene worst,
+ Ende hem Reinaert, die felle man, 105
+ Die selve worst stal ende nam.
+ Tibert, die cater, hi wart gram:
+ Aldus hi sine tale began,
+ Ende spranc midden in den rinc,
+ Ende seide: »Here coninc, 110
+ Dor dat ghi Reinaerde sijt onhout,
+ So en es hier jonc no out,
+ Hine hebbe te wroeghene jeghen u.
+ Dat Cortois claghet nu,
+ Dats over menich jaer ghesciet: 115
+ Die worst was mine, al en claghic niet.
+ Ic hadse bi miere list ghewonnen,
+ Daer ic bi nachte quam gheronnen
+ Omme bejach in ene molen,
+ Daer ic die worst in hadde ghestolen 120
+ Enen slapenden molenman.
+ Hadder Cortois iewet an,
+ Dat was bi niemene dan bi mi.
+ Hets recht dat omberet si
+ Die claghe, die Cortois doet.” 125
+ Pancer sprac: »Dinct u goet,
+ Tibert, dat men die claghe ombere?
+ Reinaert es een recht mordenere,
+ Ende een trekere, ende een dief:
+ Hine heeft ooc niemene so lief, 130
+ No den coninc, minen here,
+ Hine wilde dat hi lijf ende ere
+ Verlore, mocht hire ane winnen
+ Een vet morseel van ere hinnen.
+ Wat sechdi van omberen claghe? 135
+ En dedi ghistren in den daghe
+ Ene die meeste overdaet
+ An Cuwaerde, die hier staet,
+ Die noit enich dier ghedede?
+ Want hine, binnen sconinx vrede 140
+ Ende binnen sconinx ghelede,
+ Ghelovede te leerne sinen crede,
+ Ende soudene maken capelaen.
+ Doe dedine sitten gaen
+ Vaste tusschen sine been: 145
+ Doe begonstsi over een
+ Spellen ende lesen bede,
+ Ende lude singhen crede.
+ Mi gheviel, dat ic tien tiden
+ Ter selver stede soude liden. 150
+ Doe hoordic haerre beider sanc,
+ Ende maecte daerwaert minen ganc
+ Met ere harde snelre vaert:
+ Doe vandic daer meester Reinaert,
+ Die siere lesse hadde begheven, 155
+ Die hi te voren up hadde gheheven,
+ Ende diende van sinen ouden spele,
+ Ende hadde Cuwaerde bi der kelen,
+ Ende soude hem thooft hebben ghenomen,
+ Waer ic hem niet te hulpe comen 160
+ Bi aventure in dien stonden.
+ Siet hier noch die verssce wonden
+ Ende die tekine, her coninc,
+ Die Cuwaert van hem ontfinc.
+ Laetti dit bliven onghewroken, 165
+ Dat u verde es dus tebroken,
+ Ghine wreket, alse u manne wisen,
+ Men salt uwen kindren noch mesprisen
+ Hier naer, over wel menich jaer.”
+ --»Bi Gode, Pancer, ghi secht waer! 170
+ Sprac Isengrijn, daer hi stoet:
+ Waer Reinaert doot, het waer ons goet,
+ Also behoude mi God mijn leven!
+ Neware, wert hem dit vergheven,
+ Hi sal noch honen binder maent 175
+ Sulken, dies niet ne bewaent.”
+ Doe spranc up Grimbert, die das,
+ Die Reinaerts broeder sone was,
+ Met ere verbolghenlike tale:
+ »Here Isengrijn, men weet dat wale, 180
+ Ende hets een out bispel:
+ Viants mont seit selden wel.
+ Verstaet, nemt miere tale goom:
+ Ic wilde, hi hinghe an enen boom
+ Bi siere kelen, alse een dief, 185
+ Die andren heeft ghedaen meest grief.
+ Here Isengrijn, wildi anegaen
+ Soendinc, ende dat ontfaen,
+ Daer toe willic helpen gherne:
+ Mijn oom en salt ooc niet wernen; 190
+ Entie meest andren heeft mesdaen
+ Sal den andren in bate staen,
+ Van minen oom ende van u.
+ Al ne comt hi niet claghen nu,
+ Ware mijn oom wel te hove, 195
+ Ende stonde in sconincx love,
+ Here Isengrijn, als ghi doet,
+ En soude niemen dinken goet,
+ Ende ghine bleves onbegrepen,
+ Dat ghi sijn vel so hebt ghenepen 200
+ Dicwile met uwen scerpen tanden,
+ Dat hi niet ne conde gheanden.”
+ Isengrijn sprac: »Hebdi gheleert
+ An uwen oom dus lieghen apeert?”
+ --»In hebbe daer an niet gheloghen. 205
+ Ghi hebt minen oom bedroghen
+ Harde dicke in menegher wise:
+ Ghi misleettene vanden pladisen,
+ Die hi u warp vander kerren,
+ Doe ghi hem volghedet van verre, 210
+ Ende ghi die pladise uplaset;
+ Doe ghi u daer ane hadt versadet,
+ Ghine gaeft hem no goet no quaet,
+ Sonder allene een pladisengraet,
+ Die ghi hem te jeghen brochtet, 215
+ Dor dat ghine niet ne mochtet.
+ Sint hoondine van enen bake,
+ Die vet was, ende van goeder smake,
+ Dien ghi leit in uwen museel.
+ Doe Reinaert eschede sijn deel, 220
+ Antwordi hem in scerne:
+ »U deel willic u gheven gherne,
+ Reinaert, scone jonghelinc:
+ Die wisse, daer die bake an hinc,
+ Becnause, soe es so vet.” 225
+ Reinaerde was lettel te bet,
+ Dat hi den goeden bake ghewan,
+ In sulker sorghe dattene een man
+ Vinc, ende warp in sinen sac:
+ Dese pine ende dit onghemac 230
+ Hevet hi leden dor Isengrine,
+ Ende hondert werven mere pine.
+ Ghi heren, dinct u dit ghevoech
+ Nochtan, oft meer onghevoech,
+ Dat hi claghet om sijn wijf, 235
+ Die Reinaert hevet al haer lijf
+ Ghemint? so doet hi hare;
+ Al ne maecten sijt niet mare,
+ Ic dart wel segghen over waer,
+ Dat langher es dan VII jaer, 240
+ Dat Reinaert hevet hare trouwe.
+ Om dat Hersint, die scone vrouwe,
+ Dor minne ende dor quade sede
+ Reinaerde sinen wille dede,
+ Wattan? soe was sciere ghenesen: 245
+ Wat talen mach daer omme wesen!
+ Nu maket hier Cuwaert, die hase,
+ Ene claghe van ere blase;
+ Oft hi den Crede niet wel en las,
+ Reinaert, die sijn meester was, 250
+ Mochte in sinen clerc niet blouwen?
+ Dat ware onrecht, entrouwen!
+ Cortois claghet om ene worst,
+ Die hi verloos in enen vorst:
+ Die claghe ware bet verholen. 255
+ En hoordi dat soe was ghestolen?
+ Male quesite male perdite:
+ Om recht wert men qualic quite
+ Dat men hevet qualic ghewonnen.
+ Wie sal Reinaerde dat veronnen, 260
+ Dat hi ghestolen goet ghinc an?
+ Niemen die recht versceden can.
+ Reinaert es een gherecht man:
+ Sint dat die coninc sinen ban
+ Hevet gheboden, ende sinen vrede, 265
+ So wetic wel, dat hine dede
+ Dinc neghene, dan oft hi ware
+ Hermite ofte clusenare.
+ Naest siere huut draecht hi die hare.
+ Binnen desen naesten jare 270
+ Sone at hi vleesc, no wilt no tam;
+ Dat seide die ghistren dane quam.
+ Malcrois hevet hi begheven
+ Sijn casteel, ende hevet up heven
+ Ene cluse, daer hi leghet in. 275
+ Ander bejach, no ander ghewin
+ So wanic wel dat hine hevet,
+ Dan caritate, die men hem ghevet.
+ Hijs bleec ende magher vander pine;
+ Hongher, dorst, scerpe carine 280
+ Doghet hi vor sinen sonden
+ Recht te desen selven stonden.”
+ Doe Grimbert stont in deser tale,
+ Saghen si van berghe te dale
+ Canticleer comen ghevaren, 285
+ Ende brochte up ere bare
+ Ene dode hinne, hiet Coppe,
+ Dier Reinaert hadde bi den croppe
+ Hooft ende hals af ghebeten.
+ Dit moeste nu die coninc weten. 290
+ Cantecleer quam vore gaende,
+ Sine vederen sere slaende.
+ In wedersiden vander bare
+ Ghinc ene hane wide mare:
+ Die een hiet Cantaert, 295
+ Daer wilen na gheheten waert
+ Vrouwe Alenten goede hane;
+ Die ander hiet, na minen wane,
+ Die goede hane Craiant,
+ Die scoonste diemen vant 300
+ Tusschen Portaengen ende Polanen.
+ Elkerlijc van desen hanen
+ Droech een bernende stallecht,
+ Dat lanc was ende recht.
+ Daer waren Coppen broeders twee, 305
+ Die riepen owi ende wee.
+ Om haerre suster Coppen doot
+ Dreven si claghe ende jamer groot.
+ Pinte ende Sproete droeghen die bare:
+ Hem was te moede harde sware 310
+ Vander suster, die si hadden verloren.
+ Men mocht harde verre horen
+ Haerre tweer caerminghe.
+ Dus sijn si comen int ghedinghe.
+ Cantecleer spranc in den rinc, 315
+ Ende seide: »Here coninc,
+ Dor God ende dor ghenade,
+ Nu ontfarmet miere scade,
+ Die mi Reinaert heeft ghedaen,
+ Ende minen kindren, die hier staen 320
+ Sere tharen onwille.
+ Ten ingane van Aprille,
+ Doe die winter was vergaen,
+ Ende men sach die bloemen staen
+ Over al die velde groene, 325
+ Doe was ic fier ende coene
+ Van minen groten gheslachte:
+ Ic hadde jongher sonen achte,
+ Ende jongher dochtren sevene,
+ Dien wel luste te levene, 330
+ Die mi Rode die vroede
+ Hadde brocht tenen broede.
+ Si waren alle vet ende starc,
+ Ende ghinghen in een sconen parc,
+ Dat was beloken in ere mure; 335
+ Hier binnen stoet ene scure,
+ Daer vele honden toe horden.
+ Dat si menich dier fel scorden,
+ Dies waren mine kindre onvervaert.
+ Dit benijdde dus Reinaert, 340
+ Dat sire waren so vaste binnen,
+ Dat hire negheen ne conste ghewinnen.
+ Want Reinaert, die felle ghebure,
+ Hoe dicke ghinc hi om die mure
+ Ende leide ons sine laghen! 345
+ Alsene dan die honde saghen,
+ Liepen si na met haerre cracht.
+ Ene warf wart hi uptie gracht
+ Bi avonture daer belopen,
+ Dat ic hem sach een deel becopen 350
+ Sine diefte ende sinen roof,
+ Dat hem die pelse sere stoof.
+ Nochtan quam hi bi barate
+ Dane; dattene God verwate!
+ Doe waerwi sijns langhe quijt. 355
+ Sint quam hi als een hermijt,
+ Die moordadeghe dief,
+ Ende brochte mi seghele ende brief
+ Te lesene, here coninc,
+ Daer u seghele ane hinc. 360
+ Doe ic die letteren lesen began.
+ Dochte mi ghescreven daer an,
+ Dat ghi haddet coninclike
+ Over al uwen rike
+ Allen dieren gheboden vrede, 365
+ Ende ooc allen voghelen mede.
+ Ooc brochte hi ander niemare,
+ Ende seide, dat hi ware
+ Een begheven clusenare,
+ Ende hadde ghedoghet, twaren, 370
+ Vor sinen sonden meneghe pine;
+ Hi toochde mi palster ende slavine,
+ Die hi brochte vander Elmare,
+ Daer onder ene scerpe hare.
+ Doe sprac hi: »Here Cantecleer, 375
+ Nu moghedi wel vorwaertmeer
+ Van mi sonder hoede leven:
+ Ic hebbe bi der scole vergheven
+ Al vleesc ende vleeschsmout.
+ Ic bem vortmeer so out, 380
+ Ic moet miere siele telen.
+ Gode willic u bevelen!
+ Ic ga daer ic hebbe te doene:
+ Ic hebbe middach ende noene
+ Ende prime te segghene vanden daghe.” 385
+ Doe nam hi neven ere haghe
+ Sinen wech, ende tien ghescede
+ Ghinc hi lesen sinen crede.
+ Ic wart blide ende onvervaert,
+ Ende ghinc te minen kindrenwaert, 390
+ Ende was so wel al sonder hoede,
+ Dat ic ghinc met minen broede
+ Sonder sorghe al buten mure:
+ Daer gheviel mi quade avonture;
+ Want Reinaert, die felle saghe, 395
+ Was ghecropen dor die haghe,
+ Ende hadde die porte ondergaen:
+ Doe waert miere kindre saen
+ Een ghepronden uten ghetale,
+ Dat leide Reinaert in sine male. 400
+ Mesval mi doe nakede:
+ Want sint dat hise smakede
+ In sinen ghiereghen mont,
+ Ne conste ons wachtre nochte hont
+ No bewachten, no bescaermen. 405
+ Here, des laet u ontfaermen!
+ Reinaert leide sine laghe
+ Beide bi nachte ende bi daghe,
+ Ende roofde emmer mine kindre;
+ So vele es tghetal nu mindre, 410
+ Dant ghewone was te sine,
+ Dat die XV kindre mine
+ Sijn ghedeghen al tote viere,
+ So suver heeftse die onghiere
+ Reinaert in sinen mont verslonden: 415
+ Noch ghistren wart hem metten honden
+ Ontjaghet Coppe, die hinne mare,
+ Die hier leghet up deser bare.
+ Dit claghic u met groten sere:
+ Ontfaermt u mijns, wel soete here!” 420
+ Die coninc sprac: »Grimbaert
+ U oom, die clusenare waert,
+ Hi hevet ghedaen so goede carine!
+ Levic een jaer, het sal hem scinen.
+ Nu hort hier, Cantecleer, 425
+ Wat sal der talen meer?
+ U dochter leghet alhier verslegen:
+ (God moet haerre siele pleghen!)
+ Wine moghense niet langher houden,
+ (God moeter af ghewouden!) 430
+ Ende sullen onse vigilien singhen;
+ Daerna sullen wise bringhen,
+ Den lichame, ter eerden met ere.
+ Dan sullen wi met desen heren
+ Ons beraden ende bespreken, 435
+ Hoe wi ons best ghewreken
+ An Reinaerde van deser mort.”
+ Doe hi ghesprac dese wort,
+ Beval hi jonghen ende ouden,
+ Dat si vigilien singhen souden. 440
+ Dat hi gheboot was sciere ghedaen.
+ Doe mochtemen horen ane slaen
+ Ende beghinnen, harde ho,
+ Dat placebo Domino,
+ Ende die verse die daer toe horden. 445
+ Ic seide ooc, in waren worden,
+ Neware het ware ons te lanc,
+ Wie daer der siele vers sanc,
+ Ende wie die sielelesse las.
+ Doe die vigilie ghehent was, 450
+ Doe leidemen Coppen in dat graf,
+ Dat bi engiene ghemaket was,
+ (Onder die linde in een gras,)
+ Van marberstene, die slecht was:
+ Die letteren, die men daer ane sach, 455
+ Ane den sarc, die daer up lach,
+ Deden ane tgraf bekinnen,
+ Wie daer lach begraven binnen.
+ Dus spraken die boecstave
+ Anden sarc upten grave: 460
+ »Hier leghet Coppe begraven,
+ Die so wale conste scraven,
+ Die die vos Reinaert verbeet,
+ Ende haren gheslachte was te wreet.”
+ Nu leghet Coppe onder moude. 465
+ Die coninc sprac te sinen ouden,
+ Dat si hem alle bespraken,
+ Hoe si alrebest ghewraken
+ Dese grote overdade.
+ Doe wartsi alle te rade 470
+ Dat si den coninc rieden,
+ Dat hine soude ombieden,
+ Dat hi te hove soude comen;
+ No dor scade, no dor vrome
+ Ne liete, hine quame int ghedinghe, 475
+ Ende men Brunen van dien dinghe
+ Die bodscap soude laden.
+ Dies was hi sciere beraden,
+ Dat hi dus sprac te Bruun den bere:
+ »Here Bruun, dit segghic vor dit here, 480
+ Dat ghi dese bodscap doet:
+ Ooc biddic u, dat ghi sijt vroet,
+ Dat ghi u wacht van baraet;
+ Reinaert es fel ende quaet:
+ Hi sal u smeken ende lieghen, 485
+ Mach hi, hi sal u bedrieghen
+ Met valscen worden ende met sconen;
+ Mach hi, bi Gode, hi sal u honen.”
+ --»Here, seit hi, laet u castien!
+ So moete mi God vermalendien, 490
+ Oft mi Reinaert so sal honen,
+ Inne salt hem wederlonen,
+ Dat hijs an den dulsten si;
+ Nu ne sorghet niet om mi!”
+ Nu nemt hi orlof, ende sal naken 495
+ Daer hi sere sal mesraken.
+ Nu es Brune uptie vaert,
+ Ende hevet in siere herten onwaert,
+ Ende het dochte hem overdaet,
+ Dat iemen soude sijn so quaet, 500
+ Ende hem Reinaert honen soude.
+ Dor den keer van enen woude
+ Quam hi ghelopen in ene woestine,
+ Daer Reinaert hadde die pade sine
+ Ghesleghen crom ende menichfoude, 505
+ Also als hi uten woude
+ Hadde ghelopen om sijn bejach.
+ Beneden der woestinen lach
+ Een berch, hooch ende lanc,
+ Daer moeste Brune sinen ganc 510
+ Te middewaerde over maken,
+ Sal hi te Maupertuus gheraken.
+ Reinaert hadde so menich huus;
+ Maer die casteel van Maupertuus
+ Was die beste van sinen borghen: 515
+ Daer trac hi in, als hi in sorghe
+ Ende in node was bevaen.
+ Nu es Brune die bere ghegaen
+ Dat hi te Maupertuus es comen.
+ Doe hi die porte hevet vernomen, 520
+ Daer Reinaert ute plach te gane,
+ Doe ghinc hi vor die barbecane
+ Sitten over sinen staert,
+ Ende sprac: »Sidi in huus, Reinaert?
+ Ic bem Brune, des coninx bode, 525
+ Die hevet ghesworen bi sinen goden,
+ Ne comdi niet ten ghedinghe,
+ Ende ic u niet vor mi bringhe,
+ Recht te nemene ende te ghevene,
+ Ende in vrede vort te levene, 530
+ Hi doet u breken ende raden.
+ Reinaert, doet dat ic u rade,
+ Ende gaet met mi te hovewaert.”
+ Dit verhorde al nu Reinaert,
+ Die vor sine porte lach, 535
+ Daer hi vele te ligghene plach
+ Dor warmhede vander sonnen.
+ Bi der tale, die Brune heeft begonnen,
+ Bekenden altehant Reinaert,
+ Ende tart bet te dalewaert, 540
+ In sine donkerste haghedochte:
+ Menichfout was sijn ghedochte,
+ Hoe hi vonde sulken raet,
+ Daer hi Brune, den fellen vraet,
+ Te scerne mede mochte driven, 545
+ Ende selve bi siere ere bliven.
+ Doe sprac Reinaert over lanc:
+ »Uus goets raets hebbet danc,
+ Here Bruun, wel soete vrient;
+ Hi hevet u qualike ghedient, 550
+ Die u beriet desen ganc,
+ Ende u desen berch lanc
+ Over te lopene dede bestaen;
+ Ic soude te hove sijn ghegaen,
+ Al haddet ghi mi niet gheraden; 555
+ Maer mi es die buuc so gheladen
+ In so utermaten wise,
+ Met ere vremder niewer spise,
+ Ic vruchte, in sal niet moghen gaen:
+ Inne mach sitten no ghestaen, 560
+ Ic bem so utermaten sat.”
+ --»Reinaert, wat aetstu? wat?”
+ --»Here Brune, ic at cranke have,
+ Arem man dannes gheen grave:
+ Dat moghedi bi mi wel weten. 565
+ Wi arme liede, wi moeten eten,
+ Hadden wijs raet, dat wi node aten:
+ Goeder versscer honichraten
+ Hebbic coever harde groot:
+ Die moetic eten, dor den noot, 570
+ Als ic el niet mach ghewinnen.
+ Nochtan als icse hebbe binnen
+ Hebbicker af pine ende onghemac.”
+ Dit horde Brune, ende sprac:
+ »Helpe, lieve vos Reinaert, 575
+ Hebdi honich dus onwaert?
+ Honich es ene soete spise,
+ Die ic vore allen gherechten prise,
+ Ende vore allen gherechten minne.
+ Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne! 580
+ Edele Reinaert, soete neve,
+ Also langhe als ic sal leven
+ Willic u daer omme minnen:
+ Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne!”
+ --»Ghewinnen, Bruun? ghi hout u spot!” 585
+ --»In doe, Reinaert; so waric sot,
+ Hildic spot; neen ic niet.”
+ Reinaert sprac: »Bruun, mochtijs iet?
+ Oft ghi honich moghet eten,
+ Bi uwer trouwe, laet mi weten; 590
+ Mochtijs iet, ic souts u saden.
+ Ic sals u also vele beraden,
+ Ghine atet niet met u tiene,
+ Waendic u hulde daer met verdienen.”
+ --»Met mi tiene? hoe mach dat wesen? 595
+ Reinaert, hout uwen mont van desen;
+ Ende sijts seker ende ghewes,
+ Haddic al thonich, dat nu es
+ Tusscen hier ende Portegale,
+ Ic aet al up, tenen male.” 600
+ Reinaert sprac: »Wat sechdi?
+ Een dorper, heet Lamfroit, woont hier bi,
+ Hevet honich so vele, te waren,
+ Ghine atet niet in VII jaren.
+ Dat soudic gheven in u ghewout, 605
+ Here Bruun, wildi mi wesen hout,
+ Ende vor mi dinghen te hove.”
+ Doe quam Brune, ende ghinc gheloven
+ Ende sekerde Reinaerde dat,
+ Wildine honichs maken sat, 610
+ (Des hi cume ombiten sal)
+ Hi wilde wesen over al
+ Ghestade vrient ende goet gheselle.
+ Hier omme loech Reinaert, die felle,
+ Ende sprac: »Bruun, helet mare, 615
+ Vergave God, dat mi nu ware
+ Also bereit een goet gheval,
+ Alse u dit honich wesen sal,
+ Al wildijs hebben VII amen!”
+ Dese wort sijn hem bequame, 620
+ Bruun, ende daden hem so sochte!
+ Hi loech, dat hi nemmee ne mochte.
+ Doe peinsde Reinaert, daer hi stoet:
+ Bruun, es mi davonture goet,
+ Ic wane u daer noch heden laten, 625
+ Daer ghi lachen sult te maten.”
+ Na dit peinsen ghinc hi uut,
+ Ende sprac al overluut:
+ »Oom Bruun, gheselle, willecome!
+ Het staet so, suldi hebben vrome, 630
+ Hier ne mach sijn gheen langher staen.
+ Volghet mi, ic sal vore gaen:
+ Wi houden desen crommen pat.
+ Ghi sult noch heden werden sat:
+ Salt na minen wille gaen, 635
+ Ghi sult noch hebben, sonder waen,
+ Also vele alse ghi moghet ghedraghen.”
+ Reinaert meende van groten slaghen:
+ Dit was dat hi hem beriet.
+ Die keitijf ne wiste niet 640
+ Waer hem Reinaerts tale keerde,
+ Die hem honich stelen leerde,
+ Dat hi wel sere sal becopen.
+ Al sprekende quam dus ghelopen
+ Reinaert met sinen gheselle Brunen, 645
+ Tote Lamfroits, bi den tune.
+ Wildi horen van Lamfreide?
+ Dat was, eist waer so men mi seide,
+ Een temmerman van goeden love,
+ Ende hadde bi sinen hove 650
+ Ene eke brocht uten woude,
+ Die hi ontwee clieven soude,
+ Ende hadde twee wegghen daer in ghesleghen
+ Also temmermans noch pleghen.
+ Die eke was ontaen wel wide, 655
+ Dies was Reinaert harde blide.
+ Te Brunen sprac hi, ende loech:
+ »Siet hier u grote ghevoech,
+ Brune, ende nemt wel goom!
+ Hier in desen selven boom 660
+ Es honichs utermaten vele;
+ Proeft, oft ghijs in uwe kele
+ Ende in uwen buuc moghet bringhen.
+ Nochtan suldi u selven dwinghen,
+ Al dinket u goet die honichrate; 665
+ Etet te seden, ende te maten,
+ Dat ghi u selven niene verdervet:
+ Ic ware onteert ende ontervet,
+ Wel soete oom, mesquame u iet.”
+ Bruun sprac: »Reinaert, ne sorghet niet. 670
+ Waendi dat ic bem onvroet?
+ Mate es tallen spelen goet.”
+ --»Ghi secht waer, sprac Reinaert,
+ Waer omme bem ic ooc vervaert?
+ Gaet toe, ende cruupter in!” 675
+ Bruun peinsde om sijn ghewin,
+ Ende liet hem so verdoren,
+ Dat hire thooft over die oren
+ Ende die vordere voete in stac.
+ Reinaert poghede, dat hi brac 680
+ Die wegghen beide uter eken.
+ Dien hi te voren ghinc so smeken,
+ Hi bleef ghevanghen in den boom.
+ Nu hevet die neve sinen oom
+ Met looshede brocht in sulker achte, 685
+ Dat hi met liste, no met crachte,
+ In ghere wijs ne can ontgaen,
+ Ende bi den hoofde staet ghevaen.
+ Wat raeddi Brunen te doene?
+ Dat hi was sterc ende coene 690
+ Sal hem niet ghehelpen moghen.
+ Hi sach wel, hi was bedroghen:
+ Hi began briesscen ende dulen;
+ Hi was begrepen bi siere mulen
+ So vaste, ende bi den voeten vore, 695
+ Al dat hi pijnde was verloren;
+ Hine waende nemmermeer ontgaen.
+ Van verre was Reinaert ghestaen
+ Ende sach Lamfroit comen onsochte,
+ Die up sinen hals brochte 700
+ Een scarpe aex, ene baerde.
+ Hier moghedi horen van Reinaerde,
+ Hoe hi sijn oom ghinc rampineren:
+ »Oom Brune, vaste gaet mineren!
+ Hier comt Lamfroit, ende sal u scinken; 705
+ Haddi gheten, so soudi drinken.”
+ Na der tale so ghinc Reinaert
+ Weder te sinen castelewaert,
+ Sonder orlof; ende mettien
+ Hevet Lamfroit den bere versien, 710
+ Ende vernam, dat hi was ghevaen.
+ Doe ne was daer gheen langer staen,
+ Hine liep wech metter haest
+ Daer hi die hulpe wiste naest,
+ Daer dat naeste dorp stont, 715
+ Ende dede hem allen cont,
+ Dat daer stont ghevaen een bere.
+ Doe volchde hem een mekel here.
+ Int dorp ne bleef man no wijf:
+ Den bere te nemene sijn lijf 720
+ Liept al dat lopen mochte.
+ Sulc was, die enen bessem brochte,
+ Sulc enen vleghel, sulc een rake;
+ Sulc quam ghelopen met enen stake,
+ So si quamen van haren werke. 725
+ Selve die pape vander kerken
+ Brochte enen cruusstaf,
+ Die hem die coster node gaf.
+ Die coster droech ene vane,
+ Mede te stekene ende te slane. 730
+ Des papen wijf, vrouwe Julocke,
+ Quam ghelopen met haren rocke,
+ Daer soe omme hadde ghesponnen.
+ Vore hem allen quam gheronnen
+ Lamfroit met ere scarper aex. 735
+ Al hadde Brune lettel ghemaex,
+ Hi ontsach meer ongheval,
+ Ende sette al jeghen al
+ Doe hi dat geruchte horde.
+ Hi spranc up, so dat hem scorde 740
+ Van sinen ansichte al die huut.
+ Al brochte Brune dat hooft uut
+ Met arbeide ende met pine,
+ Nochtan liet hire vanden sinen
+ Een ore, ende beide sine lier. 745
+ Nie maecte God so lelic dier!
+ Hoe mochte hi seerre sijn mesrocht?
+ Al haddi thooft ute brocht,
+ Eer hi die voete conste ghewinnen,
+ Blever al die claeuwen binnen, 750
+ Ende sine hanscoen bede:
+ Dus gherochte hi uut met lede.
+ Hoe mochte hi sijn onteert meer?
+ Die voete waren hem so seer,
+ Dat hi tlopen niene conste ghedoghen. 755
+ Dat bloet liep hem over die oghen,
+ Dat hi niet wel ne conste ghesien:
+ Hine dorste bliven nochte vlien.
+ Hi sach, suut onder die sonne,
+ Lamfroit comen gheronnen; 760
+ Daer na die priester, die here,
+ Hi quam ghelopen vele sere;
+ Daer na die coster metter vane,
+ Daer na alle die prochiane,
+ Die oude liede metten jonghen. 765
+ Daer quam up haren stap ghespronghen
+ Sulke quene, die van oude
+ Cume een tant hadde behouden.
+ Wie so wille wachte hem dies;
+ Die scade hevet oft verlies 770
+ Ende groot ongheval,
+ Over hem so willet al.
+ Dit sceen aerm man Brunen wel:
+ Sulc dreichden nu an sijn vel,
+ Die des ghesweghen hadde stille, 775
+ Hadde Brune ghestaen tsinen wille.
+ Dit was beneden ere rivieren,
+ Dat Brune, onsalichst alre diere,
+ Van meneghen dorper was beringhet.
+ Doe was daer lettel ghedinghet. 780
+ Hem naecte groot onghemac:
+ Die een sloech, die ander stac,
+ Die een sloech, die ander warp:
+ Lamfroit was hem alte scarp.
+ Een, hiet Lottram lancvoet, 785
+ Hi droech enen verboorden cloet,
+ Ende stacken emmer na dat oghe;
+ Vrouwe Vulmaerte scerpe loghe
+ Ghinken koken met enen stave;
+ Abel Quac ende vrouwe Bave 790
+ Laghen beide onder voete,
+ Ende streden beide om enen cloete.
+ Ludmoer metter langer nese
+ Droech een loodwapper an een pese,
+ Ende ghincker met al omme swinghen. 795
+ Ludolf metten crommen vingheren
+ Dede hem allen te voren;
+ Want hi was best gheboren,
+ Sonder Lamfroit allene;
+ Hughe metten crommen benen 800
+ Was sijn vader, wet men wale,
+ Ende was gheboren van Absdale,
+ Ende was sone vrouwe Oghernen,
+ Ere houtmakerigge van lanternen.
+ Ander wijf ende ander man, 805
+ Meer dan ic ghenoemen can,
+ Daden Bruun groot onghemac,
+ So dat hem dbloet uut lac.
+ Brune ontfinc al sulc paiment
+ Als hem elc gaf daer omtrent. 810
+ Die pape liet den cruusstaf
+ Ghedichte gaen, slach in slach;
+ Ende die coster metter vane
+ Ghinc hem vastelike ane.
+ Lamfroit quam ter selver wile 815
+ Met ere scerper bilen,
+ Ende sloechene tusscen hals ende hooft,
+ Dat Brune wart sere verdooft,
+ Dat hi verspranc vanden slaghe
+ Tusscen der rivieren enter haghe, 820
+ In enen trop van ouden wiven,
+ Ende warper een ghetal van vive
+ In die riviere, die daer liep,
+ Die wel wijt was ende diep.
+ Des papen wijf wasser ene: 825
+ Des was spapen bliscap clene.
+ Doe hij sijn wijf sach in die vliet,
+ Doene luste hem langher niet
+ Brune te stekene no te slane.
+ Hi riep: »Siet, edele prochiane, 830
+ Ghinder vlot vrouwe Julocke,
+ Beide met spillen ende met rocke.
+ Nu toe! die haer helpen mach,
+ Ic gheve hem jaer ende dach
+ Vul pardoen ende aflaet 835
+ Van alre sondeliker daet.”
+ Beide man ende wijf
+ Lieten den armen keitijf
+ Brune ligghen over doot,
+ Ende ghinghen daer die pape gheboot, 840
+ Beide met stringhen ende met haken.
+ Die wile si die vrouwe uuttraken,
+ So quam Brune in die riviere
+ Ende ontswam hem allen sciere.
+ Die dorperen waren alle gram: 845
+ Si saghen, dat hem Brune ontswam,
+ Dat si hem niene mochten volghen;
+ Upt oever stonden si verbolghen,
+ Ende ghinghen na hem rampinieren.
+ Bruun, die lach in der rivieren, 850
+ Daer hi vant den meesten stroom,
+ Al drivende bat, dat God den boom
+ Moeste verdoemen ende verwaten,
+ Daer hi sijn ore in hadde ghelaten,
+ Ende beide sine lier. 855
+ Vort vloecte hi dat felle dier,
+ Den bosen vos Reinaerde,
+ Diene met sinen brunen baerde
+ So diepe in die eke dede crupen;
+ Daer na Lamfroit, vanden stupen, 860
+ Dat hi hem so lede dede.
+ In aldustanen ghebede
+ Lach Brune also langhe wile,
+ Dat hi wel ene halve mile
+ Vander stede was ghedreven, 865
+ Daer die dorpers waren bleven.
+ Hi was verpinet ende moede,
+ Ende ondercomen vanden bloede,
+ So dat hi hadde cranke vaert.
+ Doe swam hi te landewaert, 870
+ Ende croop ligghen in dat oever.
+ Ghine saghet noint droever
+ Negheen dier, no ghenen man.
+ Hi lach jammerlike ende stan,
+ Ende sloech met beiden sinen lanken: 875
+ Des mochte hi al Reinaerde danken.
+ Nu hort wat Reinaert heeft ghedaen:
+ Hi hadde een vet hoen ghevaen,
+ Bi Lamfroits, ander heiden,
+ Eer hi danen was versceiden: 880
+ Hi hadt up enen berch ghedreghen,
+ Verre uut allen weghen,
+ Daer het eenlic was ghenoech.
+ Dat was wel sijn ghevoech,
+ Dor dat daer was niemens ganc, 885
+ Ende hi dor niemens bedwanc
+ Sine proie dorste rumen.
+ Doe hi dat hoen toten plumen
+ Hadde gheleit in sine male,
+ Doe ghinc hi nederwaert te dale 890
+ Enen verholenliken pat.
+ Hi was utermaten sat;
+ Dat weder was scone ende heet:
+ Hi hadde ghelopen, dat hem tsweet
+ Neder seep neven die liere: 895
+ Daer omme liep hi ter rivieren,
+ Dor dat hi hem vercoelen soude.
+ In bliscap harde menichfoude
+ Was sine herte doe bevaen:
+ Hi hopede wel, al sonder waen, 900
+ Dat Lamfroit hadde den bere versleghen,
+ Ende hine thuuswaert hadde ghedreghen.
+ Doe sprac hi: »Hets mi wel ghevaren:
+ Die mi te hove meest soude daren,
+ Dien hebbic doot in desen daghe; 905
+ Nochtan wanic sonder claghe
+ Ende sonder wanconst bliven:
+ Ic mach te rechte bliscap driven.”
+ Doe Reinaert was in deser tale,
+ Sach hi nederwaert te dale, 910
+ Ende vernam Brune, daer hi lach;
+ Ende teerst, als hine sach,
+ Hadde hijs rouwe ende toren
+ (Daer die bliscap was te voren
+ Daer sach men toren ende nijt), 915
+ Ende sprac: »Vermalendijt,
+ Lamfroit, moet dine herte sijn:
+ Du best dulre dan een swijn,
+ Lamfroit, erger puten sone,
+ Lettel ere bistu ghewone. 920
+ Hoe es di dese bere ontgaen,
+ Die di te voren was ghevaen?
+ Hoe menich morseel leghet daer an,
+ Dat gherne etet menich man!
+ Owi, Lamfroit, verscroven druut, 925
+ Hoe rikelike een berehuut
+ Heefstu heden verloren,
+ Die di ghewonnen was te voren!”
+ Dit scelden hevet Reinaert ghelaten,
+ Ende ghinc neder bi der strate, 930
+ Dor te siene hoet Brunen stoet.
+ Doe hine sach ligghen, al een bloet,
+ Ende siec ende onghesont,
+ Den armen bere, te dier stont,
+ (Dat sach Reinaert harde gherne) 935
+ Doe bescalt hine te sinen scerne:
+ »Sire priester, dieu vo saut!
+ Kendi Reinaert, den ribaut?
+ Wildine scouwen? Sieten hier,
+ Den roden scalc, den fellen ghier! 940
+ Secht mi, priester, soete vrient,
+ Bi den here, dien ghi dient,
+ In wat ordinen wildi u doen,
+ Dat ghi draghet root capproen?
+ Sidi abt, so prihore? 945
+ Hi ghinc u harde na den oren,
+ Die u die crune hevet bescoren!
+ Ghi hebt uwen top verloren;
+ Ghi hebt u hanscoen af ghedaen:
+ Ic wane, ghi wilt singhen gaen 950
+ Van uwen complete dat ghetide.”
+ Dit horde Brune, ende wart onblide,
+ Want hine conste hem niet ghewreken
+ Hem dochte sine herte breken,
+ Ende sloech weder in die riviere. 955
+ Hine wilde vanden fellen diere
+ Nemmee horen tale.
+ Hi liet hem neder te dale
+ Metten strome driven te hant,
+ Ende ghinc ligghen up dat sant. 960
+ Hoe sal nu Brune te hove comen?
+ Al mocht hem al die werelt vromen,
+ Hine ghinghe niet over sinen voeten.
+ Hi was ghenoopt so onsoete
+ In die eke, daer hi te voren 965
+ Van tween voeten hadde verloren
+ Alle die claeuwen, ende dat vel,
+ Hine conste niet ghepeinsen wel,
+ Hoe hi best ten coninc gaet.
+ Nu hort hoe hi die vaert bestaet. 970
+ Hi sat over sinen hamen,
+ Ende began, met groter scame,
+ Rutsen over sinen staert;
+ Ende als hi dus moede waert,
+ So wentelde hi dan ene wile. 975
+ Dus dreef hi meer dan ene mile,
+ Eer hi tes coninx hove quam.
+ Doe men Brune daer vernam
+ In derre wijs van verre comen,
+ Wart getwifelt van hem somen 980
+ Wat daer quam ghewentelt so.
+ Dien coninc wart die herte onvro,
+ Die Brune bekende te hant,
+ Ende sprac: »Dits mijn seriant
+ Brune, hem es dat hooft so root, 985
+ Hi es ghewont toter doot;
+ Ai God, wie heeften so mesmaect?”
+ Bindesen so was Brune ghenaect,
+ Dat hi den coninc claghen mochte.
+ Hi stan, ende versuchte onsochte, 990
+ Ende sprac: »Coninc, edel here,
+ Wreket mi dor uus selves ere
+ Over Reinaert, dat felle dier,
+ Die mi mine scone lier
+ Met siere list verliesen dede, 995
+ Ende daer toe mine oren mede,
+ Ende hevet mi ghemaect alse ghi siet!”
+ Die coninc sprac: »Oft ic dit niet
+ Ne wreke so moetic sijn verdoemt!”
+ Ende hier na so hevet hi ghenoemt 1000
+ Alle die hogheste bi namen,
+ Ende omboot, dat si quamen
+ Alle gader an sinen raet,
+ Ende rieden hem hoe dese daet
+ Best werde gherecht, tes coninx ere. 1005
+ Doe rieden daer die meeste heren,
+ Dat menne twee waerf daghen soude,
+ Reinaert, oft die coninc woude,
+ Ende horen tale ende wedertale.
+ Ooc seiden si, si wilden wale 1010
+ Dat Tibert soude van desen
+ Te Reinaerde bode wesen:
+ Al ware hi cranc, hi ware vroet.
+ Dese raet dinct den coninc goet.
+ Doe sprac die coninc: »Here Tibeert, 1015
+ Gaet; ende eer ghi weder keert,
+ Besiet, dat Reinaert met u come!
+ Dese heren segghen some,
+ Al es Reinaert andren dieren fel,
+ Hi ghelovet u so wel, 1020
+ Dat hi gherne doet u raet.
+ En comt hi niet, hets hem quaet:
+ Men salne hanghen sonder daghen,
+ Te lachtre allen sinen maghen.
+ Gaet Tibert, dit secht hem!” 1025
+ --»Ai here, sprac Tibert, ic bem
+ Een arem wicht, een clene dier.
+ Here Brune, die sterc was ende fier,
+ Ne conste Reinaert niet ghewinnen:
+ In welker wijs sal ics beghinnen?” 1030
+ Doe sprac die coninc: »Here Tibeert,
+ Ghi sijt wijs, ende wel gheleert;
+ Al sidi niet groot, wattan?
+ Hets menich, die met liste can
+ Dat werken, ende met goeden rade, 1035
+ Dat hi met crachte niet ne dade.
+ Gaet, doet sciere mijn ghebod.”
+ Tibert sprac: »Nu helpe God,
+ Dat het mi moete wel vergaen!
+ Ic sal ene vaert bestaen, 1040
+ Die mi doet swaer in minen moet:
+ God ghevere mi af al goet!”
+ Nu moet Tibert doen die vaert,
+ Die sere es droeve ende vervaert.
+ Ende als hi upten wech quam, 1045
+ Sach hi van verre ende vernam
+ Sente Martins voghel, ende quam ghevloghen.
+ Doe wart hi vro, ende in hoghen,
+ Ende riep: »Al heil! edel voghel!
+ Kere herwaert dine vloghel, 1050
+ Ende vliech te miere rechter hant!”
+ Die voghel vlooch daer hi vant
+ Ene haghe, daer hi in wilde liden,
+ Ende vlooch Tibert ter luchter siden.
+ Dit tekin ende dit ghemoet 1055
+ Dochte Tibert niet wesen goet.
+ Hadde hi ghesien den voghel liden
+ Scone tsiere rechter siden,
+ So waendi hebben goet gheval;
+ Nu was hi dies onthopet al. 1060
+ Nochtan maecte hi hem selven moet,
+ Ende gheliet hem, alse menich doet,
+ Bet dan hem te moede was.
+ Dus liep hi henen sinen pas,
+ Tes hi quam te Maupertuus, 1065
+ Ende vant Reinaert in sijn huus
+ Allene staen, verwendelike.
+ Tibert sprac: »God, die rike,
+ Moete u goeden avont gheven!
+ Die coninc dreicht u an u leven, 1070
+ Ne comedi te hove niet met mi!”
+ Reinaert sprac: »Tibert, helet vri,
+ Neve, ghi sijt mi willecome;
+ God gheve u ere ende vrome:
+ Bi Gode, ic ans u harde wale! 1075
+ ....................
+ Wat cost Reinaerde scone tale?
+ Al seghet sine tonghe wale,
+ Sine herte soe es binnen fel.
+ Dit wert Tibert ghetoghet wel, 1080
+ Eer die line wert ghelesen
+ Tende; ende met desen
+ Sprac Reinaert: »Neve, ic wille dat ghi
+ Tavont herberghe hebt met mi,
+ Ende maerghen wilwi metten daghe 1085
+ Te hovewaert, sonder saghe.
+ ....................
+ In hebbe onder allen minen maghen
+ Niemen, Tibert, daer ic mi nu
+ Bet up verlate, dan up u 1090
+ Hier was comen Bruun, die vraet,
+ Hi toochde mi so fel gelaet,
+ Ende dochte mi so overstarc,
+ Dat ic omme dusent marc
+ Den wech met hem niet hadde bestaen: 1095
+ Dat sal ic met u, al sonder waen,
+ Maerghin metter dagheraet.”
+ Tibert sprac: »Hets beter raet,
+ Ende het dinct mi bet ghedaen,
+ Dat wi noch tavont te hove gaen, 1100
+ Dan wi tote maerghin beiden.
+ Die mane scinet ander heiden
+ Also claer alse die dach:
+ Ic wane niemen noint ne sach
+ Beteren tijt tote onser vaert.” 1105
+ --»Neen, lieve neve, sprac Reinaert,
+ Sulc mochte ons bi daghe ghemoeten,
+ Hi soude ons quedden ende groeten,
+ Die ons nemmer dade goet,
+ Quame hi snachts in ons ghemoet. 1110
+ Herberghet tameer met mi.”
+ Tibert sprac: »Wat souden wi
+ Eten, Reinaert, oft ic bleve?”
+ --»Daer omme sorghe ic, lieve neve.
+ Hets der spisen quade tijt: 1115
+ Ghi moghet eten, begheerdijt,
+ Een stic van ere honichraten,
+ Die bequamelic es te mate;
+ Wat sechdi, moghedi shonichs iet?”
+ Tibert sprac: »Mi ne roekes niet. 1120
+ Hebdi el niet in huus?
+ Gavedi mi ene vette muus,
+ Daer mede lietic u ghewaert.”
+ --»Ene vette muus? sprac Reinaert,
+ Soete neve, wat sechdi? 1125
+ Hier woont noch een pape bi,
+ Een scure staet an sijn huus,
+ Daer in es meneghe vette muus:
+ Ic waense niet ghedroeghe een waghen.
+ So dicke hordic den pape claghen, 1130
+ Dat sine driven uten huse.”
+ --»Reinaert, sijn daer so vette muse?
+ Vergave God, waer ic nu daer!”
+ --»Tibert (seit hi) sechdi waer?
+ Wildi muse?”--»Oft icse wille? 1135
+ Reinaert, doet dies een ghestille!
+ Ic minne muse vor allen saken.
+ Wetti niet, dat muse smaken
+ Bet dan enich venisoen?
+ Wildi minen wille doen, 1140
+ Dat ghi mi leet daer si sijn,
+ Daer mede mochti die hulde mijn
+ Hebben, al haddi minen vader
+ Doot, ende mijn gheslachte algader!”
+ --»Neve, houdi uwen spot?” 1145
+ --»Nenic, also helpe mi God!”
+ --»Weet God, Tibert, wistic dat,
+ Ghi soutter sijn noch tavont sat.”
+ --»Sat, Reinaert? Dat ware vele.”
+ --»Tibert, dat sechdi tuwen spele!” 1150
+ --»In doe, Reinaert, bi miere wet!
+ Haddic een muus, ende waer soe vet,
+ In gaefse niet omme een bisant!”
+ --»Tibert, gaet met mi te hant,
+ Ic leide u daer, ter selver stat, 1155
+ Daer icker u sal maken sat,
+ Eer ic nemmer van u sceide!”
+ --»Jaic, Reinaert, up die gheleide
+ Ghinghe ic met u te Mompelier.”
+ --»So gawi dan; wi sijn hier 1160
+ Al te langhe,” sprac Reinaert.
+ ..............
+ Doe so namen si up die vaert,
+ Tibert ende sijn oom Reinaert,
+ Ende liepen daer si lopen wilden, 1165
+ Dat si nic toghel up hilden
+ Eer si quamen tes papen scure,
+ Dic met cen erdinen mure
+ Al omme ende omme was beloken,
+ Daer Reinaert in was ghebroken 1170
+ Des ander daghes daer te voren,
+ Doe die pape hadde verloren
+ Enen hane, die hi hem nam.
+ Hier omme was tornich ende gram
+ Des papen sone Martinet, 1175
+ Ende hadde vor dat gat gheset
+ Een strec, den vos mede te vane:
+ Dus gherne wrake hi den hane.
+ Dit wiste Reinaert, dat felle dier,
+ Ende sprac: »Neve Tibert, hier 1180
+ Crupet in dit selve gat:
+ Ne weset traghe nochte lat;
+ Gaet al omme ende omme gripen.
+ Hort, hoe die muse pipen.
+ Keert weder uut als ghi sijt sat: 1185
+ Ic sal hier bliven vor dit gat,
+ Ende sal u hier buten beiden;
+ Wine moghen niet tavont sceiden:
+ Maerghin gaen wi te hovewaert.
+ Siet, dat ghi niet en spaert, 1190
+ Gaet eten, ende laet ons keren
+ Te miere herberghen met ere:
+ Mijn wijf sal ons wel ontfaen.”
+ --»Willic te desen gate ingaen?
+ Wat sechdi, Reinaert, eist u raet? 1195
+ Die papen connen vele baraet:
+ Ic besteecse harde node.”
+ --»Owi, Tibert, twi sidi blode?
+ Waen quam uwer herten dese wanc?”
+ Tibert scaemde hem, ende spranc 1200
+ Daer hi vant groot ongherec;
+ Want eer hijt wiste was hem tstrec
+ Omme sinen hals, harde vast.
+ Dus hoonde Reinaert sinen gast.
+ Alse Tibert gheware waert 1205
+ Des strecs, wart hi vervaert,
+ Ende spranc vort; dat strec liep toe.
+ Tibert moeste roepen doe,
+ Ende wroeghede hem selven, dor den noot:
+ Hi makede een gheroep so groot, 1210
+ Met enen jamerliken ghelate,
+ Dat Reinaert horde upter strate,
+ Buten, daer hi allene stoet,
+ Ende riep: »Vindise goet,
+ Die muse, Tibert, ende vet? 1215
+ Wiste nu dat Martinet,
+ Dat ghi ter taflen satet,
+ Ende dit wiltbraet atet,
+ Dat ghi verteert, in weet hoe,
+ Hi souder u saeuse maken toe: 1220
+ So hovesc een cnape es Martinet.
+ Tibert, ghi singhet inlanc so bet:
+ Pleecht men tes coninx hove des?
+ Vergave God, die gheweldich es,
+ Dat Isengrijn daer met u ware, 1225
+ Die felle dief, die mordenare,
+ In sulker bliscap als ghi sijt!”
+ Dus heeft Reinaert groot delijt
+ Dor Tiberts ongheval;
+ Ende Tibert stont ende gal 1230
+ So lude, dat Martinet ontspranc,
+ Ende riep: »Ha ha, God danc!
+ Ter goeder tijt heeft nu ghestaen
+ Mijn strec: ic hebber met ghevaen
+ Den hoenredief, na minen wane. 1235
+ Nu toe! gelden wi hem den hane!”
+ Mettesen wart hi toten viere,
+ Ende ontstac enen stroewisc sciere,
+ Ende wecte moeder ende vader,
+ Ende die kindre allegader, 1240
+ Ende riep: »Nu toe! hi es ghevaen!”
+ Doe mochtemen sien porren saen
+ Alle die in den huse waren;
+ Selve die pape ne wilde niet sparen, 1245
+ Quam uten bedde moedernaect.
+ Martinet, hi was gheraect
+ Tote Tibert, ende riep: »Hijs hier!”
+ Die pape spranc an dat vier
+ Ende ghegreep sijns wijfs rocke;
+ Een offerkersse nam vrouwe Julocke 1250
+ Ende ontstacse metter haest.
+ Die pape liep Tibert naest,
+ Ende ghinken metten rocke slaen.
+ Doe moeste Tibert daer ontfaen
+ Wel meneghen slach, al in een. 1255
+ Die pape stont, als hem wel sceen,
+ Al naect, ende sloech slach in slach
+ Up Tibert, die vor hem lach.
+ Daer ne spaerde haer negheen.
+ Martinet ghegreep een steen, 1260
+ Ende warp Tibert een oghe uut;
+ Die pape stont al bloter huut,
+ Ende hief up een groten slach.
+ Alse Tibert dat ghesach,
+ Dat hi emmer sterven soude, 1265
+ Doe dedi een deel als die boude,
+ Dat dien pape verghinc te scande:
+ Beide met claeuwen ende met tanden
+ Dedi hem pant, alsoet wel sceen,
+ Ende spranc dien pape tusschen die been, 1270
+ In die burse al sonder naet,
+ Daermen dien beiaert mede slaet.
+ Dat dinc viel neder up den vloer.
+ Die vrouwe was serich, ende swoer
+ Bi der siele van haren vader, 1275
+ Soe wilde wel, om algader
+ Die offerande van enen jare,
+ Dat niet den pape ghevallen ware
+ Dit vernoi ende dese scame.
+ Soe sprac: »In sleets duvels name 1280
+ Moeste dit strec sijn gheset!
+ Siet, lieve sone Martinet,
+ Dit was van uwes vader ghewande;
+ Siet hier mijn scade ende mine scande
+ Emmervort, in allen stonden. 1285
+ Al ghenase hi vander wonde,
+ Hi blivet ten soeten spele mat!”
+ Reinaert stont nochtoe vor tgat:
+ Doe hi dese tale horde,
+ Hi loech, dat hem bachten scorde, 1290
+ Ende hem crakede die taverne.
+ Doe sprac hi te haren scerne:
+ »Swighet, Julocke, soete vrouwe,
+ Ende laet sinken desen rouwe,
+ Ende laet bliven uwen toren. 1295
+ Wattan? al hevet u here verloren
+ Enen vanden clippelen sinen,
+ Al te mere so sal hi pinen.
+ Laet bliven dese tale achter;
+ Gheneset die pape, en es gheen lachter 1300
+ Dat hi ludet met ere clocken.”
+ Dus trooste Reinaert vrouwe Julocken,
+ Die haer harde sere mesliet.
+ Die pape ne mochte langher niet
+ Ghestaen; hi viel in onmacht. 1305
+ Soe hieffene up met haerre cracht,
+ Ende droechene recht te beddewaert.
+ Hier binnen keerde Reinaert
+ Allene ter herberghewaert,
+ Ende liet Tibert sere vervaert, 1310
+ Ende in sorghe vander doot.
+ Al was Tiberts sorghe groot,
+ Doe hise alle onledich sach
+ Over dien pape, die daer lach
+ Ghewont, doe ghinc hi hem pinen, 1315
+ So dat hi metten tanden sinen
+ Die pese midden beet ontwee.
+ Doe ne wildi letten nemmee
+ Ende spranc weder uten gate,
+ Ende dede hem uptie rechte strate, 1320
+ Die tes coninxwaert ghelach.
+ Eer hi daer quam so waest dach,
+ Ende die sonne begonste risen.
+ In eens arems siecs wise
+ Quam Tibert in thof gheronnen, 1325
+ Die tes papen hadde ghewonnen
+ Dat hi langhe claghen mach.
+ Alse die coninc dit versach,
+ Dat hi hadde dat oghe verloren,
+ Doe mochte men vreselike horen 1330
+ Dreighen den dief Reinaert.
+ Die coninc doe niet langher ne spaert,
+ Hine riep sine baroene te rade,
+ Ende vraechde, wat hi best dade
+ Jeghen Reinaerts overdaet? 1335
+ Doe wart ghindre menich raet,
+ Hoe men te reden brochte,
+ Die dese overdaet wrochte.
+ Doe sprac Grimbert die das,
+ Die Reinaerts broeder sone was: 1340
+ »Ghi heren, ghi hebt meneghen raet;
+ Al ware mijn oom noch also quaet,
+ Sal men vri recht vort draghen,
+ Men salne drie waerve daghen,
+ Also men doet een vrien man; 1345
+ Ende en comt hi niet dan,
+ So es hi sculdech alre dinc,
+ Daer af hi vor den coninc
+ Van desen heren es beclaghet.”
+ --»Wie wildi, Grimbert, datten daghet? 1350
+ Sprac die coninc, wie es hier
+ Die sijn oghe, ofte sijn lier
+ Wille setten in avonture
+ Omme ene felle creature?
+ Ic wane, hier niemen nes so sot.” 1355
+ Grimbert sprac: »Selp mi God!
+ Siet mi hier, ic bem so coene,
+ Dat ic wel dar bestaen te doene
+ Dese bodscap, ghebiedijt.”
+ --»Grimbert, gaet, ende sijt 1360
+ Vroet, ende wacht u jeghen mesval!”
+ Hi sprac: »Coninc here, ic sal.”
+ Dus gaet Grimbert te Maupertuus.
+ Als hire quam, vant hi in huus
+ Sinen oom, ende vrouwe Ermelinen, 1365
+ Die bi haren welpekinen
+ Laghen in die haghedochte;
+ Ende teerst dat Grimbert mochte
+ Groete hi sijn oom, ende siere moien.
+ Hi sprac: »En sal u niet vernoien 1370
+ Des onrechts, daer ghi in sijt?
+ Dinket u noch niet wesen tijt,
+ Dat ghi trect, oom Reinaert,
+ Tote des coninx hovewaert,
+ Daer ghi wel sere sijt beclaghet 1375
+ Ghi sijt drie waerve ghedaghet.
+ Vermerredi maerghin den dach,
+ So sorghic, dat u ne mach
+ Neghene ghenade mee ghescien.
+ Ghi sult ten derden daghe sien 1380
+ U casteel bestormen, Maupertuus;
+ Ghi sult gherecht sien vor u huus
+ Ene galghe ofte een rat.
+ Over waer segghic u dat,
+ Beide u kindre ende u wijf 1385
+ Sullen verliesen haren lijf,
+ Lachterlike, al sonder waen;
+ Ghine moghet selve niet ontgaen.
+ Daer omme es u die beste raet,
+ Dat ghi met mi te hove gaet: 1390
+ Hets messelic, hoet ghevallen mach.
+ U es dicke up enen dach
+ Vremder avonture ghevallen,
+ Dat ghi noch quite van hem allen
+ Met des coninx orlove 1395
+ Nochtan sciet uten hove.”
+ Reinaert seide: »Ghi secht waer.
+ Nochtan, Grimbert, come ic daer,
+ Onder des coninx ghesinde,
+ Dat ic binden hove vinde, 1400
+ Es up mi verbolghen al;
+ Quame ic dane, het ware gheval.
+ Nochtan dinct mi beter wesen
+ (Ghenese oft ic mach ghenesen,)
+ Dat ic met u te hove vare, 1405
+ Dan het al verloren ware,
+ Casteel, kindre ende wijf,
+ Ende daer toe mijns selves lijf.
+ In mach den coninc niet ontgaen;
+ Alse ghi wilt, so willic gaen. 1410
+ Hort, vrouwe Hermeline,
+ Ic bevele u die kindre mine,
+ Dat ghire wale pleghet nu:
+ Vor allen dandren bevelic u
+ Minen sone Reinaerdine: 1415
+ Hem staen wel die gaerdeline
+ An sijn muulkijn over al:
+ Ic hope, dat hi mi slachten sal.
+ Hier es Rosseel, een scone dief,
+ Die hebbic nochtan alse lief, 1420
+ Als iemen sine kindre doet;
+ Al eist, dat ic nu henen moet,
+ Ic salt mi nemen harde na,
+ Up dat ic mach, dat ic ontga.
+ Grimbert, neve, God moet u lonen.” 1425
+ Met hoofscen worden ende met sconen
+ Nam Reinaert an den sinen orlof,
+ Ende rumede sijns selves hof.
+ Ai hoe droeve bleef vrouwe Hermeline,
+ Ende hare clene welpekine, 1430
+ Doe Reinaert sciet uut Maupertuus,
+ Ende hi hof liet ende huus
+ Aldus omberaden staen!
+ Nu horet, wat hi heeft ghedaen.
+ Teerst dat hi quam ander heiden, 1435
+ Hi sprac te Grimbert, ende seide:
+ »Grimbert, scone wel soete neve,
+ Van sorghe suchtic ende beve.
+ Lieve neve, ic wille gaen
+ (Nu hort mine redene saen,) 1440
+ Te biechte hier te di:
+ Hier nes ander pape bi.
+ Hebbic mine biechte ghedaen,
+ Hoe so die saken mijn vergaen,
+ Mine siele sal te claerre wesen.” 1445
+ Grimbert antworde na desen:
+ »Oom, wildi te biechte gaen,
+ So moetti dan verloven saen
+ Alle diefte ende allen roof;
+ Oft en diet u niet een loof!” 1450
+ --»Dat wetic wel, sprac Reinaert,
+ Grimbert, nu hort haerwaert,
+ Ende vandet mi gheraden;
+ Siet, ic come u te ghenade,
+ Van algader miere mesdaet: 1455
+ Nu hort, Grimbert, ende verstaet:
+ Confiteor pater, mater,
+ Dat ic den otter ende den cater
+ Ende allen dieren hebbe mesdaen;
+ Daer af willic mi in biechte dwaen.” 1460
+ Grimbert sprac: »Oom, walschedi?
+ Oft ghi wilt, sprect jeghen mi
+ In Dietsche, dat ict mach verstaen.”
+ Doe sprac Reinaert: »Ic hebbe mesdaen
+ Jeghen allen dieren, die nu leven; 1465
+ Bidt Gode, dat hijt mi vergheve!
+ Ic dede minen oom Brunen
+ Al bloedich maken sine crune.
+ Tibert dede ic muse vaen
+ (Daer ickene sere dede slaen,) 1470
+ Tes papen, daer hi spranc int strec.
+ Ic hebbe ghedaen groot ongherec
+ Cantecleer, ende sinen kindren,
+ Waren si meerre ofte mindre,
+ Dicke makedicse los: 1475
+ Dor recht beclaghet hi den vos.
+ Die coninc en es mi niet ontgaen;
+ Ic hebbe hem toren ooc ghedaen,
+ Ende mesprijs der coninghinne,
+ Dat si spade sullen verwinnen 1480
+ Also vele ere van mi.
+ Ooc hebbic, dat segghic di,
+ Grimbert, liede mee bedroghen,
+ Dan ic di soude ghesegghen moghen.
+ Ende Isengrijn, dat verstaet, 1485
+ Hiet ic oom, dor baraet;
+ Ic maecten monc ter Elmare:
+ Dat wi beide begheven waren,
+ Dat wart hem al te siere pine.
+ Ic dede hem an dien clockelinen 1490
+ Binden beide sine voete:
+ Dat luden wart hem doe so soete,
+ Dat hijt emmer wilde leren:
+ Dat verghinc hem tonnere:
+ Want hi luudde so utermaten, 1495
+ Dat alle die ghinghen bi der strate,
+ Ende waren binder Elmare,
+ Waenden dat die duvel ware,
+ Ende liepen daer si luden horden.
+ Eer hi doe conste in corten worden 1500
+ Ghespreken: »Ic wille mi begheven,”
+ Hadsi hem na ghenomen tleven.
+ Sint dedic hem die crune gheven:
+ Hem machs ghedinken al sijn leven,
+ Dat wetic wel over waer. 1505
+ Ic dede hem bernen af dat haer,
+ So dat hem die swaerde cramp.
+ Sint dedic hem meerren scamp
+ Upt ijs, daer icken leerde visscen,
+ Daer hi niene conste ontwisscen: 1510
+ Hi ontfinker meneghen slach.
+ Sint leiddicken up enen dach
+ Tote des papen van ... blois.
+ In al dat lant van Vermendois
+ Sone woonde gheen pape riker. 1515
+ Die selve pape hadde enen spiker,
+ Daer menich vet bake in lach;
+ Des haddic dicke goet ghelach.
+ Onder dien spiker haddic een gat
+ Verhohenlike ghemaect: in dat 1520
+ Dedic Isengrijn incrupen;
+ Daer vant hi rentvleesc in cupen,
+ Ende baken hanghende vele.
+ Daer dedi dor sine kele
+ So vele gheliden utermaten, 1525
+ Als hi weder uten gate
+ Waende keren, uter noot,
+ Hem was die lede buuc so groot,
+ Dat hi beclaghede sijn ghewin.
+ Daer hi was comen hongherich in, 1530
+ Ne condi sat niet comen uut.
+ Ic liep, ic maecte groot gheluut
+ Int dorp, ende maecte groot gherochte;
+ Nu hort, wat ic daer toebrochte.
+ Ic liep al daer die pape sat 1535
+ Te siere taflen ende at.
+ Die pape hadde een cappoen:
+ Dat was dat alrebeste hoen
+ Dat men in al dat lant vant:
+ Hi was ghewent al toter hant. 1540
+ Dien prandic in minen mont
+ Vor die tafle, daer hi stont,
+ Al daert die pape toesach.
+ Doe riep die pape: »Nu vanc! slach!
+ Helpe, wie sach dit wonder nie? 1545
+ Die vos comt, daer ic toesie,
+ Ende rooft mi in mijns selves huus;
+ So helpe mi sancta spiritus!
+ Te wers hem, dat hire quam!”
+ Dat tafelmes hi upnam, 1550
+ Ende stac die tafle, dat soe vlooch
+ Verre boven mi harde hooch,
+ In middewaerde upten vloer.
+ Hi vloecte sere ende swoer,
+ Ende riep lude: »Slach ende va!” 1555
+ Ende ic vore, ende hi na.
+ Sijn tafelmes haddi verheven,
+ Ende brochte mi ghedreven
+ Up Isengrijn, daer hi stont:
+ Ic hadde dat hoen in minen mont, 1560
+ Dat harde groot was ende swaer;
+ Dat so moestic laten daer,
+ Wast mi leet ofte lief.
+ Doe riep die pape: »Ai, here dief,
+ Ghi moet den roof laten!” 1565
+ Ende ic ghinc miere strate
+ Dane, daer ic wesen woude.
+ Alse die pape upheffen soude
+ Dat hoen, sach hi Isengrine.
+ Doe naecte hem ene grote pine; 1570
+ Hi warpene int oghe metten messe.
+ Den pape volgheden si sesse,
+ Die alle met groten staven quamen:
+ Ende als si Isengrijn vernamen
+ Doe maecten si een groot gheluut, 1575
+ Ende die ghebure quamen uut,
+ Ende maecten grote niemare
+ Manlic andren, dat daer ware
+ In spapen spiker een wulf ghevaen,
+ Die hem selven hadde ghedaen 1580
+ Bi den buke in dat gat.
+ Als die ghebure ghevreischten dat,
+ Liepen si dat wonder bescouwen.
+ Aldaer wart Isengrijn teblouwen,
+ So dat hem ghinc al uten spele; 1585
+ Want hi ontfinker harde vele
+ Groter slaghe, ende groter worpe.
+ Daer quamen die kindre vanden dorpe,
+ Ende verbonden hem die oghen:
+ Het stont hem so, hi moest ghedoghen. 1590
+ So sere sloechsi ende staken,
+ Dat sine uten gate traken,
+ (Doe ghedoghedi vele onghevals)
+ Ende bonden hem an sinen hals
+ Enen steen, ende lieten gaen, 1595
+ Ende lietene dien honden saen,
+ Diene ghinghen bassen ende jaghen.
+ Ooc diende men hem met groten slaghen
+ So langhe, dat hi ghelove was.
+ Doe viel hi neder up dat gras 1600
+ Oft hi ware al steendoot.
+ Doe was dier kindre bliscap groot.
+ Ghindre was grote niemare.
+ Si leidene up ene bare,
+ Ende droeghene met groten ghehuke 1605
+ Over stene ende over struke.
+ Buten dorpe, in ene gracht,
+ Bleef hi ligghende al dien nacht:
+ Inne weet hoe hi dane voer.
+ Sint verwarvic, dat hi mi swoer 1610
+ Sine hulde een jaer al omtrent.
+ Dat dede hi up sulc convent,
+ Dat icken soude maken hoenre sat.
+ Doe leiddicken in ene stat,
+ Daer ic hem dede te verstane, 1615
+ Datter hinnen ende een hane
+ In een groot huus, an ere strate,
+ Up enen haenbalke saten.
+ Recht ere valdore bi,
+ Daer dedic Isengrijn bi mi 1620
+ Up dat huus clemmen boven:
+ Ic seide, ic wilde hem gheloven,
+ Wildi crupen in die valdore,
+ Dat hire soude vinden vore
+ Van vetten hoenren sijn ghevoech. 1625
+ Ter valdore ghinc hi ende loech,
+ Ende croop daer in met vare,
+ Ende began tasten harentare.
+ Hi taste, ende als hi niet en vant
+ Sprac hi: »Neve, hets hier bewant 1630
+ Te sorghe: ic ne vinder niet.”
+ Ic sprac: »Oom, wats ghesciet,
+ Cruupter een lettel bet in:
+ Men moet wel pinen omme ghewin;
+ Ic hebse wech, diere saten vore.” 1635
+ Dus so liet hi hem verdoren,
+ Dat hi die hoenre te verre sochte.
+ Ic sach, dat icken honen mochte,
+ Ende hoonden so, dat hi voer
+ Vant dac boven upten vloer, 1640
+ Ende gaf enen groten val,
+ Dat si ontspronghen overal,
+ Die daer in den huse sliepen.
+ Die bi den viere laghen, si riepen
+ Dat ware in huus, sine wisten wat, 1645
+ Ghevallen dor dat viwergat.
+ Si worden up, ende ontstaken lecht:
+ Doe sine daer saghen, echt
+ Wart hi ghewont toter doot.
+ Ic hebben brocht in menegher noot, 1650
+ Meer dan ic ghesegghen mochte.
+ Nochtan, al dat ic nie ghewrochte
+ Jeghen hem, so ne roeke ic niet
+ So sere, als dat ic verriet
+ Vrouwe Hersinde, sijn scone wijf, 1655
+ Die hi liever dan sijns selfs lijf
+ Hadde: God moet mi vergheven!
+ Haer dedic, dat mi liever bleven
+ Ware te doene, dant es ghedaen.”
+ Grimbert sprac: »Oft ghi wilt gaen 1660
+ Claerlike te biechte tote mi,
+ Ende sijn van uwen sonden vri,
+ So suldi spreken ombedect.
+ In weet, werwaert ghi dit trect:
+ »Ic hebbe jeghen sijn wijf mesdaen.” 1665
+ Oom, dat en can ic niet verstaen,
+ Waer ghi dese tale keert.”
+ Reinaert sprac: »Neve Grimbeert,
+ Ware dat hoofschede groot,
+ Oft ic hadde gheseit al bloot: 1670
+ Ic hebbe gheslapen bi miere moien?
+ Ghi sijt mijn maech, u souts vernoien,
+ Seidic eneghe dorperheit.
+ Grimbert, nu hebbic gheseit
+ Al dat mi mach ghedinken nu: 1675
+ Geeft mi aflaet, biddic u,
+ Ende settet mi dat u dinct goet.”
+ Grimbert was wijs ende vroet:
+ Hi brac een rijs van ere haghe,
+ Ende gaffer hem mede XL slaghe 1680
+ Over alle sine mesdade.
+ Daerna, in gherechten rade,
+ Riet hi hem goet te wesene,
+ Te wakene, ende te lesene,
+ Te vastene, ende te vierne, 1685
+ Ende te weghe waert te stierne
+ Die hi buten weghe saghe:
+ Ende hi vort alle sine daghe
+ Bescedenlike hem soude gheneren.
+ Hierna so dedi hem versweren 1690
+ Beide roven ende stelen.
+ Nu moet hi siere siele telen,
+ Reinaert, bi Grimberts rade,
+ Ende ghinc te hove, up ghenade.
+ Nu es die biechte daer ghedaen. 1695
+ Die heren hebben den wech bestaen
+ Tote des conincs hovewaert.
+ Nu was, buter rechter vaert,
+ Die si te gane hadden begonnen,
+ Een prioreit van swarten nonnen, 1700
+ Daer meneghe gans ende menich hoen,
+ Meneghe hinne, menich cappoen,
+ Plaghen te wedene, buten mure.
+ Dit wiste die felle creature,
+ Die onghetrouwe Reinaert, 1705
+ Ende sprac: »Te ghenen hovewaert
+ So leghet onse rechte strate.”
+ Met dusdanen barate
+ Leidde hi Grimbert bi der scure,
+ Daer die hoenre buten mure 1710
+ Ghinghen weden harentare.
+ Der hoenre wart Reinaert gheware:
+ Sine oghen begonsten omme te gane.
+ Buten den andren ghinc een hane,
+ Die harde vet was ende jonc: 1715
+ Daerna gaf Reinaert enen spronc,
+ So dat dien hane die plume stoven.
+ Grimbert sprac: »Ghi dinct mi doven,
+ Onsalich man, wat wildi doen?
+ Wildi noch om een hoen 1720
+ In alle die grote sonden slaen,
+ Daer ghi te biechte af sijt ghegaen?
+ Dat moet u wel sere rouwen!”
+ Reinaert sprac: »Bi rechter trouwe,
+ Ic hads vergheten, lieve neve; 1725
+ Bit Gode, dat hijt mi vergheve.
+ Het ne ghesciet mi nemmermeer.”
+ Doe daden si enen wederkeer
+ Over ene smale brugghe.
+ Hoe dicke sach Reinaert achter rugghe 1730
+ Weder, daer die hoenre ghinghen!
+ Hine conste hem niet bedwinghen,
+ Hine moeste siere seden pleghen:
+ Hadde men hem thooft af ghesleghen,
+ Het ware ten hoenrenwaert ghevloghen, 1735
+ Also verre alst hadde ghemoghen.
+ Grimbert sach dit ghelaet
+ Ende seide: »Onreine vraet,
+ Dat u dat oghe so omme gaet!”
+ Reinaert andworde: »Ghi doet quaet, 1740
+ Dat ghi mine herte so becoort,
+ Ende mine bede dus verstoort:
+ Laet mi doch lesen een pater nooster,
+ Der hoenre sielen vanden clooster,
+ Ende den gansen te ghenade, 1745
+ Die ic dicke hebbe verraden,
+ Die ic desen heleghen nonnen
+ Met miere list hebbe af ghewonnen.”
+ Grimbert balch, newaer Reinaert
+ Hadde emmer doghen achterwaert, 1750
+ Tes si quamen ter rechter strate.
+ Doe began hem droeve ghelaten,
+ Ende harde sere beefde Reinaert,
+ Dat si keerden te hove waert,
+ Daer hi waende sere mesraken. 1755
+ Doe hi began den hove naken,
+ Ende in sconinx hof was vernomen,
+ Dat Reinaert ware te hove comen,
+ Met Grimbert den das,
+ Ic wane daer niemen was 1760
+ So aerm, no van so cranken maghen,
+ Hine gherede hem up een claghen:
+ Dit was al jeghen Reinaerde.
+ Nochtan dedi als donvervaerde,
+ Hoe so hem te moede was; 1765
+ Ende sprac te Grimbeert den das:
+ »Leidet ons die hoochste strate!”
+ Reinaert ghinc in dien ghelate,
+ Ende in al so bouden ghebare,
+ Oft hi sconinx sone ware, 1770
+ Ende hi niet en hadde mesdaen.
+ Boudelike ghinc hi staen
+ Vor Nobele, dien coninc,
+ Ende sprac: »God, die alle dinc
+ Gheboot, hi gheve u, coninc here, 1775
+ Langhe bliscap ende ere.
+ Ic groet u, coninc, ende hebbes recht:
+ En hadde nie coninc enen cnecht
+ So ghetrouwe jeghen hem,
+ Als ic oit was ende bem: 1780
+ Dat es dicke worden anscijn:
+ Nochtan die sulke, die hier sijn,
+ Souden mi herde gherne roven
+ Uwer hulde, wildi hem gheloven;
+ Maer neen ghi niet; God moet u lonen! 1785
+ Het ne betaemt niet der crone,
+ Dat soe den scalken ende den fellen
+ Te lichte ghelove dat si vertellen.
+ Nochtan willics Gode claghen:
+ Dier es te vele in onsen daghen, 1790
+ Der scalke, die wroeghen connen,
+ Die die vorder hant hebben ghewonnen
+ Over al, in riken hoven,
+ Dien sal men niet gheloven:
+ Die scalcheit es hem binnen gheboren; 1795
+ Dat si den goeden beraden toren,
+ Dat wreke God up haer leven,
+ Ende moete hem ewelike gheven
+ Al sulken loon, als si sijn waert!”
+ Die coninc sprac: »Owi Reinaert, 1800
+ Owi Reinaert, onreine quaet,
+ Wat condi al scone ghelaet!
+ Dat en can u ghehelpen niet een caf.
+ Nu comt uwes smekens af:
+ In werde bi smekene niet u vrient. 1805
+ Hets waer, ghi sout mi hebben ghedient
+ Van ere sake in den woude,
+ Daer ghi qualic in hebt ghehouden
+ Die vrede, die ic hadde ghesworen.”
+ --»Owi, wat hebbic al verloren!” 1810
+ Riep Canticleer, die daer stont.
+ Die coninc sprac: »Hout uwen mont,
+ Here Canticleer, nu laet mi spreken:
+ Laet mi antworden sinen treken.
+ Ai, here dief, Reinaert, 1815
+ Dat ghi mi lief hebt ende waert,
+ Dat hebdi, sonder uwe pine,
+ Minen boden laten scinen,
+ Aerm man Tibert, here Brunen,
+ Dien noch bloedich es die crune! 1820
+ Ic ne sal u niet vele scelden:
+ Ic waent u kele sal ontghelden
+ Noch heden, al up ene wile.”
+ --»Nomine Patrum, Christum File!
+ Sprac Reinaert, oft mijn here Brunen 1825
+ Noch al bloedich es die crune,
+ Was hi teblouwen, oft versproken,
+ Waer hi goet, het ware ghewroken,
+ Eer hi noint vlo int water.
+ Banderside Tibert die cater, 1830
+ Dien ic herberghede ende ontfinc,
+ Oft hi ute om stelen ghinc
+ Tes papen, sonder minen raet,
+ Ende hem die pape dede quaet,
+ Bi Gode, soudic dat ontghelden, 1835
+ So mochtic mijn gheluc wel scelden!”
+ Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen,
+ Wien twifelt des, ghine moghet doen
+ Dat ghi ghebiet over mi?
+ Hoe goet mine sake si, 1840
+ Ghi moghet mi vromen ende scaden;
+ Wildi mi sieden, ofte braden,
+ Ofte hanghen, ofte blenden,
+ Ic ne mach u niet ontwenden;
+ Alle diere sijn in u bedwanc. 1845
+ Ghi sijt groot, ende ic bem cranc;
+ Mine hulp es clene, ende duwe groot:
+ Bi Gode, al sloeghedi mi doot,
+ Dat ware ene cranke wrake;
+ Lichte men daer ave hilde sprake.” 1850
+ Doe spranc up Belijn, die ram,
+ Ende sine hie, die met hem quam,
+ Dat was dame Hawi:
+ Belijn sprac: »Gawi
+ Alle vort met onser claghe!” 1855
+ Brune spranc up, met sinen maghen,
+ Ende Tibeert die felle,
+ Ende Isengrijn sijn gheselle,
+ Forcondet dat everswijn,
+ Ende die raven Tiecelijn, 1860
+ Pancer die bever, ooc Bruneel,
+ ..............
+ Dat watervar, dat butseel,
+ Ende dat eencoren, here Rosseel,
+ Dieweline, die vrouwe fine, 1865
+ Cantecleer ende die kindre sine,
+ Makende groten vederslach,
+ Dat foret, Clenebejach,
+ Liepen alle in dese scare:
+ Alle dese ghinghen openbare 1870
+ Vor haren here, den coninc, staen,
+ Ende daden Reinaert vaen.
+ Nu ghinct ghindre up een plaidieren.
+ Nie horde man van dieren
+ So scone tale als nu es hier 1875
+ Tusscen Reinaerde ende dandre dier;
+ Vort bringhen dat men seide daer,
+ Het ware mi pijnlic ende swaer;
+ Daer omme corte ic u die wort.
+ Die beste reden ghinghen vort. 1880
+ Die claghen, die die diere ontbonden,
+ Proefden si met orconden,
+ Als si sculdich waren te doene.
+ Die coninc dreef die hoghe baroene
+ Te vonnesse, van Reinaerts sake. 1885
+ Doe wijstsi, dat men soude maken
+ Ene galghe, sterc ende vast,
+ Ende men Reinaert, den fellen gast,
+ Daer an hinghe, bi siere kele.
+ Nu gaet Reinaerde al uten spele. 1890
+ Doe Reinaert verordeelt was,
+ Orlof nam Grimbert die das,
+ Met Reinaerts naesten maghen:
+ Sine consten niet verdraghen,
+ No sine consten niet ghedoghen, 1895
+ Dat men Reinaert vor haren oghen
+ Soude hanghen alse enen dief.
+ Nochtan wast hem somen lief.
+ Die coninc, die was harde vroet,
+ Doe hi mercte ende verstoet, 1900
+ Dat so menich jonghelinc
+ Met Grimbert uten hove ghinc,
+ Die Reinaerde na bestoet,
+ Doe peinsdi in sinen moet:
+ Hier mach in lopen ander raet. 1905
+ Al es Reinaert selve quaet,
+ Hi hevet meneghen goeden maech.
+ Doe sprac hi: »Twi sidi traech,
+ Isengrijn ende here Bruun?
+ Reinaerde es cont menich tuun, 1910
+ Ende hets den avonde bi;
+ Hier es Reinaert, ontsprinct hi,
+ Comt hi III voete uter noot,
+ Sine list soe es so groot,
+ Ende hi weet so meneghen keer, 1915
+ Hine wert ghevanghen saermeer.
+ Salmen hanghen, twine doet ment dan?
+ Eer men nu ghereden can
+ Ene galge, so eist nacht.”
+ Isengrijn was wel bedacht, 1920
+ Ende sprac: »Hier es een galghe bi.”
+ Ende met dien worde versuchte hi.
+ Doe sprac die cater, here Tibeert:
+ »Here Isengrijn, u es verseert
+ U herte, in wancans u niet; 1925
+ Nochtan Reinaert di tal beriet,
+ Ende selve mede ghinc,
+ Daermen u twee broeders hinc,
+ Rume ende Widelanke.
+ Hets tijt, wildijs hem danken. 1930
+ Waerdi goet, het ware ghedaen;
+ Hine ware niet noch onverdaen.”
+ Isengrijn sprac tote Tibeert:
+ »Wat ghi ons al gader leert!
+ Ne ghebrake ons niet een strop, 1935
+ Langhe heden wiste sijn crop
+ Wat sijn achterende mochte weghen.”
+ Reinaert, die langhe hadde ghesweghen,
+ Sprac: »Ghi heren, cort mine pine.
+ Tibert heeft ene vaste line, 1940
+ Die hi bejaghede an sine kele
+ Daer hi vernois hadde vele,
+ Int huus daer hi den pape beet,
+ Die vor hem stont al sonder cleet.
+ Here Isengrijn, nu maect u vore! 1945
+ En sidi niet daertoe vercoren,
+ Ende ghi Brune, dat ghi sult doden
+ Reinaert, uwen neve, den fellen roden?”
+ Doe sprac hi ten coninc saen;
+ »Doet Tibert mede gaen; 1950
+ Hi mach clemmen, hi mach die line
+ Updraghen, sonder uwe pine.
+ Tibert, gaet, ende maect ghereet!
+ Dat ghi iet let, dats mi leet.”
+ Doe sprac Isengrijn tote Brunen: 1955
+ »So helpe mi die cloostercrune,
+ Die boven up mijn hoofd staet!
+ In horde nie so goeden raet,
+ Alse Reinaert selve ghevet hier.
+ Hem langhet omme cloosterbier: 1960
+ Nu gawi ende bruwen hem!”
+ Brune sprac: »Neve Tibert, nem
+ Die line; du sels mede lopen.
+ Reinaert hi sal nu becopen,
+ Mijn scone liere, ende dijn oghe! 1965
+ Gawi, ende hanghene so hoghe
+ Dats lachter hebben al sine vrient!”
+ --»Gawi, hi hevets wel verdient,”
+ Sprac Tibert, ende nam die line,
+ »Inne dede nie so lieve pine.” 1970
+ Nu waren die drie heren ghereet.
+ ..............
+ Dats Isengrijn ende Tibeert
+ Ende her Bruun, die hadde gheleert
+ Honich stelen tsiere scade. 1975
+ Isengrijn was so beraden,
+ Eer hi vanden hove sciet,
+ Hine wilde des laten niet,
+ Hine vermaende nichten ende neven,
+ Ende alle die binden hove bleven, 1980
+ Beide ghebure ende gaste,
+ Dat si Reinaert hilden vaste.
+ Vrouwe Hersinde sinen wive
+ Beval hi, bi haren live,
+ Dat soe stonde bi Reinaerde, 1985
+ Ende soene name biden baerde,
+ Ende van hem niet ne sciede,
+ No dor goet, no dor miede,
+ No dor niede, no dor noot,
+ No dor sorghe vander doot. 1990
+ Reinaert antworde in corten worden,
+ Dat alle die daer waren horden:
+ »Here Isengrijn, half ghenade!
+ Al ware u lief mijn grote scade,
+ Ende al brincti mi in vernoie, 1995
+ Ic weet wel, soude miere moien,
+ Te rechte ghedinken ouder daet,
+ Soene dade mi nemmer quaet.
+ Her Isengrijn, soete oom,
+ Ghi nemt uwes neven cranken goom, 2000
+ Ende here Brune ende here Tibeert,
+ Dat ghi mi dus hebt onneert.
+ Ghi drie ghi hebbet ghedaen al,
+ Dat men mi ontliven sal.
+ Daer toe hebdi ghemaket, 2005
+ Dat so wie mi ghenaket,
+ Sceldet mi dief, oft hevet leet.
+ Daer omme moetti, God weet,
+ Geonneert werden alle drie,
+ Ghine haest, dat ghescie 2010
+ Al dat ghi begheert te doene.
+ Mi es die herte noch also coene:
+ Ic dar wel sterven ene warf.
+ Ne wart mijn vader, doe hi starf,
+ Van allen sinen sonden vri? 2015
+ Gaet, ghereet die galghe hier bi:
+ Een twint mi langher niet ne spaert
+ (Oft varen moetti hinderwaert)
+ Alle uwe voete ende uwe been!”
+ Doe sprac Isengrijn: »Ameen! 2020
+ Amen, ende hinderwaert
+ Moet hi varen, die langher spaert!”
+ Tibert sprac: »Nu haestewi!”
+ Ende met dien worden spronghen si,
+ Ende liepen vort harde blide, 2025
+ Ende pijnden hem te stride
+ Te springhene over meneghen tuun,
+ Isengrijn ende here Bruun.
+ Tibert volghede hem naer:
+ Hem was die voet een lettel swaer 2030
+ Vander linen, die hi droech;
+ Nochtan was hi rasch ghenoech:
+ Dat dede hem al die goede wille.
+ Reinaert stont ende sweech al stille,
+ Ende sach sine viande lopen, 2035
+ Die hem dat strec an waenden cnopen.
+ --»Maer het sal bliven,” sprac Reinaert,
+ Die stoet ende scouwede derwaert
+ Hoe si springhen ende keren.
+ Hi peinsde: »Deus, wat joncheren! 2040
+ Nu laetse springhen ende lopen:
+ Levic, si sullent noch becopen,
+ Hare overdaet ende hare scampie,
+ Mine ghebreke reinaerdie;
+ Nochtanne sijn si mi 2045
+ Liever verre danne bi,
+ Die ghene die ic meest ontsach.
+ Nu willic proeven, dat ic mach
+ Te hove bringhen een baraet,
+ Dat ic, vor die dagheraet, 2050
+ In groter sorghe vant te nacht.
+ Hevet mine list sulke cracht
+ Als ic noch hope dat soe doet,
+ Al es hi listich ende vroet,
+ Ic wane den coninc noch verdoren.” 2055
+ Die coninc dede blasen enen horen,
+ Ende hiet Reinaert uutwaert leden
+ Reinaert sprac: »Laet teerst ghereden
+ Die galghe, daer ic an hanghen sal;
+ Ende daer binnen so salic al 2060
+ Den volke mine biechte conden,
+ In verlanesse van minen sonden.
+ Hets beter, dat al tfolc verstaet
+ Mine diefte ende mine ondaet,
+ Dan si namaels eneghen man 2065
+ Mine overdaet teghen an.”
+ Die coninc sprac: »Nu segghet dan!”
+ Reinaert stont als een droeve man,
+ Ende sach al omme, harentare.
+ Dus so sprac hi al openbare: 2070
+ »Helpe, seit hi, Dominus!
+ Nu nes hier niemen in dit huus,
+ No vrient no viant, ic ne bem
+ Een deel mesdadich jeghen hem.
+ Nochtan, horet alle, ghi heren: 2075
+ Laet u wisen ende leren,
+ Hoe ic Reinaert, aerminc,
+ Eerst die boosheit anevinc.
+ In allen tiden, spade ende vroe,
+ Was ic een hovesc kint nochtoe. 2080
+ Doe men mi spaende vander mammen,
+ Ghinc ic spelen metten lammen,
+ Dor te horne dat ghebleet;
+ So langhe, dat ic een verbeet:
+ Ten eersten lapedic dat bloet: 2085
+ Het smaecte so wel, het was so goet,
+ Dat ic dat vleesc mede ontgan.
+ Daer leerdic leckernie an
+ So vele, dat ic ghinc ten gheten
+ Int wout, daer icse horde bleten: 2090
+ Daer verbetic hoekine twee.
+ So dedic derdes daghes mee,
+ Ende ic wart bouder ende coener,
+ Ende verbeet haenden ende hoener,
+ Ende gansen, daer icse vant. 2095
+ Doe mi bloedich wart mijn tant,
+ Was ic so fel ende so wreet,
+ Dat ic suver up verbeet
+ Al dat ic vant, ende wat mi dochte
+ Dat mi bequam, ende ic vermochte. 2100
+ Daer na quam ic ende Isengrijn,
+ Te wintre in enen couden rijm,
+ Bi Besele onder enen boom:
+ Hi rekende hi ware mijn oom,
+ Ende began ene sibbe tellen. 2105
+ Aldaer worden wi ghesellen.
+ Dat mach mi te rechte rouwen!
+ Daer gheloofden wi, bi trouwe,
+ Recht gheselscap manlic andren.
+ Doe begonsten wi te gader wandren. 2110
+ Hi stal tgrote, ende ic dat clene:
+ Dat wi bejaechden wart ghemene;
+ Ende als wi delen souden doe,
+ Ic was in hoghen ende vro
+ Mochtic mijn deel hebben half. 2115
+ Alse Isengrijn bejaghede een calf
+ Oft een weder, oft een ram,
+ So grongierdi, ende maecte hem gram,
+ Ende toochde mi ghelaet,
+ Dat so suur was ende quaet, 2120
+ Dat hi mi met van hem verdreef,
+ Ende hem mijn deel al gader bleef;
+ Nochtan achtic niet van dien.
+ So menich warve hebbic versien,
+ Alse wi een grote proie lagheden, 2125
+ Die ic ende mijn oom bejagheden,
+ Enen osse, oft enen bake,
+ So ghinc hi sitten met ghemake
+ Met sinen wive, vrouwe Harsinde,
+ Ende met sinen VII kindren; 2130
+ Sone mocht ic cume dene hebben
+ Vanden alreminsten rebben,
+ Die sine kindre en wouden cnaghen.
+ Dus nauwe hebbic mi bedraghen.
+ Nochtan dat was mi lettel noot; 2135
+ Ne waer dat mijn sin so groot
+ Die lieve droech te minen oom,
+ Die mijns nemet cranken goom,
+ Ic hadde wel ghewonnen tetene.
+ Coninc, dit doe ic u te wetene: 2140
+ Ic hebbe noch selver ende gout,
+ Dat al es in miere ghewout,
+ So vele, dat cume een waghen
+ Te VII werven soude ghedraghen.”
+ Alse die coninc dit verhorde, 2145
+ Gaf hi Reinaerde selke andworde:
+ »Reinaert, waen quam u dese scat?”
+ Reinaert andworde: »Ic segghe u dat,
+ Wildijt weten, alse ict weet:
+ No dor lief, no dor leet 2150
+ Sone salt danne bliven verholen.
+ Coninc, die scat was bestolen:
+ Ne waer hi ooc ghestolen niet,
+ Daer ware die mort bi ghesciet
+ Ane u lijf, in rechter trouwe, 2155
+ Dat uwen vrienden mochte rouwen.”
+ Die coninghinne wart vervaert
+ Ende sprac: »Owi, Reinaert!
+ Owi, Reinaert! owi! owi!
+ Owi, Reinaert, wat sechdi? 2160
+ Ic mane u bi der selver vaert,
+ Dat ghi ons secht, Reinaert,
+ Die u siele varen sal,
+ Dat ghi ons secht die waerheit al
+ Openbare, ende bringhet vort: 2165
+ Oft ghi weet van enegher mort,
+ Oft enen mordeliken raet,
+ Die jeghen minen here gaet,
+ Dat laet hier openbare horen!”
+ Nu hort, hoe Reinaert sal verdoren 2170
+ Den coninc entie coninghinne,
+ Ende hi bewerven sal met sinne
+ Des coninx vrientscap ende hulde;
+ Ende hoe hi buten haerre sculde
+ Brune en Isengrijn bede 2175
+ Up hief in groten ongherede,
+ Ende in veten ende in ongheval
+ Jeghen den coninc bringhen sal.
+ Dien heren, die nu waren so fier,
+ Dat si Reinaerde waenden bier 2180
+ Te sinen lachter hebben ghebrouwen,
+ Ic wane wel, in rechter trouwe,
+ Dat hi sal weder mede blanden,
+ Dien si drinken sullen met scande.
+ In enen ghelate van droeven sinne 2185
+ Sprac Reinaert: »Edele coninghinne,
+ Al haddi mi nu niet ghemaent,
+ Ic bem een die sterven waent:
+ In laet niet ligghen up mine siele;
+ Ende waert so, dat mi gheviele, 2190
+ Mi stonder omme in der helle te sine,
+ Daer torment es ende pine.
+ Indien dat die coninc milde
+ Een ghestille maken wilde,
+ Ic soude segghen, met ghenade, 2195
+ Hoe jammerlike hi was verraden,
+ Te mordene van sinen lieden.
+ Nochtan, diet alre meest berieden,
+ Sijn som van minen liefsten maghen,
+ Die ic node soude bedraghen, 2200
+ Ne daet die sorghe vander helle,
+ Daer men seit, dat si in quellen,
+ Die hier sterven, ende mort
+ Weten, sine brincse vort.”
+ Dien coninc wart die herte swaer, 2205
+ Ende sprac: »Reinaert, sechstu mi waer!”
+ --»Waer?” sprac Reinaert, »vraechdi des?
+ Jane weet ghi niet hoet met mi es?
+ Ne bewaent niet, edel coninc,
+ Al bem ic een aerminc, 2210
+ Hoe mochtic sulke mort ghetemen?
+ Waendi, dat ic wille nemen
+ Ene loghene uptie langhe vaert?
+ In trouwe neenic,” sprac Reinaert.
+ Bi der coninghinne rade, 2215
+ Die sere ontsach des coninx scade,
+ Gheboot die coninc openbare,
+ Dat niemen daer so coene en ware,
+ Dat hi een wordekijn iet sprake,
+ Tottien, dat Reinaert met ghemake 2220
+ Hadde volseit al sinen wille.
+ Doe sweghen si alle gader stille.
+ Die coninc hiet Reinaerde spreken.
+ Reinaert was van fellen treken:
+ Hem dochte scone sijn gheval, 2225
+ Hi sprac: »Nu swighet over al,
+ Na dien dat es den coninc lief:
+ Ic sal u lesen, sonder brief,
+ Die verradenesse openbare,
+ So dat ic niemene en spare, 2230
+ Dien ic te wroeghene sculdich bem.
+ Dies lachter hevet, scaems hem!”
+ Nu vernemt alle gader,
+ Hoe Reinaert sinen ertscen vader
+ Met verradenesse sal bedraghen, 2235
+ Ende een van sinen liefsten maghen,
+ (Dat was Grimbert, die das,)
+ Die hem hout van herten was.
+ Dat dede Reinaert omme dat,
+ Dat hi wilde, dat men te bat 2240
+ Sinen worden gheloven soude,
+ Van sinen vianden, oft hi woude
+ Dien verranesse tien an.
+ Nu hort, hoe hi dies began:
+ »Wilen tere stonde 2245
+ Hadde mijn here vonden
+ Des coninx Hermelinx scat,
+ In ere verholenre stat.
+ Doe mijn vader hadde vonden
+ Den scat, wart hi in corten stonden 2250
+ So overdadich, ende so fier,
+ Dat hi veronwerde alle dier,
+ Die sine ghenote te voren waren.
+ Hi dede Tibert, den cater, varen
+ In Ardennen, dat wilde lant, 2255
+ Aldaer hi Brune den bere vant:
+ Hi ontboot Brunen Gods houde,
+ Ende in Vlaendren comen soude,
+ Oft hi coninc wilde wesen.
+ Brune wart vro van desen, 2260
+ Hi hadt meneghen dach begheert:
+ Doe maecte hi hem te Vlaendrenweert
+ Ende quam in Waes, int soete lant,
+ Daer hi minen vader vant.
+ Mijn vader omboot Grimberte, den wisen, 2265
+ Ende Isengrine, den grisen,
+ (Tibert, die cater, was die vijfte)
+ Ende quamen tenen dorpe, hiet Hijfte.
+ Tusscen Hijfte ende Ghent
+ Hilden si haer parlement, 2270
+ In ere belokenre nacht;
+ Daer quamen si bi sduvels cracht
+ Ende bi des duvels ghewelt,
+ Ende swoeren daer an twoeste velt
+ Alle vive, des coninx doot. 2275
+ Nu horet wonder harde groot:
+ [Si swoeren up Isengrijns crune,
+ Alle vive, datsi Brune
+ Coninc ende here souden maken,
+ Ende settene in den stoele tAken,] 2280
+ Ende hi crone soude draghen.
+ Wilde iemen van des coninx maghen
+ Dat wedersegghen, mijn vader soude
+ Met sinen selvere ende sinen goude
+ So den ghenen steken achter, 2285
+ Dat sijs souden hebben lachter.
+ Dit wetic, ende segghe u hoe.
+ Eens maerghins harde vroe
+ Gheviel, dat mijn neve, die das,
+ Van wine een lettel dronken was, 2290
+ Ende dien verholnen raet minen
+ Wive, vrouwe Harmelinen,
+ Al van pointe te pointe seide,
+ Daer si liepen an der heiden.
+ Mijn wijf es ene vremde vrouwe, 2295
+ Ende gaf Grimberte hare trouwe,
+ Dat verholen bliven soude.
+ Ten eersten dat soe quam te woude,
+ Daer ic was, ende soe mi vant,
+ So telde soet mi te hant: 2300
+ Newaer het was al stillekine.
+ Ooc seide soe mi sulke lijctekine,
+ Die ic kende al so waer,
+ Dat mi alle mine haer
+ Upwaert stonden, van groten vare. 2305
+ Mine herte wart mi openbare
+ Also cout alse een ijs.
+ Dies sijt seker ende wijs,
+ Ic kinde Brune valsc ende quaet,
+ Ende vul van alre overdaet. 2310
+ Ic peinsde: worde hi onse here,
+ Dat ontvruchtic harde sere,
+ Dat wi alle waren verloren.
+ Ic kinde den coninc so wel gheboren,
+ Ende soete, ende goedertiere, 2315
+ Ende ghenadich allen dieren.
+ Het dochte mi bi allen dinghen
+ Eene quade manghelinghe,
+ Die ons ne mochte comen
+ No tere, no te vrome; 2320
+ Mine herte grote sorghe doghede.
+ Hier omme pijndic ende poghede
+ Hoe so erge ene sake,
+ Testoret worde, ende ic brake
+ Mijns vader bosen raet, 2325
+ Die een dorper, enen vraet,
+ Coninc ende here maken waende.
+ Emmer badic Gode, ende maende,
+ Dat hi den coninc, minen here,
+ Behilde sine wareltere. 2330
+ Bedi ic kinde wale dat,
+ Behilde mijn vader sinen scat,
+ Si souden wel des raets ghetelen,
+ Onder hem ende sinen ghespelen,
+ Dat die coninc worde verstoten. 2335
+ In diepen ghepeinsen ende in groten
+ Was ic dicke, hoe ic die stat
+ Soude vinden, waer die scat
+ Lach, die hi hadde vonden.
+ Ic wachte nauwe tallen stonden 2340
+ Minen vader, ende leiden laghen
+ In meneghen bosch, in menegher haghe,
+ Beide in velde ende in woude,
+ Waer mijn vader, die listighe oude,
+ Henen trac ende henen liep: 2345
+ Was het droghe, was het diep,
+ Wast bi nachte, wast bi daghe,
+ Ic was emmer in die laghe;
+ Wast bi daghe, wast bi nachte,
+ Ic was emmer in die wachte. 2350
+ Up ene stont gheviel daer nare,
+ Dat ic mi decte met groten vare,
+ Ende lach ghestrect neven derde,
+ Ende vanden scatte, die ic begherde,
+ Gherne iewet hadde vernomen: 2355
+ Doe saghic minen vader comen
+ Ute enen hole ghelopen.
+ Doe began ic ten scatte hopen
+ Bi den barate die ic hem sach
+ Driven, als ic u segghen mach: 2360
+ Want doe hi uten holen quam,
+ Sach ic wel, ende vernam,
+ Dat hi omme sach. Doe merkedi,
+ Oft hem iemene ware bi;
+ Ende als hi niemene en sach, 2365
+ Doe queddi den sconen dach,
+ Ende stoppede dat hol met sande,
+ Ende maectet ghelijc den andren lande.
+ Dat ic dat sach ne wiste hi niet.
+ Doe saghic, eer hi dane sciet, 2370
+ Dat hi den steert liet nedergaen
+ Daer sine voete hadden ghestaen,
+ Ende decte sijn spore metter moude.
+ Daer leerdic an den vroeden ouden
+ Een lettel meesterliker liste, 2375
+ Die ic te voren niet ne wiste.
+ Aldus voer mijn vader dane
+ Ten dorpewaert, daer die hanen
+ Ende die vette hinnen waren.
+ Teerst dat ic mi dorste baren, 2380
+ Spranc ic up, en liep ten hole:
+ Ic wilde niet langher sijn in dole,
+ Ende ic gheraecter toe te hant.
+ Sciere scraefdic up dat sant
+ Met minen voeten, ende croop in 2385
+ Aldaer ic vant groot ghewin;
+ Daer vandic selver ende gout:
+ Hier nes niemen nu so out,
+ Dies nie so vele te gader sach.
+ Doe ne spaerdic nacht no dach, 2390
+ In ghinc trecken ende draghen,
+ Sonder kerre ende sonder waghen,
+ Over dach ende over nacht,
+ Met algader miere cracht.
+ Mi halp mijn wijf, vrouwe Hermeline: 2395
+ Des dogheden wi grote pine,
+ Eer wi den overgroten scat
+ Brochten in een ander gat,
+ Daer hi bet lach tonsen ghelaghe.
+ Wi droeghene onder ene haghe 2400
+ In een hol verholenlike:
+ Doe was ic van scatte rike.
+ Nu hort, wat si hier binnen daden,
+ Die den coninc hadden verraden.
+ Brune, die bere, sendde uut 2405
+ Verholenlike sijn saluut
+ Achter lande, ende omboot
+ Al den ghenen rijcheit groot,
+ Die dienen wilden omme tsout:
+ Hi beloofde hem selver ende gout 2410
+ Te ghevene met milder hant.
+ Mijn vader liep in al dat lant,
+ Ende droech des Brunen brieve:
+ Hoe lettel wiste hi, dat die dieve
+ Te sinen scatte waren gheraect, 2415
+ Dies hem quite hadden ghemaect.
+ En ware die scat niet ontgonnen,
+ Hi hadder met die stat van Lonnen
+ Al te gader moghen copen.
+ Dus wan hi an sijn omme lopen. 2420
+ Doe mijn vader, al omme ende omme,
+ Tusscen dier Elve entier Somme
+ Hadde ghelopen al dat lant,
+ Ende hi meneghen seriant
+ Hadde ghewonnen met sinen goude, 2425
+ Die hem te hulpe comen soude,
+ Alse die somer quame int lant,
+ Keerde mijn vader daer hi vant
+ Brune entie ghesellen sine.
+ Doe teldi die grote pine 2430
+ Ende die menichfoude sorghe,
+ Die hi vor den hoghen borghen
+ Int lant van Sassen hadde leden,
+ Daer die jagheren na hem reden
+ Alle daghe met haren honden, 2435
+ Die hem vervaerden te menegher stonde.
+ Dit telde hi te spele al gader.
+ Daer na so toghede mijn vader
+ Brieve, die Brunen wel bequamen,
+ Daer XII.c al bi namen 2440
+ Ser Isengrijns maghe in stonden,
+ Met scerpen claeuwen, met diepen monden;
+ Sonder die catten, ende die baren,
+ Die alle in Bruuns soude waren,
+ Ende die vosse metten dassen 2445
+ Van Doringen ende van Sassen.
+ Dese hadden alle ghesworen,
+ Indien dat men hem te voren
+ Van XX daghen gave haer sout,
+ Si souden Brunen met ghewout 2450
+ Seker wesen tsinen ghebode.
+ Dit benam ic al, danc Gode!
+ Doe mijn vader hadde ghedaen
+ Sine bodscap, soude hi gaen
+ Ende scouwen sinen scat; 2455
+ Ende als hi quam ter selver stat,
+ Daer hine ghelaten hadde te voren,
+ Was die scat al verloren,
+ Ende sijn hol was uptebroken.
+ Wat holpe vele hier af ghesproken? 2460
+ Doe mijn vader dat vernam,
+ Wart hi serich ende gram,
+ Dat hi van torne hem selven hinc.
+ Dus bleef achter Brunen dinc
+ Bi miere behendichede al. 2465
+ Nu merct hier mijn ongheval:
+ Here Isengrijn ende Brune, die vraet,
+ Hebben nu den nauwen raet
+ Metten coninc openbare,
+ Ende arm man Reinaert es die blare!” 2470
+ Die coninc ende die coninghinne,
+ Die beide hopeden ten ghewinne,
+ Si leden Reinaert buten te rade,
+ Ende baden hem, dat hi wel dade,
+ Ende hi hem wijsde sinen scat. 2475
+ Ende alse Reinaert hoorde dat
+ Sprac hi: »Wijsdic u mijn goet,
+ Here coninc, die mi hanghen doet,
+ So waer ic ute minen sinne.”
+ --»Neen Reinaert, sprac die coninghinne, 2480
+ Mijn here sal u laten leven,
+ Ende sal u vriendelike vergheven
+ Algader sinen evelen moet;
+ Ende ghi sult vortmeer sijn vroet
+ Ende goet, ende ghetrouwe.” 2485
+ Reinaert sprac: »Dit doe ic, vrouwe,
+ Indien dat mi die coninc nu
+ Vaste ghelove, hier vore u,
+ Dat hi mi gheve sine hulde,
+ Ende Brune alle mine sculde 2490
+ Wille vergheven; ende omme dat
+ So willic hem wisen minen scat,
+ Den coninc, al daer hi leghet.”
+ Die coninc sprac: »Ic ware ontweghet,
+ Wildic Reinaerde vele gheloven: 2495
+ Hem es dat stelen ende dat roven
+ Ende dat lieghen gheboren int been.”
+ Die coninghinne sprac: »Here, neen,
+ Ghi moghet Reinaerde gheloven wel:
+ Al was hi hier te voren fel, 2500
+ Hi nes nu niet dat hi was.
+ Ghi hebt ghehort, hoe hi den das
+ Ende sinen vader hevet bedreghen
+ Met morde, die hi wel beteghen
+ Mochte hebben andren dieren, 2505
+ Wildi meer sijn arghertiere
+ Ofte fel, ofte onghetrouwe.”
+ Doe sprac die coninc: »Gentel vrouwe,
+ Al waendic dat mi soude scaden,
+ Eist dat ghijt mi dorret raden, 2510
+ So willict laten up u ghenent,
+ Dese vorworde ende dit covent,
+ Up Reinaerts trouwe staen:
+ Newaer, ic segghe hem, sonder waen,
+ Doet hi meer archede, 2515
+ Alle die hem ten tienden lede
+ Sijn belanc, sullent becopen!”
+ Reinaert sach den coninc belopen,
+ Ende wart blide in sinen moet,
+ Ende sprac: »Here, ic ware onvroet, 2520
+ Ne gheloofdic niet also.”
+ Doe nam die coninc een stro
+ Ende vergaf Reinaerde algader
+ Die wanconst van sinen vader,
+ Ende sijns selves mesdaet toe. 2525
+ Al was Reinaert blide doe,
+ Dan dinct mi gheen wonder wesen:
+ Jane was hi vander doot ghenesen!
+ Doe Reinaert quite was ghelaten,
+ Was hi blide utermaten, 2530
+ Ende sprac: »Coninc, edel here,
+ God moete u lonen al der ere
+ Die ghi mi doet, ende mine vrouwe.
+ Ic secht u wel, bi miere trouwe,
+ Dat ghi mi vele ere doet: 2535
+ So grote ere, ende so groot goet,
+ Dat niemen nes onder die sonne,
+ Dien ic alse wale soude onnen
+ Mijns scats ende miere trouwe,
+ Als ic u doe, ende miere vrouwe.” 2540
+ Reinaert nam een stro vor hem
+ Ende sprac: »Here coninc, nem,
+ Hier geve ic di up den scat
+ Die wilen Ermelinc besat.”
+ Die coninc ontfinc dat stro, 2545
+ Ende dancte Reinaerde so,
+ Als quansijs: »Dese maect mi here!”
+ Reinarts herte loech so sere,
+ Dat ment wel na an hem vernam,
+ Doe die coninc so gehorsam 2550
+ Algader was te sinen wille.
+ Hi sprac: »Here, swighet stille;
+ Merket, waer mine redene gaet:
+ Int oostende van Vlaendren staet
+ Een bosch, ende heet Hulsterlo. 2555
+ Coninc, ghi moghet wesen vro,
+ Mochti onthouden dit:
+ Een borne, heet Kriekepit,
+ Gaet suutwest niet verre dane;
+ Here coninc, ghine dorft niet wanen, 2560
+ Dat ic u der waerheit iet messe:
+ Dats een die meeste wildernesse,
+ Die men hevet in enich rike.
+ Ic segghe u ooc ghewaerlike,
+ Dat somwilen es een half jaer, 2565
+ Dat toten borne comet daer
+ No weder man nochte wijf,
+ No creature die hevet lijf,
+ Sonder die ule entie scuvuut,
+ Die daer nestelen in dat cruut, 2570
+ Oft enich ander voghelijn
+ Dat daerwaert gherne wilde sijn,
+ Ende daer bi avonture lidet:
+ Daer in leghet mijn scat ghehidet.
+ Verstaet wel ditte, hets u nutte: 2575
+ Die stede hetet Kriekeputte.
+ Ghi sult daer gaen, ende mine vrouwe;
+ Ne weset ooc niemene so ghetrouwe,
+ Die ghi sult laten wesen u bode,
+ Verstaet mi wel, coninc, dor Gode, 2580
+ Maer gaet daer selve. Ende alse ghi
+ Dien selven putte comet bi,
+ Ghi sult vinden jonghe berken.
+ Here coninc, dit suldi merken:
+ Die alrenaest den putte staet, 2585
+ Coninc, tote dier berken gaet:
+ Daer leghet die scat onder begraven.
+ Daer suldi delven ende scraven
+ Een lettel mos an ene side:
+ Daer suldi vinden menich ghesmide 2590
+ Van goude, rikelijc ende scone:
+ Daer suldi vinden ooc die crone,
+ Die Ermelinc die coninc droech,
+ Ende ander chierheit ghenoech,
+ Edele stene, guldijn werc: 2595
+ Men cocht niet omme dusent merc.
+ Ai coninc, als ghi hebt dat goet,
+ Hoe suldi peinsen in uwen moet:
+ Ai, Reinaert, ghetrouwe vos,
+ Die hier groeves in dit mos, 2600
+ Desen scat bi dijnre list,
+ God gheve di goet, waer du bist!”
+ Doe andworde die coninc saen:
+ »Reinaert, sal ic die vaert bestaen,
+ Ghi moet sijn mede in die vaert, 2605
+ Ende ghi moet ons, Reinaert,
+ Helpen den scat ontdelven.
+ Ic ne wane bi mi selven
+ Aldaer nemmermeer gheraken;
+ Ic hebbe ghehort noemen Aken 2610
+ Ende Parijs, eist daer iet na?
+ Ende also als ic versta,
+ So smekedi, Reinaert, ende roemt;
+ Kriekeputte, dat ghi hier noemt,
+ Wanic, es een gheveinsde name.” 2615
+ Dit was Reinaerde ombequame,
+ Ende verbalch hem, ende seide: »Ja,
+ Coninc, ghi sijter also na,
+ Alse van Colne tote Meie;
+ Waendi, dat ic u die Leie 2620
+ Wille wisen in dien flume Jordane?
+ Ic sal u wel toghen, dat ic wane,
+ Orconde ghenoech, al openbare.”
+ Lude riep hi: »Cuwaert, comt hare,
+ Comet vor den coninc, Cuwaert!” 2625
+ Die diere saghen dese vaert:
+ Hem allen wonderde, wat daer ware,
+ Cuwaert hi ghinc met vare:
+ Hem wonderde, wat die coninc woude.
+ Reinaert sprac: »Cuwaert, hebdi coude? 2630
+ Ghi bevet; sijt blide al sonder vaer,
+ Ende secht minen here den coninc waer,
+ Dies mane ic u, bi der trouwe
+ Die ghi sijt sculdich miere vrouwe,
+ [Van al dat ic u sal vraghen.” 2635
+ --»Al sout mi gaen an mine craghe,
+ Sprac Cuwaert, ic u niet en loghe;
+ Ghi hebt mi ghemaent also hoghe,
+ Dat ict te segghene sculdich bem.”]
+ Doe sprac Reinaert: »So secht hem: 2640
+ Weetstu waer Kriekeputte steet?”
+ Cuwaert sprac: »Oft ict weet?
+ Jaic, hoene sout wesen so?
+ Ne staet hi niet bi Hulsterlo,
+ Up dien moer, in die woestine! 2645
+ Ic hebber ghedoget grote pine,
+ Ende meneghen hongher, menich coude,
+ Ende armoede so menichfoude,
+ Up Kriekeputte, so menighen dach,
+ Dat ics vergheten niet ne mach. 2650
+ Hoe mochte ic vergheten dies,
+ Dat aldaer Reinout die Vries
+ Die valsche penninghe sloech,
+ Daer hi hem mede bedroech
+ Entie ghesellen sine? 2655
+ Dat was eer ic met Rine
+ Mijn gheselscap makede vast,
+ Die mi gequijtte meneghen last.”
+ --»Owi, sprac Reinaert, soete Rijn,
+ Lieve gheselle, scoon hondekijn, 2660
+ Vergave God, waerdi nu hier,
+ Ghi sout toghen weder dese dier,
+ Met uwen sone, waers te doene,
+ Dat ic noint wart so coene,
+ Dat ic eneghe sake dede, 2665
+ Daer ic den coninc mochte mede
+ Te miwaert belghen doen met rechte.
+ Gaet weder onder ghene cnechte,
+ (Sprac Reinaert) haestelic, Cuwaert;
+ Mijn here die coninc ne heeft tuwaert 2670
+ Neghene sake te sprekene meer.”
+ Cuwaert dede een wederkeer,
+ Ende ghinc van sconinx rade daer.
+ Reinaert sprac: »Coninc, eist waer
+ Dat ic seide?”--»Reinaert, jaet, 2675
+ Verghevet mi, ic dede quaet,
+ Dat ic u mestroude iet:
+ Reinaert, goede vrient, nu siet
+ Den raet, dat ghi met ons gaet
+ Ten putte, al daer die berke staet, 2680
+ Daer die scat leghet begraven onder.”
+ Reinaert sprac: »Ghi secht wonder:
+ Waendi in waers harde vro,
+ Coninc, oft mi stonde also,
+ Dat ic met u wandelen mochte, 2685
+ Also als ons beiden dochte,
+ Ende ghi waert al sonder sonde?
+ Neent, hets alse ic u orconde,
+ Ende ict u segghe, al eist scame:
+ Doe Isengrijn in sduvels name 2690
+ In dordine ghinc hier te voren,
+ Ende hi te monke wart bescoren,
+ Doene conste hem niet ghenoeghen,
+ Daer VI monke hem bi bedroeghen.
+ Hi claghede ende kermede 2695
+ So sere, dats mi ontfermede.
+ Doe hi cranc wart ende traech,
+ Doe haddics rouwe, als een sijn maech,
+ Ende gaf hem raet, dat hi ontran:
+ Daer omme bem ic in spaeus ban. 2700
+ Maerghin, als die sonne up gaet,
+ Willic te Rome om aflaet;
+ Van Rome willic over see:
+ Dane en keric nemmermee,
+ Eer ic so vele hebbe ghedaen, 2705
+ Coninc, dat ic met u mach gaen,
+ Tuwer ere, ende tuwer vrome,
+ Oft ic te lande weder come.
+ Het ware een onscone dinc,
+ Soudi, here coninc, 2710
+ Maken uwe wandelinghe
+ Met enen verwaten ballinghe,
+ Als ic nu bem, God betere mi!”
+ Die coninc sprac: »Reinaert, sidi
+ Iet langhe verbannen?” Doe sprac Reinaert: 2715
+ »Jaic, hets III jaer, dat ic waert
+ Vor den deken Hermanne
+ In vollen seende tebannen.”
+ Die coninc sprac: »Nadat ghi sijt
+ Tebannen, men souts mi doen verwijt 2720
+ Lietic u met mi wanderen:
+ Ic sal Cuwaert ofte enen andren
+ Toten scatte doen gaen met mi;
+ Ende ic rade u, Reinaert, dat ghi
+ Niet ne laet, ghine vaert, 2725
+ Dat ghi u vanden banne claert.”
+ --»Sone doe ic, sprac Reinaert,
+ Ic ga maerghin te Romewaert,
+ Gaet na den wille mijn!”
+ Die coninc sprac: »Ghi dinct mi sijn 2730
+ Bevaen in harde goeden dinghen;
+ God onne u, dat ghijt moet vulbringhen,
+ Reinaert, alse u ende mi
+ Ende ons allen nutte si!”
+ Doe dese redene was ghedaen, 2735
+ Doe ghinc Nobel, die coninc, staen
+ Up ene hoghe staghe van stene,
+ Daer hi up plach te stane allene
+ Als hi sat int hof te dinghe.
+ Die diere saten tenen ringhe 2740
+ Al omme ende omme in dat gras,
+ Nadien dat elc gheboren was.
+ Reinaert stont bi der coninghinne,
+ Ende sprac met enen bliden sinne:
+ »Bidt vor mi, edele vrouwe, 2745
+ Dat ic u met lieve weder scouwe.”
+ Soe sprac: »Die here, daert al an staet,
+ Doe u van sonden vul aflaet!”
+ Die coninc entie coninghinne
+ Ghinghen met enen bliden sinne 2750
+ Vor haer diere, arme ende rike.
+ Die coninc hi sprac vriendelike:
+ »Reinaert es hier comen te hove,
+ Ende wille, dies ic Gode love,
+ Hem betren met al sinen sinne; 2755
+ Ende mijn vrouwe die coninghinne
+ Hevet so vele ghedaen dor hem,
+ Dat ic sijn vrient worden bem,
+ Ende hi versoent es jeghen mi,
+ Ende ic hem hebbe ghegheven vri 2760
+ Beide lijf ende lede:
+ Reinaerde ghebiedic vullen vrede;
+ Anderwaerf ghebiedic hem vrede;
+ Ende derde waerve mede:
+ Ende ghebiede u allen, bi uwen live, 2765
+ Dat ghi Reinaerde, ende sinen wive
+ Ende sinen kindren ere doet,
+ Waer si comen in u ghemoet,
+ Sijt bi nachte, sijt bi daghe;
+ In wille meer neghene claghe 2770
+ Van Reinaerts dinghen horen.
+ Al was hi roekeloos hier vore
+ Hi wille hem betren, ic segghe u hoe:
+ Reinaert wille maerghin vroe
+ Palster ende scerpe ontfaen, 2775
+ Ende wille te Rome gaen,
+ Ende van Rome wille hi over see,
+ Ende dane comen nemmermee,
+ Eer hi heeft vul aflaet
+ Van alre sondeliker daet.” 2780
+ Dese tale hevet Ticcelijn vernomen
+ Ende vlooch, dane hi es comen,
+ Ende hi vant die III ghesellen;
+ Nu hort, wat hi hem sal tellen:
+ Hi sprac: »Keitive, wat doedi hier? 2785
+ Reinaert es meester bottelgier
+ Int hof, ende moghende utermaten;
+ Die coninc heeftene quite ghelaten
+ Van allen sinen mesdaden,
+ Ende ghi sijt alle III verraden.” 2790
+ Isengrijn began andworden
+ Ticeline met corten worden:
+ »Ic wane, ghi lieghet, here raven!”
+ Mettien worde began hi scaven,
+ Ende Brune, hi volchde mede: 2795
+ Si ghinghen recken hare lede
+ Lopende ten conincwaert.
+ Tibert was sere vervaert,
+ Ende bleef sittende up die galghe.
+ Hi was van sinen ruwen balghe 2800
+ In sorghe groot, so utermaten,
+ Dat hi gherne wilde laten
+ Sijn oghe varen over niet,
+ Dat hi in spapen scure liet,
+ Indien dat hi versoent ware. 2805
+ Hine wiste wat doen van vare
+ Dan hi ghinc sitten up die micke.
+ Hi claechde vele ende harde dicke,
+ Dat hi Reinaert nie bekinde.
+ Isengrijn quam met gheninde 2810
+ Ghedronghen vore die coninghinne,
+ Ende sprac met enen fellen sinne
+ Te Reinaertwaert, so verre,
+ Dat die coninc wart al erre,
+ Ende hiet Isengrijn vaen, 2815
+ Ende Brune. Also saen
+ Wortsi ghevanghen ende ghebonden:
+ Ghine saghet nie verwoeden honden
+ Doen meer lachters dan men dede
+ Isengrine ende Brunen mede. 2820
+ Men voerese alse lede gaste,
+ Men bantse beide daer so vaste,
+ Dat si binder nacht
+ Met gheenrande cracht
+ Een let niet en mochten roeren. 2825
+ Nu hort, hoe hise vort sal voeren,
+ Reinaert, die hem was te wreet:
+ Hi dede, dat men Brunen sneet
+ Van sinen rugghe een velspot af,
+ Dat men hem tere scerpen gaf, 2830
+ Voets lanc ende voets breet.
+ Nu ware Reinaert al ghereet,
+ Haddi versce scoen.
+ Nu hort wat hi sal doen,
+ Hoe hi sal scoen ghewinnen. 2835
+ Hi ruunde toter coninghinne:
+ »Vrouwe, ic hem u pelgrijn:
+ Hier es mijn oom Isengrijn,
+ Hi hevet II vaste scoen,
+ Helpt mi, dat icse an mach doen. 2840
+ Ic neme u siele in mine plecht:
+ Het es pelgrijns recht,
+ Dat hi ghedenke in sinen ghebeden
+ Al tgoet dat men hem noit dede;
+ Ghi moghet u siele an mi scoien. 2845
+ Doet Harsinde miere moien
+ Gheven twee van haren scoen.
+ Dit moghedi wel met ere doen:
+ Soe blivet thuus in haer ghemac.”
+ --»Gherne (die coninghinne sprac); 2850
+ Reinaert, ghine mochtes niet omberen
+ Ghine hebt scoen; ghi moet varen
+ Uten lande in Gods ghewout,
+ Over berghe ende int wout,
+ Ende terden struke ende stene: 2855
+ Dine arbeit wert niet clene,
+ Hets di noot dattu hebs scoen;
+ Ic wilre mine macht toe doen.
+ Die Isengrijns waren u ghemicke,
+ Si sijn so vaste ende so dicke 2860
+ Die hi draghet ende sijn wijf:
+ Al sout hem gaen an haer lijf,
+ Elkerlijc moet u gheven scoen,
+ Daer ghi mede u vaert moet doen.”
+ Dus hevet die valsce pelgrijn 2865
+ Beworven, dat der Isengrijn
+ Al toten cnien hevet verloren
+ Van beiden sinen voeten voren
+ Dat vel al gader toten claeuwen.
+ Ghine saecht noint voghel braeuwen, 2870
+ Die stilre hilt al sine lede,
+ Dan Isengrijn die sine dede,
+ Doe men so jamerlike ontscoeide,
+ Dat hem dat bloet ten teen af vloeide.
+ Doe Isengrijn ontscoeit was, 2875
+ Moeste gaen ligghen up dat gras
+ Vrouwe Hersint, die wulvinne,
+ Met enen wel droeven sinne;
+ Ende liet haer afdoen dat vel,
+ Ende die claeuwen also wel, 2880
+ Van beiden haren voeten bachten.
+ Dese daet dede wale sachten
+ Reinaerde sinen droeven moet.
+ Nu hort, wat claghen hi noch doet:
+ »Moie, seit hi, lieve moie, 2885
+ In hoe meneghen vernoie
+ Hebdi dor minen wille ghewesen!
+ Dats mi al leet; sonder van desen
+ Eist mi lief, ic segghe u twi:
+ Ghi sijt, des ghelovet mi, 2890
+ Een die liefste van minen maghen,
+ Bedi sal ic u scoen an draghen.
+ God weet, dats al uwe bate!
+ Ghi sult an hoghen aflate
+ Delen, ende an alt pardoen, 2895
+ Lieve moie, dat ic in u scoen
+ Sal bejaghen over see.”
+ Vrouwe Hersinde was so wee,
+ Dat soe cume mochte spreken.
+ --»Ai Reinaert, God moete wreken, 2900
+ Dat ghi over ons siet uwen wille!”
+ Isengrijn balch, ende sweech stille,
+ Ende sijn gheselle Brune; neware
+ Hem was te moede harde sware;
+ Si laghen ghebonden ende ghewont. 2905
+ Hadde ooc doe ter selver stont
+ Tibert die cater ghewesen daer,
+ Ic dar wel segghen, over waer,
+ Hi hadde so vele ghedaen te voren,
+ Hine waers niet bleven sonder toren. 2910
+ Wat halpt, dat ict u maecte lanc?
+ Des anderdaghes vor sonnenupganc
+ Dede Reinaert sine scoen snoeren,
+ Die Isengrijns waren te voren,
+ Ende sijns wijfs vrouwe Hersinden, 2915
+ Ende hadse vaste ghedaen binden
+ Om sine voete, ende ghinc
+ Daer hi vant den coninc,
+ Ende sijn wijf, die coninghinne.
+ Hi sprac met enen soeten sinne: 2920
+ »Here, God gheve u goeden dach,
+ Ende miere vrouwe, die ic mach
+ Prijs gheven wel met rechte:
+ Nu doet gheven uwen cnechte,
+ Palster ende scerpe, ende laet mi gaen.” 2925
+ Doe dede die coninc haesten saen
+ Den capelaen, Belijn den ram;
+ Ende als hi bi den coninc quam
+ Sprac die coninc: »Hier es
+ Dese pelgrijn; leest hem een gheles, 2930
+ Ende ghevet hem scerpe ende staf!”
+ Belijn den coninc antworde gaf:
+ »Here, in dar des doen niet:
+ Reinaert hevet selve begiet,
+ Dat hi es in spaeus ban.” 2935
+ Die coninc sprac: »Belijn, wattan?
+ Meester Jufroet doet ons verstaen:
+ »Hadde een man allene ghedaen
+ Also vele sonden alse alle die leven,
+ Ende wildi archeit al begheven, 2940
+ Ende daer af te biechte gaen,
+ Ende penitencie ooc ontfaen,
+ Dat hi over see wille varen,
+ Hi mochte wel hem selve claren.”
+ Belijn sprac ten coninc echt: 2945
+ »Ic en doere toe crom no recht,
+ Van gheesteliker dinc altoos,
+ Ghine wilt mi quiten scadeloos
+ Jeghen den bisscop, ende den deken.”
+ Die coninc sprac: »In VIII weken 2950
+ Sone wane ic u bidden so vele;
+ Ooc haddic liever, dat uwe kele
+ Hinghe, dan ic u heden bat!”
+ Ende alse Belijn horde dat,
+ Dat die coninc balch te hemwaert, 2955
+ Wart Belijn so vervaert,
+ Dat hi bevede van vare,
+ Ende ghinc ghereden sinen autare,
+ Ende beghan singhen ende lesen
+ Al dat hem goed dochte wesen. 2960
+ Doe Belijn die capelaen
+ Omoedelike hadde ghedaen
+ Dat ghetide vanden daghe,
+ Doe hinc hi an Reinaerts craghe
+ Ene scerpe van Bruuns velle; 2965
+ Ooc gaf hi den fellen gheselle
+ Den palster in die hant daer bi,
+ Te sinen ghevoeghe. Doe was hi
+ Al ghereet te siere vaert.
+ Doe sach hi ten conincwaert: 2970
+ Hem liepen die gheveinsde trane
+ Neder neven sine granen,
+ Alse oft hi jammer in siere herte
+ Van rouwe hadde ende grote smerte!
+ Dit was bedi, ende anders niet, 2975
+ Dat hi hem allen, die hi daer liet,
+ Niet hadde beraden al sulke pine,
+ Alse Brunen ende Isengrine
+ Van hem hadde moghen ghevallen.
+ Nochtan stont hi, ende bat hem allen, 2980
+ Dat si over hem bidden souden,
+ Also ghetrouwelike als si wouden
+ Dat hi over hem allen bade.
+ Dat orlof nemen dochte hem spade,
+ Want hi gherne dane ware: 2985
+ Hi was altoos sere in vare,
+ Als die hem selven sculdich weet.
+ Doe sprac die coninc: »Mi es leet,
+ Reinaert, dat ghi dus haestich sijt.”
+ --»Neen, here, het es tijt: 2990
+ Men sal neghene weldaet sparen.
+ Uwen orlof: ic wille varen.”
+ Die coninc sprac: »Gods orlof.”
+ Doe gheboot hi al dat hof
+ Met Reinaerde uut te gane, 2995
+ Sonder allene die ghevane.
+ Nu wart Reinaert pelgrijn,
+ Ende sijn oom Isengrijn
+ Ende Brune si ligghen ghebonden,
+ Ende siec van seren wonden. 3000
+ Mi dinct, ende ic wane das,
+ Dat niemen so onspellic was
+ Tusscen Pollanen ende Scouden,
+ Die hem van lachene hadde onthouden,
+ Sowat rouwe so hem mochte ghescien, 3005
+ Hadde hi Reinaert doe ghesien,
+ Hoe wonderlijc hi henen ghinc,
+ Ende hoe ghemackelijc dat hem hinc
+ Scerpe ende palster omme den hals,
+ Ende die scoen als ende als, 3010
+ Die hi droech an sinen been
+ Ghebonden, so dat hi sceen
+ Een pelgrijn licht ghenoech.
+ Reinaerts herte binnen loech,
+ Dor dat si alle met hem ghinghen 3015
+ Met so groter sameninghe,
+ Die hem te voren waren wreet.
+ Doe sprac hi: »Coninc, mi es leet,
+ Dat ghi so verre met mi gaet:
+ Ic vruchte, het mach u wesen quaet! 3020
+ Ghi hebt ghevaen II mordenaren:
+ Ghevalt, dat si u ontfaren,
+ Ghi hebt u te wachtene meer
+ Dan ghi noint hadt eer.
+ Blijft ghesont, ende laet mi gaen.” 3025
+ Na deser tale ghinc hi staen
+ Up sinen achtersten benen,
+ Ende maende grote ende clene,
+ Dat si alle vor hem baden,
+ Oft si van allen weldaden 3030
+ Recht deel nemen wouden.
+ Si seiden alle, dat si souden
+ Sijns ghedinken in haer ghebeden.
+ Nu hort vort wat Reinaert dede:
+ Daer hi vanden coninc sciet, 3035
+ So droevelic hi hem gheliet,
+ Dat hem somen sere ontfaremde.
+ Cuwaert den hase hi becaremde:
+ »Owi, Cuwaert, sullen wi sceiden!
+ Oft ghi wilt, ghi sult mi gheleiden, 3040
+ Ende mijn vrient Belijn die ram:
+ Ghi twee, ghine daet mi noint gram.
+ Ghi moet mi bet vort bringhen!
+ Ghi sijt van soeter wandelinghe,
+ Ende omberocht, ende goedertiere, 3045
+ Ende ombeclaghet van allen dieren.
+ Ghestade es uwer beider sede,
+ Als ic doe ten tiden dede.
+ Als ic clusenare was;
+ Hebdi lovere ende gras, 3050
+ Ghine doet neghenen eesch
+ Nochte om broot nochte om vleesch,
+ Nochte om sonderlingher spise.”
+ Met aldus ghedanen prise
+ Hevet Reinaert dese II verdoort, 3055
+ Dat si met hem ghinghen voort,
+ Tote dat hi quam vor sijn huus,
+ Ende vor die porte van Maupertuus.
+ Alse Reinaert vor die porte quam,
+ Hi sprac: »Belijn, neve ram, 3060
+ Ghi moet allene buten staen:
+ Ic moet in mine veste gaen.
+ Cuwaert sal in gaen met mi.
+ Here Belijn, bidt hem, dat hi
+ Trooste wel vrouwe Hermelinen, 3065
+ Met haren clenen welpkinen,
+ Als ic orlof an hem neme.”
+ Belijn sprac: »Ic bids heme,
+ Dat hise alle trooste wale.”
+ Reinaert ghinc met scoonre tale 3070
+ So smeken ende losengieren
+ In so menegher maniere,
+ Dat hi bi barate brochte
+ Cuwaert in sine haghedochte.
+ Als si in dat hol quamen, 3075
+ Cuwaert ende Reinaert tsamen,
+ Doe vontsi vrouwe Hermelinen
+ Met haren clenen welpkinen,
+ Die was in sorghe ende in vare;
+ Want soe waent, dat Reinaert ware 3080
+ Verhanghen. Ende als soe vernam,
+ Dat hi weder thuuswaert quam,
+ Ende palster ende scerpe droech,
+ Dit dochte haer wonders ghenoech.
+ Soe was blide ende sprac saen: 3085
+ »Reinaert, hoe sidi ontgaen?”
+ --»Ic bem worden pelgrijn.
+ Here Brune ende here Isengrijn
+ Sijn worden ghisele over mi:
+ Die coninc hevet, danc hebbe hi, 3090
+ Cuwaert ghegheven in rechter soene,
+ Al onsen wille mede te doene.
+ Die coninc hi liede das,
+ Dat Cuwaert die eerste was,
+ Die ons verriet jeghen hem: 3095
+ Ende bi der trouwe, die ic bem
+ Sculdich u, vrouwe Hermeline!
+ Cuwaerde naket grote pine;
+ Ic bem up hem met rechte gram.”
+ Ende alse dat Cuwaert vernam, 3100
+ Keerdi hem omme, ende waende vlien;
+ Maer dat ne conste niet ghescien;
+ Want Reinaert hadde hem ondergaen
+ Die porte, ende ghegrepene saen
+ Bi der kelen mordelike. 3105
+ Ende Cuwaert riep ghenadelike:
+ »Helpt mi, Belijn, waer sidi?
+ Dese pelgrijn verbijt mi!”
+ Dat roepen sciere was ghedaen,
+ Bedi Reinaert hadde saen 3110
+ Sine kele ontwee ghebeten.
+ Doe sprac hi: »Nu gawi eten
+ Desen goeden vetten hase!”
+ Die welpkine liepen ten ase:
+ Ende ghinghen eten al ghemene. 3115
+ Hare rouwe was wel clene,
+ Dat Cuwaert hadde verloren tlijf:
+ Ermeline, Reinaerts wijf,
+ At dat vleesch, ende dranc dat bloet.
+ Ai, hoe dicke bat soe goet 3120
+ Den coninc, die dor sine doghet
+ Die clene welpkine hadde verhoghet
+ So wel met enen goeden male.
+ Reinaert sprac: »Hi ans u wale:
+ Ic weet wel, moet die coninc leven, 3125
+ Hi soude ons gherne ghiften gheven,
+ Die hi selve niet ne woude
+ Hebben, om VII mare van goude.”
+ --»Wat ghiften es dat?” sprac Hermeline.
+ Reinaert sprac: »Hets ene line, 3130
+ Ende ene vorst, ende twee micken;
+ Maer maghic, ic sals ontscricken,
+ Hopic, eer liden daghe twee,
+ Dat ic omme sijn dreighen mee
+ Ne gave, dan hi omme tmijn.” 3135
+ Soe sprac: »Reinaert, wat mach dat sijn?”
+ Reinaert sprac: »Vrouwe, ic secht u.
+ Ic weet een wildernesse nu
+ Van langhen haghen, ende van heiden,
+ Ende dier so nes niet onghereide, 3140
+ Van goeden ligghene ende van spisen;
+ Daer wonen hoenre ende partrisen,
+ Ende menegherande vogheline.
+ Wildi doen, vrouwe Ermeline,
+ Dat ghi gaen wilt met mi daer, 3145
+ Wi moghen daer wel VII jaer,
+ Willen wi, wandelen onder die scade,
+ Ende hebben grote ghenade,
+ Eer wi worden daer bespiet.
+ Al seidic meer, in loghe niet.” 3150
+ --»Ai, Reinaert, sprac vrouwe Hermeline,
+ Dit dinct mi wesen ene pine,
+ Die al gader ware verloren:
+ Ne hebdi dit lant versworen
+ In te wonen nemmermee, 3155
+ Eer ghi comt van over see?
+ En hebdi palster ende scerpe ontfaen?”
+ Reinaert antworde vele saen:
+ »So meer ghesworen, so meer verloren,
+ Mi seide een goet man hier te voren, 3160
+ (In rade dat hijt mi riet,
+ Bedi neghene trouwe diet)
+ Al vuldade ic dese vaert,
+ En holpe mi niet (sprac Reinaert);
+ In waers een ei niet te bat: 3165
+ Ic hebbe den coninc enen scat
+ Belovet, die mi es onghereet;
+ Ende als hi des die waerheit weet,
+ Dat ic hem al hebbe gheloghen,
+ Ende hi bi mi es bedroghen, 3170
+ Sal hi mi haten vele mere,
+ Dan hi noint dede ere.
+ Daer bi peinsic in minen moet,
+ Dat varen es mi also goet
+ Alse dat bliven (sprac Reinaert); 3175
+ Ende Godsat hebbe mijn rode baert,
+ (Ghedoe hoe ic ghedoe)
+ Oft mi troostet mee daer toe
+ No die cater no die das,
+ No Bruun, die na mijn oom was, 3180
+ Dat ic in des coninx ghenade
+ No dor ghewin, no dor scade,
+ Ne come; dat ic leve lancst,
+ Ic hebbe leden so meneghen anxt!”
+ So sere balch die ram Belijn, 3185
+ Dat Cuwaert, die gheselle sijn,
+ In dat hol so langhe merrede,
+ Hi riep, als die hem sere errede:
+ »Cuwaert, laets den duvel wouden!
+ Hoe langhe sal u Reinaert houden? 3190
+ Twine comdi uut, ende laet ons gaen?”
+ Alse Reinaert dit hadde verstaen,
+ Doe ghinc hi ute, tote Beline,
+ Ende sprac al stillekine:
+ »Ai here, twi so belghedi? 3195
+ Al sprac Cuwaert jeghen mi
+ Ende jeghen sire moien,
+ Waer omme mach di des vernoien?
+ Cuwaert dede mi verstaen,
+ Ghi moghet wel sachte vore gaen, 3200
+ Ne wildi hier niet langher sijn;
+ Hi moet hier merren een lettelkijn
+ Met siere moien Hermelinen,
+ Ende met haren welpkinen,
+ Die sere wenen ende mesbaren, 3205
+ Om dat ic hem sal ontfaren.”
+ Belijn sprac: »Nu secht mi,
+ Her Reinaert, wat hebdi
+ Cuwaerde te lede ghedaen?
+ Also als ic conste verstaen 3210
+ So riep hi harde hulpe up mi.”
+ Reinaert sprac: »Wat sechdi!
+ Belijn, God moete u beraden!
+ Ic segghe u, wat wi daden:
+ Doe ic in huus gheganghen quam, 3215
+ Ende Ermeline an mi vernam,
+ Dat ic wilde varen over see,
+ Ten eersten wart haer so wee,
+ Dat soe langhe in onmacht lach:
+ Ende alse Cuwaert dat ghesach, 3220
+ Doe riep hi lude: »Helet vri,
+ Comt hare, ende helpet mi!
+ Mine moie soes in ommacht.”
+ So riep hi met groter cracht:
+ Dit waren die worde, ende niet el.” 3225
+ --»Entrouwe, ic verstont ooc wel,
+ Dat Cuwaert dreef groot mesbare:
+ Ic waende hem iet mesvallen ware.”
+ Reinaert sprac: »Belijn, neent niet:
+ Mi ware liever, mesquame hier iet 3230
+ Minen kindren ofte minen wive,
+ Dan mijns neven Cuwaerts live!”
+ Reinaert sprac: »Vernaemdi iet,
+ Dat mi die coninc ghistren hiet
+ Vor harde vele hogher liede, 3235
+ Als ic uten lande sciede,
+ Dat ic hem een paer lettren screve?
+ Suldijt hem draghen, Belijn neve?
+ Hets ghescreven ende al ghereet.”
+ Belijn sprac: »Ic ne weet; 3240
+ Reinaert, wistic u ghedichte,
+ Dat ghetrouwe ware, ghi mochtet lichte
+ Ghebieden, dat iet ten coninc
+ Droeghe, haddic eneghe dinc,
+ Daer ict mochte in steken.” 3245
+ Hi sprac: »U ne sal niet ghebreken;
+ Eer des coninx lettren bleven,
+ Ic soude u dese scerpe gheven,
+ Here Belijn, die ic draghe,
+ Ende hanghense an uwe craghe, 3250
+ Ende des coninx lettren daer in.
+ Ghi sulter af hebben groot ghewin,
+ Des conincs danc, ende groot ere!
+ Ghi sult den coninc minen here
+ Harde willecome sijn.” 3255
+ Dit lovede mijn here Belijn.
+ Reinaert ghinc in die haghedochte,
+ Ende keerde weder, ende brochte
+ Sinen vrient Beline jeghen
+ Dat hovet van Cuwaerde ghedreghen: 3260
+ In die scerpe haddijt ghesteken,
+ Ende hinc bi sinen quaden treken
+ Die scerpe Beline an den hals,
+ Ende beval hem als ende als,
+ Dat hi die lettren niet ne soude 3265
+ Besien, oft hi gherne woude
+ Den coninc tenen vriende maken;
+ Ende seide hem, dat die lettren staken
+ In die scerpe verholenlike;
+ Ende oft hi wesen wilde rike, 3270
+ Ende sine ere hadde lief,
+ Dat hi seide, dat dese brief
+ Bi hem allene ware ghescreven,
+ Ende hiere raet toe hadde ghegheven:
+ Die coninc souts hem weten danc. 3275
+ Dat horde Belijn, ende spranc
+ Vander stede up, daer hi stoet,
+ Meer dan enen halven voet,
+ So blide was hi vander dinc,
+ Die hem te torne sint verghinc. 3280
+ Doe sprac Belijn: »Reinaert, here,
+ Nu wetic wel, dat ghi doet ere
+ Mi selven, ende die sijn int hof!
+ Men sals mi spreken groten lof,
+ Als men weet, dat ic can dichten 3285
+ Met sconen worden ende met lichten;
+ Al si dat ics niet ne can.
+ Men seit, hets dicke menich man
+ Grote ere ghesciet, dat hem God onste,
+ Van dinghen, die hi lettel conste.” 3290
+ Hier na sprac Belijn: »Reinaert,
+ Wats u raet? wille Cuwaert
+ Met mi weder te hove gaen?”
+ --»Neen hi (sprac Reinaert); hi sal saen
+ Volghen bi dien selven pade: 3295
+ Hine hevet noch neghene stade.
+ Nu gaet vore met ghemake!
+ Ic sal Cuwaerde sulke sake
+ Ontdecken, die noch es verholen.”
+ --»Reinaert, so blivet Gode volen!” 3300
+ Mettien hi dede hem up die vaert.
+ Nu hort, wat hi doet, Reinaert:
+ Hi keerde in sine haghedochte
+ Ende sprac: »Hier naect ons groot gherochte,
+ Bliven wi hier, ende grote pine: 3305
+ Ghereet u, vrouwe Hermeline,
+ Ende mine kindre also algader;
+ Volghet mi, ic bem u vader,
+ Ende pinewi ons, dat wi ontfaren.”
+ Doene was daer gheen langher sparen: 3310
+ Si daden hem alle up die vaert:
+ Ermeline ende here Reinaert,
+ Ende hare jonghe welpkine,
+ Dese anevaerden die woestine.
+ Nu hevet Belijn, die ram, 3315
+ So ghelopen, dat hi quam
+ Te hove, een lettel na middach.
+ Als die coninc Belijn ghesach,
+ Die die scerpe weder brochte,
+ Daer Brune die bere so onsochte 3320
+ Te voren omme was ghedaen,
+ Doe sprac hi te Beline saen:
+ »Here Belijn, waen comedi?
+ Waer es Reinaert? hoe comt, dat hi
+ Dese scerpe niet en draghet?” 3325
+ Belijn sprac: »Coninc, ic maghet
+ U segghen also alse ict weet.
+ Doe Reinaert al was ghereet,
+ Ende hi tcasteel rumen soude,
+ Doe seide hi mi, dat hi u woude 3330
+ Een paer lettren, coninc vri,
+ Senden; ende doe bat hi mi,
+ Dat icse droeghe dor uwe lieve.
+ Ic seide, meer dan VII brieve
+ Soudic dor uwen wille draghen. 3335
+ Doe ne conste Reinaert niet bejaghen
+ Daer ic die brieve in draghen mochte:
+ Dese scerpe hi mi brochte
+ Ende die lettren daer in ghesteken.
+ Coninc, ghine horet noint spreken 3340
+ Van betren dichtre dan ic bem:
+ Dese lettren dichte ic hem,
+ Gaet mi te goede, oft te quade;
+ Dese lettren sijn bi minen rade
+ Aldus ghemaect ende ghescreven.” 3345
+ Doe hiet hem dien coninc gheven
+ Den brief Botsaerde, sinen clerc:
+ Dat was hi, die hantwerc
+ Bet conste dan iemen die daer was.
+ Botsaert plach emmer dat hi las 3350
+ Die lettren, die te hove quamen.
+ Bruneel ende hi si namen
+ Die scerpe vanden halse Beline,
+ Die bi der dompheit sine
+ Hier toe hadde gheseit so verre, 3355
+ Des hi snieme sal worden erre.
+ Die scerpe ontfinc Botsaert, die clerc.
+ Doe moeste bliken Reinaerts werc.
+ Alse hi dat hovet vort trac,
+ Botsaert, ontsach dat, ende sprac: 3360
+ »Helpe, wat lettren sijn dit!
+ Here coninc, bi miere wit,
+ Dit es dat hovet van Cuwaerde!
+ Owach, dat ghi noint Reinaerde,
+ Coninc, ghetrouwedet so verre!” 3365
+ Doe mochtemen droeve sien ende erre
+ Dien coninc entie coninghinne.
+ Die coninc stont in droeven sinne,
+ Ende sloech sijn hovet neder.
+ Over lanc verhief hijt weder 3370
+ Ende begonste werpen uut
+ Een dat vreselijcste gheluut,
+ Dat noint van diere ghehort waert.
+ Ghene diere waren vervaert.
+ Doe spranc vort Firapeel, 3375
+ Die lupaert: hi was een deel
+ Des coninx maech, hi mocht wel doen;
+ Hi sprac: »Here, coninc lioen
+ Twi drijfdi dus groot onghevoech?
+ Ghi mesliet u ghenoech 3380
+ Al ware die coninghinne doot.
+ Doet wel ende wijsheit groot,
+ Ende slaect uwen rouwe een deel.”
+ Die coninc sprac: »Her Firapeel,
+ Mi hevet een quaet wicht so verre 3385
+ Bedroghen, dat ics bem erre,
+ Ende int strec gheleet bi barate,
+ Dat ic recht mi selven hate,
+ Ende ic mine ere hebbe verloren.
+ Die mine vriende waren te voren, 3390
+ Die stoute Brune, ende Isengrijn,
+ Die rovet mi een valse pelgrijn:
+ Dat gaet miere herten na so sere,
+ Dat het gaen sal an mine ere,
+ Ende an mijn leven: het es recht!” 3395
+ Doe sprac Firapeel echt:
+ »Es daer mesdaen, men salt soenen.
+ Men sal den wulf ende Bruun den coenen,
+ Ende vrouwe Hersinde also wel,
+ Betren hare mesdaet snel; 3400
+ Ende haren toren, ende hare pine
+ Versoenen met den ram Beline,
+ Na dat hi selve heeft gheliet,
+ Dat hi Cuwaerde verriet;
+ Hi heeft mesdaen, hi moet becopen. 3405
+ Ende daer na sullen wi alle lopen
+ Na Reinaerde, ende sulne vanghen,
+ Ende bi siere kelen hanghen,
+ Sonder vonnesse, hets recht.”
+ Doe andworde die coninc echt: 3410
+ »Owi, here Firapeel,
+ Mochte dit ghescien, so ware een deel
+ Ghesocht die rouwe, die mi slaet!”
+ Firapeel sprac: »Here, jaet,
+ Ic wille maken gaen die soene.” 3415
+ Doe ghinc Firapeel, die coene,
+ Daer hi die ghevane vant:
+ Ic wane dat hise eerst ontbant,
+ Ende daer na sprac: »Ghi heren beide,
+ Ic bringhe u vrede ende vast gheleide: 3420
+ Mijn here die coninc groet u,
+ Ende hem berouwet sere nu,
+ Dat hi jeghen u heeft mesdaen.
+ Hi biet u, wildijt ontfaen,
+ (Wie so blide si ofte gram,) 3425
+ Hi wille u gheven Belijn den ram,
+ Ende alle ser Belijns maghe,
+ Van nu toten doemsdaghe:
+ Eist int velt, eist int wout,
+ Hebse alle in u ghewout, 3430
+ Ende ghise gheweldelike verbit:
+ Die coninc ombiet u vor al dit,
+ Dat ghi moghet sonder mesdaet,
+ Reinaerde toren ende quaet
+ Doen, ende allen sinen maghen, 3435
+ Waer so ghise moghet belaghen.
+ Dese grote vriheden
+ Wille u die coninc gheven heden
+ Te vrien lene, ewelike;
+ Ende hier binnen wilt die coninc rike, 3440
+ Dat ghi hem sweret vaste hulde.
+ Hine wille ooc bi sinen sculden
+ Nemmer jeghen u mesdoen.
+ Dit biet u die coninc lioen.
+ Dit nemt, ende leeft mit ghenade: 3445
+ Bi Gode, ic dart u wel raden!”
+ Isengrijn sprac toten bere:
+ »Wat sechdire toe, Brune here?”
+ --»Ic hebbe liever in die risere,
+ Dan hier te ligghene int isere: 3450
+ Laet ons toten coninc gaen,
+ Ende sinen pais daer ontfaen.”
+ Met Firapeel dat si ghinghen,
+ Ende maecten pais van allen dinghen.
+
+__________
+
+VERSNOTEN
+
+Vs. 1-9: Zie de Inleiding, § II.
+
+Vs. 2: _Dicken_, en zoo gewoonlijk, b.v. 70, 344, 1130, 1392, 1475,
+ 1518, 1730, 1746, 1781, 2337, 3288.
+
+Vs. 10: _hulpen jonnen_
+
+Vs. 11: _keert_
+
+Vs. 14: _Ofte_
+
+Vs. 24: _Daden si wel si soudens b._ Mijne verandering rust op Mnl.
+ Versbouw, bl. 120 en 138.
+
+Vs. 25: _Dat en s._
+
+Vs. 28: _hovescheden_
+
+Vs. 29: _keert_
+
+Vs. 35: _eren_
+
+Vs. 36: L. _Ende haer daer toe keren?_ Opdat even als het voorgaande vs.
+ ook dit slechts drie verheffingen hebbe?
+
+Vs. 39: C. _sinnen_
+
+Vs. 41: C. _tsinxen_, Gr. _pinxen_
+
+Vs. 47: _ten wel gr. l._ Moet men dit en het volgende vers ook met drie
+ arses lezen? aldus: _Houden te groten love. Doe quam tes coninx
+ hove?_
+
+Vs. 52: _ne_ invoegsel van mij
+
+Vs. 60: C. _metten grisen b._; doch zie 3176, en verg. 940, 3745, 3771.
+ _Grijs_ daarentegen heet de wolf, 2266.
+
+Vs. 66: _Dor u ed. ende dor u ere_
+
+Vs. 67: _Ende dor r. e. d. ghenaden_
+
+Vs. 68: _miere_, dus CGr.; W. verandert: _der groter_; maar verg. 318.
+
+Vs. 74: W. _minen kindren_.
+
+Vs. 76: _meer_, invoegsel van WILLEMS.
+
+Vs. 78: _hoondi_
+
+Vs. 79: CGr. _sint_, dat W. blootelijk wegwerpt.
+
+Vs. 80: _enen_
+
+Vs. 85: _ontvoer ons in_. Maar het Fr. heeft 9691: _Il se retraist mout
+ tost arière, Si se féri en sa taisnière._
+
+Vs. 93: _Inne_, dus C. bij GrW. _Ine_. Zoo ook 492, 560, 1609.
+
+Vs. 97: _Onghebetert no onghewroken_. CGrW. _No onverswegen, no
+ ongewr._, hetgeen met den voorgaanden regel geen zin oplevert. De
+ omwerking gaf de verbetering aan de hand. Bij het lezen moet _no
+ ongewr._ samenvloeyen. Zoo vs. 404 _no onse_; doch zie mijne
+ verbetering aldaar.
+
+Vs. 100: Moet men lezen: _Ende claghede_ in Fr.?
+
+Vs. 101: _arem_
+
+Vs. 107: _die wart gram_
+
+Vs. 119: W. _enen_.
+
+Vs. 124: _omberet_ C. Gr. _omberecht_; maar zie 127.
+
+Vs. 126: _Pancer de bever sprac_; mijne uitlating, door den versbouw
+ gevorderd, steunt op de omwerking. Men leest intusschen vs. 107:
+ _Tibert die cater_; 138: _Cuwaerde den hase_, en 177: _Grimbert
+ die das_ in het rijm; evenzoo vs. 247, 479, enz.
+
+Vs. 133: CGr. _mochtire_. CGrW. _an_.
+
+Vs. 135: _Wat sechdi van omberen claghe_; ik meen aldus den onzin van
+ het hs. te moeten herstellen, waar men leest: _Wat sechdi van eere
+ lage_. Tibert had immers van geene _lage_ gesproken; wel van eene
+ _claghe_, en bepaaldelijk van het _omberen_ (achterlaten) der clage
+ van Cortois. De verbetering van den omwerker (_van eenre sagen_) was
+ niet gelukkig.
+
+Vs. 136: _in_ W. _aen_.
+
+Vs. 138: _An Cuwaerde den hase d. h. st._; doch zie op vs. 126.
+
+Vs. 139-140: Moet men ook lezen: _ghederde_: _verde_? Dan zou _die_
+ slaan op _overdaet_ en niet op _Cuwaerde_. Ook vs. 166 leest men
+ _verde_ voor _vrede_; maar wederom 266 _vrede_ in 't rijm.
+
+Vs. 140: _hi hem_
+
+Vs. 141: _des coninx_
+
+Vs. 145-6: _sine beene_: _over eene_; doch _been_ in 't meervoud is naar
+ den regel.
+
+Vs. 146: _begonsten si_
+
+Vs. 149: _te dien_
+
+Vs. 153-4: _vaerde_: _Reinaerde_
+
+Vs. 155: _lessen_
+
+Vs. 158: _kele_
+
+Vs. 159: _thooft af hebben genomen_, in strijd met rhythmus en oud
+ spraakgebruik.
+
+Vs. 160: _te hulpen_
+
+Vs. 161: _aventuren_
+
+Vs. 163: _here_
+
+Vs. 166: _dus es_; GrW. _vrede_
+
+Vs. 167: _als uwe mannen_
+
+Vs. 168: _noch_ invoegsel van mij.
+
+Vs. 172: _Here, waer R. doot_; de vocativus is hier echter geheel
+ ongepast, daar niemand in 't bijzonder wordt toegesproken; hij
+ bederft slechts het vers.
+
+Vs. 175: _binnen eere_. De zin zoowel als de versmaat eischt de
+ verbetering; _binnen de_, _binnen deze maand_ is krachtiger en
+ gepaster.
+
+Vs. 183: _talen_
+
+Vs. 185: _als_
+
+Vs. 187: _angaen_. Moet men naar de hedendaagsche vlaamsche uitspraak
+ lezen: _wilde anegaen_?
+
+Vs. 191-4: Men konstruere aldus: Entie, van minen oom ende van u, meest
+ andren heeft mesdaen, sal den andren in bate staen.
+
+Vs. 192: _baten_
+
+Vs. 194: _ne_ invoegsel van mij.
+
+Vs. 198: _En soude den coninc niet d. g._
+
+Vs. 199: _bleves heden onb._ Blijkbaar een inlapsel, dat zelfs de
+ omwerker niet heeft. Gr. en W. veranderen _blevets_, maar hoewel
+ duidelijker, is de invoeging der _t_ onnoodig.
+
+Vs. 201: Moet _Dicwile_ niet worden veranderd in _Dicke_, wegens den
+ valschen klemtoon? Verg. 207.
+
+Vs. 207: _wisen_
+
+Vs. 210: _volghedet_, C. _volghet_; bij Gr. en W. _volchdet_--_van
+ verren_.
+
+Vs. 211: _die beste pladise_; maar vs. 213 leert dat hij niet alleen _de
+ beste_, maar alle visschen opslokte.
+
+Vs. 212: _Daer ghi u ane h. vers._
+
+Vs. 214: _een_ l. _eens_?
+
+Vs. 215: _Dat ghi_, doch 216 leest men _dat ghine_, bij Gr W. verandert
+ in _ghijt_. In de taal van 't dagelijksch leven is in Holland _grat_
+ (_graat_) echter nog onzijdig.
+
+Vs. 225: L. _soe's so_
+
+Vs. 228: _sorghe_
+
+Vs. 229: _warpene_
+
+Vs. 231: _dor Isengrijm_
+
+Vs. 232: _meer dan ic u rijm_. De omwerking wees de verbetering aan.
+
+Vs. 233: _genoegh_; maar ook 1625 leest CGr. _ghenoech_ voor _ghevoech_,
+ gelijk GRÄTER ontelbare malen de _n_ en de _v_ verwart.
+
+Vs. 234: C. _Nochtan ō meer_; GrW. _Nochtan om meer_.
+
+Vs. 236: _Reinaerde_
+
+Vs. 238: _makedent_
+
+Vs. 244: _Reinaert_
+
+Vs. 246: _talen_; bij W. _tale_, maar achter _wat_ volgt meestal een
+ genit. plur. Zie _Walewein_ II D., bl. 239, en voeg er bij _Ferg._
+ 2036 _wat saken_; en hier 2884 _wat claghen_, 3129 _wat ghiften_.
+
+Vs. 247: _maket here Cuwaert_
+
+Vs. 249: C. _Credo_
+
+Vs. 252: W. _in trouwen_
+
+Vs. 256: CGr. _Ende hoordi_
+
+Vs. 258: _qualike_. C. heeft _Onrecht_: de verbetering is van Gr., die
+ haar verklaart »jure, mit recht”. Reineke heeft ook 262 _mit
+ rechte_.
+
+Vs. 260: _verjonnen_; ik kies hier de ouder vorm.
+
+Vs. 269: _een hare_.
+
+Vs. 272: _danen_; CGr. _seidi_
+
+Vs. 274: _Sinen_
+
+Vs. 279: _Bleec es hi ende mager van pinen_
+
+Vs. 280: _carinen_
+
+Vs. 281: _sine_
+
+Vs. 283: _dese_
+
+Vs. 286: _ene_
+
+Vs. 287: C. _ende hiet Coppe_
+
+Vs. 288: _Dier_: W. leest met C. _Die_; en Gr. _Der_
+
+Vs. 291: _voor die bare_; maar dat dit eene interpolatie is leert de
+ versmaat en de omwerking.
+
+Vs. 293: Gr. _ieweder siden_; C. _baren_.
+
+Vs. 295: _Die een hane hiet Cr._; doch verg. 298.
+
+Vs. 296: _na_ ontbr. in C.; reeds door Gr. ingevoegd.
+
+Vs. 297: _goeden_
+
+Vs. 300: _Die scoonste hane diemen v._
+
+Vs. 301: _Tusschen Portaengen ende Polanen_. WILLEMS vertaalde:
+ »tusschen Britanje en Polen.” De omwerker heeft: _Tusschen Hollant
+ ende Ordanen_. Vs. 3023 _Tusschen Pollanen ende Scouden_; 599
+ _Tusschen hier ende Portugale_.
+
+Vs. 303: C. _berrende_ De verandering is van Gr.
+
+Vs. 307: _sustre_
+
+Vs. 311: _Van haerre suster_
+
+Vs. 318: C. _scaden_
+
+Vs. 320: C. _mine sustren_
+
+Vs. 321: _Ende sere hebben haren onwille_.
+
+Vs. 324: CGr. _men siet_
+
+Vs. 332: _te dien broede_
+
+Vs. 334: _scone_
+
+Vs. 335: W. _eenen_, CGr. _ene_
+
+Vs. 337: _honden_
+
+Vs. 338: CGr. _dierfel_ l. _dier-vel_?
+
+Vs. 342: _ne_ ontbreekt.
+
+Vs. 344: _om de mure_ l. _ombe mure_? verg. VELTH, bl. 55, en zie hier
+ vs. 393, 1710
+
+Vs. 345: _om ons_
+
+Vs. 347: _Riepen si_ maar uit 349 blijkt dat er _liepen_ moet staan.
+ Herhaaldelijk is uit C. de kapitale _L_ kwalijk als _R_ gelezen:
+ b.v. 721 ook _Riept_ voor _Liept_, en verder 165, 424, 791, 793,
+ 796, 815, 838, 863, 1299, 1367, 1387. Zie GRIMMS Kollatie.--_si_ l.
+ _siere_ (_Liepsiere_)?
+
+Vs. 349: _avonturen_
+
+Vs. 353: _baraten_
+
+Vs. 354: _Dattene God moete verwaten_. De omwerking gaf de verbetering
+ aan de hand.
+
+Vs. 357: _Reinaert die m. d._ Blijkbaar is de eigennaam een glosseem van
+ een afschrijver, die terugdeinsde voor de betooning: Dié mordádège
+ diéf, waarover zie Mnl. Vsb. bl. 76-78 en 69.
+
+Vs. 361-2: _began lesen, Dochte mi daer an ghescreven wesen_; doch
+ _wesen_ ontbr. in C. door Gr. aangevuld.
+
+Vs. 364: _alle_
+
+Vs. 365: C. _Alle_
+
+Vs. 367: _hi mi ander_. Men zou ook kunnen lezen: _mi and'r niemáre_,
+ maar ook vs. 1577, 1603 is de betooning _niémáre_.
+
+Vs. 370: _Ende hi hadde ghedaen vele sware_, hetgeen met het volgende
+ vers geen zin oplevert. De stoplap _te waren_ vindt men ook 603.
+
+Vs. 371: _sine_
+
+Vs. 376: _moogdi_
+
+Vs. 381: _sielen_
+
+Vs. 385: C. _priemen_ GrW. _primen_
+
+Vs. 387: _te dien_
+
+Vs. 392: _Dat ic al met m. br._
+
+Vs. 393: _Sonder s. ginc b._
+
+Vs. 397: _hadde ons die p._
+
+Vs. 398: W. _kindren_
+
+Vs. 401: _Mesval mi doe nakede_. Het eerste woord is aan de omwerking
+ ontleend, CGrW. _Quade avonture mi d. n._, hetgeen vijf voeten aan
+ het vers geeft, dat er, om het volgende, maar drie duldt.
+
+Vs. 404: _no onse hont_; maar het voorgaande _ons_ is de acc.;
+ buitendien waren er meer honden, zie 346.
+
+Vs. 406: _dat laet_, doch zie vs. 318, 420.
+
+Vs. 413: _vieren_
+
+Vs. 417: _hinne_ ontbreekt bij CGrW.
+
+Vs. 418: _dese_
+
+Vs. 421-2: _Die c. spr. Grimbert die das_ (:_was_), hetgeen in voc.
+ onmogelijk is. Dat dit echter de oude lezing is, leert de omwerking.
+ Evenzoo heeft het Fr. 10445: »_Où estes-vos, Tyber li chaz?_”
+
+Vs. 425: _hier_, W. _heer_
+
+Vs. 428: _sielen_
+
+Vs. 430: _moeter al gh._
+
+Vs. 432: _wise_, beter _wine_? Dit slaat dan niet op _dochter_ (427),
+ maar op _lichame_.
+
+Vs. 437: _dese_
+
+Vs. 439: C. _jonghe_
+
+Vs. 445: C. _horen_.
+
+Vs. 447: _Neware_, met C. en Gr., bij W. _Ne mare_; doch zie vs. 95,
+ 174, 1749.
+
+Vs. 448 en 9: _sielen_
+
+Vs. 451: _Coppen_, dus C., maar Gr. en W. veranderen _Coppe_.
+
+Vs. 455: CGr. _daer an sach_; W. _daer sach_
+
+Vs. 456: CGr. _Die saerc_; W. _An den s._
+
+Vs. 457: _Dede an_
+
+Vs. 463: _Reinaert die vos_
+
+Vs. 465: _mouden_.
+
+Vs. 466: _te sinen_ dus GrW., C. heeft _tsinen_.
+
+Vs. 470: _waren si_
+
+Vs. 471: _si daar den_
+
+Vs. 472: _hine dan soude_
+
+Vs. 474-5: _No dor scade ... ne liete._ Zie over de elliptische
+ spreekwijs DE VRIES, _Brief over Karel den Gr._, bl. 17. Voor
+ _liete_ heeft C. _lette_. GRIMM gaf de aanvankelijke verbetering aan
+ de hand, lezende _lete_, waarschijnlijk naar Reineke 454.
+
+Vs. 474: _vromen_
+
+Vs. 476: _Brunen_, CGrW. lezen _Brune_, maar zijn in het gebruik van
+ dezen eigennaam zeer onregelmatig. Ik vind: N. Bruun, vs. 510,
+ 525, 776, 850. G. Bruuns, vs. 2444. D. Brune, vs. 476, 645, 2257.
+ A. Bruun, vs. 544, 911. Maar ook volgens GRIMMS paradigma, Gram. I,
+ 772-773: N. Brune, vs. 497, 518, 574, 608, 809, 818, 839, 843, 863,
+ 952, 961, 988, 3391. G. Brunen, vs. 2413. D. Brunen, vs. 657, 773,
+ 807, 2439, 2450, 2820; Bruun, 479, 931. A. Brune, vs. 978, 983,
+ 2256, 2309, 2816. Ik heb de zwakke vorm voorgetrokken.
+
+Vs. 478: _was die coninc sc. b._
+
+Vs. 480: _vor dit here_. Ook het Fr. heeft 10450 _En la presence de ma
+ gent_.
+
+Vs. 483: Gr. _waecht_
+
+Vs. 495: _ende hi sal naken_
+
+Vs. 501: _Ende dat hem_
+
+Vs. 503: _in_ CGrW. _dor_
+
+Vs. 514: _van_ ontbr.
+
+Vs. 516: _sorghen_
+
+Vs. 520: CGr. _Daer hi_
+
+Vs. 526: _bi sinen goden_, CGrW. _gode_
+
+Vs. 528: _vor mi bringhe_. Bij den eersten opslag zou men twijfelen of
+ er ook moet gelezen worden: _vor hem_, n.l. den koning. De omwerking
+ heeft: _myt mi_. De lezing schijnt echter echt, en te beteekenen:
+ _voor mij uit_;
+
+Vs. 529: _te nemen_
+
+Vs. 530: _vreden_
+
+Vs. 546: _eren_
+
+Vs. 550: _qualic_
+
+Vs. 556: _den buuc so gh._
+
+Vs. 557: _Ende in so ut. w._
+
+Vs. 561: L. _Ic bem so ute sat?_
+
+Vs. 565: C. _mooghdi_, GrW. _moogdi_.
+
+Vs. 566: _wie moeten_
+
+Vs. 567: CGr. _wie node_
+
+Vs. 568: _Goeder_ levert geen gezonden zin, daar uit het voorgaande
+ blijkt, dat Reinaert met die versche honichraten niet veel ophad.
+ Zie over den oorsprong dezer onoverdachte lezing de inleiding, §
+ III.
+
+Vs. 569: Gr. en W. beiden lezen hier: _Hebbic commer harde groot_, dat
+ W. trachtte te verklaren door: »Ik heb grooten kommer wegens goede
+ versche honigraten”; hetgeen evenwel niet veel opheldert, daar R.
+ blijkbaar geen _kommer_ had, maar overvloed. Trouwens, _commer_,
+ staat ook niet in C. Men leest daar, volgens de kollatie van GRIMM,
+ _coiiiier_, dat blijkbaar slecht gelezen is voor _couuer_. Nu drukt
+ het hs. overal den tweeklank _oe_ uit door _ou_. Zoo b.v. 233
+ _ghenouch_, 234 _onghevouch_, 324 _bloumen_, 459 _bouc_, 614
+ _louch_, 658 _ghevouch_, 662 _prouft_, 848 _ouuer_ (oever), 1429
+ _drouve_. Blijkbaar is dus _couuer_ het bekende _coever_, dat
+ voorraad, overvloed, copia beteekent, en Flor. 1843, Limb. I, 2674
+ voorkomt. Verg. DE VRIES, _Woordenlijst_, op den Lsp. i. v.
+ _vercoeveren_. Zoo wordt de zin zeer verstaanbaar.
+
+Vs. 574: De nieuwe alinea begint bij CGrW. eerst een vers later.
+
+Vs. 578: _voor alle_
+
+Vs. 579: _Ende icse voor alle g. m._
+
+Vs. 585: W. _Gewinne_
+
+Vs. 587: _spot met u, neen_
+
+Vs. 590: _trouwen_
+
+Vs. 592: _u so vele_
+
+Vs. 593, 5: _tienen_
+
+Vs. 594: _daer met_ l. _daer an_?
+
+Vs. 601: _R. sp._: _Bruun wat sechdi_
+
+Vs. 605: _soudic u g._
+
+Vs. 615: _helt_
+
+Vs. 618: _Also_; Zoo ook later dikwerf.
+
+Vs. 622: _nemmee_, dus C. bij GrW. _nemmeer_
+
+Vs. 624: _es mine avonture g._
+
+Vs. 626: _sult lachen_
+
+Vs. 627: _ghinc Reinaert_; doch zie Mnl. Versbouw, bl. 153.
+
+Vs. 632: CGrW. _voeren gaen_
+
+Vs. 636: _Gi sult noch heden hebben, s. w._
+
+Vs. 637: _als ghi_
+
+Vs. 640: _Die keitijf Bruun n. w. n._; maar zie alweder Mnl. Vsb., bl.
+ 152
+
+Vs. 641: _Waer hem Reinaert die tale keerde_
+
+Vs. 645: _Brune_
+
+Vs. 646: _Tote_, W. _Tot_
+
+Vs. 648: C. _Dat waer was eist so_. De omzetting is van GRIMM.
+
+Vs. 654: _Also_, l. _Alse_?--_temmermans_, het gewone meervoud.
+
+Vs. 655: _ontdaen_
+
+Vs. 659: _nemet_
+
+Vs. 667: _niet verdervet_
+
+Vs. 670: _Brune sprac: R. ne. s. niet_
+
+Vs. 672: _spele_
+
+Vs. 675: _crupet daer in_
+
+Vs. 678: _Dat hi th._
+
+Vs. 679: _die twee voordere v._; maar verg. 695, en zie het Fransch
+ 10293.
+
+Vs. 682-3: _Die daer te voren ginc so smeken, Bruun bleef_ enz. Maar
+ niet Bruun, wel Reinaert had den ander gesmeekt, d. i. gefleemd.
+ _Bruun_ heb ik wegens de maat in _Hi_ veranderd; zie Mnl. Vsb., bl.
+ 153.
+
+Vs. 685: _brocht_ (GrW.), C. _bracht_
+
+Vs. 685: _In boosheden brocht met sulker achte_. De omwerking heeft:
+ _Gebrocht myt loosheit in sulker achten_
+
+Vs. 693: _dulen_, door SNELLAERT in de tweede uitgave bl. 353 ten
+ onrechte veranderd in _hulen_; het komt evenzoo voor Wal. 9714, waar
+ ik verkeerdelijk schreef _huulde_. Zoo ook Lanc. 3, 3805.
+
+Vs. 694: _ghegrepen bi sier mulen_
+
+Vs. 699-700: _Ende sach comen Lamfreide, Die up sinen hals brochte
+ beide._ Maar _Lamfreide_ in acc. is niet te dulden, verg. 860; ook
+ _beide_ kan de ware lezing niet zijn, want in 701: _Een scarpe haex
+ ende ene baerde_ (CGrW.) is _ende_ blijkbaar geïnterpoleerd, daar
+ het woord _baerde_ alleen de verklaring is van _haex_, waarvoor vs.
+ 716 gelezen wordt _bile_. De timmerman droeg geen twee aexen, zoo
+ als ook blijkt uit vs. 735.--Het _onzochte_, dat ik in den tekst
+ bracht, vindt men ook 990 en 3320.
+
+Vs. 702: _moogdi_
+
+Vs. 703: _sinen oom_
+
+Vs. 705: Dit herinnert aan het Lodewijkslied, waar het heet: _Her
+ skancta ce hanton Sinan fianton Bitteres lides_.
+
+Vs. 707: _talen_
+
+Vs. 713: _Hi liep_, maar verg. 1333.
+
+Vs. 725: _quamen_, lees _quam_, zie op vs. 48.
+
+Vs. 726: _kerke_
+
+Vs. 734: _Voor_
+
+Vs. 738: _al jeghen al_, W. _alle jegen al_.
+
+Vs. 740: De nieuwe alinea heb ik een regel lager geplaatst.
+
+Vs. 741: _al_ werpt W. uit
+
+Vs. 744: _hi daer van den_
+
+Vs. 750: _alle_
+
+Vs. 751: _Ende sine twee h. b._
+
+Vs. 755: _niet conste_
+
+Vs. 757: _ne_ is door mij ingevoegd.
+
+Vs. 758: _no vlien_.
+
+Vs. 765: _lieden_
+
+Vs. 766: _Daer na quam_
+
+Vs. 767: _ouden_
+
+Vs. 768: _enen_
+
+Vs. 773: _arem_
+
+Vs. 777: _riviere_
+
+Vs. 784: _al te scarp_, CGrW. _alre scarpst_. Het rijm eischt de
+ verandering. _Al te_ in de beteekenis van _zeer_, _bijzonder_, is
+ bekend. Zoo b.v. Wal. 10711.
+
+Vs. 788: _scerpe loghe_, niet in één woord zoo als in de vorige
+ uitgaven. KAUSLER heeft het eerst die plaats terecht gebracht in
+ zijne _Altniederl. Denkm._ II, bl. XXII.
+
+Vs. 789: _Ghinkene_
+
+Vs. 790: _ende mijn vrouwe Bave_; maar _mijn vrouwe_ is een jonger vorm:
+ _mijn_ ontbreekt ook in de omwerking.
+
+Vs. 791: _onder die voete_; wij kiezen de meest gebruikelijke vorm, zie
+ GRIMMS _D. Gramm._, IV, 427 en 413.
+
+Vs. 792: _ene cloete_
+
+Vs. 795: _ghinc met_
+
+Vs. 797: _hem alles te voren_
+
+Vs. 800: _Huge_ CGrW. _Hugelin_; maar ook de omwerking heeft
+ _Huge_.--_beene_
+
+Vs. 801: _dat weet men wale_
+
+Vs. 803: W. _vrouwen_
+
+Vs. 804: _Eens houtmakigge_; maar blijkbaar is het teeken voor _er_ over
+ het hoofd gezien. Zoo leest men ook Ferg. 74 _scepsterigge_; Rose
+ 6319 _tavernierigghe_.
+
+Vs. 808: _sijn bloet_
+
+Vs. 811-12: _liet.... ghedichte gaen_, C. _l. ghestichte slaen_; maar
+ _ghestichte_ heeft Gr. reeds verbeterd.
+
+Vs. 815: _wilen_
+
+Vs. 819: _verspranc_ Gr. wil ten onrechte lezen _ver spranc_
+
+Vs. 820: _riviere_
+
+Vs. 822: _viven_
+
+Vs. 823: W. _rivier_
+
+Vs. 842: _Die wile dat si... uuttraken_; maar achter _die wile_ kan
+ _dat_ ontbreken. Zie b.v. Gloss. Lsp. op _Wile_; Kar. Gr. I, 1055.
+
+Vs. 847: _niet mochten_
+
+Vs. 850: _in die riviere_
+
+Vs. 852: _bat hi dat_
+
+Vs. 853: _verdoemen_ (Gr.), _verdrouven_ (C.)
+
+Vs. 860: _vander_
+
+Vs. 861: _Dat_, CGrW. _Dar_ (?)
+
+Vs. 864: _een_
+
+Vs. 873: _Gheen dier_
+
+Vs. 874: _jamerlik_
+
+Vs. 880: _danen_, C. _dannen_
+
+Vs. 887: (_rumen_ GZ?)
+
+Vs. 890: _nederwaert_, CGrW. _neder_; maar verg. 910.
+
+Vs. 894: _dat sweet_
+
+Vs. 895: _Neder liep_
+
+Vs. 896: _riviere_
+
+Vs. 899: _sijn herte_
+
+Vs. 905: _Die hebbic_
+
+Vs. 909: _in dese_
+
+Vs. 912: CGr. _Enten eersten_; W. _Ende ten eersten_
+
+Vs. 915: _Daer lach in (m̄?) toren_
+
+Vs. 917: _dijn_
+
+Vs. 920: _eren_
+
+Vs. 930: _straten_
+
+Vs. 932: _al een bloet_, niet met den klemtoon op _een_, als thans.
+
+Vs. 934: _bere_, dus C. waarvoor GrW. _beren_.
+
+Vs. 939: _so siettene_
+
+Vs. 944: _roden_
+
+Vs. 945: _So weder sidi abd_
+
+Vs. 946: _ore_
+
+Vs. 947: _dese crune_
+
+Vs. 953: _hem_, C. _const doe_; GrW. _conste doe_. Moet men lezen: _Dat
+ hine conste niet ghespreken?_ Verg. de var. bij WILLEMS, en het
+ Fransch, 10416: _L'ors estoit si asolez qu'il ne li pot respondre
+ mot_.
+
+Vs. 954: _hem so d. sijn herte_
+
+Vs. 957: _nemmeer horen die tale_
+
+Vs. 958: _neder daer te d._
+
+Vs. 963: _sine voete_
+
+Vs. 971: _sine_
+
+Vs. 972: _scamen_
+
+Vs. 978: _daer_ door mij ingevoegd.
+
+Vs. 982: _die_, W. _dat_
+
+Vs. 983: L. _hadde bekent?_
+
+Vs. 984: _Ende seide dit es_
+
+Vs. 988: _Binnen desen_
+
+Vs. 992: _u selves._
+
+Vs. 997: _als_
+
+Vs. 1001: _hoechste_. Moet men ook lezen _hoochste baroene_? verg. 1005,
+ 1333.
+
+Vs. 1004: _Doe rieden si hoe d. d._ schrijffout ontstaan uit verzien van
+ vs. 1006.
+
+Vs. 1006: _daer_, invoegsel van mij; _meesten_.
+
+Vs. 1007: _Dat menne_ (C. _niene_; W. _men_) _twee werven_
+
+Vs. 1011: _Dat Tibert die cater van desen_
+
+Vs. 1012: _Tote R. bode soude wesen_
+
+Vs. 1016: _Gaet wech eer_; maar blijkbaar moet _wech_ hier worden
+ verworpen, (verg. 1025, 1037) even als vs. 1360, waar het tegen de
+ maat strijdt, en ook niet in de omwerking gevonden wordt.
+
+Vs. 1021: _uwen_
+
+Vs. 1023: _Men salne drie werven dagen_. Blijkbaar valsche lezing; want
+ vooreerst kon het zijnen magen niet tot schande strekken (vs. 1024)
+ als hij naar de wet driemaal werd ingedaagd. Bovendien had de Koning
+ gezegd (1022): komt hij op deze tweede indaging niet, het zal niet
+ goed met hem afloopen. De gemaakte verandering is nu ook in
+ overeenstemming met 1070, en met het Fransch 10452.
+
+Vs. 1024: _alle_
+
+Vs. 1033: _groot nochtan_. De omwerking, die _wats dan_ heeft, gaf de
+ verbetering aan de hand. _Wattan_ leest men ook vs. 245, 1296.
+
+Vs. 1038: _helpe mi God;_
+
+Vs. 1039: _het nu moete_
+
+Vs. 1042: CGr. _nu af_
+
+Vs. 1047: _ende quam_, dus C., bij GrW. _die quam_
+
+Vs. 1048: _wart Tibert vro_
+
+Vs. 1049: GrW. _Ende riep al heil! wil God edel vogel._ Deze en de
+ volgende regel worden in C. vervangen door dezen eenen: _Ende riep
+ an sinte Martins voghel._ GRIMM herstelde den tekst naar den
+ prozadruk. Ik heb niet geaarzeld de woorden _wil God_ weg te werpen,
+ die ook _Reineke_ 943 niet heeft.
+
+Vs. 1051: C. _Nu vliech_, de verand. is van Gr.
+
+Vs. 1058: _ter rechter_
+
+Vs. 1059: C. _waende hi_
+
+Vs. 1062: _als_
+
+Vs. 1066: _Reinaerde_
+
+Vs. 1069: W. _moet_
+
+Vs. 1071: _niet te hove_
+
+Vs. 1075: Ik mistrouw dezen geheelen regel; maar in allen gevalle kan
+ men niet lezen met CGrW.: _Bi Gode dat jan ic u wale_. Het ww.
+ _onnen_ regeert den GZ.
+
+Vs. 1077: _coste_
+
+Vs. 1079: _die es_
+
+Vs. 1082: _Ten ende_
+
+Vs. 1085: _willen wi_
+
+Vs. 1088: _ooc onder alle mine mage_
+
+Vs. 1097: C. _Maerghin_, zoo ook 1377, 1396.
+
+Vs. 1098: _beteren raet_.
+
+Vs. 1099: _beter ghedaen_
+
+Vs. 1104: _noint_ door mij ingevoegd.
+
+Vs. 1105: _beter_
+
+Vs. 1107: _bi daghe_, verbetering van WILLEMS; CGr. _daer_
+
+Vs. 1109: CGr. _nemmermee_; W. _nemmermeer_
+
+Vs. 1111: _Gi moet herbergen tavont met mi_, dat mij voor geene scansie
+ vatbaar schijnt. _Távont_ in _taméer_ te veranderen scheen de
+ klemtoon te eischen: het woord is goed vlaamsch, en komt b.v. in den
+ _Ferguut_ voor vs. 744 en 751, waar de uitgaaf leest _te meer_. Zie
+ overigens mijn artikel in den _K. en L.bode_, 1845, no. 36.
+
+Vs. 1113: _of ic hier bleve_
+
+Vs. 1115: _Hier es d. sp. quaden t._
+
+Vs. 1116: _mocht_
+
+Vs. 1118: _utermaten_, maar _te mate_ is beter in de maat, en meer
+ overeenkomstig met vs. 1115.
+
+Vs. 1119: _moochdi_
+
+Vs. 1121: _el_ ontbreekt in 't hs., waar men leest: _Reinaert hebdi mi
+ i. h._, hetgeen Gr. behield; maar W. wierp den eigennaam uit en
+ laschte in _anders_; maar verg. vs. 571, 3225.
+
+Vs. 1123: _lietic_, zoo als GRIMM met C. heeft. WILLEMS veranderde het
+ in _lictic_, dat wel geen drukfout is, zoo als men uit zijne
+ verklaring van _gewaerd_ mag afleiden.
+
+Vs. 1125: _Soete Tibert_
+
+Vs. 1130: _hordic_, C. _hoere ic_, GrW. _hore ic_
+
+Vs. 1137: _alle_
+
+Vs. 1143: _al haddi minen vader doot_; Epische uitdrukking, zie _Wal._
+ II, 281.
+
+Vs. 1145: _Reinaert sprac: neve h. uwen spot_
+
+Vs. 1146: _Neenic, Reinaert a. h. m. G._
+
+Vs. 1153: _enen_
+
+Vs. 1157: _nemmer meer_
+
+Vs. 1160: _gaen wi_
+
+Vs. 1168: _enen_
+
+Vs. 1182: _no lat_
+
+Vs. 1187: _beiden_, W. _leiden_
+
+Vs. 1190: _Tibert siet_
+
+Vs. 1192: _eren_
+
+Vs. 1199: _Wanen ---- desen wanc_
+
+Vs. 1202: _een strec_, maar er was vs. 1177 reeds van gesproken.
+
+Vs. 1209: _wroeghede_, C. _wronghede_, dat WILLEMS verklaarde
+ _verwrong_, en GRIMM evenzoo; maar uit den voorgaanden en volgenden
+ regel blijkt, dat er een woord moet staan, dat _zich verraden_,
+ _aanklagen_, beteekent. Nu is het vreemd, dat Gr. noch W. hier de
+ verbetering aanbrachten, die toch 113 was aangewend, waar men in het
+ hs. had gelezen _wronghene_, voor _wroughene_, d.i. _wroeghene_.
+ Evenzoo 1605 las Gr. terecht _droeghene_, waar zijne kollatie heeft
+ _dronghene_, d.i. _droughene_. Over het gebruik van _ou_ voor _oe_
+ zie op 569.--In denzelfden zin wordt overigens _wroeghen_ wel meer
+ gebruikt.
+
+Vs. 1218: _dus atet_
+
+Vs. 1222: _inlanc so bet_. Zoo leest C., waarvoor bij Gr. _ni lanc_,
+ waarmede hij natuurlijk geen weg wist. W. verbeterde _je lanc_, maar
+ _inlanc_ is de oorspronkelijke vorm
+
+Vs. 1225-6: De lezing is van W. die dus het blijkbaar bedorven hs.
+ herstelde, dat heeft: _Dat_, _Tibert_, _daer m. u ware_, _Isengrijn
+ die m._
+
+Vs. 1232: _Martinet riep_
+
+Vs. 1243: W. _in huus_
+
+Vs. 1245: _ute sinen bedde_
+
+Vs. 1253: W. _rocken_
+
+Vs. 1259: _spaerdene_; maar _sparen_ beteekent hier niet _parcere_, maar
+ _morari_. Zoo vs. 1244. Verg. verder _Car. en Eleg._ gloss.
+
+Vs. 1260: _enen_. Zoo ook 1263.
+
+Vs. 1267: _scanden_
+
+Vs. 1275: _sielen_
+
+Vs. 1276: _sine wilde_
+
+Vs. 1280: _Int sleets_
+
+Vs. 1282: _sone_, dus W.; bij CGr. _neve_.
+
+Vs. 1284: _mijn scande_
+
+Vs. 1285: _Emmermeer voort in a. st._
+
+Vs. 1286: _wonden_
+
+Vs. 1287: _ten_ C. _den_, reeds verbeterd door Gr.
+
+Vs. 1288: _noch doe_
+
+Vs. 1292: _sinen scerne_
+
+Vs. 1298: _te mere_, CGrW. _te min_
+
+Vs. 1304: _ne_ ontbr.
+
+Vs. 1306: GrW. _Doe hiefsene_; maar C. heeft duidelijk _hieffene_: _Doe_
+ is blijkbaar bedorven uit _Soe_.
+
+Vs. 1311, 12: _sorghen_
+
+Vs. 1316: C. _sine_
+
+Vs. 1319: _ute ten_
+
+Vs. 1324: _wisen_
+
+Vs. 1331: _Den coninc dreigen_; maar twee verzen achter elkander met
+ hetzelfde appellatief te laten aanvangen, ging niet; blijkbaar staat
+ _men_ in vs. 1330 voor _menne_. Of _dreigen_ wel het echte woord is?
+
+Vs. 1337: _Hoe men Reinaert ter redenen brochte_
+
+Vs. 1344: _waerven_
+
+Vs. 1345: _enen_
+
+Vs. 1348: _Daer hi af_
+
+Vs. 1350: _dattene_
+
+Vs. 1355: _niemene en es_
+
+Vs. 1356: _So helpe_
+
+Vs. 1360: _gaet wech ende sijt_
+
+Vs. 1362: _Grimbert sprac_
+
+Vs. 1368: _ten eersten_. Doch zie hier vs. 1435, 2058, en verg. _Wal._
+ 1533 _eerst_; 8875 _van eerst_.
+
+Vs. 1369: _sinen_. _Groeten_ met DP.? Verg. _Gram._ IV, 606. Of ellipt.
+ genit.?
+
+Vs. 1376: _waerven_
+
+Vs. 1377: _vermerrendi_
+
+Vs. 1380: _inden derden_
+
+Vs. 1381: _Uwen casteel_
+
+Vs. 1386: C. _haer_ l. _hare_?
+
+Vs. 1390: W. _ten hove_
+
+Vs. 1393: _avonturen_
+
+Vs. 1396: _Maerghin_ (W. _Morgen_) _sciet_; doch verg. _Reineke_ 1308.
+
+Vs. 1400: _binnen den_
+
+Vs. 1411: _Hoort, seit hi_
+
+Vs. 1414: _alle dandre_
+
+Vs. 1417: _sine muulkine_
+
+Vs. 1420: _harde lief_; doch verg. _Reineke_ 1362.
+
+Vs. 1421: _Ja als_
+
+Vs. 1422: _van hier moet_
+
+Vs. 1427: _de sine_
+
+Vs. 1428: _ruumde_
+
+Vs. 1434: _hoort_
+
+Vs. 1436: _met Grimberte_
+
+Vs. 1436: _seide_, dus C.; GrW. _seiden_
+
+Vs. 1438: _sorghen_
+
+Vs. 1441: _te biechten_
+
+Vs. 1444: _sijn vergaen_; doch zie _Reineke_ 1382.
+
+Vs. 1447: _te biechten_
+
+Vs. 1449: W. _Alle de diefte en a. r._
+
+Vs. 1454: _te ghenaden_
+
+Vs. 1455: _algader_, C. _allegader minen mesdaden_, de twee laatste
+ woorden reeds door Gr. verbeterd.
+
+Vs. 1459: CGr. _alle diere_
+
+Vs. 1462: _Of gi iet wilt_
+
+Vs. 1465: _alle diere die leven_
+
+Vs. 1466: _mi moete vergheven_
+
+Vs. 1467: _Brune_
+
+Vs. 1471: _Tes papen huus, daer hi spranc int net._ De uitlating van
+ _huus_ behoeft geene verdediging. Dat _net_ door _strec_ moet worden
+ vervangen, bewijst zoowel het rijmwoord, als de vergelijking met vs.
+ 1177, 1202, 1234, 1281.
+
+Vs. 1472: _ongherec_. Zoo ook 1201. Bij WILLEMS _ongeret_, en in de
+ verklarende aant. _ongerect_. In C. werd kwalijk gelezen _ongeret_,
+ dat Gr. verbeterde.
+
+Vs. 1473: _sine kindre_
+
+Vs. 1477: _mi ooc niet_. Het middelste woord schijnt hier uit den
+ volgenden regel ingeslopen.
+
+Vs. 1479: GrW. _coninghinnen_
+
+Vs. 1480: C. _verwinne_
+
+Vs. 1481: _eren_
+
+Vs. 1483: C. _mee liede_; GrW. _meer liede_
+
+Vs. 1487: _maectene_--_Elmaren_
+
+Vs. 1488: _Daer wi b._
+
+Vs. 1489: _al te sere te pinen_
+
+Vs. 1490: _die_ (l. _der clocke-line?_)
+
+Vs. 1494: GrW. _toneren_, C. _tonneeren_
+
+Vs. 1496: _straten_
+
+Vs. 1497: _binnen der_
+
+Vs. 1503: _die_ is een invoegsel van mij; verg. 947.
+
+Vs. 1506: _af bernen_
+
+Vs. 1510: CGr. _Daer hi nu_ [_mi_] _conste_; W. _hi niet conste_
+
+Vs. 1512: _leeddickene_.
+
+Vs. 1513: Ik volg de lezing van GRIMM, waarvoor W. _Vianois_ stelt, dat
+ hij voor een »uitgedachte naem” houdt. Ik weet niet met zekerheid
+ waarop die verandering steunt; waarschijnlijk op de omwerking, maar
+ in de variant is die plaats niet opgenomen.
+
+Vs. 1515: _Sone woonde_. Gr. _Son en woonde_. W. _Son woonde_
+
+Vs. 1521: _Daer dedic I. in crupen_; doch _daer_ is overtollig, wegens
+ het voorgaande _in dat_. Voor _incrupen_ wellicht beter _doe
+ crupen_.
+
+Vs. 1523: l. _hanghen vele_?
+
+Vs. 1524: _Des vleesch dedi_. Het vers eischt slechts drie verheffingen.
+ Misschien kon men ook lezen: _Des dedi_, hoewel ik de voorkeur geef
+ aan _daer_.
+
+Vs. 1528: _dien leden b._
+
+Vs. 1531: _sat_, invoegsel van WILLEMS; _niet_ C. _met_.
+
+Vs. 1537: _enen_
+
+Vs. 1540: W. _wast_
+
+Vs. 1544: CGr. _nu vant slach_, blijkbaar min juist gelezen, want de
+ verklaring _vant_ = _va ende_, (bl. 276) gaat niet op. W. wilde
+ lezen: _vanc ende slach_.--Of zou men mogen verstaan: _nu vant
+ slach_ = _slaghen_? Volgens Mnl. Vsb. p. 129
+
+Vs. 1547: _selves_ ontbr. in C.
+
+Vs. 1565: _roof hier laten_
+
+Vs. 1566: _Hi riep, ende ic ginc m. straten_. Maar het vorige vers heeft
+ ook maar drie verheffingen.
+
+Vs. 1570: De nieuwe alinea begint eerst hij den volgenden regel.
+
+Vs. 1572: _volchden_
+
+Vs. 1582: _gevreesscheden_
+
+Vs. 1587: _Grote -- grote_
+
+Vs. 1588: _Dus quamen_. Hoe licht men _d_9 voor _d_' las is bekend.
+
+Vs. 1595: _lietene_
+
+Vs. 1596: C. _diene_
+
+Vs. 1599: _ghelove_, door WILLEMS ten onrechte veranderd in _gelovet_.
+ Verg. _Wal._ II, D. bl. 333 vlgg.
+
+Vs. 1604: _Si namene ende leidene_
+
+Vs. 1607: _Buten den_; maar dit wordt samengetrokken tot _buten_
+
+Vs. 1609: GrW. _Ine_
+
+Vs. 1610: C. _verwervic_
+
+Vs. 1612: _dedi_
+
+Vs. 1614: _leiddickene_
+
+Vs. 1616: _Dat twee h. ende enen hane_; maar nergens is sprake van
+ slechts _twee_ hennen.
+
+Vs. 1617: _stralen_
+
+Vs. 1619: _teere_, maar _te_ wordt door _bi_ uitgesloten. Wellicht stond
+ in 't oorspronkelijk: _Rechte ere_
+
+Vs. 1625: W. _vette_; CGr. _ghenoech_, door W. verbeterd.
+
+Vs. 1628: C. _taste_; W. _begon_
+
+Vs. 1631: _Te sorgen_; maar het is geen ww., en het zstnw. is stvr.
+
+Vs. 1632: _wats u ghesciet_
+
+Vs. 1634: _om_
+
+Vs. 1639: _hoondene_
+
+Vs. 1640: W. _van daer boven_; CGr. _von dat boven_
+
+Vs. 1643: _daer_ is een invoegsel van mij.
+
+Vs. 1644: _lagen_ moet eensylbig gelezen worden, tenzij men _si_ zou
+ willen delgen.
+
+Vs. 1646: C. _vijvergat_. De verandering is van Gr. Zoo heeft ook het
+ mhd. _viwerstat_, b.v. Nib. 884,4, 885,2.
+
+Vs. 1647: _worden_. Lees int metrum _Si wort up_
+
+Vs. 1652: _nie_ met C., bij GrW. _ie_
+
+Vs. 1655: _Harswenden_. Maar de nom. luidt 242 _Harsint_, en 2877
+ _Hersunt_. De acc. 3399 _Hersinde_. De zwakke vormen in dat. 1983,
+ 2129, 2846, 2898 en hier ter plaatse zijn fouten.
+
+Vs. 1656: _liever hadde dan_
+
+Vs. 1657: _God die moet mi_
+
+Vs. 1658: _liever ware bleven_
+
+Vs. 1659: _Te doene dan_
+
+Vs. 1661: _te biechten_
+
+Vs. 1676: _dat biddic u_
+
+Vs. 1680: _hem_ invoegsel van W.
+
+Vs. 1681: C. _mesdaden_
+
+Vs. 1682: C. _raden_
+
+Vs. 1684 en 1685: _Ende te wakene (vastene)_; maar het vers eischt hier
+ drie arses zonder voorslag.
+
+Vs. 1687: _Alle die hi_, maar _Alle_ is blijkbaar te ontberen.
+
+Vs. 1688: _Ende dat hi voort_
+
+Vs. 1689: _Behendelike soude generen_. _Behendicheit_ gold niet slechts
+ voor _sagacitas_, _ars_, _sollertia_, maar ook voor _fraus_,
+ _dolus_, _machinatio_; men zie CLIGNETTS _Bijdrage_, bl. 311-312.
+ Dat men Reinaerts behendigheid natuurlijk in geen goeden zin
+ opvatte, leert de 13 fabel uit den _Esopet_, vs. 16-17. Onmogelijk
+ kon daarom hier in den tekst _behendelike_ geduld worden, hoewel dit
+ zeer duidelijk in het handschrift staat. _Behendelike_ kon licht uit
+ _Bescedelike_ gelezen worden. Dat dit het juiste woord moet zijn,
+ leert de vergelijking met _Flor._ 187; zie vooral ook de
+ woordenlijst op den Lsp.
+
+Vs. 1692: C. _Nu moet hi siere stelen pleghen_, bij WGr. _Nu moet hi
+ plegen siere selen_. De ware lezing gaf 381 aan de hand. Vs. 428
+ leest men _pleghen_, dat den afschrijver in de war bracht.
+
+Vs. 1695: _daer_ is een invoegsel van mijne hand.
+
+Vs. 1713: _begonden_
+
+Vs. 1717: _plumen_
+
+Vs. 1718: _Gr. sp. Oom gi d. m. d._
+
+Vs. 1720: _een_
+
+Vs. 1722: _te biechten_
+
+Vs. 1724: _trouwen_
+
+Vs. 1734: _Al hadde men_, dat onzin is; verg. _Reineke_ 1663.
+
+Vs. 1741: _verdoort_, C. _versmaet_
+
+Vs. 1742: _verstoort_, C. _verstorbeert_. De verbetering is van Gr.
+
+Vs. 1743: II _pater_
+
+Vs. 1745: _ghenaden_
+
+Vs. 1748: _af hebbe_
+
+Vs. 1750: _sine ogen_
+
+Vs. 1752-4: C. leest:
+
+ Doe began hem drouve ghelaten
+ ende arde zeere beefde Reynaert
+ doe keerde si te hove waert
+ doe hi began den hove naken
+ daer hi waende seere mesraken
+ Doe in sconinx hof was vernomen, enz.
+ GRIMM zegt, p. 276: »Die sichtbar vom nachhelfenden schreiber her
+ rührende verwirrung der hs. ist nach der prosa und nach Reinke
+ beseitigt worden.” Hij leest namelijk, en met hem W.:
+
+ Die si te voren hadden ghelaten:
+ Daer keerden si ten hove waert.
+ Aerde (W. Harde) sere beefde Reinaert
+ Doe hi began den hove naken,
+ Daer hi waende sere mesraken.
+ Doe in sconinx hof was vernomen, enz.
+
+ Er is blijkbaar in het hs. geknoeid, maar minder dan Gr. vermoedde.
+ Vs. 1752 is stellig echt: _ghelaten_ in dien zin is geheel
+ overeenkomstig met _gelaet toonen_, enz. dat men hier herhaaldelijk
+ aantreft, b.v. 1737, 1768, 1802, 2119, 2185. En de verandering
+ van GRIMM is lam.--Dat ik midden tusschen twee rijmen eene nieuwe
+ periode laat aanvangen, is geheel overeenkomstig met de manier des
+ dichters. Zie b.v. 107, 263, 998, 1288 (waar de afschrijver echter
+ de nieuwe afdeeling eerst met 1289 begon, evenzoo 1850, 2048, zoo
+ als hij die ook 777 een regel te laat begonnen was), 1692, 2048,
+ 2067, 2498, 2518, 3396.
+
+Vs. 1759: _Grimberde_
+
+Vs. 1760: _niemene ne was_
+
+Vs. 1764: _die onvervaerde_
+
+Vs. 1766: _Ende hi sprac_
+
+Vs. 1770: _Gelijc of hi_
+
+Vs. 1772: _boudeliken_
+
+Vs. 1777: CGr. _hebbe_; W. veranderde naar de omwerk.
+
+Vs. 1783: CGr. _mi nochtan gherne_; W. _mi gerne_
+
+Vs. 1784: _hulden wilde gi_
+
+Vs. 1785-6: _lonen: crone_. Men zou kunnen vragen of _crone_ niet eene
+ te moderne figuur is; te meer, daar C. verder leest _dat si.....
+ gheloven_, welk laatste woord GRIMM veranderde in _ghelove_, WILLEMS
+ in _ghelovet_. Wellicht zou men wenschen te verbeteren: _hoeden_,
+ _vroeden_, gedachtig aan _Reineke_, 1711: »_Juwe rât is vrôt.... gy
+ loven nicht draden.... wat ju dessen valschen alle vorelesen._” Ook
+ hier 1899 wordt de koning _vroet_ genoemd.
+
+ Maar het Fransch heeft, 10956:
+
+ »Mès puis, sire, que _rois_ s'amort
+ à croire les mauvès larrons,
+ .................
+ lors vet la terre à male veue.”
+
+ Het zal dus het zekerst zijn de lezing van C. te behouden, en 1787
+ _si_ in _soe_, 1788 _gheloven_ in _ghelove_ te veranderen, tenzij
+ men voor _der crone_ zou willen stellen _den cronen_.--Moet het ook
+ zijn _den conen_ (_coenen_)?
+
+Vs. 1787: _Dat si_
+
+Vs. 1788: C. _gheloven_; W. _ghelovet_
+
+Vs. 1792: _Die niet te rechter h. h. g._ De omwerking gaf de verbetering
+ aan.
+
+Vs. 1793: _rike hove_
+
+Vs. 1796: _Den goeden lieden doen t._ Ik heb de lezing van den omwerker
+ voorgetrokken.
+
+Vs. 1802: _condi_ l. _toondi_?
+
+Vs. 1803: _niet ghehelpen_
+
+Vs. 1807: _saken_
+
+Vs. 1808: _qualic in_. Dus C. door GrW. veranderd in _qualiken_.
+
+Vs. 1809: C. leest: _Die eede die ic hadde gesworen._ Gr. veranderde
+ _eede_ in _vrede_, waarschijnlijk volgens _Reineke_, 1720, die de
+ omwerking volgt, welke ironisch den koning veel beter de volgende
+ woorden in den mond legt:
+
+ Dat gi my dicwijl hebt gedient,
+ Dat wart u nu te recht gegouden.
+ Gy hebt den vrede wel gehouden,
+ Dien ic geboot ende had gesworen.
+
+Vs. 1818: _laten aenscinen_
+
+Vs. 1820: _es sijn crune_, doch verg. 1827.
+
+Vs. 1821: _vele_ is een invoegsel van WILLEMS.
+
+Vs. 1828: CGr. _hi ware gewroken_, dat W. veranderde in: _haddet gew._;
+ doch verg. 1931.
+
+Vs. 1830: C. _Rander side_, door GrW. veranderd in _Tander side_
+
+Vs. 1840: _groot mine saken_
+
+Vs. 1848: _sloechdi_
+
+Vs. 1850: _Recht in dese selve sprake_. In C. vangt het volgende vers
+ met eene kapitale letter aan, intusschen laten GRIMM en W., die
+ overigens de lezing van C. behouden, de nieuwe alinea met 1850
+ beginnen. In de aant. p. 276 zegt GRIMM: »Wenn dieser vers noch von
+ Reinaert gesprochen wird (vgl. _Reineke_ 1762,63), wozu der grosse
+ buchstabe der hs. bei 1851 stimmen konnte; so fehlen zwei verse
+ vorher. die prosa ist für die gewahlte abteilung.”
+
+ De zin schijnt intusschen gewrongen, als men wil lezen:
+
+ Recht in dese selve sprake
+ Doe spranc up Belijn, die ram.
+
+ 1850 moet wel degelijk tot de vorige periode behooren. Dat er in
+ geknoeid is valt terstond in 't oog; maar is het zoo noodzakelijk
+ met GRIMM aan te nemen, dat er _twee verzen zijn uitgevallen_? Het
+ Fransch geeft hier licht. Er is de grootste overeenstemming tusschen
+ onze verzen 1837-1850 en Br. 20 11014-20, waar men leest:
+
+ Or sui devant lui [mesire], si me tiegne,
+ Et si me face ardoir ou pendre,
+ Qar ne me puis vers lui deffendre.
+ Ge ne suis pas de grant puissance,
+ Mès ce seroit povre venjance,
+ _S'en parleroient meinte gent
+ Se l'en sanz jugement me pent._
+
+ Het woord _sprake_ in C. 1850 wijst duidelijk aan, dat er iets moet
+ gestaan hebben overeenkomende met de twee laatste Fransche verzen.
+ _Recht_ ontstond uit de verwisseling van de kapitale _L_ en _R_ (zie
+ op 347), en _in_ kan eene vergissing zijn voor _m̄_, verg. 915.
+
+Vs. 1862: Dit vers is door WILLEMS uit de omwerking aldus ingevuld: _Die
+ gans, dat tijtsel ende tlampreel_
+
+Vs. 1867: CGr. _Makeden_
+
+Vs. 1872: _Reinaerde_
+
+Vs. 1874: _man_ dus CGr., WILLEMS las _men_
+
+Vs. 1875: W. werpt _es_ uit, dat CGr. hebben.
+
+Vs. 1877: CGr. _Vort bringen die men brochte daer_. WILLEMS heeft _die_
+ in _dan_ veranderd. Dat hij met die plaats geen weg wist, blijkt uit
+ de zonderlinge interpunctie. Ook GRIMM was er meê verlegen. Zie
+ zijne aant. p. 277.
+
+Vs. 1880: _besten redenen g. daer voort_
+
+Vs. 1881: C. _dieren_
+
+Vs. 1882: _met goeden orconden_
+
+Vs. 1885: _saken_
+
+Vs. 1886: _wijstsi_ voor _wijsden si_, dat men in C. leest. GrW.
+ veranderden: _wijsten si_
+
+Vs. 1888: _Reinaerde_
+
+Vs. 1893: _naeste_
+
+Vs. 1896: _Reinaerde_
+
+Vs. 1905: _andren_
+
+Vs. 1906: CGr. _Reinaerde_
+
+Vs. 1908: W. vond »verkieslijker” te lezen: _Tibert sprac_; maar de
+ woorden zijn blijkbaar den koning in den mond gelegd.
+
+Vs. 1914: _Sinen l. die es_
+
+Vs. 1916: Gr. en W. stellen _tjaer meer_, terwijl C. heeft _tsiaer
+ meer_. Doch zie mijn artikel over _saermeer_ in den _K. en L.bode_,
+ van 1845, no. 35.
+
+Vs. 1925: _wancans_, verbetering van Gr. voor _wanconst_, dat C. heeft.
+
+Vs. 1926: _Nochtan eist R. diet al b._ zoo lezen GrW., maar _eist_ vindt
+ men niet in C. Eenvoudiger verandere men _die_ in _di_; in allen
+ gevalle had men niet mogen stellen _eist_, maar dan ten minste
+ _wast_.
+
+Vs. 1928: _uwe_
+
+Vs. 1929: C. _Rumen ende wijde lancken_. Verg. GRIMMS aant. p. 277.
+
+Vs. 1932: _noch niet_
+
+Vs. 1936: W. _Langeleden_
+
+Vs. 1942: W. _vernois om hadde_
+
+Vs. 1943: W. _papen_
+
+Vs. 1946: CGr. _Ende sidi nu daer toe_, l. _En sidi mi_?
+
+Vs. 1948: _fellen voden_, doch verg. 3745 en 3771 der uitg. van WILLEMS.
+ GRIMM haalt p. 278 uit MAERL. 3, 318 een _vuden_ aan, dat echter
+ blijkbaar bedorven is uit _ruden_. Dezelfde letters worden daar meer
+ verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar _rasten_ moet gelezen worden
+ voor _vasten_.--Ook de woorden _uwen neve_ komen mij verdacht voor;
+ maar ik heb ze behouden, omdat ook de omwerking _u neve_ heeft.
+
+Vs. 1949: _Doe so sprac die coninc saen_; maar de verbetering volgt uit
+ vs. 1958-9. Door GRIMMS aant. p. 278, wordt de lezing van C. kwalijk
+ verdedigd of verklaard.
+
+Vs. 1950: _Tiberte_
+
+Vs. 1953: _gaet voren_
+
+Vs. 1961: _Nu gaen wi voren ende b. h._
+
+Vs. 1963: _du selt_
+
+Vs. 1964: _die salt_, W. _sal_
+
+Vs. 1965: CGr. _dine_ W. _en dine_
+
+Vs. 1970: _Hine dede_
+
+Vs. 1973: _Dat was de wulf ende T._
+
+Vs. 1975: _te sinen scaden_, dat blijkbaar alleen om 't zuivere rijm
+ _scaden_ dus staat.
+
+Vs. 1980: _binnen den_
+
+Vs. 1982: _Reinaerde_
+
+Vs. 1989: _dor niede_, C. _dor met_, dat blijkbaar slecht gelezen is
+ voor _niet_, zoo als ook 1531 het geval was. Gr. en W. stellen
+ daarvoor _nijt_; maar de wolf had geen reden te veronderstellen, dat
+ _nijt_ (haat) Hersinde jegens Reinaert bezielde, verg. 243, terwijl
+ buitendien _nijt_ geen reden kon zijn om hem te doen ontsnappen,
+ maar juist het tegendeel. _Niet_, in dat. _niede_ is een bekend
+ woord, dat hier juist aan zijne plaats is: Ohd. _niot_, door GRAFF,
+ II, 1048, terecht door _desiderium_ vertaald. Verg. vooral de
+ woordenlijst op den Lsp.
+
+Vs. 1995: _brincdi_
+
+Vs. 1996: _mijn moie;_ doch verg. 1504, 1675.
+
+Vs. 1998: _nemmermeer_
+
+Vs. 1999: _Maer her_
+
+Vs. 2002, 2009: _onneert_, dus C.; Gr. en W. _oneert_.
+
+Vs. 2006: _wie die mi_
+
+Vs. 2012: _dat herte_
+
+Vs. 2015: _alle_
+
+Vs. 2016: _galge of gi_
+
+Vs. 2019: W. _Met uwe v._ De geheele plaats 2015-19 komt mij verdacht
+ voor.
+
+Vs. 2021: _Amen, sprac Brune, ende h.;_ het inlapsel vloeide voort uit
+ het niet verstaan der herhaling _Amen, Amen!_ Dit blijkt ook uit de
+ omwerking.
+
+Vs. 2023: _haesten wi_
+
+Vs. 2024: _woorde_
+
+Vs. 2026: _ten stride_; maar _te stride_ beteekent _om strijd_.
+
+Vs. 2029: _volchde_
+
+Vs. 2031: GrW. _line_
+
+Vs. 2036: _strec_, GrW. _strop_, maar C. heeft _stroc_, dat slecht
+ gelezen is.
+
+Vs. 2038: CGr. _scauwet_
+
+Vs. 2039: _Ende si spr._ CGr. heeft buitendien: _ende si keren_, dat W.
+ stilzwijgend veranderde.
+
+Vs. 2042: W. _sullen_
+
+Vs. 2051: _sorghen_
+
+Vs. 2055: Gr. _Ic ware_, drukf.
+
+Vs. 2057: _Reinaerde_
+
+Vs. 2062: _verlanessen_
+
+Vs. 2068: De nieuwe alinea begint bij CGrW. reeds bij het voorgaande
+ vers.
+
+Vs. 2070: W. _Dan so_; CGr. _Daer so_; C. heeft waarschijnlijk _d_' voor
+ _d_9 gelezen.
+
+Vs. 2073: _Nu en es_
+
+Vs. 2076: _u_ ontbr. in C., de invoeging is van Gr.
+
+Vs. 2080: _noch doe_
+
+Vs. 2081: C. _mannen_
+
+Vs. 2091: _hoekine_; dus C.; bij Gr. _bockine_; doch zie MEIJERS
+ Aanteek. op het _Leven van Jesus_, p. 356.
+
+Vs. 2092: _derdes_, dus C.; bij GrW. _des derdes_.
+
+Vs. 2094: C. heeft _haenden_, waarvoor Gr. gaf _hanen_, dat W. weder
+ verving door _vogel_. Dat C. de ware lezing geeft blijkt uit de
+ _Nat. Bloeme_, aangeh. _Gesch. der Mnl. Dk._, III, 17.
+
+Vs. 2100: _ende dat ic vermochte_. Bij dit vers teekent Gr. aan:
+ »_lücke._” Er schijnt echter in den zamenhang niets te ontbreken.
+
+Vs. 2101: _ende_, dus C., en ook beter dan de verandering (_met_)
+ door Gr. in den tekst gebracht; want zij kwamen niet samen, maar
+ ontmoetten elkander. Hij zelf gaf p. 278 de ware lezing aan, maar
+ verkoos _met_ omdat C. heeft _Isengrine_ (: _rime_).
+
+Vs. 2103: _Besele_, zoo C. en GRIMM; WILLEMS verbeterde _Basele_ (»by
+ Dendermonde”). Moet men ook lezen _Belsele_? Zie het Charter van
+ 1139, uit het _Corpus Chron. Flandriae_ aangehaald in mijne _Gesch.
+ der Mnl. Dk._ I, 193, noot 2. Doch verg. GRIMM p. CLVII.
+
+Vs. 2104: _dat hi ware_
+
+Vs. 2108: _trouwen_
+
+Vs. 2110: C. _wandelen_
+
+Vs. 2114: _vroe_
+
+Vs. 2117: _Of enen w. of enen r._
+
+Vs. 2119: _mi een g._
+
+Vs. 2120: _ende so qu._
+
+Vs. 2121: _mi daer met van hem_
+
+Vs. 2124: _warven_
+
+Vs. 2127: CGrW. _ene bake_
+
+Vs. 2128: _Doe ginc_
+
+Vs. 2130: W. _kinden_
+
+Vs. 2133: _Die sine k. en wouden cnaghen_, omdat zij de »alreminste”
+ was. CGrW.: _Die sine k. hadden gecnaget_; maar in den volgenden
+ regel, die in het hs. luidt: _Dus nauwe hebbic mi bejaget_, moet het
+ laatste woord blijkbaar veranderd worden in _bedraghen_ (verg. 2654,
+ 2694), en ik durfde daarop niet laten rijmen het part. _gecnagen_,
+ zoo als de omwerking doet, die leest:
+
+ Nochtan eer ic dat mochte hebben,
+ Hadden sy tvleysch al off geknagen:
+ Hier op most ic my doe gedragen.
+
+ Buitendien komt onze lezing beter overeen met het voorgaande vers.
+
+Vs. 2139: _gewonnen wel_
+
+Vs. 2146: _Gaf hi R. felle antw._; maar waartoe dat _felle_, bij de
+ bloote nieuwsgierige vraag?
+
+Vs. 2147: _wanen.... die sc._
+
+Vs. 2149: _also_
+
+Vs. 2152: _dien scat_
+
+Vs. 2155: _An.... trouwen_
+
+Vs. 2156: _alle uwe_
+
+Vs. 2158: _owi lieve R._
+
+Vs. 2162: C. _ghi mi ons s._; GrW. _ghi mi s._
+
+Vs. 2165: _brinct_
+
+Vs. 2173: _ende sine hulde_
+
+Vs. 2176: W. _groote_
+
+Vs. 2177: W. _Ende die in v._
+
+Vs. 2179: _Die heren_
+
+Vs. 2182: _trouwen_
+
+Vs. 2184: _sullen drinken met scanden_
+
+Vs. 2185: _gelate met droeven sinne_
+
+Vs. 2189: _mijn_
+
+Vs. 2191: _de helle_
+
+Vs. 2192: _Daer die t. es entie p._
+
+Vs. 2193: _Indien dat_. Ik zou wenschen te lezen: _Ocht hier_
+
+Vs. 2195: _ghenaden_
+
+Vs. 2201: _daet_, dus C.; bij Gr. _doet_; W. _deedt_
+
+Vs. 2205: W. _dat herte_, doch zie 1079, 1741, 2306; en verg. _Gram._ I,
+ 693.
+
+Vs. 2204: _bringhene_
+
+Vs. 2207: _vraechdi mi des_
+
+Vs. 2208: _gi wel hoet_
+
+Vs. 2213: _up mine_
+
+Vs. 2214: _trouwen_
+
+Vs. 2215: _coninghinnen_
+
+Vs. 2218: _daer niemen_
+
+Vs. 2220: _Tote dien_
+
+Vs. 2229: CGr. _verraderen_; doch zie 2243. Moet men ook lezen
+ _verranesse_ (verg. 2243), en in het volgende vs. _niemen spare_,
+ beiden met drie toonverheffingen?
+
+Vs. 2235: _Met verradenessen sal bedrieghen_; doch verg. 2200, 2503.
+
+Vs. 2236: _enen.... maghen lieghen_
+
+Vs. 2237: C. _Grimberte den d._
+
+Vs. 2242: W. _Van s. v. waer af hi woude_
+
+Vs. 2243: _Die_
+
+Vs. 2245: _Reinaert sprac wilen teer st._
+
+Vs. 2246: _m. h. mijn vader v._
+
+Vs. 2247: _Hermelinx_, C. _heymeliken_; doch zie vs. 2544-5
+
+Vs. 2248: C. _eene_; CGrW. _verholnen_; doch verg. 2271.
+
+Vs. 2249: C. _Die mijn v._
+
+Vs. 2254: _Tiberte_
+
+Vs. 2255: C. _arttinen_, Gr. _Aertinen_
+
+Vs. 2256: C. _Brunen_
+
+Vs. 2257: _Brune grote Gods h._
+
+Vs. 2258: W. _Ende dat hi in Vl._; CGr. _Ende hi in_. Maar verg. over
+ den ellips. DE VRIES, _Brief over Kar. Gr._, bl. 17-18, waar op vs.
+ 2268 wordt gewezen, waar hetzelfde is waar te nemen.
+
+Vs. 2260: CGrW. _Bruun_
+
+Vs. 2262: _Doe_, CGrW. _Daer_
+
+Vs. 2266: _Isingrijn_
+
+Vs. 2273: _sduvels_
+
+Vs. 2276: _alle gr._ voor _arde gr._
+
+Vs. 2277: De vier tusschen teksthaken geplaatste regels vindt men niet
+ in C., waar men leest:
+
+ Nu hoort wonder alle groot
+ Wat si noch over een draghen
+ Wilde iemen van sconinx maghen
+ Dat wedersegghen _enz._
+
+ GRIMM, die deze lezing behield, en daarin door WILLEMS gevolgd
+ werd, merkt echter op, dat er achter den tweeden dezer regels
+ iets ontbreekt (p. 280), gelijk hem de vergelijking met den ouden
+ prozadruk leerde. Blijkbaar is tot den samenhang noodig, dat
+ Reinaert niet alleen zegt dat de saamgezworenen den koning wilden
+ vermoorden; maar ook, dat zij Bruin in zijne plaats wilden kroonen.
+ Van 's konings magen toch behoefde men niet te vreezen dat zij zich
+ zouden verzetten tegen Nobels dood, die wel zonder hunne voorkennis
+ zou plaats grijpen; maar zij konden »wedersegghen” dat hij door den
+ beer werd opgevolgd. Ik heb daarom die vier regels uit de omwerking
+ overgenomen, waar dan deze regel volgt:
+
+ Op sijn hooft die croon van goude,
+
+ waarvoor ik heb in de plaats gesteld:
+
+ Ende hi crone soude draghen,
+
+ waaruit denkelijk in C. de regel verbasterd is:
+
+ Wat si noch over een draghen.
+
+ Dat deze verzen werkelijk in den ouden tekst behoorden, mag men ook
+ opmaken uit de vergelijking van 2327.
+
+Vs. 2282: _sconinx_
+
+Vs. 2284: _ende met sinen goude_
+
+Vs. 2291-3:
+
+ Ende liet in verholnen rade minen
+ Wive, miere vrouwe Harmelinen,
+ Ende al van pointe te pointe seide
+
+ W. las alleen den laatsten regel: _Die hijt al v. p._ Dat die verzen
+ gebrekkig zijn springt in het oog, en zoo als GRIMM zegt (p. 280),
+ »auch hier verrathen ungefüge worte und mangelhafter sinn den
+ zusammenziehenden abschreiber.” Hij neemt aan, dat hier, even als
+ in de omwerking, de das het verhaal eerst aan zijne eigene vrouw
+ deed, die het wederom aan de vossin verried; hij stelt daarom als
+ waarschijnlijk, dat die tirade aldus begon:
+
+ Ende in verholnen rade
+ Sinen wive Slopecade.
+
+ Daar intusschen vrouw Slupecade nergens in het oudere gedicht
+ terugkeert, is het niet onmogelijk dat zij hier eerst door den
+ omwerker zij ingevoegd, gelijk men ook uit vs. 2296 mag opmaken. Ik
+ heb mij daarom bepaald tot die veranderingen die een verstaanbaren
+ zin opleveren. Het enjambement _minen.... wive_ kan geene zwarigheid
+ maken, zie de inleiding § I. Misschien moet men ook lezen:
+
+ Ende dien verholnen raet sinen
+ minen wive, vrouwe Harmelinen,
+
+ Wegens die konstruktie zie men 412, 1297, 1316, 1866, 2655, 2729,
+ 3186. De vergelijking van 2325 schijnt mede onze lezing te
+ bevestigen.
+
+Vs. 2302: _Ooc s. soet bi sulken l._ Doch verg. _Reineke_ 2397. Moet men
+ ook lezen: _Ooc proefde soet bi lyctekinen?_
+
+Vs. 2303: _al_, invoegsel van mij.
+
+Vs. 2305: _stonden_, l. _stoet?_
+
+Vs. 2308: Achter dit vers volgen in C. 30 regels die blijkbaar een
+ inlapsel zijn. Het is de fabel die ook elders afzonderlijk voorkomt,
+ b.v. _Esopet_, fab. XXV, bij CLIGNETT bl. 146. Het inlasschen
+ van fabelen is geheel en al in strijd met den geest van het oude
+ gedicht, en de gerekte vergelijking is in de omstandigheden waarin
+ Reinaert zich bevindt geheel en al te onpas aangebracht. Deze wil
+ ook in 't geheel niet werken op de »heren arme ende rike,” zoo
+ als op het slot der interpolatie, maar alleen op het vorstelijk
+ echtpaar. Dit reeds is genoegsaam om de inlassching uit te
+ monsteren. Overigens loopt de zin veel geleidelijker door, als
+ men die 30 verzen wegwerpt, gelijk ik heb gewaagd te doen. Dat de
+ interpolatie intusschen oud is, leert de vergelijking met de lezing
+ in den _Esopet_, terwijl ook de omwerker haar in zijn voorbeeld
+ vond. Ik geef het uit den tekst weggeworpene hier naar de uitgave
+ van GRIMM (GrW. 2305):
+
+ Die pude wilen waren vri
+ ende ooc so beclaechden hem si
+ datsi waren sonder bedwanc:
+ ende si maecten een ghemanc,
+ ende so groot ghecrai up Gode,
+ dat hi hem gave, bi sinen ghebode
+ enen coninc, diese dwonghe.
+ Dies baden die oude entie jonghe
+ met groten ghecraie, met groten ghelude.
+ God ghehorede die pude
+ tenen tide vanden jare,
+ ende sende hem den coninc Odevare,
+ diese verbeet ende verslant
+ in allen landen, daer hise vant.
+ Beide in water ende in velt,
+ daer hise vant in sine ghewelt,
+ hi dede hem emmer onghenade.
+ Doe claechden si: het was te spade.
+ Het was te spade, ic segghe u twi:
+ Si die voren waren vri,
+ sullen sonder wederkeer
+ sijn eighin bliven emmermeer,
+ ende leven ewelike in vare
+ vanden coninc Odevare.
+ Ghi heren, arme ende rike,
+ ic vruchte ooc dies ghelike,
+ dat nu van u soude ghevallen.
+ Doe droeghic sorghe vor ons allen.
+ Dus hebbic ghesorghet vor u:
+ dies dancti mi lettel nu.
+
+ Men lette nog op de herhaling in vs. 19, die geheel van de
+ schrijfwijze van onzen dichter afwijkt, zoo ook vs. 2 _beclaechden
+ hem si_, dat niet overeenstemt met _merkedi_ vs. 2363 (2387).
+
+Vs. 2309: _Ic kenne_; C. _Brunen_
+
+Vs. 2312: W. _Dan_
+
+Vs. 2314: C. _Ic kennen so w. g._ GRIMM verbeterde: _Ic kenne den
+ coninc_; maar ook hier wordt het imperf. geëischt.
+
+Vs. 2320: _Noch theeren noch te vromen_
+
+Vs. 2321: _doghede_, bij Gr. _gedoghede_, C. _ende ghedoghede_. Dit en
+ het volg. vers in verkeerde volgorde.
+
+Vs. 2322: _pijndic_ door W. uit de omwerking opgenomen. CGr. _peinsdic_
+
+Vs. 2324: _Datso gescoort worde_. De uitwerping van _Datso_ gebood de
+ samenhang. In _gescoort_ is blijkbaar eene _c_ kwalijk gelezen voor
+ _t_, zoo als meermalen. De invulling van _ic_ gaf de omwerking aan
+ de hand.
+
+Vs. 2326: _enen dorper_
+
+Vs. 2331: _wel_
+
+Vs. 2336: _ghepeinse_
+
+Vs. 2337: _hoe ic dat_
+
+Vs. 2339: _die mijn vader hadde_
+
+Vs. 2341: C. _leide laghen_; GrW. _leide lage_
+
+Vs. 2342: C. _meneghe haghen_; GrW. _meneghe haghe_
+
+Vs. 2351: W. _enen st._
+
+Vs. 2355: C. _yewer_
+
+Vs. 2357: _l. gheslopen?_
+
+Vs. 2358: _te sc._, doch verg. 2472.
+
+Vs. 2359: _als ic hem_
+
+Vs. 2360: W. _Driven dat ic_
+
+Vs. 2361: _doe_ ingevoegd door W.
+
+Vs. 2363: CGrW. _sach ende merkedi_
+
+Vs. 2371: _mede gaen_; Reineke 2265 heeft: _lêt overgân_
+
+Vs. 2373: _mouden_
+
+Vs. 2374: GrW. _vroeden bouden_, maar blijkbaar moet het hs. hebben
+ _houden_. Verg. 2344.
+
+Vs. 2375: _meesterlike_
+
+Vs. 2383: CGr. _gheraecte doe_; bij W. _genaecte doe_
+
+Vs. 2386: _Aldaer vandic_
+
+Vs. 2389: _nie_, dus C.; bij GrW. _ie_
+
+Vs. 2391: _Ic en_
+
+Vs. 2392: het tweede _sonder_, invoegsel van W.
+
+Vs. 2400: _enen_
+
+Vs. 2416: _hem so quite_
+
+Vs. 2424: _m. coenen s._
+
+Vs. 2426: _hulpen_
+
+Vs. 2427: _quame_, dus C.; bij GrW. _quam_. Gr. veranderde hier, omdat
+ in C. met dat vers eene nieuwe afdeeling begint, die echter
+ blijkbaar met 2421 moet aanvangen, verg. _Reineke_ vs. 2305.
+
+Vs. 2431: _menechfoudeghe_, doch verg. 505, 542, 898.
+
+Vs. 2434: _na hem reden_ uit de omwerking, in plaats van: _hadden
+ geleden_
+
+Vs. 2435: _daghen_
+
+Vs. 2436: _meneghen stonden_
+
+Vs. 2441: C. _Sheere_, GrW. _Sheren_. Zie over de apocope HUYD. op
+ _Stoke_, 2 D., bl. 150.
+
+Vs. 2443: _catte_
+
+Vs. 2452: _danct_
+
+Vs. 2454: _hi soude_
+
+Vs. 2473: _leedden Reinaerde_. WILLEMS werpt _te_ weg; doch verg. 2673.
+
+Vs. 2475: _wijsde_ met C., GrW. _wijste_
+
+Vs. 2477: _soudic u wisen_
+
+Vs. 2479: _uut_
+
+Vs. 2481: C. _Mine_
+
+Vs. 2483: _Allegader_
+
+Vs. 2485: _ghetrouwe_, dus CGr. W. las willekeurig _gehouwe_.
+
+Vs. 2488: _voor_
+
+Vs. 2489: C. _ghi mi_
+
+Vs. 2490: C. _Ende Bruun alle mine onsculde_. GrW. lezen met _Reineke_:
+ _Ende alle mine broke ende sculde_; maar uit 2493 blijkt dat Bruun
+ hier op zijne plaats is.
+
+Vs. 2506: C. _argentieren_; GrW. _argertieren_
+
+Vs. 2512: W. _Ende dese v._
+
+Vs. 2517: _belanct_, doch zie de voorbeelden bijgebracht _Heim._ bl.
+ 369.
+
+Vs. 2521: _Ne gh. u niet_
+
+Vs. 2524: _wancost_ bij W. is drukfout.
+
+Vs. 2527: _Dat en d._
+
+Vs. 2532: _die ere_
+
+Vs. 2533: _mijn_
+
+Vs. 2535: _eren_
+
+Vs. 2536: _groot_
+
+Vs. 2538: _wale jonne_; maar dan behoorde het te zijn _anne_. Blijkbaar
+ heeft de afschrijver den infinitivus verworpen om een schijnbaar
+ zuiverder rijm te verkrijgen; doch zie Mnl. Vsb. bl. 113 en 168-9.
+
+Vs. 2539: _trouwen_
+
+Vs. 2540: _vrouwen_
+
+Vs. 2550: W. _Hoe die coninc_
+
+Vs. 2552: _Reinaert spr._
+
+Vs. 2561: _de waerheit_
+
+Vs. 2567: _no wijf_
+
+Vs. 2573: GrW. _die avonture_. _Die_ bracht Gr. in den tekst omdat men
+ in C. gelezen had _hi avonture_, waar echter wel _bi_ zal staan, dat
+ den natuurlijksten zin geeft.
+
+Vs. 2574: C. _ghehidelt_
+
+Vs. 2575: W. _tes_, CGr. _es_
+
+Vs. 2577: _mijn_
+
+Vs. 2578: _weset_, W. _wetic_, Gr. _wetet_, zoo als men meende in C.
+ te lezen. Merkwaardig is de uitdrukking _getrouwe wesen_, voor het
+ gewone ww. _ghetrouwen_, dat b.v. 3365 staat. Moet men ook lezen:
+ _Ne wilt ooc niemen so ghetrouwen_? als _Wal._ 8584? Verg. dan
+ aldaar 2 D. bl. 207.
+
+Vs. 2579: W. _sout laten_
+
+Vs. 2589: _in dene side_; maar de beteek. zal toch wel zijn: _aan kant_,
+ _wegdoen_. Zie daarover _Wal._ 2 D. bl. 205.
+
+Vs. 2592: _ooc_ door mij ingevoegd uit _Reineke_ 2468.
+
+Vs. 2598: _Hoe dicken suldi_
+
+Vs. 2608: CGr. _wanen_
+
+Vs. 2617: _ja, ja_
+
+Vs. 2621: _die_
+
+Vs. 2633: _Dies maent hi u bi der trouwen_ (:_vrouwen_)
+
+Vs. 2635: De vijf tusschen teksthaken geplaatste verzen, gedeeltelijk
+ uit de omwerking genomen, vervangen dit enkele, dat C. heeft:
+ _Ende die ic den coninc sculdich bem._ Dat er hier iets ontbrak
+ was duidelijk, en ook reeds door GRIMM aangewezen, bl. 283.
+
+Vs. 2647: _ende menich coude_
+
+Vs. 2652: _die ries_, doch zie GRIMM, pag. CLX.
+
+Vs. 2656: _was te voren eer_
+
+Vs. 2658: _last_, dus W. naar de omwerking; CGr. _past_
+
+Vs. 2660: _scone_
+
+Vs. 2662: C. _wee desen_
+
+Vs. 2663: _sone_ (WILLEMS: _tone_), _Rijn, waers te d._
+
+Vs. 2665: _saken_
+
+Vs. 2671: _Ghene_
+
+Vs. 2672: _enen_
+
+Vs. 2680: _berke_, C. _burne_, Gr. _borne_. De verbetering is van
+ WILLEMS.
+
+Vs. 2683: _ine_
+
+Vs. 2687: _ghi here waert_
+
+Vs. 2688: _het es also_
+
+Vs. 2689: WILLEMS wilde lezen: _al eist mijn scame_
+
+Vs. 2693: _hem de provende niet ghenoegen_
+
+Vs. 2695: _Hi cl. van hongere ende k._; maar het rhythmus van het
+ volgende vers leert dat _van hongere_ hier niets dan een glosseem
+ is.
+
+Vs. 2697: _Doe hi kermede ende wart traech_. Ik heb de voorkeur gegeven
+ aan de lezing van de omwerking.
+
+Vs. 2707: _eren.... vromen_
+
+Vs. 2712: _verwatenen_; doch zie Mnl. Vsb., bl. 132-3
+
+Vs. 2718: en 20 GrW. _te banne_
+
+Vs. 2719: _sp. Reinaert nadat g. s._
+
+Vs. 2721: _Reinaert lietic u_
+
+Vs. 2722: _Cuwaerde.... enen_, dus CGr. bij W. _een_
+
+Vs. 2726: W. _Daer gi_
+
+Vs. 2732: _jonne_
+
+Vs. 2733: C. _hi ende mi_
+
+Vs. 2735: _rede_
+
+Vs. 2739: _in sijn hof_
+
+Vs. 2743: alleen bij W. _coninghinnen_
+
+Vs. 2744: Deze regel ontbreekt in het hs. en is van mijne vinding.
+ WILLEMS laschte in: _Die hi te recht wel mochte minnen_, en in het
+ volgende vers, achter _mi_ de woorden: _sprac hi_.
+
+Vs. 2746: L. _met live_?
+
+Vs. 2755: _sinnen_
+
+Vs. 2757: _vele ghebeden vor hem_
+
+Vs. 2764: _waerven_
+
+Vs. 2770: _ghene_
+
+Vs. 2777: W. _Ende dan wille hi_; CGr. _Ende v. R. danen wille hi_
+
+Vs. 2780: W. _sonderliker_, drukfout.
+
+Vs. 2789: _alle_
+
+Vs. 2792: _Te Tic._
+
+Vs. 2797: _tes coninx waert_
+
+Vs. 2798: _Tib. bleef sere_
+
+Vs. 2799: _Ende hi bleef_
+
+Vs. 2801: _sorgen so groot_
+
+Vs. 2803: _sine_
+
+Vs. 2804: _Die hi_
+
+Vs. 2809: _Reinaerde ie_
+
+Vs. 2810: _met groten gheninde_
+
+Vs. 2811: _voor_
+
+Vs. 2817: _Worden si_
+
+Vs. 2818: _verwoede_
+
+Vs. 2819: _dan men hem dede_
+
+Vs. 2821: _voerese_, dus C. bij GrW. _voerdese_. CGrW. _als_
+
+Vs. 2823: _binnen ere nacht_
+
+Vs. 2826: De alinea begint eerst bij het volg. vers.
+
+Vs. 2833: Hadd. IIII v. sc.
+
+Vs. 2835: _sal_ IIII _scoen_
+
+Vs. 2836: _coninghinnen_
+
+Vs. 2839: IIII
+
+Vs. 2840: CGr. _Helpt nu_
+
+Vs. 2843: _sine_
+
+Vs. 2848: _eren_
+
+Vs. 2852: _moetet_
+
+Vs. 2853: _des Gods_
+
+Vs. 2856: _Dinen_
+
+Vs. 2857: _Hets dijn n._
+
+Vs. 2858: _wilre gherne mijn m._
+
+Vs. 2859: _u wel ghem._
+
+Vs. 2861: _Isengrijn dr._
+
+Vs. 2863: _gheven twee soen_
+
+Vs. 2864: _u vaert mede_
+
+Vs. 2866: _dher_
+
+Vs. 2868: _beide sine_
+
+Vs. 2871: W. _hielt_; C. _leden_
+
+Vs. 2881: _Bachten van beide haren voeten_
+
+Vs. 2882: _wel soeten_; doch verg. 621, 3413
+
+Vs. 2885: _lieve_, invoegsel van W. uit de omw.
+
+Vs. 2895: _al dat_
+
+Vs. 2900: _moete mi wr._
+
+Vs. 2903: _neware_, dus C.; bij GrW. _te ware_
+
+Vs. 2911: _helpt.... ic_
+
+Vs. 2912: _vor de sonne_
+
+Vs. 2913: _sijn_
+
+Vs. 2917: _voeten_
+
+Vs. 2922: _vrouwen_
+
+Vs. 2923: _wel_ is een invoegsel van mijne hand.
+
+Vs. 2924: _Nu doet Reinaert g. u. cn._
+
+Vs. 2926: W. _naesten_, dat ik nimmer aantrof.
+
+Vs. 2936: _wats dan_
+
+Vs. 2941: _daer af_, invoegsel van mij.
+
+Vs. 2942: _pen. daer af ontfaen_
+
+Vs. 2944: _hem wel_
+
+Vs. 2947: W. _geesterliker_
+
+Vs. 2949: _Jeghen bisscop ende jeghen den deken_--CGr. _dat ic u_
+
+Vs. 2954: _also_
+
+Vs. 2957: _beefde_
+
+Vs. 2958: _sine autare_
+
+Vs. 2964: _Reinaerts_, CGr. _sine_
+
+Vs. 2971: _tranen_
+
+Vs. 2973: _jammerlike in sine herte_; doch verg. _Reineke_ 2753.
+
+Vs. 2974: _Van rouwe hadde grote sm._
+
+Vs. 2979: _Haddet m. g._
+
+Vs. 2982: C. _hi woude_
+
+Vs. 2984: _hem_, C. _hi_
+
+Vs. 2991: _ghene_
+
+Vs. 2992: _Uwen_, W. _Geeft mi_
+
+Vs. 2994: _gheboot die coninc_; doch zie de omwerking.
+
+Vs. 2995: _uut_ CGrW. _uutwaert_
+
+Vs. 3005: W. _Wat rouwe hem_; CGr. _Die rauwe die hem_
+
+Vs. 3006: _Reinaerde_
+
+Vs. 3011: _sine_
+
+Vs. 3016: _sameninghen_
+
+Vs. 3026: _dese_
+
+Vs. 3027: _sine_ II _achterste voeten_
+
+Vs. 3028: _maende die diere cl. ende gr._
+
+Vs. 3030: _alle_; in C. ontbr. _van_
+
+Vs. 3033: _ghebede_
+
+Vs. 3040: _ghi_ CGrW. _God_
+
+Vs. 3044: _wandelinghen_
+
+Vs. 3045: _onberoepen ende goedertieren_. Verg. wegens _onberocht v. d.
+ Houte_, Gloss. op _berocht_, en DE VRIES, _Brief over Kar. Gr._,
+ bl. 6.
+
+Vs. 3048: W. _tide_
+
+Vs. 3050: W. _loveren_
+
+Vs. 3053: _sonderlinghe_
+
+Vs. 3058: W. _Aen dat casteel van M._
+
+Vs. 3060: _Doe sprac hi_
+
+Vs. 3072: _manieren_; W. _menegen_
+
+Vs. 3077: _vonden si_
+
+Vs. 3079: _sorghen_
+
+Vs. 3081: _als_ is een invoegsel van mij.
+
+Vs. 3084: W. _wonder_
+
+Vs. 3091: _Cuwaerde_
+
+Vs. 3093: C. _lyende_
+
+Vs. 3096: _trouwen_
+
+Vs. 3098: _ene gr. p._
+
+Vs. 3105: _mordadelike_
+
+Vs. 3106: W. _C. riep doe g._
+
+Vs. 3107: W. _Help_
+
+Vs. 3109: _was sciere_
+
+Vs. 3112: _gaen wi_
+
+Vs. 3114: GrW. _ten brase_, van welk woord ik geen tweede voorbeeld
+ weet. C. heet te lezen _base_, maar er zal wel staan _hase_, d.i.
+ zonder de Vlaamsche adspiratie, die in dat hs. voorkomt, _ase_, van
+ _aes_. Dat _h_ en _b_ te verwisselen zijn, blijkt, daar b.v. 2577
+ (2597) door GRAETER _hi_ voor _bi_ gelezen werd.
+
+Vs. 3116: _Haren_
+
+Vs. 3120: _dancte_, waarvoor ik _bat_ uit de omwerking nam; CGr. _goets_
+
+Vs. 3124: _jans_
+
+Vs. 3132: _sal_
+
+Vs. 3133: _daghen_
+
+Vs. 3134: _sijn daghen mee_
+
+Vs. 3139: _hede_
+
+Vs. 3140: _Ende die_
+
+Vs. 3146: _daer wonen_ VII
+
+Vs. 3147: _l. wand. sonder sc.?_
+
+Vs. 3148: _hebben daer gr._
+
+Vs. 3150: C. _en loghe_
+
+Vs. 3154: _Nu hebdi_
+
+Vs. 3156: _van_, invoegsel van mij.
+
+Vs. 3157: _Ende hebt p._
+
+Vs. 3160: W. _seidet_
+
+Vs. 3161: _dat hi mi_
+
+Vs. 3162: _diedet niet_
+
+Vs. 3169-70: staan in C. in omgekeerde orde.
+
+Vs. 3175: _Alse dit_
+
+Vs. 3181-2: in omgekeerde volgorde.
+
+Vs. 3189: _lates_
+
+Vs. 3190: _u daer R. h._
+
+Vs. 3191: W. _comdi niet_
+
+Vs. 3198: _di des_; CGr. _hi dus_; W. _hi di_
+
+Vs. 3208: _Here_
+
+Vs. 3214: CGr. _wi doe daden_
+
+Vs. 3220: _also_
+
+Vs. 3222: _helpt_
+
+Vs. 3223: _Miere moien_
+
+Vs. 3224: CGr. _Doe riep_
+
+Vs. 3230: _liever_, C. _leet_; CGrW. _hem iet_
+
+Vs. 3231: W. _Dattet minen k._
+
+Vs. 3235: _hoghe_
+
+Vs. 3239: _Het es_
+
+Vs. 3240: CGr. _ende ic ne w._
+
+Vs. 3242: C. _waret_
+
+Vs. 3243: CGr. _Ghebidden_; W. _ic_; CGrW. _den c._
+
+Vs. 3246: _Reinaert sprac._ W. werpt _ne_ uit.
+
+Vs. 3247: _hier bleven_
+
+Vs. 3256: _loofde_
+
+Vs. 3260: CGrW. _hooft_; zoo ook 3359.
+
+Vs. 3261: _haddijt_, invoegsel van mij.
+
+Vs. 3263: _Belijn_
+
+Vs. 3271: _Ende sinen here die coninc h. l._
+
+Vs. 3272: _desen_
+
+Vs. 3277: _stede daer hi up stoet_
+
+Vs. 3280: W. _Dat hem_
+
+Vs. 3281: _Reinaert Belijn_, doch zie de omwerking. Uit 3287 blijkt
+ duidelijk dat Belijn spreekt
+
+Vs. 3283: _U selven_
+
+Vs. 3284: CGr. _sals hu sp._
+
+Vs. 3285: CGr. _dat ghi cont d._
+
+Vs. 3288: _dicke hets_
+
+Vs. 3289: _jonste_
+
+Vs. 3294: _sal u saen_
+
+Vs. 3295: _desen selven_
+
+Vs. 3300: W. _bevolen_
+
+Vs. 3301: _Sprac Belijn ende dede h._
+
+Vs. 3304: _groot_ ontbr.
+
+Vs. 3309: _pinen wi_
+
+Vs. 3310: CGr. _daer doe gheen_
+
+Vs. 3321: W. _om_
+
+Vs. 3322: _Belijn_
+
+Vs. 3323: _wanen_
+
+Vs. 3327: _alse_, invoegsel van mij
+
+Vs. 3329: GrW. _ten casteel comen_; C. _den casteel cumen_, welk
+ laatste woord stellig slecht gelezen is, zoo als ook blijkt
+ uit de omwerking, die heeft: _Ende hi henen sceiden soude_
+
+Vs. 3337: W. _brieven_
+
+Vs. 3338: W. _De sc._
+
+Vs. 3344: _letteren dichte ic bi m. r._
+
+Vs. 3348: C. _ant werc_
+
+Vs. 3353-4: _Belijns_ (_: sijns_)
+
+Vs. 3356: _Dat hi sn._
+
+Vs. 3360: CGr. _B. ende sach dat_ [_hi sprac_ (_W._)]
+
+Vs. 3365: CGr. _ghetrauwet_
+
+Vs. 3366: _sien_, invoegsel van GRIMM
+
+Vs. 3367: _Die coninc_
+
+Vs. 3370: _hief_
+
+Vs. 3371: _Up ende_
+
+Vs. 3374: GrW. _Alle dieren_
+
+Vs. 3376: _lubaert_
+
+Vs. 3377: W. _mochtet_
+
+Vs. 3382: _ende_ met C., bij GrW. _een_
+
+Vs. 3384: _Here_
+
+Vs. 3391: _Die st. here Br. ende here I._ Doch verg. _Reineke_ 3157
+
+Vs. 3397: _Es ghedaen mesdaet_, gewijzigd naar _Reineke_ 3171
+
+Vs. 3398: CW. _wulf enten bere doen comen_, Gr. _doen coenen_. Reineke
+ 3173 gaf de verbetering aan de hand
+
+Vs. 3400: _Ende betren hem h. m. s._
+
+Vs. 3401: _Ende over h. t. ende over h. p._
+
+Vs. 3408: CGr. _Ende sullen sine k._ W. _Ende bi sine kele._
+
+Vs. 3413: _den rouwe_
+
+Vs. 3415: _gaen maken_
+
+Vs. 3417: _ghevanghene_, doch verg. 2996.
+
+Vs. 3418: _teerst_
+
+Vs. 3419: _sprac hi_
+
+Vs. 3420: _vast_ ontbr. en is door mij uit _Reineke_ 3207 ontleend.
+
+Vs. 3421: C. _Mine_
+
+Vs. 3427: CGr. _shere_, W. _sheren_
+
+Vs. 3431: _ghewilleclike_
+
+Vs. 3433-4: _Dat gi sonder eneghe mesdaet R. moghet t. ende q._
+
+Vs. 3435: _alle_
+
+Vs. 3436: _belaghen_ l. _bejaghen_? met omw.
+
+Vs. 3437: _Dese twee gr. vreden_. Ik volg de omw.
+
+Vs. 3441: _sweert_
+
+Vs. 3443: _Nemmermeer_
+
+Vs. 3445: _ghenaden_
+
+Vs. 3449: _Brune sprac ic_
+
+
+
+
+VERKLARENDE WOORDENLIJST.
+
+
+VERKLARENDE WOORDENLIJST.
+
+
+A.
+
+#Achte#, 685, _gevangenschap_, _hechtenis_, _beklemming_.
+
+#Achter bliven#, 96, 2464, _achterwege blijven_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Achter lande#, 2407, _door het land heen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl.,
+bl. 20; _Lsp. gloss._ _Ferg._, 1423. Zoo ook _achter straten_, aldaar
+727.
+
+#Achter rugghe#, 1730, _achterwaarts_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl.
+219.
+
+#Aerminc#, 2077, 2210, _arm man_, _ongelukkige_. Verg. HUYD. op _Stoke_,
+1 Dl., bl. 418.
+
+#Aes#, 3114, _spijs_. Zie KIL. en verg. _Velthem_, bl. 268, 279.
+
+#Aex#, 701, 735, _bijl_, _akst_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 178-180.
+_Lanc._ 21632 heeft _hache_.
+
+#Af#, 21, 1042, 1348, _van_.
+
+#Afbernen#, 1506, _afbranden_.
+
+#Al#, 741, 932, 1257, _geheel_.
+
+#Al in een#, 1255, _aanhoudend_, _voortdurend_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Al te#, 784; 2827 alleen #te#; _zeer_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Altehant#, 539, _terstond_.
+
+#Aldusghedaen#, 3054; #aldustaen#, 862, _zoodanig_.
+
+#Algader#, 1276, 1455, _geheel en al_.
+
+#Alghemene#, 3115, _te samen_.
+
+#Alnaect#, 1257, _moedernaakt_.
+
+#Als ende als#, 3010, 3264, _geheel en al_; in de tweede plaats zooveel
+als _dringend_.
+
+#Also#, of #noch also#, bij een adject. _meer_, b.v. 1342, #noch also
+quaet#, _boozer_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 169.
+
+#Also#, 1345, _als_, _zoo als_.
+
+#Altoos#, 2947, 2986, _altijd_. Zie _Floris, gloss._ In de eerste plaats
+meer in den zin van _immers_, zoo als wij het nog wel gebruiken.
+
+#An#, zie #Onnen#.
+
+#An#, duidt in 't algemeen de betrekking aan, die wij nu eens door
+_aan_, dan door _op_, _in_, _tot_, _bij_, _naar_, _nabij_ uitdrukken;
+93, 1003, 1102, 1127, 1248, 1435, 2274. De werkwoorden die op een of
+andere wijze eene ontleening van elders aanduiden, hebben in 't Mnl. den
+persoon van wien ontleend wordt met _an_ verbonden bij zich: b.v. 204,
+1427. Verg. _Lsp. gloss._ Daarmeê komt overeen het _delen an hoghen
+aflate_, 2894; en _versaden ane_, 212.
+
+#Andersins#, 84, _in anderen zin_, _anders_. Ietwat afwijkend is de
+beteekenis _Floris_ 1374, 3947.
+
+#Aneslaen#, 442, _beginnen te zingen_. Zie _Lsp. gloss._ Nog van het
+zingen der vogels en het bassen der honden in gebruik.
+
+#Anevaerden#, 3314, _de vaart ergens heen ondernemen_; _aggredi_ (KIL.).
+
+#Angaen#, 187, _ondernemen_, _aanvangen_, _suscipere_.
+
+#Angaen#, 814, _aanvallen_; 261, _tot zich nemen_, _zich meester maken
+van iets_, _aanvaarden_.
+
+#Anscijn worden#, 1781, _blijken_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl.
+168-170.
+
+#Antien#, 2066, _aantijgen_. Zie _Lsp. gloss._ op _Tien_. Zie ook hier
+op dat woord.
+
+#Apeert#, 204, _openlijk_, _blijkbaar_, _onbeschaamd_.
+
+#Arbeit#, 743, 2856, _moeite_.
+
+#Archede#, 2515, #Archeit#, 2940, _kwaad_, _boosheid_, _ondeugd_. Zie
+_Lsp. gloss._
+
+#Arghertiere#, 2506, _boos_, _ondeugend_.
+
+#Avonture#, 624, _de fortuin_, _het geluk_ (_als persoon voorgesteld_).
+#Bi aventure#, 161, 349, 2573, _bij toeval_. 1393, 401 var., _ongeval_.
+4, 31, _verhaal van gebeurde zaken_, _geschiedenis_. #In avonture
+setten#, 1353, _in de waagschaal stellen_, _op het spel zetten_. Verg.
+GRIMMS uitstekende monografie over dit woord in de verschillende
+beteekenissen die het doorloopen heeft.
+
+
+B.
+
+#Bachten#, 1290, 2881, _van achter_, _aan den achterkant_. Verg.
+CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 374-375.
+
+#Baerde#, 701, _bijl_. Nog over in _hellebaard_.
+
+#Bake#, 217, 227, 1517, 1523, 2127, _varken_.
+
+#Balch#, 2800, _ligchaam_, _buik_, eigenl. een _huidenzak_.
+
+#Balch#, zie #Belghen#.
+
+#Ban#, 264, KIL.: _proclamatio_, _edictum publicum_.
+
+#Ban#, 2700, _banvloek_, KIL.: _Dira proscriptio_, _anathema_. Zie nog
+andere beteekenissen van dit woord in de woordenlijsten op de
+_Doctrinale_ en de _Mnlp._
+
+#Banderside#, 1830, _ter andere zijde_. Zie het _gloss._ op de
+_Lorreinen_.
+
+#Baraet#, 353, 483, 1196, 1486, 1708, 2049, 2359, 3073, 3387, _bedrog_.
+Het is het fransche _barat_, en komt veel voor; zie HUYD. op _Stoke_, 2
+Dl., bl. 210-211, en CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 349-350.
+
+#Barbecane#, 522, _voorwerk eener vesting_; fransch woord, bij vlaamsche
+schrijvers niet ongewoon, b.v. _Troj. Orl._ (_O. Vl. Ged._ I), 3003.
+_Rose_, 3784, vindt men het ww. _barbelcanen_, in de beteekenis van:
+_met een voormuur omgeven_.
+
+#Baren#, 2380, _zich vertoonen_. Verg. _Lorreinen gloss._
+
+#Bassen#, 1597, _aanblaffen_. Gewoonlijk wordt het intrans. gebruikt;
+zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 157-159.
+
+#Bat#, in 't rijm voor #Bet#.
+
+#Bate#, 2893, _voordeel_. Maar _bate_ is eigenlijk _betering_,
+_herstel_, vandaar _in bate staen_, 192, _beteren_, _boeten_. Zie
+_Lorreinen gloss._
+
+#Bedi#, 2975, 3162, _omdat_; 2331, 2892, 3110, _want_. Eigenlijk een
+oude instrumentaalvorm. Zie voorbeelden in de plaatsen aangehaald
+_Doctr. gloss._
+
+#Bedocht sijn#, 84, _bedacht zijn_, _besluiten_.
+
+#Bedraghen# (#Hem#), 2134, 2654, 2694, _zich onderhouden_, _zich_ (_met
+iets_) _behelpen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Bedraghen#, 2200, 2235; part. #bedreghen#, 2503, _beschuldigen_,
+_aanklagen_. Zie DE JAGER, _Nalezing op 't gloss. van Prof._ LULOFS, bl.
+14-16.
+
+#Bedwanc#, 886, 1845, _dwang_, _overmacht_. Zie _Floris_, 345, 2848.
+_Car. en Eleg._, 372, 1187.
+
+#Begheven#, 24, 155, 2940, _nalaten_; 273, _verlaten_.
+
+#Begheven#, 1501, _de wereld voor het klooster verlaten_; het part.
+#begheven#, 369, 1488, _van de wereld afgezonderd_, _geordend_.
+
+#Beghien#, part. #beghiet#, 2934, _erkennen_. MAERL., _Sp. Hist._, 3
+Dl., bl. 257. Zie DE JAGER, _Verscheidenheden_, bl. 278-282.
+
+#Beghinnen#, 3 p. sing. praet. #begonste#, 64, 146, 1323 (2110). MAERL.,
+_Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 186, 286. Zie ook _Lsp. gloss._ op _began_;
+HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 41, 97; 2 Dl., bl. 487.
+
+#Begripen#, 32, _berispen_. Zie _gloss._ op _Doctr._ en _Lsp._
+
+#Behendichede#, 2465, _beleid_, _slimheid_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl.
+311-312.
+
+#Beiaert#, 1272, _frequentamentum tintinnabulorum_ (KIL.). #Den beiaert
+slaen#, _de klok luiden_.
+
+#Beide#, 681, 745, 1491, _beide_, _alle twee_. Maar als _beide_ voorop
+staat, en gevolgd wordt door twee of drie verschillende zelfst. nw.
+beteekent het _zoowel -- als_, b.v. 13, 42, 151, 408, 837, 1268, 1385,
+1691, 1981, 2308*, 2761, 2881. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 65. De
+eigenlijke schrijfwijs in ons dichtstuk schijnt _bede_ geweest te zijn,
+dat 147 in 't rijm voorkomt. Zoo ook _Ferg._, 4947; _Stoke_, 1 B., 607.
+
+#Beiden#, 1101, 1187, _wachten_.
+
+#Bejach#, 119, 276, 507, _prooi_, _wat men door najagen verkrijgt_.
+
+#Bejaghen#, 1941, 2112, 2897, 3336, (_door jagen_) _bemachtigen_,
+_verwerven_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Becarmen#, 3038, _weeklagen over iets_.
+
+#Bekinnen#, #bekennen#, 2809, _kennen_; 457, 539, _kennen_, _erkennen_;
+983, _herkennen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Beclaghen#, 1349, 1375, _aanklagen_, _verklagen_; 1529, _beklagen_ in
+de tegenwoordige beteekenis.
+
+#Becnouwen#, 225, _beknagen_, _afknagen_.
+
+#Becomen#, 2100, 2439, _behagen_, _aangenaam zijn_. Zie HUYD. op
+_Stoke_, 2 Dl., bl. 400.
+
+#Belanc sijn#, 2517, _verwant zijn_. Zie over de grondbeteekenis van het
+woord _Lsp. gloss._
+
+#Belghen# (#Hem#), praet. #balch#, 1749, 2902, 2955, 3185, _boos
+worden_, _zich vertoornen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Beloken#, 335, 1169, 2271, _besloten_; eigenlijk part. van _beluken_.
+
+#Belopen#, 349, _achterhalen_; 2518, _overwonnen_ (_ingepakt_).
+
+#Bem# (#Ic#), 525, 1026, 1357, 1780, 2073, 2188, 3096, regelmatige 1
+pers. sing. praes. van _sijn_.
+
+#Beneden#, 777; moet men niet lezen _beneven_? Vs. 820 vlg. schijnt dit
+vermoeden in de hand te werken. _Beneven_ vindt men o. a. _Troj. Orl._,
+bij BLOMMAERT, _OVl. Ged._, 2 Dl., bl. 88, vs. 1154.
+
+#Benemen#, 2452, _verhinderen_, _beletten_. Zie _Lorreinen gloss._
+
+#Beniden#, 340, _ergens nijd_, _afgunst over gevoelen_. Verg. _Tr. Orl._
+(BLOMMAERT I, bl. 18) vs. 1460.
+
+#Bequame#, 620, _aangenaam_. Verg. #becomen#.
+
+#Bequamelic#, 1118, _aangenaam_, _wel smakend_.
+
+#Beraden#, #beriet#, #beraden#. _Beraden_ is eigenlijk den raad tot
+iets geven, hetzij aan zichzelven of anderen. Vandaar _het initiatief
+tot iets nemen_, _iets bewerken_, in verschillende schakeringen van
+beteekenis, afhankelijk van het doel waarmede iets _beraden_ wordt. Ten
+goede gaat de beteekenis licht over in die van _helpen_, _verzorgen_,
+_iets verschaffen_; ten kwade, in die van _berokkenen_, _op den hals
+halen_. De persoon ten wiens behoeve, ten wiens voor- of nadeel dit
+geschiedt, staat in den dat., die _beraden_ wordt in acc. Zoo komt dit
+ww. in dit gedicht voor: 435, 551, 592, 639, 1926, 2198, 2977, 3213. Het
+part. #beraden#, 478, 1976, is eigenlijk: _tot een besluit gekomen_,
+_besloten_, en wordt met den genit. gekonstr. of door _so_, _also_,
+nader bepaald.--Verg. hier #raet#.
+
+#Beringhen#, 779, _omringen_, _insluiten_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl.,
+bl. 453.
+
+#Bernen#, 303, 1506, _branden_; nog over in ons _barnen_.
+
+#Bescedenlike#, 1689, _met maat en ingetogenheid_. Zie _Lsp. gloss._ de
+geheele bl. 377.
+
+#Bescelden#, praet. #bescalt#, 936, _schelden_, _hoonen_. Verg.
+#scelden#.
+
+#Besceren#, part. #bescoren#, 2692, (_de kruin_) _scheeren_.
+
+#Bescouwen#, 1583, _aanschouwen_, _bezien_.
+
+#Besculdich#, 53, _schuldig_. In den _Lanc._ leest men _besculdicht_ in
+denzelfden zin.
+
+#Beseken#, praet. #besekede#, 75, _bepissen_.
+
+#Besien#, 1017, _toezien_.
+
+#Bespreken# (#Hem#), 435, 467, _overleggen_, _beraadslagen_. Zie _Mnlp.
+gloss._
+
+#Bessem#, 722, _bezem_. Dezelfde uitspraak van het woord hoort men nog
+in sommige provinciale dialekten, b.v. in Overijssel.
+
+#Best# (#Du#), #du bist#, 920, 2602, tweede pers sing. van _ic bem_.
+
+#Best#, 969, 1005, 1334, adverb. _op de beste_, _de geschiktste wijze_.
+
+#Beste# (#Die#), 86, _de edelste_, _de voornaamste_. Verg. _Mnlp.
+gloss._
+
+#Bestgheboren#, 798, _de voornaamste door geboorte_. Zoo ook MAERL.,
+_Sp. Hist._, 1 Dl., bl. 383; _Lanc._ 4485. Verg. hier 2742.
+
+#Bestaen#, intr. met DP., 1903, _vermaagschapt zijn_. Zie _Lorreinen_,
+I, 615; _Ferg._, 343, en niet 1413, zoo als _Lorr. gloss._ verkeerd
+wordt opgegeven.
+
+#Bestaen#, trans. met den acc., 553, 970, 1040, 1095, 1696, 2604,
+_ondernemen_, _aanvaarden_; eigenlijk _aanvallen_ (verg. _aggredi_).
+
+#Besteken#, 1197, _aanranden_; KIL. _machinari_, _moliri_.
+
+#Bestolen#, 2152, part. van #bestelen#, _gestolen_.
+
+#Bet#, #Bat#, 255, 540, 1063, 1633, 2240, 2399, 3043, 3349, adverb.
+_beter_. #Te bat sijn#, 226, 3165, _voordeel_, _nut van iets hebben_,
+met den DP. en GZ. Verg. _Lsp. gloss._ in _bat_.
+
+#Betegen#, part. van #betien#, 2504, _aantijgen_, met den DP. en AZ.
+Verg. _Belg. Mus._, IV, 330.
+
+#Betren#, 3400, _vergoeden_, _boeten_. Zie _Lorreinen_ en _Doctr.
+gloss._
+
+#Bevaen#, 2731, _bevangen_; #met node bev.#, 517; #in bliscap bev.#,
+899; #bevaen in goeden dinghen#, 2731; #met loveren bevaen#, 43
+(_omgeven_, _bedekt_). Verg. _Lsp. gloss._ en _Ferg._ 1546.
+
+#Bevelen#, 382, 1412, _aanbevelen in de hoede van iemand_, met DP. en
+AZ. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Bewachten#, 405, _bewaken_.
+
+#Bewanen#, 2209, _wanen_, _meenen_; 176, _verwachten_. _Ferg._ 2004.
+
+#Bewant sijn#, 1630 van #bewenden#, _wenden_, _keeren_, _in eenigen
+toestand of gesteldheid zijn_. Zie _Mnlp. gloss._
+
+#Bewerven#, 2172, 2866, _verwerven_. _Flor._ 1202, 2862; _Doctr._ II,
+3293. Verg. HUYD., _Proeve_, 1 Dl., bl. 139.
+
+#Bi#, 117, 123, 378, 2154, 2573, 2608, 3170, _door_; 565, #bi mi#, _door
+mijn voorbeeld_.
+
+#Bi#, _bij_, _in_, _tot_, _met_; #bi der siele#, 1275; #bi siere eren#,
+546; #bi name#, 1001; #bi den buke#, 1581.
+
+#Bi#, 694, 1889, _aan_, _met_.
+
+#Bi#, 602, 650, 879, 1366, 1620, 1671, 1709, 1911, 2046, 2364, _bij_,
+_nabij_.
+
+#Bi#, 646, 1496, 3295, _bij_, _langs_.
+
+#Bile#, 816, _bijl_.
+
+#Bindesen#, 988, vul aan: _bin desen worden_, dus: _intusschen_,
+_inmiddels_. #Bin# ook buiten samenstelling is niet ongewoon, b.v.
+_Wal._ 121, 202, 995.
+
+#Binnen# (#Hier)#, 1308, 2403, 3440, _intusschen_, _inmiddels_.
+
+#Binnen gheboren#, 1795, _aangeboren_. _Mnlp._ heeft _ingeboren_.
+
+#Bisant#, 1153, _bysantijnsch goudstuk_. _Flor._ 2614, 2620, 2698, 2734,
+enz. _Velth._ bl. 256.
+
+#Bispel#, 181, _spreekwoord_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 107. _Flor._
+2147.
+
+#Blanden#, 2183, _mengen_. Het _mede blanden_ staat tegenover het _bier
+brouwen_ vs. 2180-1, verg. 1960-1. De deensche liederen op Grimhilde
+beginnen met: hun lader _miöden blande_, hun lader baade brygge og
+_blande_. Zie GRIMM, _R. F._, bl. 279-280. KIL. kent het woord _blanden_
+alleen in de beteekenis van _smeeken_, _blandiri_; maar het Eng. heeft
+nog _to blend_.
+
+#Blare#, 2470, _de blare koe_, _de bonte koe_, _de bête noire_, _de
+zondebok_. Zie _Lsp. gloss._ op _blaer_.
+
+#Blenden#, 1843, _de oogen uitsteken_. _Mnlp._ I, 213.
+
+#Bleten#, 2090, _blaten_, van geiten en lammeren. _Esopet_, Fab. 30,
+vs. 2.
+
+#Bleven# voor #ghebleven#, zie #Bliven#.
+
+#Bliken#, 3358, _blijken_, _aan den dag komen_, _zich vertoonen_.
+_Flor._ 1795.
+
+#Bliven#, #bleef#, (#ghe#)#bleven#, 866, 1658, 2037, 3247,
+_achterblijven_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 26.
+
+#Bliven laten#, 1295, 1299, _laten varen_, _nalaten_.
+
+#Bloet# (#Al een#), 932, _een bloed en al_.
+
+#Bloot# (#Al#), 1670, _openlijk_, _onbedekt_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Bloterhuut#, 1262, _in (zijne) bloote huid_, _naakt_. Verg. _bloots
+hoofds_, _ghetrects swerts_ (HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 352).
+
+#Blouwen#, part. #ghe-# of #teblouwen#, 251, 1584, 1827, _slaan_. Zie
+HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 172, en CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 118-19.
+
+#Bodscap#, 477, 481, 1359, 2454, _boodschap_. _Troj. Orl._, in
+BLOMMAERTS _OudVl. Ged._, I, bl. 43, vs. 37.
+
+#Boecstaef#, 459, _letter_. Zie KILIAEN, en verg. GRIMM, _Deutsches
+Wörterbuch_ II, bl. 479.
+
+#Borch#, 515, _kasteel_, _burcht_.
+
+#Borne#, 2558, 2566, _bron_.
+
+#Bottelgier#, 2786, _schenker_; _Flor._ 663, 3893; #meester bottelgier#,
+_opperschenker_, eene der voornaamste bedieningen ook aan het vlaamsche
+hof, zie WARNKOENIG, _Hist. de la Flandre_, tom. II, pag. 89. De
+toespeling op het bijbelsch verhaal van bakker en schenker behoeft geene
+nadere aanwijzing.
+
+#Boudelike#, 1772, _stoutmoedig_, _Flor._ 2653, waar HOFFMANN het ten
+onrechte vertaalt _schnell_.
+
+#Bout#, 1266, 1769, _stoutmoedig_.
+
+#Braeuwen#, 2870, _breeuwen_, eigenlijk van het kalfateren van schepen
+gebruikt, en door KIL. ook vertaald: _infarcire_. Hier gebezigd voor het
+opstoppen van den vogel die gemest wordt, en die onbewegelijk is omdat
+hij op een plank wordt vastgespijkerd.
+
+#Breken#, 2324, _verbreken_, _te niet doen_. #Breken ende raden#, 531,
+_radbraken_. _Breken_ in dien zin leest men ook _Stoke_, 5 B., 480;
+gewoonlijk heet het _radebraken_; verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl.
+378-379.
+
+#Brief#, _elk geschreven dokument_, zie _Wal._ 2 Dl., bl. 127, 339.
+#Lesen sonder brief#, 2228 beteekent: _uit het hoofd mededeelen, maar
+zoo naauwkeurig als of ik het geschreven voor mij had_. Evenzoo leest
+men _Troj. Orl._ (_Oudvl. Ged._, I, bl. 44), vs. 123:
+
+ Vare ende brinc dinen here te voren
+ Van minen monde, _sonder brief_:
+ In haten niet.
+
+Verg. ook _Mnlp. gloss._
+
+#Briesscen#, 693, _brullen_. KIL. vertaalt het _Rugire_ et _Hinnire_;
+wij gebruiken het alleen in de laatste beteekenis.
+
+#Brocht#, 83, 651, 748, 1650, voor #ghebrocht#, part. van #bringhen#,
+_brengen_.
+
+#Broet#, 332, _broedsel_; 392, _gebroed_, _kroost_. Zie CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 80.
+
+#Bruwen#, 1961, _brouwen_.
+
+#Buten#, 1714, (_verwijderd van_).
+
+#Butseel#, 1863, GRIMM, _R. F._, bl. 277, denkt aan den bunsing; WILLEMS
+meent er een _busaert_, _accipitris genus_ (KIL.) in te mogen zien.
+
+#Buuc#, 1581, _buik_; #bi den buke#, _(kruipende) op den buik_.
+
+
+C. zie K.
+
+
+D.
+
+#Dach nemen#, 80, _een dag bepalen_.
+
+#Daertoe#, 996, 1408, _daarbij_, _daarenboven_. Verg. #Toe#.
+
+#Daet#, 3042, tweede pers. plur. imperf. van #doen#.
+
+#Daghen#, 1007, 1344, 1350, 1376, _indagen_, _voor 't gerecht dagen_.
+Zie _Lorreinen gloss._
+
+#Daghen#, 1023, _verdagen_, _uitstellen_. _Velth._, bl. 116.
+
+#Dale# (#Te#), 540, 890, 910, 958, _nederwaarts_.
+
+#Dame#, 1853, _vrouwe_.
+
+#Dane#, 272, 880, 1402, 1567, 1609, 2370, 2377, 2559, 2704, 2985,
+_vandaar_.
+
+#Dar# (#Ic#), 239, 1358, 2013, 2908, 2933, 1 pers. praes. ind. van het
+ww. #dorren#, _durven_; #Dorret#, 2510, tweede pers. plur. praes. ind.;
+praet. #dorste#, 52, 758, 2380.
+
+#Daren#, 904, _deren_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Dat#, 861, _omdat_.
+
+#Dat#, 350, 352, 519, _zoodat_.
+
+#Deel# (#Een#), 1266, 2074, 3376, 3383, 3412, _voor een gedeelte_,
+_ongeveer_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 129.
+
+#Delijt#, 1228, _vermaak_, _genoegen_. _Ferg._ 3171.
+
+#Derre#, 979, _dezer_. Zie _Lorreinen gloss._
+
+#Des#, 1223, tweede naamval van #dat#, afhangende van _pleghen_.
+
+#Deus#, 2040, _God_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 259, _Ferg.
+gloss._
+
+#Di#, 1441, 2543, derde naamval van 't pron. _du_.
+
+#Dic#, (#Dicke#), 2, 70, 1392, 1518, 1730, 1746, 3288, _dikmaals_.
+
+#Dichten#, 3285, 3342, _een geschrift opstellen_. Verg. V. WIJN, op
+_Heelu_, bl. 1.
+
+#Dichter#, 3341, _schrijver_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Dieden#, 1450, 3162, _helpen_, _baten_, _van nut zijn_. _Ferg._ 3152;
+_Wal._ 1394, 2772; _Stoke_ 7 B., vs. 1134. Verg. _Doct. gloss._
+
+#Dief#, 1419, „in der alten guten bedeutung von _tyro_, _juvenis_,”
+GRIMM, _R. F._, bl. 275.
+
+#Dief#, 129, 357, 1815, 2007, _boosdoener_, _deugniet_. _Wal._ 8304,
+9221. Zie vooral CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 176-177.
+
+#Diefte#, 351, 1449, 2064, _diefstal_. _Ferg._ 2951. _Flor._ 3517.
+_Lanc._ 2, 15433. _Lsp. gloss._
+
+#Dienen#, in de spreekwijze: _Hi diende van sinen ouden spele_, vs. 157;
+of, _Ooc diende men hem met groten slaghen_, vs. 1598. GRIMM verklaart
+de eerste plaats aldus, _R. F._, bl. 269: „bediente sich seines alten
+spiels, aber es ist wol zu lesen: _diendem_ = _diende hem_.” Niet geheel
+juist. _Iemand dienen met iets_, is nog iemand iets aanbieden dat hem
+aangenaam is; maar zoo absoluut als in de eerstaangehaalde plaats wordt
+het niet meer gebruikt. De spreekwijs was in Vlaanderen niet ongewoon.
+Zoo _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._ 1 Dl., bl. 20), vs. 1701: _Hi heeft hem
+metten scachte ghedient_; 2 Dl., bl. 88, vs. 1201: _Men diendem van
+groten slaghen_; bl. 89, vs. 1283: _Daer diendi hem van groten slaghen_.
+
+#Dietse#, 9, 1463, _Nederlandsch_; eigenl. _de volkstaal_. Verg. GRIMM,
+_D. Gramm._, I3, bl. 12-20.
+
+#Dighen#, #deech#, #ghedeghen#, 413, _verminderen_, _vergaan_. Zoo
+_Stoke_, 1 B., vs. 1275: Grave Philips, _die deech te niete_, hetgeen
+HUYD. vertaalt: „Graaf Philips storf zonder kinderen.”
+
+#Dinc#, 476, 2464, 2771, 3244, _zaak_, _aangelegenheid_. Verg. _gloss._
+op _Flor._ en _Mnlp._
+
+#Dinc#, 2739, _geding_, in de spreekwijs: _sitten te dinghe_. Zoo
+_Ferg._ 4286.
+
+#Dinghen#, 607, 780, _pleiten_. _Wal._ 3871. Verg. HUYD. op _Stoke_, 1
+Dl., bl. 40.
+
+#Dinken#, 126, 198, 665, 1014, 1099, 1718; met DP. praet. #dochte#, 362,
+499, 954, 1056, 2225, _dunken_.
+
+#Doe#, passim, _toen_.
+
+#Doemsdach#, 3428, _oordeelsdag_. _Wal._ 3844, 8893.
+
+#Doen#, 2828, _bewerken_. Verg. _Mnlp. gloss._
+
+#Doen die vaert#, 1043, _varen_, _gaan_. Zoo _pongijs doen_ voor
+_pongieren_, HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 504-505.
+
+#Doen hem up die strate# (#up die vaert#), 1320, 3301, 3311, _zich op
+weg_ enz. _begeven_.
+
+#Doen te verstane#, 1615, _te verstaan geven_.
+
+#Doen te voren#, zie #Voren#.
+
+#Doere#, 2946, samentrekking voor: #doe er#.
+
+#Doghen#, 281, 2321, 2396, 2646, trans. _lijden_.
+
+#Doghet#, 3121, _goedheid_.
+
+#Dole#, 2382, _onzekerheid_. Dit schijnt de echte oude beteekenis te
+zijn. Zoo ook _Esopet_, Fab. 12, vs. 14.
+
+#Doot#, vr., 1311, 1990. Zoo gewoonlijk, b.v. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._,
+1 Dl., bl. 13), vs. 1067.
+
+#Doot hebben#, 905, 1144, „niet geheel hetzelfde als _gedood hebben_,
+maer veeleer ziende op het gelukken van den wensch naar iemands dood”
+(_Lsp. gloss._). Zoo _Ferg._ 3620, 3849. Met betrekking tot vs. 1144
+vergelijke men _Wal._ 2 Dl., bl. 281, de aant. op vs. 5270.
+
+#Dor#, 231, 1209, 1486, 3121, _door_; 25, 66, 243, 317, 474, 931, 992,
+1229, 1476, 2083, 2150, 2580, 2887, _om_, _wegens_; #dor dat#, 111, 216,
+885, 3015, _omdat_; #dor dat#, 897, _opdat_.
+
+#Dore#, 13, 33, _dwaas_. _Flor._ 66, 1010. _Doctr._ III, 1127. Verg.
+_Lsp. gloss._
+
+#Dorft#, ww. #dorven#, #derven#, 2560, _noodig hebben_, _behoeven_.
+_Ferg._ 3802. _Flor._ 82. _Lsp._ en _Lorr. gloss._--Praet. #dorste#,
+887.
+
+#Dorper#, 602, 779, 845, 866, _dorpeling_; 13, 33, 2326, _onbeschaafd_,
+_slecht mensch_; met denzelfden overgang van beteekenis die in
+_villanus_ (van _villa_), _vilain_ is op te merken. Verg. ook _scalc_.
+
+#Dorperheit#, 1673, _onkieschheid_, _onbetamelijkheid_, „wat tegen de
+eerbaarheid strijdt.” Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 532-535.
+
+#Dorste#, zie #Dar# en #Dorft#.
+
+#Doven#, 1718, _razen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 428-430.
+
+#Draghen lieve#, 2137, _liefde toedragen_, _beminnen_; #Draghen sorghe#,
+2308*, _bezorgd zijn_, _vreezen_.
+
+#Driven#, _bedrijven_; met een subst. verbonden meestal te samen door
+één ww. te vertalen. #Dr. claghe#, 308; #bliscap#, 908; #baraet#, 2360;
+#mesbare#, 3227; #onghevoech#, 3379. Verg. _Flor._ en _Mnlp. gloss._
+
+#Driven#, 1558, _voor zich heen drijven_; #driven te vonnesse#, 1884,
+_aansporen om het vonnis te vellen_; #driven te scerne#, 545, _te
+schande brengen_; zie op #sceren#.
+
+#Driven uut#, 1131, _verdrijven_.
+
+#Druut#, 925, _deugniet_. Zie _Wap. Mart._ K. 52; _Mnlp._ II, 4105.
+Verg. GRIMM, _D. M._, bl. 586.
+
+#Dul#, comp. #dulre#, 918, _dom_, _dwaas_. #Sijn an den dulsten#, 493,
+_aan het kortste eind zijn_. In de beteekenis van: _gering_, _arm_,
+leest men _dul_, _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._ 1 Dl., bl. 11), vs. 932.
+
+#Dulen#, 693, _brullen_ (Het Fr. _uller_). Wal. 9714. _Lanc._ 3, 3805.
+
+#Dusdaen#, 1708, _zoodanig_. _Ferg._ 3427, 3573. _Flor._ 560, 581, 3512.
+Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 215.
+
+#Dwaen#, 1460, _wasschen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Dwinghen#, 664, 2308*, _bedwingen_ (verg. 1732).
+
+
+E.
+
+#Echt#, 1648, 2945, 3396, 3410, _wederom_, _andermaal_. _Flor._ 2718.
+_Ferg._ 106, 1669. Zie _Lsp. ploss._
+
+#Edelheit#, 66, _edelmoedigheid_. Verg. _Flor. gloss._
+
+#Eencoren#, onz., 1864, _eekhoren_.
+
+#Eenlic#, 883, _eenzaam_.
+
+#Eerden# (#Bringhen ter#), 433, _begraven_.
+
+#Eesch#, 3051, _eisch_.
+
+#Eighin#, 2308*, _eigenhoorig_, _slaafs onderworpen_.
+
+#Eke#, zw. 651, 681, 859, _eikeboom_.
+
+#El#, 571, 1121, 3225, _ander(s)_.
+
+#Elkerlijc#, 302, 2863, _elk._ Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 189.
+
+#Emmer#, 1265, 1493 (2308*), _in 't vervolg_, _nu_.
+
+#Emmervort#, 1285, _voortaan_.
+
+#Engien#, 452, _kunst_; waarvoor _Flor._ 935, 1542, 2372, _meestrie_
+heeft.
+
+#Entie#, 191, samengetr. voor _Ende die_.
+
+#Entrouwen#, 252, 3226, #in trouwe#, 2214, _voorwaar_.
+
+#Erch#, 919, 2323, _boos_, _slecht_.
+
+#Ere#, 134, 1301, samengetr. voor _eenre_, _ener_.
+
+#Erre#, 2814, 3356, 3366, 3386, _gram_, boos. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._,
+bl. 240.
+
+#Erren#, 3188, _gram worden_.
+
+#Evele moet#, 2483, _gramschap_. Men verg. omtrent de spreekwijs _Wal._
+10009. _Lanc._ II, 5506, 9277, 15321, 31622; IV, 5827, 6798. _Theoph._
+692, 1607. _Rijmkr. bij_ KAUSLER, 3419. _v. d. Feeste_, 99, 375. _Wap.
+Mart._ 69, vs. 7. _Ferg._ 2855, 4867. _Rose_ 6244. _Doct._ II, 3698.
+_Esopet_ bl. 181. Zie ook de keur bij KLUIT, _Hist. Crit._, II, 2, 656.
+
+#Everswijn#, 1859, _wild zwijn_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 95-97.
+
+
+F.
+
+#Fel#, 60, 88, 105, 343, 484, 544, 614, 856, 940, 993, 1019, 1079, 1704,
+1787, 2500, 2507, 2812, _wreed, nijdig, boosaardig_.
+
+#Fijn#, 1865, _schoon_, _bevallig_. Zie _Lorr. gloss._ en vooral _Lsp.
+gloss._
+
+#Flume#, 2621, _rivier_. Verg. _Flor. gloss._
+
+#Fransois#, 100, _fransch_; #in fransois#, _in het Fr._
+
+
+G.
+
+#Gaen ant lijf#, met DP., 2862, _het leven kosten_.
+
+#Gaerdelijn#, 1416. Ik mistrouw dat woord: _gaerde_ beteekent een
+_rijs_, een _takje_, maar wordt, zoover ik weet, nooit voor _baardhaar_,
+_knevelbaard_ aangetroffen. Daarvoor is zeer gewoon _granen_, het Fr.
+_guernon_, dat hier 2972; MAERL., _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 266, _Rose_
+764, _Lanc._ II, 36969, voorkomt, en nog bij KIL. bekend is. Moet nu in
+vs. 1416 niet gelezen worden _granekijn_, of _granelijn_?
+
+#Gal#, 1230, praet. van #gellen#, _gillen_.
+
+#Ganc#, 551, 885, _gang, liet gaan_. #Ganc maken#, 152, _gaan_.
+
+#Gast#, 1981, _vreemdeling;_ 1204, _gastvriend_, _hospes_; voorts
+beteekent dit woord in 't algemeen, een _onbekend_ en dus _onbemind_
+persoon, terwijl de juiste beteekenis nader door het adject. wordt
+bepaald, b.v. 1888, #felle g.#, 2821, lede g. Zoo _Troj. Orl._ (_Ovl.
+Ged._, 2 Dl., bl. 85), vs. 869, _wrede gast_.
+
+#Gheanden#, 202, _wreken_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 453-454.
+
+#Ghebare#, 1769, _uiterlijk voorkomen_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl.,
+bl. 33-34.
+
+#Ghebieden#, 840, 2217, 2762, 3243, _bevelen_; 1839, _lusten_, _willen_.
+Zoo _Lorr._, I, 611; _Wal._ 2771. In de elliptische spreekwijs, _God,
+die alle dinc gheboot_, 1774, moet men aanvullen: _te leven_, _te zijn_.
+Zie _Wal._ 2 Dl., bl. 292.
+
+#Ghebleet#, 2083, _geblaat_. Verg. #Bleten#.
+
+#Gheboren int been# (#Sijn#), 2497, _sedert de geboorte in merg en been
+zitten_. Verg. #Binnen gheboren#.
+
+#Ghebreken#, 1935, intr. met DP. _ontbreken_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghebure#, 1981, _buurman_; 343, in meer algemeenen zin, _die felle
+ghebure_. Verg. het fransche spreekwoord aangehaald _Doctr._ II, 919.
+Zie ook _Lorr. gloss._, pag. 333.
+
+#Ghedeghen#, zie #Dighen#.
+
+#Ghedichte#, 3241, _opstel_, _geschrift_. Verg. #dichten#, #dichter#.
+
+#Ghedichte#, 812, adv. _dicht op een_. _Ferg._ 4227. _Wal._ 2139, 3119,
+3706, 3784. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghedinghe#, 314, 475, 527, _geding_, _terechtzitting_.
+
+#Ghedinken#, 1504, 1675, 1997, impers. DP. GZ., _zich herinneren_,
+_gedenken_.
+
+#Ghedochte#, 542, _gedachte_, _de daad van het denken_. _Ferg._ 1198.
+_Flor._ 207 (?), 1654.
+
+#Ghedoen#, 139, _doen_; 3177, #Ghedoe hoe ic ghedoe#, _het ga mij zoo
+het wil_. Bekend is de spreekwijs: #Wat doedi?# _Hoe vaart gij?_ (_how
+do you do?_) b.v. _Lanc._ II, 11415, 14097, 14223, 12545, 30702, 30828.
+_Limb._ IV, 305; VI, 493. _Velth._, bl. 363. Verg. _Lsp. gloss._ i. v.
+_doen_.
+
+#Ghedoghen#, 755, 1590, 1593, 1895, _verdragen_, _lijden_, _doorstaan_.
+Verg. _Flor. gloss._
+
+#Ghedraghen#, 637, 1129, _dragen_.
+
+#Gheganghen#, part. van #ganghen#, 3215, _gegaan_. Verg. MAERL. I, 100.
+_Ferg._ 1650. _Stoke_ 7 B., vs. 466, en HUYD. aldaar 2 Dl., bl. 347.
+
+#Ghegripen#, praet. #ghegreep#, 1249, 1260, 3104, _grijpen_,
+_aangrijpen_. _Ferg._ 1213.
+
+#Ghehelpen#, 691, _helpen_, _baten_.
+
+#Ghehent#, 450, _geëindigd_; part. van #enden#, _eindigen_.
+
+#Ghehidet#, 2574, _verborgen_. Verg. het Eng. _to hide_.
+
+#Ghehorsam#, 2550, _gehoorzaam_. Verg. _Lsp. gloss._ op _ghehoren_.
+
+#Ghehuuc#, 1605, _geschreeuw_. _Wal._ 10601, 10631, 10721. Verg. HUYD.
+op _Stoke_, 1 Dl., bl. 382.
+
+#Ghecrai#, 2308* (_bis_), _geschreeuw_.
+
+#Ghelach#, 1518, _gelag_, _spijs of drank_, _waarmeê men zich vrolijk
+maakt_.
+
+#Ghelach#, 2399, _gemak_ (eigenl. _wat goed gelegen is_). Zoo heeft KIL.
+nog het adj. _ghelaeghsaem_, dat hij een Vlaamsch woord noemt, en
+verklaart _wel gheleghen_.
+
+#Ghelaet#, 1092, 1211, 1737, 1768, 1802, 2119, 2185, _uiterlijk
+voorkomen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghelaten# (#Hem#). 1062, 3036, _zich aanstellen_, _zich voordoen_.
+Verg. _Flor. gloss._ MAERL., _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 294, 312. _Ferg._
+4209.
+
+#Ghelden#, 1236, _betalen_, _vergelden_.
+
+#Gheles#, 2930, _gebed_, _zegenspreuk_. Verg. MAERL., _Sp. Hist._, 3
+Dl., bl. 241, vs. 50, 63.
+
+#Gheliden#, 1525, _glijden_.
+
+#Gheliet#, part. van #lien#, 3403, _bekennen_. Zie _Lorr. gloss._ op
+_liet_.
+
+#Gheligghen#, praet. #ghelach#, 1321, _liggen_, _zich uitstrekken_.
+
+#Ghelove#, 1599, _geheel afgefoold_. Zie _Wal._ 2 Dl., bl. 332-7.
+
+#Gheloven#, 1020, 1784, 2495, _gelooven_, _vertrouwen_. Zie _Lorr.
+gloss._
+
+#Gheloven#, 142, 608, 1622, 2488, _beloven_, _verzekeren_. _Lsp. gloss._
+
+#Gheloven#, 2521, _goedkeuren_, _toestemmen_. Zie _Lorr. gloss._ i. v.
+_loven_. Zoo gebruikten ook de Franschen _louer_, b.v. GARIN, I, 116;
+II, 42.
+
+#Gheluut#, 1532, 1575, 2308*, 3372, _geschreeuw_, _geraas_, _gebrul_.
+_Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 15), vs. 1268.
+
+#Ghemac#, 736, 2128, 2220, 2849, 3297, _rust_, _genoegen_,
+_tevredenheid_.
+
+#Ghemackelijc#, 3008, _rustig_. In den zin van _bedaard_, _gerust_, komt
+het herhaaldelijk voor. _Flor._ 2018. _Lanc._ II, 29519, 31255, 35886,
+36854. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 95), vs. 211.
+
+#Ghemanc#, 2308*, _oploop_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghemene#, 2112, _gemeenschappelijk_.
+
+#Ghemick#, 2859, _van pas_, _passend_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghemoet#, 1055, 1110, 2768, _ontmoeting_.
+
+#Ghemoeten#, 1107, _ontmoeten_. Zie over dit en het voorgaande woord,
+_Lorr. gloss._; CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 228.
+
+#Ghenade#, 67, 317, 1745, _genade_, _gunst_; #leven mit ghenade#, 3445,
+_onder Gods bescherming leven_; #met ghenade#, 2195, _met (uwe)
+toestemming_; #grote ghenade hebben#, 3148, _gerustheid hebben_, _gerust
+leven_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 528 en 512.
+
+#Ghenadich#, 2316, _welwillend_, _toegenegen_.
+
+#Ghenaken#, 2006, _in iemands nabijheid komen_.
+
+#Ghenent#, #gheninde#, 2511, _vertrouwen_, _moed_; #met gheninde#, 2810,
+_met drift_, _haastig_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Gheneren# (#Hem#), 1689, _zich voeden_, _den kost winnen_. _Troj. Orl._
+(_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 13), vs. 1109. _Wal._ 326. Verg. _Mnlp._ en
+_Lsp. gloss._
+
+#Ghenesen#, 1404, intr. _behouden blijven_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghenesen#, 245, _(van een kind) bevallen_, _verlost worden_. Zie
+t. l. a. p.
+
+#Ghenoopt#, part. van #nopen#, 964, eigenlijk _aanraken_, _slaan_ (zie
+_Lsp. gloss._), hier _pijnigen_.
+
+#Ghenoot#, 2253, _gelijke_, _pair_. Zie _Lorr. gloss._
+
+#Gentel#, 2508, _beminnelijk_, _gentille_. Zie KIL. op _Ghent_.
+
+#Gheonneert#, 2009, _te schande gebracht_, Fr. _honni_. _Lorr._ II,
+3813.
+
+#Ghepronden#, zie #Prenden#.
+
+#Ghequiten#, 2658, _vrij maken van iets_.
+
+#Gheraden#, 1453, _raden_, _raad geven_.
+
+#Gheraect sijn tot iemen#, 1246, _tot iemand genaderd_, _doorgedrongen
+zijn_. Verg. _Mnlp. gloss._
+
+#Ghereden#, 1918, 2958, _bereiden_, _toebereiden_; 1762, #hem ghereden
+up#, _iets beginnen_.
+
+#Ghere#, 687, samentr. van #ghener#.
+
+#Gherochte#, 1533, _gerucht_, _geraas_; 3304, „_tumultus_, _murmur_,
+_turbatio_,” KIL.
+
+#Gherocht uut#, praet. van #gheraken uut#, 752.
+
+#Gheronnen comen#, 118, 734, 760, 1325, _komen aangeloopen_. #Gheronnen#
+is het part. van #rennen#, waarover zie _Lsp. gloss._
+
+#Ghesegghen#, 1651, _zeggen_, _verhalen_.
+
+#Gheselle#, 613, 629, 645, 2106, _gezel_, _wapenbroeder_, _vriend_. Over
+de compagnons of frères d'armes, zie vooral DU CANGE op JOINVILLE.
+
+#Gheselscap#, 2109, _trouwe hulp en vriendschap_.
+
+#Ghesien#, 1264, _zien_.
+
+#Ghesinde#, 1399, _gezin_, _hofgezin_, _gevolg_. _Carl. El._ 1174.
+_Mnlp. gloss._
+
+#Ghesceet#, 387, _scheiding_. _Flor._ 1582, 3111.
+
+#Ghescriven#, 93, _schrijven_.
+
+#Ghesleghen#, part. van #slaen#, 653; #pade slaen#, 505, _door heen en
+weêr loopen paden vormen_. Vandaar #slaghe#, #voetslaghe#, in den zin
+van _voetstapgen_, _voetspoor_, _spoor_.
+
+#Ghesmide#, 2590, _allerlei cieraad, dat van eenig metaal gesmeed
+wordt_; CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 224-225.
+
+#Ghesocht#, zie #Sochten#.
+
+#Ghespreken#, 438, _spreken_. Het imperf. _ghesprac_ staat hier als
+dikwerf in het Mnl. en Oud- en Mhd. voor het plusquamperf.
+
+#Ghestade#, 613, _standvastig_, _getrouw_; 3047, _ingetogen_, _niet door
+hartstochten hèen en weêr geslingerd_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghestaen#, 560, 1305, _staan_; zoo ook #ghestaen sijn#, 698, waarover
+zie _Lsp. Gloss._ op _ghestaen_.
+
+#Ghesteken#, part. van #steken#, 3261, 3339.
+
+#Ghestille#, 26, 1136, 2194, _stilzwijgen_, _stilte_. _Ferg._ 681, 5556;
+_Flor. gloss._
+
+#Ghetelen#, zie op #Telen#.
+
+#Ghetemen#, 2211, _gedoogen_. Zie vooral HUYD. op _Stoke_, 2 Dl. bl.
+432-433; en verg. MAERL. III, 149; _Wal._ 8566, 9426, 7740; _Lanc._
+3 B., vs. 14983, 23149; _Rose_, 3365; _Mnlp._ 3 B., vs. 593. Zie ook
+_Limb. gloss._
+
+#Ghetide#, 951, „_ghetyd-ghebeden_; _horariae preces_, _preces
+canonicae_” (KIL.); de gebeden die elk priester op _bepaalde tijden_
+van den dag moest lezen, en waarvan de _complete_ het laatste is.
+
+#Ghetoghet#, 1080, part. van #toghen#, _aantoonen_, _toonen_. Wat
+_ghetoghet_ is, _blijkt_, is _duidelijk_.
+
+#Ghetrouwe#, 2485, 3242, _eerlijk_, _oprecht_.
+
+#Ghetrouwe sijn# (?), 2578, _vertrouwen_.
+
+#Ghetrouwen#, 3365, _vertrouwen_, _betrouwen_. Verg. _Mnlp. gloss._
+
+#Ghevaen#, zie #Vaen#.
+
+#Gheval#, 46, 2225, _geluk_; maar die beteekenis is er slechts bij
+toepassing aan gegeven, daarom 617, 1059, vol-uit #goet gheval#.
+
+#Ghevallen#, intr. DP., 149, 1278, 1393, 2190, 2289, 2308*, 2351,
+_gebeuren_; 1391, _uitvallen_.
+
+#Ghevane#, 2996, 3417, _de gevangenen_. Eigenl. part. van _vaen_.
+
+#Ghevaren#, zie #Varen#.
+
+#Gheven een val#, 1641, #enen spronc#, 1716, _vallen_, _springen_.
+
+#Ghevoech#, 233, 658, 884, 1625, 2968, eigenlijk _wat voegt, of te pas
+komt_ (dus 233); _wat dienstig of nuttig is_. Vandaar: _voordeel_,
+_gemak_, enz. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Ghevreiscen#, 1582, _vernemen_. Verg. _Flor. gloss._
+
+#Ghewaerlike#, 2564, _waarlijk_, _waarachtig_.
+
+#Ghewaert laten#, 1123. WILLEMS verklaart #ghewaert# als _verzekerd_,
+_vrij_, d. i. _waerschap of genoegdoening verstrekt hebbende_; maar
+die verklaring zal wel niemand bevredigen. Blijkbaar beteekent het _met
+rust laten_, van het goth. _gavairthi_, d. i. _vrede_, _rust_. Verg.
+HOLTZMANN, _Unters. über das Nibelungenlied_, bl. 85. Vanhier het
+bekende #ghew(a)erden#.
+
+#Ghewande#, 1283, _ingewand_. De omwerking heeft _ghewade_: _scade_;
+is dat ook de ware lezing? _Stoke_, 2 B., vs. 963, heeft _ghewade_.
+
+#Gheware worden#, met GZ., 1712.
+
+#Gheweldelike#, 3431, _met geweld_, _overmachtig_.
+
+#Gheweldich#, 1224, _machtig_.
+
+#Ghewelt#, 2308*, _macht_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghewent#, 1540, _gekeerd_.
+
+#Ghewin#, 1634, 3182, 3252, _winst_.
+
+#Ghewinnen#, #ghewan#, #ghewonnen#, 227, 342, 571, 580, 1326,
+_verkrijgen_, _verwerven_, _machtig worden_; 749, _de vrije beschikking
+krijgen_; 1029, _overhalen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Ghewouden#, 430; ook alleen #wouden#, 3189, _macht oefenen_,
+_beschikken over iets_, _beschermen_. _Wal._ 3298, 3895, 5221; _Limb._,
+_Mnlp. gloss._
+
+#Ghewout#, 605, 2142, 2450, 2853, 3430, _macht_. Verg. CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 361.
+
+#Ghewreken#, #ghewrac#, 436, 468, _wreken_.
+
+#Ghewrochte#, imperf. van #ghewerken#, 1652, _werken_, _bewerken_. Zie
+_Lsp. gloss._
+
+#Ghier#, 940, _vraet_, _slokop_. Eigenlijk een adj. _begeerig_,
+_hebzuchtig_. Verg. _Lsp._ en _Mnlp. gloss._
+
+#Ghierech#, 403, _begeerig_, _inhalig_, _gulzig_.
+
+#Ghendre#, 831, 1336, 1603, _gints_, _ginder_.
+
+#Ghisel#, 3089, _gijzelaar_.
+
+#Godevolen#, 3300, _Gode bevolen_. Zie _Beatrijs gloss._
+
+#Godsat hebben#, 3176, _gevloekt zijn_; eigenlijk _Gods haat hebben_.
+MAERL. I, p. 62. _Ferg._ 2304, 4702, waar het hs. _Godsat_ heeft. Zie
+HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 350-351.
+
+#God gheve u goedendach!# 2921, gewone zegenwensch, _God zegene,
+bescherme u!_ _Ferg._ 4572. Het tegenovergestelde, een _quaden dach_
+wenschen, vindt men evenzeer, b.v. _Velth._ bl. 42; _Ferg._ 3214, 3492.
+
+#Goedertiere#, 2315, 3045, _goedaardig_. _Wal._ 9172, 9238, 9346. Verg.
+_Flor. gloss._
+
+#Goet#, 1988, _goed_, (_geschenk_).
+
+#Goom nemen#, 183, 659, 2000, 2138, met GZ., _acht geven_. _Ferg._ 734,
+1202; _Velth._ bl. 182, 184, 186, enz. Verg. _Flor._ en _Mnlp. gloss._
+
+#Gram#, 2462, _verdrietig_; 3099; _toornig_. In de eerste beteek.
+_Ferg._ 103, 1528; _Flor._ 550; in de tweede _Ferg._ 1925. Verg. HUYD.
+op _Stoke_, 3 Dl., bl. 264.
+
+#Gram doen#, 3042, _verdrietig maken_, _leed aandoen_.
+
+#Granen#, 2972, _knevels_. _Flor._ 3284; _Lanc._ II, 36969; _Rose_ 764.
+
+#Graven#, #groef#, 2600, _begraven_. _Lorr. gloss._
+
+#Grief doen#, 186, _leed doen_, van het fransche _grief_.
+
+#Grongaert#, 32, het fr. _grognard_.
+
+#Grongieren#, 2118, _brommen_, 't fr. _grogner_.
+
+
+H.
+
+#Haenbalc#, 1618, _hanebalk_, _bovenste balk van 't dak_.
+
+#Haerwaert#, 1452, _herwaarts_.
+
+#Haghe#, 42, 386, 396, 820, 1053, 2400, 3139, _heg_, _kreupelhout_.
+
+#Haghedochte#, 541, 1367, 3074, 3257, _krocht_, _hol_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Half ghenade#, 1993, (_spottende uitdrukking_).
+
+#Hame#, 971, ons _ham_, eigenlijk _de buiging der achterbeenen_. KIL.
+_poples_. In den _Ferg._ heet het van twee ridders, die op elkander
+inrenden, 2347:
+
+ So sere si te gadere quamen,
+ Dien orsen boghen die hamen.
+
+#Hant# (#Te#), zie op #Te#.
+
+#Hantwerc#, 3348, _schrijfkunst_, eigenlijk _handwerk_.
+
+#Harde#, #haerde#, 3, 153, 207, 312, 569, 656, enz. Adv. _zeer_.
+
+#Hare#, 269, 374, _haren kleed_, fr. _haire_. Zie _Beatrijs gloss._
+
+#Hare#, #Haer#, 2624, 3222, _hier_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 22.
+
+#Harentare#, 1628, 1711, 2069, _hier en daar_. Zie _Lsp. gloss._ op
+_haer_.
+
+#Have#, 563, _zaak_, eigenl. _bezitting_, van _hebben_. Verg. _Lsp._
+3 Dl., bl. 139, vs. 113; _Ferg._ 1068; _Flor. gloss._
+
+#Hebben ghedaen#, met een infin. 44, 2916, gewone spraakvorm.
+
+#Heleghe#, 83, _reliquien der heiligen_. _Lorr._ II, 161. Verg. ZIEMANN
+op _heilic_.
+
+#Helet#, 615, 1072, 3221, _held_. De Oud-Saksische vorm is _Helith_,
+_Helid_. Zie _Heliand_, 3650, 6270 (ed. KÖNE).
+
+#Helpe#, 575, 1545, 2071, 3361, uitroeping van verbazing, _God helpe
+mij!_ MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 84, 255.
+
+#Hem#, 716, _hun_; 769, 958, _zich_.
+
+#Henen#, 2345, _van hier_, _weg_.
+
+#Here#, 2246, _vader_. _Lanc._ 3 B., vs. 26460. _Limb._ X, 310.
+
+#Herte#, vr. subst. 899, 917, 982, 1079, 1199, 1741, 1925, _hart_.
+
+#Heten#, #hiet#, #gheheten#, 2223, 2815, 3234, 3346, _bevelen_.
+
+#Hie#, 1852, _echtgenoot_; Ohd. _hiwa_, GRAFF, IV, 1066. Verg. KÖNES
+_Heliand_, bl. 369.
+
+#Hinderwaert#, 2018, 2021, _achterwaarts_. _Hinderwaert varen_, hier,
+_abire in malam partem_. _Wal._ 1600.
+
+#Hine#, 963, samentr. van _hi ne_ = _hi en_.
+
+#Hinne#, 134, 287, _hen_.
+
+#Hire#, 52, _hij er_.
+
+#Ho#, 443, _hard op_, _met luider stemme_, eigenlijk _hoog_. Verg. HUYD.
+op _Stoke_, 3 Dl., bl. 142.
+
+#Hoe so#, 1444, 1765, _hoe_.
+
+#Hoede# (#Sonder#), 377, 391, „_onbekommerd_, zonder telkens _op zijne
+hoede_ te moeten zijn”. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 381.
+
+#Hoekijn#, 2091, _bokje_.
+
+#Hoen#, plur. #hoener#, 1538, 1560, 1613, 1637, 1701, 2094, „Etsi _hoen_
+pro gallina fere usurpetur, tamen commune est nomen ad omne
+gallinaceorum genus.” KIL.
+
+#Hof#, 45, 48, 51, 55, 554, _hofdag_, _cour plénière_; 650, _hofstede_.
+
+#Hoghen# (#Sijn in#), 1048, 2114, _verheugd zijn_. Zie HUYD. op _Stoke_,
+3 Dl., bl. 263-264.
+
+#Hondekijn#, 99, _hondje_.
+
+#Honen#, 78, 175, 217, 488, 491, 501, 1204, 1638, _bedriegen_. Zie
+_Doct. gloss._
+
+#Hoofschelike#, 37, _fatsoenlijk_, _op hoofsche wijze_. Verg.
+_Beatrijs_, bl. 38.
+
+#Hopen ten ghewinne#, 2472, _verlangen naar de winst, het voordeel_.
+
+#Houden#, 633, _volgen_. Verg. _Ferg._ 179.
+
+#Hout#, 606, 2238, _genegen_. Zie _Doct. gloss._
+
+#Houtmakerigghe#, 804, _houtwerkster_. Zie over den vorm HUYD. op
+_Stoke_, 1 Dl., bl. 72.
+
+#Hovesc#, 1221, _heusch_, _beleefd_. Verg. _Beatrijs_, bl. 38.
+
+#Hoveschede#, 28, 1669, _beleefdheid_, _welopgevoedheid_.
+
+#Hulde#, 594, 1142, 1784, 2173, 2489, _welwillendheid_, _genegenheid_,
+_gunst_. Zie _Doct._ en _Lorr. gloss._
+
+#Hulde#, 1611, 3441, _trouw_.
+
+
+I. J.
+
+#Jamer#, 308, _jammerklacht_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 13 of
+387.
+
+#Jane#, 2208, 2528, _ei_ (_Ja en_), bij eene vraag. HUYD. op _Stoke_, 2
+Dl., bl. 358.
+
+#Iemen#, 500, _iemand_.
+
+#Iet#, 2219, 2611, 2715, _eenigsins_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl.
+379.
+
+#Iewet#, 122, 2355, _iets_, _ietwat_.
+
+#Jeghen#, 113, 1335, 1361, 1653, 1763, 3095, _tegen_. Verg. _Lsp.
+gloss._
+
+#Jeghen# (#Brenghen te#), 215, 3259, _geven_, _ter hand stellen_,
+eigenlijk _toevoeren_.
+
+#In#, 136, _op_; #in den daghe#, gewoonlijk _an d. d._
+
+#Indien#, steeds gevolgd door dat, 2193, 2448, 2487, 2805, _wanneer_.
+
+#Inne#, 93, enz., _ic en_.
+
+#Ingaen#, 322, _beginnen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#In lanc so bet#, 1222, _hoe langer zoo beter_. MAERL. _Sp. Hist._, 1
+Dl., bl. 93. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Inlopen#, 1905, _beginnen_, _gebeuren_.
+
+#Inslaen#, 955, 1721, _zich driftig in iets werpen_.
+
+
+C. K.
+
+#Caerminghe#, 313, _gekerm_, _weegeklag_.
+
+#Caf#, 1803, _het allerminste_, _zoo goed als niets_. Zie _Lsp. gloss._
+Verg. #Loof#.
+
+#Capproen#, 944, _hoofdbedeksel_, _kapje_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Carine# (#toghen#, #doen#), 280, 423, _straf_, _boete_, vooral die men
+zich door _vasten_ en _ligchaamskastijding_ opleî. Verder in 't algemeen
+_smart_. Het woord komt dikwerf voor: _Wal._ 2115, 7699; _Ferg._ 2167;
+_Lanc._ II, 45605; III, 17621; _Brandaen_ II, 688; _Kausler_ I, 7575;
+_Stoke_ 3 B., vs. 463. Ook in de fragm. van _Aubry de borg_. Evenzoo in
+'t Mhd., b.v. _Werner v. Niederr._, bl. 7, 75. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2
+Dl., bl. 146-147. Het Ohd. heeft _chara_, _passio_, _poenitentia_ (GRAFF
+IV, 164), het Oudsaks. _kara_ (KÖNES _Heliand_, bl. 387) in dezelfde
+beteekenis; waarschijnlijk stamt daarvan af het mlat. _carena_, dat
+ZIEMANN verklaart door „quadragena, busze durch vierzigtägiges fasten
+oder 40 geiszelhiebe.”
+
+#Caritate#, 278, hier _aalmoes_ in den zin van het fr. _faire la
+charité_. Het is het Lat. _caritas_.
+
+#Castien#, 489, _vermanen_, _terecht wijzen_. Verg. _Flor._ 1231. _Lsp.
+gloss._
+
+#Keer#, 502, 1915, _wending_, _draai_.
+
+#Keitijf#, 640, 838, 2785, _arm_, _ongelukkig_, _ellendig_. Verg.
+_cativo_ en _chétif_, en zie _Lsp._ en _Beatr. gloss._
+
+#Keren# (#in# of #tot iets#), 11, 29, 36, _streven naar iets_; #die
+tale keren#, trans. en intr. 641, 1667, _bedoelen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Kennen#, 86, _weten_. Zie t. a. p.
+
+#Kerre#, 209, _kar_.
+
+#Chierheit#, 2594, _kostbaarheid_. Zie _Doct. gloss._
+
+#Claer#, 1103, _helder_; #claerre#, 1445, is de compar., ons _klaerder_,
+waar #claer#, _onbesmet_ beteekent.
+
+#Claerlike#, 1661, _verstaanbaar_, _openhartig_.
+
+#Claghe#, 61, 125, 135, 248, 2770, _aanklacht_.
+
+#Claghen#, 2695, _klachten uiten_, _jammeren_; #claghen over#, #om#, 59,
+235, _zich beklagen over iemand_; 100, 114, 194, 1762, 1789, _eene
+aanklacht doen_, _aanklagen_.
+
+#Claren#, 2726, 2944, _zuiveren_.
+
+#Clerc#, 3357, _geestelijke_, _geleerde_; 251, _leerling_. „Clerke als
+si eerst ter schole gaan,” zoo als het heet _D. Catoen_, 24-25, zijn
+natuurlijk _schooljongens_. Verg. _Flor. gloss._
+
+#Clippel#, 1297, _klepel_.
+
+#Clockelijn#, 1490, _klokje_; doch zie de aanteekening aldaar.
+
+#Cloet#, 786, 792, _lange stok_, _polsstok_. Zie KIL.
+
+#Cluse#, 275, _kluis_.
+
+#Coever#, 569, _overvloed_. Zie _Lsp. gloss._ op _vercoeveren_.
+
+#Colne# (#Van --#) #tote Meie#, 2619. GRIMM zegt, _R. F._, bl. XCII,
+„Scherzhaft wird _örtliche_ und _zeitliche_ bestimmung _gemischt_;
+noch heute hört man in Oberdeutschland „zwischen _pfingsten_ und
+_Strassburg_.” Dieser witzige ausdruck reicht also schon in das
+12 jh. hinauf. „Inter _pascha Remisque_,” _Reinardus_ II, 690;
+„inter _Cluniacum_ et _sancti festa Johannis_ obit”, IV, 970......
+In den Niederlanden: „van _Aken tot paschen_ (TUINMAN, _Spreekw._,
+I, 334); wahrscheinlich ist auch „van _Colne_ tote _Meie_” so zu
+nehmen.”--WILLEMS voert nog de fransche spreekwijs aan: „Cela s'est
+passé entre _Maubeuge_ et la _Pentecôte_.”
+
+#Comen#, part. van #comen#, 87, 314, 1091, _gekomen_.
+
+#Complete#, 951, _de laatste kerkdienst van den dag_, „met welke alle de
+diensten van den dag _vervuld_ en besloten werden.” Zie _Lsp. gloss._ en
+den daar aangehaalden HUYDECOPER.
+
+#Conden#, 2061, _verkondigen_, _bekend maken_.
+
+#Conste#, praet. van #connen#, _kunnen_, 462, 757, 953, 1500, 1510,
+1894, 3349.
+
+#Cont#, 1910, _bekend_. Zie _Doctr. gloss._
+
+#Convent#, #covent#, 1612, 2512, _voorwaarde_.
+
+#Corten#, 1879, 1939, _kort maken_, _bekorten_.
+
+#Coude#, 2647, _koude_; 2630, _koortskoû_, _koorts_. Verg. WILLEMS,
+_Inleid. op Reinaert_, bl. LXIV, en zie KIL.
+
+#Cracht#, 347, #met haerre cracht#, _uit al hunne macht_.
+
+#Craghe#, 2636, 2964, 3250, _hals_ (welk woord intusschen ook, 1594,
+3263 voorkomt). _Ferg._ 2657; verg. KIL.
+
+#Craieren#, 45, _uitroepen_; _Flor._ 166; _Ferg._ (2502), 5067, 5129.
+
+#Cramp#, praet. van #crimpen#, 1507.
+
+#Cranc#, 56, 563, 869, 1013, 1761, 1846, 2000, 2138, _zwak_.
+
+#Creature#, 1354, 1704, 2568, _schepsel_; met het bijvoegsel _fel_,
+meest in verachtelijken zin.
+
+#Crede#, 142, 148, 249, 388, _het Credo_, _de belijdenis des geloofs_.
+
+#Crone#, 1786, _de kroon_, voor den _kroondrager_. Doch zie de aanteek.
+aldaar. Terecht wordt MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 12, vs. 2, _crone_
+verbeterd in _coninc_, zoo als blijkt uit vs. 6. _Crone_ voor
+_regering_, is bij MAERLANT niet ongewoon, zie 3 Dl., bl. 13, 314.
+
+#Crop#, 1936, _strot_, _keel_. Verg. KIL.
+
+#Crune#, 947, 1468, 1503, 1820, _het geschoren bovenste gedeelte van
+'t hoofd bij de geestelijken_, waardoor slechts eene _corona_ van haren
+werd overgelaten; _de kruin_. _Ferg._ 2405; MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl.,
+bl. 49, 71, 185, 227.
+
+#Cruusstaf#, 727, 811, _geestelijke herderstaf_, van boven met een kruis
+voorzien.
+
+#Cume#, 611, 768, 2131, 2143, 2899, _naauwelijks_. _Ferg._ 471, 561,
+2509. _Flor. gloss._
+
+
+L.
+
+#Lachter#, 71, 95, 1024, 1300, 1967, 2181, 2232, 2286, _schande_.
+
+#Lachterlike#, 1387, _schandelijk_.
+
+#Laden#, 477, _opladen_, _belasten met iets_. Verg. _Lorr. gloss._
+MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 192.
+
+#Laghen#, 2125, _belagen_, _beloeren_.
+
+#Lac#, 808, praet. van #leken#, _vloeyen_. _Lsp. gloss._
+
+#Langhen#, 1960, impers. DP. _verlangen_. _Wal._ 5448, 5773. _Lanc._ II,
+11059, 28142; III, 3823. _Rose_ 2256. _Limb._ V, 1768, 1823.
+
+#Lanc# (#Over#), zie #Over#.
+
+#Lanc# (#Den berch --#), 552, _over de geheele lengte van den berg_.
+
+#Lanken#, 875, _de zijden_. _Flor._ 216; _Ferg._ 326.
+
+#Lapen#, 2085, _lekken_. _Velth._ bl. 256. _Limb._ VIII, 70.
+
+#Lat#, 1182, _traag_. Zie _Doct. gloss._; _Beatr._ 31; _Wal._ 5502,
+7756, 8606.
+
+#Laten#, 958, 1595, 2802, _laten_, _toelaten_, steeds met een daarop
+volgend werkwoord. #Gedichte laten gaen#, 812, is _bij herhaling op en
+neder laten (doen) gaan_.
+
+#Laten#, 1596, AZ. en DP. _overlaten_; 489, 625, 929, 1310, 2804,
+_nalaten_, _achterlaten_; 1432, _verlaten_.
+
+#Leden#, praet. van #liden#, 231, 2433, _geleden_.
+
+#Leet#, 89, 752, _onaangenaamheid_, _verdriet_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._,
+bl. 117.
+
+#Leet#, 1280, 1528, 2821, adj. het tegenovergestelde van _lief_, dus
+_onaangenaam_, _gehaat_, _verwenscht_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Leet hebben#, 2007, _haten_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 198-201.
+
+#Leie#, 2620, _de rivier de Leye_. De spreekwijs beteekent: „Meent gij
+dat ik u van den weg wil afbrengen, om den tuin leiden?”
+
+#Leckernie#, 2088, _slechtheid_. _Rose_, 3852, waarvoor _Lanc._ II,
+7619, _leckeringhe_.
+
+#Lesen#, 147, _lezen_; maar 1684, _bidden_. Verg. _Beatr. gloss._
+
+#Lesse#, 155, _les_; 449, _gebed._ Verg. #gheles#.
+
+#Lettel#, 226, 736, 780, 920, 1633, 2375, adv. en adj. het laatste met
+GZ., _weinig_, _luttel_.
+
+#Lettelkijn#, 3202, _een weinigje_.
+
+#Letten#, 1318, 1954, intr. _vertoeven_, _verwijlen_, _vertragen_. Verg.
+_Lsp. gloss._; _Wal._ 6922, 9471, 9492; _Lanc._ II, 13190; _Stoke_ VII,
+698; IX, 212, 888.
+
+#Licht#, 3013, _vlug_, KIL.: „_licht_, _locht_, _velox_.”
+
+#Liden#, 150, 1053, 1057, 2573, 3133, _langsgaan_, _voorbijgaan_, het
+Fr. _passer_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Liden#, zie #Leden#.
+
+#Lief#, 1970, 2227, _aangenaam_.
+
+#Lieghen#, 485, met AP., _beliegen_.
+
+#Lien#, #liede#, #gheliet#, 3093, 3403, _erkennen_, _bekennen_. Verg.
+_Lorr._ en _Lsp. gloss._
+
+#Lier#, 745, 855, 994, 1352, 1965, _wang_; _Flor. gloss._; CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 74-78.
+
+#Lieve#, 2137, 2746, 3333, _liefde_; _Lsp. gloss._
+
+#Ligghen#, 1707, _zich uitstrekken_, _loopen_. Verg. #Gheligghen#.
+
+#Lijf#, 132, 236, 720, 1386, 1408, 1984, 2568, _leven_. Zie _Lsp.
+gloss._
+
+#Lijcteken#, 2302, _merkteeken_, _herkenningsteeken_. _Wal._ 2687, 6424,
+6487, enz.; _Lanc._ II, 16443; MAERL. _Sp. Hist._, 1 Dl., bl. 397. Verg.
+CLARISSE op de _Natuurkunde_, bl. 409.
+
+#Line# (1490), 1940, 1951, 2031, 3130, _touw._ Verg. MAERL. III, 315,
+321; _Stoke_ IX, 874; _Limb._ VI, 275.
+
+#Line#, 1081, _lijn_, _regel_. _Eer die line wert ghelesen tende_, bet.
+_in den kortst mogelijken tijd_. In gelijken zin leest men, _Lanc._ III,
+22574:
+
+ Maer _eer die rime _(line?)_ wert ghelesen_,
+ So sal hi ondervinden wel,
+ Oft hem iet beteren sal sijn spel.
+
+De redenering van prof. BORMANS, _Christina de Wonderb._, bl. 235,
+behoeft geene wederlegging.
+
+#Lof#, _prijs_, _eer_; #te love#, 47, _tot zijne eer_; #lof hebben#, 56,
+_geprezen_, _geacht worden_; #in iemens love staen#, 196, _door iemand
+geacht_, _geëerd worden_; #van goeden love#, 649, _goed befaamd_.
+
+#Loghe#, 788, _loog_.
+
+#Lonen#, 1425, _beloonen_.
+
+#Loodwapper#, 794. Een _wapper_ is een wapentuig dat men om zich heen
+zwaaide; zie _Velthem_ bl. 159; _Heelu_ 5462; de laatste schrijver noemt
+het ook _cluppel_, waarvoor ik _Lanc._ II, 29802 lees: _loetcloppel_,
+d. i. een _cluppel_ of _knuppel met lood_ beslagen.
+
+#Loof#, 1450, _de minste kleinigheid_. Verg. #caf#. Eigenl. is #loof#
+een blad (zie _Car. El._ 403), welks meerv. #lover#, 43 voorkomt.
+
+#Lopen#, 2423, met acc. in den zin van _beloopen_.
+
+#Losengieren#, 3071, _loos bedriegen_, het Fr. _losengier_. Het adj.
+_losengier_ vindt men _Rose_ 2521, en _Rijmkr._ bij KAUSLER, 6361,
+7009.
+
+#Los maken#, 1475, _wegnemen_, _verlossen_? #Los# in den zin van
+_kwijt_, _verloren_, vermeldt HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 301. Men
+verg. ons _lozen_, _verlossen_, en het Eng. _to lose_.
+
+#Loven#, 3256, _goedkeuren_, _toestemmen_. Zie _Lorr. gloss._
+
+#Luchter#, 1054, _linker_. MAERL. III, 171, 207; _Ferg._ 1084, 3601;
+_Flor. gloss._
+
+#Lude#, 148, _luide_, _hard op_.
+
+#Lusten#, 330, 828, met DP. _lust hebben_.
+
+
+M.
+
+#Maerghen#, 1085, 1377, 2774, _morgen_. MAERL. 3 Dl., bl. 62, 91.
+
+#Maken#, 30, _vervaardigen_; #los maken#, 1475, _verlossen_; #valsc
+maken#, 20, _voor onwaar uitkrijten_.
+
+#Maken hem te....#, 1945, 2262, _zich ergens heen begeven_.
+
+#Male#, 400, 889, _maag_, eigenl. _zak_, _reiszak_, _koffer_, zie MAERL.
+_Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 68, vs. 93. Verg. _Flor. gloss._
+
+#Male#, 600, 3123, _maaltijd_.
+
+#Malsc#, 19. WILLEMS vertaalde dit _week_, en zelfs schijnt GRIMM die
+verklaring niet geheel te verwerpen (_R. F._ bl. 268), hoewel hij,
+_Gram._ I2, 499 er de beteekenis van _vorax_, in de derde uitgave, bl.
+264, er die van _superbus_ aan geeft. Ziehier een paar voorbeelden.
+_Ferg._ 108:
+
+ Die jaghers waren herde _ghemalsch_.
+
+_Wal._ 2152:
+
+ Hi deder sulken over hals
+ Tumen, die hem herde _mals_
+ Maecte, eer dat Walewein quam.
+
+_Parthen._ (ed. MASSMANN), bl. 73, vs. 23:
+
+ Al sidi hier nu soe _ghemalsch_,
+ Ende segghet al dat ghi beghert.
+
+Men ziet uit die voorbeelden, dat noch de verklaring van WILLEMS, noch
+die van Prof. VISSCHER, opgaat, „_zacht_, _week_, _bedaard_.” Blijkbaar
+beduidt het woord: _overmoedig_, _trotsch_, _laatdunkend_, in welken zin
+reeds het Oud-Saks. _malsc_ in den _Heiland_ voorkomt. Verg. GRIMM
+_R. F._, bl. 268, en _Parthen. gloss._
+
+#Mamme#, 2081, _borst_.
+
+#Man#, 167, _leenman_.
+
+#Manen#, 2161, 2187, 2328, 2633, 3028, _toespreken_, _verzoeken_,
+_bidden_.
+
+#Manghelinghe#, 2318, _verandering_, _wisseling_. Zie KIL. Verg. _Rose_,
+2194.
+
+#Manlic andren#, 1578, 2109, _elk den ander_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3
+Dl., bl. 60.
+
+#Mare#, 294, 417, 615, _bekend_, _vermaard_; #mare maken#, 238, _bekend
+maken_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#St. Martins voghel#, 1047, _de kraai_. Verg. GRIMM _D. Sp._, bl. 984.
+
+#Mat#, 1287, _zwak_; KIL. _pauper_, _miser_.
+
+#Mate#, 672, _matiging_, _matigheid_.
+
+#Maten# (#Te#), 626, _naar de juiste maat_, _niet te veel_, _matig_.
+Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Mede#, 2183, _meê_, _jonge wijn_.
+
+#Mee#, 1379, 2092, 3178, _meer_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Meeste#, 2562, _grootste_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 266-268.
+
+#Mekel#, 718, _groot_. Verg. MAERL. _Sp. Hist._, 2 Dl., bl. 176; aant.
+bl. 87. _Wal._ 3931.
+
+#Menechfout#, 505, 542, 898, 2431, _menigvuldig_, _veelvuldig_.
+
+#Menen#, 638, _bedoelen_.
+
+#Merken#, 2363, 2466, 2553, 2584, _oplettend gadeslaan_, _opmerken_.
+
+#Merren#, 3187, 3202, _dralen_, _verwijlen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Mesbaer#, 3227, _het uiterlijk rouwbetoon_, _gejammer_. _Ferg._ 4309,
+4403; _Wal._ 9165.
+
+#Mesbaren#, 3205, _jammeren_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 403.
+
+#Mesdaet#, 3400, _misdaad_, _kwade handeling die iemand aangedaan
+wordt_.
+
+#Mescomen#, praet. #mesquam#, 669, 3230, intr. met den dat. _iets kwaads
+overkomen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Meslaten#, 1303, 3380, _jammeren_, _zich bedroefd aanstellen_. _Ferg._
+497, 1127; _Flor._ 825, 2292.
+
+#Mesleden#, 208, _misleiden_, _bedriegen_.
+
+#Mesmaken#, 987, _kwalijk toerichten_, _toetakelen_.
+
+#Mesprijs#, 1479, _schande_.
+
+#Mesprisen#, 168, _tot schande aanrekenen_.
+
+#Mesraken#, 496, 1755, part. #mesrocht#, 747 (verg. #gherocht#), _in 't
+ongeluk raken_, _te schande komen_.
+
+#Messen#, 2561, _achterwege laten_, _delinquere_ (KIL.).
+
+#Mesval#, 1361, _ongeval_.
+
+#Mesvallen#, 3228, impers. met DP. _een ongeluk overkomen_. Verg. _Lsp.
+gloss._
+
+#Mesvoeren#, 74, _mishandelen_. _Ferg._ 2403; _Wal._ 5625; _Rose_ 3903.
+
+#Met#, 1234, 2121, _mede_.
+
+#Mettien#, 709, _terstond_; eigenl. #mettien worde# of #worden#. Verg.
+1922, 2024.
+
+#Micke#, 2807, 3131, eigenl. _een vork die tot rustpunt dient voor iets
+dat er over gelegd wordt_; hier de _rechtopgaande stijl van de galg_.
+
+#Middewaert#, 511, 1553, _midden_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl.
+35-36.
+
+#Miede#, 1988, _gift_, _belooning_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 52-55.
+
+#Miere#, 117, 318, 1051, _mijner_.
+
+#Mineren#, 704, terecht door GRIMM, bl. 270 vertaald: „_eingraben_,
+_minieren_,” en niet „_verminderen_” gelijk WILLEMS dacht, die het
+geheele vers verklaarde: „_Houw _(sic)_ toch wat op._” Zoo leest men
+ook, MAERL. _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 120, van een man die zekeren „tempel
+soude breken”, die
+
+ stoet in vaster stat,
+ Viercante, ende adde vier pilaren
+ In viere ziden oec te waren,
+ Met colummen scone ende groot.
+ Elc portael hem selven sloot
+ Vaste in des tempels masieren.
+ Daer ginc die man onder _minieren_,
+ Ende nam hem haer fundament.
+
+Voorts beteekende het, zoo als hier, _zich verbergen in eene gegraven
+opening_. Zoo b.v. _Destructie van Jerus._, cap. 120:
+
+ Hi was in enen pit ghevloen
+ ..........................
+ Daer waende hi hem in _minieren_
+ Ende ontslupen onder die erde.
+
+#Minne#, 243, _liefde_, _min_.
+
+#Misselic#, 1391, eigenl. _wat missen of falen kan_, dus _onzeker_,
+_twijfelachtig_. Zie DE JAGER, _Taalk. Mag._, IV, bl. 353.
+
+#Moedernaect#, 1245. Over de middeneeuwsche gewoonte om naakt te slapen,
+zie _Beatr._, bl. 50. Verg. over het woord HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl.
+113.
+
+#Moer#, 2645, _moeras_. Verg. _Ferg._ 3554.
+
+#Moet#, 1041, 1904, 2519, 2598, 2883, 3173, _gemoed_, _het binnenste_;
+1061, _moed_ (_courage_). #Te moede#, 1063, 1765, 2904, _in zijn
+binnenste_, _in het gemoed_.
+
+#Moeten#, 566, 570, _moeten_, _genoodzaakt zijn_.
+
+#Moeten#, 490, 999, 1069, 1657, 1798, 2900, 3125, _mogen_, vooral bij
+wenschen. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Moghen#, 486, 488, 559, 560, 595, 622, 637, 663, 691, 702, 721, 747,
+753, 876, 989, 1107, 1327, 1368, 1388, 1391, 1484, 1638, 1651, 1675,
+1844, 1937, 2360, 2840, 2851, _vermogen_, _kunnen_. Part. #ghemoghen#,
+1736.
+
+#Moghen#, 1951, _licere_.
+
+#Moghen#, 588, 1119, _lusten_. Verg. _Ferg._ 5041.
+
+#Moghende#, 2787, _machtig_, _vermogend_.
+
+#Molenman#, 121, _molenaar_.
+
+#Monc#, 1487, 2692, _monnik_.
+
+#Mordadich#, 357, _misdadig_. _Flor._ 1178. Verg. #Mort#.
+
+#Mordelike#, 3105, _moorddadig_; 2167, _misdadig_.
+
+#Morseel#, 134, 923, _stuk_ (_morceau_). _Ferg._ 2644, 4786; _Wal._
+8050.
+
+#Mort#, 2166, _doodschuldige_, _zware misdaad_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Moude#, 465, 2373, _stof_, _zand_, _aarde_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2
+Dl., bl. 418-20; CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 38.
+
+#Mule#, 694, _muil_.
+
+#Museel#, 219, _muil_; 't Fr. _museau_.
+
+#Muulkijn#, 1417, _muiltje_, _snoetje_.
+
+
+N.
+
+#Na#, 1502, _bijna_, _welna_. Zoo ook _Wal._ 8670, 10747.
+
+#Na#, 946, 1903, _nabij_.
+
+#Na# (#Gaen#), 3393, _treffen_, _leed doen_. _Ferg._ 4310. Verg. 942.
+Vanhier het adj. _naghinghel_, _Ferg._ 664.
+
+#Na#, in de spreekw. #hem nemen harde na#, 1423, _ter harte nemen_.
+
+#Naest#, 269, 714, _zoo nabij mogelijk_. #Naest lopen#, met DP., 1252,
+_dicht op de hielen zitten_.
+
+#Naken#, met DP., 781, 1570, 3098, _genaken_, _overkomen_. _Flor._
+3005.--495, 988, _ergens heenkomen_.
+
+#Namaels#, 2065, _later_, _naderhand_. _Lsp. gloss._
+
+#Nauw#, adj. 2468, _innig_ (_intiem_).
+
+#Nauwe#, adv. 2340, _naauwkeurig_. _Lsp. gloss._
+
+#Negheen#, 1259, _geen_ (_nullus_).
+
+#Nemmee#, 1318; #Nemmeer#, 622, 957, _niet meer_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Nes#, 1442, samentr. voor #ne es#, #en es#. Zoo 564 #dannes#, voor #dat
+en es#. Verg. _Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 78, vs. 293, #ennes#, en bl. 83,
+vs. 695: #hennes#.
+
+#Nese#, 793, _neus_. Vanwaar #neselocken#, _Ferg._ 2226; #nesebant#,
+_Wal._ 1632, 2088.
+
+#Neven#, 386, 2353, _naast_, _langs_.
+
+#Neware#, #newaer#, 95, 174, 447, 1749, 2301, 2514, 2903, _maar_. _Wal._
+9357, 9465. Verg. hier 2136, en zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 193.
+
+#Nie#, 746, 1778, 1874, _nooit_. „Ook als negatie, waar wij het
+bevestigende _ooit_ gebruiken.” (_Lsp. gloss._) 1545, 2389, 2809. Zoo
+b.v. _Flor._ 523, 657. Verg. hier #Noint#.
+
+#Niemare#, 367, 1577, 1603, _nieuws_, _tijding_, _gerucht_. _Lsp.
+gloss._
+
+#Niemen#, 58, 123, 130, 885, 1089, 1355, enz., _niemand_.
+
+#Niet#, 1989, _genegenheid_. Zie vooral over dit woord _Lsp. gloss._ op
+#niede#. Bij de daar aangehaalde voorbeelden uit den _Ferg._ is nog te
+voegen 3408, waar #nide# voor #niede# staat om het rijm; zoo ook _Troj.
+Orl._ (bij BLOMMAERT, _Ovl. Ged._, 1 Dl.) vs. 1460, 1525, en _Lanc._ IV,
+11768.
+
+#No#, 112, 2568, _noch_.
+
+#No#, 131, _zelfs niet_, het Fr. _neis_; zie de Inleiding, bl. LXI.
+
+#No weder -- noch#, 2567, _geen van beiden_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1
+Dl., bl. 25. _Flor._, 985; _Troj. Oorl._ (1 Dl., bl. 15), vs. 1255.
+
+#Nochtan#, 78, 94, 234, 353, 572, 664, enz., _nochtans_, _evenwel_.
+
+#Nochtoe#, 1288, 2080, _nog_, _toen nog_. _Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 78,
+vs. 272; bl. 89, vs. 1270. _Wal._ 9850, 10021; _Lanc._ III, 879; en IV
+passim. Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 140, 364.
+
+#Node#, 567, 728, 1197, 2200, _ongaarne_, eigenl. _niet gemakkelijk_.
+Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 290.
+
+#Noene#, 384, „eigenl. (_hora_) _nona_.... de benaming van de dienst die
+in de R. C. Kerk, op dat uur verrigt werd.” _Lsp. gloss._, waar het
+geheele artikel verdient nageslagen te worden.
+
+#Noint#, 76, 872, 2664, 3024, _nimmer_, _nooit_. Ook als negatie waar
+wij _ooit_ gebruiken (verg. #Nie#), 1829, 2844, 3172. Zie over den vorm
+GRIMM _D.Gr._, III, 225.
+
+#Noot#, 517, 570, 1527, 1650, 1913, _nood_, _dwang_. #Noot sijn#, met
+DP., 2857, _noodzakelijk zijn_.
+
+#Nopen#, 964, _raken_, _aanraken_, _stooten_, _kwetsen_. Verg. _Lsp.
+gloss._
+
+#Nu toe#, 833, 1236, 1241, _voort_ (_allons_). _Wal._ 9470. Verg. HUYD.
+op _Stoke_, 3 Dl., bl. 30-31.
+
+
+O.
+
+#Odevare#, 2308*, _ooijevaar_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 191-192.
+
+#Oft#, #Ofte#, 14, 491, 998, 1008, 3030, 3040, _indien_.
+
+#Oit#, 1780, _immer_, _altijd_.
+
+#Om recht#, 258, _terecht_.
+
+#Ombe#, 344(?), _om_; zie de var. op bl. 14.
+
+#Ombeclaghet#, 3046, _onaangeklaagd_.
+
+#Ombequame#, 2616, _onaangenaam_. _Ferg._ 568.
+
+#Omberaden#, 1433, _onverzorgd_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 213.
+
+#Omberen#, 124, 127, 135, eigenl. _ontberen_, _achterlaten_. Zie over de
+uitlating der _t_, HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 254.
+
+#Omberocht#, 3045, eigenl. _niet aangeklaagd_, _ter goeder naam
+staande_. Zie de var. op bl. 116.
+
+#Ombescaven#, 17, _onaangevochten_.
+
+#Ombieden#, 472, _aanzeggen_, _doen weten_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Ombiten#, 611, _nuttigen_, _gebruiken_. _Lsp. gloss._
+
+#Omme gaen#, 1713, 1739, _zich omkeeren_.
+
+#Omtrent#, 810, _rondom_, _in de rondte_. Verg. _Lsp. gloss._ _Lanc._
+II, 15248, 15252, 15400.
+
+#Onbegrepen#, 199, _onberispt_. Verg. #Begripen#.
+
+#Onblide#, 952, _treurig_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 42.
+
+#Ondaet#, 2064, _misdaad_. _Wal._ 3712.
+
+#Onder -- ende#, 2334, _beide -- en_, _zoowel -- als_. Zie DE VRIES,
+_Lsp. gloss._ en vooral DE JAGER'S _Archief_, 1 Dl., bl. 69-72.
+
+#Onder die sonne#, 759, _van den kant daar de zon stond_. Zoo zeggen wij
+nog, _onder den wind_.
+
+#Onder voete#, 791, _onder den voet_, _op den grond_.
+
+#Ondergaen#, 397, 3103, _den toegang afsnijden_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1
+Dl., bl. 92-93; 2 Dl., bl. 503.
+
+#Ondercomen#, intr., 868, _verzwakken_. Het act. #is ondergaen#, dat
+_Ferg._ 2055 voorkomt, of #onderdoen#, waarover zie _Lorr. gloss._
+
+#Onghebetert#, 97, _onhersteld_, _onvergoed_, _ongeboet_.
+
+#Onghemac#, 230, 573, 781, 807, _leed_, _last_. Verg. HUYD. op _Stoke_,
+2 Dl., bl. 99-100.
+
+#Onghenade doen#, 2308*, _slecht behandelen_.
+
+#Ongherede#, 2176, _ongeluk_.
+
+#Onghereet sijn#, 3140, 3167, _niet voorhanden zijn_. Verg. de plaatsen
+aangehaald _Lsp. gloss._
+
+#Ongherec#, 1201, 1472, _ongeluk_. Verg. _Lsp._ en _Flor. gloss._
+
+#Onghetrouw#, 1705, 2507, _trouwloos_, _slecht_.
+
+#Ongheval#, 737, 771, 1593, 2177, 2466, _ongeluk_, _ramp_.
+
+#Onghevoech#, 234, 3379, _wat niet past_, _niet betaamt_. #Onghevoech
+driven#, _zich onbehoorlijk aanstellen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Onghier#, 414, _wreedaard_; eigenl. _de vreesselijke_, _de
+schrikwekkende_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Onhout#, 111, _ongenegen_, _vijandig_. Verg. #Hout#.
+
+#Onledich#, 1313, _drok bezig_. Verg. _Lsp. gloss._ in #Onlede#.
+
+#Onnen#, #ic an#, met GZ., 10, 1075, 3124, _gunnen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Onnéren#, part. #onneert#, 2002, #gheonneert#, 2009, _schande aandoen_,
+_onteeren_ (_honnir_).
+
+#Onrein#, 1738, 1801, _besmet_ (_met zonden_).
+
+#Onsalech#, 778, 1719, _ongelukkig_, _ellendig_.
+
+#Onscone#, 2709, _schandelijk_ (_onbetamelijk_). _Stoke_, 1 B., vs. 803.
+Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Onsculde doen#, 82, _zijne onschuld bewijzen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Onsochte#, 990, _jammerlijk_, _op hevige wijze_.
+
+#Onsoete#, 964, _op onzachte_, _harde wijze_.
+
+#Onspellic#, 3002, _ernstig_.
+
+#Ontaen# (#ontdaen#), part. van #ont(d)oen#, 655, _geopend_. Zie _Lsp.
+gloss._
+
+#Ontbieden#, zie #Ombieden#.
+
+#Ontbinden#, 1881, _ontvouwen_, _openbaren_. _Ferg._ 3166; _Flor._ 384.
+
+#Ontdelven#, 2607, _opgraven_.
+
+#Ontervet werden#, 668, _zijn erf verliezen_ (_hier door een vonnis_).
+
+#Ontfaen#, 70, 188, 1193, 1254, _ontvangen_.
+
+#Ontfaren#, 85, 3022, 3206, 3309, _haastig ontgaan_, _ontvluchten_.
+
+#Ontfermen#, 68, 72, 318, 406, 2696, met GZ. _zich erbarmen_,
+_medelijden hebben_.
+
+#Ontgaen#, 697, 921, 1388, 1409, 1424, 1477, _ontgaan_, _vrijkomen_.
+
+#Ontghelden#, 1822, 1835, _betalen_, _boeten_.
+
+#Ontghinnen#, 2087, 2417, eigenl. _openen_; in de eerste plaats
+_verbijten_, in de tweede _opdelven_. Verg. _Ferg._ 3461, 3565; _Limb._
+6 B., vs. 2007.
+
+#Onthopet sijn#, met GZ., 1060, _de hoop opgegeven hebben_, _hopeloos
+zijn_, _wanhopen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Ontliven#, 2004, _dooden_, _van het leven_ (_lijf_) _berooven_.
+
+#Ontrennen#, 2699, _ontvluchten_.
+
+#Ontsien#, intr. 53; trans. 737, 2047, 2216, _vreezen_. Zie HUYD. op
+_Stoke_, 2 Dl., bl. 406, 503.
+
+#Ontscricken#, 3132, _ontloopen_. #Scricken# vertaalt CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 103, terecht door _met wijde schreden voortgaan_. Zie
+_Ferg._ 3544.
+
+#Ontspringhen#, 1912, _ontvluchten_.
+
+#Ontspringhen#, 1231, 1642, _ontwaken_, eigenl. _uit den slaap
+opspringen_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 392.
+
+#Ontvruchten#, 2312, _vreezen_. _Flor._ 3259; _Lanc._ 4 B., vs. 8476.
+
+#Ontwee#, 652, 1317, 3111, _in stukken_, _kapot_. Zie CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 123, en _Lsp. gloss._
+
+#Ontweghet#, 2494, _van den weg af_, _het spoor bijster_. Verg. _Lsp.
+gloss._, en zie _Lanc._ II, 13331, 13718.
+
+#Ontwenden#, 1844, _ontgaan_ (_met moeite_, _hoe men zich ook wendt_).
+
+#Ontwisschen#, 1510, _ontvluchten_; Hoogd. _entwisschen_. Van
+_wisschen_, dat men b.v. vindt _Lanc._ II, 22024, 22368, 24855, 29819.
+Zie ook _N. Werken der Leidsche Maatsch._, VI, bl. 169.
+
+#Onverdaen#, 1932, _ongedood_, _onvermoord_; van #verdoen#, waarover zie
+mijn _Specimen_.
+
+#Onvervaert#, 389, _moedig_.
+
+#Onvro#, 982, _treurig_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Onvroet#, 671, _onverstandig_, _dwaas_.
+
+#Onwaert hebben#, 498, 576, _verachten_. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 145.
+
+#Onwille# (#Sijn te sinen#), 321, _in 't verdriet zijn_. Verg. _Lsp.
+gloss._
+
+#Ordine#, 943, 2691, _orde_, _kloosterorde_.
+
+#Orlof#, 495, 709, 1395, 1427, 1892, 2984, eigenl. _verlof om te
+vertrekken_, _afscheid_.
+
+#Orconde#, 1882, 2623, _getuigenis_. Zie _Lsp._ en _Doct. gloss._
+
+#Orconden#, 2688, _betuigen_, _vermelden_.
+
+#Oude#, 767, _ouderdom_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 173, en verg. _Lsp.
+gloss._
+
+#Over#, in de beteekenis van ons _voor_, het Lat. _pro_, 839, 2803,
+#over niet# = _om niet_; 1681, 2981, 3089; en in de adverb. uitdr. #over
+waer#, 239, 1384, 1505, 2908.--In de beteekenis van _op_, _over_,
+_super_, 523, 963, 971, 973, 993. Zoo ook in de spreekwijs, #over hem
+so willet# al, 772, _op hem wil alles neêrploffen_; #over iemen onledich
+sijn#, 1314, _met iemand bezig zijn_. Verg. vooral _Lsp. gloss._
+
+#Over een#, 146, _met elkander_, _te samen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Over lanc#, 547, 3370, _na langen tijd (van beraad)_. Verg. _Lanc._ II,
+44029; III, 4633; _Flor._ 2723; _Franc._ 2835. _Limb._ VI, 1576, leest
+men: #over iet lanc#.
+
+#Overdadich#, 2251, _trotsch_, eigenl. _die meer doet dan een ander_, of
+ook, _dan betamelijk is_. Verg. _Ferg._ 4295, 4779.
+
+#Overdaet#, 137, 469, 499, 2043, 2066, 2310, _ondaad_, _misdaad_. Zie
+CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 281. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Overgroot#, 2397, _zeer groot_.
+
+#Overstarc#, 1093, _zeer sterk_. Zoo komt #over# dikwerf in
+samenstelling met adjectiva voor: b. v. #overveel#, _Lanc._ II, 34030;
+#overhovesch#, _Lanc._ II, 38309; #oversoet#, Rose 71; #overscoon#,
+_Rose_ 615; #overmoghen#, _Rose_ 628; #overmoedich#, _Rose_ 1385;
+#overgroot#, _Rose_ 1641; #overvast#, _Rose_ 4662; enz. enz.
+
+#Owach#, 3364, _helaas_.
+
+#Owi#, 306, 925, 1800, 1810, 2158, 2659, 3039, _helaas_.
+
+
+P.
+
+#Paer#, drukt de vereeniging uit van verschillende deelen tot een
+geheel, als #een paer letteren#, 3237, 3331, _een brief_. Zie _Wal._ 2
+Dl., bl. 221-222.
+
+#Paiment#, 809, _betaling_.
+
+#Palster#, 372, 2775, 2925, 2967, _pelgrimsstaf_, _staf_. Zie CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 173.
+
+#Pant doen#, 1269, _leed doen_, _schade toebrengen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Pape#, 726, 811, 825, 1126, _priester_.
+
+#Pardoen#, 2895, _vergiffenis_.
+
+#Parc#, 334, _afgesloten ruimte_. Verg. _Wal._ 9927, 8703; _Lanc._ II,
+45094; IV, 4637.
+
+#Parlement#, 2270, _samenspreking_, _bijeenkomst_. Zie HUYD. op _Stoke_,
+2 Dl., bl. 80, 387; 3 Dl., bl. 103, 395.
+
+#Partrijs#, 3142, _patrijs_. Men behoort dus t. a. pl. te lezen:
+_partrise_ (: _spise_).
+
+#Pat#, manl., 633, 3295, _pad_, _voetpad_.
+
+#Pelgrijn#, 2837, 2842, 2865, _pelgrim_.
+
+#Pelse#, 352, _het haar van het vel_. (Verg. _Ferg._ 3599, 3911). Zoo
+heet het ook in de voorrede tot _Heelu_, vs. 545, van vogels: _dat hen
+die plume stoven_. Verg. hier 1717.
+
+#Pese#, 794, 1317, _touw_.
+
+#Pijnlic#, 1878, _moeyelijk_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl.
+475-476.
+
+#Pine#, 230, 371, 573, 743, 1817, 1939, 1952, 1970, 2646, 2977,
+_moeite_, _overlast_, _ongemak_.
+
+#Pinen#, 696, 1298, 1315, 1634, 2322, _moeite doen_, _arbeiden_.
+
+#Pladijs#, 208, 211, 214, _platvisch_. De vorm is uit het Fr.
+overgenomen. Zie Inleid. bl. CXII.
+
+#Plaidieren#, 1873, _pleiten_, _over en weêr praten_.
+
+#Plecht#, 2841, _voorspraak_, _bescherming_. Verg. _Theoph._ 932;
+_Vander Sielen_, 134. KIL. kent nog _plechten_ in den zin van _lites
+agere_. Verg. daarbij V. WIJN op _Heelu_, bl. 30 en 11.
+
+#Pleghen#, intr., 521, 536, 1223, 2738, 3350, _gewoon zijn_.
+
+#Pleghen#, trans. met GZ. #Der ere pleghen#, 35, _zich op de eer
+toeleggen_, _de eer ter harte nemen_. #Der siele pleghen#, 428, _de ziel
+verzorgen_. #Der kindre pleghen#, 1413, _de kinderen verzorgen_. #Siere
+seden pleghen#, 1733, _zijne gewoonte in acht nemen_, _opvolgen_. Zie V.
+WIJN op _Heelu_, bl. 8-13.
+
+#Plume#, 1717, _pluimen_, _veêren_. Zie op #Pelse#.
+
+#Poghen#, 680, 2322, _zijn best doen_. Verg. _Wal._ 2 Dl., bl. 253 in
+fine, en _Lsp. gloss._
+
+#Point#, 2293, _punt_. #Van pointe te pointe#, _van stukje tot beetje_,
+_geheel en al_.
+
+#Porren#, 1242, _zich in beweging stellen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl.,
+bl. 397-399 en 585, of V. WIJN op _Heelu_, bl. 200.
+
+#Prenden#, part. #ghepronden#, 399, 1541, _aangrijpen_, _rooven_. Zie
+_Lsp. gloss._
+
+#Prijs#, 2923, 3054, _lof_, _lofspraak_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Prihore#, 945, _prior van een klooster_.
+
+#Prioreit#, 1700, _klooster_ (_prieuré_).
+
+#Prime#, 385, _morgengebed_. Verg. #Noene#, en zie _Ovl. Ged._, 2 Dl.,
+bl. 95, vs. 220.
+
+#Prisen#, 578, _schatten_, _achten_. Zie KILIAEN.
+
+#Prochiaen#, 764, 830, _die tot eene parochie behoort_, _leek_.
+
+#Proeven#, 1882, _probare_, _bewijzen_.
+
+#Proeven#, 662, 2048, _beproeven_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Pute#, 919, _hoer_. #Putensone#, zeer gebruikelijk scheldwoord; zoo ook
+in het Oud-Fransch.
+
+#Puut#, plur. #Pude#, 2308*, _kikvorsch_. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 174.
+
+
+QU.
+
+#Quaet#, adj., 484, 500, 1906, _slecht_, _verdorven_, _misdadig_.
+
+#Quaet#, subst., 1801, _booswicht_. Zie _Lsp. gloss._, waar echter ten
+onrechte wordt beweerd, dat het plur. #quadien# is. Verg. LEENDERTZ'
+beoordeeling van mijn _Epische Versb._, bl. 59-62.
+
+#Qualic#, adv., 259, 550, _op slechte wijze_.
+
+#Quansijs# (#Alse#), 2547, „_als dacht hij bij zich selven, als wilde
+hij zeggen._” Zie de breedvoerige verklaring van DE VRIES in DE JAGERS
+_Archief_, 1 Dl., bl. 72-76.
+
+#Quedden#, 1108, 2366, _groeten_, „ahd. #quetian#; alts. #queddian#;
+eigentlich _anreden_, und von #quëden# (loqui) abgeleitet” (GRIMM, _R.
+F._, bl. 273). Zoo ook _Flor._ 2064: „van al den goden _quedde_ hine
+overluut,” waar het Fransch, vs. 1579, heeft: „De tous les Diex _l'a
+salué_.” Zoo begint ook het charter van 1249, bij SERRURE, _Geschied.
+der Letterk. in het Graefsch. Vlaenderen_, bl. 88: „De scepenen van
+Bochouta _quedden_ alle degene die dese lettren siyn (_sic_) selen in
+onsen Here.”
+
+#Quellen#, 2202, _in kwelling zijn_, _lijden_. Zoo _Ferg._ 4464. Verg.
+_Lsp. gloss._
+
+#Quene#, 767, _oude vrouw_.
+
+#Quite#, met #van# of den gen., 1394, _vrij_, _ontslagen van_. #Quite
+worden#, 258, _kwijt worden_, _verliezen_. #Quite sijn#, 355,
+_ontslagen_, _verlost zijn van_. #Quite maken#, 2416, _ontrooven_.
+#Quite laten#, 2529, 2788, _ontslaan_, _vrij spreken_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Quiten scadeloos#, 2948, _vrijmaken van schade_.
+
+
+R.
+
+#Raden#, 531, _radbraken_.
+
+#Raden#, #riet#, #gheraden#, 471, 332, 555, 689, _aanraden_.
+
+#Raet#, doorloopt verschillende beteekenissen. 548, 1195, _raad_,
+_raadgeving_. #In gherechten rade#, 1682, _in goeden gemoede_. 2325, _de
+vrucht der beraadslaging_, _voornemen_, _opzet_. #Raet vinden#, 543,
+_iets bedenken_ (_Ferg._ 4254). #Te rade worden#, 470, _besluiten_.
+#Raet hebben#, met GZ., 567, _in zijne keus hebben_. #Hets beter raet#,
+1098, _het is beter_. #U es die beste raet#, 1389, _het is 't best voor
+u_. #Hier mach in lopen ander raet#, 1905, _hier kan iets anders
+gebeuren_. Maar #Raet# is ook _de daad van het raadgeven_. Vandaar: #te
+rade roepen#, 1333, _ter beraadslaging bijeen roepen_; #te rade leden#,
+2473, _ter beraadslaging heenleiden_. Verg. 2673. Dit geschiedt in
+afzondering, in 't geheim, vandaar: #in rade#, 3161, _in 't geheim_.
+Verg. hier #Beraden#, en verg. _Flor. gloss._ in #raet#.
+
+#Rake#, 723, _hark_. KIL. vertaalt het woord door _Rastrum_ et
+_Rutabulum_, _Sarculum_. Het Eng. heeft _rake_ in dezelfde bet.
+
+#Rampineren#, 703, 849, _bespotten_; het Fr. _ramposner_. MAERL. _Sp.
+Hist._, 3 Dl., bl. 141, 314; _Lanc._ II, 39273.
+
+#Rasch#, 2032, _sterk_ (verg. het Eng. _harsh_). _Wal._ 10090; _Lanc._
+IV, 9592, 10056; _Troj. Orl._ (BLOMMAERT, 2 Dl., bl. 95) vs. 194.
+
+#Raven#, 18, 1860, 2793, _raaf_. _Wal._ 9689.
+
+#Recht#, adj., 1698, 1707, 1751, _recht_ (van een weg gebezigd: _de
+naaste_); 128, 3031, _waar_, _eigenlijk_, _juist_.
+
+#Recht#, adv., 282, _juist_; 1307, _regelrecht_ (_direkt_).
+
+#Recht nemen ende gheven#, 529, _zich onderwerpen aan de uitspraak des
+regters_.
+
+#Rechten#, 1382, _oprichten_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Reden# (#Brenghen te#), 1337, eigenl. _tot redelijkheid_, _billijkheid
+brengen_.
+
+#Reinardie#, 2044, _sluwheid_. Zoo ook in 't Fr. _Renart_, 11032, 17035.
+
+#Rekenen#, 2104, _voorrekenen_, _vertellen_. MAERL. 3 Dl., bl. 158, 182.
+Reeds in den _Heliand_: _reckian_.
+
+#Rentvleesc#, 1522, _rundvleesch_.
+
+#Ribaut#, 938, _deugniet_. _Wal._ 8141, 9211; _Ferg._ 519. CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 162, en mijn _Specimen_, bl. 126.
+
+#Rijc#, 1068, _machtig_. Gewoon epitheton van God, zie _Ferg._ 4010,
+4400, 4855, 4869. Verg. _D. Gram._ II, 297.
+
+#Rijcheit#, 2408, _rijkdom_, _schatten_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Rijm#, 2102, _vorst_. _Esopet_, fab. 10, vs. 1; _Rose_ 10274.
+
+#Rijs#, pl. #risere#, 1679, 3449, _takje_, in 't meervoud _het woud_.
+Zie _Lorr. gloss._ of _Specimen_, bl. 124.
+
+#Rikelijc#, 926, _kostbaar_, _prachtig_. Verg. _Flor. gloss._
+
+#Rinc#, 109, 315, 2740, _kring_. _Ferg._ 5307, 5342.
+
+#Rocke#, 732, 832, 1249, _spinrokken_.
+
+#Roekeloos#, 2772, roekeloos is hij, die zich om niets bekreunt,
+_gewetenloos_.
+
+#Roeken#, 1120, 1653, _zich om iets bekommeren_, _bekreunen_.
+
+#Roemen#, 2613, _bluffen_. Zoo heet de winderige hopman bij BREÊROO nog
+_Roemer_.
+
+#Rumen#, 887, 1428, _ontruimen_, _verlaten_, _laten varen_. _Ferg._
+1148; _Flor._ 705.
+
+#Runen#, 2836, _fluisteren_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Rutsen#, 973, _voortschuiven_; het Hoogd. _rutschen_.
+
+
+S.
+
+#Sachten#, 2882, _verzachten_, _temperen_. MAERL. 3 Dl., bl. 316.
+
+#Saden#, 591, _verzadigen_, van #sat#.
+
+#Saen#, 64, 82, 398, 1242, 1440, 1448, 1596, 1949, 2603, 3085,
+_spoedig_.
+
+#Saermeer#, 1916, _in 't vervolg_. Zie mijn art. in den _Konst- en
+Letterbode_ van 1845, no. 35.
+
+#Saghe# (#Sonder#), 1086, _voorzeker_. #Saghe# is een _sprookje_, en de
+geheele spreekwijs een der in dit gedicht zoo zeldzaam voorkomende
+stoplappen. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Saghe#, 395; zoo wordt REINAERT ook genoemd in het Mhd. gedicht, vs.
+1482: dô wand der _zage_ sîn verlorn. #Saghe# is _koorts_, zie CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 46. WILLEMS neemt het hier in den zin van _booze pest_,
+maar blijkbaar staat het in dien van _lafaard_, _verachtelijk wezen_, in
+welke beteekenis het ook in het Mhd. gebruikelijk is, b.v. _Nib. (L.)_,
+225, 4; 930, 1; 1523, 2; 1785, 2; 2080, 1.
+
+#Sake#, 2323, 2665, 2671, _zaak_; 1840, 1885, _rechtszaak_.
+
+#Saluut#, 2406, _groet_.
+
+#Sameninghe#, 3016, _verzameling_, _menigte_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Sat#, 561, 610, 634, 1531, 1613, _verzadigd_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._,
+bl. 369.
+
+#Scade#, 3147, _schaduw_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 30.
+
+#Scade#, 68, 318, 474, 770, 1284, 1975, _schade_, _verlies_.
+
+#Scaden#, 1841, _schade veroorzaken_, _benadeelen_.
+
+#Scalc#, 940, 1787, _loos_, _bedriegelijk_, _slecht_; in beide plaatsen
+substantive gebruikt. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Scalcheit#, 1795, _ondeugd_. _B. van Vergi_, vs. 70.
+
+#Scame#, 972, 1279, 2689, _schaamte_, _schande_.
+
+#Scamp#, 1508, _smaad_, _schandelijke bejegening_. _Wal._ 1459, 1468,
+2710, 9001. Hetzelfde beteekent
+
+#Scampie#, 2043. Zie over beiden _Lorr. gloss._
+
+#Scare#, 1869, _verzameling_.
+
+#Scaven#, 2794, _in stilte wegsluipen_. _Stoke_, 2 B, vs. 222; MAERL. 1
+Dl., bl. 285; 3 Dl., bl. 236.
+
+#Scelden#, 1821, _berispen_; 929, _smaden_; 1836, _verwenschen_; 2007,
+_uitschelden_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Sceren#, _schertsen_, _spotten_, doorgaans als substantivum, gewoonlijk
+in den dat. #in# of #te scerne#, _in scherts_, _tot spot_, 221, 545,
+936, 1292. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Scerp#, 735, 816, _scherpsnijdend_; 374, 788, _prikkelend_, _ruw_; 784,
+_nijdig_. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 217, 218, 227.
+
+#Scerpe#, 2775, 2830, 2925, 2931, 2965, _reiszak_. Zie MEYER, _Leven van
+Jezus_, bl. 378, en verg. MAERL. 3 Dl., bl. 333.
+
+#Sciere#, 245, 441, 478, 844, 1037, 1238, 2384, 3109, _spoedig_.
+
+#Sciet#, praet. van #Sceden# (_scheiden_), _vertrekken_, 1431, 1977,
+1987. _Ferg._ 702, 1557, 1970, 5312, 5396. Het praesens aldaar 2511.
+_Flor._ 3731.
+
+#Scinen#, 424, 773, 1256, 1269, 1818, _blijken_. Verg. HUYD. op _Stoke_,
+2 Dl., bl. 168.
+
+#Scoien#, 2845, _schoeyen_. WILLEMS noemt dit hier terecht „eene stoute
+maer fraeie figuer.”
+
+#Scole#, 378, bedorven lezing. Misschien _binder sc._, hoewel ik meen,
+dat de fout in _scole_ steekt.
+
+#Scoren#, 338, 740, trans. en intr. _scheuren_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Scouwen#, 939, 2038, 2455, _zien_, _bezien_, _aanschouwen_. Verg. _Lsp.
+gloss._
+
+#Scraven#, 462, 2384, 2588, _krabben_. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 336.
+
+#Sculdich#, 1347, _schuldig_ (_strafbaar_); 1883, _schuldig_
+(_verplicht_).
+
+#Scuvuut#, 2569, _nachtuil_. MAERL. 2 Dl., bl. 323, 348.
+
+#Scuwen#, 55, _schuwen_, _ontwijken_.
+
+#Sede#, 243, 3047, _gewoonte_. _Ferg._ 905, 2098. #Te seden#, 666,
+eigenl. naar gewoonte, dus _niet buiten de maat, matig_.
+
+#Seent#, 2718, _synode_. MAERL. 3 Dl., bl. 57. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Seep#, 895, praet. van #sipen#, _druipen_, dat ook _Ferg._ 731
+voorkomt. Ik meen echter thans de voorkeur te moeten geven aan de lezing
+van C. #Liep#.
+
+#Seer#, 419, _droefheid_.
+
+#Seer#, adj., 754, 3000, _smartelijk_.
+
+#Seer#, #sere#, adv. 1375, _zeer_. De compar. is #seerre#, 747. Bij
+werkw. van beweging bet. het _hard_, _snel_, b.v. 762. Verg. _Ferg._
+1756, 2341, 2782, 3714, 3807.
+
+#Seker#, 2451, eigenl. _vast verbonden_, _getrouw_. Verg. HUYD. op
+_Stoke_, 3 Dl., bl. 416, en VAN WIJN op _Heelu_, bl. 65.
+
+#Sekeren#, 609, _toezeggen_, _zweeren_.
+
+#Selp mij#, 1356, _zoo helpe mij!_ Gewone samensmelting. In het 4 B. van
+den _Lanc._: _als hulpe mi_, 1291; _alsulp mi_, 1685, 3723, 4708.
+
+#Selves# (#Mijns#, #sijns#), 1408, 1428, 1547, 1656, 2525. Versterking
+van het possessivum #mijn#, #dijn#. Zoo ook MAERL. 3 Dl., bl. 112, 212.
+
+#Seriant#, 984, 2424, _dienaar_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 314.
+
+#Serich#, 1274, 2462, _bedroefd_.
+
+#Setten#, met DP. 1677, _opleggen_.
+
+#Setten al jeghen al#, 738, _het uiterste wagen_, _alle krachten
+inspannen_; Fr. _mettre le tout pour le tout_.
+
+#Sibbe#, 2105, _bloedverwantschap_. Zie _Teuthonista_, Voorr. bl. 33 en
+_Mnlp. gloss._
+
+#Side# (#An ene#), 2589, _aan kant_, _weg_. Verg. _Wal._ 2 Dl., bl. 205.
+
+#Siec ende onghesont#, 933. Zie nog andere zoodanige tautologische
+uitdrukkingen aangewezen, Inleiding, bl. XXIV.
+
+#Sien den raet#, 2678, _schikken_, _overleggen_. Verg. #Raet#.
+
+#Siere#, 10, _zijner_.
+
+#Sin#, 11, 36, 39, 2136, 2172, 2185, 2479, 2750, 2755, 2812, 2878, 2920,
+3368. Een woord van ruime beteekenis, gebruikt voor „den zetel van het
+_denken_ zoowel als van het _gevoelen_, van het _weten_, zoowel als van
+het _willen_, dus _hoofd_ en _hart_ beiden.” _Lsp. gloss._
+
+#Sinken laten#, 1294, _laten vallen_, _laten varen_.
+
+#Sint#, 78, 264, 356, 1503, _sedert_.
+
+#Sinxendach#, 41, _Pinksterdag_.
+
+#Sire priester, Dieu vo saut#, 937; _Sire prestre, Diex vos saut; Heer
+priester, dat God u behoede!_
+
+#Slach in slach#, 812, 1257, _slag op slag_. Verg. _Lorr. gloss._
+
+#Slachten#, 18, 1418, eigenl. _van hetzelfde geslacht zijn_, _gelijken
+van gemoed_. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 110.
+
+#Slaen#, 3413, _treffen_, _neêrdrukken_.
+
+#Slaen in#, zie #Inslaen#.
+
+#Slaken#, 3383, terecht door GRIMM, _R. F._, bl. 286, vertaald door
+„_remittere_, _laxare_.” Wij gebruiken 't alleen nog van banden en
+boeyen.
+
+#Slavine#, 372, pelgrimskleed. WILLEMS haalt uit DU CANGE het volgende
+citaat aan: „Pedes incedens in habitu peregrini, qui vulgo dicitur
+_slavina_.” Het woord komt ook voor _Lorr._ I, 1017, 1257; MAERL. 1 Dl.,
+bl. 340.
+
+#Slecht#, 454, _effen_, _vlak_, _glad_. _Ferg._ 1185, 1571, 1574. Verg.
+CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 128.
+
+#Sleets#, 1280, samentr. van #des leets#, zie op #Leet#.
+
+#Smeken#, 485, 682, 1804, 2613, 3071, _goede woorden geven_, _fleemen_,
+_fraai praten_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 312.
+
+#Snieme#, 3356, _spoedig_, _weldra_. _Ferg._ 4670, waar het hs. _snieme_
+heeft, zonder _n_; _Flor._ 1203; _Wal._ 8205, 9496, 10250. Verg. HUYD.
+op Stoke, 3 Dl., bl. 309-310; MAERL. _Sp. Hist._, 1 Dl., aant. bl. 40.
+
+#Snoeren#, 2913, _toesnoeren_, _toerijgen_.
+
+#So#, 648, 725, _alzoo_, _gelijk_; 682, _aldus_.
+
+#So#, 945, bij eene vraag, _of_; gewoonlijk herhaald: #so -- so#, ook
+wel #weder -- so#, en denkelijk ook, zoo als C. heeft, #so weder -- so#.
+Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 24-25, 44; _Flor. gloss._ op #so# en
+#weder#; en _Lsp. gloss._ op weder.
+
+#Sochte doen#, 621, _streelen_. #Sochte# is de vlaamsche vorm voor
+#sacht#. Zie b.v. _Flor. gloss._ en MAERL. 3 Dl., bl. 147, 156.
+
+#Sochten#, part. #ghesocht#, 3413, _bedaren_, _verzachten_. Verg. MAERL.
+3 Dl., bl. 316. Intrans. komt het voor _Stoke_, IX, vs. 634.
+
+#Soe#, 30, 225, 733, 2747, 2849, 3080, _zij_. _Ferg._ 1523, 1526, 1529,
+2124. Verg. _Flor. gloss._
+
+#Soendinc#, 188, _plechtige verzoening_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl.,
+bl. 261.
+
+#Soenen#, 3397, _verzoenen_, _vergoeden_.
+
+#Soet#, 2300, samentr. van #soe dat#, _zij het_.
+
+#Soet#, 577, 1287, 3044, _lief en aangenaam_, _lekker_, in verschillende
+nuances; 2263, #tsoete lant van Waes#, even als in de Oudfr. gedichten
+_doulce France_; 2315, _vriendelijk_. Hoe ruim de beteekenis van #soet#
+was, zie men bij CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 369. Zoo wordt het bij
+toespraak van personen gebruikt, waar wij _lieve_ gebruiken: #soete
+vrient#, #neve#, #oom#, enz., b. v. 549, 581, 941, 1125, 1293, 1999; of
+nog sterker: #wel soete#, 669, 1437. Verg. het Eng. _sweet_.
+
+#Soete werden#, met DP., 1492, _aangenaam worden_, _bevallen_.
+
+#Some#, #som#, 980, 1018, 1898, 2199, _sommige_.
+
+#Sondelijc#, 836, 2780, _zondig_.
+
+#Sonder#, adv. 1833, 1944, _zonder_; 50, 214, 799, 2569, 2996,
+_uitgezonderd_; conj. 2888 het Hd. _sondern_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Sonderlingh#, 3053, _bijzonder_.
+
+#Sone#, 1515, 2727, #so en#, d. i. _aldus niet_.
+
+#Sorghe#, 228, 393, 516, 1311, 1438, 1631, 1990, 2201, _vrees_.
+
+#Sorghen#, 494, 670, 1114, 1378, _bezorgd zijn_, _vreezen_. Verg. _Lsp.
+gloss._
+
+#Sorghe# en #sorghen# komen in het slot der na 2308 uitgeworpen plaats
+voor in den zin van _voorzorg_ en _verzorgen_.
+
+#Sout#, 2409, 2444, _soldij_. _Ferg._ 543, 1424. Verg. VAN WIJN op
+_Heelu_, bl. 46-48.
+
+#Spade#, 1480, 2079, 2308*, 2984, _laat_.
+
+#Spanen#, 2081, _spenen_.
+
+#Sparen#, 2017, 2991, _sparen_, _achterwege houden of laten_; 1190,
+1244, 1332, 2022, 2390, 3310, waar _tijd_ onder verstaan wordt,
+_dralen_, _wachten_. Verg. _Ferg._ 2002, 4154.
+
+#Spel#, _spel_, _jokkernij_. #Te spele tellen#, 2437, _voor eene
+kleinigheid achten_. #Uten spele gaen#, met DP., 1585, 1890, _ernst
+worden_, _ophouden gekheid te zijn_, _slecht afloopen_, _er erg aan toe
+zijn_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Spiker#, 1516, 1519, 1579, _voorraadschuur_.
+
+#Spille#, 832, _spil van het spintoestel_. Zie _St. Franciscus_, 10054.
+
+#Spot#, zie #Velspot#.
+
+#Stade#, zie #Stat#.
+
+#Staen# in verschillende spreekwijzen, als: #Het staet so#, 630, 1590,
+_het is zooverre gekomen_; #Mi staet#, 2191, 2684, _ik moet_, _ik mag_;
+#Staen ghevaen#, 688, 717, _gevangen zijn_; #Staen in bate#, 192,
+_boeten_, _vergoeden_; #Staen in love#, 196, _geacht worden_; #Staen in
+tale#, 283, _spreken_, waarvoor 909, #Sijn in tale#.--Voorts met het
+bijdenkbeeld van voortduring: 631, 712, _staan blijven_, _stand houden_.
+Verg. _Lsp. gloss._ Zie verder #Stoet# en #Stont#.
+
+#Staerblint#, 77, _stekeblind_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Staf#, 789, 1573, 2931, _stok_. _Wal._ 9235; _Heelu_, 9247; _Velth._
+bl. 248, 249, 251, 254, 257, enz.
+
+#Stage#, 2737, _staanplaats_.
+
+#Stac#, praet. van #steken#, 1551, _stooten_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Stallecht#, 303, _toorts_, _waschkaars_ (eigenl. _standlicht_). _Wal._
+4511, 4761; _Lanc._ II, 29470; III, 2677, 10384, waar het vs. 10393
+verwisseld wordt met _kersse_.
+
+#Stan#, praet. van #stenen#, 874, 990, _steunen_, _kermen_. Verg. _Lsp.
+gloss._ Het ww. wordt ook zwak verbogen _Lanc._ II, 40919.
+
+#Stap#, 766, _kruk_.
+
+#Starc#, #sterc#, 690, 1028, _sterk_, _krachtig_; 333, _vet?_ zoo als
+nog in het Hd.
+
+#Stat#, in gebogen naamv. #stede#, 150, 1614, 2248, _plaats_. #Stade
+hebben#, 3296, _gelegenheid hebben_.
+
+#Steendoot#, 1601, _morsdood_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Steken achter#, 2285, eigenl. _achteruit stooten_, dus _overwinnen_.
+Verg. _Lsp. gloss._ op #Steken#.
+
+#Stieren#, 1686, _sturen_, _richten_. Vandaar #stierman#, _Wal._ 9509.
+Zie ook #Stieren#, _Parthen. gloss._
+
+#Stic#, 1117, _stuk_, _brok_.
+
+#Stoel#, 2280, _troon_. Verg. _Lodewijks lied_, vs. 6: _stual hier in
+Vrankon_.
+
+#Stoet#, praet. van #staen#, 171, 336, 623, 1213, 2038, _stond_. Impers.
+met DP. 931, _gesteld zijn_. Men vindt echter ook het praet.:
+
+#Stont#, 1256, 1559, 2034. Men lette op de uitdrukking: #hi stont ende
+sweech; ende scouwede# (2034, 2038), voor _hij zweeg_, _hij zag_.
+
+#Strec#, onz. 1202, 1207, 1281, 3387. Verg. _Rose_ 4859, en zie HUYD. op
+_Stoke_, 2 Dl., bl. 228.
+
+#Stringhe#, 841, _touw_, _koord_. MAERL. 3 Dl., bl. 253.
+
+#Stupe#, 860, slag. Zie KIL.
+
+#Stuven#, (#stoof#, #ghestoven#) 352, 1717, _uit een stuiven_. Zie op
+#Pelse# en #Plume#.
+
+#Sulc# (beter #selc#?), 176, 722, 1107, _zoodanig een_, _deze -- gene_,
+het Fr. _tel_. Gewoonlijk wordt het door _sommige_ vertaald, zie
+CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 68-69, en _Lsp. gloss._
+
+#Sullen#, praet. #soude#, 706, _moeten_.
+
+#Suver op#, 2098, _geheel en al_, _zoodat er niets overblijft_.
+
+#Swaer sijn#, 2030, _smerten_. Verg. KIL. op #swaren#; zoo ook in de
+uitdr. #mi es die herte swaer#, 2205, _ik heb harteleed_, _verdriet_.
+Zoo de spreekwijs #mi es sware te moede#, 310, 2904, _ik heb verdriet_;
+evenzoo #swaer doen#, 1041, _verdrieten_. #Pijnlic ende swaer#, 1878, is
+in één woord _moeyelijk_.
+
+#Swaerde#, 1507, _zwoerd_, _de huid van een varken_. Zie KIL. De
+verachtelijke uitdrukking door R. gebezigd, is geheel in overeenstemming
+met het feit dat hij herinnert; hij had immers den wolf de haren laten
+wegschroeyen door middel van kokend water, even als met de varkens
+geschiedt. Verg. omtrent de geheele uitdr. MAERL. 3 Dl., bl. 212.
+
+#Sweren#, 1610, 2274, _zweeren_; 1809, _bezweeren_. #Sweren ende
+vloeken#, 1554, _vloeken_.
+
+#Swinghen#, 795, _slingeren_. Verg. _Mnlp. gloss._ en _Lanc._ II,
+13397.
+
+
+T.
+
+#Tale#, 108, 179, 183, 246, 283, 426, 538, 641, 707, 909, 957, 1009,
+1289, 1875, 2781, _spraak_, _gezegde_, _verhaal_. Verg. _Ferg._ 607,
+1276, 2132; _Flor._ 20, enz.
+
+#Tam#, 271, _het vleesch van huisdieren_, in tegenoverstelling van wild.
+Zoo _Lanc._ II, 44214. _Wal._ 8784, heeft _them_.
+
+#Tameer#, 1111, _heden_. Zoo _Ferg._ 744, 751 (waar de uitgave beide
+malen #te meer# leest); _Wal._ 1984, 8783, 8785, 10175. Verg. mijn
+artikel over #Saermeer#, in den _Letterbode_ van 1845, no. 35.
+
+#Taverne#, 1291, _herberg_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 20; en zie de
+beschrijving bij MAERLANT, _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 117.
+
+#Te#, bij participia met de kracht van ons #ge# of #ver#. #Teblouwen#,
+1584, 1827, _geslagen_; #tebroken#, 166, _ge- of verbroken_; #testoort#,
+2324, _verstoord_, _vernietigd_.
+
+#Te hant#, 959, 983, 2300, _terstond_. Zie KIL.
+
+#Teerst#, 2058, 2380, _terstond_, _zoodra_.
+
+#Teken#, 163, _litteeken_.
+
+#Telen# of #Ghetelen#. Het Gothisch kent reeds een ww. _gatilon_, dat
+_verkrijgen_ τυγχἁνειν beteekent, en het AS. heeft het zw. ww. _tilian_,
+dat BOSWORTH in de eerste beteekenis verklaart als: _to prepare_,
+_procure_, _obtain_, _supply_, _seek_. Het grondwoord is in het Goth.
+_tils_, dat DIEFENBACH (_Vergleich. Wörterb._, II, 666) verklaart:
+„_passend_, _geschickt_,” zoo als BOSWORTH het AS. _til_ vertaalt:
+„_good,.... leading to an end;_” wier verwantschap met het HD. _ziel_ in
+het oog valt. GRAFF, V, 556 heeft _zilên_, _zilôn_, _gazilôn_, in de
+beteekenis van: _niti_, _studere_, _curare_, _parare_, _procurare_,
+_quaerere_, _petere_. Ook in het Mnl. beteekent #ghetelen# vooreerst:
+_bedoelen_, _zoeken_; dan: _bereiken_, _verwerven_, _vinden_. Zoo hier
+2333: #des raets ghetelen#, d.i. _het zoo overleggen_ (verg. #Raet
+vinden#). Zoo _Wal._ 6533:
+
+ Weten alle den raet ghesien
+ Ende _ghetelen_ dat wi ontvlien.
+
+Met _raet_, hoewel in den acc., staat het ook verbonden, _Mnlp._ II,
+3572:
+
+ (Si) _teelden_ enen corten raet.
+
+Ziehier nog eenige voorbeelden, waaruit deze beteekenis van #ghetelen#
+duidelijk in het oog springt. _Franciscus_, 767:
+
+ Dus es hi metter cruce bewaert,
+ Datti zine siele ter langer vaert
+ Sonde der crucen bevelen,
+ Ende hi daerbi soude getelen
+ Datti uter werelt scame
+ Seker sceide, ende zonder blame.
+
+_Lanc._ II, 16485:
+
+ Ic soude gerne des _getelen_,
+ Dat ic ten tornoye mochte wesen,
+
+_Lanc._ III, 8375 (van Adam en Eva):
+
+ Ene stemme henlieden (sprac) toe,
+ Dat si vergaderen souden doe
+ Beidegadere alse wijf ende man:
+ Ende hen quam so grote scamenesse an,
+ Sine wisten hoe dat _getelen_,
+ Datsi alsoe daer souden spelen,
+ Daer elc anderen soude sien an.
+
+De overgang tot de beteekenis van _voortbrengen_ is niet moeyelijk, zoo
+gebruiken wij het ww. nog, en reeds _Mnlp._ II, 352, heet het:
+
+ Als dat die juffrou heeft vernomen,
+ Die yammerscrey, die sy daer _teelde_,
+ Ende dien rouw, dien sy daer dreef.
+
+KILIAEN kent het ww. #telen#, niet alleen in de laatste beteekenis,
+maar ook in die van _colere agrum_, _exercere tellurem_. De toepassing
+op den akker schijnt willekeurig, want in den zin van _verzorgen_ komt
+#telen# in den _Reinaert_ voor, en wel met den genit., even als in de
+voorbeelden bij GRAFF, b.v. 381, 1692, #miere siele telen#, hetgeen
+geheel overeenkomt met 428; #God moet haerre siele pleghen#.--Nog in
+eene andere beteekenis vindt men het woord bij _Velthem_, bl. 125:
+
+ Daer ombe onse gepense groet
+ En bescieten ons niet jeghen die doot.
+ Wi pensen vore, dit selewi doen,
+ Ende geven ons daertoe ocsoen,
+ Dat wi dat volbringen selen;
+ Dan comt daventure, die niet _getelen_
+ En wilt dat die dinc gescie.
+
+Hier schijnt het _gehengen_ te beteekenen, tenzij men meene, dat #wilt#
+in #laet# moet worden veranderd.
+
+#Tellen#, 2784, _zeggen_, _vertellen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Temmermans#, 654, _timmerlieden_. Hetzelfde plur. leest men ook _Lanc._
+III, 8623.
+
+#Terden#, praet. #tart#, 540, 2855, _treden_, in de laatste pl.
+_betreden_, welke active beteek. de werkw. die _gaan_ enz. beteekenen
+alle aannemen.
+
+#Tere#, 2245, samentr. voor #te ere#, #te eenre#, #te ener#.
+
+#Tes#, 1065, 1751, conj. #te des#, _totdat_.
+
+#Tes papen#, 1833, #te des p.# (#huse#), _in des priesters huis_.
+
+#Tien# (#teech#, #gheteghen#) #an#, 2066, 2243, _aantijgen_, _te laste
+leggen_. Zie _Lsp. gloss._; _Wal._ 5583, 5813.
+
+#Toe#, 2383, (_ergens_) _heen_; #daer toe gheraken#, _er heen komen_.
+
+#Toe#, 2525, _daarenboven_. KAUSLER, I, 1119.
+
+#Toebringhen#, 1534, _tot stand brengen_, _verrichten_, _veroorzaken_.
+Zie _Lsp. gloss._
+
+#Toegaen#, 675, _ergens op los gaan_. Verg. #Nu toe#.
+
+#Toghel#, 1166, _teugel_. _Ferg._ 333, 2473. De uitdrukking hier
+gebruikt is eene epische formule, in de Oudfransche gedichten dikwerf
+voorkomende: _Onques n'i ot resne tenu._
+
+#Toghen#, 372, 1092, 2119, 2622, _toonen_. Vs. 2662 moet wellicht
+#tughen# gelezen worden, dat men b.v. in den _Mnlp._ leest voor
+_getuigen_.
+
+#Top#, 948, eigenl. het bovenste gedeelte van iets, KIL. _fastigium_,
+_cacumen_, hier _de kruin_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Toren#, 913, 915, 1295, 1796, 2910, _verdriet_, _leed_. Verg. CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 16.
+
+#Torment#, 2192, _pijniging_.
+
+#Treke#, 1814, 2224, 3262, _booze streek_, _bedriegelijke handelwijs_.
+Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 309, en _Flor. gloss._
+
+#Trekere#, 129, _bedrieger_.
+
+#Trecken#, 1664, #In weet werwaert ghi dit trect#, _ik weet niet waar
+gij daarmeê heen wilt_. Zie verschillende spreekwijzen waarin #trecken#
+gebruikt wordt, _Lsp. gloss._
+
+#Troosten#, 3178, _vertrouwen inboezemen_. Zie _Lorr. gloss._
+
+#Trouwe#. #Bi uwer trouwe#, 590, _bij het vertrouwen dat gij in mij
+stellen moogt_; 1724, 2155, #Bi (in) rechter trouwe#, _in waarheid_;
+ongeveer hetzelfde als #entrouwen#, 252.
+
+#Tuun#, 646, 2027, _heg_. Verg. _Heelu_, 2078.
+
+#Tuun#, 1910, _zangwijs_ (Eng. _tune_). Hier spreekwoordelijk gebruikt,
+even als _Reinhart_ 1979: Reinhart kunde manegen dôn.
+
+#Tuwaert#, 2670, _tot u_.
+
+#Tweer#, 313, gen. van #twee#.
+
+#Twi#, 1198, 1908, 1917, 2308*, 2889, 3191, _waarom_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Twifelen#, impers. met DP. en GZ., 1838. Verg. _Doct. gloss._
+
+#Twint niet#, 2017, _in 't geheel niet_. Zie DE JAGER, _Verscheid._, bl.
+251-259.
+
+
+U.
+
+#Up#, _op_, als plaats- en tijdsbepaling: 1621, 1640; #up ene wile#,
+1823, _op het oogenblik_; #up Isengrijn#, 1559, _tot bij Is._--2o. Als
+betrekking tusschen personen of zaken: #hem ghereden up een claghen#,
+1762, _zich gereed maken tot klagen_; #wreken up haer leven#, 1797; #up
+ghenade#, 1694, _in hope van genade_. Zie _Lsp. gloss._ in #Op#.
+
+#Up dat#, 1424, _indien maar_. Zie _Lsp. gloss._ in #Op dat#.
+
+#Upgaen#, 61, _beginnen_.
+
+#Upgheven#, 2543, _overleveren_, _opgeven_.
+
+#Upheffen#, 1568, _opheffen_; 156, 274, 1263, _verheffen_, _beginnen_.
+Verg. _Wal._ 2 Dl., bl. 189, en zie _Rose_ 38; _Lanc._ III, 6452, 6603.
+Het #uphief# vs. 2176, komt mij te verdacht voor om eene verklaring er
+van te beproeven.
+
+#Uplesen#, 211, eigenl. _opzoeken_, vandaar _wegnemen_. Zie _Flor._
+2259.
+
+#Up werden#, 1647, _haastig opschieten_. _Ferg._ 247, 253, 1536, 2259.
+Zoo #worden jeghen#. MAERL. 3 Dl., bl. 222.
+
+#Uutleken# (#uutlac#), 808, _uitlekken_, _uitvloeyen_. Zie op #Lac#.
+
+
+V.
+
+#Va#, imperat. van #vaen#, 1555; waarvoor 1544 #vanc#, over welke
+laatste vorm zie DE JAGER, _Taalk. Mag._, IV, 691.
+
+#Vaen# (#vinc#, #ghevaen#), 688, 711, 878, 922, 1234, 1469, 1579, 1872,
+_vangen_.
+
+#Vaer#, #vare#, 1627, 2305, 2308*, 2631, 2957, _vrees_. Zie CLIGNETT,
+_Bijdr._, bl. 166.
+
+#Vaert#, 153, 869, 970, 1040, 1043, 1105, 2161, 2604, 2626, _gang_,
+_beweging_, _reis_; 1698, _weg_; #uptie vaert#, 497, 3301, _op weg_.
+Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Vandet mi gheraden#, 1453, _raad mij_, _geef mij raad_. Zoo wordt
+de imperat. van #vanden# dikwerf bij een infinitivus gevoegd om den
+optativus of imperativus aan te duiden. B. v. _Wal._ 1527, 1530, 2185,
+2758, 4024, 4243, 4246, 4691, 4838, 4900. 5574. Verg. HUYD. op _Stoke_,
+2 Dl., bl. 557-558, en _Lsp. gloss._ Het ww. #vanden# is afgeleid van
+#vinden#, en komt gewoonlijk voor in den zin van #gaen vinden#, d. i.
+#bezoeken#, zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 137-140. Zoo wordt het reeds
+gebruikt in het Oud-Saksisch, zie KÖNES _Heliand_, bl. 430. ZIEMANN
+wijst op een Mhd. #vanten#, Oud-Hd. #fanton#, in de beteek. van
+_tentare_, gelijk ook BOSWORTH het AS. #fandian# verklaart: _to try_,
+_tempt_. Dit is de eigenlijke kracht van ons #vant#, #vandet#. De
+conjunct, #hi vande# komt voor _Wal._ 5613 en 5617, in welk gedicht ook
+de infinit. wordt aangetroffen, 5019:
+
+ Ic sal over al
+ _Vanden_ proeven mijn gheval.
+
+#Vane#, 729, 763, 813, _vaan_, _vaandel_.
+
+#Varen# (#voer#, #ghevaren#), 285, 1609, 1639, 2018, 2022, 2254, 3174,
+_gaan_. #Hets mi wel ghevaren#, 903, _het is mij goed gegaan_, _ik heb
+geluk_.
+
+#Vast#, adj. en adv., 145, 695, 1203, 1887, 1940, 2657, 2839, 2860,
+3441, _stevig_; 341, _gedurig_, _zonder van plaats te veranderen_.
+
+#Vaste#, adv., 704, _spoedig_. Verg. _Wal._ 9495, 9751.
+
+#Vastelike#, adv., 814, _snel_, en dus _met kracht_.
+
+#Vederslach#, 1867, _het slaan met de vederen_. Van menschen heet het
+#hantgheslach#. Zie b.v. MAERL. 1 Dl., bl. 300; _Wal._ 9835, 10822.
+
+#Veel#, met GZ., 1942.
+
+#Vele#, bij adv. in de bet. van ons _zeer_ (_admodum_), #vele sere#,
+762; #vele saen#, 3158.
+
+#Velspot#, 2829, _stuk van het vel_. Verg. het Eng. _spot of ground_.
+
+#Verbelghen# (#Hem#), (#verbalch#, #verbolghen#), 2617, _zich belgen_,
+_opstuiven_. _Francisc._ 5455.
+
+#Verbolghenlike#, 179, verbolgen, driftig.
+
+#Verbiten#, 463, 2091, 2098, 2308*, 3108, 3431, _dood bijten_. Zie _Lsp.
+gloss._
+
+#Verboort#, 786, _verbeurd_, _verboden_.
+
+#Verderven#, 667, _bederven_, _in 't verderf brengen_, hier _ziek
+maken_.
+
+#Verdooft#, 818, _bedwelmd_, _verbijsterd_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Verdoren#, 677, 1636, 2055, 2170, 3055, _begekken_. 1741 is de lezing
+#verdoort#, door GR. in den tekst gebracht, stellig af te keuren. Moet
+men daar ook lezen #becoort#? van #becoren#, _in verzoeking brengen_.
+
+#Vergaen#, impers. met DP., _geschieden_, in de spreekw. #wel#, #te
+scande#, #tonnere vergaen#, 1039, 1267, 1494, 3280. Verg. _Flor._ 168,
+835.
+
+#Vergaen#, 323, _te niet gaan_.
+
+#Vergheten#, met GZ., 2650.
+
+#Vergheven#, 616, 1224, 2661, vooral in den wensch: #vergave God!#
+_geven_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Vergheven#, 378, _afstand van iets doen_. Verg. #Begheven#, en zie
+ZIEMANN op #Vergeben#.
+
+#Vergheven#, met DP. en AZ., 2523, _vergiffenis schenken_.
+
+#Verhanghen#, 3081, _door ophanging ter dood brengen_.
+
+#Verheven#, 1557, praet. van #verheffen#, _opheffen_.
+
+#Verhoeren#, 73, _tot hoer maken_. _Theoph._ 1432.
+
+#Verhoghen#, 3122, _verheugd maken_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Verhelen# (#verhal#, #verholen#), 255, _verzwijgen_, _geheim houden_.
+Vandaar:
+
+#Verholen#, 2151, 2248, 2291, _heimelijk_, _geheim_.
+
+#Verholenlike#, adj. en adv., 891, 1520, 2401, 2406, 3269, _heimelijk_.
+
+#Verhoren#, 534, 2145, _hooren_, _vernemen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Verlanesse#, 2062, samentr. van #verlatenesse#, _vergiffenis_. Verg.
+_Lsp. gloss._ Het ww. #verlaten# in den zin van _kwijtschelden_, MAERL.
+3 Dl., bl. 8.
+
+#Verloos#, 254, praet. van #verliesen#.
+
+#Verloren#, 696, _verloren_, in den zin van _te vergeefs_.
+
+#Verloven#, 1448, eigenl. het tegenovergestelde van #beloven#, dus
+_belooven niet te doen_, en zoo komt het ook voor _Lorr._ II, 2988;
+verg. ook ZIEMANN op #Verloben#. Vandaar _met eede belooven iets niet te
+doen_, _afzweeren_. Zoo is het hier gebezigd, en zoo komt het ook voor
+_Limb._ V, 152.
+
+#Vermalendien#, 490, part. #vermalendijt#, 916, _vervloeken_,
+_verdoemen_. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 175, 229; _Ferg._ 3164; en zie
+_Lsp. gloss._
+
+#Vermanen#, 1979, _verzoeken_, _aanmanen_. Verg. _Lorr. gloss._
+
+#Vermerren#, 1377, _met marren, toeven, laten voorbijgaan_.
+
+#Vermoghen#, 2100, _aan kunnen_, _sterker zijn dan iemand_. _Troj. Orl._
+(_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 18), vs. 1524; _Lorr._ II, 4263.
+
+#Vernemen# (#vernam#, #vernomen#), 520, 711, 911, 978, 1046, 1574, 2362,
+2461, 2549, 3233, _waarnemen (met de oogen)_, _zien_; 3081, 3216,
+_vernemen_, _hooren_.
+
+#Vernoi#, 1279, 1942, 1995, 2886, _verdriet_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Vernoien#, 3, 1370, 1672, _verdrieten_, _leed doen_; 3198 meer in den
+zin van _beangstigen_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 467.
+
+#Veronnen#, 260, _ten kwade duiden_. _Lorr._ I, 2032. Verg. HUYD. op
+_Stoke_, 3 Dl., bl. 310.
+
+#Veronwerden#, 2252, _verachten_. _St. Franc._ 8214.
+
+#Verpinen#, 867, _afmatten_, _tot het uiterste vermoeyen_. Zie _Flor._
+1853.
+
+#Verraden#, 1654, 1746, 2196, 2790, 3095, _arglistig ten val brengen_.
+_Ferg._ 2944. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 312.
+
+#Verre#, 2813, 3355, 3365, 3385, _lang_, _veel_. Verg. KIL.
+
+#Versaden#, 212, _verzadigen_. Verg. #Sat#.
+
+#Versamet#, 57, praet. van #versamen#, _zich verzamelen_. Zie _Lsp.
+gloss._, en verg. _Mnl. Versb._, bl. 132-133.
+
+#Versach#, zie #Versien#.
+
+#Verseren#, 1924, _bedroeven_. Verg. #Sere#.
+
+#Versceden#, trans. 262, _scheiden_, _uit een doen_, _ontwarren_; 880,
+intr. _scheiden_, _weggaan_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Verscroven#, 925, _ellendig_, _gemeen_. Zie _Lsp. gloss._; MAERL. 3
+Dl., bl. 40, vs. 113.
+
+#Versien# (#versach#), 710, 1328, 2124, _zien_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2
+Dl., bl. 104.
+
+#Verslant#, 2308*, praet. van #verslenden#, d. i. _verslinden_. MAERL. 3
+Dl., bl. 223, 233, 312.
+
+#Versoenen#, 3402, _verzoenen_, _vergoeden_. Verg. #Soenen#.
+
+#Verspreken#, 1827, _beschimpen_. _Ferg._ 1030, 4733. Verg. HUYD. op
+_Stoke_, 2 Dl., bl. 491.
+
+#Verspringhen#, 819, _wegspringen_.
+
+#Verstoet#, praet. van #verstaen#, 1900, _vernemen_.
+
+#Verstoten#, 2335, _omverstooten_, _verdrijven_. _Flor._ 1723.
+Gebruikelijker is #Versteken# in dien zin, zie _Lorr. gloss._
+
+#Versuchten#, 990, _zuchten_. _Ferg._ 1360: Si verscoet (dus 't hs.)
+dicke ende _versochte_. Verg. _Flor. gloss._
+
+#Versweren#, 1690, 3154, _afzweren_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl.
+545.
+
+#Verwaten#, 354, 853, 2712, _vervloeken_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl.,
+bl. 231, en _Proeve_, 3 Dl., bl. 91-93.
+
+#Verwendelic#, 1067, _overmoedig_. Zie _Lsp. gloss._ op #Verweenthede#.
+
+#Verwinnen#, 1480, _overwinnen_, _te boven komen_. _Flor._ 816.
+
+#Vete#, 2177, _vijandschap_.
+
+#Vier#, 1237, 1248, _vuur_.
+
+#Vieren#, 1685, _rusten_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 55.
+
+#Vigilie#, 431, 440, 450, _lijkdienst_, „_funeralia, cantus feralis_”
+KIL. _Franc._ 8419, 9312.
+
+#Vinden# (#Raet#), 543, zie #Raet#.
+
+#Vite#, 7, _levensbeschrijving_. Verg. DE JAGERS _Taalk. Mag._, 4 Dl.,
+bl. 75.
+
+#Viwergat#, 1646, _schoorsteen_. Verg. de aant. bl. 61.
+
+#Vleeschsmout#, 379, _vet_.
+
+#Vleghel#, 723, _dorschvlegel_.
+
+#Vlien#, 758, _vlieden_. Zie _Lsp. gloss._ op #Vloe#.
+
+#Vliet#, 827, _vliet_, _vloeyend water_.
+
+#Vloeken#, 856, _vervloeken_, _verwenschen_.
+
+#Vloghel#, 1050, _vleugel_.
+
+#Vlotten#, 831, _in 't water drijven_.
+
+#Voghelijn#, 2571, 3143, _vogeltje_. _Ferg._ 1099, waar in 't hs. de
+tweede _l_ ontbr.
+
+#Vordere#, 679, _de voorste_. Het is eigenl. de compar. van _voor_.
+
+#Vorderhant hebben#, 1792, _in aanzien staan_. MAERL. 3 Dl., bl. 122.
+
+#Voren# (#Te#), 922, 928, _vooraf_ (_zonder dat het u eenige moeite
+heeft gekost_).
+
+#Voren# (#Doen te#), 797, _overtreffen_. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1
+Dl., bl. 33), vs. 2774; bl. 98, vs. 486, 500. #Te voren# in den zin van
+_bij uitnemendheid_, leest men MAERL. 3 Dl., bl. 190.
+
+#Vorst#, 103, 254, _winterkoude_.
+
+#Vorst#, 3131, _bovenste dwarsbalk (van de galg)_.
+
+#Vort#, 1688, _voorts_.
+
+#Vortbringhen#, 1877, 2165, 2204, _voor den dag brengen_, _mededeelen_.
+Zie _Lsp. gloss._ Verg. wegens de samentr. #brincse# _Mnl. Versb._, bl.
+119 vlgg.
+
+#Vortdraghen#, 1343, _doen voortgaan_, _in stand houden_.
+
+#Vortmeer#, 2484, _in 't vervolg_; 380, _nu_. Zie mijn art. over
+_Saren_, enz. in den _Letterb._ van 1845, no. 35.
+
+#Vorwaertmeer#, 376, _voortaan_, _van nu af_. Zie t. l. a. pl.
+
+#Vorttrecken#, 3359, _voor den dag halen_.
+
+#Vorworde#, 2512, _voorwaarde_, _het vooraf bepaalde_.
+
+#Vreischen#, 1582, _vernemen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 264-265.
+
+#Vremt#, 2295, _zonderling_. Verg. _Flor._ 2503, 277.
+
+#Vri#, 1072, 3221, _edel_. Zie V. WIJN op _Heelu_, bl. 159-161.
+
+#Vrihede#, 3437, _privilegie_.
+
+#Vroe#, 2288, _vroeg_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Vro#, 1048, 2260, 2556, 2683, _verblijd_, _verheugd_, _vrolijk_.
+
+#Vrome#, 474, 630, 1074, 2320, _voordeel_, _baat_, _nut_. Zie _Lsp.
+gloss._
+
+#Vromen#, 962, 1841, _baten_, _tot voordeel strekken_.
+
+#Vrouwe#, 297, 831, 1865, _vrouw_, _domina_, eeretitel, even als #heer#
+voor mannen. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 52.
+
+#Vruchten#, 559, 2308*, 3020, _vreezen_, _duchten_.
+
+#Vulsegghen#, 2221, _uitspreken_, _voluit zeggen_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Vulscriven#, 6, _volledig beschreven_.
+
+
+W.
+
+#Wachten#, 2340, _bewaken_, _gadeslaan_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Waen#, in de spreekwijzen: #na minen wane#, 298, 1235, _naar mijne
+meening_; en #sonder waen#, 90, 636, 900, 1096, 1387, 2514, _met
+zekerheid_, _stellig_, gewone verzekeringsformule.
+
+#Waen#, 1199, 2147, _van waar_. Correllativum van #waer#. Zie GRIMM,
+_D.Gr._, 3 Dl., bl. 193 vlgg.
+
+#Waert#, in samenstelling met substantiva, voorafgegaan door te, geeft
+de beweging te kennen naar het voorwerp door het subst. uitgedrukt: #te
+beddewaert#, #te hovewaert#, enz., b. v. 533, 540, 708, 870, 1307, 1321,
+1374, 1686, 2797. In samenstelling met adverbia ontbreekt #te#, als
+#nederwaert#, 890, _naar beneden_.
+
+#Waert hebben#, 1816, _hoogschatten_, _vereeren_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Wale#, adv., 180, 462, 801, 1010, 1078, 3124, _wel_.
+
+#Walsc#, 8, _Fransch_.
+
+#Walschen#, 1461, _Fransch spreken, brabbelen_. Verg. de aant. van HUYD.
+op _Stoke_, 2 Dl., bl. 435.
+
+#Wanen#, 46, 277, 594, 625, 671, 697, 906, 950, 1059, 1104, 1129, 1498,
+1527, 1760, 1822, 2036, 2188, 2327, 3001, _meenen_, _glooven_.
+
+#Wanc#, 1199, _weifeling_, _wankelmoedigheid_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Wanconnen#, met GZ., 1925, _misduiden_, _boos zijn over iets_. _Flor._
+1147, 1168; _Wal._ 5252; _Lanc._ II, 15507.
+
+#Wanconst#, 907, 2524, _toorn_, _vijandschap_. Zie _Lorr. gloss._ Zie
+over de konstruktie der laatste plaats _Lsp. gloss._ op #Vergheven#.
+
+#Wandelinghe#, 2711, 3044, _omgang_. _Lorr._ I, 1977; _Ferg._ 1040.
+
+#Wandren#, 2110, 2721, _loopen_, _verkeeren_. _St. Franc._ 1424; MAERL.
+3 Dl., bl. 235.
+
+#Wareltere#, 2330, _wereltsch (uiterlijk) aanzien_. _Wal._ 8009, 8061;
+_Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 33) vs. 2815.
+
+#Waren# (#Te --#), 603, #twaren#, 370, _voorzeker_.
+
+#Warf#, bij getalsnamen ons _keer_ of _maal_; b.v. 348, 1007.
+
+#Warmhede#, 537, _warmte_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Wart#, praet van #werden#, 107, 818, 1048, 1336, 2112; in 't rijm
+#waert#, 974, 1205.
+
+#Wart#, in de spreekw. #Hi wart toten viere#, 1237, _hij snelde naar het
+vuur_. Verg. #Up werden#.
+
+#Wat#, met G., 943, _welk_. MAERL. 3 Dl., bl. 86. Over de konstr. zie
+_Wal._ 2 Dl., bl. 239. Zoo ook MAERL. 3 Dl., bl. 281, 298.
+
+#Watervar#, 1863 (_zeker dier, maar welk?_)
+
+#Wattan#, 245, 1033, 1296, 2936, _wat dan_, _welnu_. _Limb._ III, 570;
+V, 341; _Velth._ bl. 72; _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 89) vs.
+1281.
+
+#Weden#, 1703, 1711, _weiden_.
+
+#Weder#, 2117, _schaap_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 269.
+
+#Weder#, 708, 1319, 1526, 1731, 2668, _wederom_.
+
+#Weder#, adv., 2662, _tegen_. MAERL. 3 Dl., bl. 255, 256, 264.
+
+#Wederkeer# (#Sonder --#), 2308*, _onveranderlijk_.
+
+#Wederkeer# (#Doen enen#), 1728, 2672, _terugkeeren_.
+
+#Wederlonen#, 492, _vergelden_.
+
+#Wedersegghen#, 2283, _tegenspreken_, _zich verzetten_. _Lsp. gloss._
+
+#Wederscouwen#, 2746 _terugzien_. Verg. #Scouwen#.
+
+#Wedertale# (#Tale ende --#), 1009, _hetgeen over en weêr gezegd wordt_.
+#Wedertale# is _antwoord_.
+
+#Wee worden#, met DP., 3218, _smartelijk aangedaan worden_.
+
+#Wegghe#, 653, 681, _wig_ (_cuneus_).
+
+#Wel sijn#, 195, _in gunst staan_.
+
+#Welgheboren#, 2314, _edel_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 126. Het
+is eigenl. het Fr. _debonnaire_.
+
+#Welpekijn#, 1366, 1430, 3066, 3204, _welpje_. Zie over #welp#,
+CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 56-57.
+
+#Wentelen#, 975, 981, _buitelen_.
+
+#Werelt#. #Al mocht hem al die werelt vromen#, 962, _al mocht hij er
+zooveel baat bij hebben als de wereld groot is_. _Troj. Orl._ (_Ovl.
+Ged._, 1 Dl., bl. 29) vs. 2443.
+
+#Wernen#, 190, _weigeren_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Wers#, _slechter_. #Te wers hem#, 1549, is het Fr. _tant pis pour lui_.
+Verg. _Ferg._ 2360; _Car. El._ 1324. Zie het woord _Lanc._ II, 15394,
+15515; _Lorr._ I, 1117; en verg. _Heim. der Heim._, bl. 329.
+
+#Werwaert#, 1664, _waarheen_, _werwaarts_.
+
+#Wet#, #wit#, 1151, 3362, _godsdienst_. Verg. _Flor._ 195, 243. De
+uitdr. #Bi miere wet#, _bij al wat mij heilig is!_ Verg. HOFFMANN, op
+_Car. El._, bl. 61 in fine.
+
+#Wicht#, 1027, 3385, eigenl. _kind_. Het adj. wijzigt de beteekenis.
+Verg. _Stoke_, 7 B., vs. 59; 10 B., vs. 342; SERRURE, _Vadert. Mus._,
+1 Dl., bl. 68; _Ferg._ 3511.
+
+#Wide#, 294, _wijd_, _alom_; #wide mare#, _wijd beroemd_.
+
+#Wie so#, 769, _wie_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 44.
+
+#Wijf#, 73, 95, 235, enz. _vrouw_, _uxor_.
+
+#Wile#, 815, 863, 975, 1823, _wijl_, _tijdsruimte_. #Die wile#, 842,
+_terwijl_. Verg. _Lsp. gloss._
+
+#Wilen#, adv., 296, 2544; #wilen eer#, 101, _eertijds_, _weleer_.
+
+#Wille# (#Staen te sinen#), zie #Staen#.
+
+#Willecome#, 629, 1073, 3255, _welkom_, eigenl. _welgekomen_.
+
+#Willen#, 583, _zullen_. Verg. de verwisseling in 't Eng.
+
+#Wiltbraet#, 1218, _wild_, het Hd. _Wiltprett_.
+
+#Winnen# (#wan#, #ghewonnen#), 1792, _verwerven_.
+
+#Wise#, _wijze_, in de spreekw. #In eens arems siecs wise#, 1324, die
+beteekent: _met het voorkomen van een armen zieke_. Even zoo gebruikt
+het Oudfransch _En guise de_.
+
+#Wisen# (praet. #wijsde#), 2475, _aanwijzen_.
+
+#Wisen ende leren#, 2076, _onderrichten_. De spreekwijs is zeer gewoon,
+b.v. _Lorr._ I, 1695. Zie voorts CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 8, of _Flor.
+gloss._
+
+#Wisen# (praet. #wijsde#), 167, 1886, _uitwijzen_. Zie _Lsp. gloss._
+
+#Wisse#, 224, _een touw_, _een strop_ (_restis_ KIL.). _Parth._ (ed.
+MASSMANN), bl. 42, vs. 24.
+
+#Woestine#, 503, 508, 2645, _eenzame, onbewoonde plaats_. _Ferg._ 1048.
+
+#Wonderen#, impers. met DP., 2627, #mi wondert#, _het verwondert mij_.
+Zie _Lsp. gloss._
+
+#Wordekijn#, 2219, _woordje_.
+
+#Wouden#, zie #Ghewouden#.
+
+#Wout#, 2090, 2298, 2854, _bosch_, _woud_.
+
+#Wrake#, 1849, _gerechtelijke genoegdoening_, _straf_. Zie ZIEMANN op
+#Rache#.
+
+#Wreet#, 2097, 3017, _moorddadig_, _gebeten op iemand_. _Flor._ 3522.
+
+#Wrochte#, praet. van #werken#, 1338, #bewerkte#, _Ferg._ 1216; de vorm
+#wrochte# schijnt de gewone, zie _Parthen._ 68, vs. 4, en _Lorr._,
+_Lsp._, _Franc. gloss._
+
+#Wroeghen#, 113, 1791, 2231, _beschuldigen_, _aanklagen_; 1209, _bekend
+maken_, _verraden_. Zoo _Lanc._ II, 13294: Hi seide: „Ne _wroeget_ niet
+mi wie ic ben”, waar het Fransch heeft: „ne dites mon non, ne ne feites
+savoir qui je sui.”
+
+
+
+
+VERBETERINGEN EN BIJVOEGSELS.
+
+
+IN DEN TEKST.
+
+ Vs. 113 _bebbe_ lees _hebbe_
+ „ 255 _het_ l. _bet_
+ „ 1126 _eene_ l. _een_
+ „ 1689 l. _Besc. hem soude ghen._
+ „ 1741 _verdoort_ l. _becoort_(?)
+ „ 3141-2 l. _spise: partrise_
+
+
+IN HET GLOSSARIUM.
+
+#Cloet#, 786, 792, _lange stok_, _polsstok_. Zie KIL.
+
+#Colne# (#Van --#) #tote Meie#, 2619. GRIMM zegt, _R. F._, bl. XCII,
+„Scherzhaft wird _örtliche_ und _zeitliche_ bestimmung _gemischt_;
+noch heute hört man in Oberdeutschland „zwischen _pfingsten_ und
+_Strassburg_.” Dieser witzige ausdruck reicht also schon in das
+12 jh. hinauf. „Inter _pascha Remisque_,” _Reinardus_ II, 690;
+„inter _Cluniacum_ et _sancti festa Johannis_ obit”, IV, 970......
+In den Niederlanden: „van _Aken tot paschen_ (TUINMAN, _Spreekw._,
+I, 334); wahrscheinlich ist auch „van _Colne_ tote _Meie_” so zu
+nehmen.”--WILLEMS voert nog de fransche spreekwijs aan: „Cela s'est
+passé entre _Maubeuge_ et la _Pentecôte_.”
+
+#Leie#, 2620, _de rivier de Leye_. De spreekwijs beteekent: „Meent gij
+dat ik u van den weg wil afbrengen, om den tuin leiden?”
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: niet verwonderen zoo nu en dan |
+ | C: niet verwonderen dat zoo nu en dan |
+ | B: gegeven, kunnnen wij overgaan tot |
+ | C: gegeven, kunnen wij overgaan tot |
+ | B: Met de annwijzing der plaatse |
+ | C: Met de aanwijzing der plaatse |
+ | B: hier duideijk het plan |
+ | C: hier duidelijk het plan |
+ | B: laatze b.v. altijd op paarden |
+ | C: laat ze b.v. altijd op paarden |
+ | B: le sujet n'à pas encore |
+ | C: le sujet n'a pas encore |
+ | B: beschuldiging, vs. 125-169, weet ik |
+ | C: beschuldiging, vs. 126-169, weet ik |
+ | B: hem in een »lardier gebracht, |
+ | C: hem in een »lardier” gebracht, |
+ | B: cosin, 1517. |
+ | C: cosin, 1571. |
+ | B: bloeide van 1449-1171, en stierf |
+ | C: bloeide van 1149-1171, en stierf |
+ | B: [22] R. F., pag. CLV. |
+ | C: [22] _R. F._, pag. CLV. |
+ | B: que du XIV siècle.... |
+ | C: que du XIVe siècle.... |
+ | B: Onmogelijk kan _de Alexander_ eerst |
+ | C: Onmogelijk kan de _Alexander_ eerst |
+ | B: Nu laetste springhen ende |
+ | C: Nu laetse springhen ende |
+ | B: Dat hi mi van hem verdreef, |
+ | C: Dat hi mi met van hem verdreef, |
+ | B: waen quam u dese scat? |
+ | C: waen quam u dese scat?” |
+ | B: sechstu mi waer! |
+ | C: sechstu mi waer!” |
+ | B: --»Waer? sprac Reinaert, vraechdi |
+ | C: --»Waer?” sprac Reinaert, »vraechdi |
+ | B: cater_; 138 _Cuwaerde |
+ | C: cater_; 138: _Cuwaerde |
+ | B: Vs. 381: _sine_ |
+ | C: Vs. 281: _sine_ |
+ | B: estes-vos, Tyber li chaz?_ |
+ | C: estes-vos, Tyber li chaz?_” |
+ | B: G. Bruuns, vs. 2468. D. Brune, |
+ | C: G. Bruuns, vs. 2444. D. Brune, |
+ | B: 961, 988, 3390. G. Brunen, |
+ | C: 961, 988, 3391. G. Brunen, |
+ | B: doch zie vs. 2544-4 |
+ | C: doch zie vs. 2544-5 |
+ | B: 2761, 2882. Zie HUYD. op |
+ | C: 2761, 2881. Zie HUYD. op |
+ | B: 2198, 2977, 2313. Het |
+ | C: 2198, 2977, 3213. Het |
+ | B: 540, 1063, 1623, 2240, 2399, |
+ | C: 540, 1063, 1633, 2240, 2399, |
+ | B: 2154, 2573, 2806, 3170, _door_; |
+ | C: 2154, 2573, 2608, 3170, _door_; |
+ | B: K. 52; _Mlnp._ II, 4105. |
+ | C: K. 52; _Mnlp._ II, 4105. |
+ | B: Verg. GRIMM, D. M., bl. 586. |
+ | C: Verg. GRIMM, _D. M._, bl. 586. |
+ | B: #Ghedichte#, 813, adv. _dicht |
+ | C: #Ghedichte#, 812, adv. _dicht |
+ | B: 4227. _Wal._ 2139. 3119, |
+ | C: 4227. _Wal._ 2139, 3119, |
+ | B: _Stoke_ 7 B, vs. 466, en |
+ | C: _Stoke_ 7 B., vs. 466, en |
+ | B: t. l. a p. |
+ | C: t. l. a. p. |
+ | B: #Ghestille#, 25, 1136, |
+ | C: #Ghestille#, 26, 1136, |
+ | B: _stilte_. Ferg. 681, |
+ | C: _stilte_. _Ferg._ 681, |
+ | B: #Gheven een val#, 1631, #enen |
+ | C: #Gheven een val#, 1641, #enen |
+ | B: #Helet#, 615, 1071, 3121, _held_. |
+ | C: #Helet#, 615, 1072, 3221, _held_. |
+ | B: #Henen#, 2246, _van hier_, |
+ | C: #Henen#, 2345, _van hier_, |
+ | B: 1199, 1741, 1926, _hart_. |
+ | C: 1199, 1741, 1925, _hart_. |
+ | B: #Honen#, 78, 176, 217, 488, |
+ | C: #Honen#, 78, 175, 217, 488, |
+ | B: #Hoveschede#, 28, 2238, _beleefdheid_, |
+ | C: #Hoveschede#, 28, 1669, _beleefdheid_, |
+ | B: #Keitijf#, 680, 838, 2785, |
+ | C: #Keitijf#, 640, 838, 2785, |
+ | B: #claerre#, 1145, is de compar., |
+ | C: #claerre#, 1445, is de compar., |
+ | B: 2181, 2232, 2386, _schande_. |
+ | C: 2181, 2232, 2286, _schande_. |
+ | B: _achterlaten_; 1431, _verlaten_. |
+ | C: _achterlaten_; 1432, _verlaten_. |
+ | B: #Lettelkijn#, 2302 |
+ | C: #Lettelkijn#, 3202 |
+ | B: #Lier#, 745, 855, 894, 1352 |
+ | C: #Lier#, 745, 855, 994, 1352 |
+ | B: #mesrocht#, 447 (verg. |
+ | C: #mesrocht#, 747 (verg. |
+ | B: #Moet#, 1041, 1904, 2519, 2596, |
+ | C: #Moet#, 1041, 1904, 2519, 2598, |
+ | B: #Te moede#, 1063, 1785, 2904, |
+ | C: #Te moede#, 1063, 1765, 2904, |
+ | B: harde na#, 1432, _ter harte |
+ | C: harde na#, 1423, _ter harte |
+ | B: #Noot#, 517, 571, 1527, |
+ | C: #Noot#, 517, 570, 1527, |
+ | B: DP., 2827, _noodzakelijk |
+ | C: DP., 2857, _noodzakelijk |
+ | B: #Nu toe#; 833, |
+ | C: #Nu toe#, 833, |
+ | B: 998, 1018, 3030, 3049, _indien_. |
+ | C: 998, 1008, 3030, 3040, _indien_. |
+ | B: #Ombeclaghet#, 3047, _onaangeklaagd_. |
+ | C: #Ombeclaghet#, 3046, _onaangeklaagd_. |
+ | B: 1800, 1810, 2155, 2659, 3039, |
+ | C: 1800, 1810, 2158, 2659, 3039, |
+ | B: #Saen#, 64, 82, 98, 398, |
+ | C: #Saen#, 64, 82, 398, |
+ | B: #Staf#, 789, 1573, 2930, |
+ | C: #Staf#, 789, 1573, 2931, |
+ | B: #swaer doen#, 1040, _verdrieten_. |
+ | C: #swaer doen#, 1041, _verdrieten_. |
+ | B: #Taverne#, 2191, _herberg_. |
+ | C: #Taverne#, 1291, _herberg_. |
+ | B: 1639, 2018, 2021, 2254, 3174, |
+ | C: 1639, 2018, 2022, 2254, 3174, |
+ | B: en #sonder waen#, 99, 636, 900, |
+ | C: en #sonder waen#, 90, 636, 900, |
+ | B: #nederwaert#, 1321, _naar beneden_. |
+ | C: #nederwaert#, 890, _naar beneden_. |
+ | |
+ +---------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Vanden Vos Reinaerde, by Unknown
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VANDEN VOS REINAERDE ***
+
+***** This file should be named 34261-0.txt or 34261-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/4/2/6/34261/
+
+Produced by Clog, Branko Collin, Jason Isbell and the
+marvelous Online Distributed Proofreading Team at <a
+href="https://www.pgdp.net">https://www.pgdp.net</a> for <a
+href="https://www.gutenberg.org">Project Gutenberg</a>;
+celebrating the 19,000th title of Distributed Proofreaders
+and the 500th dutch title at Project Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.