summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/34391-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '34391-8.txt')
-rw-r--r--34391-8.txt4963
1 files changed, 4963 insertions, 0 deletions
diff --git a/34391-8.txt b/34391-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ba08a22
--- /dev/null
+++ b/34391-8.txt
@@ -0,0 +1,4963 @@
+The Project Gutenberg eBook, De vliegende Hollander, by Piet Visser,
+Illustrated by O. Geerling
+
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+
+
+
+Title: De vliegende Hollander
+
+
+Author: Piet Visser
+
+
+
+Release Date: November 21, 2010 [eBook #34391]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+
+***START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VLIEGENDE HOLLANDER***
+
+
+E-text prepared by Branko Collin, Harry Lamé, and the Online Distributed
+Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
+
+
+
+Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
+ file which includes the original illustrations.
+ See 34391-h.htm or 34391-h.zip:
+ (http://www.gutenberg.org/files/34391/34391-h/34391-h.htm)
+ or
+ (http://www.gutenberg.org/files/34391/34391-h.zip)
+
+
+Transcriber's note:
+
+ Duidelijke interpunctiefouten gecorrigeerd.
+
+ Inconsequent gebruik van enkelvoudige/samengestelde/afgebroken
+ woorden in origineel: niet verbeterd, behalve daar waar fouten
+ en/of onduidelijkheden zouden ontstaan (om dat / omdat, onder
+ weg / onderweg, op nieuw / opnieuw, te recht / terecht, op
+ eens / opeens).
+
+ Inconsequent gebruik van accenten: niet veranderd.
+
+ Inconsistenties in Nederlandse namen: gestandaardiseerd naar
+ normaal Nederlands gebruik (Pieter van Halen / kapitein Van
+ Halen). Scheepsnamen: standaard schuin gezet, spelling en
+ hoofdlettergebruik gestandaardiseerd.
+
+ Decimaalpunten veranderd in decimaalkomma's (2e pagina
+ advertenties).
+
+ Inconsequent gebruik van ': niet verbeterd.
+
+ Inconsequent gebruik van komma's na voegwoorden en in
+ samengestelde zinnen: niet verbeterd.
+
+
+
+
+
+[Illustratie]
+
+»DE VLIEGENDE HOLLANDER"
+
+[Illustratie: »Mannen! ik heb besloten, Europa voor goed te
+verlaten..." (Bladz. 98.)]
+
+
+»DE VLIEGENDE HOLLANDER"
+
+DOOR P. VISSER
+
+SCHRIJVER VAN: »HEEMSKERCK OP NOVA
+ZEMBLA," »HET BELEG VAN ALKMAAR,"
+»HEEMSKERCK VOOR GIBRALTAR," E. A.
+
+GEÏLLUSTREERD.
+
+DERDE DRUK.
+
+
+
+
+
+
+ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN
+1918.
+
+BOEKDRUKKERIJ--GEBR. KLUITMAN--ALKMAAR
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+ Hoofdst. Bladz.
+
+ 1. De uitvinding van Schipper Van Halen 7
+
+ 2. De aanslag in 't bosch 26
+
+ 3. Een nieuwe reisgenoot 50
+
+ 4. In ongelegenheid 61
+
+ 5. De eerste tocht 73
+
+ 6. Van Halen neemt een noodlottig besluit 84
+
+ 7. In de haven van Port-Royal 100
+
+ 8. De Boekaniers 121
+
+ 9. »De Vliegende Hollander" 145
+
+ 10. De zeeslag tegen de Spanjaarden 164
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+De uitvinding van Schipper Van Halen.
+
+
+In het begin van de 17de eeuw was de scheepsbouw, en bijgevolg de
+zeevaart, nog niet zoo heel volmaakt.
+
+Enkele knappe mannen onder de zeevarenden hielden zich echter ook toen
+reeds met het verbeteren van den scheepsbouw bezig en trachtten dien zóó
+te wijzigen, dat de vaartuigen meer weerstand kregen, zonder daarom nog
+van hun gemakken iets te verliezen.
+
+Op die wijze kwam een onzer landgenooten, met name Pieter van Halen er
+toe, een vaartuig te bouwen, dat oneindig veel sneller voer dan ieder
+ander schip uit dien tijd. Maar zooals het meer met nieuwe uitvindingen
+gaat, geen mensch gaf hem zijn vertrouwen. Geen matroos, geen stuurman
+wou met zijn nieuw gebouwd vaartuig in zee gaan, ofschoon hij eerst als
+gewoon zeeman en later als een uitmuntend kapitein in de heele Republiek
+een grooten naam had gemaakt.
+
+Pieter van Halen was de zoon van een scheepstimmerman te Rotterdam.
+
+In zijn jeugd had zijn vader hem zijn eigen handwerk geleerd. Hij maakte
+zich de scheepsbouwkunst in alle onderdeelen eigen, voor zoo ver men het
+toen in dat vak gebracht had.
+
+Pieters scherpzinnigheid en nadenkende geest ontdekten al heel gauw, dat
+de kunst van zijn vader, evenals die van andere meesters in het vak,
+enkel rustte op de navolging van oude voorschriften en raadgevingen, die
+men voor doelmatig en nuttig hield en waarvan men, door eigenzinnigheid
+en gedeeltelijk uit traagheid, niet wou afwijken. Ieder schip werd
+volgens dien ouden vorm en die ouderwetsche inrichting gebouwd en
+niemand zou zijn leven en zijn vermogen aan een anders gebouwd vaartuig
+toevertrouwd hebben.
+
+Pieter merkte allerlei gebreken nog duidelijker op, toen hij, na
+volbrachten leertijd, deels uit nieuwsgierigheid, deels omdat hij twist
+met zijn vader over zijn nieuwe denkbeelden gehad had, op een
+Rotterdamsch schip als matroos en scheepstimmerman een reis naar Guinea
+meemaakte. Daar het hem evenwel aan de noodige kennis van wiskunde en
+andere wetenschappen ontbrak, zon hij vergeefs op een middel om het
+erkende kwaad te verhelpen.
+
+Toch wanhoopte hij niet, éénmaal dat middel te vinden. Het stond bij hem
+vast, dat door een anderen vorm aan den romp van het schip te geven en
+door een verstandiger en doelmatiger inrichting van masten, zeil-en
+touwwerk, een allerbelangrijkste verbetering zou te weeg gebracht
+worden. Na zijn terugkomst verliet hij zijn vader en vertrok naar Leiden
+om er in de natuur-en wiskunde te gaan studeeren. Maar hij bezat
+daarvoor niet eens de noodige middelen, want het loon, bij het
+afmonsteren ontvangen, was nauwelijks voldoende om de noodige boeken,
+werktuigen, papier en kleeren te koopen.
+
+De ijverige jonge man wist echter al spoedig iets te vinden, om in dezen
+nood te voorzien. In zijn vrijen tijd maakte hij modellen van schepen in
+'t klein, zooals die toen vrij algemeen tot sieraad op groote
+handelskantoren werden gezien en die er, tot in de minste onderdeelen,
+volkomen als groote zeeschepen uitzagen.
+
+Ze bleken bijzonder in trek zoodat hij herhaaldelijk er eenige in deze
+of gene groote zeeplaats tegen een flinken prijs van de hand wist te
+doen en dan weer een poosje onbekommerd kon leven.
+
+Terwijl hij nu met ijzeren volharding zijn studiën voortzette, trachtte
+hij met behulp van de verkregen kundigheden de gebreken nader te
+onderzoeken van het handwerk, dat hem geleerd was. Eerst nù pas ging hem
+een licht op voor zijn geest en volle zes jaren bracht hij onder
+gestadige werkzaamheid, in nadenken en onderzoek door.
+
+Langzamerhand stelde hij het model van een zeeschip samen, voor welks
+vorm hij gebruik gemaakt had van alle hulpmiddelen, waarover hij, door
+zijn vroeger beroep en zijn later verworvene kundigheden kon beschikken.
+
+Hij bestudeerde zelfs den lichaamsbouw van verscheidene zeedieren, om
+daaruit nuttige leering te trekken; ja, men wil, dat hij bepaaldelijk
+het lichaam van den snoek tot voorbeeld zou genomen hebben bij het
+bouwen van zijn schip. Hij zou namelijk zijn metingen, waarnemingen en
+uitkomsten, betrekkelijk den bouw van dezen visch in dezelfde verhouding
+op een grooteren vorm toegepast hebben. Hóe hij dit alles gedaan heeft,
+heeft hij niemand gezegd, maar bij de uitvoering van het model in het
+groot, had hij nauwkeurig iedere kleinigheid opgegeven en met
+gestrengheid op een zorgvuldige uitvoering aangedrongen.
+
+Het ontbrak onzen Van Halen echter nu nog aan het voornaamste, om
+volgens zijn model een goed vaartuig te bouwen, namelijk aan geld.
+
+Ook dit evenwel hoopte de ondernemende jonkman zich te verschaffen. Als
+hij maar dezen of genen rijken koopman kon overtuigen van het nuttige en
+doelmatige zijner uitvinding, zoo meende hij, dan zou er op eenige
+duizenden niet gezien worden.
+
+In het begin paste hij er zorgvuldig op, dat niemand iets van zijn model
+met de plannen tot uitvoering, schetsen, teekeningen en alle mogelijke
+becijferingen te zien kreeg. Alleen vertelde hij, dat hij een schip van
+nieuw fatsoen wou bouwen, hetwelk in half den tijd en met een derde deel
+van de gewone bemanning een reis kon afleggen en dat toch even veel, zoo
+niet méér laden kon dan een gewone Oost-Indievaarder.
+
+Maar overal waar hij dit vertelde, noemden zij hem een geestverdrijver,
+een gek, en in plaats van naar hem te luisteren en de gewenschte
+ondersteuning te geven, kreeg hij enkel spot en verachting.
+
+Op dié manier kon het dus niet gaan, dat zag hij zelf wel.
+
+Nu wou hij de menschen door zijn berekeningen overtuigen en bewijzen wat
+hij zei, door zijn ontworpen plannen en schetsen te laten zien.
+
+Dit was een gevaarlijk oogenblik in het leven van Pieter van Halen, want
+als maar één vernuftig en ondernemend man van zijn argelooze
+mededeelingen misbruik had willen maken, zou voor hem het resultaat van
+zijn jarenlang werken en nadenken in eens verloren zijn geweest. Maar
+geen enkel koopman deed zich op en de scheepsbouwmeesters, van wie men
+het oordeel over zijn ontwerpen had ingewonnen, schimpten zelfs nog
+erger op hem en zijn zaak dan de kooplui en--niet één wou er zich mee
+inlaten.
+
+Van Halen werd nu wel niet bepaald moedeloos, maar de lust verging hem
+toch, om aan iemand verder zijn uitvinding mee te deelen.
+
+Het liep hem echter niet heelemáál tegen in de wereld.
+
+Een rijk Amsterdammer had hem leeren kennen en bood hem een plaats als
+kapitein, of schipper, zooals men toen zei, op een van zijn
+koopvaardijschepen aan. Hij maakte er evenwel de voorwaarde bij, dat Van
+Halen zich op zee niet met zijn nieuwe denkbeelden zou inlaten, maar
+zich met allen ijver van zijn taak als schipper zou kwijten. Deze
+beloofde dat, maar 's nachts smokkelde hij zijn model en al zijn
+gereedschap binnen boord en al heel spoedig daarop ging hij naar
+Oost-Indië onder zeil.
+
+Voor zoo'n bekwaam man hield het besturen van een schip niet veel
+moeielijkheden in. Aan de kaap De Goede Hoop reeds schreef de »comys"[A]
+den reeder een brief vol lof over den nieuwen schipper en verklaarde,
+dat zijn patroon geen gelukkiger keus had kunnen doen.
+
+[A] Cargadoor, koopman op een koopvaardijschip, die den verkoop der
+goederen bezorgt.
+
+Van Halen nam gedurende de reis niet alleen de proef op verscheidene van
+zijn stellingen, maar hij deed ook ondervinding en nieuwe kundigheden
+op.
+
+Een man, zoo scherpzinnig als hij, ontdekte al heel gauw het nadeel, dat
+de toenmalige wijze van handel drijven had en hij was op allerlei
+middelen bedacht om ook hierin verbetering te brengen.
+
+Pijnlijk ook deed het hem aan, gedurende de reis de ellende te zien van
+zoo'n groot aantal manschappen, in de enge ruimte van een gebrekkig
+ingericht vaartuig opgesloten.
+
+O, _zijn_ schip, _zijn_ arbeid en denken, zou eenmaal in dat alles
+verandering brengen! In de Godsdienstige stemming, waarin Pieter van
+Halen toenmaals leefde begon hij zijn werk van lieverlede te beschouwen
+als door God hem ingegeven, om er het leven van honderden, ja duizenden
+door te redden, dat tot nog toe nutteloos verspild werd. Onwrikbaarder
+dan ooit stond het nu bij hem vast, dat hij alles moest aanwenden, om
+zijn plannen ten uitvoer te brengen.
+
+Hij bespoedigde de vaart van zijn schip zooveel hij maar kon, het geluk
+was hem mee, en zoo had hij de zeldzame voldoening, reeds na een tocht
+van tien maanden, voor de reê van Jacatra, het latere Batavia, het anker
+te kunnen werpen.
+
+Door die buitengewoon voorspoedige reis was de cargadoor in staat
+allervoordeeligste zaken te doen en na een verblijf van maar negen weken
+in Oost-Indië konden zij de terugreis al weer beginnen. Ook deze ging
+niet minder voorspoedig, tot dat ze in de nabijheid van de Hollandsche
+kust kwamen. Het was in den herfst en dus in een tijd dat storm en
+springvloeden samen werken, om het voor de scheepvaart dubbel gevaarlijk
+te maken. Maar als zeeman scheen Van Halen gelukkiger dan als uitvinder
+en ondanks storm en dwarrelwinden wierp hij, zonder averij gekregen te
+hebben, het anker voor Tessel, na een reis van twintig maanden.
+
+Deze tocht baarde groot opzien en bracht den reeder een viervoudige
+winst aan. Bovendien was Van Halen in de gelegenheid geweest,
+aanmerkelijke verbeteringen aan zijn uitvinding toe te voegen. Hij had
+namelijk eenige Oost-Indische booten gezien die zoo snel zeilden, dat
+zij in vlugheid de tegenwoordige stoombooten zelfs overtroffen. Bouw en
+inrichting van die vaartuigen met al hun zeil- en touwwerk, waren door
+hem bestudeerd en het resultaat van die studie was zeer aan zijn
+uitvinding ten goede gekomen. Toen eindelijk het schip gelost was, werd
+Van Halen verzocht op het kantoor te komen om er zijn loon in ontvangst
+te nemen. Er lag vóór hem drie duizend gulden in blinkende, Hollandsche
+dukaten. In gedachten bekeek hij het geld. Zou het voor de uitvoering
+van zijn plannen wel voldoende zijn? Met weemoed moest hij erkennen, dat
+de ijverige werkzaamheid van bijkans twee gevaarvolle jaren hem maar een
+klein, klein beetje dichter tot zijn doel had gebracht.
+
+De koopman zag Van Halen met bevreemding aan. Hij dacht, dat deze niet
+tevreden was met de betaalde som.
+
+»Ja, hoor eens schipper," zei hij daarom, »voor dezen keer blijft het
+bij het bedongen loon; maar in het vervolg zal ik je bij elke reis wel
+zóó veel geven, dat je tevreden wezen zult."
+
+De schipper hoorde het niet.
+
+»Het is nog niet half genoeg!" zei hij, als in een droom.
+
+»Wat? Nog niet half genoeg!" riep de koopman verschrikt, want aan den
+eenen kant zou hij den man niet graag uit zijn dienst zien gaan, maar
+anderzijds had hij ook weinig lust, om het loon tot het dubbele te
+verhoogen.
+
+»Nee, ik moet nog veel meer verdienen," zei Van Halen nog altijd in
+gedachten.
+
+»Maar hoeveel wil je dan hebben?" vroeg de reeder. »Ik ben niet
+ongenegen je meer te geven, omdat je een bruikbaar man bent."
+
+Intusschen was Van Halen weer tot de werkelijkheid teruggekeerd. Hij kon
+zich maar niet begrijpen, waarom hem uit eigen beweging verhooging van
+loon werd aangeboden. Daarom vroeg hij, wat de reeder daarmee bedoelde.
+
+»Wel," was het antwoord, »je zegt dat het niet genoeg is, wat ik je voor
+de laatste reis heb uitbetaald. Maar ik zou je, als 't kan, toch wel in
+mijn dienst willen houden. Zeg dus ronduit hoeveel loon je verlangt, dan
+zullen we de zaak zien te schikken."
+
+Op dit oogenblik kwam juist de cargadoor binnen, die heel veel met
+schipper Van Halen op had. Hij had toevallig de laatste woorden van den
+patroon gehoord en gaf den schipper een knipoogje om hem te beduiden,
+dat hij maar stoutmoedig vragen moest. De man was echter veel te
+bescheiden en ook te onpraktisch, om hiermee zijn voordeel te doen. Hij
+zweeg dus en wist niet, wat hij antwoorden zou.
+
+Maar juist door dat stilzwijgen werd de reeder nog meer in zijn
+vermoeden versterkt, dat de schipper met alle geweld uit zijn dienst wou
+gaan. Dit maakte hem evenwel hoe langer hoe onverzettelijker, in zijn
+begeerte om hem bij zich te houden.
+
+»Probeer jij toch eens, of jij dien stijfkop niet overreden kunt," zei
+hij daarom tegen den cargadoor, »hij wil met alle geweld wegloopen. Een
+ander heeft hem zeker meer geboden. Maar wat een ànder doen kan, dat kan
+ik wel dubbel. Ik wil hem zes duizend gulden voor de reis geven, als hij
+blijft en behalve dat nog het zesde gedeelte van de zuivere winst. Daar
+kan hij, geloof ik, toch tevreden mee zijn, zelfs al diende hij bij den
+duivel!"
+
+»Ja, dat geloof ik óók!" zei de cargadoor, Van Halen's hand in die van
+den reeder leggend. Toen maakte hij oogenblikkelijk een contract op, dat
+door den reeder onderteekend werd. Ook Van Halen onderteekende, maar
+heelemaal werktuigelijk; de cargadoor zette er, als getuige, toen óók
+zijn naam nog onder en zóó kreeg onze schipper door een misverstand het
+vooruitzicht, om binnen een jaar een welgesteld man te wezen. Maar eerst
+toen hij met den cargadoor het kantoor verlaten had, werd de zaak hem
+volkomen duidelijk en dankbaar schudde hij zijn vriend de hand die zoo
+goed voor zijn belangen gezorgd had.
+
+Van Halen had thans allerlei wenschen.
+
+Nu het schip toch afgetakeld en hersteld moest worden, verzocht hij den
+reeder, om enkele wezenlijk nuttige veranderingen in het geheel te
+maken. Maar jawel, hier ondervond hij al dadelijk een hardnekkigen
+tegenstand! Wél liet de patroon dadelijk een scheepstimmerman halen, om
+met den schipper over de voorgestelde veranderingen te spreken, maar de
+baas, die het al vroeger met Van Halen, naar aanleiding van diens
+uitvindingsplannen, aan de stok had gehad, wilde ook nu van al die
+nieuwigheden niemendal weten.
+
+»Maar beste vriend, je begrijpt den schipper geloof ik niet," zei de
+cargadoor. »_Zus_ wil hij het hebben en _zoo_ zou hij dát graag zien!"
+en nu herhaalde hij precies hetzelfde, wat de kapitein al beweerd had,
+maar liet den man ongemerkt een paar goudstukken in de hand
+glijden.--Nu, dat hielp!
+
+»Ah zóó, schipper, was dàt uw bedoeling? Zeker, zeker, dat kan bést,
+héél bést, hoor! En dat andere zóó? Nee maar, dat lijkt me een prachtige
+verbetering zelfs toe!" Kortom, het scheen, dat den scheepstimmerman
+opeens een heel ander licht over de zaak was opgegaan en de schipper
+behoefde zich verder »heusch niet ongerust te maken: alles zou precies
+volgens _zijn_ opgaven veranderd en verbeterd worden. Dáár kon hij op
+rekenen!"
+
+»Maar schipper," vroeg de reeder toen de timmerman weg was, »heb je dan
+je plannen voor een nieuwen scheepsbouw nòg al niet opgegeven?"
+
+»Hoe zou ik het kunnen?" zei Van Halen langzaam en ernstig; »dan had ik
+immers zélf getoond, dat ze niets waard waren?"
+
+»Hoor eens, schipper," antwoordde de koopman, »je bent een knap
+gezagvoerder, maar, neem me niet kwalijk, als scheepsbouwmeester deug je
+niemendal! Neem dus een goeie raad van me aan...."
+
+»En die is?"
+
+»Zet al die geleerdheid uit je hoofd; leef alléén voor je beroep, en als
+je nog een paar reizen gedaan hebt als de éérste, dan ben je een rijk
+man."
+
+»Ja, dat _is_ zoo en dan...."
+
+»Welnu, en dan?..." vroeg de reeder verrast.
+
+»Dan ga ik mijn denkbeelden verwezenlijken, bouw volgens mijn _eigen_
+ontwerpen een schip en steek er mee in zee, zoo waar als ik Pieter van
+Halen heet!"
+
+»God zij je genadig en ieder, die met je mee mocht gaan. Ik gaf geen
+gulden voor het leven van jullie allemaal!"
+
+Van Halen glimlachte en ging heen, vast overtuigd, dat men later wel
+eens anders over zijn uitvinding zou oordeelen.
+
+Wat zijn tweede reis aanbelangt, die was nog voorspoediger dan de
+eerste; hij werd beroemd door de geheele Republiek en zelfs de hooge
+regeering deed hem de schitterendste aanbiedingen, wanneer hij maar in
+'s lands dienst wilde overgaan. Doch ja, dan had hij zijn plannen moeten
+opgeven, en dát, neen, dàt nooit!
+
+Als commandeur van twee schepen ondernam de kloeke zeeman weldra een
+derden tocht naar Oost-Indië. Daar aangekomen kreeg hij vervolgens het
+opperbevel bij een tocht naar China en Japan.
+
+Na twee en een half jaar keerde hij weer naar Holland terug en, in
+weerwil dat wij met Spanje in oorlog waren, kwam hij met rijk beladen
+schepen behouden en wel in Amsterdam binnen.
+
+Zijn naam als zeeman was door dezen tocht nog grooter geworden dan
+vroeger, zoowel door de Oost-Indische Compagnie, als van regeeringswege
+werden hem opnieuw de schitterendste aanbiedingen gedaan. Maar, niets
+mocht baten. Hij verliet den dienst van zijn reeder, die door hem groote
+sommen verdiend had, en ging van Amsterdam naar Vlissingen, om er zich
+geheel aan zijn uitvinding te wijden.
+
+Hij richtte een werf op en nam bekwame timmerlieden in zijn dienst, die
+hij zelf onderrichtte, hoe hij het schip gebouwd wilde hebben. Ofschoon
+verwonderd over den vreemden vorm van het nieuwe vaartuig, werkten die
+mannen er toch met ijver en opgewektheid aan, omdat zij nog nooit zoo
+goed betaald waren.
+
+Van Halen was er zorgvuldig op bedacht, dat alles nauwkeurig en goed
+werd bewerkt. Geen plank, geen stuk hout, ja zelfs geen spijker werd aan
+het schip gebruikt, die niet van te voren door hem in orde was bevonden.
+
+Zoo ontstond langzamerhand een vaartuig, waar geen enkel ander schip uit
+die dagen in fraaiheid van vorm mee vergeleken kon worden. Maar ieder
+bekeek het met wantrouwen en vooroordeel. Zoo'n lagen, spitsen romp en
+vooral zoo'n vreemde kiel hadden ze nog nooit gezien! En dan zoo
+heelemaal zwart met alleen maar zoo'n witte streep!--dat alles had zulk
+een ernstig aanzien, dat de nieuwsgierige zeelui het vreemde vaartuig
+»_De Doodkist_" noemden.
+
+Eindelijk was alles gereed en zou het schip van stapel loopen.
+
+Geen mensch echter durfde zich op het dek te wagen dan hij zelf en de
+weinige matrozen die hij ten laatste voor een goede belooning had weten
+te bewegen, hem behulpzaam te zijn.
+
+Maar toen het fraaie vaartuig onder een vreeselijk schuimen en spatten
+te water liep, behaalde hij al een halve overwinning. Want even diep als
+de voorsteven in de golven dook, even krachtig verhief het schip zich
+weer en gleed toen vogelsnel over het kalme water heen.
+
+Van Halen's gezicht stráálde van geluk, want nu wist hij, dat zijn
+berekeningen juist waren geweest.
+
+Binnen veertien dagen lag het schip opgetakeld en van al het noodige
+voorzien, ten anker. Nu nog matrozen aangemonsterd, en alles was in
+orde. Maar ofschoon hij daartoe zelf de taveernes bezocht, waar hij wist
+dat zeelui kwamen en een dubbele gage aanbood, geen enkel zeeman wou
+zich op »_die Doodkist_" wagen. Nu had Van Halen het vaartuig zelf wel
+een mooier naam gegeven en het »_De Vlugge Christina_" gedoopt, maar bij
+al de kustbewoners was het niettemin onder den somberen naam van »_De
+Doodkist_" bekend en berucht.
+
+Op zekeren dag toen hij, na reeds in drie zeemansherbergen vruchtelooze
+pogingen aangewend te hebben, de vierde taveerne binnentrad, hoorde hij
+opeens uitroepen: »Wel heb ik van z'n leven! Kees! Klaas! Gerrit! Zeg,
+is dat schipper Van Halen niet!"
+
+Van Halen keek verrast op en zag nu aan een van de verste tafeltjes vier
+van zijn vroegere matrozen zitten.
+
+Dadelijk ging hij er naar toe met een vroolijk: »Zoo jongens, hoe maak
+jullie het?" en schudde ze hartelijk de hand.
+
+»Patent schipper!" nam Kees voor allen het woord.
+
+»We hebben het nog zoo vaak over u gehad, niet waar maats?" zei Gerrit.
+»Maar we dachten dat u al lang in een deftig huis op de Keizersgracht
+woonde en van eenvoudige matrozen wel niet meer weten wou."
+
+»Integendeel, de matrozen willen niets meer van _mij_ weten naar het
+schijnt."
+
+»Ei kom, schipper, nu spot u een beetje!"
+
+»Nee, warempel niet! Het is de zuivere waarheid. Al een week lang loop
+ik de eene taveerne in, de andere uit, om volk aan te monsteren voor het
+nieuwe vaartuig, dat ik gebouwd heb. Maar geen mensch heeft lust om met
+mij in zee te gaan, ofschoon ik tweemaal zooveel gage geven wil als een
+ander."
+
+»Hoe is het mogelijk! Dubbel loon! Een nieuw schip! En welk vaartuig
+_is_ het? Misschien hebben wij het wel al gezien!"
+
+»_De Vlugge Christina_!"
+
+»_De Doodkist_!" riepen allen verbaasd.
+
+»Ja, neem ons niet kwalijk schipper," nam Kees het woord, »maar zóó
+noemen ze het ding hier allemaal."
+
+»Jawel, ik weet het, jongens! Van kwalijk nemen is dus volstrekt geen
+sprake. Maar _jullie_ kent me. _Jullie_ zult er dus toch zeker niet op
+tegen hebben, om aanstonds het vaartuig eens met me te bekijken."
+
+»Nou schipper, 't is wel omdat u het bent," zei Gerrit, »maar een ànder
+kreeg mij er niet aan boord, zelfs voor geen twee realen van achten!"
+
+Ook de overige drie verklaarden, dat ze, uit oude betrekking tot Van
+Halen, wel eens mee wilden, maar dat een vréémde ze voor geen geld aan
+dek gekregen had.
+
+De vier matrozen verlieten nu met hun vroegeren schipper de herberg en
+een kwartier later waren zij aan boord van »_De Vlugge Christina_."
+
+Van Halen liet hun alles zien, legde het voordeel van den vreemden bouw
+en van iedere nieuwigheid uit en eindelijk slaagde hij er in, het
+viertal voor een zeereis aan te monsteren.
+
+»Weet je wàt, jongens," zei hij nu, »ik heb al genoeg ondervonden, dat
+geen enkel Hollandsch matroos, die mij niet kent, in mijn dienst wil
+komen. Doe jullie dus nu eens je best, dat ieder van je vijf matrozen
+aanwerft. Hier heb je geld, reis daarvoor naar Amsterdam en andere
+zeeplaatsen, en kom binnen een paar weken den uitslag van je pogingen
+meedeelen."
+
+Zoo werd nu afgesproken. Een stuurman dacht Van Halen zelf wel te
+vinden, maar toen ook voor _die_ betrekking na veel moeite zich niemand
+ter beschikking wilde stellen, besloot hij, bij zijn bloedverwanten eens
+rond te zien. Misschien zou er wel een zoon van een zijner beide ooms
+lust hebben, dacht hij, om onder _zijn_ leiding de stuurmanskunst te
+leeren.
+
+Hij reisde dus naar Rotterdam.
+
+Zeventien jaren was hij uit het ouderlijke huis vandaan geweest; nu kwam
+hij er terug als een bezadigd, bijna onbekend, vermogend man.
+
+Zijn vader was nog in leven, maar met de lichaamskrachten waren ook de
+geestvermogens van den grijsaard afgenomen. Hij was blij over zijn
+knappen zoon, maar lachte onverschillig over diens daden en voornemens.
+Pieter vond hier alles in welstand, maar hij voelde zich thuis als een
+vreemde.
+
+De beide zoons van zijn oom Casper bleken gestorven, en omtrent zijn oom
+Boudewijn vernam hij, dat die met zoon en dochter sinds jaren naar het
+Noord-Brabantsche dorpje Oosterhout vertrokken was. Pieter besloot nu,
+daar heen te gaan, om zijn oom op te zoeken. Hij kocht een paar
+pistolen,--want de wegen, vooral in Noord-Brabant waren destijds heel
+onveilig,--en ging reeds den anderen morgen op reis.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+De aanslag in 't bosch.
+
+
+Het reizen in de 17e eeuw was alles behalve gemakkelijk en Van Halen was
+dus doodmoe, toen hij, pas tegen den avond van den tweeden dag, behouden
+in Oosterhout aankwam. Hier informeerde hij dadelijk naar Boudewijn Van
+Halen, zonder er bij te zeggen, dat dit een bloedverwant van hem was.
+
+»O, die vrek?" zei er een, »die woont hier al lang niet meer."
+
+»Vrek?" riep een ander, »de chirurgijn is zoo arm als Job!"
+
+»'t Mocht wat!" liet weer een derde zich hooren. »De man is het dorp
+uitgegaan juist omdat hij bang was, met al zijn geld onder de menschen
+te wonen!"
+
+»Maar waar woont hij dan _nu_?" vroeg Van Halen, die door al die
+tegenstrijdige berichten niet veel verder kwam.
+
+»O, als u dezen weg in slaat," zei een van de boeren, »dan bent u er in
+een uur."
+
+»Dank je!" en onze schipper liep al weer door, in de hoop het huis van
+zijn oom nog vóór het heelemaal donker was te bereiken.
+
+»Maar denk er om, sinjeur! het bosch is bij avond niet pluis!" riep de
+boer hem nog achterna.
+
+Doch Van Halen hoorde het al niet meer.
+
+In weerwil van zijn vermoeidheid stapte hij stevig door, om toch maar
+zoo gauw mogelijk aan het doel van zijn tocht te zijn. Vreemd kwam het
+hem voor hoe zijn oom, die toch chirurgijn was, er toe komen kon, om zoo
+eenzaam te wonen. Zouden die boeren toch waarheid gesproken hebben? Zou
+de man werkelijk zoo'n gierigaard zijn? Maar ja, nu herinnerde hij zich
+toch ook wel, van jaren geleden, dat oom Boudewijn onder de overige
+bloedverwanten wel eens van schraapzucht beschuldigd werd. En dan, had
+hij niet eergisteren nog gehoord, dat oom naar elders was gegaan omdat
+hij te duur was, waardoor hij het in Rotterdam niet langer houden kon?
+Gaandeweg werd hem nu alles duidelijk: Oom Boudewijn was alzoo een vrek!
+Hoe zou de ontvangst dus wel zijn? Hij stelde er zich weinig goeds van
+voor. En toch, hij had honger als een paard! Het begon hem al te
+berouwen, dat hij maar niet tot den volgenden morgen in Oosterhout
+gebleven was. Te meer, omdat hij bij iederen voetstap al sterker zijn
+vermoeidheid voelde. Het liep dan ook verbazend zwaar in het mulle zand.
+Zou er geen herberg aan den weg zijn? Dan moest hij daar maar
+overnachten. Maar neen, niets dan bosch aan weerskanten, en nu had hij
+toch mogelijk al een half uur geloopen.
+
+Maar zie, toen hij zijn hoop reeds had opgegeven, zag hij opeens aan de
+linkerzijde van den weg een huis tusschen de boomen. En waarlijk, een
+houten voerbak er vóór! 't Was dus een herberg!
+
+Van Halen stapte zonder eenig aarzelen naar binnen. De zon was inmiddels
+sedert eenigen tijd ondergegaan, maar in de gelagkamer was toch nog geen
+licht op. Er heerschte dus een zware schemering, maar de schipper kon
+bij het raam niettemin den omtrek van een vrouwenfiguur onderscheiden.
+
+»Goeden avond, moedertje! Kan ik hier ook logies bekomen voor den
+nacht?"
+
+»Zeker, zeker, sinjeur! Maar laat ik gauw even licht maken! Ik zat wat
+te schemeren, weet u!" riep de vrouw met een schelle stem.--»Zie zoo,
+dat is al weer afgeloopen!" en met die woorden nam ze haar plaats weer
+in.
+
+Van Halen had nu alle gelegenheid, haar eens goed op te nemen. 't Was
+een lomp, grof vrouwmensch met kleine loerende oogjes en een brutalen
+neus, die vinnig naar beneden boog. De haren hingen haar slordig in het
+gezicht en ook haar kleeding was verre van zindelijk. In den breeden,
+eenigszins scheeven mond hield zij een tabakspijp geklemd[B] en een kan
+bier stond vóór haar, waarmee ze onder het praten voortdurend haar
+dorstig keelgat besproeide.
+
+[B] In de 17e eeuw was het tabaksrooken door boerinnen niet vreemd.
+
+De kennismaking viel dus niet mee en Van Halen voorspelde zich, naar de
+waardin te oordeelen, een alles behalve schitterend nachtverblijf. Het
+vertrek zelf zag er tamelijk zindelijk uit en dat stelde hem wel weer
+eenigszins gerust.
+
+Intusschen had ook de waardin haar gast opgenomen en zich met een
+oogopslag overtuigd, dat zij met een welgesteld, zoo niet een rijk man
+te doen had. In plaats van »sinjeur" werd het nu »Edele Heer" vóór en
+»Edele Heer" na. Een titel dien Van Halen begreep, dat hem op het
+dubbele van de verteringskosten zou komen te staan.
+
+»En nu verlangt de Edele Heer zeker een fijne kan wijn? Nu, die zou de
+Edele Heer nergens in de buurt zoo goed als bij Griet Kals kunnen
+drinken. Of lamscoteletten? Er zijn er niet beter! Of een eieromelet bij
+geval?" snaterde het schel sprekend wijf in één adem door.
+
+»Neen, bezorg me maar wat brood met koud vleesch en een kan bier."
+
+»Nou, zooals de Edele Heer verkiest. Bij Griet Kals is voor geld en
+goede woorden van alles te krijgen."
+
+Juist had Van Halen een en ander besteld, toen er vier kerels van een
+allerongunstigst uitzicht binnenkwamen, die op luidruchtige wijze een
+kan _Haarlemsch_ bestelden.
+
+»Ja, ja! heb maar geduld en houdt jullie je leelijke gezichten een
+beetje! Eerst mot deze Edele Heer geholpen worden!"
+
+Onze schipper had weinig lust, om met dit ruwe viertal in aanraking te
+komen. Hij zei dus aan de waardin dat hij moe was en naar zijn kamer
+wilde. Zij moest hem het bestelde dáár dus maar brengen.
+
+De vier schelmen--want dat het weggejaagde soldaten waren stond bij hem
+vast--keken Van Halen onder het heengaan na met blikken, waarin voor hem
+weinig goeds te lezen stond. Onze vriend bekommerde zich daar echter
+niet om. Hij was een moedig man en vertrouwde op de kracht van zijn
+vuisten en op zijn pistolen, wanneer het er op aankwam.
+
+Het vertrekje, dat hem tot logies was aangewezen, viel hem niet tegen,
+maar doordat het vlak boven de gelagkamer was, had hij het lawaai en
+gezwets daar beneden, uit de eerste hand.
+
+Maar hij had honger en was zóó geheel met zijn gedachten bij zijn
+avondmaal, dat hij op die herrie in 't begin al heel weinig acht sloeg.
+
+Hij had echter zijn genoegen niet, of het begon hem geweldig te
+hinderen. En, zooals het gewoonlijk gaat, hoe minder men iets wil
+hooren, zooveel te méér hoort men het juist. Zoo ging het ook met hem.
+
+»Griet, nòg een kan!"
+
+»Wat duivel wijf, wat laat je ons een dorst lijden!"
+
+»Griet, moet het nog gebrouwen worden?"
+
+»Te deksel Griet, doe de kannen nog 'ereis vol!"
+
+»Ja, ja!" riep het wijf met haar snijdende stem, »jullie hebt dorst
+genoeg: dat weten we wel! Maar betaal me eerst 'ereis, voor jullie weer
+zoo'n keel opzet!"
+
+»Betalen, mensch! betalen? Ja, betaal maar, als er niemendal te
+verdienen valt!"
+
+»Ja, maar moet _ik_ dat lijden? In hoeveel tijd heb ik nu al geen duit
+van jullie in mijn knuisten gehad?"
+
+»Nu ja, dat _is_ zoo, maar vul jij gerust de kannen. Als het méé loopt
+heb je van ávond je duiten nog, met een goeie fooi op den koop toe.
+Luister maar...."
+
+Hier sloeg het gesprek opeens in een gedempten toon over. Dat kwam Van
+Halen verdacht voor. Hij legde dus het oor tegen een naad van den vloer,
+waardoor hem, ook van hetgeen er volgde, geen woord ontsnapte.
+
+»Zeg, Griet Kals, geloof jij ook niet, dat het een vette vogel is, dien
+je daar boven in de kooi hebt zitten?"
+
+Van Halen werd nu nog opmerkzamer, want dit sloeg blijkbaar op hem zelf.
+
+»En wat zoú dat?" vroeg de waardin.
+
+»Wat dat zoú? Eén klein stootje maar en--we betalen je dubbel en dwars
+wat we je schuldig zijn."
+
+»Nee, waarachtig niet! In het bosch doe jelui voor mijn part wat je
+wilt. Maar in _mijn_ huis zal je het laten. Ik heb jullie dat al méér
+gezeid. Aan de justitie heb ik nu eenmaal een broertje dood."
+
+»Nou, zooals je wilt. Ik kan het niet helpen, dat je zoo heelemaal tegen
+je eigen belangen bent. Maar we hadden eigenlijk ook al een ander plan
+beraamd."
+
+»En dat _is_?"
+
+»We willen van avond een aanslag op het huis van den ouden chirurgijn
+doen."
+
+»Die kale rot? Nou, als het van _dien_ kant komen moet, dan zal ik óók
+lang naar mijn geld kunnen fluiten! De muizen liggen er dood voor de
+spinde, wil ik wedden. Nee, mannen, Griet Kals is wel erg dom, maar dáár
+geeft ze geen crediet op, hoor!"
+
+»Hoor'reis Griet," liet nu een van de anderen zich hooren, »je weet er
+krek niemendal van. Ik weet zéker dat de ouwe schelm duiten heeft en
+geen klein beetje ook."
+
+»Och kom!" zei de waardin ongeloovig.
+
+»Maar mijn lieve mensch, viel een derde in, dat kàn wel niet anders. Hij
+is in zijn vak een verduiveld knappe vent. En nu mag hij in Oosterhout
+niet veel te doen hebben, van Geertruidenberg en Breda en uren ver in
+den omtrek wordt hij bij rijke zieken gehaald om zijn buitengewone
+bekwaamheid. En je wéét, dat hij de menschen betalen laat. Welnu, waar
+_blijft_ dan dat geld? Aan zijn kleeren besteedt hij het toch zeker
+_niet_!"
+
+»Nee, ik heb den gierigen schrok nog nooit anders gezien, dan in
+denzelfden verschoten rok en broek van omgekeerd leer."
+
+»Ja, en dat leer is in den loop van de jaren door den regen zóó hard
+geworden," spotte de vierde, »dat je hem in de verte al herkennen kunt
+aan het klapperen van zijn broek."
+
+»Enfin, je weet nou Griet, dat we wat in 't zicht hebben," begon de
+ander weer. »Vul dus maar gauw de kannen, wijf! Dan kunnen we op den
+goeden uitslag drinken. Ik zal ondertusschen een nieuwen vuursteen op
+mijn geweer schroeven, want de oude draak zal zijn schijven wel niet zoo
+gemakkelijk uit zijn klauwen laten gaan."
+
+»Hoe ver is het hier vandaan, Martensz?"
+
+»Wel, een klein half uur geloof ik."
+
+»Wat dunkt jullie ervan, mannen, als we dan over een uur maar op weg
+gingen?"
+
+Van Halen luisterde niet langer. Hij wist trouwens meer dan genoeg. Die
+gewetenlooze schelmen hadden het dus op het geld van zijn oom, ja heel
+waarschijnlijk op zijn léven gemunt. Hoe gelukkig toch, dat hij nog in
+staat was, dat snoode plan te verijdelen.
+
+»Maar," dacht hij, »kan ik hier wel vandaan komen zonder gezien te
+worden en argwaan op te wekken? Ah, door het raam misschien!..."
+
+Hij deed eerst de deur op het nachtslot, om niet overvallen te worden.
+Voorzichtig sloop hij daarop naar het venster. Hij wist dat gelukkig
+zonder eenig geraas te openen. Toen keek hij naar beneden. Maar, jammer
+genoeg, voor een spròng was het veel te hoog. Wat nu gedaan?--Door de
+gelagkamer? Dat ging niet....
+
+Opeens kreeg Van Halen een inval, ging naar het bed, haalde de beide
+lakens er uit en knoopte die stevig aan elkaar. Toen nam hij de ijzeren
+roede van de bedgordijnen, legde die in de lengte op het raamkozijn,
+dwars voor het geopende raam; bond er het ééne uiteinde van de
+vereenigde en in elkaar gedraaide lakens aan vast en liet zich nu met de
+grootste behoedzaamheid naar beneden glijden.
+
+Op zijn teenen sloop Van Halen het huis langs, maar nauwelijks was hij
+uit het licht van de herberg en op den zandweg, of hij begon te loopen
+zoo hard hij maar kon.
+
+Hij kon naar gis nog geen half uur in het rulle zand voortgehold hebben,
+toen hij een huis ontdekte. Dat zou stellig wel de woning van oom
+Boudewijn zijn. Hij klopte aan. Geen antwoord. Hij klopte luider;
+maar--alles bleef stil. Nu begon Van Halen ongeduldig te worden! Voor de
+derde maal klopte hij op de deur, maar nu buitengewoon heftig.--Dat
+scheen te helpen. Hij hoorde tenminste iemand in de gang aankomen en een
+oogenblik later vroeg een mannenstem:
+
+»Wie is daar?"
+
+»Ben ik hier terecht bij den chirurgijn Van Halen?" was de wedervraag.
+
+»Jawel, maar mag ik ook weten, met wien ik te doen heb?"
+
+»O zeker; ik ben een neef van de familie; Pieter van Halen, uit
+Rotterdam!"
+
+»Best mogelijk, waarde vriend, maar hoe weet ik dat? Wie zal mij zeggen,
+dat het geen landlooper is, die buiten staat?"
+
+»Hoor eens oom," want Van Halen twijfelde er niet aan of het was oom
+Boudewijn zelf, die achter de deur stond, »u kunt mij open doen of niet,
+dat moet _u_ weten; maar wees er zeker van, dat daar uw _geldelijk
+voordeel_ of nadeel mee gemoeid is!"
+
+»_Geldelijk voordeel_," die uitdrukking met _opzet_ gekozen, scheen te
+helpen. Het slot van de deur ging knarsend over, twee ijzeren grendels
+werden weggeschoven en Pieter stond tegenover zijn oom, die, met een
+pistool in de hand, hem nog altijd wantrouwend aanzag. Toen de grijsaard
+evenwel van den kant van zijn bezoeker niet de minste verdachte beweging
+bespeurde sloot hij de deur weer zorgvuldig dicht, schoof opnieuw de
+grendels er voor, draaide het slot om en noodigde toen zijn neef uit om
+binnen te komen.
+
+»Ja, nu zie ik toch wel familietrekken," begon de oude, toen ze in de
+woonkamer gekomen waren. »Maar anders, heusch neef, ik zou je niet
+herkend hebben! We hebben elkaar dan ook al in geen twintig jaar gezien
+nietwaar? Dat is mijn zoon Andries en dit mijn dochter Lotje. Mekâar
+nooit gezien, hè? Zeg, neem me niet kwalijk, neef, dat ik je wat lang
+buiten heb laten staan, maar je moet zóó voorzichtig wezen tegenwoordig!
+Er zwerft hier in den laatsten tijd nog al vreemd volk rond en diefstal
+en inbraak zijn aan de orde van den dag. Niet dat ik geld heb ..."
+
+»Daar schijnen sommige menschen toch anders over te denken."
+
+»Wel, hoe is het mogelijk, hoe is het mógelijk! Ik ..."
+
+»Ja, hoor eens oom, daar wil ik niet over twisten; maar zóóveel is
+zeker, dat er een bende dieven van avond hier wil inbreken."
+
+»Dieven?!" riep de grijsaard ontzet; en sidderend sloeg hij de magere
+handen in elkaar.
+
+»Ja, stellig oom! En misschien zijn ze al op weg."
+
+»Ik begrijp het niet! ik begrijp het niet!" klaagde de oude in den
+grootsten angst. »Hoe konden de schelmen weten dat ik geld ... Ik wil
+zeggen: hoe konden de schelmen er toch toe kómen? Ik ben immers geen
+penning rijk!"
+
+»Komaan, oom! Klagen helpt niet veel! De schavuiten kunnen ieder
+oogenblik hier zijn. Er moet dus gehàndeld worden! Zijn er wapens in
+huis? De mijne heb ik in de herberg van Griet Kals laten liggen." Dat
+had Pieter gedaan uit vrees, dat ze onder het neerglijden langs den muur
+àf mochten gaan.
+
+»Wapens, jawel, hier is alvast een pistool!" en de oude nam het
+vuurwapen weer op, dat hij bij het binnenkomen van Pieter in de hand
+hield en later op de tafel gelegd had.
+
+»En daar achter u, tegen den schoorsteen, hangen nog twee geweren en
+drie pistolen," zei Andries; »ze zijn allemaal geladen."
+
+»Mooi zoo! Welnu, oom blijft hier om nichtje gerust te stellen! Andries
+laadt de afgeschoten geweren en pistolen! Ik zelf zal me aan het
+dakvenster plaatsen. Andries, breng me er heen; maar zonder licht hoor!"
+
+De toon waarop dit alles gezegd werd verried, dat de man gewoon was
+bevel te voeren en liet geen tegenstand toe.
+
+Terwijl Andries en Van Halen naar boven gingen, klemde Lotje zich
+doodsbleek aan haar vader vast. Maar de grijsaard beefde haast nog erger
+dan het meisje en kreunde: »O, die schavuiten! O, mijn geld, mijn arme
+geldje!"
+
+»Och vader," zei het meisje, »laat ons liever van geluk spreken, dat we
+zoo'n kloeken verdediger hebben gekregen! Maar u moet niet zoo jammeren,
+vader. Het is beter, dat de dieven u niet hooren."
+
+Zoodra Van Halen boven was, opende hij het venster en zag naar
+buiten--er was niemand te zien; hij luisterde--alles was stil. Boven de
+bosschen kwam de maan op, maar het licht werd door voorbijtrekkende
+wolken verduisterd.
+
+Nadat Van Halen een poosje op den loer gestaan had, hoorde hij onder het
+raam eenig gefluister; hij kon duidelijk de vier roovers onderscheiden,
+die vlak voor de deur stonden.
+
+»Ze zijn er, Andries," fluisterde Pieter zacht; »ze beraadslagen voor de
+deur. Ga even je vader en zuster waarschuwen; dan zijn ze tenminste op
+alle gebeurlijkheden voorbereid."
+
+Van Halen keerde nu weer op zijn post aan het venster terug, om zijn
+waarnemingen voort te zetten.
+
+De roovers schenen het nog niet eens te wezen, hoe zij het zouden
+aanleggen; tegen de gewone inbraakmiddelen toch bleek de stevige deur
+veel te goed bestand.
+
+Ze namen hun toevlucht tot list; ze klopten en, toen zij geen antwoord
+kregen, voortdurend harder. Toen ook dit niet hielp, beraadslaagden zij
+opnieuw, plaatsten vervolgens de tromp van een karabijn tegen het
+sleutelgat van de huisdeur en schoten er doorheen. Door het schot spròng
+het slot nu wel, maar de ijzeren grendels hielden de deur nog altijd
+gesloten.
+
+Van Halen, ofschoon hij er bij het zien van al die voorbereidselen
+volkomen toe gerechtigd was geweest, had niet willen schieten vóór de
+vijandelijkheden van den kant der aanvallers werkelijk begonnen waren.
+Nu evenwel mikte hij nauwkeurig op den roover, die het dichtst bij de
+huisdeur stond om de werking van het schot na te gaan en te onderzoeken,
+wat de deur nog tegenhield.
+
+Pieter had goed gemikt--de bandiet viel neer en de anderen stonden door
+dien onverwachten tegenstand een oogenblik besluiteloos. Het duurde
+echter niet langer dan een paar minuten.
+
+Toen werd op Van Halen, die nog altijd aan het venster lag, een pistool
+afgeschoten. Gelukkig miste de kogel, doordat Pieter zich juist naar
+zijn neef Andries keerde, om hem het afgeschoten vuurwapen weer te doen
+laden.
+
+»Ze zullen er zeker op loeren," fluisterde hij, »wanneer ik me weer aan
+het venster vertoon. Geef me daarom die geladen karabijn, dan ga ik naar
+beneden. Want nu zij het slot van de deur hebben laten springen, zullen
+zij misschien de hand door de opening steken, om de grendels weg te
+schuiven. Ik denk wel niet dat het gelukken zal, maar in elk geval
+zullen ze me dáár niet verwachten, terwijl zij ons hier natuurlijk al in
+de gaten hebben. Ik raad je dan ook aan, om niet meer bij het venster te
+komen."
+
+Van Halen sloop zoo stil mogelijk de trap af en naar de huisdeur toe.
+Hij ontdekte nu, dat een van de roovers zijn arm door de opening
+gestoken had om de grendels weg te schuiven.
+
+Juist legde hij aan om den dief onder zijn uitgestrekten arm te treffen,
+toen hij buiten een schot hoorde vallen.
+
+Had Andries dan zich tóch bloot gegeven en was hij mogelijk nu gewond,
+ja, dood misschien?
+
+Evenwel, nog vóór de schelm die aan de deur stond, zijn arm terug kon
+trekken, joeg Van Halen er een schot in. Toen vloog hij de trap op, om
+naar Andries te zien.
+
+Tot zijn verrassing stond die doodbedaard een karabijn te laden.
+
+»Hé! Gelukkig, jongen! Ik was al bang, toen ik buiten een schot hoorde,
+dat je aan het venster geweest was en ze je getroffen hadden."
+
+»Toch niet! Maar ik dacht zoo, als neef door de deur schiet zullen ze
+zijn schot beantwoorden en hem misschien treffen. Dat wou ik voorkomen.
+Ik trok nu mijn buis uit en hield het, aan een stok opgehangen, naar
+buiten, terwijl ik zelf veilig achter den muur bleef staan. De roovers,
+die enkel op het venster loerden, dachten natuurlijk dat het de persoon
+was die straks op hen geschoten had en gaven onmiddellijk vuur!"
+
+»Je bent een bijdehande vent, Andries. Zoo iemand heb ik juist noodig.
+Maar--daarover morgen. Ik moet nu weer naar de huisdeur; geef mij dat
+geweer en laadt _dit_ weer."
+
+Nauwelijks waren deze woorden geuit, of ze hoorden beneden een
+ontzettend gerammel en gekraak, onmiddellijk gevolgd door drie
+pistoolschoten en het wanhopig gegil van Lotje, die om hulp riep.
+
+De twee overgebleven roovers hadden namelijk met een zwaren boomtak raam
+en vensterluiken van de woonkamer weten open te loopen en waren naar
+binnen gesprongen. Door den schrik schoot de oude chirurgijn mis, maar
+ook de roovers waren niet gelukkiger.
+
+Pieter was met een gespannen haan onmiddellijk de trap afgehold, gevolgd
+door Andries, die een reeds geladen pistool ter hand genomen had.
+
+Toen Van Halen het vertrek binnenstoof, vond hij zijn oom onder de twee
+bandieten op den grond liggen en één van hen had het touw al gereed,
+waarmee zij den grijsaard dachten te knevelen. Maar vóór zij dit
+volvoeren konden, had een kogel uit Pieter's geweer één hunner het leven
+benomen.
+
+De vierde roover trachtte nu te vluchten, maar hij had nog het raam niet
+bereikt, of Andries trof hem in het achterhoofd, waarop hij doodelijk
+gewond in elkaar zakte. Het eerste werk van Van Halen en Andries was nu,
+den ouden chirurgijn te helpen. Hij bleek gelukkig ongedeerd, maar door
+angst en schrik volkomen bewusteloos.
+
+Pieter droeg hem als een kind in het aangrenzende vertrek, waar Lotje
+hem zóólang neus en lippen met bier-azijn bestreek, tot hij weer
+bijkwam.
+
+»Mijn kinderen? mijn geld?" was het eerste wat hij stamelde.
+
+»Stel u gerust oom: Andries en Lotje zijn ongedeerd en uw geld ook."
+
+»O, gelukkig! Gelukkig! Zie neef, wat ik bezit is och zoo weinig. Maar
+als een arm man, bijna zonder praktijk, ook nog die enkele
+spaarpenningen had moeten missen, dan zou het er toch ook wel treurig
+uitgezien hebben, nietwaar?"
+
+Pieter liet de zorg voor den grijsaard aan Lotje en Andries over,
+wapende zich met een paar pistolen en ging naar buiten om te zien, wat
+er van de roovers geworden was.
+
+Inmiddels kreeg de oude man het fleschje met bier-azijn in 't oog en
+opeens begon hij opnieuw te jammeren, de arme Lotje van verkwisting
+beschuldigend, wijl zij hem evengoed met water, dan met zulke kostbare
+middelen had kunnen bijbrengen, naar hij beweerde.
+
+Toen Pieter buiten kwam, stond de maan hoog aan den hemel en straalde
+een helder licht uit, want de wolken waren weggetrokken.
+
+De twee roovers, die hij het eerst getroffen had, bleken niet doodelijk
+gewond te zijn geweest, en waren gevlucht. Van Halen keerde nu in de
+woonkamer terug en toen hij bevond, dat de beide andere schelmen het
+leven hadden gelaten, ging hij zich weer bij zijn familie in de
+achterkamer voegen.
+
+»Oom Boudewijn," zei hij, »u zult me zeker wel niet kwalijk nemen, dat
+ik naar bed verlang; ik ben doodmoe!"
+
+»Neen, warempel niet neef, ik kan me dat best begrijpen. En in de
+herberg heb je zeker al wat gebruikt? Nu, dan wensch ik je wel te
+rusten. Andries! wijs jij neef Pieter de logeerkamer eens aan! Maar
+vooral het licht weer meenemen hoor, ik ben doodsbang voor brand!"
+
+Het vertrek, dat Van Halen tot logies werd aangewezen, bleek hetzelfde
+te zijn, waar hij in het donker had staan schieten. Ofschoon oom
+Boudewijn het met den weidschen naam van »_de logeerkamer_" betiteld
+had, zag Pieter bij het licht van de kaars, die Andries in de hand
+hield, dat het slechts vier kale muren had. Er was stoel noch tafel. Het
+bevatte niets anders dan een klein hokje, dat vroeger een duivenhok
+moest geweest zijn, maar nu op vernuftige wijze tot een bedsteê was
+ingericht.
+
+Na den kapitein goeden nacht gewenscht te hebben vertrok Andries met het
+licht en liet neef Pieter in het donker achter. Zoo goed en zoo kwaad
+als dit ging begon Van Halen zich te ontkleeden; maar nauwelijks was hij
+in zijn bed gekomen, of hij bevond, dat hij op een ouden stroozak lag en
+de deken zoo vol gaten was dat men ze wel voor vischnet zou kunnen
+gebruiken! Daar kwam nog bij, dat de planken van de bedsteê zoo kort
+bleken, dat zijn beenen er wel een halven meter buiten staken. Toch zou
+hij, slaperig en afgemat als hij was, zich over alles nog heengezet
+kunnen hebben, als het daar nu maar bij gebleven was. Maar neen, het
+ergste zou nog komen!
+
+Nog geen kwartier toch had hij op die heerlijke rustplaats gelegen, of
+daar voelde hij zich aangevallen door een heirleger van zekere dartele
+diertjes, die de duiven hadden achtergelaten. De aanval was zóó hevig,
+dat Van Halen, om de vervolging te ontgaan, het bed uitsprong en midden
+op den vloer ging zitten. Maar al heel gauw bemerkte hij, dat het lastig
+gedierte hem daar evengoed als in zijn bed kon vinden. Bovendien begon
+hij dáár spoedig last van de kou te krijgen, terwijl zijn armzalig bed
+hem ten minste toch nog eenige warmte aanbracht. Hij koos nu van twee
+kwaden het beste en kroop zijn leger maar weer in.
+
+Nauwelijks echter drong het licht van den morgen in het duivenslag door,
+of hij sprong het bed uit en haastte zich naar beneden, waar allen zich
+spoedig tot het ontbijt vereenigden. Tot Pieters groote verbazing
+bestond dit uit een bordje koude paardeboonen met een beetje karnemelk
+en als morgendrank kreeg hij een kleine kroes van het allerdunste
+scharrebier, die bovendien nog haast niet half vol was.
+
+Pieter gebruikte heel weinig, wat onmiddellijk ten gevolge had, dat oom
+Boudewijn hem prees om zijn matigheid. Daarop begon de man tot in het
+oneindige te praten over de deugd der soberheid en welk een groote
+ondeugd de gulzigheid was, waarbij hij een menigte voorbeelden van
+overdaad wist aan te halen, die allemaal heel treurig eindigden.
+
+Zoodra het ontbijt afgeloopen was maakten oom Boudewijn en Pieter zich
+klaar, om naar Oosterhout te gaan en den schout in kennis te stellen van
+hetgeen er gebeurd was. Pieter kon daarbij een glimlach niet
+onderdrukken, toen hij zijn oom een klein, oud hoedje zag opzetten,
+waarvan de rand nauwelijks twee vingers breed was en zóó door de muizen
+beknaagd, dat het ding bijna evenveel tanden als een zaag had.
+
+»Ja neef! ik zie het wel dat je lacht om dit hoofddeksel, maar ik ben er
+zeer aan gehecht. Je moet weten, dat het een erfstuk is, nog van mijn
+grootvader afkomstig. Mijn grootvader, moet je weten, genoot in zijn
+jeugd het voorrecht, Keizer Karel den Vijfde te dienen en uit een
+bijzondere genade heeft zijn Keizerlijke Majesteit hem dit hoedje eens
+vereerd. Ik zou dit merkwaardige voorwerp dus voor geen geld willen
+missen."
+
+De mantel moet dan zeker ook wel een dierbaar erfstuk zijn, dacht
+Pieter, want met geen mogelijkheid zou iemand zijn oorspronkelijke kleur
+geraden hebben, terwijl hij zoo kaal was als perkament en van een
+fatsoen, zooals men er in dien tijd mogelijk geen tweede in de geheele
+Republiek zou hebben gevonden.
+
+Toen zij vertrekken zouden, zag Van Halen met nieuwe verbazing, dat de
+oude man eenige vette hoenders meenam, want hij dacht onmiddellijk aan
+het sober ontbijt.
+
+Het bleek nu uit oom Boudewijn's toelichting, dat de boeren die hij
+behandelde, hem uit dankbaarheid haast elke week, de een boter, appelen
+of peren, een ander eieren, hoenders en duiven, ja sommige zelfs hazen
+en patrijzen brachten, die hij dan geregeld in Oosterhout of Breda
+verkocht, het zondige verkwisting vindend, die kostbare artikelen zelf
+te nuttigen.
+
+Brachten zij hem echter karnemelk of paardeboonen, dan hield hij die
+voor zijn eigen huishouding.
+
+Onderweg deelde Van Halen zijn plannen mee en met welk doel hij hem was
+komen opzoeken.
+
+De vrekkige grijsaard was er ten hoogste mee ingenomen, dat neef Pieter,
+die hem nu een vermogend man bleek, zijn zoon Andries gratis in de
+stuurmanskunst wilde onderwijzen niet alleen, maar ook geheel voor zijn
+kleeding, onderhoud en uitrusting beloofde te zorgen.
+
+Nog dienzelfden morgen verscheen de schout met eenige gerechtsdienaars
+in het huis van den chirurgijn.
+
+Het gerecht maakte van de verklaringen van oom Boudewijn en Pieter een
+schriftelijk verslag op; de lijken werden geschouwd en als van beruchte
+roovers herkend. Toen liet men de doode lichamen weghalen.
+
+Inmiddels was het tijd geworden voor het middagmaal. Tot neef Pieters
+ontsteltenis bestond dit uit slechts vier panharingen in de olie
+gebakken, die door oom Boudewijn zóó heerlijk werden gevonden, dat hij
+daarover haast niet uitgepraat raakte.
+
+Het is te begrijpen, dat Van Halen tengevolge van een en ander maar hoe
+eer hoe liever weer naar Vlissingen wilde vertrekken.
+
+[Illustratie: »Dieven?" riep de grijsaard ontzet, en sloeg de magere
+handen in elkaar. (Bladz. 37.)]
+
+Na het eten vroeg hij dus Andries kort en bondig of die lust had
+stuurman te worden en zoo ja, of hij zich dan maar dadelijk voor de
+afreis gereed wilde maken.
+
+Andries was in de wolken! Stuurman worden,--vreemde landen zien! vreemde
+menschen ontmoeten;--dat leek hem toch iets anders, dan in een afgelegen
+huis zijn jeugd te verslijten.
+
+Het gevolg was, dat nog geen uur later Pieter en Andries reeds afscheid
+namen en den weg naar Breda insloegen. In Breda aangekomen bestelde Van
+Halen voor beiden onmiddellijk een stevig middagmaal. Daarna gingen zij
+de stad in, om voor Andries een pak kleeren te koopen, want het was
+treurig, zooals de jonge man gekleed ging.
+
+Uit den winkel komend gaf Andries zijn oude plunje aan een bedelaar, die
+er hem voor zegende met diep-ootmoedig gelaat, maar woedend het pak in
+het water smeet, zoodra hij uit het gezicht was.
+
+Daar zij niet vóór den volgenden dag verder zouden reizen, hadden zij
+allen tijd, om eens naar de markt te wandelen en het turfschip te zien,
+waarmee Prins Maurits de stad verrast had. Ook het kasteel bekeken zij
+nog, bleven toen nog een poosje zitten babbelen en kropen al vroeg onder
+de wol.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Een nieuwe reisgenoot.
+
+
+Den volgenden morgen werd de tocht voortgezet, ook nu weer te voet, want
+het reizen met den postwagen was Van Halen, door de slechte wegen, zóó
+onaangenaam geweest, dat hij liever nog loopen wilde.
+
+Tegen het vallen van den avond bereikten de reizigers een dorp; het was
+zeer gering, maar er was een pleisterplaats, hadden zij onderweg
+vernomen. Zij zochten er naar en vonden een klein huis, met een schuur
+en een stal.
+
+In het eerste troffen zij een paar andere reizigers aan, die er slecht
+geluimd uitzagen, een jonge marskramer alleen uitgezonderd, die
+vruchteloos met zijn grappen de anderen aan het lachen zocht te maken.
+
+Van Halen vroeg om avondeten.
+
+»Avondeten?" zei de waardin. »We hebben geen tijd om voor de reizigers
+te koken; wij voorzien alleen in logies, goed logies en uitspanning.
+Maar u kunt bier krijgen."
+
+»Dat ziet er slecht uit, jongen!" bromde Van Halen, bedenkelijk zijn
+neef aanziend.
+
+»Och wat," zei de vrouw, »je kunt in het dorp koopen wat je verkiest en
+moogt het vrij in onzen oven koken. Da's toch mooi genoeg zou ik
+meenen!"
+
+Zij zwierven dan door het dorp om mondbehoeften op te doen en het eind
+was, dat zij hun avondmaal deden met gebakken eieren en roggebrood.
+
+Een bestevâar met roode konen, die een brandende lantaarn droeg, kwam de
+reizigers al zeer vroeg halen om ze hun slaapplaatsen aan te wijzen.
+
+Zij volgden hem, tegelijk met de overige gasten.
+
+Over een slikkerig erf, waar zij veel te doen hadden met hun voeten
+veilig neer te zetten, bracht het oudje hen in een koestal. Daar was aan
+weerszijden van elke koe een hoopje schoon stroo neergelegd, benevens
+een grooter stroobundel als peluw.
+
+De oude man zag met vaderlijken trots op zijn werk neer. Van Halen was
+er minder mee ingenomen:
+
+»Laat je Christenmenschen zoo maar tusschen het vee liggen?" vroeg hij
+ontstemd.
+
+»Het is hard genoeg voor de arme beesten. Zij hebben nauwelijks plaats
+om zich om te draaien."
+
+»Wat zeg je daar? Is het dan niet hard voor òns?"
+
+»Voor jullie?" vroeg de oude verbaasd. »Wat zou er hards in zijn? Ik heb
+er mijn heele leven tusschen geslapen. En bekijk me vrij! Ik ben tachtig
+en heb al mijn dagen geen minuut hoofdpijn gehad, alleen maar van
+tusschen de koeien slapen. Je moogt dus liever van geluk spreken, zou ik
+meenen; koeienasem is tienmaal zoo gezond als de asem van
+Christenmenschen. Probeer het maar!" Meteen sloeg hij de staldeur dicht,
+zoodat ze in 't donker bleven.
+
+»Neef, waar ben je?" riep Andries benauwd.
+
+»Hier!"
+
+»Hoe heeft u het?"
+
+»Ik weet het niet; maar zoover ik gissen kan heeft het er veel van of ik
+al in den dut raak. En jij?"
+
+»Ik zeg mijn avondgebed op."
+
+»Dat is braaf van je."
+
+»Neef, ik heb haast gedaan, och toe, ga nog niet slapen, 'k wou zoo
+graag nog wat praten ..."
+
+»Rep je dan wat, voor dezen keer! want ik heb een gevoel (een geeuw!) of
+ik op een--warme--wolk in de lucht drijf."
+
+»Neef?!"
+
+(Een geeuw!) »Hola, hei! Is het tijd om op te staan?"
+
+»Ongelukkig niet. Ik heb mij met bidden gehaast om nog wat te praten. We
+zullen voor den morgen bevroren zijn, zoo zonder dek."
+
+»Wel, weet je wat je doen moet?"
+
+»Nu?"
+
+»Kruip bij de koe!"
+
+»Dank je!"
+
+»Begraaf je dan in het stroo," klonk nu de stem van den jongen
+marskramer, dien ze Thomas hadden hooren noemen. »Je moet wel pas in de
+wereld komen kijken om over zóó iets te brommen. Hoe zou het je
+bevallen, om in den nachtvorst op een slagveld te liggen, zoo als ik
+eens, spiernaakt, met niets om mij warm te houden dan het lijk van een
+kerel, dien ik den hoek had omgeholpen."
+
+»Afschuwelijk! Vertel er mij alles van."
+
+»Wel, wij hadden een kleine schermutseling aan de grenzen gehad en een
+overwinninkje behaald. (Want ik ben een poosje in den oorlog geweest.)
+Maar het kwam ons duur te staan; verscheidene voetknechten staken de
+beenen in de lucht, onder andere mijn persoon."
+
+»Dood? Och kom!" zei Andries, die begreep dat het heele verhaal slechts
+op een onderhoudend verzinsel of belachelijke snoeverij zou uitloopen.
+
+»Zoo dood als een pier! Stikvol lanssteken, tot het bloed uit me wegliep
+als de wijn uit een vat waarvan de duigen loslaten. Ik ben wel goed, dat
+ik mijn verhaal zoo uitvoerig doe, want--(een geeuw!)--ik ben slaperig
+(een geeuw!)--nu, waar was ik ook?"
+
+»Je laagt voor dood op het slagveld te bloeden als een speenvarken, ik
+wil zeggen als een wijnvat of zoo iets. Verder, bid ik je, verder; het
+is zonde, midden in zoo'n mooie vertelling te gaan slapen."
+
+»Dat is het ook," ging Thomas voort. »Nu, er kwamen eenige van die
+vagebonden, die gesneuvelde soldaten uitplunderen en dat gespuis haalde
+mij het laatste vod van het lijf; verder deden ze mij geen kwaad, omdat
+zij er niets aan hadden."
+
+»Neen, je was dood."
+
+»Goed onthouden! Dit moet tegen zonsondergang geweest zijn. 's Nachts
+kwam een vinnige vorst, die het bloed op mijn wonden deed stollen en al
+de stroompjes die mijn hart uitliepen stopte; en omstreeks middernacht
+werd ik als uit een schijndood wakker."
+
+»En dacht je toen niet dat je in een heerlijk bed lag?" vroeg Andries,
+die hoe langer hoe meer schik in het verhaal kreeg, waarvan hij
+natuurlijk geen enkel woord geloofde.
+
+»Daarvoor neep mij de kou te hard, jongenlief; buitendien hoorde ik aan
+alle kanten de gekwetsten kermen, dus wist ik, dat ik nog op mijn oude
+plaats was. Ik begreep dat ik den dag niet halen zou zonder deksel. Ik
+tastte in het rond, rillend en bibberend van de kou. Eindelijk, daar
+hield er ineens een op met kermen. Jij bent er geweest, zei ik, kroop
+naar hem toe en jawel, hij was dood hoor; maar warm, begrijp je!
+
+»Ik nam het heer in mijn armen, maar was te zwak om hem te dragen en zoo
+rolde ik met hem in een droge sloot. En daar vonden mijn kameraden mij
+'s morgens, aardig wat door brandnetels gestoken en een dooden Spanjaard
+omhelzend, om het er levend af te brengen."
+
+»Ach ja," zei Andries, »de oorlog is alleen vriendelijk voor wie er niet
+in geweest zijn."
+
+»Watblief?"
+
+»Ik zeg--wat zijn sommige menschen toch koelbloedig en onversaagd!"
+
+»Nietwaar? Dus bij zulk soort van dingen--vergeleken--zijn _dit_ soort
+van dingen de hemel. Zacht,--warm--goed gezelschap, met een koe er bij
+als kameraad--wat--wou je--dan nog kla ...?"
+
+De tong van den vroolijke verhaler kwam voor eenige uren tot rust.
+
+'s Morgens werd Andries wakker door een straal vocht die zijn oog trof
+en daar zag hij den snaakschen Thomas die de uier der koe als een spuit
+gebruikte.
+
+»O, foei!" riep Andries, »is dat de kostelijke melk vermorsen!"
+
+»Wel, laten we _die_ er dan mee vullen!" zei de kwant, een hoornen beker
+te voorschijn halend.
+
+»Geef maar hier," zei Andries, »ik heb dat méér bij de hand gehad. Maar
+waarachtig, ik zie niet in, met welk recht we iets van haar melk ..."
+
+»Breek je daar het hoofd niet over!" viel Thomas in. »De kameraad is
+vannacht niet zoet geweest, moet je weten; maar wat zou dat? Ware
+vriendschap ontslaat van plichtplegingen. Vanochtend nemen wij gelijke
+vrijheid met haar."
+
+»Wel, wat heeft ze dan gedaan, het arme beest?"
+
+»Mijn peluw opgegeten."
+
+»Ha! ha!"
+
+»Toen ik wakker werd, wist ik niet waar mijn hoofd gebleven was, tot ik
+het eindelijk vond, veel lager dan waar ik het gisteravond had
+neergelegd. Zij heeft ons kussen opgegeten, wij drinken ons kussen
+terug." Toen, zich tot de koe richtend: »Op uw gezondheid, mejuffer,
+en--zonder wrok."
+
+»De oude paai had toch gelijk," zei Andries tegen Van Halen, die ook al
+wakker was. Ik ben nog zoo frisch niet opgestaan, in heel mijn leven,
+geloof ik. Laat ons voortaan altijd in een koestal overnachten, neef."
+
+»Je vergeet, dat je zeeman wordt, beste jongen."
+
+»Zeeman? wat 'n gelukskind!" riep Thomas.
+
+»Zou je dat dan liever zijn dan marskramer?" vroeg Van Halen met
+belangstelling.
+
+»Nu, dat geloof ik! 'k Heb me dan ook al een keer of vijf aangemeld,
+toen ik laatst een poosje in Rotterdam was, maar geen mensch wou me
+hebben. Ze denken stellig dat ik te veel eet!" liet hij er lachend op
+volgen.
+
+»Als het je ernst is," zei Van Halen, »kun je wel een plaats op _mijn_
+schip krijgen. Maar je zult, tijdens de eerste reis, met het baantje van
+scheepsjongen tevreden moeten zijn."
+
+»U bent dus kapitein?" vroeg de jongen verrast. »Nu, wàt graag!" liet
+hij er verheugd op volgen.
+
+»Zorg dan, binnen veertien dagen in Vlissingen te wezen. Je kunt in dien
+tijd meteen van je koopwaar af zijn."
+
+»O, ik was juist zoo goed als uitverkocht. Dus wat dàt betreft zou ik
+dadelijk wel met u mee kunnen."
+
+»Welnu, je kunt dan voorloopig mijn bediende wezen en zoo dadelijk met
+ons afreizen als je wilt."
+
+Thomas was daar zóó verheugd over, dat hij oogenblikkelijk eenige van
+zijn laatste artikelen tegen verminderden prijs aan de waardin verkocht,
+het weinigje dat restte stopte hij in zijn knapzak en de leege mand gaf
+hij aan den ouden paai present, uit dankbaarheid voor het gezond logies,
+zooals hij lachend beweerde.
+
+Weldra ging het drietal op stap en Thomas wist zóóveel grappen onderweg,
+dat de tijd als omvloog.
+
+'s Avonds kwamen zij aan een dorp nabij de Eendracht en Van Halen meende
+vandaar met de veerschuit naar Vlissingen te vertrekken.
+
+Zij vonden vrij spoedig een herberg van een goed uitzicht, waar zij een
+behoorlijk avondmaal benevens logies konden krijgen.
+
+»Tusschen de koeien?" vroeg Andries terstond.
+
+»Neen, neen! we hebben twee ruime logeerkamers, tezamen met drie
+bedsteden!" zei de waardin.
+
+Van Halen was echter zeer ontstemd, toen de waard hem vooraf om betaling
+vroeg. Niettemin voldeed hij aan het verzoek, maar alle drie waren zij
+verontwaardigd over de schandelijk hooge rekening, die de vent hem liet
+betalen.
+
+Toen ze reeds op hun kamer waren (de beide jongelui hadden het vertrek
+met de twee bedden gekregen) pruttelde Thomas nog na: »Wat een
+afzetterij toch! Maar--misschien kan ik dat heer nog wel een poets
+spelen tot zijn straf, waarvan we schik zullen hebben!"
+
+Hij rommelde wat in zijn knapzak en dolf er een fleschje phosphor uit
+op, waarna hij precies deed alsof hij iets op den wand ging schilderen.
+
+Andries keek en keek, maar er kwam niets te voorschijn.
+
+»Wat haal je toch uit?" vroeg hij daarom verbaasd.
+
+»Even geduld, maat!" was het antwoord.
+
+Opeens blies Thomas de kaars uit. Ze waren in het donker; en nu las
+Andries op den wand in geheimzinnig glorend vlammenschrift:
+
+»Wee den afzetter!"
+
+»Wat zeg je er van?" vroeg Thomas met zelfvoldoening.
+
+»Alleraardigst!"
+
+»Nietwaar? Maar nu is _mijn_ werk volbracht en wordt het jouw beurt."
+
+»Dat is te zeggen....?"
+
+»Wel, om de grap volkomen te maken moet jij nu den waard onder het een
+of ander voorwendsel op onze kamer zien te lokken."
+
+»Dank je hartelijk!"
+
+»Dan zal _ik_ gaan!" zei Thomas beslist. »De kerel heeft het dubbel en
+dwars verdiend, dat we hem een kleinen schrik bezorgen...."
+
+»Dat ben ik met je eens! Maar toch--neen, laten we het liever niet
+doen!" gaf Andries in bedenking. »Mijn neef mocht het ons eens kwalijk
+nemen, en dat zou jij toch zeker óók minder aangenaam vinden, is 't
+wel?"
+
+Thomas stond even in beraad.
+
+»Je hebt gelijk!" zei hij toen. »Ik ben nog nauwelijks een dag in zijn
+dienst en mag het er dus niet op wagen, het nu al bij mijn meester te
+verkerven.--Allo, dan de kaars maar weer aan!"
+
+Met behulp van Thomas' vuurslag en tonteldoos, benevens een eindje
+zwavelstok, gelukte dat, waarop beiden nog wat babbelden, tot de kaars
+schier geheel was opgebrand.
+
+Zij hadden nog juist den tijd om er zich bij uit te kleeden, toen gaf
+zij den geest.
+
+»Toch jammer dat de grap niet doorging!" mompelde Thomas, uit zijn
+bedstede nog even, met droomerige oogen, op de geheimzinnig glorende
+bedreiging starend, die nu weer zichtbaar was.
+
+Meteen sliep hij in.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+In ongelegenheid.
+
+
+Daar men reeds November had was het nog donker, toen de waard 's morgens
+op de deur van Pieter van Halen's kamer klopte.
+
+De kapitein was dadelijk wakker.
+
+Daarop ging de man naar het andere logeervertrek, om ook de jongelui te
+wekken.
+
+Thomas en Andries, wijl ze zoo laat naar bed gegaan waren, sliepen
+evenwel als egels in den winter.
+
+Toen de waard dus op zijn herhaaldelijk geklop slechts een kreunend
+antwoord kreeg, deed hij eindelijk de deur open..... Maar hij gaf een
+schreeuw van ontzetting, toen hij daar plotseling het nog altoos glorend
+vlammenschrift in het oog kreeg.
+
+»Tooverij!" riep de man ontsteld en holde als dol naar de gelagkamer.
+
+»O, die schelmen! Ze hebben ons huis betooverd!" riep hij zijn vrouw
+toe.
+
+De waardin, die juist het ontbijt voor het drietal klaar zette, stiet
+van schrik haast de olielamp om.
+
+»Loop dadelijk naar den schout!" riep ze bevend. »Loop! en laat de
+deugnieten gevangen nemen!"
+
+De waard snelde de deur uit.
+
+»Weg schelmen, weg schavuiten!" gilde het vrouwmensch, toen de drie
+logeergasten zich een oogenblik later aan het ontbijt kwamen zetten. En
+overhaast nam zij de vlucht.
+
+»Lieve hemel, wat scheelt je meesteres toch?" vroeg Van Halen aan den
+knecht die juist binnenkwam.
+
+»Ik zou je raden, dat jullie je maar zoo gauw mogelijk uit de voeten
+maakt," zei deze gemoedelijk: »De baas is naar den schout; hij raasde en
+tierde, dat jullie zijn heele huis hadt betooverd."
+
+De kapitein haalde de schouders op. Toch zette hij de jongelui tot spoed
+aan; hij wenschte liever niet in moeite te komen, wijl dit maar
+oponthoud geven kon.
+
+Toen de waard met den schout en twee dienders in de herberg terugkwam,
+waren de logeergasten dan ook reeds verdwenen.
+
+In allerijl repten de drie reizigers zich naar de rivier.
+
+Op hun navraag kregen zij daar tot hun groote teleurstelling ten
+antwoord, dat de veerschuit al voor een half uur vertrokken was en zij,
+voor de eerst volgende, tot den namiddag dienden te wachten.
+
+Dat zag er dus gek voor hen uit, te meer wijl inmiddels de dag reeds was
+aangebroken.
+
+Langzamerhand verzamelde zich een hoop volk rondom het drietal en na
+heel veel vragen bood eindelijk een oud man met zijn twee zoons hun zijn
+schuit aan.
+
+Een der omstanders vond het bespottelijk.
+
+»De stroom is te sterk voor drie man op de riemen," meende hij.
+
+»Dan zal ik helpen roeien!" verklaarde Van Halen.
+
+»Dat behoeft niet," zei de oude man. »De vent spreekt alleen uit
+afgunst; hij is de eigenaar van de andere schuit."
+
+Er was een stijve koelte en zij hadden vlak voor den wind; de schipper
+zette een breed zeil uit en, tegelijk roeiend, staken zij met een goeden
+gang van wal.
+
+De stroom maakte veel bochten en daardoor kregen zij af en toe den wind
+op zij. Dan gingen allen aan loef, om te beletten dat de schuit te sterk
+overhelde, behalve een kind van omstreeks een jaar of vijf, de kleinzoon
+en lieveling van den schuitenvoerder. De guit was, een oogenblik voor
+zij aan wal staken, aan boord geslopen en daar hij te licht was om
+verandering in de vracht te brengen, beschouwden zij hem als boven, of
+liever als onder het reglement.
+
+Zij zeilden lustig voort, onbewust dat zij vervolgd werden door den
+schout, den waard uit de herberg en twee dienders, schoon hun vervolgers
+hen begonnen in te halen; want was de wind sterk, de stroom was het niet
+minder.
+
+Opeens vroeg een der jonge schippers aan het kleine appelgezicht, wat
+hem toch scheelde.--Zijn neefje was namelijk met een hangend lipje bij
+het roer gekomen en toen in tranen uitgebarsten.--Hij deed hem allerlei
+vragen, eerst op vleienden toon, daarna kortaf: Of hij zich gestooten
+had? Of hij geschrikt was? Of hij het koud had? Of hij misselijk was? Of
+hij mal was?
+
+Op alles gaf het kind een onveranderlijk »hu! hu! hu!" tot antwoord.
+
+»Weet ook een van jullie, wat den kleinen schreeuwleelijk scheelt?"
+bromde de schipper ongeduldig.
+
+»Kijk liever dezen kant eens uit," zei zijn broer. »Begrijp jij soms wat
+ze daar nazitten?"
+
+De oude man en zijn andere zoon keken en zagen toen vier mannen, die op
+den Oostelijken oever voortgingen.
+
+Zij hielden even op met roeien en staken aan het stuur de hoofden
+geheimzinnig bij elkaar, beurtelings blikken op hun passagiers en op de
+voetgangers werpend, die ze reeds herkend hadden.
+
+Beter dan zich in bespiegelingen te verdiepen was het hun echter
+geweest, wanneer ze getracht hadden het geheim van het appelgezicht te
+doorgronden.
+
+»Als het is zooals ik vrees," fluisterde een der jonge schippers, waarom
+hun dan geen kans gegeven om te ontsnappen? Laat ons op den rechterwal
+aanhouden."
+
+De oude man weigerde beslist.
+
+»Ben je gek, moeten wij ons last op den hals halen voor vreemden? Neen,
+laat ons liever naar bakboordzij sturen: houd het altijd met den sterken
+arm! dat is mijn leus. Wat zeg jij, Willem?"
+
+»Ik zeg, vader, dat je voor mijn part kunt doen wat je wilt!"
+
+Een windvlaag maakte op de onpartijdigste wijs een eind aan de
+oneenigheid van den ouden en den jongen schipper. Het kleine vaartuig
+ging overzij, de mannen sprongen aan loefzij om het in evenwicht te
+houden, doch zagen op hetzelfde oogenblik tot hun schrik, dat aan lij
+een plas water de schuit van het eene eind tot het andere vulde. En in
+'t volgend oogenblik zagen zij niets meer, maar zij voelden den stroom,
+den kouden snellen stroom.--Het appelgezicht had de prop uit het hoosgat
+getrokken.
+
+De dienders wonden de touwen van hun middel.
+
+Van Halen en Thomas konden zwemmen als een eend, doch zelfs de beste
+zwemmer moet, wanneer hij met een schuit omslaat, vóór hij zwemmen kan,
+eerst zinken.
+
+Het donkere water borrelde boven hun hoofd, toen kwamen zij boven, voor
+een oogenblik bijna doof en blind. Terstond daarop zagen zij echter alle
+twee de schuit het onderst boven en menschen die er zich aan
+vasthielden. Zij schudden hun hoofden als poedelhonden en zwommen er
+naar toe, uit een zekere onberedeneerde navolgingsdrift, maar eer zij
+het vaartuig bereikten, hoorden zij achter zich een stem die niet luid
+maar met diepe droefheid riep: »Vaarwel, het is gebeurd met me!"
+
+Zij keken om en daar was de arme Andries bezig met te zinken, wijl hij
+in 't geheel niet zwemmen kon. Zijn gezicht was bleek en zijn wijd open
+oogen stonden met een wanhoops-uitdrukking naar zijn vrienden gewend.
+
+Thomas en Van Halen zwommen naar hem toe, als dollen het water
+doorklievend, doch eer zij hem bereikt hadden, zonk de arme jongen.
+
+Van Halen dook naar hem. De gerechtsdienaars knoopten eenige touwen aan
+elkander en wierpen het eind van de lijn in het water.
+
+De kapitein deed een greep en Andries voelde zich met zulk een
+krachtigen ruk opgetild, dat hij met het halve lijf boven water kwam.
+
+»Grijp mij nu niet beet! Grijp me niet beet!" riep Van Halen, in grooten
+angst dat Andries dien noodlottigen misgreep zou doen.
+
+»Wees niet bang!" gorgelde Andries.
+
+Toen Van Halen zag dat zijn neef begrip van den toestand had, herkreeg
+hij onmiddellijk zijn moed en bedaardheid weer.
+
+»Op je rug!" zei hij bits, en een slag vooruit doende, hielp hij tot de
+vereischte beweging.
+
+»Je hand op mijn schouder!... Mooi zoo!"
+
+»En op _mijn_ schouder je andere hand," zei Thomas nu.
+
+Het gelukte en moeizaam worstelden de beide zwemmers toen dwars door den
+stroom. Slechts een oogenblik hadden zij geweifeld welken kant uit te
+zwemmen, zonder het noodlottig belang van een zoo eenvoudige keuze te
+weten: toen, ziende dat de westelijke oever een weinig nader was,
+zwommen zij daarheen, in plaats van als zoete jongens naar de
+gerechtsdienaars te zwemmen en zoo een nieuw avontuur tegemoet te gaan.
+
+Door den sterken stroom dreven zij geweldig af en nadat zij ongeveer een
+honderd slagen gedaan hadden, vroeg Andries ongerust: »Hoeveel nu nog?"
+
+»Wees niet bang," hijgde Thomas, »je bent zoo veilig als in bed."
+
+Een oogenblik later voelden zij tot hun verbazing, grond, en zij waadden
+naar den kant.
+
+Zoodra zij op den vasten wal stonden zagen zij elkaar van het hoofd tot
+de voeten aan, reikten elkaar gelukwenschend de hand en keken daarop hoe
+de anderen het er afgebracht hadden.
+
+De gansche bemanning zat veilig en wel op de omgeslagen schuit, met
+jongeheer appelgezicht, den omkeerder der dingen, in het midden. Al dit
+rumoer scheen geen bijzondere stoornis in zijn gewoonten gebracht te
+hebben, althans hij huilde, toen hij het gezelschap in het water liet
+duikelen, en hij huilde toen het er weer uit was.
+
+»Zullen we wachten neef, tot zij de schuit weer in orde hebben?"
+
+»Neen, Andries, de vracht is betaald. Laat ons dadelijk voortmaken!"
+
+Zoodra hun besluit duidelijk werd, ontstond er aan den overkant beweging
+in den troep die op hun beraadslaging gelet had, en zij hadden slechts
+weinige stappen gedaan, toen er een stem over het water tot hen kwam,
+die »halt!" riep.
+
+Ze keken om, zonder hun tred te vertragen en zagen toen, dat de schuit
+nog altijd midden op den stroom dreef.
+
+»Halt! in naam van den schout!" klonk het van den overkant.
+
+Het drietal stapte echter des te haastiger door, tot er van hun
+vervolgers niets meer te zien was.
+
+Thomas miste eindelijk voor het eerst zijn knapzak. Die had in de schuit
+vlak naast hem gelegen en zou nu wel op den bodem van de Eendracht
+rusten, meende hij. Hij troostte zich echter, dat er niet zoo heel veel
+bijzonders meer in zat.
+
+»En je toovermiddel dan?" vroeg Andries lachend.
+
+Van Halen werd nu opmerkzaam en vernam thans, wat de eerste aanleiding
+tot hun avontuur was geweest.
+
+Weldra kwamen zij in een klein dorp, en traden de herberg in met de
+bedoeling zich bij den haard zoo goed mogelijk wat te drogen.
+
+»Lieve menschen, kijk me nu toch eens aan! Jullie bent dóórnat!" riep de
+waardin verbaasd. »En dat in November! 't Is om ziek te worden! Gauw die
+spullen uit! 'k Zou het mijn leven lang niet kunnen verantwoorden als ik
+jelui zóó daar zitten liet!" Meteen drong zij het drietal naar een
+afzonderlijk vertrek, gaf Van Halen het Zondagsche pak van haar man,
+benevens wat ondergoed, schommelde inderhaast ook voor Andries en Thomas
+wat kleeren samen, waarop ze zei: »Ziezoo, gooi nu maar gauw die kille
+plunje uit en als je verkleed bent, waarschuw je maar, dan zal ik die
+natte rommel dadelijk te drogen hangen."
+
+Het drietal zag er nu weldra allerpotsierlijkst uit, want Van Halen was
+het pak veel te klein, zoodat hij zijn armen nauwelijks verroeren durfde
+uit vrees, dat het buis in den rug mocht scheuren; en Andries en Thomas
+zat alles zoo wijd, dat het hun bij iedere beweging om de leden
+slobberde.
+
+Zoo kwamen zij vroolijk de gelagkamer weer binnen en ook de waardin had
+uitbundig veel pret in den vermakelijken optocht.
+
+Daar zij 's morgens, wegens hun overhaast vertrek, hun ontbijt halfweg
+in den steek gelaten hadden, gebruikten zij thans met groote graagte en
+opgewektheid het door Van Halen bestelde, en toen hun kleeren eindelijk
+weer droog waren gingen zij het dorp in, om te zien of zij een schuit
+konden krijgen.
+
+Het geluk was hun mee, want al spoedig vonden zij een schipper die
+bereid was, hen op hun bestemming te brengen.
+
+Voor dien dag echter was het daartoe reeds te laat. Maar den volgenden
+morgen namen zij afscheid van de hartelijke waardin en reeds 's avonds
+kwamen zij te Vlissingen aan.
+
+Langzamerhand keerden ook de vier matrozen terug, elk van eenige
+aangeworven zeelui vergezeld.
+
+Toen ze allemaal gearriveerd waren, bleken er in het geheel
+vier-en-twintig, waaronder een kok en een chirurgijn. Pieter had dus
+volk genoeg, want twintig man was voor zijn schip reeds voldoende
+geweest.
+
+Zoodra alle matrozen aan boord waren, liet Van Halen het anker lichten,
+hijzelf nam de post van stuurman waar, en de beruchte _Doodkist_ ging
+tot een proeftocht onder zeil.
+
+Licht en bevallig als een trotsche zwaan gleed het slanke vaartuig over
+de wateren, terwijl het door honderden menschen aan de haven met
+bezorgdheid werd nageoogd.
+
+Het was op zee tamelijk stormachtig, maar »_De Vlugge Christina_"
+doorkliefde de golven, den storm tegemoet, en verdween uit het oog der
+toeschouwers, die eigenlijk niet wisten of zij waakten of droomden en
+aan tooverij dachten.
+
+Twee dagen later wierp het schip zijn anker weer uit en baarde algemeen
+opzien.
+
+Nu had Van Halen zijn mannen met zijn vaartuig vertrouwd gemaakt. Alle
+vrees was voorbij; de matrozen erkenden nu, hoe véél het schip vóór had
+boven andere vaartuigen en stelden thans ook een onbepaald vertrouwen in
+hun genialen kapitein.
+
+[Illustratie]
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+De eerste tocht.
+
+
+Het jaar 1624 was berucht door zijn stormen en de veelvuldige ongelukken
+die daar, in verband ook met den bouw der toenmalige zeeschepen, het
+gevolg van waren.
+
+In dit jaar deed »_De Vlugge Christina_" haar eerste reis naar
+Oost-Indië.
+
+Van Halen had een groot deel van zijn vermogen te Hamburg besteed aan
+manufacturen, waarmee hij zijn schip bevracht had. Het stouwen was onder
+zijn opzicht gebeurd en zoo voortreffelijk uitgevoerd, dat het vaartuig,
+hoewel zwaar geladen, toch niets van zijn vlugheid verloor. Het was ook
+met tien lange, metalen stukken gewapend, maar kon toch het meest nog
+vertrouwen op zijn onbegrijpelijke vlugheid, gevolg van de heel
+bijzondere tuigage en den zoo eigenaardigen bouw van den romp.
+
+Den vijfden December ging Van Halen in zee en den tienden had hij het
+midden van den grooten Atlantischen Oceaan al bereikt. Maar hier
+wachtten hem ál de ongemakken, die gedurende dien noodlottigen winter
+zoo menig zeeman in gevaar brachten. Zoodra hij in volle zee was, brak
+er een storm uit het Noordwesten los, vergezeld van hagel en sneeuw, die
+negen volle dagen aanhield. Gelukkig, dat het schip geheel nieuw en zoo
+bijzonder sterk was, want het werd ver weg geslingerd naar onbekende
+gedeelten van den Oceaan.
+
+»De lucht is bepaald warm," zei Andries op zekeren dag, »en dat nog wel
+in het hartje van Wintermaand!"
+
+»Ja," zei Van Halen, »ik geloof dat we snel de Zuidelijke luchtstreek
+naderen, want ook het water is veel warmer. Jammer, dat de storm ons
+verhindert, eenige waarnemingen te doen."
+
+De sneeuw was overgegaan in een dichten, aanhoudenden regen en zoo werd
+»_De Vlugge Christina_" eindelijk in een gedeelte van de zee gedreven,
+waar de Oost-Indievaarders nooit kwamen.
+
+Eenzaam kliefde het schip de golven.
+
+Op den negenden dag des avonds, toen de storm zich juist met vernieuwde
+kracht verhief, riep Andries eensklaps:
+
+»Kijk neef, een schip!"
+
+Allen zagen nu een vaartuig, dat hevig met de golven kampte. Het had
+niets behouden dan den mast, terwijl op »_De Vlugge Christina_" aan den
+boegspriet, den voorsten en den grooten mast de zeilen nog in goeden
+staat waren en Van Halen met behulp daarvan zooveel mogelijk Westwaarts
+trachtte te sturen.
+
+»Nu kun je toch eens zien," zei Thomas, »met wat een verwonderlijke
+snelheid ons schip voortgaat," want het vreemde vaartuig was nauwelijks
+in het gezicht, of de »_Christina_" vloog het als de wind weer voorbij.
+
+Het was, hadden zij opgemerkt, een slavenschip dat zich stellig in nood
+bevond, want er werden kanonschoten gelost, waarvan het geluid nog flauw
+tot hen overwoei.
+
+Aan hulp verleenen viel echter niet te denken en binnen vijf minuten was
+de »_Christina_" al een halve mijl Zuidwestwaarts gedreven.
+
+Het vreemde schip kwam uit Portugal en was naar Guinea bestemd; toen het
+weer bedaarde herstelde het zijn averij en de bijgeloovige manschappen
+vertelden naderhand dat hun, juist toen zij in den hoogsten nood
+verkeerden, een vreemd gebouwd vaartuig zonder bemanning, dat de
+Hollandsche vlag voerde, als een spookachtige verschijning met volle
+zeilen was voorbij geijld. De matrozen sierden dit sprookje
+onwillekeurig nog wat op, en in West-Indië was spoedig het verhaal van
+een Hollandsch spookschip het onderwerp der gesprekken van alle rustende
+zeelui.
+
+'s Nachts werd plotseling de lucht helder, tot groote vreugde van
+schipper Van Halen. »Andries? haal me den Jacobstaf[C] eens!" riep
+hij.»Ik wil dadelijk eenige waarnemingen doen!"
+
+[C] Van sextanten wist men toen nog niet af.
+
+Met verbazing bevond hij, dat hij de linie al gepasseerd was en den
+vijfden graad Zuiderbreedte had bereikt. Hij kòn het haast niet
+gelooven. Maar toen den volgenden middag de wind naar het Oosten liep en
+de gloeiende zonnestralen het teer op het schip vloeibaar maakten, toen
+de waarnemingen van zijn matrozen allemaal precies zoo uitkwamen als die
+van hem, zie, toen ging er een luid gejuich op, want nu bleek, dat het
+schip, in weerwil van den storm, binnen den korten tijd van _zestien_
+dagen 1150 zeemijlen had afgelegd.
+
+Met een haast bijgeloovigen eerbied beschouwden nu de zeelui den man,
+die zóó iets wonderbaarlijks had uitgevonden. Thomas hechtte zich van nu
+af aan zijn meester met de trouw van een hond.
+
+En Van Halen zelf? O, hij voelde zich onuitsprekelijk gelukkig, nu al
+zijn arbeid en denken ten slotte zoo schitterend werden beloond, nu
+ervaren zeelui als de zijne telkens en telkens weer een uitroep van
+bewondering slaakten, zoo vaak zij een nieuwe voortreffelijkheid, een
+nieuwe verbetering aan tuig of romp ontdekten.
+
+Er was dan ook doorloopend een aangename stemming aan boord en dat die
+er _in_ bleef bij de bemanning, daar zorgde Thomas genoegzaam voor.
+
+Thomas zat geregeld vol gekheid en guitenstreken; van een zak en een oud
+buis bijvoorbeeld wist hij een beer in elkaar te zetten zoodat hij den
+scheepsheelmeester er eens den grootsten schrik mee op het lijf joeg,
+toen hij het nagebootste dier in de schemering om een hoekje van de
+kajuit plaatste; met een stukje touw of eenige andere kleinigheid wist
+hij de aardigste kunstjes; hij zong liedjes die geen der matrozen kende
+om de eenvoudige reden dat hij ze zelf berijmde op bekende wijzen; hij
+kon griezelige geschiedenissen vertellen, dat zelfs de ruwste matrozen
+er bij huiverden en dan weer verhaalde hij een zoo kluchtig avontuur,
+tijdens zijn rondzwerven als marskramer beleefd, dat de bemanning
+schaterde van pret.
+
+Soms echter waren zijn streken wel eens onaangenaam voor den persoon,
+die er bij betrokken was, maar ook dan nog bleven zij toch meestal
+onschuldig.
+
+Zoo had de kok een vriend aan boord, dien hij de grootste genegenheid
+toedroeg en dikwijls met welbehagen op den rug kon kloppen, hem prijzend
+om zijn voortreffelijkheid.
+
+En toch--zoo wreed is het noodlot soms--hij moest hem dooden met eigen
+hand.
+
+De vriend was namelijk een vet varken.
+
+Om af en toe eens versch vleesch te hebben had Van Halen er een vijftal
+meegenomen, waarvan dit het zwaarste was; de vier andere zouden tijdens
+de reis vetgemest moeten worden.
+
+De kok kon soms, tijden aanéén, met zijn pijpje in den mond, genoeglijk
+naar het logge dier zitten kijken; of hij trakteerde het op de lekkerste
+hapjes van hetgeen er van het middagmaal was overgebleven. En terwijl
+het varken at, krauwde de kok het liefkozend tusschen de ooren.
+
+Maar eindelijk moest zijn dierbare vriend er toch aan gelooven; en het
+werd hoog tijd inderdaad, want hij was zóó vet, dat hij niet eens meer
+loopen kon.
+
+Zuchtend sleep de kok in de kombuis zijn mes, zuchtend onderzocht hij,
+op den nagel van zijn duim de scherpte der snede en met nog veel dieper
+gezucht trad hij eindelijk op zijn lieveling toe.
+
+Deze zat hem echter reeds in alle voornaamheid af te wachten: Een ronde
+hoed met slappen rand, dien de kok enkel bij feestelijke gelegenheden
+droeg, dekte zijn kop! Een mantel omhulde zijn plomp lichaam, terwijl
+een breede, witte halskraag aan het domme varkensgezicht een vreemde
+waardigheid verleende. Daarbij stond, op een omgekeerd vaatje als
+lessenaar, een opengeslagen boek schuin omhoog voor den vetten sinjeur
+opgericht, waarin het scheen dat hij met groote deftigheid zat te lezen.
+
+Nauwelijks kreeg de kok deze dwaze vertooning te zien, of hij werd rood
+van kwaadheid, terwijl hij riep: »Dat heeft me natuurlijk die weergasche
+Thomas geleverd!"
+
+Met dreigende houding en blik keek hij rond, opgewonden tierend: »Waar
+zit hij, die galgestrop, die caronje, die ... die ..."
+
+Hij was buiten zichzelf, hij kón niet meer.
+
+De geheele bemanning vloog naar het varkenshok, om te zien wat er gaande
+was.
+
+Toen dreunde opeens een bulderend gelach, want de matrozen vonden de
+grap allerkostelijkst.
+
+»Ik wist niet, dat meneer Knor familie van je was!" grinnikte er een.
+
+»Ei kom, dat kan je toch wel zien," plaagde een ander; »ze hebben zelfs
+samen één kleerenkast!"
+
+»Nu ik zou wát trotsch zijn op zoo'n bloedverwant," zei weer een derde,
+»'t lijkt wel een rechtsgeleerde!"
+
+Daar kwam de kapitein op het leven af.
+
+De kok schoot onmiddellijk op hem toe, zoodra hij den gezagvoerder in 't
+oog kreeg en riep: »Kapitein, u moogt dien Thomas, dien schelm, wel eens
+duchtig onder handen nemen, want hij heeft ..."
+
+Ongelukkig voor den armen kok kon echter ook Van Halen zijn lachlust
+niet bedwingen en keerde zich dadelijk om, terwijl hij proestend weer in
+de kajuit verdween.
+
+Daar ontbood hij echter Thomas bij zich en gaf hem er het een en ander
+te doen, om den jongen voor dien dag onder het oog van den kok vandaan
+te houden.
+
+Met deze en dergelijke grappen en dwaasheden, maar vooral ook door zijn
+hulpvaardigheid, won Thomas zich steeds meer en meer de gunst der
+matrozen. Zoo'n scheepsjongen was wat wáárd, meenden zij, die bracht nog
+eens wat afleiding in het dagelijksch leven aan boord!
+
+En intusschen spoedde het schip zich maar immer over de golven en had
+reeds den negentienden dag, dus na een reis van vijf-en-dertig dagen, de
+kust van Brazilië in het gezicht.
+
+Hier ontmoetten zij een menigte schepen, maar »_De Vlugge Christina_"
+vloog die alle als een vogel voorbij. Oorlogsschepen praaiden het
+ongewone vaartuig, maar Van Halen lette er weinig op; woedende kapiteins
+zonden het kogel op kogel na, maar niet één, die het bereikte. Als een
+spooksel verdween het vlugzeilende vaartuig uit de drukbezochte
+Amerikaansche wateren en snelde ver naar het Zuiden heen.
+
+Daarna wendde Van Halen den steven naar het Oosten en ging op zoo'n
+grooten afstand om de Kaap, dat hij geen land zag en ook geen enkel
+schip ontmoette.
+
+Eindelijk bereikte hij de Indische zee, maar hier, in die wateren vol
+klippen en eilanden, werd zijn geduld op allerlei wijzen op de proef
+gesteld. Toen hij op de hoogte van den keerkring gekomen was, werd het
+volkomen windstil, zoodat hij in vijf dagen niets vorderde. Maar op den
+zesden dag verhief zich een haast onmerkbaar koeltje, tegen den avond
+nam dit nog wat toe, en het vlugge schip, dat bij den minsten wind al in
+beweging kwam, vloog weer als een zeemeeuw over de golven.
+
+Tegen middernacht waarschuwde een van de wachthebbende matrozen
+plotseling: »Schip in zicht!"
+
+Van Halen en Andries, die zich ter kooi begeven hadden, waren nu in een
+oogenblik aan dek. De heldere maan bescheen weldra de volle zeilen van
+het vaartuig en toen de »_Christina_" het nog meer naderde, bleek het
+een groote, Hollandsche Oost-Indievaarder te zijn. Maar het lompe, logge
+gevaarte lag doodstil, terwijl de »_Christina_" vlug en bevallig over
+het effen zeevlak gleed.--Door de bemanning van het andere vaartuig werd
+dit met bijgeloovige verbazing aangezien.
+
+Toen zij van hun eerste verrassing wat bekomen waren, verzochten en
+kregen zij verlof, om met een sloep aan boord te komen.
+
+Daar de zes roeiers uit angst voor het vreemde vaartuig verzocht hadden,
+in de boot achter te mogen blijven, betrad alleen de stuurman het dek.
+
+Met de grootste verwondering bekeek de man het vaartuig van Van Halen en
+toen die hem vertelde, en in zijn scheepsjournaal aantoonde, dat hij van
+Hamburg tot hier geen volle drie maanden onderweg was, toen steeg zijn
+verbazing op het hoogst. »Hoe is het mogelijk! hoe is het mogelijk!"
+riep hij uit. »En _wij_ zwalken al 278 dagen op zee en de Hemel weet, of
+het nog geen 10 weken zal duren, éér we Java bereikt zullen hebben!" En
+opnieuw bekeek de vreemdeling het schip en zijn tuig, waarvan hem alles
+even raadselachtig voorkwam.
+
+Aan boord van zijn eigen vaartuig teruggekeerd, raakte hij niet
+uitgepraat over wat hij gehoord en gezien had en met ontzetting zag zijn
+volk, terwijl zij zelf nog altijd onbewegelijk lagen, het wonderschip nu
+verder en verder zweven, totdat het aan den gezichteinder verdween.
+
+»_De Vlugge Christina_" kreeg meer en meer wind en bereikte eindelijk
+zonder verdere ongemakken Java, waar men het anker wierp voor de reede
+van Bantam. De geheele reis, van Hamburg tot hier, met een vrij grooten
+omweg nog wel, bleek afgelegd te zijn in nog geen 170 dagen.
+
+Van Halen ging aan wal, waar hij zijn papieren moest toonen, en zich van
+het bestuur der Oost-Indische Compagnie voor een vrij groote som het
+recht koopen, om handel in de kolonie te drijven.
+
+Het werd hem toegestaan.
+
+Al wat hij had meegebracht wist hij nu spoedig en heel voordeelig te
+verkoopen, waarna hij ballast innam, om vervolgens naar de Molukken te
+stevenen. Hier laadde hij de kostbaarste specerijen, voer, al
+handeldrijvend, van de eene eilandengroep naar de andere en nam, na zijn
+schip rijkelijk beladen te hebben, de terugreis naar Europa weer aan,
+waar hij, na een afwezigheid van 503 dagen, het anker wierp voor
+Amsterdam.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Van Halen neemt een noodlottig besluit.
+
+
+De tocht van schipper Van Halen met het door hem zelf uitgevonden
+vaartuig werd druk besproken.
+
+Toen Andries tegen den avond een van de herbergen aan het IJ
+binnenstapte om er een kan _Haarlemsch_ te drinken, zaten ook dáár de
+aanwezigen er druk over te redeneeren.
+
+»Ik zeg maar," schreeuwde een scheepsbarbier, een klein, zwetserig
+kereltje, met hooge, gillende stem: »Ik zeg maar, dat het nu feitelijk
+bewezen is, dat de berekeningen van schipper Van Halen juist waren. En
+dat heb ik _altijd_ gezegd, ofschoon ieder indertijd volhield, dat de
+uitvinding van den knappen schipper geen halve duit waard was!"
+
+»Och wat!" gromde een scheepstimmerman, »heb je er zelf indertijd niet
+het hardst van allen den draak mee gestoken?"
+
+»_Ik!_" gilde het mannetje, rood van inspanning en verontwaardiging,
+»_ik?_ Een man van ontwikkeling?! Dat is immers te dwaas om los te
+loopen!"
+
+»En _ik_ zeg je, dat je 't wèl gezeid hebt!" bulderde de
+scheepstimmerman.
+
+»Bedaar, bedaar! vriend Jaspersz!" piepte het kereltje, terwijl hij
+angstig achteruit schoof; »ik heb dat wel eens _gezègd_, zeker, zeker!
+Maar uit gekheid, weet je?"
+
+»Jawel," gromde de scheepstimmerman, »zoo kan je natuurlijk je d'r
+altijd uit redden."
+
+»Hoor eens!" piepte de barbier, die, nu hij zag dat Jaspersz bedaarder
+was geworden, weer wat moed begon te krijgen, »ons vroeger oordeel doet
+er eigenlijk ook weinig aan toe; _dit_ is zeker: Door Pieter Van Halen
+is de scheepsbouwkunst een heele stap vooruit gebracht. Heb _jullie_
+ooit een schip gemaakt, dat in den ongelooflijk korten tijd van een jaar
+de reis naar de vèrste deelen van Indië kon doen?"
+
+»En dat zoo weinig vòlk noodig heeft?" voegde een ander zeeman er bij.
+Ofschoon ik dáár nu juist niet zoo mee ingenomen ben."
+
+»En dat waaròm niet?" gilde het scheepsbarbiertje weer.
+
+»Waaròm niet? Wel, dat is dunkt me zoo klaar als een klontje: Het
+vaartuig van schipper Van Halen heeft maar een derde van de manschap
+noodig, die een ander schip van dezelfde grootte vereischt. Een
+heeleboel zeevolk zal daardoor moeten leegloopen, als het gauw allemáál
+van die nieuwerwetsche schepen worden!"
+
+»Och wat!" gilde het stemmetje van den barbier nu weer. »Hoe korter reis
+en hoe minder manschap hoe voordeeliger voor de reeders. Die zullen dus
+meer schepen gaan bouwen, er zullen meer reizen worden gemaakt en ten
+slotte worden de zeelui er nog beter in plaats van slechter van."
+
+»Ja, als het de reeders goed gaat," zei weer een ander, »dan varen ook
+de zeelui daar wel bij."
+
+»En wat een verbetering met betrekking tot de gezondheid!" krijschte de
+barbier weer; »want bij schipper Van Halen behoeven niet zooveel
+menschen in een beperkte ruimte opgehoopt te worden als op andere
+schepen. En doordat de reis met dat schip maar zoo kort duurt, is er
+lang zooveel gevaar niet, dat het volk gebrek aan mondbehoeften en goed
+drinkwater zal krijgen, waardoor scheurbuik schier onmogelijk wordt!"
+
+»Bovendien," zoo mengde zich Andries nu in het gesprek, »hebben we nù
+den tocht gedaan bij het ongunstigste weer. We mogen dus hopen, dat er
+onder meer gunstige omstandigheden nog voordeeliger uitkomsten te
+wachten zijn."
+
+»_We?_ heb je dan de reis meegemaakt?" riepen verscheidene stemmen.
+
+»Ja, dat heb ik. Schipper Van Halen is mijn neef," zei Andries met
+zekeren trots.
+
+Van alle kanten werd hij nu met vragen bestormd, waar maar geen eind aan
+scheen te komen.
+
+»Nu, vriendschap!" zei ten slotte een van de aanwezigen, »na zoo'n
+gelukkigen uitslag is voor je neef zijn fortuin zoo goed als gemaakt. Je
+zult zien, het régent straks aanbiedingen, de een al mooier dan de
+ander, van rijke reeders die ook zulke schepen willen hebben."
+
+»Ik vrees, dat het hun weinig zal baten," gaf Andries ten antwoord.
+
+»En dat waarom?" riepen verscheidene gasten verwonderd.
+
+»Wel, toen mijn neef, jaren geleden, met zijn uitvinding voor den dag
+kwam, heeft niemand hem willen helpen. Integendeel, overal waar hij zich
+aanmeldde, werd hij bespot en uitgelachen...."
+
+»Ah, jawel," viel een matroos hem in de rede: »Vroeger, toen ik jullie
+noodig had, zal hij denken, wou jelui niemendal van me weten; wel nou,
+loop jullie dan nou óók maar naar de maan!"
+
+»Ja, zoo denkt hij er precies over," bevestigde Andries, betaalde zijn
+bier en stapte de herberg uit.
+
+Nauwelijks had hij die verlaten, of hij werd door een der aanwezigen,
+die slechts zwijgend geluisterd had, gevolgd en staande gehouden:
+
+»Zeg vriendschap!" zei de vreemdeling, »zou je neef heusch geen plan
+hebben om, zelfs voor veel geld, zijn uitvinding bekend te maken?"
+
+»Ik zou het niet denken, vriend!" gaf Andries ten antwoord.
+
+»Jullie moet dan wel heel rijk zijn," ging de man voort, »om ter wille
+van een misplaatst eergevoel zelfs een schitterende aanbieding van de
+hand te wijzen!"
+
+»Jullie? Mijn neef wil u zeggen. Want ik voor mij bezit geen duit!"
+
+Dat was het juist, wat de vreemdeling wilde weten. Vandaar dat hij met
+opzet het meervoud had gebruikt. »Welnu, als dat wààr is, dan zul je er
+toch ook niet op tegen hebben, om op een gemakkelijke manier een honderd
+gulden te verdienen."
+
+Honderd gulden verdienen op een gemakkelijke wijze! Andries' oogen
+schitterden! Want hij had, helaas, voor een groot deel de geldzucht van
+zijn vader geërfd!
+
+»En wat zou ik daarvoor dan moeten doen?" vroeg hij gretig.
+
+»Al heel weinig. Luister maar: Ik ben scheepsbouwmeester en het zou mij
+veel waard zijn, als ik óók zulke schepen als »_De Vlugge Christina_"
+kon maken. Daarom wil ik aan je neef het voorstel doen om hem, voor een
+groote som desnoods, zijn uitvinding af te koopen. Ik begrijp echter
+heel goed, dat dit niet dadelijk zal gelukken. Maar je hebt misschien
+invloed op hem. Welnu, tracht dan, zoodra ik weer vertrokken ben, uw
+neef te bewegen mijn voorstel aan te nemen. Gelukt je dit, dan betaal ik
+je onmiddellijk honderd gulden uit!"
+
+»Aangenomen!" zei de jonkman.
+
+»Laten we dan afspreken, dat we elkaar precies over veertien dagen weer
+in dezelfde taveerne van hedenavond zullen ontmoeten."
+
+»Top!" riep Andries, waarna hij den vreemdeling verliet om weer naar
+boord te gaan.
+
+Reeds den volgenden morgen werd den kapitein door den scheepstimmerman
+een inderdaad schitterend aanbod gedaan. Maar Van Halen, die in den man
+een van zijn vroegere tegenwerkers herkende, weigerde beslist. Andries
+deed wat hij kon om neef Pieter tot andere gedachten te brengen,
+maar--niets mocht baten. Dit maakte hem verdrietig en daar van het
+onderwijs in den eersten tijd tòch niets komen zou, vroeg en kreeg hij
+verlof om eens voor een week naar zijn familie in Rotterdam te gaan.
+Want men moet weten, dat na den aanval zijn vader het toch maar veiliger
+geacht had, om weer dáár te gaan wonen.
+
+Aanhoudend dacht Andries aan de halsstarrigheid van zijn neef, die hem
+verhinderde in één oogenblik honderd gulden te verdienen. O, als _hij_
+die uitvinding eens gedaan had, als _hij_ die plannen en teekeningen
+eens bezat! Wat zou hij er zaken mee doen! Voor duizenden guldens zou
+hij ze verkoopen....
+
+Maar--hij hàd ze nu eenmaal niet. En Pieter, die ze wèl bezat, liet ze
+nu verder ongebruikt vergelen. Wáár zouden ze liggen? In de kast
+natuurlijk, die neef altijd zoo zorgvuldig gesloten hield.... Maar als
+die kast nu te eeniger tijd toevallig eens los was, zou het dan zoo erg
+wezen als hij, Andries, die papieren er uit nam en ze voor veel, veel
+geld verkocht? Ze lagen daar immers toch maar renteloos! Pieter zou er
+dus heelemaal geen schade bij hebben....
+
+Zóó mijmerde Andries voort en hoe méér hij er over dacht, hoe méér zijn
+geldzucht hem aandreef, zich van die plans en teekeningen meester te
+maken.
+
+Na een week reeds keerde hij naar Amsterdam terug, vást besloten, om
+zijn voornemen ten uitvoer te brengen, zoodra de gelegenheid maar
+gunstig was.
+
+Onder die omstandigheden vond hij het nu zelfs gelukkig, dat zijn neef
+zoo halsstarrig geweigerd had. »Maar," zoo vroeg hij zich af, »zal
+Pieter bij zijn weigering _blijven_?"
+
+Spoedig bleek hem echter, dat voor die vrees weinig grond bestond. Wel
+ontving Van Halen van alle kanten uitnoodigingen en bezoeken, wel kreeg
+hij van alle kanten aanzoeken om modellen te maken volgens _zijn_
+stelsel; ja, poogden de Oost-Indische Compagnie en de Hooge regeering
+zelfs hem over te halen tot mededeeling van zijn uitvinding, maar
+schipper Van Halen bleek niet te vermurwen. Hij was nu met hart en ziel
+koopman geworden en trachtte alleen in _die_ hoedanigheid van zijn
+uitvinding zooveel mogelijk voordeel te trekken. Zijn eischen liepen dus
+buitensporig hoog, zoodat de regeering van alle verdere onderhandeling
+met hem afzag.
+
+Particulieren die dit hoorden, waagden het nu heelemaal niet meer. Maar
+van dat oogenblik af aan trachtten alle mogelijke scheepsbouwmeesters,
+die tòch al het land aan Van Halen hadden, zijn uitvinding te
+kleineeren. Volgens hun oordeel was »_De Vlugge Christina_" een schip,
+dat slechts zoo kon worden gemaakt, omdat het zoo'n _klein_ vaartuig
+was. Groote schepen zou men op die manier niet kunnen bouwen, ging men
+zeggen. In het kort, wangunst en boosaardigheid deden wat zij konden, om
+den roem, dien Van Halen als uitvinder reeds verworven had, zoo klein
+mogelijk te maken, zoodat weldra de meeste menschen de overtuiging
+hadden, dat Van Halen een heel gewoon schippertje, maar een geweldig
+groote bluffer was.
+
+Andries begreep echter, dat de mannen van het vak voor zich zelf wel
+beter wisten en dat het bezit van neef Pieters teekeningen nog alle
+waarde voor hen hebben zou.
+
+Op den bepaalden tijd begaf hij zich naar de herberg, waar hij, volgens
+afspraak, den scheepstimmerman zou ontmoeten. Nu de zaken zoo'n keer
+hadden genomen, had hij echter weinig hoop, den vreemdeling daar aan te
+treffen. Zooveel te grooter was dus zijn verrassing, toen hij er den man
+toch zitten vond.
+
+»Je bent er niet in geslaagd, je neef tot andere gedachten te brengen?"
+vroeg de vreemdeling zacht, om niet door de aanwezigen gehoord te
+worden.
+
+»Neen," zei Andries, »maar wat zou het u waard zijn," fluisterde hij,
+»als _ik_ u die ontwerpen verschafte?"
+
+»De zaak loopt prachtiger van stapel, dan ik had durven hopen," dacht de
+vreemdeling, die juist gekomen was om Andries, wiens geldzucht hem den
+vorigen keer vrij duidelijk was gebleken, tot die slechte daad over te
+halen.
+
+»Wat mij dat waard zou zijn? Stellig wel een duizend gulden!"
+
+»Neen, voor zoo'n bagatel wil ik het niet doen," was het antwoord.
+
+Lang en druk werd er daarop gefluisterd en het gevolg was, dat Andries
+op zich nam, den vreemdeling voor tienduizend gulden de papieren, die op
+de uitvinding betrekking hadden, in handen te spelen.
+
+Van dat oogenblik af bespiedde hij zorgvuldig de kast die neef Pieter
+tot eigen gebruik diende. Maar op welk uur van den dag hij ook de kajuit
+binnen sloop, steeds vond hij ze gesloten. Eens, toen Pieter zich aan
+dek bevond, beproefde Andries den sleutel van zijn eigen kast op het
+slot, maar tot zijn spijt bleek die niet te passen.
+
+Wat nu gedaan! Wachten tot Pieter bij ongeluk de kast eens niet afsloot
+kon hij niet lang meer, want de noodige herstellingen aan het schip
+waren al gedaan, de lading was al zoo goed als binnen en over een paar
+dagen zouden zij weer in zee steken. Neen, hij moest zijn slag slaan, nu
+of morgen, anders was het te laat! Maar _nu_, dat ging niet, want alle
+matrozen waren aan dek. De verdenking zou dus dadelijk op hém vallen ...
+Zou het moeilijk gaan, de kast open breken? Hij rukte even aan de
+deur.--Er kwam beweging in ... Ze zou gemakkelijk los te breken zijn ...
+Zonder veel geluid stellig ... En--Pieter sliep altijd vast ... O, van
+nacht, van nacht ... Ja, dan moet het gebeuren ... Morgen--dan was het
+misschien te laat.
+
+Pieter was dien dag druk in de weer geweest, want hij wilde dat het
+stouwen van de lading, evenals vroeger, geheel onder zijn toezicht zou
+geschieden. Moe van alle beslommeringen begaf hij zich eindelijk naar
+bed en sliep dadelijk in. Hij droomde van de nieuwe reis, die hij met
+zijn geliefd schip weer ondernomen had. »_De Vlugge Christina_" vloog
+weer, licht als een veertje, over de golven. Schepen van allerlei natiën
+snelde hij voorbij, tot hij ze in een oogenblik ver achter zich gelaten
+had. In weinige dagen was hij reeds de warme luchtstreek genaderd. Hij
+had nog geen waarneming gedaan, maar hij voelde het duidelijk aan den
+lauwen adem van den wind, die langs zijn wangen streek. Op eens, midden
+in den nacht, zag hij dreigend een donkere klip uit den oceaan omhoog
+steken. Hij wilde haastig het roer wenden, maar, door een onbekende
+oorzaak was dit onbruikbaar. Hij poogde te schreeuwen, om den bijstand
+der matrozen in te roepen, maar het scheen of zijn tong verlamd was. En
+intusschen naderde het vaartuig al sneller en sneller de klip, waar het
+regelrecht op afliep ... Reeds zag hij de klip vlak voor den boeg ...
+reeds hoorde hij een onheilspellend gekraak ... Toen werd hij wakker.
+
+Gelukkig, hij had slechts _gedroomd_.
+
+Maar dat gekraak dan, dat was toch géén droom geweest. Dat had hij
+duidelijk gehoord.
+
+Hij richtte zich op en keek rond.
+
+Plotseling ontwaarde hij in een hoek van de kajuit een donkere gestalte,
+die zich over een menigte papieren heenboog, in de grootste wanorde over
+den grond verspreid.
+
+Bliksemsnel greep hij naar het pistool, dat altijd onder zijn bereik lag
+en sprong het bed uit. Maar zijn hand zonk machteloos weer neer, want in
+hetzelfde oogenblik had hij, bij het bleeke licht van de maan dat door
+een der ruiten van de kajuit drong, in den dief zijn eigen neef herkend.
+
+»Groote God!... Andries!! Jij?" riep hij vol ontzetting.
+
+»Pieter ... ik ... ik ..."
+
+»Weg!! Weg!!" schreeuwde Van Halen met heesche stem. Want die geopende
+kast, die papieren, over den grond verspreid, deden hem met smartelijke
+helderheid eensklaps alles begrijpen.
+
+»Je bent--o, je bent een ellendeling!.. Weg! Weg!" kreet Pieter opnieuw.
+
+Doodsbleek en sidderend van angst greep Andries de deur van de kajuit en
+verdween als een schim in den nacht, om nooit weer aan boord te komen.
+
+Van Halen verzamelde nu alles wat op den grond lag en sloot de kast,
+waarna hij zich als wezenloos in een stoel liet neervallen.
+
+De papieren, die op zijn uitvinding betrekking hadden, had Andries niet
+kunnen vinden, omdat die op een geheime plaats achter het beschot
+bewaard werden. Niettemin had dit voorval Van Halen geweldig geschokt.
+Van alle kanten door vijanden omringd, zonder vrouw of kind om hem lief
+te hebben, had hij al zijn genegenheid, al zijn hoop op dezen
+schranderen jongeling gevestigd. En zijn plan stond reeds vast om zijn
+geheele bezitting aan hem te vermaken en, door hém, zijn uitvinding, die
+hem dierbaar was boven alles, eenmaal aan de wereld over te dragen.
+
+Maar van nu af had hij niemand, niemand meer aan wien hij zich hechtte;
+van nu af aan zou zijn hart voor ieder gesloten zijn. Wie ter wereld was
+dan ook nog te vertrouwen, als zelfs hij, voor wien hij alles, alles had
+willen zijn, ja, dien hij tweemaal zelfs het leven had gered, hem nog
+ellendig bedroog? Neen, hij zou Europa verlaten en, (als een eeuwige
+zwerver,) nooit weer terugkeeren naar het werelddeel, waar hij zulke
+bittere ervaringen had opgedaan.
+
+In treurige overpeinzingen en plannen voor de toekomst verdiept, zat hij
+nog lang na middernacht in de kajuit. Tegen den morgen had hij zijn
+besluit genomen. Hij stond op, legde een flink vuur aan en haalde toen
+uit de geheime kast al de papieren, die op zijn uitvinding betrekking
+hadden. Stuk voor stuk wierp hij ze in de vlammen en zag toe, hoe de
+arbeid en inspanning van schier heel zijn leven snel door de gretige
+vlamtongen omkronkeld en verteerd werden. Een traan rolde langs zijn
+door de zon gebruind gezicht--het was de laatste warmte-uiting van een
+gemoed, dat plotseling verkild was.
+
+Toen stond Van Halen op. Hij was een geheel ander mensch geworden. Moe
+van den hevigen schok en het droevige peinzen en denken, wierp hij zich
+opnieuw op zijn leger neer, vol heftigen haat voor de menschen, van wie
+hij zijn leven lang niets dan spot, miskenning en laagheid had
+ondervonden.
+
+In sombere stemming kwam hij dien morgen aan dek. »Mannen," sprak hij,
+nadat hij al zijn matrozen om zich heen verzameld had: »ik heb besloten,
+Europa voor goed te verlaten. Wat mij tot dit besluit bewogen heeft,
+doet er weinig toe. Ik dwing niemand om met mij te varen, die er niet
+vrijwillig toe overgaat. Wie echter lust heeft met mij te vertrekken
+waarheen ik verkies, zal nooit mogen vragen waaróm ik _dit_ doe of
+_dat_; wànneer wij zullen landen of wáar wij zullen aankomen, want van
+nu af geef ik niemand rekenschap van mijn doen of laten meer. Ieder, die
+deze voorwaarde aanneemt, beloof ik een dubbele gage en eenmaal, wanneer
+hij voor den dienst ongeschikt wordt, een rijkelijk pensioen. Ieder, die
+dat _niet_ wil, kan vandaag nog in mijn kajuit komen om zijn loon en
+desnoods dadelijk vertrekken. Morgen echter gaan wij onder zeil."
+
+Negentien van zijn manschappen, allen kloeke, onverschrokken kerels,
+sloten nu een verdrag met hem, overeenkomstig de voorwaarden die hij had
+gesteld. Ook Thomas, nu als matroos meevarend, sloot zich bij hen aan.
+De vijf overigen waren getrouwde mannen en verlieten het vaartuig en
+zijn kapitein, die zij beide lief hadden gekregen, met een gevoel van
+weemoed, zooals ze nog bij geen enkele afmonstering gekend hadden.
+
+Van Halen zag ze echter onverschillig vertrekken.
+
+Den volgenden dag liet hij, tegen den avond, de ankers lichten zonder
+zijn pas te vertoonen, waarop het wachtschip onmiddellijk van wal ging
+om hem aan te houden.
+
+Maar onder het gejuich der matrozen liet Van Halen de Hollandsche vlag
+hijschen. Een zwarte wimpel waaide van den grooten mast als bewijs, dat
+hij zoowel met zijn vaderland als met ieder ander wilde breken, en
+spoedig was het vlugge vaartuig als een waterspook uit het gezicht
+verdwenen, ofschoon het oorlogsschip alle zeilen bijzette en het kogel
+op kogel nazond.
+
+[Illustratie]
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+In de haven van Port-Royal.
+
+
+Zoodra Van Halen in volle zee was liet hij den steven naar het Zuiden
+wenden, stuurde de volgende dagen bij een goeden wind langs de kusten
+van Normandië en liep eindelijk de golf van Biscaye binnen. Hier, in het
+meest stormachtige gedeelte van de zee die Europa bespoelt, had het
+schip veel te lijden van vreeselijke windvlagen en hooggaande golven;
+maar daar het zoo voortreffelijk ingericht was, waren Van Halen en zijn
+klein getal manschappen toch volkomen in staat hun vaartuig te blijven
+besturen. Den vijfden dag zeilde hij des nachts, terwijl de storm loeide
+en de regen in stroomen neerviel, niet zonder gevaar, dicht langs de
+kust, om de rotsachtige Kaap Finisterre heen.
+
+De sombere stemming van Van Halen bracht hem in een toestand, waarin hij
+voor geen enkele onderneming meer terug beefde. Het leven had voor hem
+alle bekoorlijkheid, alle waarde verloren en dat van zijn medemenschen
+telde hij daarom even weinig als het zijne. Alleen het op de proef
+stellen van zijn geliefd schip achtte hij nog de moeite waard; alleen
+dàt denkbeeld kon hem nog bekoren. Daarom onderwierp hij het dolzinnig
+aan de vreeselijkste proeven en hoe onverschrokkener en vermeteler hij
+alles op het spel zette, des te schooner uitkomsten leverde zijn
+bouwkunst op.
+
+Opdat echter niemand zou raden, wat hij wilde beproeven, stond hij in de
+gevaarlijkste oogenblikken zelf aan het roer en riep zijn manschappen de
+noodige bevelen toe door den scheepsroeper. Met de kracht van een reus
+verrichtte hij alleen het werk, waartoe men op andere schepen
+onderscheidene manschappen noodig heeft.
+
+Toen hij, in weerwil van den storm, dicht bij de Spaansche kust kaap
+Finisterre omzeilde, was het wéér zoo'n gevaarvol oogenblik. Het was
+omstreeks negen uur 's avonds, toen de matrozen van de wacht hem den
+glinsterenden lichttoren van Villano aanwezen, die als een flauw
+schijnende ster op de golven scheen te dansen.
+
+Van Halen antwoordde niets, maar hield zijn schip, dat ondanks den storm
+vele zeilen bijhad, een weinig meer van de kust af, terwijl hij
+intusschen van tijd tot tijd een snellen blik op het nabij zijnde land
+wierp.
+
+Spoedig verscheen er ten Zuidoosten een tweede lichtpunt. Het was de
+vuurtoren van Torrinana.
+
+Toen Van Halen dit tweede, hem welbekende licht zag, bleek hem daaruit,
+dat hij thans aan bakboord de beruchte klippen van Torrinana en
+Corrubion kreeg en nu gaf de roekelooze aan zijn ontstelde manschappen
+bevel om, behalve de zeilen die al stonden, het fokkezeil op te halen,
+waardoor het schip een ontzettende vaart moest krijgen, of te midden van
+de branding zijn wissen ondergang tegemoet gaan.
+
+Zoodra het fokkezeil bijgezet was schoot het schip met zóó'n kracht
+vooruit, dat Van Halen niet meer bij machte was om alléén het roer te
+regeeren en daarom een van zijn sterkste matrozen te hulp riep.
+
+'t Was een moedig en ervaren zeeman, die niet kon nalaten hem opmerkzaam
+te maken op den gevaarlijken toestand waarin het vaartuig verkeerde.
+
+»Schipper," riep hij, »wij drijven naar de klippen af!"
+
+»Waarachtig niet," schreeuwde Van Halen, »we zeilen er op dit oogenblik
+om heen!"
+
+Plotseling schitterde er iets als de bliksem, waarop de knal volgde van
+een zwaar stuk geschut.
+
+In het volgende oogenblik zag men den omtrek van een groot schip zonder
+masten, dat door wind en golven landwaarts gedreven werd.
+
+»Groote God! Wat is dat?" riep de man die naast Van Halen stond.
+
+»Stuurboord!" klonk het bevel. »Het is een schip; over een minuut moet
+het vergaan!"
+
+Men hoorde eenige flauwe kreten, daar »_De Vlugge Christina_" in dat
+oogenblik op geen pistoolschot afstands achter den spiegel van het
+vreemde vaartuig voorbij gleed.
+
+Er werd nog een schot gelost en bij het flikkeren herkende men de vlag
+en zag men langs de zij van het schip talrijke monden van zware stukken
+geschut, en dat zich een groote menigte menschen aan boord bevonden, die
+in wanhoop rondliepen.
+
+Nu hoorde men een verschrikkelijk gekraak, dat zelfs boven het bruisen
+van de golven en het gehuil van den wind uitklonk.
+
+De matroos sidderde en bad overluid: »Barmhartige God, sta ze bij!"
+
+»Het is gebeurd!" sprak Van Halen ijzingwekkend koud.
+
+»_Al_ die menschen?" riep de matroos ontzet.
+
+»Ja!" was het antwoord, koud en gevoelloos uitgesproken, alsof het de
+onbeduidendste zaak ter wereld gold.
+
+Men zag weldra niets meer van het vreemde schip.
+
+Toch kwamen nog enkele schipbreukelingen op de wrakken van hun vaartuig
+aan de kust, waar zij gered werden.
+
+Het is licht te begrijpen dat het reeds bestaande geloof aan een
+spookschip onder Hollandsche vlag, door de verhalen van deze
+schipbreukelingen nieuw voedsel ontving.
+
+De buitengewone beweeglijkheid en de goede bouw redden Van Halen's
+vaartuig van het wisse verderf, waaraan hij het bijna moedwillig had
+prijs gegeven. Reeds na vijf dagen zeilde het ten Westen van Cadix, liep
+onder Engelsche vlag, deze haven binnen, nam eenige ververschingen in,
+benevens een grooten voorraad kostbaren Spaanschen wijn en stak toen
+weer in zee om naar de Canarische eilanden te zeilen. In volle zee
+heesch Van Halen de Hollandsche vlag weer en voer rustig daarheen,
+onbekommerd over hetgeen hem zou kunnen bejegenen.
+
+Spoedig kwam in de verte een groot schip te zien dat zijn geheelen
+achtermast en al de raas, stengen en rondhouten van de andere masten
+verloren had.
+
+Men gaf noodseinen, maar Van Halen zond zijn volk tusschendeks en
+bekreunde zich er niet om.
+
+De zonderlinge handelwijze van den anders zoo menschenlievenden man
+wekte onder het scheepsvolk niet weinig verwondering en ontevredenheid
+op. Niemand durfde echter zijn gevoelen uiten.--Het vreemde vaartuig
+bleef spoedig achter en verdween in de verte.
+
+Maar nu meldden de matrozen, dat op een zeemijl afstand een boot vol
+volk te zien was, dat zeker schipbreukelingen moesten zijn. Van Halen,
+wiens stemming hoe langer hoe somberder werd, hoe meer hij zich aan den
+omgang met zijn tochtgenooten onttrok, antwoordde niets, maar beval aan
+zijn manschappen, om zich op het dek neer te leggen en niet eerder op te
+staan, vóór hij het hun gebood.
+
+De vreemde boot roeide uit alle macht, om zooveel mogelijk het
+snelzeilende schip te achterhalen. Maar tevergeefs riepen de
+ongelukkigen om hulp en medelijden, tevergeefs spanden zij hun laatste
+krachten in om het schip te naderen en desnoods met geweld aan boord te
+komen. »_De Vlugge Christina_" vloog hen voorbij en liet de boot niets
+na dan eenige kringen in het water.
+
+Vijf minuten later was het schip van Van Halen al zoo ver, dat men den
+zwakken klank van hun stemmen niet meer hooren kon.
+
+De matrozen waren buiten zichzelf van verbazing over deze onmenschelijke
+onverschilligheid van Van Halen. Zij vreesden voor zijn verstand en
+maakten fluisterend opmerkingen die meestal hierop neerkwamen, dat men
+schip en leven niet langer kon toevertrouwen aan het opzicht van een
+krankzinnige. Van Halen hóórde dat nu wel niet, maar de duistere blikken
+van zijn manschappen voorspelden hem niet veel goeds, waarom hij besloot
+zich de eerste de beste gelegenheid van hen allen te ontdoen. Voorloopig
+echter had hij nog werk genoeg voor hen; alles wat door den storm
+beschadigd was deed hij herstellen en het schip van buiten opnieuw
+verven. Hij liet er nu ook de witte streep af, die langs de
+geschutpoorten liep en toen stak de lange, zwart geteerde romp dreigend
+af bij de groene oppervlakte van den oceaan.
+
+Nauwelijks waren deze werkzaamheden verricht, of aan den Zuidelijken
+gezichteinder verschenen als donkere wolken de rotstoppen van de
+Canarische eilanden. Den volgenden dag wierp kapitein Van Halen het
+anker op de reede van Teneriffe en vertoonde zijn schip de Spaansche
+vlag.
+
+Van Halen gaf nu zijn matrozen bevel, dat zij zich eenige dagen op dit
+eiland moesten vermaken, daar hij ongestoord alleen wilde zijn.
+
+Zijn sombere stemming aan boord was al bevreemdend genoeg, des te meer
+verraste hen nu dit verlangen om alleen te zijn. Zij hadden Van Halen
+lief, want, hoewel zij zich in stilte over hem uitlieten alsof hij niet
+wel bij het hoofd zou zijn, deed hij hen toch geen van allen ooit kwaad
+en zijn vreemdheid en onverschilligheid wekten bij hen wel huivering en
+medelijden, maar toch had hij hun achting nog niet verloren. In hun
+oogen was hij nog een onvergelijkelijk zeeman, een stuurman wiens kunst
+algemeene bewondering tot zich trok en een bevelhebber dien men zonder
+tegenspraak gehoorzaamde. Maar hij was hun in den laatsten tijd zoo
+vreemd voorgekomen, hij scheen dezelfde niet meer van vroeger. Angstig
+trachtten zij elkaar de bezorgdheid uit het hoofd te praten, die zijn
+vreemde handelwijze bij hen opwekte en waartoe hij met iederen dag
+opnieuw aanleiding gaf. In zijn besluit om eenige dagen alleen aan boord
+te blijven meenden zij dan ook niet anders te moeten zien dan een nieuwe
+dwaasheid van een waanzinnige. Toch was het hun niet onwelkom, zij
+zouden nu tenminste eens eenigen tijd van zijn drukkende somberheid
+ontslagen zijn. Want Van Halen's toestand werd hun een voortdurende
+benauwing; zelfs Thomas had sinds lang geen grappen meer.
+
+Van Halen vermoedde niets van dit alles; hij was voortdurend in
+zichzelven gekeerd en zijn manschappen waren in zijn oog niets dan
+werktuigen die hij niet missen kon. Hij wilde hen nog zoo lang bij zich
+houden, totdat hij een oord zou gevonden hebben, waar hij alléén,
+afgezonderd van de menschen, die hij haatte, leven kon.
+
+Vijf dagen lang hadden de matrozen in alle richtingen het eiland
+doorkruist; den zesden dag daalden zij weer boven Orotava van de bergen
+naar de kusten af. De ruwe zeelui, anders geen vrienden van groote
+tochten in het binnenland, verlieten het bekoorlijke eiland Teneriffe
+met een weemoedig gevoel en met huivering dachten zij aan de ontmoeting
+met hun kapitein. Hoe zouden zij hem aantreffen? Zou hij, na die
+dagenlange afzondering, niet nòg vreemder, nòg somberder geworden zijn?
+
+Met onverschilligen blik zag Van Halen zijn manschappen weer aan boord
+komen. Onmiddellijk gaf hij bevel de ankers te lichten, waarop het
+schip, door den wind in volle zee gedreven, vlug als een vogel uit de
+oogen der eilandbewoners achter het voorgebergte verdween.
+
+Van Halen bereikte spoedig het gedeelte van den oceaan, dat de
+Spanjaarden _Mare de Sargasso_ noemen. Hier schijnt de zeeman, te midden
+van de woelende golven, eensklaps een vreedzaam groen weiland te zien.
+Een groot gedeelte van het water is hier namelijk met zulk een dicht en
+weelderig groeiend zeegras bedekt, dat men het niet alleen niet _zien_
+kan, maar dat zelfs de golfslag er door gebroken wordt, zoodat de
+schepen daardoor, zoo niet geheel, dan toch in groote mate op hun tocht
+vertraagd worden.
+
+Van Halen zag dit vreemde verschijnsel, dat toch ook voor hém nieuw was,
+met dezelfde onverschilligheid en ijzingwekkende koelheid, die zich
+onder alle indrukken bij hem vertoonden. Zijn manschappen vervreemdden
+zich iederen dag meer en meer van hem, zij schuwden en ontweken hem
+zooveel ze maar konden, maar toch luisterden zij met angstige
+bezorgdheid naar ieder bevel, daar zij voelden, dat zij zonder hem niets
+zouden zijn en dat anders bij het eerste gevaar allen verloren zouden
+gaan.
+
+Thans echter stond het onwrikbaar bij hen vast, om bij het landen in de
+eerstvolgende haven Van Halen en zijn schip te verlaten. Geen
+vijandschap of haat was hiervan oorzaak, want evenmin als hun
+ongelukkige aanvoerder iemands liefde trachtte te verwerven, evenmin gaf
+hij zijn schepelingen aanleiding, zich gekrenkt te gevoelen. Maar alleen
+het drukkende gevoel van een treurige verlatenheid en van een
+onverklaarbare vrees, die zijn sombere en zwijgende persoonlijkheid bij
+hen opwekte, bracht hen tot dit besluit. Hun ruime gage, hun uitstekend
+voedsel, hun onvergelijkelijk vaartuig, niets was in staat hen te
+weerhouden.
+
+Na een tocht van negentien dagen sedert hun aankomst in de zee van
+_Sargasso_, vertoonden zich als lichte wolkjes aan de Westerkim de
+kusten van de eerste West-Indische eilanden.
+
+Van Halen was in deze streken nog onbekend. Hij zeilde daarom op het
+eerste vaartuig los, dat hij ontdekte en haalde daarvan een loods over,
+om hem den weg te wijzen tusschen de tallooze eilanden van den
+Amerikaanschen Archipel.
+
+In dien tijd was West-Indië even gevreesd om zijn gevaren als gezocht om
+zijn voortbrengselen. Door de gruwelijke wreedheid van de Spanjaarden
+werden deze bekoorlijke en rijke eilanden ontvolkt en verwoest. In het
+begin van de zeventiende eeuw bezetten de Engelschen en Franschen enkele
+dezer eilanden en legden er koloniën aan. Die eerste volksplanters
+werden echter door de Spanjaarden verdreven, vooral uit St. Domingo,
+maar de schoone streek was hun reeds te lief geworden, dan dat zij er
+zich geheel uit wilden laten verjagen. Zij vestigden zich dus op de
+nabijgelegen Schildpad-eilanden waar zij weldra, omdat zij van alle
+kanten toevloed kregen, tot zoo'n groot getal aangroeiden, dat zij de
+Spanjaarden met gelijke munt konden betalen. Zij verdreven ze eerst van
+St. Domingo en gingen toen, tot vergelding voor het hun aangedane kwaad,
+langs de kusten op roof uit. In tijden van grooten nood vielen zij alle
+volken aan, maar de Spanjaarden _altijd_, waar zij die maar vonden.
+
+Hun onverzoenlijke haat jegens dit volk was het gevolg van de ongehoorde
+wreedheid, waarmee de Amerikanen door de Spanjaarden behandeld werden.
+Vroeger hadden zij nooit aan zeerooverij gedacht. Zij waren enkel
+Boekaniers, d. i. stierenjagers geweest, maar de Spanjaarden hadden, om
+hen te benadeelen, alle stieren op St. Domingo uitgeroeid en hen dus tot
+het uiterste gebracht.
+
+Daar zij zich overtuigd hielden dat hun handelwijze wettig was, bezielde
+hen een moed, die alle gevaren en zelfs den dood verachtte. Ja, zij
+geloofden zóó weinig, onrecht te plegen, dat zij steeds God om bijstand
+bij hun onderneming aanriepen en Hem eveneens openlijk dankten, nadat
+alles afgeloopen was.
+
+Deze dappere, roekelooze mannen doorkruisten toen de zeeën van
+West-Indië en brachten door hun schrikkelijke daden vrees en ontzetting
+te weeg bij alle zeevarenden. _Boekaniers_, _Flibustiers_,
+_Marrons_--hoe zij ook genoemd werden, altijd werd er een somber gevoel
+van afgrijzen door opgewekt.
+
+Onder zulke gevaarlijke omstandigheden nu naderde de ongelukkige Van
+Halen met zijn fraai vaartuig het bekoorlijke eiland. Zijn somberheid
+nam nog toe met den dag en was voor zijn manschappen onbegrijpelijk; aan
+den eenen kant gevoelden zij ten opzichte van hun kapitein afschuw en
+ontzetting, aan den anderen kant diep medelijden.
+
+Het was dan nu ook zóó ver met den grooten man gekomen, dat hij begon te
+handelen, zonder zich zelf helder bewust te zijn van hetgeen hij deed;
+hij was geheel waanzinnig geworden.
+
+[Illustratie: »We zeilen er op dit oogenblik om heen!" (Bladz. 102.)]
+
+De ervaren zeelui van Van Halen, die voor geen gevaar terugdeinsden,
+waren thans vol van een vrees en een afschuw, even groot als het
+vertrouwen en het ontzag, dat zij vroeger voor hem gevoeld hadden.
+Huiverend bespiedden zij elk van zijn schreden, iedere dwaze daad, want
+zij konden het voor elkaar niet langer verbergen dat hen allen het
+vreeselijkst gevaar bedreigde, als deze verschrikkelijke man eens,
+misschien door een gering toeval, in woede geraakte. Geen van hen sprak
+meer met hem zonder zich door angstige schuwheid beklemd te gevoelen en
+ieder ontweek hem zorgvuldig, want zij wilden tot niets meer verplicht
+zijn dan tot den scheepsdienst en wat daarbij behoorde. Alleen Thomas
+had genoeg menschelijk gevoel om zijn meester met medelijden waar te
+nemen en hoe meer de anderen tegen hem opkwamen, des te vaster sloot
+_hij_ zich bij hem aan, des te liefderijker zorgde hij er voor, dat in
+al zijn behoeften voorzien werd. Ja, hij gebruikte zelfs zijn invloed om
+te beletten, dat men den ongelukkige aan handen en voeten gebonden in
+het ruim wierp, zooals enkelen al gedreigd hadden te zullen doen.
+
+Van Halen zelf scheen van de dreigende houding zijner manschappen even
+weinig besef te hebben als van zijn onbeschrijfelijk ongelukkigen
+zielstoestand. Evenals hij die menschen slechts als werktuigen scheen te
+beschouwen, als levende en bezielde gedeelten van het wonderbare
+vaartuig dat hij gebouwd had, evenzoo scheen hij zelf een werktuig te
+worden en niet meer te gevoelen of te verrichten dan noodig was tot
+besturing en instandhouding van het geheel. Maar dit deed hij met al de
+omzichtigheid, kracht en moed waarover de bekwaamste zeeman slechts kan
+beschikken en hoe minder hij mènsch scheen te blijven, des te meer moest
+zijn scheepsvolk erkennen, dat zijn kunde en ervarenheid als zééman
+toenam.
+
+Hij werd echter zoo karig met woorden, dat zij geen wóórd van hem
+hoorden of het moest een bevel zijn.
+
+De ongelukkige man vergat ook geheel voor zijn lichaam te zorgen.
+Kleeren, schoon linnen, eten en drinken, alles moest hem door Thomas
+gebracht worden bij het roer, dat hij nu bijna niet meer verliet.
+
+Slechts één ding scheen nog in staat te zijn, hem uit zijn wezenloosheid
+op te wekken. Namelijk wanneer er iets dat hij voor den dienst op het
+schip bevolen had, niet ten uitvoer gebracht werd, al was het ook nog
+zoo'n kleinigheid. Zoo had hij op zekeren dag aan een matroos bij den
+voormast iets onbeduidends bevolen en aan dat bevel was geen gevolg
+gegeven. Zoodra Van Halen dat bemerkte werd hij woedend, zette het roer
+vast, greep den matroos aan, die als een kind ineenkroop onder de
+vreeselijke handen van zijn bevelhebber en droeg hem naar de plaats,
+waar hij had moeten werken. Toen hij hem daar zijn werk had laten
+verrichten sloeg hij hem zóó geweldig met een eind hout, dat de arme man
+gedurende de verdere reis niet in staat was dienst te doen en eerst na
+een langdurig verblijf aan land het gebruik van al zijn ledematen
+terugkreeg.
+
+Al de matrozen omringden Van Halen en keken hem dreigend aan, maar niet
+één waagde het den woedenden man tegen te houden, ofschoon zij bij
+iederen slag vreesden, dat het den ongelukkige het leven zou kosten.
+
+Toen Van Halen eindelijk zijn slachtoffer half dood als een worm aan
+zijn voeten zag kruipen, beval hij, dat men zijn gekneusde ledematen met
+brandewijn wasschen en hem naar zijn kooi brengen zou. Hij stelde daarna
+een ander in zijn plaats, keek de verbleekende matrozen somber aan, hief
+dreigend het eind hout in de hoogte en keerde, zonder zich verder om hen
+te bekommeren, naar zijn post aan het roer terug om daar, evenals
+vroeger, de dubbele betrekking van scheepskapitein en stuurman waar te
+nemen.
+
+Het was een huiveringwekkend gezicht, deze waanzinnige, zooals hij in
+een stillen nacht in den maneschijn aan het roer stond en onbewegelijk
+zijn oogen op de angstige manschappen gevestigd hield. Huiveringwekkend
+ook was het te zien hoe hij, van vermoeienis haast bezwijkend, het roer
+aan een ander overgaf en dan, als een machine, altijd in een rechte lijn
+over het kleine dek heen en weer wandelde. Na op die manier een uur, of
+soms verscheidene uren te hebben doorgebracht, zocht hij een plekje
+naast de vlaggekast op, legde zich daar neer met het gezicht naar den
+hemel gekeerd en sliep in. Maar de kleinste beweging, het minste
+gedruisch maakte hem wakker en dan begaf hij zich met schijnbaar nooit
+uitgeputte krachten weer op zijn post.
+
+Zoo bereikte »_De Vlugge Christina_" eindelijk den West-Indischen
+Archipel, altijd bestuurd door den loods. Die voerde het schip, nadat
+het de onbewoonde eilanden zonder tegenspoed voorbij was, langs de
+Noord-Oostelijke punt van Jamaïca en nu zeilde het verder langs de
+heerlijke kusten van dit eiland, totdat het bij de hoofdstad Port-Royal
+binnen liep. Onder een geweldigen toevloed van menschen, die bij het
+ongewone schouwspel aan de haven bijeen stroomden, werd het schip tot
+onder de kanonnen van het fort gevoerd.
+
+Zoodra de loods het dek verliet traden al de matrozen met uitzondering
+van den zieke en Thomas, gezamenlijk op hem toe, ofschoon hij nog met
+enkele noodzakelijke verrichtingen voor de veiligheid van zijn schip
+bezig was en vertelden hem, dat zij eenparig besloten hadden de
+»_Christina_" voor altijd te verlaten.
+
+Van Halen staarde ze vreemd aan, gaf geen antwoord en ging voort met
+zijn bevelen te geven. Hij liet het vaartuig geheel aftakelen en alles
+op zijn plaats brengen waar het behoorde. Toen hij op die manier voor
+zijn schip gezorgd had, gaf hij aan zijn matrozen bevel om hun kisten te
+pakken, een boot aan te roepen en zich aan dek voor het vertrek gereed
+te houden. Daarop kwam hij bij hen. Hij betaalde aan elk het bedongen
+loon, liet den zieke met al wat hij bezat in de boot brengen en gaf hem
+een aanzienlijke som gelds. Toen sloot hij zich in de kajuit op en wilde
+verder van niemand meer iets hooren.
+
+Thomas, de eenige die Van Halen nog toegenegen was, klopte dan ook lang
+te vergeefs aan de deur. Eindelijk echter deed Van Halen open. Met een
+somberen blik zag hij den jonkman aan. »Wat wil je nog?" vroeg hij. »Ze
+zijn weg; allemaal! Ik heb je niet meer noodig!"
+
+»Kapitein, ik wil niet weggaan, ik blijf bij u; u kunt mij niet missen!"
+
+»Ga heen!" was het koele antwoord.
+
+»Neen, kapitein, ik kán en ik wil u niet verlaten. Wie zou u bedienen en
+wie zou bij u zijn als ik u ook verliet? Neen, kapitein, ik zal u als
+een hond volgen en al trapt u mij van u af, dan zal ik weer naar u
+toekruipen," zei de jongeling ontroerd.
+
+Van Halen staarde hem zwijgend en somber aan. Eindelijk scheen er toch
+een flauwe herinnering in hem op te komen.
+
+»O, jawel ... Je bent Thomas ... die me altijd eten brengt ... eten en
+schoone kleeren. O--ja, ja wel ... Thomas ...!"
+
+Met die woorden liet hij hem in de kajuit en stond toe, dat hij hem
+bediende, evenals vroeger. Thomas haalde nu wat voedsel, bracht wijn en
+verzorgde zijn ongelukkigen meester weer even trouw als te voren. 's
+Avonds, toen Van Halen sliep, ging hij aan dek en waakte hier den
+geheelen nacht, totdat zijn meester den volgenden morgen weer boven
+kwam. De krankzinnige staarde wezenloos naar de leegte op zijn schip.
+Hij was alles wat den vorigen dag gebeurd was al weer vergeten en
+wandelde volslagen onverschillig over het dek heen en weer, tot een
+nieuwe indruk zijn opmerkzaamheid weer wakker maakte.
+
+Hij zag van den wal een boot afsteken met verscheidene ambtenaren er in.
+Het had namelijk de aandacht getrokken, dat een menigte matrozen het
+schip hadden verlaten. Dat scheen verdacht. Men vermoedde een misdaad en
+had enkelen van hen onmiddellijk in hechtenis genomen. Het getuigenis
+van die lieden en de handelwijze van Van Halen zelf, die in gebreke
+gebleven was de noodige aangiften bij het havenbestuur te doen, hadden
+nu een bezoek van eenige beambten van het wachtschip ten gevolge.
+
+Van Halen zag met een glimlach de officieren en ambtenaren aan boord
+komen en begroette hen als iemand, wiens zaken volkomen in orde zijn.
+
+De officier van het wachtschip sloeg een blik van bewondering op het
+prachtige vaartuig en zijn fraaie inrichting. Toen zag hij Van Halen en
+den eenigen matroos die bij hem stond getroffen aan en vroeg:
+
+»Is u de bevelhebber van dit schip?"
+
+»Jawel, mijnheer," antwoordde Van Halen heel gewoon, »waaraan heb ik de
+eer van uw bezoek te danken?"
+
+»Zou ik uw papieren eens mogen inzien?"
+
+»Zeker, mijnheer, volg mij maar in de kajuit."
+
+De officier bevond alles in orde. Alleen was hij verwonderd dat de
+passen geen blijk droegen vóór de reis vertoond te zijn aan den
+Hollandschen havenmeester te Amsterdam. Nu zag hij de kajuit rond en
+vroeg:
+
+»Heeft u er iets op tegen, dat de ambtenaren uw lading onderzoeken?"
+
+»Volstrekt niet!" antwoordde Van Halen. Hij gaf Thomas de sleutels en
+wenkte hem, dat hij met de ambtenaren zou meegaan.
+
+Zoodra zij de kajuit verlaten hadden kreeg Van Halen een flesch wijn,
+schonk den officier en zichzelf in en onthaalde hem met de houding van
+iemand, die zijn wereld kent. Hij sprak echter geen woord meer, totdat
+de ambtenaren terugkwamen. Toen die eindelijk weer de kajuit binnen
+traden zag hij ze vragend aan.
+
+»Alles in orde!" was het antwoord.
+
+»Mijnheer," vroeg de officier verwonderd, »waar is uw volk toch?"
+
+»Gisteren hebben mijn matrozen hun ontslag gevraagd en zoodra ik ze
+uitbetaald had, hebben ze allemaal mijn schip verlaten," zei Van Halen
+met de grootste kalmte.
+
+»Maar heeft u nu nog manschappen genoeg over om den dienst te doen en de
+reis voort te zetten?"
+
+Van Halen keek treurig voor zich.
+
+Eindelijk zei hij, alsof hij uit een droom ontwaakte: »Ik hoop hier
+nieuwe matrozen aan te monsteren!"
+
+De officier en de ambtenaren keken elkaar bedenkelijk aan.
+
+»Ik zal u een wacht op uw schip geven, totdat het weer genoegzaam bemand
+is," zei de officier. »U behoeft dan tenminste niet bezorgd voor uw
+eigendom te wezen. Maar wees voorzichtig als u matrozen aanmonstert,
+want er zwerft hier veel gespuis rond."
+
+De vreemdelingen verlieten nu het schip weer en schudden bedenkelijk het
+hoofd over den kapitein en den treurigen toestand, waarin de ongelukkige
+verkeerde.
+
+Een uur later verschenen in een boot een onderofficier en vijf soldaten
+om het dek te bezetten. Thomas voorzag de soldaten van het noodige, om
+daarna weer al zijn zorgen aan den armen krankzinnige te wijden.
+
+Aan wal was men intusschen over het lot van Van Halen ernstig beducht.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+De Boekaniers.
+
+
+Toen Thomas nu meende, dat zijn tegenwoordigheid aan boord wel een
+oogenblik gemist kon worden, was hij met de eerste boot die bij het
+schip aanlegde, aan wal gegaan. Hij wilde zijn vroegere kameraden
+opzoeken en zien of zij niet te bewegen waren weer bij Van Halen dienst
+te nemen. Wat toch zou er hier van zijn ongelukkigen meester zonder
+vertrouwd zeevolk, terecht komen?
+
+Het duurde vrij lang, eer hij ze gevonden had, maar eindelijk trof hij
+ze, voor het grootste gedeelte althans, in een drukbezochte
+zeemansherberg aan.
+
+Thomas gebruikte nu al zijn overredingskracht om hen over te halen, weer
+naar het schip terug te keeren. Hij herinnerde hen aan het aanzienlijke
+loon, de goede verzorging, die zij op het schip van Van Halen genoten;
+hij beriep zich op de zeldzame eigenschappen van het voortreffelijke
+vaartuig; hij bracht hun de algemeen bekende goedhartigheid van den
+kapitein in herinnering en vroeg hun ten slotte, hoe zij het van zich
+konden verkrijgen om hun armen meester hier, in een vreemd oord, in
+zoo'n hulpbehoevenden toestand achter te laten.
+
+Niets mocht evenwel baten. De halfbeschonken matrozen hoorden hem wel
+aan, enkelen kregen zelfs te dóen met den ongelukkigen gezagvoerder,
+maar verscheidene hadden al op andere schepen dienst genomen en bij de
+meesten was de herinnering aan den doorgestanen angst nog zóó levendig,
+dat zij niets van Thomas' verdere redeneeringen meer wilden hooren en
+hem met woest gezang en luidruchtige tegenspraak poogden te overstemmen.
+
+»De kerel is gek en van den duivel bezeten!" riep er een.
+
+»Men moest hem doodslaan als een dollen hond!" schreeuwde een ander.
+
+»Je geeft je aan den Satan over, als je op zijn schip dienst neemt!"
+liet een derde zich hooren.
+
+»Met duivelskunsten en tooverspreuken is het vaartuig gebouwd," brulde
+weer een ander.
+
+»Weg met zijn duivelschip!" tierden verscheidenen, »ze moesten het
+verbranden!"
+
+Thomas zag nu duidelijk genoeg in, dat al zijn verdere moeite dwaasheid
+wezen zou. Hij dronk dus stil zijn glas uit, wenschte hun een goede reis
+en verliet de herberg onder het spottend gelach van zijn vroegere
+kameraden.
+
+Aan een andere tafel hadden echter vijf mannen van een forsch,
+onverschrokken voorkomen het geheele gesprek zwijgend aangehoord. Wel is
+waar verstond er maar één van hen de Hollandsche taal, maar toch hadden
+ook de andere vier opmerkzaam toegeluisterd en door enkele mededeelingen
+van hun makker en de levendige gebaren der Hollandsche matrozen den
+inhoud van het gesprek geraden.
+
+Zoodra Thomas vertrokken was vertelde de vreemdeling, die Hollandsch
+verstond, de geheele toedracht der zaak aan zijn metgezellen en een
+oogenblik later verlieten ze alle vijf, dicht in hun donkere mantels
+gehuld, de herberg. Zij stapten stevig door langs de haven van
+Port-Royal naar een boschje dat buiten de vestingwerken lag. Toen
+hielden zij stil voor een landhoeve, die in een heel slechten reuk stond
+en door ieder weldenkend mensch vermeden werd. Het was een vervallen
+gebouw, deels door aardbevingen, deels ten gevolge van de nalatigheid
+van den eigenaar.
+
+Zoodra zij hadden aangeklopt en het wachtwoord gegeven, werd de poort
+geopend. Een kerel met een fakkel in de hand trad naar buiten, bekeek
+eerst man voor man nog eens afzonderlijk en pas tóen konden zij
+binnenkomen.
+
+Zij traden nu door een met ijzer beslagen deur in een groote kamer, die
+tamelijk goed verlicht werd door een hanglamp waarop vier kaarsen
+brandden.
+
+»Waar is Lolonois?" vroegen zij aan de mannen die zich in het vertrek
+bevonden.
+
+»Boven!" was het antwoord.
+
+»Dan moet er iemand naar hem toe, om hem te roepen. We mogen geen
+oogenblik verliezen. Er is kans om weer spoedig vlot te komen."
+
+Op die woorden kwamen nog eenigen uit de andere kamers het vertrek in.
+Enkelen daalden een trap in den achtergrond af, zoodat de kamer meer en
+meer gevuld werd met forsche mannen van een ruw en verwilderd uiterlijk,
+waarvan sommigen zacht met de aangekomenen spraken, terwijl anderen in
+stilte aan de overigen hetgeen zij gehoord hadden vertelden.
+
+Eindelijk kwam de persoon, naar wien men gevraagd had te voorschijn. Hij
+was blijkbaar de hoofdman, want schuw traden de anderen terug, zoodra
+zij hem gewaar werden.
+
+Het was iemand van een gedrongen, krachtige gestalte, met zwart
+krullende lokken en een zwaren baard die hem tot op de borst neerhing.
+In zijn fraai gevormd, mannelijk gelaat schitterden een paar zwarte
+oogen, waarvan de blik iemand tot in de ziel drong. Zijn kleeding was
+geheel gelijk aan die van een aanzienlijk zeventiende-eeuwsch edelman;
+uit den met goud belegden gordel staken de kolven van een paar prachtige
+pistolen en een dolk hing er in, waarvan het gevest met paarlen en
+edelgesteenten versierd was.
+
+Bij zijn komst hield het rumoer in de kamer onmiddellijk op. De vijftig
+mannen staarden hem eerbiedig aan en wachtten zwijgend op den uitslag
+van het gesprek, waartoe men Lolonois geroepen had.
+
+Eindelijk zweeg de verhaler, Lolonois stond een oogenblik in gedachten.
+Toen vroeg hij halfluid, maar met een welluidende stem:
+
+»Waar ligt het schip?"
+
+»Onder de kanonnen van het fort, kapitein!"
+
+»En het is op 't oogenblik niet bemand en door soldaten bezet, zeg je?"
+
+»Ja, kapitein. Alleen de bevelhebber, een krankzinnige, met één matroos
+zijn aan boord en dan nog vijf soldaten."
+
+»Weet je ook, wat voor landslui de gezagvoerder en die matroos zijn?"
+vroeg Lolonois verder.
+
+»Hollanders!"
+
+»Weet je dat zeker?"
+
+»Jawel, kapitein, dat weet ik zeker!"
+
+»Dan mogen we geen geweld gebruiken en het leven van beiden moet
+gespaard blijven," zei Lolonois. »Als het Spanjaarden waren, dan ..."
+
+Hier hield hij even op. Er heerschte nu weer een diepe stilte. Eindelijk
+vervolgde Lolonois:
+
+»Dat schip moeten we hebben, het mag kosten wat het wil. Maar--geen
+geweld. Wie wil als matroos aan boord van dat schip gaan en zich laten
+aanmonsteren?"
+
+Meer dan dertig van de jongste mannen traden onmiddellijk naar voren.
+
+Lolonois zocht er nu vijf en twintig uit en gaf hun uit de beurs die aan
+zijn gordel hing al het geld dat hij bezat. Toen beval hij hun, dadelijk
+in de stad de noodige kleeren te koopen om zich als matrozen te
+verkleeden en dan den volgenden morgen een voor een naar het Hollandsche
+schip te gaan en zich te laten aanmonsteren. Bovendien moesten zij hem
+terstond bericht zenden, als de kapitein in zee zou steken. Hij zelf zou
+met de overigen buiten de haven in de boot op hen wachten en met hun
+hulp aan boord komen. Met de rest zou het dan verder wel rondloopen,
+voegde hij er bij.
+
+Toen gaf hij een wenk en de vijfentwintig mannen verlieten onmiddellijk
+het gebouw.
+
+Nauwelijks waren zij heen of de eigenaar van de hoeve trad ontsteld
+binnen en stamelde: »Edele Heer!... Houd het mij ten goede ... maar ...
+al die mannen ..."
+
+»Gaan heen!" was het besliste antwoord. »En spoedig," vervolgde
+Lolonois, »gaan wij allemáál u verlaten."
+
+»Maar Edele Heer," vroeg de man deemoedig, »vergeef het een armen
+drommel, maar--wie zal mij dan.. betalen?"
+
+Lolonois nam den gouden keten, die om zijn hals hing en zei: »Dáár,
+achterdochtig creatuur, neem deze ketting dan, ze is wel vijftien
+honderd kronen waard. Maar zorg dan ook nog zóó lang voor ons, tot wij
+je huis geheel verlaten kunnen."
+
+De eigenaar van het gebouw, een vent met een echt schurkachtig gezicht,
+nam gretig het kostbare voorwerp aan, kuste deemoedig de kleeren van
+Lolonois en verdween toen, om wijn en spijzen te brengen en zoodoende
+zijn gevaarlijke gasten in een goeden luim te houden.
+
+De mannen plaatsten zich daarop aan tafel met Lolonois aan het boveneind
+en deden zich aan den kostbaren maaltijd te goed.
+
+Weldra vulde Lolonois zijn beker, hief dien omhoog en sprak tot zijn
+dischgenooten:
+
+»Makkers! Het ongeluk heeft ons tot schipbreukelingen gemaakt, juist
+toen wij het heerlijkste en voordeeligste waagstuk wilden volbrengen.
+Lang hebben wij hier gewacht op een gelukkiger tijd en zie, nu is die
+tijd gekomen. Wij zullen weer uitvaren om de Spanjaarden te bevechten,
+wij zullen weer rijken buit behalen en nieuwen roem verwerven als wij de
+moordenaars vervolgen, die tegen de arme Amerikanen, de bewoners van
+deze heerlijke eilanden, zoo onbarmhartig gewoed hebben. Komaan dan,
+mannen, ik zal opnieuw uw aanvoerder zijn! Ik drink op uw welzijn en op
+ons krijgsgeluk! Lang leven de Boekaniers!"
+
+»Lang leve Lolonois, onze dappere kapitein!" riepen de stoute gezellen,
+terwijl ze juichend opsprongen, hun glazen tegen elkander hieven en
+leegdronken.
+
+Te midden van dit rumoer was Lolonois opgestaan en langs de trap naar de
+bovenverdieping van het huis verdwenen.
+
+Den volgenden dag sloop Thomas angstig en verlegen over het dek naar de
+kajuit, want een troep van meer dan twintig mannen dwaalden lui en traag
+nabij het schip rond, die er heel verdacht uitzagen. Toen hij in de
+kajuit kwam vond hij daar een paar van die vreemde snaken, die juist hun
+handgeld van Van Halen kregen. Van Halen stoorde zich niet aan zijn
+raadgevingen en wierf net zooveel matrozen aan als er komen wilden,
+zoodat zijn schip tegen den avond al met vijfentwintig zeelui bemand
+was. De wachthebbende soldaten achtten zich nu overbodig en gingen heen.
+
+Ondanks hun zeemansuiterlijk schenen de nieuwelingen toch alles behalve
+vertrouwbare matrozen te zijn en toen Thomas hun brutale manier van doen
+zag, begon het hem hoe langer hoe angstiger te worden.
+
+Tegen zonsondergang riep een van de brutaalste knapen een voorbijvarende
+boot aan om een loods. Een kerel met een gemeen en liederlijk voorkomen
+klauterde toen aan boord, werd op een flesch Malagawijn onthaald en was
+weldra met een paar van de nieuwe manschappen in een fluisterend
+gesprek.
+
+Nu ontstond bij Thomas een vreeselijk vermoeden. Hij ging naar de kajuit
+en zei tegen Van Halen: »Kapitein, kent u de mannen, die u in dienst
+genomen hebt?"
+
+Van Halen zag hem lang en strak aan en zei toen: »Wat gaat het je aan?"
+
+»Ze hebben een loods op het dek gehaald en trakteeren hem op uw eigen
+wijn. Heeft u ze daar bevel toe gegeven?"
+
+Van Halen was weer in zijn gewone wezenloosheid terug gezonken en gaf
+geen antwoord.
+
+»Kapitein, ze willen in zee steken en wij hebben versch water en nog
+anderen voorraad noodig. Wilt u dan niets innemen, om in die behoeften
+te voorzien?" vroeg Thomas bijna smeekend.
+
+Niets mocht baten. Van Halen sprak geen woord en antwoordde alleen met
+sombere, dreigende blikken.
+
+Thomas klom weemoedig weer naar dek, om hier door zijn tegenwoordigheid
+de vreemdelingen ten minste een beetje in bedwang te houden. Maar
+nauwelijks was hij boven of verscheidene matrozen kwamen op hem toe en
+een er van zei in zuiver Hollandsch:
+
+»Hoor 'reis vrindje, we hebben daar zoo even juist gehoord, dat je dien
+gek daar in de kajuit tegen ons wilt ophitsen. Doe dat niet weer, versta
+je! Want één woordje nog en je ligt in zee met een twaalfponder om je
+nek!"
+
+Thomas verbleekte en durfde geen woord meer zeggen, toen hij den kring
+om hem heen in het rond zag. Maar toen hij naar boven wilde gaan kwam
+hem een van de woeste vreemdelingen die er het vermetelst uitzag, op
+zij, trok een dolk en fluisterde:
+
+»Zal je, zoolang wij in de haven zijn dat wandelen op het dek wel eens
+nalaten en beneden in het ruim blijven, of wil je soms eens zien, hoe ik
+je met dit dingetje naar de andere wereld helpen kan?"
+
+Thomas verschrok nu nog meer, keerde terug en daalde onder het spottend
+gelach van de Boekaniers, zoo gauw mogelijk door het groote luik in het
+ruim af. Spoedig daarna werd er in zijn nabijheid een matroos met
+ontbloote sabel op wacht geplaatst, die hem geen oogenblik uit het oog
+verloor en om het uur werd afgelost.
+
+Er gebeurde nu niets bijzonders meer, zoolang het schip in de haven lag.
+
+Eindelijk kwam Van Halen aan dek en gaf bevel om terstond de ankers te
+lichten. Hij bemerkte niet dat een van de matrozen in de mars van den
+achtermast klom en van een der touwen een rooden doek liet fladderen. De
+loods klauterde boven in den boegspriet om zooveel te beter de klippen
+aan den ingang van de haven te kunnen vermijden en riep Van Halen, die
+aan het roer stond, luid zijn opmerkingen toe.
+
+De nieuwe matrozen stonden als echte zeelui op hun post en deden hun
+werk zoo goed als hun dit bij de nieuwe en eigenaardige inrichting van
+het vaartuig maar mogelijk was.
+
+Op die manier raakte het schip eindelijk in volle zee, waar het langzaam
+langs de boschrijke kusten over de golven zweefde.
+
+Nauwelijks evenwel waren zij een mijl buiten de haven geraakt of de wind
+begon te verzwakken en het werd weldra volkomen stil. Van Halen zette nu
+het roer vast en liet peilen. Men vond op zeventien vademen diepte een
+voortreffelijken ankergrond van zuiver schelpzand, zoodat het schip nu
+weldra geheel stil lag.
+
+Rechts strekte zich de prachtige kust van Jamaïca uit, in dien tijd nog
+een wildernis met zware bosschen, waarboven nog weer de toppen van de
+hooge palmboomen uitstaken. Door de vele rotsachtige groene eilanden kon
+men de zee niet geheel overzien, maar het water was wonder helder en
+zuiver, en in de diepte kon men het zeegras en andere zeeplanten, die
+onder water groeiden, duidelijk onderscheiden. Ook zag men een menigte
+schelpdieren en vreemdsoortige, fraai gekleurde visschen, die zich in
+vredige kalmte door dezen onderaardschen tuin bewogen.
+
+Dit alles boeide Van Halen in de hoogste mate en terwijl anderen bij het
+lang naar beneden kijken in het kristalheldere water, waardoor men als
+in de lucht scheen te zweven, duizelig werden, schenen deze ontsloten
+geheimen uit de waterwereld den ongelukkige zoo'n eindeloos genot te
+verschaffen, dat hij alles, wat om hem heen op het dek voorviel, geheel
+vergat.
+
+Intusschen was van de kust van St. Domingo een sterk bemande boot
+afgestoken, die met groote snelheid het schip naderde. Aan een staak
+fladderde een roode doek, zooals er ook een van den achtermast der
+»_Christina_" afwoei. Zoodra de nieuw aangeworven matrozen dit zagen
+werden ze uitgelaten van plezier. Zij hieven een luid »_hoera!_" aan,
+zwaaiden met mutsen en roode doeken en maakten alles gereed, om de
+manschappen die in de boot waren, aan boord te nemen.
+
+Toen het vaartuig aan stuurboord lag sprong Lolonois aan dek en op hem
+volgden dertig stoutmoedige en van top tot teen gewapende Boekaniers.
+Zij namen onmiddellijk de kajuit in bezit, bezetten het geheele schip,
+laadden de kanonnen en richtten alles in volgens de bevelen van hun
+aanvoerder, alsof er geen Van Halen bestond.
+
+Lolonois bekeek het door hem in bezit genomen vaartuig met de grootste
+voldoening. Hij was veel te veel zeeman om niet dadelijk de voordeelen
+van den bewonderenswaardigen bouw te ontdekken. Tevreden met den goeden
+uitslag van zijn maatregelen om het schip in zijn bezit te krijgen, vond
+hij het niet eens de moeite waard, om naar den vroegeren eigenaar te
+vragen. Hij gaf alleen aan zijn onderhoorigen enkele korte bevelen
+omtrent de manier, hoe hij met Van Halen en den matroos gehandeld wilde
+hebben. Toen ging hij naar beneden om het inwendige van het schip te
+bekijken en een onderzoek naar de lading en den voorraad in te stellen.
+
+Tot nog toe had Van Halen stil aan bakboord gezeten en was weer in zijn
+gewonen, wezenloozen toestand vervallen. Nu stond hij op, want hij
+bemerkte, dat de wind zich verhief.
+
+Hij trad te midden van de zeelui op het dek, die hem allen met
+verwondering aangaapten. Hij zelf was bij het zien van de groote
+verandering om hem heen en van al die gewapende vrijbuiters, die hem
+brutaal en spottend aankeken, zóó verrast, dat hij bewegingloos stil
+stond. Vóór hij echter nog tot zichzelf komen kon trad de vertrouwde van
+Lolonois op hem toe en vroeg:
+
+»Mijn beste vrind, waar kom _jij_ vandaan en wat zoek je?"
+
+Van Halen keek den man langdurig en strak aan, maar gaf geen antwoord.
+Toen nam hij den kerel bij den arm om hem heel kalmpjes op zij te
+schuiven.
+
+»Wel zoo, kameraad," riep de vrijbuiter lachend, terwijl hij zich met
+moeite uit de krachtige handen van Van Halen losmaakte, je bent niet erg
+beleefd tegen me, en dat nog wel iemand, die niet eens bij ons aan boord
+behoort. Wat _wil_ je toch van ons?"
+
+»Gek!" riep Van Halen, »ga heen waar je vandaan gekomen bent. Ik ben aan
+boord van mijn eigen schip!"
+
+»Hoe heb ik het nu met je?" zei de zeeroover, terwijl hij stoutmoedig
+vlak voor Van Halen ging staan; »dit vaartuig is van Lolonois, als je
+dien soms kent!"
+
+»Wàt zeg je?" riep de ongelukkige kapitein.
+
+»Dat Lolonois onze bevelhebber is. Hei, kameraden! Zeg jullie ook eens
+wat. _Is_ het niet zoo?"
+
+»Ja, ja!" riepen de Boekaniers lachend. »Lang leve Lolonois en zijn
+nieuw schip!"
+
+Nu werd Van Halen woedend. Zijn neusvleugels trilden; een donker rood
+kleurde zijn gezicht. »Ha!" riep hij, »ik merk het al, jullie bent
+zeeroovers. Hei daar, matrozen! Waar is mijn volk?"
+
+»Je bent niet goed bij je hoofd, man," zei de Boekanier, »hier is enkel
+volk van Lolonois. Wil je daar óók onder dienen, heel goed. Maar _hij_
+alleen heeft hier te kommandeeren."
+
+»Loop naar den duivel, gek!" schreeuwde Van Halen woedend, greep den man
+in zijn borst, nam hem op als een bal en wilde hem over boord smijten.
+Maar opeens werd hij door vier stevige Boekaniers aangepakt, die hem
+achterover op den grond wierpen en hem de voeten bij elkaar bonden,
+ofschoon hij zich in razernij verdedigde. In een oogenblik hadden zij
+hem nu met een paar sterke touwen zoo stevig gebonden, dat hij bijna
+geen lid meer verroeren kon.
+
+Nu kwam Lolonois zelf aan dek; de Boekaniers traden eerbiedig terug en
+hij ging naar den op den grond liggenden krankzinnige.
+
+»Wat is hier te doen?" vroeg hij.
+
+»Deze man kwam hier aan boord," zei de Boekanier, dien men uit de handen
+van Van Halen had moeten bevrijden, »en wil hier bevelen geven. Hij
+roept zijn matrozen en valt mij aan als een razende, omdat ik hem zei,
+dat dit vaartuig van ù was en dat ù hier te bevelen had."
+
+»Beste vriend!" zei Lolonois glimlachend tegen Van Halen, die hem
+verwezen aanstaarde: »Ik heb dit schip genomen, het is mijn eigendom."
+
+»Genomen?... Van wien? Van wien?" stamelde Van Halen, die niets van dit
+alles begreep.
+
+»Van een Hollander, een zekeren Van Halen, die het in de haven van
+Port-Royal met al zijn matrozen verlaten heeft."
+
+»Dat is een schandelijk bedrog," kermde de ongelukkige man, »ik ben Van
+Halen zelf en heb daar al mijn matrozen op één na laten gaan. En toen
+heb ik nieuwe manschappen aangenomen ..."
+
+»Och kom, beste maat, zoek dat _mij_ toch niet wijs te maken," zei de
+Boekanier, »ik heb veeleer lust, om jou voor een bedrieger te houden.
+Maar wij zullen zien. Kun je bedaard wezen, zoodat ik je loslaten kan?"
+
+Er volgde geen antwoord.
+
+»Maak zijn touwen los en breng hem bij mij in de kajuit, dan kunnen we
+daar verder met elkaar spreken. Licht intusschen de ankers en laat ons
+in zee steken vóór de nacht valt."
+
+Hij verdween en de Boekaniers sneden de touwen door waarmee Van Halen
+zijn handen en voeten waren gebonden. De man sprong toen op als een
+getergde stier en volgde Lolonois, maar onder geleide van vier
+Boekaniers, die hem geen oogenblik uit het oog verloren.
+
+De buitengewone omstandigheden waarin Van Halen zich bevond, hadden een
+zonderlinge uitwerking op den ongelukkige. Hij kwam geheel tot zichzelf
+en overzag opeens met een helderen blik zijn toestand. Vol van gedachten
+aan de beste wijze, waarop hij zich uit zijn benarde omstandigheden zou
+kunnen redden, trad hij de kajuit binnen. Hij vond er Lolonois bezig met
+verscheidene brieven te lezen en den inhoud er van met een kaart te
+vergelijken, die voor hem op tafel lag.
+
+Met de houding van een volmaakt edelman wenkte de vrijbuiter Van Halen,
+om tegenover hem plaats te nemen en zei:
+
+»U bent mij welkom, mijnheer, maar wil mij nog een oogenblik tijd laten,
+om mijn bezigheden af te doen, dan ben ik geheel tot uw dienst."
+
+Van Halen ging zitten, ofschoon hij zich ergerde, dat een ander zich zoo
+maar van zijn eigendom meester maakte. Hij had grooten lust om opnieuw
+op te stuiven en den vermetelen vreemdeling de deur uit te smijten. Maar
+het gevoel van overmacht, dat die vreemdeling al op hem had uitgeoefend
+en zijn nieuwsgierigheid naar wat er komen zou, maakten dat hij het
+raadzaam oordeelde, om bedaard en behoedzaam te werk te gaan.
+
+Eindelijk legde Lolonois de papieren bij elkaar en zei:
+
+»Zoo, vriend, is u daar nog? Welnu, ik ben klaar om naar u te
+luisteren."
+
+Hij gaf aan de vier mannen bij de deur een wenk om heen te gaan, ging
+toen met de armen over elkaar tegenover Van Halen zitten en keek hem
+ernstig aan.
+
+»En zou ik nu eens mogen weten," begon Van Halen het gesprek, »wien ik
+hier eigenlijk voor mij zie?"
+
+»Ik ben de bevelhebber van dit schip en heet Lolonois," zei de Boekanier
+met een spottend lachje.
+
+»Wat voor handwerk oefent u uit?"
+
+»Dat is verschillend," ging Lolonois op spottenden toon voort. »Soms ben
+ik koopman, dan weer soldaat, een ander maal weer eens reiziger;
+dikwijls ook help ik de overheid, als zij zelf niet sterk genoeg blijkt
+om de booswichten te straffen; in één woord, ik doe waar ik lust in
+heb."
+
+»U bent dus een vrijbuiter?" vroeg Van Halen met eenige huivering.
+
+»Ja, zoo iets, als u wilt," antwoordde Lolonois bedaard.
+
+»Maar hoe kwam u dan aan mijn schip?" vroeg Van Halen ernstig.
+
+»Hoe wij aan een schip komen?" zei Lolonois, terwijl hij langzaam zijn
+beenen uitstrekte, »mijn hemel! hoe komen wij aan alles? Wij némen het,
+als wij het noodig hebben!"
+
+»U hebt dus mijn schip genómen?"
+
+»Ja, vriend! dat hebben we gedaan," zei de Boekanier lachend.
+
+»En denkt u, dat ik mij dat maar zoo goedsmoeds zal laten welgevallen?"
+vroeg Van Halen op ernstigen toon.
+
+»Je zult dat wel moeten, of je wilt of niet," sprak Lolonois met
+minachting. »Wat kan je er tegen doen?"
+
+»Dat zullen we zien," zei Van Halen beslist. Hij sloot daarop de deur en
+ging toen weer naar de tafel.
+
+»Mijnheer, u bent mijn gevangene," zei hij nu, »en mochten soms uw
+makkers lust hebben om de deur open te breken, dan laat ik mijn schip
+met ons allemaal in de lucht vliegen!"
+
+De Boekanier bleef volkomen bedaard. Hij zag Van Halen glimlachend aan,
+maar overigens bewoog zich geen spier van zijn gelaat.
+
+»Ja, Mijnheer," ging Van Halen voort, »ik zal allen in de lucht laten
+springen. Want weet, dat u boven een vulkaan zit. Onder u is de
+kruitkamer en ik heb daar meer dan tienduizend pond liggen."
+
+»Dat is een mooie voorraad, mijnheer!" zei de Vrijbuiter lachend. »Het
+zou jammer wezen om die in eens te verbruiken, jammer vooral van het
+mooie schip. Ja, hoe bent u daar toch aan gekomen? Ik heb nog nooit
+zoo'n snelzeilend vaartuig gezien."
+
+»Dat heb ik zelf uitgevonden en zelf gebouwd," zei Van Halen met trots.
+»Het is tot nog toe het eenige van die soort en--het moet het eenige
+blijven. Maar, om tot de zaak terug te keeren, wilt u mijn schip naar de
+haven terugvoeren, ja of neen?"
+
+»Neen, mijnheer!" zeide de Boekanier, »dat kan ik niet doen."
+
+»Wilt u me dan tot het uiterste drijven?" vroeg Van Halen heftig. Meteen
+nam hij een pistool, haalde den haan over, drukte op een geheime plek in
+den vloer, zoodat er een klein luik opensprong.. Hij hield den loop van
+het pistool er in ... De reuk van het kruit verspreidde zich al door de
+kajuit heen ...
+
+Lolonois bleef niettemin bedaard.
+
+»Ik zie, mijnheer," zeide hij, »dat u een voortreffelijk man bent. Maar
+wacht nog een oogenblik met dat gevaarlijk spelletje ..."
+
+Van Halen trok het pistool weer terug, sloot de opening en ging bedaard
+zitten.
+
+»Luister eerst eens naar mij, mijnheer, en doe dan, wat u van plan
+waart," zei de Boekanier ernstig. »U ziet, dat het volstrekt mijn
+voornemen niet is om u te beleedigen of u kwaad te doen.--Wees dus
+onbezorgd en hoor mij bedaard aan," ging hij voort, toen Van Halen
+teekenen van ongeduld begon te toonen:
+
+»Ik ben Lolonois, zoo genoemd naar mijn geboorteplaats L'Olone in de
+Vendée. In mijn jeugd leerde ik allerlei ridderlijke spelen en de lust
+om groote daden te doen maakte, dat ik al vroeg de wijde wereld inging.
+Ik werd een avonturier. Toen ik hier bij mijn grooten landgenoot Le
+Basque kwam, hoorde ik van de schandelijke daden, door de Spanjaarden
+aan de arme West-Indiërs gepleegd, van de ongekende wreedheid, waarmee
+zij de inboorlingen uitgeroeid hadden.
+
+Nu had ik een doel gevonden, waarop ik al mijn krachten wilde richten.
+Dat was de wraak! Ja, mijnheer, ik voel mij geroepen om de schimmen van
+de vermoorde Amerikanen te wreken en jarenlang heb ik zonder ophouden en
+zonder mededoogen dit bedrijf al uitgeoefend!"
+
+De Boekanier hield een oogenblik op. Toen vervolgde hij:
+
+"Geen macht is in staat mij van de vervolging der Spanjaarden af te
+houden. Voor den dood ben ik niet bevreesd en mijn metgezellen evenmin.
+
+We werden evenwel een poos verhinderd om onze tochten voort te zetten.
+Want ja, ik bezat een fraai en groot schip, maar het strandde en
+nauwelijks wist ik mij het leven te redden met de helft van mijn dappere
+manschappen. Eenige kostbaarheden die ik bij mij droeg hebben tot
+gisteren gediend, om in onze behoeften te voorzien. Toen hoorden een
+paar van mijn mannen toevallig een gesprek dat uw matrozen met elkaar
+hadden. We vernamen, dat u volk noodig had om uw schip weer te bemannen.
+Omdat u hier moeilijk beter matrozen zoudt kunnen vinden heb ik u toen
+mijn eigen zeelui gestuurd en ben nu zelf hier gekomen.
+
+En nu kunt u mij een roover noemen, maar ik beroof niemand, behalve de
+Spanjaarden. Welnu, het eerste Spaansche schip dat wij ontmoeten is
+_mijn_! Dan zal ik u dit vaartuig weer teruggeven en u aan flinke,
+vertrouwde manschappen helpen, zooals u gehad heeft. U kunt dan, wat mij
+betreft, vrij varen waarheen u maar wil. Ook ben ik bereid u uit den
+buit alle schade te vergoeden. U weet nu wie ik ben en hoe ik het met u
+meen. Neem dan nu uw besluit!"
+
+De toespraak van dezen zonderlingen man had indruk op Van Halen gemaakt.
+Hij hing het pistool weer aan den wand, nam een flesch kostelijken
+Maderawijn uit een kast en schonk twee glazen vol. Toen ging hij
+tegenover den Boekanier zitten en zei:
+
+"'t Is goed, ik zal u mijn schip leenen, zoolang u het noodig heeft. Dat
+u een vrijbuiter bent, doet er voor mij heel weinig toe, want de
+menschen haat ik, omdat ze mij mijn heele leven lang hebben
+teruggestooten. Er mag dus gebeuren wat wil, ik zal u tot niets
+aansporen en ook van niets terughouden. Maar--één man kan hier maar
+bevelen; _een_ van ons beiden is hier te _veel_!"
+
+"Wel neen, vriend, _u_ is hier bevelhebber gedurende de vaart en heer en
+meester over alles. Mijn mannen moeten u gehoorzamen als trouwe
+matrozen. Maar tijdens het gevecht zal _ik_ bevelen en _ik_ zal u
+zeggen, waarheen wij varen. Wilt u het op die voorwaarden met mij
+wagen?"
+
+"Aangenomen!" zei Van Halen en drukte de hem toegestoken hand.
+
+Lolonois nam zijn glas op, klonk met Van Halen en zei: »Welnu, mijnheer,
+laat ons dan, in nood en dood, goede scheepsmakkers wezen. Maar zeg mij
+nu eens, wie u bent. U moet wel heel veel verdriet ondervonden hebben,
+dat u zoo neerslachtig bent geworden."
+
+Van Halen vertelde nu in weinig woorden zijn lotgevallen en de Boekanier
+zag hem deelnemend aan. Toen verzonk hij langzamerhand weer in zijn
+gewone zwaarmoedigheid, keek stil voor zich uit en nam eindelijk zijn
+gewone plaats aan het roer weer in.
+
+Een oogenblik later kwam ook Lolonois aan dek. Hij verzamelde zijn
+manschappen en deelde de noodige bevelen uit. Meteen gaf hij eenige
+wenken, om den kapitein goed in het oog te houden. Toen ging hij naar
+Van Halen en vroeg: »Het blijft immers bij ons verdrag?"
+
+»U hebt mijn woord!" was alles wat de ongelukkige antwoordde, maar
+verder sprak hij in het geheel niet meer.
+
+Al heel gauw echter waren de Boekaniers er van overtuigd, dat het schip
+bestuurd werd door een zeeman zonder weêrga en ondanks het vreemde van
+het geval, verdween bij die roekelooze mannen binnen één enkelen nacht
+alle vrees voor het gevaar, waarin Van Halen hen zou kunnen brengen.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+»De Vliegende Hollander."
+
+
+Den volgenden morgen kwam Lolonois bij Van Halen en zei: »We hebben
+gebrek aan water en zijn dicht bij de groote bron. Als u dus het anker
+wilt uitwerpen, dan kunnen onze mannen de tonnen vullen."
+
+»Water, zoet water in zee?" vroeg de kapitein verwonderd.
+
+»Ja, niet ver hier vandaan borrelt uit den bodem van de zee bronwater
+op. Doordat dit, zooals u weet, lichter dan zeewater is, blijft het aan
+de oppervlakte. U zult u zelf kunnen overtuigen, als wij de plaats
+bereikt hebben. Stuur maar wat meer landwaarts tot bij die groote rots,
+dáár!"
+
+Van Halen deed het en spoedig waren zij met het schip op de aangeduide
+plek. Het anker werd uitgeworpen en de boot neergelaten en bemand. Op
+dit oogenblik kwam een van de Boekaniers bij Lolonois en vroeg:
+»Kapitein, wat moet er met den matroos gebeuren, dien wij beneden nog
+altijd bewaken?"
+
+»Het is een van uw vroegere manschappen," zei Lolonois tegen Van Halen.
+»Het beste was, om hem, zoowel in _uw_ als in _ons_ belang, hier achter
+te laten. Geen half uur van de plaats waar wij landden, ligt een dorp,
+dat hij gemakkelijk bereiken kan. Maar--handel met hem zooals het u het
+beste voorkomt."
+
+Van Halen had een vreeselijken haat opgevat tegen allen, die vroeger tot
+de bemanning van zijn schip behoord hadden. Ook Thomas, ofschoon hij
+wist hoe trouw die hem was, begon hij meer en meer te haten, omdat die
+alleen hem voortdurend aan de trouweloosheid van de anderen herinnerde.
+Hij besloot dus, hem aan land te zetten. Daarom liet hij hem in de
+kajuit komen, betaalde zijn loon en zei hem aan, dat hij oogenblikkelijk
+zijn schip moest verlaten.
+
+Thomas zag zijn meester weemoedig aan, maar waagde het niet, hem tegen
+te spreken. Hij verliet de kajuit en ging aan het werk alsof er niets
+gebeurd was. De Boekaniers keken hem verwonderd aan maar Lolonois, die
+meende dat Van Halen Thomas liever niet wilde ontslaan, gaf zijn mannen
+een wenk, dat zij den matroos stil aan zijn werk zouden laten.
+
+Zoo kwam het, dat Thomas met de anderen in de boot ging en in
+tegenwoordigheid van Van Halen mee aan land stapte.
+
+De Boekaniers, die niet met het vullen van de tonnen bezig waren gingen
+hier jagen en menig fraaie stier werd geveld en de beste stukken er van
+aan boord gebracht. Van Halen was op deze tochten een zwijgend
+toeschouwer die, ofschoon hij ook een geladen geweer bij zich had, toch
+aan de jacht geen deel nam.
+
+Intusschen waren de anderen in de groote boot bezig, om de tonnen aan de
+bron te vullen, waar de heele dag mee gemoeid was. Lolonois bleef aan
+boord om te zorgen, dat alles naar behooren en op geschikte plaatsen
+geborgen werd. Van tijd tot tijd legden de booten aan en werden dan
+telkens door hem weer met leege vaten afgezonden, want hij wilde zooveel
+drinkwater opdoen als mogelijk was.
+
+Doordat zij de groote boot nog hadden, waarmee Lolonois op het schip
+gekomen was, kon een groot deel van de manschap ongestoord met Van Halen
+aan wal blijven.
+
+Tegen den avond evenwel gingen de meeste Boekaniers naar boord terug.
+Alleen zij, die blijven moesten om te roeien, waren nog in de boot en
+wachtten op den kapitein, dien zij niet ver van het strand in diepe
+gedachten verzonken op en neer zagen wandelen.
+
+Een oogenblik later zagen de Boekaniers, dat Thomas naar hem toe kwam om
+een gesprek met hem te beginnen. Uit de driftige bewegingen van Van
+Halen maakten zij op, dat zij oneenigheid kregen.
+
+Op dit oogenblik werd er van boord, als sein om de boot terug te roepen,
+een schot gelost. De Boekaniers brachten het vaartuig tot op een paar
+meter afstand bij het land. Toen hielden zij op met roeien en legden een
+plank tot op den oever, zoodat Van Halen droogvoets in de boot zou
+kunnen komen. Terwijl hij dichter bij kwam zagen de Boekaniers, dat hij
+rood was van woede en dat zijn oogen onheilspellend fonkelden.
+
+Thomas volgde hem langzaam en van verre, maar toen Van Halen dicht bij
+de boot gekomen was begon hij opeens vlugger te loopen en trachtte, te
+gelijk met zijn meester, in het vaartuig te komen.
+
+Van Halen stond zelf al op de plank.
+
+Nu riep Thomas, dat men hem ook aan boord zou nemen, want dat de
+kapitein hem wilde achterlaten, maar de Boekaniers verstonden hem niet.
+
+Thomas riep nog harder.
+
+Midden op de plank keerde nu Van Halen zich om, spande den haan van zijn
+geweer en schoot op den ongelukkige, eer iemand het kon verhinderen.
+
+De arme jonge man zonk in elkaar, hief zich weer op en wankelde nog
+eenige stappen naar de boot, terwijl een donkere bloedstroom uit zijn
+wonde vloeide.
+
+Toen zonk hij opnieuw neer en bleef stervend liggen.
+
+De Boekaniers zaten ontzet op hun roeibanken. Niet één kon de oorzaak
+van deze verschrikkelijke daad gissen en zij zagen Van Halen, die zich
+zwijgend aan het roer plaatste, met dreigende blikken aan.
+
+Daar viel een tweede schot van boord, de zeilen werden al bijgezet, de
+tijd drong en barsch gaf Van Halen bevel om weg te roeien.
+
+Zóó eindigde de laatste en de eenige trouwe matroos van Van Halen zijn
+leven.
+
+Aan boord was Van Halen's daad natuurlijk onmiddellijk bekend. Ieder,
+zelfs de meest verharde Boekanier, vermeed hem nu, niet één die het
+waagde, over het voorgevallene een woord met hem te spreken.
+
+Het schip ging onmiddellijk onder zeil en was den volgenden dag in de
+Caraïbische zee, om daar jacht op Spaansche schepen te maken.
+
+Thans, in volle zee, merkte Lolonois pas goed, hoe verwonderlijk vlug
+Van Halen's vaartuig was. Maar het viel niet te ontkennen, dat de goede
+leiding ervan geheel afhing van de goedwilligheid van den zonderlingen
+kapitein en het was nog altijd de vraag, of die zich in beslissende
+oogenblikken naar zijn wil zou schikken, Van zijn wraak was alles te
+vreezen, van zijn welwillendheid daarentegen alles goeds te hopen.
+
+Maar ofschoon de zielstoestand van Van Halen en vooral diens laatste
+handelwijze zijn tegenzin en bezorgdheid opwekten, toch dacht Lolonois
+te ridderlijk en te edelmoedig, om den krankzinnige zoo maar op zij te
+zetten en zich op die manier in het volledig bezit van het vaartuig te
+stellen. Niettemin zou hij er graag heer en meester van worden en hij
+hoopte nog altijd, dat een of ander gunstig toeval hem van Van Halen zou
+bevrijden, zonder dat hij daar zelf toe mee moest werken.
+
+Zijn mannen evenwel dachten er heel anders over. Zij voelden voor Van
+Halen niets dan afschuw en vrees en alleen de gezindheid van Lolonois
+jegens hem, weerhield die onversaagde menschen, om den dollen stuurman,
+zooals zij hem noemden, uit den weg te ruimen. Van Halen bevond zich dus
+in een heel gevaarvollen toestand, maar hij zelf had daar volstrekt geen
+besef van. Hij deed zijn werk met een nauwgezetheid en bekwaamheid, die
+ieder, zelfs de meest vooringenomene, moest bewonderen.
+
+De vaart door de Caraïbische zee ging, door het gunstige weer zoo snel,
+dat ze reeds op den vijfden dag voorbij kaap Honduras zeilden. Nu
+richtten zij hun koers meer Noordwaarts, naar de Amerikaansche kust,
+waar Lolonois wist, dat zich Spaansche schepen met kostbare ladingen
+bevonden.
+
+Maar, dichter bij de kust gekomen, sloeg het weer om en nu had men
+iederen dag met hevige windvlagen te kampen, die voor elk ander schip
+noodlottig zouden geweest zijn.
+
+In die gevaarvolle oogenblikken echter legde Van Halen zulke
+buitengewone bekwaamheden aan den dag dat de Boekaniers opnieuw het
+volste vertrouwen in hem stelden en hem, tot in zijn geringste bevelen,
+onvoorwaardelijk gehoorzaamden.
+
+Zij hadden een stormachtigen nacht doorgebracht en de meeste Boekaniers
+lagen beneden, nog vermoeid van de inspanning, toen plotseling de wacht
+uitriep: »Schip in zicht!"
+
+Lolonois bracht nu al zijn manschappen op het dek. Hij zelf vloog het
+want in, om aandachtig het vreemde vaartuig op te nemen. Het lag
+Noordwaarts en zeilde naar de kust, blijkbaar met de bedoeling om te
+ontvluchten. Bijna vijf mijlen was de »_Christina_" er van verwijderd,
+zoodat het nog onmogelijk goed kon waargenomen worden, maar toch hoopte
+Lolonois, dat het een van de Spaansche schepen zou zijn, waar omtrent
+hij berichten in gewonnen had. Het kwam er nu maar op aan het in te
+halen, voor het de haven en de kust bereikt had.
+
+Lolonois ging nu naar Van Halen toe en zei:
+
+»Kapitein, het oogenblik is gekomen, dat ik uw hulp noodig heb. Zou u
+willen probeeren, om dat vaartuig in te halen en het opperbevel aan mij
+overlaten, zoodra het tot een vechten komt?"
+
+Van Halen glimlachte en gaf dadelijk de noodige bevelen. De masten
+droegen in een oogenblik zooveel zeilen, als men in dien tijd nog nooit
+gezien had. Door een gunstig toeval ging de wind uit het Zuid-westen
+waaien, zoodat het vaartuig trots en bevallig, als met de vlucht van een
+vogel vooruit snelde. Alle Boekaniers waren in stomme bewondering bij
+dit nooit geziene schouwspel en Lolonois had moeite, om zijn volk bij
+hun werk te houden.
+
+De kanonnen werden geladen, kisten vol kogels, vaten met kruit, geweren,
+sabels en enterhaken werden aan dek gebracht. De Boekaniers trokken hun
+overkleeren uit, bonden zich roode sjerpen om het lijf en staken dolken,
+degens en pistolen in hun gordels. Al die toebereidselen namen ongeveer
+een uur in beslag. Toen gaf Lolonois aan zijn manschappen bevel, om zich
+langs de borstweringen op den grond neer te leggen en liet de Spaansche
+vlag hijschen.
+
+De »_Christina_" was het vreemde vaartuig nu al tot op twee mijlen
+genaderd. Uit het voorkomen van het schip kon men met vrij groote
+zekerheid opmaken, dat het een Spanjaard was, en uit den spoed, waarmee
+het zocht te ontvluchten, dat het rijkbeladen moest wezen. De oogen van
+Lolonois fonkelden. Hij wikkelde zich dichter in zijn mantel en knikte
+Van Halen, die elke beweging van den vreemdeling nauwkeurig waarnam,
+dankbaar toe.
+
+Plotseling stuurde men op het vreemde schip Oostwaarts, om naar de
+Antillen te stevenen.
+
+»Ze zijn van koers veranderd!" riep Lolonois Van Halen toe.
+
+»Jawel, ze willen mij ontwijken. Maar het helpt hun niemendal. Ik zal ze
+overzeilen!" antwoordde Van Halen, die blijkbaar het grootste genoegen
+in deze jacht had.
+
+Hij gaf nu eenige bevelen. Enkele kleine veranderingen aan de zeilen,
+een geringe ruk aan het roer en Lolonois zag met voldoening, hoe de
+»_Christina_" den vluchteling weer als een roofdier navloog. Wel had de
+Spanjaard alle zeilen bijgezet, maar van oogenblik tot oogenblik kwam de
+»_Christina_" toch dichter bij en met den middag kon Lolonois de
+manschappen op het andere schip al tellen, die met angst en toch ook met
+nieuwsgierigheid naar »_De Vlugge Christina_" uit zagen.
+
+Nog wist men daar niet, waarvoor men het schip van Van Halen houden
+moest, want het voerde toch de Spaansche vlag, maar de Boekaniers lagen
+loerend achter hun verschansingen als panters achter de rotsen.
+
+»Het oogenblik is nu gekomen, kapitein Van Halen!" zei Lolonois. »Sta nu
+het opperbevel aan _mij_ af."
+
+Van Halen wenkte een Boekanier, gaf hem het roer over en ging beneden in
+de kajuit om daar rustig op den afloop te wachten.
+
+Lolonois liet een kanonschot lossen. Het vreemde schip zeilde echter
+door.
+
+Een tweede schot dreunde en van den romp van het andere vaartuig vlogen
+de splinters als vurige vonken door de lucht. Een luid geschreeuw en
+gejammer volgde, de Spaansche vlag werd geheschen, maar men zeilde door.
+
+»Laadt de stukken opnieuw! Enterhaken gereed! Niet opstaan, vóór ik het
+beveel!" riep Lolonois en hield nu zelf het roer.
+
+Plotseling draaide het vreemde schip bij, want het zag wel, dat aan
+ontvluchten toch niet te denken viel.
+
+Een minuut later schoot de »_Christina_" op het achterste gedeelte van
+het vaartuig aan en Lolonois riep: »Werpt de enterhaken uit! Vuur!"
+
+Het dek van de beide schepen werd plotseling in een dikken kruitdamp
+gehuld. Op hetzelfde oogenblik sprongen alle Boekaniers overeind en
+binnen een paar seconden zaten de schepen door enterhaken aan elkaar.
+Onder aanvoering van Lolonois sprongen de Vrijbuiters als razenden aan
+boord van den Spanjaard, waar zij met angstig geschreeuw en slecht
+gerichte geweerschoten werden ontvangen.
+
+De bemanning van het Spaansche schip was in het begin _te_ zeer verrast
+om veel tegenstand te bieden.
+
+Eerst toen zij de vijanden als booze geesten midden in den kruitdamp
+naar alle kanten om zich heen zagen houwen en steken, vermanden zich de
+nog ongedeerde Spanjaarden en begonnen een wanhopigen weerstand.
+
+Er ontstond een hardnekkig gevecht van man tegen man. De Spanjaarden
+zagen nu, wie zij voor hadden. Zij verdedigden zich woedend. Het gelukte
+hun, zich te verzamelen en doordat zij, ondanks hun verlies, veel
+sterker in aantal waren dan de Boekaniers, begonnen die wel wat in het
+nauw te komen.
+
+Lolonois was weldra met tien van zijn metgezellen door de voortdringende
+drommen van Spanjaarden van de andere Boekaniers gescheiden en tot op
+het middendek gedrongen. Ofschoon hij zich woedend verdedigde en met
+bovenmenschelijke kracht de áándringende vijanden van zich afweerde,
+scheen het toch, dat zijn goed geluk hem begeven zou. Verscheidene van
+zijn dapperste mannen zonken doodelijk gewond naast hem neer. Het viel
+hem dus hoe langer hoe moeilijker om de degenstooten van de vreeselijk
+verbitterde Spanjaarden van zich af te weren. Het gevecht duurde lang en
+de kans begon reeds twijfelachtig te worden. Te vergeefs poogden de
+andere Boekaniers hun kapitein te helpen. De Spanjaarden, ziende dat zij
+den aanvoerder omsingeld hadden, weerden de andere vrijbuiters uit alle
+macht. Het begon er voor de Boekaniers hachelijk uit te zien. Reeds
+hoorden zij roepen: »Victorie! Victorie!" Reeds werd Lolonois van alle
+kanten met den dood bedreigd als hij zich niet wilde overgeven. Nog vier
+van zijn makkers zonken doodelijk gewond aan zijn voeten ... Maar zie,
+plotseling nam alles een onverwachten en beslissenden keer.
+
+Terwijl namelijk de Boekaniers op het Spaansche schip aan het vechten
+waren, was Van Halen in de kajuit en wapende zich. Een oogenblik later
+klom hij aan dek en overzag toen het gevecht en Lolonois' wanhopigen
+toestand. De merkwaardige en in weerwil van zijn vele misdaden toch zoo
+grootmoedige man had op den armen Van Halen een grooten invloed
+verkregen en zich binnen weinige dagen zijn geheele genegenheid
+verworven. En zie, nu zag Van Halen dien man omsingeld, zag Lolonois en
+zijn volk in gevaar en zijn geest was nog helder genoeg om te begrijpen,
+dat de nederlaag der Boekaniers het verlies van zijn schip zou zijn.
+
+Plotseling kwam nu al zijn koelbloedigheid en moed weer boven. Snel nam
+hij zijn besluit, vloog naar de kruitkamer, droeg met bovenmenschelijke
+kracht een vaatje van 150 pond kruit aan dek en ging daarmee, zonder
+door de vechtenden opgemerkt te worden, aan boord van het vijandelijke
+schip.
+
+Toen wierp hij het in de dichte drommen der Spanjaarden en schoot het
+met zijn geweer in brand.
+
+De uitwerking van deze daad was verschrikkelijk.
+
+Meer dan de helft der Spanjaarden werd op een vreeselijke wijze
+verpletterd of verminkt. Ook Van Halen zelf werd zoo deerlijk gekwetst,
+dat hij bijna onkenbaar was. Toch schoot hij onmiddellijk toe om
+Lolonois te ontzetten. Hij versloeg de twee mannen, die hem hadden
+aangepakt en voortsleepten, doorstak den derden en plaatste zich met
+overal gebrande en door het kruit zwart geworden kleeren naast Lolonois,
+die hem niet herkende en hem verbaasd aanzag.
+
+Nu kregen de Boekaniers meer ruimte. Zij vereenigden zich en dreven de
+Spanjaarden met de grootste woede het dek af en het ruim in. Binnen tien
+minuten was toen de strijd geëindigd en de laatste Spanjaard in handen
+van de Boekaniers gevallen.
+
+Lolonois verzamelde nu al zijn overgebleven manschappen en vroeg: »Wie
+was toch de man, die het vat kruit onder de Spanjaarden wierp en
+aanstak?"
+
+Niemand had het in de hitte van den strijd gezien.
+
+Opeens viel Lolonois het verminkte lichaam van Van Halen in het oog, die
+onder vreeselijke pijnen over den grond kroop en zich in zee trachtte te
+storten, om zóó aan zijn verschrikkelijk lijden een einde te maken.
+
+Aan enkele overblijfselen van zijn kleeren herkende Lolonois huiverend
+den kapitein en snelde dadelijk toe, om hem te helpen. Men goot zeewater
+over hem heen, om zijn nog altijd rookende kleeren te blusschen. Daarna
+liet Lolonois hem met de grootste voorzichtigheid in de kajuit brengen
+en op kussens neerleggen.
+
+Onmiddellijk gaf hij vervolgens bevel om de schepen van elkaar los te
+maken, het Spaansche schip op sleeptouw te nemen, de dooden in zee te
+werpen en naar het Zuidoosten te zeilen.
+
+Toen ging hij zelf in de kajuit waar hij Van Halen onder de handen van
+een wondarts vond in een allerbeklagenswaardigsten toestand.
+
+De arme kapitein van »_De Vlugge Christina_" lag op sterven. In zijn
+laatste oogenblikken had hij zijn helderheid van geest teruggekregen en
+hoe meer het leven voor hem ten einde liep, des te meer geraakte de
+ongelukkige man weer in het volle gebruik van zijn geestvermogens.
+
+Met een gevoel van diep medelijden knielde Lolonois aan Van Halen's
+sterfbed neer. Hij greep zijn hand, die van zijn leger afhing en zei:
+»Mijn beste kapitein, in wat treurigen toestand moet ik u vinden!"
+
+»Ach, het kruit ..." kermde Van Halen, »het kruit heeft mij zoo
+vreeselijk ..."
+
+»Dus _u_ bent het dan geweest, die het kruitvaatje midden onder de
+Spanjaarden aanstak?"
+
+»Had ik het niet gedaan, dan was het met u en uw volk gebeurd geweest,"
+kreunde Van Halen.
+
+»Hemel, hoe is het mogelijk!" riep Lolonois vol bewondering uit. »En ik
+kon u miskennen, u voor een krankzinnige houden! Zoo iets kan alleen een
+man van moed en van een buitengewonen geest bedenken! U weet niet, hoe
+dankbaar ik u ben, dat u ons het leven gered hebt!"
+
+Van Halen keerde zich onder ontzettende pijnen op zijn leger om en
+Lolonois en de zijnen stonden om hem heen met het smartelijk gevoel,
+niets te kunnen doen tot verzachting van zijn lijden.
+
+Plotseling richtte Van Halen zich op en zei:
+
+»Mijn leven loopt ten einde, Lolonois. Nu weet ik, dat ik gek was. Ja, u
+hebt gelijk gehad, toen u mij voor een waanzinnige hield ... Maar de
+valschheid en trouweloosheid van de menschen maakten, dat ik ze
+verachtte en haatte ... Ja, ik haatte de menschen, omdat ze mij ...
+terug gestooten hadden. U bent nu in het bezit van mijn schip ... ik
+laat het u na ... Daar in die kast zult u papieren vinden, die u omtrent
+alles zullen inlichten ... O God! wat een pijn!... Ik laat u mijn schip
+na ... zweer mij, dat u het zult laten zinken, als u het niet meer
+noodig hebt ... of het in de lucht laten springen, als u overwonnen
+wordt ... Niemand moet een schip kunnen bouwen naar het model van het
+mijne.... U moogt het ook niet doen.... zweer mij dat!"
+
+Lolonois was verbaasd over het verlangen van den stervende. Toch legde
+hij den eed af, dien Van Halen verlangde.
+
+[Illustratie: De arme jonge man zonk in elkaar. (Bladz. 149.)]
+
+»Dank, dank u ... U alleen bent waard om mijn schip te bezitten ... er
+bestaat geen tweede zoo op de wereld ... U zult het vaartuig lief
+krijgen ... het is zoo stevig, zoo vlug ... het was het dierbaarste wat
+ik op de wereld bezat.
+
+Plotseling scheen hem iets in de gedachten te komen: hij probeerde zich
+op te richten en toen de Boekaniers hem ondersteunden zei hij:
+
+»Het eene schip voor het andere ... laat mij aan boord van het Spaansche
+schip vastbinden, als ik dood ben ... Maak dan het vaartuig leeg en laat
+... mijn lijk in zee zinken ... beloof mij dat!"
+
+Lolonois verklaarde met droefheid zich bereid, om dit verlangen na te
+komen.
+
+»Hebt u nog iets anders?" vroeg hij toen.
+
+»Neen, mijn vriend!" zei Van Halen met moeite, »niets meer ... Vaarwel
+...!"
+
+De stervende lag stil, men hoorde het reutelen in zijn keel; een
+siddering doorliep al zijn leden. Toen strekte zich zijn lichaam uit; op
+zijn mannelijk gelaat was de laatste doodstrijd te lezen en--Van Halen
+was niet meer.
+
+Toen den volgenden dag alles wat maar eenige waarde had, uit het
+Spaansche schip was gehaald, liet Lolonois het lijk van Van Halen, in
+kostbare Indische stoffen gewikkeld, in de kajuit brengen en op een
+rustbed vastbinden. Hij zelf las aandachtig eenige plaatsen uit een
+gebedenboek en liet daarna alle zeilen van het schip bijzetten en al de
+vlaggen hijschen waarover het beschikken kon. Maar aan den top van den
+grooten mast wapperde de Hollandsche vlag.
+
+Het roer werd vastgezet en naast het lijk vier brandende waskaarsen
+geplaatst.
+
+Nadat de Boekaniers gaten in den bodem van het schip geboord hadden,
+verwijderden zij zich de een na den ander en gingen aan boord van de
+»_Christina_" over. Deze zette nu zeil bij en volgde langzaam het
+vooruitdrijvende Spaansche vaartuig, terwijl de kanonnen werden gelost,
+om aan den verdienstelijken zeeman de laatste eer te bewijzen.
+
+Het Spaansche schip zonk hoe langer hoe dieper. Men zag alleen nog maar
+het dek bij den grooten mast en den boegspriet boven de golven
+uitsteken. Plotseling zonk het voorste gedeelte in het water en dook zoo
+langzaam dieper onder de golven. Maar het duurde nog geruimen tijd eer
+de toppen der masten--en die van den middelmast met de wapperende
+Hollandsche vlag, het laatst--geheel in zee waren gezonken.
+
+Eenige kringen op de golven duidden het spoor aan, waar alles verdwenen
+was en--»_De Vlugge Christina_" zweefde eenzaam over de blauwe wateren
+van de Caraïbische zee.
+
+De Boekaniers hadden het geheele tooneel aangezien met het gevoel van
+den zeeman, die geen schip zonder weemoed te gronde ziet gaan. Op het
+vaartuig van Van Halen heerschte een doodelijke stilte, als in een huis,
+waarvan de meester gestorven is.
+
+Nu riep Lolonois echter zijn volk bijeen en zei: »Mannen, dit fraaie
+schip is thans ons rechtmatig eigendom. Wij hebben den doode de laatste
+eer bewezen en eerlijk schip om schip gegeven, zooals hij het verlangde.
+Welaan, laat ons dan trachten, met ons vaartuig nieuwe heldendaden te
+verrichten, nieuwe rijkdommen te veroveren. En verder, laat ons tot
+aandenken aan zijn uitvinder en vroegeren eigenaar den naam van het
+schip veranderen. Van dit oogenblik af aan zal het heeten: »_De
+Vliegende Hollander_!"
+
+»Hoera!" klonk het toen uit de schorre kelen van de ruwe Boekaniers:
+»Hoera voor den Vliegenden Hollander!"
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+De zeeslag tegen de Spanjaarden.
+
+
+De Boekaniers keerden nu terug naar hun algemeene verzamelplaats, het
+Schildpadden-eiland, tegenover St. Domingo.
+
+Op den avond dat »_De Vliegende Hollander_" de baai van dit eiland
+naderde, lagen er vijf schepen te gelijk voor anker. Uit al de herbergen
+klonken vroolijke gezangen, overstemd door het gejuich van Boekaniers,
+die, van hun lange strooptochten terug gekeerd, daar hun buit in
+vroolijkheid weer verteerden.
+
+Het was meer toeval dan voorzichtigheid, dat er een op wacht stond op
+een rots aan den ingang van de baai, juist toen »_De Vliegende
+Hollander_" de schuilplaats der Boekaniers naderde.
+
+Lang ontdekte hij niets op de kalme oppervlakte van het water. De
+zeevogels daalden neer op de golven, de visschen spartelden heen en weer
+in onverstoorde dartelheid en de wolken gingen, als in vredige
+bedevaart, door de blauwe lucht; de geheele natuur was in die liefelijke
+rust verzonken die het menschenhart tot een weemoedige blijheid stemt.
+
+Reeds wilde de man naar beneden gaan en zich bij zijn luidruchtige
+makkers voegen, toen hij opeens in het Noordwesten een zeil ontdekte,
+dat zijn opmerkzaamheid trok.
+
+Het was »_De Vliegende Hollander_" die het voorgebergte om zeilde en nu
+snel naderde.
+
+Toen de Boekanier den vreemden vorm van het schip zag en door zijn
+groote snelheid verrast werd, vermoedde hij eenig gevaar en schoot
+onmiddellijk een kanon af, dat tot het geven van een alarmsein boven op
+de rots geplaatst was.
+
+De donder van het zware geschut klonk krachtig over de wateren en
+weergalmde tot ver in het dal.
+
+Eenige minuten lang heerschte er een diepe stilte. Toen klonk een
+verward geschreeuw en gejoel. De Boekaniers grepen allen naar de
+wapenen, vlogen de booten in en roeiden naar boord van hun schepen, die
+binnen weinige oogenblikken strijdvaardig waren. Een groot aantal
+bejaarde mannen stroomden intusschen haastig naar den smallen ingang van
+de baai, om met een ijzeren boom den doortocht te versperren. De overige
+bewoners vluchtten met hun kostbaarheden naar een versterkt gebouw aan
+den oever, waar zij de kanonnen laadden, vast besloten zich tot het
+uiterste te verdedigen.
+
+Inmiddels werden de schepen naar de linkerzij van den ingang der baai
+gevoerd om daar voor anker te liggen. Terwijl den verwachten vijand dus
+aan den éénen oever het vuur van zes kanonnen uit het fort zou treffen,
+konden zij hem van terzijde met het geschut van hun vaartuigen
+beschieten.
+
+Boven op de rotsen stonden een paar aanvoerders om den gewaanden, snel
+naderenden vijand vandaar in oogenschouw te nemen en door teekens aan de
+Boekaniers in de sterkte en op de schepen bevelen te geven. Met
+verwondering ontdekten zij alleen een enkel klein vaartuig, maar de
+vlugge bewegingen, het sombere, krijgshaftige voorkomen van het schip en
+zijn vreemdsoortige bouw brachten hen in de hoogste verbazing.
+
+»_De Vliegende Hollander_" naderde nu den smallen ingang van de baai.
+Hier lagen een paar zandbanken, die voor een vreemden schipper
+allergevaarlijkst konden worden, doordat men ze zelfs bij eb en stil
+weer niet zien kon. Een ervaren zeeman die met de plaatselijke
+gesteldheid door en door bekend was, kon ze alleen vermijden. Maar »_De
+Vliegende Hollander_" gleed als een zwaan over de gevaarlijke plaats
+heen en liep rustig tot voor den ingang van de baai.
+
+Tot op dit oogenblik hadden de Boekaniers bedaard den loop der zaken
+afgewacht, maar zoodra het vreemde schip aan den ingang der baai gekomen
+was, richtten zij een geladen kanon naar een plaats in zee, een
+kabellengte van het vreemde schip verwijderd, en schoten het af. Een
+kogel plofte in zee en de golven sisten en spatten hoog op, vlak voor
+den boeg van »_De Vliegende Hollander_".
+
+Dat was een dreigende en duidelijke waarschuwing om stil te houden.
+Onmiddellijk kwam er nu beweging in de masten en raas van het vaartuig,
+het roer werd gewend en al die manoeuvres gemaakt, waardoor het binnen
+een minuut stil lag. Toen zag men een vlag in den wind fladderen en
+spoedig werd het vuurroode doek met den witten dolk als de vlag der
+Boekaniers herkend. Nu vreesden zij voor verraad en beraadslaagden over
+de maatregelen die genomen moesten worden.
+
+Intusschen kwam van achter het vreemde vaartuig een kleine, nette boot
+te voorschijn, die als een notedop op de golven danste, naar den ingang
+van de baai roeide en daar verdween. De mannen die boven stonden konden
+haar nu niet meer zien, maar wachtten geduldig af, wat er beneden zou
+voorvallen.
+
+Opeens drong er een luide en algemeene kreet tot hen door. Was het een
+oorlogskreet? Maar neen, er viel geen enkel schot. Het was dus een kreet
+van blijdschap, die zoo lang aanhield.
+
+Zij verlieten nu hun hooge standplaats en ijlden in de grootste spanning
+naar het strand, om in de algemeene vreugde te deelen. Maar pas halfweg
+vlogen hun al boden te gemoet, die van blijdschap haast niets konden
+stamelen dan den beroemden en geliefden naam van Lolonois.
+
+Zoodra de Boekaniers op het strand aankwamen, zagen zij, dat vlaggen
+wapperden van al de schepen. De boom die den doorgang versperde was
+weggenomen en honderden Boekaniers sprongen en dansten als razenden op
+het smalle rotspad langs den oever heen en weer.
+
+Nu verscheen er een boot, waarin twaalf roeiers uit alle macht werkten
+om het nieuwe schip naar binnen te slepen. En zie, daar vertoonde zich
+de boegspriet en toen de geheele, zwarte romp van het fraaie schip met
+al zijn kanonnen. Alles begon te juichen en te jubelen zonder einde,
+toen Lolonois, de dappere, aangebeden Lolonois plotseling op het dek
+kwam en vroolijk den hoed zwaaide om de opgewonden Boekaniers te
+begroeten.
+
+Zoodra het schip binnen de baai was, donderden al zijn kanonnen een
+welkomstgroet en nadat de kogels er uitgenomen waren beantwoordden de
+stukken van het fort en van de vijf andere schepen deze saluutschoten.
+Het vreugdegeschreeuw uit honderden kelen klonk schaterend door de lucht
+en onder zóó'n geestdriftige ontvangst wierp »_De Vliegende Hollander_"
+het anker uit.
+
+Ja, onbeschrijfelijk was de geestdrift, waarmee Lolonois, de vorst der
+Boekaniers, die men dood waande, door zijn onderhoorigen werd ontvangen.
+Dit ruw en onverschrokken volk was van blijdschap buiten zich zelf; de
+genegenheid voor den buitengewonen man maakte die dapperen aan kinderen
+gelijk. Zij drukten zijn handen en kusten zijn kleeren, zij omvatten
+zijn knieën en vielen hem te voet. Wie ver af stonden moesten zich
+vergenoegen met door teekens hun vreugde te uiten. Vaders hielden hun
+knapen in de hoogte, om hem te zien, moeders brachten hun kleinen mee,
+om den grooten man aan te wijzen. Door uitgelaten blijdschap waren al
+die menschen, in weerwil van hun vele misslagen, in beminnelijke wezens
+veranderd.
+
+Lolonois stond midden in den kring van zijn vrienden. Hij kon met zijn
+schepelingen het strand niet verlaten, want ook zij werden met gejuich
+begroet. Eindelijk wenkte hij tot stilte. Het gedruisch ging eensklaps
+in een diep stilzwijgen over. Hij sprak toen allen aan:
+
+»Vrienden en wapenbroeders! Ik ben ontroerd, ik voel mij zoo gelukkig,
+dat ik weer bij u ben. Weest allen hartelijk gegroet! Ik vergeet gevaren
+en rampen, omdat ik zoo vriendelijk door u ontvangen word. Ik dank u. De
+Hemel sta mij toe, nog lang bij u te mogen zijn, om als uw trouwe
+broeder lief en leed broederlijk met u te deelen. Zijt mij nogmaals van
+harte welkom, en weest allen, van den grijsaard tot den jongste onder u,
+van avond mijn gasten. Gij zult allen de mijnen en ik zal de uwe zijn.
+
+Lang leven de Boekaniers! Dood en verderf over de hoofden van hun
+vijanden!"
+
+Een storm van vreugdegedruisch verhief zich nu weer en hield niet eerder
+op, vóór dat Lolonois in een van de grootste huizen der volksplanting,
+waar men hem heen geleidde, verdwenen was.
+
+Op de »_De Vliegende Hollander_" begon nu een groote bedrijvigheid. Al
+de manschappen waren bezig, de kostbare wijnen van Van Halen te lossen,
+nu Lolonois het voornemen had, om alle bewoners van de volksplanting 's
+avonds te onthalen. In de huizen waren al de vrouwen in de weer, op
+kosten van Lolonois een maaltijd toe te bereiden. Verscheidene booten
+voeren af en aan, om de kostbaarheden uit het schip aan wal te brengen,
+want nadat zijn tochtgenooten hun aandeel ontvangen zouden hebben, wilde
+Lolonois alles onder de gezamenlijke Boekaniers verdeelen.
+
+Verscheidene mannen namen in het versterkte huis de kisten in ontvangst
+en begrootten den rijken inhoud er van, waarna zij de waarde zorgvuldig
+noteerden. Het veroverde Spaansche schip had aan de regeering behoord en
+een lading in gehad van een half millioen aan goud en zilver.
+
+De verdeeling was binnen weinige uren afgeloopen. In dien tusschentijd
+had men op een fraai grasperk onder reusachtige katoen- en palmboomen
+lange tafels aangericht en groote vuren ontstoken. Allerlei huisraad had
+men er bijeen gehaald: banken, stoelen, zelfs die van de schepen, zoodat
+allen ruimschoots konden zitten. Op den achtergrond schaarden zich de
+negers, die er door nieuwsgierigheid heen gelokt waren en nu ving de
+maaltijd aan. Lolonois liet wijn uitdeelen, zooveel als ieder maar
+verkoos; niet één gevoelde zich ontevreden; ieder deelde in de algemeene
+vreugd.
+
+Later op den avond vormden zich overal schilderachtige groepen. Hier
+zaten ruwe Boekaniers broederlijk bij elkaar, terwijl lustig de beker
+rondging; daar weer belichtte het vuur de bruine aangezichten van eenige
+vrouwen, die luisterden naar wat een oud man haar vertelde van de
+moedige daden van haar echtgenooten. Onder de hooge takken van een
+katoenboom, waaruit de in hun rust gestoorde apen en papegaaien
+schreeuwend wegvluchtten, lagen ginds eenige zeelui bij elkaar en
+luisterden naar de verhalen van een grijzen makker, die geestdriftig van
+de vreeselijke gevechten vertelde, die hij had meegemaakt. Op plaatsen
+waar de maan het helderst scheen vermaakten zich eenige dansers en
+danseressen bij de zwaarmoedige tonen van een fluit en guitaar en op den
+achtergrond zag men de donkere gestalten van enkele negers die, door den
+wijn en de vreugde bijna dolzinnig, op de wilde tonen van een
+muziekinstrument uit hun eigen land en van een daarbij onontbeerlijke
+trom, hun vlugge dansen uitvoerden.
+
+In de baai lagen als zwarte monsters de lompe schepen en dit alles
+bescheen de maan met haar zachten, liefelijken glans. De nacht was kalm,
+de lucht zoel en vol aangename geuren, maar telkens werd de nachtelijke
+vrede onderbroken door de luide kreten: »Leve Lolonois! Leven de
+Boekaniers, dood aan hun vijanden," kreten die ver over de velden en
+diep in de bosschen weergalmden.
+
+Lolonois zelf nam echter aan deze feestelijkheden geen deel. Hij had
+zich na den algemeenen maaltijd in zijn bijzondere vertrekken
+teruggetrokken, waar hij, gelukkig met het bezit van zijn heerlijk
+vaartuig, droomde van nieuwe krijgsbedrijven, die hij met »_De Vliegende
+Hollander_" zou verrichten.
+
+En--zooals hij het zich droomde, gebeurde het ook.
+
+Door de steeds stouter strooptochten echter van de Boekaniers nam de
+onveiligheid in de West-Indische wateren zoodanig toe, dat het de
+opmerkzaamheid der Europeesche regeeringen tot zich trok en de handel op
+dat gedeelte van Amerika geheel te niet ging. Want de Boekaniers waren
+niet meer tevreden met het vermeesteren van enkele schepen der
+Spanjaarden, maar zij vielen ook geheele vloten aan, ja, veroverden en
+plunderden zelfs verscheidene steden aan de Amerikaansche kust.
+Langzamerhand strekten zij hun rooverijen ook tot Portugeesche, Fransche
+en Engelsche schepen uit. Lolonois zelf bleef wel is waar aan zijn
+beginsel getrouw om met de heele wereld in vrede, maar met de
+Spanjaarden in eeuwigdurenden oorlog te leven,--doch zijn invloed ging
+niet zóó ver, dat hij al zijn bondgenooten die op andere schepen waren,
+kon bewegen om naar hetzelfde beginsel te handelen.
+
+De regeeringen van Frankrijk en Engeland eischten eindelijk van Spanje,
+dat het de strooptochten der Boekaniers zou te keer gaan. Werden de
+West-Indische wateren niet binnen een jaar door de Spaansche regeering
+geheel van zeeroovers gezuiverd, dan zouden zij gedwongen worden niet
+alleen om de aangerichte schade te vergoeden, maar Frankrijk en Engeland
+zouden bovendien nog op de Spaansche Antillen verscheidene belangrijke
+punten in bezit nemen, om aldaar tijdelijke verblijfplaatsen op te
+richten voor de eskaders van hun vloten.
+
+Die bedreiging werkte meer uit dan al het nadeel, dat de Boekaniers tot
+nog toe aan Spanje hadden toegebracht. Te Madrid begon men zich de zaak
+nu ernstig aan te trekken en men besloot, eenige schepen tot uitroeiing
+der Boekaniers naar de Antillen te zenden. Men wendde zich tot Engeland
+en Frankrijk om bijstand en verkreeg vandaar twee goed uitgeruste
+fregatten en vier kleinere oorlogsschepen. Zoo vertrok dan een smaldeel
+van zes fregatten en zeventien kleinere vaartuigen uit Cadix naar
+West-Indië.
+
+De Boekaniers hadden de nauwkeurigste berichten ingewonnen omtrent de
+uitrusting en het aantal der schepen, tegen hen uitgezonden.
+
+Lolonois liet al de manschappen, die hij maar bezat, naar het
+Schildpadden-eiland komen, hij liet de haven nog meer versterken en
+bereidde zich met moed en alle krachtsinspanning tot verdediging voor.
+Er werd besloten dat men eerst een gevecht op zee zou beproeven en
+later, in geval van nood, naar het eiland terugkeeren om daar het
+uiterste te wagen.
+
+De schepen werden dus uitgerust en »_De Vliegende Hollander_", nu ruim
+een jaar in het bezit van Lolonois, zou alleen verder gaan en de
+naderende vijandelijke vloot opzoeken.
+
+Lolonois liet zijn vloot, die uit elf grootere en kleinere vaartuigen
+bestond, uitloopen tot op de hoogte van St. Domingo, met bevel, om hier
+zijn terugkomst af te wachten.
+
+Niet ver van Jamaïca ontmoette Lolonois de met volle zeilen varende
+vloot. Hij draaide dadelijk bij, om de schepen goed te kunnen opnemen en
+hun getal en bewapening te kunnen beoordeelen. Toen hij op een mijl
+afstand weer onder zeil ging, gebood het admiraalschip hem door een
+kanonschot, om weer bij te draaien. Maar de trotsche Boekanier heesch
+zijn vlag en, om den vijand te bespotten, daaronder de Spaansche.
+
+Deze moedige en trotsche uitdaging bracht leven en beweging op de vloot.
+Alle zeilen werden bijgezet om Lolonois terstond te achterhalen, maar
+hoe ook de wind de groote zeilen deed zwellen en hoe spoedig zij ook
+vorderde, bij het snelzeilende en kunstig gebouwde vaartuig mocht dit
+alles niemendal baten.
+
+Zoo achtervolgd voer »_De Vliegende Hollander_", gerust wegens den
+grooten afstand van de vloot, weer naar de plek, waar Lolonois zijn
+vrienden had achter gelaten. Tegen den morgen van den derden dag
+bemerkte hij de toppen der masten, die boven de meer en meer onstuimig
+wordende zee uitstaken. Nu liet hij alle zeilen bijzetten en ontsnapte
+zijn verbaasde vervolgers als een waterspook, dat zich eenige dagen lang
+met hen vermaakt had.
+
+Het beslissende oogenblik was nu gekomen. Lolonois plaatste zich met
+»_De Vliegende Hollander_" aan het hoofd van de vloot der Boekaniers en
+stelde zijn schepen in den vorm van een halve maan langs het eiland in
+slagorde, dat, met zijn prachtige, boschrijke bergen een heerlijken
+achtergrond vormde. De Spaansche admiraal verwonderde zich ten hoogste
+over de vermetelheid der Boekaniers, die aan zulk een overmacht met
+zoo'n klein aantal schepen weerstand durfden bieden en gaf dadelijk
+bevel tot den aanval. Een kwartier later lag hij met zijn fregat
+tegenover »_De Vliegende Hollander_". De andere schepen hadden ook ieder
+hun tegenpartij gevonden en nu volgde een losbarsting van geschut, die
+hemel en aarde deed sidderen.
+
+Zóó evenwel waren de Boekaniers niet gewoon te vechten. Zij enterden,
+nadat zij hun vijanden eenige kogels toegezonden hadden, en toen begon
+een verschrikkelijke strijd! Lolonois sprong met vijfentwintig zijner
+getrouwste mannen aan boord van het admiraalschip. Hoewel de manschappen
+zich moedig verdedigden drong hij de Spanjaarden terug en eer een
+kwartier verloopen was daalde de admiraalsvlag en wapperde op het fregat
+de roode vlag der Boekaniers van den grooten mast. Lolonois en zijn
+razende Boekaniers leken voor de ontstelde Spanjaarden zooveel helsche
+geesten die uit de onderwereld opgedoken waren, om hen te verdelgen.
+
+In dit oogenblik raakte ook een Fransch fregat in brand en een kotter
+van de Spaansche vloot vloog met een donderend geraas in de lucht. De
+Boekaniers hieven een luiden zegekreet aan: De overwinning scheen aan
+hun kant te wezen.
+
+Maar er hadden zich nog verscheidene schepen van de Spaansche vloot
+buiten gevecht gehouden. De kapiteins van die schepen schoten nu de
+andere vaartuigen te hulp, een groot oorlogsschip ging naast het
+admiraalschip liggen en niettegenstaande den wanhopigen tegenstand der
+Boekaniers kwamen er vijftig dappere soldaten aan boord. Zoodra die zich
+in het gelid konden plaatsen richtten zij een verschrikkelijk geweervuur
+op Lolonois en zijn woeste metgezellen, en van het andere schip
+overlaadde men »_De Vliegende Hollander_" met kogels. Doordat deze met
+enterhaken aan het fregat geketend was, kon hij met zijn kanonnen niets
+uitrichten. Ook in het midden werd de strijd weer met nieuwen moed
+begonnen, daar een Spaansch schip in de plaats van het brandende
+Fransche fregat was gekomen, waardoor dit in staat was, het vuur van
+zijn zeilen en tuig te blusschen.
+
+Een der schepen van de Boekaniers zonk plotseling, twee werden er,
+ondanks den woedenden tegenstand geënterd en door de Spanjaarden
+genomen, zoodat het gewonnen voordeel al weer heel spoedig verloren
+ging.
+
+Maar nog was alles niet verloren, nog bleven de andere Boekaniers moedig
+op hun plaats.
+
+Plotseling scheidden zich twee schepen, die vreeselijk door het vuur van
+de groote Engelsche fregatten geleden hadden. De Boekaniers die er op
+waren zetten alle zeilen bij en sloegen op de vlucht. Dit besliste
+alles. Lolonois die met onuitsprekelijke inspanning, volharding en
+doodsverachting tot nog toe het Spaansche fregat had mogen behouden,
+bemerkte met diep leedwezen wat er plaats had. Ook zag hij, dat de
+Engelschen, in plaats van de vluchtenden te achtervolgen zich omwendden
+en naderbij kwamen, om de schepen die nog overgebleven waren, tusschen
+twee vuren te nemen en in den grond te boren. Hij werd door
+moedeloosheid overvallen, gaf het sein tot den aftocht en liet de andere
+Boekaniers, die zich nog met de grootste dapperheid verdedigden, weten,
+dat zij zich redden moesten zoo goed zij konden. Hij zelf, als de laatst
+overgeblevene, stak het admiraalschip in brand onder het fluiten van
+tallooze Spaansche kogels, waarop de naar beneden gevluchte manschappen
+weer aan dek verschenen, doordat zij bemerkten, dat er hulp opdaagde.
+Hierop liet hij de enterhaken waarmee »_De Vliegende Hollander_" aan het
+admiraalschip vast zat, wegnemen, het schip onder het kanonvuur van het
+vijandelijk fregat alle zeilen bijzetten, die het zwaar beschadigde
+vaartuig maar voeren kon en vluchtte weldra uit het bereik van het
+admiraalschip dat, in brand en geheel in wanorde, niet in staat was hem
+te vervolgen.
+
+Zoodra Lolonois een eind verder in zee was en zich buiten den kruitdamp
+bevond, die overal op de golven lag, zag hij vol ontzetting, dat de
+meeste schepen der Boekaniers omsingeld waren en in gevaar, genomen te
+worden. Hij was echter niet in staat te helpen en zoo moest hij met een
+gevoel van onmacht zien, dat er drie schepen veroverd en twee in den
+grond geboord werden.
+
+Behalve zijn eigen vaartuig en de drie vluchtende waren ze allemaal te
+gronde gegaan of in handen van de vijanden gevallen.
+
+Verscheidene schepen van den zegevierenden vijand probeerden het nu, om
+Lolonois te achterhalen, maar de hevige strijd had ze allen zoo'n schade
+toegebracht, dat geen enkel meer zeil kon voeren. Bovendien begon de
+lucht meer en meer te betrekken en uit het Noordwesten dreigde een
+hevige storm.
+
+De Spaansche bevelhebber gaf daarom aan zijn schepen last, dat zij hem
+zoo goed zij konden, moesten volgen en zeilde vooruit naar de straat,
+die het Schildpadden-eiland van Haïti afscheidt. Hij had hiermee de
+bedoeling zoowel een schuilplaats voor het naderend onweer te zoeken als
+om van den eersten schrik gebruik te maken, ten einde de volksplanting
+der Boekaniers te verwoesten. De gevangen Boekaniers moesten als gidsen
+dienen.
+
+De vernieling van de vloot der Boekaniers had men van hier ook gezien en
+al wat maar vluchten kon trok diep de bosschen in, waarmee toenmaals het
+grootste gedeelte van het eiland nog bedekt was.
+
+De Spanjaarden kwamen dus ongehinderd in de baai.
+
+Toen verwoestten en verbrandden zij de meeste gebouwen, nadat zij alles
+afgeplunderd hadden. De weinige overgebleven Boekaniers weken naar
+eenige eilanden, om nooit weer naar hun vorige kolonie terug te keeren.
+
+Lolonois had nauwelijks zóóveel zijner manschappen gered, als tot den
+dienst van zijn vaartuig noodig waren. De anderen hadden den dood in den
+strijd gevonden en lagen op den bodem der zee. Vervolgd en bedreigd, zag
+Lolonois in, dat het voor hem niet geraden zou zijn, nog langer in
+Amerika te blijven. Hij verliet dus de Antillen en zeilde naar Bahia,
+waar hij de schade aan zijn schip herstelde. Eer hij daar nog geheel mee
+gereed was, werd hij met gevangenschap en dood bedreigd, want door een
+toeval was zijn naam ontdekt. Hij lichtte dus de ankers en koos zee,
+hoewel hij twee van zijn manschappen, waarvan hij de terugkomst niet kon
+afwachten, aan wal moest achterlaten.
+
+En sedert zwierf Lolonois, uit nood en verbittering nu een werkelijk
+zeeroover, op schier alle zeeën rond. Hij leerde zijn vaartuig
+voortdurend beter kennen en hoe langer hoe meer waardeeren; hij bedreef
+met dit schip ongehoorde daden en werd de schrik van iederen eerzamen
+koopvaarder. De buitengewone vlugheid van zijn vaartuig stelde hem in
+staat ieder schip in te halen, iederen vervolger te ontvluchten, en met
+een bijna spookachtige snelheid zich op plaatsen te bevinden, waar men
+hem somtijds honderden mijlen van verwijderd waande.
+
+Was reeds bij het leven van Van Halen die snelheid van het schip een
+raadsel geweest, nu vereenigden zich met dat onbegrijpelijke nog de
+vreemde naam en de vrees voor de bloedige wreedheid der bemanning.
+
+En zoo ontstond onder het zeevolk van die tijden langzamerhand
+gemakkelijk de legende van het spookschip »_De Vliegende Hollander_".
+
+Want geen mensch was toenmaals bijgelooviger dan de zeeman: Hoevele
+natuurverschijnselen deden zich ook aan hem voor! Verschijnselen die
+tháns door de wetenschap verklaard worden, maar vroeger wel aan den
+invloed van goede of booze geesten moesten worden toegeschreven.
+
+Het eenzame, stille van den nacht maakte des zeemans gemoed ontvankelijk
+voor allerlei fantastische indrukken. In den wind, die door het want
+suisde, klonken hem de stemmen van bovenaardsche wezens tegen, nu eens
+lispelend, jolig en blij, dan weer weemoedig, huilend, snerpend.
+
+Uit de grillige wolkgevaarten, uit het schuim der golven, in dartelend
+gespeel met het licht der maan, of dreigend uit den pikdonkeren nacht
+opstijgend en weer wegdompelend in de diepte, tooverde zijn
+verbeeldingskracht hem nu eens de liefelijkste en dan weer de
+afgrijzelijkste gedaanten voor den geest, en bracht hem al het
+wonderlijke in herinnering, dat hij van zijn jeugd af reeds had hooren
+verhalen.
+
+Wat hij destijds bij zulk een verhaal voor zijn verbeelding zag, meende
+hij nu werkelijk te zien en vandaar ook dat er toen maar weinig zeelui
+waren die niet zwoeren bij hun ziel en zaligheid, dat zij op hun reizen
+een of meermalen het spookschip »_De Vliegende Hollander_" waren tegen
+gekomen.
+
+De manschappen waren slechts vier in getal: de kapitein, de bootsman, de
+kok en één matroos, allen stokoude grijsaards die stadig in de kajuit om
+elkanders ziel zaten te dobbelen tot op den jongsten dag, terwijl hun
+schip rusteloos voortsnelde, in zijn vaart verlicht door vlammen, die
+langs de masten en de raas rondflikkerden.
+
+De zeilen waren grauw als aarde, en de vlaggen waren vaal als de
+verbleekte kleuren van doodskransen. Leeg was het dek, geen stuurman
+stond aan het roer. De vaart van het schip geleek een vlucht; het te
+ontmoeten was als een vloek en voorspelde onheil aan den bodem, dien dat
+te beurt viel.
+
+Gelijk een stormvogel vloog het voort, ook zelfs bij volkomen
+windstilte, en allen die het aanschouwden ging een ijskoude rilling door
+de leden.
+
+Zóó ijlde het spookschip de wateren over en zóó moest het _blijven_
+voortijlen tot in eeuwigheid.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+»IN DE VACANTIE."
+
+Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
+
+Prijs per deel ingenaaid [f] 1,--, in prachtband [f] 1,50.
+
+ * * * * *
+
+Serie A. Jongensboeken:
+
+1. JAEPIE-JAEPIE, Vierde druk,
+door C. Joh. Kieviet--Geïllustreerd door A. Rünckel.
+
+2. KAREL VERMEER, Tweede druk,
+door Ch. Krienen--Geïllustreerd door W. K. de Bruin.
+
+3. FRANS VAN DORENTIL, Vierde druk,
+door C. Joh. Kieviet--Geïllustreerd door A. Rünckel.
+
+4. TOCH NAAR ZEE,
+door N. W. C. Kuyk--Geïllustreerd door Frans van Noorden.
+
+5. DE AVONTUREN VAN VIER PRETMAKERS, Derde druk,
+door Ch. Krienen--Geïllustreerd door Joh. Braakensiek.
+
+6. TWEE ECHTE JONGENS, Derde druk,
+door Ch. Krienen--Geïllustreerd door C. van der Sluis.
+
+7. JONGENSLEVEN,
+door Mevr. van Woerden-Pop.--Geïll. door J. H. Isings Jr.
+
+8. HET JONGENSKAMP, Tweede druk,
+door Chr. van Abkoude--Met 6 fraaie platen.
+
+9. DE CLUB DER JONGE KANINEFATEN, Tweede druk,
+door N. W. C. Kuyk--Geïllustreerd door W. K. de Bruin.
+
+10. OP DE VLOOT VAN ADMIRAAL VERHUELL, Tweede druk,
+door J. G. Kramer--Geïllustreerd door J. H. Isings Jr.
+
+11. VAN EEN DIEFJESMAAT EN EEN SCHOOLJONGEN,
+door Joh. H. Been--Geïllustreerd door O. Geerling.
+
+12. MIJN JONGENSJAREN, Tweede druk,
+door Koen van Dam--Geïllustreerd door Joh. Braakensiek.
+
+13. INSTITUUT SPARRENHEIDE, Tweede druk,
+door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd door Jan Rinke.
+
+14. UIT DE VLEGELJAREN VAN HENKIE SNIP, Tweede druk,
+door N. W. C. Kuyk--Geïllustreerd door O. Geerling.
+
+15. JAN BLOEMER,
+door A. M. v. d. Linden-v. Eden--Geïllustreerd door O. Geerling.
+
+16. DE KLEINE HAMBURGERS OP REIS,
+door E. Gaehtgens--Geïllustreerd.
+
+17. LANGS DEN WATERKANT,
+door Cor Bruijn--Geïllustreerd door Frans van Noorden.
+
+
+
+
+»ONS GENOEGEN."
+
+Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
+
+Prijs per deel ingen. [f] 0,65, gecart. [f] 0,90,
+in prachtband [f] 1,10.
+
+ * * * * *
+
+Serie A. Jongensboeken:
+
+1. WILLEM VAN DEN MOLENAAR, Vierde druk,
+door P. Elzer--Geïllustreerd door A. Rünckel.
+
+2. MARC EN ZIJN OOM, Derde druk,
+door L. van der Meer--Geïllustreerd.
+
+3. DE TWEE BROEDERS, Vierde druk,
+door C. Joh. Kieviet--Geïllustreerd door A. Rünckel.
+
+4. BERT EN BRAM, Derde druk,
+door Chr. van Abkoude.--Geïllustreerd door A. Rünckel.
+
+5. VRIENDSCHAP, Derde druk,
+door W. Brouwer--Geïllustreerd door A. Rünckel.
+
+6. WILLEM'S VERJAARSGESCHENK, Tweede druk,
+door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd.
+
+7. DE KAPITEIN VAN MURAT, Derde druk,
+door W. P. de Vries--Geïllustreerd door Jan Rinke.
+
+8. BOB-ZONDER-ZORG, Derde druk,
+door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd door W. K. Prins.
+
+9. DERTIEN JAAR KRIJGSGEVANGEN, Tweede druk,
+door J. G. Kramer--Geïllustreerd door J. H. Isings Jr.
+
+10. EEN ONGELUKSVOGEL, Derde druk,
+door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd door W. K. de Bruin.
+
+11. FRANS BRANDER,
+door W. Brouwer--Geïllustreerd door Jos. Rovers.
+
+12. PETER DE VERSPIEDER, Tweede druk,
+door J. Gunst--Geïllustreerd.
+
+13. EEN AMSTERDAMSCHE JONGEN, Tweede druk,
+door H. W. Sonnega--Geïllustreerd door C. Jetses.
+
+14. DE VOETBALCLUB, Tweede druk,
+door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd door O. Geerling.
+
+15. VOLHARDING BEKROOND, Tweede druk,
+door W. Brouwer--Geïllustreerd door Frans Lazarom.
+
+16. VAN TWEE VRIENDEN,
+door B. Knoop--Geïllustreerd door Frans van Noorden.
+
+
+
+***END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VLIEGENDE HOLLANDER***
+
+
+******* This file should be named 34391-8.txt or 34391-8.zip *******
+
+
+This and all associated files of various formats will be found in:
+http://www.gutenberg.org/dirs/3/4/3/9/34391
+
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://www.gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://www.gutenberg.org/about/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit:
+http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+